summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-09 14:12:20 -0700
committerwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-09 14:12:20 -0700
commit8b9a20366a5919558ee226e369763808fbcca8f2 (patch)
treeca47007f8165b08921b920fd55865c734d021342
Initial commit of ebook 78835 filesHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes13
-rw-r--r--78835-0.txt7499
-rw-r--r--78835-h/78835-h.htm8756
-rw-r--r--78835-h/images/back.jpgbin0 -> 152363 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/front.jpgbin0 -> 297697 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/frontispiece.jpgbin0 -> 560995 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-a.pngbin0 -> 24495 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-d.pngbin0 -> 24986 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-h.pngbin0 -> 25177 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-k.pngbin0 -> 23995 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-m.pngbin0 -> 24531 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-n.pngbin0 -> 25033 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-o.pngbin0 -> 24825 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-t.pngbin0 -> 25194 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-v.pngbin0 -> 26442 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/initial-w.pngbin0 -> 26530 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o005.pngbin0 -> 22474 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o014.pngbin0 -> 2213 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o015.pngbin0 -> 30461 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o029.pngbin0 -> 19882 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o040.pngbin0 -> 13752 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o041.pngbin0 -> 30219 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/o094.pngbin0 -> 4826 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/p048.jpgbin0 -> 704823 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/p152.jpgbin0 -> 621674 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/p216.jpgbin0 -> 546673 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/rbrace4.pngbin0 -> 263 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/spine.jpgbin0 -> 74281 bytes
-rw-r--r--78835-h/images/titlepage.pngbin0 -> 73530 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md1
31 files changed, 16280 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..9f57f44
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,13 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
+*.htm text
+*.html text
+*.png binary
+*.jpg binary
+*.svg text
+*.pdf binary
+*.bmp binary
+*.zip binary
+*.midi binary
+*.mp3 binary
diff --git a/78835-0.txt b/78835-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..88058c1
--- /dev/null
+++ b/78835-0.txt
@@ -0,0 +1,7499 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***
+
+
+
+
+
+ HET
+ ONDERWIJZERESJE
+
+
+ DOOR
+ FELICIE JEHU.
+
+ GEÏLLUSTREERD DOOR
+ LOUIS RAEMAEKERS.
+
+
+ ALKMAAR—P. KLUITMAN.
+ 1908.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET EXAMEN.
+
+
+Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij
+daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van
+zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan
+zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en
+veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had
+naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en
+ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen.
+
+Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en
+niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon.
+
+En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn
+huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral.
+
+Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien,
+de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en
+buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld
+was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen
+weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds
+liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van
+militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel
+dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat
+hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was
+hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en
+dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat
+daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.
+
+Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de
+handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen
+beiden hun lot te dragen.
+
+En dan zijne kinderen!
+
+Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen
+vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen
+van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid
+van het huis uit.
+
+En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu
+negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als
+geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te
+genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig
+mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper
+meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne
+zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar
+hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds
+trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had,
+toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte.
+
+Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed
+of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo
+gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig
+te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond,
+werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita,
+zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar
+zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen
+dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine
+Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.
+
+Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger
+worden.
+
+Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een
+oogenblikje bij hem kon blijven.
+
+„Ben je daar, beste,” riep hij.
+
+De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.
+
+„Riep je, Johan?”
+
+„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt,
+het is al half drie.”
+
+Zijn vrouw zette zich naast hem neer.
+
+„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn.
+Valt de tijd je zoo lang?”
+
+„Ja, jou niet?”
+
+„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw
+voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?”
+
+„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”
+
+„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”
+
+„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel
+bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.”
+
+In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te
+kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van
+Thea.
+
+„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de
+lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er
+smalletjes uit in den laatsten tijd.”
+
+Haar man zuchtte.
+
+„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn,
+als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om
+zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en
+daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is
+miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”
+
+Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.
+
+„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat
+je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap
+bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het
+dadelijk weer van je te zullen overnemen.”
+
+„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor
+haar genoegen leven.”
+
+„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een
+betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld
+betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”
+
+Weer zuchtte mijnheer van Welderen.
+
+„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de
+gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet
+verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me
+dat kwelt.”
+
+Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.
+
+„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,”
+voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig
+te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”
+
+„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar
+man, maar ze viel hem in de rede:
+
+„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te
+treuren. Ik ga de jongens even opendoen.”
+
+Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico
+naar binnen.
+
+„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat
+waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet
+voorhoofd af.
+
+Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.
+
+„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem
+zijne krullen uit zijn gezichtje.
+
+„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en
+je haar die rozen geeft?”
+
+Nico knikte van ja.
+
+„Wat dan?”
+
+„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou
+weer van Thea les?”
+
+„Ja, vin’ je dat niet prettig?”
+
+„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel
+liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”
+
+Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het
+hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen
+hem al zooveel kostten.
+
+Toen hervatte hij:
+
+„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en
+je zult lief zijn en je best doen, niet waar?”
+
+Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit
+niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn
+moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam
+ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.
+
+Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.
+
+„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader.
+
+Jan schudde ontkennend.
+
+Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.
+
+„Jan,” zei hij weer.
+
+Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee
+gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden
+het de zusjes zijn?
+
+„Jan,” zei nog eens zijn vader.
+
+Doch Jan keek niet om.
+
+„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de
+ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:
+
+„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier,
+hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich
+zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur,
+roepend:
+
+„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”
+
+Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook
+naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een
+paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit
+papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste
+letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar
+haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.
+
+Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.
+
+„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de
+deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar
+vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met
+tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe
+gespannen zijn zenuwen waren.
+
+Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander
+hartelijk.
+
+„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk
+geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.”
+
+Nog een kus en Thea richtte zich op.
+
+„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan
+verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens
+flink.
+
+Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een
+mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje
+oprichtte, om gekust te worden.
+
+„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.
+
+„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.
+
+„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”
+
+Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar
+gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was.
+
+„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later
+niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je
+examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar.
+
+Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met
+een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens
+een schaaltje met bisquits.
+
+„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.
+
+„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter
+vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel.
+
+„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot
+antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar
+moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild
+met Vader moet zijn.”
+
+Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.
+
+„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn
+wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem
+had neergezet, stootte hij met Thea aan.
+
+„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n
+feestje vieren mogen!”
+
+Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat
+er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig,
+klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze
+brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen.
+
+„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.”
+
+„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet
+er ook bij zijn.”
+
+Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt:
+„ze is er door.”
+
+„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t
+me verteld voor ik naar school ging.”
+
+Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds
+geleegde glazen.
+
+„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.
+
+Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.
+
+„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je
+toch zeker het goede nieuws verteld?”
+
+„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten
+had, Thea was immers zoo knap.
+
+Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.
+
+„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op
+school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was,
+was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten
+tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij,
+dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar
+glaasje leeg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN KLOEK BESLUIT.
+
+
+Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.
+
+Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen,
+die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en
+moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou
+beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.
+
+Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit,
+hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de
+rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar
+jong gezichtje.
+
+Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn
+zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat
+krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het
+dierenrijk moesten voorstellen.
+
+Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij,
+dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en
+teekende veel liever een beetje.
+
+Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een
+gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had
+gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was
+ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar
+niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.
+
+En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!
+
+De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze
+zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders
+toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en
+dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit
+zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag
+toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt
+ging.
+
+Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende,
+zag ze, dat Nico verdwenen was.
+
+Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het
+nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het
+naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet
+ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen.
+
+Waar zou hij zijn?
+
+Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze
+zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea
+slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me
+naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.”
+
+Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare
+wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.
+
+Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:
+
+„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof
+er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les
+weggeloopen.”
+
+Toen Nico’s stem:
+
+„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea
+heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze
+heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar
+school?”
+
+Daarna weer haar vader:
+
+„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd,
+dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als
+Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur
+vroeger naar bed. Begrepen?”
+
+Nico begon te huilen.
+
+„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea
+niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”
+
+„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed?
+Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je
+weggeloopen bent.”
+
+Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had
+zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen.
+
+Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig
+op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend.
+
+Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop
+om en trad binnen.
+
+Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea?
+Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond
+vroeg naar bed moet.”
+
+Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.
+
+„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout
+geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....”
+
+Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.
+
+„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”
+
+Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich
+open latend.
+
+Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.
+
+Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken
+en bezorgd boog Thea zich over hem heen.
+
+„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.
+
+„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij
+me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.”
+
+Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:
+
+„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo
+afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het
+dichtslaan der deur.”
+
+Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:
+
+„Hoe kwam dat zoo?”
+
+Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat
+ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde
+zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen
+had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn
+schouder, zei ze:
+
+„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig,
+maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat
+beloof ik u.”
+
+Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog
+zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat
+hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij
+geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou
+blijken te zijn.
+
+„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een
+jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te
+meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een
+gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen
+jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en
+ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je
+afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet,
+geheel ongelijk heeft hij niet.”
+
+De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden
+lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen.
+
+„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen
+broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij
+hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.”
+
+Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge
+plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort
+was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al
+was die leerling haar broertje.
+
+„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat
+je een goed onderwijzeres bent.”
+
+Thea begon te schreien.
+
+„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af
+en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten,
+dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar
+Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”
+
+Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar
+het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf.
+
+Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond
+lag er al mee bezaaid.
+
+„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is
+je som af?”
+
+Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan
+haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze
+gehuild had.
+
+„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan
+moet je maar niet zitten suffen.”
+
+Nu keek zijn zuster werkelijk boos.
+
+„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je
+oogenblikkelijk naar bed te sturen.”
+
+Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het
+werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien.
+Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen:
+
+„Je hebt toch een lekker standje gehad!”
+
+Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van
+merkte.
+
+„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk.
+Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een
+leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven
+spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij
+triomphant zijn som aan Thea.
+
+„Al af,” zei hij.
+
+„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”
+
+„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu
+verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”
+
+„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar
+straks.”
+
+Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande,
+zei hij tusschen twee kussen door:
+
+„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit
+meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.”
+
+Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.
+
+„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je
+van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren
+en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.”
+
+De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag
+goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren
+kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten
+te zeggen, toen de les was afgeloopen:
+
+„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”
+
+„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend
+wegholde.
+
+Thea keek hem hoofdschuddend na.
+
+„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken
+en zijn lei wegbergend.
+
+Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar
+Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had,
+of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets
+spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen
+er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar
+boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze
+Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.
+
+Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar,
+eens kalm bij hem te gaan zitten.
+
+„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven
+ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.”
+
+„Voor mij, Vader?”
+
+„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als
+gouvernante.”
+
+„Is ’t echt?”
+
+Thea had een kleur gekregen van verrassing.
+
+„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik
+onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij
+kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.”
+
+Thea bloosde alweer.
+
+„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u
+immers?”
+
+Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:
+
+„Het is toch extern, niet waar?”
+
+Nu nam haar moeder het woord.
+
+„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn,
+maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.”
+
+„Maar dan toch hier in de stad?”
+
+„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het
+is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar
+eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?”
+
+Hier viel haar vader in:
+
+„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen,
+die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen
+hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij
+wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden
+salaris krijgen.”
+
+Thea keek verbaasd.
+
+„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.
+
+„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die
+familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten
+gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed
+het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.”
+
+Thea was stil geworden.
+
+Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn,
+die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar
+toch....
+
+„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.
+
+Haar vader schudde zijn hoofd.
+
+„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel
+onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.”
+
+Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.
+
+Haar moeder trok haar naar zich toe.
+
+„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg
+ze zacht.
+
+Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan
+haar borst.
+
+„Vreeselijk,” zuchtte ze.
+
+„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar
+toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi
+aanbod. Denk er eens kalm over na.”
+
+„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens
+beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er
+over nadenken.”
+
+„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.
+
+Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur
+liep, dat haar vader haar terugriep.
+
+„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”
+
+Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende,
+waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze
+zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit.
+
+„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo
+vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons
+aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen
+opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.”
+
+Thea glimlachte door hare tranen heen.
+
+„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”
+
+Haar moeder maakte een ontkennende beweging.
+
+„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je
+zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede
+betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en
+dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod
+afslaan.”
+
+Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.
+
+„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let
+er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van
+geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks
+zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”
+
+Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach,
+het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook
+haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”
+
+Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico
+haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde:
+„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur
+achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen
+den vrijen loop.
+
+Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes.
+Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een
+betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen,
+daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk
+gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een
+school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de
+gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en
+harten, die haar begrepen.
+
+En nu?
+
+Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet
+kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig
+was.
+
+En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat
+durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn.
+
+Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch
+moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren
+mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als
+haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van
+hare ouders te verlichten.
+
+Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.
+
+Het snikken was nu bedaard.
+
+Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen
+kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen
+te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen,
+dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze
+wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven
+uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan
+verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat
+zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet.
+
+En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem
+opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou
+dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te
+spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om
+het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een
+strenge onderwijzeres te worden.
+
+Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel
+veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou
+kunnen uitoefenen.
+
+Maar Nico hield ook veel van haar en toch....
+
+Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar
+besluit mededeelen.
+
+Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze
+verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:
+
+„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je
+eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat
+goed.”
+
+Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou
+haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht
+komen.
+
+Haar vader greep haar hand.
+
+„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.
+
+„Doe het liever straks nog,” verzocht ze.
+
+Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in
+orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet
+geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit
+den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+AFSCHEID.
+
+
+Wat een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar
+Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een
+behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes
+hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea
+een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.
+
+Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.
+
+Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en
+deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat
+haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis.
+Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in
+haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in.
+
+Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat
+ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes.
+
+Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde
+in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging
+wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes.
+
+Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school
+mocht.
+
+„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?”
+vroeg Thea.
+
+„Heelemaal niet.”
+
+Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen
+vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam
+zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen,
+die ze liefhad, moest achterlaten.
+
+Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen
+tijd tot veel nadenken.
+
+Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één,
+die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot
+nadenken had.
+
+Hoe hij haar missen zou!
+
+Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat,
+niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd
+gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op
+te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost
+geweest.
+
+En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn
+goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo
+heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders
+geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar
+het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd
+verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet
+altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel
+beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.
+
+Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve
+meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet
+gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een
+paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap
+had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere
+kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar
+wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte,
+zich in te houden.
+
+Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden,
+maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde
+de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet
+bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem
+verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen
+niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien.
+
+Zoo speelden ze comedie voor elkander.
+
+Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem
+zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering
+opzag.
+
+Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere
+meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar
+plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis
+zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd
+eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren
+gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze
+kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar
+thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat
+ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo.
+
+Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet
+missen?
+
+Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe
+ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten
+merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige
+natuur.
+
+Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had
+ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu
+was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven,
+terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes
+van Thea klaarmaakte.
+
+Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan.
+
+„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer
+alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”
+
+Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet
+mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar
+zich toe, om haar een kus te geven.
+
+„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te
+gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men
+niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand
+of wat kom je al weer eens thuis.”
+
+„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de
+Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op
+die kinderen passen.”
+
+„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar
+mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare
+kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf
+feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de
+wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”
+
+„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”
+
+Haar vader streelde haar hand.
+
+„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen,
+dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar
+noodig bent.”
+
+Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van
+haar vader.
+
+„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze.
+
+Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.
+
+„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten
+klank gevend, zei hij:
+
+„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in
+betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best
+is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen
+helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk,
+dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”
+
+Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?
+
+Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het
+meest verdriet deed in zijn leven.
+
+Ze kuste hem en sprong op.
+
+„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in
+staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu
+verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois
+voorlezen?”
+
+„Graag, kindje.”
+
+Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.
+
+Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen,
+laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen
+wilde.”
+
+Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.
+
+„Ja, Vader.”
+
+„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel
+rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, die als dochters des huizes
+natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als
+ondergeschikte komt.”
+
+„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.
+
+Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een
+prinsesje was.
+
+„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen
+beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des
+huizes.”
+
+Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.
+
+„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.
+
+„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je
+misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je
+dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent
+natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld
+dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog
+draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en
+levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke
+plooi zal geven.”
+
+Thea keek somber voor zich uit.
+
+„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,” zei ze.
+
+„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten
+toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden
+als je wilt.”
+
+„Dat wil ik, Vader.”
+
+Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo
+weinig van de wereld af, ze dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en
+zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van
+alle kanten wilden inwerken.
+
+Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar
+hoofd buigend, zei ze zacht:
+
+„Ik zal mijn best doen, Vader.”
+
+Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
+
+Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.
+
+„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.
+
+Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.
+
+„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan
+dekken.”
+
+„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend.
+„Ik zal je even helpen.”
+
+Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen
+om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja
+zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij
+had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het
+feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het
+eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed
+waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij
+elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de
+kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had
+zich over hun vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder
+voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den
+trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in
+Brussel.
+
+Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den
+hals van haar zuster.
+
+„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.
+
+Ita schudde haar lachend van zich af.
+
+„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe
+Griet.”
+
+Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.
+
+„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet
+zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven,
+maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het
+minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?”
+
+Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.
+
+„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t
+belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven,
+wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets
+haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en
+onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van
+de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik
+niet.”
+
+Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen.
+
+„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen
+en dan ga je lekker slapen.”
+
+Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te
+kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra
+hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VAN HUIS.
+
+
+Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde
+onder de kap van het station uit.
+
+Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van
+haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet
+te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar
+hoekje neer.
+
+Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar
+gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader
+en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende
+familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen
+had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden
+hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar
+gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien
+was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen
+afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare
+wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met
+haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over.
+
+Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt
+moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een
+innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet,
+kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht
+had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.
+
+Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar
+of zeventien gaf ze haar niet.
+
+Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om
+weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren,
+die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet,
+dat het schepseltje er van had.
+
+Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar
+met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er
+geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens
+uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer
+passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en
+dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor
+ze het wisten.
+
+Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.
+
+Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.
+
+„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame
+tegenover haar.
+
+De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken,
+zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte
+aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde:
+
+„O, vreeselijk.”
+
+Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis
+moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde:
+
+„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”
+
+De dame begon te lachen.
+
+„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel
+reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel
+moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.”
+
+Thea keek haar verbaasd aan.
+
+„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze.
+
+„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo
+bedroefd niet zijn.”
+
+Thea begon te lachen.
+
+Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik
+haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les
+te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest.
+
+Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:
+
+„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar
+niet zijn op die school.”
+
+Thea had pret in ’t geval.
+
+Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen
+twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje
+zou worden aangezien.
+
+„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.
+
+„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”
+
+„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje
+ouder.”
+
+„Achttien dus?”
+
+„Neen, negentien.”
+
+Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.
+
+„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan
+nu nog naar kostschool?”
+
+„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”
+
+„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”
+
+„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”
+
+Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.
+
+„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”
+
+Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor
+bespottelijks aan was.
+
+„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf.
+
+De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.
+
+„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg
+jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als
+een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar
+daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel
+anders zijn, dan hij er uitziet.”
+
+Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”
+
+Thea keek stil voor zich.
+
+Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu
+dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden
+die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben!
+
+Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!
+
+Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw
+er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk
+woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er
+eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich
+naast Thea neerzette.
+
+Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s
+hand en fluisterde:
+
+„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”
+
+Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren,
+dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van
+hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen
+te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte,
+ontsnapte haar toch een snik.
+
+Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.
+
+Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en
+bood het haar aan.
+
+Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich
+gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een
+goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze
+haar hoofd schudde.
+
+Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar
+tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare
+tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar
+uiterste best onverschillig te kijken.
+
+„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.
+
+„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg.
+Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan
+doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken.
+
+Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging
+schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken,
+die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware.
+
+Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar
+en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel
+verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en
+van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest
+en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou
+verstaan, maakte haar boos en verlegen.
+
+Men naderde de grens.
+
+Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.
+
+„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij
+een genoegen zijn,” zei hij.
+
+Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de
+grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de
+douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp
+aannemen?
+
+Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:
+
+„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus
+bedankt voor uw beleefdheid.”
+
+Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte,
+maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al
+of niet aannemen van zijn hulp.
+
+Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte
+terug.
+
+Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was
+nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden
+moest.
+
+Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar
+koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea
+zitten, in plaats van tegenover haar.
+
+Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat
+verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.
+
+„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s
+beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.”
+
+„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.
+
+Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis
+faut mieux qu’ à côté.”
+
+Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te
+zoeken.
+
+Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé
+toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.
+
+Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie
+afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van
+Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou
+vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een
+verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die
+soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de
+knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand
+anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed
+en kwam toen op haar af.
+
+„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend.
+
+Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen.
+Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer
+zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra
+reed ze door Brussel’s straten.
+
+Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze
+zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de
+straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar
+Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om
+pleizier in dit alles te kunnen hebben.
+
+Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe
+voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige
+bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen,
+mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen.
+
+Thea voelde een rilling door hare leden gaan.
+
+De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van
+zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had
+toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang
+van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en
+Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de
+deftige salon van mevrouw van Gendringen.
+
+De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn
+gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij
+was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar
+daarom werkten zijne gedachten toch wel.
+
+En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem
+volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had
+voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind.
+
+„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe
+mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel
+van een grenadier en nu zoo’n pop.”
+
+Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar
+uitging, de lange vestibule door en de breede trap op.
+
+Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij
+gaand, om haar te laten passeeren, zei hij:
+
+„Mademoiselle van Welderen.”
+
+Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.
+
+In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte
+op, groot en statig.
+
+Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel,
+alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze
+veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld
+hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw
+van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend
+vond.
+
+Toen met een handgebaar naar een der stoelen:
+
+„Neemt u plaats.”
+
+Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles,
+de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht
+en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen:
+
+„Heeft u een goede reis gehad?”
+
+Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.
+
+„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem
+klonk haar als die van een vreemde in de ooren.
+
+„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer
+aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien
+en gesproken te hebben.”
+
+De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.
+
+Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van
+Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend.
+
+„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.
+
+„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig
+jaar was, dat is u immers?”
+
+Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel,
+alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein
+tenger persoontje te zijn, als nu.
+
+„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.
+
+„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien
+al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen
+van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te
+wagen.”
+
+Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.
+
+Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede
+familie, als haar toekomstige meesteres.
+
+Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen
+recht aan.
+
+Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een
+mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter
+en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien
+zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken
+van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante
+harer kinderen.
+
+„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste
+van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar,
+Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn
+zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer
+ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante
+heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar,
+zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”
+
+Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo
+verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de
+kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn
+toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van
+Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u
+zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.”
+
+Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij
+haar te brengen.
+
+„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook
+wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er
+trotsch bij.
+
+Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.
+
+Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van
+blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk
+volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was.
+
+Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te
+veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje
+had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit
+eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw.
+
+„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand.
+Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd
+worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar
+juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”
+
+Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden
+met haar.
+
+Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe.
+
+„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?”
+zei ze vriendelijk.
+
+Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van
+Gendringen.
+
+„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er
+haar voor straffen zult,” zei ze koel.
+
+Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon,
+dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en
+liefde:
+
+„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden.
+Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”
+
+Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje,
+goed op te passen.
+
+Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.
+
+„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.
+
+„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw
+gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner
+weer. U eet met de kinderen om twee uur.”
+
+Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te
+brengen.
+
+„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich
+daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea
+verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te
+hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+KENNISMAKING.
+
+
+Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit
+den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden.
+Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar
+gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond,
+als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor
+bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens,
+hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee
+uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende
+naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur.
+
+Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.
+
+Thea verliet haar kamer en ging een trap af.
+
+Waar zou ze moeten wezen?
+
+Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze
+er ooit wennen?
+
+Gelukkig, daar zag ze een bediende.
+
+„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar
+openend.
+
+Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer,
+ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond.
+In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er
+rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.
+
+Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door
+Constance.
+
+Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op
+haar gemak scheen te zijn, als zij.
+
+Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:
+
+„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”
+
+Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te
+binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter
+zijde opnemend.
+
+Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi,
+vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en
+onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden
+met haar, dat kind was niet gelukkig.
+
+De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.
+
+Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten,
+zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw
+nieuwsgierig aan.
+
+Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.
+
+Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets
+te zeggen, vroeg ze aan Constance:
+
+„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons
+eten we om half zes.”
+
+Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:
+
+„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om
+half zeven.”
+
+Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg
+Thea:
+
+„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”
+
+„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u
+en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker,
+hè?”
+
+Thea begon te lachen.
+
+„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel
+graag.”
+
+Armand keek haar eens aan.
+
+„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.
+
+„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”
+
+Het mooie kindergezichtje betrok.
+
+„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou
+houden, zoo zag u er net uit.”
+
+Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel
+ernstig te kijken.
+
+„Dan heb je je vergist.”
+
+Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”
+
+Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig
+familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich
+tot Constance.
+
+„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”
+
+Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”
+
+„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je
+nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het
+misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van
+het meisje, haar hoofd wat op te lichten.
+
+Ruw duwde Constance die hand terug.
+
+Thea kreeg een kleur.
+
+„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.
+
+Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea
+uitdagend aan.
+
+„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u
+dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u
+kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen,
+heelemaal niets.”
+
+Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.
+
+„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de
+vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”
+
+Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd,
+maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n
+blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde.
+
+„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal
+zelf wel zien, hoe ze is.”
+
+Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo
+toegesproken te worden.
+
+Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek
+dadelijk weer voor zich.
+
+Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig
+over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van
+straks te verklaren.
+
+„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt
+Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”
+
+Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar
+broertje toe:
+
+„Zwijg over Papa.”
+
+Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.
+
+„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van
+hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook
+wel.”
+
+Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar
+nieuwsgierigheid deed haar vragen:
+
+„Wat bedoel je toch, Armand?”
+
+„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van
+Stans.”
+
+„Och kom, je praat onzin, kind.”
+
+„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die
+hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had
+geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen
+mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”
+
+Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind,
+nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren.
+Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea
+al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen
+zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets
+vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het
+was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.
+
+Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.
+
+„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.
+
+„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen
+trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.”
+
+Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.
+
+„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij
+houden als van Armand.”
+
+„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”
+
+Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.
+
+„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”
+
+Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:
+
+„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?”
+
+„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”
+
+„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het
+eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en
+toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.”
+
+Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een
+heldendaad verteld had.
+
+Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend,
+maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij
+dingen zei en deed, die alles behalve lief waren.
+
+Ze zuchtte eens.
+
+Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide
+kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog
+zoo weinig ervaring.
+
+„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.
+
+Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.
+
+„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.
+
+„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.
+
+„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”
+
+Thea aarzelde.
+
+„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.
+
+„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het
+beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de
+dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat
+Mama in haar hoofd kreeg.
+
+„Constance,” zei Thea.
+
+„Wat is er, juffrouw?”
+
+„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”
+
+„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar
+eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen
+trad binnen, gevolgd door hare dochters.
+
+Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche
+gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van
+uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met
+mooie, witte tanden.
+
+„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,”
+zei Mevrouw.
+
+Thea boog.
+
+Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?
+
+Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit,
+maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder.
+
+Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:
+
+„Bella is ook bang voor Mama.”
+
+„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u
+dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet
+wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet
+waar Armand, beste, je weet den weg wel?”
+
+„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?”
+
+„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”
+
+„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”
+
+Bella trok een komisch gezichtje.
+
+„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je
+wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en
+de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door
+te gaan.
+
+„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort,
+niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen
+indruk van je krijgen.”
+
+Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een
+snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze
+meening voor zich.
+
+„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de
+kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance
+een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet
+Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag
+wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna
+wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar
+bed.”
+
+„Beiden te gelijk, mevrouw?”
+
+„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”
+
+„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....”
+
+„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen
+beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis
+natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me
+dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u
+in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór
+morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan
+houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de
+kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders
+rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond.
+
+Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een
+kushand terug gaf.
+
+Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.
+
+Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.
+
+Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen,
+begon ze te schreien.
+
+„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.
+
+Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek
+haar boos aan en zei:
+
+„Waarom kust u Stans en mij niet?”
+
+Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.
+
+„Ben je jaloersch?” plaagde ze.
+
+Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een
+minachtend trekje.
+
+„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”
+
+Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren
+moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar
+hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op
+zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had
+eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar
+moesten maken voor de wandeling.
+
+Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde
+omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan
+los.
+
+Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het
+toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer
+ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben.
+
+Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na
+over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij
+aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten.
+
+Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van
+bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.
+
+Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere
+oogen keek door de reet.
+
+Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar
+Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:
+
+„Heeft u ook verdriet, juf?”
+
+Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere
+kijkers, die ook vochtig waren.
+
+Ze trok het kind op schoot en kuste het.
+
+„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”
+
+„Huilt u, omdat u van huis bent?”
+
+„Ja.”
+
+„Heeft u een pa en een ma thuis?”
+
+„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”
+
+Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”
+
+Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar
+goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.
+
+Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei:
+
+„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw
+pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.”
+
+Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden
+uitgesproken.
+
+„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,”
+dacht ze.
+
+Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.
+
+„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker
+instoppen, dan ga je rustig slapen.”
+
+„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma
+en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.
+
+Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden
+worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze
+zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug
+anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over
+haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen.
+
+„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een
+oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal
+het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?”
+
+„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.
+
+Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen
+kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.
+
+„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk
+eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?”
+
+„Als ’t u blieft. Dank u wel.”
+
+Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd
+tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten
+verlaten.
+
+Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.
+
+Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje,
+slaperig begonnen te staan.
+
+„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”
+
+Gewillig stond het kind op en greep haar hand.
+
+„Stopt u me dan eens lekker in?”
+
+„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een
+puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.”
+
+Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.
+
+„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij
+altijd.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.
+
+Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te
+storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea,
+laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in
+Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en
+ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”
+
+„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader
+kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren
+voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van
+mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar
+zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met
+zijn lieve stem:
+
+„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat
+in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?”
+
+Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen
+opgewekte brieven te schrijven.
+
+„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en
+begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt
+kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in
+een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van
+geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit
+aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”
+
+Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte
+gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier
+ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne
+indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten
+lezen, als ik weer bij hem ben.
+
+Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls
+’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral
+naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel
+begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel
+lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit
+zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me
+troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen
+was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.
+
+Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet
+niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in
+lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb.
+
+Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?
+
+Och neen, alleen maar anders.
+
+Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het
+huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben,
+neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met
+Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed
+als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den
+materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet,
+opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel
+andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te
+verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door
+goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen
+van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en
+toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen
+genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader
+eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat
+niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder
+kunnen bekennen.
+
+Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar
+vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom,
+dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar
+praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb
+leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is.
+
+Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is,
+Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van
+hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof
+niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.
+
+Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind
+wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van
+haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand
+veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand
+zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij
+oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters
+houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet,
+die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere
+huisgenooten.
+
+Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde
+voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!
+
+Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel,
+dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar
+treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want
+mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen
+maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze
+heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.
+
+Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar
+zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem
+een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer
+bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje,
+dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder
+hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind
+bedrogen.
+
+Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke
+aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert
+kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik
+vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of
+hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij
+haar dan vertellen kan.
+
+En daarin stijft zijn moeder hem!
+
+Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met
+hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles
+vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er
+in de leerkamer voorvallen.
+
+Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer,
+daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid
+neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en
+plaagt haar, waar hij kan.
+
+En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!
+
+Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had
+met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan
+had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook
+Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed
+stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de
+ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte
+ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te
+gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.
+
+Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze
+me heel beleefd, maar als altijd op een afstand.
+
+„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”
+
+Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor
+het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet
+gedaan had.
+
+Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.
+
+„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk
+haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij
+beslist had, durfde bemoeien.
+
+„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje
+van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.
+
+Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.
+
+„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna
+den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou
+vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan
+daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de
+ruit breken en Constance deed het niet.”
+
+Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over
+mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo
+groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:
+
+„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie
+dan wel de schuldige is.”
+
+Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik
+Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat
+waagde.
+
+Ik kleurde en zei zacht:
+
+„Het was Armand.”
+
+Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als
+aanklaagster.
+
+„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”
+
+Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl
+Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken
+van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die
+zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde,
+dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest,
+maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn
+onoprechtheid op de hoogte bracht.
+
+Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik
+staan en hield vol.
+
+„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal
+er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens
+onderzoekt.”
+
+Mevrouw van Gendringen ging zitten.
+
+„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat
+Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt,
+dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist
+moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen
+mond hooren, dat Constance de schuldige is.”
+
+Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.
+
+Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met
+een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag
+staan.
+
+„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend,
+„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”
+
+Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.
+
+Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”
+
+Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:
+
+„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”
+
+Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes
+grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij
+verlegen.
+
+„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.
+
+„U hoort het,” zei zijn moeder.
+
+Maar ik wilde het niet opgeven.
+
+„Heb jij dat gezien?” vroeg ik.
+
+„Ja.”
+
+„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”
+
+„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”
+
+„Met je bal?”
+
+„Ja.”
+
+„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”
+
+„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”
+
+Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.
+
+„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee
+dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee
+raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.”
+
+Dat kon mevrouw niet ontkennen.
+
+„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer
+van.”
+
+Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van
+verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide
+zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan.
+
+„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch
+mensch!”
+
+Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.
+
+„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”
+
+Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren
+en te troosten.
+
+„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.
+
+Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds
+voorspelde, zei ze:
+
+„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”
+
+Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik
+niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei
+ik:
+
+„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed
+gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”
+
+Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.
+
+Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:
+
+„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel,
+hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.”
+
+Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat
+ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel
+voldaan.
+
+Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed
+ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden.
+
+Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik
+denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind
+heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik
+gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden:
+Gaat u maar naar Stans.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN MOEIELIJKE TAAK.
+
+
+Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de
+kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende
+kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en
+liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den
+grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.
+
+„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk
+uitscheiden met vechten.”
+
+Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en
+trok er uit alle macht aan.
+
+Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige
+kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.
+
+„Laat los,” gebood ze.
+
+„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze
+plaagt me.”
+
+Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken,
+keek Thea naar de deur.
+
+Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in
+zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea
+maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw
+van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door
+het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu
+om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was.
+
+Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen
+waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.
+
+De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen
+bedaren.
+
+„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is
+nog erger, of je twee straatjongens bent.”
+
+„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige,
+valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat
+zien.”
+
+„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die
+gemeene jongen, hij wou niet loslaten.”
+
+Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.
+
+„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent
+gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander
+te beschuldigen.
+
+„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker
+wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”
+
+Thea keek Constance ernstig aan.
+
+„Waarom zei je dat?” vroeg ze.
+
+Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng
+aankeek en stotterde:
+
+„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen
+van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”
+
+Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te
+zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven
+omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.
+
+„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.
+
+Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand
+en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht
+hebben in een andermans leed.
+
+„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo
+onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is
+niet mooi.”
+
+Constance begon te huilen.
+
+„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik
+kreeg anders altijd de schuld.”
+
+„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand
+te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en
+dat moet je genoeg zijn.”
+
+„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.
+
+„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem
+voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al
+erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.”
+
+Dat was voor den verwenden jongen te veel.
+
+Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:
+
+„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks,
+Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,”
+en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend
+en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem
+nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde,
+zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer
+zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel
+dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan
+had.
+
+Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje,
+dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer
+ging, om haar eigen toilet te maken.
+
+Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij
+zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook
+beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken,
+dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was.
+
+Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een
+knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend,
+wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te
+lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de
+ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.
+
+Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat
+haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze
+had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed,
+bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik
+verdragen kon.
+
+Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres
+de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve
+moest zoo lang bij de kinderen blijven.
+
+Thea stond dadelijk op.
+
+Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek
+naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende
+oogen van Armand.
+
+Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een
+oogenblik stil.
+
+Wat klopte haar hart!
+
+Ze sloot hare oogen en slikte eens.
+
+Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen,
+natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen,
+dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had
+ze er aan kunnen doen.
+
+Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo
+tegen op te zien.
+
+Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje,
+wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te
+krijgen.
+
+Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het
+standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen
+te nemen.
+
+En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had
+en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte,
+had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde.
+
+Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.
+
+„Binnen.”
+
+Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in
+tegenwoordigheid van de meesteres des huizes.
+
+Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.
+
+Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.
+
+Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van
+Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer
+indruk te maken, zei ze:
+
+„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”
+
+Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze
+veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen
+gehinderd had.
+
+Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.
+
+„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben
+hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij
+doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den
+grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de
+waarheid of niet?”
+
+Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden.
+Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er
+aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.
+
+Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge
+oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen.
+
+„En u stond daarbij en zag toe?”
+
+„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun
+schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was.
+Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar
+vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.”
+
+„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen
+ophouden, nietwaar?”
+
+Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!
+
+En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.
+
+„Nu, is u dat niet met me eens?”
+
+Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze
+tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:
+
+„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo
+driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede
+te doen verstaan.”
+
+„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op.
+„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.”
+
+„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....”
+
+„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen
+geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw
+goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed
+kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een
+ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng
+genoeg kan worden tegengegaan.”
+
+„U vergist zich werkelijk....”
+
+„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons
+onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op
+maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik
+hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik
+u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van
+mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen
+waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers
+zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer
+kunnen vergeven.”
+
+Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en
+knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.
+
+Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag
+en leunde tegen de omlijsting.
+
+Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om
+het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester
+te worden.
+
+O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van
+Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.
+
+En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!
+
+Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.
+
+Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat
+ze liever wegging?
+
+Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden
+ze daar thuis wel van zeggen?
+
+Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had
+nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat
+moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens
+schoolgeld ze beloofd had te zorgen!
+
+Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg,
+dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking
+niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen
+te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze
+het haar niet op zoo’n toon te zeggen.
+
+Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke
+moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door
+de protectie van zijn moeder.
+
+Maar komaan, ze gaf den moed niet op!
+
+Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde
+zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag
+afkomen.
+
+„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat
+ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van
+aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een
+dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig
+popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat
+beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te
+vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend
+verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar
+de leerkamer.
+
+Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat
+niet voor niets gezegd hebben.
+
+In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar
+nieuwsgierig opnamen.
+
+Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het
+een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen.
+
+„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”
+
+Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar
+één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had
+opgegeven.
+
+Thea keek boos.
+
+„Is dat alles?” vroeg ze.
+
+„Ja juffrouw.”
+
+„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je
+schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening
+vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”
+
+Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was
+dat haar lieve jufje?
+
+Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht
+weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van
+Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij
+poppetjes geteekend had.
+
+Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen
+te maken, door het zelf uit te schateren.
+
+Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.
+
+„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch
+niet was.”
+
+Thea keek hem strak aan.
+
+„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som
+in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit
+versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.”
+
+Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit
+zoo.
+
+Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen
+tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best
+hooren kon:
+
+„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad
+heeft.”
+
+„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea,
+of die gehoord had, wat haar broertje zei.
+
+Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen.
+Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze
+hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te
+hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van
+onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat
+ze haar gehinderd hadden.
+
+Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was
+daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik
+niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen.
+
+En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen
+oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te
+zetten, vóór de kinderen naar bed waren.
+
+Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van
+haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar
+lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was
+toch niet zoo druk als anders.
+
+Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was
+opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien
+dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was,
+hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve
+vriendelijk aan.
+
+Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en
+van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd
+weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar
+hand greep, om die te zoenen.
+
+„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u
+dien gekregen?”
+
+Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar
+servet wat op en antwoordde:
+
+„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een
+familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze
+moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu
+had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en
+dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven,
+indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de
+reden, waarom ik het altijd draag.”
+
+Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in
+dezelfde familie was.
+
+Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg,
+of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:
+
+„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.”
+
+Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was
+en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon
+was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was
+bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen.
+Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht
+heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje,
+met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar
+Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid.
+
+Ze schreef:
+
+
+ Liefste Moeder en Vader,
+
+ Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik
+ vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier
+ met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om
+ mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet
+ ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te
+ kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel
+ opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu
+ en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te
+ worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog
+ een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar
+ huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en
+ als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de
+ gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo
+ ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte
+ mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust
+ tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor,
+ dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!
+
+ Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie
+ ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar.
+ Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange
+ brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen
+ en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.
+
+ Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw
+ voorbij en ik moet gaan studeeren.
+
+ Vele, vele kussen voor allen van
+
+ Uwe Thea.
+
+ Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu
+ misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo
+ over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op
+ letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind
+ giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft
+ wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel
+ opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe,
+ maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel
+ begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten.
+
+
+Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den
+geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet
+meer.
+
+Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.
+
+Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer
+minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.
+
+Maar nu was ze doodop.
+
+Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over
+hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink
+genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWENEN ARMBAND.
+
+
+Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij
+den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende
+merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine
+gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat
+zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen
+loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.
+
+Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel,
+waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en
+greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband.
+Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen.
+
+Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het
+in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar
+Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig
+doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.
+
+Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld
+had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en
+hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen.
+
+Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan
+dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het,
+wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder
+had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan
+van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was
+tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk
+tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.
+
+Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!
+
+Waar zou hij het braceletje laten?
+
+Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam
+niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden
+lang vergeten in de kast staan.
+
+Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog
+sliepen.
+
+Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de
+verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de
+kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de
+speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het
+armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop
+van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug
+weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud
+geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat
+hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje
+rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich
+angstig en heel niet op zijn gemak.
+
+Als het eens uitkwam!
+
+Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats
+terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu
+eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit
+bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde
+opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.
+
+Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de
+gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.
+
+Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te
+helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde
+het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw
+te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een
+natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje
+stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.
+
+Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het
+ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze
+gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.
+
+Opeens greep Thea naar haar pols.
+
+„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb
+mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”
+
+Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de
+ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij
+elkaar.
+
+Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel
+interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af.
+
+Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen
+vinden.
+
+„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op
+de tafel, dat weet ik zeker.”
+
+„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de
+kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel
+geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.”
+
+Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring
+deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet
+verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was.
+
+„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij,
+„ik ben dadelijk terug.”
