summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78835-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-09 14:12:20 -0700
committerwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-09 14:12:20 -0700
commit8b9a20366a5919558ee226e369763808fbcca8f2 (patch)
treeca47007f8165b08921b920fd55865c734d021342 /78835-0.txt
Initial commit of ebook 78835 filesHEADmain
Diffstat (limited to '78835-0.txt')
-rw-r--r--78835-0.txt7499
1 files changed, 7499 insertions, 0 deletions
diff --git a/78835-0.txt b/78835-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..88058c1
--- /dev/null
+++ b/78835-0.txt
@@ -0,0 +1,7499 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***
+
+
+
+
+
+ HET
+ ONDERWIJZERESJE
+
+
+ DOOR
+ FELICIE JEHU.
+
+ GEÏLLUSTREERD DOOR
+ LOUIS RAEMAEKERS.
+
+
+ ALKMAAR—P. KLUITMAN.
+ 1908.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET EXAMEN.
+
+
+Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij
+daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van
+zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan
+zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en
+veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had
+naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en
+ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen.
+
+Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en
+niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon.
+
+En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn
+huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral.
+
+Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien,
+de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en
+buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld
+was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen
+weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds
+liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van
+militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel
+dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat
+hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was
+hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en
+dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat
+daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.
+
+Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de
+handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen
+beiden hun lot te dragen.
+
+En dan zijne kinderen!
+
+Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen
+vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen
+van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid
+van het huis uit.
+
+En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu
+negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als
+geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te
+genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig
+mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper
+meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne
+zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar
+hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds
+trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had,
+toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte.
+
+Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed
+of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo
+gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig
+te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond,
+werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita,
+zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar
+zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen
+dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine
+Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.
+
+Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger
+worden.
+
+Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een
+oogenblikje bij hem kon blijven.
+
+„Ben je daar, beste,” riep hij.
+
+De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.
+
+„Riep je, Johan?”
+
+„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt,
+het is al half drie.”
+
+Zijn vrouw zette zich naast hem neer.
+
+„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn.
+Valt de tijd je zoo lang?”
+
+„Ja, jou niet?”
+
+„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw
+voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?”
+
+„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”
+
+„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”
+
+„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel
+bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.”
+
+In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te
+kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van
+Thea.
+
+„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de
+lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er
+smalletjes uit in den laatsten tijd.”
+
+Haar man zuchtte.
+
+„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn,
+als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om
+zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en
+daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is
+miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”
+
+Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.
+
+„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat
+je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap
+bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het
+dadelijk weer van je te zullen overnemen.”
+
+„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor
+haar genoegen leven.”
+
+„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een
+betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld
+betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”
+
+Weer zuchtte mijnheer van Welderen.
+
+„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de
+gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet
+verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me
+dat kwelt.”
+
+Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.
+
+„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,”
+voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig
+te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”
+
+„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar
+man, maar ze viel hem in de rede:
+
+„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te
+treuren. Ik ga de jongens even opendoen.”
+
+Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico
+naar binnen.
+
+„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat
+waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet
+voorhoofd af.
+
+Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.
+
+„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem
+zijne krullen uit zijn gezichtje.
+
+„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en
+je haar die rozen geeft?”
+
+Nico knikte van ja.
+
+„Wat dan?”
+
+„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou
+weer van Thea les?”
+
+„Ja, vin’ je dat niet prettig?”
+
+„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel
+liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”
+
+Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het
+hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen
+hem al zooveel kostten.
+
+Toen hervatte hij:
+
+„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en
+je zult lief zijn en je best doen, niet waar?”
+
+Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit
+niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn
+moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam
+ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.
+
+Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.
+
+„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader.
+
+Jan schudde ontkennend.
+
+Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.
+
+„Jan,” zei hij weer.
+
+Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee
+gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden
+het de zusjes zijn?
+
+„Jan,” zei nog eens zijn vader.
+
+Doch Jan keek niet om.
+
+„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de
+ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:
+
+„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier,
+hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich
+zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur,
+roepend:
+
+„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”
+
+Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook
+naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een
+paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit
+papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste
+letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar
+haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.
+
+Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.
+
+„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de
+deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar
+vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met
+tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe
+gespannen zijn zenuwen waren.
+
+Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander
+hartelijk.
+
+„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk
+geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.”
+
+Nog een kus en Thea richtte zich op.
+
+„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan
+verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens
+flink.
+
+Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een
+mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje
+oprichtte, om gekust te worden.
+
+„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.
+
+„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.
+
+„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”
+
+Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar
+gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was.
+
+„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later
+niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je
+examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar.
+
+Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met
+een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens
+een schaaltje met bisquits.
+
+„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.
+
+„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter
+vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel.
+
+„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot
+antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar
+moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild
+met Vader moet zijn.”
+
+Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.
+
+„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn
+wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem
+had neergezet, stootte hij met Thea aan.
+
+„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n
+feestje vieren mogen!”
+
+Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat
+er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig,
+klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze
+brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen.
+
+„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.”
+
+„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet
+er ook bij zijn.”
+
+Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt:
+„ze is er door.”
+
+„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t
+me verteld voor ik naar school ging.”
+
+Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds
+geleegde glazen.
+
+„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.
+
+Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.
+
+„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je
+toch zeker het goede nieuws verteld?”
+
+„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten
+had, Thea was immers zoo knap.
+
+Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.
+
+„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op
+school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was,
+was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten
+tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij,
+dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar
+glaasje leeg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN KLOEK BESLUIT.
+
+
+Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.
+
+Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen,
+die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en
+moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou
+beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.
+
+Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit,
+hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de
+rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar
+jong gezichtje.
+
+Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn
+zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat
+krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het
+dierenrijk moesten voorstellen.
+
+Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij,
+dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en
+teekende veel liever een beetje.
+
+Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een
+gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had
+gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was
+ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar
+niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.
+
+En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!
+
+De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze
+zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders
+toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en
+dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit
+zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag
+toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt
+ging.
+
+Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende,
+zag ze, dat Nico verdwenen was.
+
+Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het
+nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het
+naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet
+ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen.
+
+Waar zou hij zijn?
+
+Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze
+zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea
+slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me
+naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.”
+
+Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare
+wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.
+
+Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:
+
+„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof
+er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les
+weggeloopen.”
+
+Toen Nico’s stem:
+
+„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea
+heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze
+heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar
+school?”
+
+Daarna weer haar vader:
+
+„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd,
+dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als
+Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur
+vroeger naar bed. Begrepen?”
+
+Nico begon te huilen.
+
+„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea
+niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”
+
+„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed?
+Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je
+weggeloopen bent.”
+
+Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had
+zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen.
+
+Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig
+op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend.
+
+Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop
+om en trad binnen.
+
+Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea?
+Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond
+vroeg naar bed moet.”
+
+Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.
+
+„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout
+geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....”
+
+Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.
+
+„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”
+
+Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich
+open latend.
+
+Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.
+
+Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken
+en bezorgd boog Thea zich over hem heen.
+
+„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.
+
+„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij
+me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.”
+
+Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:
+
+„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo
+afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het
+dichtslaan der deur.”
+
+Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:
+
+„Hoe kwam dat zoo?”
+
+Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat
+ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde
+zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen
+had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn
+schouder, zei ze:
+
+„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig,
+maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat
+beloof ik u.”
+
+Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog
+zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat
+hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij
+geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou
+blijken te zijn.
+
+„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een
+jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te
+meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een
+gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen
+jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en
+ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je
+afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet,
+geheel ongelijk heeft hij niet.”
+
+De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden
+lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen.
+
+„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen
+broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij
+hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.”
+
+Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge
+plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort
+was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al
+was die leerling haar broertje.
+
+„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat
+je een goed onderwijzeres bent.”
+
+Thea begon te schreien.
+
+„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af
+en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten,
+dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar
+Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”
+
+Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar
+het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf.
+
+Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond
+lag er al mee bezaaid.
+
+„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is
+je som af?”
+
+Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan
+haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze
+gehuild had.
+
+„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan
+moet je maar niet zitten suffen.”
+
+Nu keek zijn zuster werkelijk boos.
+
+„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je
+oogenblikkelijk naar bed te sturen.”
+
+Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het
+werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien.
+Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen:
+
+„Je hebt toch een lekker standje gehad!”
+
+Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van
+merkte.
+
+„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk.
+Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een
+leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven
+spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij
+triomphant zijn som aan Thea.
+
+„Al af,” zei hij.
+
+„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”
+
+„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu
+verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”
+
+„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar
+straks.”
+
+Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande,
+zei hij tusschen twee kussen door:
+
+„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit
+meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.”
+
+Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.
+
+„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je
+van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren
+en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.”
+
+De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag
+goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren
+kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten
+te zeggen, toen de les was afgeloopen:
+
+„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”
+
+„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend
+wegholde.
+
+Thea keek hem hoofdschuddend na.
+
+„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken
+en zijn lei wegbergend.
+
+Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar
+Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had,
+of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets
+spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen
+er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar
+boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze
+Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.
+
+Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar,
+eens kalm bij hem te gaan zitten.
+
+„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven
+ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.”
+
+„Voor mij, Vader?”
+
+„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als
+gouvernante.”
+
+„Is ’t echt?”
+
+Thea had een kleur gekregen van verrassing.
+
+„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik
+onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij
+kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.”
+
+Thea bloosde alweer.
+
+„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u
+immers?”
+
+Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:
+
+„Het is toch extern, niet waar?”
+
+Nu nam haar moeder het woord.
+
+„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn,
+maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.”
+
+„Maar dan toch hier in de stad?”
+
+„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het
+is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar
+eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?”
+
+Hier viel haar vader in:
+
+„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen,
+die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen
+hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij
+wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden
+salaris krijgen.”
+
+Thea keek verbaasd.
+
+„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.
+
+„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die
+familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten
+gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed
+het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.”
+
+Thea was stil geworden.
+
+Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn,
+die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar
+toch....
+
+„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.
+
+Haar vader schudde zijn hoofd.
+
+„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel
+onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.”
+
+Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.
+
+Haar moeder trok haar naar zich toe.
+
+„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg
+ze zacht.
+
+Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan
+haar borst.
+
+„Vreeselijk,” zuchtte ze.
+
+„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar
+toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi
+aanbod. Denk er eens kalm over na.”
+
+„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens
+beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er
+over nadenken.”
+
+„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.
+
+Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur
+liep, dat haar vader haar terugriep.
+
+„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”
+
+Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende,
+waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze
+zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit.
+
+„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo
+vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons
+aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen
+opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.”
+
+Thea glimlachte door hare tranen heen.
+
+„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”
+
+Haar moeder maakte een ontkennende beweging.
+
+„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je
+zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede
+betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en
+dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod
+afslaan.”
+
+Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.
+
+„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let
+er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van
+geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks
+zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”
+
+Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach,
+het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook
+haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”
+
+Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico
+haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde:
+„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur
+achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen
+den vrijen loop.
+
+Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes.
+Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een
+betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen,
+daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk
+gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een
+school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de
+gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en
+harten, die haar begrepen.
+
+En nu?
+
+Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet
+kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig
+was.
+
+En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat
+durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn.
+
+Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch
+moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren
+mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als
+haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van
+hare ouders te verlichten.
+
+Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.
+
+Het snikken was nu bedaard.
+
+Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen
+kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen
+te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen,
+dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze
+wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven
+uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan
+verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat
+zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet.
+
+En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem
+opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou
+dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te
+spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om
+het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een
+strenge onderwijzeres te worden.
+
+Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel
+veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou
+kunnen uitoefenen.
+
+Maar Nico hield ook veel van haar en toch....
+
+Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar
+besluit mededeelen.
+
+Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze
+verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:
+
+„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je
+eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat
+goed.”
+
+Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou
+haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht
+komen.
+
+Haar vader greep haar hand.
+
+„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.
+
+„Doe het liever straks nog,” verzocht ze.
+
+Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in
+orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet
+geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit
+den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+AFSCHEID.
+
+
+Wat een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar
+Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een
+behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes
+hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea
+een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.
+
+Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.
+
+Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en
+deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat
+haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis.
+Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in
+haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in.
+
+Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat
+ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes.
+
+Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde
+in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging
+wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes.
+
+Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school
+mocht.
+
+„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?”
+vroeg Thea.
+
+„Heelemaal niet.”
+
+Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen
+vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam
+zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen,
+die ze liefhad, moest achterlaten.
+
+Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen
+tijd tot veel nadenken.
+
+Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één,
+die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot
+nadenken had.
+
+Hoe hij haar missen zou!
+
+Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat,
+niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd
+gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op
+te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost
+geweest.
+
+En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn
+goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo
+heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders
+geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar
+het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd
+verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet
+altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel
+beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.
