diff options
| author | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-06-09 14:12:20 -0700 |
|---|---|---|
| committer | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-06-09 14:12:20 -0700 |
| commit | 8b9a20366a5919558ee226e369763808fbcca8f2 (patch) | |
| tree | ca47007f8165b08921b920fd55865c734d021342 /78835-0.txt | |
Diffstat (limited to '78835-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78835-0.txt | 7499 |
1 files changed, 7499 insertions, 0 deletions
diff --git a/78835-0.txt b/78835-0.txt new file mode 100644 index 0000000..88058c1 --- /dev/null +++ b/78835-0.txt @@ -0,0 +1,7499 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 *** + + + + + + HET + ONDERWIJZERESJE + + + DOOR + FELICIE JEHU. + + GEÏLLUSTREERD DOOR + LOUIS RAEMAEKERS. + + + ALKMAAR—P. KLUITMAN. + 1908. + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET EXAMEN. + + +Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij +daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van +zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan +zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en +veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had +naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en +ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen. + +Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en +niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon. + +En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn +huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral. + +Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien, +de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en +buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld +was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen +weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds +liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van +militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel +dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat +hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was +hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en +dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat +daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen. + +Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de +handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen +beiden hun lot te dragen. + +En dan zijne kinderen! + +Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen +vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen +van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid +van het huis uit. + +En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu +negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als +geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te +genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig +mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper +meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne +zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar +hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds +trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had, +toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte. + +Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed +of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo +gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig +te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond, +werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita, +zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar +zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen +dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine +Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school. + +Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger +worden. + +Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een +oogenblikje bij hem kon blijven. + +„Ben je daar, beste,” riep hij. + +De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen. + +„Riep je, Johan?” + +„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt, +het is al half drie.” + +Zijn vrouw zette zich naast hem neer. + +„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn. +Valt de tijd je zoo lang?” + +„Ja, jou niet?” + +„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw +voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?” + +„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.” + +„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.” + +„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel +bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.” + +In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te +kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van +Thea. + +„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de +lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er +smalletjes uit in den laatsten tijd.” + +Haar man zuchtte. + +„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn, +als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om +zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en +daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is +miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.” + +Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem. + +„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat +je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap +bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het +dadelijk weer van je te zullen overnemen.” + +„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor +haar genoegen leven.” + +„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een +betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld +betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.” + +Weer zuchtte mijnheer van Welderen. + +„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de +gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet +verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me +dat kwelt.” + +Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd. + +„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,” +voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig +te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?” + +„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar +man, maar ze viel hem in de rede: + +„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te +treuren. Ik ga de jongens even opendoen.” + +Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico +naar binnen. + +„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat +waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet +voorhoofd af. + +Zijn vader schudde glimlachend het hoofd. + +„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem +zijne krullen uit zijn gezichtje. + +„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en +je haar die rozen geeft?” + +Nico knikte van ja. + +„Wat dan?” + +„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou +weer van Thea les?” + +„Ja, vin’ je dat niet prettig?” + +„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel +liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.” + +Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het +hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen +hem al zooveel kostten. + +Toen hervatte hij: + +„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en +je zult lief zijn en je best doen, niet waar?” + +Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit +niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn +moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam +ze hem mee, om hem eens flink te wasschen. + +Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten. + +„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader. + +Jan schudde ontkennend. + +Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig. + +„Jan,” zei hij weer. + +Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee +gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden +het de zusjes zijn? + +„Jan,” zei nog eens zijn vader. + +Doch Jan keek niet om. + +„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de +ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij: + +„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier, +hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich +zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur, +roepend: + +„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!” + +Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook +naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een +paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit +papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste +letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar +haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan. + +Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur. + +„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de +deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar +vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met +tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe +gespannen zijn zenuwen waren. + +Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander +hartelijk. + +„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk +geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.” + +Nog een kus en Thea richtte zich op. + +„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan +verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens +flink. + +Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een +mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje +oprichtte, om gekust te worden. + +„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader. + +„Wel gefeliciteerd,” zei het kind. + +„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.” + +Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar +gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was. + +„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later +niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je +examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar. + +Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met +een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens +een schaaltje met bisquits. + +„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk. + +„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter +vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel. + +„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot +antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar +moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild +met Vader moet zijn.” + +Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht. + +„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn +wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem +had neergezet, stootte hij met Thea aan. + +„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n +feestje vieren mogen!” + +Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat +er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig, +klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze +brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen. + +„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.” + +„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet +er ook bij zijn.” + +Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt: +„ze is er door.” + +„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t +me verteld voor ik naar school ging.” + +Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds +geleegde glazen. + +„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze. + +Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht. + +„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je +toch zeker het goede nieuws verteld?” + +„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten +had, Thea was immers zoo knap. + +Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje. + +„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op +school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was, +was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten +tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij, +dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar +glaasje leeg. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN KLOEK BESLUIT. + + +Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen. + +Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen, +die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en +moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou +beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken. + +Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit, +hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de +rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar +jong gezichtje. + +Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn +zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat +krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het +dierenrijk moesten voorstellen. + +Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij, +dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en +teekende veel liever een beetje. + +Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een +gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had +gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was +ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar +niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden. + +En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende! + +De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze +zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders +toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en +dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit +zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag +toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt +ging. + +Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende, +zag ze, dat Nico verdwenen was. + +Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het +nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het +naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet +ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen. + +Waar zou hij zijn? + +Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze +zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea +slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me +naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.” + +Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare +wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken. + +Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde: + +„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof +er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les +weggeloopen.” + +Toen Nico’s stem: + +„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea +heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze +heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar +school?” + +Daarna weer haar vader: + +„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd, +dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als +Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur +vroeger naar bed. Begrepen?” + +Nico begon te huilen. + +„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea +niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.” + +„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed? +Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je +weggeloopen bent.” + +Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had +zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen. + +Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig +op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend. + +Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop +om en trad binnen. + +Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea? +Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond +vroeg naar bed moet.” + +Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder. + +„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout +geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....” + +Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan. + +„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.” + +Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich +open latend. + +Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht. + +Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken +en bezorgd boog Thea zich over hem heen. + +„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig. + +„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij +me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.” + +Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht: + +„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo +afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het +dichtslaan der deur.” + +Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij: + +„Hoe kwam dat zoo?” + +Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat +ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde +zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen +had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn +schouder, zei ze: + +„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig, +maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat +beloof ik u.” + +Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog +zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat +hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij +geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou +blijken te zijn. + +„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een +jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te +meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een +gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen +jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en +ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je +afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet, +geheel ongelijk heeft hij niet.” + +De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden +lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen. + +„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen +broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij +hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.” + +Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge +plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort +was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al +was die leerling haar broertje. + +„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat +je een goed onderwijzeres bent.” + +Thea begon te schreien. + +„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af +en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten, +dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar +Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.” + +Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar +het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf. + +Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond +lag er al mee bezaaid. + +„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is +je som af?” + +Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan +haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze +gehuild had. + +„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan +moet je maar niet zitten suffen.” + +Nu keek zijn zuster werkelijk boos. + +„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je +oogenblikkelijk naar bed te sturen.” + +Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het +werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien. +Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen: + +„Je hebt toch een lekker standje gehad!” + +Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van +merkte. + +„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk. +Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een +leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven +spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij +triomphant zijn som aan Thea. + +„Al af,” zei hij. + +„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.” + +„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu +verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?” + +„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar +straks.” + +Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande, +zei hij tusschen twee kussen door: + +„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit +meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.” + +Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel. + +„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je +van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren +en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.” + +De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag +goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren +kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten +te zeggen, toen de les was afgeloopen: + +„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.” + +„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend +wegholde. + +Thea keek hem hoofdschuddend na. + +„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken +en zijn lei wegbergend. + +Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar +Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had, +of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets +spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen +er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar +boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze +Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad. + +Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar, +eens kalm bij hem te gaan zitten. + +„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven +ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.” + +„Voor mij, Vader?” + +„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als +gouvernante.” + +„Is ’t echt?” + +Thea had een kleur gekregen van verrassing. + +„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik +onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij +kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.” + +Thea bloosde alweer. + +„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u +immers?” + +Toen eensklaps haar vader angstig aanziende: + +„Het is toch extern, niet waar?” + +Nu nam haar moeder het woord. + +„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn, +maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.” + +„Maar dan toch hier in de stad?” + +„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het +is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar +eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?” + +Hier viel haar vader in: + +„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen, +die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen +hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij +wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden +salaris krijgen.” + +Thea keek verbaasd. + +„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze. + +„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die +familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten +gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed +het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.” + +Thea was stil geworden. + +Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn, +die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar +toch.... + +„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem. + +Haar vader schudde zijn hoofd. + +„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel +onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.” + +Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken. + +Haar moeder trok haar naar zich toe. + +„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg +ze zacht. + +Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan +haar borst. + +„Vreeselijk,” zuchtte ze. + +„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar +toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi +aanbod. Denk er eens kalm over na.” + +„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens +beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er +over nadenken.” + +„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten. + +Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur +liep, dat haar vader haar terugriep. + +„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.” + +Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende, +waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze +zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit. + +„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo +vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons +aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen +opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.” + +Thea glimlachte door hare tranen heen. + +„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.” + +Haar moeder maakte een ontkennende beweging. + +„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je +zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede +betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en +dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod +afslaan.” + +Thea droogde hare oogen af en richtte zich op. + +„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let +er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van +geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks +zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?” + +Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach, +het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook +haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.” + +Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico +haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde: +„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur +achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen +den vrijen loop. + +Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes. +Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een +betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen, +daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk +gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een +school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de +gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en +harten, die haar begrepen. + +En nu? + +Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet +kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig +was. + +En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat +durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn. + +Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch +moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren +mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als +haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van +hare ouders te verlichten. + +Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan. + +Het snikken was nu bedaard. + +Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen +kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen +te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen, +dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze +wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven +uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan +verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat +zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet. + +En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem +opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou +dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te +spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om +het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een +strenge onderwijzeres te worden. + +Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel +veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou +kunnen uitoefenen. + +Maar Nico hield ook veel van haar en toch.... + +Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar +besluit mededeelen. + +Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze +verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg: + +„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je +eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat +goed.” + +Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou +haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht +komen. + +Haar vader greep haar hand. + +„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij. + +„Doe het liever straks nog,” verzocht ze. + +Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in +orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet +geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit +den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +AFSCHEID. + + +Wat een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar +Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een +behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes +hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea +een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen. + +Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend. + +Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en +deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat +haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis. +Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in +haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in. + +Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat +ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes. + +Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde +in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging +wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes. + +Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school +mocht. + +„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” +vroeg Thea. + +„Heelemaal niet.” + +Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen +vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam +zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen, +die ze liefhad, moest achterlaten. + +Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen +tijd tot veel nadenken. + +Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, +die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot +nadenken had. + +Hoe hij haar missen zou! + +Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, +niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd +gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op +te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost +geweest. + +En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn +goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo +heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders +geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar +het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd +verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet +altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel +beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed. + +Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve +meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet +gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een +paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap +had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere +kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar +wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, +zich in te houden. + +Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, +maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde +de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet +bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem +verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen +niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien. + +Zoo speelden ze comedie voor elkander. + +Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem +zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering +opzag. + +Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere +meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar +plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis +zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd +eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren +gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze +kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar +thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat +ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo. + +Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet +missen? + +Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe +ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten +merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige +natuur. + +Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had +ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu +was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven, +terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes +van Thea klaarmaakte. + +Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan. + +„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer +alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.” + +Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet +mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar +zich toe, om haar een kus te geven. + +„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te +gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men +niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand +of wat kom je al weer eens thuis.” + +„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de +Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op +die kinderen passen.” + +„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar +mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare +kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf +feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de +wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.” + +„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.” + +Haar vader streelde haar hand. + +„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, +dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar +noodig bent.” + +Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van +haar vader. + +„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze. + +Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar. + +„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten +klank gevend, zei hij: + +„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in +betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best +is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen +helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk, +dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.” + +Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen? + +Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het +meest verdriet deed in zijn leven. + +Ze kuste hem en sprong op. + +„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in +staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu +verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois +voorlezen?” + +„Graag, kindje.” + +Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen. + +Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, +laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen +wilde.” + +Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten. + +„Ja, Vader.” + +„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel +rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes +natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als +ondergeschikte komt.” + +„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea. + +Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een +prinsesje was. + +„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen +beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des +huizes.” + +Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking. + +„Waarom zegt u dat?” vroeg ze. + +„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je +misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je +dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent +natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld +dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog +draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en +levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke +plooi zal geven.” + +Thea keek somber voor zich uit. + +„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze. + +„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten +toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden +als je wilt.” + +„Dat wil ik, Vader.” + +Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo +weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en +zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van +alle kanten wilden inwerken. + +Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar +hoofd buigend, zei ze zacht: + +„Ik zal mijn best doen, Vader.” + +Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven. + +Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen. + +„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze. + +Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes. + +„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan +dekken.” + +„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. +„Ik zal je even helpen.” + +Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen +om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja +zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij +had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het +feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het +eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed +waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij +elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de +kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had +zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder +voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den +trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in +Brussel. + +Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den +hals van haar zuster. + +„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze. + +Ita schudde haar lachend van zich af. + +„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe +Griet.” + +Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen. + +„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet +zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, +maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het +minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?” + +Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus. + +„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t +belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, +wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets +haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en +onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van +de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik +niet.” + +Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen. + +„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen +en dan ga je lekker slapen.” + +Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te +kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra +hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VAN HUIS. + + +Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde +onder de kap van het station uit. + +Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van +haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet +te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar +hoekje neer. + +Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar +gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader +en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende +familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen +had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden +hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar +gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien +was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen +afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare +wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met +haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over. + +Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt +moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een +innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet, +kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht +had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian. + +Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar +of zeventien gaf ze haar niet. + +Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om +weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren, +die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet, +dat het schepseltje er van had. + +Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar +met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er +geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens +uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer +passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en +dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor +ze het wisten. + +Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan. + +Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt. + +„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame +tegenover haar. + +De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken, +zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte +aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde: + +„O, vreeselijk.” + +Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis +moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde: + +„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?” + +De dame begon te lachen. + +„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel +reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel +moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.” + +Thea keek haar verbaasd aan. + +„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze. + +„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo +bedroefd niet zijn.” + +Thea begon te lachen. + +Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik +haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les +te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest. + +Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei: + +„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar +niet zijn op die school.” + +Thea had pret in ’t geval. + +Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen +twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje +zou worden aangezien. + +„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze. + +„Een jaar of zestien, zeventien misschien.” + +„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje +ouder.” + +„Achttien dus?” + +„Neen, negentien.” + +Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd. + +„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan +nu nog naar kostschool?” + +„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.” + +„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?” + +„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.” + +Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing. + +„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!” + +Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor +bespottelijks aan was. + +„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf. + +De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden. + +„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg +jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als +een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar +daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel +anders zijn, dan hij er uitziet.” + +Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.” + +Thea keek stil voor zich. + +Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu +dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden +die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben! + +Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op! + +Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw +er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk +woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er +eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich +naast Thea neerzette. + +Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s +hand en fluisterde: + +„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.” + +Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren, +dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van +hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen +te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte, +ontsnapte haar toch een snik. + +Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan. + +Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en +bood het haar aan. + +Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich +gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een +goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze +haar hoofd schudde. + +Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar +tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare +tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar +uiterste best onverschillig te kijken. + +„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch. + +„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg. +Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan +doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken. + +Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging +schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken, +die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware. + +Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar +en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel +verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en +van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest +en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou +verstaan, maakte haar boos en verlegen. + +Men naderde de grens. + +Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar. + +„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij +een genoegen zijn,” zei hij. + +Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de +grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de +douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp +aannemen? + +Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in: + +„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus +bedankt voor uw beleefdheid.” + +Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte, +maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al +of niet aannemen van zijn hulp. + +Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte +terug. + +Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was +nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden +moest. + +Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar +koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea +zitten, in plaats van tegenover haar. + +Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat +verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten. + +„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s +beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.” + +„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord. + +Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis +faut mieux qu’ à côté.” + +Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te +zoeken. + +Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé +toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had. + +Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie +afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van +Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou +vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een +verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die +soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de +knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand +anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed +en kwam toen op haar af. + +„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend. + +Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen. +Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer +zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra +reed ze door Brussel’s straten. + +Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze +zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de +straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar +Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om +pleizier in dit alles te kunnen hebben. + +Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe +voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige +bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen, +mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen. + +Thea voelde een rilling door hare leden gaan. + +De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van +zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had +toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang +van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en +Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de +deftige salon van mevrouw van Gendringen. + +De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn +gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij +was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar +daarom werkten zijne gedachten toch wel. + +En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem +volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had +voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind. + +„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe +mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel +van een grenadier en nu zoo’n pop.” + +Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar +uitging, de lange vestibule door en de breede trap op. + +Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij +gaand, om haar te laten passeeren, zei hij: + +„Mademoiselle van Welderen.” + +Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten. + +In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte +op, groot en statig. + +Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel, +alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze +veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld +hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw +van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend +vond. + +Toen met een handgebaar naar een der stoelen: + +„Neemt u plaats.” + +Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles, +de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht +en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen: + +„Heeft u een goede reis gehad?” + +Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven. + +„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem +klonk haar als die van een vreemde in de ooren. + +„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer +aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien +en gesproken te hebben.” + +De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen. + +Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van +Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend. + +„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes. + +„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig +jaar was, dat is u immers?” + +Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel, +alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein +tenger persoontje te zijn, als nu. + +„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend. + +„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien +al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen +van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te +wagen.” + +Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg. + +Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede +familie, als haar toekomstige meesteres. + +Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen +recht aan. + +Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een +mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter +en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien +zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken +van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante +harer kinderen. + +„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste +van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar, +Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn +zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer +ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante +heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar, +zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.” + +Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo +verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de +kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn +toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van +Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u +zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.” + +Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij +haar te brengen. + +„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook +wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er +trotsch bij. + +Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen. + +Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van +blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk +volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was. + +Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te +veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje +had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit +eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw. + +„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand. +Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd +worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar +juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.” + +Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden +met haar. + +Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe. + +„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?” +zei ze vriendelijk. + +Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van +Gendringen. + +„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er +haar voor straffen zult,” zei ze koel. + +Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon, +dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en +liefde: + +„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden. +Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.” + +Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje, +goed op te passen. + +Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan. + +„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea. + +„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw +gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner +weer. U eet met de kinderen om twee uur.” + +Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te +brengen. + +„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich +daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea +verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te +hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +KENNISMAKING. + + +Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit +den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden. +Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar +gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond, +als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor +bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens, +hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee +uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende +naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur. + +Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn. + +Thea verliet haar kamer en ging een trap af. + +Waar zou ze moeten wezen? + +Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze +er ooit wennen? + +Gelukkig, daar zag ze een bediende. + +„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar +openend. + +Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer, +ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond. +In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er +rond, maar van kinderen zag ze geen spoor. + +Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door +Constance. + +Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op +haar gemak scheen te zijn, als zij. + +Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk: + +„Laten we aan tafel gaan, kinderen.” + +Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te +binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter +zijde opnemend. + +Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi, +vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en +onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden +met haar, dat kind was niet gelukkig. + +De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd. + +Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten, +zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw +nieuwsgierig aan. + +Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet. + +Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets +te zeggen, vroeg ze aan Constance: + +„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons +eten we om half zes.” + +Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand: + +„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om +half zeven.” + +Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg +Thea: + +„Je hebt nog twee zusters, niet waar?” + +„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u +en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker, +hè?” + +Thea begon te lachen. + +„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel +graag.” + +Armand keek haar eens aan. + +„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij. + +„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.” + +Het mooie kindergezichtje betrok. + +„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou +houden, zoo zag u er net uit.” + +Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel +ernstig te kijken. + +„Dan heb je je vergist.” + +Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!” + +Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig +familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich +tot Constance. + +„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?” + +Constance antwoordde onverschillig: „Neen.” + +„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je +nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het +misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van +het meisje, haar hoofd wat op te lichten. + +Ruw duwde Constance die hand terug. + +Thea kreeg een kleur. + +„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei. + +Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea +uitdagend aan. + +„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u +dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u +kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen, +heelemaal niets.” + +Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien. + +„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de +vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.” + +Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd, +maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n +blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde. + +„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal +zelf wel zien, hoe ze is.” + +Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo +toegesproken te worden. + +Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek +dadelijk weer voor zich. + +Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig +over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van +straks te verklaren. + +„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt +Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.” + +Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar +broertje toe: + +„Zwijg over Papa.” + +Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen. + +„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van +hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook +wel.” + +Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar +nieuwsgierigheid deed haar vragen: + +„Wat bedoel je toch, Armand?” + +„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van +Stans.” + +„Och kom, je praat onzin, kind.” + +„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die +hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had +geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen +mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.” + +Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind, +nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren. +Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea +al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen +zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets +vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het +was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich. + +Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan. + +„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens. + +„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen +trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.” + +Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht. + +„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij +houden als van Armand.” + +„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.” + +Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd. + +„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.” + +Toen eensklaps van het onderwerp afstappend: + +„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?” + +„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.” + +„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het +eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en +toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.” + +Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een +heldendaad verteld had. + +Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend, +maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij +dingen zei en deed, die alles behalve lief waren. + +Ze zuchtte eens. + +Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide +kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog +zoo weinig ervaring. + +„Mogen we opstaan?” vroeg Armand. + +Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu. + +„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde. + +„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea. + +„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?” + +Thea aarzelde. + +„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze. + +„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het +beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de +dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat +Mama in haar hoofd kreeg. + +„Constance,” zei Thea. + +„Wat is er, juffrouw?” + +„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.” + +„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar +eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen +trad binnen, gevolgd door hare dochters. + +Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche +gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van +uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met +mooie, witte tanden. + +„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,” +zei Mevrouw. + +Thea boog. + +Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven? + +Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit, +maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder. + +Constance had dit ook opgemerkt en mompelde: + +„Bella is ook bang voor Mama.” + +„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u +dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet +wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet +waar Armand, beste, je weet den weg wel?” + +„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?” + +„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.” + +„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?” + +Bella trok een komisch gezichtje. + +„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je +wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en +de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door +te gaan. + +„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort, +niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen +indruk van je krijgen.” + +Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een +snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze +meening voor zich. + +„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de +kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance +een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet +Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag +wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna +wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar +bed.” + +„Beiden te gelijk, mevrouw?” + +„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?” + +„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....” + +„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen +beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis +natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me +dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u +in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór +morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan +houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de +kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders +rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond. + +Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een +kushand terug gaf. + +Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit. + +Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus. + +Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen, +begon ze te schreien. + +„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend. + +Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek +haar boos aan en zei: + +„Waarom kust u Stans en mij niet?” + +Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus. + +„Ben je jaloersch?” plaagde ze. + +Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een +minachtend trekje. + +„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!” + +Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren +moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar +hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op +zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had +eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar +moesten maken voor de wandeling. + +Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde +omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan +los. + +Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het +toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer +ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben. + +Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na +over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij +aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten. + +Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van +bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken. + +Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere +oogen keek door de reet. + +Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar +Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg: + +„Heeft u ook verdriet, juf?” + +Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere +kijkers, die ook vochtig waren. + +Ze trok het kind op schoot en kuste het. + +„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.” + +„Huilt u, omdat u van huis bent?” + +„Ja.” + +„Heeft u een pa en een ma thuis?” + +„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.” + +Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.” + +Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar +goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde. + +Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei: + +„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw +pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.” + +Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden +uitgesproken. + +„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,” +dacht ze. + +Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden. + +„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker +instoppen, dan ga je rustig slapen.” + +„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma +en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij. + +Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden +worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze +zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug +anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over +haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen. + +„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een +oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal +het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?” + +„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op. + +Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen +kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje. + +„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk +eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?” + +„Als ’t u blieft. Dank u wel.” + +Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd +tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten +verlaten. + +Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid. + +Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje, +slaperig begonnen te staan. + +„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.” + +Gewillig stond het kind op en greep haar hand. + +„Stopt u me dan eens lekker in?” + +„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een +puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.” + +Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe. + +„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij +altijd.” + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + +Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen. + +Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te +storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea, +laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in +Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en +ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.” + +„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader +kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren +voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van +mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar +zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met +zijn lieve stem: + +„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat +in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?” + +Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen +opgewekte brieven te schrijven. + +„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en +begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt +kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in +een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van +geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit +aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.” + +Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte +gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier +ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne +indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten +lezen, als ik weer bij hem ben. + +Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls +’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral +naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel +begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel +lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit +zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me +troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen +was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was. + +Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet +niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in +lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb. + +Zou ik meer van Vader dan van Moes houden? + +Och neen, alleen maar anders. + +Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het +huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben, +neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met +Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed +als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den +materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet, +opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel +andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te +verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door +goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen +van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en +toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen +genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader +eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat +niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder +kunnen bekennen. + +Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar +vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom, +dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar +praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb +leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is. + +Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is, +Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van +hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof +niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn. + +Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind +wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van +haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand +veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand +zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij +oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters +houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet, +die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere +huisgenooten. + +Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde +voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde! + +Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel, +dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar +treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want +mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen +maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze +heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf. + +Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar +zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem +een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer +bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje, +dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder +hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind +bedrogen. + +Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke +aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert +kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik +vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of +hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij +haar dan vertellen kan. + +En daarin stijft zijn moeder hem! + +Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met +hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles +vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er +in de leerkamer voorvallen. + +Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer, +daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid +neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en +plaagt haar, waar hij kan. + +En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk! + +Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had +met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan +had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook +Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed +stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de +ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte +ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te +gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak. + +Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze +me heel beleefd, maar als altijd op een afstand. + +„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?” + +Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor +het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet +gedaan had. + +Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler. + +„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk +haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij +beslist had, durfde bemoeien. + +„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje +van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed. + +Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken. + +„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna +den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou +vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan +daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de +ruit breken en Constance deed het niet.” + +Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over +mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo +groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze: + +„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie +dan wel de schuldige is.” + +Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik +Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat +waagde. + +Ik kleurde en zei zacht: + +„Het was Armand.” + +Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als +aanklaagster. + +„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.” + +Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl +Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken +van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die +zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde, +dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest, +maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn +onoprechtheid op de hoogte bracht. + +Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik +staan en hield vol. + +„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal +er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens +onderzoekt.” + +Mevrouw van Gendringen ging zitten. + +„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat +Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt, +dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist +moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen +mond hooren, dat Constance de schuldige is.” + +Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen. + +Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met +een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag +staan. + +„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend, +„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.” + +Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat. + +Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.” + +Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen: + +„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.” + +Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes +grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij +verlegen. + +„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig. + +„U hoort het,” zei zijn moeder. + +Maar ik wilde het niet opgeven. + +„Heb jij dat gezien?” vroeg ik. + +„Ja.” + +„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.” + +„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.” + +„Met je bal?” + +„Ja.” + +„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?” + +„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.” + +Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen. + +„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee +dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee +raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.” + +Dat kon mevrouw niet ontkennen. + +„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer +van.” + +Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van +verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide +zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan. + +„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch +mensch!” + +Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe. + +„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.” + +Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren +en te troosten. + +„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik. + +Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds +voorspelde, zei ze: + +„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.” + +Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik +niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei +ik: + +„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed +gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.” + +Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond. + +Vernietigend keek ze me aan en beet me toe: + +„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel, +hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.” + +Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat +ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel +voldaan. + +Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed +ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden. + +Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik +denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind +heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik +gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden: +Gaat u maar naar Stans. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN MOEIELIJKE TAAK. + + +Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de +kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende +kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en +liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den +grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend. + +„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk +uitscheiden met vechten.” + +Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en +trok er uit alle macht aan. + +Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige +kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen. + +„Laat los,” gebood ze. + +„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze +plaagt me.” + +Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken, +keek Thea naar de deur. + +Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in +zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea +maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden. + +Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw +van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door +het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu +om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was. + +Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen +waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd. + +De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen +bedaren. + +„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is +nog erger, of je twee straatjongens bent.” + +„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige, +valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat +zien.” + +„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die +gemeene jongen, hij wou niet loslaten.” + +Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren. + +„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent +gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander +te beschuldigen. + +„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker +wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.” + +Thea keek Constance ernstig aan. + +„Waarom zei je dat?” vroeg ze. + +Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng +aankeek en stotterde: + +„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen +van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.” + +Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te +zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven +omstandigheden was het zoo heel natuurlijk. + +„Is ze nou niet valsch!” riep Armand. + +Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand +en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht +hebben in een andermans leed. + +„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo +onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is +niet mooi.” + +Constance begon te huilen. + +„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik +kreeg anders altijd de schuld.” + +„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand +te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en +dat moet je genoeg zijn.” + +„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance. + +„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem +voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al +erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.” + +Dat was voor den verwenden jongen te veel. + +Hij werd nog rooder en zei stampvoetend: + +„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks, +Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,” +en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend +en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem +nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde, +zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer +zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel +dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan +had. + +Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje, +dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer +ging, om haar eigen toilet te maken. + +Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij +zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook +beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken, +dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was. + +Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een +knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend, +wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te +lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de +ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was. + +Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat +haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze +had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed, +bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik +verdragen kon. + +Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres +de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve +moest zoo lang bij de kinderen blijven. + +Thea stond dadelijk op. + +Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek +naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende +oogen van Armand. + +Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een +oogenblik stil. + +Wat klopte haar hart! + +Ze sloot hare oogen en slikte eens. + +Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen, +natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen, +dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had +ze er aan kunnen doen. + +Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo +tegen op te zien. + +Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje, +wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te +krijgen. + +Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het +standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen +te nemen. + +En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had +en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte, +had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde. + +Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir. + +„Binnen.” + +Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in +tegenwoordigheid van de meesteres des huizes. + +Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel. + +Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was. + +Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van +Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer +indruk te maken, zei ze: + +„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.” + +Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze +veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen +gehinderd had. + +Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend. + +„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben +hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij +doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den +grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de +waarheid of niet?” + +Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden. +Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er +aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam. + +Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge +oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen. + +„En u stond daarbij en zag toe?” + +„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun +schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was. +Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar +vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.” + +„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen +ophouden, nietwaar?” + +Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch! + +En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen. + +„Nu, is u dat niet met me eens?” + +Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze +tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze: + +„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo +driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede +te doen verstaan.” + +„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op. +„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.” + +„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....” + +„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen +geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw +goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed +kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een +ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng +genoeg kan worden tegengegaan.” + +„U vergist zich werkelijk....” + +„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons +onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op +maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik +hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik +u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van +mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen +waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers +zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer +kunnen vergeven.” + +Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en +knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir. + +Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag +en leunde tegen de omlijsting. + +Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om +het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester +te worden. + +O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van +Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade. + +En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden! + +Ze voelde zich zoo ellendig vernederd. + +Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat +ze liever wegging? + +Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden +ze daar thuis wel van zeggen? + +Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had +nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat +moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens +schoolgeld ze beloofd had te zorgen! + +Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg, +dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking +niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen +te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze +het haar niet op zoo’n toon te zeggen. + +Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke +moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door +de protectie van zijn moeder. + +Maar komaan, ze gaf den moed niet op! + +Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde +zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag +afkomen. + +„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat +ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van +aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een +dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig +popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat +beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te +vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend +verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar +de leerkamer. + +Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat +niet voor niets gezegd hebben. + +In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar +nieuwsgierig opnamen. + +Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het +een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen. + +„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.” + +Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar +één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had +opgegeven. + +Thea keek boos. + +„Is dat alles?” vroeg ze. + +„Ja juffrouw.” + +„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je +schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening +vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.” + +Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was +dat haar lieve jufje? + +Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht +weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van +Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij +poppetjes geteekend had. + +Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen +te maken, door het zelf uit te schateren. + +Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was. + +„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch +niet was.” + +Thea keek hem strak aan. + +„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som +in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit +versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.” + +Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit +zoo. + +Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen +tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best +hooren kon: + +„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad +heeft.” + +„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea, +of die gehoord had, wat haar broertje zei. + +Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen. +Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze +hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te +hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van +onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat +ze haar gehinderd hadden. + +Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was +daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik +niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen. + +En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen +oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te +zetten, vóór de kinderen naar bed waren. + +Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van +haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar +lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was +toch niet zoo druk als anders. + +Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was +opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien +dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was, +hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve +vriendelijk aan. + +Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en +van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd +weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar +hand greep, om die te zoenen. + +„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u +dien gekregen?” + +Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar +servet wat op en antwoordde: + +„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een +familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze +moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu +had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en +dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven, +indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de +reden, waarom ik het altijd draag.” + +Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in +dezelfde familie was. + +Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg, +of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig: + +„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.” + +Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was +en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon +was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was +bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen. +Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht +heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje, +met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar +Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid. + +Ze schreef: + + + Liefste Moeder en Vader, + + Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik + vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier + met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om + mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet + ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te + kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel + opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu + en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te + worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog + een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar + huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en + als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de + gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo + ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte + mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust + tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor, + dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte! + + Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie + ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar. + Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange + brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen + en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar. + + Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw + voorbij en ik moet gaan studeeren. + + Vele, vele kussen voor allen van + + Uwe Thea. + + Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu + misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo + over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op + letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind + giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft + wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel + opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe, + maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel + begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten. + + +Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den +geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet +meer. + +Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten. + +Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer +minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen. + +Maar nu was ze doodop. + +Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over +hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink +genoeg te zijn, om hare taak te hervatten. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE VERDWENEN ARMBAND. + + +Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij +den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende +merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine +gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat +zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen +loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was. + +Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel, +waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en +greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband. +Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen. + +Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het +in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar +Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig +doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit. + +Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld +had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en +hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen. + +Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan +dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het, +wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder +had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan +van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was +tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk +tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen. + +Maar nu zou hij haar eens lekker plagen! + +Waar zou hij het braceletje laten? + +Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam +niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden +lang vergeten in de kast staan. + +Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog +sliepen. + +Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de +verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de +kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de +speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het +armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop +van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug +weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud +geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat +hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje +rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich +angstig en heel niet op zijn gemak. + +Als het eens uitkwam! + +Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats +terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu +eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit +bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde +opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok. + +Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de +gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had. + +Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te +helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde +het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw +te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een +natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje +stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur. + +Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het +ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze +gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien. + +Opeens greep Thea naar haar pols. + +„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb +mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.” + +Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de +ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij +elkaar. + +Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel +interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af. + +Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen +vinden. + +„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op +de tafel, dat weet ik zeker.” + +„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de +kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel +geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.” + +Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring +deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet +verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was. + +„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij, +„ik ben dadelijk terug.” + +Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze +bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door +netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand +daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg +zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans +vroeg, of hij misschien ziek was. + +„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend. + +„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!” + +Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt +gezicht. + +„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van. +Jullie weet er toch geen van beiden iets van?” + +„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een +gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te +begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem +gisterenavond nog afgelegd. + +„Weet u dat zeker?” vroeg Stans. + +„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.” + +Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond +afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale +handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar +verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het +uitkleeden den armband nog bezeten had. + +Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te +zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de +gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch +eigenlijk de eenige mogelijkheid. + +Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben +kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet +gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen +is geen kleinigheid. + +Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den +tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden. + +Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het +lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk +en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald +opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar +niet over na. + +Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband +terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een +advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over +hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de +gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder +niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo +nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen. + +Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem, +dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en +ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch +wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen. + +Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer, +ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar +niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om +haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in +welke bladen ze adverteeren zou. + +Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist, +wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat +nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband +afdeed, of niet. + +Had ze soms verdenking op de bedienden? + +Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan +Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was. + +„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar +ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch +in uw bijzijn ondervragen.” + +Ze schelde en beval Annette te roepen. + +Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig, +daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd. + +„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen +een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op +tafel gelegd te hebben.” + +„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.” + +„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met +Annette spreek.” + +Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar +zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was. + +Kalm ging mevrouw van Gendringen voort: + +„Weet je iets van dien armband af, Annette?” + +Het meisje begon te schreien. + +„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze, +„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd, +dan zou...” + +„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand +beschuldigt je van diefstal”. + +„En u zegt het.” + +„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen, +weet je iets van dien armband af, ja of neen.” + +„Als ik nou toch.....” + +„Ja of neen.” + +„Mijn moeder zou.....” + +„Ja of neen, Annette.” + +In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze +vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen +aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw +van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van +instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare +oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den +rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen. + +Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van +Gendringen had het toch opgemerkt. + +Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar. + +„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het +verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet, +waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.” + +Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze: + +„Ja of neen, Annette.” + +Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en +antwoordde nu: + +„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk +meisje en....” + +„Dus neen, goed, je kunt gaan.” + +„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf +beschuldigt....” + +„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in. + +„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje +verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend. + +Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea. + +„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden, +juffrouw?” + +„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te +beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn +kamer geweest dan Annette.” + +„En die houdt u voor onschuldig?” + +„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.” + +„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw +armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in +die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in +de meest gelezen bladen.” + +„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar. + +„Moet ik een belooning uitloven?” + +„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?” + +„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het +bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de +zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der +kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen +bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de +kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben, +alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n +vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus +op, overmorgen.” + +Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de +gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer +Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd, +onbarmhartig kritiseeren. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + + Oudejaarsavond. + +Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan +minder eenzaam en verlaten. + +Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel, +dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me +ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid +bij mij opwekt. + +En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn +dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik +alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die +lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want, +wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld +zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen, +zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen +zit? + +Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van +Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar +ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of +tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters +oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee +mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo +zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik +thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was, +tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk +vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee +gevraagd. + +Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet +wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een +wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb +nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn, +al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in +huis beschouwt. + +Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de +minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals, +waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe +mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is +trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van +eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit +gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de +gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik +wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan +de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs. + +Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet +zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en +ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht +heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd +lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig +liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben +ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan +niet nalaten haar een beetje te vertroetelen. + +Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en +innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb +hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij +weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij, +door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven, +haar overdreven liefde maakt haar blind. + +Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik +werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke +moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel +eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer +zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe, +lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar +Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in +zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te +schrijven. + +Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven +steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje +zendt mij van tijd tot tijd briefjes. + +Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben? + +Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde +tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje +met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol +grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en +spelletjes doen. + +Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig +met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de +tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb +en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze +hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want +als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar +vergallen. + +Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets +krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en +als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken, +het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt +voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn, +die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen. + +Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem +met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de +kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en +in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in +alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te +kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb +ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht. + + - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - + +Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben +in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen +en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik +verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren, +of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden +verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek +mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen +haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was +zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me +opgewekt had. + +Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van +gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en +dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar +bed. Waarom zou ik nog langer opblijven? + +Toch moet me nog één ding van het hart. + +Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te +worden op de meisjes hier? + +Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze +jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd +leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor +mijn brood, hard werken zelfs. + +Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te +helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en +ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna +in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen +bezighouden. + +Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes, +dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje +zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens +zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed +staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het +erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk? + +Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was, +zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou +zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn +nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de +triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van +tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die +feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet +op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en +denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te +vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om +jaloersch op haar te zijn. + +Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat +gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als +ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s +moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers +dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen. + +Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik +niet eens met haar zou willen ruilen! + +En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van +jaloezie ben ik nog niet. + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE ONTDEKKING. + + +Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die +haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze +zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien! + +Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en +haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide +terugzien. + +Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis +geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat +ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze +het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel +die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond, +kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het +zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst +vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich +verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was. + +Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch +wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg +en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven. + +Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een +ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten +dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had, +het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden +had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken. + +Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje +nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot, +als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog +veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had +verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam, +wist hij niet goed, hoe te handelen. + +Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht +worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou +kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de +zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en +kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan +verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje +minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het +voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst +hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch +wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op +een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij +doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit +de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit +te pakken en naar het armbandje te zoeken. + +Daar lag het nog net als hij het verstopt had. + +Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer +eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en +Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat +Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter +hem stond. + +„Armand!” + +Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn +hand. + +En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer +naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest. + +Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat, +haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien. + +Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig +begon te lachen. + +Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan? + +Waar had hij het gevonden? + +Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd +hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat +ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets +heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt. + +In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door +het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind +indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk +zijn? Maar waarom? + +Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers +onzin. + +Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel +van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny +tegenover hem verdedigde. + +Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken. + +Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te +blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze +schijnbaar bedaard: + +„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?” + +Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan. + +„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger. + +Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er +over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden. + +Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger. + +„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?” + +Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen. + +Hij keek Thea boos aan en zei: + +„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het +immers terug.” + +Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig +verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen +schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het +gevonden had. + +Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was. + +„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?” + +Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe +te kijken. + +Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en +gilde: + +„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!” + +„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.” + +Na een oogenblik aarzelen zei het kind: + +„Ik heb het gevonden.” + +„Waar?” + +„In de kast.” + +„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die +kast opgeruimd.” + +„In een doos.” + +„In een doos? In welke?” + +„In die.” + +„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?” + +De jongen begon te huilen. + +„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf, +om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje +gelooft er toch niets van!” + +Dat was te erg. + +Thea ziedde van drift. + +Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde +nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen. + +Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen. + +Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de +uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven +als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist +thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo +hoorden aangaan. + +Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en +hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had. + +„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?” + +Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om +kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich +door haar drift laten beheerschen. + +„Nu juffrouw, is dat waar?” + +Thea boog het hoofd en zei: + +„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat +Armand mijn armband gestolen had, dan....” + +„Juffrouw!” + +„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!” + +„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen, +ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?” + +„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....” + +Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur. + +„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.” + +Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer. + +„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten +motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal +beschuldigd.” + +„Ik vond hem spelend met den armband.” + +„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan, +Armand?” + +Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot +genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren. + +„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand. + +„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde +Thea te zeggen. + +„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u +blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?” + +„Ja.” + +„Maar mevrouw....” + +„Wanneer Armand?” + +„Vanmorgen.” + +„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?” + +„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb +weggenomen, wel Maatje?” + +Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan. + +„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je +begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets +van je te moeten denken.” + +Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te +huilen. + +„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?” + +Het kind huilde door. + +Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan. + +„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en +zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die +armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of +andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is +blijven liggen.” + +„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden +opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos +gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij +niet vanzelf gerold zijn.” + +„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot +zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent +je en gelooft je.” + +„Dus gelooft u mij niet?” + +„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was, +zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het +algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U +bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van +uw bescherming.” + +Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu +wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken. + +Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou +worden, omtrent het voorgevallene. + +„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon, +maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze +gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt +is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te +onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng +aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat +een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.” + +Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar +wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd. + +Mevrouw van Gendringen vervolgde: + +„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante +bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen, +geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief +uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met +Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal +ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo +spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan +toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.” + +„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon. + +„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het +kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen +rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen, +maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden. +Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar +naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op +haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.” + +In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op +Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was +zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het +verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster +stond, werd ze smadelijk weggezonden. + +Het bloed steeg haar naar het hoofd. + +„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen, +was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar +haar om te zien. + +Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven +gehoord had. + +Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu +wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd. + +Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou +hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze +voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had +kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van +hare ouders gekregen. + +Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden, +dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar +moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt +was. + +Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel +aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die, +hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had. + +Ze moest er nog eens over denken. + +Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu? + +Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand, +die te kort was gekomen in zijn plicht. + +Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins, +toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde +zeggen: + +„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is +nu al weer voorbij.” + +„Voorbij, kind? Ik moet weg.” + +Van schrik liet Stans haar los. + +„Weg, moet u weg? Och neen!” + +„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.” + +„Voor goed?” + +„Ja, voor goed.” + +„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen. + +Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich +tenminste bij iemand bemind had weten te maken. + +Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend, +begon ze het kind te troosten. + +Maar Stans was ontroostbaar. + +„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.” + +„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig +leventje je nog eens krijgt.” + +Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal +niet rooskleurig. + +„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze. + +Thea beloofde het. + +Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten. + +„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze, +„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.” + +Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige +dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea +ging dien avond met een bezwaard hart naar bed. + +Wat zou de toekomst brengen? + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +NAAR HUIS. + + +Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou +en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had +afgelegd, maar in omgekeerde richting. + +Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar +weldra weer te kunnen omhelzen. + +En Vader, Ita, Bets en de jongens! + +Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien, +hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn. + +Weer thuis, wat een heerlijke gedachte! + +En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden +zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar +vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er +was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet +haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle +moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar +niet langer houden. + +Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken? + +Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze +was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo +goed over haar dacht. + +Had ze dit kunnen voorkomen? + +En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor +oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten +meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen +noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had +moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch +geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het +weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven. + +Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging +te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem +altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het +afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan. + +„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde +opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had +ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe +gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor +hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.” + +„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd, +waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw +moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den +duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week +al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook +geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen +wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor +haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo +streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind +kon zijn.” + +Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw +van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig +had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof, +die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor +haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn. + +Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking +had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen, +iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte, +wat zou dat heerlijk zijn! + +Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis. + +Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem +verloren zou hebben. + +Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook +iemand zag. + +Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze +hartelijk. + +Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had +gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze +misschien nog nooit gedaan hadden. + +„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij +was. + +„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als +altijd en de kinderen maken het uitstekend.” + +„En jij?” + +„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.” + +„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.” + +„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren +wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit +door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.” + +Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan +hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne +donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog +magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had. + +Toen ze in de tram zaten, zei Ita: + +„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je +daar niet genoeg te eten?” + +Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad. + +Toen fluisterde ze: + +„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?” + +„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.” + +„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.” + +Ita deed kwasi onverschillig. + +„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er +lang blijven zou.” + +„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?” + +„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.” + +„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te +schrijven.” + +„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er +niet prettig, dat voel ik.” + +„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te +lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd +heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen. + +Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan +huilen? + +„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze. + +Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af. + +Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover +haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd: + +„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?” + +Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een +betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven, +dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk +was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien. + +„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom +weer thuis.” + +„Weer thuis? voor goed?” + +„Ja.” + +„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.” + +Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van +haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief +beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven +en wist niet goed, wat nu te zeggen. + +Ita kwam haar te hulp. + +„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het +was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een +poosje thuis kwam.” + +Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder +jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het +vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand, +bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren, +waardoor het gesprek een andere wending kreeg. + +Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een +handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren +ze in de Columbusstraat. + +Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat +omsloegen. + +Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar +snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt +wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen +handdruk afdeed. + +„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk. + +Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en +overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten. + +Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar +negentien jaren, vloog naar haar toe. + +„Moesje!” + +„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo +naar je.” + +Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als +vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en +voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig. + +„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader. + +„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver +weg.” + +„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op +het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar +Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten +overlaten.” + +„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid +uit hare oogen en zacht zei ze: + +„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?” + +„Neen kindje, dat niet.” + +„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.” + +„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen +over.” + +„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan +had.” + +„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed, +dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.” + +„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten +opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar +school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op +je gewacht.” + +De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een +teleurgesteld gezicht op te merken: + +„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?” + +„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!” + +Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het +kind maakte een luchtsprong. + +„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!” + +„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes, +dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal, +verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen +krijgen. + +Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te +doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast +niets naar binnen kon krijgen. + +„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit. +Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd, +omdat je daar veel van houdt.” + +Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst +was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in +den laatsten tijd geweest was. + +„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd. + +„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze. + +„Boos?” + +„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even +erg.” + +Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een +beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend: + +„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik +begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een +volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven +staan.” + +„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.” + +„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken +trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven +was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas +gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren, +je zult zien, alles komt best terecht.” + +Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan. + +„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door +haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw +beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.” + +„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons +zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader. + +Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met +Armand, dan met Constance. + +„Hè Vader, waarom?” + +„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere +meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te +kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel +verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te +sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.” + +„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is +van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea. + +Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand +grijpend, zei ze met een zucht van voldoening: + +„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.” + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +JAN’S RAPPORT. + + +De volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was +haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen +daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om +zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook +hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug +genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het +wist. + +’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking +aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had +ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar +beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen. + +Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen. + +Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van +school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te +gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn +dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van +aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij +wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun +weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, +dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf +te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op +school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte +hem zenuwachtig en angstig. + +Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel +vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo +geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had +hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel +veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op +aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn +financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s +avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet +heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de +dingen houden kon. + +En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een +oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was +overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste +mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere +Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om +den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer +geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was +hij niet. + +Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed +op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, +het Paaschrapport zou het uitmaken. + +Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea +hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats: + +„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar +Jan?” + +„Best mogelijk,” bromde Jan. + +„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, +dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij +vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet +veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.” + +Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek +naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat +Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als +Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren. + +„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je +rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?” + +Jan duwde haar ruw weg. + +„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij. + +„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei +Ita. + +„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea. + +„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan. + +„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den +leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een +hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik +en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een +paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij +er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was +Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd +hadden, voor goed in ongenade.” + +Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en +het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze: + +„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?” + +„Jan en Willem.” + +„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi +vind ik die soort grappen toch niet.” + +„’t Is een lamme vent,” bromde Jan. + +„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te +vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al +eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.” + +„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een +standje geven, maar je niet voor den gek houden.” + +„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea. + +„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.” + +„Dat vind ik nu weer flink van je.” + +„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de +schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal +niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.” + +„En Willem?” + +„Nou, die zei het toen ook.” + +„En toen?” + +„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.” + +„En weet Vader daarvan?” + +„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het +land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er +voor gekregen, uit was het.” + +„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis +was?” + +„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.” + +Thea zette een bedenkelijk gezicht. + +„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel +mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele +geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet +van.” + +Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet. + +„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij +hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij +Nico altijd zoover mee. + +Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en +haar mantel aantrekkend, zei ze: + +„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal +brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem +zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.” + +„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?” + +„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.” + +Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder +terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan. + +De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en +Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te +beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg, +Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun +opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd +genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee. + +Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan +maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita +thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was. + +„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?” + +„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!” + +Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen. + +„Is Jan niet bij je?” + +„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.” + +„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga +maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of +ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan +een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met +zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel +bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog +gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er +tegenop zag, thuis te komen. + +Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi +onverschillig toe. + +Thea maakte een gebaar van ongeduld. + +„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe. + +„Waarom,” zei Jan, naderkomend. + +Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk: + +„Is het slecht?” + +„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend. + +„Hoeveel onvoldoenden?” + +„Vijf.” + +„Maar Jan!” + +Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte +ongeduldig op den grond. + +Thea zuchtte diep en zei: + +„Ga nu maar naar binnen.” + +Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, +zeggend: + +„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, +Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend. + +Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en +van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met +die slechte tijding naar binnen te gaan. + +„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen +koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?” + +Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden +ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve +Bets, die overbleef op school en Jan. + +„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader +informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis? + +Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde: + +„Jawel Vader, hij is thuis.” + +„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?” + +„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet +binnenkomt. Hier is zijn rapport.” + +„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de +enveloppe, die Thea nog steeds vasthield. + +„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder +en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen. + +Deze vouwde het open en werd bleek. + +„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die +aanmerking van den directeur onderaan.” + +„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw. + +„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?” + +Haar vader las voor: + +„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag +en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met +Willem Meyer wel goed voor hem is.” + +Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar +hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan. + +Nu verhief zich Nico’s stem. + +„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.” + +„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. +Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet +wist. + +„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder +gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.” + +Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, +moest Ita lachen. + +„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.” + +Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren. + +„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je +blieft, wat weet je er van.” + +Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen +had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op +gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis +vertelde. + +„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de +kinderen, Vader.” + +Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan +zelf wel spreken, ze moest hem maar halen. + +Ita had er niet veel lust in. + +„Toe, ga jij, Thea,” zei ze. + +„Waarom ik?” + +„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik +maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw +beneden hebben.” + +Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor +hem. + +„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur, +bang, dat Vader zich driftig zou maken. + +Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde +aan den knop. + +„Doe open, Jan.” + +Geen antwoord. + +„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.” + +Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot +omdraaien. + +Thea trad binnen. + +Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde: + +„Wat zeggen ze er van?” + +Thea sloeg haar arm om zijne schouders. + +„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en +dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht +oppassen, Jan?” + +Haar broer haalde zijne schouders op. + +„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel +na.” + +„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.” + +„Laat me maar liever hier.” + +„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en +geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk +een standje, maar dat heb je verdiend, hè?” + +„Als ’t maar enkel een standje was.” + +„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn +ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.” + +Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar +beneden. + +Hij voelde zich ellendig. + +Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij +wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd +leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen. +Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor +zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij +wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en +toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret. + +Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen. + +Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg. + +„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader. + +Jan ging een paar passen vooruit. + +„Hoe vin’ je dat rapport?” + +Jan zweeg. + +„Antwoord me.” + +„Slecht.” + +„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is +geen rapport om mee over te gaan, wel?” + +Jan trok zijn schouders op. + +„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, +Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een +verdriet.” + +Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet +verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink +pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader +er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten. + +Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen +van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij +had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan. + +„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen. + +„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van +overwegenden invloed.” + +„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een +enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.” + +„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan +ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.” + +„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde +voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.” + +Haar vader drukte haar hand. + +„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?” + +„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet +vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.” + +Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, +zoo’n echt goed kind. + +Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij: + +„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van +de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?” + +Jan beloofde het. + +Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan. + +„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte +geworden.” + +Jan kreeg een kleur. + +„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.” + +„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, +nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang +met Willem Meijer afbreekt.” + +Jan keek ontsteld op. + +„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.” + +„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet +niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je +Willem loopen.” + +Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de +nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden. + +„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, +maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij +gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, +Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.” + +„En als ik dat nu bepaald wil?” + +Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden +uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne +neer. + +„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, +zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.” + +„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van +Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico +trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was, +zooals hij zei. + +„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te +plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.” + +Zich toen weer tot Jan wendend: + +„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult +hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.” + +Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende +de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige +oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en +met zijne oogen knippend. + +„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.” + +Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was. + +„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe. + +„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.” + +„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.” + +Nu barstte Jan