diff options
| author | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-06-09 14:12:20 -0700 |
|---|---|---|
| committer | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-06-09 14:12:20 -0700 |
| commit | 8b9a20366a5919558ee226e369763808fbcca8f2 (patch) | |
| tree | ca47007f8165b08921b920fd55865c734d021342 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 13 | ||||
| -rw-r--r-- | 78835-0.txt | 7499 | ||||
| -rw-r--r-- | 78835-h/78835-h.htm | 8756 | ||||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 152363 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 297697 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/frontispiece.jpg | bin | 0 -> 560995 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-a.png | bin | 0 -> 24495 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-d.png | bin | 0 -> 24986 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-h.png | bin | 0 -> 25177 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-k.png | bin | 0 -> 23995 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-m.png | bin | 0 -> 24531 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-n.png | bin | 0 -> 25033 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-o.png | bin | 0 -> 24825 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-t.png | bin | 0 -> 25194 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-v.png | bin | 0 -> 26442 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/initial-w.png | bin | 0 -> 26530 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o005.png | bin | 0 -> 22474 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o014.png | bin | 0 -> 2213 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o015.png | bin | 0 -> 30461 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o029.png | bin | 0 -> 19882 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o040.png | bin | 0 -> 13752 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o041.png | bin | 0 -> 30219 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/o094.png | bin | 0 -> 4826 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/p048.jpg | bin | 0 -> 704823 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/p152.jpg | bin | 0 -> 621674 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/p216.jpg | bin | 0 -> 546673 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/rbrace4.png | bin | 0 -> 263 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 74281 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78835-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 73530 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 1 |
31 files changed, 16280 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..9f57f44 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,13 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text +*.htm text +*.html text +*.png binary +*.jpg binary +*.svg text +*.pdf binary +*.bmp binary +*.zip binary +*.midi binary +*.mp3 binary diff --git a/78835-0.txt b/78835-0.txt new file mode 100644 index 0000000..88058c1 --- /dev/null +++ b/78835-0.txt @@ -0,0 +1,7499 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 *** + + + + + + HET + ONDERWIJZERESJE + + + DOOR + FELICIE JEHU. + + GEÏLLUSTREERD DOOR + LOUIS RAEMAEKERS. + + + ALKMAAR—P. KLUITMAN. + 1908. + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET EXAMEN. + + +Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij +daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van +zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan +zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en +veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had +naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en +ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen. + +Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en +niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon. + +En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn +huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral. + +Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien, +de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en +buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld +was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen +weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds +liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van +militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel +dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat +hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was +hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en +dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat +daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen. + +Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de +handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen +beiden hun lot te dragen. + +En dan zijne kinderen! + +Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen +vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen +van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid +van het huis uit. + +En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu +negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als +geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te +genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig +mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper +meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne +zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar +hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds +trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had, +toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte. + +Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed +of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo +gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig +te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond, +werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita, +zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar +zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen +dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine +Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school. + +Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger +worden. + +Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een +oogenblikje bij hem kon blijven. + +„Ben je daar, beste,” riep hij. + +De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen. + +„Riep je, Johan?” + +„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt, +het is al half drie.” + +Zijn vrouw zette zich naast hem neer. + +„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn. +Valt de tijd je zoo lang?” + +„Ja, jou niet?” + +„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw +voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?” + +„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.” + +„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.” + +„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel +bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.” + +In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te +kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van +Thea. + +„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de +lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er +smalletjes uit in den laatsten tijd.” + +Haar man zuchtte. + +„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn, +als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om +zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en +daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is +miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.” + +Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem. + +„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat +je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap +bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het +dadelijk weer van je te zullen overnemen.” + +„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor +haar genoegen leven.” + +„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een +betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld +betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.” + +Weer zuchtte mijnheer van Welderen. + +„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de +gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet +verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me +dat kwelt.” + +Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd. + +„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,” +voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig +te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?” + +„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar +man, maar ze viel hem in de rede: + +„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te +treuren. Ik ga de jongens even opendoen.” + +Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico +naar binnen. + +„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat +waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet +voorhoofd af. + +Zijn vader schudde glimlachend het hoofd. + +„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem +zijne krullen uit zijn gezichtje. + +„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en +je haar die rozen geeft?” + +Nico knikte van ja. + +„Wat dan?” + +„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou +weer van Thea les?” + +„Ja, vin’ je dat niet prettig?” + +„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel +liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.” + +Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het +hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen +hem al zooveel kostten. + +Toen hervatte hij: + +„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en +je zult lief zijn en je best doen, niet waar?” + +Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit +niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn +moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam +ze hem mee, om hem eens flink te wasschen. + +Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten. + +„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader. + +Jan schudde ontkennend. + +Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig. + +„Jan,” zei hij weer. + +Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee +gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden +het de zusjes zijn? + +„Jan,” zei nog eens zijn vader. + +Doch Jan keek niet om. + +„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de +ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij: + +„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier, +hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich +zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur, +roepend: + +„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!” + +Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook +naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een +paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit +papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste +letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar +haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan. + +Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur. + +„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de +deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar +vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met +tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe +gespannen zijn zenuwen waren. + +Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander +hartelijk. + +„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk +geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.” + +Nog een kus en Thea richtte zich op. + +„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan +verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens +flink. + +Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een +mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje +oprichtte, om gekust te worden. + +„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader. + +„Wel gefeliciteerd,” zei het kind. + +„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.” + +Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar +gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was. + +„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later +niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je +examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar. + +Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met +een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens +een schaaltje met bisquits. + +„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk. + +„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter +vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel. + +„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot +antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar +moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild +met Vader moet zijn.” + +Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht. + +„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn +wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem +had neergezet, stootte hij met Thea aan. + +„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n +feestje vieren mogen!” + +Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat +er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig, +klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze +brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen. + +„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.” + +„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet +er ook bij zijn.” + +Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt: +„ze is er door.” + +„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t +me verteld voor ik naar school ging.” + +Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds +geleegde glazen. + +„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze. + +Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht. + +„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je +toch zeker het goede nieuws verteld?” + +„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten +had, Thea was immers zoo knap. + +Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje. + +„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op +school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was, +was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten +tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij, +dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar +glaasje leeg. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN KLOEK BESLUIT. + + +Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen. + +Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen, +die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en +moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou +beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken. + +Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit, +hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de +rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar +jong gezichtje. + +Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn +zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat +krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het +dierenrijk moesten voorstellen. + +Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij, +dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en +teekende veel liever een beetje. + +Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een +gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had +gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was +ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar +niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden. + +En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende! + +De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze +zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders +toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en +dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit +zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag +toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt +ging. + +Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende, +zag ze, dat Nico verdwenen was. + +Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het +nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het +naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet +ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen. + +Waar zou hij zijn? + +Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze +zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea +slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me +naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.” + +Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare +wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken. + +Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde: + +„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof +er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les +weggeloopen.” + +Toen Nico’s stem: + +„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea +heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze +heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar +school?” + +Daarna weer haar vader: + +„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd, +dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als +Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur +vroeger naar bed. Begrepen?” + +Nico begon te huilen. + +„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea +niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.” + +„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed? +Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je +weggeloopen bent.” + +Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had +zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen. + +Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig +op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend. + +Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop +om en trad binnen. + +Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea? +Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond +vroeg naar bed moet.” + +Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder. + +„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout +geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....” + +Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan. + +„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.” + +Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich +open latend. + +Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht. + +Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken +en bezorgd boog Thea zich over hem heen. + +„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig. + +„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij +me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.” + +Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht: + +„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo +afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het +dichtslaan der deur.” + +Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij: + +„Hoe kwam dat zoo?” + +Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat +ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde +zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen +had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn +schouder, zei ze: + +„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig, +maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat +beloof ik u.” + +Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog +zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat +hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij +geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou +blijken te zijn. + +„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een +jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te +meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een +gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen +jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en +ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je +afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet, +geheel ongelijk heeft hij niet.” + +De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden +lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen. + +„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen +broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij +hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.” + +Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge +plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort +was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al +was die leerling haar broertje. + +„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat +je een goed onderwijzeres bent.” + +Thea begon te schreien. + +„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af +en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten, +dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar +Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.” + +Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar +het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf. + +Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond +lag er al mee bezaaid. + +„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is +je som af?” + +Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan +haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze +gehuild had. + +„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan +moet je maar niet zitten suffen.” + +Nu keek zijn zuster werkelijk boos. + +„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je +oogenblikkelijk naar bed te sturen.” + +Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het +werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien. +Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen: + +„Je hebt toch een lekker standje gehad!” + +Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van +merkte. + +„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk. +Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een +leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven +spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij +triomphant zijn som aan Thea. + +„Al af,” zei hij. + +„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.” + +„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu +verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?” + +„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar +straks.” + +Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande, +zei hij tusschen twee kussen door: + +„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit +meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.” + +Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel. + +„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je +van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren +en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.” + +De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag +goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren +kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten +te zeggen, toen de les was afgeloopen: + +„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.” + +„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend +wegholde. + +Thea keek hem hoofdschuddend na. + +„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken +en zijn lei wegbergend. + +Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar +Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had, +of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets +spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen +er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar +boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze +Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad. + +Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar, +eens kalm bij hem te gaan zitten. + +„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven +ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.” + +„Voor mij, Vader?” + +„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als +gouvernante.” + +„Is ’t echt?” + +Thea had een kleur gekregen van verrassing. + +„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik +onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij +kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.” + +Thea bloosde alweer. + +„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u +immers?” + +Toen eensklaps haar vader angstig aanziende: + +„Het is toch extern, niet waar?” + +Nu nam haar moeder het woord. + +„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn, +maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.” + +„Maar dan toch hier in de stad?” + +„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het +is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar +eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?” + +Hier viel haar vader in: + +„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen, +die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen +hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij +wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden +salaris krijgen.” + +Thea keek verbaasd. + +„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze. + +„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die +familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten +gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed +het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.” + +Thea was stil geworden. + +Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn, +die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar +toch.... + +„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem. + +Haar vader schudde zijn hoofd. + +„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel +onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.” + +Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken. + +Haar moeder trok haar naar zich toe. + +„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg +ze zacht. + +Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan +haar borst. + +„Vreeselijk,” zuchtte ze. + +„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar +toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi +aanbod. Denk er eens kalm over na.” + +„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens +beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er +over nadenken.” + +„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten. + +Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur +liep, dat haar vader haar terugriep. + +„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.” + +Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende, +waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze +zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit. + +„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo +vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons +aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen +opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.” + +Thea glimlachte door hare tranen heen. + +„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.” + +Haar moeder maakte een ontkennende beweging. + +„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je +zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede +betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en +dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod +afslaan.” + +Thea droogde hare oogen af en richtte zich op. + +„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let +er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van +geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks +zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?” + +Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach, +het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook +haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.” + +Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico +haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde: +„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur +achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen +den vrijen loop. + +Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes. +Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een +betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen, +daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk +gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een +school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de +gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en +harten, die haar begrepen. + +En nu? + +Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet +kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig +was. + +En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat +durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn. + +Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch +moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren +mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als +haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van +hare ouders te verlichten. + +Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan. + +Het snikken was nu bedaard. + +Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen +kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen +te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen, +dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze +wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven +uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan +verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat +zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet. + +En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem +opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou +dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te +spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om +het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een +strenge onderwijzeres te worden. + +Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel +veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou +kunnen uitoefenen. + +Maar Nico hield ook veel van haar en toch.... + +Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar +besluit mededeelen. + +Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze +verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg: + +„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je +eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat +goed.” + +Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou +haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht +komen. + +Haar vader greep haar hand. + +„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij. + +„Doe het liever straks nog,” verzocht ze. + +Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in +orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet +geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit +den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +AFSCHEID. + + +Wat een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar +Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een +behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes +hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea +een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen. + +Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend. + +Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en +deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat +haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis. +Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in +haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in. + +Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat +ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes. + +Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde +in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging +wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes. + +Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school +mocht. + +„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” +vroeg Thea. + +„Heelemaal niet.” + +Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen +vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam +zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen, +die ze liefhad, moest achterlaten. + +Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen +tijd tot veel nadenken. + +Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, +die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot +nadenken had. + +Hoe hij haar missen zou! + +Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, +niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd +gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op +te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost +geweest. + +En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn +goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo +heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders +geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar +het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd +verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet +altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel +beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed. + +Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve +meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet +gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een +paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap +had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere +kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar +wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, +zich in te houden. + +Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, +maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde +de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet +bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem +verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen +niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien. + +Zoo speelden ze comedie voor elkander. + +Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem +zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering +opzag. + +Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere +meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar +plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis +zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd +eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren +gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze +kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar +thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat +ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo. + +Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet +missen? + +Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe +ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten +merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige +natuur. + +Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had +ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu +was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven, +terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes +van Thea klaarmaakte. + +Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan. + +„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer +alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.” + +Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet +mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar +zich toe, om haar een kus te geven. + +„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te +gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men +niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand +of wat kom je al weer eens thuis.” + +„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de +Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op +die kinderen passen.” + +„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar +mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare +kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf +feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de +wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.” + +„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.” + +Haar vader streelde haar hand. + +„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, +dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar +noodig bent.” + +Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van +haar vader. + +„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze. + +Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar. + +„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten +klank gevend, zei hij: + +„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in +betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best +is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen +helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk, +dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.” + +Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen? + +Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het +meest verdriet deed in zijn leven. + +Ze kuste hem en sprong op. + +„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in +staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu +verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois +voorlezen?” + +„Graag, kindje.” + +Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen. + +Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, +laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen +wilde.” + +Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten. + +„Ja, Vader.” + +„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel +rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes +natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als +ondergeschikte komt.” + +„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea. + +Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een +prinsesje was. + +„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen +beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des +huizes.” + +Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking. + +„Waarom zegt u dat?” vroeg ze. + +„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je +misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je +dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent +natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld +dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog +draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en +levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke +plooi zal geven.” + +Thea keek somber voor zich uit. + +„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze. + +„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten +toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden +als je wilt.” + +„Dat wil ik, Vader.” + +Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo +weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en +zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van +alle kanten wilden inwerken. + +Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar +hoofd buigend, zei ze zacht: + +„Ik zal mijn best doen, Vader.” + +Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven. + +Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen. + +„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze. + +Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes. + +„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan +dekken.” + +„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. +„Ik zal je even helpen.” + +Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen +om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja +zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij +had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het +feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het +eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed +waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij +elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de +kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had +zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder +voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den +trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in +Brussel. + +Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den +hals van haar zuster. + +„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze. + +Ita schudde haar lachend van zich af. + +„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe +Griet.” + +Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen. + +„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet +zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, +maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het +minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?” + +Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus. + +„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t +belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, +wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets +haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en +onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van +de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik +niet.” + +Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen. + +„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen +en dan ga je lekker slapen.” + +Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te +kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra +hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VAN HUIS. + + +Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde +onder de kap van het station uit. + +Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van +haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet +te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar +hoekje neer. + +Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar +gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader +en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende +familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen +had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden +hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar +gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien +was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen +afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare +wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met +haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over. + +Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt +moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een +innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet, +kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht +had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian. + +Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar +of zeventien gaf ze haar niet. + +Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om +weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren, +die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet, +dat het schepseltje er van had. + +Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar +met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er +geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens +uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer +passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en +dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor +ze het wisten. + +Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan. + +Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt. + +„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame +tegenover haar. + +De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken, +zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte +aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde: + +„O, vreeselijk.” + +Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis +moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde: + +„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?” + +De dame begon te lachen. + +„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel +reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel +moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.” + +Thea keek haar verbaasd aan. + +„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze. + +„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo +bedroefd niet zijn.” + +Thea begon te lachen. + +Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik +haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les +te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest. + +Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei: + +„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar +niet zijn op die school.” + +Thea had pret in ’t geval. + +Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen +twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje +zou worden aangezien. + +„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze. + +„Een jaar of zestien, zeventien misschien.” + +„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje +ouder.” + +„Achttien dus?” + +„Neen, negentien.” + +Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd. + +„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan +nu nog naar kostschool?” + +„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.” + +„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?” + +„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.” + +Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing. + +„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!” + +Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor +bespottelijks aan was. + +„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf. + +De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden. + +„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg +jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als +een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar +daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel +anders zijn, dan hij er uitziet.” + +Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.” + +Thea keek stil voor zich. + +Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu +dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden +die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben! + +Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op! + +Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw +er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk +woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er +eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich +naast Thea neerzette. + +Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s +hand en fluisterde: + +„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.” + +Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren, +dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van +hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen +te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte, +ontsnapte haar toch een snik. + +Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan. + +Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en +bood het haar aan. + +Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich +gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een +goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze +haar hoofd schudde. + +Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar +tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare +tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar +uiterste best onverschillig te kijken. + +„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch. + +„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg. +Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan +doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken. + +Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging +schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken, +die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware. + +Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar +en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel +verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en +van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest +en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou +verstaan, maakte haar boos en verlegen. + +Men naderde de grens. + +Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar. + +„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij +een genoegen zijn,” zei hij. + +Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de +grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de +douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp +aannemen? + +Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in: + +„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus +bedankt voor uw beleefdheid.” + +Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte, +maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al +of niet aannemen van zijn hulp. + +Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte +terug. + +Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was +nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden +moest. + +Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar +koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea +zitten, in plaats van tegenover haar. + +Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat +verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten. + +„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s +beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.” + +„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord. + +Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis +faut mieux qu’ à côté.” + +Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te +zoeken. + +Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé +toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had. + +Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie +afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van +Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou +vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een +verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die +soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de +knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand +anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed +en kwam toen op haar af. + +„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend. + +Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen. +Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer +zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra +reed ze door Brussel’s straten. + +Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze +zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de +straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar +Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om +pleizier in dit alles te kunnen hebben. + +Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe +voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige +bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen, +mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen. + +Thea voelde een rilling door hare leden gaan. + +De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van +zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had +toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang +van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en +Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de +deftige salon van mevrouw van Gendringen. + +De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn +gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij +was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar +daarom werkten zijne gedachten toch wel. + +En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem +volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had +voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind. + +„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe +mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel +van een grenadier en nu zoo’n pop.” + +Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar +uitging, de lange vestibule door en de breede trap op. + +Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij +gaand, om haar te laten passeeren, zei hij: + +„Mademoiselle van Welderen.” + +Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten. + +In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte +op, groot en statig. + +Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel, +alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze +veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld +hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw +van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend +vond. + +Toen met een handgebaar naar een der stoelen: + +„Neemt u plaats.” + +Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles, +de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht +en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen: + +„Heeft u een goede reis gehad?” + +Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven. + +„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem +klonk haar als die van een vreemde in de ooren. + +„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer +aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien +en gesproken te hebben.” + +De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen. + +Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van +Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend. + +„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes. + +„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig +jaar was, dat is u immers?” + +Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel, +alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein +tenger persoontje te zijn, als nu. + +„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend. + +„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien +al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen +van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te +wagen.” + +Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg. + +Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede +familie, als haar toekomstige meesteres. + +Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen +recht aan. + +Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een +mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter +en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien +zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken +van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante +harer kinderen. + +„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste +van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar, +Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn +zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer +ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante +heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar, +zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.” + +Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo +verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de +kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn +toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van +Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u +zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.” + +Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij +haar te brengen. + +„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook +wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er +trotsch bij. + +Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen. + +Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van +blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk +volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was. + +Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te +veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje +had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit +eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw. + +„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand. +Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd +worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar +juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.” + +Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden +met haar. + +Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe. + +„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?” +zei ze vriendelijk. + +Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van +Gendringen. + +„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er +haar voor straffen zult,” zei ze koel. + +Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon, +dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en +liefde: + +„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden. +Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.” + +Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje, +goed op te passen. + +Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan. + +„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea. + +„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw +gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner +weer. U eet met de kinderen om twee uur.” + +Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te +brengen. + +„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich +daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea +verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te +hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +KENNISMAKING. + + +Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit +den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden. +Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar +gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond, +als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor +bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens, +hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee +uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende +naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur. + +Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn. + +Thea verliet haar kamer en ging een trap af. + +Waar zou ze moeten wezen? + +Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze +er ooit wennen? + +Gelukkig, daar zag ze een bediende. + +„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar +openend. + +Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer, +ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond. +In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er +rond, maar van kinderen zag ze geen spoor. + +Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door +Constance. + +Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op +haar gemak scheen te zijn, als zij. + +Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk: + +„Laten we aan tafel gaan, kinderen.” + +Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te +binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter +zijde opnemend. + +Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi, +vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en +onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden +met haar, dat kind was niet gelukkig. + +De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd. + +Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten, +zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw +nieuwsgierig aan. + +Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet. + +Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets +te zeggen, vroeg ze aan Constance: + +„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons +eten we om half zes.” + +Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand: + +„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om +half zeven.” + +Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg +Thea: + +„Je hebt nog twee zusters, niet waar?” + +„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u +en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker, +hè?” + +Thea begon te lachen. + +„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel +graag.” + +Armand keek haar eens aan. + +„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij. + +„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.” + +Het mooie kindergezichtje betrok. + +„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou +houden, zoo zag u er net uit.” + +Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel +ernstig te kijken. + +„Dan heb je je vergist.” + +Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!” + +Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig +familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich +tot Constance. + +„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?” + +Constance antwoordde onverschillig: „Neen.” + +„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je +nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het +misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van +het meisje, haar hoofd wat op te lichten. + +Ruw duwde Constance die hand terug. + +Thea kreeg een kleur. + +„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei. + +Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea +uitdagend aan. + +„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u +dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u +kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen, +heelemaal niets.” + +Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien. + +„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de +vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.” + +Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd, +maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n +blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde. + +„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal +zelf wel zien, hoe ze is.” + +Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo +toegesproken te worden. + +Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek +dadelijk weer voor zich. + +Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig +over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van +straks te verklaren. + +„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt +Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.” + +Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar +broertje toe: + +„Zwijg over Papa.” + +Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen. + +„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van +hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook +wel.” + +Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar +nieuwsgierigheid deed haar vragen: + +„Wat bedoel je toch, Armand?” + +„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van +Stans.” + +„Och kom, je praat onzin, kind.” + +„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die +hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had +geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen +mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.” + +Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind, +nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren. +Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea +al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen +zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets +vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het +was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich. + +Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan. + +„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens. + +„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen +trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.” + +Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht. + +„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij +houden als van Armand.” + +„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.” + +Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd. + +„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.” + +Toen eensklaps van het onderwerp afstappend: + +„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?” + +„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.” + +„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het +eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en +toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.” + +Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een +heldendaad verteld had. + +Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend, +maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij +dingen zei en deed, die alles behalve lief waren. + +Ze zuchtte eens. + +Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide +kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog +zoo weinig ervaring. + +„Mogen we opstaan?” vroeg Armand. + +Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu. + +„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde. + +„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea. + +„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?” + +Thea aarzelde. + +„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze. + +„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het +beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de +dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat +Mama in haar hoofd kreeg. + +„Constance,” zei Thea. + +„Wat is er, juffrouw?” + +„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.” + +„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar +eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen +trad binnen, gevolgd door hare dochters. + +Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche +gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van +uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met +mooie, witte tanden. + +„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,” +zei Mevrouw. + +Thea boog. + +Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven? + +Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit, +maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder. + +Constance had dit ook opgemerkt en mompelde: + +„Bella is ook bang voor Mama.” + +„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u +dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet +wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet +waar Armand, beste, je weet den weg wel?” + +„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?” + +„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.” + +„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?” + +Bella trok een komisch gezichtje. + +„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je +wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en +de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door +te gaan. + +„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort, +niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen +indruk van je krijgen.” + +Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een +snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze +meening voor zich. + +„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de +kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance +een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet +Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag +wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna +wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar +bed.” + +„Beiden te gelijk, mevrouw?” + +„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?” + +„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....” + +„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen +beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis +natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me +dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u +in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór +morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan +houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de +kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders +rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond. + +Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een +kushand terug gaf. + +Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit. + +Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus. + +Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen, +begon ze te schreien. + +„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend. + +Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek +haar boos aan en zei: + +„Waarom kust u Stans en mij niet?” + +Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus. + +„Ben je jaloersch?” plaagde ze. + +Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een +minachtend trekje. + +„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!” + +Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren +moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar +hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op +zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had +eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar +moesten maken voor de wandeling. + +Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde +omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan +los. + +Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het +toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer +ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben. + +Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na +over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij +aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten. + +Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van +bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken. + +Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere +oogen keek door de reet. + +Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar +Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg: + +„Heeft u ook verdriet, juf?” + +Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere +kijkers, die ook vochtig waren. + +Ze trok het kind op schoot en kuste het. + +„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.” + +„Huilt u, omdat u van huis bent?” + +„Ja.” + +„Heeft u een pa en een ma thuis?” + +„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.” + +Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.” + +Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar +goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde. + +Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei: + +„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw +pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.” + +Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden +uitgesproken. + +„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,” +dacht ze. + +Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden. + +„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker +instoppen, dan ga je rustig slapen.” + +„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma +en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij. + +Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden +worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze +zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug +anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over +haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen. + +„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een +oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal +het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?” + +„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op. + +Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen +kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje. + +„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk +eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?” + +„Als ’t u blieft. Dank u wel.” + +Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd +tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten +verlaten. + +Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid. + +Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje, +slaperig begonnen te staan. + +„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.” + +Gewillig stond het kind op en greep haar hand. + +„Stopt u me dan eens lekker in?” + +„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een +puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.” + +Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe. + +„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij +altijd.” + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + +Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen. + +Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te +storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea, +laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in +Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en +ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.” + +„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader +kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren +voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van +mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar +zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met +zijn lieve stem: + +„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat +in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?” + +Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen +opgewekte brieven te schrijven. + +„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en +begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt +kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in +een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van +geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit +aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.” + +Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte +gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier +ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne +indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten +lezen, als ik weer bij hem ben. + +Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls +’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral +naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel +begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel +lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit +zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me +troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen +was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was. + +Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet +niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in +lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb. + +Zou ik meer van Vader dan van Moes houden? + +Och neen, alleen maar anders. + +Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het +huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben, +neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met +Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed +als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den +materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet, +opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel +andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te +verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door +goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen +van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en +toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen +genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader +eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat +niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder +kunnen bekennen. + +Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar +vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom, +dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar +praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb +leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is. + +Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is, +Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van +hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof +niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn. + +Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind +wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van +haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand +veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand +zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij +oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters +houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet, +die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere +huisgenooten. + +Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde +voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde! + +Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel, +dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar +treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want +mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen +maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze +heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf. + +Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar +zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem +een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer +bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje, +dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder +hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind +bedrogen. + +Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke +aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert +kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik +vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of +hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij +haar dan vertellen kan. + +En daarin stijft zijn moeder hem! + +Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met +hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles +vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er +in de leerkamer voorvallen. + +Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer, +daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid +neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en +plaagt haar, waar hij kan. + +En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk! + +Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had +met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan +had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook +Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed +stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de +ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte +ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te +gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak. + +Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze +me heel beleefd, maar als altijd op een afstand. + +„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?” + +Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor +het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet +gedaan had. + +Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler. + +„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk +haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij +beslist had, durfde bemoeien. + +„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje +van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed. + +Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken. + +„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna +den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou +vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan +daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de +ruit breken en Constance deed het niet.” + +Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over +mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo +groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze: + +„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie +dan wel de schuldige is.” + +Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik +Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat +waagde. + +Ik kleurde en zei zacht: + +„Het was Armand.” + +Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als +aanklaagster. + +„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.” + +Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl +Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken +van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die +zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde, +dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest, +maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn +onoprechtheid op de hoogte bracht. + +Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik +staan en hield vol. + +„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal +er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens +onderzoekt.” + +Mevrouw van Gendringen ging zitten. + +„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat +Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt, +dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist +moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen +mond hooren, dat Constance de schuldige is.” + +Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen. + +Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met +een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag +staan. + +„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend, +„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.” + +Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat. + +Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.” + +Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen: + +„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.” + +Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes +grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij +verlegen. + +„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig. + +„U hoort het,” zei zijn moeder. + +Maar ik wilde het niet opgeven. + +„Heb jij dat gezien?” vroeg ik. + +„Ja.” + +„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.” + +„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.” + +„Met je bal?” + +„Ja.” + +„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?” + +„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.” + +Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen. + +„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee +dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee +raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.” + +Dat kon mevrouw niet ontkennen. + +„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer +van.” + +Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van +verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide +zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan. + +„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch +mensch!” + +Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe. + +„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.” + +Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren +en te troosten. + +„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik. + +Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds +voorspelde, zei ze: + +„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.” + +Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik +niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei +ik: + +„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed +gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.” + +Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond. + +Vernietigend keek ze me aan en beet me toe: + +„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel, +hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.” + +Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat +ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel +voldaan. + +Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed +ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden. + +Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik +denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind +heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik +gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden: +Gaat u maar naar Stans. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN MOEIELIJKE TAAK. + + +Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de +kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende +kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en +liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den +grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend. + +„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk +uitscheiden met vechten.” + +Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en +trok er uit alle macht aan. + +Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige +kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen. + +„Laat los,” gebood ze. + +„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze +plaagt me.” + +Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken, +keek Thea naar de deur. + +Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in +zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea +maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden. + +Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw +van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door +het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu +om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was. + +Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen +waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd. + +De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen +bedaren. + +„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is +nog erger, of je twee straatjongens bent.” + +„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige, +valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat +zien.” + +„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die +gemeene jongen, hij wou niet loslaten.” + +Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren. + +„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent +gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander +te beschuldigen. + +„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker +wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.” + +Thea keek Constance ernstig aan. + +„Waarom zei je dat?” vroeg ze. + +Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng +aankeek en stotterde: + +„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen +van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.” + +Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te +zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven +omstandigheden was het zoo heel natuurlijk. + +„Is ze nou niet valsch!” riep Armand. + +Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand +en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht +hebben in een andermans leed. + +„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo +onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is +niet mooi.” + +Constance begon te huilen. + +„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik +kreeg anders altijd de schuld.” + +„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand +te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en +dat moet je genoeg zijn.” + +„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance. + +„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem +voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al +erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.” + +Dat was voor den verwenden jongen te veel. + +Hij werd nog rooder en zei stampvoetend: + +„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks, +Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,” +en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend +en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem +nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde, +zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer +zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel +dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan +had. + +Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje, +dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer +ging, om haar eigen toilet te maken. + +Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij +zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook +beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken, +dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was. + +Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een +knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend, +wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te +lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de +ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was. + +Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat +haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze +had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed, +bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik +verdragen kon. + +Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres +de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve +moest zoo lang bij de kinderen blijven. + +Thea stond dadelijk op. + +Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek +naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende +oogen van Armand. + +Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een +oogenblik stil. + +Wat klopte haar hart! + +Ze sloot hare oogen en slikte eens. + +Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen, +natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen, +dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had +ze er aan kunnen doen. + +Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo +tegen op te zien. + +Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje, +wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te +krijgen. + +Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het +standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen +te nemen. + +En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had +en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte, +had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde. + +Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir. + +„Binnen.” + +Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in +tegenwoordigheid van de meesteres des huizes. + +Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel. + +Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was. + +Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van +Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer +indruk te maken, zei ze: + +„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.” + +Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze +veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen +gehinderd had. + +Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend. + +„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben +hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij +doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den +grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de +waarheid of niet?” + +Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden. +Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er +aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam. + +Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge +oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen. + +„En u stond daarbij en zag toe?” + +„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun +schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was. +Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar +vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.” + +„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen +ophouden, nietwaar?” + +Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch! + +En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen. + +„Nu, is u dat niet met me eens?” + +Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze +tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze: + +„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo +driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede +te doen verstaan.” + +„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op. +„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.” + +„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....” + +„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen +geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw +goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed +kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een +ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng +genoeg kan worden tegengegaan.” + +„U vergist zich werkelijk....” + +„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons +onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op +maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik +hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik +u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van +mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen +waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers +zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer +kunnen vergeven.” + +Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en +knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir. + +Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag +en leunde tegen de omlijsting. + +Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om +het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester +te worden. + +O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van +Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade. + +En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden! + +Ze voelde zich zoo ellendig vernederd. + +Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat +ze liever wegging? + +Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden +ze daar thuis wel van zeggen? + +Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had +nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat +moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens +schoolgeld ze beloofd had te zorgen! + +Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg, +dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking +niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen +te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze +het haar niet op zoo’n toon te zeggen. + +Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke +moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door +de protectie van zijn moeder. + +Maar komaan, ze gaf den moed niet op! + +Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde +zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag +afkomen. + +„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat +ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van +aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een +dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig +popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat +beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te +vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend +verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar +de leerkamer. + +Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat +niet voor niets gezegd hebben. + +In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar +nieuwsgierig opnamen. + +Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het +een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen. + +„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.” + +Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar +één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had +opgegeven. + +Thea keek boos. + +„Is dat alles?” vroeg ze. + +„Ja juffrouw.” + +„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je +schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening +vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.” + +Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was +dat haar lieve jufje? + +Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht +weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van +Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij +poppetjes geteekend had. + +Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen +te maken, door het zelf uit te schateren. + +Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was. + +„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch +niet was.” + +Thea keek hem strak aan. + +„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som +in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit +versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.” + +Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit +zoo. + +Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen +tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best +hooren kon: + +„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad +heeft.” + +„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea, +of die gehoord had, wat haar broertje zei. + +Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen. +Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze +hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te +hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van +onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat +ze haar gehinderd hadden. + +Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was +daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik +niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen. + +En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen +oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te +zetten, vóór de kinderen naar bed waren. + +Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van +haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar +lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was +toch niet zoo druk als anders. + +Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was +opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien +dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was, +hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve +vriendelijk aan. + +Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en +van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd +weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar +hand greep, om die te zoenen. + +„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u +dien gekregen?” + +Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar +servet wat op en antwoordde: + +„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een +familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze +moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu +had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en +dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven, +indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de +reden, waarom ik het altijd draag.” + +Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in +dezelfde familie was. + +Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg, +of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig: + +„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.” + +Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was +en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon +was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was +bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen. +Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht +heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje, +met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar +Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid. + +Ze schreef: + + + Liefste Moeder en Vader, + + Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik + vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier + met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om + mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet + ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te + kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel + opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu + en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te + worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog + een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar + huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en + als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de + gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo + ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte + mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust + tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor, + dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte! + + Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie + ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar. + Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange + brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen + en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar. + + Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw + voorbij en ik moet gaan studeeren. + + Vele, vele kussen voor allen van + + Uwe Thea. + + Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu + misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo + over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op + letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind + giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft + wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel + opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe, + maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel + begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten. + + +Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den +geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet +meer. + +Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten. + +Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer +minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen. + +Maar nu was ze doodop. + +Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over +hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink +genoeg te zijn, om hare taak te hervatten. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE VERDWENEN ARMBAND. + + +Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij +den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende +merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine +gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat +zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen +loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was. + +Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel, +waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en +greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband. +Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen. + +Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het +in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar +Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig +doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit. + +Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld +had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en +hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen. + +Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan +dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het, +wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder +had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan +van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was +tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk +tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen. + +Maar nu zou hij haar eens lekker plagen! + +Waar zou hij het braceletje laten? + +Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam +niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden +lang vergeten in de kast staan. + +Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog +sliepen. + +Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de +verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de +kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de +speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het +armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop +van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug +weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud +geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat +hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje +rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich +angstig en heel niet op zijn gemak. + +Als het eens uitkwam! + +Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats +terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu +eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit +bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde +opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok. + +Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de +gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had. + +Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te +helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde +het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw +te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een +natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje +stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur. + +Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het +ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze +gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien. + +Opeens greep Thea naar haar pols. + +„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb +mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.” + +Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de +ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij +elkaar. + +Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel +interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af. + +Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen +vinden. + +„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op +de tafel, dat weet ik zeker.” + +„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de +kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel +geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.” + +Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring +deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet +verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was. + +„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij, +„ik ben dadelijk terug.” + +Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze +bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door +netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand +daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg +zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans +vroeg, of hij misschien ziek was. + +„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend. + +„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!” + +Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt +gezicht. + +„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van. +Jullie weet er toch geen van beiden iets van?” + +„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een +gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te +begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem +gisterenavond nog afgelegd. + +„Weet u dat zeker?” vroeg Stans. + +„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.” + +Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond +afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale +handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar +verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het +uitkleeden den armband nog bezeten had. + +Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te +zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de +gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch +eigenlijk de eenige mogelijkheid. + +Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben +kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet +gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen +is geen kleinigheid. + +Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den +tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden. + +Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het +lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk +en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald +opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar +niet over na. + +Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband +terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een +advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over +hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de +gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder +niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo +nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen. + +Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem, +dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en +ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch +wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen. + +Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer, +ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar +niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om +haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in +welke bladen ze adverteeren zou. + +Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist, +wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat +nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband +afdeed, of niet. + +Had ze soms verdenking op de bedienden? + +Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan +Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was. + +„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar +ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch +in uw bijzijn ondervragen.” + +Ze schelde en beval Annette te roepen. + +Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig, +daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd. + +„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen +een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op +tafel gelegd te hebben.” + +„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.” + +„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met +Annette spreek.” + +Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar +zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was. + +Kalm ging mevrouw van Gendringen voort: + +„Weet je iets van dien armband af, Annette?” + +Het meisje begon te schreien. + +„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze, +„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd, +dan zou...” + +„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand +beschuldigt je van diefstal”. + +„En u zegt het.” + +„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen, +weet je iets van dien armband af, ja of neen.” + +„Als ik nou toch.....” + +„Ja of neen.” + +„Mijn moeder zou.....” + +„Ja of neen, Annette.” + +In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze +vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen +aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw +van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van +instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare +oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den +rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen. + +Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van +Gendringen had het toch opgemerkt. + +Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar. + +„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het +verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet, +waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.” + +Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze: + +„Ja of neen, Annette.” + +Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en +antwoordde nu: + +„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk +meisje en....” + +„Dus neen, goed, je kunt gaan.” + +„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf +beschuldigt....” + +„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in. + +„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje +verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend. + +Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea. + +„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden, +juffrouw?” + +„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te +beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn +kamer geweest dan Annette.” + +„En die houdt u voor onschuldig?” + +„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.” + +„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw +armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in +die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in +de meest gelezen bladen.” + +„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar. + +„Moet ik een belooning uitloven?” + +„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?” + +„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het +bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de +zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der +kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen +bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de +kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben, +alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n +vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus +op, overmorgen.” + +Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de +gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer +Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd, +onbarmhartig kritiseeren. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + + Oudejaarsavond. + +Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan +minder eenzaam en verlaten. + +Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel, +dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me +ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid +bij mij opwekt. + +En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn +dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik +alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die +lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want, +wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld +zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen, +zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen +zit? + +Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van +Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar +ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of +tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters +oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee +mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo +zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik +thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was, +tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk +vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee +gevraagd. + +Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet +wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een +wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb +nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn, +al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in +huis beschouwt. + +Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de +minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals, +waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe +mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is +trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van +eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit +gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de +gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik +wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan +de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs. + +Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet +zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en +ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht +heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd +lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig +liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben +ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan +niet nalaten haar een beetje te vertroetelen. + +Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en +innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb +hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij +weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij, +door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven, +haar overdreven liefde maakt haar blind. + +Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik +werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke +moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel +eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer +zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe, +lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar +Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in +zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te +schrijven. + +Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven +steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje +zendt mij van tijd tot tijd briefjes. + +Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben? + +Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde +tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje +met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol +grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en +spelletjes doen. + +Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig +met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de +tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb +en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze +hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want +als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar +vergallen. + +Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets +krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en +als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken, +het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt +voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn, +die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen. + +Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem +met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de +kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en +in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in +alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te +kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb +ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht. + + - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - + +Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben +in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen +en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik +verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren, +of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden +verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek +mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen +haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was +zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me +opgewekt had. + +Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van +gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en +dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar +bed. Waarom zou ik nog langer opblijven? + +Toch moet me nog één ding van het hart. + +Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te +worden op de meisjes hier? + +Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze +jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd +leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor +mijn brood, hard werken zelfs. + +Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te +helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en +ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna +in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen +bezighouden. + +Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes, +dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje +zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens +zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed +staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het +erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk? + +Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was, +zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou +zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn +nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de +triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van +tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die +feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet +op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en +denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te +vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om +jaloersch op haar te zijn. + +Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat +gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als +ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s +moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers +dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen. + +Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik +niet eens met haar zou willen ruilen! + +En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van +jaloezie ben ik nog niet. + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE ONTDEKKING. + + +Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die +haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze +zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien! + +Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en +haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide +terugzien. + +Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis +geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat +ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze +het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel +die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond, +kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het +zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst +vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich +verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was. + +Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch +wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg +en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven. + +Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een +ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten +dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had, +het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden +had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken. + +Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje +nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot, +als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog +veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had +verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam, +wist hij niet goed, hoe te handelen. + +Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht +worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou +kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de +zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en +kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan +verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje +minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het +voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst +hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch +wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op +een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij +doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit +de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit +te pakken en naar het armbandje te zoeken. + +Daar lag het nog net als hij het verstopt had. + +Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer +eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en +Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat +Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter +hem stond. + +„Armand!” + +Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn +hand. + +En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer +naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest. + +Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat, +haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien. + +Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig +begon te lachen. + +Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan? + +Waar had hij het gevonden? + +Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd +hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat +ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets +heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt. + +In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door +het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind +indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk +zijn? Maar waarom? + +Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers +onzin. + +Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel +van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny +tegenover hem verdedigde. + +Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken. + +Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te +blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze +schijnbaar bedaard: + +„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?” + +Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan. + +„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger. + +Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er +over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden. + +Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger. + +„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?” + +Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen. + +Hij keek Thea boos aan en zei: + +„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het +immers terug.” + +Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig +verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen +schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het +gevonden had. + +Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was. + +„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?” + +Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe +te kijken. + +Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en +gilde: + +„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!” + +„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.” + +Na een oogenblik aarzelen zei het kind: + +„Ik heb het gevonden.” + +„Waar?” + +„In de kast.” + +„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die +kast opgeruimd.” + +„In een doos.” + +„In een doos? In welke?” + +„In die.” + +„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?” + +De jongen begon te huilen. + +„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf, +om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje +gelooft er toch niets van!” + +Dat was te erg. + +Thea ziedde van drift. + +Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde +nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen. + +Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen. + +Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de +uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven +als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist +thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo +hoorden aangaan. + +Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en +hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had. + +„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?” + +Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om +kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich +door haar drift laten beheerschen. + +„Nu juffrouw, is dat waar?” + +Thea boog het hoofd en zei: + +„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat +Armand mijn armband gestolen had, dan....” + +„Juffrouw!” + +„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!” + +„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen, +ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?” + +„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....” + +Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur. + +„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.” + +Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer. + +„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten +motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal +beschuldigd.” + +„Ik vond hem spelend met den armband.” + +„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan, +Armand?” + +Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot +genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren. + +„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand. + +„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde +Thea te zeggen. + +„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u +blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?” + +„Ja.” + +„Maar mevrouw....” + +„Wanneer Armand?” + +„Vanmorgen.” + +„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?” + +„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb +weggenomen, wel Maatje?” + +Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan. + +„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je +begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets +van je te moeten denken.” + +Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te +huilen. + +„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?” + +Het kind huilde door. + +Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan. + +„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en +zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die +armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of +andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is +blijven liggen.” + +„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden +opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos +gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij +niet vanzelf gerold zijn.” + +„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot +zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent +je en gelooft je.” + +„Dus gelooft u mij niet?” + +„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was, +zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het +algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U +bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van +uw bescherming.” + +Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu +wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken. + +Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou +worden, omtrent het voorgevallene. + +„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon, +maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze +gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt +is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te +onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng +aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat +een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.” + +Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar +wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd. + +Mevrouw van Gendringen vervolgde: + +„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante +bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen, +geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief +uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met +Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal +ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo +spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan +toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.” + +„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon. + +„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het +kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen +rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen, +maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden. +Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar +naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op +haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.” + +In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op +Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was +zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het +verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster +stond, werd ze smadelijk weggezonden. + +Het bloed steeg haar naar het hoofd. + +„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen, +was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar +haar om te zien. + +Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven +gehoord had. + +Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu +wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd. + +Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou +hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze +voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had +kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van +hare ouders gekregen. + +Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden, +dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar +moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt +was. + +Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel +aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die, +hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had. + +Ze moest er nog eens over denken. + +Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu? + +Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand, +die te kort was gekomen in zijn plicht. + +Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins, +toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde +zeggen: + +„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is +nu al weer voorbij.” + +„Voorbij, kind? Ik moet weg.” + +Van schrik liet Stans haar los. + +„Weg, moet u weg? Och neen!” + +„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.” + +„Voor goed?” + +„Ja, voor goed.” + +„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen. + +Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich +tenminste bij iemand bemind had weten te maken. + +Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend, +begon ze het kind te troosten. + +Maar Stans was ontroostbaar. + +„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.” + +„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig +leventje je nog eens krijgt.” + +Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal +niet rooskleurig. + +„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze. + +Thea beloofde het. + +Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten. + +„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze, +„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.” + +Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige +dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea +ging dien avond met een bezwaard hart naar bed. + +Wat zou de toekomst brengen? + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +NAAR HUIS. + + +Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou +en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had +afgelegd, maar in omgekeerde richting. + +Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar +weldra weer te kunnen omhelzen. + +En Vader, Ita, Bets en de jongens! + +Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien, +hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn. + +Weer thuis, wat een heerlijke gedachte! + +En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden +zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar +vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er +was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet +haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle +moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar +niet langer houden. + +Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken? + +Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze +was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo +goed over haar dacht. + +Had ze dit kunnen voorkomen? + +En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor +oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten +meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen +noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had +moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch +geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het +weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven. + +Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging +te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem +altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het +afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan. + +„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde +opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had +ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe +gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor +hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.” + +„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd, +waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw +moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den +duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week +al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook +geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen +wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor +haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo +streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind +kon zijn.” + +Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw +van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig +had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof, +die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor +haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn. + +Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking +had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen, +iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte, +wat zou dat heerlijk zijn! + +Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis. + +Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem +verloren zou hebben. + +Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook +iemand zag. + +Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze +hartelijk. + +Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had +gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze +misschien nog nooit gedaan hadden. + +„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij +was. + +„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als +altijd en de kinderen maken het uitstekend.” + +„En jij?” + +„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.” + +„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.” + +„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren +wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit +door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.” + +Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan +hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne +donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog +magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had. + +Toen ze in de tram zaten, zei Ita: + +„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je +daar niet genoeg te eten?” + +Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad. + +Toen fluisterde ze: + +„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?” + +„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.” + +„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.” + +Ita deed kwasi onverschillig. + +„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er +lang blijven zou.” + +„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?” + +„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.” + +„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te +schrijven.” + +„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er +niet prettig, dat voel ik.” + +„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te +lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd +heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen. + +Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan +huilen? + +„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze. + +Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af. + +Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover +haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd: + +„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?” + +Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een +betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven, +dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk +was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien. + +„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom +weer thuis.” + +„Weer thuis? voor goed?” + +„Ja.” + +„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.” + +Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van +haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief +beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven +en wist niet goed, wat nu te zeggen. + +Ita kwam haar te hulp. + +„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het +was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een +poosje thuis kwam.” + +Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder +jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het +vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand, +bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren, +waardoor het gesprek een andere wending kreeg. + +Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een +handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren +ze in de Columbusstraat. + +Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat +omsloegen. + +Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar +snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt +wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen +handdruk afdeed. + +„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk. + +Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en +overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten. + +Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar +negentien jaren, vloog naar haar toe. + +„Moesje!” + +„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo +naar je.” + +Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als +vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en +voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig. + +„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader. + +„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver +weg.” + +„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op +het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar +Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten +overlaten.” + +„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid +uit hare oogen en zacht zei ze: + +„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?” + +„Neen kindje, dat niet.” + +„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.” + +„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen +over.” + +„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan +had.” + +„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed, +dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.” + +„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten +opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar +school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op +je gewacht.” + +De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een +teleurgesteld gezicht op te merken: + +„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?” + +„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!” + +Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het +kind maakte een luchtsprong. + +„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!” + +„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes, +dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal, +verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen +krijgen. + +Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te +doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast +niets naar binnen kon krijgen. + +„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit. +Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd, +omdat je daar veel van houdt.” + +Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst +was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in +den laatsten tijd geweest was. + +„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd. + +„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze. + +„Boos?” + +„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even +erg.” + +Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een +beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend: + +„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik +begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een +volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven +staan.” + +„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.” + +„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken +trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven +was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas +gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren, +je zult zien, alles komt best terecht.” + +Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan. + +„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door +haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw +beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.” + +„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons +zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader. + +Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met +Armand, dan met Constance. + +„Hè Vader, waarom?” + +„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere +meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te +kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel +verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te +sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.” + +„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is +van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea. + +Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand +grijpend, zei ze met een zucht van voldoening: + +„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.” + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +JAN’S RAPPORT. + + +De volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was +haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen +daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om +zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook +hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug +genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het +wist. + +’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking +aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had +ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar +beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen. + +Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen. + +Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van +school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te +gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn +dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van +aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij +wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun +weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, +dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf +te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op +school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte +hem zenuwachtig en angstig. + +Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel +vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo +geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had +hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel +veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op +aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn +financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s +avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet +heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de +dingen houden kon. + +En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een +oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was +overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste +mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere +Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om +den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer +geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was +hij niet. + +Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed +op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, +het Paaschrapport zou het uitmaken. + +Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea +hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats: + +„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar +Jan?” + +„Best mogelijk,” bromde Jan. + +„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, +dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij +vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet +veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.” + +Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek +naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat +Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als +Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren. + +„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je +rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?” + +Jan duwde haar ruw weg. + +„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij. + +„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei +Ita. + +„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea. + +„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan. + +„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den +leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een +hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik +en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een +paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij +er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was +Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd +hadden, voor goed in ongenade.” + +Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en +het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze: + +„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?” + +„Jan en Willem.” + +„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi +vind ik die soort grappen toch niet.” + +„’t Is een lamme vent,” bromde Jan. + +„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te +vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al +eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.” + +„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een +standje geven, maar je niet voor den gek houden.” + +„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea. + +„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.” + +„Dat vind ik nu weer flink van je.” + +„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de +schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal +niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.” + +„En Willem?” + +„Nou, die zei het toen ook.” + +„En toen?” + +„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.” + +„En weet Vader daarvan?” + +„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het +land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er +voor gekregen, uit was het.” + +„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis +was?” + +„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.” + +Thea zette een bedenkelijk gezicht. + +„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel +mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele +geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet +van.” + +Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet. + +„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij +hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij +Nico altijd zoover mee. + +Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en +haar mantel aantrekkend, zei ze: + +„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal +brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem +zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.” + +„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?” + +„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.” + +Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder +terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan. + +De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en +Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te +beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg, +Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun +opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd +genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee. + +Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan +maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita +thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was. + +„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?” + +„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!” + +Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen. + +„Is Jan niet bij je?” + +„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.” + +„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga +maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of +ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan +een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met +zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel +bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog +gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er +tegenop zag, thuis te komen. + +Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi +onverschillig toe. + +Thea maakte een gebaar van ongeduld. + +„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe. + +„Waarom,” zei Jan, naderkomend. + +Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk: + +„Is het slecht?” + +„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend. + +„Hoeveel