+
+Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve
+meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet
+gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een
+paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap
+had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere
+kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar
+wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte,
+zich in te houden.
+
+Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden,
+maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde
+de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet
+bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem
+verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen
+niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien.
+
+Zoo speelden ze comedie voor elkander.
+
+Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem
+zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering
+opzag.
+
+Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere
+meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar
+plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis
+zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd
+eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren
+gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze
+kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar
+thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat
+ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo.
+
+Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet
+missen?
+
+Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe
+ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten
+merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige
+natuur.
+
+Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had
+ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu
+was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven,
+terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes
+van Thea klaarmaakte.
+
+Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan.
+
+„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer
+alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”
+
+Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet
+mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar
+zich toe, om haar een kus te geven.
+
+„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te
+gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men
+niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand
+of wat kom je al weer eens thuis.”
+
+„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de
+Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op
+die kinderen passen.”
+
+„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar
+mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare
+kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf
+feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de
+wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”
+
+„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”
+
+Haar vader streelde haar hand.
+
+„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen,
+dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar
+noodig bent.”
+
+Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van
+haar vader.
+
+„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze.
+
+Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.
+
+„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten
+klank gevend, zei hij:
+
+„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in
+betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best
+is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen
+helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk,
+dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”
+
+Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?
+
+Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het
+meest verdriet deed in zijn leven.
+
+Ze kuste hem en sprong op.
+
+„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in
+staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu
+verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois
+voorlezen?”
+
+„Graag, kindje.”
+
+Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.
+
+Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen,
+laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen
+wilde.”
+
+Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.
+
+„Ja, Vader.”
+
+„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel
+rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes
+natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als
+ondergeschikte komt.”
+
+„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.
+
+Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een
+prinsesje was.
+
+„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen
+beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des
+huizes.”
+
+Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.
+
+„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.
+
+„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je
+misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je
+dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent
+natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld
+dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog
+draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en
+levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke
+plooi zal geven.”
+
+Thea keek somber voor zich uit.
+
+„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze.
+
+„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten
+toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden
+als je wilt.”
+
+„Dat wil ik, Vader.”
+
+Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo
+weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en
+zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van
+alle kanten wilden inwerken.
+
+Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar
+hoofd buigend, zei ze zacht:
+
+„Ik zal mijn best doen, Vader.”
+
+Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
+
+Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.
+
+„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.
+
+Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.
+
+„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan
+dekken.”
+
+„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend.
+„Ik zal je even helpen.”
+
+Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen
+om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja
+zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij
+had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het
+feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het
+eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed
+waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij
+elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de
+kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had
+zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder
+voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den
+trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in
+Brussel.
+
+Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den
+hals van haar zuster.
+
+„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.
+
+Ita schudde haar lachend van zich af.
+
+„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe
+Griet.”
+
+Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.
+
+„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet
+zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven,
+maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het
+minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?”
+
+Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.
+
+„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t
+belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven,
+wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets
+haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en
+onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van
+de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik
+niet.”
+
+Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen.
+
+„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen
+en dan ga je lekker slapen.”
+
+Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te
+kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra
+hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VAN HUIS.
+
+
+Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde
+onder de kap van het station uit.
+
+Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van
+haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet
+te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar
+hoekje neer.
+
+Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar
+gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader
+en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende
+familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen
+had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden
+hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar
+gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien
+was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen
+afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare
+wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met
+haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over.
+
+Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt
+moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een
+innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet,
+kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht
+had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.
+
+Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar
+of zeventien gaf ze haar niet.
+
+Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om
+weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren,
+die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet,
+dat het schepseltje er van had.
+
+Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar
+met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er
+geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens
+uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer
+passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en
+dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor
+ze het wisten.
+
+Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.
+
+Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.
+
+„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame
+tegenover haar.
+
+De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken,
+zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte
+aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde:
+
+„O, vreeselijk.”
+
+Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis
+moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde:
+
+„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”
+
+De dame begon te lachen.
+
+„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel
+reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel
+moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.”
+
+Thea keek haar verbaasd aan.
+
+„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze.
+
+„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo
+bedroefd niet zijn.”
+
+Thea begon te lachen.
+
+Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik
+haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les
+te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest.
+
+Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:
+
+„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar
+niet zijn op die school.”
+
+Thea had pret in ’t geval.
+
+Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen
+twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje
+zou worden aangezien.
+
+„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.
+
+„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”
+
+„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje
+ouder.”
+
+„Achttien dus?”
+
+„Neen, negentien.”
+
+Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.
+
+„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan
+nu nog naar kostschool?”
+
+„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”
+
+„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”
+
+„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”
+
+Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.
+
+„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”
+
+Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor
+bespottelijks aan was.
+
+„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf.
+
+De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.
+
+„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg
+jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als
+een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar
+daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel
+anders zijn, dan hij er uitziet.”
+
+Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”
+
+Thea keek stil voor zich.
+
+Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu
+dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden
+die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben!
+
+Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!
+
+Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw
+er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk
+woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er
+eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich
+naast Thea neerzette.
+
+Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s
+hand en fluisterde:
+
+„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”
+
+Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren,
+dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van
+hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen
+te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte,
+ontsnapte haar toch een snik.
+
+Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.
+
+Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en
+bood het haar aan.
+
+Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich
+gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een
+goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze
+haar hoofd schudde.
+
+Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar
+tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare
+tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar
+uiterste best onverschillig te kijken.
+
+„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.
+
+„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg.
+Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan
+doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken.
+
+Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging
+schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken,
+die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware.
+
+Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar
+en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel
+verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en
+van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest
+en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou
+verstaan, maakte haar boos en verlegen.
+
+Men naderde de grens.
+
+Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.
+
+„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij
+een genoegen zijn,” zei hij.
+
+Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de
+grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de
+douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp
+aannemen?
+
+Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:
+
+„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus
+bedankt voor uw beleefdheid.”
+
+Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte,
+maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al
+of niet aannemen van zijn hulp.
+
+Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte
+terug.
+
+Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was
+nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden
+moest.
+
+Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar
+koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea
+zitten, in plaats van tegenover haar.
+
+Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat
+verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.
+
+„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s
+beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.”
+
+„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.
+
+Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis
+faut mieux qu’ à côté.”
+
+Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te
+zoeken.
+
+Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé
+toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.
+
+Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie
+afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van
+Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou
+vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een
+verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die
+soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de
+knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand
+anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed
+en kwam toen op haar af.
+
+„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend.
+
+Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen.
+Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer
+zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra
+reed ze door Brussel’s straten.
+
+Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze
+zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de
+straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar
+Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om
+pleizier in dit alles te kunnen hebben.
+
+Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe
+voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige
+bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen,
+mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen.
+
+Thea voelde een rilling door hare leden gaan.
+
+De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van
+zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had
+toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang
+van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en
+Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de
+deftige salon van mevrouw van Gendringen.
+
+De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn
+gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij
+was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar
+daarom werkten zijne gedachten toch wel.
+
+En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem
+volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had
+voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind.
+
+„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe
+mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel
+van een grenadier en nu zoo’n pop.”
+
+Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar
+uitging, de lange vestibule door en de breede trap op.
+
+Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij
+gaand, om haar te laten passeeren, zei hij:
+
+„Mademoiselle van Welderen.”
+
+Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.
+
+In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte
+op, groot en statig.
+
+Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel,
+alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze
+veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld
+hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw
+van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend
+vond.
+
+Toen met een handgebaar naar een der stoelen:
+
+„Neemt u plaats.”
+
+Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles,
+de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht
+en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen:
+
+„Heeft u een goede reis gehad?”
+
+Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.
+
+„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem
+klonk haar als die van een vreemde in de ooren.
+
+„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer
+aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien
+en gesproken te hebben.”
+
+De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.
+
+Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van
+Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend.
+
+„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.
+
+„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig
+jaar was, dat is u immers?”
+
+Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel,
+alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein
+tenger persoontje te zijn, als nu.
+
+„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.
+
+„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien
+al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen
+van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te
+wagen.”
+
+Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.
+
+Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede
+familie, als haar toekomstige meesteres.
+
+Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen
+recht aan.
+
+Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een
+mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter
+en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien
+zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken
+van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante
+harer kinderen.
+
+„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste
+van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar,
+Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn
+zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer
+ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante
+heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar,
+zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”
+
+Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo
+verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de
+kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn
+toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van
+Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u
+zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.”
+
+Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij
+haar te brengen.
+
+„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook
+wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er
+trotsch bij.
+
+Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.
+
+Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van
+blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk
+volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was.
+
+Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te
+veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje
+had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit
+eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw.
+
+„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand.
+Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd
+worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar
+juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”
+
+Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden
+met haar.
+
+Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe.
+
+„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?”
+zei ze vriendelijk.
+
+Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van
+Gendringen.
+
+„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er
+haar voor straffen zult,” zei ze koel.
+
+Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon,
+dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en
+liefde:
+
+„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden.
+Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”
+
+Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje,
+goed op te passen.
+
+Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.
+
+„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.
+
+„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw
+gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner
+weer. U eet met de kinderen om twee uur.”
+
+Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te
+brengen.
+
+„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich
+daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea
+verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te
+hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+KENNISMAKING.
+
+
+Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit
+den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden.
+Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar
+gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond,
+als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor
+bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens,
+hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee
+uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende
+naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur.
+
+Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.
+
+Thea verliet haar kamer en ging een trap af.
+
+Waar zou ze moeten wezen?
+
+Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze
+er ooit wennen?
+
+Gelukkig, daar zag ze een bediende.
+
+„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar
+openend.
+
+Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer,
+ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond.
+In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er
+rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.
+
+Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door
+Constance.
+
+Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op
+haar gemak scheen te zijn, als zij.
+
+Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:
+
+„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”
+
+Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te
+binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter
+zijde opnemend.
+
+Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi,
+vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en
+onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden
+met haar, dat kind was niet gelukkig.
+
+De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.
+
+Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten,
+zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw
+nieuwsgierig aan.
+
+Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.
+
+Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets
+te zeggen, vroeg ze aan Constance:
+
+„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons
+eten we om half zes.”
+
+Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:
+
+„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om
+half zeven.”
+
+Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg
+Thea:
+
+„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”
+
+„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u
+en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker,
+hè?”
+
+Thea begon te lachen.
+
+„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel
+graag.”
+
+Armand keek haar eens aan.
+
+„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.
+
+„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”
+
+Het mooie kindergezichtje betrok.
+
+„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou
+houden, zoo zag u er net uit.”
+
+Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel
+ernstig te kijken.
+
+„Dan heb je je vergist.”
+
+Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”
+
+Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig
+familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich
+tot Constance.
+
+„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”
+
+Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”
+
+„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je
+nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het
+misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van
+het meisje, haar hoofd wat op te lichten.
+
+Ruw duwde Constance die hand terug.
+
+Thea kreeg een kleur.
+
+„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.
+
+Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea
+uitdagend aan.
+
+„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u
+dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u
+kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen,
+heelemaal niets.”
+
+Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.
+
+„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de
+vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”
+
+Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd,
+maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n
+blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde.
+
+„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal
+zelf wel zien, hoe ze is.”
+
+Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo
+toegesproken te worden.
+
+Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek
+dadelijk weer voor zich.
+
+Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig
+over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van
+straks te verklaren.
+
+„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt
+Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”
+
+Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar
+broertje toe:
+
+„Zwijg over Papa.”
+
+Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.
+
+„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van
+hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook
+wel.”
+
+Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar
+nieuwsgierigheid deed haar vragen:
+
+„Wat bedoel je toch, Armand?”
+
+„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van
+Stans.”
+
+„Och kom, je praat onzin, kind.”
+
+„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die
+hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had
+geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen
+mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”
+
+Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind,
+nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren.
+Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea
+al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen
+zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets
+vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het
+was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.
+
+Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.
+
+„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.
+
+„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen
+trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.”
+
+Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.
+
+„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij
+houden als van Armand.”
+
+„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”
+
+Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.
+
+„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”
+
+Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:
+
+„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?”
+
+„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”
+
+„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het
+eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en
+toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.”
+
+Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een
+heldendaad verteld had.
+
+Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend,
+maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij
+dingen zei en deed, die alles behalve lief waren.
+
+Ze zuchtte eens.
+
+Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide
+kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog
+zoo weinig ervaring.
+
+„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.
+
+Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.
+
+„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.
+
+„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.
+
+„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”
+
+Thea aarzelde.
+
+„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.
+
+„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het
+beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de
+dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat
+Mama in haar hoofd kreeg.
+
+„Constance,” zei Thea.
+
+„Wat is er, juffrouw?”
+
+„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”
+
+„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar
+eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen
+trad binnen, gevolgd door hare dochters.
+
+Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche
+gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van
+uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met
+mooie, witte tanden.
+
+„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,”
+zei Mevrouw.