+
+Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze
+bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door
+netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand
+daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg
+zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans
+vroeg, of hij misschien ziek was.
+
+„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.
+
+„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”
+
+Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt
+gezicht.
+
+„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van.
+Jullie weet er toch geen van beiden iets van?”
+
+„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een
+gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te
+begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem
+gisterenavond nog afgelegd.
+
+„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.
+
+„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”
+
+Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond
+afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale
+handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar
+verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het
+uitkleeden den armband nog bezeten had.
+
+Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te
+zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de
+gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch
+eigenlijk de eenige mogelijkheid.
+
+Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben
+kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet
+gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen
+is geen kleinigheid.
+
+Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den
+tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden.
+
+Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het
+lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk
+en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald
+opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar
+niet over na.
+
+Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband
+terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een
+advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over
+hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de
+gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder
+niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo
+nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.
+
+Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem,
+dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en
+ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch
+wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen.
+
+Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer,
+ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar
+niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om
+haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in
+welke bladen ze adverteeren zou.
+
+Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist,
+wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat
+nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband
+afdeed, of niet.
+
+Had ze soms verdenking op de bedienden?
+
+Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan
+Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.
+
+„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar
+ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch
+in uw bijzijn ondervragen.”
+
+Ze schelde en beval Annette te roepen.
+
+Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig,
+daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd.
+
+„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen
+een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op
+tafel gelegd te hebben.”
+
+„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”
+
+„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met
+Annette spreek.”
+
+Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar
+zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was.
+
+Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:
+
+„Weet je iets van dien armband af, Annette?”
+
+Het meisje begon te schreien.
+
+„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze,
+„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd,
+dan zou...”
+
+„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand
+beschuldigt je van diefstal”.
+
+„En u zegt het.”
+
+„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen,
+weet je iets van dien armband af, ja of neen.”
+
+„Als ik nou toch.....”
+
+„Ja of neen.”
+
+„Mijn moeder zou.....”
+
+„Ja of neen, Annette.”
+
+In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze
+vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen
+aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw
+van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van
+instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare
+oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den
+rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.
+
+Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van
+Gendringen had het toch opgemerkt.
+
+Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.
+
+„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het
+verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet,
+waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.”
+
+Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:
+
+„Ja of neen, Annette.”
+
+Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en
+antwoordde nu:
+
+„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk
+meisje en....”
+
+„Dus neen, goed, je kunt gaan.”
+
+„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf
+beschuldigt....”
+
+„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.
+
+„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje
+verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.
+
+Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.
+
+„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden,
+juffrouw?”
+
+„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te
+beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn
+kamer geweest dan Annette.”
+
+„En die houdt u voor onschuldig?”
+
+„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”
+
+„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw
+armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in
+die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in
+de meest gelezen bladen.”
+
+„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.
+
+„Moet ik een belooning uitloven?”
+
+„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”
+
+„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het
+bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de
+zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der
+kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen
+bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de
+kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben,
+alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n
+vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus
+op, overmorgen.”
+
+Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de
+gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer
+Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd,
+onbarmhartig kritiseeren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+ Oudejaarsavond.
+
+Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan
+minder eenzaam en verlaten.
+
+Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel,
+dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me
+ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid
+bij mij opwekt.
+
+En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn
+dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik
+alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die
+lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want,
+wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld
+zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen,
+zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen
+zit?
+
+Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van
+Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar
+ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of
+tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters
+oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee
+mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo
+zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik
+thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was,
+tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk
+vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee
+gevraagd.
+
+Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet
+wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een
+wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb
+nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn,
+al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in
+huis beschouwt.
+
+Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de
+minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals,
+waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe
+mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is
+trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van
+eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit
+gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de
+gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik
+wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan
+de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.
+
+Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet
+zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en
+ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht
+heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd
+lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig
+liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben
+ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan
+niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.
+
+Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en
+innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb
+hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij
+weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij,
+door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven,
+haar overdreven liefde maakt haar blind.
+
+Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik
+werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke
+moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel
+eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer
+zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe,
+lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar
+Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in
+zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te
+schrijven.
+
+Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven
+steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje
+zendt mij van tijd tot tijd briefjes.
+
+Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?
+
+Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde
+tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje
+met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol
+grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en
+spelletjes doen.
+
+Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig
+met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de
+tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb
+en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze
+hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want
+als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar
+vergallen.
+
+Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets
+krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en
+als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken,
+het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt
+voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn,
+die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.
+
+Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem
+met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de
+kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en
+in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in
+alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te
+kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb
+ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.
+
+ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
+
+Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben
+in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen
+en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik
+verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren,
+of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden
+verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek
+mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen
+haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was
+zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me
+opgewekt had.
+
+Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van
+gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en
+dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar
+bed. Waarom zou ik nog langer opblijven?
+
+Toch moet me nog één ding van het hart.
+
+Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te
+worden op de meisjes hier?
+
+Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze
+jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd
+leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor
+mijn brood, hard werken zelfs.
+
+Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te
+helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en
+ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna
+in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen
+bezighouden.
+
+Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes,
+dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje
+zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens
+zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed
+staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het
+erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?
+
+Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was,
+zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou
+zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn
+nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de
+triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van
+tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die
+feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet
+op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en
+denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te
+vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om
+jaloersch op haar te zijn.
+
+Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat
+gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als
+ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s
+moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers
+dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.
+
+Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik
+niet eens met haar zou willen ruilen!
+
+En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van
+jaloezie ben ik nog niet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTDEKKING.
+
+
+Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die
+haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze
+zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien!
+
+Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en
+haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide
+terugzien.
+
+Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis
+geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat
+ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze
+het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel
+die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond,
+kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het
+zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst
+vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich
+verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was.
+
+Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch
+wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg
+en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven.
+
+Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een
+ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten
+dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had,
+het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden
+had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.
+
+Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje
+nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot,
+als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog
+veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had
+verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam,
+wist hij niet goed, hoe te handelen.
+
+Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht
+worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou
+kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de
+zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en
+kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan
+verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje
+minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het
+voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst
+hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch
+wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op
+een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij
+doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit
+de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit
+te pakken en naar het armbandje te zoeken.
+
+Daar lag het nog net als hij het verstopt had.
+
+Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer
+eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en
+Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat
+Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter
+hem stond.
+
+„Armand!”
+
+Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn
+hand.
+
+En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer
+naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest.
+
+Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat,
+haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien.
+
+Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig
+begon te lachen.
+
+Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?
+
+Waar had hij het gevonden?
+
+Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd
+hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat
+ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets
+heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt.
+
+In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door
+het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind
+indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk
+zijn? Maar waarom?
+
+Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers
+onzin.
+
+Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel
+van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny
+tegenover hem verdedigde.
+
+Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.
+
+Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te
+blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze
+schijnbaar bedaard:
+
+„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?”
+
+Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.
+
+„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.
+
+Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er
+over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden.
+
+Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger.
+
+„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”
+
+Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.
+
+Hij keek Thea boos aan en zei:
+
+„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het
+immers terug.”
+
+Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig
+verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen
+schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het
+gevonden had.
+
+Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.
+
+„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”
+
+Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe
+te kijken.
+
+Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en
+gilde:
+
+„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!”
+
+„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”
+
+Na een oogenblik aarzelen zei het kind:
+
+„Ik heb het gevonden.”
+
+„Waar?”
+
+„In de kast.”
+
+„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die
+kast opgeruimd.”
+
+„In een doos.”
+
+„In een doos? In welke?”
+
+„In die.”
+
+„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”
+
+De jongen begon te huilen.
+
+„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf,
+om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje
+gelooft er toch niets van!”
+
+Dat was te erg.
+
+Thea ziedde van drift.
+
+Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde
+nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.
+
+Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.
+
+Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de
+uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven
+als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist
+thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo
+hoorden aangaan.
+
+Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en
+hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had.
+
+„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”
+
+Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om
+kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich
+door haar drift laten beheerschen.
+
+„Nu juffrouw, is dat waar?”
+
+Thea boog het hoofd en zei:
+
+„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat
+Armand mijn armband gestolen had, dan....”
+
+„Juffrouw!”
+
+„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”
+
+„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen,
+ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”
+
+„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....”
+
+Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.
+
+„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”
+
+Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.
+
+„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten
+motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal
+beschuldigd.”
+
+„Ik vond hem spelend met den armband.”
+
+„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan,
+Armand?”
+
+Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot
+genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.
+
+„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.
+
+„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde
+Thea te zeggen.
+
+„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u
+blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?”
+
+„Ja.”
+
+„Maar mevrouw....”
+
+„Wanneer Armand?”
+
+„Vanmorgen.”
+
+„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”
+
+„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb
+weggenomen, wel Maatje?”
+
+Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.
+
+„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je
+begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets
+van je te moeten denken.”
+
+Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te
+huilen.
+
+„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”
+
+Het kind huilde door.
+
+Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.
+
+„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en
+zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die
+armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of
+andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is
+blijven liggen.”
+
+„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden
+opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos
+gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij
+niet vanzelf gerold zijn.”
+
+„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot
+zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent
+je en gelooft je.”
+
+„Dus gelooft u mij niet?”
+
+„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was,
+zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het
+algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U
+bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van
+uw bescherming.”
+
+Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu
+wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.
+
+Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou
+worden, omtrent het voorgevallene.
+
+„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon,
+maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze
+gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt
+is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te
+onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng
+aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat
+een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.”
+
+Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar
+wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd.
+
+Mevrouw van Gendringen vervolgde:
+
+„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante
+bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen,
+geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief
+uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met
+Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal
+ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo
+spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan
+toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.”
+
+„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.
+
+„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het
+kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen
+rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen,
+maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden.
+Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar
+naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op
+haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”
+
+In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op
+Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was
+zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het
+verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster
+stond, werd ze smadelijk weggezonden.
+
+Het bloed steeg haar naar het hoofd.
+
+„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen,
+was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar
+haar om te zien.
+
+Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven
+gehoord had.
+
+Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu
+wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.
+
+Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou
+hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze
+voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had
+kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van
+hare ouders gekregen.
+
+Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden,
+dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar
+moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt
+was.
+
+Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel
+aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die,
+hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had.
+
+Ze moest er nog eens over denken.
+
+Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?
+
+Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand,
+die te kort was gekomen in zijn plicht.
+
+Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins,
+toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde
+zeggen:
+
+„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is
+nu al weer voorbij.”
+
+„Voorbij, kind? Ik moet weg.”
+
+Van schrik liet Stans haar los.
+
+„Weg, moet u weg? Och neen!”
+
+„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”
+
+„Voor goed?”
+
+„Ja, voor goed.”
+
+„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.
+
+Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich
+tenminste bij iemand bemind had weten te maken.
+
+Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend,
+begon ze het kind te troosten.
+
+Maar Stans was ontroostbaar.
+
+„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”
+
+„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig
+leventje je nog eens krijgt.”
+
+Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal
+niet rooskleurig.
+
+„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze.
+
+Thea beloofde het.
+
+Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.
+
+„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze,
+„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”
+
+Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige
+dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea
+ging dien avond met een bezwaard hart naar bed.
+
+Wat zou de toekomst brengen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+NAAR HUIS.
+
+
+Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou
+en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had
+afgelegd, maar in omgekeerde richting.
+
+Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar
+weldra weer te kunnen omhelzen.
+
+En Vader, Ita, Bets en de jongens!
+
+Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien,
+hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn.
+
+Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!
+
+En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden
+zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar
+vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er
+was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet
+haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle
+moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar
+niet langer houden.
+
+Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?
+
+Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze
+was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo
+goed over haar dacht.
+
+Had ze dit kunnen voorkomen?
+
+En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor
+oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten
+meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen
+noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had
+moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch
+geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het
+weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven.
+
+Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging
+te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem
+altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het
+afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan.
+
+„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde
+opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had
+ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe
+gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor
+hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.”
+
+„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd,
+waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw
+moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den
+duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week
+al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook
+geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen
+wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor
+haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo
+streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind
+kon zijn.”
+
+Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw
+van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig
+had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof,
+die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor
+haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.
+
+Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking
+had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen,
+iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte,
+wat zou dat heerlijk zijn!
+
+Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.
+
+Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem
+verloren zou hebben.
+
+Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook
+iemand zag.
+
+Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze
+hartelijk.
+
+Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had
+gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze
+misschien nog nooit gedaan hadden.
+
+„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij
+was.
+
+„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als
+altijd en de kinderen maken het uitstekend.”
+
+„En jij?”
+
+„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”
+
+„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”
+
+„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren
+wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit
+door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.”
+
+Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan
+hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne
+donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog
+magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had.
+
+Toen ze in de tram zaten, zei Ita:
+
+„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je
+daar niet genoeg te eten?”
+
+Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.
+
+Toen fluisterde ze:
+
+„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”
+
+„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.”
+
+„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”
+
+Ita deed kwasi onverschillig.
+
+„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er
+lang blijven zou.”
+
+„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”
+
+„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”
+
+„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te
+schrijven.”
+
+„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er
+niet prettig, dat voel ik.”
+
+„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te
+lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd
+heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen.
+
+Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan
+huilen?
+
+„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.
+
+Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.
+
+Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover
+haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:
+
+„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”
+
+Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een
+betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven,
+dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk
+was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.
+
+„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom
+weer thuis.”
+
+„Weer thuis? voor goed?”
+
+„Ja.”
+
+„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”
+
+Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van
+haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief
+beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven
+en wist niet goed, wat nu te zeggen.
+
+Ita kwam haar te hulp.
+
+„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het
+was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een
+poosje thuis kwam.”
+
+Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder
+jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het
+vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand,
+bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren,
+waardoor het gesprek een andere wending kreeg.
+
+Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een
+handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren
+ze in de Columbusstraat.
+
+Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat
+omsloegen.
+
+Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar
+snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt
+wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen
+handdruk afdeed.
+
+„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.
+
+Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en
+overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.
+
+Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar
+negentien jaren, vloog naar haar toe.
+
+„Moesje!”
+
+„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo
+naar je.”
+
+Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als
+vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en
+voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig.
+
+„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.
+
+„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver
+weg.”
+
+„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op
+het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar
+Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten
+overlaten.”
+
+„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid
+uit hare oogen en zacht zei ze:
+
+„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”
+
+„Neen kindje, dat niet.”
+
+„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”
+
+„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen
+over.”
+
+„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan
+had.”
+
+„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed,
+dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”
+
+„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten
+opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar
+school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op
+je gewacht.”
+
+De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een
+teleurgesteld gezicht op te merken:
+
+„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”
+
+„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”
+
+Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het
+kind maakte een luchtsprong.
+
+„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!”
+
+„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes,
+dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal,
+verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen
+krijgen.
+
+Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te
+doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast
+niets naar binnen kon krijgen.
+
+„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit.
+Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd,
+omdat je daar veel van houdt.”
+
+Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst
+was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in
+den laatsten tijd geweest was.
+
+„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.
+
+„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.
+
+„Boos?”
+
+„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even
+erg.”
+
+Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een
+beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:
+
+„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik
+begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een
+volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven
+staan.”
+
+„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”
+
+„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken
+trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven
+was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas
+gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren,
+je zult zien, alles komt best terecht.”
+
+Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.
+
+„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door
+haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw
+beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.”
+
+„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons
+zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.
+
+Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met
+Armand, dan met Constance.
+
+„Hè Vader, waarom?”
+
+„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere
+meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te
+kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel
+verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te
+sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”
+
+„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is
+van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea.
+
+Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand
+grijpend, zei ze met een zucht van voldoening:
+
+„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+JAN’S RAPPORT.
+
+
+De volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was
+haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen
+daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om
+zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook
+hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug
+genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het
+wist.
+
+’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking
+aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had
+ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar
+beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen.
+
+Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen.
+
+Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van
+school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te
+gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn
+dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van
+aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij
+wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun
+weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was,
+dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf
+te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op
+school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte
+hem zenuwachtig en angstig.
+
+Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel
+vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo
+geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had
+hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel
+veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op
+aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn
+financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s
+avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet
+heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de
+dingen houden kon.
+
+En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een
+oplossing, die wel degelijk blijk gaf van goede hersenen. Jan was
+overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste
+mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere
+Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om
+den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer
+geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was
+hij niet.
+
+Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed
+op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin,
+het Paaschrapport zou het uitmaken.
+
+Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea
+hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:
+
+„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar
+Jan?”
+
+„Best mogelijk,” bromde Jan.
+
+„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren,
+dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij
+vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet
+veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.”
+
+Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek
+naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat
+Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als
+Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren.
+
+„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je
+rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?”
+
+Jan duwde haar ruw weg.
+
+„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.
+
+„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei
+Ita.
+
+„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.
+
+„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.
+
+„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den
+leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een
+hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik
+en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een
+paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij
+er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was
+Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd
+hadden, voor goed in ongenade.”
+
+Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en
+het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:
+
+„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”
+
+„Jan en Willem.”
+
+„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi
+vind ik die soort grappen toch niet.”
+
+„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.
+
+„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat jullie niet al te
+vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al
+eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”
+
+„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een
+standje geven, maar je niet voor den gek houden.”
+
+„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.
+
+„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”
+
+„Dat vind ik nu weer flink van je.”
+
+„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de
+schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal
+niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.”
+
+„En Willem?”
+
+„Nou, die zei het toen ook.”
+
+„En toen?”
+
+„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”
+
+„En weet Vader daarvan?”
+
+„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het
+land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er
+voor gekregen, uit was het.”
+
+„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis
+was?”
+
+„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”
+
+Thea zette een bedenkelijk gezicht.
+
+„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor Vader zooveel
+mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele
+geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet
+van.”
+
+Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.
+
+„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij
+hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij
+Nico altijd zoover mee.
+
+Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en
+haar mantel aantrekkend, zei ze:
+
+„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal
+brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem
+zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.”
+
+„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”
+
+„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”
+
+Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder
+terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan.
+
+De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en
+Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te
+beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg,
+Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun
+opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis kwam, zou het tijd
+genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.
+
+Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan
+maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita
+thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was.
+
+„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”
+
+„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”
+
+Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.
+
+„Is Jan niet bij je?”
+
+„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”
+
+„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga
+maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of
+ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan
+een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met
+zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel
+bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog
+gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er
+tegenop zag, thuis te komen.
+
+Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi
+onverschillig toe.
+
+Thea maakte een gebaar van ongeduld.
+
+„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.
+
+„Waarom,” zei Jan, naderkomend.
+
+Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk:
+
+„Is het slecht?”
+
+„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.
+
+„Hoeveel onvoldoenden?”
+
+„Vijf.”
+
+„Maar Jan!”
+
+Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte
+ongeduldig op den grond.
+
+Thea zuchtte diep en zei:
+
+„Ga nu maar naar binnen.”
+
+Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand,
+zeggend:
+
+„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep,
+Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend.
+
+Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en
+van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met
+die slechte tijding naar binnen te gaan.
+
+„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen
+koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”
+
+Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden
+ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve
+Bets, die overbleef op school en Jan.
+
+„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader
+informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis?
+
+Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde:
+
+„Jawel Vader, hij is thuis.”
+
+„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”
+
+„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet
+binnenkomt. Hier is zijn rapport.”
+
+„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de
+enveloppe, die Thea nog steeds vasthield.
+
+„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder
+en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.
+
+Deze vouwde het open en werd bleek.
+
+„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die
+aanmerking van den directeur onderaan.”
+
+„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.
+
+„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”
+
+Haar vader las voor:
+
+„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag
+en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met
+Willem Meyer wel goed voor hem is.”
+
+Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar
+hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan.
+
+Nu verhief zich Nico’s stem.
+
+„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”
+
+„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde.
+Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet
+wist.
+
+„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en toen vuurwerk er onder
+gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”
+
+Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou,
+moest Ita lachen.
+
+„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”
+
+Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.
+
+„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je
+blieft, wat weet je er van.”
+
+Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen
+had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op
+gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis
+vertelde.
+
+„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de
+kinderen, Vader.”
+
+Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan
+zelf wel spreken, ze moest hem maar halen.
+
+Ita had er niet veel lust in.
+
+„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.
+
+„Waarom ik?”
+
+„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik
+maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw
+beneden hebben.”
+
+Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor
+hem.
+
+„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep al naar de deur,
+bang, dat Vader zich driftig zou maken.
+
+Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde
+aan den knop.
+
+„Doe open, Jan.”
+
+Geen antwoord.
+
+„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”
+
+Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot
+omdraaien.
+
+Thea trad binnen.
+
+Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:
+
+„Wat zeggen ze er van?”
+
+Thea sloeg haar arm om zijne schouders.
+
+„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en
+dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht
+oppassen, Jan?”
+
+Haar broer haalde zijne schouders op.
+
+„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel
+na.”
+
+„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”
+
+„Laat me maar liever hier.”
+
+„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en
+geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk
+een standje, maar dat heb je verdiend, hè?”
+
+„Als ’t maar enkel een standje was.”
+
+„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn
+ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.”
+
+Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar
+beneden.
+
+Hij voelde zich ellendig.
+
+Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij
+wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd
+leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen.
+Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor
+zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij
+wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en
+toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.
+
+Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.
+
+Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.
+
+„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.
+
+Jan ging een paar passen vooruit.
+
+„Hoe vin’ je dat rapport?”
+
+Jan zweeg.
+
+„Antwoord me.”
+
+„Slecht.”
+
+„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is
+geen rapport om mee over te gaan, wel?”
+
+Jan trok zijn schouders op.
+
+„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan,
+Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een
+verdriet.”
+
+Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet
+verdragen. Willem’s vader was driftig, die gaf hem misschien een flink
+pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader
+er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.
+
+Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen
+van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij
+had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan.
+
+„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.
+
+„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van
+overwegenden invloed.”
+
+„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een
+enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.”
+
+„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan
+ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”
+
+„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde
+voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”
+
+Haar vader drukte haar hand.
+
+„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”
+
+„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet
+vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.”
+
+Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was,
+zoo’n echt goed kind.
+
+Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij:
+
+„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van
+de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”
+
+Jan beloofde het.
+
+Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.
+
+„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte
+geworden.”
+
+Jan kreeg een kleur.
+
+„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”
+
+„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel,
+nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang
+met Willem Meijer afbreekt.”
+
+Jan keek ontsteld op.
+
+„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”
+
+„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet
+niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je
+Willem loopen.”
+
+Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de
+nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden.
+
+„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook,
+maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij
+gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet,
+Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.”
+
+„En als ik dat nu bepaald wil?”
+
+Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden
+uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne
+neer.
+
+„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse,
+zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”
+
+„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van
+Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico
+trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was,
+zooals hij zei.
+
+„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te
+plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”
+
+Zich toen weer tot Jan wendend:
+
+„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult
+hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”
+
+Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende
+de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige
+oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en
+met zijne oogen knippend.
+
+„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”
+
+Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.
+
+„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.
+
+„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”
+
+„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.”
+
+Nu barstte Jan los.
+
+„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed
+vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt,
+hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je
+zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik
+hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is
+afschuwelijk.”
+
+Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.
+
+„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van
+de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat
+weet je zelf ook wel.”
+
+„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik
+er niet over denken, Willem te laten loopen.”
+
+„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”
+
+„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat
+niet, Moes?”
+
+Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in,
+dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was,
+dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in
+plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde,
+bewees, dat hij een goeden aard had.
+
+„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”
+
+Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, die van hem gevraagd
+werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam
+niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij
+het kunnen volhouden?
+
+„Als ik maar kan, Moes.”
+
+„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook
+wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je
+heel slecht hebt opgepast.”
+
+„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens
+zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.”
+
+Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te
+doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de
+andere jongens.
+
+„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met
+hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt.
+Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar
+hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote
+vacantie.”
+
+„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”
+
+„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal.
+Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”
+
+Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij
+voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte
+brengen.
+
+„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”
+
+Zijn vader drukte hem stevig de hand.
+
+„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog
+terecht te brengen.”
+
+Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.
+
+„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een
+kus.
+
+Nico keek een beetje verbaasd.
+
+„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei
+hij, met zijn hoog stemmetje.
+
+Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning
+het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep,
+lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+THEA KRIJGT EEN NIEUWE BETREKKING.
+
+
+Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde
+klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af
+hadden gehad.
+
+„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd
+kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was
+gevallen.
+
+„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei
+Ita lachend.
+
+„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.
+
+„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.
+
+Maar Moes nam Bets’ partij.
+
+„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best
+op school, haar rapport is wat goed dezen keer.”
+
+Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar
+humeur te geraken, keek weer vroolijk.
+
+„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico
+op.
+
+Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms
+zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om
+Nico’s gezegde lachen moest.
+
+Bets werd verlegen.
+
+Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand
+vloog.
+
+Nico stompte dadelijk terug.
+
+„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten
+aan tafel?”
+
+Bets kreeg een kleur.
+
+„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.
+
+„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.
+
+„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”
+
+Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico
+nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel
+gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden.
+
+„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.
+
+Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat
+met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.
+
+„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je
+best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”
+
+„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je
+te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt
+en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij
+het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan,
+eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de
+resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude
+leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.
+
+Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.
+
+„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die
+altijd zoo met haar keel sukkelt?”
+
+„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt
+is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik
+hoorde het van onze juffrouw.”
+
+Weer verzonk Thea in gepeins.
+
+„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.
+
+„Waarheen?” vroeg Vader.
+
+„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij
+haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe
+onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet
+terug kan komen.”
+
+Moeder knikte haar vriendelijk toe.
+
+„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n
+korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was
+dat toch al iets.”
+
+Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de
+gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan,
+waar ze eens leerling geweest was.
+
+Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.
+
+„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.
+
+„Ja, vin’ je het soms niet goed?”
+
+„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor,
+je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!”
+
+Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets
+had opgewekt.
+
+„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.
+
+„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik
+heelemaal niet weten, wat ik doen moest.”
+
+„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven,
+stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”
+
+Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds
+zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van
+den tafel getrokken te worden.
+
+Bets keek bedenkelijk.
+
+„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan
+vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou
+je danken.”
+
+Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten
+luisteren, nam nu het woord.
+
+„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt
+gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op
+school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt
+niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres
+was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je
+net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat
+je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en
+Vader gaf Thea een knipoogje.
+
+Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze
+haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet
+eens en zou er misschien nooit komen.
+
+Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar
+zouden zijn.
+
+„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je
+maar aan en dan durf je niks,” zei hij.
+
+„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en
+toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te
+vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei
+meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor
+aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens
+pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over
+meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.”
+
+„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten
+laat. Willen we nu maar eens opstaan?”
+
+„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik
+juffrouw Lettinga dan wel thuis.”
+
+„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te
+laat.”
+
+Thea maakte zich dus klaar en vertrok.
+
+Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze
+liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den
+heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen,
+ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens
+met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart
+onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.
+
+„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de
+deur opende.
+
+Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze
+zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar
+twaalfde jaar bezocht had.
+
+„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik
+dacht, dat je in Brussel in betrekking was.”
+
+Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk
+vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote
+kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben.
+
+Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:
+
+„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met
+Bets niet in orde?”
+
+„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”
+
+„Voor jezelve?”
+
+„Ja juffrouw.”
+
+Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde,
+ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.
+
+„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.
+
+Thea raapte haar moed samen.
+
+„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”
+
+„Dat is zoo. En?”
+
+„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u
+misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij
+misschien zou kunnen gebruiken.”
+
+Oef, het was er uit.
+
+Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar
+bril.
+
+„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.
+
+Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw
+was, om iets te zeggen, of te vragen.
+
+Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.
+
+„Hoe oud ben je?” vroeg ze.
+
+„Bijna twintig.”
+
+„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”
+
+En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze
+er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits,
+dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden.
+
+„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik
+studeer voor Fransch.”
+
+„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd
+in Brussel geweest?”
+
+Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel
+geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had
+ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd.
+
+„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”
+
+Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?
+
+„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden
+moeielijke karakters.”
+
+„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”
+
+„Neen, gouvernante.”
+
+„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”
+
+Thea moest bekennen van niet.
+
+Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer
+waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs
+zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was
+geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze
+haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een
+tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de
+Paaschvacantie.
+
+Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te
+doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke
+leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar
+haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten
+geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren
+er grooter dan zij zelf.
+
+„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen
+af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat
+ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij.
+
+Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van
+Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar
+met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in
+den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed
+ze meteen een goed werk.
+
+„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren.
+Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor
+langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar
+juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel
+verergerd is.”
+
+Thea’s hart klopte wild van vreugde.
+
+„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”
+
+„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje
+verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen,
+die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een
+oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres
+daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets
+stoort toch altijd den gang van het onderwijs.”
+
+„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.
+
+Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.
+
+„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen
+zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je
+moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een
+taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”
+
+Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat
+het was.
+
+Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.
+
+„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.
+
+„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als
+juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor
+vast nemen, als ik u beviel?”
+
+„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen
+van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen
+kunt.”
+
+Thea stond op.
+
+„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand
+grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel
+gaan, het moet gaan.”
+
+Lachend schudde de juffrouw haar hand.
+
+„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je
+moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en
+ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken,
+groet je ouders van me en tot ziens.”
+
+Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze
+rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.
+
+Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.
+
+„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”
+
+„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat
+ben je toch een gelukskind.”
+
+Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws
+mededeelde.
+
+„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de
+juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als
+juffrouw Jansen niet terug kan komen.”
+
+Haar vader lachte om haar enthousiasme.
+
+„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te
+vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling.
+Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan
+komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.”
+
+„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les
+gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat
+anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te
+kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”
+
+„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook
+niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent,
+juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het
+dus niet heel gemakkelijk hebben.”
+
+„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een
+rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te
+worden, niet waar Vader?”
+
+Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.
+
+„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan,
+dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”
+
+Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.
+
+„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet
+waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten
+regeeren.”
+
+Thea lachte maar.
+
+„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve
+meisjes bij waren.”
+
+„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat
+meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze
+dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.”
+
+„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om
+raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een
+scheef gezicht deed trekken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VACANTIEDAG.
+
+
+Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de
+ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had,
+haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een
+doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om
+enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en
+was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar
+vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden
+onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen
+tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.
+
+Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei:
+
+„Neen, dat gaat niet.”
+
+„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”
+
+Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.
+
+„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet
+gaan.”
+
+Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?
+
+Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang,
+hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer.
+
+Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:
+
+„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een
+dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”
+
+Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze
+antwoordde dadelijk:
+
+„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”
+
+„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief
+door.
+
+„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn,
+die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”
+
+„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te
+laten, ik durf het niet goed.”
+
+Thea keek een beetje beleedigd.
+
+„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al
+een heel mensch.”
+
+„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de
+kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te
+scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.”
+
+Haar man greep haar hand en zei lachend:
+
+„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte
+kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor
+ze maar eens.”
+
+Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later
+stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar
+schort vasthield.
+
+„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”
+
+Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van
+het harde loopen.
+
+„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.
+
+„Welk kraantje?”
+
+„In de gang.”
+
+Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.
+
+„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is
+ondergeloopen.”
+
+Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.
+
+„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”
+
+Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht.
+
+„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in
+de gang open?”
+
+Bets begon te huilen.
+
+„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg
+Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er
+bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en
+nu bent u boos op mij.”
+
+Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde
+beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico.
+
+„Heb jij dat kraantje geopend?”
+
+„Ja,” knikte Nico.
+
+„Waarom?” vroeg zijn vader.
+
+„Zoo maar.”
+
+„Wou je de gang eens laten onderloopen?”
+
+De jongen begon te lachen.
+
+„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te
+draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”
+
+Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij
+slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei:
+
+„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk
+er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje
+nog langer open had gestaan.”
+
+Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.
+
+Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan.
+
+„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”
+
+Zich toen tot haar man wendend:
+
+„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”
+
+Deze laatste lachte eens witjes.
+
+„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”
+
+Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.
+
+„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita
+en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.
+
+„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet
+ik niet.”
+
+„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu
+maar eens op zij.”
+
+„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”
+
+„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je
+mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat
+je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat
+het dak nog op het huis zal staan.”
+
+„En het eten?”
+
+„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.
+
+Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te
+gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.
+
+Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en
+hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden
+kwamen en niets van de zaak wisten.
+
+„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita.
+
+„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”
+
+„Uit de stad?” herhaalde Jan.
+
+Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!
+
+„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg
+geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief
+zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees
+jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit
+den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar
+benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.
+
+Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep
+dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon
+te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging.
+
+Ita had zich intusschen vlug aangekleed.
+
+„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.
+
+„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar
+weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.”
+
+„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo
+leuk vinden.”
+
+Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:
+
+„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over
+vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als
+vandaag, komt misschien nooit meer terug.”
+
+Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan.
+
+„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.
+
+„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten
+maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes
+merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en
+u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n
+portret?”
+
+„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”
+
+„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het
+in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen
+gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?”
+
+„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig
+idee van je.”
+
+„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u
+dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze
+zich dadelijk wil opknappen?”
+
+Haar vader beloofde het.
+
+Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het
+vijftal opweg naar den photograaf.
+
+Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was
+met een ander bezig.
+
+Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de
+verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren.
+Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig.
+
+„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.
+
+Bets ging wat netter zitten en geeuwde.
+
+„Ik verveel me zoo,” zei ze.
+
+„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks
+zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.”
+
+Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te
+trekken.
+
+„Schei uit,” zei Jan.
+
+„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den
+spiegel gestaan?”
+
+„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.
+
+Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het
+haar van zijn broertje halend, plaagde hij:
+
+„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”
+
+Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn
+meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen
+hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war
+bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende
+oorvijg.
+
+Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te
+huilen.
+
+Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was
+geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan
+een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had.
+
+Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.
+
+„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”
+
+Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar
+broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden.
+
+„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de
+jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u
+dadelijk helpen.”
+
+Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze
+binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk
+gevormd was!
+
+Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.
+
+„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer
+ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”
+
+Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat
+hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist,
+dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd,
+keek nog knorriger.
+
+„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.
+
+„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,”
+veronderstelde de photograaf.
+
+Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter
+pret van houding veranderde en de groep in de war bracht.
+
+Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.
+
+„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.
+
+Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets
+zachtjes.
+
+De photograaf begon zijn geduld te verliezen.
+
+„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”
+
+Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig
+gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon
+ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door.
+
+Ita werd boos.
+
+„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de
+groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan
+moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.”
+
+„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil
+zijn, ik kan het echt niet helpen.”
+
+Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname
+eindelijk gedaan.
+
+„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.”
+
+„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”
+
+„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te
+doen.”
+
+Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita
+naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was
+naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste
+pak aan had.
+
+Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet
+weinig pret in het verhaal had.
+
+„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war
+gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of
+er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.”
+
+„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.
+
+„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.
+
+„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal
+worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en
+Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”
+
+Bets sloeg hare armen om zijn hals.
+
+„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school
+vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt
+en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch
+heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar
+het kan mij niks schelen, hoor.”
+
+Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de
+woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets,
+ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten.
+
+Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige
+uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze
+bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd.
+
+„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al
+de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.”
+
+Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader
+toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te
+zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat.
+
+„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch
+wat te zeggen.
+
+Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.
+
+„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de
+vriendinnetjes van Bets over mij spreken.”
+
+Thea zette zich bij hem neer.
+
+„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is
+geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms,
+dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat
+we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets
+goeds?”
+
+„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”
+
+„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren,
+„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld,
+dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk.
+
+Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en
+vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het
+was meer dan tijd.
+
+Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever
+had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere
+richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen
+en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar.
+
+Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.
+
+„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.
+
+Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op
+zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als
+een wildeman opstrijken.
+
+„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.
+
+Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond
+op.
+
+„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader.
+
+„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”
+
+„En werk je dan vandaag niets?”
+
+Jan keek mistroostig.
+
+„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”
+
+„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt
+voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.”
+
+„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret
+uit.”
+
+„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie
+heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”
+
+Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte
+ongeduldig met zijn eene been.
+
+„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op
+me.”
+
+„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat
+portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat
+lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af
+geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink
+werken, niet waar Jan?”
+
+„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat
+Thea het voor je vraagt.”
+
+Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong
+op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.
+
+Thea keek hem lachend na.
+
+„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem
+geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.”
+
+„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo
+onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je
+soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel
+liever gunde ik hem een vrije vacantie.”
+
+Ita knikte hem eens toe.
+
+„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea,
+weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt
+Moes die klaar, als ze thuis komt.”
+
+Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het
+toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met
+een dubbel drukken dag betalen.
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht
+helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige
+bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol
+gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe
+verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar
+uitstapje, thuis kwam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN MOEIELIJK BEGIN.
+
+
+De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in
+spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen.
+
+Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op.
+Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf
+haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg,
+wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de
+onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde
+beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze
+vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls
+amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te
+brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf,
+maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen.
+
+Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een
+wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had,
+toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds
+klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan
+de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat
+zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.
+
+De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler
+werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig
+schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo
+onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te
+hebben, als ze maar pret kon maken.
+
+Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de
+meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar
+geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig
+mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet
+deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk,
+maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet
+met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel
+aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde
+het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond
+behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom
+gegroefd hadden.
+
+Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan
+les zou moeten geven.
+
+„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet
+je wel, wie we krijgen?”
+
+„Neen, jij?”
+
+„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel,
+uit de vierde.”
+
+„Och neen!” en Louise schaterde het uit.
+
+„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”
+
+„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel
+grooter is dan jij, peuter.”
+
+Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.
+
+„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”
+
+Toen lachte ze en zei:
+
+„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een
+gezichtje.”
+
+„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna
+Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze
+heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze
+groot of klein is.”
+
+Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het
+hoofd.
+
+„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze
+klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”
+
+Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit.
+
+„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret
+hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons
+heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet
+te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”
+
+Anna Verloef trok haar aan haar mouw.
+
+„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”
+
+Louise keek haar weer spottend aan.
+
+„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft
+er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.”
+
+„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen
+lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk
+lastig te maken.”
+
+„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”
+
+Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw
+Lettinga en Thea.
+
+„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”
+
+De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea
+kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die
+op haar gezicht waren.
+
+Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.
+
+„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is
+er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal
+jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte
+haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen
+zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en
+verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam
+mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar
+Louise?”
+
+Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon,
+waarvoor ze respect had.
+
+„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal
+ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles,
+zooals u weet.”
+
+Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van
+stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen
+elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen,
+maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen.
+
+Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:
+
+„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”
+
+De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.
+
+„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een
+oogenblik, tot er werkelijk stilte was.
+
+Daar stak Louise haar vinger op.
+
+„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”
+
+„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon,
+„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een
+stoof.”
+
+Thea keek vreemd op.
+
+„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”
+
+„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op
+zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.”
+
+Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze
+heel rood werd.
+
+Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.
+
+Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te
+beheerschen.
+
+„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer
+vooraan komen zitten.”
+
+Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.
+
+Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:
+
+„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”
+
+„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart,
+maar voor het uiterlijk bedaard en kalm.
+
+Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik,
+Louise haar vinger weer op.
+
+„Wat is er nu weer, kind?”
+
+Louise zette een heel dom gezicht.
+
+„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”
+
+Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek
+gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke
+flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan.
+
+Maar dat was niet de bedoeling van Louise.
+
+„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.
+
+„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”
+
+„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?”
+
+Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.
+
+„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de
+beginselen.”
+
+Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.
+
+„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze.
+Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:
+
+„Nou jij.”
+
+Meta stak nu haar vinger op.
+
+„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”
+
+Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde.
+Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige
+vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen,
+maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar
+juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten
+de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was
+de directrice niet.
+
+Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.
+
+Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en
+terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en
+toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan
+zitten, maar Thea zei:
+
+„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te
+hebben.”
+
+Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.
+
+„Waar is Louise?” vroeg ze.
+
+Meta lachte.
+
+„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.
+
+Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou
+kunnen vertrouwen.
+
+Haar oog viel op Anna Verloef.
+
+„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.
+
+Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had
+nergens meer hekel aan, dan aan jokken.
+
+Toch fluisterde ze:
+
+„Neen juffrouw.”
+
+Thea keek haar aan en zag haar kleuren.
+
+„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”
+
+„Anna Verloef.”
+
+„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.
+
+Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan
+voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet
+voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had
+laten glijden.
+
+Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.
+
+Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag,
+Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes
+lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars,
+andere van Thea naar Louise kijkend.
+
+Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten
+inspannen, om niet driftig te worden.
+
+„Waar ben je geweest, Louise?”
+
+Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen
+en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om
+Louise te zien.
+
+„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang
+uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet
+verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?”
+
+„Ik, juffrouw, wel hier.”
+
+„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in
+je bank.”
+
+Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare
+medeleerlingen verwekte.
+
+„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de
+deur hooren openen en dicht gaan.”
+
+Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten
+was.
+
+„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet.
+Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”
+
+Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.
+
+Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten
+ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen
+en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen,
+Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor.
+
+Na eenige oogenblikken zei ze:
+
+„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise
+gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het
+voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu
+nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”
+
+Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise
+lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.
+
+Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend
+aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht
+een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met
+zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar
+mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op
+toegelegd had, haar bespottelijk te maken.
+
+Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden
+voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de
+overwinning zijn?
+
+Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog
+uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan
+wel naar den geest.
+
+Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar
+een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig
+ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over,
+waaronder Anna Verloef.
+
+Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken
+waren.
+
+„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”
+
+Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:
+
+„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen
+waarheid.”
+
+Anna kleurde weer.
+
+„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat
+niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het
+vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.”
+
+Thea bedacht zich een oogenblik.
+
+„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou
+moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.”
+
+Anna keek haar verrast aan.
+
+„En vindt u dat dan goed?”
+
+„Beter, dan dat je jokt.”
+
+„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat
+geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.”