los. + +„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed +vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, +hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je +zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik +hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is +afschuwelijk.” + +Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten. + +„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van +de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat +weet je zelf ook wel.” + +„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik +er niet over denken, Willem te laten loopen.” + +„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.” + +„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat +niet, Moes?” + +Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, +dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, +dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in +plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde, +bewees, dat hij een goeden aard had. + +„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?” + +Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd +werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam +niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij +het kunnen volhouden? + +„Als ik maar kan, Moes.” + +„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook +wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je +heel slecht hebt opgepast.” + +„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens +zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.” + +Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te +doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de +andere jongens. + +„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met +hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. +Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar +hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote +vacantie.” + +„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?” + +„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. +Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.” + +Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij +voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte +brengen. + +„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.” + +Zijn vader drukte hem stevig de hand. + +„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog +terecht te brengen.” + +Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder. + +„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een +kus. + +Nico keek een beetje verbaasd. + +„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei +hij, met zijn hoog stemmetje. + +Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning +het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, +lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom. + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +THEA KRIJGT EEN NIEUWE BETREKKING. + + +Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde +klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af +hadden gehad. + +„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd +kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was +gevallen. + +„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei +Ita lachend. + +„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea. + +„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op. + +Maar Moes nam Bets’ partij. + +„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best +op school, haar rapport is wat goed dezen keer.” + +Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar +humeur te geraken, keek weer vroolijk. + +„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico +op. + +Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms +zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om +Nico’s gezegde lachen moest. + +Bets werd verlegen. + +Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand +vloog. + +Nico stompte dadelijk terug. + +„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten +aan tafel?” + +Bets kreeg een kleur. + +„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze. + +„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in. + +„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.” + +Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico +nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel +gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden. + +„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader. + +Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat +met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit. + +„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je +best te doen en laat het verleden voorbij zijn.” + +„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je +te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt +en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij +het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan, +eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de +resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude +leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag. + +Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken. + +„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die +altijd zoo met haar keel sukkelt?” + +„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt +is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik +hoorde het van onze juffrouw.” + +Weer verzonk Thea in gepeins. + +„Ik ga er eens heen,” zei ze toen. + +„Waarheen?” vroeg Vader. + +„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij +haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe +onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet +terug kan komen.” + +Moeder knikte haar vriendelijk toe. + +„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n +korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was +dat toch al iets.” + +Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de +gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan, +waar ze eens leerling geweest was. + +Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek. + +„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon. + +„Ja, vin’ je het soms niet goed?” + +„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor, +je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!” + +Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets +had opgewekt. + +„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze. + +„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik +heelemaal niet weten, wat ik doen moest.” + +„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven, +stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!” + +Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds +zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van +den tafel getrokken te worden. + +Bets keek bedenkelijk. + +„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan +vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou +je danken.” + +Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten +luisteren, nam nu het woord. + +„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt +gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op +school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt +niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres +was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je +net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat +je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en +Vader gaf Thea een knipoogje. + +Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze +haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet +eens en zou er misschien nooit komen. + +Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar +zouden zijn. + +„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je +maar aan en dan durf je niks,” zei hij. + +„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en +toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te +vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei +meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor +aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens +pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over +meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.” + +„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten +laat. Willen we nu maar eens opstaan?” + +„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik +juffrouw Lettinga dan wel thuis.” + +„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te +laat.” + +Thea maakte zich dus klaar en vertrok. + +Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze +liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den +heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen, +ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens +met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart +onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde. + +„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de +deur opende. + +Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze +zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar +twaalfde jaar bezocht had. + +„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik +dacht, dat je in Brussel in betrekking was.” + +Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk +vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote +kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben. + +Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort: + +„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met +Bets niet in orde?” + +„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.” + +„Voor jezelve?” + +„Ja juffrouw.” + +Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde, +ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf. + +„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend. + +Thea raapte haar moed samen. + +„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.” + +„Dat is zoo. En?” + +„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u +misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij +misschien zou kunnen gebruiken.” + +Oef, het was er uit. + +Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar +bril. + +„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei. + +Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw +was, om iets te zeggen, of te vragen. + +Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen. + +„Hoe oud ben je?” vroeg ze. + +„Bijna twintig.” + +„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.” + +En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze +er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits, +dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden. + +„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik +studeer voor Fransch.” + +„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd +in Brussel geweest?” + +Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel +geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had +ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd. + +„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?” + +Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden? + +„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden +moeielijke karakters.” + +„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?” + +„Neen, gouvernante.” + +„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?” + +Thea moest bekennen van niet. + +Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer +waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs +zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was +geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze +haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een +tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de +Paaschvacantie. + +Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te +doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke +leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar +haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten +geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren +er grooter dan zij zelf. + +„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen +af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat +ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij. + +Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van +Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar +met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in +den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed +ze meteen een goed werk. + +„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren. +Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor +langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar +juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel +verergerd is.” + +Thea’s hart klopte wild van vreugde. + +„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.” + +„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje +verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen, +die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een +oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres +daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets +stoort toch altijd den gang van het onderwijs.” + +„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea. + +Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach. + +„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen +zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je +moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een +taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.” + +Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat +het was. + +Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze. + +„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze. + +„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als +juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor +vast nemen, als ik u beviel?” + +„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen +van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen +kunt.” + +Thea stond op. + +„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand +grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel +gaan, het moet gaan.” + +Lachend schudde de juffrouw haar hand. + +„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je +moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en +ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken, +groet je ouders van me en tot ziens.” + +Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze +rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had. + +Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals. + +„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!” + +„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat +ben je toch een gelukskind.” + +Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws +mededeelde. + +„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de +juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als +juffrouw Jansen niet terug kan komen.” + +Haar vader lachte om haar enthousiasme. + +„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te +vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling. +Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan +komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.” + +„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les +gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat +anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te +kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.” + +„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook +niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent, +juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het +dus niet heel gemakkelijk hebben.” + +„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een +rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te +worden, niet waar Vader?” + +Deze trok haar naar zich toe en kuste haar. + +„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan, +dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.” + +Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek. + +„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet +waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten +regeeren.” + +Thea lachte maar. + +„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve +meisjes bij waren.” + +„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat +meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze +dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.” + +„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om +raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een +scheef gezicht deed trekken. + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN VACANTIEDAG. + + +Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de +ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had, +haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een +doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om +enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en +was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar +vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden +onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen +tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag. + +Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei: + +„Neen, dat gaat niet.” + +„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?” + +Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over. + +„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet +gaan.” + +Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande? + +Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang, +hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer. + +Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei: + +„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een +dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?” + +Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze +antwoordde dadelijk: + +„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?” + +„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief +door. + +„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn, +die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?” + +„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te +laten, ik durf het niet goed.” + +Thea keek een beetje beleedigd. + +„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al +een heel mensch.” + +„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de +kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te +scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.” + +Haar man greep haar hand en zei lachend: + +„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte +kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor +ze maar eens.” + +Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later +stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar +schort vasthield. + +„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.” + +Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van +het harde loopen. + +„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze. + +„Welk kraantje?” + +„In de gang.” + +Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug. + +„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is +ondergeloopen.” + +Moeder was ondertusschen ook gaan kijken. + +„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.” + +Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht. + +„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in +de gang open?” + +Bets begon te huilen. + +„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg +Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er +bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en +nu bent u boos op mij.” + +Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde +beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico. + +„Heb jij dat kraantje geopend?” + +„Ja,” knikte Nico. + +„Waarom?” vroeg zijn vader. + +„Zoo maar.” + +„Wou je de gang eens laten onderloopen?” + +De jongen begon te lachen. + +„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te +draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.” + +Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij +slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei: + +„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk +er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje +nog langer open had gestaan.” + +Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei. + +Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan. + +„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.” + +Zich toen tot haar man wendend: + +„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.” + +Deze laatste lachte eens witjes. + +„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.” + +Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen. + +„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita +en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets. + +„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet +ik niet.” + +„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu +maar eens op zij.” + +„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.” + +„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je +mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat +je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat +het dak nog op het huis zal staan.” + +„En het eten?” + +„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea. + +Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te +gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden. + +Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en +hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden +kwamen en niets van de zaak wisten. + +„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita. + +„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.” + +„Uit de stad?” herhaalde Jan. + +Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit! + +„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg +geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief +zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees +jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit +den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar +benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn. + +Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep +dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon +te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging. + +Ita had zich intusschen vlug aangekleed. + +„Ik breng u weg, Moes,” zei ze. + +„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar +weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.” + +„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo +leuk vinden.” + +Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea: + +„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over +vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als +vandaag, komt misschien nooit meer terug.” + +Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan. + +„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij. + +„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten +maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes +merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en +u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n +portret?” + +„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.” + +„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het +in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen +gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?” + +„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig +idee van je.” + +„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u +dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze +zich dadelijk wil opknappen?” + +Haar vader beloofde het. + +Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het +vijftal opweg naar den photograaf. + +Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was +met een ander bezig. + +Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de +verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren. +Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig. + +„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea. + +Bets ging wat netter zitten en geeuwde. + +„Ik verveel me zoo,” zei ze. + +„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks +zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.” + +Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te +trekken. + +„Schei uit,” zei Jan. + +„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den +spiegel gestaan?” + +„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan. + +Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het +haar van zijn broertje halend, plaagde hij: + +„Wil ik het nog eens voor je opkammen?” + +Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn +meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen +hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war +bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende +oorvijg. + +Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te +huilen. + +Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was +geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan +een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had. + +Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur. + +„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?” + +Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar +broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden. + +„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de +jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u +dadelijk helpen.” + +Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze +binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk +gevormd was! + +Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf. + +„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer +ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.” + +Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat +hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist, +dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd, +keek nog knorriger. + +„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij. + +„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,” +veronderstelde de photograaf. + +Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter +pret van houding veranderde en de groep in de war bracht. + +Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet. + +„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf. + +Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets +zachtjes. + +De photograaf begon zijn geduld te verliezen. + +„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?” + +Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig +gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon +ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door. + +Ita werd boos. + +„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de +groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan +moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.” + +„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil +zijn, ik kan het echt niet helpen.” + +Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname +eindelijk gedaan. + +„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.” + +„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?” + +„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te +doen.” + +Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita +naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was +naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste +pak aan had. + +Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet +weinig pret in het verhaal had. + +„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war +gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of +er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.” + +„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op. + +„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits. + +„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal +worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en +Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.” + +Bets sloeg hare armen om zijn hals. + +„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school +vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt +en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch +heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar +het kan mij niks schelen, hoor.” + +Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de +woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets, +ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten. + +Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige +uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze +bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd. + +„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al +de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.” + +Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader +toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te +zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat. + +„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch +wat te zeggen. + +Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten. + +„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de +vriendinnetjes van Bets over mij spreken.” + +Thea zette zich bij hem neer. + +„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is +geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms, +dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat +we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets +goeds?” + +„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.” + +„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren, +„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld, +dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk. + +Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en +vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het +was meer dan tijd. + +Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever +had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere +richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen +en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar. + +Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid. + +„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij. + +Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op +zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als +een wildeman opstrijken. + +„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita. + +Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond +op. + +„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader. + +„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.” + +„En werk je dan vandaag niets?” + +Jan keek mistroostig. + +„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.” + +„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt +voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.” + +„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret +uit.” + +„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie +heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.” + +Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte +ongeduldig met zijn eene been. + +„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op +me.” + +„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat +portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat +lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af +geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink +werken, niet waar Jan?” + +„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat +Thea het voor je vraagt.” + +Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong +op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend. + +Thea keek hem lachend na. + +„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem +geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.” + +„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo +onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je +soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel +liever gunde ik hem een vrije vacantie.” + +Ita knikte hem eens toe. + +„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea, +weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt +Moes die klaar, als ze thuis