+
+Thea boog.
+
+Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?
+
+Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit,
+maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder.
+
+Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:
+
+„Bella is ook bang voor Mama.”
+
+„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u
+dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet
+wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet
+waar Armand, beste, je weet den weg wel?”
+
+„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?”
+
+„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”
+
+„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”
+
+Bella trok een komisch gezichtje.
+
+„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je
+wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en
+de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door
+te gaan.
+
+„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort,
+niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen
+indruk van je krijgen.”
+
+Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een
+snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze
+meening voor zich.
+
+„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de
+kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance
+een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet
+Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag
+wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna
+wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar
+bed.”
+
+„Beiden te gelijk, mevrouw?”
+
+„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”
+
+„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....”
+
+„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen
+beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis
+natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me
+dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u
+in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór
+morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan
+houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de
+kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders
+rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond.
+
+Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een
+kushand terug gaf.
+
+Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.
+
+Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.
+
+Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen,
+begon ze te schreien.
+
+„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.
+
+Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek
+haar boos aan en zei:
+
+„Waarom kust u Stans en mij niet?”
+
+Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.
+
+„Ben je jaloersch?” plaagde ze.
+
+Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een
+minachtend trekje.
+
+„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”
+
+Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren
+moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar
+hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op
+zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had
+eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar
+moesten maken voor de wandeling.
+
+Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde
+omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan
+los.
+
+Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het
+toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer
+ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben.
+
+Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na
+over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij
+aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten.
+
+Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van
+bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.
+
+Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere
+oogen keek door de reet.
+
+Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar
+Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:
+
+„Heeft u ook verdriet, juf?”
+
+Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere
+kijkers, die ook vochtig waren.
+
+Ze trok het kind op schoot en kuste het.
+
+„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”
+
+„Huilt u, omdat u van huis bent?”
+
+„Ja.”
+
+„Heeft u een pa en een ma thuis?”
+
+„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”
+
+Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”
+
+Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar
+goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.
+
+Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei:
+
+„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw
+pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.”
+
+Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden
+uitgesproken.
+
+„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,”
+dacht ze.
+
+Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.
+
+„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker
+instoppen, dan ga je rustig slapen.”
+
+„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma
+en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.
+
+Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden
+worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze
+zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug
+anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over
+haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen.
+
+„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een
+oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal
+het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?”
+
+„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.
+
+Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen
+kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.
+
+„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk
+eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?”
+
+„Als ’t u blieft. Dank u wel.”
+
+Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd
+tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten
+verlaten.
+
+Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.
+
+Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje,
+slaperig begonnen te staan.
+
+„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”
+
+Gewillig stond het kind op en greep haar hand.
+
+„Stopt u me dan eens lekker in?”
+
+„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een
+puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.”
+
+Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.
+
+„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij
+altijd.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.
+
+Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te
+storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea,
+laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in
+Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en
+ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”
+
+„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader
+kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren
+voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van
+mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar
+zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met
+zijn lieve stem:
+
+„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat
+in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?”
+
+Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen
+opgewekte brieven te schrijven.
+
+„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en
+begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt
+kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in
+een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van
+geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit
+aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”
+
+Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte
+gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier
+ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne
+indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten
+lezen, als ik weer bij hem ben.
+
+Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls
+’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral
+naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel
+begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel
+lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit
+zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me
+troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen
+was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.
+
+Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet
+niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in
+lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb.
+
+Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?
+
+Och neen, alleen maar anders.
+
+Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het
+huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben,
+neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met
+Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed
+als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den
+materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet,
+opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel
+andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te
+verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door
+goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen
+van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en
+toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen
+genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader
+eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat
+niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder
+kunnen bekennen.
+
+Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar
+vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom,
+dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar
+praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb
+leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is.
+
+Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is,
+Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van
+hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof
+niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.
+
+Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind
+wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van
+haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand
+veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand
+zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij
+oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters
+houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet,
+die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere
+huisgenooten.
+
+Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde
+voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!
+
+Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel,
+dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar
+treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want
+mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen
+maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze
+heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.
+
+Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar
+zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem
+een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer
+bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje,
+dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder
+hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind
+bedrogen.
+
+Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke
+aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert
+kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik
+vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of
+hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij
+haar dan vertellen kan.
+
+En daarin stijft zijn moeder hem!
+
+Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met
+hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles
+vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er
+in de leerkamer voorvallen.
+
+Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer,
+daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid
+neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en
+plaagt haar, waar hij kan.
+
+En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!
+
+Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had
+met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan
+had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook
+Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed
+stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de
+ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte
+ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te
+gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.
+
+Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze
+me heel beleefd, maar als altijd op een afstand.
+
+„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”
+
+Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor
+het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet
+gedaan had.
+
+Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.
+
+„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk
+haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij
+beslist had, durfde bemoeien.
+
+„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje
+van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.
+
+Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.
+
+„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna
+den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou
+vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan
+daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de
+ruit breken en Constance deed het niet.”
+
+Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over
+mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo
+groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:
+
+„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie
+dan wel de schuldige is.”
+
+Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik
+Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat
+waagde.
+
+Ik kleurde en zei zacht:
+
+„Het was Armand.”
+
+Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als
+aanklaagster.
+
+„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”
+
+Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl
+Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken
+van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die
+zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde,
+dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest,
+maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn
+onoprechtheid op de hoogte bracht.
+
+Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik
+staan en hield vol.
+
+„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal
+er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens
+onderzoekt.”
+
+Mevrouw van Gendringen ging zitten.
+
+„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat
+Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt,
+dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist
+moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen
+mond hooren, dat Constance de schuldige is.”
+
+Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.
+
+Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met
+een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag
+staan.
+
+„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend,
+„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”
+
+Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.
+
+Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”
+
+Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:
+
+„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”
+
+Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes
+grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij
+verlegen.
+
+„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.
+
+„U hoort het,” zei zijn moeder.
+
+Maar ik wilde het niet opgeven.
+
+„Heb jij dat gezien?” vroeg ik.
+
+„Ja.”
+
+„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”
+
+„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”
+
+„Met je bal?”
+
+„Ja.”
+
+„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”
+
+„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”
+
+Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.
+
+„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee
+dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee
+raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.”
+
+Dat kon mevrouw niet ontkennen.
+
+„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer
+van.”
+
+Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van
+verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide
+zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan.
+
+„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch
+mensch!”
+
+Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.
+
+„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”
+
+Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren
+en te troosten.
+
+„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.
+
+Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds
+voorspelde, zei ze:
+
+„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”
+
+Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik
+niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei
+ik:
+
+„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed
+gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”
+
+Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.
+
+Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:
+
+„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel,
+hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.”
+
+Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat
+ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel
+voldaan.
+
+Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed
+ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden.
+
+Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik
+denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind
+heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik
+gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden:
+Gaat u maar naar Stans.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN MOEIELIJKE TAAK.
+
+
+Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de
+kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende
+kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en
+liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den
+grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.
+
+„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk
+uitscheiden met vechten.”
+
+Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en
+trok er uit alle macht aan.
+
+Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige
+kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.
+
+„Laat los,” gebood ze.
+
+„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze
+plaagt me.”
+
+Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken,
+keek Thea naar de deur.
+
+Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in
+zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea
+maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw
+van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door
+het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu
+om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was.
+
+Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen
+waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.
+
+De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen
+bedaren.
+
+„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is
+nog erger, of je twee straatjongens bent.”
+
+„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige,
+valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat
+zien.”
+
+„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die
+gemeene jongen, hij wou niet loslaten.”
+
+Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.
+
+„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent
+gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander
+te beschuldigen.
+
+„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker
+wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”
+
+Thea keek Constance ernstig aan.
+
+„Waarom zei je dat?” vroeg ze.
+
+Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng
+aankeek en stotterde:
+
+„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen
+van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”
+
+Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te
+zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven
+omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.
+
+„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.
+
+Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand
+en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht
+hebben in een andermans leed.
+
+„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo
+onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is
+niet mooi.”
+
+Constance begon te huilen.
+
+„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik
+kreeg anders altijd de schuld.”
+
+„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand
+te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en
+dat moet je genoeg zijn.”
+
+„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.
+
+„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem
+voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al
+erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.”
+
+Dat was voor den verwenden jongen te veel.
+
+Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:
+
+„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks,
+Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,”
+en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend
+en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem
+nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde,
+zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer
+zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel
+dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan
+had.
+
+Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje,
+dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer
+ging, om haar eigen toilet te maken.
+
+Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij
+zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook
+beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken,
+dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was.
+
+Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een
+knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend,
+wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te
+lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de
+ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.
+
+Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat
+haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze
+had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed,
+bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik
+verdragen kon.
+
+Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres
+de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve
+moest zoo lang bij de kinderen blijven.
+
+Thea stond dadelijk op.
+
+Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek
+naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende
+oogen van Armand.
+
+Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een
+oogenblik stil.
+
+Wat klopte haar hart!
+
+Ze sloot hare oogen en slikte eens.
+
+Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen,
+natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen,
+dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had
+ze er aan kunnen doen.
+
+Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo
+tegen op te zien.
+
+Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje,
+wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te
+krijgen.
+
+Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het
+standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen
+te nemen.
+
+En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had
+en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte,
+had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde.
+
+Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.
+
+„Binnen.”
+
+Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in
+tegenwoordigheid van de meesteres des huizes.
+
+Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.
+
+Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.
+
+Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van
+Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer
+indruk te maken, zei ze:
+
+„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”
+
+Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze
+veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen
+gehinderd had.
+
+Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.
+
+„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben
+hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij
+doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den
+grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de
+waarheid of niet?”
+
+Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden.
+Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er
+aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.
+
+Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge
+oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen.
+
+„En u stond daarbij en zag toe?”
+
+„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun
+schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was.
+Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar
+vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.”
+
+„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen
+ophouden, nietwaar?”
+
+Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!
+
+En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.
+
+„Nu, is u dat niet met me eens?”
+
+Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze
+tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:
+
+„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo
+driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede
+te doen verstaan.”
+
+„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op.
+„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.”
+
+„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....”
+
+„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen
+geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw
+goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed
+kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een
+ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng
+genoeg kan worden tegengegaan.”
+
+„U vergist zich werkelijk....”
+
+„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons
+onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op
+maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik
+hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik
+u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van
+mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen
+waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers
+zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer
+kunnen vergeven.”
+
+Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en
+knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.
+
+Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag
+en leunde tegen de omlijsting.
+
+Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om
+het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester
+te worden.
+
+O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van
+Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.
+
+En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!
+
+Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.
+
+Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat
+ze liever wegging?
+
+Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden
+ze daar thuis wel van zeggen?
+
+Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had
+nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat
+moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens
+schoolgeld ze beloofd had te zorgen!
+
+Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg,
+dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking
+niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen
+te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze
+het haar niet op zoo’n toon te zeggen.
+
+Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke
+moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door
+de protectie van zijn moeder.
+
+Maar komaan, ze gaf den moed niet op!
+
+Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde
+zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag
+afkomen.
+
+„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat
+ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van
+aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een
+dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig
+popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat
+beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te
+vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend
+verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar
+de leerkamer.
+
+Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat
+niet voor niets gezegd hebben.
+
+In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar
+nieuwsgierig opnamen.
+
+Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het
+een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen.
+
+„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”
+
+Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar
+één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had
+opgegeven.
+
+Thea keek boos.
+
+„Is dat alles?” vroeg ze.
+
+„Ja juffrouw.”
+
+„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je
+schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening
+vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”
+
+Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was
+dat haar lieve jufje?
+
+Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht
+weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van
+Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij
+poppetjes geteekend had.
+
+Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen
+te maken, door het zelf uit te schateren.
+
+Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.
+
+„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch
+niet was.”
+
+Thea keek hem strak aan.
+
+„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som
+in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit
+versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.”
+
+Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit
+zoo.
+
+Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen
+tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best
+hooren kon:
+
+„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad
+heeft.”
+
+„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea,
+of die gehoord had, wat haar broertje zei.
+
+Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen.
+Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze
+hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te
+hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van
+onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat
+ze haar gehinderd hadden.
+
+Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was
+daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik
+niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen.
+
+En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen
+oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te
+zetten, vóór de kinderen naar bed waren.
+
+Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van
+haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar
+lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was
+toch niet zoo druk als anders.
+
+Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was
+opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien
+dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was,
+hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve
+vriendelijk aan.
+
+Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en
+van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd
+weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar
+hand greep, om die te zoenen.
+
+„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u
+dien gekregen?”
+
+Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar
+servet wat op en antwoordde:
+
+„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een
+familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze
+moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu
+had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en
+dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven,
+indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de
+reden, waarom ik het altijd draag.”
+
+Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in
+dezelfde familie was.
+
+Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg,
+of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:
+
+„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.”
+
+Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was
+en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon
+was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was
+bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen.
+Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht
+heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje,
+met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar
+Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid.
+
+Ze schreef:
+
+
+ Liefste Moeder en Vader,
+
+ Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik
+ vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier
+ met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om
+ mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet
+ ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te
+ kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel
+ opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu
+ en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te
+ worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog
+ een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar
+ huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en
+ als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de
+ gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo
+ ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte
+ mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust
+ tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor,
+ dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!
+
+ Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie
+ ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar.
+ Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange
+ brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen
+ en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.
+
+ Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw
+ voorbij en ik moet gaan studeeren.
+
+ Vele, vele kussen voor allen van
+
+ Uwe Thea.
+
+ Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu
+ misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo
+ over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op
+ letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind
+ giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft
+ wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel
+ opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe,
+ maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel
+ begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten.
+
+
+Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den
+geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet
+meer.
+
+Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.
+
+Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer
+minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.
+
+Maar nu was ze doodop.
+
+Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over
+hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink
+genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWENEN ARMBAND.
+
+
+Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij
+den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende
+merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine
+gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat
+zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen
+loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.
+
+Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel,
+waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en
+greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband.
+Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen.
+
+Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het
+in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar
+Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig
+doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.
+
+Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld
+had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en
+hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen.
+
+Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan
+dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het,
+wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder
+had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan
+van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was
+tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk
+tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.
+
+Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!
+
+Waar zou hij het braceletje laten?
+
+Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam
+niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden
+lang vergeten in de kast staan.
+
+Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog
+sliepen.
+
+Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de
+verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de
+kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de
+speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het
+armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop
+van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug
+weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud
+geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat
+hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje
+rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich
+angstig en heel niet op zijn gemak.
+
+Als het eens uitkwam!
+
+Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats
+terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu
+eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit
+bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde
+opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.
+
+Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de
+gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.
+
+Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te
+helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde
+het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw
+te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een
+natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje
+stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.
+
+Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het
+ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze
+gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.
+
+Opeens greep Thea naar haar pols.
+
+„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb
+mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”
+
+Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de
+ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij
+elkaar.
+
+Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel
+interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af.
+
+Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen
+vinden.
+
+„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op
+de tafel, dat weet ik zeker.”
+
+„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de
+kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel
+geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.”
+
+Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring
+deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet
+verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was.
+
+„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij,
+„ik ben dadelijk terug.”
+
+Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze
+bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door
+netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand
+daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg
+zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans
+vroeg, of hij misschien ziek was.
+
+„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.
+
+„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”
+
+Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt
+gezicht.
+
+„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van.
+Jullie weet er toch geen van beiden iets van?”
+
+„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een
+gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te
+begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem
+gisterenavond nog afgelegd.
+
+„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.
+
+„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”
+
+Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond
+afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale
+handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar
+verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het
+uitkleeden den armband nog bezeten had.
+
+Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te
+zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de
+gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch
+eigenlijk de eenige mogelijkheid.
+
+Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben
+kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet
+gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen
+is geen kleinigheid.
+
+Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den
+tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden.
+
+Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het
+lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk
+en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald
+opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar
+niet over na.
+
+Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband
+terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een
+advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over
+hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de
+gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder
+niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo
+nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.
+
+Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem,
+dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en
+ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch
+wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen.
+
+Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer,
+ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar
+niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om
+haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in
+welke bladen ze adverteeren zou.
+
+Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist,
+wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat
+nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband
+afdeed, of niet.
+
+Had ze soms verdenking op de bedienden?
+
+Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan
+Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.
+
+„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar
+ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch
+in uw bijzijn ondervragen.”
+
+Ze schelde en beval Annette te roepen.
+
+Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig,
+daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd.
+
+„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen
+een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op
+tafel gelegd te hebben.”
+
+„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”
+
+„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met
+Annette spreek.”
+
+Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar
+zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was.
+
+Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:
+
+„Weet je iets van dien armband af, Annette?”
+
+Het meisje begon te schreien.
+
+„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze,
+„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd,
+dan zou...”
+
+„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand
+beschuldigt je van diefstal”.
+
+„En u zegt het.”
+
+„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen,
+weet je iets van dien armband af, ja of neen.”
+
+„Als ik nou toch.....”
+
+„Ja of neen.”
+
+„Mijn moeder zou.....”
+
+„Ja of neen, Annette.”
+
+In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze
+vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen
+aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw
+van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van
+instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare
+oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den
+rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.
+
+Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van
+Gendringen had het toch opgemerkt.
+
+Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.
+
+„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het
+verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet,
+waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.”
+
+Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:
+
+„Ja of neen, Annette.”
+
+Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en
+antwoordde nu:
+
+„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk
+meisje en....”
+
+„Dus neen, goed, je kunt gaan.”
+
+„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf
+beschuldigt....”
+
+„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.
+
+„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje
+verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.
+
+Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.
+
+„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden,
+juffrouw?”
+
+„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te
+beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn
+kamer geweest dan Annette.”
+
+„En die houdt u voor onschuldig?”
+
+„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”
+
+„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw
+armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in
+die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in
+de meest gelezen bladen.”
+
+„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.
+
+„Moet ik een belooning uitloven?”
+
+„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”
+
+„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het
+bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de
+zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der
+kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen
+bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de
+kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben,
+alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n
+vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus
+op, overmorgen.”
+
+Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de
+gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer
+Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd,
+onbarmhartig kritiseeren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+ Oudejaarsavond.
+
+Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan
+minder eenzaam en verlaten.
+
+Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel,
+dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me
+ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid
+bij mij opwekt.
+
+En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn
+dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik
+alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die
+lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want,
+wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld
+zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen,
+zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen
+zit?
+
+Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van
+Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar
+ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of
+tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters
+oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee
+mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo
+zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik
+thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was,
+tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk
+vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee
+gevraagd.
+
+Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet
+wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een
+wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb
+nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn,
+al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in
+huis beschouwt.
+
+Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de
+minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals,
+waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe
+mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is
+trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van
+eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit
+gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de
+gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik
+wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan
+de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.
+
+Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet
+zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en
+ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht
+heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd
+lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig
+liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben
+ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan
+niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.
+
+Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en
+innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb
+hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij
+weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij,
+door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven,
+haar overdreven liefde maakt haar blind.
+
+Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik
+werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke
+moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel
+eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer
+zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe,
+lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar
+Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in
+zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te
+schrijven.
+
+Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven
+steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje
+zendt mij van tijd tot tijd briefjes.
+
+Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?
+
+Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde
+tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje
+met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol
+grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en
+spelletjes doen.
+
+Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig
+met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de
+tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb
+en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze
+hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want
+als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar
+vergallen.
+
+Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets
+krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en
+als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken,
+het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt
+voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn,
+die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.
+
+Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem
+met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de
+kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en
+in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in
+alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te
+kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb
+ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.
+
+ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
+
+Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben
+in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen
+en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik
+verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren,
+of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden
+verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek
+mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen
+haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was
+zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me
+opgewekt had.
+
+Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van
+gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en
+dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar
+bed. Waarom zou ik nog langer opblijven?
+
+Toch moet me nog één ding van het hart.
+
+Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te
+worden op de meisjes hier?
+
+Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze
+jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd
+leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor
+mijn brood, hard werken zelfs.
+
+Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te
+helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en
+ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna
+in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen
+bezighouden.
+
+Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes,
+dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje
+zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens
+zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed
+staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het
+erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?
+
+Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was,
+zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou
+zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn
+nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de
+triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van
+tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die
+feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet
+op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en
+denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te
+vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om
+jaloersch op haar te zijn.
+
+Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat
+gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als
+ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s
+moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers
+dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.
+
+Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik
+niet eens met haar zou willen ruilen!
+
+En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van
+jaloezie ben ik nog niet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTDEKKING.
+
+
+Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die
+haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze
+zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien!
+
+Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en
+haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide
+terugzien.
+
+Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis
+geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat
+ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze
+het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel
+die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond,
+kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het
+zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst
+vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich
+verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was.
+
+Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch
+wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg
+en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven.
+
+Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een
+ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten
+dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had,
+het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden
+had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.
+
+Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje
+nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot,
+als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog
+veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had
+verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam,
+wist hij niet goed, hoe te handelen.
+
+Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht
+worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou
+kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de
+zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en
+kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan
+verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje
+minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het
+voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst
+hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch
+wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op
+een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij
+doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit
+de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit
+te pakken en naar het armbandje te zoeken.
+
+Daar lag het nog net als hij het verstopt had.
+
+Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer
+eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en
+Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat
+Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter
+hem stond.
+
+„Armand!”
+
+Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn
+hand.
+
+En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer
+naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest.
+
+Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat,
+haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien.
+
+Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig
+begon te lachen.
+
+Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?
+
+Waar had hij het gevonden?
+
+Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd
+hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat
+ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets
+heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt.
+
+In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door
+het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind
+indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk
+zijn? Maar waarom?
+
+Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers
+onzin.
+
+Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel
+van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny
+tegenover hem verdedigde.
+
+Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.
+
+Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te
+blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze
+schijnbaar bedaard:
+
+„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?”
+
+Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.
+
+„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.
+
+Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er
+over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden.
+
+Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger.
+
+„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”
+
+Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.
+
+Hij keek Thea boos aan en zei:
+
+„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het
+immers terug.”
+
+Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig
+verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen
+schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het
+gevonden had.
+
+Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.
+
+„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”
+
+Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe
+te kijken.
+
+Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en
+gilde:
+
+„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!”
+
+„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”
+
+Na een oogenblik aarzelen zei het kind:
+
+„Ik heb het gevonden.”
+
+„Waar?”
+
+„In de kast.”
+
+„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die
+kast opgeruimd.”
+
+„In een doos.”
+
+„In een doos? In welke?”
+
+„In die.”
+
+„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”
+
+De jongen begon te huilen.
+
+„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf,
+om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje
+gelooft er toch niets van!”
+
+Dat was te erg.
+
+Thea ziedde van drift.
+
+Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde
+nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.
+
+Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.
+
+Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de
+uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven
+als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist
+thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo
+hoorden aangaan.
+
+Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en
+hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had.
+
+„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”
+
+Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om
+kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich
+door haar drift laten beheerschen.
+
+„Nu juffrouw, is dat waar?”
+
+Thea boog het hoofd en zei:
+
+„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat
+Armand mijn armband gestolen had, dan....”
+
+„Juffrouw!”
+
+„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”
+
+„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen,
+ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”
+
+„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....”
+
+Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.
+
+„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”
+
+Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.
+
+„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten
+motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal
+beschuldigd.”
+
+„Ik vond hem spelend met den armband.”
+
+„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan,
+Armand?”
+
+Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot
+genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.
+
+„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.
+
+„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde
+Thea te zeggen.
+
+„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u
+blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?”
+
+„Ja.”
+
+„Maar mevrouw....”
+
+„Wanneer Armand?”
+
+„Vanmorgen.”
+
+„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”
+
+„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb
+weggenomen, wel Maatje?”
+
+Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.
+
+„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je
+begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets
+van je te moeten denken.”
+
+Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te
+huilen.
+
+„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”
+
+Het kind huilde door.
+
+Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.
+
+„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en
+zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die
+armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of
+andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is
+blijven liggen.”
+
+„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden
+opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos
+gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij
+niet vanzelf gerold zijn.”
+
+„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot
+zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent
+je en gelooft je.”
+
+„Dus gelooft u mij niet?”
+
+„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was,
+zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het
+algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U
+bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van
+uw bescherming.”
+
+Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu
+wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.
+
+Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou
+worden, omtrent het voorgevallene.
+
+„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon,
+maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze
+gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt
+is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te
+onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng
+aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat
+een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.”
+
+Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar
+wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd.
+
+Mevrouw van Gendringen vervolgde:
+
+„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante
+bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen,
+geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief
+uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met
+Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal
+ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo
+spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan
+toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.”
+
+„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.
+
+„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het
+kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen
+rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen,
+maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden.
+Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar
+naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op
+haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”
+
+In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op
+Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was
+zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het
+verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster
+stond, werd ze smadelijk weggezonden.
+
+Het bloed steeg haar naar het hoofd.
+
+„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen,
+was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar
+haar om te zien.
+
+Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven
+gehoord had.
+
+Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu
+wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.
+
+Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou
+hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze
+voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had
+kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van
+hare ouders gekregen.
+
+Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden,
+dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar
+moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt
+was.
+
+Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel
+aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die,
+hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had.
+
+Ze moest er nog eens over denken.
+
+Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?
+
+Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand,
+die te kort was gekomen in zijn plicht.
+
+Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins,
+toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde
+zeggen:
+
+„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is
+nu al weer voorbij.”
+
+„Voorbij, kind? Ik moet weg.”
+
+Van schrik liet Stans haar los.
+
+„Weg, moet u weg? Och neen!”