+
+Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze
+nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou
+het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.
+
+De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat
+met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm
+en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren
+ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren
+en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze
+thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de
+belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er
+ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel,
+dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote
+inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel,
+alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind
+was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de
+meisjes dol.”
+
+Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben?
+Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze
+moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste.
+
+Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep,
+dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop
+zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo
+moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker
+werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding
+en met die gedachte sliep ze in.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN OVERWINNING.
+
+
+Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich
+zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat
+het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen.
+
+Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al
+verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag
+had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op
+viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein
+persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.
+
+Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over
+het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.
+
+Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van
+het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.
+
+Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de
+meeste deden, alsof ze niets hoorden.
+
+„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.
+
+Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.
+
+„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet
+kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den
+lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok
+Louise een heel zoetsappig gezicht.
+
+Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea
+had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise
+te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer
+van had, zou het haar wel vervelen.
+
+„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je
+les.”
+
+„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo
+netjes.”
+
+Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.
+
+„Kom Anna, begin,” zei ze.
+
+Louise trok een meewarig gezicht.
+
+„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.
+
+„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.
+
+Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen
+zei ze op een toon van de uiterste verbazing:
+
+„Ze durft.”
+
+Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er
+niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school
+les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze
+nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig:
+
+„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en
+zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”
+
+Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was
+iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond,
+dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen.
+Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet
+gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus
+kalm in haar bank zitten.
+
+Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er
+gebeuren zou.
+
+„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.
+
+„Jawel, maar ik ga niet.”
+
+Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze
+drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar
+drift meester te blijven.
+
+„Je gaat direct,” zei ze streng.
+
+„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in
+hare handen, keek brutaal rond.
+
+Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar
+toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en
+dat wilde ze trouwens ook niet.
+
+Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:
+
+„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de
+directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”
+
+De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep,
+dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar
+voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich,
+daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet
+was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze
+vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met
+Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te
+fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder
+rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam
+kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.
+
+Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam
+en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen.
+
+„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist
+wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou
+ze dat toch niet gedurfd hebben.”
+
+Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het
+haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te
+antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine
+meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond.
+
+„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen.
+Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo
+kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de
+orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik
+Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat
+kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen
+worden, moet je zelf veroveren.”
+
+Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein.
+Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden
+invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht
+veroveren.
+
+Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der
+lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en
+ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren.
+
+Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de
+juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:
+
+„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je
+je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden,
+ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis
+stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven,
+zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt
+komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.”
+
+Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu
+sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze
+kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid
+missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis.
+
+Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.
+
+„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te
+brengen.”
+
+Met een ruk richtte Louise zich op.
+
+„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.
+
+„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee
+en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.”
+
+Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze
+gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar
+nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was.
+
+Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.
+
+Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog
+niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel
+inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse
+heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van
+de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had
+ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen,
+waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was
+uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de
+klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.
+
+De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die
+Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen,
+de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen,
+straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de
+eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer
+inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en
+dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare
+voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen.
+
+De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat
+het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze
+had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord.
+
+En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar
+betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen
+krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn.
+
+Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen
+spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste
+hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee
+handelde.
+
+„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar
+aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen
+invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is
+waarschijnlijk te zwaar voor je.”
+
+„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan
+natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe
+plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag
+goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden
+meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”
+
+Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was
+binnengekomen, boog zich over haar heen.
+
+„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van
+worden.”
+
+Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:
+
+„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe
+moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”
+
+Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend
+hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed
+onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats
+veroveren?
+
+Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord,
+er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig
+niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang.
+
+Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze
+slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te
+bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei:
+
+„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.”
+
+De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de
+aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil
+en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.
+
+Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en
+toen ving ze aan met spreken.
+
+„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een
+onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de
+reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun
+onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat
+je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den
+schijn van geeft.”
+
+Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare
+wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en
+luisterden gretig.
+
+„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter
+plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar,
+je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de
+onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt
+vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig
+vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend
+geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben
+op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen
+de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te
+gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in
+de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt,
+waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan
+worden?
+
+„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij
+kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest
+in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover
+begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.”
+
+Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.
+
+Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine
+juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.
+
+„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten,
+dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men
+onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen
+en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel
+liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het
+me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk
+niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat,
+niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te
+verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt,
+dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb
+jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent?
+
+„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker
+van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een
+treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar
+nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet
+meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking
+zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over
+mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter
+zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat
+ons nu aan ons werk gaan.”
+
+Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong
+gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd
+was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield.
+
+Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag
+vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven.
+
+Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde
+van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens,
+dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter
+bij haar op te passen.
+
+„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat
+ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het
+haar niet veel helpen.”
+
+Nu werden een paar meisjes bepaald boos.
+
+„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is
+grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde
+me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van
+Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.”
+
+„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch
+is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen,
+het begon me zelf al te vervelen.”
+
+„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier
+letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk
+aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.”
+
+„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise,
+die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht,
+liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg.
+
+„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu
+zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen,
+zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw
+best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar
+juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap.
+Vin’ jullie dat goed?”
+
+Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat,
+gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze
+werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken.
+
+Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan
+goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea
+weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van
+tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere
+meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de
+klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om
+een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.
+
+Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea
+voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde
+naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar
+benoeming.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+THEA EN LOUISE.
+
+
+Van toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes
+hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze
+geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was,
+werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij
+vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en
+ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo
+bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar
+werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend
+groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten
+maar goed waren.
+
+En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde
+niet alleen belang in hun leeren, maar ook in de vorming voor hun
+karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige,
+werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die
+het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt
+had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe
+zich voordeed.
+
+Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen,
+maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt.
+
+Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat
+ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze
+voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde
+dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden
+te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden,
+als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals
+haar hart haar ingaf.
+
+Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling
+terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om
+hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal
+geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet
+laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te
+meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam.
+
+In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in
+haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn,
+die geen liefde weten op te wekken en daardoor weinig liefde
+ondervinden.
+
+En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!
+
+Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid
+tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat
+zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam.
+
+Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor
+haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen
+haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten
+haar te temmen en geen last meer van haar te hebben.
+
+Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander
+veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.
+
+„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.
+
+„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”
+
+„Wat scheelt haar?”
+
+„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”
+
+Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea
+haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij
+vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar
+niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm
+kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, broertjes en zusjes
+gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna
+niet gekend had.
+
+Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee
+stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst
+ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te
+koopen.
+
+Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het
+Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer
+dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een
+gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren.
+
+Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd
+ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan
+had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen.
+
+Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig
+kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een
+plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een
+inktkoker, verder niets.
+
+Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen,
+of ze even wachten wilde.
+
+Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame
+binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser.
+
+Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s
+onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het
+met haar ging.
+
+„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk kou gevat en
+heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar
+eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den
+tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden
+hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.”
+
+Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng,
+maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk
+ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige
+hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond.
+
+„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor
+zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.”
+
+Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.
+
+„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons
+heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u
+begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen,
+dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”
+
+Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets
+willen zeggen, dat deze kwetsen kon.
+
+„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere
+wending te geven.
+
+„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze
+heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik
+geloof, dat ze liefst alleen is.”
+
+„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen
+brengen.”
+
+„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”
+
+Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het
+kamertje van Louise.
+
+Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote
+ongezelligheid.
+
+Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het
+niet om, voor deze haar goeden dag zei.
+
+Toen keek ze verrast op.
+
+„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog
+donkerder.
+
+„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik
+mis je al een dag of vijf op school.”
+
+Louise glimlachte een beetje ondeugend.
+
+„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”
+
+Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen,
+die ze voor haar meegebracht had.
+
+Louise’s gezichtje look op.
+
+„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”
+
+„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”
+
+„En U hebt die voor mij meegebracht?”
+
+„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”
+
+Louise scheen deze vraag niet te hooren.
+
+„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je
+voor, zij brengt rozen voor mij mee.”
+
+Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en toen Thea, die bij
+gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer
+tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde
+er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.
+
+„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”
+
+Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met
+haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu
+bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar
+durfde blijven, bang haar te veel op te winden.
+
+Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de
+hare en drukte die stevig.
+
+Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon,
+ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:
+
+„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo
+goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben
+je daar te moe voor?”
+
+Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te
+willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en
+mevrouw.
+
+„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.
+
+„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en
+mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen
+begonnen al weer te vloeien.
+
+Thea greep haar hand.
+
+„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.... maar
+laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij
+eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan
+ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is.
+Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”
+
+„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb
+niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een
+lieve man.”
+
+„Ja? Wie is je dokter?”
+
+„Dokter Heger.”
+
+„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette,
+ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen
+ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge
+dokter?”
+
+„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”
+
+„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel
+heet?”
+
+„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u
+hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”
+
+Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij
+dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk
+zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij.
+
+Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, ging ze weg, maar niet
+voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan,
+haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde
+het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om
+haar wat afleiding te geven.
+
+De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden
+lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte,
+maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar
+weer op krachten te brengen.
+
+Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch
+werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn.
+
+„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds
+herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte,
+dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn.
+
+Thea kleurde een beetje.
+
+„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor
+je.”
+
+Louise keek haar lachend aan.
+
+„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo
+grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.”
+
+Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die
+ze voor Louise had meegebracht.
+
+Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze:
+
+„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op
+school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis
+van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies
+teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook,
+dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had
+en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.
+
+„Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en
+toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de
+familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.”
+
+Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het
+gesprek een andere wending gegeven.
+
+„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag
+woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!”
+
+„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n
+onzin niet gezegd hebben.”
+
+„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.
+
+Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste
+leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel
+meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden.
+
+„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”
+
+„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het
+goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend
+is. Ze vindt het vooral heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst
+was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde
+zich thuis zoo eenzaam.”
+
+„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik
+kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen
+wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit
+zijn.”
+
+„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen,
+mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet
+gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.”
+
+„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er
+zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik,
+als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer
+allemaal het land aan me krijgen.”
+
+Thea moest even lachen.
+
+„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor,
+ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook,
+dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien,
+hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”
+
+Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te
+denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar
+juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe
+ze haar ooit had kunnen plagen.
+
+„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me
+zijn. Nu ik weer sterker word, voel ik den lust tot weerspannigheid
+alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u
+hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”
+
+Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij
+zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het
+eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar
+toen.
+
+Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel
+lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte
+helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze
+bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen.
+
+Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader,
+Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn
+zou.
+
+En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij
+had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te
+mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar
+beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de
+handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad
+wonen.
+
+Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek
+was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet
+meer ontmoet en dan....
+
+„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps Ita vragen, die
+haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”
+
+Thea stak haar arm door dien van haar zuster.
+
+„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?”
+vroeg ze.
+
+„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk
+een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er
+bescheid op.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET ENGAGEMENT.
+
+
+Karel wist er bescheid op.
+
+Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd,
+verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.
+
+„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je
+hoort het.”
+
+Thea lachte en bloosde.
+
+Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar
+gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg
+hij:
+
+„Waarmee legt mijn meisje het af?”
+
+Thea bloosde nog sterker.
+
+„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig
+zijn.”
+
+Maar hier was Karel niet mee tevreden.
+
+„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”
+
+Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:
+
+„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze
+en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid
+bedwingen.”
+
+Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover
+de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in
+het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht.
+
+Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de
+dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan
+hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer.
+
+Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.
+
+„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan
+meneer de dokter ons beter maken.”
+
+„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte
+Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter
+in de familie te hebben.”
+
+Karel trok Nico zacht aan zijn oor.
+
+„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te
+krijgen?” vroeg hij.
+
+„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze
+haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem
+aanleunde.
+
+Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden.
+
+„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist
+leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet
+lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het
+niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.”
+
+Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.
+
+„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het
+jongste jongentje hier het hoogste woord?”
+
+Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen
+acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte:
+
+„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en
+dan ben ik lekker niet meer de jongste.”
+
+Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas
+met bloemen op den schoorsteenmantel.
+
+Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde
+laten zien, dat ze lachen moest.
+
+Maar mijnheer van Welderen lachte niet.
+
+„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist
+binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?”
+
+Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.
+
+„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout
+geweest?”
+
+Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en
+riep, zich aan haar vastklemmend:
+
+„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken
+eten.”
+
+Zijn moeder weerde hem zacht af.
+
+„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”
+
+„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken,
+als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van
+tafel gaan.”
+
+Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:
+
+„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te
+zeggen, mag hij dan binnen blijven?”
+
+Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt
+ging het gezin aan tafel.
+
+Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over
+den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar
+nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren,
+zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.
+
+„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons
+klaar.”
+
+Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen,
+maar er kwam geen geluid uit.
+
+„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.
+
+„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.
+
+Jan lachte hardop.
+
+„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis,
+of ze het op school mag vertellen.”
+
+Bets keek boos.
+
+„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk
+vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet,
+dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde
+ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen,
+maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”
+
+Nu lachte het heele gezin.
+
+„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.
+
+„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel
+gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze
+niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer
+wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”
+
+Bets’ oogen glinsterden.
+
+„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.
+
+„Echt,” beloofde deze.
+
+„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.
+
+„St,” zei Vader.
+
+„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....”
+
+„Nico!” en Vader keek streng.
+
+„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.
+
+„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere,
+groote plak.”
+
+Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van
+plezier.
+
+„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met
+de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van
+krijgen.”
+
+„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.
+
+Nu nam Jan het woord.
+
+„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....”
+
+Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.
+
+„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.
+
+Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.
+
+„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij
+niet goed was?”
+
+„Och niks.”
+
+„Jawel, toe zeg ’t nou.”
+
+„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn
+glas uit en begon over wat anders.
+
+Karel keek Jan verrukt aan.
+
+„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben
+alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.”
+
+Thea legde haar handje op zijne lippen.
+
+„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.
+
+Daar tikte haar vader tegen zijn glas.
+
+Allen zwegen.
+
+„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik
+graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw
+krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”
+
+„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.
+
+Haar vader liet zich niet storen en ging door:
+
+„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd
+een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar
+Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan
+haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is,
+zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees
+altijd goed voor haar, ze verdient het.”
+
+Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem
+een beetje.
+
+Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten,
+om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar
+hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder.
+
+„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf
+toch immers uw eigen dochtertje.”
+
+Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.
+
+„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk
+klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij
+stootte bij Karel aan.
+
+Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.
+
+„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat
+en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.”
+
+Daar bromde Jan’s jongensstem:
+
+„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou
+altijd zien.”
+
+Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men
+schaterde het uit om Jan’s woorden.
+
+„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem
+plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen
+zullen.”
+
+„Dat beloven we,” riepen allen.
+
+Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.
+
+„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten.
+Enfin, het is nog zoo ver niet.”
+
+Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of
+het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging.
+
+„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er
+behoefte aan een luchtje te scheppen?”
+
+Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.
+
+„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op
+straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”
+
+Thea werd nog verlegener en allen lachten.
+
+„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.
+
+Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even
+gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.
+
+„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel
+voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.”
+
+Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje
+zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat
+donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar
+keek.
+
+Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk
+beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich
+in den zevenden hemel.
+
+Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje
+volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw
+iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend.
+
+Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou
+uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje.
+Nu hadden ze dolle pret.
+
+„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,”
+en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.
+
+„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan
+zijn gewaand meisje.
+
+„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons
+zien, nou....”
+
+„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet
+goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed
+ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”
+
+Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes
+lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.
+
+Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s
+gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of
+niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist
+tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen.
+
+„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”
+
+„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.
+
+„St,” fluisterde Bets.
+
+Thea keek onrustig om.
+
+„Hoorde je niets?” vroeg ze.
+
+Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de
+beschouwing van zijn meisje.
+
+Ze liepen door.
+
+Bets en Nico volgden hen.
+
+„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”
+
+Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter
+dan hij.
+
+„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”
+
+Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.
+
+„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik
+ben de grootste, net als Karel.”
+
+„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en
+ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”
+
+Dat was niet naar Bets’ zin.
+
+„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”
+
+„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil
+weggeloopen.”
+
+„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”
+
+„In ieder geval heb jij het verzonnen.”
+
+Dat was Bets te veel.
+
+„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf
+zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren,
+die tamelijk hard aankwam.
+
+Nico gilde het uit.
+
+Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.
+
+Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf
+gingen met schoppen en trappen.
+
+„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze
+scheiden.”
+
+Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar
+nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam
+Karel bij Thea terug.
+
+„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.
+
+„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe
+zouden die hier in de straat komen.”
+
+„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”
+
+Thea stond stil van schrik.
+
+„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen
+hebben?
+
+„Best mogelijk.”
+
+„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het
+geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!”
+
+Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er
+maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest.
+
+Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de
+kleintjes waren nergens te vinden.
+
+„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.
+
+„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,”
+beweerde haar moeder.
+
+„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders
+zijn.”
+
+Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de
+omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist
+niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten.
+Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien.
+
+Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau
+van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar
+hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend.
+
+„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”
+
+Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf,
+kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet
+te doen.
+
+„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.
+
+Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea
+hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden.
+
+Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.
+
+„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.
+
+Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar
+bed te gaan.
+
+„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.
+
+„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er
+zoo afkomt.”
+
+Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder
+prettig, dan ze gedacht hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+UIT THEA’S DAGBOEK.
+
+
+De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis
+doorbreng!
+
+Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch
+drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik
+veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter.
+
+Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden
+heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen
+getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar
+genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes
+zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer
+genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen
+konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet
+alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever
+gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij
+gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook
+al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven
+afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven
+aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch
+niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag
+gehaald.
+
+In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun
+liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst
+heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is.
+
+En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n
+heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes,
+die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo
+driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde,
+dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn
+ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan
+nu eenmaal niet gemakkelijk leeren.
+
+O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.
+
+En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander
+kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals
+Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en
+leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te
+doen schijnen.
+
+Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te
+wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij
+dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om
+je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen
+verzachten.
+
+En alle menschenleed!
+
+Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart,
+die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn,
+maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met
+zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker
+in staat zal zijn veel goed te doen.
+
+Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd
+in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat
+hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig
+medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te
+beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was
+en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt
+niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij.
+
+Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook
+maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het
+ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig
+voor.
+
+Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen!
+
+Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een
+door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog
+liever zijn, dan de deugden van anderen.
+
+Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk
+waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe
+ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren
+tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse
+afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet
+maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende
+opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een
+sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles
+in orde.
+
+Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet
+naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding
+der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in
+mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel
+mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te
+helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik
+daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven
+geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel
+was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met
+hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle
+bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita
+volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te
+worden.
+
+„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.
+
+„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.
+
+Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch
+niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden,
+dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af
+moest zetten.
+
+„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.
+
+„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal
+kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming
+te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig
+denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”
+
+Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet
+alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te
+bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven
+voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding
+nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te
+zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader
+overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk
+daarin ten minste geen verandering brengt.
+
+Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik
+morgen niet frisch.
+
+Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in
+schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik
+mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb.
+
+Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd,
+alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader
+en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen
+en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen.
+Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch
+eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar
+toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?
+
+Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had
+pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te
+kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet
+gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven,
+zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.
+
+Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op
+aarde voor mij is weggelegd, morgen.....
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ Eerste Hoofdstuk. Het examen 5
+ Tweede ,, Een kloek besluit 15
+ Derde ,, Afscheid 31
+ Vierde ,, Van huis 41
+ Vijfde ,, Kennismaking 55
+ Zesde ,, Uit Thea’s dagboek 69
+ Zevende ,, Een moeielijke taak 79
+ Achtste ,, De verdwenen armband 95
+ Negende ,, Uit Thea’s dagboek 105
+ Tiende ,, De ontdekking 113
+ Elfde ,, Naar huis 127
+ Twaalfde ,, Jan’s rapport 139
+ Dertiende ,, Thea krijgt een nieuwe betrekking 157
+ Veertiende ,, Een vacantiedag 171
+ Vijftiende ,, Een moeielijk begin 187
+ Zestiende ,, Een overwinning 199
+ Zeventiende ,, Thea en Louise 213
+ Achttiende ,, Het engagement 227
+ Negentiende ,, Uit Thea’s dagboek 241
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***
diff --git a/78835-h/78835-h.htm b/78835-h/78835-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..49a4dc6
--- /dev/null
+++ b/78835-h/78835-h.htm
@@ -0,0 +1,8756 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-06-09T20:05:39Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Het onderwijzeresje | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Felicie Jehu (1865–1956)">
+<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Het onderwijzeresje">
+<meta name="DC.Creator" content="Felicie Jehu (1865–1956)">
+<meta name="DC.Contributor" content="Louis Raemaekers (1869–1956)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #660000;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #660000;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+height: 1ex;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+caption, .tableCaption {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 1em;
+margin-top: 1em;
+margin-bottom: 1em;
+}
+tr, td, th {
+vertical-align: top;
+}
+tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td, tr.label th {
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td, tr.unit th {
+font-style: italic;
+}
+td.leftbrace, td.rightbrace, th.leftbrace, th.rightbrace {
+vertical-align: middle;
+}
+span.sum {
+padding-top: 2px;
+border-top: solid black 1px;
+}
+table.inlineTable {
+display: inline-table;
+}
+table.borderOutside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td, table.borderOutside th {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cell-head-top, table.borderOutside .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-left, table.borderOutside .cell-head-left {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-right, table.borderOutside .cell-head-right {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td, table.verticalBorderInside th {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-head-top, table.verticalBorderInside .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-left, table.verticalBorderInside .cell-head-left {
+border-left: 0 solid black;
+}
+table.borderAll,
+table.rtlBorderAll {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td, table.borderAll th,
+table.rtlBorderAll td, table.rtlBorderAll th {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-head-top, table.borderAll .cell-top,
+table.rtlBorderAll .cell-head-top, table.rtlBorderAll .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-head-bottom,
+table.rtlBorderAll .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-bottom,
+table.rtlBorderAll .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-left,
+table.borderAll .cell-head-left {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-right,
+table.borderAll .cell-head-right {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cell-left,
+table.rtlBorderAll .cell-head-left {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cell-right,
+table.rtlBorderAll .cell-head-right {
+border-left: 2px solid black;
+}
+tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
+border-top: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
+border-right: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
+border-top: 1px solid black !important;
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
+border-right: 1px solid black !important;
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
+border: 1px solid black !important;
+}
+tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
+border-top: none !important;
+}
+tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
+border-right: none !important;
+}
+tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
+border-left: none !important;
+}
+tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
+border-top: none !important;
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
+border-right: none !important;
+border-left: none !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
+border: none !important;
+}
+.cellDoubleUp {
+border-width: 0 !important;
+width: 1em;
+}
+.cellDummy {
+border-width: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalIntegerPart {
+text-align: right;
+border-right: none !important;
+padding-right: 0 !important;
+margin-right: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalFractionPart {
+text-align: left;
+border-left: none !important;
+padding-left: 0 !important;
+margin-left: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalNotNumber {
+text-align: center;
+}
+span.seg {
+text-indent: 0;
+}
+span.ditto {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+vertical-align: middle;
+text-align: center;
+line-height: 0;
+text-indent: 0;
+}
+span.ditto span.r {
+display: table-row;
+}
+span.ditto span.s {
+display: table-cell;
+visibility: hidden;
+}
+span.ditto span.d {
+display: table-cell;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+display: inline;
+font-size: 12.8px;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #666666;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+caption, .tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.Arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.Aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.Grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.Hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.Syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.xl {
+font-size: x-large;
+}
+.xxl {
+font-size: xx-large;
+}
+.bold {
+font-weight: bold;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:494px;
+}
+.frontispiecewidth {
+width:527px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:497px;
+}
+.o014width {
+width:198px;
+}
+.o029width {
+width:463px;
+}
+.o040width {
+width:307px;
+}
+.p048width {
+width:630px;
+}
+.o068width {
+width:307px;
+}
+.o094width {
+width:106px;
+}
+.xd33e1574 {
+text-align:right;
+}
+.o111width {
+width:463px;
+}
+.o125width {
+width:307px;
+}
+.o137width {
+width:307px;
+}
+.p152width {
+width:546px;
+}
+.o156width {
+width:463px;
+}
+.o169width {
+width:307px;
+}
+.o185width {
+width:307px;
+}
+.o198width {
+width:198px;
+}
+.o211width {
+width:307px;
+}
+.p216width {
+width:518px;
+}
+.o225width {
+width:307px;
+}
+.o239width {
+width:463px;
+}
+.o246width {
+width:106px;
+}
+.spinewidth {
+width:118px;
+}
+.backwidth {
+width:489px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="494" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center large">HET ONDERWIJZERESJE.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center small">Boekdrukkerij Firma P. Kluitman, Alkmaar.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”" width="527" height="720"><p class="figureHead">„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”</p>
+<p class="first">(Bladz. 103)</p>
+</div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="497" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle">HET<br>
+ONDERWIJZERESJE</h1>
+</div>
+<div class="byline">DOOR<br>
+<span class="docAuthor">FELICIE JEHU.</span>
+<br>
+GEÏLLUSTREERD DOOR<br>
+<span class="docAuthor">LOUIS RAEMAEKERS.</span></div>
+<div class="docImprint">ALKMAAR—P. KLUITMAN.<br>
+<span class="docDate">1908.</span></div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3635">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Eerste Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Eerste Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het examen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-m.png" alt="M" width="162" height="143"></div>
+<p class="first">ijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij daar nu al
+jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van zijn paard, zijn rug bezeerd
+had, welk ongeval een eind gemaakt had aan zijn carrière als officier. Hij was toen
+nog jong, nog geen vijf en veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren,
+had naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .… en ineens maakte
+die val een eind aan alle verwachtingen.
+</p>
+<p>Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en niet dan met
+de grootste moeite eenige stappen loopen kon.
+</p>
+<p>En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn huis gedaan hadden,
+de geldzorgen vooral.
+<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
+<p>Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien, de jongste twee
+jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en buiten zijn pensioen had hij
+niet veel. Toen hij in zooverre hersteld was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk
+was en hij zijne dagen weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds
+liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van militaire schetsen
+en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel dikwijls werd hij gekweld door
+pijn, die hem het werken belette, zoodat hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig
+vermeerderen kon. Toch was hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd
+karakter en dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat daar
+dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.
+</p>
+<p>Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de handen uit
+de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen beiden hun lot te dragen.
+</p>
+<p>En dan zijne kinderen!
+</p>
+<p>Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen vijf kinderen
+op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen van allen willen missen, ze
+maakten immers het geluk en de gezelligheid van het huis uit.
+</p>
+<p>En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu negentien jaar, een
+klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als geschapen om het echte <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te genieten van haar jeugd. En wat had
+ze niet gewerkt om maar zoo spoedig mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen
+doen, zijn dapper meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om
+zijne zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar hulpakte
+gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds trachten haar akte Engelsch
+te halen, waar ze al voor gestudeerd had, toen ze nog voor haar akte lager onderwijs
+werkte.
+</p>
+<p>Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed of slecht nieuws
+en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo gekweld, als juist heden. Hij was
+te rusteloos, om zich met iets bezig te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep
+niet, wat er stond, werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita,
+zijn tweede dochter, had wel geen school <span class="corr" id="xd33e183" title="Bron: van middag">vanmiddag</span>, maar was haar zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen
+dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine Nico meegenomen
+en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.
+</p>
+<p>Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger worden.
+</p>
+<p>Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een oogenblikje
+bij hem kon blijven.
+</p>
+<p>„Ben je daar, beste,” riep hij.
+</p>
+<p>De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.
+</p>
+<p>„Riep je, Johan?”
+<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
+<p>„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt, het is al half
+drie.”
+</p>
+<p>Zijn vrouw zette zich naast hem neer.
+</p>
+<p>„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn. Valt de tijd
+je zoo lang?”
+</p>
+<p>„Ja, jou niet?”
+</p>
+<p>„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw voorbij. Ik heb advocaat
+gemaakt, wat zeg je daarvan?<span id="xd33e200">”</span>
+</p>
+<p>„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”
+</p>
+<p>„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”
+</p>
+<p>„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel bekwaam genoeg zijn.
+Ik ben er niet zoo gerust op.”
+</p>
+<p>In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te kijken en verzekerde
+hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van Thea.
+</p>
+<p>„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de lieveling moet
+dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er smalletjes uit in den laatsten tijd.”
+</p>
+<p>Haar man zuchtte.
+</p>
+<p>„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn, als ze zich
+weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om zulke jonge kinderen les
+te geven, ik weet de methoden niet en daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig
+genoeg. Het is miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”
+</p>
+<p>Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.
+</p>
+<p>„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>wat je kunt. Dat je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap
+bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het dadelijk weer
+van je te zullen overnemen.”
+</p>
+<p>„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor haar genoegen
+leven.”
+</p>
+<p>„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een betrekking heeft en
+dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”
+</p>
+<p>Weer zuchtte mijnheer van Welderen.
+</p>
+<p>„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de gedachte dat
+zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet verdienen, terwijl ik hier nutteloos
+neerlig! Als je eens wist, hoe me dat kwelt.”
+</p>
+<p>Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.
+</p>
+<p>„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,” voegde ze er bij,
+naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig te worden. Daar komen Jan en
+Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”
+</p>
+<p>„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar man, maar ze
+viel hem in de rede:
+</p>
+<p>„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te treuren. Ik ga de
+jongens even opendoen.”
+</p>
+<p>Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico naar binnen.
+</p>
+<p>„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>dat we te laat waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet
+voorhoofd af.
+</p>
+<p>Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.
+</p>
+<p>„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem zijne krullen
+uit zijn gezichtje.
+</p>
+<p>„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en je haar die
+rozen geeft?”
+</p>
+<p>Nico knikte van ja.
+</p>
+<p>„Wat dan?”
+</p>
+<p>„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou weer van Thea
+les?”
+</p>
+<p>„Ja, vin’ je dat niet prettig?”
+</p>
+<p>„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel liever naar
+school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”
+</p>
+<p>Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het hem moeilijk
+viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen hem al zooveel kostten.
+</p>
+<p>Toen hervatte hij:
+</p>
+<p>„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en je zult lief
+zijn en je best doen, niet waar?”
+</p>
+<p>Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit niet naar zijn
+zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn moeder binnen en ziende, hoe
+vuil hij zich op straat gemaakt had, nam ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.
+</p>
+<p>Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.
+</p>
+<p>„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader.
+<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
+<p>Jan schudde ontkennend.
+</p>
+<p>Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.
+</p>
+<p>„Jan,” zei hij weer.
+</p>
+<p>Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee gedaanten, die
+in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden het de zusjes zijn?
+</p>
+<p>„Jan,” zei nog eens zijn vader.
+</p>
+<p>Doch Jan keek niet om.
+</p>
+<p>„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de ruiten, om beter
+in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:
+</p>
+<p>„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier, hoezee, ze is
+er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich zenuwachtig had opgericht, vloog
+hij de gang in, naar de voordeur, roepend:
+</p>
+<p>„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook naar voren.
+Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een paar huizen ver, kleine,
+blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige
+Ita danste letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar haar
+keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.
+</p>
+<p>„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de deur der huiskamer
+openend, <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar vader en stak zijne armen naar haar uit.
+Zijne oogen waren gevuld met tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees,
+hoe gespannen zijn zenuwen waren.
+</p>
+<p>Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander hartelijk.
+</p>
+<p>„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk geluk gewenscht,
+het is haast al te heerlijk.”
+</p>
+<p>Nog een kus en Thea richtte zich op.
+</p>
+<p>„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan verrukkelijk” en ze
+vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens flink.
+</p>
+<p>Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een mooien bouquet
+rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje oprichtte, om gekust te worden.
+</p>
+<p>„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.
+</p>
+<p>„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.
+</p>
+<p>„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”
+</p>
+<p>Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar gevraagd hadden,
+en hoe aardig de examinator geweest was.
+</p>
+<p>„Het ging heerlijk<span id="xd33e274">,</span>” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later niets meer, ik voelde, dat ze
+tevreden waren. O, ’t is zalig om door je examen te komen,” en in verrukking sloeg
+ze haar handen in elkaar.
+</p>
+<p>Moeder had intusschen even de kamer verlaten en <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>kwam weldra terug met een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen,
+benevens een schaaltje met bisquits.
+</p>
+<p>„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.
+</p>
+<p>„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter vreugde zoo’n luchtsprong,
+dat de vaas met bloemen bijna omver viel.
+</p>
+<p>„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot antwoord vloog
+Ita op hem aan en omhelsde hem zoo <span class="corr" id="xd33e285" title="Bron: omstuimig">onstuimig</span>, dat haar moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild
+met Vader moet zijn.”
+</p>
+<p>Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.
+</p>
+<p>„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn wildeman,” zei
+hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem had neergezet, stootte hij
+met Thea aan.
+</p>
+<p>„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n feestje vieren
+mogen!”
+</p>
+<p>Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat er gebeld werd.
+Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig, klom tegen den bel op en gaf
+er nog eens een flinken ruk aan. Ze brandde van verlangen om te weten, hoe het examen
+was afgeloopen.
+</p>
+<p>„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.”
+<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
+<p>„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet er ook bij
+zijn.”
+</p>
+<p>Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt: „ze is er door.”
+</p>
+<p>„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t me verteld
+voor ik naar school ging.”
+</p>
+<p>Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds geleegde glazen.
+</p>
+<p>„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.
+</p>
+<p>Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.
+</p>
+<p>„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je toch zeker het
+goede nieuws verteld?”
+</p>
+<p>„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten had, Thea was
+immers zoo knap.
+</p>
+<p>Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.
+</p>
+<p>„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op school al
+verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was, was het toch erg gek geweest,
+hè, dan had ik het morgen weer moeten tegenspreken en dat was toch vervelend geweest.
+Nou hoor, ik ben blij, dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze
+haar glaasje leeg.
+</p>
+<div class="figure o014width"><img src="images/o014.png" alt="" width="198" height="30"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3648">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Tweede Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Tweede Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een kloek besluit.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div>
+<p class="first">hea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.
+</p>
+<p>Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen, die den mensch
+zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en moeielijkheden, die men op
+een zonnigen dag als bagatellen zou beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.
+</p>
+<p>Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit, hare meestal lachende
+oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar,
+waren in tegenspraak met haar jong gezichtje.
+</p>
+<p>Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn zuster hem had
+opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat krabbels op zijn lei <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>teekenen, die een of ander produkt uit het dierenrijk moesten voorstellen.
+</p>
+<p>Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij, dat ze niet op
+hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en teekende veel liever een beetje.
+</p>
+<p>Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een gesalarieerde betrekking
+te krijgen, als ze gedacht had. Ze had gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig
+slagen zou, doch nu was ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe
+was het haar niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.
+</p>
+<p>En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!
+</p>
+<p>De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze zag, dat hare
+ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders toestand was minder goed, dan van
+den zomer, hij was zoo zenuwachtig en dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje
+liet den moed nooit zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende,
+zag toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt ging.
+</p>
+<p>Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende, zag ze, dat
+Nico verdwenen was.
+</p>
+<p>Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het nadenken,
+over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het naast lag en inplaats van
+haar broertje bij zijn werk te houden, liet ze hem maar aan zich zelf over en nu was
+hij weggeloopen.
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
+<p>Waar zou hij zijn?
+</p>
+<p>Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze zag hem niet,
+maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: <span id="xd33e335">„</span>Thea slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me naar school
+moet laten gaan, zoo leer ik niks.”
+</p>
+<p>Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare wangen gloeiden
+van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.
+</p>
+<p>Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:
+</p>
+<p>„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof er niets van,
+je bent zeker weer stout geweest en van de les weggeloopen.”
+</p>
+<p>Toen Nico’s stem:
+</p>
+<p>„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea heelemaal niet op
+me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze heeft er echt niks van gemerkt,
+dat ik wegliep. Mag ik nou naar school?”
+</p>
+<p>Daarna weer haar vader:
+</p>
+<p>„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd, dat je naar Thea
+luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als Moeder en mij. Ga nu dadelijk
+naar haar terug en vanavond ga je een uur vroeger naar bed. Begrepen?”
+</p>
+<p>Nico begon te huilen.
+</p>
+<p>„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea niet op me
+let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”
+</p>
+<p>„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>dadelijk naar bed? Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat
+je weggeloopen bent.”
+</p>
+<p>Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had zeker weer pijn
+en door haar schuld werd hij lastig gevallen.
+</p>
+<p>Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig op hem gelet
+had, hij had dus geen straf verdiend.
+</p>
+<p>Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop om en trad binnen.
+</p>
+<p>Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea? Is Nico weer
+ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond vroeg naar bed moet.”
+</p>
+<p>Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.
+</p>
+<p>„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout geweest, hij
+had wel niet mogen weg loopen, maar.…”
+</p>
+<p>Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.
+</p>
+<p>„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”
+</p>
+<p>Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich open latend.
+</p>
+<p>Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.
+</p>
+<p>Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken en bezorgd
+boog Thea zich over hem heen.
+<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p>
+<p>„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.
+</p>
+<p>„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij me zitten
+en vertel me, wat er gebeurd is.”
+</p>
+<p>Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:
+</p>
+<p>„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo afgedwaald, dat
+ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het dichtslaan der deur.”
+</p>
+<p>Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:
+</p>
+<p>„Hoe kwam dat zoo?”
+</p>
+<p>Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat ze over de toekomst
+aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde zich altijd zoo opgewekt mogelijk
+voor Vader, die al zoo veel te dragen had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar
+hoofd tegen zijn schouder, zei ze:
+</p>
+<p>„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig, maar het is
+natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat beloof ik u.”
+</p>
+<p>Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog zoo goed, hoe
+blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat hij ze zoo vervelend gevonden
+had, was natuurlijk een bewijs, dat hij geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt,
+dat Thea dat wel zou blijken te zijn.
+</p>
+<p>„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een jongen van dien
+leeftijd bij zijn werk te houden, maar <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>dat is des te meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een
+gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen jongen les te
+geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en ofschoon ik het sterk in hem
+afkeur, dat hij op die wijze van je afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen,
+dat hij naar school moet, geheel ongelijk heeft hij niet.”
+</p>
+<p>De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden lag opgesloten.
+Hare oogen vulden zich met tranen.
+</p>
+<p>„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen broertje les
+te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij hebben en dan zou het <span class="corr" id="xd33e382" title="Bron: van zelf">vanzelf</span> beter gaan.”
+</p>
+<p>Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge plichtsbetrachting geweest
+en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort was geschoten, door haar leerling zoo
+aan zijn lot over te laten, al was die leerling haar broertje.
+</p>
+<p>„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat je een goed
+onderwijzeres bent.”
+</p>
+<p>Thea begon te schreien.
+</p>
+<p>„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af en doe je best
+maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten, dat je door ondervinding veel
+leeren zult. Ik zou nu maar eens naar Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”
+</p>
+<p>Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar het kamertje,
+waar ze ’s morgens haar broertje les gaf.
+<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
+<p>Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond lag er al mee
+bezaaid.
+</p>
+<p>„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is je som af?”
+</p>
+<p>Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan haar nog zoo
+kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze gehuild had.
+</p>
+<p>„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan moet je maar
+niet zitten suffen.”
+</p>
+<p>Nu keek zijn zuster werkelijk boos.
+</p>
+<p>„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je oogenblikkelijk
+naar bed te sturen.”
+</p>
+<p>Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het werk te gaan,
+hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien. Toch kon hij niet nalaten nog
+even binnensmonds te mompelen:
+</p>
+<p>„Je hebt toch een lekker standje gehad!”
+</p>
+<p>Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van merkte.
+</p>
+<p>„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk. Vader heeft gemakkelijk
+praten, als hij zegt, dat een leerling, een leerling is, broertje of niet, een vreemd
+kind zou toch zoo niet durven spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen
+toonde hij triomphant zijn som aan Thea.
+</p>
+<p>„Al af,” zei hij.
+</p>
+<p>„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”
+</p>
+<p>„Nou ja.…. maar nu had ik haar toch gauw af. <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Zeg Thea, als ik nu verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”
+</p>
+<p>„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar straks.”
+</p>
+<p>Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande, zei hij tusschen
+twee kussen door:
+</p>
+<p>„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit meer wegloopen,
+al let je heelemaal niet op me, hoor.”
+</p>
+<p>Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.
+</p>
+<p>„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je van op aan.
+Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren en als het niet gaat,
+doe je Vader zoo’n verdriet.”
+</p>
+<p>De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag goed te willen
+maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren kon, als hij maar wilde,
+ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten te zeggen, toen de les was afgeloopen:
+</p>
+<p>„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”
+</p>
+<p>„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend wegholde.
+</p>
+<p>Thea keek hem hoofdschuddend na.
+</p>
+<p>„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken en zijn lei
+wegbergend.
+</p>
+<p>Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar Fransche akte,
+kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had, of de juffrouw <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets spreken. Verwonderd keek Thea
+op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei
+ze tegen het meisje en haar boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer.
+Daar vond ze Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.
+</p>
+<p>Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar, eens kalm bij
+hem te gaan zitten.
+</p>
+<p>„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven ontvangen, dat vooral
+voor jou van belang is.”
+</p>
+<p>„Voor mij, Vader?”
+</p>
+<p>„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als gouvernante.”
+</p>
+<p>„Is ’t echt?”
+</p>
+<p>Thea had een kleur gekregen van verrassing.
+</p>
+<p>„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik onlangs eens
+over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij kennissen van hem en nu vraagt
+hij, of je er lust in zoudt hebben.”
+</p>
+<p>Thea bloosde alweer.
+</p>
+<p>„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u immers?”
+</p>
+<p>Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:
+</p>
+<p>„Het is toch extern, niet waar?”
+</p>
+<p>Nu nam haar moeder het woord.
+</p>
+<p>„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn, maar je zoudt
+van ons af moeten, het is een interne betrekking.”
