diff options
Diffstat (limited to '78820-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78820-0.txt | 2807 |
1 files changed, 2807 insertions, 0 deletions
diff --git a/78820-0.txt b/78820-0.txt new file mode 100644 index 0000000..11a4309 --- /dev/null +++ b/78820-0.txt @@ -0,0 +1,2807 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78820 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 348 DE VARIÉTÉ-STER. + + + + + + + + +DE VARIÉTÉ-STER. + + +HOOFDSTUK I. + +MARJA IVY. + + +Ofschoon het Londensche seizoen eigenlijk reeds teneinde was, en de +meeste bewoners der wereldstad, die het konden betalen en er +gelegenheid toe hadden, reeds de stad waren ontvlucht teneinde zich +naar een of andere badplaats of hun villa in de bergen te begeven, was +het groote Hypodrome-Theater aan het Piccadilly Circus gelegen zeer +goed bezet. + +Intusschen waren er heel wat vreemdelingen onder de bezoekers, die de +duurdere rangen vulden. + +De meeste heeren, tenminste voor zoover zij een dure plaats innamen, +waren in rok gekleed, de dames in avondtoilet. + +In een loge van den eersten rang zaten twee heeren, naar wie reeds +menigeen den blik had gewend. + +De eene had een lange, gespierde gestalte en een energiek gelaat, met +scherp geteekende trekken, en doordringende staalgrijze oogen. + +Van de Londenaren, die daar zaten, zou zeker een derde deel wel hebben +kunnen zeggen wie dat was, Lord William Aberdeen, de bekende +philantroop. + +Naast hem was zijn secretaris, Charly Brand gezeten, die in alles van +hem verschilde, hij was vrij wat kleiner, blond met een blozend, +opgewekt gelaat, waarin twee groote, helder blauwe oogen schitterden. + +Ook was hij zeer goed bekend bij de leden van de „Upper ten”, want hij +vergezelde Lord Aberdeen bijna steeds en overal, en men wist, dat aan +den jongen man de zware taak was opgedragen, het vermogen van zijn +meester te beheeren, en de giften te regelen, welke Lord Aberdeen op +geregelde tijden aan talrijke instellingen van liefdadigheid of van +algemeen nut placht te schenken. Hij vergezelde hem steeds, als hij +door de ellendige buurten van de reusachtige wereldstad trok, om daar +onderzoek te doen naar personen die buiten hun schuld nooddruftig waren +geworden. + +Ja, als Lord Aberdeen kende al deze deftig gekleede weldoorvoede rijken +den man die daar achterover leunde in zijn gemakkelijke fauteuil en met +afgetrokken blik naar het tooneel keek, waar juist twee excentrics +bezig waren, hunne ledematen op de onmogelijkste wijze te verrekken en +toch kenden zij niet de ware persoon, want onder het uiterlijk van den +onbekenden philantroop verborg zich een persoon wiens naam alleen hen +met schrik zou vervullen, John Raffles. + +Inderdaad, daar zat de Gentleman-Inbreker, de langgezochte tegenstander +van Scotland-Yard, op wiens hoofd nog altijd sinds lange jaren reeds +een premie van duizend pond sterling was gesteld, zoo gerust en zoo op +zijn gemak alsof hij nog nooit iets te maken had gehad met de +speurhonden uit de Downingstreet, met den befaamden detective James +Sullivan of met den hoofdinspecteur Phileas Baxter, die reeds niet kon +slapen, als men driemaal achter elkaar den naam van den gevreesden +inbreker in zijn tegenwoordigheid uitsprak. + +Lord Aberdeen schonk ontegenzeggelijk groote bedragen weg, en toch +zonken zij het in niet naast de reusachtige sommen, welke hij in het +geheel onder een geheel anderen naam besteedde aan het lenigen van +armoede en ellende, wanneer hem die slechts ter