+
+„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”
+
+„Voor goed?”
+
+„Ja, voor goed.”
+
+„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.
+
+Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich
+tenminste bij iemand bemind had weten te maken.
+
+Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend,
+begon ze het kind te troosten.
+
+Maar Stans was ontroostbaar.
+
+„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”
+
+„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig
+leventje je nog eens krijgt.”
+
+Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal
+niet rooskleurig.
+
+„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze.
+
+Thea beloofde het.
+
+Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.
+
+„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze,
+„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”
+
+Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige
+dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea
+ging dien avond met een bezwaard hart naar bed.
+
+Wat zou de toekomst brengen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+NAAR HUIS.
+
+
+Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou
+en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had
+afgelegd, maar in omgekeerde richting.
+
+Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar
+weldra weer te kunnen omhelzen.
+
+En Vader, Ita, Bets en de jongens!
+
+Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien,
+hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn.
+
+Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!
+
+En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden
+zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar
+vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er
+was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet
+haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle
+moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar
+niet langer houden.
+
+Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?
+
+Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze
+was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo
+goed over haar dacht.
+
+Had ze dit kunnen voorkomen?
+
+En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor
+oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten
+meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen
+noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had
+moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch
+geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het
+weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven.
+
+Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging
+te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem
+altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het
+afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan.
+
+„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde
+opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had
+ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe
+gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor
+hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.”
+
+„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd,
+waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw
+moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den
+duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week
+al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook
+geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen
+wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor
+haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo
+streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind
+kon zijn.”
+
+Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw
+van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig
+had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof,
+die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor
+haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.
+
+Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking
+had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen,
+iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte,
+wat zou dat heerlijk zijn!
+
+Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.
+
+Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem
+verloren zou hebben.
+
+Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook
+iemand zag.
+
+Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze
+hartelijk.
+
+Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had
+gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze
+misschien nog nooit gedaan hadden.
+
+„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij
+was.
+
+„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als
+altijd en de kinderen maken het uitstekend.”
+
+„En jij?”
+
+„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”
+
+„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”
+
+„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren
+wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit
+door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.”
+
+Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan
+hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne
+donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog
+magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had.
+
+Toen ze in de tram zaten, zei Ita:
+
+„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je
+daar niet genoeg te eten?”
+
+Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.
+
+Toen fluisterde ze:
+
+„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”
+
+„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.”
+
+„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”
+
+Ita deed kwasi onverschillig.
+
+„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er
+lang blijven zou.”
+
+„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”
+
+„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”
+
+„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te
+schrijven.”
+
+„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er
+niet prettig, dat voel ik.”
+
+„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te
+lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd
+heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen.
+
+Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan
+huilen?
+
+„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.
+
+Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.
+
+Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover
+haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:
+
+„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”
+
+Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een
+betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven,
+dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk
+was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.
+
+„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom
+weer thuis.”
+
+„Weer thuis? voor goed?”
+
+„Ja.”
+
+„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”
+
+Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van
+haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief
+beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven
+en wist niet goed, wat nu te zeggen.
+
+Ita kwam haar te hulp.
+
+„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het
+was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een
+poosje thuis kwam.”
+
+Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder
+jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het
+vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand,
+bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren,
+waardoor het gesprek een andere wending kreeg.
+
+Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een
+handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren
+ze in de Columbusstraat.
+
+Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat
+omsloegen.
+
+Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar
+snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt
+wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen
+handdruk afdeed.
+
+„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.
+
+Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en
+overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.
+
+Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar
+negentien jaren, vloog naar haar toe.
+
+„Moesje!”
+
+„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo
+naar je.”
+
+Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als
+vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en
+voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig.
+
+„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.
+
+„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver
+weg.”
+
+„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op
+het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar
+Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten
+overlaten.”
+
+„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid
+uit hare oogen en zacht zei ze:
+
+„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”
+
+„Neen kindje, dat niet.”
+
+„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”
+
+„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen
+over.”
+
+„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan
+had.”
+
+„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed,
+dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”
+
+„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten
+opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar
+school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op
+je gewacht.”
+
+De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een
+teleurgesteld gezicht op te merken:
+
+„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”
+
+„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”
+
+Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het
+kind maakte een luchtsprong.
+
+„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!”
+
+„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes,
+dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal,
+verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen
+krijgen.
+
+Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te
+doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast
+niets naar binnen kon krijgen.
+
+„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit.
+Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd,
+omdat je daar veel van houdt.”
+
+Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst
+was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in
+den laatsten tijd geweest was.
+
+„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.
+
+„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.
+
+„Boos?”
+
+„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even
+erg.”
+
+Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een
+beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:
+
+„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik
+begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een
+volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven
+staan.”
+
+„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”
+
+„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken
+trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven
+was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas
+gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren,
+je zult zien, alles komt best terecht.”
+
+Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.
+
+„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door
+haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw
+beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.”
+
+„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons
+zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.
+
+Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met
+Armand, dan met Constance.
+
+„Hè Vader, waarom?”
+
+„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere
+meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te
+kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel
+verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te
+sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”
+
+„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is
+van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea.
+
+Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand
+grijpend, zei ze met een zucht van voldoening:
+
+„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+JAN’S RAPPORT.
+
+
+De volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was
+haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen
+daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om
+zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook
+hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug
+genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het
+wist.
+
+’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking
+aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had
+ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar
+beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen.
+
+Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen.
+
+Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van
+school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te
+gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn
+dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van
+aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij
+wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun
+weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was,
+dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf
+te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op
+school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte
+hem zenuwachtig en angstig.
+
+Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel
+vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo
+geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had
+hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel
+veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op
+aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn
+financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s
+avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet
+heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de
+dingen houden kon.
+
+En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een
+oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was
+overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste
+mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere
+Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om
+den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer
+geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was
+hij niet.
+
+Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed
+op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin,
+het Paaschrapport zou het uitmaken.
+
+Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea
+hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:
+
+„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar
+Jan?”
+
+„Best mogelijk,” bromde Jan.
+
+„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren,
+dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij
+vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet
+veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.”
+
+Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek
+naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat
+Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als
+Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren.
+
+„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je
+rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?”
+
+Jan duwde haar ruw weg.
+
+„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.
+
+„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei
+Ita.
+
+„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.
+
+„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.
+
+„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den
+leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een
+hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik
+en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een
+paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij
+er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was
+Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd
+hadden, voor goed in ongenade.”
+
+Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en
+het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:
+
+„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”
+
+„Jan en Willem.”
+
+„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi
+vind ik die soort grappen toch niet.”
+
+„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.
+
+„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te
+vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al
+eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”
+
+„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een
+standje geven, maar je niet voor den gek houden.”
+
+„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.
+
+„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”
+
+„Dat vind ik nu weer flink van je.”
+
+„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de
+schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal
+niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.”
+
+„En Willem?”
+
+„Nou, die zei het toen ook.”
+
+„En toen?”
+
+„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”
+
+„En weet Vader daarvan?”
+
+„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het
+land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er
+voor gekregen, uit was het.”
+
+„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis
+was?”
+
+„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”
+
+Thea zette een bedenkelijk gezicht.
+
+„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel
+mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele
+geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet
+van.”
+
+Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.
+
+„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij
+hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij
+Nico altijd zoover mee.
+
+Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en
+haar mantel aantrekkend, zei ze:
+
+„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal
+brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem
+zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.”
+
+„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”
+
+„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”
+
+Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder
+terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan.
+
+De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en
+Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te
+beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg,
+Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun
+opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd
+genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.
+
+Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan
+maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita
+thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was.
+
+„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”
+
+„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”
+
+Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.
+
+„Is Jan niet bij je?”
+
+„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”
+
+„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga
+maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of
+ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan
+een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met
+zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel
+bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog
+gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er
+tegenop zag, thuis te komen.
+
+Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi
+onverschillig toe.
+
+Thea maakte een gebaar van ongeduld.
+
+„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.
+
+„Waarom,” zei Jan, naderkomend.
+
+Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk:
+
+„Is het slecht?”
+
+„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.
+
+„Hoeveel onvoldoenden?”
+
+„Vijf.”
+
+„Maar Jan!”
+
+Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte
+ongeduldig op den grond.
+
+Thea zuchtte diep en zei:
+
+„Ga nu maar naar binnen.”
+
+Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand,
+zeggend:
+
+„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep,
+Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend.
+
+Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en
+van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met
+die slechte tijding naar binnen te gaan.
+
+„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen
+koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”
+
+Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden
+ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve
+Bets, die overbleef op school en Jan.
+
+„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader
+informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis?
+
+Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde:
+
+„Jawel Vader, hij is thuis.”
+
+„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”
+
+„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet
+binnenkomt. Hier is zijn rapport.”
+
+„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de
+enveloppe, die Thea nog steeds vasthield.
+
+„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder
+en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.
+
+Deze vouwde het open en werd bleek.
+
+„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die
+aanmerking van den directeur onderaan.”
+
+„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.
+
+„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”
+
+Haar vader las voor:
+
+„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag
+en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met
+Willem Meyer wel goed voor hem is.”
+
+Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar
+hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan.
+
+Nu verhief zich Nico’s stem.
+
+„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”
+
+„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde.
+Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet
+wist.
+
+„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder
+gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”
+
+Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou,
+moest Ita lachen.
+
+„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”
+
+Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.
+
+„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je
+blieft, wat weet je er van.”
+
+Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen
+had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op
+gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis
+vertelde.
+
+„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de
+kinderen, Vader.”
+
+Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan
+zelf wel spreken, ze moest hem maar halen.
+
+Ita had er niet veel lust in.
+
+„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.
+
+„Waarom ik?”
+
+„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik
+maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw
+beneden hebben.”
+
+Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor
+hem.
+
+„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur,
+bang, dat Vader zich driftig zou maken.
+
+Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde
+aan den knop.
+
+„Doe open, Jan.”
+
+Geen antwoord.
+
+„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”
+
+Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot
+omdraaien.
+
+Thea trad binnen.
+
+Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:
+
+„Wat zeggen ze er van?”
+
+Thea sloeg haar arm om zijne schouders.
+
+„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en
+dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht
+oppassen, Jan?”
+
+Haar broer haalde zijne schouders op.
+
+„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel
+na.”
+
+„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”
+
+„Laat me maar liever hier.”
+
+„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en
+geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk
+een standje, maar dat heb je verdiend, hè?”
+
+„Als ’t maar enkel een standje was.”
+
+„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn
+ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.”
+
+Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar
+beneden.
+
+Hij voelde zich ellendig.
+
+Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij
+wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd
+leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen.
+Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor
+zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij
+wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en
+toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.
+
+Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.
+
+Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.
+
+„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.
+
+Jan ging een paar passen vooruit.
+
+„Hoe vin’ je dat rapport?”
+
+Jan zweeg.
+
+„Antwoord me.”
+
+„Slecht.”
+
+„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is
+geen rapport om mee over te gaan, wel?”
+
+Jan trok zijn schouders op.
+
+„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan,
+Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een
+verdriet.”
+
+Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet
+verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink
+pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader
+er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.
+
+Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen
+van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij
+had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan.
+
+„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.
+
+„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van
+overwegenden invloed.”
+
+„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een
+enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.”
+
+„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan
+ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”
+
+„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde
+voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”
+
+Haar vader drukte haar hand.
+
+„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”
+
+„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet
+vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.”
+
+Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was,
+zoo’n echt goed kind.
+
+Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij:
+
+„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van
+de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”
+
+Jan beloofde het.
+
+Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.
+
+„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte
+geworden.”
+
+Jan kreeg een kleur.
+
+„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”
+
+„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel,
+nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang
+met Willem Meijer afbreekt.”
+
+Jan keek ontsteld op.
+
+„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”
+
+„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet
+niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je
+Willem loopen.”
+
+Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de
+nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden.
+
+„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook,
+maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij
+gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet,
+Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.”
+
+„En als ik dat nu bepaald wil?”
+
+Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden
+uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne
+neer.
+
+„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse,
+zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”
+
+„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van
+Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico
+trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was,
+zooals hij zei.
+
+„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te
+plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”
+
+Zich toen weer tot Jan wendend:
+
+„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult
+hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”
+
+Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende
+de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige
+oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en
+met zijne oogen knippend.
+
+„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”
+
+Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.
+
+„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.
+
+„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”
+
+„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.”
+
+Nu barstte Jan los.
+
+„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed
+vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt,
+hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je
+zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik
+hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is
+afschuwelijk.”
+
+Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.
+
+„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van
+de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat
+weet je zelf ook wel.”
+
+„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik
+er niet over denken, Willem te laten loopen.”
+
+„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”
+
+„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat
+niet, Moes?”
+
+Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in,
+dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was,
+dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in
+plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde,
+bewees, dat hij een goeden aard had.
+
+„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”
+
+Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd
+werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam
+niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij
+het kunnen volhouden?