+<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
+<p>„Maar dan toch hier in de stad?”
+</p>
+<p>„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het is een Hollandsche
+familie, die daarom graag een gouvernante uit haar eigen land bij de kinderen wil
+hebben. Zou je het aandurven?”
+</p>
+<p>Hier viel haar vader in:
+</p>
+<p>„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen, die zouden dus
+geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen hebben, een meisje van tien
+en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging,
+driehonderd gulden salaris krijgen.”
+</p>
+<p>Thea keek verbaasd.
+</p>
+<p>„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.
+</p>
+<p>„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die familie aan mijn
+vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten gaan. En dan is er nog een voordeel
+aan verbonden, denk eens hoe goed het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel
+gaat.”
+</p>
+<p>Thea was stil geworden.
+</p>
+<p>Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn, die gelegenheid
+tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar toch.…
+</p>
+<p>„<span class="ex">Moet</span> ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.
+</p>
+<p>Haar vader schudde zijn hoofd.
+</p>
+<p>„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel onze toestemming,
+maar je moet zelf beslissen.”
+<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
+<p>Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.
+</p>
+<p>Haar moeder trok haar naar zich toe.
+</p>
+<p>„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg ze zacht.
+</p>
+<p>Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan haar borst.
+</p>
+<p>„Vreeselijk,” zuchtte ze.
+</p>
+<p>„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar toch moeten we
+geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi aanbod. Denk er eens kalm over
+na.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens beslist te worden.
+Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er over nadenken.”
+</p>
+<p>„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.
+</p>
+<p>Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur liep, dat haar
+vader haar terugriep.
+</p>
+<p>„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”
+</p>
+<p>Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende, waarop liefde
+en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze zich eensklaps in zijne armen
+en snikte het uit.
+</p>
+<p>„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo vreeselijk vindt,
+hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons aller bestwil zou zijn, maar je moet
+het niet doen, als je er zoo tegen opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever
+bij me.”
+<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p>
+<p>Thea glimlachte door hare tranen heen.
+</p>
+<p>„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”
+</p>
+<p>Haar moeder maakte een ontkennende beweging.
+</p>
+<p>„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je zoo door je gevoel
+te laten overheerschen. Het lijkt me een goede betrekking, je hebt al ondervonden,
+dat die niet opgeschept liggen en dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen,
+vóór we zoo’n aanbod afslaan.”
+</p>
+<p>Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.
+</p>
+<p>„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let er maar niet
+op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van geschrokken, denk ik. Nu zal ik er
+eens kalm over nadenken en u straks zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”
+</p>
+<p>Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach, het was zoo’n
+droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook haar moeder zich de oogen
+af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”
+</p>
+<p>Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico haar tegen
+het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde: „Heeft ze nu al weer een
+standje gehad.” Ze sloot haastig de deur achter zich en wierp zich voorover op het
+bed. Daar liet ze haar tranen den vrijen loop.
+</p>
+<p>Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes. Ze had altijd
+gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een betrekking in de stad harer inwoning
+zou vinden. Ze had wel begrepen, daar <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk gemakkelijk zou vallen, les
+te geven en de orde te bewaren op een school, of bij leerlingen aan huis, maar ze
+had zich getroost met de gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis
+wachtte en harten, die haar begrepen.
+</p>
+<p>En nu?
+</p>
+<p>Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet kende, waar zelfs
+een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig was.
+</p>
+<p>En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat durfde, zooals
+er tegenwoordig zooveel zijn.
+</p>
+<p>Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch moest het. Ze
+voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren mocht, niet weigeren kon,
+zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als haar eersten plicht beschouwde, te trachten
+de drukkende zorgen van hare ouders te verlichten.
+</p>
+<p>Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.
+</p>
+<p>Het snikken was nu bedaard.
+</p>
+<p>Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen kamde ze haar kuif
+wat op en besloot ineens door den zuren appel heen te bijten. Ze wilde dadelijk haar
+besluit aan hare ouders mededeelen, dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen
+direct te schrijven, ze wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven
+uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan verzoend <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat zij haar eigen brood
+moest verdienen. Dat mocht niet.
+</p>
+<p>En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem opgewassen,
+met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou dadelijk heel streng zijn
+en laten merken, dat er niet met haar te spotten viel. Toen keek ze toevallig in den
+spiegel en moest lachen om het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich
+voornam een strenge onderwijzeres te worden.
+</p>
+<p>Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel veel van haar
+hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou kunnen uitoefenen.
+</p>
+<p>Maar Nico hield ook veel van haar en toch.…
+</p>
+<p>Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar besluit mededeelen.
+</p>
+<p>Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze verstandig zou zijn,
+maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:
+</p>
+<p>„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je eenmaal je woord
+gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat goed.”
+</p>
+<p>Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou haar best doen
+en alles zou goed terecht komen, <span class="ex">moest</span> goed terecht komen.
+</p>
+<p>Haar vader greep haar hand.
+</p>
+<p>„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.
+</p>
+<p>„Doe het liever straks nog,” verzocht ze.
+<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
+<p>Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in orde zouden
+krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet geschreven was, wanneer men haar
+precies noodig had, kon men toch uit den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten
+zou.
+</p>
+<div class="figure o029width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Derde Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Derde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Afscheid.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-w.png" alt="W" width="161" height="141"></div>
+<p class="first">at een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar Brussel. Er moest
+nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een behoorlijk uitzet het ouderlijk
+huis verlaten. De zusjes en broertjes hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun
+verteld werd, dat Thea een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.
+</p>
+<p>Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.
+</p>
+<p>Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en deed alsof
+ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat haar dat geluk niet te beurt
+viel, ze bleef veel liever rustig thuis. Maar Thea mocht dat niet weten, liet die
+maar denken dat ze graag in haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook
+pleizier in.
+<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
+<p>Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat ook nog zoo dikwijls,
+ze waren immers zulke malle huismuschjes.
+</p>
+<p>Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde in eens, dat
+ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging wonen, nou, ze blufte er niet
+weinig op tegen hare vriendinnetjes.
+</p>
+<p>Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school mocht.
+</p>
+<p>„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Heelemaal niet.”
+</p>
+<p>Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen vulden. Ze was
+zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam zeker, doordat ze er aldoor
+aan denken moest, dat ze wegging en allen, die ze liefhad, moest achterlaten.
+</p>
+<p>Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen tijd tot veel
+nadenken.
+</p>
+<p>Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, die meer dan
+anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot nadenken had.
+</p>
+<p>Hoe hij haar missen zou!
+</p>
+<p>Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, niettegenstaande ze studeeren
+moest voor hare examens, toch steeds tijd gevonden had, even bij hem te komen, om
+hem met een vroolijk grapje op te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was
+hem al een troost geweest.
+<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
+<p>En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn goede vrouw,
+flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo heel praktisch geworden.
+Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders geweest, dan was er van het huishouden
+niet veel terecht gekomen, maar het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee
+hij zich den tijd verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet
+altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel beter, hun
+vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.
+</p>
+<p>Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve meid, maar
+een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet gemakkelijk leerde en hem
+daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een paar aardige kinderen, maar waaraan hij
+natuurlijk nog geen gezelschap had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever
+in een andere kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar wilden
+en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, zich in te houden.
+</p>
+<p>Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, maar dat mocht
+ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde de laatste gezellige uurtjes,
+die ze samen konden doorbrengen, niet bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen
+schikken, dat ze hem verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten
+en scheen niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien.
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+<p>Zoo speelden ze comedie voor elkander.
+</p>
+<p>Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem zat, dat wist
+hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering opzag.
+</p>
+<p>Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere meisjes waren zoo
+niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar plaats zouden willen zijn. Ze
+kende er, die dolgraag eens uit huis zouden willen en blij zouden zijn, als hun de
+gelegenheid geboden werd eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele
+jaren gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze kon niet.
+Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar thuis, misschien was ze overdreven,
+ze voelde er zich bezwaard mee, dat ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal
+zoo.
+</p>
+<p>Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet missen?
+</p>
+<p>Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe ook deze tegen
+haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten merken, omdat ze haar niet wilde
+sterken in haar wat al te gevoelige natuur.
+</p>
+<p>Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had ze met behulp
+van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu was er niets meer te doen
+en kon ze ’s middags bij Vader blijven, terwijl Moes het druk had in de keuken, waar
+ze de lievelingskostjes van Thea klaarmaakte.
+</p>
+<p>Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan.
+<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
+<p>„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer alleen samen
+zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”
+</p>
+<p>Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet mogelijk, ze terug
+te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
+</p>
+<p>„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te gek, zoo sentimenteel
+als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men niet denken, dat je voor minstens
+eenige jaren wegging en na een maand of wat kom je al weer eens thuis.”
+</p>
+<p>„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de Kerstdagen niet
+thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op die kinderen passen.”
+</p>
+<p>„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar mevrouw schijnt
+juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare kinderen te willen hebben,
+omdat de familie dan veel uit is, of zelf feesten geeft. Zooals je weet, stond ze
+er nadrukkelijk op, dat je de wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”
+</p>
+<p>„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”
+</p>
+<p>Haar vader streelde haar hand.
+</p>
+<p>„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, dat het van
+jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar noodig bent.”
+</p>
+<p>Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van haar vader.
+</p>
+<p>„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze.
+<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
+<p>Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.
+</p>
+<p>„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten klank gevend,
+zei hij:
+</p>
+<p>„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in betrekking gaat en
+geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best is. Je kunt altijd troost putten
+uit de gedachte, dat je nu onze zorgen helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje,
+hoe ik er over denk, dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”
+</p>
+<p>Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?
+</p>
+<p>Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het meest verdriet
+deed in zijn leven.
+</p>
+<p>Ze kuste hem en sprong op.
+</p>
+<p>„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in staat gesteld
+word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu verder vroolijk zijn en van
+dezen middag genieten. Zal ik u wat moois voorlezen<span class="corr" id="xd33e580" title="Bron: .">?</span>”
+</p>
+<p>„Graag, kindje.”
+</p>
+<p>Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.
+</p>
+<p>Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, laten we liever
+nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen wilde.”
+</p>
+<p>Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.
+</p>
+<p>„Ja, Vader.”
+</p>
+<p>„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel rijk. Er zijn
+daar ook twee jonge meisjes, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>die als dochters des huizes natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij,
+die daar als ondergeschikte komt.”
+</p>
+<p>„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.
+</p>
+<p>Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een prinsesje was.
+</p>
+<p>„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen beschouwen als
+de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des huizes.”
+</p>
+<p>Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.
+</p>
+<p>„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je misschien niet prettig
+zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je dan op kunt passen, dat geen jaloezie
+in je hart sluipt, je bent natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten
+blootgesteld dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog
+draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en levenswijzen tusschen
+die meisjes en jou, je karakter een leelijke plooi zal geven.”
+</p>
+<p>Thea keek somber voor zich uit.
+</p>
+<p>„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn,<span id="xd33e603">”</span> zei ze.
+</p>
+<p>„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten toegang te geven
+tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden als je wilt.”
+</p>
+<p>„Dat wil ik, Vader.”
+</p>
+<p>Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo weinig van
+de wereld af, ze <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en zonder strijd ging, zich rein te houden
+van booze invloeden, die van alle kanten wilden inwerken.
+</p>
+<p>Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar hoofd buigend,
+zei ze zacht:
+</p>
+<p>„Ik zal mijn best doen, Vader.”
+</p>
+<p>Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.
+</p>
+<p>Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.
+</p>
+<p>„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.
+</p>
+<p>Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.
+</p>
+<p>„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan dekken.”
+</p>
+<p>„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. „Ik zal je even
+helpen.”
+</p>
+<p>Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen om een opgewekt
+gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja zelfs opgewonden. Het was tevens
+Nico’s eerste schooldag geweest, hij had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk
+de held van het feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na
+het eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed waren, zaten
+Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij elkaar. Ze trachtten even opgewekt
+te blijven, als ze het met de kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer,
+een schaduw had zich over hun <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder voor naar bed te gaan, morgen
+was het weer vroeg dag. Thea zou met den trein van omstreeks half tien vertrekken,
+dan was ze tegen één uur in Brussel.
+</p>
+<p>Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den hals van haar
+zuster.
+</p>
+<p>„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.
+</p>
+<p>Ita schudde haar lachend van zich af.
+</p>
+<p>„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe Griet.”
+</p>
+<p>Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.
+</p>
+<p>„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet zeker, dat
+Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, maar ik wil alles weten,
+wat hier in huis voorvalt, alles, ook het minder goede. Beloof je me, niets voor me
+geheim te houden?”
+</p>
+<p>Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.
+</p>
+<p>„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t belieft geen belofte
+afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, wat er hier in huis voorvalt! Hoe
+Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen
+op tafel zit en onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling
+van de H.&nbsp;B.&nbsp;S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik niet.”
+</p>
+<p>Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen.
+<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p>
+<p>„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen en dan ga je
+lekker slapen.”
+</p>
+<p>Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te kunnen slapen.
+Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra hoorde men niet anders dan
+de rustige ademhaling van de beide zusjes.
+</p>
+<div class="figure o040width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3674">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Vierde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Van huis.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-n.png" alt="N" width="162" height="145"></div>
+<p class="first">og een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde onder de kap van
+het station uit.
+</p>
+<p>Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van haar moeder te
+onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet te onderdrukken zucht, trok
+ze haar hoofd terug en zette zich in haar hoekje neer.
+</p>
+<p>Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar gingen ze nu verschillende
+richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader en de kinderen en zij naar een vreemde
+stad, naar een haar onbekende familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo
+dapper bedwongen had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden hardnekkig
+langs hare wangen, <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar gezicht naar het raampje en alsof daar iets
+heel <span class="corr" id="xd33e654" title="Bron: bizonders">bijzonders</span> te zien was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen afvegend.
+Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare wangen en eindelijk gaf ze
+den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze
+zich aan haar verdriet over.
+</p>
+<p>Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt moederlijk gezicht.
+Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een innig medelijden met haar. Arm klein
+ding, wat had ze een verdriet, kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die
+haar weggebracht had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.
+</p>
+<p>Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar of zeventien
+gaf ze haar niet.
+</p>
+<p>Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om weg te moeten,
+het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren, die je op zoo’n kostschool
+leerde, wogen niet op tegen het verdriet, dat het schepseltje er van had.
+</p>
+<p>Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar met haar zakdoek
+voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er geen andere reizigers waren
+in deze coupé, ze moest maar eens uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen
+er zeker weer passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en
+dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor ze het wisten.
+<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p>
+<p>Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.
+</p>
+<p>Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.
+</p>
+<p>„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame tegenover
+haar.
+</p>
+<p>De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken, zoo vriendelijk
+en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte aan een medevoelend hart, dat
+ze zonder aarzelen antwoordde:
+</p>
+<p>„O, vreeselijk.”
+</p>
+<p>Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis moest en ze vroeg,
+terwijl ze de laatste tranen afdroogde:
+</p>
+<p>„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”
+</p>
+<p>De dame begon te lachen.
+</p>
+<p>„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel reist en daarenboven
+nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel moeielijk om te begrijpen, dat ze naar
+een kostschool gaat.”
+</p>
+<p>Thea keek haar verbaasd aan.
+</p>
+<p>„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?<span id="xd33e676">”</span> vroeg ze.
+</p>
+<p>„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo bedroefd niet
+zijn.”
+</p>
+<p>Thea begon te lachen.
+</p>
+<p>Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik haar verdriet
+vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les te gaan geven en nu dacht
+haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest.
+<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
+<p>Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:
+</p>
+<p>„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar niet zijn op
+die school.”
+</p>
+<p>Thea had pret in ’t geval.
+</p>
+<p>Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen twintig, maar ze
+had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje zou worden aangezien.
+</p>
+<p>„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”
+</p>
+<p>„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje ouder.”
+</p>
+<p>„Achttien dus?”
+</p>
+<p>„Neen, negentien.”
+</p>
+<p>Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.
+</p>
+<p>„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan nu nog naar
+kostschool?”
+</p>
+<p>„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”
+</p>
+<p>„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”
+</p>
+<p>„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”
+</p>
+<div class="figure p048width"><img src="images/p048.jpg" alt="„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”" width="630" height="720"><p class="figureHead">„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante
+naar Brussel.”</p>
+<p class="first">(Bladz. 44)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.
+</p>
+<p>„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”
+</p>
+<p>Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor bespottelijks
+aan was.
+</p>
+<p>„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf.
+<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p>
+<p>De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.
+</p>
+<p>„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg jong uit, veel
+meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als een vrouw, die voor de opvoeding
+van kinderen moet gaan zorgen. Maar daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn,
+iemand kan wel anders zijn, dan hij er uitziet.”
+</p>
+<p>Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”
+</p>
+<p>Thea keek stil voor zich.
+</p>
+<p>Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu dubbel bezwaard.
+Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden die kinderen dan respect voor
+haar kunnen hebben!
+</p>
+<p>Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!
+</p>
+<p>Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw er verdrietig
+onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk woordje toevoegen, toen de trein
+te Rotterdam stopte. Nu kwamen er eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong
+mensch, dat zich naast Thea neerzette.
+</p>
+<p>Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s hand en fluisterde:
+</p>
+<p>„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”
+</p>
+<p>Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren, dat de feestdagen
+zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van hare woorden was <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen te beven en hoewel ze haar
+zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte, ontsnapte haar toch een snik.
+</p>
+<p>Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.
+</p>
+<p>Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en bood het haar
+aan.
+</p>
+<p>Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich gevestigd te zien,
+wat niet verminderde, toen haar overbuur met een goedgemeend: Kassian, hare medereizigers
+meewarig aankeek, terwijl ze haar hoofd schudde.
+</p>
+<p>Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar tegenwoordigheid
+van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare tranen, hield hare snikken in, veegde
+hare oogen af en deed haar uiterste best onverschillig te kijken.
+</p>
+<p>„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.
+</p>
+<p>„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg. Dat ellendige
+blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan doen, maar wat moest die mijnheer
+nu wel van haar denken.
+</p>
+<p>Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging schijnbaar ijverig
+het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken, die op haar gericht waren, ze zag
+ze, als ’t ware.
+</p>
+<p>Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar en haar buurvrouw.
+Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel verstaan, maar ze <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en van: zoo’n arm schepseltje, dat
+nu al haar eigen brood verdienen moest en de gedachte, dat het <span class="corr" id="xd33e736" title="Bron: jonge mensch">jongemensch</span> naast haar die woorden evengoed zou verstaan, maakte haar boos en verlegen.
+</p>
+<p>Men naderde de grens.
+</p>
+<p>Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.
+</p>
+<p>„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij een genoegen
+zijn,” zei hij.
+</p>
+<p>Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de grenzen geweest,
+en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de douanen, maar kon ze van een
+haar geheel onbekend jongmensch wel hulp aannemen?
+</p>
+<p>Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:
+</p>
+<p>„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus bedankt voor uw
+beleefdheid.”
+</p>
+<p>Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte, maar was blij
+nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al of niet aannemen van zijn
+hulp.
+</p>
+<p>Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte terug.
+</p>
+<p>Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was nog zoo weinig
+bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden moest.
+</p>
+<p>Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar koffer en toen
+men weer <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea zitten, in plaats van tegenover haar.
+</p>
+<p>Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat verwonderd,
+maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.
+</p>
+<p>„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s beschermster, „maar ik
+wilde liever vooruit rijden.”
+</p>
+<p>„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.
+</p>
+<p>Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „<span lang="fr">vis-à vis faut mieux qu’ à côté.</span>”
+</p>
+<p>Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te zoeken.
+</p>
+<p>Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé toch niet,
+voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.
+</p>
+<p>Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie afgehaald werd,
+keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van Gendringen had haar geschreven,
+dat ze iemand aan het station zou vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand,
+die uitkeek naar een verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou
+die soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de knecht scheen
+te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand anders zag, die meer aan zijn
+voorstelling van een gouvernante voldeed en kwam toen op haar af.
+</p>
+<p>„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend.
+<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p>
+<p>Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen. Mocht hij haar
+bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer zorgen. Hij bracht haar naar een
+net coupétje, Thea steeg in en weldra reed ze door Brussel’s straten.
+</p>
+<p>Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze zat zoo heerlijk
+in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de straten, die ze doorreed waren
+zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar Thea was te veel onder den indruk van de dingen,
+die komen zouden, om pleizier in dit alles te kunnen hebben.
+</p>
+<p>Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe voornaam was hier
+alles, de ruime marmeren vestibule en de statige bediende, die de deur geopend had
+en haar nu verzocht hem te volgen, mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar
+te brengen.
+</p>
+<p>Thea voelde een rilling door hare leden gaan.
+</p>
+<p>De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van zenuwachtigheid,
+als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had toegestaan, dan zou ze plotseling
+overgeplaatst zijn in de nauwe gang van haar ouders’ woning en zou ze het volgend
+oogenblik bij Vader en Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van
+in de deftige salon van mevrouw van Gendringen.
+</p>
+<p>De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn gladgeschoren
+gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij was gewend zijn <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>trekken de strakheid van een masker te geven, maar daarom werkten zijne gedachten
+toch wel.
+</p>
+<p>En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem volgde, kwam de gedachte
+bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had voor een gouvernante, ze leek nog wel
+een kind.
+</p>
+<p>„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe mevrouw zal kijken,
+als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel van een grenadier en nu zoo’n
+pop.”
+</p>
+<p>Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar uitging, de lange
+vestibule door en de breede trap op.
+</p>
+<p>Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij gaand, om
+haar te laten passeeren, zei hij:
+</p>
+<p>„Mademoiselle van Welderen.”
+</p>
+<p>Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.
+</p>
+<p>In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte op, groot en
+statig.
+</p>
+<p>Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel, alsof ze aan
+het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze veronderstelde, dat ze zich dan
+even weinig op haar gemak zou gevoeld hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der
+wenkbrauwen keek mevrouw van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea
+erg benauwend vond.
+</p>
+<p>Toen met een handgebaar naar een der stoelen:
+<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
+<p>„<span class="corr" id="xd33e791" title="Bron: Neem">Neemt</span> u plaats.”
+</p>
+<p>Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles, de deftige
+omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht en de stilte rondom haar
+en als in een droom hoorde ze vragen:
+</p>
+<p>„Heeft u een goede reis gehad?”
+</p>
+<p>Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.
+</p>
+<p>„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem klonk haar als
+die van een vreemde in de ooren.
+</p>
+<p>„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer aanbevolen, daarom
+heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien en gesproken te hebben.”
+</p>
+<p>De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.
+</p>
+<p>Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van Gendringen bleef
+zwijgen, haar steeds aankijkend.
+</p>
+<p>„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.
+</p>
+<p>„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig jaar was, dat
+is u immers?”
+</p>
+<p>Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel, alsof ze inkromp,
+ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein tenger persoontje te zijn, als
+nu.
+</p>
+<p>„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.
+</p>
+<p>„U ziet er <span class="corr" id="xd33e808" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> jong uit, jonger nog, dan u is. <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>Ik vond negentien al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen
+van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te wagen.”
+</p>
+<p>Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.
+</p>
+<p>Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede familie, als haar
+toekomstige meesteres.
+</p>
+<p>Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen recht aan.
+</p>
+<p>Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een mooi kopje, dat
+was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter en bleek binnenkwam. Het was
+een intelligent gezichtje ook, misschien zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was
+eerst werkelijk geschrokken van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige
+gouvernante harer kinderen.
+</p>
+<p>„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste van hopen.
+Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar, Constance, de oudste, is
+nog al een lastig kind, maar Armand, mijn zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste
+dochters zijn de leerkamer ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige
+gouvernante heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar,
+zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”
+</p>
+<p>Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo verlegen meer
+en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de kinderen te hooren, die voortaan
+aan haar leiding zouden zijn toevertrouwd. <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>„Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dan kan
+ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u zich zeker wel even verfrisschen voor het
+diner.”
+</p>
+<p>Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij haar te brengen.
+</p>
+<p>„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook wel met hem
+ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er trotsch bij.
+</p>
+<p>Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.
+</p>
+<p>Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van blonde krullen,
+een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk volkomen, dat zijn moeder trotsch
+op hem was.
+</p>
+<p>Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang<span id="xd33e829">,</span> meisje, blijkbaar te veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager
+gezichtje had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit eenigszins
+schuw naar de nieuwe juffrouw.
+</p>
+<p>„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand. Constance, houd
+je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd worden. U zult zeker wel streng
+op haar houding letten, nietwaar juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”
+</p>
+<p>Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden met haar.
+</p>
+<p>Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe.
+<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
+<p>„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?” zei ze vriendelijk.
+</p>
+<p>Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van Gendringen.
+</p>
+<p>„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er haar voor straffen
+zult,” zei ze koel.
+</p>
+<p>Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon, dien deze nog
+niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en liefde:
+</p>
+<p>„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden. Niet waar lieveling,
+hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”
+</p>
+<p>Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje, goed op te passen.
+</p>
+<p>Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.
+</p>
+<p>„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.
+</p>
+<p>„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw gaat zich
+nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner weer. U eet met de kinderen
+om twee uur.”
+</p>
+<p>Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te brengen.
+</p>
+<p>„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich daarna tot haar
+zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea verliet de kamer, na nog eens
+vriendelijk tegen Constance geknikt te hebben, die haar verwonderd aankeek en niet
+terugknikte.
+<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3687">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Vijfde Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Vijfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Kennismaking.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div>
+<p class="first">hea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit den koffer halen,
+hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden. Verder zou ze maar niet gaan,
+ze wilde het overige graag eens op haar gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor
+had, bijvoorbeeld vanavond, als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes
+in de daarvoor bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens,
+hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee uur eten. Wacht,
+daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende naar den greenwichtijd, dus
+was het hier nu net twee uur.
+</p>
+<p>Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.
+</p>
+<p>Thea verliet haar kamer en ging een trap af.
+</p>
+<p>Waar zou ze moeten wezen?
+<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
+<p>Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze er ooit wennen?
+</p>
+<p>Gelukkig, daar zag ze een bediende.
+</p>
+<p>„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar openend.
+</p>
+<p>Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer, ze zag ten
+minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond. In het midden der kamer
+was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.
+</p>
+<p>Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door Constance.
+</p>
+<p>Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op haar gemak
+scheen te zijn, als zij.
+</p>
+<p>Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:
+</p>
+<p>„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”
+</p>
+<p>Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te binden. Constance
+zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter zijde opnemend.
+</p>
+<p>Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi, vroolijk gezichtje
+en Constance met haar onverschilligen mond en onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea
+ook nu weer een soort medelijden met haar, dat kind was niet gelukkig.
+</p>
+<p>De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.
+</p>
+<p>Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten, zonder iets te
+zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw nieuwsgierig aan.
+<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
+<p>Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.
+</p>
+<p>Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets te zeggen,
+vroeg ze aan Constance:
+</p>
+<p>„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons eten we om
+half zes.”
+</p>
+<p>Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:
+</p>
+<p>„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om half zeven.”
+</p>
+<p>Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg Thea:
+</p>
+<p>„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”
+</p>
+<p>„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u en Bella is
+nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker, hè?”
+</p>
+<p>Thea begon te lachen.
+</p>
+<p>„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel graag.”
+</p>
+<p>Armand keek haar eens aan.
+</p>
+<p>„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.
+</p>
+<p>„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”
+</p>
+<p>Het mooie kindergezichtje betrok.
+</p>
+<p>„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou houden, zoo zag
+u er net uit.”
+</p>
+<p>Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel ernstig te
+kijken.
+</p>
+<p>„Dan heb je je vergist.”
+</p>
+<p>Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”
+</p>
+<p>Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>een grappig familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich tot
+Constance.
+</p>
+<p>„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”
+</p>
+<p>Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”
+</p>
+<p>„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je nooit een flink
+meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het misschien beter gaan,” en Thea trachtte
+met haar hand onder de kin van het meisje, haar hoofd wat op te lichten.
+</p>
+<p>Ruw duwde Constance die hand terug.
+</p>
+<p>Thea kreeg een kleur.
+</p>
+<p>„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.
+</p>
+<p>Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea uitdagend aan.
+</p>
+<p>„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u dadelijk zeggen, streng
+tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u kunt zoo streng tegen me zijn, als u
+wilt, het kan me niets schelen, heelemaal niets.”
+</p>
+<p>Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.
+</p>
+<p>„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de vorige juffrouw
+had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”
+</p>
+<p>Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd, maar Thea keek
+niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n blijkbaar genoegen, zijn zusje
+aanklaagde.
+<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
+<p>„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal zelf wel zien,
+hoe ze is.”
+</p>
+<p>Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo toegesproken te
+worden.
+</p>
+<p>Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek dadelijk weer voor
+zich.
+</p>
+<p>Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig over hem dacht,
+ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van straks te verklaren.
+</p>
+<p>„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt Mama altijd.
+Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”
+</p>
+<p>Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar broertje toe:
+</p>
+<p>„Zwijg over Papa.”
+</p>
+<p>Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.
+</p>
+<p>„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van hem vertellen,
+als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook wel.”
+</p>
+<p>Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar nieuwsgierigheid deed
+haar vragen:
+</p>
+<p>„Wat bedoel je toch, Armand?”
+</p>
+<p>„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van Stans.”
+</p>
+<p>„Och kom, je praat onzin, kind.”
+</p>
+<p>„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die hadden geen
+Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had geen Ma meer en toen trouwden
+Maatje en Paatje en toen kochten ze <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>samen mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”
+</p>
+<p>Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind, nooit een eigen
+moeder gekend en nu ook haar vader verloren. Stiefmoeders kunnen soms innig lief en
+goed zijn, maar zooveel had Thea al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen
+haar eigen zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets
+vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het was of ze
+niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.
+</p>
+<p>Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.
+</p>
+<p>„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.
+</p>
+<p>„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen trouwden, werd jou
+mama de moeder van Constance.”
+</p>
+<p>Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.
+</p>
+<p>„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij houden als van
+Armand.”
+</p>
+<p>„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”
+</p>
+<p>Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.
+</p>
+<p>„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”
+</p>
+<p>Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:
+</p>
+<p>„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?”
+<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p>
+<p>„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”
+</p>
+<p>„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het eten en lette
+heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en toen moest ze lekker weg,
+ze was niks aardig, weet u.”
+</p>
+<p>Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een heldendaad verteld
+had.
+</p>
+<p>Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend, maar zoo met
+zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij dingen zei en deed, die
+alles behalve lief waren.
+</p>
+<p>Ze zuchtte eens.
+</p>
+<p>Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide kinderen zouden
+moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog zoo weinig ervaring.
+</p>
+<p>„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.
+</p>
+<p>Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.
+</p>
+<p>„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.
+</p>
+<p>„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”
+</p>
+<p>Thea aarzelde.
+</p>
+<p>„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.
+</p>
+<p>„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het beter was, af
+te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de dagverdeeling wel eens veranderd hebben,
+je was er nooit zeker van, wat Mama in haar hoofd kreeg.
+<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
+<p>„Constance,” zei Thea.
+</p>
+<p>„Wat is er, juffrouw?”
+</p>
+<p>„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”
+</p>
+<p>„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.….” maar eensklaps hield ze op,
+de deur was geopend en mevrouw van Gendringen trad binnen, gevolgd door hare dochters.
+</p>
+<p>Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche gezicht, maar
+Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van uiterlijk. Ze had vroolijke
+bruine oogen en een lachend mondje met mooie, witte tanden.
+</p>
+<p>„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,” zei Mevrouw.
+</p>
+<p>Thea boog.
+</p>
+<p>Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?
+</p>
+<p>Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit, maar trok die
+haastig terug, met een blik op haar moeder.
+</p>
+<p>Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:
+</p>
+<p>„Bella is ook bang voor Mama.”
+</p>
+<p>„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u dagelijks
+na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet wandelen in het <span lang="fr">Bois de la Cambre</span>, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet waar Armand, beste, je weet den weg wel?”
+</p>
+<p>„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?”
+<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p>
+<p>„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”
+</p>
+<p>„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”
+</p>
+<p>Bella trok een komisch gezichtje.
+</p>
+<p>„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je wakker blijft
+en.…” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en de even opgetrokken wenkbrauwen
+schenen haar te waarschuwen, niet door te gaan.
+</p>
+<p>„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort, niettegenstaande je
+achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen indruk van je krijgen.”
+</p>
+<p>Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een snoesje en Gerardine
+een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze meening voor zich.
+</p>
+<p>„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de kinderen wandelen.
+Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance een half uur handwerken, terwijl
+Armand viool studeert. Daarna moet Constance een uur piano studeeren en mag Armand
+doen, wat hij graag wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna
+wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar bed.”
+</p>
+<p>„Beiden te gelijk, mevrouw?”
+</p>
+<p>„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”
+</p>
+<p>„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is.…”
+</p>
+<p>„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen beslist. „Daarna
+kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis natuurlijk. De <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me dus verplichten den avond verder
+op uw kamer door te brengen, dan is u in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten
+hebben. Ik zal u vóór morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan
+wel aan houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de kamer,
+gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders rug een knipoogje aan
+Constance gaf en haar een kushand toezond.
+</p>
+<p>Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een kushand terug
+gaf.
+</p>
+<p>Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.
+</p>
+<p>Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.
+</p>
+<p>Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen, begon ze te
+schreien.
+</p>
+<p>„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.
+</p>
+<p>Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek haar boos
+aan en zei:
+</p>
+<p>„Waarom kust u Stans en mij niet?”
+</p>
+<p>Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.
+</p>
+<p>„Ben je jaloersch?” plaagde ze.
+</p>
+<p>Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een minachtend trekje.
+</p>
+<p>„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”
+</p>
+<p>Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>dat ze hem beknorren moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht,
+maar hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op zijn zusje
+te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had eigenlijk ook al te lang gewacht
+en zei dus maar, dat zij zich klaar moesten maken voor de wandeling.
+</p>
+<p>Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde omgeving en
+de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan los.
+</p>
+<p>Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het toch met een
+zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer ging, na de kinderen goeden
+nacht gezegd te hebben.
+</p>
+<p>Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na over alles, wat
+ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij aan haar thuis en aan al de dierbaren,
+die ze daar had achtergelaten.
+</p>
+<p>Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van bewust was,
+lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.
+</p>
+<p>Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere oogen keek door
+de reet.
+</p>
+<p>Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar Thea toe, een
+handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:
+</p>
+<p>„Heeft u ook verdriet, juf?”
+</p>
+<p>Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere kijkers, die ook vochtig
+waren.
+<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
+<p>Ze trok het kind op schoot en kuste het.
+</p>
+<p>„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”
+</p>
+<p>„Huilt u, omdat u van huis bent?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Heeft u een pa en een ma thuis?”
+</p>
+<p>„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”
+</p>
+<p>Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”
+</p>
+<p>Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar goed een levend
+wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.
+</p>
+<p>Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind <span class="corr" id="xd33e1036" title="Bron: op eens">opeens</span> zei:
+</p>
+<p>„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw pa terug gaan,
+mijn paatje komt nooit weerom.”
+</p>
+<p>Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden uitgesproken.
+</p>
+<p>„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,” dacht ze.
+</p>
+<p>Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.
+</p>
+<p>„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker instoppen, dan ga je
+rustig slapen.”
+</p>
+<p>„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma en de zusters
+zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.
+</p>
+<p>Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>overvallen konden worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze
+zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug anders te
+handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over haar hart verkrijgen,
+haar zoo weg te sturen.
+</p>
+<p>„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een oogenblikje in dat
+stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal het naast den haard zetten. Zit
+je zoo lekker?”
+</p>
+<p>„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.
+</p>
+<p>Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen kwam, was een
+trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.
+</p>
+<p>„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk eens Constance,
+hoe heerlijk, wil je een stukje?”
+</p>
+<p>„Als ’t u blieft. Dank u wel.”
+</p>
+<p>Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd tot tijd een
+zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten verlaten.
+</p>
+<p>Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.
+</p>
+<p>Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje, slaperig begonnen
+te staan.
+</p>
+<p>„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”
+</p>
+<p>Gewillig stond het kind op en greep haar hand.
+</p>
+<p>„Stopt u me dan eens lekker in?”
+<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
+<p>„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een puntje van je
+neus te zien is. Ga maar gauw mee.”
+</p>
+<p>Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.
+</p>
+<p>„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij altijd.”
+</p>
+<div class="figure o068width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3700">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Zesde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Zesde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-o.png" alt="O" width="161" height="138"></div>
+<p class="first">p raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.
+</p>
+<p>Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te storten, zei
+tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea, laat ik je een goeden raad
+geven, leg een dagboek aan. Je hebt in Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk
+praten kunt en ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”
+</p>
+<p>„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader kent me, hij
+weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren voor mij zal houden, om hen
+geen verdriet te doen en het ontvangen van mijne brieven tot een genoegen voor hen
+te maken. Hij trok mij dus naar zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield
+was, zei hij met zijn lieve stem:
+<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
+<p>„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat in haar omgaat.
+Heb ik geen gelijk?”
+</p>
+<p>Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen opgewekte brieven
+te schrijven.
+</p>
+<p>„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en begin een dagboek,
+waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt kunt neerschrijven. Je zult eens
+zien, dat de dingen, wanneer je ze in een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus
+meer rekenschap van geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek
+nooit aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”
+</p>
+<p>Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte gevoelde, mijn
+hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier ben, weet ik, dat Vader gelijk
+heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader
+later alles laten lezen, als ik weer bij hem ben.
+</p>
+<p>Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls ’s nachts
+niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral naar hem, mijn besten vriend,
+mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief
+gezicht, waarop zooveel lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen,
+waaruit zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me troostte,
+als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen was, die me sterkte als
+ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.
+</p>
+<p>Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet niemand, dan ik alleen,
+een held, dien ik <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>bewonder om zijn geduld in lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig
+liefheb.
+</p>
+<p>Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?
+</p>
+<p>Och neen, alleen maar anders.
+</p>
+<p>Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het huishouden, zonder
+haar zouden wij het veel slechter gehad hebben, neen, ik houd evenveel van Moeder,
+maar, zooals ik zei, anders. Met Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt
+me niet zoo goed als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den
+materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet, opgewekt bent
+en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel andere eischen stelt. Vader
+heeft graag dat je tracht, je geest te verrijken, door het lezen en bespreken van
+mooie, ernstige boeken, door goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de
+beslommeringen van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft
+en toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen genade voor
+alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader eigenlijk strenger dan Moeder en
+toch.… als ik iets gedaan had, dat niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader,
+dan aan Moeder kunnen bekennen.
+</p>
+<p>Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar vergelijk bij
+de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom, dan kom ik daar geheel van
+terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik
+mevrouw van Gendringen heb leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is.
+<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
+<p>Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is, Armand misschien
+uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van hare kinderen tot hare bedienden,
+vliegen op haar wenken, ik geloof niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.
+</p>
+<p>Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind wist te maken,
+dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van haar uitgaat. Maar als ik
+eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen
+te bang voor haar. Armand zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige,
+dien zij oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters houden,
+tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet, die moeten net zoo goed
+naar hare pijpen dansen, als de andere huisgenooten.
+</p>
+<p>Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde voor gevoelt.
+En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!
+</p>
+<p>Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel, dat ik haar goed
+kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar treurig kinderleven. Veel kan ik
+ook al niet voor haar doen, want mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames,
+die hare kinderen maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en
+ze heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.
+</p>
+<p>Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar zoontje behandelt.
+Wat dat kind <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>doet, is goed gedaan, zij ziet in hem een ideaal, een engel in kindergedaante, en
+ik zie in hem.… een zeer bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht
+ventje, dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder hem toedraagt.
+Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind bedrogen.
+</p>
+<p>Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke aardige maniertjes.
+Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert kennen, hij is meestal lief tegen
+mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje
+is, steeds er op uit, of hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren
+en dat hij haar dan vertellen kan.
+</p>
+<p>En daarin stijft zijn moeder hem!
+</p>
+<p>Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met hand en tand
+tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles vertelt, zoodoende blijft ze
+op de hoogte van de kleinste zaken, die er in de leerkamer voorvallen.
+</p>
+<p>Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer, daar ik al gemerkt
+heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid neemt. In navolging van zijne moeder,
+houdt hij niet van Conny en plaagt haar, waar hij kan.
+</p>
+<p>En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!
+</p>
+<p>Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten <span class="corr" id="xd33e1114" title="Bron: te te">te</span> vrijwaren. Armand had met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het
+gedaan had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed stuurde, omdat
+ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de ruit gebroken had, kon ik haar
+niet onschuldig laten straffen en raapte ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde
+meesteres des huizes te gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.
+</p>
+<p>Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze me heel beleefd,
+maar als altijd op een afstand.
+</p>
+<p>„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”
+</p>
+<p>Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor het breken van
+die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet gedaan had.
+</p>
+<p>Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.
+</p>
+<p>„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk haar misnoegen
+te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij beslist had, durfde bemoeien.
+</p>
+<p>„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje van Conny,
+dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.
+</p>
+<p>Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.
+</p>
+<p>„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna den moed benamen.
+Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou vinden, als ik het kind onschuldig
+liet straffen en met vaster stem dan daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk
+<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>niet, mevrouw, ik zag de ruit breken en Constance deed het niet.”
+</p>
+<p>Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over mijn lafheid,
+maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo groot, zoo imposant, zoo koud,
+en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:
+</p>
+<p>„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie dan wel de schuldige
+is.”
+</p>
+<p>Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik Armand zou noemen
+en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat waagde.
+</p>
+<p>Ik kleurde en zei zacht:
+</p>
+<p>„Het was Armand.”
+</p>
+<p>Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als aanklaagster.
+</p>
+<p>„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”
+</p>
+<p>Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl Armand vrij
+rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken van een ruit, aan leugen
+en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die zich over mij schamen zou, als ik mijn
+plicht zoo verzaakte. Ik voelde, dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid
+beschermen moest, maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn onoprechtheid
+op de hoogte bracht.
+</p>
+<p>Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik staan en hield
+vol.
+</p>
+<p>„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>ik zag hem den bal er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens
+onderzoekt.”