oore kwamen, aan het +herstellen van gepleegd onrecht en aan het steunen van talentvolle maar +onbemiddelde jongelieden. + +Niet zonder moeite had Charly Brand dien avond zijn trouwen vriend +overgehaald hem naar het Hypodrome-Theater te vergezellen, want Raffles +bevond zich in een van die buien, waarin het hem walgde, zich onder het +publiek te moeten begeven en hij veel liever naar zijn geliefkoosde +viool greep, en aan het prachtige instrument klanken ontlokte, die diep +ontroerden. + +Maar eindelijk had hij toch toegegeven, de prachtige blauwgelakte +limousine was komen voorrijden, en Henderson de chauffeur, die aan +menig avontuur van den Grooten Onbekende een levendig aandeel had +genomen, had hen naar het groote Variété-Gebouw gebracht. + +Aanvankelijk had Raffles niet veel acht geslagen op hetgeen er op het +tooneel gebeurde, en pas een paar werkelijk voortreffelijke +kunststukken hadden een weinig zijn belangstelling weten te trekken. + +Nu daalde het scherm, het publiek applaudiseerde, de beide excentrics +kwamen nog eens buigen, en toen stond Raffles op, en zeide op zachten +toon: + +„Neem het mij niet kwalijk, Charly, maar voor van avond heb ik mijn +portie al weder beet! Ik geloof niet dat ik den moed heb ook de nummers +na de pauze nog te hooren of te zien. Er komt nog een goochelaar en ik +ben zelf niet geheel en al onbedreven in de goochelkunst, dan komt er +nog een heer, die op zijn handen loopt, hetgeen ik voor een redelijk +wezen ontoelaatbaar acht. Dan komt er een dame met een basstem, zooals +het programma aangeeft, en ik vrees dat zij daarenboven ook nog een +baard zal hebben, hetgeen niet strookt met mijn opvatting betreffende +de leer der ethica.” + +„Maar wacht dan tenminste tot de pauze aanbreekt!” kwam Charly. „Er is +nog maar één nummer.” + +„Wat is het?” vroeg Raffles onwillig. + +„Een danseres! Men spreekt buitengewoon veel over haar fraaie juweelen +en over het legertje minnaars die elkander zonder ophouden in haar +gunst opvolgen.” + +„De stem en de minnares interesseeren mij niets, maar om de juweelen +wil ik dan nog wel een kwartier blijven!” zeide Raffles zuchtend, +terwijl hij zich weder in zijn fauteuil liet vallen en een versche +sigaret opstak. + +Juist zette de muziek een slepende wals in, de zaal werd donker +gemaakt, het scherm rees, en, bestraald door twee schijnwerpers, kwam +daar een nog zeer jonge vrouw op het tooneel, die allereerst de +aandacht tot zich moest trekken omdat haar kleeding zich tot het +volstrekt onmisbare beperkte. + +Zij kon hoogstens twee en twintig jaar zijn, en zij had een +fijnbesneden gezichtje waarin twee groote, donkere oogen schitterden. + +Zij droeg een buitensporig kapsel, dat bestond in een gouden band, die +haar hoofd omsloot, en bezet was met fraaie diamanten. Die band hield +een groot aantal krachtige en zeer lange pauwenveeren bijeen, dicht +naast elkander geplaatst. + +Zij had een soort tunica aan van witte, dunne zijde, zeer diep +uitgesneden, ver boven de dijen eindigend, en die om het middel werd +bijeen gehouden door een gordel van gouden schakels. + +Een prachtige paarlen collier was om den blanken hals gelegd, en de +fraai gevormde armen waren omgeven door gouden braceletten. + +Dat was Marja Ivy, de nieuwe ster aan den Variété-hemel, die reeds veel +opgang had gemaakt te Parijs, te Weenen, en te Rome, en welke algemeen +beschouwd werd als de evenknie van de befaamde Gaby Deslys, de +voormalige minnares van den ex-koning van Portugal, den jeugdigen +Manuel. + +Ook in dit opzicht streefde Marja Ivy de wereld vermaarde Variété-diva +blijkbaar terzijde, want men fluisterde reeds nu heel wat namen van +hooggeplaatste heeren, aan wie de pas ontdekte ster haar gunsten had +geschonken. + +Met den eersten blik had Charly gezien, dat de prestatie van Marja Ivy +bijzonder weinig om het lijf had, zij trippelde wat over het tooneel +heen en weder, zwaaide met haar beenen, liet haar pauwenveeren wuiven, +en zong met een dun stemmetje een Fransch liedje, dat niemand begreep, +hetgeen er trouwens voor den auteur zeer weinig op aan kwam. + +De voornaamste attractie van de jonge vrouw moest blijkbaar gevonden +worden in haar fraaie lichaamsvormen, welke zij zoo weinig verborg. + +Want mooi was zij inderdaad, Marja Ivy. + +Charly wierp een schuinschen blik naar Raffles, om te zien welk een +indruk de Variété-danseres op hem maakte, en zag tot zijn verwondering, +dat Raffles met ingespannen aandacht naar de jonge vrouw tuurde. + +Dat was zeker niet de gewoonte van den Gentleman-Inbreker. + +Maar nu liet Raffles het instrument zakken, en boog zich naar Charly +over, om hem toe te fluisteren: + +„Als ik schrijver was geloof ik dat ik hier een aardig onderwerp voor +een feuilleton had gevonden.” + +„Hoe zoo?” + +„Wel ik herken dat lieve wezentje daarginds heel goed! Haar schoonheid +frappeerde mij destijds, het is een dienstmeisje!” + +„Wat vertel je me daar?” riep Charly bijna luidkeels uit, zoodat men in +de aangrenzende loge hem verwijtende blikken toewierp. + +„Die mooie jonge vrouw daar op het tooneel: met haar verblindend witte +huid en haar fijn gezichtje zou een keukenmeisje zijn?” + +„Pardon, laten wij elkander niet verkeerd verstaan, mijn waarde. Van +een keukenmeisje heb ik niet gerept, ik sprak van een dienstmeisje, en +dat is iets anders.” + +„Keukenmeisje of dienstmeisje, houdt het mij ten goede, Edward, maar ik +zou er een lief ding onder durven verwedden, dat je je vergist!” + +„Ik vergis mij niet, Charly!” hernam Raffles kalm. „Je kunt nu toch wel +weten dat mijn geheugen voor gezichten nog al sterk ontwikkeld is, en +zeker voor gezichten als dat daar! Je zult zelf moeten toegeven, dat +men het gezicht van de jonge vrouw niet zoo gemakkelijk zal vergeten, +als men het eenmaal gezien heeft.” + +„Dat erken ik, en toch......” + +„Als je mij niet wilt gelooven, Charly, dan kun je het haar mijnentwege +gaan vragen, ofschoon ik betwijfel, of zij het wel zou bekennen. Zij +heet inderdaad Sonja Malakoff, zij is een Lithausche en zij was nog +geen vol jaar geleden dienstmeisje bij een Poolsche familie welke ik te +Moldau bezocht. Ik herinner mij nu zeer goed, dat er destijds ook +lachend in den familiekring gesproken werd over de plannen van het +bevallige kind, dat volstrekt het voorbeeld wilde volgen van Gaby +Deslys, die naar je zult weten tot haar zestiende jaar eveneens +dienstmeisje geweest is, en wier ouders nederige arbeiders waren.” + +„Wanneer je het met zooveel stelligheid zegt, Edward, dan moet ik je +natuurlijk gelooven,” zeide Charly. „Maar dan verbaast het mij toch +sterk.” + +„Waarom eigenlijk? Vergeet niet dat je niet met een Londensch +dienstmeisje te doen hebt, maar met een Lithausche, dat wil zeggen met +een zeer schoon ras. Vergeet ook niet wat schmink en poeder kunnen +bewerkstelligen!” + +„Maar de bewegingen, Edward, het geheele optreden, de wijze van loopen, +kan men dat aanleeren?” + +„Dat kan men zeker, maar bovendien iedere Lithausche vrouw is van +nature gracieus en sierlijk