+
+„Als ik maar kan, Moes.”
+
+„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook
+wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je
+heel slecht hebt opgepast.”
+
+„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens
+zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.”
+
+Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te
+doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de
+andere jongens.
+
+„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met
+hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt.
+Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar
+hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote
+vacantie.”
+
+„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”
+
+„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal.
+Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”
+
+Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij
+voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte
+brengen.
+
+„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”
+
+Zijn vader drukte hem stevig de hand.
+
+„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog
+terecht te brengen.”
+
+Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.
+
+„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een
+kus.
+
+Nico keek een beetje verbaasd.
+
+„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei
+hij, met zijn hoog stemmetje.
+
+Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning
+het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep,
+lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+THEA KRIJGT EEN NIEUWE BETREKKING.
+
+
+Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde
+klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af
+hadden gehad.
+
+„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd
+kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was
+gevallen.
+
+„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei
+Ita lachend.
+
+„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.
+
+„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.
+
+Maar Moes nam Bets’ partij.
+
+„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best
+op school, haar rapport is wat goed dezen keer.”
+
+Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar
+humeur te geraken, keek weer vroolijk.
+
+„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico
+op.
+
+Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms
+zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om
+Nico’s gezegde lachen moest.
+
+Bets werd verlegen.
+
+Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand
+vloog.
+
+Nico stompte dadelijk terug.
+
+„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten
+aan tafel?”
+
+Bets kreeg een kleur.
+
+„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.
+
+„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.
+
+„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”
+
+Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico
+nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel
+gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden.
+
+„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.
+
+Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat
+met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.
+
+„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je
+best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”
+
+„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je
+te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt
+en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij
+het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan,
+eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de
+resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude
+leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.
+
+Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.
+
+„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die
+altijd zoo met haar keel sukkelt?”
+
+„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt
+is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik
+hoorde het van onze juffrouw.”
+
+Weer verzonk Thea in gepeins.
+
+„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.
+
+„Waarheen?” vroeg Vader.
+
+„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij
+haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe
+onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet
+terug kan komen.”
+
+Moeder knikte haar vriendelijk toe.
+
+„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n
+korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was
+dat toch al iets.”
+
+Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de
+gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan,
+waar ze eens leerling geweest was.
+
+Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.
+
+„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.
+
+„Ja, vin’ je het soms niet goed?”
+
+„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor,
+je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!”
+
+Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets
+had opgewekt.
+
+„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.
+
+„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik
+heelemaal niet weten, wat ik doen moest.”
+
+„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven,
+stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”
+
+Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds
+zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van
+den tafel getrokken te worden.
+
+Bets keek bedenkelijk.
+
+„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan
+vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou
+je danken.”
+
+Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten
+luisteren, nam nu het woord.
+
+„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt
+gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op
+school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt
+niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres
+was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je
+net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat
+je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en
+Vader gaf Thea een knipoogje.
+
+Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze
+haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet
+eens en zou er misschien nooit komen.
+
+Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar
+zouden zijn.
+
+„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je
+maar aan en dan durf je niks,” zei hij.
+
+„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en
+toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te
+vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei
+meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor
+aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens
+pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over
+meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.”
+
+„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten
+laat. Willen we nu maar eens opstaan?”
+
+„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik
+juffrouw Lettinga dan wel thuis.”
+
+„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te
+laat.”
+
+Thea maakte zich dus klaar en vertrok.
+
+Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze
+liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den
+heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen,
+ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens
+met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart
+onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.
+
+„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de
+deur opende.
+
+Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze
+zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar
+twaalfde jaar bezocht had.
+
+„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik
+dacht, dat je in Brussel in betrekking was.”
+
+Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk
+vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote
+kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben.
+
+Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:
+
+„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met
+Bets niet in orde?”
+
+„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”
+
+„Voor jezelve?”
+
+„Ja juffrouw.”
+
+Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde,
+ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.
+
+„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.
+
+Thea raapte haar moed samen.
+
+„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”
+
+„Dat is zoo. En?”
+
+„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u
+misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij
+misschien zou kunnen gebruiken.”
+
+Oef, het was er uit.
+
+Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar
+bril.
+
+„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.
+
+Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw
+was, om iets te zeggen, of te vragen.
+
+Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.
+
+„Hoe oud ben je?” vroeg ze.
+
+„Bijna twintig.”
+
+„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”
+
+En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze
+er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits,
+dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden.
+
+„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik
+studeer voor Fransch.”
+
+„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd
+in Brussel geweest?”
+
+Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel
+geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had
+ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd.
+
+„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”
+
+Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?
+
+„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden
+moeielijke karakters.”
+
+„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”
+
+„Neen, gouvernante.”
+
+„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”
+
+Thea moest bekennen van niet.
+
+Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer
+waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs
+zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was
+geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze
+haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een
+tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de
+Paaschvacantie.
+
+Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te
+doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke
+leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar
+haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten
+geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren
+er grooter dan zij zelf.
+
+„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen
+af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat
+ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij.
+
+Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van
+Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar
+met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in
+den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed
+ze meteen een goed werk.
+
+„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren.
+Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor
+langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar
+juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel
+verergerd is.”
+
+Thea’s hart klopte wild van vreugde.
+
+„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”
+
+„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje
+verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen,
+die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een
+oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres
+daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets
+stoort toch altijd den gang van het onderwijs.”
+
+„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.
+
+Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.
+
+„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen
+zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je
+moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een
+taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”
+
+Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat
+het was.
+
+Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.
+
+„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.
+
+„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als
+juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor
+vast nemen, als ik u beviel?”
+
+„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen
+van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen
+kunt.”
+
+Thea stond op.
+
+„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand
+grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel
+gaan, het moet gaan.”
+
+Lachend schudde de juffrouw haar hand.
+
+„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je
+moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en
+ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken,
+groet je ouders van me en tot ziens.”
+
+Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze
+rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.
+
+Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.
+
+„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”
+
+„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat
+ben je toch een gelukskind.”
+
+Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws
+mededeelde.
+
+„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de
+juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als
+juffrouw Jansen niet terug kan komen.”
+
+Haar vader lachte om haar enthousiasme.
+
+„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te
+vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling.
+Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan
+komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.”
+
+„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les
+gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat
+anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te
+kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”
+
+„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook
+niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent,
+juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het
+dus niet heel gemakkelijk hebben.”
+
+„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een
+rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te
+worden, niet waar Vader?”
+
+Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.
+
+„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan,
+dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”
+
+Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.
+
+„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet
+waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten
+regeeren.”
+
+Thea lachte maar.
+
+„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve
+meisjes bij waren.”
+
+„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat
+meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze
+dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.”
+
+„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om
+raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een
+scheef gezicht deed trekken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VACANTIEDAG.
+
+
+Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de
+ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had,
+haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een
+doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om
+enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en
+was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar
+vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden
+onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen
+tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.
+
+Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei:
+
+„Neen, dat gaat niet.”
+
+„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”
+
+Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.
+
+„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet
+gaan.”
+
+Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?
+
+Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang,
+hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer.
+
+Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:
+
+„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een
+dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”
+
+Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze
+antwoordde dadelijk:
+
+„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”
+
+„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief
+door.
+
+„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn,
+die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”
+
+„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te
+laten, ik durf het niet goed.”
+
+Thea keek een beetje beleedigd.
+
+„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al
+een heel mensch.”
+
+„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de
+kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te
+scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.”
+
+Haar man greep haar hand en zei lachend:
+
+„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte
+kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor
+ze maar eens.”
+
+Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later
+stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar
+schort vasthield.
+
+„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”
+
+Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van
+het harde loopen.
+
+„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.
+
+„Welk kraantje?”
+
+„In de gang.”
+
+Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.
+
+„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is
+ondergeloopen.”
+
+Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.
+
+„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”
+
+Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht.
+
+„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in
+de gang open?”
+
+Bets begon te huilen.
+
+„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg
+Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er
+bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en
+nu bent u boos op mij.”
+
+Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde
+beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico.
+
+„Heb jij dat kraantje geopend?”
+
+„Ja,” knikte Nico.
+
+„Waarom?” vroeg zijn vader.
+
+„Zoo maar.”
+
+„Wou je de gang eens laten onderloopen?”
+
+De jongen begon te lachen.
+
+„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te
+draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”
+
+Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij
+slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei:
+
+„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk
+er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje
+nog langer open had gestaan.”
+
+Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.
+
+Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan.
+
+„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”
+
+Zich toen tot haar man wendend:
+
+„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”
+
+Deze laatste lachte eens witjes.
+
+„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”
+
+Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.
+
+„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita
+en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.
+
+„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet
+ik niet.”
+
+„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu
+maar eens op zij.”
+
+„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”
+
+„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je
+mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat
+je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat
+het dak nog op het huis zal staan.”
+
+„En het eten?”
+
+„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.
+
+Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te
+gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.
+
+Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en
+hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden
+kwamen en niets van de zaak wisten.
+
+„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita.
+
+„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”
+
+„Uit de stad?” herhaalde Jan.
+
+Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!
+
+„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg
+geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief
+zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees
+jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit
+den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar
+benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.
+
+Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep
+dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon
+te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging.
+
+Ita had zich intusschen vlug aangekleed.
+
+„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.
+
+„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar
+weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.”
+
+„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo
+leuk vinden.”
+
+Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:
+
+„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over
+vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als
+vandaag, komt misschien nooit meer terug.”
+
+Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan.
+
+„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.
+
+„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten
+maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes
+merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en
+u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n
+portret?”
+
+„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”
+
+„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het
+in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen
+gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?”
+
+„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig
+idee van je.”
+
+„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u
+dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze
+zich dadelijk wil opknappen?”
+
+Haar vader beloofde het.
+
+Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het
+vijftal opweg naar den photograaf.
+
+Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was
+met een ander bezig.
+
+Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de
+verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren.
+Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig.
+
+„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.
+
+Bets ging wat netter zitten en geeuwde.
+
+„Ik verveel me zoo,” zei ze.
+
+„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks
+zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.”
+
+Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te
+trekken.
+
+„Schei uit,” zei Jan.
+
+„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den
+spiegel gestaan?”
+
+„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.
+
+Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het
+haar van zijn broertje halend, plaagde hij:
+
+„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”
+
+Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn
+meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen
+hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war
+bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende
+oorvijg.
+
+Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te
+huilen.
+
+Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was
+geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan
+een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had.
+
+Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.
+
+„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”
+
+Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar
+broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden.
+
+„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de
+jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u
+dadelijk helpen.”
+
+Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze
+binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk
+gevormd was!
+
+Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.
+
+„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer
+ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”
+
+Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat
+hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist,
+dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd,
+keek nog knorriger.
+
+„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.
+
+„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,”
+veronderstelde de photograaf.
+
+Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter
+pret van houding veranderde en de groep in de war bracht.
+
+Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.
+
+„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.
+
+Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets
+zachtjes.
+
+De photograaf begon zijn geduld te verliezen.
+
+„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”
+
+Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig
+gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon
+ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door.
+
+Ita werd boos.
+
+„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de
+groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan
+moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.”
+
+„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil
+zijn, ik kan het echt niet helpen.”
+
+Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname
+eindelijk gedaan.
+
+„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.”
+
+„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”
+
+„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te
+doen.”
+
+Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita
+naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was
+naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste
+pak aan had.
+
+Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet
+weinig pret in het verhaal had.
+
+„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war
+gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of
+er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.”
+
+„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.
+
+„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.
+
+„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal
+worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en
+Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”
+
+Bets sloeg hare armen om zijn hals.
+
+„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school
+vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt
+en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch
+heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar
+het kan mij niks schelen, hoor.”
+
+Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de
+woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets,
+ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten.
+
+Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige
+uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze
+bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd.
+
+„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al
+de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.”
+
+Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader
+toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te
+zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat.
+
+„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch
+wat te zeggen.
+
+Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.
+
+„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de
+vriendinnetjes van Bets over mij spreken.”
+
+Thea zette zich bij hem neer.
+
+„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is
+geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms,
+dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat
+we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets
+goeds?”
+
+„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”
+
+„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren,
+„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld,
+dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk.
+
+Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en
+vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het
+was meer dan tijd.
+
+Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever
+had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere
+richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen
+en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar.
+
+Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.
+
+„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.
+
+Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op
+zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als
+een wildeman opstrijken.
+
+„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.
+
+Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond
+op.
+
+„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader.
+
+„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”
+
+„En werk je dan vandaag niets?”
+
+Jan keek mistroostig.
+
+„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”
+
+„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt
+voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.”
+
+„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret
+uit.”
+
+„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie
+heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”
+
+Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte
+ongeduldig met zijn eene been.
+
+„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op
+me.”
+
+„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat
+portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat
+lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af
+geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink
+werken, niet waar Jan?”