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen ging zitten.
+</p>
+<p>„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat Constance de
+ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt, dat hij het gedaan heeft
+en opdat u in zult zien, dat u zich vergist moet hebben, zal ik hem hier laten komen,
+dan kunt u uit zijn eigen mond hooren, dat Constance de schuldige is.”
+</p>
+<p>Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.
+</p>
+<p>Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met een lachend
+gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag staan.
+</p>
+<p>„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend, „lieveling, vertel
+nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”
+</p>
+<p>Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.
+</p>
+<p>Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”
+</p>
+<p>Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:
+</p>
+<p>„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”
+</p>
+<p>Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes grif geloofd
+werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij verlegen.
+</p>
+<p>„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.
+</p>
+<p>„U hoort het,” zei zijn moeder.
+</p>
+<p>Maar ik wilde het niet opgeven.
+</p>
+<p>„Heb jij dat gezien?” vroeg ik.
+<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”
+</p>
+<p>„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”
+</p>
+<p>„Met je bal?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”
+</p>
+<p>„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”
+</p>
+<p>Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.
+</p>
+<p>„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee dagen geleden haar
+bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee raakte, toen u door de gang liep
+en dat u hem weggesloten hebt.”
+</p>
+<p>Dat kon mevrouw niet ontkennen.
+</p>
+<p>„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer van.”
+</p>
+<p>Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van verlegenheid,
+daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide zich schreeuwend op me en
+begon me met zijne kleine vuisten te slaan.
+</p>
+<p>„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch mensch!”
+</p>
+<p>Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.
+</p>
+<p>„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”
+</p>
+<p>Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren en te troosten.
+<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
+<p>„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.
+</p>
+<p>Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds voorspelde, zei ze:
+</p>
+<p>„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”
+</p>
+<p>Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik niet, hoe ik durfde
+evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei ik:
+</p>
+<p>„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed gaat, of wilt
+u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.
+</p>
+<p>Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:
+</p>
+<p>„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel, hoe ik mijne
+kinderen moet opvoeden.”
+</p>
+<p>Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat ik Conny de
+goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel voldaan.
+</p>
+<p>Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed ging, zijn moeder
+heeft hem verder bij zich gehouden.
+</p>
+<p>Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik denk, dat ze
+er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind heeft mij mijn inmenging
+niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik gewoon ben, nog eens kwam instoppen,
+weerde hij me af met de woorden: Gaat u maar naar Stans.
+<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3713">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Zevende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Zevende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een moeielijke taak.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">en volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de kinderkamer. Ze hoorde
+gestommel en geschreeuw, als van vechtende kinderen en uit bed springend, schoot ze
+haastig hare pantoffels aan en liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes
+over den grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.
+</p>
+<p>„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk uitscheiden met vechten.”
+</p>
+<p>Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en trok er uit
+alle macht aan.
+</p>
+<p>Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige kind en poogde
+het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.
+</p>
+<p>„Laat los,” gebood ze.
+<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
+<p>„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze plaagt me.”
+</p>
+<p>Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken, keek Thea
+naar de deur.
+</p>
+<p>Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in zijn bloot been
+geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea maakte van de gelegenheid gebruik
+om hen te scheiden.
+</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw van Gendringen
+vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door het spectakel, dat de kinderen
+maakten, wakker geworden en zond haar nu om te onderzoeken, wat er de oorzaak van
+was.
+</p>
+<p>Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen waren aan
+het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.
+</p>
+<p>De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen bedaren.
+</p>
+<p>„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is nog erger, of
+je twee straatjongens bent.”
+</p>
+<p>„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige, valsche kind,
+maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat zien.”
+</p>
+<p>„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die gemeene jongen,
+hij wou niet loslaten.”
+</p>
+<p>Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.
+</p>
+<p>„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>het vechten bent gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander
+te beschuldigen.
+</p>
+<p>„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker wist, dat ik
+jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”
+</p>
+<p>Thea keek Constance ernstig aan.
+</p>
+<p>„Waarom zei je dat?” vroeg ze.
+</p>
+<p>Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng aankeek en stotterde:
+</p>
+<p>„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen van Armand uitgekomen
+was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”
+</p>
+<p>Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te zijn, omdat
+haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.
+</p>
+<p>„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.
+</p>
+<p>Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand en toch moest
+ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht hebben in een andermans leed.
+</p>
+<p>„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo onedelmoedig was. Men
+moet een verslagen vijand niet plagen, dat is niet mooi.”
+</p>
+<p>Constance begon te huilen.
+</p>
+<p>„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik kreeg anders
+altijd de schuld.”
+</p>
+<p>„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand te verwijten,
+wat er gisteren gebeurd <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>is. Jij bent gerechtvaardigd en dat moet je genoeg zijn.”
+</p>
+<p>„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.
+</p>
+<p>„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem voor zoo oprecht
+hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al erg genoeg voor hem, laat hem
+nu verder met rust.”
+</p>
+<p>Dat was voor den verwenden jongen te veel.
+</p>
+<p>Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:
+</p>
+<p>„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks, Ma houdt nog
+net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,” en huilende wierp hij zich
+op den grond, driftig van zich af schoppend en aldoor roepend, dat het zijn moeder
+niets schelen kon en dat ze hem nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij
+heel goed voelde, zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet
+meer zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel dadelijk
+vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan had.
+</p>
+<p>Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje, dat de kinderen
+altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer ging, om haar eigen toilet
+te maken.
+</p>
+<p>Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij zelve had ook
+geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook beter, zich wat teruggetrokken
+te houden, de kinderen moesten merken, dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten
+was.
+<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p>
+<p>Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een knorrig gezicht
+zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend, wat zijn kindergezichtje zoo
+grappig stond, dat deze moeite had niet te lachen. Ze hield zich echter goed en deed
+alsof ze niets merkte van de ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.
+</p>
+<p>Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat haar lieve
+juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze had graag een poging tot
+verzoening gedaan, maar durfde niet goed, bang, afgewezen te worden en dat zou meer
+zijn, dan ze op het oogenblik verdragen kon.
+</p>
+<p>Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres de juffrouw
+liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve moest zoo lang bij de
+kinderen blijven.
+</p>
+<p>Thea stond dadelijk op.
+</p>
+<p>Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek naar de kinderen,
+of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende oogen van Armand.
+</p>
+<p>Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een oogenblik stil.
+</p>
+<p>Wat klopte haar hart!
+</p>
+<p>Ze sloot hare oogen en slikte eens.
+</p>
+<p>Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen, natuurlijk zou
+de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen, dat ze de orde op de kinderkamer
+niet wist te bewaren en toch, wat had ze er aan kunnen doen.
+<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p>
+<p>Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo tegen op te
+zien.
+</p>
+<p>Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje, wanneer ze bij
+de directrice ontboden was en wist een flink standje te krijgen.
+</p>
+<p>Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het standje verdiend
+had en dat de directrice recht had, haar onder handen te nemen.
+</p>
+<p>En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had en daarenboven,
+als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte, had ze altijd een gevoel, alsof
+haar dat vernederde.
+</p>
+<p>Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.
+</p>
+<p>„Binnen.”
+</p>
+<p>Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in tegenwoordigheid
+van de meesteres des huizes.
+</p>
+<p>Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.
+</p>
+<p>Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.
+</p>
+<p>Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van Gendringen meestal
+aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer indruk te maken, zei ze:
+</p>
+<p>„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”
+</p>
+<p>Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze veronderstelde, dat het
+kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen gehinderd had.
+<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
+<p>Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.
+</p>
+<p>„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben hevig geschrokken
+van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij doordrongen en mijn kamenier vertelde
+mij, dat ze de kinderen over den grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens.
+Was dat de waarheid of niet?”
+</p>
+<p>Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden. Ze voelde
+ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er aan kunnen doen, ze
+waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge oogen, ze had wel
+onder den grond willen kruipen.
+</p>
+<p>„En u stond daarbij en zag toe?”
+</p>
+<p>„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun schreeuwen wakker
+geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was. Toen ik bij hen kwam, lag Armand
+boven op Constance en rukte aan haar vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar
+hij wilde niet loslaten.”
+</p>
+<p>„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen ophouden, nietwaar?”
+</p>
+<p>Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!
+</p>
+<p>En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.
+</p>
+<p>„Nu, is u dat niet met me eens?”
+</p>
+<p>Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>lippen, die ze tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:
+</p>
+<p>„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo driftig, als hij
+eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede te doen verstaan.”
+</p>
+<p>„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op. „Constance was zeker
+heelemaal zonder schuld.”
+</p>
+<p>„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar.…”
+</p>
+<p>„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen geen kwaad doen.
+Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw goeden blik op het kinderkarakter,
+dat u zoo denkt. Armand is een goed kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte,
+terwijl Constance een ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng
+genoeg kan worden tegengegaan.”
+</p>
+<p>„U vergist zich werkelijk.…”
+</p>
+<p>„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons onderwerp van gesprek
+terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op maken, dat u <span class="corr" id="xd33e1297" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> in uw plichten is te kort geschoten en dat ik hoop, dat het niet meer gebeuren zal.
+Ofschoon u heel jong is, heb ik u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg,
+de opvoeding van mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen
+waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers zien, maar laat
+zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer kunnen vergeven.”
+</p>
+<p>Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>gebogen hoofd en knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.
+</p>
+<p>Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag en leunde tegen
+de omlijsting.
+</p>
+<p>Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om het niet uit
+te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester te worden.
+</p>
+<p>O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van Gendringen gesproken
+had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.
+</p>
+<p>En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!
+</p>
+<p>Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.
+</p>
+<p>Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat ze liever wegging?
+</p>
+<p>Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden ze daar thuis
+wel van zeggen?
+</p>
+<p>Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had nog zooveel
+nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat moest ze nog terug betalen
+uit hare verdiensten en Nico, voor wiens schoolgeld ze beloofd had te zorgen!
+</p>
+<p>Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg, dan zou ze
+het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking niet opgeven. En ze zou
+haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen te beantwoorden. Een beetje had mevrouw
+wel gelijk, alleen behoefde ze het haar niet op zoo’n toon te zeggen.
+<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
+<p>Ze <span class="ex">had</span> niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke moeielijke karakters,
+en Armand voelde zich sterk tegenover haar door de protectie van zijn moeder.
+</p>
+<p>Maar komaan, ze gaf den moed niet op!
+</p>
+<p>Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde zich weer naar
+de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag afkomen.
+</p>
+<p>„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat ken ik, dat
+is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van aan, Armand is een ondeugende
+rakker. Om dien te kunnen regeeren is een dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante
+en niet zoo’n aardig popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar
+dat beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te vinden, waardoor
+ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend verwijderde Isabella zich en Thea
+ging, een beetje getroost, weer naar de leerkamer.
+</p>
+<p>Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat niet voor
+niets gezegd hebben.
+</p>
+<p>In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar nieuwsgierig opnamen.
+</p>
+<p>Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het een, noch het
+ander kon ze op het oogenblik verdragen.
+</p>
+<p>„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”
+</p>
+<p>Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>aan, waarin ze maar één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar
+had opgegeven<span id="xd33e1333">.</span>
+</p>
+<p>Thea keek boos.
+</p>
+<p>„Is dat alles?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„Ja juffrouw.”
+</p>
+<p>„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je schijnt liever gespeeld
+te hebben, goed, dan maak je die oefening <span class="corr" id="xd33e1341" title="Bron: van avond">vanavond</span> in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”
+</p>
+<p>Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was dat haar lieve
+jufje?
+</p>
+<p>Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht weer naast
+Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van Armand, waarin hij een
+som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij poppetjes geteekend had.
+</p>
+<p>Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen te maken,
+door het zelf uit te schateren.
+</p>
+<p>Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.
+</p>
+<p>„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch niet was.”
+</p>
+<p>Thea keek hem strak aan.
+</p>
+<p>„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som in je vrijen
+tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit versje van buiten leeren. Pas
+op, als je het straks niet kent.”
+</p>
+<p>Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit zoo.
+</p>
+<p>Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>op en zei toen tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best
+hooren kon:
+</p>
+<p>„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad heeft.”
+</p>
+<p>„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea, of die gehoord
+had, wat haar broertje zei.
+</p>
+<p>Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen. Armand had
+die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze hooren zou. Zou het nu beter
+zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te hebben, of moest ze er op terug komen en
+Armand de ongepastheid er van onder het oog brengen<span class="corr" id="xd33e1361" title="Bron: .">?</span> Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat ze haar gehinderd hadden.
+</p>
+<p>Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was daarenboven zoo moe,
+zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik niet in staat was, een woordenstrijd
+met het kind te beginnen.
+</p>
+<p>En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen oogenblikje
+hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te zetten, vóór de kinderen
+naar bed waren.
+</p>
+<p>Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van haar strenger
+optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar lieve jufje boos op haar was.
+Daar gaf Armand minder om, maar hij was toch niet zoo druk als anders.
+</p>
+<p>Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>verzoenen. Ze was opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van
+dien dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was, hij sprak
+geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve vriendelijk aan.
+</p>
+<p>Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en van oordeel was,
+dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd weer vriendelijk, tot groote
+vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar hand greep, om die te zoenen.
+</p>
+<p>„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u dien gekregen?”
+</p>
+<p>Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar servet wat op
+en antwoordde:
+</p>
+<p>„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een familiestuk.
+De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze moet het dan later weer
+aan <span class="ex">haar</span> oudste dochter geven, begrijp je? Nu had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen
+oudste dochter was, en dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje
+te geven, indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de reden,
+waarom ik het altijd draag.”
+</p>
+<p>Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in dezelfde familie
+was.
+</p>
+<p>Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg, of hij het
+geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:
+</p>
+<p>„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.”
+<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
+<p>Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was en ze hare
+gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon was, naar huis te schrijven,
+maar ze had er niets geen lust in, ze was bang, dat men haar gedrukte stemming uit
+haar brief zou kunnen lezen. Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn
+en dat mocht heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje,
+met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar Fransch examen.
+Dat was trouwens geen onwaarheid.
+</p>
+<p>Ze schreef:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first salute">Liefste Moeder en Vader,
+</p>
+<p>Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik vanavond nog Fransch
+werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier met toestemming van mevrouw van Gendringen
+een leeraar gezocht, om mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en
+nu moet ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te kunnen profiteeren.
+Ik maak het best en kan met de kinderen wel opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel
+moeielijkheden voor zoo nu en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen
+te worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog een groote
+maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>geld naar huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en als ik
+het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de gedachte aan mijn honorarium
+mij wel op. Kijk nu maar niet zoo ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best
+uit behoefte mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust tot
+mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor, dat ik <span class="corr" id="xd33e1396" title="Bron: van avond">vanavond</span> nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!
+</p>
+<p>Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie ik wat op tegen
+de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar. Maar dan krijg ik heerlijke brieven,
+niet waar, lange, lange brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over
+u allen en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.
+</p>
+<p>Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw voorbij en ik moet
+gaan studeeren.
+</p>
+<p>Vele, vele kussen voor allen van
+</p>
+<p class="signed">Uwe Thea.
+</p>
+<p>Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu misschien, dat
+ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo over verlangen naar huis schrijf,
+maar u moet er maar niet op letten, ik ben wat moe <span class="corr" id="xd33e1406" title="Bron: van avond">vanavond</span> en het weer is zoo slecht, de wind giert om het huis en de regen <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>klettert tegen de ramen. Dat heeft wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen
+ben ik weer heel opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe,
+maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel begrijpen, hoe ik
+het meen. Dag schatten.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den geheelen dag
+had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet meer.
+</p>
+<p>Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.
+</p>
+<p>Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer minder gedrukt
+en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.
+</p>
+<p>Maar nu was ze doodop.
+</p>
+<p>Van werken kon <span class="corr" id="xd33e1418" title="Bron: van avond">vanavond</span> niets meer komen, ze zat te knikkebollen over hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan,
+morgen hoopte ze weer flink genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.
+</p>
+<div class="figure o094width"><img src="images/o094.png" alt="" width="106" height="54"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3726">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Achtste Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Achtste Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De verdwenen armband.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-h.png" alt="H" width="160" height="143"></div>
+<p class="first">oe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij den slaap kon
+vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende merkte ze niet, dat omstreeks
+zeven uur in den morgen een kleine gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd
+te hebben, dat zijn zusje nog gerust sliep. <span class="corr" id="xd33e1431" title="Bron: Zij">Hij</span> ging voorzichtig op <span class="corr" id="xd33e1434" title="Bron: hare">zijne</span> teenen loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.
+</p>
+<p>Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel, waarop Thea ’s
+avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en greep, angstig naar het slapende
+meisje omkijkend, naar den armband. Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en
+liet den bracelet vallen.
+</p>
+<p>Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>de voeten maken met het in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even
+schuw naar Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig doorsliep.
+Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.
+</p>
+<p>Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld had. Hij was
+ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en hem gezien had, wat had hij
+dan moeten zeggen.
+</p>
+<p>Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan dacht juf, dat
+ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het, wat hij wilde; hij had een
+hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder had willen zwartmaken en blijkbaar meer
+van die nare Stans hield, dan van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest,
+maar die was tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk tegen
+zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.
+</p>
+<p>Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!
+</p>
+<p>Waar zou hij het braceletje laten?
+</p>
+<p>Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam niemand aan,
+dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden lang vergeten in de kast
+staan.
+</p>
+<p>Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog sliepen.
+</p>
+<p>Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de verbindingsdeur naar Stans,
+luisterde, of hij ook iets hoorde in de kamer van juf en kroop daarna op <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>handen en voeten naar de speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte
+het armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop van den
+dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug weer in bed en trok de
+dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud geworden en voelde zich niets pleizierig.
+Hij wilde blij zijn, omdat hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje
+rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich angstig en
+heel niet op zijn gemak.
+</p>
+<p>Als het eens uitkwam!
+</p>
+<p>Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats terug te leggen,
+misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu eigenlijk spijt, dat hij het
+gedaan had, en reeds stak hij een been uit bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven,
+toen hij juf hoorde opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.
+</p>
+<p>Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de gedachte,
+dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.
+</p>
+<p>Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te helpen met
+aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde het meisje af, dat de hulp
+van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw te bewegen, uit bed te komen. Schertsend
+dreigde Thea haar met een natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje
+stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.
+</p>
+<p>Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>zoodat ze aan het ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom
+ze gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e1462" title="Bron: Op eens">Opeens</span> greep Thea naar haar pols.
+</p>
+<p>„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb mijn armband
+vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”
+</p>
+<p>Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de ontbijttafel af te
+nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij elkaar.
+</p>
+<p>Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel interessants te zien,
+ten minste hij had geen oog van de straat af.
+</p>
+<p>Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen vinden.
+</p>
+<p>„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op de tafel, dat
+weet ik zeker.”
+</p>
+<p>„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de kamer op te
+ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel geslierd had, maar hij ligt
+niet op den grond, hij is echt nergens.”
+</p>
+<p>Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring deed en zei,
+zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet verder gezocht hebben,
+dan haar neusje lang was.
+</p>
+<p>„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij, „ik ben dadelijk
+terug.”
+</p>
+<p>Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze bleef een heel
+poosje weg en <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>Conny, die juf had willen verrassen door netjes aan de tafel te gaan zitten en tot
+haar groote verbazing Armand daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was
+bang, dat deze weg zou loopen. Maar hij was vanmorgen <span class="corr" id="xd33e1478" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> tam en zoo stil, dat Stans vroeg, of hij misschien ziek was.
+</p>
+<p>„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.
+</p>
+<p>„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”
+</p>
+<p>Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt gezicht.
+</p>
+<p>„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van. Jullie weet
+er toch geen van beiden iets van?”
+</p>
+<p>„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een gekke vraag
+deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te begrijpen, ze kon hem
+onmogelijk verloren hebben, ze had hem gisterenavond nog afgelegd.
+</p>
+<p>„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.
+</p>
+<p>„Ja zeker.…. ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”
+</p>
+<p>Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond afgedaan had.
+Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale handeling geworden was en gisteren
+was ze zoo vervuld geweest van haar verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren
+kon, of ze bij het uitkleeden den armband nog bezeten had.
+</p>
+<p>Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>gewoon was te zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de
+gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch eigenlijk de
+eenige mogelijkheid.
+</p>
+<p>Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben kon, maar dat
+denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet gelooven. Annette was een eerlijk
+meisje en een gouden armband stelen is geen kleinigheid.
+</p>
+<p>Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den tijd en het onderwijs
+der kinderen mocht er niet onder lijden.
+</p>
+<p>Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het lukte haar niet
+erg. Gelukkig waren de kinderen <span class="corr" id="xd33e1498" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> gezeggelijk en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald opgevallen
+zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar niet over na.
+</p>
+<p>Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband terug te krijgen.
+Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een advertentie zetten, een belooning
+uitloven. Ze zou er alles voor over hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart
+kromp ineen bij de gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder
+niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo nonchalant was,
+zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.
+</p>
+<p>Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem, dat hij het verdriet
+van de <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>juffrouw niet verergerde door lastig en ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst
+in langen tijd, dat ze toch wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met
+hem te kibbelen.
+</p>
+<p>Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer, ondervroeg
+Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar niets gevonden en vroeg daarna
+bij mevrouw van Gendringen belet, om haar van haar verlies op de hoogte te brengen
+en haar te vragen, in welke bladen ze adverteeren zou.
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist, wanneer die
+armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat nu mogelijk, om zich niet
+te herinneren, of men ’s avonds zijn armband afdeed, of niet.
+</p>
+<p>Had ze soms verdenking op de bedienden?
+</p>
+<p>Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan Annette en dat
+ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.
+</p>
+<p>„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar ze in uw kamer
+geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch in uw bijzijn ondervragen.”
+</p>
+<p>Ze schelde en beval Annette te roepen.
+</p>
+<p>Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig, daar ze wel
+begreep, waarom ze geroepen werd.
+</p>
+<p>„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen een kostbaren
+armband mist. Ze beweert <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>die gisterenavond afgedaan en op tafel gelegd te hebben.”
+</p>
+<p>„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”
+</p>
+<p>„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met Annette spreek.”
+</p>
+<p>Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar zoo op haar plaats
+te zetten, waar het meisje bij was.
+</p>
+<p>Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:
+</p>
+<p>„Weet je iets van dien armband af, Annette?”
+</p>
+<p>Het meisje begon te schreien.
+</p>
+<p>„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze, „als mijn
+moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd, dan zou …”
+</p>
+<p>„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand beschuldigt je van
+diefstal”.
+</p>
+<p>„En u zegt het.”
+</p>
+<p>„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen, weet je iets van
+dien armband af, ja of neen.”
+</p>
+<p>„Als ik nou toch.….”
+</p>
+<p>„Ja of neen.”
+</p>
+<p>„Mijn moeder zou.….”
+</p>
+<p>„Ja of neen, Annette.”
+</p>
+<p>In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze vergat, dat
+ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen aan het komische <span class="corr" id="xd33e1535" title="Bron: tafreel">tafereel</span>, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw van Gendringen, rechtop, kalm, streng
+een volmaakt rechter van instructie en Annette zenuwachtig huilend, <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>met haar schort voor hare oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde
+stem van den rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.
+</p>
+<p>Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van Gendringen had
+het toch opgemerkt.
+</p>
+<p>Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.
+</p>
+<p>„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het verlies van dien
+armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet, waarom u er dan zoo’n drukte
+over maakt.”
+</p>
+<p>Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:
+</p>
+<p>„Ja of neen, Annette.”
+</p>
+<p>Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en antwoordde
+nu:
+</p>
+<p>„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk meisje en.…”
+</p>
+<p>„Dus neen, goed, je kunt gaan.”
+</p>
+<p>„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf beschuldigt.…”
+</p>
+<p>„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.
+</p>
+<p>„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje verliet de
+kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.
+</p>
+<p>„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden, juffrouw?”
+</p>
+<p>„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te beschuldigen, wanneer
+het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn kamer geweest dan Annette.<span id="xd33e1557">”</span>
+<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
+<p>„En die houdt u voor onschuldig?”
+</p>
+<p>„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”
+</p>
+<p>„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw armband verloren
+te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in die richting te werken. Ik zal
+een paar advertenties voor u plaatsen in de meest gelezen bladen.”
+</p>
+<p>„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.
+</p>
+<p>„Moet ik een belooning uitloven?”
+</p>
+<p>„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”
+</p>
+<p>„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het bezit van uw armbandje
+te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten,
+daar anders het onderwijs der kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen
+eens een les komen bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven
+de kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben, alleen moeten
+ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n vacantietje mij van hun vorderingen
+te komen overtuigen. Reken er dus op, overmorgen.”
+</p>
+<p>Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de gedachte aan haar
+verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer Mevrouw de les zou komen bijwonen
+en, daarvan was ze overtuigd, onbarmhartig kritiseeren.
+<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3739">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Negende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Negende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd33e1574">Oudejaarsavond.
+</p>
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-v.png" alt="V" width="162" height="143"></div>
+<p class="first">anavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan minder eenzaam
+en verlaten.
+</p>
+<p>Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een <span class="corr" id="xd33e1580" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> gevoel, dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me ernstig
+stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid bij mij opwekt.
+</p>
+<p>En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn dagboek en
+de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik alle voor mij op tafel
+gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die lieve gezichten en dat maakt, dat ik
+me niet zoo eenzaam voel, want, wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens
+op de wereld zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen,
+zooals ik naar hen <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen zit?
+</p>
+<p>Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van Gendringen gegeven,
+zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar ook kinderen van dien leeftijd
+zijn. Ze worden echter om een uur of tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare
+volwassen dochters oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat
+ze mee mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo zelden
+iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik thuis moest blijven, ze
+had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was, tot groote verbazing van Armand, die
+meer oprecht<span id="xd33e1589"></span> dan beminnelijk vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee
+gevraagd.
+</p>
+<p>Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet wel, dat ik er
+niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een wezen van een ander soort,
+dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb nog niet geleerd, mij daarboven te stellen.
+Zoo’n gezegde doet me pijn, al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe
+men mij hier in huis beschouwt.
+</p>
+<p>Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de minste afwijking
+van mijn plicht haalt me een berisping op den hals, waardoor ik me vernederd voel
+en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe mijn best te voldoen, aan wat er van mij
+verwacht wordt, dat is trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van
+eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit gesproken, ik
+heb <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de gedachte niet kunnen verdragen,
+dat ik verplichting aan haar had. Ik wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij
+quitte, zij betaalt dan de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.
+</p>
+<p>Als mevrouw van Gendringen me maar wat <span class="corr" id="xd33e1598" title="Bron: sympatieker">sympathieker</span> was, zou ik me niet zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht
+en ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht heb. Het kind
+hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd lief is, ze heeft een slecht
+humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat
+ik haar bederf, misschien ben ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden
+met haar en kan niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.
+</p>
+<p>Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en innemend zijn,
+maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb hem al meer dan eens op een
+leugentje denken te betrappen, maar hij weet er zich altijd uit te redden en voelt
+zich sterk tegenover mij, door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem
+gelooven, haar overdreven liefde maakt haar blind.
+</p>
+<p>Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik werkelijk te jong
+ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke moeielijke karakters te helpen vormen.
+Ik doe mijn best, maar ben wel eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik
+zie er niet meer zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk
+moe, lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>zoo iets nooit naar huis, maar Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg
+mij tenminste in zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve
+te schrijven.
+</p>
+<p>Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven steeds zoo hartelijk,
+tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje zendt mij van tijd tot tijd briefjes.
+</p>
+<p>Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?
+</p>
+<p>Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde tafel in de
+huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje met een rood gloeiend gezicht
+van het bakken der oliebollen, Ita vol grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat
+ze op mogen blijven en spelletjes doen.
+</p>
+<p>Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig met smullen.
+Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de tafel vullen, wel mijn portret,
+zooals ik de hunne voor mij gezet heb en zeker denken allen wel eens even aan hun
+Thea. Ik weet zeker, dat ze hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat
+is goed, want als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar
+vergallen.
+</p>
+<p>Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets krijgt de slaap
+niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en als ze weer terug komt, is
+er iets ernstigs gekomen in de gesprekken, het middernachtuur nadert, de joligheid
+van straks heeft plaats gemaakt voor een afwachten en luisteren, want ieder wil <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>graag de eerste zijn, die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.
+</p>
+<p>Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem met tranen
+in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de kinderen en allen voelen meer
+dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en in ieders hart is het voornemen, het volgend
+jaar zijn best te doen in alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht
+er bij te kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb ik
+een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.
+</p>
+<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
+</p>
+<p>Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben in tranen losgebarsten.
+Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen en ontsteld vroeg Conny me, of ik
+ziek was. Ik stelde haar gerust, ik verzekerde haar, dat het niets was en trachtte
+vroolijk te informeeren, of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden
+verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek mij van tijd
+tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen haar te glimlachen, maar had
+moeite mij goed te houden, ik was zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten,
+die ze bij me opgewekt had.
+</p>
+<p>Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van gezelligheid te denken,
+dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben
+nu veel kalmer en ga straks naar bed. Waarom zou ik nog langer opblijven?
+<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p>
+<p>Toch moet me nog één ding van het hart.
+</p>
+<p>Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te worden op de meisjes
+hier?
+</p>
+<p>Nu, ik <span class="ex">ben</span> jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze jeugd, ik vond het onrechtvaardig,
+dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben,
+hier werken moest voor mijn brood, hard werken zelfs.
+</p>
+<p>Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te helpen met
+haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en ik haar dan moest helpen
+optooien voor een of ander feestje en daarna in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer
+terugkeeren en de kinderen bezighouden.
+</p>
+<p>Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes, dinertjes en bals,
+vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje zijn en niet enkel onderwijzeres.
+Ik zou mezelve zoo dol graag eens zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat
+zou me ook wel goed staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had.
+Zou het erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?
+</p>
+<p>Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was, zou ik dat ook
+niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou zijn van bals en diners, maar
+dan had ik dat alles niet zoo in mijn nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten
+en was geen getuige van de triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte,
+mij zoo van tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die feestjes,
+de mooie <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet op, met tegen mij te praten. Bella
+is veel liever en eenvoudiger en denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het
+een en ander te vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om jaloersch
+op haar te zijn.
+</p>
+<p>Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat gevoel te
+onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als ik me afvraag, zou ik
+Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s moeder hebben, in plaats van mijne lieve
+ouders, dan moet ik immers dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.
+</p>
+<p>Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik niet eens met
+haar zou willen ruilen!
+</p>
+<p>En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen.…. heelemaal vrij van jaloezie ben
+ik nog niet.
+</p>
+<div class="figure o111width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3752">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Tiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Tiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De ontdekking.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-t.png" alt="T" width="161" height="143"></div>
+<p class="first">wee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die haar nog van
+de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze zou naar huis gaan. Hoe
+verlangde ze er naar, allen terug te zien!
+</p>
+<p>Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en haar bij tijden
+zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide terugzien.
+</p>
+<p>Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis geschreven, ze had
+niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat ze dat kostbare familiestuk verloren
+had. Ze had steeds gehoopt, dat ze het vóór de vacantie op een of andere wijze terug
+zou krijgen en hoewel die hoop nu nog maar zeer gering was, ja <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>eigenlijk niet meer bestond, kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen.
+En toch, het zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst vergallen,
+dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich verheugd had, al van den eersten
+dag af aan, dat ze in Brussel was.
+</p>
+<p>Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch wilde ze wachten
+tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg en men kon toch nooit weten,
+ze wilde alle hoop nog niet opgeven.
+</p>
+<p>Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een ieder beschouwde
+het, als op straat verloren en geen der huisgenooten dacht er meer aan, zelfs Armand
+vergat, dat hij zich voorgenomen had, het armbandje na een poosje weer terug te leggen,
+waar hij het gevonden had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.
+</p>
+<p>Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje nog altijd
+onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot, als de gelegenheid zich
+voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog veilig opgeborgen was. Hij zou het
+nu wel willen terug geven, juf had verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu
+het er op aan kwam, wist hij niet goed, hoe te handelen.
+</p>
+<p>Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht worden, hoe het
+daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou kunnen komen, dat hij <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>de schuldige was. In lang had hij niet aan de zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten
+hem eensklaps te plagen en kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor
+hem zelf aan verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje
+minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het voor hemzelf
+veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst hartje liet hem meestal doen,
+wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch wilde hij graag weten, of het braceletje
+nog op zijn plaats lag en op een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance
+zat en hij doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit
+de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit te pakken
+en naar het armbandje te zoeken.
+</p>
+<p>Daar lag het nog net als hij het verstopt had.
+</p>
+<p>Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer eigenaardig maaksel,
+met een mooi bewerkt familiewapen als slot en Armand raakte zoo in de beschouwing
+verdiept, dat hij niet merkte, dat Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen
+zoeken, eensklaps achter hem stond.
+</p>
+<p>„Armand!”
+</p>
+<p>Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn hand.
+</p>
+<p>En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer naar het kind
+en wist niet, wat ze er van denken moest.
+</p>
+<p>Een groote vreugde kwam over haar, daar was de <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>verloren gewaande schat, haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen
+zien.
+</p>
+<p>Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig begon te lachen.
+</p>
+<p>Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?
+</p>
+<p>Waar had hij het gevonden?
+</p>
+<p>Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd hij er uitzag.
+Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat ineengedoken op den grond, geheel het
+uiterlijk van een kind, dat iets heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad
+betrapt wordt.
+</p>
+<p>In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door het hoofd, die
+haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind indertijd het armbandje hebben weggenomen
+en verstopt, zou dat mogelijk zijn? Maar waarom?
+</p>
+<p>Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers onzin.
+</p>
+<p>Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel van haar,
+dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny tegenover hem verdedigde.
+</p>
+<p>Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.
+</p>
+<p>Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te blijven en
+hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze schijnbaar bedaard:
+</p>
+<p>„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?”
+<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
+<p>Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.
+</p>
+<p>„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.
+</p>
+<p>Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er over na, hoe
+zich uit die moeielijkheid te redden.
+</p>
+<p>Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer<span id="xd33e1691"></span> hoe driftiger.
+</p>
+<p>„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”
+</p>
+<p>Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.
+</p>
+<p>Hij keek Thea boos aan en zei:
+</p>
+<p>„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het immers terug.”
+</p>
+<p>Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig verdwijnen
+van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen schuld had, had hij haar
+immers eenvoudig geantwoord, waar hij het gevonden had.
+</p>
+<p>Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.
+</p>
+<p>„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”
+</p>
+<p>Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe te kijken.
+</p>
+<p>Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en gilde:
+</p>
+<p>„Ik heb het niet <span class="corr" id="xd33e1705" title="Bron: weg genomen">weggenomen</span>, dat is niet waar!”
+</p>
+<p>„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”
+</p>
+<p>Na een oogenblik aarzelen zei het kind:
+<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
+<p>„Ik heb het gevonden.”
+</p>
+<p>„Waar?”
+</p>
+<p>„In de kast.”
+</p>
+<p>„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die kast opgeruimd.”
+</p>
+<p>„In een doos.”
+</p>
+<p>„In een doos? In welke?”
+</p>
+<p>„In die.”
+</p>
+<p>„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”
+</p>
+<p>De jongen begon te huilen.
+</p>
+<p>„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf, om tegen Maatje
+te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje gelooft er toch niets van!”
+</p>
+<p>Dat was te erg.
+</p>
+<p>Thea ziedde van drift.
+</p>
+<p>Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde nooit gedaan zou
+hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.
+</p>
+<p>Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.
+</p>
+<p>Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de uitwerking van haar
+drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven als een oordeel en wonder was het
+niet, dat hun moeder, die juist thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar
+ze de kinderen zoo hoorden aangaan.
+</p>
+<p>Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>vloog op haar af en hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen
+had.
+</p>
+<p>„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”
+</p>
+<p>Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om kinderen op
+te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich door haar drift laten beheerschen.
+</p>
+<p>„Nu juffrouw, is dat waar?”
+</p>
+<p>Thea boog het hoofd en zei:
+</p>
+<p>„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat Armand mijn armband
+gestolen had, dan.…<span id="xd33e1739">”</span>
+</p>
+<p>„Juffrouw!”
+</p>
+<p>„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”
+</p>
+<p>„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen, ga dan de kamer
+uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”
+</p>
+<p>„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij.…<span id="xd33e1746">”</span>
+</p>
+<p>Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.
+</p>
+<p>„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”
+</p>
+<p>Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.
+</p>
+<p>„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten motiveeren. U heeft
+mijn zoon van niets minder<span id="xd33e1754"></span> dan van diefstal beschuldigd.”
+</p>
+<p>„Ik vond hem spelend met den armband.”
+</p>
+<p>„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan, Armand?”
+<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
+<p>Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot genomen. Ze streelde
+zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.
+</p>
+<p>„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.
+</p>
+<p>„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde Thea te zeggen.
+</p>
+<p>„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u blieft. Vondt
+je hem zoo maar los in de kast, ventje?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Maar mevrouw.…”
+</p>
+<p>„Wanneer Armand?”
+</p>
+<p>„Vanmorgen.”
+</p>
+<p>„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”
+</p>
+<p>„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb weggenomen, wel Maatje?”
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.
+</p>
+<p>„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je begrijpt wel, dat
+het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets van je te moeten denken.”
+</p>
+<p>Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te huilen.
+</p>
+<p>„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”
+</p>
+<p>Het kind huilde door.
+</p>
+<p>Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.
+</p>
+<p>„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en zelfbeheersching.
+Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die armband is <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of andere manier in de kast
+terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is blijven liggen.”
+</p>
+<p>„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden opgeruimd en Armand
+heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos<span id="xd33e1784"></span> gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij niet vanzelf
+gerold zijn.”
+</p>
+<p>„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot zooiets in staat
+zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent je en gelooft je.”
+</p>
+<p>„Dus gelooft u mij niet?”
+</p>
+<p>„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was, zou u zoo iets
+niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het algemeen genomen is uw optreden
+tegenover de kinderen taktloos. U bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel
+durft, overtuigd van uw bescherming.”
+</p>
+<p>Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu wat te gaan
+spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.
+</p>
+<p>Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou worden, omtrent
+het voorgevallene.
+</p>
+<p>„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon, maar met een
+booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze gelegenheid gebruik maken, om u te
+zeggen, dat u werkelijk ongeschikt is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden.
+U is <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>te jong, te onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng aangepakt
+moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat een lief, gemakkelijk
+te leiden karakter heeft.”
+</p>
+<p>Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar wegzonk: ze werd
+haar betrekking opgezegd.
+</p>
+<p>Mevrouw van Gendringen vervolgde:
+</p>
+<p>„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante bij mijne
+kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen, geeft den doorslag. U heeft
+mijn zoontje geslagen en voor dief uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag.
+U kunt zich met Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang
+zal ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo spoedig mogelijk
+vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat
+hij mishandeld wordt.”
+</p>
+<p>„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.
+</p>
+<p>„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het kan niet anders.
+U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen rekken, totdat u uwe ouders
+van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen, maar Armand zal ik zoolang onder mijn
+persoonlijke leiding houden. Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben
+van plan haar naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op
+haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”
+</p>
+<p>In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>Haar invloed op Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was
+zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het verdwijnen van den
+armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster stond, werd ze smadelijk weggezonden.
+</p>
+<p>Het bloed steeg haar naar het hoofd.
+</p>
+<p>„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen, was haar meesteres
+opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar haar om te zien.
+</p>
+<p>Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven gehoord had.
+</p>
+<p>Ze moest weg.… had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu wel niet zoo
+heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.
+</p>
+<p>Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou hen ook niet
+verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze voor het eerst haar bijdrage
+in de opvoeding der kinderen naar huis had kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare
+brieven had ze toen van hare ouders gekregen.
+</p>
+<p>Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden, dat ze zich had
+laten meesleepen door haar drift, die drift, waar moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd
+had, en dat ze afgedankt was.
+</p>
+<p>Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel aannemen, kon ze
+dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die, hoe men het ook nam, haar toch
+allesbehalve mooi behandeld had.
+<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
+<p>Ze moest er nog eens over denken.
+</p>
+<p>Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?
+</p>
+<p>Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand, die te kort was
+gekomen in zijn plicht.
+</p>
+<p>Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins, toen ze eensklaps
+twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde zeggen:
+</p>
+<p>„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is nu al weer
+voorbij.”
+</p>
+<p>„Voorbij, kind? Ik moet weg.”
+</p>
+<p>Van schrik liet Stans haar los.
+</p>
+<p>„Weg, moet u weg? Och neen!”
+</p>
+<p>„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”
+</p>
+<p>„Voor goed?”
+</p>
+<p>„Ja, voor goed.”
+</p>
+<p>„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.
+</p>
+<p>Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich tenminste bij iemand
+bemind had weten te maken.
+</p>
+<p>Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend, begon ze het kind
+te troosten.
+</p>
+<p>Maar Stans was ontroostbaar.
+</p>
+<p>„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”
+</p>
+<p>„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig leventje je
+nog eens krijgt.”
+</p>
+<p>Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal niet rooskleurig.
+</p>
+<p>„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze.
+<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p>
+<p>Thea beloofde het.
+</p>
+<p>Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.
+</p>
+<p>„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze<span id="xd33e1841">,</span> „we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”
+</p>
+<p>Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige dagen alleen met
+haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea ging dien avond met een bezwaard
+hart naar bed.
+</p>
+<p>Wat zou de toekomst brengen?
+</p>
+<div class="figure o125width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3766">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Elfde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Elfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Naar huis.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-a.png" alt="A" width="160" height="135"></div>
+<p class="first">cht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou en ze dacht
+aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had afgelegd, maar in omgekeerde richting.
+</p>
+<p>Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar weldra weer te
+kunnen omhelzen.
+</p>
+<p>En Vader, Ita, Bets en de jongens!
+</p>
+<p>Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien, hunne stemmen
+hooren.… ze zou thuis zijn.
+</p>
+<p>Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!