onvoldoenden?” + +„Vijf.” + +„Maar Jan!” + +Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte +ongeduldig op den grond. + +Thea zuchtte diep en zei: + +„Ga nu maar naar binnen.” + +Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, +zeggend: + +„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, +Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend. + +Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en +van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met +die slechte tijding naar binnen te gaan. + +„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen +koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?” + +Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden +ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve +Bets, die overbleef op school en Jan. + +„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader +informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis? + +Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde: + +„Jawel Vader, hij is thuis.” + +„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?” + +„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet +binnenkomt. Hier is zijn rapport.” + +„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de +enveloppe, die Thea nog steeds vasthield. + +„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder +en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen. + +Deze vouwde het open en werd bleek. + +„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die +aanmerking van den directeur onderaan.” + +„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw. + +„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?” + +Haar vader las voor: + +„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag +en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met +Willem Meyer wel goed voor hem is.” + +Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar +hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan. + +Nu verhief zich Nico’s stem. + +„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.” + +„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. +Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet +wist. + +„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder +gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.” + +Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, +moest Ita lachen. + +„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.” + +Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren. + +„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je +blieft, wat weet je er van.” + +Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen +had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op +gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis +vertelde. + +„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de +kinderen, Vader.” + +Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan +zelf wel spreken, ze moest hem maar halen. + +Ita had er niet veel lust in. + +„Toe, ga jij, Thea,” zei ze. + +„Waarom ik?” + +„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik +maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw +beneden hebben.” + +Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor +hem. + +„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur, +bang, dat Vader zich driftig zou maken. + +Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde +aan den knop. + +„Doe open, Jan.” + +Geen antwoord. + +„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.” + +Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot +omdraaien. + +Thea trad binnen. + +Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde: + +„Wat zeggen ze er van?” + +Thea sloeg haar arm om zijne schouders. + +„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en +dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht +oppassen, Jan?” + +Haar broer haalde zijne schouders op. + +„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel +na.” + +„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.” + +„Laat me maar liever hier.” + +„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en +geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk +een standje, maar dat heb je verdiend, hè?” + +„Als ’t maar enkel een standje was.” + +„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn +ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.” + +Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar +beneden. + +Hij voelde zich ellendig. + +Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij +wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd +leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen. +Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor +zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij +wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en +toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret. + +Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen. + +Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg. + +„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader. + +Jan ging een paar passen vooruit. + +„Hoe vin’ je dat rapport?” + +Jan zweeg. + +„Antwoord me.” + +„Slecht.” + +„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is +geen rapport om mee over te gaan, wel?” + +Jan trok zijn schouders op. + +„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, +Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een +verdriet.” + +Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet +verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink +pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader +er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten. + +Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen +van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij +had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan. + +„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen. + +„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van +overwegenden invloed.” + +„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een +enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.” + +„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan +ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.” + +„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde +voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.” + +Haar vader drukte haar hand. + +„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?” + +„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet +vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.” + +Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, +zoo’n echt goed kind. + +Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij: + +„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van +de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?” + +Jan beloofde het. + +Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan. + +„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte +geworden.” + +Jan kreeg een kleur. + +„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.” + +„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, +nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang +met Willem Meijer afbreekt.” + +Jan keek ontsteld op. + +„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.” + +„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet +niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je +Willem loopen.” + +Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de +nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden. + +„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, +maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij +gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, +Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.” + +„En als ik dat nu bepaald wil?” + +Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden +uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne +neer. + +„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, +zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.” + +„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van +Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico +trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was, +zooals hij zei. + +„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te +plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.” + +Zich toen weer tot Jan wendend: + +„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult +hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.” + +Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende +de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige +oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en +met zijne oogen knippend. + +„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.” + +Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was. + +„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe. + +„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.” + +„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.” + +Nu barstte Jan los. + +„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed +vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, +hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je +zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik +hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is +afschuwelijk.” + +Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten. + +„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van +de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat +weet je zelf ook wel.” + +„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik +er niet over denken, Willem te laten loopen.” + +„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.” + +„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat +niet, Moes?” + +Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, +dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, +dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in +plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde, +bewees, dat hij een goeden aard had. + +„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?” + +Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd +werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam +niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij +het kunnen volhouden? + +„Als ik maar kan, Moes.” + +„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook +wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je +heel slecht hebt opgepast.” + +„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens +zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.” + +Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te +doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de +andere jongens. + +„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met +hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. +Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar +hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote +vacantie.” + +„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?” + +„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. +Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.” + +Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij +voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte +brengen. + +„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.” + +Zijn vader drukte hem stevig de hand. + +„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog +terecht te brengen.” + +Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder. + +„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een +kus. + +Nico keek een beetje verbaasd. + +„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei +hij, met zijn hoog stemmetje. + +Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning +het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, +lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom. + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +THEA KRIJGT EEN NIEUWE BETREKKING. + + +Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde +klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af +hadden gehad. + +„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd +kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was +gevallen. + +„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei +Ita lachend. + +„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea. + +„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op. + +Maar Moes nam Bets’ partij. + +„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best +op school, haar rapport is wat goed dezen keer.” + +Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar +humeur te geraken, keek weer vroolijk. + +„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico +op. + +Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms +zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om +Nico’s gezegde lachen moest. + +Bets werd verlegen. + +Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand +vloog. + +Nico stompte dadelijk terug. + +„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten +aan tafel?” + +Bets kreeg een kleur. + +„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze. + +„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in. + +„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.” + +Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico +nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel +gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden. + +„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader. + +Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat +met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit. + +„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je +best te doen en laat het verleden voorbij zijn.” + +„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je +te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt +en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij +het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan, +eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de +resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude +leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag. + +Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken. + +„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die +altijd zoo met haar keel sukkelt?” + +„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt +is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik +hoorde het van onze juffrouw.” + +Weer verzonk Thea in gepeins. + +„Ik ga er eens heen,” zei ze toen. + +„Waarheen?” vroeg Vader. + +„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij +haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe +onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet +terug kan komen.” + +Moeder knikte haar vriendelijk toe. + +„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n +korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was +dat toch al iets.” + +Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de +gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan, +waar ze eens leerling geweest was. + +Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek. + +„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon. + +„Ja, vin’ je het soms niet goed?” + +„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor, +je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!” + +Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets +had opgewekt. + +„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze. + +„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik +heelemaal niet weten, wat ik doen moest.” + +„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven, +stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!” + +Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds +zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van +den tafel getrokken te worden. + +Bets keek bedenkelijk. + +„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan +vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou +je danken.” + +Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten +luisteren, nam nu het woord. + +„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt +gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op +school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt +niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres +was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je +net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat +je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en +Vader gaf Thea een knipoogje. + +Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze +haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet +eens en zou er misschien nooit komen. + +Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar +zouden zijn. + +„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je +maar aan en dan durf je niks,” zei hij. + +„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en +toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te +vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei +meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor +aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens +pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over +meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.” + +„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten +laat. Willen we nu maar eens opstaan?” + +„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik +juffrouw Lettinga dan wel thuis.” + +„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te +laat.” + +Thea maakte zich dus klaar en vertrok. + +Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze +liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den +heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen, +ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens +met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart +onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde. + +„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de +deur opende. + +Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze +zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar +twaalfde jaar bezocht had. + +„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik +dacht, dat je in Brussel in betrekking was.” + +Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk +vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote +kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben. + +Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort: + +„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met +Bets niet in orde?” + +„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.” + +„Voor jezelve?” + +„Ja juffrouw.” + +Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde, +ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf. + +„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend. + +Thea raapte haar moed samen. + +„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.” + +„Dat is zoo. En?” + +„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u +misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij +misschien zou kunnen gebruiken.” + +Oef, het was er uit. + +Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar +bril. + +„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei. + +Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw +was, om iets te zeggen, of te vragen. + +Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen. + +„Hoe oud ben je?” vroeg ze. + +„Bijna twintig.” + +„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.” + +En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze +er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits, +dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden. + +„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik +studeer voor Fransch.” + +„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd +in Brussel geweest?” + +Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel +geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had +ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd. + +„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?” + +Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden? + +„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden +moeielijke karakters.” + +„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?” + +„Neen, gouvernante.” + +„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?” + +Thea moest bekennen van niet. + +Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer +waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs +zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was +geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze +haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een +tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de +Paaschvacantie. + +Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te +doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke +leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar +haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten +geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren +er grooter dan zij zelf. + +„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen +af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat +ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij. + +Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van +Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar +met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in +den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed +ze meteen een goed werk. + +„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren. +Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor +langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar +juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel +verergerd is.” + +Thea’s hart klopte wild van vreugde. + +„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.” + +„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje +verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen, +die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een +oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres +daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets +stoort toch altijd den gang van het onderwijs.” + +„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea. + +Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach. + +„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen +zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je +moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een +taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.” + +Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat +het was. + +Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze. + +„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze. + +„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als +juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor +vast nemen, als ik u beviel?” + +„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen +van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen +kunt.” + +Thea stond op. + +„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand +grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel +gaan, het moet gaan.” + +Lachend schudde de juffrouw haar hand. + +„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je +moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en +ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken, +groet je ouders van me en tot ziens.” + +Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze +rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had. + +Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals. + +„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!” + +„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat +ben je toch een gelukskind.” + +Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws +mededeelde. + +„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de +juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als +juffrouw Jansen niet terug kan komen.” + +Haar vader lachte om haar enthousiasme. + +„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te +vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling. +Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan +komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.” + +„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les +gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat +anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te +kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.” + +„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook +niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent, +juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het +dus niet heel gemakkelijk hebben.” + +„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een +rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te +worden, niet waar Vader?” + +Deze trok haar naar zich toe en kuste haar. + +„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan, +dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.” + +Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek. + +„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet +waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten +regeeren.” + +Thea lachte maar. + +„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve +meisjes bij waren.” + +„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat +meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze +dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.” + +„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om +raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een +scheef gezicht deed trekken. + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN VACANTIEDAG. + + +Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de +ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had, +haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een +doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om +enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en +was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar +vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden +onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen +tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag. + +Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei: + +„Neen, dat gaat niet.” + +„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?” + +Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over. + +„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet +gaan.” + +Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande? + +Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang, +hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer. + +Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei: + +„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een +dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?” + +Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze +antwoordde dadelijk: + +„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?” + +„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief +door. + +„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn, +die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?” + +„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te +laten, ik durf het niet goed.” + +Thea keek een beetje beleedigd. + +„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al +een heel mensch.” + +„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de +kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te +scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.” + +Haar man greep haar hand en zei lachend: + +„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte +kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor +ze maar eens.” + +Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later +stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar +schort vasthield. + +„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.” + +Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van +het harde loopen. + +„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze. + +„Welk kraantje?” + +„In de gang.” + +Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug. + +„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is +ondergeloopen.” + +Moeder was ondertusschen ook gaan kijken. + +„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.” + +Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht. + +„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in +de gang open?” + +Bets begon te huilen. + +„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg +Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er +bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en +nu bent u boos op mij.” + +Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde +beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico. + +„Heb jij dat kraantje geopend?” + +„Ja,” knikte Nico. + +„Waarom?” vroeg zijn vader. + +„Zoo maar.” + +„Wou je de gang eens laten onderloopen?” + +De jongen begon te lachen. + +„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te +draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.” + +Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij +slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei: + +„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk +er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje +nog langer open had gestaan.” + +Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei. + +Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan. + +„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.” + +Zich toen tot haar man wendend: + +„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.” + +Deze laatste lachte eens witjes. + +„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.” + +Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen. + +„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita +en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets. + +„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet +ik niet.” + +„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu +maar eens op zij.” + +„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.” + +„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je +mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat +je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat +het dak nog op het huis zal staan.” + +„En het eten?” + +„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea. + +Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te +gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden. + +Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en +hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden +kwamen en niets van de zaak wisten. + +„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita. + +„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.” + +„Uit de stad?” herhaalde Jan. + +Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit! + +„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg +geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief +zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees +jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit +den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar +benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn. + +Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep +dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon +te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging. + +Ita had zich intusschen vlug aangekleed. + +„Ik breng u weg, Moes,” zei ze. + +„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar +weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.” + +„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo +leuk vinden.” + +Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea: + +„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over +vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als +vandaag, komt misschien nooit meer terug.” + +Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan. + +„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij. + +„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten +maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes +merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en +u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n +portret?” + +„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.” + +„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het +in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen +gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?” + +„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig +idee van je.” + +„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u +dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze +zich dadelijk wil opknappen?” + +Haar vader beloofde het. + +Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het +vijftal opweg naar den photograaf. + +Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was +met een ander bezig. + +Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de +verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren. +Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig. + +„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea. + +Bets ging wat netter zitten en geeuwde. + +„Ik verveel me zoo,” zei ze. + +„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks +zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.” + +Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te +trekken. + +„Schei uit,” zei Jan. + +„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den +spiegel gestaan?” + +„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan. + +Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het +haar van zijn broertje halend, plaagde hij: + +„Wil ik het nog eens voor je opkammen?” + +Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn +meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen +hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war +bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende +oorvijg. + +Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te +huilen. + +Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was +geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan +een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had. + +Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur. + +„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?” + +Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar +broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden. + +„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de +jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u +dadelijk helpen.” + +Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze +binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk +gevormd was! + +Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf. + +„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer +ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.” + +Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat +hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist, +dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd, +keek nog knorriger. + +„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij. + +„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,” +veronderstelde de photograaf. + +Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter +pret van houding veranderde en de groep in de war bracht. + +Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet. + +„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf. + +Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets +zachtjes. + +De photograaf begon zijn geduld te verliezen. + +„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?” + +Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig +gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon +ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door. + +Ita werd boos. + +„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de +groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan +moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.” + +„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil +zijn, ik kan het echt niet helpen.” + +Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname +eindelijk gedaan. + +„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.” + +„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?” + +„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te +doen.” + +Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita +naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was +naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste +pak aan had. + +Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet +weinig pret in het verhaal had. + +„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war +gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of +er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.” + +„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op. + +„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits. + +„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal +worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en +Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.” + +Bets sloeg hare armen om zijn hals. + +„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school +vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt +en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch +heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar +het kan mij niks schelen, hoor.” + +Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de +woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets, +ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten. + +Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige +uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze +bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd. + +„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al +de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.” + +Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader +toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te +zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat. + +„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch +wat te zeggen. + +Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten. + +„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de +vriendinnetjes van Bets over mij spreken.” + +Thea zette zich bij hem neer. + +„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is +geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms, +dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat +we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets +goeds?” + +„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.” + +„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren, +„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld, +dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk. + +Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en +vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het +was meer dan tijd. + +Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever +had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere +richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen +en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar. + +Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid. + +„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij. + +Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op +zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als +een wildeman opstrijken. + +„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita. + +Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond +op. + +„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader. + +„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.” + +„En werk je dan vandaag niets?” + +Jan keek mistroostig. + +„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.” + +„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt +voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.” + +„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret +uit.” + +„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie +heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.” + +Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte +ongeduldig met zijn eene been. + +„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op +me.” + +„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat +portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat +lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af +geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink +werken, niet waar Jan?” + +„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat +Thea het voor je vraagt.” + +Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong +op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend. + +Thea keek hem lachend na. + +„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem +geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.” + +„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo +onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je +soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel +liever gunde ik hem een vrije vacantie.” + +Ita knikte hem eens toe. + +„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea, +weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt +Moes die klaar, als ze thuis komt.” + +Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het +toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met +een dubbel drukken dag betalen. + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht +helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige +bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol +gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe +verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar +uitstapje, thuis kwam. + + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN MOEIELIJK BEGIN. + + +De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in +spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen. + +Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op. +Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf +haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg, +wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de +onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde +beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze +vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls +amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te +brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf, +maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen. + +Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een +wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had, +toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds +klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan +de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat +zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden. + +De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler +werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig +schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo +onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te +hebben, als ze maar pret kon maken. + +Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de +meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar +geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig +mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet +deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk, +maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet +met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel +aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde +het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond +behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom +gegroefd hadden. + +Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan +les zou moeten geven. + +„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet +je wel, wie we krijgen?” + +„Neen, jij?” + +„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel, +uit de vierde.” + +„Och neen!” en Louise schaterde het uit. + +„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.” + +„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel +grooter is dan jij, peuter.” + +Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op. + +„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?” + +Toen lachte ze en zei: + +„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een +gezichtje.” + +„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna +Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze +heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze +groot of klein is.” + +Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het +hoofd. + +„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze +klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.” + +Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit. + +„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret +hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons +heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet +te zeggen, wat ik verkies. Hoera!” + +Anna Verloef trok haar aan haar mouw. + +„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?” + +Louise keek haar weer spottend aan. + +„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft +er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.” + +„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen +lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk +lastig te maken.” + +„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.” + +Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw +Lettinga en Thea. + +„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.” + +De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea +kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die +op haar gezicht waren. + +Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan. + +„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is +er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal +jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte +haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen +zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en +verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam +mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar +Louise?” + +Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon, +waarvoor ze respect had. + +„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal +ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles, +zooals u weet.” + +Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van +stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen +elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen, +maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen. + +Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei: + +„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.” + +De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door. + +„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een +oogenblik, tot er werkelijk stilte was. + +Daar stak Louise haar vinger op. + +„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?” + +„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon, +„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een +stoof.” + +Thea keek vreemd op. + +„Waarom Louise, ik ga niet zitten.” + +„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op +zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.” + +Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze +heel rood werd. + +Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen. + +Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te +beheerschen. + +„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer +vooraan komen zitten.” + +Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel. + +Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze: + +„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.” + +„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart, +maar voor het uiterlijk bedaard en kalm. + +Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik, +Louise haar vinger weer op. + +„Wat is er nu weer, kind?” + +Louise zette een heel dom gezicht. + +„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.” + +Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek +gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke +flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan. + +Maar dat was niet de bedoeling van Louise. + +„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol. + +„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.” + +„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?” + +Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig. + +„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de +beginselen.” + +Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht. + +„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze. +Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze: + +„Nou jij.” + +Meta stak nu haar vinger op. + +„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.” + +Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde. +Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige +vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen, +maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar +juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten +de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was +de directrice niet. + +Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet. + +Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en +terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en +toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan +zitten, maar Thea zei: + +„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te +hebben.” + +Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was. + +„Waar is Louise?” vroeg ze. + +Meta lachte. + +„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze. + +Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou +kunnen vertrouwen. + +Haar oog viel op Anna Verloef. + +„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar. + +Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had +nergens meer hekel aan, dan aan jokken. + +Toch fluisterde ze: + +„Neen juffrouw.” + +Thea keek haar aan en zag haar kleuren. + +„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?” + +„Anna Verloef.” + +„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje. + +Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan +voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet +voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had +laten glijden. + +Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven. + +Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag, +Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes +lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars, +andere van Thea naar Louise kijkend. + +Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten +inspannen, om niet driftig te worden. + +„Waar ben je geweest, Louise?” + +Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen +en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om +Louise te zien. + +„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang +uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet +verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?” + +„Ik, juffrouw, wel hier.” + +„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in +je bank.” + +Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare +medeleerlingen verwekte. + +„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de +deur hooren openen en dicht gaan.” + +Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten +was. + +„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet. +Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.” + +Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach. + +Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten +ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen +en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen, +Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor. + +Na eenige oogenblikken zei ze: + +„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise +gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het +voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu +nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.” + +Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise +lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd. + +Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend +aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht +een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met +zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar +mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op +toegelegd had, haar bespottelijk te maken. + +Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden +voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de +overwinning zijn? + +Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog +uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan +wel naar den geest. + +Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar +een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig +ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over, +waaronder Anna Verloef. + +Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken +waren. + +„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.” + +Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei: + +„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen +waarheid.” + +Anna kleurde weer. + +„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat +niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het +vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.” + +Thea bedacht zich een oogenblik. + +„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou +moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.” + +Anna keek haar verrast aan. + +„En vindt u dat dan goed?” + +„Beter, dan dat je jokt.” + +„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat +geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.” + +Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze +nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou +het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring. + +De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat +met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm +en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren +ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren +en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze +thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de +belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er +ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel, +dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote +inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel, +alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind +was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de +meisjes dol.” + +Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben? +Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze +moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste. + +Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep, +dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop +zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo +moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker +werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding +en met die gedachte sliep ze in. + + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN OVERWINNING. + + +Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich +zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat +het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen. + +Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al +verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag +had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op +viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein +persoontje voorstellend, dat op een bankje stond. + +Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over +het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen. + +Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van +het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren. + +Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de +meeste deden, alsof ze niets hoorden. + +„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea. + +Met een overdreven haast vloog Louise de bank in. + +„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet +kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den +lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok +Louise een heel zoetsappig gezicht. + +Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea +had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise +te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer +van had, zou het haar wel vervelen. + +„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je +les.” + +„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo +netjes.” + +Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had. + +„Kom Anna, begin,” zei ze. + +Louise trok een meewarig gezicht. + +„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar. + +„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea. + +Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen +zei ze op een toon van de uiterste verbazing: + +„Ze durft.” + +Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er +niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school +les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze +nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig: + +„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en +zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.” + +Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was +iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond, +dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen. +Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet +gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus +kalm in haar bank zitten. + +Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er +gebeuren zou. + +„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea. + +„Jawel, maar ik ga niet.” + +Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze +drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar +drift meester te blijven. + +„Je gaat direct,” zei ze streng. + +„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in +hare handen, keek brutaal rond. + +Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar +toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en +dat wilde ze trouwens ook niet. + +Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend: + +„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de +directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.” + +De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep, +dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar +voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich, +daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet +was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze +vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met +Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te +fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder +rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam +kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg. + +Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam +en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen. + +„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist +wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou +ze dat toch niet gedurfd hebben.” + +Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het +haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te +antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine +meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond. + +„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen. +Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo +kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de +orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik +Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat +kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen +worden, moet je zelf veroveren.” + +Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein. +Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden +invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht +veroveren. + +Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der +lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en +ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren. + +Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de +juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise: + +„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je +je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden, +ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis +stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven, +zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt +komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.” + +Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu +sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze +kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid +missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis. + +Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde. + +„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te +brengen.” + +Met een ruk richtte Louise zich op. + +„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze. + +„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee +en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.” + +Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze +gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar +nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was. + +Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee. + +Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog +niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel +inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse +heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van +de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had +ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen, +waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was +uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de +klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen. + +De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die +Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen, +de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen, +straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de +eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer +inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en +dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare +voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen. + +De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat +het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze +had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord. + +En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar +betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen +krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn. + +Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen +spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste +hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee +handelde. + +„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar +aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen +invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is +waarschijnlijk te zwaar voor je.” + +„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan +natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe +plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag +goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden +meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!” + +Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was +binnengekomen, boog zich over haar heen. + +„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van +worden.” + +Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei: + +„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe +moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.” + +Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend +hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed +onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats +veroveren? + +Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord, +er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig +niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang. + +Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze +slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te +bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei: + +„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.” + +De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de +aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil +en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou. + +Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en +toen ving ze aan met spreken. + +„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een +onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de +reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun +onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat +je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den +schijn van geeft.” + +Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare +wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en +luisterden gretig. + +„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter +plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar, +je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de +onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt +vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig +vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend +geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben +op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen +de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te +gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in +de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt, +waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan +worden? + +„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij +kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest +in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover +begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.” + +Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan. + +Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine +juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet. + +„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten, +dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men +onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen +en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel +liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het +me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk +niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat, +niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te +verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt, +dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb +jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent? + +„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker +van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een +treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar +nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet +meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking +zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over +mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter +zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat +ons nu aan ons werk gaan.” + +Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong +gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd +was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield. + +Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag +vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven. + +Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde +van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens, +dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter +bij haar op te passen. + +„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat +ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het +haar niet veel helpen.” + +Nu werden een paar meisjes bepaald boos. + +„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is +grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde +me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van +Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.” + +„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch +is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen, +het begon me zelf al te vervelen.” + +„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier +letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk +aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.” + +„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise, +die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht, +liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg. + +„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu +zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen, +zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw +best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar +juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap. +Vin’ jullie dat goed?” + +Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat, +gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze +werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken. + +Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan +goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea +weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van +tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere +meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de +klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om +een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren. + +Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea +voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde +naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar +benoeming. + + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +THEA EN LOUISE. + + +Van toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes +hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze +geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was, +werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij +vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en +ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo +bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar +werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend +groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten +maar goed waren. + +En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde +niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun +karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige, +werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die +het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt +had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe +zich voordeed. + +Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, +maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt. + +Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat +ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze +voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde +dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden +te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden, +als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals +haar hart haar ingaf. + +Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling +terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om +hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal +geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet +laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te +meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam. + +In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in +haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, +die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde +ondervinden. + +En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters! + +Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid +tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat +zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam. + +Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor +haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen +haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten +haar te temmen en geen last meer van haar te hebben. + +Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander +veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak. + +„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea. + +„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.” + +„Wat scheelt haar?” + +„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.” + +Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea +haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij +vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar +niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm +kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes +gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna +niet gekend had. + +Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee +stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst +ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te +koopen. + +Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het +Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer +dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een +gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren. + +Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd +ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan +had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen. + +Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig +kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een +plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een +inktkoker, verder niets. + +Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, +of ze even wachten wilde. + +Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame +binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser. + +Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s +onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het +met haar ging. + +„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en +heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar +eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den +tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden +hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.” + +Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, +maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk +ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige +hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond. + +„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor +zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.” + +Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch. + +„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons +heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u +begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen, +dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.” + +Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets +willen zeggen, dat deze kwetsen kon. + +„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere +wending te geven. + +„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze +heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik +geloof, dat ze liefst alleen is.” + +„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen +brengen.” + +„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.” + +Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het +kamertje van Louise. + +Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote +ongezelligheid. + +Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het +niet om, voor deze haar goeden dag zei. + +Toen keek ze verrast op. + +„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog +donkerder. + +„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik +mis je al een dag of vijf op school.” + +Louise glimlachte een beetje ondeugend. + +„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.” + +Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, +die ze voor haar meegebracht had. + +Louise’s gezichtje look op. + +„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?” + +„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.” + +„En U hebt die voor mij meegebracht?” + +„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?” + +Louise scheen deze vraag niet te hooren. + +„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je +voor, zij brengt rozen voor mij mee.” + +Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij +gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer +tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde +er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen. + +„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?” + +Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met +haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu +bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar +durfde blijven, bang haar te veel op te winden. + +Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de +hare en drukte die stevig. + +Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, +ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen: + +„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo +goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben +je daar te moe voor?” + +Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te +willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en +mevrouw. + +„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea. + +„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en +mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen +begonnen al weer te vloeien. + +Thea greep haar hand. + +„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.... maar +laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij +eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan +ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is. +Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?” + +„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb +niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een +lieve man.” + +„Ja? Wie is je dokter?” + +„Dokter Heger.” + +„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, +ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen +ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge +dokter?” + +„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.” + +„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel +heet?” + +„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u +hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.” + +Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij +dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk +zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij. + +Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet +voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan, +haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde +het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om +haar wat afleiding te geven. + +De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden +lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, +maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar +weer op krachten te brengen. + +Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch +werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn. + +„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds +herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte, +dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn. + +Thea kleurde een beetje. + +„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor +je.” + +Louise keek haar lachend aan. + +„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo +grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.” + +Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die +ze voor Louise had meegebracht. + +Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze: + +„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op +school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis +van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies +teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook, +dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had +en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien. + +„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en +toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de +familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.” + +Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het +gesprek een andere wending gegeven. + +„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag +woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!” + +„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n +onzin niet gezegd hebben.” + +„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise. + +Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste +leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel +meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden. + +„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?” + +„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het +goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend +is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst +was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde +zich thuis zoo eenzaam.” + +„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik +kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen +wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit +zijn.” + +„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, +mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet +gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.” + +„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er +zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, +als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer +allemaal het land aan me krijgen.” + +Thea moest even lachen. + +„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor, +ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook, +dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien, +hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.” + +Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te +denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar +juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe +ze haar ooit had kunnen plagen. + +„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me +zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid +alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u +hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.” + +Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij +zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het +eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar +toen. + +Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel +lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte +helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze +bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen. + +Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, +Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn +zou. + +En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij +had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te +mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar +beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de +handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad +wonen. + +Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek +was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet +meer ontmoet en dan.... + +„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die +haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?” + +Thea stak haar arm door dien van haar zuster. + +„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” +vroeg ze. + +„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk +een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er +bescheid op.” + + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +HET ENGAGEMENT. + + +Karel wist er bescheid op. + +Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd, +verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch. + +„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je +hoort het.” + +Thea lachte en bloosde. + +Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar +gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg +hij: + +„Waarmee legt mijn meisje het af?” + +Thea bloosde nog sterker. + +„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig +zijn.” + +Maar hier was Karel niet mee tevreden. + +„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?” + +Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel: + +„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze +en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid +bedwingen.” + +Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover +de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in +het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht. + +Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de +dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan +hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer. + +Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen. + +„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan +meneer de dokter ons beter maken.” + +„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte +Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter +in de familie te hebben.” + +Karel trok Nico zacht aan zijn oor. + +„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te +krijgen?” vroeg hij. + +„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze +haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem +aanleunde. + +Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden. + +„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist +leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet +lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het +niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.” + +Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd. + +„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het +jongste jongentje hier het hoogste woord?” + +Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen +acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte: + +„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en +dan ben ik lekker niet meer de jongste.” + +Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas +met bloemen op den schoorsteenmantel. + +Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde +laten zien, dat ze lachen moest. + +Maar mijnheer van Welderen lachte niet. + +„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist +binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?” + +Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik. + +„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout +geweest?” + +Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en +riep, zich aan haar vastklemmend: + +„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken +eten.” + +Zijn moeder weerde hem zacht af. + +„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?” + +„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken, +als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van +tafel gaan.” + +Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend: + +„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te +zeggen, mag hij dan binnen blijven?” + +Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt +ging het gezin aan tafel. + +Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over +den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar +nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren, +zoodat ze er zelfs haar eten door vergat. + +„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons +klaar.” + +Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen, +maar er kwam geen geluid uit. + +„Wat is er, meiske?” vroeg Vader. + +„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend. + +Jan lachte hardop. + +„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis, +of ze het op school mag vertellen.” + +Bets keek boos. + +„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk +vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet, +dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde +ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen, +maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.” + +Nu lachte het heele gezin. + +„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen. + +„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel +gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze +niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer +wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.” + +Bets’ oogen glinsterden. + +„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend. + +„Echt,” beloofde deze. + +„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had. + +„St,” zei Vader. + +„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....” + +„Nico!” en Vader keek streng. + +„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar. + +„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere, +groote plak.” + +Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van +plezier. + +„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met +de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van +krijgen.” + +„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne. + +Nu nam Jan het woord. + +„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....” + +Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit. + +„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend. + +Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren. + +„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij +niet goed was?” + +„Och niks.” + +„Jawel, toe zeg ’t nou.” + +„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn +glas uit en begon over wat anders. + +Karel keek Jan verrukt aan. + +„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben +alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.” + +Thea legde haar handje op zijne lippen. + +„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze. + +Daar tikte haar vader tegen zijn glas. + +Allen zwegen. + +„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik +graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw +krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.” + +„Maar Vadertje,” fluisterde Thea. + +Haar vader liet zich niet storen en ging door: + +„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd +een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar +Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan +haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is, +zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees +altijd goed voor haar, ze verdient het.” + +Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem +een beetje. + +Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten, +om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar +hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder. + +„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf +toch immers uw eigen dochtertje.” + +Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg. + +„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk +klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij +stootte bij Karel aan. + +Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje. + +„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat +en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.” + +Daar bromde Jan’s jongensstem: + +„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou +altijd zien.” + +Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men +schaterde het uit om Jan’s woorden. + +„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem +plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen +zullen.” + +„Dat beloven we,” riepen allen. + +Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd. + +„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten. +Enfin, het is nog zoo ver niet.” + +Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of +het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging. + +„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er +behoefte aan een luchtje te scheppen?” + +Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte. + +„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op +straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.” + +Thea werd nog verlegener en allen lachten. + +„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe. + +Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even +gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen. + +„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel +voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.” + +Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje +zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat +donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar +keek. + +Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk +beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich +in den zevenden hemel. + +Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje +volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw +iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend. + +Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou +uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje. +Nu hadden ze dolle pret. + +„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,” +en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan. + +„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan +zijn gewaand meisje. + +„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons +zien, nou....” + +„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet +goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed +ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.” + +Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes +lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg. + +Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s +gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of +niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist +tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen. + +„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?” + +„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard. + +„St,” fluisterde Bets. + +Thea keek onrustig om. + +„Hoorde je niets?” vroeg ze. + +Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de +beschouwing van zijn meisje. + +Ze liepen door. + +Bets en Nico volgden hen. + +„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.” + +Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter +dan hij. + +„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.” + +Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte. + +„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik +ben de grootste, net als Karel.” + +„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en +ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.” + +Dat was niet naar Bets’ zin. + +„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.” + +„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil +weggeloopen.” + +„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.” + +„In ieder geval heb jij het verzonnen.” + +Dat was Bets te veel. + +„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf +zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren, +die tamelijk hard aankwam. + +Nico gilde het uit. + +Hevig verschrikt keken Thea en Karel om. + +Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf +gingen met schoppen en trappen. + +„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze +scheiden.” + +Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar +nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam +Karel bij Thea terug. + +„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij. + +„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe +zouden die hier in de straat komen.” + +„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.” + +Thea stond stil van schrik. + +„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen +hebben? + +„Best mogelijk.” + +„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het +geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!” + +Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er +maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest. + +Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de +kleintjes waren nergens te vinden. + +„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita. + +„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,” +beweerde haar moeder. + +„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders +zijn.” + +Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de +omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist +niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten. +Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien. + +Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau +van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar +hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend. + +„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.” + +Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf, +kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet +te doen. + +„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch. + +Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea +hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden. + +Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde. + +„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader. + +Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar +bed te gaan. + +„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets. + +„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er +zoo afkomt.” + +Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder +prettig, dan ze gedacht hadden. + + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +UIT THEA’S DAGBOEK. + + +De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis +doorbreng! + +Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch +drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik +veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter. + +Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden +heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen +getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar +genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes +zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer +genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen +konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet +alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever +gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij +gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook +al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven +afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven +aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch +niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag +gehaald. + +In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun +liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst +heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is. + +En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n +heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes, +die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo +driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde, +dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn +ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan +nu eenmaal niet gemakkelijk leeren. + +O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn. + +En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander +kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals +Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en +leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te +doen schijnen. + +Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te +wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij +dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om +je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen +verzachten. + +En alle menschenleed! + +Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart, +die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn, +maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met +zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker +in staat zal zijn veel goed te doen. + +Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd +in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat +hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig +medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te +beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was +en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt +niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij. + +Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook +maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het +ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig +voor. + +Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen! + +Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een +door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog +liever zijn, dan de deugden van anderen. + +Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk +waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe +ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren +tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse +afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet +maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende +opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een +sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles +in orde. + +Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet +naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding +der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in +mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel +mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te +helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik +daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven +geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel +was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met +hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle +bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita +volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te +worden. + +„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik. + +„Zonder mij?” zei Karel verwijtend. + +Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch +niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden, +dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af +moest zetten. + +„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps. + +„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal +kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming +te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig +denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.” + +Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet +alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te +bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven +voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding +nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te +zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader +overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk +daarin ten minste geen verandering brengt. + +Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik +morgen niet frisch. + +Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in +schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik +mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb. + +Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd, +alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader +en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen +en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen. +Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch +eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar +toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden? + +Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had +pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te +kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet +gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven, +zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal. + +Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op +aarde voor mij is weggelegd, morgen..... + + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + Eerste Hoofdstuk. Het examen 5 + Tweede ,, Een kloek besluit 15 + Derde ,, Afscheid 31 + Vierde ,, Van huis 41 + Vijfde ,, Kennismaking 55 + Zesde ,, Uit Thea’s dagboek 69 + Zevende ,, Een moeielijke taak 79 + Achtste ,, De verdwenen armband 95 + Negende ,, Uit Thea’s dagboek 105 + Tiende ,, De ontdekking 113 + Elfde ,, Naar huis 127 + Twaalfde ,, Jan’s rapport 139 + Dertiende ,, Thea krijgt een nieuwe betrekking 157 + Veertiende ,, Een vacantiedag 171 + Vijftiende ,, Een moeielijk begin 187 + Zestiende ,, Een overwinning 199 + Zeventiende ,, Thea en Louise 213 + Achttiende ,, Het engagement 227 + Negentiende ,, Uit Thea’s dagboek 241 + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 *** diff --git a/78835-h/78835-h.htm b/78835-h/78835-h.htm new file mode 100644 index 0000000..49a4dc6 --- /dev/null +++ b/78835-h/78835-h.htm @@ -0,0 +1,8756 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-06-09T20:05:39Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Het onderwijzeresje | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Felicie Jehu (1865–1956)"> +<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Het onderwijzeresje"> +<meta name="DC.Creator" content="Felicie Jehu (1865–1956)"> +<meta name="DC.Contributor" content="Louis Raemaekers (1869–1956)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #660000; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #660000; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +height: 1ex; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +caption, .tableCaption { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +font-size: 1em; +margin-top: 1em; +margin-bottom: 1em; +} +tr, td, th { +vertical-align: top; +} +tr.bottom, td.bottom, th.bottom { +vertical-align: bottom; +} +td.label, tr.label td, tr.label th { +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td, tr.unit th { +font-style: italic; +} +td.leftbrace, td.rightbrace, th.leftbrace, th.rightbrace { +vertical-align: middle; +} +span.sum { +padding-top: 2px; +border-top: solid black 1px; +} +table.inlineTable { +display: inline-table; +} +table.borderOutside { +border-collapse: collapse; +} +table.borderOutside td, table.borderOutside th { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +} +table.borderOutside .cell-head-top, table.borderOutside .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderOutside .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-left, table.borderOutside .cell-head-left { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-right, table.borderOutside .cell-head-right { +border-right: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside { +border-collapse: collapse; +} +table.verticalBorderInside td, table.verticalBorderInside th { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border-left: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-head-top, table.verticalBorderInside .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-left, table.verticalBorderInside .cell-head-left { +border-left: 0 solid black; +} +table.borderAll, +table.rtlBorderAll { +border-collapse: collapse; +} +table.borderAll td, table.borderAll th, +table.rtlBorderAll td, table.rtlBorderAll th { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border: 1px solid black; +} +table.borderAll .cell-head-top, table.borderAll .cell-top, +table.rtlBorderAll .cell-head-top, table.rtlBorderAll .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-head-bottom, +table.rtlBorderAll .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderAll .cell-bottom, +table.rtlBorderAll .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-left, +table.borderAll .cell-head-left { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-right, +table.borderAll .cell-head-right { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cell-left, +table.rtlBorderAll .cell-head-left { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cell-right, +table.rtlBorderAll .cell-head-right { +border-left: 2px solid black; +} +tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { +border-top: 1px solid black !important; +} +tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { +border-right: 1px solid black !important; +} +tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { +border-top: 1px solid black !important; +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { +border-right: 1px solid black !important; +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { +border: 1px solid black !important; +} +tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { +border-top: none !important; +} +tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { +border-right: none !important; +} +tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { +border-left: none !important; +} +tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { +border-top: none !important; +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { +border-right: none !important; +border-left: none !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { +border: none !important; +} +.cellDoubleUp { +border-width: 0 !important; +width: 1em; +} +.cellDummy { +border-width: 0 !important; +} +td.alignDecimalIntegerPart { +text-align: right; +border-right: none !important; +padding-right: 0 !important; +margin-right: 0 !important; +} +td.alignDecimalFractionPart { +text-align: left; +border-left: none !important; +padding-left: 0 !important; +margin-left: 0 !important; +} +td.alignDecimalNotNumber { +text-align: center; +} +span.seg { +text-indent: 0; +} +span.ditto { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +vertical-align: middle; +text-align: center; +line-height: 0; +text-indent: 0; +} +span.ditto span.r { +display: table-row; +} +span.ditto span.s { +display: table-cell; +visibility: hidden; +} +span.ditto span.d { +display: table-cell; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +font-variant: normal; +text-transform: none; +display: inline; +font-size: 12.8px; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #666666; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +caption, .tableCaption { +text-align: center; +} +.Arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.Aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.Grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.Hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.Syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.xl { +font-size: x-large; +} +.xxl { +font-size: xx-large; +} +.bold { +font-weight: bold; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:494px; +} +.frontispiecewidth { +width:527px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:497px; +} +.o014width { +width:198px; +} +.o029width { +width:463px; +} +.o040width { +width:307px; +} +.p048width { +width:630px; +} +.o068width { +width:307px; +} +.o094width { +width:106px; +} +.xd33e1574 { +text-align:right; +} +.o111width { +width:463px; +} +.o125width { +width:307px; +} +.o137width { +width:307px; +} +.p152width { +width:546px; +} +.o156width { +width:463px; +} +.o169width { +width:307px; +} +.o185width { +width:307px; +} +.o198width { +width:198px; +} +.o211width { +width:307px; +} +.p216width { +width:518px; +} +.o225width { +width:307px; +} +.o239width { +width:463px; +} +.o246width { +width:106px; +} +.spinewidth { +width:118px; +} +.backwidth { +width:489px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> + +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="494" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">HET ONDERWIJZERESJE. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center small">Boekdrukkerij Firma P. Kluitman, Alkmaar. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”" width="527" height="720"><p class="figureHead">„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”</p> +<p class="first">(Bladz. 103)</p> +</div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="497" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">HET<br> +ONDERWIJZERESJE</h1> +</div> +<div class="byline">DOOR<br> +<span class="docAuthor">FELICIE JEHU.</span> +<br> +GEÏLLUSTREERD DOOR<br> +<span class="docAuthor">LOUIS RAEMAEKERS.</span></div> +<div class="docImprint">ALKMAAR—P. KLUITMAN.<br> +<span class="docDate">1908.</span></div> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3635">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Eerste Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Eerste Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het examen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-m.png" alt="M" width="162" height="143"></div> +<p class="first">ijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij daar nu al +jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van zijn paard, zijn rug bezeerd +had, welk ongeval een eind gemaakt had aan zijn carrière als officier. Hij was toen +nog jong, nog geen vijf en veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, +had naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .… en ineens maakte +die val een eind aan alle verwachtingen. +</p> +<p>Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en niet dan met +de grootste moeite eenige stappen loopen kon. +</p> +<p>En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn huis gedaan hadden, +de geldzorgen vooral. +<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> +<p>Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien, de jongste twee +jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en buiten zijn pensioen had hij +niet veel. Toen hij in zooverre hersteld was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk +was en hij zijne dagen weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds +liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van militaire schetsen +en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel dikwijls werd hij gekweld door +pijn, die hem het werken belette, zoodat hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig +vermeerderen kon. Toch was hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd +karakter en dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat daar +dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen. +</p> +<p>Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de handen uit +de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen beiden hun lot te dragen. +</p> +<p>En dan zijne kinderen! +</p> +<p>Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen vijf kinderen +op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen van allen willen missen, ze +maakten immers het geluk en de gezelligheid van het huis uit. +</p> +<p>En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu negentien jaar, een +klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als geschapen om het echte <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te genieten van haar jeugd. En wat had +ze niet gewerkt om maar zoo spoedig mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen +doen, zijn dapper meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om +zijne zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar hulpakte +gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds trachten haar akte Engelsch +te halen, waar ze al voor gestudeerd had, toen ze nog voor haar akte lager onderwijs +werkte. +</p> +<p>Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed of slecht nieuws +en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo gekweld, als juist heden. Hij was +te rusteloos, om zich met iets bezig te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep +niet, wat er stond, werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita, +zijn tweede dochter, had wel geen school <span class="corr" id="xd33e183" title="Bron: van middag">vanmiddag</span>, maar was haar zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen +dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine Nico meegenomen +en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school. +</p> +<p>Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger worden. +</p> +<p>Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een oogenblikje +bij hem kon blijven. +</p> +<p>„Ben je daar, beste,” riep hij. +</p> +<p>De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen. +</p> +<p>„Riep je, Johan?” +<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> +<p>„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt, het is al half +drie.” +</p> +<p>Zijn vrouw zette zich naast hem neer. +</p> +<p>„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn. Valt de tijd +je zoo lang?” +</p> +<p>„Ja, jou niet?” +</p> +<p>„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw voorbij. Ik heb advocaat +gemaakt, wat zeg je daarvan?<span id="xd33e200">”</span> +</p> +<p>„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.” +</p> +<p>„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.” +</p> +<p>„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel bekwaam genoeg zijn. +Ik ben er niet zoo gerust op.” +</p> +<p>In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te kijken en verzekerde +hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van Thea. +</p> +<p>„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de lieveling moet +dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er smalletjes uit in den laatsten tijd.” +</p> +<p>Haar man zuchtte. +</p> +<p>„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn, als ze zich +weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om zulke jonge kinderen les +te geven, ik weet de methoden niet en daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig +genoeg. Het is miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.” +</p> +<p>Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem. +</p> +<p>„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>wat je kunt. Dat je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap +bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het dadelijk weer +van je te zullen overnemen.” +</p> +<p>„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor haar genoegen +leven.” +</p> +<p>„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een betrekking heeft en +dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.” +</p> +<p>Weer zuchtte mijnheer van Welderen. +</p> +<p>„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de gedachte dat +zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet verdienen, terwijl ik hier nutteloos +neerlig! Als je eens wist, hoe me dat kwelt.” +</p> +<p>Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd. +</p> +<p>„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,” voegde ze er bij, +naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig te worden. Daar komen Jan en +Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?” +</p> +<p>„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar man, maar ze +viel hem in de rede: +</p> +<p>„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te treuren. Ik ga de +jongens even opendoen.” +</p> +<p>Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico naar binnen. +</p> +<p>„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>dat we te laat waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet +voorhoofd af. +</p> +<p>Zijn vader schudde glimlachend het hoofd. +</p> +<p>„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem zijne krullen +uit zijn gezichtje. +</p> +<p>„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en je haar die +rozen geeft?” +</p> +<p>Nico knikte van ja. +</p> +<p>„Wat dan?” +</p> +<p>„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou weer van Thea +les?” +</p> +<p>„Ja, vin’ je dat niet prettig?” +</p> +<p>„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel liever naar +school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.” +</p> +<p>Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het hem moeilijk +viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen hem al zooveel kostten. +</p> +<p>Toen hervatte hij: +</p> +<p>„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en je zult lief +zijn en je best doen, niet waar?” +</p> +<p>Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit niet naar zijn +zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn moeder binnen en ziende, hoe +vuil hij zich op straat gemaakt had, nam ze hem mee, om hem eens flink te wasschen. +</p> +<p>Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten. +</p> +<p>„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader. +<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> +<p>Jan schudde ontkennend. +</p> +<p>Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig. +</p> +<p>„Jan,” zei hij weer. +</p> +<p>Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee gedaanten, die +in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden het de zusjes zijn? +</p> +<p>„Jan,” zei nog eens zijn vader. +</p> +<p>Doch Jan keek niet om. +</p> +<p>„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de ruiten, om beter +in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij: +</p> +<p>„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier, hoezee, ze is +er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich zenuwachtig had opgericht, vloog +hij de gang in, naar de voordeur, roepend: +</p> +<p>„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!” +</p> +<p>Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook naar voren. +Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een paar huizen ver, kleine, +blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige +Ita danste letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar haar +keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan. +</p> +<p>Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur. +</p> +<p>„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de deur der huiskamer +openend, <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar vader en stak zijne armen naar haar uit. +Zijne oogen waren gevuld met tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, +hoe gespannen zijn zenuwen waren. +</p> +<p>Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander hartelijk. +</p> +<p>„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk geluk gewenscht, +het is haast al te heerlijk.” +</p> +<p>Nog een kus en Thea richtte zich op. +</p> +<p>„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan verrukkelijk” en ze +vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens flink. +</p> +<p>Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een mooien bouquet +rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje oprichtte, om gekust te worden. +</p> +<p>„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader. +</p> +<p>„Wel gefeliciteerd,” zei het kind. +</p> +<p>„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.” +</p> +<p>Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar gevraagd hadden, +en hoe aardig de examinator geweest was. +</p> +<p>„Het ging heerlijk<span id="xd33e274">,</span>” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later niets meer, ik voelde, dat ze +tevreden waren. O, ’t is zalig om door je examen te komen,” en in verrukking sloeg +ze haar handen in elkaar. +</p> +<p>Moeder had intusschen even de kamer verlaten en <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>kwam weldra terug met een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, +benevens een schaaltje met bisquits. +</p> +<p>„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk. +</p> +<p>„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter vreugde zoo’n luchtsprong, +dat de vaas met bloemen bijna omver viel. +</p> +<p>„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot antwoord vloog +Ita op hem aan en omhelsde hem zoo <span class="corr" id="xd33e285" title="Bron: omstuimig">onstuimig</span>, dat haar moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild +met Vader moet zijn.” +</p> +<p>Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht. +</p> +<p>„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn wildeman,” zei +hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem had neergezet, stootte hij +met Thea aan. +</p> +<p>„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n feestje vieren +mogen!” +</p> +<p>Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat er gebeld werd. +Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig, klom tegen den bel op en gaf +er nog eens een flinken ruk aan. Ze brandde van verlangen om te weten, hoe het examen +was afgeloopen. +</p> +<p>„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.” +<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> +<p>„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet er ook bij +zijn.” +</p> +<p>Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt: „ze is er door.” +</p> +<p>„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t me verteld +voor ik naar school ging.” +</p> +<p>Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds geleegde glazen. +</p> +<p>„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze. +</p> +<p>Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht. +</p> +<p>„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je toch zeker het +goede nieuws verteld?” +</p> +<p>„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten had, Thea was +immers zoo knap. +</p> +<p>Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje. +</p> +<p>„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op school al +verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was, was het toch erg gek geweest, +hè, dan had ik het morgen weer moeten tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. +Nou hoor, ik ben blij, dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze +haar glaasje leeg. +</p> +<div class="figure o014width"><img src="images/o014.png" alt="" width="198" height="30"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3648">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Tweede Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Tweede Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een kloek besluit.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div> +<p class="first">hea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen. +</p> +<p>Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen, die den mensch +zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en moeielijkheden, die men op +een zonnigen dag als bagatellen zou beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken. +</p> +<p>Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit, hare meestal lachende +oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, +waren in tegenspraak met haar jong gezichtje. +</p> +<p>Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn zuster hem had +opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat krabbels op zijn lei <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>teekenen, die een of ander produkt uit het dierenrijk moesten voorstellen. +</p> +<p>Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij, dat ze niet op +hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en teekende veel liever een beetje. +</p> +<p>Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een gesalarieerde betrekking +te krijgen, als ze gedacht had. Ze had gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig +slagen zou, doch nu was ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe +was het haar niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden. +</p> +<p>En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende! +</p> +<p>De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze zag, dat hare +ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders toestand was minder goed, dan van +den zomer, hij was zoo zenuwachtig en dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje +liet den moed nooit zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, +zag toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt ging. +</p> +<p>Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende, zag ze, dat +Nico verdwenen was. +</p> +<p>Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het nadenken, +over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het naast lag en inplaats van +haar broertje bij zijn werk te houden, liet ze hem maar aan zich zelf over en nu was +hij weggeloopen. +<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> +<p>Waar zou hij zijn? +</p> +<p>Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze zag hem niet, +maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: <span id="xd33e335">„</span>Thea slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me naar school +moet laten gaan, zoo leer ik niks.” +</p> +<p>Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare wangen gloeiden +van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken. +</p> +<p>Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde: +</p> +<p>„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof er niets van, +je bent zeker weer stout geweest en van de les weggeloopen.” +</p> +<p>Toen Nico’s stem: +</p> +<p>„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea heelemaal niet op +me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze heeft er echt niks van gemerkt, +dat ik wegliep. Mag ik nou naar school?” +</p> +<p>Daarna weer haar vader: +</p> +<p>„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd, dat je naar Thea +luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als Moeder en mij. Ga nu dadelijk +naar haar terug en vanavond ga je een uur vroeger naar bed. Begrepen?” +</p> +<p>Nico begon te huilen. +</p> +<p>„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea niet op me +let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.” +</p> +<p>„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>dadelijk naar bed? Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat +je weggeloopen bent.” +</p> +<p>Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had zeker weer pijn +en door haar schuld werd hij lastig gevallen. +</p> +<p>Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig op hem gelet +had, hij had dus geen straf verdiend. +</p> +<p>Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop om en trad binnen. +</p> +<p>Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea? Is Nico weer +ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond vroeg naar bed moet.” +</p> +<p>Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder. +</p> +<p>„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout geweest, hij +had wel niet mogen weg loopen, maar.…” +</p> +<p>Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan. +</p> +<p>„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.” +</p> +<p>Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich open latend. +</p> +<p>Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht. +</p> +<p>Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken en bezorgd +boog Thea zich over hem heen. +<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p> +<p>„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig. +</p> +<p>„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij me zitten +en vertel me, wat er gebeurd is.” +</p> +<p>Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht: +</p> +<p>„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo afgedwaald, dat +ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het dichtslaan der deur.” +</p> +<p>Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij: +</p> +<p>„Hoe kwam dat zoo?” +</p> +<p>Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat ze over de toekomst +aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde zich altijd zoo opgewekt mogelijk +voor Vader, die al zoo veel te dragen had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar +hoofd tegen zijn schouder, zei ze: +</p> +<p>„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig, maar het is +natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat beloof ik u.” +</p> +<p>Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog zoo goed, hoe +blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat hij ze zoo vervelend gevonden +had, was natuurlijk een bewijs, dat hij geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, +dat Thea dat wel zou blijken te zijn. +</p> +<p>„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een jongen van dien +leeftijd bij zijn werk te houden, maar <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>dat is des te meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een +gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen jongen les te +geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en ofschoon ik het sterk in hem +afkeur, dat hij op die wijze van je afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, +dat hij naar school moet, geheel ongelijk heeft hij niet.” +</p> +<p>De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden lag opgesloten. +Hare oogen vulden zich met tranen. +</p> +<p>„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen broertje les +te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij hebben en dan zou het <span class="corr" id="xd33e382" title="Bron: van zelf">vanzelf</span> beter gaan.” +</p> +<p>Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge plichtsbetrachting geweest +en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort was geschoten, door haar leerling zoo +aan zijn lot over te laten, al was die leerling haar broertje. +</p> +<p>„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat je een goed +onderwijzeres bent.” +</p> +<p>Thea begon te schreien. +</p> +<p>„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af en doe je best +maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten, dat je door ondervinding veel +leeren zult. Ik zou nu maar eens naar Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.” +</p> +<p>Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar het kamertje, +waar ze ’s morgens haar broertje les gaf. +<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> +<p>Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond lag er al mee +bezaaid. +</p> +<p>„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is je som af?” +</p> +<p>Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan haar nog zoo +kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze gehuild had. +</p> +<p>„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan moet je maar +niet zitten suffen.” +</p> +<p>Nu keek zijn zuster werkelijk boos. +</p> +<p>„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je oogenblikkelijk +naar bed te sturen.” +</p> +<p>Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het werk te gaan, +hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien. Toch kon hij niet nalaten nog +even binnensmonds te mompelen: +</p> +<p>„Je hebt toch een lekker standje gehad!” +</p> +<p>Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van merkte. +</p> +<p>„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk. Vader heeft gemakkelijk +praten, als hij zegt, dat een leerling, een leerling is, broertje of niet, een vreemd +kind zou toch zoo niet durven spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen +toonde hij triomphant zijn som aan Thea. +</p> +<p>„Al af,” zei hij. +</p> +<p>„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.” +</p> +<p>„Nou ja.…. maar nu had ik haar toch gauw af. <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Zeg Thea, als ik nu verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?” +</p> +<p>„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar straks.” +</p> +<p>Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande, zei hij tusschen +twee kussen door: +</p> +<p>„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit meer wegloopen, +al let je heelemaal niet op me, hoor.” +</p> +<p>Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel. +</p> +<p>„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je van op aan. +Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren en als het niet gaat, +doe je Vader zoo’n verdriet.” +</p> +<p>De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag goed te willen +maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren kon, als hij maar wilde, +ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten te zeggen, toen de les was afgeloopen: +</p> +<p>„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.” +</p> +<p>„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend wegholde. +</p> +<p>Thea keek hem hoofdschuddend na. +</p> +<p>„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken en zijn lei +wegbergend. +</p> +<p>Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar Fransche akte, +kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had, of de juffrouw <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets spreken. Verwonderd keek Thea +op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei +ze tegen het meisje en haar boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. +Daar vond ze Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad. +</p> +<p>Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar, eens kalm bij +hem te gaan zitten. +</p> +<p>„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven ontvangen, dat vooral +voor jou van belang is.” +</p> +<p>„Voor mij, Vader?” +</p> +<p>„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als gouvernante.” +</p> +<p>„Is ’t echt?” +</p> +<p>Thea had een kleur gekregen van verrassing. +</p> +<p>„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik onlangs eens +over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij kennissen van hem en nu vraagt +hij, of je er lust in zoudt hebben.” +</p> +<p>Thea bloosde alweer. +</p> +<p>„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u immers?” +</p> +<p>Toen eensklaps haar vader angstig aanziende: +</p> +<p>„Het is toch extern, niet waar?” +</p> +<p>Nu nam haar moeder het woord. +</p> +<p>„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn, maar je zoudt +van ons af moeten, het is een interne betrekking.” +<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> +<p>„Maar dan toch hier in de stad?” +</p> +<p>„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het is een Hollandsche +familie, die daarom graag een gouvernante uit haar eigen land bij de kinderen wil +hebben. Zou je het aandurven?” +</p> +<p>Hier viel haar vader in: +</p> +<p>„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen, die zouden dus +geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen hebben, een meisje van tien +en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, +driehonderd gulden salaris krijgen.” +</p> +<p>Thea keek verbaasd. +</p> +<p>„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze. +</p> +<p>„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die familie aan mijn +vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten gaan. En dan is er nog een voordeel +aan verbonden, denk eens hoe goed het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel +gaat.” +</p> +<p>Thea was stil geworden. +</p> +<p>Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn, die gelegenheid +tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar toch.… +</p> +<p>„<span class="ex">Moet</span> ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem. +</p> +<p>Haar vader schudde zijn hoofd. +</p> +<p>„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel onze toestemming, +maar je moet zelf beslissen.” +<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> +<p>Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken. +</p> +<p>Haar moeder trok haar naar zich toe. +</p> +<p>„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg ze zacht. +</p> +<p>Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan haar borst. +</p> +<p>„Vreeselijk,” zuchtte ze. +</p> +<p>„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar toch moeten we +geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi aanbod. Denk er eens kalm over +na.” +</p> +<p>„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens beslist te worden. +Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er over nadenken.” +</p> +<p>„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten. +</p> +<p>Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur liep, dat haar +vader haar terugriep. +</p> +<p>„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.” +</p> +<p>Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende, waarop liefde +en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze zich eensklaps in zijne armen +en snikte het uit. +</p> +<p>„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo vreeselijk vindt, +hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons aller bestwil zou zijn, maar je moet +het niet doen, als je er zoo tegen opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever +bij me.” +<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> +<p>Thea glimlachte door hare tranen heen. +</p> +<p>„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.” +</p> +<p>Haar moeder maakte een ontkennende beweging. +</p> +<p>„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je zoo door je gevoel +te laten overheerschen. Het lijkt me een goede betrekking, je hebt al ondervonden, +dat die niet opgeschept liggen en dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, +vóór we zoo’n aanbod afslaan.” +</p> +<p>Thea droogde hare oogen af en richtte zich op. +</p> +<p>„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let er maar niet +op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van geschrokken, denk ik. Nu zal ik er +eens kalm over nadenken en u straks zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?” +</p> +<p>Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach, het was zoo’n +droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook haar moeder zich de oogen +af en haar vader zuchtte: „Arm kind.” +</p> +<p>Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico haar tegen +het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde: „Heeft ze nu al weer een +standje gehad.” Ze sloot haastig de deur achter zich en wierp zich voorover op het +bed. Daar liet ze haar tranen den vrijen loop. +</p> +<p>Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes. Ze had altijd +gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een betrekking in de stad harer inwoning +zou vinden. Ze had wel begrepen, daar <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk gemakkelijk zou vallen, les +te geven en de orde te bewaren op een school, of bij leerlingen aan huis, maar ze +had zich getroost met de gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis +wachtte en harten, die haar begrepen. +</p> +<p>En nu? +</p> +<p>Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet kende, waar zelfs +een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig was. +</p> +<p>En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat durfde, zooals +er tegenwoordig zooveel zijn. +</p> +<p>Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch moest het. Ze +voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren mocht, niet weigeren kon, +zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als haar eersten plicht beschouwde, te trachten +de drukkende zorgen van hare ouders te verlichten. +</p> +<p>Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan. +</p> +<p>Het snikken was nu bedaard. +</p> +<p>Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen kamde ze haar kuif +wat op en besloot ineens door den zuren appel heen te bijten. Ze wilde dadelijk haar +besluit aan hare ouders mededeelen, dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen +direct te schrijven, ze wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven +uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan verzoend <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat zij haar eigen brood +moest verdienen. Dat mocht niet. +</p> +<p>En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem opgewassen, +met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou dadelijk heel streng zijn +en laten merken, dat er niet met haar te spotten viel. Toen keek ze toevallig in den +spiegel en moest lachen om het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich +voornam een strenge onderwijzeres te worden. +</p> +<p>Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel veel van haar +hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou kunnen uitoefenen. +</p> +<p>Maar Nico hield ook veel van haar en toch.… +</p> +<p>Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar besluit mededeelen. +</p> +<p>Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze verstandig zou zijn, +maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg: +</p> +<p>„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je eenmaal je woord +gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat goed.” +</p> +<p>Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou haar best doen +en alles zou goed terecht komen, <span class="ex">moest</span> goed terecht komen. +</p> +<p>Haar vader greep haar hand. +</p> +<p>„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij. +</p> +<p>„Doe het liever straks nog,” verzocht ze. +<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> +<p>Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in orde zouden +krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet geschreven was, wanneer men haar +precies noodig had, kon men toch uit den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten +zou. +</p> +<div class="figure o029width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Derde Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Derde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Afscheid.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-w.png" alt="W" width="161" height="141"></div> +<p class="first">at een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar Brussel. Er moest +nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een behoorlijk uitzet het ouderlijk +huis verlaten. De zusjes en broertjes hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun +verteld werd, dat Thea een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen. +</p> +<p>Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend. +</p> +<p>Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en deed alsof +ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat haar dat geluk niet te beurt +viel, ze bleef veel liever rustig thuis. Maar Thea mocht dat niet weten, liet die +maar denken dat ze graag in haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook +pleizier in. +<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> +<p>Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat ook nog zoo dikwijls, +ze waren immers zulke malle huismuschjes. +</p> +<p>Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde in eens, dat +ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging wonen, nou, ze blufte er niet +weinig op tegen hare vriendinnetjes. +</p> +<p>Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school mocht. +</p> +<p>„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Heelemaal niet.” +</p> +<p>Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen vulden. Ze was +zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam zeker, doordat ze er aldoor +aan denken moest, dat ze wegging en allen, die ze liefhad, moest achterlaten. +</p> +<p>Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen tijd tot veel +nadenken. +</p> +<p>Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, die meer dan +anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot nadenken had. +</p> +<p>Hoe hij haar missen zou! +</p> +<p>Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, niettegenstaande ze studeeren +moest voor hare examens, toch steeds tijd gevonden had, even bij hem te komen, om +hem met een vroolijk grapje op te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was +hem al een troost geweest. +<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> +<p>En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn goede vrouw, +flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo heel praktisch geworden. +Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders geweest, dan was er van het huishouden +niet veel terecht gekomen, maar het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee +hij zich den tijd verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet +altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel beter, hun +vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed. +</p> +<p>Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve meid, maar +een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet gemakkelijk leerde en hem +daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een paar aardige kinderen, maar waaraan hij +natuurlijk nog geen gezelschap had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever +in een andere kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar wilden +en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, zich in te houden. +</p> +<p>Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, maar dat mocht +ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde de laatste gezellige uurtjes, +die ze samen konden doorbrengen, niet bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen +schikken, dat ze hem verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten +en scheen niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien. +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +<p>Zoo speelden ze comedie voor elkander. +</p> +<p>Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem zat, dat wist +hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering opzag. +</p> +<p>Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere meisjes waren zoo +niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar plaats zouden willen zijn. Ze +kende er, die dolgraag eens uit huis zouden willen en blij zouden zijn, als hun de +gelegenheid geboden werd eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele +jaren gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze kon niet. +Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar thuis, misschien was ze overdreven, +ze voelde er zich bezwaard mee, dat ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal +zoo. +</p> +<p>Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet missen? +</p> +<p>Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe ook deze tegen +haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten merken, omdat ze haar niet wilde +sterken in haar wat al te gevoelige natuur. +</p> +<p>Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had ze met behulp +van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu was er niets meer te doen +en kon ze ’s middags bij Vader blijven, terwijl Moes het druk had in de keuken, waar +ze de lievelingskostjes van Thea klaarmaakte. +</p> +<p>Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan. +<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> +<p>„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer alleen samen +zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.” +</p> +<p>Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet mogelijk, ze terug +te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar zich toe, om haar een kus te geven. +</p> +<p>„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te gek, zoo sentimenteel +als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men niet denken, dat je voor minstens +eenige jaren wegging en na een maand of wat kom je al weer eens thuis.” +</p> +<p>„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de Kerstdagen niet +thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op die kinderen passen.” +</p> +<p>„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar mevrouw schijnt +juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare kinderen te willen hebben, +omdat de familie dan veel uit is, of zelf feesten geeft. Zooals je weet, stond ze +er nadrukkelijk op, dat je de wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.” +</p> +<p>„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.” +</p> +<p>Haar vader streelde haar hand. +</p> +<p>„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, dat het van +jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar noodig bent.” +</p> +<p>Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van haar vader. +</p> +<p>„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze. +<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> +<p>Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar. +</p> +<p>„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten klank gevend, +zei hij: +</p> +<p>„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in betrekking gaat en +geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best is. Je kunt altijd troost putten +uit de gedachte, dat je nu onze zorgen helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, +hoe ik er over denk, dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.” +</p> +<p>Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen? +</p> +<p>Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het meest verdriet +deed in zijn leven. +</p> +<p>Ze kuste hem en sprong op. +</p> +<p>„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in staat gesteld +word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu verder vroolijk zijn en van +dezen middag genieten. Zal ik u wat moois voorlezen<span class="corr" id="xd33e580" title="Bron: .">?