+
+„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat
+Thea het voor je vraagt.”
+
+Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong
+op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.
+
+Thea keek hem lachend na.
+
+„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem
+geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.”
+
+„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo
+onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je
+soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel
+liever gunde ik hem een vrije vacantie.”
+
+Ita knikte hem eens toe.
+
+„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea,
+weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt
+Moes die klaar, als ze thuis komt.”
+
+Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het
+toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met
+een dubbel drukken dag betalen.
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht
+helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige
+bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol
+gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe
+verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar
+uitstapje, thuis kwam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN MOEIELIJK BEGIN.
+
+
+De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in
+spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen.
+
+Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op.
+Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf
+haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg,
+wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de
+onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde
+beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze
+vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls
+amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te
+brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf,
+maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen.
+
+Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een
+wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had,
+toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds
+klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan
+de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat
+zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.
+
+De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler
+werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig
+schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo
+onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te
+hebben, als ze maar pret kon maken.
+
+Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de
+meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar
+geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig
+mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet
+deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk,
+maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet
+met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel
+aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde
+het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond
+behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom
+gegroefd hadden.
+
+Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan
+les zou moeten geven.
+
+„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet
+je wel, wie we krijgen?”
+
+„Neen, jij?”
+
+„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel,
+uit de vierde.”
+
+„Och neen!” en Louise schaterde het uit.
+
+„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”
+
+„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel
+grooter is dan jij, peuter.”
+
+Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.
+
+„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”
+
+Toen lachte ze en zei:
+
+„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een
+gezichtje.”
+
+„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna
+Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze
+heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze
+groot of klein is.”
+
+Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het
+hoofd.
+
+„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze
+klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”
+
+Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit.
+
+„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret
+hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons
+heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet
+te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”
+
+Anna Verloef trok haar aan haar mouw.
+
+„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”
+
+Louise keek haar weer spottend aan.
+
+„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft
+er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.”
+
+„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen
+lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk
+lastig te maken.”
+
+„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”
+
+Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw
+Lettinga en Thea.
+
+„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”
+
+De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea
+kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die
+op haar gezicht waren.
+
+Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.
+
+„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is
+er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal
+jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte
+haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen
+zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en
+verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam
+mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar
+Louise?”
+
+Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon,
+waarvoor ze respect had.
+
+„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal
+ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles,
+zooals u weet.”
+
+Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van
+stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen
+elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen,
+maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen.
+
+Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:
+
+„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”
+
+De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.
+
+„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een
+oogenblik, tot er werkelijk stilte was.
+
+Daar stak Louise haar vinger op.
+
+„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”
+
+„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon,
+„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een
+stoof.”
+
+Thea keek vreemd op.
+
+„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”
+
+„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op
+zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.”
+
+Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze
+heel rood werd.
+
+Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.
+
+Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te
+beheerschen.
+
+„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer
+vooraan komen zitten.”
+
+Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.
+
+Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:
+
+„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”
+
+„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart,
+maar voor het uiterlijk bedaard en kalm.
+
+Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik,
+Louise haar vinger weer op.
+
+„Wat is er nu weer, kind?”
+
+Louise zette een heel dom gezicht.
+
+„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”
+
+Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek
+gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke
+flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan.
+
+Maar dat was niet de bedoeling van Louise.
+
+„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.
+
+„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”
+
+„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?”
+
+Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.
+
+„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de
+beginselen.”
+
+Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.
+
+„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze.
+Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:
+
+„Nou jij.”
+
+Meta stak nu haar vinger op.
+
+„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”
+
+Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde.
+Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige
+vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen,
+maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar
+juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten
+de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was
+de directrice niet.
+
+Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.
+
+Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en
+terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en
+toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan
+zitten, maar Thea zei:
+
+„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te
+hebben.”
+
+Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.
+
+„Waar is Louise?” vroeg ze.
+
+Meta lachte.
+
+„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.
+
+Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou
+kunnen vertrouwen.
+
+Haar oog viel op Anna Verloef.
+
+„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.
+
+Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had
+nergens meer hekel aan, dan aan jokken.
+
+Toch fluisterde ze:
+
+„Neen juffrouw.”
+
+Thea keek haar aan en zag haar kleuren.
+
+„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”
+
+„Anna Verloef.”
+
+„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.
+
+Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan
+voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet
+voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had
+laten glijden.
+
+Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.
+
+Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag,
+Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes
+lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars,
+andere van Thea naar Louise kijkend.
+
+Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten
+inspannen, om niet driftig te worden.
+
+„Waar ben je geweest, Louise?”
+
+Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen
+en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om
+Louise te zien.
+
+„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang
+uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet
+verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?”
+
+„Ik, juffrouw, wel hier.”
+
+„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in
+je bank.”
+
+Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare
+medeleerlingen verwekte.
+
+„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de
+deur hooren openen en dicht gaan.”
+
+Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten
+was.
+
+„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet.
+Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”
+
+Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.
+
+Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten
+ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen
+en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen,
+Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor.
+
+Na eenige oogenblikken zei ze:
+
+„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise
+gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het
+voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu
+nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”
+
+Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise
+lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.
+
+Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend
+aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht
+een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met
+zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar
+mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op
+toegelegd had, haar bespottelijk te maken.
+
+Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden
+voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de
+overwinning zijn?
+
+Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog
+uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan
+wel naar den geest.
+
+Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar
+een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig
+ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over,
+waaronder Anna Verloef.
+
+Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken
+waren.
+
+„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”
+
+Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:
+
+„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen
+waarheid.”
+
+Anna kleurde weer.
+
+„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat
+niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het
+vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.”
+
+Thea bedacht zich een oogenblik.
+
+„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou
+moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.”
+
+Anna keek haar verrast aan.
+
+„En vindt u dat dan goed?”
+
+„Beter, dan dat je jokt.”
+
+„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat
+geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.”
+
+Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze
+nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou
+het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.
+
+De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat
+met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm
+en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren
+ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren
+en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze
+thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de
+belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er
+ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel,
+dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote
+inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel,
+alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind
+was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de
+meisjes dol.”
+
+Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben?
+Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze
+moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste.
+
+Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep,
+dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop
+zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo
+moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker
+werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding
+en met die gedachte sliep ze in.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN OVERWINNING.
+
+
+Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich
+zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat
+het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen.
+
+Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al
+verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag
+had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op
+viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein
+persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.
+
+Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over
+het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.
+
+Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van
+het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.
+
+Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de
+meeste deden, alsof ze niets hoorden.
+
+„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.
+
+Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.
+
+„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet
+kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den
+lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok
+Louise een heel zoetsappig gezicht.
+
+Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea
+had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise
+te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer
+van had, zou het haar wel vervelen.
+
+„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je
+les.”
+
+„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo
+netjes.”
+
+Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.
+
+„Kom Anna, begin,” zei ze.
+
+Louise trok een meewarig gezicht.
+
+„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.
+
+„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.
+
+Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen
+zei ze op een toon van de uiterste verbazing:
+
+„Ze durft.”
+
+Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er
+niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school
+les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze
+nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig:
+
+„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en
+zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”
+
+Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was
+iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond,
+dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen.
+Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet
+gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus
+kalm in haar bank zitten.
+
+Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er
+gebeuren zou.
+
+„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.
+
+„Jawel, maar ik ga niet.”
+
+Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze
+drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar
+drift meester te blijven.
+
+„Je gaat direct,” zei ze streng.
+
+„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in
+hare handen, keek brutaal rond.
+
+Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar
+toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en
+dat wilde ze trouwens ook niet.
+
+Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:
+
+„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de
+directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”
+
+De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep,
+dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar
+voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich,
+daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet
+was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze
+vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met
+Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te
+fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder
+rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam
+kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.
+
+Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam
+en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen.
+
+„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist
+wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou
+ze dat toch niet gedurfd hebben.”
+
+Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het
+haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te
+antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine
+meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond.
+
+„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen.
+Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo
+kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de
+orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik
+Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat
+kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen
+worden, moet je zelf veroveren.”
+
+Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein.
+Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden
+invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht
+veroveren.
+
+Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der
+lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en
+ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren.
+
+Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de
+juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:
+
+„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je
+je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden,
+ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis
+stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven,
+zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt
+komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.”
+
+Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu
+sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze
+kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid
+missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis.
+
+Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.
+
+„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te
+brengen.”
+
+Met een ruk richtte Louise zich op.
+
+„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.
+
+„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee
+en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.”
+
+Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze
+gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar
+nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was.
+
+Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.
+
+Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog
+niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel
+inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse
+heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van
+de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had
+ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen,
+waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was
+uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de
+klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.
+
+De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die
+Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen,
+de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen,
+straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de
+eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer
+inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en
+dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare
+voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen.
+
+De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat
+het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze
+had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord.
+
+En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar
+betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen
+krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn.
+
+Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen
+spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste
+hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee
+handelde.
+
+„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar
+aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen
+invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is
+waarschijnlijk te zwaar voor je.”
+
+„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan
+natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe
+plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag
+goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden
+meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”
+
+Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was
+binnengekomen, boog zich over haar heen.
+
+„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van
+worden.”
+
+Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:
+
+„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe
+moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”
+
+Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend
+hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed
+onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats
+veroveren?
+
+Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord,
+er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig
+niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang.
+
+Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze
+slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te
+bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei:
+
+„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.”
+
+De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de
+aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil
+en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.
+
+Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en
+toen ving ze aan met spreken.
+
+„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een
+onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de
+reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun
+onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat
+je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den
+schijn van geeft.”
+
+Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare
+wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en
+luisterden gretig.
+
+„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter
+plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar,
+je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de
+onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt
+vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig
+vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend
+geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben
+op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen
+de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te
+gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in
+de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt,
+waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan
+worden?
+
+„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij
+kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest
+in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover
+begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.”
+
+Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.
+
+Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine
+juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.
+
+„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten,
+dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men
+onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen
+en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel
+liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het
+me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk
+niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat,
+niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te
+verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt,
+dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb
+jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent?
+
+„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker
+van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een
+treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar
+nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet
+meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking
+zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over
+mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter
+zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat
+ons nu aan ons werk gaan.”
+
+Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong
+gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd
+was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield.
+
+Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag
+vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven.
+
+Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde
+van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens,
+dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter
+bij haar op te passen.
+
+„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat
+ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het
+haar niet veel helpen.”
+
+Nu werden een paar meisjes bepaald boos.
+
+„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is
+grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde
+me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van
+Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.”
+
+„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch
+is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen,
+het begon me zelf al te vervelen.”
+
+„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier
+letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk
+aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.”
+
+„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise,
+die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht,
+liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg.
+
+„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu
+zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen,
+zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw
+best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar
+juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap.
+Vin’ jullie dat goed?”
+
+Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat,
+gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze
+werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken.
+
+Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan
+goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea
+weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van
+tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere
+meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de
+klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om
+een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.
+
+Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea
+voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde
+naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar
+benoeming.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+THEA EN LOUISE.
+
+
+Van toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes
+hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze
+geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was,
+werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij
+vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en
+ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo
+bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar
+werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend
+groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten
+maar goed waren.
+
+En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde
+niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun
+karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige,
+werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die
+het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt
+had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe
+zich voordeed.
+
+Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen,
+maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt.
+
+Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat
+ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze
+voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde
+dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden
+te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden,
+als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals
+haar hart haar ingaf.
+
+Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling
+terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om
+hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal
+geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet
+laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te
+meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam.
+
+In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in
+haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn,
+die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde
+ondervinden.
+
+En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!
+
+Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid
+tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat
+zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam.
+
+Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor
+haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen
+haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten
+haar te temmen en geen last meer van haar te hebben.
+
+Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander
+veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.
+
+„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.
+
+„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”
+
+„Wat scheelt haar?”
+
+„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”
+
+Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea
+haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij
+vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar
+niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm
+kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes
+gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna
+niet gekend had.
+
+Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee
+stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst
+ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te
+koopen.
+
+Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het
+Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer
+dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een
+gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren.
+
+Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd
+ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan
+had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen.
+
+Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig
+kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een
+plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een
+inktkoker, verder niets.
+
+Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen,
+of ze even wachten wilde.
+
+Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame
+binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser.
+
+Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s
+onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het
+met haar ging.
+
+„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en
+heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar
+eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den
+tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden
+hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.”
+
+Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng,
+maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk
+ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige
+hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond.
+
+„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor
+zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.”
+
+Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.
+
+„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons
+heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u
+begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen,
+dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”
+
+Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets
+willen zeggen, dat deze kwetsen kon.
+
+„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere
+wending te geven.
+
+„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze
+heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik
+geloof, dat ze liefst alleen is.”
+
+„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen
+brengen.”