+</p>
+<p>En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden zou ze dat
+niet mogelijk geacht hebben, maar nu.… werkelijk, haar vreugde over haar wederkeeren
+naar haar familie was niet onvermengd. Er was een bitter droppeltje in, een niet weg
+te cijferen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>feit: ze verliet haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle moeilijkheden
+liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar niet langer houden.
+</p>
+<p>Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?
+</p>
+<p>Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze was hun toch
+misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo goed over haar dacht.
+</p>
+<p>Had ze dit kunnen voorkomen?
+</p>
+<p>En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor oogen en had ze
+berouw, dat ze zich door haar drift had laten meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan
+en hem ook niet een dief mogen noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar
+plagen, ze had moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch
+geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het weggenomen met
+het voornemen, het haar eens terug te geven.
+</p>
+<p>Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging te zijn gekomen,
+dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem altijd gehouden had, tenminste,
+Bella had haar gister bij het afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool
+zou gaan.
+</p>
+<p>„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde opvoeding, die
+de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had ze er lachend bijgevoegd, „en
+ze wil het nu niet meer met een nieuwe gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt
+Mama het beter voor hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.”
+<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
+<p>„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd, waarop Bella
+geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw moeten komen, om zich buiten
+de schooluren met hem te bemoeien. Op den duur kan Mama dat niet doen; ik geloof,
+dat het haar die laatste week al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten
+letten. Ook geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen
+wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor haar eenig zoontje,
+hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo streng geweest, dat ik nooit begrepen
+heb, hoe ze voor hem zoo verblind kon zijn.”
+</p>
+<p>Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw van Gendringen
+blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig had en dus erkende, dat het
+kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof, die zou het op kostschool allicht aangenamer
+hebben, dan thuis, en voor haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.
+</p>
+<p>Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking had. Ze zou
+dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen, iets in de stad van haar
+inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte, wat zou dat heerlijk zijn!
+</p>
+<p>Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.
+</p>
+<p>Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem verloren zou hebben.
+<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p>
+<p>Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook iemand zag.
+</p>
+<p>Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze hartelijk.
+</p>
+<p>Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had gezien en een oogenblik
+later kusten de zusjes elkaar, zooals ze misschien nog nooit gedaan hadden.
+</p>
+<p>„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij was.
+</p>
+<p>„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als altijd en
+de kinderen maken het uitstekend.”
+</p>
+<p>„En jij?”
+</p>
+<p>„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”
+</p>
+<p>„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”
+</p>
+<p>„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren wangen, kunnen
+niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit door afwezigheid van kleur
+en verdere schoonheid.”
+</p>
+<p>Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan hare oprechte,
+donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne donkere wenkbrauwen er boven.
+Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog magerder geworden, in den tijd, dat ze haar
+niet gezien had.
+</p>
+<p>Toen ze in de tram zaten, zei Ita:
+</p>
+<p>„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je daar niet genoeg
+te eten?”
+<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
+<p>Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.
+</p>
+<p>Toen fluisterde ze:
+</p>
+<p>„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”
+</p>
+<p>„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van <span class="corr" id="xd33e1902" title="Bron: opaan">op aan</span>.”
+</p>
+<p>„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”
+</p>
+<p>Ita deed kwasi onverschillig.
+</p>
+<p>„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er lang blijven
+zou.”
+</p>
+<p>„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”
+</p>
+<p>„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”
+</p>
+<p>„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te schrijven.”
+</p>
+<p>„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er niet prettig,
+dat voel ik.”
+</p>
+<p>„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te lezen. O, Iet,
+als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd heb,” en Thea’s oogen vulden
+zich met tranen.
+</p>
+<p>Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan huilen?
+</p>
+<p>„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.
+</p>
+<p>Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.
+</p>
+<p>Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>haar, ging tegenover haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:
+</p>
+<p>„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”
+</p>
+<p>Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een betrekking was geweest,
+ze had haar nog niet lang geleden geschreven, dat ze met Paschen thuis hoopte te komen
+voor de vacantie. Natuurlijk was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.
+</p>
+<p>„Ja, zie je”, zei ze<span id="xd33e1925">,</span> „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom weer thuis.”
+</p>
+<p>„Weer thuis? voor goed?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”
+</p>
+<p>Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van haar, ofschoon
+ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief beantwoord had. Ze had geen lust,
+haar een uitleg van de zaak te geven en wist niet goed, wat nu te zeggen.
+</p>
+<p>Ita kwam haar te hulp.
+</p>
+<p>„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het was een drukke
+betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een poosje thuis kwam.”
+</p>
+<p>Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder jokken, want ze
+<span class="ex">was</span> niet goed in den laatsten tijd en ze <span class="ex">had</span> het vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand, bij wijze
+van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren, waardoor het gesprek een
+andere wending kreeg.
+<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p>
+<p>Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een handdruk met Marie
+gewisseld te hebben en een paar minuten later waren ze in de Columbusstraat.
+</p>
+<p>Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat omsloegen.
+</p>
+<p>Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar snoetje omhoog,
+om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt wilde worden, daarna wat langzamer
+Jan, die het met een stevigen handdruk afdeed.
+</p>
+<p>„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.
+</p>
+<p>Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en overwoog druk met
+Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.
+</p>
+<p>Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar negentien jaren,
+vloog naar haar toe.
+</p>
+<p>„Moesje!”
+</p>
+<p>„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo naar je.”
+</p>
+<p>Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als vanouds naast de
+rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en voelde zich voor het eerst na vele
+maanden recht gelukkig.
+</p>
+<p>„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.
+</p>
+<p>„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver weg.”
+</p>
+<p>„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op het punt gestaan,
+je te schrijven, maar <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>liever terug te komen, maar Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf
+moesten overlaten.”
+</p>
+<p>„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid uit hare oogen
+en zacht zei ze:
+</p>
+<p>„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”
+</p>
+<p>„Neen kindje, dat niet.”
+</p>
+<p>„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”
+</p>
+<p>„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen over.”
+</p>
+<p>„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan had.”
+</p>
+<p>„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed, dat je maar
+weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten opknappen. Zeg
+nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar school, dan drinken wij gezellig
+met ons drietjes koffie, we hebben op je gewacht.”
+</p>
+<p>De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een teleurgesteld
+gezicht op te merken:
+</p>
+<p>„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”
+</p>
+<p>„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”
+</p>
+<p>Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het kind maakte
+een luchtsprong.
+</p>
+<p>„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!”
+<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
+<p>„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes, dat ik wat uit
+Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal, verheugd door het vooruitzicht,
+wat uit die vreemde stad te zullen krijgen.
+</p>
+<p>Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te doen gebruiken,
+maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast niets naar binnen kon krijgen.
+</p>
+<p>„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit. Waarom eet je
+niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd, omdat je daar veel van houdt.”
+</p>
+<p>Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst was meer,
+dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in den laatsten tijd geweest
+was.
+</p>
+<p>„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.
+</p>
+<p>„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.
+</p>
+<p>„Boos?”
+</p>
+<p>„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even erg.”
+</p>
+<p>Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een beetje onhandig
+hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:
+</p>
+<p>„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik begrijpen wel,
+dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een volgend maal beter, eerst <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>struikelen en vallen en daarna stevig blijven staan.”
+</p>
+<p>„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”
+</p>
+<p>„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken trek niet onderdrukken
+kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven was, „dat komt terecht. Vooreerst
+heb je nog je honorarium, dat je pas gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed
+verloren, al verloren, je zult zien, alles komt best terecht.”
+</p>
+<p>Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.
+</p>
+<p>„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door haar tranen,
+„maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw beginnen en dan trachten het er
+beter af te brengen.”
+</p>
+<p>„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons zitten en vertel
+ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.
+</p>
+<p>Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met Armand, dan met
+Constance.
+</p>
+<p>„Hè Vader, waarom?”
+</p>
+<p>„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere meisjes komt,
+maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te kraken hebben, voor hij is, zooals
+hij worden moet. Het is heel verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het
+huis uit te sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”
+</p>
+<p>„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is van die geschiedenis
+met mijn armbandje,” antwoordde Thea.
+<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
+<p>Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand grijpend, zei ze met
+een zucht van voldoening:
+</p>
+<p>„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”
+</p>
+<div class="figure o137width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3779">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Twaalfde Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Twaalfde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Jan’s rapport.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">e volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was haar soms, alsof
+ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen daarin, dat ze Nico geen les
+behoefde te geven en dus meer tijd had, om zich aan haar vader te wijden en voor haar
+Fransch te studeeren. Ook hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de
+tijd vlug genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het wist.
+</p>
+<p>’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking aangeboden werd,
+die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had ze op een advertentie geschreven,
+ook had ze zelf geadverteerd, maar beide zonder resultaat, geen enkele brief was er
+op gekomen.
+</p>
+<p>Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen.
+<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
+<p>Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van school krijgen
+en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te gemoet gezien. Vader hechtte
+zoo heel veel aan die rapporten; zijn dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee,
+dat hij wat tobberig van aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof.
+Hij wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun weg door
+het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, dat hij hun ontvallen
+zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf te zorgen. Ieder jaar was er dus
+één en de gedachte dat de kinderen op school zouden blijven zitten en zoodoende een
+jaar achter komen, maakte hem zenuwachtig en angstig.
+</p>
+<p>Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel vinden, maar
+Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo geweest; twee onvoldoenden,
+hij was er van geschrokken, maar Ita had hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit
+eerste rapport niet zoo heel veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar
+kwam het op aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn financiën
+te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s avonds. Maar juist door
+dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet heel gemakkelijk leerde, het was, alsof
+hij zijn aandacht niet bij de dingen houden kon.
+</p>
+<p>En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een oplossing, die wel
+degelijk blijk gaf <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>van goede hersenen. Jan was overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch
+in de hoogste mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere Burgerschool
+gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om den cursus te kunnen volgen,
+was hij altijd vol gekheid, een zeer geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot,
+maar een goed leerling was hij niet.
+</p>
+<p>Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed op de hoogte,
+zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, het Paaschrapport zou het
+uitmaken.
+</p>
+<p>Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea hem vroeg,
+wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:
+</p>
+<p>„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar Jan?”
+</p>
+<p>„Best mogelijk,” bromde Jan.
+</p>
+<p>„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, dat zijne
+haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij vandaag krijgen zou.
+Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet veel goeds. Wij krijgen ons rapport
+morgen.”
+</p>
+<p>Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek naar Jan en
+zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat Vader niet met hen samen
+ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als Jan’s rapport slecht was, zouden ze het
+altijd nog bijtijds hooren.
+<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
+<p>„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je rapport nog al goed
+zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt<span class="corr" id="xd33e2036" title="Bron: .">?</span>”
+</p>
+<p>Jan duwde haar ruw weg.
+</p>
+<p>„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.
+</p>
+<p>„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei Ita.
+</p>
+<p>„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.
+</p>
+<p>„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den leeraar in de
+wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een hekel aan en toen wilden
+ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik en heeft de gewoonte, altijd dadelijk
+te gaan zitten. Nu hebben een paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel
+gelegd en toen hij er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was
+Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd hadden, voor goed
+in ongenade.”
+</p>
+<p>Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en het verschrikte
+gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:
+</p>
+<p>„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”
+</p>
+<p>„Jan en Willem.”
+</p>
+<p>„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi vind ik die soort
+grappen toch niet.”
+</p>
+<p>„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.
+</p>
+<p>„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>jullie niet al te vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog
+al eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”
+</p>
+<p>„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een standje geven, maar
+je niet voor den gek houden.”
+</p>
+<p>„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik nu weer flink van je.”
+</p>
+<p>„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de schuld van, daar
+heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal niet aan meegedaan had, moest
+ik wel zeggen, dat ik het was.”
+</p>
+<p>„En Willem?”
+</p>
+<p>„Nou, die zei het toen ook.”
+</p>
+<p>„En toen?”
+</p>
+<p>„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”
+</p>
+<p>„En weet Vader daarvan?”
+</p>
+<p>„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het land over gehad
+hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er voor gekregen, uit was het.”
+</p>
+<p>„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis was?”
+</p>
+<p>„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”
+</p>
+<p>Thea zette een bedenkelijk gezicht.
+</p>
+<p>„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>Vader zooveel mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele geschiedenis
+voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet van.”
+</p>
+<p>Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.
+</p>
+<p>„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij hem de kamer
+uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij Nico altijd zoover mee.
+</p>
+<p>Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en haar mantel
+aantrekkend, zei ze:
+</p>
+<p>„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal brengen. Jan
+keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem zoo zenuwachtig maakt, als
+een slecht rapport van Jan.”
+</p>
+<p>„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”
+</p>
+<p>„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”
+</p>
+<p>Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder terug, die
+ondertusschen haar man had helpen opstaan.
+</p>
+<p>De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en Thea waagde
+het niet, over het<span id="xd33e2084"></span> dien dag te verwachte rapport te beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het
+juist vandaag kreeg, Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun
+opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>kwam, zou het tijd genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.
+</p>
+<p>Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan maar niet al
+te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita thuis en vroeg dadelijk, of
+Jan er al was.
+</p>
+<p>„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”
+</p>
+<p>„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”
+</p>
+<p>Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.
+</p>
+<p>„Is Jan niet bij je?”
+</p>
+<p>„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”
+</p>
+<p>„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga maar naar binnen,
+ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of ze Jan ook zag aankomen. Eerst
+zag ze niemand in de heele straat, dan een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze
+hem den hoek omslaan en met zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag
+er heel bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog gewoonlijk meer
+dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er tegenop zag, thuis te komen.
+</p>
+<p>Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi onverschillig
+toe.
+</p>
+<p>Thea maakte een gebaar van ongeduld.
+</p>
+<p>„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.
+</p>
+<p>„Waarom,” zei Jan, naderkomend.
+</p>
+<p>Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk:
+<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
+<p>„Is het slecht?”
+</p>
+<p>„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.
+</p>
+<p>„Hoeveel onvoldoenden?”
+</p>
+<p>„Vijf.”
+</p>
+<p>„Maar Jan!”
+</p>
+<p>Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte ongeduldig
+op den grond.
+</p>
+<p>Thea zuchtte diep en zei:
+</p>
+<p>„Ga nu maar naar binnen.”
+</p>
+<p>Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, zeggend:
+</p>
+<p>„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, Thea in niet
+geringe verlegenheid achterlatend.
+</p>
+<p>Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en van achteren
+en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met die slechte tijding naar
+binnen te gaan.
+</p>
+<p>„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem<span id="xd33e2117">,</span> „kom je geen koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”
+</p>
+<p>Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden ging ze naar
+de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve Bets, die overbleef op
+school en Jan.
+</p>
+<p>„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader informeerde, waar
+Jan bleef, was die nog niet thuis?
+</p>
+<p>Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde:
+<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
+<p>„Jawel Vader, hij is thuis.”
+</p>
+<p>„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”
+</p>
+<p>„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet binnenkomt. Hier
+is zijn rapport.”
+</p>
+<p>„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de enveloppe,
+die Thea nog steeds vasthield.
+</p>
+<p>„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder en boog zich
+over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.
+</p>
+<p>Deze vouwde het open en werd bleek.
+</p>
+<p>„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die aanmerking van den
+directeur onderaan.”
+</p>
+<p>„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.
+</p>
+<p>„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”
+</p>
+<p>Haar vader las voor:
+</p>
+<p>„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag en zijn onoplettendheid.
+Ik geef u in overweging, of zijn omgang met Willem Meyer wel goed voor hem is.”
+</p>
+<p>Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar hadt je het
+al, die streek van de klappers had het hem gedaan.
+</p>
+<p>Nu verhief zich Nico’s stem.
+</p>
+<p>„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”
+</p>
+<p>„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. Deze vond het
+interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet wist.
+</p>
+<p>„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>toen vuurwerk er onder gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”
+</p>
+<p>Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, moest Ita lachen.
+</p>
+<p>„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”
+</p>
+<p>Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.
+</p>
+<p>„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je blieft, wat weet
+je er van.”
+</p>
+<p>Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen had medegedeeld.
+Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op gelet had, dat Nico in de kamer
+was, toen ze Thea die geschiedenis vertelde.
+</p>
+<p>„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de kinderen, Vader.”
+</p>
+<p>Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan zelf wel spreken,
+ze moest hem maar halen.
+</p>
+<p>Ita had er niet veel lust in.
+</p>
+<p>„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.
+</p>
+<p>„Waarom ik?”
+</p>
+<p>„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik maar niet aan
+die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw beneden hebben.”
+</p>
+<p>Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor hem.
+</p>
+<p>„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>al naar de deur, bang, dat Vader zich driftig zou maken.
+</p>
+<p>Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde aan den knop.
+</p>
+<p>„Doe open, Jan.”
+</p>
+<p>Geen antwoord.
+</p>
+<p>„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”
+</p>
+<p>Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot omdraaien.
+</p>
+<p>Thea trad binnen.
+</p>
+<p>Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:
+</p>
+<p>„Wat zeggen ze er van?”
+</p>
+<p>Thea sloeg haar arm om zijne schouders.
+</p>
+<p>„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en dan die aanmerking
+van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht oppassen, Jan<span class="corr" id="xd33e2174" title="Bron: .">?</span>”
+</p>
+<p>Haar broer haalde zijne schouders op.
+</p>
+<p>„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel na.”
+</p>
+<p>„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”
+</p>
+<p>„Laat me maar liever hier.”
+</p>
+<p>„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en geagiteerd en je
+weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk een standje, maar dat heb je
+verdiend, hè?”
+</p>
+<p>„Als ’t maar enkel een standje was.”
+</p>
+<p>„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn ziekte. Je
+hebt hem al verdriet genoeg gedaan.”
+<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
+<p>Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar beneden.
+</p>
+<p>Hij voelde zich ellendig.
+</p>
+<p>Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij wist, hoe Vader
+zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd leuke dingen en dan was het
+hem te machtig, dan moest hij meedoen. Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij
+hoefde daarom minder voor zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben.
+Maar hij wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en toch
+vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.
+</p>
+<p>Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.
+</p>
+<p>Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.
+</p>
+<p>„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.
+</p>
+<p>Jan ging een paar passen vooruit.
+</p>
+<p>„Hoe vin’ je dat rapport?”
+</p>
+<div class="figure p152width"><img src="images/p152.jpg" alt="„Hoe vin’ je dat rapport?”" width="546" height="720"><p class="figureHead">„Hoe vin’ je dat rapport?”</p>
+<p class="first">(Bladz. 150)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Jan zweeg.
+</p>
+<p>„Antwoord me.”
+</p>
+<p>„Slecht.”
+</p>
+<p>„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is geen rapport om
+mee over te gaan, wel?”
+</p>
+<p>Jan trok zijn schouders op.
+</p>
+<p>„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, Jan, wat geef
+je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een verdriet.”
+</p>
+<p>Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet verdragen. Willem’s
+vader was driftig, die <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>gaf hem misschien een flink pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker
+wist, dat Vader er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.
+</p>
+<p>Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen van zijn leeftijd
+mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij had er veel voor over gehad,
+hier niet zoo te moeten staan.
+</p>
+<p>„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.
+</p>
+<p>„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van overwegenden invloed.”
+</p>
+<p>„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een enkele onvoldoende
+heeft, gaat hij nog wel over.”
+</p>
+<p>„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan ik hem geen
+privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”
+</p>
+<p>„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde voorthelpen.
+Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”
+</p>
+<p>Haar vader drukte haar hand.
+</p>
+<p>„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”
+</p>
+<p>„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet vergeten, dat ik
+gemakkelijker leer, dan Jan.”
+</p>
+<p>Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, zoo’n echt goed
+kind.
+</p>
+<p>Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij:
+<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
+<p>„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van de schande
+van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”
+</p>
+<p>Jan beloofde het.
+</p>
+<p>Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.
+</p>
+<p>„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte geworden.”
+</p>
+<p>Jan kreeg een kleur.
+</p>
+<p>„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”
+</p>
+<p>„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, nietwaar? Dan
+eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang met Willem Meijer afbreekt.”
+</p>
+<p>Jan keek ontsteld op.
+</p>
+<p>„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”
+</p>
+<p>„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet niet, dat je
+me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je Willem loopen.”
+</p>
+<p>Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de nagels diep in zijne
+handpalmen, om zich goed te houden.
+</p>
+<p>„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, maar dit mag u
+niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij gaan altijd samen naar school,
+ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het
+niet.”
+</p>
+<p>„En als ik dat nu bepaald wil?”
+<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p>
+<p>Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden uit. Zijne
+oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne neer.
+</p>
+<p>„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, zelfs in één
+afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”
+</p>
+<p>„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van Welderen in, terwijl
+Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico trachtte te bedaren, die bitter huilde,
+omdat iedereen zoo boos was, zooals hij zei.
+</p>
+<p>„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te plaatsen. Hij waarschuwt
+me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”
+</p>
+<p>Zich toen weer tot Jan wendend:
+</p>
+<p>„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult hebben, geef
+me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”
+</p>
+<p>Een oogenblik stond Jan <span class="corr" id="xd33e2250" title="Bron: bewegenloos">bewegingloos</span>, toen keerde hij zich om en rende de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar
+hij eenige oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en
+met zijne oogen knippend.
+</p>
+<p>„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”
+</p>
+<p>Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.
+</p>
+<p>„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.
+</p>
+<p>„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”
+</p>
+<p>„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.”
+<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Nu barstte Jan los.
+</p>
+<p>„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed vinden, omdat
+Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, hem zieker te maken. Als
+Vader een gewone, sterke man was, dan kon je zooiets volhouden, maar nu zal ik wel
+weer moeten toegeven, omdat ik hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven,
+het is afschuwelijk.”
+</p>
+<p>Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.
+</p>
+<p>„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van de wereld,
+dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat weet je zelf ook wel.”
+</p>
+<p>„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik er niet over
+denken, Willem te laten loopen.”
+</p>
+<p>„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”
+</p>
+<p>„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat niet, Moes?”
+</p>
+<p>Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, dat hij nog
+te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, dat hij uit liefde en bezorgdheid
+voor zijn vader zijn verzet brak, in plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig
+zoo voelde, bewees, dat hij een goeden aard had.
+</p>
+<p>„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”
+</p>
+<p>Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>die van hem gevraagd werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen,
+het kwam niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij het
+kunnen volhouden?
+</p>
+<p>„Als ik maar kan, Moes.”
+</p>
+<p>„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook wel wat verdiend,
+vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je heel slecht hebt opgepast.”
+</p>
+<p>„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens zal zijn, Willem
+zal me zeker uitlachen.”
+</p>
+<p>Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te doen, wat zijn
+vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de andere jongens.
+</p>
+<p>„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met hem en dan zal
+hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. Als hij je dan nog uitlacht,
+is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar hij zal wel inzien, dat het beter zoo is,
+het is ook maar tot de groote vacantie.”
+</p>
+<p>„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”
+</p>
+<p>„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. Ga nu mee
+naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”
+</p>
+<p>Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij voelde, dat hij
+niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte brengen.
+</p>
+<p>„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”
+</p>
+<p>Zijn vader drukte hem stevig de hand.
+<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p>
+<p>„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog terecht te brengen.”
+</p>
+<p>Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.
+</p>
+<p>„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een kus.
+</p>
+<p>Nico keek een beetje verbaasd.
+</p>
+<p>„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei hij, met zijn
+hoog stemmetje.
+</p>
+<p>Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning het hardst
+van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, lachte maar mee, ofschoon
+hij niet wist waarom.
+</p>
+<div class="figure o156width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3792">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Dertiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Dertiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Thea krijgt een nieuwe betrekking.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">ien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde klasse ziek was geworden
+en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af hadden gehad.
+</p>
+<p>„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd kijkend dat men zou
+denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was gevallen.
+</p>
+<p>„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei Ita lachend.
+</p>
+<p>„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.
+</p>
+<p>„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.
+</p>
+<p>Maar Moes nam Bets’ partij.
+</p>
+<p>„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best op school, haar
+rapport is wat goed dezen keer.”
+<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p>
+<p>Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar humeur te
+geraken, keek weer vroolijk.
+</p>
+<p>„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico op.
+</p>
+<p>Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms zoo plotseling
+van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om Nico’s gezegde lachen moest.
+</p>
+<p>Bets werd verlegen.
+</p>
+<p>Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand vloog.
+</p>
+<p>Nico stompte dadelijk terug.
+</p>
+<p>„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten aan tafel?”
+</p>
+<p>Bets kreeg een kleur.
+</p>
+<p>„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.
+</p>
+<p>„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.
+</p>
+<p>„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”
+</p>
+<p>Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico nog even gestompt,
+maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel gestuurd worden, dus zat er niets
+anders op, dan zich stil te houden.
+</p>
+<p>„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.
+</p>
+<p>Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat met zijn eten
+te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.
+</p>
+<p>„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>voortaan goed je best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”
+</p>
+<p>„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je te groot wordt
+en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt en dat het dan beter <span class="ex">moet</span> zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij het gebeurde wel wat al te gauw vergeten
+zou. Ze kende dat van Jan, eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet
+over de resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude leventje
+weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.
+</p>
+<p>Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.
+</p>
+<p>„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die altijd zoo met haar
+keel sukkelt?”
+</p>
+<p>„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt is en dat ze
+misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik hoorde het van onze juffrouw.”
+</p>
+<p>Weer verzonk Thea in gepeins.
+</p>
+<p>„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.
+</p>
+<p>„Waarheen?” vroeg Vader.
+</p>
+<p>„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij haar op school
+was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw
+Jansen na de vacantie niet terug kan komen.”
+</p>
+<p>Moeder knikte haar vriendelijk toe.
+</p>
+<p>„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n korten tijd
+herstellen en al nam ze <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>je maar voor een poosje, dan was dat toch al iets.”
+</p>
+<p>Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de gedachte, dat Thea
+in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan, waar ze eens leerling geweest was.
+</p>
+<p>Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.
+</p>
+<p>„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.
+</p>
+<p>„Ja, vin’ je het soms niet goed?”
+</p>
+<p>„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor, je eigen zuster,
+juffrouw op je eigen school!”
+</p>
+<p>Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets had opgewekt.
+</p>
+<p>„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.
+</p>
+<p>„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik heelemaal niet weten,
+wat ik doen moest.”
+</p>
+<p>„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven, stel je voor
+je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”
+</p>
+<p>Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds zijn bord
+met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van den tafel getrokken te
+worden.
+</p>
+<p>Bets keek bedenkelijk.
+</p>
+<p>„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan vertelde ze misschien
+alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou je danken.”
+<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p>
+<p>Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten luisteren, nam nu het
+woord.
+</p>
+<p>„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt gelijk, dat als
+Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op school, Moeder en ik daar heel
+boos over zouden zijn, maar je zoudt niet stout durven zijn en ook niet willen, als
+Thea je onderwijzeres was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was,
+en je net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat je veel
+bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en Vader gaf Thea een knipoogje.
+</p>
+<p>Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze haar toekomstig
+prestige op school niet verloor en ze was er nog niet eens en zou er misschien nooit
+komen.
+</p>
+<p>Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar zouden zijn.
+</p>
+<p>„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je maar aan en
+dan durf je niks,” zei hij.
+</p>
+<p>„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en toen zei meneer,
+toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk
+niet zeggen en toen zei meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan,
+wat voor aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens pret
+hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over meneer en toen
+moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.”
+<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
+<p>„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten laat. Willen we
+nu maar eens opstaan?”
+</p>
+<p>„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik juffrouw Lettinga
+dan wel thuis.”
+</p>
+<p>„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te laat.”
+</p>
+<p>Thea maakte zich dus klaar en vertrok.
+</p>
+<p>Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze liefst dadelijk
+gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den heelen avond aan moeten denken
+en er misschien niet van kunnen slapen, ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw,
+wat was er nu aan, om eens met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar
+hart onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.
+</p>
+<p>„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de deur opende.
+</p>
+<p>Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze zich in gezelschap
+van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar twaalfde jaar bezocht had.
+</p>
+<p>„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik dacht, dat je in
+Brussel in betrekking was.”
+</p>
+<p>Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk vertellen,
+waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote kans, dat juffrouw Lettinga
+haar niet zou willen hebben.
+<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p>
+<p>Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:
+</p>
+<p>„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met Bets niet in
+orde?”
+</p>
+<p>„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”
+</p>
+<p>„Voor jezelve?”
+</p>
+<p>„Ja juffrouw.”
+</p>
+<p>Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde, ze wist toch,
+dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.
+</p>
+<p>„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.
+</p>
+<p>Thea raapte haar moed samen.
+</p>
+<p>„Ja ziet u, ik hoorde <span class="corr" id="xd33e2397" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”
+</p>
+<p>„Dat is zoo. En?”
+</p>
+<p>„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u misschien tijdelijk
+iemand noodig had.… of voor vast.… u mij misschien zou kunnen gebruiken.”
+</p>
+<p>Oef, het was er uit.
+</p>
+<p>Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar bril.
+</p>
+<p>„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.
+</p>
+<p>Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw was, om iets
+te zeggen, of te vragen.
+</p>
+<p>Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.
+</p>
+<p>„Hoe oud ben je?” vroeg ze.
+<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
+<p>„Bijna twintig.”
+</p>
+<p>„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”
+</p>
+<p>En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze er toch maar
+uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits, dan zou ze veel gemakkelijker
+een betrekking vinden.
+</p>
+<p>„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik studeer voor
+Fransch.”
+</p>
+<p>„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd in Brussel
+geweest?”
+</p>
+<p>Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel geweest, dat was
+waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had ze daar niet gehad. Enfin, ze
+had er in ieder geval wel wat geleerd.
+</p>
+<p>„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”
+</p>
+<p>Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?
+</p>
+<p>„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden moeielijke karakters.”
+</p>
+<p>„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”
+</p>
+<p>„Neen, gouvernante.”
+</p>
+<p>„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”
+</p>
+<p>Thea moest bekennen van niet.
+</p>
+<p>Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer waarschijnlijk
+zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs zou mogen geven, maar ze
+wilde haar, over wie ze altijd tevreden was <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze haar betrekking
+weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een tijdelijke onderwijzeres noodig hebben
+en dat wel dadelijk na de Paaschvacantie.
+</p>
+<p>Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te doen, ze had
+haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke leerling. Ze geloofde wel, dat
+ze een energiek persoontje was, maar haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar
+ze les zou moeten geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij
+waren er grooter dan zij zelf.
+</p>
+<p>„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen af, „zoo heel
+graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat ik geld verdien,” voegde
+ze er kleurend bij.
+</p>
+<p>Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van Welderen gesteld
+was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar met haar wagen, misschien viel
+het mee, ze zou haar wel wat steunen in den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze
+voorloopig geholpen en deed ze meteen een goed werk.
+</p>
+<p>„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren. Het is misschien
+maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor langer zal zijn, zoo’n keelquestie
+geneest zoo gauw niet, te meer daar juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de
+zaak daardoor veel verergerd is.”
+</p>
+<p>Thea’s hart klopte wild van vreugde.
+<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
+<p>„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”
+</p>
+<p>„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje verwaarloosd in
+den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen, die zich te onlekker voelde,
+om flink op te treden. Ik dacht er een oogenblik over, je een lagere klasse te geven
+en de onderwijzeres daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo
+iets stoort toch altijd den gang van het onderwijs.<span id="xd33e2439">”</span>
+</p>
+<p>„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.
+</p>
+<p>Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.
+</p>
+<p>„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen zijn het goede
+kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je moet oppassen. Je weet, het salaris
+is zeshonderd gulden, omdat je een taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”
+</p>
+<p>Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat het was.
+</p>
+<p>Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.
+</p>
+<p>„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als juffrouw Jansen soms
+niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor vast nemen, als ik u beviel?”
+</p>
+<p>„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen van onderwijzerspersoneel.
+Het komt er maar op aan, of je voldoen kunt.”
+<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p>
+<p>Thea stond op.
+</p>
+<p>„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand grijpend, „ik dank
+u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel gaan, het <span class="ex">moet</span> gaan.”
+</p>
+<p>Lachend schudde de juffrouw haar hand.
+</p>
+<p>„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je moet in de vacantie
+nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en ander, ik ga alleen de feestdagen
+uit de stad. Dat is dus afgesproken, groet je ouders van me en tot ziens.”
+</p>
+<p>Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze rende letterlijk
+en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.
+</p>
+<p>Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.
+</p>
+<p>„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”
+</p>
+<p>„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat ben je toch
+een gelukskind.”
+</p>
+<p>Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws mededeelde.
+</p>
+<p>„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de juffrouw dacht
+wel voor langer en misschien wel voor altijd, als juffrouw Jansen niet terug kan komen.”
+</p>
+<p>Haar vader lachte om haar enthousiasme.
+</p>
+<p>„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te vast in je hoofd,
+want dan eindigt het maar in een teleurstelling. Daarenboven is het voor het <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>meisje zelf te hopen, dat ze terug kan komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan
+denken.”
+</p>
+<p>„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les gegeven hebt bij
+juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat anders. Stel je voor, <span class="corr" id="xd33e2474" title="Bron: zes honderd">zeshonderd</span> gulden te verdienen en bij u thuis te kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”
+</p>
+<p>„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook niet vooruit
+weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent, juffrouw Lettinga zei zelf, dat
+het een lastige klasse was, je zult het dus niet heel gemakkelijk hebben.”
+</p>
+<p>„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een rooskleurigen bril
+zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te worden, niet waar Vader?”
+</p>
+<p>Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.
+</p>
+<p>„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed <span class="ex">moet</span> gaan, dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”
+</p>
+<p>Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.
+</p>
+<p>„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet waarachtig, of
+het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten regeeren.”
+</p>
+<p>Thea lachte maar.
+</p>
+<p>„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve meisjes bij
+waren.”
+</p>
+<p>„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat meisjes haast nog
+erger zijn dan jongens. <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>Je mag wel beginnen met ze dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.<span id="xd33e2494">”</span>
+</p>
+<p>„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om raad, is dat goed?”
+en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een scheef gezicht deed trekken.
+</p>
+<div class="figure o169width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3805">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Veertiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Veertiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een vacantiedag.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-o.png" alt="O" width="161" height="138"></div>
+<p class="first">p een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de ontbijttafel, waarin
+een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had, haar vroeg, dien dag bij haar in
+Rotterdam te komen, waar ze op een doorreis naar het Noorden van het land, één dag
+dacht te vertoeven, om enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk
+en was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar vriendin nooit
+had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden onmogelijk langer dan één dag
+van haar reis afnemen en zou dus geen tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei:
+<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
+<p>„Neen, dat gaat niet.”
+</p>
+<p>„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.
+</p>
+<p>„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet gaan.”
+</p>
+<p>Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?
+</p>
+<p>Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang, hunne vroolijke
+stemmen drongen door in de huiskamer.
+</p>
+<p>Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:
+</p>
+<p>„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een dagje van huis,
+niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”
+</p>
+<p>Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze antwoordde dadelijk:
+</p>
+<p>„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”
+</p>
+<p>„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief door.
+</p>
+<p>„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn, die goede vriendin
+van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”
+</p>
+<p>„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te laten, ik durf het
+niet goed.”
+</p>
+<p>Thea keek een beetje beleedigd.
+</p>
+<p>„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al een heel mensch.”
+<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
+<p>„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de kleintjes plaagt
+en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te scheiden en daarenboven zullen ze
+veel te druk zijn voor Vader.”
+</p>
+<p>Haar man greep haar hand en zei lachend:
+</p>
+<p>„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte kan en me dunkt,
+al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor ze maar eens.”
+</p>
+<p>Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later stormde Bets naar
+binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar schort vasthield.
+</p>
+<p>„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”
+</p>
+<p>Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van het harde loopen.
+</p>
+<p>„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.
+</p>
+<p>„Welk kraantje?”
+</p>
+<p>„In de gang.”
+</p>
+<p>Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.
+</p>
+<p>„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is ondergeloopen.”
+</p>
+<p>Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.
+</p>
+<p>„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”
+</p>
+<p>Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht.
+<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
+<p>„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in de gang open?”
+</p>
+<p>Bets begon te huilen.
+</p>
+<p>„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg Nico met zijn
+hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er bij kwam en het dus niet
+dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en nu bent u boos op mij.”
+</p>
+<p>Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde beschuldigd had en wendde
+zich nu tot Nico.
+</p>
+<p>„Heb jij dat kraantje geopend?”
+</p>
+<p>„Ja,” knikte Nico.
+</p>
+<p>„Waarom?” vroeg zijn vader.
+</p>
+<p>„Zoo maar.”
+</p>
+<p>„Wou je de gang eens laten onderloopen?”
+</p>
+<p>De jongen begon te lachen.
+</p>
+<p>„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te draaien en toen
+wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”
+</p>
+<p>Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij slaagde er in,
+zijn ernst te bewaren en zei:
+</p>
+<p>„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk er eens over
+na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje nog langer open had gestaan.”
+</p>
+<p>Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.
+</p>
+<p>Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan.
+<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p>
+<p>„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”
+</p>
+<p>Zich toen tot haar man wendend:
+</p>
+<p>„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”
+</p>
+<p>Deze laatste lachte eens witjes.
+</p>
+<p>„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”
+</p>
+<p>Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.
+</p>
+<p>„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita en Jan, waren
+die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.
+</p>
+<p>„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet ik niet.”
+</p>
+<p>„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu maar eens op
+zij.”
+</p>
+<p>„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”
+</p>
+<p>„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je mag wel eens
+een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat je ons allen nog heelhuids
+terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat het dak nog op het huis zal staan.”
+</p>
+<p>„En het eten?”
+</p>
+<p>„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te gaan en nu
+haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.
+</p>
+<p>Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en hoed, tot niet
+geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden kwamen en niets van de zaak wisten.
+<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p>
+<p>„Gaat u uit, Moes? <span class="corr" id="xd33e2585" title="Bron: Van morgen">Vanmorgen</span> al?” vroeg Ita.
+</p>
+<p>„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”
+</p>
+<p>„Uit de stad?” herhaalde Jan.
+</p>
+<p>Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!
+</p>
+<p>„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg geven, ik moet
+nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief zul je zorgen, dat het Vader
+aan niets ontbreekt? En kinderen, wees jullie niet te druk, beloof je het me? Mag
+die kleine zondaar weer uit den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder
+kuste haar benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.
+</p>
+<p>Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep dadelijk naar Bets,
+met wie hij als de beste maatjes het wonder begon te bespreken, van Moeder, die uit
+de stad ging.
+</p>
+<p>Ita had zich intusschen vlug aangekleed.
+</p>
+<p>„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.
+</p>
+<p>„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar weer vlug
+naar huis gaat en Thea wat helpt.”
+</p>
+<p>„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo leuk vinden.”
+</p>
+<p>Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:
+</p>
+<p>„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over vier weken
+jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als vandaag, komt misschien nooit
+meer terug.”
+</p>
+<p>Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan.
+<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p>
+<p>„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten maken van ons
+allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes merkt er dan niets van en het
+is juist mooi weer. Mina is er ook nog en u blijft dus niet alleen in huis. Zou u
+het niet aardig vinden, zoo’n portret?”
+</p>
+<p>„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”
+</p>
+<p>„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het in de vacantie
+te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen gaan, Vader, wilt u met Mina alleen
+blijven?”
+</p>
+<p>„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig idee van je.”
+</p>
+<p>„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u dan aan Iet,
+als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze zich dadelijk wil opknappen?”
+</p>
+<p>Haar vader beloofde het.
+</p>
+<p>Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het vijftal opweg
+naar den photograaf.
+</p>
+<p>Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was met een ander
+bezig.
+</p>
+<p>Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de verschillende portretten
+te bekijken, die hier en daar neergezet waren. Spoedig echter begonnen ze zich te
+vervelen en werden lastig.
+</p>
+<p>„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.
+</p>
+<p>Bets ging wat netter zitten en geeuwde.
+<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
+<p>„Ik verveel me zoo,” zei ze.
+</p>
+<p>„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks zoo’n gezicht
+zet, zal het wel lief staan.”
+</p>
+<p>Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te trekken.
+</p>
+<p>„Schei uit,” zei Jan.
+</p>
+<p>„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den spiegel gestaan?”
+</p>
+<p>„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.
+</p>
+<p>Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het haar van zijn
+broertje halend, plaagde hij:
+</p>
+<p>„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”
+</p>
+<p>Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn meestal verwarden
+bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen hij nu voelde, dat Nico de met
+moeite verkregen scheiding in de war bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf
+hij Nico een klinkende oorvijg.
+</p>
+<p>Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te huilen.
+</p>
+<p>Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was geschrokken en
+niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan een standje maakte, over de
+<span id="xd33e2631">scène</span>, die hij verwekt had.
+</p>
+<p>Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.
+</p>
+<p>„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”
+</p>
+<p>Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>dat het niets was, haar broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te
+beduiden.
+</p>
+<p>„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de jongeheer gilde
+zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u dadelijk helpen.”
+</p>
+<p>Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze binnen komen.
+Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk gevormd was!
+</p>
+<p>Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.
+</p>
+<p>„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer ziet er uit,
+of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”
+</p>
+<p>Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat hij zijn haar
+niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist, dat hij er nu veel aardiger
+uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd, keek nog knorriger.
+</p>
+<p>„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.
+</p>
+<p>„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,” veronderstelde de photograaf.
+</p>
+<p>Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter pret van houding
+veranderde en de groep in de war bracht.
+</p>
+<p>Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.
+</p>
+<p>„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.
+</p>
+<p>Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets zachtjes.
+<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
+<p>De photograaf begon zijn geduld te verliezen.
+</p>
+<p>„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”
+</p>
+<p>Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig gezicht, ze zei dus
+niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon ze niet zoo dadelijk ophouden en
+lachte door.
+</p>
+<p>Ita werd boos.
+</p>
+<p>„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de groep in de
+war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan moeder verteld worden, waarom
+er een niet op het portret staat.”
+</p>
+<p>„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil zijn, ik kan
+het echt niet helpen.”