</span>” +</p> +<p>„Graag, kindje.” +</p> +<p>Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen. +</p> +<p>Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, laten we liever +nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen wilde.” +</p> +<p>Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten. +</p> +<p>„Ja, Vader.” +</p> +<p>„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel rijk. Er zijn +daar ook twee jonge meisjes, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>die als dochters des huizes natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, +die daar als ondergeschikte komt.” +</p> +<p>„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea. +</p> +<p>Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een prinsesje was. +</p> +<p>„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen beschouwen als +de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des huizes.” +</p> +<p>Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking. +</p> +<p>„Waarom zegt u dat?” vroeg ze. +</p> +<p>„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je misschien niet prettig +zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je dan op kunt passen, dat geen jaloezie +in je hart sluipt, je bent natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten +blootgesteld dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog +draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en levenswijzen tusschen +die meisjes en jou, je karakter een leelijke plooi zal geven.” +</p> +<p>Thea keek somber voor zich uit. +</p> +<p>„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,<span id="xd33e603">”</span> zei ze. +</p> +<p>„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten toegang te geven +tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden als je wilt.” +</p> +<p>„Dat wil ik, Vader.” +</p> +<p>Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo weinig van +de wereld af, ze <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en zonder strijd ging, zich rein te houden +van booze invloeden, die van alle kanten wilden inwerken. +</p> +<p>Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar hoofd buigend, +zei ze zacht: +</p> +<p>„Ik zal mijn best doen, Vader.” +</p> +<p>Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven. +</p> +<p>Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen. +</p> +<p>„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze. +</p> +<p>Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes. +</p> +<p>„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan dekken.” +</p> +<p>„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. „Ik zal je even +helpen.” +</p> +<p>Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen om een opgewekt +gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja zelfs opgewonden. Het was tevens +Nico’s eerste schooldag geweest, hij had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk +de held van het feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na +het eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed waren, zaten +Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij elkaar. Ze trachtten even opgewekt +te blijven, als ze het met de kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, +een schaduw had zich over hun <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder voor naar bed te gaan, morgen +was het weer vroeg dag. Thea zou met den trein van omstreeks half tien vertrekken, +dan was ze tegen één uur in Brussel. +</p> +<p>Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den hals van haar +zuster. +</p> +<p>„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze. +</p> +<p>Ita schudde haar lachend van zich af. +</p> +<p>„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe Griet.” +</p> +<p>Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen. +</p> +<p>„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet zeker, dat +Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, maar ik wil alles weten, +wat hier in huis voorvalt, alles, ook het minder goede. Beloof je me, niets voor me +geheim te houden?” +</p> +<p>Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus. +</p> +<p>„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t belieft geen belofte +afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, wat er hier in huis voorvalt! Hoe +Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen +op tafel zit en onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling +van de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik niet.” +</p> +<p>Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen. +<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p> +<p>„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen en dan ga je +lekker slapen.” +</p> +<p>Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te kunnen slapen. +Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra hoorde men niet anders dan +de rustige ademhaling van de beide zusjes. +</p> +<div class="figure o040width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3674">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Vierde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Van huis.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-n.png" alt="N" width="162" height="145"></div> +<p class="first">og een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde onder de kap van +het station uit. +</p> +<p>Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van haar moeder te +onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet te onderdrukken zucht, trok +ze haar hoofd terug en zette zich in haar hoekje neer. +</p> +<p>Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar gingen ze nu verschillende +richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader en de kinderen en zij naar een vreemde +stad, naar een haar onbekende familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo +dapper bedwongen had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden hardnekkig +langs hare wangen, <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar gezicht naar het raampje en alsof daar iets +heel <span class="corr" id="xd33e654" title="Bron: bizonders">bijzonders</span> te zien was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen afvegend. +Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare wangen en eindelijk gaf ze +den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze +zich aan haar verdriet over. +</p> +<p>Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt moederlijk gezicht. +Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een innig medelijden met haar. Arm klein +ding, wat had ze een verdriet, kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die +haar weggebracht had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian. +</p> +<p>Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar of zeventien +gaf ze haar niet. +</p> +<p>Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om weg te moeten, +het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren, die je op zoo’n kostschool +leerde, wogen niet op tegen het verdriet, dat het schepseltje er van had. +</p> +<p>Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar met haar zakdoek +voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er geen andere reizigers waren +in deze coupé, ze moest maar eens uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen +er zeker weer passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en +dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor ze het wisten. +<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p> +<p>Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan. +</p> +<p>Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt. +</p> +<p>„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame tegenover +haar. +</p> +<p>De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken, zoo vriendelijk +en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte aan een medevoelend hart, dat +ze zonder aarzelen antwoordde: +</p> +<p>„O, vreeselijk.” +</p> +<p>Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis moest en ze vroeg, +terwijl ze de laatste tranen afdroogde: +</p> +<p>„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?” +</p> +<p>De dame begon te lachen. +</p> +<p>„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel reist en daarenboven +nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel moeielijk om te begrijpen, dat ze naar +een kostschool gaat.” +</p> +<p>Thea keek haar verbaasd aan. +</p> +<p>„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?<span id="xd33e676">”</span> vroeg ze. +</p> +<p>„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo bedroefd niet +zijn.” +</p> +<p>Thea begon te lachen. +</p> +<p>Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik haar verdriet +vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les te gaan geven en nu dacht +haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest. +<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> +<p>Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei: +</p> +<p>„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar niet zijn op +die school.” +</p> +<p>Thea had pret in ’t geval. +</p> +<p>Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen twintig, maar ze +had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje zou worden aangezien. +</p> +<p>„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze. +</p> +<p>„Een jaar of zestien, zeventien misschien.” +</p> +<p>„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje ouder.” +</p> +<p>„Achttien dus?” +</p> +<p>„Neen, negentien.” +</p> +<p>Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd. +</p> +<p>„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan nu nog naar +kostschool?” +</p> +<p>„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.” +</p> +<p>„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?” +</p> +<p>„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.” +</p> +<div class="figure p048width"><img src="images/p048.jpg" alt="„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”" width="630" height="720"><p class="figureHead">„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante +naar Brussel.”</p> +<p class="first">(Bladz. 44)</p> +</div><p> +</p> +<p>Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing. +</p> +<p>„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!” +</p> +<p>Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor bespottelijks +aan was. +</p> +<p>„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf. +<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p> +<p>De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden. +</p> +<p>„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg jong uit, veel +meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als een vrouw, die voor de opvoeding +van kinderen moet gaan zorgen. Maar daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, +iemand kan wel anders zijn, dan hij er uitziet.” +</p> +<p>Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.” +</p> +<p>Thea keek stil voor zich. +</p> +<p>Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu dubbel bezwaard. +Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden die kinderen dan respect voor +haar kunnen hebben! +</p> +<p>Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op! +</p> +<p>Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw er verdrietig +onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk woordje toevoegen, toen de trein +te Rotterdam stopte. Nu kwamen er eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong +mensch, dat zich naast Thea neerzette. +</p> +<p>Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s hand en fluisterde: +</p> +<p>„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.” +</p> +<p>Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren, dat de feestdagen +zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van hare woorden was <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen te beven en hoewel ze haar +zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte, ontsnapte haar toch een snik. +</p> +<p>Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan. +</p> +<p>Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en bood het haar +aan. +</p> +<p>Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich gevestigd te zien, +wat niet verminderde, toen haar overbuur met een goedgemeend: Kassian, hare medereizigers +meewarig aankeek, terwijl ze haar hoofd schudde. +</p> +<p>Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar tegenwoordigheid +van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare tranen, hield hare snikken in, veegde +hare oogen af en deed haar uiterste best onverschillig te kijken. +</p> +<p>„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch. +</p> +<p>„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg. Dat ellendige +blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan doen, maar wat moest die mijnheer +nu wel van haar denken. +</p> +<p>Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging schijnbaar ijverig +het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken, die op haar gericht waren, ze zag +ze, als ’t ware. +</p> +<p>Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar en haar buurvrouw. +Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel verstaan, maar ze <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en van: zoo’n arm schepseltje, dat +nu al haar eigen brood verdienen moest en de gedachte, dat het <span class="corr" id="xd33e736" title="Bron: jonge mensch">jongemensch</span> naast haar die woorden evengoed zou verstaan, maakte haar boos en verlegen. +</p> +<p>Men naderde de grens. +</p> +<p>Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar. +</p> +<p>„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij een genoegen +zijn,” zei hij. +</p> +<p>Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de grenzen geweest, +en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de douanen, maar kon ze van een +haar geheel onbekend jongmensch wel hulp aannemen? +</p> +<p>Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in: +</p> +<p>„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus bedankt voor uw +beleefdheid.” +</p> +<p>Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte, maar was blij +nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al of niet aannemen van zijn +hulp. +</p> +<p>Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte terug. +</p> +<p>Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was nog zoo weinig +bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden moest. +</p> +<p>Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar koffer en toen +men weer <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea zitten, in plaats van tegenover haar. +</p> +<p>Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat verwonderd, +maar ging zwijgend op een andere plaats zitten. +</p> +<p>„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s beschermster, „maar ik +wilde liever vooruit rijden.” +</p> +<p>„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord. +</p> +<p>Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „<span lang="fr">vis-à vis faut mieux qu’ à côté.</span>” +</p> +<p>Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te zoeken. +</p> +<p>Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé toch niet, +voordat hij Thea een specialen groet geschonken had. +</p> +<p>Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie afgehaald werd, +keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van Gendringen had haar geschreven, +dat ze iemand aan het station zou vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, +die uitkeek naar een verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou +die soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de knecht scheen +te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand anders zag, die meer aan zijn +voorstelling van een gouvernante voldeed en kwam toen op haar af. +</p> +<p>„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend. +<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p> +<p>Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen. Mocht hij haar +bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer zorgen. Hij bracht haar naar een +net coupétje, Thea steeg in en weldra reed ze door Brussel’s straten. +</p> +<p>Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze zat zoo heerlijk +in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de straten, die ze doorreed waren +zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar Thea was te veel onder den indruk van de dingen, +die komen zouden, om pleizier in dit alles te kunnen hebben. +</p> +<p>Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe voornaam was hier +alles, de ruime marmeren vestibule en de statige bediende, die de deur geopend had +en haar nu verzocht hem te volgen, mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar +te brengen. +</p> +<p>Thea voelde een rilling door hare leden gaan. +</p> +<p>De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van zenuwachtigheid, +als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had toegestaan, dan zou ze plotseling +overgeplaatst zijn in de nauwe gang van haar ouders’ woning en zou ze het volgend +oogenblik bij Vader en Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van +in de deftige salon van mevrouw van Gendringen. +</p> +<p>De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn gladgeschoren +gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij was gewend zijn <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>trekken de strakheid van een masker te geven, maar daarom werkten zijne gedachten +toch wel. +</p> +<p>En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem volgde, kwam de gedachte +bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had voor een gouvernante, ze leek nog wel +een kind. +</p> +<p>„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe mevrouw zal kijken, +als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel van een grenadier en nu zoo’n +pop.” +</p> +<p>Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar uitging, de lange +vestibule door en de breede trap op. +</p> +<p>Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij gaand, om +haar te laten passeeren, zei hij: +</p> +<p>„Mademoiselle van Welderen.” +</p> +<p>Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten. +</p> +<p>In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte op, groot en +statig. +</p> +<p>Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel, alsof ze aan +het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze veronderstelde, dat ze zich dan +even weinig op haar gemak zou gevoeld hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der +wenkbrauwen keek mevrouw van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea +erg benauwend vond. +</p> +<p>Toen met een handgebaar naar een der stoelen: +<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> +<p>„<span class="corr" id="xd33e791" title="Bron: Neem">Neemt</span> u plaats.” +</p> +<p>Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles, de deftige +omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht en de stilte rondom haar +en als in een droom hoorde ze vragen: +</p> +<p>„Heeft u een goede reis gehad?” +</p> +<p>Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven. +</p> +<p>„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem klonk haar als +die van een vreemde in de ooren. +</p> +<p>„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer aanbevolen, daarom +heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien en gesproken te hebben.” +</p> +<p>De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen. +</p> +<p>Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van Gendringen bleef +zwijgen, haar steeds aankijkend. +</p> +<p>„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes. +</p> +<p>„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig jaar was, dat +is u immers?” +</p> +<p>Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel, alsof ze inkromp, +ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein tenger persoontje te zijn, als +nu. +</p> +<p>„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend. +</p> +<p>„U ziet er <span class="corr" id="xd33e808" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> jong uit, jonger nog, dan u is. <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>Ik vond negentien al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen +van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te wagen.” +</p> +<p>Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg. +</p> +<p>Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede familie, als haar +toekomstige meesteres. +</p> +<p>Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen recht aan. +</p> +<p>Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een mooi kopje, dat +was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter en bleek binnenkwam. Het was +een intelligent gezichtje ook, misschien zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was +eerst werkelijk geschrokken van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige +gouvernante harer kinderen. +</p> +<p>„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste van hopen. +Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar, Constance, de oudste, is +nog al een lastig kind, maar Armand, mijn zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste +dochters zijn de leerkamer ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige +gouvernante heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar, +zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.” +</p> +<p>Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo verlegen meer +en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de kinderen te hooren, die voortaan +aan haar leiding zouden zijn toevertrouwd. <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>„Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dan kan +ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u zich zeker wel even verfrisschen voor het +diner.” +</p> +<p>Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij haar te brengen. +</p> +<p>„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook wel met hem +ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er trotsch bij. +</p> +<p>Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen. +</p> +<p>Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van blonde krullen, +een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk volkomen, dat zijn moeder trotsch +op hem was. +</p> +<p>Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang<span id="xd33e829">,</span> meisje, blijkbaar te veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager +gezichtje had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit eenigszins +schuw naar de nieuwe juffrouw. +</p> +<p>„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand. Constance, houd +je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd worden. U zult zeker wel streng +op haar houding letten, nietwaar juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.” +</p> +<p>Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden met haar. +</p> +<p>Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe. +<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> +<p>„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?” zei ze vriendelijk. +</p> +<p>Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van Gendringen. +</p> +<p>„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er haar voor straffen +zult,” zei ze koel. +</p> +<p>Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon, dien deze nog +niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en liefde: +</p> +<p>„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden. Niet waar lieveling, +hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.” +</p> +<p>Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje, goed op te passen. +</p> +<p>Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan. +</p> +<p>„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea. +</p> +<p>„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw gaat zich +nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner weer. U eet met de kinderen +om twee uur.” +</p> +<p>Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te brengen. +</p> +<p>„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich daarna tot haar +zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea verliet de kamer, na nog eens +vriendelijk tegen Constance geknikt te hebben, die haar verwonderd aankeek en niet +terugknikte. +<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3687">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Vijfde Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Vijfde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Kennismaking.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div> +<p class="first">hea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit den koffer halen, +hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden. Verder zou ze maar niet gaan, +ze wilde het overige graag eens op haar gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor +had, bijvoorbeeld vanavond, als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes +in de daarvoor bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens, +hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee uur eten. Wacht, +daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende naar den greenwichtijd, dus +was het hier nu net twee uur. +</p> +<p>Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn. +</p> +<p>Thea verliet haar kamer en ging een trap af. +</p> +<p>Waar zou ze moeten wezen? +<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> +<p>Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze er ooit wennen? +</p> +<p>Gelukkig, daar zag ze een bediende. +</p> +<p>„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar openend. +</p> +<p>Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer, ze zag ten +minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond. In het midden der kamer +was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er rond, maar van kinderen zag ze geen spoor. +</p> +<p>Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door Constance. +</p> +<p>Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op haar gemak +scheen te zijn, als zij. +</p> +<p>Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk: +</p> +<p>„Laten we aan tafel gaan, kinderen.” +</p> +<p>Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te binden. Constance +zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter zijde opnemend. +</p> +<p>Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi, vroolijk gezichtje +en Constance met haar onverschilligen mond en onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea +ook nu weer een soort medelijden met haar, dat kind was niet gelukkig. +</p> +<p>De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd. +</p> +<p>Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten, zonder iets te +zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw nieuwsgierig aan. +<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p> +<p>Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet. +</p> +<p>Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets te zeggen, +vroeg ze aan Constance: +</p> +<p>„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons eten we om +half zes.” +</p> +<p>Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand: +</p> +<p>„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om half zeven.” +</p> +<p>Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg Thea: +</p> +<p>„Je hebt nog twee zusters, niet waar?” +</p> +<p>„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u en Bella is +nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker, hè?” +</p> +<p>Thea begon te lachen. +</p> +<p>„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel graag.” +</p> +<p>Armand keek haar eens aan. +</p> +<p>„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij. +</p> +<p>„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.” +</p> +<p>Het mooie kindergezichtje betrok. +</p> +<p>„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou houden, zoo zag +u er net uit.” +</p> +<p>Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel ernstig te +kijken. +</p> +<p>„Dan heb je je vergist.” +</p> +<p>Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!” +</p> +<p>Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>een grappig familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich tot +Constance. +</p> +<p>„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?” +</p> +<p>Constance antwoordde onverschillig: „Neen.” +</p> +<p>„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je nooit een flink +meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het misschien beter gaan,” en Thea trachtte +met haar hand onder de kin van het meisje, haar hoofd wat op te lichten. +</p> +<p>Ruw duwde Constance die hand terug. +</p> +<p>Thea kreeg een kleur. +</p> +<p>„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei. +</p> +<p>Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea uitdagend aan. +</p> +<p>„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u dadelijk zeggen, streng +tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u kunt zoo streng tegen me zijn, als u +wilt, het kan me niets schelen, heelemaal niets.” +</p> +<p>Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien. +</p> +<p>„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de vorige juffrouw +had ze altijd straf en ze gaf er niets om.” +</p> +<p>Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd, maar Thea keek +niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n blijkbaar genoegen, zijn zusje +aanklaagde. +<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> +<p>„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal zelf wel zien, +hoe ze is.” +</p> +<p>Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo toegesproken te +worden. +</p> +<p>Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek dadelijk weer voor +zich. +</p> +<p>Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig over hem dacht, +ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van straks te verklaren. +</p> +<p>„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt Mama altijd. +Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.” +</p> +<p>Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar broertje toe: +</p> +<p>„Zwijg over Papa.” +</p> +<p>Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen. +</p> +<p>„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van hem vertellen, +als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook wel.” +</p> +<p>Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar nieuwsgierigheid deed +haar vragen: +</p> +<p>„Wat bedoel je toch, Armand?” +</p> +<p>„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van Stans.” +</p> +<p>„Och kom, je praat onzin, kind.” +</p> +<p>„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die hadden geen +Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had geen Ma meer en toen trouwden +Maatje en Paatje en toen kochten ze <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>samen mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.” +</p> +<p>Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind, nooit een eigen +moeder gekend en nu ook haar vader verloren. Stiefmoeders kunnen soms innig lief en +goed zijn, maar zooveel had Thea al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen +haar eigen zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets +vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het was of ze +niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich. +</p> +<p>Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan. +</p> +<p>„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens. +</p> +<p>„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen trouwden, werd jou +mama de moeder van Constance.” +</p> +<p>Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht. +</p> +<p>„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij houden als van +Armand.” +</p> +<p>„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.” +</p> +<p>Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd. +</p> +<p>„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.” +</p> +<p>Toen eensklaps van het onderwerp afstappend: +</p> +<p>„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?” +<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p> +<p>„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.” +</p> +<p>„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het eten en lette +heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en toen moest ze lekker weg, +ze was niks aardig, weet u.” +</p> +<p>Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een heldendaad verteld +had. +</p> +<p>Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend, maar zoo met +zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij dingen zei en deed, die +alles behalve lief waren. +</p> +<p>Ze zuchtte eens. +</p> +<p>Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide kinderen zouden +moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog zoo weinig ervaring. +</p> +<p>„Mogen we opstaan?” vroeg Armand. +</p> +<p>Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu. +</p> +<p>„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde. +</p> +<p>„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?” +</p> +<p>Thea aarzelde. +</p> +<p>„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze. +</p> +<p>„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het beter was, af +te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de dagverdeeling wel eens veranderd hebben, +je was er nooit zeker van, wat Mama in haar hoofd kreeg. +<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>„Constance,” zei Thea. +</p> +<p>„Wat is er, juffrouw?” +</p> +<p>„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.” +</p> +<p>„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.….” maar eensklaps hield ze op, +de deur was geopend en mevrouw van Gendringen trad binnen, gevolgd door hare dochters. +</p> +<p>Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche gezicht, maar +Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van uiterlijk. Ze had vroolijke +bruine oogen en een lachend mondje met mooie, witte tanden. +</p> +<p>„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,” zei Mevrouw. +</p> +<p>Thea boog. +</p> +<p>Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven? +</p> +<p>Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit, maar trok die +haastig terug, met een blik op haar moeder. +</p> +<p>Constance had dit ook opgemerkt en mompelde: +</p> +<p>„Bella is ook bang voor Mama.” +</p> +<p>„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u dagelijks +na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet wandelen in het <span lang="fr">Bois de la Cambre</span>, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet waar Armand, beste, je weet den weg wel?” +</p> +<p>„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?” +<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p> +<p>„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.” +</p> +<p>„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?” +</p> +<p>Bella trok een komisch gezichtje. +</p> +<p>„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je wakker blijft +en.…” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en de even opgetrokken wenkbrauwen +schenen haar te waarschuwen, niet door te gaan. +</p> +<p>„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort, niettegenstaande je +achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen indruk van je krijgen.” +</p> +<p>Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een snoesje en Gerardine +een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze meening voor zich. +</p> +<p>„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de kinderen wandelen. +Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance een half uur handwerken, terwijl +Armand viool studeert. Daarna moet Constance een uur piano studeeren en mag Armand +doen, wat hij graag wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna +wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar bed.” +</p> +<p>„Beiden te gelijk, mevrouw?” +</p> +<p>„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?” +</p> +<p>„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is.…” +</p> +<p>„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen beslist. „Daarna +kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis natuurlijk. De <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me dus verplichten den avond verder +op uw kamer door te brengen, dan is u in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten +hebben. Ik zal u vóór morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan +wel aan houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de kamer, +gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders rug een knipoogje aan +Constance gaf en haar een kushand toezond. +</p> +<p>Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een kushand terug +gaf. +</p> +<p>Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit. +</p> +<p>Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus. +</p> +<p>Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen, begon ze te +schreien. +</p> +<p>„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend. +</p> +<p>Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek haar boos +aan en zei: +</p> +<p>„Waarom kust u Stans en mij niet?” +</p> +<p>Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus. +</p> +<p>„Ben je jaloersch?” plaagde ze. +</p> +<p>Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een minachtend trekje. +</p> +<p>„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!” +</p> +<p>Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>dat ze hem beknorren moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, +maar hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op zijn zusje +te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had eigenlijk ook al te lang gewacht +en zei dus maar, dat zij zich klaar moesten maken voor de wandeling. +</p> +<p>Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde omgeving en +de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan los. +</p> +<p>Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het toch met een +zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer ging, na de kinderen goeden +nacht gezegd te hebben. +</p> +<p>Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na over alles, wat +ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij aan haar thuis en aan al de dierbaren, +die ze daar had achtergelaten. +</p> +<p>Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van bewust was, +lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken. +</p> +<p>Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere oogen keek door +de reet. +</p> +<p>Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar Thea toe, een +handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg: +</p> +<p>„Heeft u ook verdriet, juf?” +</p> +<p>Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere kijkers, die ook vochtig +waren. +<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p> +<p>Ze trok het kind op schoot en kuste het. +</p> +<p>„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.” +</p> +<p>„Huilt u, omdat u van huis bent?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Heeft u een pa en een ma thuis?” +</p> +<p>„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.” +</p> +<p>Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.” +</p> +<p>Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar goed een levend +wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde. +</p> +<p>Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind <span class="corr" id="xd33e1036" title="Bron: op eens">opeens</span> zei: +</p> +<p>„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw pa terug gaan, +mijn paatje komt nooit weerom.” +</p> +<p>Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden uitgesproken. +</p> +<p>„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,” dacht ze. +</p> +<p>Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden. +</p> +<p>„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker instoppen, dan ga je +rustig slapen.” +</p> +<p>„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma en de zusters +zijn uit dineeren,” voegde ze er bij. +</p> +<p>Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>overvallen konden worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze +zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug anders te +handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over haar hart verkrijgen, +haar zoo weg te sturen. +</p> +<p>„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een oogenblikje in dat +stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal het naast den haard zetten. Zit +je zoo lekker?” +</p> +<p>„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op. +</p> +<p>Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen kwam, was een +trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje. +</p> +<p>„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk eens Constance, +hoe heerlijk, wil je een stukje?” +</p> +<p>„Als ’t u blieft. Dank u wel.” +</p> +<p>Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd tot tijd een +zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten verlaten. +</p> +<p>Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid. +</p> +<p>Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje, slaperig begonnen +te staan. +</p> +<p>„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.” +</p> +<p>Gewillig stond het kind op en greep haar hand. +</p> +<p>„Stopt u me dan eens lekker in?” +<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> +<p>„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een puntje van je +neus te zien is. Ga maar gauw mee.” +</p> +<p>Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe. +</p> +<p>„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij altijd.” +</p> +<div class="figure o068width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3700">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Zesde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Zesde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-o.png" alt="O" width="161" height="138"></div> +<p class="first">p raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen. +</p> +<p>Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te storten, zei +tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea, laat ik je een goeden raad +geven, leg een dagboek aan. Je hebt in Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk +praten kunt en ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.” +</p> +<p>„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader kent me, hij +weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren voor mij zal houden, om hen +geen verdriet te doen en het ontvangen van mijne brieven tot een genoegen voor hen +te maken. Hij trok mij dus naar zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield +was, zei hij met zijn lieve stem: +<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> +<p>„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat in haar omgaat. +Heb ik geen gelijk?” +</p> +<p>Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen opgewekte brieven +te schrijven. +</p> +<p>„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en begin een dagboek, +waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt kunt neerschrijven. Je zult eens +zien, dat de dingen, wanneer je ze in een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus +meer rekenschap van geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek +nooit aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.” +</p> +<p>Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte gevoelde, mijn +hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier ben, weet ik, dat Vader gelijk +heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader +later alles laten lezen, als ik weer bij hem ben. +</p> +<p>Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls ’s nachts +niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral naar hem, mijn besten vriend, +mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief +gezicht, waarop zooveel lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, +waaruit zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me troostte, +als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen was, die me sterkte als +ik zwak was en met me juichte, als ik blij was. +</p> +<p>Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet niemand, dan ik alleen, +een held, dien ik <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>bewonder om zijn geduld in lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig +liefheb. +</p> +<p>Zou ik meer van Vader dan van Moes houden? +</p> +<p>Och neen, alleen maar anders. +</p> +<p>Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het huishouden, zonder +haar zouden wij het veel slechter gehad hebben, neen, ik houd evenveel van Moeder, +maar, zooals ik zei, anders. Met Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt +me niet zoo goed als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den +materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet, opgewekt bent +en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel andere eischen stelt. Vader +heeft graag dat je tracht, je geest te verrijken, door het lezen en bespreken van +mooie, ernstige boeken, door goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de +beslommeringen van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft +en toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen genade voor +alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader eigenlijk strenger dan Moeder en +toch.… als ik iets gedaan had, dat niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, +dan aan Moeder kunnen bekennen. +</p> +<p>Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar vergelijk bij +de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom, dan kom ik daar geheel van +terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik +mevrouw van Gendringen heb leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is. +<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> +<p>Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is, Armand misschien +uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van hare kinderen tot hare bedienden, +vliegen op haar wenken, ik geloof niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn. +</p> +<p>Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind wist te maken, +dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van haar uitgaat. Maar als ik +eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen +te bang voor haar. Armand zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, +dien zij oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters houden, +tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet, die moeten net zoo goed +naar hare pijpen dansen, als de andere huisgenooten. +</p> +<p>Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde voor gevoelt. +En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde! +</p> +<p>Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel, dat ik haar goed +kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar treurig kinderleven. Veel kan ik +ook al niet voor haar doen, want mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, +die hare kinderen maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en +ze heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf. +</p> +<p>Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar zoontje behandelt. +Wat dat kind <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>doet, is goed gedaan, zij ziet in hem een ideaal, een engel in kindergedaante, en +ik zie in hem.… een zeer bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht +ventje, dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder hem toedraagt. +Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind bedrogen. +</p> +<p>Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke aardige maniertjes. +Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert kennen, hij is meestal lief tegen +mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje +is, steeds er op uit, of hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren +en dat hij haar dan vertellen kan. +</p> +<p>En daarin stijft zijn moeder hem! +</p> +<p>Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met hand en tand +tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles vertelt, zoodoende blijft ze +op de hoogte van de kleinste zaken, die er in de leerkamer voorvallen. +</p> +<p>Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer, daar ik al gemerkt +heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid neemt. In navolging van zijne moeder, +houdt hij niet van Conny en plaagt haar, waar hij kan. +</p> +<p>En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk! +</p> +<p>Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten <span class="corr" id="xd33e1114" title="Bron: te te">te</span> vrijwaren. Armand had met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het +gedaan had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed stuurde, omdat +ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de ruit gebroken had, kon ik haar +niet onschuldig laten straffen en raapte ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde +meesteres des huizes te gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak. +</p> +<p>Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze me heel beleefd, +maar als altijd op een afstand. +</p> +<p>„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?” +</p> +<p>Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor het breken van +die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet gedaan had. +</p> +<p>Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler. +</p> +<p>„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk haar misnoegen +te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij beslist had, durfde bemoeien. +</p> +<p>„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje van Conny, +dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed. +</p> +<p>Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken. +</p> +<p>„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna den moed benamen. +Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou vinden, als ik het kind onschuldig +liet straffen en met vaster stem dan daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk +<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>niet, mevrouw, ik zag de ruit breken en Constance deed het niet.” +</p> +<p>Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over mijn lafheid, +maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo groot, zoo imposant, zoo koud, +en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze: +</p> +<p>„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie dan wel de schuldige +is.” +</p> +<p>Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik Armand zou noemen +en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat waagde. +</p> +<p>Ik kleurde en zei zacht: +</p> +<p>„Het was Armand.” +</p> +<p>Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als aanklaagster. +</p> +<p>„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.” +</p> +<p>Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl Armand vrij +rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken van een ruit, aan leugen +en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die zich over mij schamen zou, als ik mijn +plicht zoo verzaakte. Ik voelde, dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid +beschermen moest, maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn onoprechtheid +op de hoogte bracht. +</p> +<p>Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik staan en hield +vol. +</p> +<p>„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>ik zag hem den bal er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens +onderzoekt.” +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen ging zitten. +</p> +<p>„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat Constance de +ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt, dat hij het gedaan heeft +en opdat u in zult zien, dat u zich vergist moet hebben, zal ik hem hier laten komen, +dan kunt u uit zijn eigen mond hooren, dat Constance de schuldige is.” +</p> +<p>Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen. +</p> +<p>Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met een lachend +gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag staan. +</p> +<p>„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend, „lieveling, vertel +nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.” +</p> +<p>Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat. +</p> +<p>Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.” +</p> +<p>Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen: +</p> +<p>„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.” +</p> +<p>Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes grif geloofd +werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij verlegen. +</p> +<p>„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig. +</p> +<p>„U hoort het,” zei zijn moeder. +</p> +<p>Maar ik wilde het niet opgeven. +</p> +<p>„Heb jij dat gezien?” vroeg ik. +<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.” +</p> +<p>„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.” +</p> +<p>„Met je bal?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?” +</p> +<p>„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.” +</p> +<p>Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen. +</p> +<p>„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee dagen geleden haar +bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee raakte, toen u door de gang liep +en dat u hem weggesloten hebt.” +</p> +<p>Dat kon mevrouw niet ontkennen. +</p> +<p>„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer van.” +</p> +<p>Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van verlegenheid, +daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide zich schreeuwend op me en +begon me met zijne kleine vuisten te slaan. +</p> +<p>„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch mensch!” +</p> +<p>Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe. +</p> +<p>„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.” +</p> +<p>Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren en te troosten. +<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> +<p>„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik. +</p> +<p>Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds voorspelde, zei ze: +</p> +<p>„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.” +</p> +<p>Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik niet, hoe ik durfde +evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei ik: +</p> +<p>„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed gaat, of wilt +u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.” +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond. +</p> +<p>Vernietigend keek ze me aan en beet me toe: +</p> +<p>„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel, hoe ik mijne +kinderen moet opvoeden.” +</p> +<p>Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat ik Conny de +goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel voldaan. +</p> +<p>Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed ging, zijn moeder +heeft hem verder bij zich gehouden. +</p> +<p>Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik denk, dat ze +er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind heeft mij mijn inmenging +niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik gewoon ben, nog eens kwam instoppen, +weerde hij me af met de woorden: Gaat u maar naar Stans. +<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3713">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Zevende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Zevende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een moeielijke taak.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">en volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de kinderkamer. Ze hoorde +gestommel en geschreeuw, als van vechtende kinderen en uit bed springend, schoot ze +haastig hare pantoffels aan en liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes +over den grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend. +</p> +<p>„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk uitscheiden met vechten.” +</p> +<p>Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en trok er uit +alle macht aan. +</p> +<p>Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige kind en poogde +het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen. +</p> +<p>„Laat los,” gebood ze. +<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> +<p>„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze plaagt me.” +</p> +<p>Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken, keek Thea +naar de deur. +</p> +<p>Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in zijn bloot been +geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea maakte van de gelegenheid gebruik +om hen te scheiden. +</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw van Gendringen +vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door het spectakel, dat de kinderen +maakten, wakker geworden en zond haar nu om te onderzoeken, wat er de oorzaak van +was. +</p> +<p>Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen waren aan +het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd. +</p> +<p>De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen bedaren. +</p> +<p>„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is nog erger, of +je twee straatjongens bent.” +</p> +<p>„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige, valsche kind, +maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat zien.” +</p> +<p>„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die gemeene jongen, +hij wou niet loslaten.” +</p> +<p>Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren. +</p> +<p>„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>het vechten bent gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander +te beschuldigen. +</p> +<p>„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker wist, dat ik +jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.” +</p> +<p>Thea keek Constance ernstig aan. +</p> +<p>„Waarom zei je dat?” vroeg ze. +</p> +<p>Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng aankeek en stotterde: +</p> +<p>„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen van Armand uitgekomen +was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.” +</p> +<p>Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te zijn, omdat +haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven omstandigheden was het zoo heel natuurlijk. +</p> +<p>„Is ze nou niet valsch!” riep Armand. +</p> +<p>Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand en toch moest +ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht hebben in een andermans leed. +</p> +<p>„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo onedelmoedig was. Men +moet een verslagen vijand niet plagen, dat is niet mooi.” +</p> +<p>Constance begon te huilen. +</p> +<p>„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik kreeg anders +altijd de schuld.” +</p> +<p>„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand te verwijten, +wat er gisteren gebeurd <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>is. Jij bent gerechtvaardigd en dat moet je genoeg zijn.” +</p> +<p>„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance. +</p> +<p>„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem voor zoo oprecht +hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al erg genoeg voor hem, laat hem +nu verder met rust.” +</p> +<p>Dat was voor den verwenden jongen te veel. +</p> +<p>Hij werd nog rooder en zei stampvoetend: +</p> +<p>„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks, Ma houdt nog +net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,” en huilende wierp hij zich +op den grond, driftig van zich af schoppend en aldoor roepend, dat het zijn moeder +niets schelen kon en dat ze hem nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij +heel goed voelde, zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet +meer zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel dadelijk +vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan had. +</p> +<p>Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje, dat de kinderen +altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer ging, om haar eigen toilet +te maken. +</p> +<p>Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij zelve had ook +geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook beter, zich wat teruggetrokken +te houden, de kinderen moesten merken, dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten +was. +<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> +<p>Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een knorrig gezicht +zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend, wat zijn kindergezichtje zoo +grappig stond, dat deze moeite had niet te lachen. Ze hield zich echter goed en deed +alsof ze niets merkte van de ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was. +</p> +<p>Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat haar lieve +juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze had graag een poging tot +verzoening gedaan, maar durfde niet goed, bang, afgewezen te worden en dat zou meer +zijn, dan ze op het oogenblik verdragen kon. +</p> +<p>Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres de juffrouw +liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve moest zoo lang bij de +kinderen blijven. +</p> +<p>Thea stond dadelijk op. +</p> +<p>Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek naar de kinderen, +of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende oogen van Armand. +</p> +<p>Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een oogenblik stil. +</p> +<p>Wat klopte haar hart! +</p> +<p>Ze sloot hare oogen en slikte eens. +</p> +<p>Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen, natuurlijk zou +de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen, dat ze de orde op de kinderkamer +niet wist te bewaren en toch, wat had ze er aan kunnen doen. +<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> +<p>Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo tegen op te +zien. +</p> +<p>Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje, wanneer ze bij +de directrice ontboden was en wist een flink standje te krijgen. +</p> +<p>Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het standje verdiend +had en dat de directrice recht had, haar onder handen te nemen. +</p> +<p>En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had en daarenboven, +als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte, had ze altijd een gevoel, alsof +haar dat vernederde. +</p> +<p>Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir. +</p> +<p>„Binnen.” +</p> +<p>Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in tegenwoordigheid +van de meesteres des huizes. +</p> +<p>Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel. +</p> +<p>Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was. +</p> +<p>Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van Gendringen meestal +aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer indruk te maken, zei ze: +</p> +<p>„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.” +</p> +<p>Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze veronderstelde, dat het +kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen gehinderd had. +<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> +<p>Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend. +</p> +<p>„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben hevig geschrokken +van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij doordrongen en mijn kamenier vertelde +mij, dat ze de kinderen over den grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. +Was dat de waarheid of niet?” +</p> +<p>Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden. Ze voelde +ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er aan kunnen doen, ze +waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam. +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge oogen, ze had wel +onder den grond willen kruipen. +</p> +<p>„En u stond daarbij en zag toe?” +</p> +<p>„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun schreeuwen wakker +geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was. Toen ik bij hen kwam, lag Armand +boven op Constance en rukte aan haar vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar +hij wilde niet loslaten.” +</p> +<p>„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen ophouden, nietwaar?” +</p> +<p>Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch! +</p> +<p>En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen. +</p> +<p>„Nu, is u dat niet met me eens?” +</p> +<p>Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>lippen, die ze tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze: +</p> +<p>„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo driftig, als hij +eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede te doen verstaan.” +</p> +<p>„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op. „Constance was zeker +heelemaal zonder schuld.” +</p> +<p>„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar.…” +</p> +<p>„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen geen kwaad doen. +Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw goeden blik op het kinderkarakter, +dat u zoo denkt. Armand is een goed kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, +terwijl Constance een ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng +genoeg kan worden tegengegaan.” +</p> +<p>„U vergist zich werkelijk.…” +</p> +<p>„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons onderwerp van gesprek +terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op maken, dat u <span class="corr" id="xd33e1297" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> in uw plichten is te kort geschoten en dat ik hoop, dat het niet meer gebeuren zal. +Ofschoon u heel jong is, heb ik u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, +de opvoeding van mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen +waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers zien, maar laat +zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer kunnen vergeven.” +</p> +<p>Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>gebogen hoofd en knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir. +</p> +<p>Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag en leunde tegen +de omlijsting. +</p> +<p>Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om het niet uit +te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester te worden. +</p> +<p>O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van Gendringen gesproken +had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade. +</p> +<p>En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden! +</p> +<p>Ze voelde zich zoo ellendig vernederd. +</p> +<p>Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat ze liever wegging? +</p> +<p>Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden ze daar thuis +wel van zeggen? +</p> +<p>Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had nog zooveel +nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat moest ze nog terug betalen +uit hare verdiensten en Nico, voor wiens schoolgeld ze beloofd had te zorgen! +</p> +<p>Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg, dan zou ze +het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking niet opgeven. En ze zou +haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen te beantwoorden. Een beetje had mevrouw +wel gelijk, alleen behoefde ze het haar niet op zoo’n toon te zeggen. +<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> +<p>Ze <span class="ex">had</span> niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke moeielijke karakters, +en Armand voelde zich sterk tegenover haar door de protectie van zijn moeder. +</p> +<p>Maar komaan, ze gaf den moed niet op! +</p> +<p>Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde zich weer naar +de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag afkomen. +</p> +<p>„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat ken ik, dat +is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van aan, Armand is een ondeugende +rakker. Om dien te kunnen regeeren is een dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante +en niet zoo’n aardig popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar +dat beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te vinden, waardoor +ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend verwijderde Isabella zich en Thea +ging, een beetje getroost, weer naar de leerkamer. +</p> +<p>Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat niet voor +niets gezegd hebben. +</p> +<p>In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar nieuwsgierig opnamen. +</p> +<p>Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het een, noch het +ander kon ze op het oogenblik verdragen. +</p> +<p>„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.” +</p> +<p>Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>aan, waarin ze maar één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar +had opgegeven<span id="xd33e1333">.</span> +</p> +<p>Thea keek boos. +</p> +<p>„Is dat alles?” vroeg ze. +</p> +<p>„Ja juffrouw.” +</p> +<p>„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je schijnt liever gespeeld +te hebben, goed, dan maak je die oefening <span class="corr" id="xd33e1341" title="Bron: van avond">vanavond</span> in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.” +</p> +<p>Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was dat haar lieve +jufje? +</p> +<p>Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht weer naast +Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van Armand, waarin hij een +som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij poppetjes geteekend had. +</p> +<p>Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen te maken, +door het zelf uit te schateren. +</p> +<p>Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was. +</p> +<p>„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch niet was.” +</p> +<p>Thea keek hem strak aan. +</p> +<p>„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som in je vrijen +tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit versje van buiten leeren. Pas +op, als je het straks niet kent.” +</p> +<p>Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit zoo. +</p> +<p>Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>op en zei toen tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best +hooren kon: +</p> +<p>„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad heeft.” +</p> +<p>„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea, of die gehoord +had, wat haar broertje zei. +</p> +<p>Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen. Armand had +die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze hooren zou. Zou het nu beter +zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te hebben, of moest ze er op terug komen en +Armand de ongepastheid er van onder het oog brengen<span class="corr" id="xd33e1361" title="Bron: .">?</span> Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat ze haar gehinderd hadden. +</p> +<p>Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was daarenboven zoo moe, +zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik niet in staat was, een woordenstrijd +met het kind te beginnen. +</p> +<p>En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen oogenblikje +hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te zetten, vóór de kinderen +naar bed waren. +</p> +<p>Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van haar strenger +optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar lieve jufje boos op haar was. +Daar gaf Armand minder om, maar hij was toch niet zoo druk als anders. +</p> +<p>Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>verzoenen. Ze was opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van +dien dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was, hij sprak +geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve vriendelijk aan. +</p> +<p>Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en van oordeel was, +dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd weer vriendelijk, tot groote +vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar hand greep, om die te zoenen. +</p> +<p>„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u dien gekregen?” +</p> +<p>Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar servet wat op +en antwoordde: +</p> +<p>„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een familiestuk. +De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze moet het dan later weer +aan <span class="ex">haar</span> oudste dochter geven, begrijp je? Nu had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen +oudste dochter was, en dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje +te geven, indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de reden, +waarom ik het altijd draag.” +</p> +<p>Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in dezelfde familie +was. +</p> +<p>Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg, of hij het +geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig: +</p> +<p>„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.” +<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> +<p>Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was en ze hare +gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon was, naar huis te schrijven, +maar ze had er niets geen lust in, ze was bang, dat men haar gedrukte stemming uit +haar brief zou kunnen lezen. Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn +en dat mocht heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje, +met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar Fransch examen. +Dat was trouwens geen onwaarheid. +</p> +<p>Ze schreef: +</p> +<blockquote> +<p class="first salute">Liefste Moeder en Vader, +</p> +<p>Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik vanavond nog Fransch +werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier met toestemming van mevrouw van Gendringen +een leeraar gezocht, om mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en +nu moet ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te kunnen profiteeren. +Ik maak het best en kan met de kinderen wel opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel +moeielijkheden voor zoo nu en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen +te worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog een groote +maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>geld naar huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en als ik +het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de gedachte aan mijn honorarium +mij wel op. Kijk nu maar niet zoo ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best +uit behoefte mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust tot +mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor, dat ik <span class="corr" id="xd33e1396" title="Bron: van avond">vanavond</span> nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte! +</p> +<p>Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie ik wat op tegen +de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar. Maar dan krijg ik heerlijke brieven, +niet waar, lange, lange brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over +u allen en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar. +</p> +<p>Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw voorbij en ik moet +gaan studeeren. +</p> +<p>Vele, vele kussen voor allen van +</p> +<p class="signed">Uwe Thea. +</p> +<p>Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu misschien, dat +ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo over verlangen naar huis schrijf, +maar u moet er maar niet op letten, ik ben wat moe <span class="corr" id="xd33e1406" title="Bron: van avond">vanavond</span> en het weer is zoo slecht, de wind giert om het huis en de regen <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>klettert tegen de ramen. Dat heeft wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen +ben ik weer heel opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe, +maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel begrijpen, hoe ik +het meen. Dag schatten.</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den geheelen dag +had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet meer. +</p> +<p>Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten. +</p> +<p>Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer minder gedrukt +en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen. +</p> +<p>Maar nu was ze doodop. +</p> +<p>Van werken kon <span class="corr" id="xd33e1418" title="Bron: van avond">vanavond</span> niets meer komen, ze zat te knikkebollen over hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, +morgen hoopte ze weer flink genoeg te zijn, om hare taak te hervatten. +</p> +<div class="figure o094width"><img src="images/o094.png" alt="" width="106" height="54"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3726">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Achtste Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Achtste Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De verdwenen armband.