+
+„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”
+
+Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het
+kamertje van Louise.
+
+Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote
+ongezelligheid.
+
+Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het
+niet om, voor deze haar goeden dag zei.
+
+Toen keek ze verrast op.
+
+„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog
+donkerder.
+
+„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik
+mis je al een dag of vijf op school.”
+
+Louise glimlachte een beetje ondeugend.
+
+„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”
+
+Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen,
+die ze voor haar meegebracht had.
+
+Louise’s gezichtje look op.
+
+„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”
+
+„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”
+
+„En U hebt die voor mij meegebracht?”
+
+„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”
+
+Louise scheen deze vraag niet te hooren.
+
+„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je
+voor, zij brengt rozen voor mij mee.”
+
+Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij
+gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer
+tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde
+er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.
+
+„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”
+
+Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met
+haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu
+bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar
+durfde blijven, bang haar te veel op te winden.
+
+Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de
+hare en drukte die stevig.
+
+Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon,
+ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:
+
+„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo
+goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben
+je daar te moe voor?”
+
+Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te
+willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en
+mevrouw.
+
+„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.
+
+„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en
+mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen
+begonnen al weer te vloeien.
+
+Thea greep haar hand.
+
+„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.... maar
+laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij
+eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan
+ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is.
+Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”
+
+„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb
+niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een
+lieve man.”
+
+„Ja? Wie is je dokter?”
+
+„Dokter Heger.”
+
+„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette,
+ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen
+ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge
+dokter?”
+
+„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”
+
+„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel
+heet?”
+
+„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u
+hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”
+
+Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij
+dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk
+zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij.
+
+Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet
+voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan,
+haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde
+het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om
+haar wat afleiding te geven.
+
+De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden
+lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte,
+maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar
+weer op krachten te brengen.
+
+Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch
+werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn.
+
+„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds
+herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte,
+dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn.
+
+Thea kleurde een beetje.
+
+„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor
+je.”
+
+Louise keek haar lachend aan.
+
+„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo
+grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.”
+
+Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die
+ze voor Louise had meegebracht.
+
+Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze:
+
+„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op
+school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis
+van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies
+teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook,
+dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had
+en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.
+
+„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en
+toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de
+familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.”
+
+Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het
+gesprek een andere wending gegeven.
+
+„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag
+woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!”
+
+„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n
+onzin niet gezegd hebben.”
+
+„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.
+
+Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste
+leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel
+meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden.
+
+„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”
+
+„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het
+goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend
+is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst
+was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde
+zich thuis zoo eenzaam.”
+
+„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik
+kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen
+wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit
+zijn.”
+
+„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen,
+mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet
+gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.”
+
+„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er
+zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik,
+als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer
+allemaal het land aan me krijgen.”
+
+Thea moest even lachen.
+
+„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor,
+ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook,
+dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien,
+hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”
+
+Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te
+denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar
+juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe
+ze haar ooit had kunnen plagen.
+
+„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me
+zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid
+alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u
+hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”
+
+Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij
+zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het
+eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar
+toen.
+
+Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel
+lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte
+helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze
+bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen.
+
+Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader,
+Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn
+zou.
+
+En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij
+had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te
+mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar
+beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de
+handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad
+wonen.
+
+Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek
+was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet
+meer ontmoet en dan....
+
+„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die
+haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”
+
+Thea stak haar arm door dien van haar zuster.
+
+„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?”
+vroeg ze.
+
+„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk
+een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er
+bescheid op.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET ENGAGEMENT.
+
+
+Karel wist er bescheid op.
+
+Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd,
+verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.
+
+„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je
+hoort het.”
+
+Thea lachte en bloosde.
+
+Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar
+gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg
+hij:
+
+„Waarmee legt mijn meisje het af?”
+
+Thea bloosde nog sterker.
+
+„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig
+zijn.”
+
+Maar hier was Karel niet mee tevreden.
+
+„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”
+
+Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:
+
+„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze
+en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid
+bedwingen.”
+
+Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover
+de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in
+het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht.
+
+Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de
+dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan
+hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer.
+
+Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.
+
+„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan
+meneer de dokter ons beter maken.”
+
+„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte
+Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter
+in de familie te hebben.”
+
+Karel trok Nico zacht aan zijn oor.
+
+„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te
+krijgen?” vroeg hij.
+
+„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze
+haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem
+aanleunde.
+
+Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden.
+
+„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist
+leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet
+lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het
+niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.”
+
+Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.
+
+„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het
+jongste jongentje hier het hoogste woord?”
+
+Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen
+acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte:
+
+„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en
+dan ben ik lekker niet meer de jongste.”
+
+Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas
+met bloemen op den schoorsteenmantel.
+
+Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde
+laten zien, dat ze lachen moest.
+
+Maar mijnheer van Welderen lachte niet.
+
+„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist
+binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?”
+
+Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.
+
+„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout
+geweest?”
+
+Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en
+riep, zich aan haar vastklemmend:
+
+„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken
+eten.”
+
+Zijn moeder weerde hem zacht af.
+
+„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”
+
+„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken,
+als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van
+tafel gaan.”
+
+Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:
+
+„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te
+zeggen, mag hij dan binnen blijven?”
+
+Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt
+ging het gezin aan tafel.
+
+Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over
+den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar
+nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren,
+zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.
+
+„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons
+klaar.”
+
+Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen,
+maar er kwam geen geluid uit.
+
+„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.
+
+„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.
+
+Jan lachte hardop.
+
+„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis,
+of ze het op school mag vertellen.”
+
+Bets keek boos.
+
+„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk
+vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet,
+dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde
+ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen,
+maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”
+
+Nu lachte het heele gezin.
+
+„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.
+
+„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel
+gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze
+niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer
+wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”
+
+Bets’ oogen glinsterden.
+
+„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.
+
+„Echt,” beloofde deze.
+
+„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.
+
+„St,” zei Vader.
+
+„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....”
+
+„Nico!” en Vader keek streng.
+
+„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.
+
+„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere,
+groote plak.”
+
+Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van
+plezier.
+
+„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met
+de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van
+krijgen.”
+
+„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.
+
+Nu nam Jan het woord.
+
+„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....”
+
+Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.
+
+„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.
+
+Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.
+
+„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij
+niet goed was?”
+
+„Och niks.”
+
+„Jawel, toe zeg ’t nou.”
+
+„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn
+glas uit en begon over wat anders.
+
+Karel keek Jan verrukt aan.
+
+„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben
+alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.”
+
+Thea legde haar handje op zijne lippen.
+
+„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.
+
+Daar tikte haar vader tegen zijn glas.
+
+Allen zwegen.
+
+„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik
+graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw
+krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”
+
+„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.
+
+Haar vader liet zich niet storen en ging door:
+
+„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd
+een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar
+Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan
+haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is,
+zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees
+altijd goed voor haar, ze verdient het.”
+
+Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem
+een beetje.
+
+Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten,
+om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar
+hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder.
+
+„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf
+toch immers uw eigen dochtertje.”
+
+Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.
+
+„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk
+klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij
+stootte bij Karel aan.
+
+Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.
+
+„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat
+en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.”
+
+Daar bromde Jan’s jongensstem:
+
+„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou
+altijd zien.”
+
+Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men
+schaterde het uit om Jan’s woorden.
+
+„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem
+plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen
+zullen.”
+
+„Dat beloven we,” riepen allen.
+
+Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.
+
+„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten.
+Enfin, het is nog zoo ver niet.”
+
+Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of
+het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging.
+
+„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er
+behoefte aan een luchtje te scheppen?”
+
+Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.
+
+„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op
+straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”
+
+Thea werd nog verlegener en allen lachten.
+
+„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.
+
+Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even
+gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.
+
+„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel
+voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.”
+
+Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje
+zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat
+donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar
+keek.
+
+Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk
+beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich
+in den zevenden hemel.
+
+Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje
+volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw
+iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend.
+
+Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou
+uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje.
+Nu hadden ze dolle pret.
+
+„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,”
+en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.
+
+„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan
+zijn gewaand meisje.
+
+„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons
+zien, nou....”
+
+„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet
+goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed
+ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”
+
+Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes
+lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.
+
+Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s
+gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of
+niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist
+tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen.
+
+„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”
+
+„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.
+
+„St,” fluisterde Bets.
+
+Thea keek onrustig om.
+
+„Hoorde je niets?” vroeg ze.
+
+Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de
+beschouwing van zijn meisje.
+
+Ze liepen door.
+
+Bets en Nico volgden hen.
+
+„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”
+
+Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter
+dan hij.
+
+„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”
+
+Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.
+
+„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik
+ben de grootste, net als Karel.”
+
+„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en
+ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”
+
+Dat was niet naar Bets’ zin.
+
+„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”
+
+„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil
+weggeloopen.”
+
+„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”
+
+„In ieder geval heb jij het verzonnen.”
+
+Dat was Bets te veel.
+
+„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf
+zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren,
+die tamelijk hard aankwam.
+
+Nico gilde het uit.
+
+Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.
+
+Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf
+gingen met schoppen en trappen.
+
+„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze
+scheiden.”
+
+Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar
+nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam
+Karel bij Thea terug.
+
+„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.
+
+„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe
+zouden die hier in de straat komen.”
+
+„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”
+
+Thea stond stil van schrik.
+
+„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen
+hebben?
+
+„Best mogelijk.”
+
+„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het
+geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!”
+
+Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er
+maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest.
+
+Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de
+kleintjes waren nergens te vinden.
+
+„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.
+
+„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,”
+beweerde haar moeder.
+
+„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders
+zijn.”
+
+Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de
+omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist
+niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten.
+Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien.
+
+Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau
+van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar
+hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend.
+
+„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”
+
+Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf,
+kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet
+te doen.
+
+„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.
+
+Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea
+hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden.
+
+Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.
+
+„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.
+
+Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar
+bed te gaan.
+
+„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.
+
+„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er
+zoo afkomt.”
+
+Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder
+prettig, dan ze gedacht hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis
+doorbreng!
+
+Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch
+drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik
+veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter.
+
+Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden
+heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen
+getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar
+genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes
+zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer
+genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen
+konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet
+alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever
+gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij
+gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook
+al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven
+afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven
+aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch
+niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag
+gehaald.
+
+In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun
+liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst
+heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is.
+
+En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n
+heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes,
+die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo
+driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde,
+dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn
+ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan
+nu eenmaal niet gemakkelijk leeren.
+
+O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.
+
+En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander
+kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals
+Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en
+leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te
+doen schijnen.
+
+Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te
+wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij
+dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om
+je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen
+verzachten.
+
+En alle menschenleed!
+
+Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart,
+die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn,
+maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met
+zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker
+in staat zal zijn veel goed te doen.
+
+Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd
+in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat
+hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig
+medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te
+beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was
+en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt
+niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij.
+
+Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook
+maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het
+ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig
+voor.
+
+Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen!
+
+Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een
+door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog
+liever zijn, dan de deugden van anderen.
+
+Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk
+waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe
+ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren
+tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse
+afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet
+maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende
+opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een
+sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles
+in orde.
+
+Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet
+naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding
+der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in
+mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel
+mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te
+helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik
+daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven
+geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel
+was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met
+hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle
+bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita
+volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te
+worden.
+
+„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.
+
+„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.
+
+Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch
+niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden,
+dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af
+moest zetten.
+
+„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.
+
+„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal
+kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming
+te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig
+denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”
+
+Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet
+alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te
+bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven
+voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding
+nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te
+zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader
+overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk
+daarin ten minste geen verandering brengt.
+
+Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik
+morgen niet frisch.
+
+Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in
+schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik
+mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb.
+
+Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd,
+alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader
+en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen
+en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen.
+Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch
+eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar
+toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?
+
+Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had
+pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te
+kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet
+gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven,
+zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.
+
+Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op
+aarde voor mij is weggelegd, morgen.....
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ Eerste Hoofdstuk. Het examen 5
+ Tweede ,, Een kloek besluit 15
+ Derde ,, Afscheid 31
+ Vierde ,, Van huis 41
+ Vijfde ,, Kennismaking 55
+ Zesde ,, Uit Thea’s dagboek 69
+ Zevende ,, Een moeielijke taak 79
+ Achtste ,, De verdwenen armband 95
+ Negende ,, Uit Thea’s dagboek 105
+ Tiende ,, De ontdekking 113
+ Elfde ,, Naar huis 127
+ Twaalfde ,, Jan’s rapport 139
+ Dertiende ,, Thea krijgt een nieuwe betrekking 157
+ Veertiende ,, Een vacantiedag 171
+ Vijftiende ,, Een moeielijk begin 187
+ Zestiende ,, Een overwinning 199
+ Zeventiende ,, Thea en Louise 213
+ Achttiende ,, Het engagement 227
+ Negentiende ,, Uit Thea’s dagboek 241
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***