+</p>
+<p>Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname eindelijk gedaan.
+</p>
+<p>„Heel goed,” zei, de <span class="corr" id="xd33e2664" title="Bron: photohraaf">photograaf</span>, „nu nog eens, als ’t u blieft.”
+</p>
+<p>„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”
+</p>
+<p>„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te doen.”
+</p>
+<p>Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita naar huis,
+terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was naar een vriend gegaan,
+onder protest van Thea, omdat hij zijn beste pak aan had.
+</p>
+<p>Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet weinig pret
+in het verhaal had.
+<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
+<p>„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war gemaakt werd,”
+lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of er een ongeluk gebeurd was,
+het was eenig.”
+</p>
+<p>„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.
+</p>
+<p>„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.
+</p>
+<p>„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal worden, Ita
+boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en Thea, als gevolg van dat
+alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”
+</p>
+<p>Bets sloeg hare armen om zijn hals.
+</p>
+<p>„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school vragen wel
+eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt en nooit met ons wandelen
+of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever
+een gewonen Pa hebben, maar het kan mij niks schelen, hoor.”
+</p>
+<p>Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de woorden van
+het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets, ze wilde juist haar liefde
+voor haar vader uiten.
+</p>
+<p>Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige uitdrukking,
+die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze <span class="corr" id="xd33e2684" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> aan zijn invaliditeit werd herinnerd.
+</p>
+<p>„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al de balletjes
+van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.”
+<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p>
+<p>Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader toe, en boog
+zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te zeggen, iets, dat hem zou opwekken,
+maar ze wist zoo gauw niet wat.
+</p>
+<p>„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch wat te zeggen.
+</p>
+<p>Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.
+</p>
+<p>„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de vriendinnetjes
+van Bets over mij spreken.”
+</p>
+<p>Thea zette zich bij hem neer.
+</p>
+<p>„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is geweest, die
+goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms, dat niet juist uw leven,
+zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat we juist van u leeren, hoe verdriet
+te dragen en om te zetten in iets goeds?”
+</p>
+<p>„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”
+</p>
+<p>„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren, „als ik zoo
+leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld, dan zou ik al blij zijn,”
+zei ze hartstochtelijk.
+</p>
+<p>Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en vroeg aan
+Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het was meer dan tijd.
+</p>
+<p>Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever had ze nog wat
+met Vader gepraat <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>en getracht zijn gedachten een andere richting te geven. Maar het was waar, Jan zou
+ook dadelijk thuiskomen en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit
+dus maar.
+</p>
+<p>Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.
+</p>
+<p>„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.
+</p>
+<p>Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op zijn gemak in
+zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als een wildeman opstrijken.
+</p>
+<p>„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.
+</p>
+<p>Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond op.
+</p>
+<p>„Wat ga je <span class="corr" id="xd33e2711" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> doen?” vroeg Vader.
+</p>
+<p>„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”
+</p>
+<p>„En werk je dan vandaag niets?”
+</p>
+<p>Jan keek mistroostig.
+</p>
+<p>„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”
+</p>
+<p>„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt voor de vakken,
+waar in je onvoldoende hebt.”
+</p>
+<p>„Nou ja, ’s morgens, maar <span class="corr" id="xd33e2722" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> moest ik voor dat lamme portret uit.”
+</p>
+<p>„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie heeft laten
+maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”
+</p>
+<p>Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>gemakstoel en schopte ongeduldig met zijn eene been.
+</p>
+<p>„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op me.”
+</p>
+<p>„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat portretmaken was nu juist
+niet voor zijn pleizier, vooral niet<span id="xd33e2733"></span> dat lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af geven, het
+weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink werken, niet waar Jan?”
+</p>
+<p>„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat Thea het voor
+je vraagt.”
+</p>
+<p>Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong op en liep
+de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.
+</p>
+<p>Thea keek hem lachend na.
+</p>
+<p>„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem geen enkelen
+heelen vacantiedag te hebben.”
+</p>
+<p>„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo onverschillig opneem,
+komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je soms, dat ik het prettig vind, hem
+zoo te moeten behandelen, veel liever gunde ik hem een vrije vacantie.”
+</p>
+<p>Ita knikte hem eens toe.
+</p>
+<p>„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea, <span class="corr" id="xd33e2744" title="Bron: weetje">weet je</span> wat we doen moesten, <span class="corr" id="xd33e2747" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> samen de wasch doen, dan vindt Moes die klaar, als ze thuis komt.”
+</p>
+<p>Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>lust in, maar vond het toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje
+met een dubbel drukken dag betalen.
+</p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht helpen bandjes
+uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige bezigheid vond. Ita was in een
+dolle bui, zooals ze het noemde en vol gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds
+klaar, tot niet geringe verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over
+haar uitstapje, thuis kwam.
+</p>
+<div class="figure o185width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3818">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Vijftiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Vijftiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een moeielijk begin.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">e zesde <span class="corr" id="xd33e2766" title="Bron: klassse">klasse</span> van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in spanning: er zou een nieuwe juffrouw
+komen.
+</p>
+<p>Louise Terlaag, de belhamel der klasse<span id="xd33e2771">,</span> verheugde er zich <span class="corr" id="xd33e2773" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> op. Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf haar een
+zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg, wendde ze dien invloed niet
+ten goede aan, integendeel, ze werd door de onderwijzeressen een beetje als het zwarte
+schaap van de kudde beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze
+vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls amuseerde. Toch waren
+er onder de meisjes ook, die haar wat al te brutaal vonden en die gevoelden, dat ze
+de geest in de klasse bedierf, maar dezen vormden de <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>minderheid en konden er niet veel aan veranderen.
+</p>
+<p>Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een wees en de
+menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had, toonden haar niet veel liefde
+en hartelijkheid. Ze kregen steeds klachten over haar en daar ze het vermogen misten,
+dieper te zien dan de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat
+zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.
+</p>
+<p>De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler werd, ze hield
+niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig schelen, of ze boos op haar
+waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo onverschillig mogelijk, ze beweerde er
+met genoegen iets voor over te hebben, als ze maar pret kon maken.
+</p>
+<p>Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de meisjes, maakte haar
+overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar geweten begon te spreken, onderdrukte
+ze dat gevoel zoo spoedig mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde
+en verdriet deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk, maar
+niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet met haar behoefde
+te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel aan haar, dus.… en Louise haalde
+hare schouders eens op en schudde het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen,
+maar haar mond behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom
+gegroefd hadden.
+<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
+<p>Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan les zou moeten
+geven.
+</p>
+<p>„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet je wel, wie
+we krijgen?”
+</p>
+<p>„Neen, jij?”
+</p>
+<p>„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel, uit de vierde.”
+</p>
+<p>„Och neen!” en Louise schaterde het uit.
+</p>
+<p>„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”
+</p>
+<p>„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel grooter is dan jij,
+peuter.”
+</p>
+<p>Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.
+</p>
+<p>„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”
+</p>
+<p>Toen lachte ze en zei:
+</p>
+<p>„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een gezichtje.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna Verloef, „ik heb
+zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze heeft zulke echt vriendelijke oogen
+en wat komt het er nu op aan, of ze groot of klein is.”
+</p>
+<p>Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het hoofd.
+</p>
+<p>„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze klasse geweest
+en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”
+</p>
+<p>Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit.
+<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p>
+<p>„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret hebben, jongens,
+maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons heeft. Het is natuurlijk, zij de
+baas, of wij en ik behoef jullie niet te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”
+</p>
+<p>Anna Verloef trok haar aan haar mouw.
+</p>
+<p>„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”
+</p>
+<p>Louise keek haar weer spottend aan.
+</p>
+<p>„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft er buiten
+hoor, pas op, als je ons verraadt.”
+</p>
+<p>„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen lijkt me zoo’n
+zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk lastig te maken.”
+</p>
+<p>„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”
+</p>
+<p>Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw Lettinga en Thea.
+</p>
+<p>„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”
+</p>
+<p>De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea kijkend, die het een
+vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die op haar gezicht waren.
+</p>
+<p>Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.
+</p>
+<p>„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is er zelfs geen
+kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal jullie natuurlijk erg spijten
+en ik hoop met jullie, dat haar ziekte haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug
+te komen. Ondertusschen <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en verwacht, dat je
+allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam mogelijk te maken. Dat beloven jullie
+me allen, jij ook, nietwaar Louise?”
+</p>
+<p>Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon, waarvoor ze
+respect had.
+</p>
+<p>„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal ik de klasse
+maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles, zooals u weet.”
+</p>
+<p>Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van stemmen brak
+los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen elkaar, terwijl ze naar Thea
+keken. Deze voelde zich heel verlegen, maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest
+zien te verkrijgen.
+</p>
+<p>Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:
+</p>
+<p>„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”
+</p>
+<p>De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.
+</p>
+<p>„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een oogenblik, tot
+er werkelijk stilte was.
+</p>
+<p>Daar stak Louise haar vinger op.
+</p>
+<p>„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”
+</p>
+<p>„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon, „ik wilde vragen,
+of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een stoof.”
+</p>
+<p>Thea keek vreemd op.
+</p>
+<p>„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”
+</p>
+<p>„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op zoudt willen gaan
+staan, ik kan u niet goed zien.”
+<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
+<p>Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze heel rood werd.
+</p>
+<p>Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.
+</p>
+<p>Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te beheerschen.
+</p>
+<p>„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer vooraan komen
+zitten.”
+</p>
+<p>Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.
+</p>
+<p>Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:
+</p>
+<p>„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”
+</p>
+<p>„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart, maar voor het
+uiterlijk bedaard en kalm.
+</p>
+<p>Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik, Louise haar vinger
+weer op.
+</p>
+<p>„Wat is er nu weer, kind?”
+</p>
+<p>Louise zette een heel dom gezicht.
+</p>
+<p>„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”
+</p>
+<p>Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek gehouden te
+worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke flauwe vragen te antwoorden
+en wilde dus met de les voortgaan.
+</p>
+<p>Maar dat was niet de bedoeling van Louise.
+</p>
+<p>„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.
+</p>
+<p>„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”
+</p>
+<p>„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?”
+<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p>
+<p>Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.
+</p>
+<p>„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de beginselen.”
+</p>
+<p>Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.
+</p>
+<p>„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze. Toen Meta, die
+naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:
+</p>
+<p>„Nou jij.”
+</p>
+<p>Meta stak nu haar vinger op.
+</p>
+<p>„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”
+</p>
+<p>Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde. Als het niet
+de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige vraagster gezegd hebben, dat ze
+haar na twaalven dat wel zou uitleggen, maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters
+hebben, te meer, daar juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest
+trachten de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was de
+directrice niet.
+</p>
+<p>Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.
+</p>
+<p>Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en terwijl ze daar
+mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en toen ze omkeek, stond Meta
+buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan zitten, maar Thea zei:
+</p>
+<p>„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te hebben.”
+<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.
+</p>
+<p>„Waar is Louise?” vroeg ze.
+</p>
+<p>Meta lachte.
+</p>
+<p>„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.
+</p>
+<p>Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou kunnen vertrouwen.
+</p>
+<p>Haar oog viel op Anna Verloef.
+</p>
+<p>„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.
+</p>
+<p>Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had nergens meer hekel
+aan, dan aan jokken.
+</p>
+<p>Toch fluisterde ze:
+</p>
+<p>„Neen juffrouw.”
+</p>
+<p>Thea keek haar aan en zag haar kleuren.
+</p>
+<p>„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”
+</p>
+<p>„Anna Verloef.”
+</p>
+<p>„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.
+</p>
+<p>Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan voor leugenachtig
+aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet voor klikspaan spelen en zeggen,
+dat Louise zich onder de bank had laten glijden.
+</p>
+<p>Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.
+</p>
+<p>Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag, Louise, die
+met een doodonschuldig <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>gezicht in haar bank zat. De meisjes lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden
+over haar lessenaars, andere van Thea naar Louise kijkend.
+</p>
+<p>Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten inspannen, om niet
+driftig te worden.
+</p>
+<p>„Waar ben je geweest, Louise?”
+</p>
+<p>Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen en begon hevig
+te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om Louise te zien.
+</p>
+<p>„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang uithoesten, je maakt
+een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet verstaan kan. Nu Louise, waar was je
+zooeven?”
+</p>
+<p>„Ik, juffrouw, wel hier.”
+</p>
+<p>„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in je bank.”
+</p>
+<p>Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare medeleerlingen
+verwekte.
+</p>
+<p>„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de deur hooren
+openen en dicht gaan.”
+</p>
+<p>Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten was.
+</p>
+<p>„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet. Waarom vondt
+u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”
+</p>
+<p>Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.
+</p>
+<p>Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten ochtend de hulp
+der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen en toch, hoe moest <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen, Louise was niet brutaal, deed zich
+alleen maar heel dom voor.
+</p>
+<p>Na eenige oogenblikken zei ze:
+</p>
+<p>„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise gewoon is voor clown
+te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het voornaamste deel van haar schooltijd
+mee doorgebracht, daarom zit ze nu nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”
+</p>
+<p>Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise lachten, vonden ze
+het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.
+</p>
+<p>Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend aankeken,
+werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht een oogenblik, dat ze
+misschien heel onverstandig gehandeld had, met zich dat meisje tot vijandin te maken.
+Maar ze kon toch niet met haar mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die
+het er blijkbaar op toegelegd had, haar bespottelijk te maken.
+</p>
+<p>Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden voelden, dat de
+strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de overwinning zijn?
+</p>
+<p>Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog uithouden en nu was
+ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan wel naar den geest.
+</p>
+<p>Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar een deel harer
+klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig ging haar <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over, waaronder Anna Verloef.
+</p>
+<p>Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken waren.
+</p>
+<p>„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”
+</p>
+<p>Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:
+</p>
+<p>„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, <span class="corr" id="xd33e2922" title="Bron: van morgen">vanmorgen</span> sprak je toch geen waarheid.”
+</p>
+<p>Anna kleurde weer.
+</p>
+<p>„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat niet weer, ik
+weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het vreeselijk om te jokken, maar klikken
+wil ik toch ook niet.”
+</p>
+<p>Thea bedacht zich een oogenblik.
+</p>
+<p>„Toch vind ik niet, dat je <span class="ex">neen</span> mag zeggen, als het antwoord ja zou moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever
+niet zegt.”
+</p>
+<p>Anna keek haar verrast aan.
+</p>
+<p>„En vindt u dat dan goed?”
+</p>
+<p>„Beter, dan dat je jokt.”
+</p>
+<p>„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat geantwoord had, maar
+als u het goed vindt, ben ik heel blij.”
+</p>
+<p>Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze nu goed gehandeld,
+met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou het vanmiddag eens aan Vader
+vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.
+</p>
+<p>De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat met een uitdagend
+gezicht in haar bank, <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>maar hield zich gelukkig kalm en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen
+hadden, waren ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren
+en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze thuis kwam,
+te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de belangstellende vragen van Vader en
+Moeder antwoorden, terwijl Ita er ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat
+opgewekt en zei enkel, dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een
+groote inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel, alleen
+toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind was, antwoordde ze een
+beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de meisjes dol.”
+</p>
+<p>Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben? Maar als zij er
+niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze moest het moeilijke begin
+zelf doorvechten, dat was het beste.
+</p>
+<p>Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep, dacht ze, hoe
+graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop zag, weer te moeten beginnen.
+Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als
+ze uitgerust wakker werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding
+en met die gedachte sliep ze in.
+</p>
+<div class="figure o198width"><img src="images/o014.png" alt="" width="198" height="30"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3831">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o015.png" alt="Zestiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Zestiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een overwinning.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">en volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich zoo vast voorgenomen,
+het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat het, naar ze dacht, niet anders kon,
+of ze moest daarin slagen.
+</p>
+<p>Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al verscheidene meisjes
+bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag had ze <span class="corr" id="xd33e2958" title="Bron: rechtsomkeer">rechtsomkeert</span> gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op viel, was een caricatuurteekening
+op het bord, een heel klein persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.
+</p>
+<p>Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over het bord, want
+het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.
+</p>
+<p>Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>geen notitie van het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.
+</p>
+<p>Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de meeste deden, alsof
+ze niets hoorden.
+</p>
+<p>„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.
+</p>
+<p>Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.
+</p>
+<p>„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet kwalijk,” en
+recht als een kaars met hare handen voor zich op den lessenaar, zooals de kindertjes
+in de bewaarschool wel zitten, trok Louise een heel zoetsappig gezicht.
+</p>
+<p>Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea had zich voorgenomen,
+zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise te letten, dan zou ze er het eerst
+uitscheiden, wanneer ze er geen eer van had, zou het haar wel vervelen.
+</p>
+<p>„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je les.”
+</p>
+<p>„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo netjes.”
+</p>
+<p>Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.
+</p>
+<p>„Kom Anna, begin,” zei ze.
+</p>
+<p>Louise trok een meewarig gezicht.
+</p>
+<p>„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.
+</p>
+<p>„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.
+</p>
+<p>Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen zei ze op een
+toon van de uiterste verbazing:
+</p>
+<p>„Ze durft.”
+<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
+<p>Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er niet aan denkend,
+dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school les gaf en dat de directrice
+het misschien niet goed zou vinden, als ze nu al een meisje naar haar toe stuurde,
+zei ze driftig:
+</p>
+<p>„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en zeg, dat ik
+je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”
+</p>
+<p>Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was iets, dat op
+deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond, dat de onderwijzeressen
+het zelf klaar speelden met hare leerlingen. Als het een enkelen keer gebeurde, kwam
+de schuldige er niet gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef
+dus kalm in haar bank zitten.
+</p>
+<p>Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er gebeuren zou.
+</p>
+<p>„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Jawel, maar ik ga niet.”
+</p>
+<p>Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze drukte hare
+nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar drift meester te blijven.
+</p>
+<p>„Je gaat direct,” zei ze streng.
+</p>
+<p>„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen,
+keek brutaal rond.
+</p>
+<p>Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar toch niet bij
+een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en dat wilde ze trouwens ook
+niet.
+<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p>
+<p>Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:
+</p>
+<p>„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de directrice er
+kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”
+</p>
+<p>De morgen verliep verder <span class="corr" id="xd33e3000" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> rustig. Louise, die best begreep, dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig
+rond te kijken, maar voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze
+zich, daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet was.
+De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze vonden dat Louise
+al te brutaal was geweest en voelden medelijden met Thea, die nu heel bleek zag. Een
+paar konden niet nalaten te fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse
+<span class="corr" id="xd33e3003" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam kijken, hoe het
+ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.
+</p>
+<p>Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam en vertelde,
+wat er dien morgen was voorgevallen.
+</p>
+<p>„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist wel, dat ze
+een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou ze dat toch niet gedurfd
+hebben.”
+</p>
+<p>Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het haar, hare tranen
+in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te antwoorden. De directrice keek een beetje
+medelijdend naar het kleine meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar
+stond.
+<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
+<p>„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen. Je hebt een
+fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo kort, nadat je in die klasse
+gekomen waart. Je moet trachten, zelf de orde te bewaren, dat steunen op mij, dient
+tot niets. Natuurlijk zal ik Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal
+haar dat kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen worden,
+moet je zelf veroveren.”
+</p>
+<p>Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein. Ze wist maar
+al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden invloed op de meisjes uitoefenen,
+dan moest ze dien door eigen kracht veroveren.
+</p>
+<p>Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der lessen! De meisjes
+wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en ze begrepen, dat ze daar wel meer
+van zouden hooren.
+</p>
+<p>Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de juffrouw en de
+klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:
+</p>
+<p>„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je je dezen morgen
+gedragen hebt. Ik wil nu niet in <span class="corr" id="xd33e3018" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span> treden, ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis stuur
+en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven, zoodat ze weten,
+dat je de twee volgende dagen niet op school moogt komen en dus hunne maatregelen
+kunnen nemen.”
+<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p>
+<p>Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu sloot mijnheer
+Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze kende dat. En dat hield ze
+niet uit, alles liever, dan haar vrijheid missen. Weet je wat, ze ging voorloopig
+niet naar huis.
+</p>
+<p>Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.
+</p>
+<p>„Maak je klaar,” zei ze, „de <span id="xd33e3026">conciërge</span> wacht er op, om je naar huis te brengen.”
+</p>
+<p>Met een ruk richtte Louise zich op.
+</p>
+<p>„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.
+</p>
+<p>„De <span id="xd33e3034">conciërge</span> brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee en maak geen onnoodige drukte,
+want dat verergert de zaak maar.”
+</p>
+<p>Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze gehoorzamen,
+dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar nog het meest kon schelen,
+dat die boos op haar was.
+</p>
+<p>Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.
+</p>
+<p>Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog niet was, zooals
+het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel inspanning zoo ver, dat er niet al
+te veel rumoer in de klasse heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst
+op bevel van de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had
+ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen, waardoor ze zoo
+in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was uitgeslapen in allerlei kleine
+plagerijen, <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>waardoor de geest in de klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.
+</p>
+<p>De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die Thea ooit beleefd
+had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen, de klasse had steeds iets rumoerigs,
+er was geen rust te verkrijgen, straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid
+wist, wie de eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer inhalen,
+bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en dan eens kijken, dan
+was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare voetstappen op de gang hoorden, zwegen
+ze als muizen.
+</p>
+<p>De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat het in de school
+bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze had het, tot haar groote vernedering,
+van Bets gehoord.
+</p>
+<p>En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar betrekking
+moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen krijgen, als ze maar geschikt
+had gebleken te zijn.
+</p>
+<p>Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen spreken, ze moest
+zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste hoop gevestigd had, maar waarvan
+ze niet zeker wist, of ze er goed mee handelde.
+</p>
+<p>„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar aangehoord had en hij
+kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen invloed ten goede heeft, dan moet
+je die betrekking maar opgeven, ze is waarschijnlijk te zwaar voor je.”
+<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
+<p>„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan natuurlijk niets
+goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe plaats. O, waarom zijn die meisjes
+toch zoo wreed, ik wil zoo graag goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar
+een beetje wilden meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”
+</p>
+<p>Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was binnengekomen, boog zich
+over haar heen.
+</p>
+<p>„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van worden.”
+</p>
+<p>Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:
+</p>
+<p>„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe moeielijker
+de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”
+</p>
+<p>Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend hart, dan
+anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed onmogelijk maken, of zou ze
+overwinnen en zich een vaste plaats veroveren?
+</p>
+<p>Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord, er werd met
+proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig niet naar toe keek en er
+heerschte een geroesemoes van belang.
+</p>
+<p>Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze slikte eens en nog
+eens, trachtte het trillen van hare lippen te bedwingen, tikte met een lineaal op
+haar tafeltje en zei:
+</p>
+<p>„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.”
+<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p>
+<p>De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de aandacht op zich
+vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil en keek vol verwachting naar
+de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.
+</p>
+<p>Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en toen ving ze
+aan met spreken.
+</p>
+<p>„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een onderwijzeres
+tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de reden is, waarom zooveel
+meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk
+maken. Ik kan niet gelooven, dat je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent,
+als je er je den schijn van geeft.”
+</p>
+<p>Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare wangen gloeiden
+en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en luisterden gretig.
+</p>
+<p>„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter plezier is, dat
+ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar, je begrijpt heel goed, dat
+zelfs in een lievere klasse dan deze, de onderwijzeres toch altijd nog een zware taak
+heeft. Het spreekt <span class="corr" id="xd33e3069" title="Bron: van zelf">vanzelf</span>, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig vinden te mogen meewerken
+tot de ontwikkeling van het opgroeiend geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed
+ten goede te hebben op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
+Wij komen de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te gemoet,
+waarom ons dan tegengewerkt<span class="corr" id="xd33e3072" title="Bron: .">?</span> Je begrijpt toch wel, dat het in de eerste plaats in je <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt, waarom dan de rust verstoord en gemaakt,
+dat er niets uitgevoerd kan worden?
+</p>
+<p><span id="xd33e3078">„</span>Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij kunnen heel goed
+samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest in de klasse vind ik iets heerlijks.
+Ik hoop, dat jullie me tot zoover begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een
+anderen kant bezien.”
+</p>
+<p>Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.
+</p>
+<p>Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine juffrouw goed, je
+moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.
+</p>
+<p>„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten, dat de meeste
+menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men onderwijzeres wordt, is dat dus
+ook bijna altijd, om geld te verdienen en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al
+heeft men nog zooveel liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer
+jullie het me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk niet
+zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat, niettegenstaande groote
+werklust, en veel goeden wil, mijn brood te verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht?
+Als jullie je verbeeldt, dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden
+te plagen, heb jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent?
+<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
+<p><span id="xd33e3086">„</span>Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker van. Je wilde
+alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een treurig soort genoegen en ik moest
+daar het slachtoffer van zijn. Maar nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek
+je dringend, mij niet meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn
+betrekking zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over
+mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter zullen begrijpen
+en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat ons nu aan ons werk gaan.”
+</p>
+<p>Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong gezichtje
+zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd was, dat er iets was, dat
+die jeugdige hoofden bezighield.
+</p>
+<p>Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag vrijaf hadden
+en er dus niemand over behoefde te blijven.
+</p>
+<p>Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde van dien ochtend
+druk besproken. Bijna allen waren het er over eens, dat juffrouw van Welderen gelijk
+had en namen zich voor, voortaan beter bij haar op te passen.
+</p>
+<p>„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat ze doet, met
+haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het haar niet veel helpen.”
+</p>
+<p>Nu werden een paar meisjes bepaald boos.
+</p>
+<p>„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>uitscheiden. Het is grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik
+schaamde me <span class="corr" id="xd33e3098" title="Bron: van ochtend">vanochtend</span> geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van Welderen, dat ze zoo ronduit voor
+de zaak uitkwam.”
+</p>
+<p>„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch is, we hebben
+ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen, het begon me zelf al te
+vervelen.”
+</p>
+<p>„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier letterlijk niets.
+En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk aan, maar net als ze zei, wij hebben
+er nooit over nagedacht.”
+</p>
+<p>„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise, die voelde,
+dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht, liep met opgericht hoofd
+en spottend gezicht weg.
+</p>
+<p>„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu zoo over denkt
+en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen, zal ze wel aan het kortste
+eindje trekken, één meisje zal de juffrouw best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat
+zeggen, morgen ga ik naar juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam
+beterschap. Vin’ jullie dat goed?”
+</p>
+<p>Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat, gaat het ook met
+de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze werkelijk schuldig waren geweest en
+wilden het nu goed maken.
+</p>
+<p>Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan goed zouden
+oppassen en hun <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>best doen en van dien dag af had Thea weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte
+Louise de orde van tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de
+andere meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de klasse
+voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om een troep sufferds,
+zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.
+</p>
+<p>Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea voor vast aan
+te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde naar huis ging, om haar ouders
+de goede tijding te brengen van haar benoeming.
+</p>
+<div class="figure o211width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3844">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Zeventiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Zeventiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Thea en Louise.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-v.png" alt="V" width="162" height="143"></div>
+<p class="first">an toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes hadden diep gevoeld,
+hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze geweest waren. Toen de eerste indruk
+van Thea’s woorden voorbij was, werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken
+bij vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en ziel onderwijzeres
+geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo bitter teleurgesteld was, voelde
+zich nu werkelijk gelukkig in haar werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak
+haar voortdurend groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten
+maar goed waren.
+</p>
+<p>En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde niet alleen
+belang in hun leeren, <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>maar ook in de vorming voor hun karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel
+bezig. Het eenige, werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise,
+die het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt had en
+dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe zich voordeed.
+</p>
+<p>Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, maar tot nog
+toe was haar dat niet best gelukt.
+</p>
+<p>Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat ze inzag, hoe
+goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze voelde, hoe rechtvaardig en
+welwillend deze steeds was. Maar ze wilde dat niet bekennen. Het kostte haar soms
+moeite, Thea door kleinigheden te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel
+van zeggen zouden, als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen,
+zooals haar hart haar ingaf.
+</p>
+<p>Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling terug. Daarenboven
+kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om hare onaardigheden gaf, als het niet
+te erg was, nam deze er totaal geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere
+meisjes niet laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te meer,
+daar geen der meisjes haar partij meer opnam.
+</p>
+<p>In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in haar één van
+die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, die geen liefde <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>weten op te wekken en daardoor weinig liefde ondervinden.
+</p>
+<p>En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!
+</p>
+<p>Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid tot zich te
+trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat zoo’n groote plaats in Louise’s
+hart innam.
+</p>
+<p>Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor haar persoon,
+moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen haar was, dacht ze dadelijk,
+dat het een manier was, om te trachten haar te temmen en geen last meer van haar te
+hebben.
+</p>
+<p>Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander veel nader
+kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.
+</p>
+<p>„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”
+</p>
+<p>„Wat scheelt haar?”
+</p>
+<p>„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”
+</p>
+<p>Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea haar eens te
+gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij vreemden in huis was en dat ze
+wel eens gehoord had, dat ze het daar niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze
+nog wat voor haar doen, arm kind, zij, die zoo <span class="corr" id="xd33e3144" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> aan Vader, Moeder, <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>broertjes en zusjes gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders
+bijna niet gekend had.
+</p>
+<p>Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee stapte ze naar de
+straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst ging ze nog even naar een bloemenwinkel,
+om eenige mooie rozen te koopen.
+</p>
+<p>Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het Louise aangenaam
+zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer dan ooit haar best doen, dat
+hartje te ontdooien, misschien was dit een gelegenheid en zou ze slagen. In ieder
+geval wilde ze het probeeren.
+</p>
+<p>Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd ze in een soort
+spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan had, zou eens gaan hooren,
+of Louise bezoek mocht ontvangen.
+</p>
+<p>Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig kamertje, niets
+dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een plank, waarop ze Louise’s schoolboeken
+zag staan. Op tafel een inktkoker, verder niets.
+</p>
+<p>Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, of ze even
+wachten wilde.
+</p>
+<p>Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame binnen, die zich
+voorstelde als mevrouw Asser.
+</p>
+<p>Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s onderwijzeres op school
+en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het met haar ging.
+</p>
+<p>„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>kou gevat en heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar eigen
+schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den tocht te gaan zitten,
+zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden hebben, welk een moeilijk meisje
+het in den omgang is.”
+</p>
+<p>Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, maar toch niet
+geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk ook al weer een elkaar niet
+begrijpen de schuld was van de weinige hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze
+vrouw en haar pupil bestond.
+</p>
+<p>„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor zichzelve,
+ik heb een gevoel van medelijden met haar.”
+</p>
+<p>Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.
+</p>
+<p>„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons heel goed, maar
+ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u begrijpt, dat mijn man en ik, die
+voor haar opvoeding moeten zorgen, dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”
+</p>
+<p>Thea kreeg een kleur, mevrouw <span class="corr" id="xd33e3167" title="Bron: Aseer">Asser</span> begreep haar niet, ze had niets willen zeggen, dat deze kwetsen kon.
+</p>
+<p>„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere wending te geven.
+</p>
+<p>„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze heeft steeds
+koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik geloof, dat ze liefst alleen
+is.”
+</p>
+<p>„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen brengen.”
+<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p>
+<p>„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”
+</p>
+<p>Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het kamertje van Louise.
+</p>
+<p>Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote ongezelligheid.
+</p>
+<p>Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het niet om, voor
+deze haar goeden dag zei.
+</p>
+<p>Toen keek ze verrast op.
+</p>
+<p>„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog donkerder.
+</p>
+<p>„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik mis je al een
+dag of vijf op school.”
+</p>
+<p>Louise glimlachte een beetje ondeugend.
+</p>
+<p>„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”
+</p>
+<p>Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, die ze voor
+haar meegebracht had.
+</p>
+<p>Louise’s gezichtje <span class="sic">look</span> op.
+</p>
+<p>„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”
+</p>
+<p>„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”
+</p>
+<p>„En U hebt die voor mij meegebracht?”
+</p>
+<p>„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”
+</p>
+<p>Louise scheen deze vraag niet te hooren.
+</p>
+<p>„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je voor, zij
+brengt rozen voor mij mee.”
+</p>
+<p>Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>toen Thea, die bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich
+weer tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde er van
+en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.
+</p>
+<div class="figure p216width"><img src="images/p216.jpg" alt=".... bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,..." width="518" height="720"><p class="figureHead">.… bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,…</p>
+<p class="first">(Bladz. 219)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”
+</p>
+<p>Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met haar glas met
+rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu bedaard zijn en op te houden met
+schreien, daar ze anders niet bij haar durfde blijven, bang haar te veel op te winden.
+</p>
+<p>Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de hare en drukte
+die stevig.
+</p>
+<p>Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, ofschoon ze
+zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:
+</p>
+<p>„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo goed zien? Wil
+ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben je daar te moe voor?”
+</p>
+<p>Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te willen praten. Ze
+verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en mevrouw.
+</p>
+<p>„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.
+</p>
+<p>„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en mijnheer ook niet.
+Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen begonnen al weer te vloeien.
+</p>
+<p>Thea greep haar hand.
+<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p>
+<p>„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.… maar laten wij daar
+nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij eens komen opzoeken, dan
+bespreken wij dat alles eens samen en dan ontdekken we misschien wel, dat hier een
+misverstand aan het werk is. Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”
+</p>
+<p>„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb niemand gezien, dan
+mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een lieve man.”
+</p>
+<p>„Ja? Wie is je dokter?”
+</p>
+<p>„Dokter Heger.”
+</p>
+<p>„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, ja, zelfs
+als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen ik zoowat veertien jaar
+was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge dokter?”
+</p>
+<p>„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”
+</p>
+<p>„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel heet?”
+</p>
+<p>„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u hem gekend hebt.
+Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”
+</p>
+<p>Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij dezelfde was,
+waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk zijn, want hij was een jaar
+of zes ouder dan zij.
+</p>
+<p>Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>ging ze weg, maar niet voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong
+er op aan, haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde het,
+dat Thea tweemaal in de week even naar haar <span id="xd33e3232">patiëntje</span> ging, om haar wat afleiding te geven.
+</p>
+<p>De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden lang kwam de
+koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, maar eindelijk bleef die
+toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar weer op krachten te brengen.
+</p>
+<p>Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch werkelijk haar vroegere
+speelkameraad bleek te zijn.
+</p>
+<p>„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds herstellende was en
+de dokter hen juist verlaten had met de belofte, dat ze nu spoedig geheel beter zou
+zijn.
+</p>
+<p>Thea kleurde een beetje.
+</p>
+<p>„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor je.”
+</p>
+<p>Louise keek haar lachend aan.
+</p>
+<p>„Hij is ook <span class="corr" id="xd33e3243" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo grappig is? Dat hij altijd op de
+middagen komt, dat u me bezoekt.”
+</p>
+<p>Thea had het <span class="corr" id="xd33e3249" title="Bron: op eens">opeens</span> druk met het verschikken van een paar bloemen, die ze voor Louise had meegebracht.
+</p>
+<p>Louise’s woorden omtrent den dokter <span class="corr" id="xd33e3254" title="Bron: niëerend">negeerend</span>, zei ze:
+<span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span></p>
+<p>„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op school is voorgevallen.
+Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis van de Egyptenaren van het balsemen
+der lijken en dat er vele mummies teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden.
+Ik zei toen ook, dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies
+had en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.
+</p>
+<p><span id="xd33e3260">„</span>Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en toen ik zei van
+ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de familie was, dat die lijken
+daar zoo tentoongesteld werden.”
+</p>
+<p>Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het gesprek een andere
+wending gegeven.
+</p>
+<p>„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag woonde, hè, juffrouw,
+wat heb je toch domme kinderen!”
+</p>
+<p>„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n onzin niet
+gezegd hebben.”
+</p>
+<p>„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.
+</p>
+<p>Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste leerlingetjes, vooral
+van Constance, om haar te beduiden, dat er wel meer meisjes waren, die het niet in
+alle opzichten naar hun zin hadden.
+</p>
+<p>„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”
+</p>
+<p>„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het goed en vindt
+het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend is. Ze vindt het vooral <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst was haar dat wel vreemd, maar nu vindt
+ze het heel gezellig. Ze voelde zich thuis zoo eenzaam.”
+</p>
+<p>„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik kan er tegenop
+zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen wel lief voor me, maar als ik
+beter ben, zal dat natuurlijk weer uit zijn.”
+</p>
+<p>„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, mevrouw Asser heeft
+je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet gedacht had, dat ze zoo hartelijk
+kon zijn.”
+</p>
+<p>„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er zoo weinig gelegenheid
+om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, als ik beter ben, weer brutaal en
+koppig word en dat ze dan weer allemaal het land aan me krijgen.”
+</p>
+<p>Thea moest even lachen.
+</p>
+<p>„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig <span class="ex">moet</span> zijn. Malligheid, hoor, ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en
+ik hoop ook, dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien,
+hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”
+</p>
+<p>Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te denken. Daarbij
+keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van <span class="ex">haar</span> juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe ze haar ooit
+had kunnen plagen.
+</p>
+<p>„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me zijn. Nu ik weer
+sterker word, <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>voel ik den lust tot weerspannigheid alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best
+doen, ik zal altijd u hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”
+</p>
+<p>Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij zelf moest
+weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het eten en het werd al laat.
+Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar toen.
+</p>
+<p>Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel lang zou zijn,
+dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte helderde haar gezicht op, als bij
+iets heerlijks en toch hield ze bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar
+helpen.
+</p>
+<p>Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, Moeder en Ita kenden,
+maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn zou.
+</p>
+<p>En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij had een goed
+bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te mogen voeren. Wat een gelukskind
+was ze toch, maar ze zou haar beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd,
+zou ze toch de handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad wonen.
+</p>
+<p>Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek was geworden
+en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet meer ontmoet en dan.…<span id="xd33e3298"></span>
+</p>
+<p>„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>Ita vragen, die haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”
+</p>
+<p>Thea stak haar arm door dien van haar zuster.
+</p>
+<p>„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk een antwoord
+kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er bescheid op.”
+</p>
+<div class="figure o225width"><img src="images/o040.png" alt="" width="307" height="130"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3857">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o041.png" alt="Achttiende Hoofdstuk." width="560" height="151"></div>
+<h2 class="label">Achttiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het engagement.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-k.png" alt="K" width="159" height="137"></div>
+<p class="first">arel wist er bescheid op.
+</p>
+<p>Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd, verklaarde hij zich
+ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.
+</p>
+<p>„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je hoort het.”
+</p>
+<p>Thea lachte en bloosde.
+</p>
+<p>Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar gezichtje wat
+oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg hij:
+</p>
+<p>„Waarmee legt mijn meisje het af?”
+</p>
+<p>Thea bloosde nog sterker.
+</p>
+<p>„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig zijn.”
+</p>
+<p>Maar hier was Karel niet mee tevreden.
+<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p>
+<p>„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”
+</p>
+<p>Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:
+</p>
+<p>„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze en niet verliefde
+zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid bedwingen.”
+</p>
+<p>Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover de questie
+ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in het oor fluisterde, wat
+Ita vond, dat hij niet weten mocht.
+</p>
+<p>Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de dokter,” zooals
+Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan hen voorgesteld werd, als hun
+aanstaande broer.
+</p>
+<p>Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.
+</p>
+<p>„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan meneer de dokter
+ons beter maken.”
+</p>
+<p>„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte Ita, „je hoort
+het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter in de familie te hebben.”
+</p>
+<p>Karel trok Nico zacht aan zijn oor.
+</p>
+<p>„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te krijgen?” vroeg
+hij.
+</p>
+<p>„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze haar arm om
+haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem aanleunde.
+</p>
+<p>Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden.
+<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p>
+<p>„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist leuk, omdat hij
+ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet lekker is en als hij het toch deed,
+zou ik tegen hem zeggen, dat ik het niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter
+nooit durven.”
+</p>
+<p>Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.
+</p>
+<p>„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het jongste jongentje
+hier het hoogste woord?”
+</p>
+<p>Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen acht sloeg
+op zijn vaders woorden en er uitflapte:
+</p>
+<p>„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en dan ben ik lekker
+niet meer de jongste.”
+</p>
+<p>Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas met bloemen
+op den schoorsteenmantel.
+</p>
+<p>Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde laten zien,
+dat ze lachen moest.
+</p>
+<p>Maar mijnheer van Welderen lachte niet.
+</p>
+<p>„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist binnenkwam, „dat
+Nico <span class="corr" id="xd33e3354" title="Bron: van middag">vanmiddag</span> in de keuken at?”
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.
+</p>
+<p>„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout geweest?”
+</p>
+<p>Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>op haar toegevlogen en riep, zich aan haar vastklemmend:
+</p>
+<p>„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken eten.”
+</p>
+<p>Zijn moeder weerde hem zacht af.
+</p>
+<p>„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”
+</p>
+<p>„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken, als dat zoo
+voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van tafel gaan.”
+</p>
+<p>Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:
+</p>
+<p>„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te zeggen, mag hij
+dan binnen blijven?”
+</p>
+<p>Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt ging het gezin
+aan tafel.
+</p>
+<p>Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over den indruk, die
+het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar nieuwen broer, zooals ze hem in
+gedachte noemde, maar aan te staren, zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.
+</p>
+<p>„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons klaar.”
+</p>
+<p>Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen, maar er kwam
+geen geluid uit.
+</p>
+<p>„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.
+</p>
+<p>„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.
+</p>
+<p>Jan lachte hardop.
+</p>
+<p>„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis, of ze het
+op school mag vertellen.”
+<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p>
+<p>Bets keek boos.
+</p>
+<p>„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk vind ik het
+leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet, dat er één in de klasse
+is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde ze er vol enthousiasme bij. „Laatst
+had er één een broertje gekregen, maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”
+</p>
+<p>Nu lachte het heele gezin.
+</p>
+<p>„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.
+</p>
+<p>„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel gemakkelijker in eens
+een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze niet te wiegen en zoet te houden
+en misschien brengt zoo’n groote broer wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”
+</p>
+<p>Bets’ oogen glinsterden.