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-h.png" alt="H" width="160" height="143"></div> +<p class="first">oe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij den slaap kon +vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende merkte ze niet, dat omstreeks +zeven uur in den morgen een kleine gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd +te hebben, dat zijn zusje nog gerust sliep. <span class="corr" id="xd33e1431" title="Bron: Zij">Hij</span> ging voorzichtig op <span class="corr" id="xd33e1434" title="Bron: hare">zijne</span> teenen loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was. +</p> +<p>Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel, waarop Thea ’s +avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en greep, angstig naar het slapende +meisje omkijkend, naar den armband. Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en +liet den bracelet vallen. +</p> +<p>Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>de voeten maken met het in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even +schuw naar Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig doorsliep. +Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit. +</p> +<p>Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld had. Hij was +ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en hem gezien had, wat had hij +dan moeten zeggen. +</p> +<p>Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan dacht juf, dat +ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het, wat hij wilde; hij had een +hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder had willen zwartmaken en blijkbaar meer +van die nare Stans hield, dan van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, +maar die was tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk tegen +zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen. +</p> +<p>Maar nu zou hij haar eens lekker plagen! +</p> +<p>Waar zou hij het braceletje laten? +</p> +<p>Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam niemand aan, +dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden lang vergeten in de kast +staan. +</p> +<p>Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog sliepen. +</p> +<p>Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de verbindingsdeur naar Stans, +luisterde, of hij ook iets hoorde in de kamer van juf en kroop daarna op <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>handen en voeten naar de speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte +het armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop van den +dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug weer in bed en trok de +dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud geworden en voelde zich niets pleizierig. +Hij wilde blij zijn, omdat hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje +rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich angstig en +heel niet op zijn gemak. +</p> +<p>Als het eens uitkwam! +</p> +<p>Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats terug te leggen, +misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu eigenlijk spijt, dat hij het +gedaan had, en reeds stak hij een been uit bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, +toen hij juf hoorde opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok. +</p> +<p>Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de gedachte, +dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had. +</p> +<p>Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te helpen met +aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde het meisje af, dat de hulp +van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw te bewegen, uit bed te komen. Schertsend +dreigde Thea haar met een natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje +stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur. +</p> +<p>Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>zoodat ze aan het ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom +ze gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1462" title="Bron: Op eens">Opeens</span> greep Thea naar haar pols. +</p> +<p>„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb mijn armband +vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.” +</p> +<p>Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de ontbijttafel af te +nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij elkaar. +</p> +<p>Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel interessants te zien, +ten minste hij had geen oog van de straat af. +</p> +<p>Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen vinden. +</p> +<p>„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op de tafel, dat +weet ik zeker.” +</p> +<p>„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de kamer op te +ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel geslierd had, maar hij ligt +niet op den grond, hij is echt nergens.” +</p> +<p>Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring deed en zei, +zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet verder gezocht hebben, +dan haar neusje lang was. +</p> +<p>„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij, „ik ben dadelijk +terug.” +</p> +<p>Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze bleef een heel +poosje weg en <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>Conny, die juf had willen verrassen door netjes aan de tafel te gaan zitten en tot +haar groote verbazing Armand daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was +bang, dat deze weg zou loopen. Maar hij was vanmorgen <span class="corr" id="xd33e1478" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> tam en zoo stil, dat Stans vroeg, of hij misschien ziek was. +</p> +<p>„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend. +</p> +<p>„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!” +</p> +<p>Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt gezicht. +</p> +<p>„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van. Jullie weet +er toch geen van beiden iets van?” +</p> +<p>„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een gekke vraag +deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te begrijpen, ze kon hem +onmogelijk verloren hebben, ze had hem gisterenavond nog afgelegd. +</p> +<p>„Weet u dat zeker?” vroeg Stans. +</p> +<p>„Ja zeker.…. ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.” +</p> +<p>Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond afgedaan had. +Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale handeling geworden was en gisteren +was ze zoo vervuld geweest van haar verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren +kon, of ze bij het uitkleeden den armband nog bezeten had. +</p> +<p>Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>gewoon was te zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de +gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch eigenlijk de +eenige mogelijkheid. +</p> +<p>Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben kon, maar dat +denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet gelooven. Annette was een eerlijk +meisje en een gouden armband stelen is geen kleinigheid. +</p> +<p>Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den tijd en het onderwijs +der kinderen mocht er niet onder lijden. +</p> +<p>Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het lukte haar niet +erg. Gelukkig waren de kinderen <span class="corr" id="xd33e1498" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> gezeggelijk en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald opgevallen +zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar niet over na. +</p> +<p>Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband terug te krijgen. +Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een advertentie zetten, een belooning +uitloven. Ze zou er alles voor over hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart +kromp ineen bij de gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder +niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo nonchalant was, +zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen. +</p> +<p>Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem, dat hij het verdriet +van de <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>juffrouw niet verergerde door lastig en ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst +in langen tijd, dat ze toch wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met +hem te kibbelen. +</p> +<p>Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer, ondervroeg +Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar niets gevonden en vroeg daarna +bij mevrouw van Gendringen belet, om haar van haar verlies op de hoogte te brengen +en haar te vragen, in welke bladen ze adverteeren zou. +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist, wanneer die +armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat nu mogelijk, om zich niet +te herinneren, of men ’s avonds zijn armband afdeed, of niet. +</p> +<p>Had ze soms verdenking op de bedienden? +</p> +<p>Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan Annette en dat +ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was. +</p> +<p>„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar ze in uw kamer +geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch in uw bijzijn ondervragen.” +</p> +<p>Ze schelde en beval Annette te roepen. +</p> +<p>Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig, daar ze wel +begreep, waarom ze geroepen werd. +</p> +<p>„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen een kostbaren +armband mist. Ze beweert <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>die gisterenavond afgedaan en op tafel gelegd te hebben.” +</p> +<p>„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.” +</p> +<p>„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met Annette spreek.” +</p> +<p>Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar zoo op haar plaats +te zetten, waar het meisje bij was. +</p> +<p>Kalm ging mevrouw van Gendringen voort: +</p> +<p>„Weet je iets van dien armband af, Annette?” +</p> +<p>Het meisje begon te schreien. +</p> +<p>„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze, „als mijn +moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd, dan zou …” +</p> +<p>„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand beschuldigt je van +diefstal”. +</p> +<p>„En u zegt het.” +</p> +<p>„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen, weet je iets van +dien armband af, ja of neen.” +</p> +<p>„Als ik nou toch.….” +</p> +<p>„Ja of neen.” +</p> +<p>„Mijn moeder zou.….” +</p> +<p>„Ja of neen, Annette.” +</p> +<p>In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze vergat, dat +ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen aan het komische <span class="corr" id="xd33e1535" title="Bron: tafreel">tafereel</span>, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw van Gendringen, rechtop, kalm, streng +een volmaakt rechter van instructie en Annette zenuwachtig huilend, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>met haar schort voor hare oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde +stem van den rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen. +</p> +<p>Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van Gendringen had +het toch opgemerkt. +</p> +<p>Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar. +</p> +<p>„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het verlies van dien +armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet, waarom u er dan zoo’n drukte +over maakt.” +</p> +<p>Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze: +</p> +<p>„Ja of neen, Annette.” +</p> +<p>Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en antwoordde +nu: +</p> +<p>„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk meisje en.…” +</p> +<p>„Dus neen, goed, je kunt gaan.” +</p> +<p>„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf beschuldigt.…” +</p> +<p>„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in. +</p> +<p>„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje verliet de +kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend. +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea. +</p> +<p>„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden, juffrouw?” +</p> +<p>„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te beschuldigen, wanneer +het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn kamer geweest dan Annette.<span id="xd33e1557">”</span> +<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> +<p>„En die houdt u voor onschuldig?” +</p> +<p>„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.” +</p> +<p>„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw armband verloren +te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in die richting te werken. Ik zal +een paar advertenties voor u plaatsen in de meest gelezen bladen.” +</p> +<p>„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar. +</p> +<p>„Moet ik een belooning uitloven?” +</p> +<p>„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?” +</p> +<p>„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het bezit van uw armbandje +te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, +daar anders het onderwijs der kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen +eens een les komen bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven +de kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben, alleen moeten +ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n vacantietje mij van hun vorderingen +te komen overtuigen. Reken er dus op, overmorgen.” +</p> +<p>Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de gedachte aan haar +verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer Mevrouw de les zou komen bijwonen +en, daarvan was ze overtuigd, onbarmhartig kritiseeren. +<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3739">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Negende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Negende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first xd33e1574">Oudejaarsavond. +</p> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-v.png" alt="V" width="162" height="143"></div> +<p class="first">anavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan minder eenzaam +en verlaten. +</p> +<p>Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een <span class="corr" id="xd33e1580" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> gevoel, dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me ernstig +stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid bij mij opwekt. +</p> +<p>En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn dagboek en +de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik alle voor mij op tafel +gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die lieve gezichten en dat maakt, dat ik +me niet zoo eenzaam voel, want, wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens +op de wereld zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen, +zooals ik naar hen <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen zit? +</p> +<p>Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van Gendringen gegeven, +zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar ook kinderen van dien leeftijd +zijn. Ze worden echter om een uur of tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare +volwassen dochters oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat +ze mee mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo zelden +iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik thuis moest blijven, ze +had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was, tot groote verbazing van Armand, die +meer oprecht<span id="xd33e1589"></span> dan beminnelijk vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee +gevraagd. +</p> +<p>Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet wel, dat ik er +niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een wezen van een ander soort, +dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. +Zoo’n gezegde doet me pijn, al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe +men mij hier in huis beschouwt. +</p> +<p>Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de minste afwijking +van mijn plicht haalt me een berisping op den hals, waardoor ik me vernederd voel +en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe mijn best te voldoen, aan wat er van mij +verwacht wordt, dat is trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van +eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit gesproken, ik +heb <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de gedachte niet kunnen verdragen, +dat ik verplichting aan haar had. Ik wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij +quitte, zij betaalt dan de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs. +</p> +<p>Als mevrouw van Gendringen me maar wat <span class="corr" id="xd33e1598" title="Bron: sympatieker">sympathieker</span> was, zou ik me niet zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht +en ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht heb. Het kind +hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd lief is, ze heeft een slecht +humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat +ik haar bederf, misschien ben ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden +met haar en kan niet nalaten haar een beetje te vertroetelen. +</p> +<p>Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en innemend zijn, +maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb hem al meer dan eens op een +leugentje denken te betrappen, maar hij weet er zich altijd uit te redden en voelt +zich sterk tegenover mij, door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem +gelooven, haar overdreven liefde maakt haar blind. +</p> +<p>Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik werkelijk te jong +ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke moeielijke karakters te helpen vormen. +Ik doe mijn best, maar ben wel eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik +zie er niet meer zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk +moe, lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>zoo iets nooit naar huis, maar Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg +mij tenminste in zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve +te schrijven. +</p> +<p>Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven steeds zoo hartelijk, +tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje zendt mij van tijd tot tijd briefjes. +</p> +<p>Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben? +</p> +<p>Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde tafel in de +huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje met een rood gloeiend gezicht +van het bakken der oliebollen, Ita vol grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat +ze op mogen blijven en spelletjes doen. +</p> +<p>Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig met smullen. +Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de tafel vullen, wel mijn portret, +zooals ik de hunne voor mij gezet heb en zeker denken allen wel eens even aan hun +Thea. Ik weet zeker, dat ze hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat +is goed, want als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar +vergallen. +</p> +<p>Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets krijgt de slaap +niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en als ze weer terug komt, is +er iets ernstigs gekomen in de gesprekken, het middernachtuur nadert, de joligheid +van straks heeft plaats gemaakt voor een afwachten en luisteren, want ieder wil <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>graag de eerste zijn, die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen. +</p> +<p>Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem met tranen +in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de kinderen en allen voelen meer +dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en in ieders hart is het voornemen, het volgend +jaar zijn best te doen in alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht +er bij te kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb ik +een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht. +</p> +<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> +</p> +<p>Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben in tranen losgebarsten. +Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen en ontsteld vroeg Conny me, of ik +ziek was. Ik stelde haar gerust, ik verzekerde haar, dat het niets was en trachtte +vroolijk te informeeren, of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden +verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek mij van tijd +tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen haar te glimlachen, maar had +moeite mij goed te houden, ik was zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, +die ze bij me opgewekt had. +</p> +<p>Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van gezelligheid te denken, +dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben +nu veel kalmer en ga straks naar bed. Waarom zou ik nog langer opblijven? +<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p> +<p>Toch moet me nog één ding van het hart. +</p> +<p>Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te worden op de meisjes +hier? +</p> +<p>Nu, ik <span class="ex">ben</span> jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze jeugd, ik vond het onrechtvaardig, +dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, +hier werken moest voor mijn brood, hard werken zelfs. +</p> +<p>Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te helpen met +haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en ik haar dan moest helpen +optooien voor een of ander feestje en daarna in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer +terugkeeren en de kinderen bezighouden. +</p> +<p>Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes, dinertjes en bals, +vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje zijn en niet enkel onderwijzeres. +Ik zou mezelve zoo dol graag eens zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat +zou me ook wel goed staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. +Zou het erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk? +</p> +<p>Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was, zou ik dat ook +niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou zijn van bals en diners, maar +dan had ik dat alles niet zoo in mijn nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten +en was geen getuige van de triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, +mij zoo van tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die feestjes, +de mooie <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet op, met tegen mij te praten. Bella +is veel liever en eenvoudiger en denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het +een en ander te vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om jaloersch +op haar te zijn. +</p> +<p>Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat gevoel te +onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als ik me afvraag, zou ik +Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s moeder hebben, in plaats van mijne lieve +ouders, dan moet ik immers dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen. +</p> +<p>Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik niet eens met +haar zou willen ruilen! +</p> +<p>En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen.…. heelemaal vrij van jaloezie ben +ik nog niet. +</p> +<div class="figure o111width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3752">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Tiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Tiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De ontdekking.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div> +<p class="first">wee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die haar nog van +de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze zou naar huis gaan. Hoe +verlangde ze er naar, allen terug te zien! +</p> +<p>Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en haar bij tijden +zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide terugzien. +</p> +<p>Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis geschreven, ze had +niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat ze dat kostbare familiestuk verloren +had. Ze had steeds gehoopt, dat ze het vóór de vacantie op een of andere wijze terug +zou krijgen en hoewel die hoop nu nog maar zeer gering was, ja <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>eigenlijk niet meer bestond, kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. +En toch, het zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst vergallen, +dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich verheugd had, al van den eersten +dag af aan, dat ze in Brussel was. +</p> +<p>Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch wilde ze wachten +tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg en men kon toch nooit weten, +ze wilde alle hoop nog niet opgeven. +</p> +<p>Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een ieder beschouwde +het, als op straat verloren en geen der huisgenooten dacht er meer aan, zelfs Armand +vergat, dat hij zich voorgenomen had, het armbandje na een poosje weer terug te leggen, +waar hij het gevonden had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken. +</p> +<p>Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje nog altijd +onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot, als de gelegenheid zich +voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog veilig opgeborgen was. Hij zou het +nu wel willen terug geven, juf had verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu +het er op aan kwam, wist hij niet goed, hoe te handelen. +</p> +<p>Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht worden, hoe het +daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou kunnen komen, dat hij <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>de schuldige was. In lang had hij niet aan de zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten +hem eensklaps te plagen en kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor +hem zelf aan verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje +minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het voor hemzelf +veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst hartje liet hem meestal doen, +wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch wilde hij graag weten, of het braceletje +nog op zijn plaats lag en op een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance +zat en hij doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit +de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit te pakken +en naar het armbandje te zoeken. +</p> +<p>Daar lag het nog net als hij het verstopt had. +</p> +<p>Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer eigenaardig maaksel, +met een mooi bewerkt familiewapen als slot en Armand raakte zoo in de beschouwing +verdiept, dat hij niet merkte, dat Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen +zoeken, eensklaps achter hem stond. +</p> +<p>„Armand!” +</p> +<p>Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn hand. +</p> +<p>En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer naar het kind +en wist niet, wat ze er van denken moest. +</p> +<p>Een groote vreugde kwam over haar, daar was de <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>verloren gewaande schat, haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen +zien. +</p> +<p>Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig begon te lachen. +</p> +<p>Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan? +</p> +<p>Waar had hij het gevonden? +</p> +<p>Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd hij er uitzag. +Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat ineengedoken op den grond, geheel het +uiterlijk van een kind, dat iets heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad +betrapt wordt. +</p> +<p>In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door het hoofd, die +haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind indertijd het armbandje hebben weggenomen +en verstopt, zou dat mogelijk zijn? Maar waarom? +</p> +<p>Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers onzin. +</p> +<p>Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel van haar, +dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny tegenover hem verdedigde. +</p> +<p>Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken. +</p> +<p>Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te blijven en +hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze schijnbaar bedaard: +</p> +<p>„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?” +<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> +<p>Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan. +</p> +<p>„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger. +</p> +<p>Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er over na, hoe +zich uit die moeielijkheid te redden. +</p> +<p>Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer<span id="xd33e1691"></span> hoe driftiger. +</p> +<p>„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?” +</p> +<p>Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen. +</p> +<p>Hij keek Thea boos aan en zei: +</p> +<p>„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het immers terug.” +</p> +<p>Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig verdwijnen +van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen schuld had, had hij haar +immers eenvoudig geantwoord, waar hij het gevonden had. +</p> +<p>Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was. +</p> +<p>„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?” +</p> +<p>Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe te kijken. +</p> +<p>Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en gilde: +</p> +<p>„Ik heb het niet <span class="corr" id="xd33e1705" title="Bron: weg genomen">weggenomen</span>, dat is niet waar!” +</p> +<p>„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.” +</p> +<p>Na een oogenblik aarzelen zei het kind: +<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p> +<p>„Ik heb het gevonden.” +</p> +<p>„Waar?” +</p> +<p>„In de kast.” +</p> +<p>„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die kast opgeruimd.” +</p> +<p>„In een doos.” +</p> +<p>„In een doos? In welke?” +</p> +<p>„In die.” +</p> +<p>„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?” +</p> +<p>De jongen begon te huilen. +</p> +<p>„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf, om tegen Maatje +te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje gelooft er toch niets van!” +</p> +<p>Dat was te erg. +</p> +<p>Thea ziedde van drift. +</p> +<p>Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde nooit gedaan zou +hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen. +</p> +<p>Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen. +</p> +<p>Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de uitwerking van haar +drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven als een oordeel en wonder was het +niet, dat hun moeder, die juist thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar +ze de kinderen zoo hoorden aangaan. +</p> +<p>Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>vloog op haar af en hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen +had. +</p> +<p>„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?” +</p> +<p>Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om kinderen op +te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich door haar drift laten beheerschen. +</p> +<p>„Nu juffrouw, is dat waar?” +</p> +<p>Thea boog het hoofd en zei: +</p> +<p>„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat Armand mijn armband +gestolen had, dan.…<span id="xd33e1739">”</span> +</p> +<p>„Juffrouw!” +</p> +<p>„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!” +</p> +<p>„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen, ga dan de kamer +uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?” +</p> +<p>„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij.…<span id="xd33e1746">”</span> +</p> +<p>Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur. +</p> +<p>„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.” +</p> +<p>Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer. +</p> +<p>„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten motiveeren. U heeft +mijn zoon van niets minder<span id="xd33e1754"></span> dan van diefstal beschuldigd.” +</p> +<p>„Ik vond hem spelend met den armband.” +</p> +<p>„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan, Armand?” +<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p> +<p>Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot genomen. Ze streelde +zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren. +</p> +<p>„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand. +</p> +<p>„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde Thea te zeggen. +</p> +<p>„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u blieft. Vondt +je hem zoo maar los in de kast, ventje?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Maar mevrouw.…” +</p> +<p>„Wanneer Armand?” +</p> +<p>„Vanmorgen.” +</p> +<p>„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?” +</p> +<p>„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb weggenomen, wel Maatje?” +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan. +</p> +<p>„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je begrijpt wel, dat +het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets van je te moeten denken.” +</p> +<p>Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te huilen. +</p> +<p>„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?” +</p> +<p>Het kind huilde door. +</p> +<p>Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan. +</p> +<p>„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en zelfbeheersching. +Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die armband is <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of andere manier in de kast +terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is blijven liggen.” +</p> +<p>„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden opgeruimd en Armand +heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos<span id="xd33e1784"></span> gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij niet vanzelf +gerold zijn.” +</p> +<p>„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot zooiets in staat +zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent je en gelooft je.” +</p> +<p>„Dus gelooft u mij niet?” +</p> +<p>„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was, zou u zoo iets +niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het algemeen genomen is uw optreden +tegenover de kinderen taktloos. U bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel +durft, overtuigd van uw bescherming.” +</p> +<p>Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu wat te gaan +spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken. +</p> +<p>Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou worden, omtrent +het voorgevallene. +</p> +<p>„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon, maar met een +booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze gelegenheid gebruik maken, om u te +zeggen, dat u werkelijk ongeschikt is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. +U is <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>te jong, te onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng aangepakt +moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat een lief, gemakkelijk +te leiden karakter heeft.” +</p> +<p>Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar wegzonk: ze werd +haar betrekking opgezegd. +</p> +<p>Mevrouw van Gendringen vervolgde: +</p> +<p>„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante bij mijne +kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen, geeft den doorslag. U heeft +mijn zoontje geslagen en voor dief uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. +U kunt zich met Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang +zal ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo spoedig mogelijk +vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat +hij mishandeld wordt.” +</p> +<p>„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon. +</p> +<p>„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het kan niet anders. +U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen rekken, totdat u uwe ouders +van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen, maar Armand zal ik zoolang onder mijn +persoonlijke leiding houden. Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben +van plan haar naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op +haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.” +</p> +<p>In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>Haar invloed op Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was +zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het verdwijnen van den +armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster stond, werd ze smadelijk weggezonden. +</p> +<p>Het bloed steeg haar naar het hoofd. +</p> +<p>„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen, was haar meesteres +opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar haar om te zien. +</p> +<p>Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven gehoord had. +</p> +<p>Ze moest weg.… had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu wel niet zoo +heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd. +</p> +<p>Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou hen ook niet +verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze voor het eerst haar bijdrage +in de opvoeding der kinderen naar huis had kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare +brieven had ze toen van hare ouders gekregen. +</p> +<p>Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden, dat ze zich had +laten meesleepen door haar drift, die drift, waar moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd +had, en dat ze afgedankt was. +</p> +<p>Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel aannemen, kon ze +dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die, hoe men het ook nam, haar toch +allesbehalve mooi behandeld had. +<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> +<p>Ze moest er nog eens over denken. +</p> +<p>Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu? +</p> +<p>Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand, die te kort was +gekomen in zijn plicht. +</p> +<p>Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins, toen ze eensklaps +twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde zeggen: +</p> +<p>„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is nu al weer +voorbij.” +</p> +<p>„Voorbij, kind? Ik moet weg.” +</p> +<p>Van schrik liet Stans haar los. +</p> +<p>„Weg, moet u weg? Och neen!” +</p> +<p>„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.” +</p> +<p>„Voor goed?” +</p> +<p>„Ja, voor goed.” +</p> +<p>„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen. +</p> +<p>Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich tenminste bij iemand +bemind had weten te maken. +</p> +<p>Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend, begon ze het kind +te troosten. +</p> +<p>Maar Stans was ontroostbaar. +</p> +<p>„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.” +</p> +<p>„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig leventje je +nog eens krijgt.” +</p> +<p>Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal niet rooskleurig. +</p> +<p>„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze. +<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p> +<p>Thea beloofde het. +</p> +<p>Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten. +</p> +<p>„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze<span id="xd33e1841">,</span> „we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.” +</p> +<p>Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige dagen alleen met +haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea ging dien avond met een bezwaard +hart naar bed. +</p> +<p>Wat zou de toekomst brengen? +</p> +<div class="figure o125width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3766">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Elfde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Elfde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Naar huis.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a.png" alt="A" width="160" height="135"></div> +<p class="first">cht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou en ze dacht +aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had afgelegd, maar in omgekeerde richting. +</p> +<p>Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar weldra weer te +kunnen omhelzen. +</p> +<p>En Vader, Ita, Bets en de jongens! +</p> +<p>Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien, hunne stemmen +hooren.… ze zou thuis zijn. +</p> +<p>Weer thuis, wat een heerlijke gedachte! +</p> +<p>En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden zou ze dat +niet mogelijk geacht hebben, maar nu.… werkelijk, haar vreugde over haar wederkeeren +naar haar familie was niet onvermengd. Er was een bitter droppeltje in, een niet weg +te cijferen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>feit: ze verliet haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle moeilijkheden +liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar niet langer houden. +</p> +<p>Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken? +</p> +<p>Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze was hun toch +misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo goed over haar dacht. +</p> +<p>Had ze dit kunnen voorkomen? +</p> +<p>En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor oogen en had ze +berouw, dat ze zich door haar drift had laten meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan +en hem ook niet een dief mogen noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar +plagen, ze had moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch +geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het weggenomen met +het voornemen, het haar eens terug te geven. +</p> +<p>Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging te zijn gekomen, +dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem altijd gehouden had, tenminste, +Bella had haar gister bij het afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool +zou gaan. +</p> +<p>„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde opvoeding, die +de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had ze er lachend bijgevoegd, „en +ze wil het nu niet meer met een nieuwe gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt +Mama het beter voor hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.” +<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> +<p>„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd, waarop Bella +geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw moeten komen, om zich buiten +de schooluren met hem te bemoeien. Op den duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, +dat het haar die laatste week al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten +letten. Ook geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen +wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor haar eenig zoontje, +hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo streng geweest, dat ik nooit begrepen +heb, hoe ze voor hem zoo verblind kon zijn.” +</p> +<p>Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw van Gendringen +blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig had en dus erkende, dat het +kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof, die zou het op kostschool allicht aangenamer +hebben, dan thuis, en voor haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn. +</p> +<p>Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking had. Ze zou +dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen, iets in de stad van haar +inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte, wat zou dat heerlijk zijn! +</p> +<p>Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis. +</p> +<p>Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem verloren zou hebben. +<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> +<p>Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook iemand zag. +</p> +<p>Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze hartelijk. +</p> +<p>Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had gezien en een oogenblik +later kusten de zusjes elkaar, zooals ze misschien nog nooit gedaan hadden. +</p> +<p>„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij was. +</p> +<p>„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als altijd en +de kinderen maken het uitstekend.” +</p> +<p>„En jij?” +</p> +<p>„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.” +</p> +<p>„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.” +</p> +<p>„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren wangen, kunnen +niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit door afwezigheid van kleur +en verdere schoonheid.” +</p> +<p>Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan hare oprechte, +donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne donkere wenkbrauwen er boven. +Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog magerder geworden, in den tijd, dat ze haar +niet gezien had. +</p> +<p>Toen ze in de tram zaten, zei Ita: +</p> +<p>„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je daar niet genoeg +te eten?” +<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> +<p>Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad. +</p> +<p>Toen fluisterde ze: +</p> +<p>„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?” +</p> +<p>„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van <span class="corr" id="xd33e1902" title="Bron: opaan">op aan</span>.” +</p> +<p>„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.” +</p> +<p>Ita deed kwasi onverschillig. +</p> +<p>„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er lang blijven +zou.” +</p> +<p>„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?” +</p> +<p>„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.” +</p> +<p>„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te schrijven.” +</p> +<p>„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er niet prettig, +dat voel ik.” +</p> +<p>„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te lezen. O, Iet, +als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd heb,” en Thea’s oogen vulden +zich met tranen. +</p> +<p>Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan huilen? +</p> +<p>„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze. +</p> +<p>Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af. +</p> +<p>Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>haar, ging tegenover haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd: +</p> +<p>„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?” +</p> +<p>Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een betrekking was geweest, +ze had haar nog niet lang geleden geschreven, dat ze met Paschen thuis hoopte te komen +voor de vacantie. Natuurlijk was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien. +</p> +<p>„Ja, zie je”, zei ze<span id="xd33e1925">,</span> „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom weer thuis.” +</p> +<p>„Weer thuis? voor goed?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.” +</p> +<p>Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van haar, ofschoon +ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief beantwoord had. Ze had geen lust, +haar een uitleg van de zaak te geven en wist niet goed, wat nu te zeggen. +</p> +<p>Ita kwam haar te hulp. +</p> +<p>„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het was een drukke +betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een poosje thuis kwam.” +</p> +<p>Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder jokken, want ze +<span class="ex">was</span> niet goed in den laatsten tijd en ze <span class="ex">had</span> het vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand, bij wijze +van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren, waardoor het gesprek een +andere wending kreeg. +<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p> +<p>Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een handdruk met Marie +gewisseld te hebben en een paar minuten later waren ze in de Columbusstraat. +</p> +<p>Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat omsloegen. +</p> +<p>Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar snoetje omhoog, +om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt wilde worden, daarna wat langzamer +Jan, die het met een stevigen handdruk afdeed. +</p> +<p>„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk. +</p> +<p>Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en overwoog druk met +Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten. +</p> +<p>Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar negentien jaren, +vloog naar haar toe. +</p> +<p>„Moesje!” +</p> +<p>„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo naar je.” +</p> +<p>Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als vanouds naast de +rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en voelde zich voor het eerst na vele +maanden recht gelukkig. +</p> +<p>„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader. +</p> +<p>„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver weg.” +</p> +<p>„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op het punt gestaan, +je te schrijven, maar <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>liever terug te komen, maar Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf +moesten overlaten.” +</p> +<p>„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid uit hare oogen +en zacht zei ze: +</p> +<p>„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?” +</p> +<p>„Neen kindje, dat niet.” +</p> +<p>„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.” +</p> +<p>„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen over.” +</p> +<p>„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan had.” +</p> +<p>„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed, dat je maar +weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.” +</p> +<p>„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten opknappen. Zeg +nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar school, dan drinken wij gezellig +met ons drietjes koffie, we hebben op je gewacht.” +</p> +<p>De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een teleurgesteld +gezicht op te merken: +</p> +<p>„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?” +</p> +<p>„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!” +</p> +<p>Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het kind maakte +een luchtsprong. +</p> +<p>„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!” +<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> +<p>„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes, dat ik wat uit +Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal, verheugd door het vooruitzicht, +wat uit die vreemde stad te zullen krijgen. +</p> +<p>Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te doen gebruiken, +maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast niets naar binnen kon krijgen. +</p> +<p>„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit. Waarom eet je +niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd, omdat je daar veel van houdt.” +</p> +<p>Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst was meer, +dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in den laatsten tijd geweest +was. +</p> +<p>„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd. +</p> +<p>„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze. +</p> +<p>„Boos?” +</p> +<p>„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even erg.” +</p> +<p>Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een beetje onhandig +hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend: +</p> +<p>„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik begrijpen wel, +dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een volgend maal beter, eerst <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>struikelen en vallen en daarna stevig blijven staan.” +</p> +<p>„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.” +</p> +<p>„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken trek niet onderdrukken +kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven was, „dat komt terecht. Vooreerst +heb je nog je honorarium, dat je pas gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed +verloren, al verloren, je zult zien, alles komt best terecht.” +</p> +<p>Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan. +</p> +<p>„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door haar tranen, +„maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw beginnen en dan trachten het er +beter af te brengen.” +</p> +<p>„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons zitten en vertel +ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader. +</p> +<p>Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met Armand, dan met +Constance. +</p> +<p>„Hè Vader, waarom?” +</p> +<p>„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere meisjes komt, +maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te kraken hebben, voor hij is, zooals +hij worden moet. Het is heel verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het +huis uit te sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.” +</p> +<p>„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is van die geschiedenis +met mijn armbandje,” antwoordde Thea. +<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> +<p>Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand grijpend, zei ze met +een zucht van voldoening: +</p> +<p>„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.” +</p> +<div class="figure o137width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3779">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Twaalfde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Twaalfde Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Jan’s rapport.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">e volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was haar soms, alsof +ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen daarin, dat ze Nico geen les +behoefde te geven en dus meer tijd had, om zich aan haar vader te wijden en voor haar +Fransch te studeeren. Ook hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de +tijd vlug genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het wist. +</p> +<p>’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking aangeboden werd, +die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had ze op een advertentie geschreven, +ook had ze zelf geadverteerd, maar beide zonder resultaat, geen enkele brief was er +op gekomen. +</p> +<p>Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen. +<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> +<p>Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van school krijgen +en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te gemoet gezien. Vader hechtte +zoo heel veel aan die rapporten; zijn dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, +dat hij wat tobberig van aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. +Hij wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun weg door +het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, dat hij hun ontvallen +zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf te zorgen. Ieder jaar was er dus +één en de gedachte dat de kinderen op school zouden blijven zitten en zoodoende een +jaar achter komen, maakte hem zenuwachtig en angstig. +</p> +<p>Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel vinden, maar +Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo geweest; twee onvoldoenden, +hij was er van geschrokken, maar Ita had hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit +eerste rapport niet zoo heel veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar +kwam het op aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn financiën +te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s avonds. Maar juist door +dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet heel gemakkelijk leerde, het was, alsof +hij zijn aandacht niet bij de dingen houden kon. +</p> +<p>En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een oplossing, die wel +degelijk blijk gaf <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>van goede hersenen. Jan was overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch +in de hoogste mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere Burgerschool +gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om den cursus te kunnen volgen, +was hij altijd vol gekheid, een zeer geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, +maar een goed leerling was hij niet. +</p> +<p>Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed op de hoogte, +zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, het Paaschrapport zou het +uitmaken. +</p> +<p>Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea hem vroeg, +wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats: +</p> +<p>„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar Jan?” +</p> +<p>„Best mogelijk,” bromde Jan. +</p> +<p>„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, dat zijne +haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij vandaag krijgen zou. +Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet veel goeds. Wij krijgen ons rapport +morgen.” +</p> +<p>Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek naar Jan en +zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat Vader niet met hen samen +ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als Jan’s rapport slecht was, zouden ze het +altijd nog bijtijds hooren. +<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> +<p>„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je rapport nog al goed +zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt<span class="corr" id="xd33e2036" title="Bron: .">?</span>” +</p> +<p>Jan duwde haar ruw weg. +</p> +<p>„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij. +</p> +<p>„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei Ita. +</p> +<p>„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan. +</p> +<p>„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den leeraar in de +wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een hekel aan en toen wilden +ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik en heeft de gewoonte, altijd dadelijk +te gaan zitten. Nu hebben een paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel +gelegd en toen hij er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was +Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd hadden, voor goed +in ongenade.” +</p> +<p>Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en het verschrikte +gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze: +</p> +<p>„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?” +</p> +<p>„Jan en Willem.” +</p> +<p>„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi vind ik die soort +grappen toch niet.” +</p> +<p>„’t Is een lamme vent,” bromde Jan. +</p> +<p>„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>jullie niet al te vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog +al eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.” +</p> +<p>„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een standje geven, maar +je niet voor den gek houden.” +</p> +<p>„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.” +</p> +<p>„Dat vind ik nu weer flink van je.” +</p> +<p>„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de schuld van, daar +heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal niet aan meegedaan had, moest +ik wel zeggen, dat ik het was.” +</p> +<p>„En Willem?” +</p> +<p>„Nou, die zei het toen ook.” +</p> +<p>„En toen?” +</p> +<p>„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.” +</p> +<p>„En weet Vader daarvan?” +</p> +<p>„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het land over gehad +hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er voor gekregen, uit was het.” +</p> +<p>„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis was?” +</p> +<p>„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.” +</p> +<p>Thea zette een bedenkelijk gezicht. +</p> +<p>„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>Vader zooveel mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele geschiedenis +voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet van.” +</p> +<p>Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet. +</p> +<p>„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij hem de kamer +uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij Nico altijd zoover mee. +</p> +<p>Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en haar mantel +aantrekkend, zei ze: +</p> +<p>„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal brengen. Jan +keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem zoo zenuwachtig maakt, als +een slecht rapport van Jan.” +</p> +<p>„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?” +</p> +<p>„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.” +</p> +<p>Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder terug, die +ondertusschen haar man had helpen opstaan. +</p> +<p>De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en Thea waagde +het niet, over het<span id="xd33e2084"></span> dien dag te verwachte rapport te beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het +juist vandaag kreeg, Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun +opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>kwam, zou het tijd genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee. +</p> +<p>Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan maar niet al +te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita thuis en vroeg dadelijk, of +Jan er al was. +</p> +<p>„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?” +</p> +<p>„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!” +</p> +<p>Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen. +</p> +<p>„Is Jan niet bij je?” +</p> +<p>„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.” +</p> +<p>„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga maar naar binnen, +ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of ze Jan ook zag aankomen. Eerst +zag ze niemand in de heele straat, dan een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze +hem den hoek omslaan en met zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag +er heel bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog gewoonlijk meer +dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er tegenop zag, thuis te komen. +</p> +<p>Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi onverschillig +toe. +</p> +<p>Thea maakte een gebaar van ongeduld. +</p> +<p>„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe. +</p> +<p>„Waarom,” zei Jan, naderkomend. +</p> +<p>Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk: +<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p> +<p>„Is het slecht?” +</p> +<p>„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend. +</p> +<p>„Hoeveel onvoldoenden?” +</p> +<p>„Vijf.” +</p> +<p>„Maar Jan!” +</p> +<p>Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte ongeduldig +op den grond. +</p> +<p>Thea zuchtte diep en zei: +</p> +<p>„Ga nu maar naar binnen.” +</p> +<p>Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, zeggend: +</p> +<p>„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, Thea in niet +geringe verlegenheid achterlatend. +</p> +<p>Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en van achteren +en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met die slechte tijding naar +binnen te gaan. +</p> +<p>„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem<span id="xd33e2117">,</span> „kom je geen koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?” +</p> +<p>Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden ging ze naar +de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve Bets, die overbleef op +school en Jan. +</p> +<p>„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader informeerde, waar +Jan bleef, was die nog niet thuis? +</p> +<p>Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde: +<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> +<p>„Jawel Vader, hij is thuis.” +</p> +<p>„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?” +</p> +<p>„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet binnenkomt. Hier +is zijn rapport.” +</p> +<p>„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de enveloppe, +die Thea nog steeds vasthield. +</p> +<p>„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder en boog zich +over haar man, om met hem samen het rapport te lezen. +</p> +<p>Deze vouwde het open en werd bleek. +</p> +<p>„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die aanmerking van den +directeur onderaan.” +</p> +<p>„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw. +</p> +<p>„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?” +</p> +<p>Haar vader las voor: +</p> +<p>„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag en zijn onoplettendheid. +Ik geef u in overweging, of zijn omgang met Willem Meyer wel goed voor hem is.” +</p> +<p>Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar hadt je het +al, die streek van de klappers had het hem gedaan. +</p> +<p>Nu verhief zich Nico’s stem. +</p> +<p>„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.” +</p> +<p>„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. Deze vond het +interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet wist. +</p> +<p>„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>toen vuurwerk er onder gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.” +</p> +<p>Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, moest Ita lachen. +</p> +<p>„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.” +</p> +<p>Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren. +</p> +<p>„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je blieft, wat weet +je er van.” +</p> +<p>Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen had medegedeeld. +Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op gelet had, dat Nico in de kamer +was, toen ze Thea die geschiedenis vertelde. +</p> +<p>„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de kinderen, Vader.” +</p> +<p>Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan zelf wel spreken, +ze moest hem maar halen. +</p> +<p>Ita had er niet veel lust in. +</p> +<p>„Toe, ga jij, Thea,” zei ze. +</p> +<p>„Waarom ik?” +</p> +<p>„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik maar niet aan +die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw beneden hebben.” +</p> +<p>Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor hem. +</p> +<p>„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>al naar de deur, bang, dat Vader zich driftig zou maken. +</p> +<p>Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde aan den knop. +</p> +<p>„Doe open, Jan.” +</p> +<p>Geen antwoord. +</p> +<p>„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.” +</p> +<p>Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot omdraaien. +</p> +<p>Thea trad binnen. +</p> +<p>Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde: +</p> +<p>„Wat zeggen ze er van?” +</p> +<p>Thea sloeg haar arm om zijne schouders. +</p> +<p>„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en dan die aanmerking +van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht oppassen, Jan<span class="corr" id="xd33e2174" title="Bron: .">?</span>” +</p> +<p>Haar broer haalde zijne schouders op. +</p> +<p>„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel na.” +</p> +<p>„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.” +</p> +<p>„Laat me maar liever hier.” +</p> +<p>„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en geagiteerd en je +weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk een standje, maar dat heb je +verdiend, hè?” +</p> +<p>„Als ’t maar enkel een standje was.” +</p> +<p>„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn ziekte. Je +hebt hem al verdriet genoeg gedaan.” +<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> +<p>Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar beneden. +</p> +<p>Hij voelde zich ellendig. +</p> +<p>Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij wist, hoe Vader +zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd leuke dingen en dan was het +hem te machtig, dan moest hij meedoen. Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij +hoefde daarom minder voor zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. +Maar hij wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en toch +vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret. +</p> +<p>Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen. +</p> +<p>Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg. +</p> +<p>„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader. +</p> +<p>Jan ging een paar passen vooruit. +</p> +<p>„Hoe vin’ je dat rapport?” +</p> +<div class="figure p152width"><img src="images/p152.jpg" alt="„Hoe vin’ je dat rapport?”" width="546" height="720"><p class="figureHead">„Hoe vin’ je dat rapport?”</p> +<p class="first">(Bladz. 150)</p> +</div><p> +</p> +<p>Jan zweeg. +</p> +<p>„Antwoord me.” +</p> +<p>„Slecht.” +</p> +<p>„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is geen rapport om +mee over te gaan, wel?” +</p> +<p>Jan trok zijn schouders op. +</p> +<p>„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, Jan, wat geef +je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een verdriet.” +</p> +<p>Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet verdragen. Willem’s +vader was driftig, die <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>gaf hem misschien een flink pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker +wist, dat Vader er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten. +</p> +<p>Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen van zijn leeftijd +mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij had er veel voor over gehad, +hier niet zoo te moeten staan. +</p> +<p>„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen. +</p> +<p>„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van overwegenden invloed.” +</p> +<p>„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een enkele onvoldoende +heeft, gaat hij nog wel over.” +</p> +<p>„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan ik hem geen +privaatles laten geven, dat is te kostbaar.” +</p> +<p>„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde voorthelpen. +Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.” +</p> +<p>Haar vader drukte haar hand. +</p> +<p>„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?” +</p> +<p>„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet vergeten, dat ik +gemakkelijker leer, dan Jan.” +</p> +<p>Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, zoo’n echt goed +kind. +</p> +<p>Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij: +<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> +<p>„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van de schande +van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?” +</p> +<p>Jan beloofde het. +</p> +<p>Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan. +</p> +<p>„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte geworden.” +</p> +<p>Jan kreeg een kleur. +</p> +<p>„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.” +</p> +<p>„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, nietwaar? Dan +eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang met Willem Meijer afbreekt.” +</p> +<p>Jan keek ontsteld op. +</p> +<p>„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.” +</p> +<p>„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet niet, dat je +me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je Willem loopen.” +</p> +<p>Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de nagels diep in zijne +handpalmen, om zich goed te houden. +</p> +<p>„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, maar dit mag u +niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij gaan altijd samen naar school, +ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het +niet.” +</p> +<p>„En als ik dat nu bepaald wil?” +<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p> +<p>Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden uit. Zijne +oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne neer. +</p> +<p>„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, zelfs in één +afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.” +</p> +<p>„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van Welderen in, terwijl +Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico trachtte te bedaren, die bitter huilde, +omdat iedereen zoo boos was, zooals hij zei. +</p> +<p>„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te plaatsen. Hij waarschuwt +me zelf voor Jan’s omgang met Willem.” +</p> +<p>Zich toen weer tot Jan wendend: +</p> +<p>„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult hebben, geef +me je woord, dat je me zult gehoorzamen.” +</p> +<p>Een oogenblik stond Jan <span class="corr" id="xd33e2250" title="Bron: bewegenloos">bewegingloos</span>, toen keerde hij zich om en rende de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar +hij eenige oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en +met zijne oogen knippend. +</p> +<p>„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.” +</p> +<p>Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was. +</p> +<p>„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe. +</p> +<p>„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.” +</p> +<p>„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.” +<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> +<p>Nu barstte Jan los. +</p> +<p>„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed vinden, omdat +Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, hem zieker te maken. Als +Vader een gewone, sterke man was, dan kon je zooiets volhouden, maar nu zal ik wel +weer moeten toegeven, omdat ik hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, +het is afschuwelijk.” +</p> +<p>Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten. +</p> +<p>„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van de wereld, +dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat weet je zelf ook wel.” +</p> +<p>„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik er niet over +denken, Willem te laten loopen.” +</p> +<p>„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.” +</p> +<p>„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat niet, Moes?” +</p> +<p>Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, dat hij nog +te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, dat hij uit liefde en bezorgdheid +voor zijn vader zijn verzet brak, in plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig +zoo voelde, bewees, dat hij een goeden aard had. +</p> +<p>„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?” +</p> +<p>Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>die van hem gevraagd werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, +het kwam niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij het +kunnen volhouden? +</p> +<p>„Als ik maar kan, Moes.” +</p> +<p>„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook wel wat verdiend, +vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je heel slecht hebt opgepast.” +</p> +<p>„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens zal zijn, Willem +zal me zeker uitlachen.” +</p> +<p>Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te doen, wat zijn +vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de andere jongens. +</p> +<p>„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met hem en dan zal +hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. Als hij je dan nog uitlacht, +is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, +het is ook maar tot de groote vacantie.” +</p> +<p>„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?” +</p> +<p>„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. Ga nu mee +naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.” +</p> +<p>Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij voelde, dat hij +niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte brengen. +</p> +<p>„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.” +</p> +<p>Zijn vader drukte hem stevig de hand. +<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> +<p>„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog terecht te brengen.” +</p> +<p>Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder. +</p> +<p>„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een kus. +</p> +<p>Nico keek een beetje verbaasd. +</p> +<p>„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei hij, met zijn +hoog stemmetje. +</p> +<p>Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning het hardst +van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, lachte maar mee, ofschoon +hij niet wist waarom. +</p> +<div class="figure o156width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3792">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Dertiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Dertiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Thea krijgt een nieuwe betrekking.