in alles wat zij doet, en ik weet nog heel +goed dat ik, alleen uit een kunstzinnig oogpunt, dat verzeker ik je, +met bepaald welgevallen de sierlijke en ongedwongen bewegingen van dat +mooie dienstmeisje heb gade geslagen.” + +Charly antwoordde niet maar volgde nu met nog meer aandacht de +bewegingen van de Variété-danseres, die met luchtige stapjes, het mooie +lichaam een weinig voor overgebogen, het gelaat naar het publiek +gewend, langs het voetlicht trippelde. + +Toen mompelde hij voor zich heen: + +„Als jij het zegt, dan moet ik het natuurlijk wel gelooven, maar ik +blijf het een wonder vinden! Dat zal echter zijn omdat ik het begrip +„dienstmeisje” wat al te zeer vereenzelvig met het begrip van trappen +dweilen, ramen zeemen, borden wasschen, en tegen de bakkersjongens +gillen. De schoone Poolsche schijnt dus niets van dat alles te hebben +gedaan, of, wanneer zij dat deed, dan deed zij het allerbevalligst, +gracieus, en met gedistingeerde gebaren. Nu, mij is het wel, en ik moet +toegeven, dat iemand in een jaar heel wat kan veranderen.” + +Raffles had nog eenigen tijd naar de mooie, jonge vrouw gekeken, en +wendde zich toen tot Charly met de vraag: + +„Is dit de eerste avond van haar optreden?” + +„Ja, en ik herinner mij nu ook, dat de bladen vol hebben gestaan met +reclame artikelen, waaraan ik echter weinig aandacht heb gewijd, als ik +dat wel gedaan had, dan zou ik nu weten, hoe zij bijvoorbeeld aan dien +voorraad diamanten komt, die naar allen schijn echt zijn.” + +„Geschenken, denk ik!” zeide Raffles droogjes. „Ik kan mij voorstellen +dat een rijk en galant man voor een goedgunstigen blik uit die schoone +oogen gaarne een snoer diamanten geeft. Apropos, als je de bladen nog +hebt, waarin die reclameberichtjes hebben gestaan, zoek ze dan nog eens +op, ik wil ze wel eens lezen.” + +„Ik ben tot je dienst, Edward!” antwoordde Charly, en hij begreep, dat +er reeds een of ander plan door het hoofd van zijn vriend spookte met +betrekking tot het voormalige Lithauensche dienstmeisje. + +Juist op dit oogenblik beëindigde Marja Ivy haar zang in een snerpenden +kreet, die het gelaat van Raffles pijnlijk deed vertrekken. + +Toen het applaus bedaard was, merkte hij op: + +„Ik denk, dat wij die pauwenveer als een soort embleem moeten +beschouwen, het mooie schepseltje wil er zeker mede te kennen geven, +dat zij even schoon is en even erbarmelijk schreeuwt als een pauw.” + +„Ben je niet wat wreed voor haar?” vroeg Charly lachend. + +„Dat weet ik niet, maar ik geloof wel, dat ik rechtvaardig ben! Zij +heeft—ik zie niet in, waarom ik er een geheim van zou maken—een stem +als een gebarsten kindertrompetje, en ik geloof dat de indruk van haar +verschijning nog grooter zou zijn als zij haar mond dichthield.” + +„Waarom zingt ze eigenlijk in het Fransch?” + +„Op die vraag kan ik je geen antwoord geven, maar het is zeker, dat ze +voor 99 procent van de bezoekers evengoed in haar moedertaal kon +zingen. Ik heb een paar malen het woord Amour hooren uitgillen en +evenzoo vele malen het woord Douleur en dat is alles! Het vermoeden +ligt dus voor de hand, dat het een minneliedje is geweest. Maar wie +vraagt daar naar, als hij zulke schouders en zulke diamanten ziet?” + +Raffles was opnieuw opgestaan, en Charly drong nu niet langer aan om te +blijven, tot de pauze was aangebroken. + +Reeds aan de plaatsing op het programma was het te zien, dat Marja Ivy, +hoe kort zij ook aan het tooneel was, al vrij wat in de melk had te +brokkelen, want ieder Variété-artist