komt.” + +Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het +toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met +een dubbel drukken dag betalen. + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht +helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige +bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol +gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe +verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar +uitstapje, thuis kwam. + + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN MOEIELIJK BEGIN. + + +De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in +spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen. + +Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op. +Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf +haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg, +wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de +onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde +beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze +vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls +amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te +brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf, +maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen. + +Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een +wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had, +toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds +klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan +de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat +zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden. + +De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler +werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig +schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo +onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te +hebben, als ze maar pret kon maken. + +Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de +meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar +geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig +mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet +deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk, +maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet +met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel +aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde +het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond +behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom +gegroefd hadden. + +Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan +les zou moeten geven. + +„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet +je wel, wie we krijgen?” + +„Neen, jij?” + +„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel, +uit de vierde.” + +„Och neen!” en Louise schaterde het uit. + +„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.” + +„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel +grooter is dan jij, peuter.” + +Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op. + +„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?” + +Toen lachte ze en zei: + +„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een +gezichtje.” + +„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna +Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze +heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze +groot of klein is.” + +Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het +hoofd. + +„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze +klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.” + +Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit. + +„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret +hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons +heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet +te zeggen, wat ik verkies. Hoera!” + +Anna Verloef trok haar aan haar mouw. + +„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?” + +Louise keek haar weer spottend aan. + +„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft +er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.” + +„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen +lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk +lastig te maken.” + +„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.” + +Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw +Lettinga en Thea. + +„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.” + +De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea +kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die +op haar gezicht waren. + +Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan. + +„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is +er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal +jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte +haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen +zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en +verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam +mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar +Louise?” + +Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon, +waarvoor ze respect had. + +„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal +ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles, +zooals u weet.” + +Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van +stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen +elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen, +maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen. + +Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei: + +„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.” + +De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door. + +„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een +oogenblik, tot er werkelijk stilte was. + +Daar stak Louise haar vinger op. + +„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?” + +„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon, +„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een +stoof.” + +Thea keek vreemd op. + +„Waarom Louise, ik ga niet zitten.” + +„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op +zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.” + +Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze +heel rood werd. + +Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen. + +Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te +beheerschen. + +„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer +vooraan komen zitten.” + +Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel. + +Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze: + +„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.” + +„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart, +maar voor het uiterlijk bedaard en kalm. + +Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik, +Louise haar vinger weer op. + +„Wat is er nu weer, kind?” + +Louise zette een heel dom gezicht. + +„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.” + +Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek +gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke +flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan. + +Maar dat was niet de bedoeling van Louise. + +„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol. + +„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.” + +„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?” + +Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig. + +„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de +beginselen.” + +Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht. + +„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze. +Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze: + +„Nou jij.” + +Meta stak nu haar vinger op. + +„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.” + +Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde. +Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige +vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen, +maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar +juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten +de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was +de directrice niet. + +Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet. + +Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en +terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en +toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan +zitten, maar Thea zei: + +„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te +hebben.” + +Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was. + +„Waar is Louise?” vroeg ze. + +Meta lachte. + +„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze. + +Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou +kunnen vertrouwen. + +Haar oog viel op Anna Verloef. + +„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar. + +Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had +nergens meer hekel aan, dan aan jokken. + +Toch fluisterde ze: + +„Neen juffrouw.” + +Thea keek haar aan en zag haar kleuren. + +„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?” + +„Anna Verloef.” + +„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje. + +Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan +voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet +voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had +laten glijden. + +Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven. + +Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag, +Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes +lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars, +andere van Thea naar Louise kijkend. + +Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten +inspannen, om niet driftig te worden. + +„Waar ben je geweest, Louise?” + +Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen +en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om +Louise te zien. + +„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang +uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet +verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?” + +„Ik, juffrouw, wel hier.” + +„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in +je bank.” + +Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare +medeleerlingen verwekte. + +„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de +deur hooren openen en dicht gaan.” + +Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten +was. + +„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet. +Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.” + +Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach. + +Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten +ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen +en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen, +Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor. + +Na eenige oogenblikken zei ze: + +„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise +gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het +voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu +nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.” + +Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise +lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd. + +Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend +aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht +een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met +zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar +mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op +toegelegd had, haar bespottelijk te maken. + +Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden +voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de +overwinning zijn? + +Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog +uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan +wel naar den geest. + +Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar +een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig +ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over, +waaronder Anna Verloef. + +Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken +waren. + +„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.” + +Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei: + +„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen +waarheid.” + +Anna kleurde weer. + +„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat +niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het +vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.” + +Thea bedacht zich een oogenblik. + +„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou +moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.” + +Anna keek haar verrast aan. + +„En vindt u dat dan goed?” + +„Beter, dan dat je jokt.” + +„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat +geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.” + +Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze +nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou +het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring. + +De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat +met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm +en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren +ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren +en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze +thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de +belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er +ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel, +dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote +inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel, +alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind +was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de +meisjes dol.” + +Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben? +Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze +moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste. + +Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep, +dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop +zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo +moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker +werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding +en met die gedachte sliep ze in. + + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN OVERWINNING. + + +Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich +zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat +het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen. + +Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al +verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag +had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op +viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein +persoontje voorstellend, dat op een bankje stond. + +Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over +het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen. + +Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van +het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren. + +Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de +meeste deden, alsof ze niets hoorden. + +„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea. + +Met een overdreven haast vloog Louise de bank in. + +„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet +kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den +lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok +Louise een heel zoetsappig gezicht. + +Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea +had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise +te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer +van had, zou het haar wel vervelen. + +„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je +les.” + +„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo +netjes.” + +Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had. + +„Kom Anna, begin,” zei ze. + +Louise trok een meewarig gezicht. + +„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar. + +„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea. + +Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen +zei ze op een toon van de uiterste verbazing: + +„Ze durft.” + +Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er +niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school +les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze +nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig: + +„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en +zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.” + +Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was +iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond, +dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen. +Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet +gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus +kalm in haar bank zitten. + +Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er +gebeuren zou. + +„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea. + +„Jawel, maar ik ga niet.” + +Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze +drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar +drift meester te blijven. + +„Je gaat direct,” zei ze streng. + +„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in +hare handen, keek brutaal rond. + +Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar +toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en +dat wilde ze trouwens ook niet. + +Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend: + +„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de +directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.” + +De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep, +dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar +voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich, +daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet +was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze +vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met +Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te +fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder +rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam +kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg. + +Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam +en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen. + +„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist +wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou +ze dat toch niet gedurfd hebben.” + +Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het +haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te +antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine +meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond. + +„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen. +Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo +kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de +orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik +Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat +kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen +worden, moet je zelf veroveren.” + +Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein. +Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden +invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht +veroveren. + +Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der +lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en +ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren. + +Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de +juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise: + +„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je +je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden, +ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis +stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven, +zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt +komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.” + +Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu +sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze +kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid +missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis. + +Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde. + +„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te +brengen.” + +Met een ruk richtte Louise zich op. + +„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze. + +„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee +en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.” + +Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze +gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar +nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was. + +Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee. + +Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog +niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel +inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse +heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van +de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had +ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen, +waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was +uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de +klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen. + +De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die +Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen, +de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen, +straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de +eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer +inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en +dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare +voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen. + +De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat +het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze +had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord. + +En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar +betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen +krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn. + +Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen +spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste +hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee +handelde. + +„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar +aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen +invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is +waarschijnlijk te zwaar voor je.” + +„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan +natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe +plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag +goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden +meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!” + +Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was +binnengekomen, boog zich over haar heen. + +„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van +worden.” + +Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei: + +„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe +moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.” + +Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend +hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed +onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats +veroveren? + +Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord, +er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig +niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang. + +Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze +slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te +bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei: + +„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.” + +De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de +aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil +en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou. + +Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en +toen ving ze aan met spreken. + +„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een +onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de +reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun +onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat +je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den +schijn van geeft.” + +Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare +wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en +luisterden gretig. + +„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter +plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar, +je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de +onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt +vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig +vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend +geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben +op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen +de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te +gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in +de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt, +waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan +worden? + +„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij +kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest +in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover +begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.” + +Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan. + +Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine +juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet. + +„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten, +dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men +onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen +en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel +liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het +me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk +niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat, +niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te +verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt, +dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb +jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent? + +„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker +van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een +treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar +nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet +meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking +zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over +mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter +zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat +ons nu aan ons werk gaan.” + +Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong +gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd +was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield. + +Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag +vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven. + +Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde +van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens, +dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter +bij haar op te passen. + +„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat +ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het +haar niet veel helpen.” + +Nu werden een paar meisjes bepaald boos. + +„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is +grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde +me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van +Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.” + +„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch +is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen, +het begon me zelf al te vervelen.” + +„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier +letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk +aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.” + +„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise, +die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht, +liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg. + +„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu +zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen, +zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw +best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar +juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap. +Vin’ jullie dat goed?” + +Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat, +gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze +werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken. + +Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan +goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea +weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van +tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere +meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de +klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om +een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren. + +Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea +voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde +naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar +benoeming. + + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +THEA EN LOUISE. + + +Van toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes +hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze +geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was, +werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij +vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en +ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo +bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar +werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend +groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten +maar goed waren. + +En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde +niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun +karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige, +werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die +het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt +had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe +zich voordeed. + +Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, +maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt. + +Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat +ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze +voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde +dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden +te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden, +als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals +haar hart haar ingaf. + +Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling +terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om +hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal +geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet +laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te +meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam. + +In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in +haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, +die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde +ondervinden. + +En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters! + +Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid +tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat +zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam. + +Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor +haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen +haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten +haar te temmen en geen last meer van haar te hebben. + +Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander +veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak. + +„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea. + +„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.” + +„Wat scheelt haar?” + +„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.” + +Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea +haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij +vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar +niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm +kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes +gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna +niet gekend