+</p>
+<p>„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.
+</p>
+<p>„Echt,” beloofde deze.
+</p>
+<p>„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.
+</p>
+<p>„St,” zei Vader.
+</p>
+<p>„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets.…”
+</p>
+<p>„Nico!” en Vader keek streng.
+</p>
+<p>„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.
+</p>
+<p>„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere, groote plak.”
+</p>
+<p>Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van plezier.
+<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
+<p>„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met de kinderen
+te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van krijgen.”
+</p>
+<p>„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.
+</p>
+<p>Nu nam Jan het woord.
+</p>
+<p>„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was.…”
+</p>
+<p>Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.
+</p>
+<p>„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.
+</p>
+<p>Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.
+</p>
+<p>„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij niet goed
+was?”
+</p>
+<p>„Och niks.”
+</p>
+<p>„Jawel, toe zeg ’t nou.”
+</p>
+<p>„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn glas uit en begon
+over wat anders.
+</p>
+<p>Karel keek Jan verrukt aan.
+</p>
+<p>„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben alleen maar
+bang, mijn schat niet waard te zijn.”
+</p>
+<p>Thea legde haar handje op zijne lippen.
+</p>
+<p>„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.
+</p>
+<p>Daar tikte haar vader tegen zijn glas.
+</p>
+<p>Allen zwegen.
+</p>
+<p>„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik graag even
+wat zeggen. Hij heeft <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>gelijk, wie onze Thea tot vrouw krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”
+</p>
+<p>„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.
+</p>
+<p>Haar vader liet zich niet storen en ging door:
+</p>
+<p>„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd een liefhebbende
+dochter is geweest. Niemand, dan wij<span id="xd33e3426"></span> weet, niet waar Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan
+haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is, zijn wij het
+ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees altijd goed voor haar, ze
+verdient het.”
+</p>
+<p>Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem een beetje.
+</p>
+<p>Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten, om zich goed
+te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar hem toe en verborg schreiend
+haar gezichtje aan zijn schouder.
+</p>
+<p>„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf toch immers
+uw eigen dochtertje.”
+</p>
+<p>Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.
+</p>
+<p>„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk klinken op
+ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij stootte bij Karel aan.
+</p>
+<p>Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.
+</p>
+<p>„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat en ik beloof
+plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.”
+<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span></p>
+<p>Daar bromde Jan’s jongensstem:
+</p>
+<p>„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou altijd zien.”
+</p>
+<p>Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men schaterde het uit
+om Jan’s woorden.
+</p>
+<p>„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem plechtig beloven,
+dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen zullen.”
+</p>
+<p>„Dat beloven we,” riepen allen.
+</p>
+<p>Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.
+</p>
+<p>„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten. Enfin, het
+is nog zoo ver niet.”
+</p>
+<p>Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of het gek zou
+zijn, als ze met Karel even een straatje omging.
+</p>
+<p>„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?<span id="xd33e3449">”</span> vroeg haar vader, „heb je er behoefte aan een luchtje te scheppen?”
+</p>
+<p>Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.
+</p>
+<p>„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op straat, ze kan niet
+tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”
+</p>
+<p>Thea werd nog verlegener en allen lachten.
+</p>
+<p>„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.
+</p>
+<p>Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even gepakt had,
+maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.
+</p>
+<p>„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>hoed en een mantel voor haar, ze heeft gelijk, we moeten <span class="corr" id="xd33e3460" title="Bron: van avond">vanavond</span> nog samen gearmd uit.”
+</p>
+<p>Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje zich op straat.
+Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat donker begon te worden, want ze
+verbeeldde zich, dat iedereen naar haar keek.
+</p>
+<p>Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk beantwoordde
+en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich in den zevenden hemel.
+</p>
+<p>Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje volgden; de
+groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw iedere beweging van het voor
+hen uitgaand paartje nadoend.
+</p>
+<p>Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou uitgaan, besloten
+ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje. Nu hadden ze dolle pret.
+</p>
+<p>„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets <span class="corr" id="xd33e3470" title="Bron: gichelend">giechelend</span>, „zóó,” en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.
+</p>
+<p>„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan zijn gewaand
+meisje.
+</p>
+<p>„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons zien, nou.…”
+</p>
+<p>„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet goed, je moet
+rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed ze vanmiddag den heelen
+tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”
+</p>
+<p>Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>ze kon geen kuiltjes lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.
+</p>
+<p>Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s gezichtje even
+naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of niemand hen zien kon, maar
+had de kinderen niet ontdekt, die nog juist tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden
+gevel te verbergen.
+</p>
+<p>„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”
+</p>
+<p><span id="xd33e3483">„</span>Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.
+</p>
+<p>„St,” fluisterde Bets.
+</p>
+<p>Thea keek onrustig om.
+</p>
+<p>„Hoorde je niets?” vroeg ze.
+</p>
+<p>Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de beschouwing van
+zijn meisje.
+</p>
+<p>Ze liepen door.
+</p>
+<p>Bets en Nico volgden hen.
+</p>
+<p>„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”
+</p>
+<p>Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter dan hij.
+</p>
+<p>„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”
+</p>
+<p>Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.
+</p>
+<p>„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik ben de grootste,
+net als Karel.”
+</p>
+<p>„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>ben een jongen, en ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”
+</p>
+<p>Dat was niet naar Bets’ zin.
+</p>
+<p>„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”
+</p>
+<p>„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil weggeloopen.”
+</p>
+<p>„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”
+</p>
+<p>„In ieder geval heb jij het verzonnen.”
+</p>
+<p>Dat was Bets te veel.
+</p>
+<p>„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf zal krijgen,
+daar.…” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren, die tamelijk hard aankwam.
+</p>
+<p>Nico gilde het uit.
+</p>
+<p>Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.
+</p>
+<p>Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf gingen met schoppen
+en trappen.
+</p>
+<p>„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze scheiden.”
+</p>
+<p>Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar nauwelijks zag dit
+hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam Karel bij Thea terug.
+</p>
+<p>„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.
+</p>
+<p>„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe zouden die hier
+in de straat komen.”
+</p>
+<p>„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”
+</p>
+<p>Thea stond stil van schrik.
+<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
+<p>„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen hebben?
+</p>
+<p>„Best mogelijk.”
+</p>
+<p>„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het geweest waren. Stel
+je voor, al dien tijd achter ons aan!”
+</p>
+<p>Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er maar niet verder
+over denken, ze waren het bepaald niet geweest.
+</p>
+<p>Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de kleintjes waren
+nergens te vinden.
+</p>
+<p>„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.
+</p>
+<p>„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,” beweerde haar
+moeder.
+</p>
+<p>„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, <span id="xd33e3532">„</span>waar kunnen ze anders zijn.”
+</p>
+<p>Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de omliggende
+straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist niet, wat te doen en besloot
+voorloopig nog een half uurtje te wachten. Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men
+verder zien.
+</p>
+<p>Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau van politie
+zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar hen uit te zien, terug kwam,
+de kleine zondaars voor zich uit duwend.
+</p>
+<p>„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”
+</p>
+<p>Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf, kuste hen,
+maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet te doen.
+<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p>
+<p>„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.
+</p>
+<p>Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea hadden nageloopen
+en hoe grappig deze gedaan hadden.
+</p>
+<p>Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.
+</p>
+<p>„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.
+</p>
+<p>Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar bed te gaan.
+</p>
+<p>„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.
+</p>
+<p>„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er zoo afkomt.”
+</p>
+<p>Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder prettig, dan ze
+gedacht hadden.
+</p>
+<div class="figure o239width"><img src="images/o029.png" alt="" width="463" height="108"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch19" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e3870">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/o005.png" alt="Negentiende Hoofdstuk." width="558" height="180"></div>
+<h2 class="label">Negentiende Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Uit Thea’s dagboek.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div class="figure floatLeft"><img src="images/initial-d.png" alt="D" width="160" height="140"></div>
+<p class="first">e laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis doorbreng!
+</p>
+<p>Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch drukt de gedachte
+aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik veel terug te krijgen, ik laat
+ook heel veel achter.
+</p>
+<p>Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden heb, hoeveel
+opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen getroost hebben, dan bekruipt
+mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in
+opstand, als andere meisjes zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik
+ook meer genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen konden.
+Ik <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet alles opnoemen, laat ik de
+laatste bladzijden van dit boek liever gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor
+alles, wat het leven mij gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt,
+ik was ook al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven afsluit,
+liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven aan verschillende gevoelens,
+die mij bestormden. Slapen kon ik toch niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn
+trouw dagboek voor den dag gehaald.
+</p>
+<p>In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun liefde, hun
+zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst heeft bijgedragen, tot hetgeen
+goed in mij is.
+</p>
+<p>En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n heerlijk vertrouwelingetje
+is geweest. En kleine Bets en de broertjes, die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu
+niet begrijpen, dat ik soms zoo driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als
+ik mij verbeeldde, dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn ondeugendheidjes
+zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan nu eenmaal niet gemakkelijk
+leeren.
+</p>
+<p>O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.
+</p>
+<p>En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander kunnen zijn
+en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals Vadertje laatst zei, terwijl
+hij Moeders hand greep, elkanders lief en <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te doen schijnen.
+</p>
+<p>Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te wachten staat. In
+welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij dunkt, dat het niet zwaar te
+dragen zal zijn, met zoo’n besten man om je te helpen en ik zal het als een geluk
+beschouwen zijn leed te mogen verzachten.
+</p>
+<p>En alle menschenleed!
+</p>
+<p>Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart, die wij ontmoeten,
+te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn, maar verminderen, dat zal wel
+kunnen. Hij komt door zijn beroep met zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn
+trouwe helpster, zeker in staat zal zijn veel goed te doen.
+</p>
+<p>Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd in het weldoen
+zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat hoorde opperen, dat men soms
+met een vriendelijk woord en waarachtig medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling
+was zoo dwaas te beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad
+was en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt niets, die ziet
+nu eenmaal enkel goeds in mij.
+</p>
+<p>Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook maar een mensch
+ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het ideale wezen te lijken, waar
+hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig voor.
+<span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span></p>
+<p>Het eigenaardigste is, dat <span class="ex">hij</span> bang is <span class="ex">mij</span> tegen te vallen!
+</p>
+<p>Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een door en door
+goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog liever zijn, dan de deugden
+van anderen.
+</p>
+<p>Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk waren de meisjes
+op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe ongelukkig mijn arme Louise. Wie had
+kunnen denken, dien eersten zwaren tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen
+van diezelfde klasse afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise
+moet maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende opwellingen
+te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een sterken wil, als we dien
+maar op het goede kunnen richten, komt alles in orde.
+</p>
+<p>Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet naar verlang,
+Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding der kinderen. Ik heb Vader
+natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in mijn onderhoud kon voorzien en had mij
+altijd voorgenomen, dat zooveel mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste
+kinderen te helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik
+daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven geven, totdat Ita
+volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel was zoo ongelukkig, toen ik dat
+voorstelde, dat Vader medelijden met hem had en zei, dat ik hem zijn <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>zin maar moest geven en alle bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen
+totdat Ita volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te worden.
+</p>
+<p>„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.
+</p>
+<p>„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.
+</p>
+<p>Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch niet af te
+staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden, dat Karel zijn zin moest
+hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af moest zetten.
+</p>
+<p>„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.
+</p>
+<p>„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal kindje, denk
+je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming te volgen, omdat ik door
+hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”
+</p>
+<p>Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet alles voor
+zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te bevorderen. Maar één ding heb
+ik toch bedongen. Karel en ik blijven voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader
+Ita’s verdere opvoeding nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat
+door te zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader overwonnen en
+kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk daarin ten minste geen verandering
+brengt.
+</p>
+<p>Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik morgen niet
+frisch.
+<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p>
+<p>Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in schrijven. Ik zal
+nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik mijn hart kan uitstorten, als
+ik daar behoefte aan heb.
+</p>
+<p>Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd, alles alleen
+te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader en Moeder niet verontrusten
+wilde, door hen mijn verdriet te vertellen en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten
+tot klaarheid te brengen. Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend
+toch eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar toen vond
+ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?
+</p>
+<p>Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had pleizier in mijn werk
+en de troostende gedachte, voor mij zelf te kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk
+geweest, ik had hem dan niet gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen
+mijn leven, zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.
+</p>
+<p>Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op aarde voor mij
+is weggelegd, morgen.….
+</p>
+<div class="figure o246width"><img src="images/o094.png" alt="" width="106" height="54"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">INHOUD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"> </td>
+<td class="cell-top"> </td>
+<td class="cell-top"> </td>
+<td class="cell-right cell-top">Blz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Eerste </td>
+<td><span class="seg">Hoofdstuk.</span> </td>
+<td><a href="#ch1" id="xd33e3635">Het examen</a> </td>
+<td class="cell-right"> 5</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Tweede </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch2" id="xd33e3648">Een kloek besluit</a> </td>
+<td class="cell-right"> 15</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Derde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch3" id="xd33e3661">Afscheid</a> </td>
+<td class="cell-right"> 31</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Vierde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch4" id="xd33e3674">Van huis</a> </td>
+<td class="cell-right"> 41</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Vijfde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch5" id="xd33e3687">Kennismaking</a> </td>
+<td class="cell-right"> 55</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Zesde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch6" id="xd33e3700">Uit Thea’s dagboek</a> </td>
+<td class="cell-right"> 69</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Zevende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch7" id="xd33e3713">Een moeielijke taak</a> </td>
+<td class="cell-right"> 79</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Achtste </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch8" id="xd33e3726">De verdwenen armband</a> </td>
+<td class="cell-right"> 95</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Negende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch9" id="xd33e3739">Uit Thea’s dagboek</a> </td>
+<td class="cell-right">105</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Tiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch10" id="xd33e3752">De ontdekking</a> </td>
+<td class="cell-right">113</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Elfde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch11" id="xd33e3766">Naar huis</a> </td>
+<td class="cell-right">127</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Twaalfde </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch12" id="xd33e3779">Jan’s rapport</a> </td>
+<td class="cell-right">139</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Dertiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch13" id="xd33e3792">Thea krijgt een nieuwe betrekking</a> </td>
+<td class="cell-right">157</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Veertiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch14" id="xd33e3805">Een vacantiedag</a> </td>
+<td class="cell-right">171</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Vijftiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch15" id="xd33e3818">Een moeielijk begin</a> </td>
+<td class="cell-right">187</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Zestiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch16" id="xd33e3831">Een overwinning</a> </td>
+<td class="cell-right">199</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Zeventiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch17" id="xd33e3844">Thea en Louise</a> </td>
+<td class="cell-right">213</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">Achttiende </td>
+<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td><a href="#ch18" id="xd33e3857">Het engagement</a> </td>
+<td class="cell-right">227</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom">Negentiende </td>
+<td class="cell-bottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="r"><span class="s">Hoofdstuk.</span></span><span class="r"><span class="d">,,</span></span></span> </span> </td>
+<td class="cell-bottom"><a href="#ch19" id="xd33e3870">Uit Thea’s dagboek</a> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom">241</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">Een geniaal Zestal,
+</p>
+<p class="center xl">door FELICIE JEHU.
+</p>
+<p class="center xl">Geïllustreerd door JAN SLUIJTERS.
+</p>
+<p class="center large">Prijs in prachtband ƒ&nbsp;1.90.
+</p>
+<p><i>De Telegraaf</i> van 14 November 1907 zegt hiervan:
+</p>
+<p>Een nieuw boek van Felicie Jehu, dat zeker in den smaak zal vallen bij onze jonge
+meisjes. Het beschrijft het gezin van een muziekonderwijzer, weduwnaar met zes dochters,
+flinke, begaafde meisjes, die begrijpen, dat er aangepakt moet worden, als men het
+tot iets wil brengen, zelfs al is men zoo gelukkig een talent te bezitten.
+</p>
+<p>Dat men in spijt van groote gaven en harden arbeid toch nog niet altijd slaagt, blijkt
+uit de droeve ervaring van Olga, wier strijd om zich in haar lot te schikken, bijzonder
+mooi is beschreven. Er spreekt een frissche, gezonde geest uit het boek, waarin de
+vier groote meisjes, hoe verschillend van aanleg en karakter, allen—niet het minst
+het kranige, zestienjarige huishoudstertje—op haar eigen wijze sympathie wekken.
+</p>
+<p>De <i>Zutphensche Courant</i> van 19 November 1907 schrijft:
+</p>
+<p>De kroon spant „Een geniaal Zestal”. Dat is met een bijzonder talent geschreven. De
+geschiedenis van het zang-genie, het schildergenie, het huishoudgenie, het eetgenie
+en het huilgenie is alleraardigst. Hoe leuk bijvoorbeeld die vondst om die dreumes
+haar vader een rijksdaalder te laten afbedelen om hem een mooi verjaarscadeau te geven.
+Hoe natuurlijk is de omgang van die meisjes onderling beschreven, hoe grappig waar
+zijn de jongsten altijd. Van de illustraties zijn de plaatjes tusschen den tekst heel
+aardig. Een allervermakelijkst boek, waarvan de Firma Kluitman pleizier zal beleven.
+<span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xl">Jongens- en Meisjesboeken,
+</p>
+<p class="center large bold">Prijs ƒ&nbsp;2.40, in prachtband ƒ&nbsp;2.90.
+</p>
+<p class="center xl">Paddeltje,
+</p>
+<p class="center large">de scheepsjongen van Michiel de Ruijter,
+</p>
+<p class="center">door Joh. H. <span class="ex">Been</span>.
+</p>
+<p class="center">Met 24 groote platen, door <span class="ex">J.&nbsp;H. Isings Jr.</span>
+</p>
+<p class="center xl">De drie Matrozen van Michiel de Ruijter,
+</p>
+<p class="center">door Joh. H. <span class="ex">Been</span>.
+</p>
+<p class="center">Met 32 groote platen, door <span class="ex">J.&nbsp;H. Isings Jr.</span>
+</p>
+<p class="center xl">Napoleon de Groote,
+</p>
+<p class="center">door H. Th. <span class="ex">Chappuis</span>.
+</p>
+<p class="center">Met 60 platen en 6 kaarten, naar <span class="ex">Gros</span>, <span class="ex">Raffet</span>, <span class="ex">Isabey</span>, <span class="ex">Bellangé</span> en andere beroemde teekenaars.
+</p>
+<p class="center xl">Een Heldin,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">A.&nbsp;C. Kuiper</span>. Met 15 illustratiën naar photografieën.
+</p>
+<p>Dit verhaal bevat veel, dat verdicht is en toch is het op waarheid gegrond, omdat
+de voornaamste gebeurtenissen, die erin worden beschreven, werkelijk hebben plaats
+gehad. Ook de ervaringen op de Engelsche kostschool zijn, zonder de minste overdrijving,
+geheel naar waarheid weergegeven, terwijl de hoofdpersoon, een Duitsche, werkelijk
+heeft geleefd en—nog leeft, al is haar naam niet Hedwich Eiche!
+</p>
+<p>Hoewel zij zichzelf allerminst „<i>Een Heldin</i>” zou noemen, heeft ze toch het volste recht op dien naam. Menige jonge lezeres, die
+zelf een zonnige, gelukkige jeugd geniet, zal dit met mij eens zijn, vooral als in
+aanmerking genomen wordt dat „Hedwich Eiche” den moed had reeds op haar 15e jaar de
+wereld in te gaan in een tijd, toen er van werken buitenshuis voor de meeste meisjes
+nog maar zeer weinig sprake kon zijn en de keuze van werkkring voor haar dus uiterst
+beperkt was.
+<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">Jongensboeken.
+</p>
+<p class="center bold">Prijs ƒ&nbsp;1.50, in prachtband ƒ&nbsp;1.90.
+</p>
+<p class="center xl bold">Hein Stavast,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Chr. van Abkoude</span>. Met 75 teekeningen van <span class="ex">Jan Rinke</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Hollandsche Jongens,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Chr. van Abkoude</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">De Laatsten der Arkels,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">P. Visser</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">J.&nbsp;H. Isings Jr</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Op Vijverhoek,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">F.&nbsp;J. Hofman</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">W.&nbsp;K. de Bruin</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Floris de Vijfde,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">E. Molt</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">H.&nbsp;C. Louwerse</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Gedenkschriften van een Schooljongen, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Joh. H. Been</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Jan Bleys</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Heintje’s Groote Vacantie,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Joh. H. Been</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold"><a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29712">Uit het leven van Dik Trom</a>, 6e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Frits Wardland, 4e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">De twee Neven, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">G.&nbsp;B. Mulder</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Mijn Jongensjaren,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Koen van Dam</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Joh. Braakensiek</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Karel Vermeer,
+</p>
+<p class="center">door Ch. <span class="ex">Krienen</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">W.&nbsp;K. de Bruin</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Jongensleven,
+</p>
+<p class="center">door Mevr. <span class="ex">Van Woerden-Pop</span>. Geïll. door <span class="ex">J.&nbsp;H. Isings Jr</span>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Weggeloopen, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Adona</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">Cecil Alden</span>.
+<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">Meisjesboeken.
+</p>
+<p class="center bold">Prijs ƒ&nbsp;1.50, in prachtband ƒ&nbsp;1.90.
+</p>
+<p class="center xl bold">Anneke, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Alléén in een kleine stad,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>A. Wijthoff</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Een huis vol Meisjes.
+</p>
+<p class="center">Bewerkt naar het Engelsch, door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>, <b>2e druk</b>,
+</p>
+<p class="center">Met 7 platen.
+</p>
+<p class="center xl bold"><a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/14580">Elsje</a>, 3e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd door <i>A. Wijthoff</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Een Hollandsch Meisje op een Engelsche Kostschool 3e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd.
+</p>
+<p class="center xl bold">Een lastige dochter,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Met teekeningen van <i>L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">In den Opgang,
+</p>
+<p class="center">door <i>Anna de Savornin Lohman</i>. Geïllustreerd door <i>Willy Sluiter</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Van een Onderwijzeresje,
+</p>
+<p class="center">door <i>Felicie Jehu</i>. Geïllustreerd door <i>Louis Raemaekers</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Een geniaal Zestal,
+</p>
+<p class="center">door <i>Felicie Jehu</i>. Geïllustreerd door <i>Jan Sluyters</i>.
+</p>
+<p class="center xl bold">Juffertje Wildzang,
+</p>
+<p class="center">door <i>Bertha Clément</i>. Geïllustreerd.
+</p>
+<p class="center xl bold">Rudenoord,
+</p>
+<p class="center">door <i>Th. Hoven</i>. Geïllustreerd.
+<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">De Historische Jongensboeken
+</p>
+<p class="center large">van <span class="ex">P. Visser</span>.
+</p>
+<p class="center xl">De Laatsten der Arkels.
+</p>
+<p class="center">Prijs ƒ&nbsp;1.50, in prachtband ƒ&nbsp;1.90.
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><b>Het Beleg van Alkmaar.</b> </td>
+<td rowspan="4" class="rowspan rightbrace cell-top cell-bottom"><img src="images/rbrace4.png" alt="}" width="12" height="80"></td>
+<td rowspan="4" class="rowspan cell-right cell-top cell-bottom vam">Prijs ƒ&nbsp;0.90 <br>in prachtband ƒ&nbsp;1.25.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><b>Heemskerck op Nova-Zembla.</b> <br>Tweede druk.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><b>Heemskerck voor Gibraltar.</b></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><b>De Vliegende Hollander.</b></td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Nog een schrijver van jongensboeken, die <i>zeker</i> succes zal hebben. We bedoelen <span class="sc">P. Visser</span>, wiens Heemskerck op Nova-Zembla zoozeer in den smaak viel, dat hij zich aangespoord
+voelde om een andere episode uit het leven van dezen ridderlijken zeevaarder en vlootvoogd
+tot een geschiedkundig verhaal om te werken. <i>Heemskerck voor Gibraltar</i>, naar de authentieke oudere bronnen saamgesteld, is in aantrekkelijken vorm uitgegeven
+en versierd met plaatjes door <span class="sc">H.&nbsp;C. Louwerse</span>, die er blijkbaar ernstig naar streefde getrouw te blijven aan de historie, wat betreft
+kleederdracht, bewapening, huisraad enz.
+</p>
+<p class="signed"><i>Nieuws v. d. dag.</i>
+</p>
+<p>De schrijver schijnt ons toe, te kunnen zijn, wat <span class="sc">P.&nbsp;J. Andriessen</span> voor een vroeger tijdperk geweest is. De plaatjes van <span class="sc">H.&nbsp;C. Louwerse</span> zijn blijkbaar ook historisch juist, en daarbij goed geteekend.
+</p>
+<p class="signed"><i>Handelsblad.</i>
+<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">In de Vacantie.
+</p>
+<p class="center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
+</p>
+<p class="center">Prijs per deel ƒ&nbsp;0.90, in prachtband ƒ&nbsp;1.25.
+</p>
+<p class="large bold">A. voor Jongens:
+</p>
+<p class="center large bold">1. Het Beleg van Alkmaar,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">P. Visser</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">H.&nbsp;C. Louwerse</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">2. Jaepie-Jaepie, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">3. Frans van Dorentil, 2e druk<span id="xd33e4313">,</span>
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">4. Twee echte Jongens,
+</p>
+<p class="center">door <span class="sc">Ch.</span> <span class="ex">Krienen</span>. Met teekeningen van <span class="ex">C. van der Sluys</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">5. De avonturen van Vier Pretmakers,
+</p>
+<p class="center">door <span class="sc">Ch.</span> <span class="ex">Krienen</span>. Met 4 platen.
+</p>
+<p class="center large bold">6. Een Amsterdamsche Jongen,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">H.&nbsp;W. Sonnega</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">C. Jetzes</span>.
+</p>
+<p class="large bold">B. voor Meisjes:
+</p>
+<p class="center large bold">1. De Zusjes van de Berkenhoeve<span id="xd33e4362">,</span>
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Hermanna</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">2. Het Badreisje van Cor Slung, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">C. Joh. Kieviet</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">A. Rünckel</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">3. De Beschermeling van het Viertal,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">L. van der Meer</span>. Geïllustreerd met 55 platen.
+</p>
+<p class="center large bold">4. Koninginnetje,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Geïll. door Mevr. <span class="ex">Broekman-Klinckhamer</span>.
+</p>
+<p class="center large bold">5. Een gelukkig Viertal,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Geïllustreerd door <span class="ex">C. Blankenaar Jr.</span>
+</p>
+<p class="center large bold">6. Alleen in ’t Nestje,
+</p>
+<p class="center">door <span class="ex">Aletta Hoog</span>. Met 4 platen.
+<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">Ons Genoegen.
+</p>
+<p class="center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
+</p>
+<p class="center">Prijs per deel ƒ&nbsp;0.65, in prachtband ƒ&nbsp;0.90.
+</p>
+<p class="large bold">A. voor Jongens:
+</p>
+<p class="center large bold">1. Willem van den Molenaar, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>P. Elzer</i>. Geïllustreerd door <i>A<span id="xd33e4437">.</span> Rünckel</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">2. Marc en zijn Oom,
+</p>
+<p class="center">door <i>L. van der Meer</i>. Geïllustreerd met 52 platen.
+</p>
+<p class="center large bold">3. <a class="pglink xd33e47" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/58515">De Twee Broeders</a>,
+</p>
+<p class="center">door <i>C. Joh. Kieviet</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">4. Bert en Bram,
+</p>
+<p class="center">door <i>Chr. van Abkoude</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">5. Vriendschap,
+</p>
+<p class="center">door <i>W. Brouwer</i>. Geïllustreerd.
+</p>
+<p class="center large bold">6. Willem’s Verjaarsgeschenk,
+</p>
+<p class="center">door <i>Chr. v. Abkoude</i>. Geïll. door Mevr. <i>Broekman-Klinckhamer</i>.
+</p>
+<p class="large bold">B. voor Meisjes:
+</p>
+<p class="center large bold">1. Kasteel Rompersburgen, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>Hermanna</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">2. Onder verschillende Meesters, 2e druk,
+</p>
+<p class="center">door <i>C. Joh. Kieviet</i>. Geïllustreerd door <i>W.&nbsp;B. Yzerdraat</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">3. Millie’s Vacantie,
+</p>
+<p class="center">door <i>Marie Honig</i>. Geïllustreerd door <i>Jan Bleys</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">4. In het Zwaluwhuis,
+</p>
+<p class="center">door <i>Betsy Nort</i>. Geïllustreerd door <i>A. Rünckel</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">5. Vier Nichtjes,
+</p>
+<p class="center">door <i>Betsy</i>. Geïllustreerd door <i>O. Geerling</i>.
+</p>
+<p class="center large bold">6. Lot Mertens,
+</p>
+<p class="center">door <i>Hermanna</i>. Geïllustreerd door <i>Louis Raemaekers</i>.
+<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xl">Bibliotheek voor Jongens en Meisjes
+</p>
+<p class="center large">van 11–14 jaar.
+</p>
+<p class="center bold">Prijs in prachtband ƒ&nbsp;1.50
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top">1. </td>
+<td class="cell-top">Jan Ligthart </td>
+<td class="cell-right cell-top"><b>Een Zomervacantie bij de grenzen.</b></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">2. </td>
+<td>N. van Hichtum </td>
+<td class="cell-right"><b>Afkes Tiental.</b> (2e druk).</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">3. </td>
+<td>Anna van Gogh-Kaulbach </td>
+<td class="cell-right"><b>In het Bloembollenland.</b></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">4. </td>
+<td>J. Lion Cachet </td>
+<td class="cell-right"><b>Van een paar Afrikaansche Jongens.</b></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left">5. </td>
+<td>N. van Hichtum </td>
+<td class="cell-right"><b>Friesche Schetsen.</b></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom">6. </td>
+<td class="cell-bottom">A.&nbsp;F. Cremer </td>
+<td class="cell-right cell-bottom"><b>Tien maanden in ’t IJs.</b></td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Dit is weer een nieuwe kinderbibliotheek voor de Jeugd, en al zijn die verschillende
+verzamelingen bijna niet meer uit elkaar te houden, de weinige werkjes, die de pers
+verlaten en gezond geestesvoedsel aan de leesgrage jeugd verschaffen, die zijn werkelijk
+niet zoo veel in getal, dat we deze niet met blijdschap begroeten zouden. In eenen
+adem lazen we de boeken uit en de jongens vinden ze heerlijk.
+</p>
+<p>De heer Ligthart (Een Zomervacantie bij de grenzen) is werkelijk met zijn gezin eenige
+weken aan de Duitsche grenzen gaan doorbrengen: en heeft alles wat toen ondervonden
+werd met benijdenswaardig talent te boek gesteld. Doch uit zijn relaas groeide noch
+een uitvoerige reisgids, noch een doorwrocht reisverhaal—als tal van losse aardige
+schetsen in een kunstenaarsalbum naast elkaar, zoo volgen hier karakteristieke beschrijvingen
+en veel bijzondere <span class="corr" id="xd33e4594" title="Bron: wetenswaardigeden">wetenswaardigheden</span> elkander op en de draad van het verhaal is juist keurig genoeg om al dat mooie vast
+aaneengesnoerd te houden. Wie zijn kinderen zoo’n boek koopt, zal niet nalaten het
+zelf ook te lezen, want dat is juist het criterium van goede kinderlectuur dat jong
+en oud er zich mede amuseeren kan, en tot nut en vermaak <span class="corr" id="xd33e4597" title="Niet in bron">van </span>beide kan het dienen. Ook is het geheele verhaal een levende demonstratie van het
+gelukkige gezin, dat zich zonder zorgen eenige weken uit den dagelijkschen sleur kan
+afzonderen, om het rustige landleven met volle teugen te genieten.
+</p>
+<p>Ook de overige werkjes mochten een gunstig onthaal verwerven. No. 2 van de serie (Afkes
+Tiental) beleeft reeds een nieuwen druk<span id="xd33e4601">.</span>
+<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">Uitgave P. Kluitman—Alkmaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first center xxl">Leesboeken voor jonge kinderen.
+</p>
+<p class="center xl">Om aan de kleintjes voor te lezen,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd.
+</p>
+<p class="center bold">Gebonden ƒ&nbsp;2.50.
+</p>
+<p class="center xl">Een boek vol verhalen -:- -:- -:- -:- -:- -:- voor meisjes en jongens,
+</p>
+<p class="center">door <i>A.&nbsp;C. Kuiper</i>. Geïllustreerd.
+</p>
+<p class="center bold">Gebonden ƒ&nbsp;2.50.
+</p>
+<p class="center xl">Sprookjes uit Indië,
+</p>
+<p class="center">door <i>Lina Tervooren</i>. Geïllustreerd door <i>Agnieta Gijswijt</i>.
+</p>
+<p class="center bold">Gebonden ƒ&nbsp;1.50.
+</p>
+<p class="center xl">De zomerreis van Heer Hans,
+</p>
+<p class="center">door <i>Bertha</i>. Teekeningen van <i>Gertrud Caspari</i>,
+</p>
+<p class="center bold">Gebonden ƒ&nbsp;1.25.
+</p>
+<p class="center xl">Van de Vuurkaboutertjes,
+</p>
+<p class="center">door <i>Aletta Hoog</i>. Geïllustreerd door <i>G. van Doorn</i>.
+</p>
+<p class="center bold">Gebonden ƒ&nbsp;0.75.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="118" height="720"></div><p>
+</p>
+<p>&nbsp;
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="489" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table role="presentation">
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">Het examen.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">5</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">Een kloek besluit.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">15</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">Afscheid.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">31</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">Van huis.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">41</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">Kennismaking.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">55</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VI. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">Uit Thea’s dagboek.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">69</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">Een moeielijke taak.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">79</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VIII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">De verdwenen armband.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">95</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">IX. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">Uit Thea’s dagboek.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">105</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">X. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">De ontdekking.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">113</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XI. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">Naar huis.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">127</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">Jan’s rapport.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">139</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XIII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">Thea krijgt een nieuwe betrekking.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">157</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XIV. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">Een vacantiedag.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">171</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XV. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch15">Een moeielijk begin.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">187</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XVI. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch16">Een overwinning.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">199</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XVII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch17">Thea en Louise.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">213</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XVIII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch18">Het engagement.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">227</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">XIX. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch19">Uit Thea’s dagboek.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">241</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#toc">INHOUD.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">247</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2026-05-08 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 96 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e183">7</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2397">163</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2711">183</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2747">184</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3354">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">van middag</td>
+<td class="width40 bottom">vanmiddag</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e200">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e603">37</a>, <a class="pageref" href="#xd33e676">43</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1557">103</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1739">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1746">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2439">166</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2494">169</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3449">234</a></td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e274">12</a>, <a class="pageref" href="#xd33e829">53</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1841">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1925">132</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2117">146</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2771">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e285">13</a></td>
+<td class="width40 bottom">omstuimig</td>
+<td class="width40 bottom">onstuimig</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e335">17</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3078">208</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3086">209</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3260">222</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3532">238</a></td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e382">20</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3069">207</a></td>
+<td class="width40 bottom">van zelf</td>
+<td class="width40 bottom">vanzelf</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e580">36</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1361">90</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2036">142</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2174">149</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3072">207</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e654">42</a></td>
+<td class="width40 bottom">bizonders</td>
+<td class="width40 bottom">bijzonders</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e736">47</a></td>
+<td class="width40 bottom">jonge mensch</td>
+<td class="width40 bottom">jongemensch</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e791">51</a></td>
+<td class="width40 bottom">Neem</td>
+<td class="width40 bottom">Neemt</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e808">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1478">99</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1498">100</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1580">105</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2684">181</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2773">187</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3000">202</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3003">202</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3144">215</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3243">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">bizonder</td>
+<td class="width40 bottom">bijzonder</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1036">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3249">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">op eens</td>
+<td class="width40 bottom">opeens</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1114">73</a></td>
+<td class="width40 bottom">te te</td>
+<td class="width40 bottom">te</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1297">86</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2722">183</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2922">197</a></td>
+<td class="width40 bottom">van morgen</td>
+<td class="width40 bottom">vanmorgen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1333">89</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1341">89</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1396">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1406">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1418">94</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3460">235</a></td>
+<td class="width40 bottom">van avond</td>
+<td class="width40 bottom">vanavond</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1431">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">Zij</td>
+<td class="width40 bottom">Hij</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1434">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">hare</td>
+<td class="width40 bottom">zijne</td>
+<td class="bottom">4</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1462">98</a></td>
+<td class="width40 bottom">Op eens</td>
+<td class="width40 bottom">Opeens</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1535">102</a></td>
+<td class="width40 bottom">tafreel</td>
+<td class="width40 bottom">tafereel</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1589">106</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1691">117</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1754">119</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1784">121</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2084">144</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2733">184</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3426">233</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1598">107</a></td>
+<td class="width40 bottom">sympatieker</td>
+<td class="width40 bottom">sympathieker</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1705">117</a></td>
+<td class="width40 bottom">weg genomen</td>
+<td class="width40 bottom">weggenomen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1902">131</a></td>
+<td class="width40 bottom">opaan</td>
+<td class="width40 bottom">op aan</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2250">153</a></td>
+<td class="width40 bottom">bewegenloos</td>
+<td class="width40 bottom">bewegingloos</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2474">168</a></td>
+<td class="width40 bottom">zes honderd</td>
+<td class="width40 bottom">zeshonderd</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2585">176</a></td>
+<td class="width40 bottom">Van morgen</td>
+<td class="width40 bottom">Vanmorgen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2631">178</a></td>
+<td class="width40 bottom">scéne</td>
+<td class="width40 bottom">scène</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2664">180</a></td>
+<td class="width40 bottom">photohraaf</td>
+<td class="width40 bottom">photograaf</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2744">184</a></td>
+<td class="width40 bottom">weetje</td>
+<td class="width40 bottom">weet je</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2766">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">klassse</td>
+<td class="width40 bottom">klasse</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2958">199</a></td>
+<td class="width40 bottom">rechtsomkeer</td>
+<td class="width40 bottom">rechtsomkeert</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3018">203</a></td>
+<td class="width40 bottom">bizonderheden</td>
+<td class="width40 bottom">bijzonderheden</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3026">204</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3034">204</a></td>
+<td class="width40 bottom">concierge</td>
+<td class="width40 bottom">conciërge</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3098">210</a></td>
+<td class="width40 bottom">van ochtend</td>
+<td class="width40 bottom">vanochtend</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3167">217</a></td>
+<td class="width40 bottom">Aseer</td>
+<td class="width40 bottom">Asser</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3232">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">patientje</td>
+<td class="width40 bottom">patiëntje</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3254">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">niëerend</td>
+<td class="width40 bottom">negeerend</td>
+<td class="bottom">3 / 2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3298">224</a></td>
+<td class="width40 bottom">”</td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3470">235</a></td>
+<td class="width40 bottom">gichelend</td>
+<td class="width40 bottom">giechelend</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3483">236</a></td>
+<td class="width40 bottom">„„</td>
+<td class="width40 bottom">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4313">253</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4362">253</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4437">254</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4601">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4594">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">wetenswaardigeden</td>
+<td class="width40 bottom">wetenswaardigheden</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4597">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom">van </td>
+<td class="bottom">4</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/78835-h/images/back.jpg b/78835-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e22d8d2
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/front.jpg b/78835-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..68132b9
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/frontispiece.jpg b/78835-h/images/frontispiece.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3ad4079
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/frontispiece.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-a.png b/78835-h/images/initial-a.png
new file mode 100644
index 0000000..7497a2d
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-a.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-d.png b/78835-h/images/initial-d.png
new file mode 100644
index 0000000..52a84fc
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-d.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-h.png b/78835-h/images/initial-h.png
new file mode 100644
index 0000000..cc475e4
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-h.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-k.png b/78835-h/images/initial-k.png
new file mode 100644
index 0000000..5a0b7b4
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-k.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-m.png b/78835-h/images/initial-m.png
new file mode 100644
index 0000000..3308cf2
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-m.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-n.png b/78835-h/images/initial-n.png
new file mode 100644
index 0000000..30fbbb5
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-n.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-o.png b/78835-h/images/initial-o.png
new file mode 100644
index 0000000..b7af3a3
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-o.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-t.png b/78835-h/images/initial-t.png
new file mode 100644
index 0000000..556caa4
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-t.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-v.png b/78835-h/images/initial-v.png
new file mode 100644
index 0000000..caea83f
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-v.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/initial-w.png b/78835-h/images/initial-w.png
new file mode 100644
index 0000000..6a7abc8
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/initial-w.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o005.png b/78835-h/images/o005.png
new file mode 100644
index 0000000..7820e1d
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o005.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o014.png b/78835-h/images/o014.png
new file mode 100644
index 0000000..fb12cf9
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o014.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o015.png b/78835-h/images/o015.png
new file mode 100644
index 0000000..ec0f14d
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o015.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o029.png b/78835-h/images/o029.png
new file mode 100644
index 0000000..efb035d
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o029.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o040.png b/78835-h/images/o040.png
new file mode 100644
index 0000000..c91b309
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o040.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o041.png b/78835-h/images/o041.png
new file mode 100644
index 0000000..ab3e1e2
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o041.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/o094.png b/78835-h/images/o094.png
new file mode 100644
index 0000000..9327849
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/o094.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/p048.jpg b/78835-h/images/p048.jpg
new file mode 100644
index 0000000..317f850
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/p048.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/p152.jpg b/78835-h/images/p152.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e257042
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/p152.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/p216.jpg b/78835-h/images/p216.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0aaef71
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/p216.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/rbrace4.png b/78835-h/images/rbrace4.png
new file mode 100644
index 0000000..94d6ef7
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/rbrace4.png
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/spine.jpg b/78835-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c6e0c94
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/78835-h/images/titlepage.png b/78835-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..5628c4b
--- /dev/null
+++ b/78835-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6c72794
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1551182
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1 @@
+[Project Gutenberg](https://www.gutenberg.org) public repository for eBook [#78835](https://www.gutenberg.org/ebooks/78835)