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">ien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde klasse ziek was geworden +en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af hadden gehad. +</p> +<p>„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd kijkend dat men zou +denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was gevallen. +</p> +<p>„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei Ita lachend. +</p> +<p>„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea. +</p> +<p>„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op. +</p> +<p>Maar Moes nam Bets’ partij. +</p> +<p>„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best op school, haar +rapport is wat goed dezen keer.” +<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p> +<p>Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar humeur te +geraken, keek weer vroolijk. +</p> +<p>„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico op. +</p> +<p>Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms zoo plotseling +van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om Nico’s gezegde lachen moest. +</p> +<p>Bets werd verlegen. +</p> +<p>Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand vloog. +</p> +<p>Nico stompte dadelijk terug. +</p> +<p>„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten aan tafel?” +</p> +<p>Bets kreeg een kleur. +</p> +<p>„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze. +</p> +<p>„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in. +</p> +<p>„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.” +</p> +<p>Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico nog even gestompt, +maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel gestuurd worden, dus zat er niets +anders op, dan zich stil te houden. +</p> +<p>„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader. +</p> +<p>Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat met zijn eten +te knoeien, hij zag er neerslachtig uit. +</p> +<p>„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>voortaan goed je best te doen en laat het verleden voorbij zijn.” +</p> +<p>„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je te groot wordt +en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt en dat het dan beter <span class="ex">moet</span> zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij het gebeurde wel wat al te gauw vergeten +zou. Ze kende dat van Jan, eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet +over de resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude leventje +weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag. +</p> +<p>Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken. +</p> +<p>„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die altijd zoo met haar +keel sukkelt?” +</p> +<p>„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt is en dat ze +misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik hoorde het van onze juffrouw.” +</p> +<p>Weer verzonk Thea in gepeins. +</p> +<p>„Ik ga er eens heen,” zei ze toen. +</p> +<p>„Waarheen?” vroeg Vader. +</p> +<p>„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij haar op school +was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw +Jansen na de vacantie niet terug kan komen.” +</p> +<p>Moeder knikte haar vriendelijk toe. +</p> +<p>„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n korten tijd +herstellen en al nam ze <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>je maar voor een poosje, dan was dat toch al iets.” +</p> +<p>Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de gedachte, dat Thea +in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan, waar ze eens leerling geweest was. +</p> +<p>Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek. +</p> +<p>„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon. +</p> +<p>„Ja, vin’ je het soms niet goed?” +</p> +<p>„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor, je eigen zuster, +juffrouw op je eigen school!” +</p> +<p>Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets had opgewekt. +</p> +<p>„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze. +</p> +<p>„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik heelemaal niet weten, +wat ik doen moest.” +</p> +<p>„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven, stel je voor +je eigen zus voor de klasse, wat eenig!” +</p> +<p>Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds zijn bord +met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van den tafel getrokken te +worden. +</p> +<p>Bets keek bedenkelijk. +</p> +<p>„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan vertelde ze misschien +alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou je danken.” +<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p> +<p>Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten luisteren, nam nu het +woord. +</p> +<p>„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt gelijk, dat als +Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op school, Moeder en ik daar heel +boos over zouden zijn, maar je zoudt niet stout durven zijn en ook niet willen, als +Thea je onderwijzeres was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, +en je net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat je veel +bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en Vader gaf Thea een knipoogje. +</p> +<p>Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze haar toekomstig +prestige op school niet verloor en ze was er nog niet eens en zou er misschien nooit +komen. +</p> +<p>Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar zouden zijn. +</p> +<p>„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je maar aan en +dan durf je niks,” zei hij. +</p> +<p>„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en toen zei meneer, +toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk +niet zeggen en toen zei meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, +wat voor aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens pret +hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over meneer en toen +moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.” +<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> +<p>„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten laat. Willen we +nu maar eens opstaan?” +</p> +<p>„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik juffrouw Lettinga +dan wel thuis.” +</p> +<p>„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te laat.” +</p> +<p>Thea maakte zich dus klaar en vertrok. +</p> +<p>Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze liefst dadelijk +gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den heelen avond aan moeten denken +en er misschien niet van kunnen slapen, ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, +wat was er nu aan, om eens met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar +hart onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde. +</p> +<p>„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de deur opende. +</p> +<p>Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze zich in gezelschap +van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar twaalfde jaar bezocht had. +</p> +<p>„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik dacht, dat je in +Brussel in betrekking was.” +</p> +<p>Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk vertellen, +waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote kans, dat juffrouw Lettinga +haar niet zou willen hebben. +<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p> +<p>Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort: +</p> +<p>„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met Bets niet in +orde?” +</p> +<p>„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.” +</p> +<p>„Voor jezelve?” +</p> +<p>„Ja juffrouw.” +</p> +<p>Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde, ze wist toch, +dat ze een paar examens gedaan had en les gaf. +</p> +<p>„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend. +</p> +<p>Thea raapte haar moed samen. +</p> +<p>„Ja ziet u, ik hoorde <span class="corr" id="xd33e2397" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.” +</p> +<p>„Dat is zoo. En?” +</p> +<p>„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u misschien tijdelijk +iemand noodig had.… of voor vast.… u mij misschien zou kunnen gebruiken.” +</p> +<p>Oef, het was er uit. +</p> +<p>Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar bril. +</p> +<p>„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei. +</p> +<p>Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw was, om iets +te zeggen, of te vragen. +</p> +<p>Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen. +</p> +<p>„Hoe oud ben je?” vroeg ze. +<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> +<p>„Bijna twintig.” +</p> +<p>„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.” +</p> +<p>En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze er toch maar +uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits, dan zou ze veel gemakkelijker +een betrekking vinden. +</p> +<p>„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik studeer voor +Fransch.” +</p> +<p>„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd in Brussel +geweest?” +</p> +<p>Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel geweest, dat was +waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had ze daar niet gehad. Enfin, ze +had er in ieder geval wel wat geleerd. +</p> +<p>„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?” +</p> +<p>Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden? +</p> +<p>„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden moeielijke karakters.” +</p> +<p>„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?” +</p> +<p>„Neen, gouvernante.” +</p> +<p>„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?” +</p> +<p>Thea moest bekennen van niet. +</p> +<p>Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer waarschijnlijk +zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs zou mogen geven, maar ze +wilde haar, over wie ze altijd tevreden was <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze haar betrekking +weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een tijdelijke onderwijzeres noodig hebben +en dat wel dadelijk na de Paaschvacantie. +</p> +<p>Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te doen, ze had +haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke leerling. Ze geloofde wel, dat +ze een energiek persoontje was, maar haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar +ze les zou moeten geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij +waren er grooter dan zij zelf. +</p> +<p>„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen af, „zoo heel +graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat ik geld verdien,” voegde +ze er kleurend bij. +</p> +<p>Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van Welderen gesteld +was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar met haar wagen, misschien viel +het mee, ze zou haar wel wat steunen in den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze +voorloopig geholpen en deed ze meteen een goed werk. +</p> +<p>„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren. Het is misschien +maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor langer zal zijn, zoo’n keelquestie +geneest zoo gauw niet, te meer daar juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de +zaak daardoor veel verergerd is.” +</p> +<p>Thea’s hart klopte wild van vreugde. +<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> +<p>„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.” +</p> +<p>„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje verwaarloosd in +den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen, die zich te onlekker voelde, +om flink op te treden. Ik dacht er een oogenblik over, je een lagere klasse te geven +en de onderwijzeres daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo +iets stoort toch altijd den gang van het onderwijs.<span id="xd33e2439">”</span> +</p> +<p>„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea. +</p> +<p>Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach. +</p> +<p>„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen zijn het goede +kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je moet oppassen. Je weet, het salaris +is zeshonderd gulden, omdat je een taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.” +</p> +<p>Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat het was. +</p> +<p>Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze. +</p> +<p>„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze. +</p> +<p>„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als juffrouw Jansen soms +niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor vast nemen, als ik u beviel?” +</p> +<p>„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen van onderwijzerspersoneel. +Het komt er maar op aan, of je voldoen kunt.” +<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> +<p>Thea stond op. +</p> +<p>„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand grijpend, „ik dank +u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel gaan, het <span class="ex">moet</span> gaan.” +</p> +<p>Lachend schudde de juffrouw haar hand. +</p> +<p>„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je moet in de vacantie +nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en ander, ik ga alleen de feestdagen +uit de stad. Dat is dus afgesproken, groet je ouders van me en tot ziens.” +</p> +<p>Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze rende letterlijk +en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had. +</p> +<p>Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals. +</p> +<p>„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!” +</p> +<p>„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat ben je toch +een gelukskind.” +</p> +<p>Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws mededeelde. +</p> +<p>„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de juffrouw dacht +wel voor langer en misschien wel voor altijd, als juffrouw Jansen niet terug kan komen.” +</p> +<p>Haar vader lachte om haar enthousiasme. +</p> +<p>„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te vast in je hoofd, +want dan eindigt het maar in een teleurstelling. Daarenboven is het voor het <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>meisje zelf te hopen, dat ze terug kan komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan +denken.” +</p> +<p>„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les gegeven hebt bij +juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat anders. Stel je voor, <span class="corr" id="xd33e2474" title="Bron: zes honderd">zeshonderd</span> gulden te verdienen en bij u thuis te kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.” +</p> +<p>„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook niet vooruit +weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent, juffrouw Lettinga zei zelf, dat +het een lastige klasse was, je zult het dus niet heel gemakkelijk hebben.” +</p> +<p>„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een rooskleurigen bril +zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te worden, niet waar Vader?” +</p> +<p>Deze trok haar naar zich toe en kuste haar. +</p> +<p>„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed <span class="ex">moet</span> gaan, dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.” +</p> +<p>Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek. +</p> +<p>„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet waarachtig, of +het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten regeeren.” +</p> +<p>Thea lachte maar. +</p> +<p>„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve meisjes bij +waren.” +</p> +<p>„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat meisjes haast nog +erger zijn dan jongens. <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>Je mag wel beginnen met ze dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.<span id="xd33e2494">”</span> +</p> +<p>„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om raad, is dat goed?” +en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een scheef gezicht deed trekken. +</p> +<div class="figure o169width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3805">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Veertiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Veertiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een vacantiedag.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-o.png" alt="O" width="161" height="138"></div> +<p class="first">p een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de ontbijttafel, waarin +een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had, haar vroeg, dien dag bij haar in +Rotterdam te komen, waar ze op een doorreis naar het Noorden van het land, één dag +dacht te vertoeven, om enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk +en was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar vriendin nooit +had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden onmogelijk langer dan één dag +van haar reis afnemen en zou dus geen tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag. +</p> +<p>Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei: +<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> +<p>„Neen, dat gaat niet.” +</p> +<p>„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?” +</p> +<p>Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over. +</p> +<p>„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet gaan.” +</p> +<p>Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande? +</p> +<p>Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang, hunne vroolijke +stemmen drongen door in de huiskamer. +</p> +<p>Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei: +</p> +<p>„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een dagje van huis, +niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?” +</p> +<p>Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze antwoordde dadelijk: +</p> +<p>„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?” +</p> +<p>„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief door. +</p> +<p>„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn, die goede vriendin +van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?” +</p> +<p>„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te laten, ik durf het +niet goed.” +</p> +<p>Thea keek een beetje beleedigd. +</p> +<p>„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al een heel mensch.” +<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> +<p>„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de kleintjes plaagt +en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te scheiden en daarenboven zullen ze +veel te druk zijn voor Vader.” +</p> +<p>Haar man greep haar hand en zei lachend: +</p> +<p>„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte kan en me dunkt, +al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor ze maar eens.” +</p> +<p>Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later stormde Bets naar +binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar schort vasthield. +</p> +<p>„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.” +</p> +<p>Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van het harde loopen. +</p> +<p>„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze. +</p> +<p>„Welk kraantje?” +</p> +<p>„In de gang.” +</p> +<p>Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug. +</p> +<p>„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is ondergeloopen.” +</p> +<p>Moeder was ondertusschen ook gaan kijken. +</p> +<p>„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.” +</p> +<p>Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht. +<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p> +<p>„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in de gang open?” +</p> +<p>Bets begon te huilen. +</p> +<p>„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg Nico met zijn +hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er bij kwam en het dus niet +dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en nu bent u boos op mij.” +</p> +<p>Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde beschuldigd had en wendde +zich nu tot Nico. +</p> +<p>„Heb jij dat kraantje geopend?” +</p> +<p>„Ja,” knikte Nico. +</p> +<p>„Waarom?” vroeg zijn vader. +</p> +<p>„Zoo maar.” +</p> +<p>„Wou je de gang eens laten onderloopen?” +</p> +<p>De jongen begon te lachen. +</p> +<p>„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te draaien en toen +wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.” +</p> +<p>Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij slaagde er in, +zijn ernst te bewaren en zei: +</p> +<p>„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk er eens over +na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje nog langer open had gestaan.” +</p> +<p>Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei. +</p> +<p>Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan. +<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> +<p>„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.” +</p> +<p>Zich toen tot haar man wendend: +</p> +<p>„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.” +</p> +<p>Deze laatste lachte eens witjes. +</p> +<p>„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.” +</p> +<p>Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen. +</p> +<p>„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita en Jan, waren +die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets. +</p> +<p>„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet ik niet.” +</p> +<p>„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu maar eens op +zij.” +</p> +<p>„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.” +</p> +<p>„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je mag wel eens +een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat je ons allen nog heelhuids +terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat het dak nog op het huis zal staan.” +</p> +<p>„En het eten?” +</p> +<p>„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea. +</p> +<p>Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te gaan en nu +haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden. +</p> +<p>Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en hoed, tot niet +geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden kwamen en niets van de zaak wisten. +<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p> +<p>„Gaat u uit, Moes? <span class="corr" id="xd33e2585" title="Bron: Van morgen">Vanmorgen</span> al?” vroeg Ita. +</p> +<p>„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.” +</p> +<p>„Uit de stad?” herhaalde Jan. +</p> +<p>Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit! +</p> +<p>„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg geven, ik moet +nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief zul je zorgen, dat het Vader +aan niets ontbreekt? En kinderen, wees jullie niet te druk, beloof je het me? Mag +die kleine zondaar weer uit den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder +kuste haar benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn. +</p> +<p>Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep dadelijk naar Bets, +met wie hij als de beste maatjes het wonder begon te bespreken, van Moeder, die uit +de stad ging. +</p> +<p>Ita had zich intusschen vlug aangekleed. +</p> +<p>„Ik breng u weg, Moes,” zei ze. +</p> +<p>„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar weer vlug +naar huis gaat en Thea wat helpt.” +</p> +<p>„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo leuk vinden.” +</p> +<p>Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea: +</p> +<p>„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over vier weken +jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als vandaag, komt misschien nooit +meer terug.” +</p> +<p>Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan. +<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p> +<p>„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij. +</p> +<p>„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten maken van ons +allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes merkt er dan niets van en het +is juist mooi weer. Mina is er ook nog en u blijft dus niet alleen in huis. Zou u +het niet aardig vinden, zoo’n portret?” +</p> +<p>„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.” +</p> +<p>„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het in de vacantie +te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen gaan, Vader, wilt u met Mina alleen +blijven?” +</p> +<p>„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig idee van je.” +</p> +<p>„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u dan aan Iet, +als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze zich dadelijk wil opknappen?” +</p> +<p>Haar vader beloofde het. +</p> +<p>Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het vijftal opweg +naar den photograaf. +</p> +<p>Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was met een ander +bezig. +</p> +<p>Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de verschillende portretten +te bekijken, die hier en daar neergezet waren. Spoedig echter begonnen ze zich te +vervelen en werden lastig. +</p> +<p>„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea. +</p> +<p>Bets ging wat netter zitten en geeuwde. +<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> +<p>„Ik verveel me zoo,” zei ze. +</p> +<p>„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks zoo’n gezicht +zet, zal het wel lief staan.” +</p> +<p>Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te trekken. +</p> +<p>„Schei uit,” zei Jan. +</p> +<p>„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den spiegel gestaan?” +</p> +<p>„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan. +</p> +<p>Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het haar van zijn +broertje halend, plaagde hij: +</p> +<p>„Wil ik het nog eens voor je opkammen?” +</p> +<p>Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn meestal verwarden +bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen hij nu voelde, dat Nico de met +moeite verkregen scheiding in de war bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf +hij Nico een klinkende oorvijg. +</p> +<p>Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te huilen. +</p> +<p>Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was geschrokken en +niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan een standje maakte, over de +<span id="xd33e2631">scène</span>, die hij verwekt had. +</p> +<p>Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur. +</p> +<p>„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?” +</p> +<p>Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>dat het niets was, haar broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te +beduiden. +</p> +<p>„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de jongeheer gilde +zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u dadelijk helpen.” +</p> +<p>Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze binnen komen. +Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk gevormd was! +</p> +<p>Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf. +</p> +<p>„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer ziet er uit, +of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.” +</p> +<p>Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat hij zijn haar +niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist, dat hij er nu veel aardiger +uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd, keek nog knorriger. +</p> +<p>„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij. +</p> +<p>„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,” veronderstelde de photograaf. +</p> +<p>Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter pret van houding +veranderde en de groep in de war bracht. +</p> +<p>Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet. +</p> +<p>„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf. +</p> +<p>Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets zachtjes. +<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> +<p>De photograaf begon zijn geduld te verliezen. +</p> +<p>„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?” +</p> +<p>Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig gezicht, ze zei dus +niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon ze niet zoo dadelijk ophouden en +lachte door. +</p> +<p>Ita werd boos. +</p> +<p>„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de groep in de +war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan moeder verteld worden, waarom +er een niet op het portret staat.” +</p> +<p>„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil zijn, ik kan +het echt niet helpen.” +</p> +<p>Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname eindelijk gedaan. +</p> +<p>„Heel goed,” zei, de <span class="corr" id="xd33e2664" title="Bron: photohraaf">photograaf</span>, „nu nog eens, als ’t u blieft.” +</p> +<p>„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?” +</p> +<p>„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te doen.” +</p> +<p>Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita naar huis, +terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was naar een vriend gegaan, +onder protest van Thea, omdat hij zijn beste pak aan had. +</p> +<p>Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet weinig pret +in het verhaal had. +<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> +<p>„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war gemaakt werd,” +lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of er een ongeluk gebeurd was, +het was eenig.” +</p> +<p>„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op. +</p> +<p>„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits. +</p> +<p>„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal worden, Ita +boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en Thea, als gevolg van dat +alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.” +</p> +<p>Bets sloeg hare armen om zijn hals. +</p> +<p>„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school vragen wel +eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt en nooit met ons wandelen +of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever +een gewonen Pa hebben, maar het kan mij niks schelen, hoor.” +</p> +<p>Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de woorden van +het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets, ze wilde juist haar liefde +voor haar vader uiten. +</p> +<p>Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige uitdrukking, +die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze <span class="corr" id="xd33e2684" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> aan zijn invaliditeit werd herinnerd. +</p> +<p>„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al de balletjes +van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.” +<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p> +<p>Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader toe, en boog +zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te zeggen, iets, dat hem zou opwekken, +maar ze wist zoo gauw niet wat. +</p> +<p>„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch wat te zeggen. +</p> +<p>Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten. +</p> +<p>„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de vriendinnetjes +van Bets over mij spreken.” +</p> +<p>Thea zette zich bij hem neer. +</p> +<p>„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is geweest, die +goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms, dat niet juist uw leven, +zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat we juist van u leeren, hoe verdriet +te dragen en om te zetten in iets goeds?” +</p> +<p>„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.” +</p> +<p>„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren, „als ik zoo +leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld, dan zou ik al blij zijn,” +zei ze hartstochtelijk. +</p> +<p>Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en vroeg aan +Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het was meer dan tijd. +</p> +<p>Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever had ze nog wat +met Vader gepraat <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>en getracht zijn gedachten een andere richting te geven. Maar het was waar, Jan zou +ook dadelijk thuiskomen en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit +dus maar. +</p> +<p>Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid. +</p> +<p>„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij. +</p> +<p>Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op zijn gemak in +zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als een wildeman opstrijken. +</p> +<p>„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita. +</p> +<p>Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond op. +</p> +<p>„Wat ga je <span class="corr" id="xd33e2711" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> doen?” vroeg Vader. +</p> +<p>„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.” +</p> +<p>„En werk je dan vandaag niets?” +</p> +<p>Jan keek mistroostig. +</p> +<p>„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.” +</p> +<p>„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt voor de vakken, +waar in je onvoldoende hebt.” +</p> +<p>„Nou ja, ’s morgens, maar <span class="corr" id="xd33e2722" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> moest ik voor dat lamme portret uit.” +</p> +<p>„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie heeft laten +maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.” +</p> +<p>Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>gemakstoel en schopte ongeduldig met zijn eene been. +</p> +<p>„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op me.” +</p> +<p>„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat portretmaken was nu juist +niet voor zijn pleizier, vooral niet<span id="xd33e2733"></span> dat lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af geven, het +weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink werken, niet waar Jan?” +</p> +<p>„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat Thea het voor +je vraagt.” +</p> +<p>Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong op en liep +de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend. +</p> +<p>Thea keek hem lachend na. +</p> +<p>„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem geen enkelen +heelen vacantiedag te hebben.” +</p> +<p>„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo onverschillig opneem, +komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je soms, dat ik het prettig vind, hem +zoo te moeten behandelen, veel liever gunde ik hem een vrije vacantie.” +</p> +<p>Ita knikte hem eens toe. +</p> +<p>„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea, <span class="corr" id="xd33e2744" title="Bron: weetje">weet je</span> wat we doen moesten, <span class="corr" id="xd33e2747" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> samen de wasch doen, dan vindt Moes die klaar, als ze thuis komt.” +</p> +<p>Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>lust in, maar vond het toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje +met een dubbel drukken dag betalen. +</p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht helpen bandjes +uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige bezigheid vond. Ita was in een +dolle bui, zooals ze het noemde en vol gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds +klaar, tot niet geringe verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over +haar uitstapje, thuis kwam. +</p> +<div class="figure o185width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3818">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Vijftiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Vijftiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een moeielijk begin.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">e zesde <span class="corr" id="xd33e2766" title="Bron: klassse">klasse</span> van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in spanning: er zou een nieuwe juffrouw +komen. +</p> +<p>Louise Terlaag, de belhamel der klasse<span id="xd33e2771">,</span> verheugde er zich <span class="corr" id="xd33e2773" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> op. Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf haar een +zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg, wendde ze dien invloed niet +ten goede aan, integendeel, ze werd door de onderwijzeressen een beetje als het zwarte +schaap van de kudde beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze +vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls amuseerde. Toch waren +er onder de meisjes ook, die haar wat al te brutaal vonden en die gevoelden, dat ze +de geest in de klasse bedierf, maar dezen vormden de <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>minderheid en konden er niet veel aan veranderen. +</p> +<p>Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een wees en de +menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had, toonden haar niet veel liefde +en hartelijkheid. Ze kregen steeds klachten over haar en daar ze het vermogen misten, +dieper te zien dan de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat +zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden. +</p> +<p>De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler werd, ze hield +niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig schelen, of ze boos op haar +waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo onverschillig mogelijk, ze beweerde er +met genoegen iets voor over te hebben, als ze maar pret kon maken. +</p> +<p>Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de meisjes, maakte haar +overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar geweten begon te spreken, onderdrukte +ze dat gevoel zoo spoedig mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde +en verdriet deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk, maar +niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet met haar behoefde +te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel aan haar, dus.… en Louise haalde +hare schouders eens op en schudde het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, +maar haar mond behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom +gegroefd hadden. +<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p> +<p>Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan les zou moeten +geven. +</p> +<p>„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet je wel, wie +we krijgen?” +</p> +<p>„Neen, jij?” +</p> +<p>„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel, uit de vierde.” +</p> +<p>„Och neen!” en Louise schaterde het uit. +</p> +<p>„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.” +</p> +<p>„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel grooter is dan jij, +peuter.” +</p> +<p>Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op. +</p> +<p>„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?” +</p> +<p>Toen lachte ze en zei: +</p> +<p>„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een gezichtje.” +</p> +<p>„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna Verloef, „ik heb +zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze heeft zulke echt vriendelijke oogen +en wat komt het er nu op aan, of ze groot of klein is.” +</p> +<p>Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het hoofd. +</p> +<p>„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze klasse geweest +en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.” +</p> +<p>Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit. +<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p> +<p>„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret hebben, jongens, +maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons heeft. Het is natuurlijk, zij de +baas, of wij en ik behoef jullie niet te zeggen, wat ik verkies. Hoera!” +</p> +<p>Anna Verloef trok haar aan haar mouw. +</p> +<p>„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?” +</p> +<p>Louise keek haar weer spottend aan. +</p> +<p>„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft er buiten +hoor, pas op, als je ons verraadt.” +</p> +<p>„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen lijkt me zoo’n +zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk lastig te maken.” +</p> +<p>„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.” +</p> +<p>Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw Lettinga en Thea. +</p> +<p>„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.” +</p> +<p>De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea kijkend, die het een +vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die op haar gezicht waren. +</p> +<p>Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan. +</p> +<p>„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is er zelfs geen +kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal jullie natuurlijk erg spijten +en ik hoop met jullie, dat haar ziekte haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug +te komen. Ondertusschen <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en verwacht, dat je +allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam mogelijk te maken. Dat beloven jullie +me allen, jij ook, nietwaar Louise?” +</p> +<p>Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon, waarvoor ze +respect had. +</p> +<p>„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal ik de klasse +maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles, zooals u weet.” +</p> +<p>Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van stemmen brak +los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen elkaar, terwijl ze naar Thea +keken. Deze voelde zich heel verlegen, maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest +zien te verkrijgen. +</p> +<p>Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei: +</p> +<p>„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.” +</p> +<p>De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door. +</p> +<p>„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een oogenblik, tot +er werkelijk stilte was. +</p> +<p>Daar stak Louise haar vinger op. +</p> +<p>„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?” +</p> +<p>„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon, „ik wilde vragen, +of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een stoof.” +</p> +<p>Thea keek vreemd op. +</p> +<p>„Waarom Louise, ik ga niet zitten.” +</p> +<p>„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op zoudt willen gaan +staan, ik kan u niet goed zien.” +<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> +<p>Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze heel rood werd. +</p> +<p>Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen. +</p> +<p>Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te beheerschen. +</p> +<p>„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer vooraan komen +zitten.” +</p> +<p>Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel. +</p> +<p>Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze: +</p> +<p>„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.” +</p> +<p>„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart, maar voor het +uiterlijk bedaard en kalm. +</p> +<p>Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik, Louise haar vinger +weer op. +</p> +<p>„Wat is er nu weer, kind?” +</p> +<p>Louise zette een heel dom gezicht. +</p> +<p>„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.” +</p> +<p>Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek gehouden te +worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke flauwe vragen te antwoorden +en wilde dus met de les voortgaan. +</p> +<p>Maar dat was niet de bedoeling van Louise. +</p> +<p>„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol. +</p> +<p>„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.” +</p> +<p>„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?” +<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p> +<p>Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig. +</p> +<p>„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de beginselen.” +</p> +<p>Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht. +</p> +<p>„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze. Toen Meta, die +naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze: +</p> +<p>„Nou jij.” +</p> +<p>Meta stak nu haar vinger op. +</p> +<p>„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.” +</p> +<p>Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde. Als het niet +de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige vraagster gezegd hebben, dat ze +haar na twaalven dat wel zou uitleggen, maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters +hebben, te meer, daar juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest +trachten de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was de +directrice niet. +</p> +<p>Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet. +</p> +<p>Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en terwijl ze daar +mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en toen ze omkeek, stond Meta +buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan zitten, maar Thea zei: +</p> +<p>„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te hebben.” +<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p> +<p>Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was. +</p> +<p>„Waar is Louise?” vroeg ze. +</p> +<p>Meta lachte. +</p> +<p>„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze. +</p> +<p>Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou kunnen vertrouwen. +</p> +<p>Haar oog viel op Anna Verloef. +</p> +<p>„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar. +</p> +<p>Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had nergens meer hekel +aan, dan aan jokken. +</p> +<p>Toch fluisterde ze: +</p> +<p>„Neen juffrouw.” +</p> +<p>Thea keek haar aan en zag haar kleuren. +</p> +<p>„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?” +</p> +<p>„Anna Verloef.” +</p> +<p>„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje. +</p> +<p>Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan voor leugenachtig +aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet voor klikspaan spelen en zeggen, +dat Louise zich onder de bank had laten glijden. +</p> +<p>Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven. +</p> +<p>Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag, Louise, die +met een doodonschuldig <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>gezicht in haar bank zat. De meisjes lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden +over haar lessenaars, andere van Thea naar Louise kijkend. +</p> +<p>Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten inspannen, om niet +driftig te worden. +</p> +<p>„Waar ben je geweest, Louise?” +</p> +<p>Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen en begon hevig +te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om Louise te zien. +</p> +<p>„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang uithoesten, je maakt +een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet verstaan kan. Nu Louise, waar was je +zooeven?” +</p> +<p>„Ik, juffrouw, wel hier.” +</p> +<p>„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in je bank.” +</p> +<p>Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare medeleerlingen +verwekte. +</p> +<p>„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de deur hooren +openen en dicht gaan.” +</p> +<p>Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten was. +</p> +<p>„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet. Waarom vondt +u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.” +</p> +<p>Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach. +</p> +<p>Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten ochtend de hulp +der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen en toch, hoe moest <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen, Louise was niet brutaal, deed zich +alleen maar heel dom voor. +</p> +<p>Na eenige oogenblikken zei ze: +</p> +<p>„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise gewoon is voor clown +te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het voornaamste deel van haar schooltijd +mee doorgebracht, daarom zit ze nu nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.” +</p> +<p>Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise lachten, vonden ze +het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd. +</p> +<p>Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend aankeken, +werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht een oogenblik, dat ze +misschien heel onverstandig gehandeld had, met zich dat meisje tot vijandin te maken. +Maar ze kon toch niet met haar mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die +het er blijkbaar op toegelegd had, haar bespottelijk te maken. +</p> +<p>Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden voelden, dat de +strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de overwinning zijn? +</p> +<p>Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog uithouden en nu was +ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan wel naar den geest. +</p> +<p>Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar een deel harer +klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig ging haar <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over, waaronder Anna Verloef. +</p> +<p>Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken waren. +</p> +<p>„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.” +</p> +<p>Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei: +</p> +<p>„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, <span class="corr" id="xd33e2922" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> sprak je toch geen waarheid.” +</p> +<p>Anna kleurde weer. +</p> +<p>„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat niet weer, ik +weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het vreeselijk om te jokken, maar klikken +wil ik toch ook niet.” +</p> +<p>Thea bedacht zich een oogenblik. +</p> +<p>„Toch vind ik niet, dat je <span class="ex">neen</span> mag zeggen, als het antwoord ja zou moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever +niet zegt.” +</p> +<p>Anna keek haar verrast aan. +</p> +<p>„En vindt u dat dan goed?” +</p> +<p>„Beter, dan dat je jokt.” +</p> +<p>„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat geantwoord had, maar +als u het goed vindt, ben ik heel blij.” +</p> +<p>Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze nu goed gehandeld, +met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou het vanmiddag eens aan Vader +vragen, ze had nog zoo weinig ervaring. +</p> +<p>De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat met een uitdagend +gezicht in haar bank, <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>maar hield zich gelukkig kalm en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen +hadden, waren ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren +en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze thuis kwam, +te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de belangstellende vragen van Vader en +Moeder antwoorden, terwijl Ita er ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat +opgewekt en zei enkel, dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een +groote inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel, alleen +toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind was, antwoordde ze een +beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de meisjes dol.” +</p> +<p>Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben? Maar als zij er +niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze moest het moeilijke begin +zelf doorvechten, dat was het beste. +</p> +<p>Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep, dacht ze, hoe +graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop zag, weer te moeten beginnen. +Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als +ze uitgerust wakker werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding +en met die gedachte sliep ze in. +</p> +<div class="figure o198width"><img src="images/o014.png" alt="" width="198" height="30"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3831">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Zestiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Zestiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een overwinning.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">en volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich zoo vast voorgenomen, +het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat het, naar ze dacht, niet anders kon, +of ze moest daarin slagen. +</p> +<p>Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al verscheidene meisjes +bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag had ze <span class="corr" id="xd33e2958" title="Bron: rechtsomkeer">rechtsomkeert</span> gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op viel, was een caricatuurteekening +op het bord, een heel klein persoontje voorstellend, dat op een bankje stond. +</p> +<p>Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over het bord, want +het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen. +</p> +<p>Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>geen notitie van het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren. +</p> +<p>Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de meeste deden, alsof +ze niets hoorden. +</p> +<p>„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea. +</p> +<p>Met een overdreven haast vloog Louise de bank in. +</p> +<p>„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet kwalijk,” en +recht als een kaars met hare handen voor zich op den lessenaar, zooals de kindertjes +in de bewaarschool wel zitten, trok Louise een heel zoetsappig gezicht. +</p> +<p>Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea had zich voorgenomen, +zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise te letten, dan zou ze er het eerst +uitscheiden, wanneer ze er geen eer van had, zou het haar wel vervelen. +</p> +<p>„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je les.” +</p> +<p>„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo netjes.” +</p> +<p>Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had. +</p> +<p>„Kom Anna, begin,” zei ze. +</p> +<p>Louise trok een meewarig gezicht. +</p> +<p>„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar. +</p> +<p>„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea. +</p> +<p>Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen zei ze op een +toon van de uiterste verbazing: +</p> +<p>„Ze durft.” +<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> +<p>Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er niet aan denkend, +dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school les gaf en dat de directrice +het misschien niet goed zou vinden, als ze nu al een meisje naar haar toe stuurde, +zei ze driftig: +</p> +<p>„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en zeg, dat ik +je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.” +</p> +<p>Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was iets, dat op +deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond, dat de onderwijzeressen +het zelf klaar speelden met hare leerlingen. Als het een enkelen keer gebeurde, kwam +de schuldige er niet gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef +dus kalm in haar bank zitten. +</p> +<p>Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er gebeuren zou. +</p> +<p>„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Jawel, maar ik ga niet.” +</p> +<p>Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze drukte hare +nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar drift meester te blijven. +</p> +<p>„Je gaat direct,” zei ze streng. +</p> +<p>„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen, +keek brutaal rond. +</p> +<p>Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar toch niet bij +een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en dat wilde ze trouwens ook +niet. +<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> +<p>Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend: +</p> +<p>„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de directrice er +kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.” +</p> +<p>De morgen verliep verder <span class="corr" id="xd33e3000" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> rustig. Louise, die best begreep, dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig +rond te kijken, maar voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze +zich, daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet was. +De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze vonden dat Louise +al te brutaal was geweest en voelden medelijden met Thea, die nu heel bleek zag. Een +paar konden niet nalaten te fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse +<span class="corr" id="xd33e3003" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam kijken, hoe het +ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg. +</p> +<p>Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam en vertelde, +wat er dien morgen was voorgevallen. +</p> +<p>„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist wel, dat ze +een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou ze dat toch niet gedurfd +hebben.” +</p> +<p>Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het haar, hare tranen +in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te antwoorden. De directrice keek een beetje +medelijdend naar het kleine meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar +stond. +<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p> +<p>„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen. Je hebt een +fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo kort, nadat je in die klasse +gekomen waart. Je moet trachten, zelf de orde te bewaren, dat steunen op mij, dient +tot niets. Natuurlijk zal ik Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal +haar dat kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen worden, +moet je zelf veroveren.” +</p> +<p>Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein. Ze wist maar +al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden invloed op de meisjes uitoefenen, +dan moest ze dien door eigen kracht veroveren. +</p> +<p>Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der lessen! De meisjes +wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en ze begrepen, dat ze daar wel meer +van zouden hooren. +</p> +<p>Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de juffrouw en de +klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise: +</p> +<p>„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je je dezen morgen +gedragen hebt. Ik wil nu niet in <span class="corr" id="xd33e3018" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span> treden, ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis stuur +en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven, zoodat ze weten, +dat je de twee volgende dagen niet op school moogt komen en dus hunne maatregelen +kunnen nemen.” +<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p> +<p>Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu sloot mijnheer +Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze kende dat. En dat hield ze +niet uit, alles liever, dan haar vrijheid missen. Weet je wat, ze ging voorloopig +niet naar huis. +</p> +<p>Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde. +</p> +<p>„Maak je klaar,” zei ze, „de <span id="xd33e3026">conciërge</span> wacht er op, om je naar huis te brengen.” +</p> +<p>Met een ruk richtte Louise zich op. +</p> +<p>„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze. +</p> +<p>„De <span id="xd33e3034">conciërge</span> brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee en maak geen onnoodige drukte, +want dat verergert de zaak maar.” +</p> +<p>Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze gehoorzamen, +dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar nog het meest kon schelen, +dat die boos op haar was. +</p> +<p>Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee. +</p> +<p>Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog niet was, zooals +het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel inspanning zoo ver, dat er niet al +te veel rumoer in de klasse heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst +op bevel van de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had +ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen, waardoor ze zoo +in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was uitgeslapen in allerlei kleine +plagerijen, <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>waardoor de geest in de klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen. +</p> +<p>De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die Thea ooit beleefd +had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen, de klasse had steeds iets rumoerigs, +er was geen rust te verkrijgen, straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid +wist, wie de eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer inhalen, +bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en dan eens kijken, dan +was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare voetstappen op de gang hoorden, zwegen +ze als muizen. +</p> +<p>De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat het in de school +bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze had het, tot haar groote vernedering, +van Bets gehoord. +</p> +<p>En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar betrekking +moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen krijgen, als ze maar geschikt +had gebleken te zijn. +</p> +<p>Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen spreken, ze moest +zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste hoop gevestigd had, maar waarvan +ze niet zeker wist, of ze er goed mee handelde. +</p> +<p>„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar aangehoord had en hij +kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen invloed ten goede heeft, dan moet +je die betrekking maar opgeven, ze is waarschijnlijk te zwaar voor je.” +<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p> +<p>„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan natuurlijk niets +goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe plaats. O, waarom zijn die meisjes +toch zoo wreed, ik wil zoo graag goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar +een beetje wilden meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!” +</p> +<p>Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was binnengekomen, boog zich +over haar heen. +</p> +<p>„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van worden.” +</p> +<p>Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei: +</p> +<p>„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe moeielijker +de strijd, hoe heerlijker de overwinning.” +</p> +<p>Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend hart, dan +anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed onmogelijk maken, of zou ze +overwinnen en zich een vaste plaats veroveren? +</p> +<p>Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord, er werd met +proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig niet naar toe keek en er +heerschte een geroesemoes van belang. +</p> +<p>Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze slikte eens en nog +eens, trachtte het trillen van hare lippen te bedwingen, tikte met een lineaal op +haar tafeltje en zei: +</p> +<p>„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.” +<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p> +<p>De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de aandacht op zich +vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil en keek vol verwachting naar +de juffrouw, benieuwd wat er komen zou. +</p> +<p>Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en toen ving ze +aan met spreken. +</p> +<p>„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een onderwijzeres +tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de reden is, waarom zooveel +meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk +maken. Ik kan niet gelooven, dat je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, +als je er je den schijn van geeft.” +</p> +<p>Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare wangen gloeiden +en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en luisterden gretig. +</p> +<p>„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter plezier is, dat +ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar, je begrijpt heel goed, dat +zelfs in een lievere klasse dan deze, de onderwijzeres toch altijd nog een zware taak +heeft. Het spreekt <span class="corr" id="xd33e3069" title="Bron: van zelf">vanzelf</span>, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig vinden te mogen meewerken +tot de ontwikkeling van het opgroeiend geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed +ten goede te hebben op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. +Wij komen de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te gemoet, +waarom ons dan tegengewerkt<span class="corr" id="xd33e3072" title="Bron: .">?</span> Je begrijpt toch wel, dat het in de eerste plaats in je <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt, waarom dan de rust verstoord en gemaakt, +dat er niets uitgevoerd kan worden? +</p> +<p><span id="xd33e3078">„</span>Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij kunnen heel goed +samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest in de klasse vind ik iets heerlijks. +Ik hoop, dat jullie me tot zoover begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een +anderen kant bezien.” +</p> +<p>Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan. +</p> +<p>Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine juffrouw goed, je +moest naar haar luisteren, of je wilde of niet. +</p> +<p>„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten, dat de meeste +menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men onderwijzeres wordt, is dat dus +ook bijna altijd, om geld te verdienen en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al +heeft men nog zooveel liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer +jullie het me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk niet +zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat, niettegenstaande groote +werklust, en veel goeden wil, mijn brood te verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? +Als jullie je verbeeldt, dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden +te plagen, heb jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent? +<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p> +<p><span id="xd33e3086">„</span>Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker van. Je wilde +alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een treurig soort genoegen en ik moest +daar het slachtoffer van zijn. Maar nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek +je dringend, mij niet meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn +betrekking zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over +mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter zullen begrijpen +en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat ons nu aan ons werk gaan.” +</p> +<p>Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong gezichtje +zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd was, dat er iets was, dat +die jeugdige hoofden bezighield. +</p> +<p>Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag vrijaf hadden +en er dus niemand over behoefde te blijven. +</p> +<p>Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde van dien ochtend +druk besproken. Bijna allen waren het er over eens, dat juffrouw van Welderen gelijk +had en namen zich voor, voortaan beter bij haar op te passen. +</p> +<p>„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat ze doet, met +haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het haar niet veel helpen.” +</p> +<p>Nu werden een paar meisjes bepaald boos. +</p> +<p>„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>uitscheiden. Het is grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik +schaamde me <span class="corr" id="xd33e3098" title="Bron: van ochtend">vanochtend</span> geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van Welderen, dat ze zoo ronduit voor +de zaak uitkwam.” +</p> +<p>„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch is, we hebben +ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen, het begon me zelf al te +vervelen.” +</p> +<p>„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier letterlijk niets. +En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk aan, maar net als ze zei, wij hebben +er nooit over nagedacht.” +</p> +<p>„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise, die voelde, +dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht, liep met opgericht hoofd +en spottend gezicht weg. +</p> +<p>„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu zoo over denkt +en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen, zal ze wel aan het kortste +eindje trekken, één meisje zal de juffrouw best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat +zeggen, morgen ga ik naar juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam +beterschap. Vin’ jullie dat goed?” +</p> +<p>Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat, gaat het ook met +de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze werkelijk schuldig waren geweest en +wilden het nu goed maken. +</p> +<p>Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan goed zouden +oppassen en hun <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>best doen en van dien dag af had Thea weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte +Louise de orde van tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de +andere meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de klasse +voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om een troep sufferds, +zooals ze het uitdrukte, te amuseeren. +</p> +<p>Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea voor vast aan +te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde naar huis ging, om haar ouders +de goede tijding te brengen van haar benoeming. +</p> +<div class="figure o211width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3844">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Zeventiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Zeventiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Thea en Louise.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-v.png" alt="V" width="162" height="143"></div> +<p class="first">an toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes hadden diep gevoeld, +hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze geweest waren. Toen de eerste indruk +van Thea’s woorden voorbij was, werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken +bij vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en ziel onderwijzeres +geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo bitter teleurgesteld was, voelde +zich nu werkelijk gelukkig in haar werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak +haar voortdurend groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten +maar goed waren. +</p> +<p>En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde niet alleen +belang in hun leeren, <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>maar ook in de vorming voor hun karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel +bezig. Het eenige, werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, +die het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt had en +dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe zich voordeed. +</p> +<p>Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, maar tot nog +toe was haar dat niet best gelukt. +</p> +<p>Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat ze inzag, hoe +goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze voelde, hoe rechtvaardig en +welwillend deze steeds was. Maar ze wilde dat niet bekennen. Het kostte haar soms +moeite, Thea door kleinigheden te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel +van zeggen zouden, als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, +zooals haar hart haar ingaf. +</p> +<p>Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling terug. Daarenboven +kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om hare onaardigheden gaf, als het niet +te erg was, nam deze er totaal geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere +meisjes niet laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te meer, +daar geen der meisjes haar partij meer opnam. +</p> +<p>In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in haar één van +die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, die geen liefde <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>weten op te wekken en daardoor weinig liefde ondervinden. +</p> +<p>En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters! +</p> +<p>Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid tot zich te +trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat zoo’n groote plaats in Louise’s +hart innam. +</p> +<p>Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor haar persoon, +moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen haar was, dacht ze dadelijk, +dat het een manier was, om te trachten haar te temmen en geen last meer van haar te +hebben. +</p> +<p>Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander veel nader +kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak. +</p> +<p>„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea. +</p> +<p>„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.” +</p> +<p>„Wat scheelt haar?” +</p> +<p>„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.” +</p> +<p>Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea haar eens te +gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij vreemden in huis was en dat ze +wel eens gehoord had, dat ze het daar niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze +nog wat voor haar doen, arm kind, zij, die zoo <span class="corr" id="xd33e3144" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> aan Vader, Moeder, <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>broertjes en zusjes gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders +bijna niet gekend had. +</p> +<p>Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee stapte ze naar de +straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst ging ze nog even naar een bloemenwinkel, +om eenige mooie rozen te koopen. +</p> +<p>Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het Louise aangenaam +zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer dan ooit haar best doen, dat +hartje te ontdooien, misschien was dit een gelegenheid en zou ze slagen. In ieder +geval wilde ze het probeeren. +</p> +<p>Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd ze in een soort +spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan had, zou eens gaan hooren, +of Louise bezoek mocht ontvangen. +</p> +<p>Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig kamertje, niets +dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een plank, waarop ze Louise’s schoolboeken +zag staan. Op tafel een inktkoker, verder niets. +</p> +<p>Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, of ze even +wachten wilde. +</p> +<p>Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame binnen, die zich +voorstelde als mevrouw Asser. +</p> +<p>Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s onderwijzeres op school +en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het met haar ging. +</p> +<p>„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>kou gevat en heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar eigen +schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den tocht te gaan zitten, +zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden hebben, welk een moeilijk meisje +het in den omgang is.” +</p> +<p>Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, maar toch niet +geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk ook al weer een elkaar niet +begrijpen de schuld was van de weinige hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze +vrouw en haar pupil bestond. +</p> +<p>„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor zichzelve, +ik heb een gevoel van medelijden met haar.” +</p> +<p>Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch. +</p> +<p>„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons heel goed, maar +ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u begrijpt, dat mijn man en ik, die +voor haar opvoeding moeten zorgen, dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.” +</p> +<p>Thea kreeg een kleur, mevrouw <span class="corr" id="xd33e3167" title="Bron: Aseer">Asser</span> begreep haar niet, ze had niets willen zeggen, dat deze kwetsen kon. +</p> +<p>„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere wending te geven. +</p> +<p>„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze heeft steeds +koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik geloof, dat ze liefst alleen +is.” +</p> +<p>„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen brengen.” +<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> +<p>„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.” +</p> +<p>Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het kamertje van Louise. +</p> +<p>Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote ongezelligheid. +</p> +<p>Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het niet om, voor +deze haar goeden dag zei. +</p> +<p>Toen keek ze verrast op. +</p> +<p>„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog donkerder. +</p> +<p>„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik mis je al een +dag of vijf op school.” +</p> +<p>Louise glimlachte een beetje ondeugend. +</p> +<p>„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.” +</p> +<p>Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, die ze voor +haar meegebracht had. +</p> +<p>Louise’s gezichtje <span class="sic">look</span> op. +</p> +<p>„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?” +</p> +<p>„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.” +</p> +<p>„En U hebt die voor mij meegebracht?” +</p> +<p>„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?” +</p> +<p>Louise scheen deze vraag niet te hooren. +</p> +<p>„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je voor, zij +brengt rozen voor mij mee.” +</p> +<p>Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>toen Thea, die bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich +weer tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde er van +en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen. +</p> +<div class="figure p216width"><img src="images/p216.jpg" alt=".... bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,..." width="518" height="720"><p class="figureHead">.… bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,…</p> +<p class="first">(Bladz. 219)</p> +</div><p> +</p> +<p>„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?” +</p> +<p>Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met haar glas met +rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu bedaard zijn en op te houden met +schreien, daar ze anders niet bij haar durfde blijven, bang haar te veel op te winden. +</p> +<p>Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de hare en drukte +die stevig. +</p> +<p>Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, ofschoon ze +zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen: +</p> +<p>„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo goed zien? Wil +ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben je daar te moe voor?” +</p> +<p>Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te willen praten. Ze +verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en mevrouw. +</p> +<p>„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea. +</p> +<p>„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en mijnheer ook niet. +Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen begonnen al weer te vloeien. +</p> +<p>Thea greep haar hand. +<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p> +<p>„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.… maar laten wij daar +nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij eens komen opzoeken, dan +bespreken wij dat alles eens samen en dan ontdekken we misschien wel, dat hier een +misverstand aan het werk is. Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?” +</p> +<p>„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb niemand gezien, dan +mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een lieve man.” +</p> +<p>„Ja? Wie is je dokter?” +</p> +<p>„Dokter Heger.” +</p> +<p>„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, ja, zelfs +als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen ik zoowat veertien jaar +was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge dokter?” +</p> +<p>„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.” +</p> +<p>„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel heet?” +</p> +<p>„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u hem gekend hebt. +Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.” +</p> +<p>Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij dezelfde was, +waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk zijn, want hij was een jaar +of zes ouder dan zij. +</p> +<p>Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>ging ze weg, maar niet voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong +er op aan, haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde het, +dat Thea tweemaal in de week even naar haar <span id="xd33e3232">patiëntje</span> ging, om haar wat afleiding te geven. +</p> +<p>De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden lang kwam de +koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, maar eindelijk bleef die +toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar weer op krachten te brengen. +</p> +<p>Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch werkelijk haar vroegere +speelkameraad bleek te zijn. +</p> +<p>„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds herstellende was en +de dokter hen juist verlaten had met de belofte, dat ze nu spoedig geheel beter zou +zijn. +</p> +<p>Thea kleurde een beetje. +</p> +<p>„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor je.” +</p> +<p>Louise keek haar lachend aan. +</p> +<p>„Hij is ook <span class="corr" id="xd33e3243" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo grappig is? Dat hij altijd op de +middagen komt, dat u me bezoekt.” +</p> +<p>Thea had het <span class="corr" id="xd33e3249" title="Bron: op eens">opeens</span> druk met het verschikken van een paar bloemen, die ze voor Louise had meegebracht. +</p> +<p>Louise’s woorden omtrent den dokter <span class="corr" id="xd33e3254" title="Bron: niëerend">negeerend</span>, zei ze: +<span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span></p> +<p>„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op school is voorgevallen. +Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis van de Egyptenaren van het balsemen +der lijken en dat er vele mummies teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. +Ik zei toen ook, dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies +had en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien. +</p> +<p><span id="xd33e3260">„</span>Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en toen ik zei van +ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de familie was, dat die lijken +daar zoo tentoongesteld werden.” +</p> +<p>Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het gesprek een andere +wending gegeven. +</p> +<p>„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag woonde, hè, juffrouw, +wat heb je toch domme kinderen!” +</p> +<p>„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n onzin niet +gezegd hebben.” +</p> +<p>„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise. +</p> +<p>Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste leerlingetjes, vooral +van Constance, om haar te beduiden, dat er wel meer meisjes waren, die het niet in +alle opzichten naar hun zin hadden. +</p> +<p>„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?” +</p> +<p>„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het goed en vindt +het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend is. Ze vindt het vooral <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst was haar dat wel vreemd, maar nu vindt +ze het heel gezellig. Ze voelde zich thuis zoo eenzaam.” +</p> +<p>„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik kan er tegenop +zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen wel lief voor me, maar als ik +beter ben, zal dat natuurlijk weer uit zijn.” +</p> +<p>„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, mevrouw Asser heeft +je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet gedacht had, dat ze zoo hartelijk +kon zijn.” +</p> +<p>„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er zoo weinig gelegenheid +om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, als ik beter ben, weer brutaal en +koppig word en dat ze dan weer allemaal het land aan me krijgen.” +</p> +<p>Thea moest even lachen. +</p> +<p>„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig <span class="ex">moet</span> zijn. Malligheid, hoor, ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en +ik hoop ook, dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien, +hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.” +</p> +<p>Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te denken. Daarbij +keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van <span class="ex">haar</span> juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe ze haar ooit +had kunnen plagen. +</p> +<p>„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me zijn. Nu ik weer +sterker word, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>voel ik den lust tot weerspannigheid alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best +doen, ik zal altijd u hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.” +</p> +<p>Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij zelf moest +weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het eten en het werd al laat. +Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar toen. +</p> +<p>Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel lang zou zijn, +dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte helderde haar gezicht op, als bij +iets heerlijks en toch hield ze bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar +helpen. +</p> +<p>Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, Moeder en Ita kenden, +maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn zou. +</p> +<p>En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij had een goed +bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te mogen voeren. Wat een gelukskind +was ze toch, maar ze zou haar beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, +zou ze toch de handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad wonen. +</p> +<p>Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek was geworden +en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet meer ontmoet en dan.…<span id="xd33e3298"></span> +</p> +<p>„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>Ita vragen, die haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?” +</p> +<p>Thea stak haar arm door dien van haar zuster. +</p> +<p>„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” vroeg ze. +</p> +<p>„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk een antwoord +kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er bescheid op.” +</p> +<div class="figure o225width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3857">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Achttiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div> +<h2 class="label">Achttiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het engagement.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-k.png" alt="K" width="159" height="137"></div> +<p class="first">arel wist er bescheid op. +</p> +<p>Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd, verklaarde hij zich +ongevraagd voor den gelukkigsten mensch. +</p> +<p>„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je hoort het.” +</p> +<p>Thea lachte en bloosde. +</p> +<p>Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar gezichtje wat +oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg hij: +</p> +<p>„Waarmee legt mijn meisje het af?” +</p> +<p>Thea bloosde nog sterker. +</p> +<p>„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig zijn.” +</p> +<p>Maar hier was Karel niet mee tevreden. +<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p> +<p>„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?” +</p> +<p>Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel: +</p> +<p>„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze en niet verliefde +zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid bedwingen.” +</p> +<p>Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover de questie +ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in het oor fluisterde, wat +Ita vond, dat hij niet weten mocht. +</p> +<p>Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de dokter,” zooals +Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan hen voorgesteld werd, als hun +aanstaande broer. +</p> +<p>Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen. +</p> +<p>„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan meneer de dokter +ons beter maken.” +</p> +<p>„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte Ita, „je hoort +het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter in de familie te hebben.” +</p> +<p>Karel trok Nico zacht aan zijn oor. +</p> +<p>„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te krijgen?” vroeg +hij. +</p> +<p>„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze haar arm om +haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem aanleunde. +</p> +<p>Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden. +<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p> +<p>„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist leuk, omdat hij +ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet lekker is en als hij het toch deed, +zou ik tegen hem zeggen, dat ik het niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter +nooit durven.” +</p> +<p>Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd. +</p> +<p>„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het jongste jongentje +hier het hoogste woord?” +</p> +<p>Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen acht sloeg +op zijn vaders woorden en er uitflapte: +</p> +<p>„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en dan ben ik lekker +niet meer de jongste.” +</p> +<p>Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas met bloemen +op den schoorsteenmantel. +</p> +<p>Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde laten zien, +dat ze lachen moest. +</p> +<p>Maar mijnheer van Welderen lachte niet. +</p> +<p>„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist binnenkwam, „dat +Nico <span class="corr" id="xd33e3354" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> in de keuken at?” +</p> +<p>Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik. +</p> +<p>„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout geweest?” +</p> +<p>Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>op haar toegevlogen en riep, zich aan haar vastklemmend: +</p> +<p>„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken eten.” +</p> +<p>Zijn moeder weerde hem zacht af. +</p> +<p>„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?” +</p> +<p>„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken, als dat zoo +voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van tafel gaan.” +</p> +<p>Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend: +</p> +<p>„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te zeggen, mag hij +dan binnen blijven?” +</p> +<p>Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt ging het gezin +aan tafel. +</p> +<p>Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over den indruk, die +het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar nieuwen broer, zooals ze hem in +gedachte noemde, maar aan te staren, zoodat ze er zelfs haar eten door vergat. +</p> +<p>„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons klaar.” +</p> +<p>Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen, maar er kwam +geen geluid uit. +</p> +<p>„Wat is er, meiske?” vroeg Vader. +</p> +<p>„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend. +</p> +<p>Jan lachte hardop. +</p> +<p>„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis, of ze het +op school mag vertellen.” +<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p> +<p>Bets keek boos. +</p> +<p>„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk vind ik het +leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet, dat er één in de klasse +is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde ze er vol enthousiasme bij. „Laatst +had er één een broertje gekregen, maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.” +</p> +<p>Nu lachte het heele gezin. +</p> +<p>„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen. +</p> +<p>„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel gemakkelijker in eens +een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze niet te wiegen en zoet te houden +en misschien brengt zoo’n groote broer wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.” +</p> +<p>Bets’ oogen glinsterden. +</p> +<p>„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend. +</p> +<p>„Echt,” beloofde deze. +</p> +<p>„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had. +</p> +<p>„St,” zei Vader. +</p> +<p>„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets.…” +</p> +<p>„Nico!” en Vader keek streng. +</p> +<p>„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar. +</p> +<p>„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere, groote plak.” +</p> +<p>Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van plezier. +<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p> +<p>„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met de kinderen +te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van krijgen.” +</p> +<p>„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne. +</p> +<p>Nu nam Jan het woord. +</p> +<p>„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was.…” +</p> +<p>Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit. +</p> +<p>„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend. +</p> +<p>Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren. +</p> +<p>„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij niet goed +was?” +</p> +<p>„Och niks.” +</p> +<p>„Jawel, toe zeg ’t nou.” +</p> +<p>„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn glas uit en begon +over wat anders. +</p> +<p>Karel keek Jan verrukt aan. +</p> +<p>„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben alleen maar +bang, mijn schat niet waard te zijn.” +</p> +<p>Thea legde haar handje op zijne lippen. +</p> +<p>„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze. +</p> +<p>Daar tikte haar vader tegen zijn glas. +</p> +<p>Allen zwegen. +</p> +<p>„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik graag even +wat zeggen. Hij heeft <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>gelijk, wie onze Thea tot vrouw krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.” +</p> +<p>„Maar Vadertje,” fluisterde Thea. +</p> +<p>Haar vader liet zich niet storen en ging door: +</p> +<p>„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd een liefhebbende +dochter is geweest. Niemand, dan wij<span id="xd33e3426"></span> weet, niet waar Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan +haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is, zijn wij het +ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees altijd goed voor haar, ze +verdient het.” +</p> +<p>Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem een beetje. +</p> +<p>Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten, om zich goed +te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar hem toe en verborg schreiend +haar gezichtje aan zijn schouder. +</p> +<p>„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf toch immers +uw eigen dochtertje.” +</p> +<p>Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg. +</p> +<p>„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk klinken op +ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij stootte bij Karel aan. +</p> +<p>Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje. +</p> +<p>„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat en ik beloof +plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.” +<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span></p> +<p>Daar bromde Jan’s jongensstem: +</p> +<p>„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou altijd zien.” +</p> +<p>Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men schaterde het uit +om Jan’s woorden. +</p> +<p>„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem plechtig beloven, +dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen zullen.” +</p> +<p>„Dat beloven we,” riepen allen. +</p> +<p>Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd. +</p> +<p>„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten. Enfin, het +is nog zoo ver niet.” +</p> +<p>Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of het gek zou +zijn, als ze met Karel even een straatje omging. +</p> +<p>„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?<span id="xd33e3449">”</span> vroeg haar vader, „heb je er behoefte aan een luchtje te scheppen?” +</p> +<p>Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte. +</p> +<p>„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op straat, ze kan niet +tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.” +</p> +<p>Thea werd nog verlegener en allen lachten. +</p> +<p>„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe. +</p> +<p>Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even gepakt had, +maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen. +</p> +<p>„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>hoed en een mantel voor haar, ze heeft gelijk, we moeten <span class="corr" id="xd33e3460" title="Bron: van avond">vanavond</span> nog samen gearmd uit.” +</p> +<p>Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje zich op straat. +Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat donker begon te worden, want ze +verbeeldde zich, dat iedereen naar haar keek. +</p> +<p>Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk beantwoordde +en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich in den zevenden hemel. +</p> +<p>Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje volgden; de +groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw iedere beweging van het voor +hen uitgaand paartje nadoend. +</p> +<p>Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou uitgaan, besloten +ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje. Nu hadden ze dolle pret. +</p> +<p>„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets <span class="corr" id="xd33e3470" title="Bron: gichelend">giechelend</span>, „zóó,” en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan. +</p> +<p>„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan zijn gewaand +meisje. +</p> +<p>„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons zien, nou.…” +</p> +<p>„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet goed, je moet +rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed ze vanmiddag den heelen +tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.” +</p> +<p>Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>ze kon geen kuiltjes lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg. +</p> +<p>Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s gezichtje even +naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of niemand hen zien kon, maar +had de kinderen niet ontdekt, die nog juist tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden +gevel te verbergen. +</p> +<p>„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?” +</p> +<p><span id="xd33e3483">„</span>Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard. +</p> +<p>„St,” fluisterde Bets. +</p> +<p>Thea keek onrustig om. +</p> +<p>„Hoorde je niets?” vroeg ze. +</p> +<p>Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de beschouwing van +zijn meisje. +</p> +<p>Ze liepen door. +</p> +<p>Bets en Nico volgden hen. +</p> +<p>„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.” +</p> +<p>Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter dan hij. +</p> +<p>„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.” +</p> +<p>Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte. +</p> +<p>„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik ben de grootste, +net als Karel.” +</p> +<p>„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>ben een jongen, en ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.” +</p> +<p>Dat was niet naar Bets’ zin. +</p> +<p>„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.” +</p> +<p>„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil weggeloopen.” +</p> +<p>„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.” +</p> +<p>„In ieder geval heb jij het verzonnen.” +</p> +<p>Dat was Bets te veel. +</p> +<p>„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf zal krijgen, +daar.…” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren, die tamelijk hard aankwam. +</p> +<p>Nico gilde het uit. +</p> +<p>Hevig verschrikt keken Thea en Karel om. +</p> +<p>Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf gingen met schoppen +en trappen. +</p> +<p>„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze scheiden.” +</p> +<p>Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar nauwelijks zag dit +hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam Karel bij Thea terug. +</p> +<p>„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij. +</p> +<p>„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe zouden die hier +in de straat komen.” +</p> +<p>„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.” +</p> +<p>Thea stond stil van schrik. +<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> +<p>„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen hebben? +</p> +<p>„Best mogelijk.” +</p> +<p>„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het geweest waren. Stel +je voor, al dien tijd achter ons aan!” +</p> +<p>Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er maar niet verder +over denken, ze waren het bepaald niet geweest. +</p> +<p>Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de kleintjes waren +nergens te vinden. +</p> +<p>„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita. +</p> +<p>„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,” beweerde haar +moeder. +</p> +<p>„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, <span id="xd33e3532">„</span>waar kunnen ze anders zijn.” +</p> +<p>Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de omliggende +straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist niet, wat te doen en besloot +voorloopig nog een half uurtje te wachten. Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men +verder zien. +</p> +<p>Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau van politie +zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar hen uit te zien, terug kwam, +de kleine zondaars voor zich uit duwend. +</p> +<p>„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.” +</p> +<p>Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf, kuste hen, +maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet te doen. +<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p> +<p>„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch. +</p> +<p>Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea hadden nageloopen +en hoe grappig deze gedaan hadden. +</p> +<p>Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde. +</p> +<p>„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader. +</p> +<p>Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar bed te gaan. +</p> +<p>„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets. +</p> +<p>„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er zoo afkomt.” +</p> +<p>Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder prettig, dan ze +gedacht hadden. +</p> +<div class="figure o239width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch19" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3870">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Negentiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div> +<h2 class="label">Negentiende Hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div> +<p class="first">e laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis doorbreng! +</p> +<p>Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch drukt de gedachte +aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik veel terug te krijgen, ik laat +ook heel veel achter. +</p> +<p>Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden heb, hoeveel +opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen getroost hebben, dan bekruipt +mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in +opstand, als andere meisjes zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik +ook meer genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen konden. +Ik <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet alles opnoemen, laat ik de +laatste bladzijden van dit boek liever gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor +alles, wat het leven mij gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, +ik was ook al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven afsluit, +liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven aan verschillende gevoelens, +die mij bestormden. Slapen kon ik toch niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn +trouw dagboek voor den dag gehaald. +</p> +<p>In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun liefde, hun +zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst heeft bijgedragen, tot hetgeen +goed in mij is. +</p> +<p>En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n heerlijk vertrouwelingetje +is geweest. En kleine Bets en de broertjes, die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu +niet begrijpen, dat ik soms zoo driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als +ik mij verbeeldde, dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn ondeugendheidjes +zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan nu eenmaal niet gemakkelijk +leeren. +</p> +<p>O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn. +</p> +<p>En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander kunnen zijn +en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals Vadertje laatst zei, terwijl +hij Moeders hand greep, elkanders lief en <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te doen schijnen. +</p> +<p>Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te wachten staat. In +welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij dunkt, dat het niet zwaar te +dragen zal zijn, met zoo’n besten man om je te helpen en ik zal het als een geluk +beschouwen zijn leed te mogen verzachten. +</p> +<p>En alle menschenleed! +</p> +<p>Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart, die wij ontmoeten, +te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn, maar verminderen, dat zal wel +kunnen. Hij komt door zijn beroep met zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn +trouwe helpster, zeker in staat zal zijn veel goed te doen. +</p> +<p>Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd in het weldoen +zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat hoorde opperen, dat men soms +met een vriendelijk woord en waarachtig medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling +was zoo dwaas te beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad +was en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt niets, die ziet +nu eenmaal enkel goeds in mij. +</p> +<p>Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook maar een mensch +ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het ideale wezen te lijken, waar +hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig voor. +<span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span></p> +<p>Het eigenaardigste is, dat <span class="ex">hij</span> bang is <span class="ex">mij</span> tegen te vallen! +</p> +<p>Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een door en door +goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog liever zijn, dan de deugden +van anderen. +</p> +<p>Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk waren de meisjes +op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe ongelukkig mijn arme Louise. Wie had +kunnen denken, dien eersten zwaren tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen +van diezelfde klasse afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise +moet maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende opwellingen +te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een sterken wil, als we dien +maar op het goede kunnen richten, komt alles in orde. +</p> +<p>Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet naar verlang, +Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding der kinderen. Ik heb Vader +natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in mijn onderhoud kon voorzien en had mij +altijd voorgenomen, dat zooveel mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste +kinderen te helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik +daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven geven, totdat Ita +volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel was zoo ongelukkig, toen ik dat +voorstelde, dat Vader medelijden met hem had en zei, dat ik hem zijn <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>zin maar moest geven en alle bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen +totdat Ita volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te worden. +</p> +<p>„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik. +</p> +<p>„Zonder mij?” zei Karel verwijtend. +</p> +<p>Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch niet af te +staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden, dat Karel zijn zin moest +hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af moest zetten. +</p> +<p>„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps. +</p> +<p>„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal kindje, denk +je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming te volgen, omdat ik door +hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.” +</p> +<p>Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet alles voor +zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te bevorderen. Maar één ding heb +ik toch bedongen. Karel en ik blijven voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader +Ita’s verdere opvoeding nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat +door te zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader overwonnen en +kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk daarin ten minste geen verandering +brengt. +</p> +<p>Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik morgen niet +frisch. +<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p> +<p>Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in schrijven. Ik zal +nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik mijn hart kan uitstorten, als +ik daar behoefte aan heb. +</p> +<p>Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd, alles alleen +te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader en Moeder niet verontrusten +wilde, door hen mijn verdriet te vertellen en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten +tot klaarheid te brengen. Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend +toch eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar toen vond +ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden? +</p> +<p>Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had pleizier in mijn werk +en de troostende gedachte, voor mij zelf te kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk +geweest, ik had hem dan niet gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen +mijn leven, zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal. +</p> +<p>Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op aarde voor mij +is weggelegd, morgen.…. +</p> +<div class="figure o246width"><img src="images/o094.png" alt="" width="106" height="54"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">INHOUD.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="table"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"> </td> +<td class="cell-top"> </td> +<td class="cell-top"> </td> +<td class="cell-right cell-top">Blz.</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Eerste </td> +<td><span class="seg">Hoofdstuk.</span> </td> +<td><a href="#ch1" id="xd33e3635">Het examen</a> </td> +<td class="cell-right"> 5</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Tweede </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch2" id="xd33e3648">Een kloek besluit</a> </td> +<td class="cell-right"> 15</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Derde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch3" id="xd33e3661">Afscheid</a> </td> +<td class="cell-right"> 31</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Vierde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch4" id="xd33e3674">Van huis</a> </td> +<td class="cell-right"> 41</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Vijfde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch5" id="xd33e3687">Kennismaking</a> </td> +<td class="cell-right"> 55</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Zesde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch6" id="xd33e3700">Uit Thea’s dagboek</a> </td> +<td class="cell-right"> 69</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Zevende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch7" id="xd33e3713">Een moeielijke taak</a> </td> +<td class="cell-right"> 79</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Achtste </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch8" id="xd33e3726">De verdwenen armband</a> </td> +<td class="cell-right"> 95</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Negende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch9" id="xd33e3739">Uit Thea’s dagboek</a> </td> +<td class="cell-right">105</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Tiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch10" id="xd33e3752">De ontdekking</a> </td> +<td class="cell-right">113</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Elfde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch11" id="xd33e3766">Naar huis</a> </td> +<td class="cell-right">127</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Twaalfde </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch12" id="xd33e3779">Jan’s rapport</a> </td> +<td class="cell-right">139</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Dertiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch13" id="xd33e3792">Thea krijgt een nieuwe betrekking</a> </td> +<td class="cell-right">157</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Veertiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch14" id="xd33e3805">Een vacantiedag</a> </td> +<td class="cell-right">171</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Vijftiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch15" id="xd33e3818">Een moeielijk begin</a> </td> +<td class="cell-right">187</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Zestiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch16" id="xd33e3831">Een overwinning</a> </td> +<td class="cell-right">199</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Zeventiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch17" id="xd33e3844">Thea en Louise</a> </td> +<td class="cell-right">213</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">Achttiende </td> +<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td><a href="#ch18" id="xd33e3857">Het engagement</a> </td> +<td class="cell-right">227</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom">Negentiende </td> +<td class="cell-bottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td> +<td class="cell-bottom"><a href="#ch19" id="xd33e3870">Uit Thea’s dagboek</a> </td> +<td class="cell-right cell-bottom">241</td> +</tr> +</table> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">Een geniaal Zestal, +</p> +<p class="center xl">door FELICIE JEHU. +</p> +<p class="center xl">Geïllustreerd door JAN SLUIJTERS. +</p> +<p class="center large">Prijs in prachtband ƒ 1.90. +</p> +<p><i>De Telegraaf</i> van 14 November 1907 zegt hiervan: +</p> +<p>Een nieuw boek van Felicie Jehu, dat zeker in den smaak zal vallen bij onze jonge +meisjes. Het beschrijft het gezin van een muziekonderwijzer, weduwnaar met zes dochters, +flinke, begaafde meisjes, die begrijpen, dat er aangepakt moet worden, als men het +tot iets wil brengen, zelfs al is men zoo gelukkig een talent te bezitten. +</p> +<p>Dat men in spijt van groote gaven en harden arbeid toch nog niet altijd slaagt, blijkt +uit de droeve ervaring van Olga, wier strijd om zich in haar lot te schikken, bijzonder +mooi is beschreven. Er spreekt een frissche, gezonde geest uit het boek, waarin de +vier groote meisjes, hoe verschillend van aanleg en karakter, allen—niet het minst +het kranige, zestienjarige huishoudstertje—op haar eigen wijze sympathie wekken. +</p> +<p>De <i>Zutphensche Courant</i> van 19 November 1907 schrijft: +</p> +<p>De kroon spant „Een geniaal Zestal”. Dat is met een bijzonder talent geschreven. De +geschiedenis van het zang-genie, het schildergenie, het huishoudgenie, het eetgenie +en het huilgenie is alleraardigst. Hoe leuk bijvoorbeeld die vondst om die dreumes +haar vader een rijksdaalder te laten afbedelen om hem een mooi verjaarscadeau te geven. +Hoe natuurlijk is de omgang van die meisjes onderling beschreven, hoe grappig waar +zijn de jongsten altijd. Van de illustraties zijn de plaatjes tusschen den tekst heel +aardig. Een allervermakelijkst boek, waarvan de Firma Kluitman pleizier zal beleven. +<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xl">Jongens- en Meisjesboeken, +</p> +<p class="center large bold">Prijs ƒ 2.40, in prachtband ƒ 2.90. +</p> +<p class="center xl">Paddeltje, +</p> +<p class="center large">de scheepsjongen van Michiel de Ruijter, +</p> +<p class="center">door Joh. H. <span class="ex">Been</span>. +</p> +<p class="center">Met 24 groote platen, door <span class="ex">J. H. Isings Jr.</span> +</p> +<p class="center xl">De drie Matrozen van Michiel de Ruijter, +</p> +<p class="center">door Joh. H. <span class="ex">Been</span>. +</p> +<p class="center">Met 32 groote platen, door <span class="ex">J. H. Isings Jr.</span> +</p> +<p class="center xl">Napoleon de Groote, +</p> +<p class="center">door H. Th. <span class="ex">Chappuis</span>. +</p> +<p class="center">Met 60 platen en 6 kaarten, naar <span class="ex">Gros</span>, <span class="ex">Raffet</span>, <span class="ex">Isabey</span>, <span class="ex">Bellangé</span> en andere beroemde teekenaars. +</p> +<p class="center xl">Een Heldin, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">A. C. Kuiper</span>. Met 15 illustratiën naar photografieën. +</p> +<p>Dit verhaal bevat veel, dat verdicht is en toch is het op waarheid gegrond, omdat +de voornaamste gebeurtenissen, die erin worden beschreven, werkelijk hebben plaats +gehad. Ook de ervaringen op de Engelsche kostschool zijn, zonder de minste overdrijving, +geheel naar waarheid weergegeven, terwijl de hoofdpersoon, een Duitsche, werkelijk +heeft geleefd en—nog leeft, al is haar naam niet Hedwich Eiche! +</p> +<p>Hoewel zij zichzelf allerminst „<i>Een Heldin</i>” zou noemen, heeft ze toch het volste recht op dien naam. Menige jonge lezeres, die +zelf een zonnige, gelukkige jeugd geniet, zal dit met mij eens zijn, vooral als in +aanmerking genomen wordt dat „Hedwich Eiche” den moed had reeds op haar 15e jaar de +wereld in te gaan in een tijd, toen er van werken buitenshuis voor de meeste meisjes +nog maar zeer weinig sprake kon zijn en de keuze van werkkring voor haar dus uiterst +beperkt was. +<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">Jongensboeken. +</p> +<p class="center bold">Prijs ƒ 1.50, in prachtband ƒ 1.90. +</p> +<p class="center xl bold">Hein Stavast, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Chr. van Abkoude</span>. Met 75 teekeningen van <span class="ex">Jan Rinke</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Hollandsche Jongens, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Chr. van Abkoude</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>. +</p> +<p class="center xl bold">De Laatsten der Arkels, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">P. Visser</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">J. H. Isings Jr</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Op Vijverhoek, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">F. J. Hofman</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">W. K. de Bruin</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Floris de Vijfde, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">E. Molt</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">H. C. Louwerse</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Gedenkschriften van een Schooljongen, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Joh. H. Been</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Jan Bleys</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Heintje’s Groote Vacantie, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Joh. H. Been</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>. +</p> +<p class="center xl bold"><a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29712">Uit het leven van Dik Trom</a>, 6e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Frits Wardland, 4e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>. +</p> +<p class="center xl bold">De twee Neven, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">G. B. Mulder</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Mijn Jongensjaren, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Koen van Dam</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Karel Vermeer, +</p> +<p class="center">door Ch. <span class="ex">Krienen</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">W. K. de Bruin</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Jongensleven, +</p> +<p class="center">door Mevr. <span class="ex">Van Woerden-Pop</span>. Geïll. door <span class="ex">J. H. Isings Jr</span>. +</p> +<p class="center xl bold">Weggeloopen, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Adona</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Cecil Alden</span>. +<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">Meisjesboeken. +</p> +<p class="center bold">Prijs ƒ 1.50, in prachtband ƒ 1.90. +</p> +<p class="center xl bold">Anneke, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>L. W. R. Wenckebach</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Alléén in een kleine stad, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>A. Wijthoff</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Een huis vol Meisjes. +</p> +<p class="center">Bewerkt naar het Engelsch, door <i>A. C. Kuiper</i>, <b>2e druk</b>, +</p> +<p class="center">Met 7 platen. +</p> +<p class="center xl bold"><a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/14580">Elsje</a>, 3e druk, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>A. Wijthoff</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Een Hollandsch Meisje op een Engelsche Kostschool 3e druk, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd. +</p> +<p class="center xl bold">Een lastige dochter, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Met teekeningen van <i>L. W. R. Wenckebach</i>. +</p> +<p class="center xl bold">In den Opgang, +</p> +<p class="center">door <i>Anna de Savornin Lohman</i>. Geïllustreerd door <i>Willy Sluiter</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Van een Onderwijzeresje, +</p> +<p class="center">door <i>Felicie Jehu</i>. Geïllustreerd door <i>Louis Raemaekers</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Een geniaal Zestal, +</p> +<p class="center">door <i>Felicie Jehu</i>. Geïllustreerd door <i>Jan Sluyters</i>. +</p> +<p class="center xl bold">Juffertje Wildzang, +</p> +<p class="center">door <i>Bertha Clément</i>. Geïllustreerd. +</p> +<p class="center xl bold">Rudenoord, +</p> +<p class="center">door <i>Th. Hoven</i>. Geïllustreerd. +<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">De Historische Jongensboeken +</p> +<p class="center large">van <span class="ex">P. Visser</span>. +</p> +<p class="center xl">De Laatsten der Arkels. +</p> +<p class="center">Prijs ƒ 1.50, in prachtband ƒ 1.90. +</p> +<div class="table"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><b>Het Beleg van Alkmaar.</b> </td> +<td rowspan="4" class="rowspan rightbrace cell-top cell-bottom"><img src="images/rbrace4.png" alt="}" width="12" height="80"></td> +<td rowspan="4" class="rowspan cell-right cell-top cell-bottom vam">Prijs ƒ 0.90 <br>in prachtband ƒ 1.25.</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><b>Heemskerck op Nova-Zembla.</b> <br>Tweede druk.</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><b>Heemskerck voor Gibraltar.</b></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><b>De Vliegende Hollander.</b></td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Nog een schrijver van jongensboeken, die <i>zeker</i> succes zal hebben. We bedoelen <span class="sc">P. Visser</span>, wiens Heemskerck op Nova-Zembla zoozeer in den smaak viel, dat hij zich aangespoord +voelde om een andere episode uit het leven van dezen ridderlijken zeevaarder en vlootvoogd +tot een geschiedkundig verhaal om te werken. <i>Heemskerck voor Gibraltar</i>, naar de authentieke oudere bronnen saamgesteld, is in aantrekkelijken vorm uitgegeven +en versierd met plaatjes door <span class="sc">H. C. Louwerse</span>, die er blijkbaar ernstig naar streefde getrouw te blijven aan de historie, wat betreft +kleederdracht, bewapening, huisraad enz. +</p> +<p class="signed"><i>Nieuws v. d. dag.</i> +</p> +<p>De schrijver schijnt ons toe, te kunnen zijn, wat <span class="sc">P. J. Andriessen</span> voor een vroeger tijdperk geweest is. De plaatjes van <span class="sc">H. C. Louwerse</span> zijn blijkbaar ook historisch juist, en daarbij goed geteekend. +</p> +<p class="signed"><i>Handelsblad.</i> +<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">In de Vacantie. +</p> +<p class="center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. +</p> +<p class="center">Prijs per deel ƒ 0.90, in prachtband ƒ 1.25. +</p> +<p class="large bold">A. voor Jongens: +</p> +<p class="center large bold">1. Het Beleg van Alkmaar, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">P. Visser</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">H. C. Louwerse</span>. +</p> +<p class="center large bold">2. Jaepie-Jaepie, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>. +</p> +<p class="center large bold">3. Frans van Dorentil, 2e druk<span id="xd33e4313">,</span> +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>. +</p> +<p class="center large bold">4. Twee echte Jongens, +</p> +<p class="center">door <span class="sc">Ch.</span> <span class="ex">Krienen</span>. Met teekeningen van <span class="ex">C. van der Sluys</span>. +</p> +<p class="center large bold">5. De avonturen van Vier Pretmakers, +</p> +<p class="center">door <span class="sc">Ch.</span> <span class="ex">Krienen</span>. Met 4 platen. +</p> +<p class="center large bold">6. Een Amsterdamsche Jongen, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">H. W. Sonnega</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">C. Jetzes</span>. +</p> +<p class="large bold">B. voor Meisjes: +</p> +<p class="center large bold">1. De Zusjes van de Berkenhoeve<span id="xd33e4362">,</span> +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Hermanna</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>. +</p> +<p class="center large bold">2. Het Badreisje van Cor Slung, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>. +</p> +<p class="center large bold">3. De Beschermeling van het Viertal, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">L. van der Meer</span>. Geïllustreerd met 55 platen. +</p> +<p class="center large bold">4. Koninginnetje, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Geïll. door Mevr. <span class="ex">Broekman-Klinckhamer</span>. +</p> +<p class="center large bold">5. Een gelukkig Viertal, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">C. Blankenaar Jr.</span> +</p> +<p class="center large bold">6. Alleen in ’t Nestje, +</p> +<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Met 4 platen. +<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">Ons Genoegen. +</p> +<p class="center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes. +</p> +<p class="center">Prijs per deel ƒ 0.65, in prachtband ƒ 0.90. +</p> +<p class="large bold">A. voor Jongens: +</p> +<p class="center large bold">1. Willem van den Molenaar, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <i>P. Elzer</i>. Geïllustreerd door <i>A<span id="xd33e4437">.</span> Rünckel</i>. +</p> +<p class="center large bold">2. Marc en zijn Oom, +</p> +<p class="center">door <i>L. van der Meer</i>. Geïllustreerd met 52 platen. +</p> +<p class="center large bold">3. <a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/58515">De Twee Broeders</a>, +</p> +<p class="center">door <i>C. Joh. Kieviet</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>. +</p> +<p class="center large bold">4. Bert en Bram, +</p> +<p class="center">door <i>Chr. van Abkoude</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>. +</p> +<p class="center large bold">5. Vriendschap, +</p> +<p class="center">door <i>W. Brouwer</i>. Geïllustreerd. +</p> +<p class="center large bold">6. Willem’s Verjaarsgeschenk, +</p> +<p class="center">door <i>Chr. v. Abkoude</i>. Geïll. door Mevr. <i>Broekman-Klinckhamer</i>. +</p> +<p class="large bold">B. voor Meisjes: +</p> +<p class="center large bold">1. Kasteel Rompersburgen, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <i>Hermanna</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>. +</p> +<p class="center large bold">2. Onder verschillende Meesters, 2e druk, +</p> +<p class="center">door <i>C. Joh. Kieviet</i>. Geïllustreerd door <i>W. B. Yzerdraat</i>. +</p> +<p class="center large bold">3. Millie’s Vacantie, +</p> +<p class="center">door <i>Marie Honig</i>. Geïllustreerd door <i>Jan Bleys</i>. +</p> +<p class="center large bold">4. In het Zwaluwhuis, +</p> +<p class="center">door <i>Betsy Nort</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>. +</p> +<p class="center large bold">5. Vier Nichtjes, +</p> +<p class="center">door <i>Betsy</i>. Geïllustreerd door <i>O. Geerling</i>. +</p> +<p class="center large bold">6. Lot Mertens, +</p> +<p class="center">door <i>Hermanna</i>. Geïllustreerd door <i>Louis Raemaekers</i>. +<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes +</p> +<p class="center large">van 11–14 jaar. +</p> +<p class="center bold">Prijs in prachtband ƒ 1.50 +</p> +<div class="table"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top">1. </td> +<td class="cell-top">Jan Ligthart </td> +<td class="cell-right cell-top"><b>Een Zomervacantie bij de grenzen.</b></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">2. </td> +<td>N. van Hichtum </td> +<td class="cell-right"><b>Afkes Tiental.</b> (2e druk).</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">3. </td> +<td>Anna van Gogh-Kaulbach </td> +<td class="cell-right"><b>In het Bloembollenland.</b></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">4. </td> +<td>J. Lion Cachet </td> +<td class="cell-right"><b>Van een paar Afrikaansche Jongens.</b></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left">5. </td> +<td>N. van Hichtum </td> +<td class="cell-right"><b>Friesche Schetsen.</b></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom">6. </td> +<td class="cell-bottom">A. F. Cremer </td> +<td class="cell-right cell-bottom"><b>Tien maanden in ’t IJs.</b></td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Dit is weer een nieuwe kinderbibliotheek voor de Jeugd, en al zijn die verschillende +verzamelingen bijna niet meer uit elkaar te houden, de weinige werkjes, die de pers +verlaten en gezond geestesvoedsel aan de leesgrage jeugd verschaffen, die zijn werkelijk +niet zoo veel in getal, dat we deze niet met blijdschap begroeten zouden. In eenen +adem lazen we de boeken uit en de jongens vinden ze heerlijk. +</p> +<p>De heer Ligthart (Een Zomervacantie bij de grenzen) is werkelijk met zijn gezin eenige +weken aan de Duitsche grenzen gaan doorbrengen: en heeft alles wat toen ondervonden +werd met benijdenswaardig talent te boek gesteld. Doch uit zijn relaas groeide noch +een uitvoerige reisgids, noch een doorwrocht reisverhaal—als tal van losse aardige +schetsen in een kunstenaarsalbum naast elkaar, zoo volgen hier karakteristieke beschrijvingen +en veel bijzondere <span class="corr" id="xd33e4594" title="Bron: wetenswaardigeden">wetenswaardigheden</span> elkander op en de draad van het verhaal is juist keurig genoeg om al dat mooie vast +aaneengesnoerd te houden. Wie zijn kinderen zoo’n boek koopt, zal niet nalaten het +zelf ook te lezen, want dat is juist het criterium van goede kinderlectuur dat jong +en oud er zich mede amuseeren kan, en tot nut en vermaak <span class="corr" id="xd33e4597" title="Niet in bron">van </span>beide kan het dienen. Ook is het geheele verhaal een levende demonstratie van het +gelukkige gezin, dat zich zonder zorgen eenige weken uit den dagelijkschen sleur kan +afzonderen, om het rustige landleven met volle teugen te genieten. +</p> +<p>Ook de overige werkjes mochten een gunstig onthaal verwerven. No. 2 van de serie (Afkes +Tiental) beleeft reeds een nieuwen druk<span id="xd33e4601">.</span> +<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first center xxl">Leesboeken voor jonge kinderen. +</p> +<p class="center xl">Om aan de kleintjes voor te lezen, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd. +</p> +<p class="center bold">Gebonden ƒ 2.50. +</p> +<p class="center xl">Een boek vol verhalen -:- -:- -:- -:- -:- -:- voor meisjes en jongens, +</p> +<p class="center">door <i>A. C. Kuiper</i>. Geïllustreerd. +</p> +<p class="center bold">Gebonden ƒ 2.50. +</p> +<p class="center xl">Sprookjes uit Indië, +</p> +<p class="center">door <i>Lina Tervooren</i>. Geïllustreerd door <i>Agnieta Gijswijt</i>. +</p> +<p class="center bold">Gebonden ƒ 1.50. +</p> +<p class="center xl">De zomerreis van Heer Hans, +</p> +<p class="center">door <i>Bertha</i>. Teekeningen van <i>Gertrud Caspari</i>, +</p> +<p class="center bold">Gebonden ƒ 1.25. +</p> +<p class="center xl">Van de Vuurkaboutertjes, +</p> +<p class="center">door <i>Aletta Hoog</i>. Geïllustreerd door <i>G. van Doorn</i>. +</p> +<p class="center bold">Gebonden ƒ 0.75. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="118" height="720"></div><p> +</p> +<p> +</p> +<p></p> +<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="489" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table role="presentation"> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">Het examen.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">5</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">Een kloek besluit.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">15</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">Afscheid.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">31</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">Van huis.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">41</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">Kennismaking.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">55</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">Uit Thea’s dagboek.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">69</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">Een moeielijke taak.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">79</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VIII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">De verdwenen armband.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">95</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">IX. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">Uit Thea’s dagboek.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">105</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">X. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">De ontdekking.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">113</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">Naar huis.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">127</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">Jan’s rapport.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">139</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XIII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">Thea krijgt een nieuwe betrekking.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">157</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XIV. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">Een vacantiedag.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">171</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XV. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch15">Een moeielijk begin.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">187</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XVI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch16">Een overwinning.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">199</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XVII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch17">Thea en Louise.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">213</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XVIII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch18">Het engagement.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">227</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">XIX. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch19">Uit Thea’s dagboek.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">241</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#toc">INHOUD.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">247</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2026-05-08 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 96 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e183">7</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2397">163</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2711">183</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2747">184</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3354">229</a></td> +<td class="width40 bottom">van middag</td> +<td class="width40 bottom">vanmiddag</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e200">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e603">37</a>, <a class="pageref" href="#xd33e676">43</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1557">103</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1739">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1746">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2439">166</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2494">169</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3449">234</a></td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e274">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e829">53</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1841">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1925">132</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2117">146</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2771">187</a></td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e285">13</a></td> +<td class="width40 bottom">omstuimig</td> +<td class="width40 bottom">onstuimig</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e335">17</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3078">208</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3086">209</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3260">222</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3532">238</a></td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e382">20</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3069">207</a></td> +<td class="width40 bottom">van zelf</td> +<td class="width40 bottom">vanzelf</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e580">36</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1361">90</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2036">142</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2174">149</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3072">207</a></td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="width40 bottom">?</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e654">42</a></td> +<td class="width40 bottom">bizonders</td> +<td class="width40 bottom">bijzonders</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e736">47</a></td> +<td class="width40 bottom">jonge mensch</td> +<td class="width40 bottom">jongemensch</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e791">51</a></td> +<td class="width40 bottom">Neem</td> +<td class="width40 bottom">Neemt</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e808">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1478">99</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1498">100</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1580">105</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2684">181</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2773">187</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3000">202</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3003">202</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3144">215</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3243">221</a></td> +<td class="width40 bottom">bizonder</td> +<td class="width40 bottom">bijzonder</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1036">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3249">221</a></td> +<td class="width40 bottom">op eens</td> +<td class="width40 bottom">opeens</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1114">73</a></td> +<td class="width40 bottom">te te</td> +<td class="width40 bottom">te</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1297">86</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2722">183</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2922">197</a></td> +<td class="width40 bottom">van morgen</td> +<td class="width40 bottom">vanmorgen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1333">89</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1341">89</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1396">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1406">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1418">94</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3460">235</a></td> +<td class="width40 bottom">van avond</td> +<td class="width40 bottom">vanavond</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1431">95</a></td> +<td class="width40 bottom">Zij</td> +<td class="width40 bottom">Hij</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1434">95</a></td> +<td class="width40 bottom">hare</td> +<td class="width40 bottom">zijne</td> +<td class="bottom">4</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1462">98</a></td> +<td class="width40 bottom">Op eens</td> +<td class="width40 bottom">Opeens</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1535">102</a></td> +<td class="width40 bottom">tafreel</td> +<td class="width40 bottom">tafereel</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1589">106</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1691">117</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1754">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1784">121</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2084">144</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2733">184</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3426">233</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1598">107</a></td> +<td class="width40 bottom">sympatieker</td> +<td class="width40 bottom">sympathieker</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1705">117</a></td> +<td class="width40 bottom">weg genomen</td> +<td class="width40 bottom">weggenomen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1902">131</a></td> +<td class="width40 bottom">opaan</td> +<td class="width40 bottom">op aan</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2250">153</a></td> +<td class="width40 bottom">bewegenloos</td> +<td class="width40 bottom">bewegingloos</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2474">168</a></td> +<td class="width40 bottom">zes honderd</td> +<td class="width40 bottom">zeshonderd</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2585">176</a></td> +<td class="width40 bottom">Van morgen</td> +<td class="width40 bottom">Vanmorgen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2631">178</a></td> +<td class="width40 bottom">scéne</td> +<td class="width40 bottom">scène</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2664">180</a></td> +<td class="width40 bottom">photohraaf</td> +<td class="width40 bottom">photograaf</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2744">184</a></td> +<td class="width40 bottom">weetje</td> +<td class="width40 bottom">weet je</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2766">187</a></td> +<td class="width40 bottom">klassse</td> +<td class="width40 bottom">klasse</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2958">199</a></td> +<td class="width40 bottom">rechtsomkeer</td> +<td class="width40 bottom">rechtsomkeert</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3018">203</a></td> +<td class="width40 bottom">bizonderheden</td> +<td class="width40 bottom">bijzonderheden</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3026">204</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3034">204</a></td> +<td class="width40 bottom">concierge</td> +<td class="width40 bottom">conciërge</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3098">210</a></td> +<td class="width40 bottom">van ochtend</td> +<td class="width40 bottom">vanochtend</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3167">217</a></td> +<td class="width40 bottom">Aseer</td> +<td class="width40 bottom">Asser</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3232">221</a></td> +<td class="width40 bottom">patientje</td> +<td class="width40 bottom">patiëntje</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3254">221</a></td> +<td class="width40 bottom">niëerend</td> +<td class="width40 bottom">negeerend</td> +<td class="bottom">3 / 2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3298">224</a></td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3470">235</a></td> +<td class="width40 bottom">gichelend</td> +<td class="width40 bottom">giechelend</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3483">236</a></td> +<td class="width40 bottom">„„</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4313">253</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4362">253</a></td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4437">254</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4601">255</a></td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4594">255</a></td> +<td class="width40 bottom">wetenswaardigeden</td> +<td class="width40 bottom">wetenswaardigheden</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4597">255</a></td> +<td class="width40 bottom"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom">van </td> +<td class="bottom">4</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***</div> +</body> +</html> diff --git a/78835-h/images/back.jpg b/78835-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e22d8d2 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/back.jpg diff --git a/78835-h/images/front.jpg b/78835-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..68132b9 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/front.jpg diff --git a/78835-h/images/frontispiece.jpg b/78835-h/images/frontispiece.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3ad4079 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/frontispiece.jpg diff --git a/78835-h/images/initial-a.png b/78835-h/images/initial-a.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7497a2d --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-a.png diff --git a/78835-h/images/initial-d.png b/78835-h/images/initial-d.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..52a84fc --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-d.png diff --git a/78835-h/images/initial-h.png b/78835-h/images/initial-h.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cc475e4 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-h.png diff --git a/78835-h/images/initial-k.png b/78835-h/images/initial-k.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5a0b7b4 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-k.png diff --git a/78835-h/images/initial-m.png b/78835-h/images/initial-m.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3308cf2 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-m.png diff --git a/78835-h/images/initial-n.png b/78835-h/images/initial-n.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..30fbbb5 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-n.png diff --git a/78835-h/images/initial-o.png b/78835-h/images/initial-o.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b7af3a3 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-o.png diff --git a/78835-h/images/initial-t.png b/78835-h/images/initial-t.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..556caa4 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-t.png diff --git a/78835-h/images/initial-v.png b/78835-h/images/initial-v.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..caea83f --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-v.png diff --git a/78835-h/images/initial-w.png b/78835-h/images/initial-w.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6a7abc8 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/initial-w.png diff --git a/78835-h/images/o005.png b/78835-h/images/o005.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7820e1d --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o005.png diff --git a/78835-h/images/o014.png b/78835-h/images/o014.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fb12cf9 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o014.png diff --git a/78835-h/images/o015.png b/78835-h/images/o015.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ec0f14d --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o015.png diff --git a/78835-h/images/o029.png b/78835-h/images/o029.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..efb035d --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o029.png diff --git a/78835-h/images/o040.png b/78835-h/images/o040.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c91b309 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o040.png diff --git a/78835-h/images/o041.png b/78835-h/images/o041.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ab3e1e2 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o041.png diff --git a/78835-h/images/o094.png b/78835-h/images/o094.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9327849 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/o094.png diff --git a/78835-h/images/p048.jpg b/78835-h/images/p048.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..317f850 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/p048.jpg diff --git a/78835-h/images/p152.jpg b/78835-h/images/p152.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e257042 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/p152.jpg diff --git a/78835-h/images/p216.jpg b/78835-h/images/p216.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0aaef71 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/p216.jpg diff --git a/78835-h/images/rbrace4.png b/78835-h/images/rbrace4.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..94d6ef7 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/rbrace4.png diff --git a/78835-h/images/spine.jpg b/78835-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c6e0c94 --- /dev/null +++ b/78835-h/images/spine.jpg diff --git a/78835-h/images/titlepage.png b/78835-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5628c4b --- /dev/null +++ b/78835-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6c72794 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This book, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..1551182 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1 @@ +[Project Gutenberg](https://www.gutenberg.org) public repository for eBook [#78835](https://www.gutenberg.org/ebooks/78835) |