had. + +Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee +stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst +ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te +koopen. + +Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het +Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer +dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een +gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren. + +Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd +ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan +had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen. + +Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig +kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een +plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een +inktkoker, verder niets. + +Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, +of ze even wachten wilde. + +Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame +binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser. + +Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s +onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het +met haar ging. + +„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en +heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar +eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den +tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden +hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.” + +Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, +maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk +ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige +hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond. + +„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor +zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.” + +Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch. + +„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons +heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u +begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen, +dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.” + +Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets +willen zeggen, dat deze kwetsen kon. + +„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere +wending te geven. + +„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze +heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik +geloof, dat ze liefst alleen is.” + +„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen +brengen.” + +„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.” + +Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het +kamertje van Louise. + +Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote +ongezelligheid. + +Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het +niet om, voor deze haar goeden dag zei. + +Toen keek ze verrast op. + +„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog +donkerder. + +„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik +mis je al een dag of vijf op school.” + +Louise glimlachte een beetje ondeugend. + +„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.” + +Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, +die ze voor haar meegebracht had. + +Louise’s gezichtje look op. + +„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?” + +„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.” + +„En U hebt die voor mij meegebracht?” + +„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?” + +Louise scheen deze vraag niet te hooren. + +„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je +voor, zij brengt rozen voor mij mee.” + +Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij +gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer +tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde +er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen. + +„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?” + +Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met +haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu +bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar +durfde blijven, bang haar te veel op te winden. + +Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de +hare en drukte die stevig. + +Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, +ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen: + +„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo +goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben +je daar te moe voor?” + +Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te +willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en +mevrouw. + +„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea. + +„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en +mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen +begonnen al weer te vloeien. + +Thea greep haar hand. + +„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.... maar +laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij +eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan +ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is. +Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?” + +„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb +niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een +lieve man.” + +„Ja? Wie is je dokter?” + +„Dokter Heger.” + +„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, +ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen +ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge +dokter?” + +„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.” + +„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel +heet?” + +„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u +hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.” + +Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij +dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk +zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij. + +Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet +voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan, +haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde +het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om +haar wat afleiding te geven. + +De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden +lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, +maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar +weer op krachten te brengen. + +Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch +werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn. + +„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds +herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte, +dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn. + +Thea kleurde een beetje. + +„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor +je.” + +Louise keek haar lachend aan. + +„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo +grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.” + +Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die +ze voor Louise had meegebracht. + +Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze: + +„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op +school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis +van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies +teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook, +dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had +en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien. + +„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en +toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de +familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.” + +Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het +gesprek een andere wending gegeven. + +„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag +woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!” + +„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n +onzin niet gezegd hebben.” + +„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise. + +Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste +leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel +meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden. + +„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?” + +„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het +goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend +is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst +was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde +zich thuis zoo eenzaam.” + +„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik +kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen +wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit +zijn.” + +„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, +mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet +gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.” + +„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er +zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, +als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer +allemaal het land aan me krijgen.” + +Thea moest even lachen. + +„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor, +ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook, +dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien, +hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.” + +Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te +denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar +juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe +ze haar ooit had kunnen plagen. + +„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me +zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid +alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u +hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.” + +Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij +zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het +eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar +toen. + +Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel +lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte +helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze +bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen. + +Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, +Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn +zou. + +En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij +had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te +mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar +beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de +handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad +wonen. + +Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek +was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet +meer ontmoet en dan.... + +„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die +haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?” + +Thea stak haar arm door dien van haar zuster. + +„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” +vroeg ze. + +„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk +een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er +bescheid op.” + + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +HET ENGAGEMENT. + + +Karel wist er bescheid op. + +Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd, +verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch. + +„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je +hoort het.” + +Thea lachte en bloosde. + +Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar +gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg +hij: + +„Waarmee legt mijn meisje het af?” + +Thea bloosde nog sterker. + +„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig +zijn.” + +Maar hier was Karel niet mee tevreden. + +„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?” + +Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel: + +„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze +en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid +bedwingen.” + +Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover +de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in +het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht. + +Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de +dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan +hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer. + +Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen. + +„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan +meneer de dokter ons beter maken.” + +„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte +Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter +in de familie te hebben.” + +Karel trok Nico zacht aan zijn oor. + +„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te +krijgen?” vroeg hij. + +„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze +haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem +aanleunde. + +Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden. + +„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist +leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet +lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het +niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.” + +Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd. + +„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het +jongste jongentje hier het hoogste woord?” + +Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen +acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte: + +„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en +dan ben ik lekker niet meer de jongste.” + +Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas +met bloemen op den schoorsteenmantel. + +Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde +laten zien, dat ze lachen moest. + +Maar mijnheer van Welderen lachte niet. + +„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist +binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?” + +Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik. + +„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout +geweest?” + +Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en +riep, zich aan haar vastklemmend: + +„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken +eten.” + +Zijn moeder weerde hem zacht af. + +„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?” + +„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken, +als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van +tafel gaan.” + +Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend: + +„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te +zeggen, mag hij dan binnen blijven?” + +Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt +ging het gezin aan tafel. + +Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over +den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar +nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren, +zoodat ze er zelfs haar eten door vergat. + +„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons +klaar.” + +Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen, +maar er kwam geen geluid uit. + +„Wat is er, meiske?” vroeg Vader. + +„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend. + +Jan lachte hardop. + +„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis, +of ze het op school mag vertellen.” + +Bets keek boos. + +„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk +vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet, +dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde +ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen, +maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.” + +Nu lachte het heele gezin. + +„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen. + +„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel +gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze +niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer +wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.” + +Bets’ oogen glinsterden. + +„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend. + +„Echt,” beloofde deze. + +„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had. + +„St,” zei Vader. + +„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....” + +„Nico!” en Vader keek streng. + +„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar. + +„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere, +groote plak.” + +Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van +plezier. + +„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met +de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van +krijgen.” + +„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne. + +Nu nam Jan het woord. + +„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....” + +Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit. + +„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend. + +Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren. + +„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij +niet goed was?” + +„Och niks.” + +„Jawel, toe zeg ’t nou.” + +„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn +glas uit en begon over wat anders. + +Karel keek Jan verrukt aan. + +„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben +alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.” + +Thea legde haar handje op zijne lippen. + +„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze. + +Daar tikte haar vader tegen zijn glas. + +Allen zwegen. + +„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik +graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw +krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.” + +„Maar Vadertje,” fluisterde Thea. + +Haar vader liet zich niet storen en ging door: + +„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd +een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar +Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan +haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is, +zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees +altijd goed voor haar, ze verdient het.” + +Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem +een beetje. + +Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten, +om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar +hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder. + +„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf +toch immers uw eigen dochtertje.” + +Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg. + +„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk +klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij +stootte bij Karel aan. + +Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje. + +„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat +en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.” + +Daar bromde Jan’s jongensstem: + +„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou +altijd zien.” + +Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men +schaterde het uit om Jan’s woorden. + +„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem +plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen +zullen.” + +„Dat beloven we,” riepen allen. + +Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd. + +„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten. +Enfin, het is nog zoo ver niet.” + +Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of +het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging. + +„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er +behoefte aan een luchtje te scheppen?” + +Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte. + +„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op +straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.” + +Thea werd nog verlegener en allen lachten. + +„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe. + +Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even +gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen. + +„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel +voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.” + +Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje +zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat +donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar +keek. + +Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk +beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich +in den zevenden hemel. + +Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje +volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw +iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend. + +Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou +uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje. +Nu hadden ze dolle pret. + +„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,” +en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan. + +„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan +zijn gewaand meisje. + +„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons +zien, nou....” + +„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet +goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed +ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.” + +Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes +lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg. + +Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s +gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of +niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist +tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen. + +„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?” + +„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard. + +„St,” fluisterde Bets. + +Thea keek onrustig om. + +„Hoorde je niets?” vroeg ze. + +Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de +beschouwing van zijn meisje. + +Ze liepen door. + +Bets en Nico volgden hen. + +„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.” + +Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter +dan hij. + +„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.” + +Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte. + +„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik +ben de grootste, net als Karel.” + +„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en +ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.” + +Dat was niet naar Bets’ zin. + +„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.” + +„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil +weggeloopen.” + +„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.” + +„In ieder geval heb jij het verzonnen.” + +Dat was Bets te veel. + +„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf +zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren, +die tamelijk hard aankwam. + +Nico gilde het uit. + +Hevig verschrikt keken Thea en Karel om. + +Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf +gingen met schoppen en trappen. + +„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze +scheiden.” + +Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar +nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam +Karel bij Thea terug. + +„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij. + +„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe +zouden die hier in de straat komen.” + +„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.” + +Thea stond stil van schrik. + +„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen +hebben? + +„Best mogelijk.” + +„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het +geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!” + +Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er +maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest. + +Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de +kleintjes waren nergens te vinden. + +„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita. + +„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,” +beweerde haar moeder. + +„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders +zijn.” + +Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de +omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist +niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten. +Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien. + +Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau +van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar +hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend. + +„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.” + +Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf, +kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet +te doen. + +„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch. + +Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea +hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden. + +Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde. + +„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader. + +Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar +bed te gaan. + +„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets. + +„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er +zoo afkomt.” + +Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder +prettig, dan ze gedacht hadden. + + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + +De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis +doorbreng! + +Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch +drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik +veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter. + +Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden +heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen +getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar +genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes +zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer +genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen +konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet +alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever +gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij +gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook +al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven +afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven +aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch +niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag +gehaald. + +In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun +liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst +heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is. + +En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n +heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes, +die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo +driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde, +dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn +ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan +nu eenmaal niet gemakkelijk leeren. + +O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn. + +En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander +kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals +Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en +leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te +doen schijnen. + +Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te +wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij +dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om +je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen +verzachten. + +En alle menschenleed! + +Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart, +die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn, +maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met +zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker +in staat zal zijn veel goed te doen. + +Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd +in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat +hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig +medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te +beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was +en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt +niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij. + +Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook +maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het +ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig +voor. + +Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen! + +Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een +door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog +liever zijn, dan de deugden van anderen. + +Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk +waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe +ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren +tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse +afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet +maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende +opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een +sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles +in orde. + +Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet +naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding +der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in +mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel +mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te +helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik +daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven +geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel +was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met +hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle +bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita +volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te +worden. + +„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik. + +„Zonder mij?” zei Karel verwijtend. + +Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch +niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden, +dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af +moest zetten. + +„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps. + +„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal +kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming +te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig +denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.” + +Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet +alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te +bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven +voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding +nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te +zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader +overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk +daarin ten minste geen verandering brengt. + +Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik +morgen niet frisch. + +Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in +schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik +mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb. + +Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd, +alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader +en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen +en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen. +Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch +eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar +toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden? + +Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had +pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te +kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet +gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven, +zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal. + +Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op +aarde voor mij is weggelegd, morgen..... + + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + Eerste Hoofdstuk. Het examen 5 + Tweede ,, Een kloek besluit 15 + Derde ,, Afscheid 31 + Vierde ,, Van huis 41 + Vijfde ,, Kennismaking 55 + Zesde ,, Uit Thea’s dagboek 69 + Zevende ,, Een moeielijke taak 79 + Achtste ,, De verdwenen armband 95 + Negende ,, Uit Thea’s dagboek 105 + Tiende ,, De ontdekking 113 + Elfde ,, Naar huis 127 + Twaalfde ,, Jan’s rapport 139 + Dertiende ,, Thea krijgt een nieuwe betrekking 157 + Veertiende ,, Een vacantiedag 171 + Vijftiende ,, Een moeielijk begin 187 + Zestiende ,, Een overwinning 199 + Zeventiende ,, Thea en Louise 213 + Achttiende ,, Het engagement 227 + Negentiende ,, Uit Thea’s dagboek 241 + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 *** |