weet, dat het voorlaatste en het +laatste nummer voor de pauze, en in wat mindere mate het eerste nummer +daarna verreweg de beste van het programma zijn, wat betreft de +stemming en de aandacht van het publiek. Maar het laatste nummer voor +de pauze spant in ieder geval de kroon naar het oordeel van ervaren +Variété-menschen. + +„Wat zullen wij doen?” vroeg Charly, toen de beide mannen de vestiaire +verlaten hadden, en de monumentale trap naar de vestibule afdaalden. + +„Wij kunnen mijnentwege nog een uurtje naar de club gaan, en dan maar +naar huis, ik moet een weinig nadenken.” + +„Nadenken over wat?” + +„Over de combinatie Lithauensch dienstmeisje en diamanten!” + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +HET WEB WORDT GESPONNEN. + + +Den volgenden morgen wijdden de bladen tamelijk lange besprekingen aan +het nieuwe programma in het Hypodrome-Theater en het leeuwendeel +daarvan was geweest aan Marja Ivy, de pas ontdekte ster. + +Maar Raffles was voldoende thuis in de wereld der journalistiek, om te +weten, dat verreweg de meeste van deze ophemelende artikelen niets +anders waren dan betaalde reclame, soms betaald in den vorm van groote +en dure advertenties. + +Naar het scheen had de bevallige Variété-diva reeds aan eenige +reporters een interview toegestaan, en allen spraken vol bewondering en +lof over haar „sympathieke verschijning”, haar „weergalooze gratie”, +haar „teedere liefde voor haar ouders”, welke zij thans zoo gelukkig +was te kunnen onderhouden, en „haar juweelen”. + +Toen Raffles dit alles gelezen had, schudde hij het hoofd en bromde +voor zich heen: + +„Merkwaardig, een zeer zeldzaam verschijnsel. Die liefde voor haar +ouders is werkelijk treffend, een jaar geleden was haar moeder al dood +en haar vader was een dronkelap die haar ranselde, en wien zij met +hetzelfde argument beantwoordde. Zij beklaagde zich steeds bitterder +over den kerel, en peinsde dag en nacht op de beste methode om van den +oorsprong van haar dagen af te komen, op een fatsoenlijke of een +onfatsoenlijke manier.” + +„Deksels, dan is dat lieve kind geen katje geweest om zonder +handschoenen aan te pakken,” riep Charly uit, die deze opmerking te +hooren kreeg, toen de beide vrienden tegenover elkander zaten in de +kleine eetzaal van het fraaie huis hetwelk Lord Aberdeen bewoonde in de +Regentstreet. „Zij vocht dus met haar vader?” + +„O, men kan het geen vechten noemen,” zeide Raffles vergoelijkend. „Zij +wierp hem slechts van tijd tot tijd een bijl naar het hoofd, waarmede +zij gewend was hout te kloven, of spande een ijzerdraad op een voet +hoogte tusschen de deurposten, tegen den tijd dat hij beschonken naar +huis kwam wankelen.” + +„Maar lieve hemel, dan was het een boosaardig schepsel,” riep Charly +verschrikt uit. + +„Toch niet, tenminste niet boosaardiger, dan iedere vrouw over het +algemeen,” vervolgde Raffles kalm. „Vergeet niet, dat wij in Lithauen +zijn, dat zij van hartstochtelijk Slavisch bloed is, en dat men +daarginds een anderen maatstaf aan legt dan in ons land van mist en +regen.” + +„Maar hoe weet je dat dan toch allemaal?” + +„Wel, omdat zij het zelf heel vaak als een goede grap kwam vertellen, +terwijl zij bij het middagmaal bediende. Ik heb haar zelfs wel eens +tranen zien lachen, toen zij verhaalde hoe zij haar vader met een bijl +in zijn voet had geraakt, en daarbij ronddanste als een beer op de +kermis, en dat deed zij dan heel plastisch na.” + +„Nu, over de kinderliefde heerschen daar naar het schijnt nog al +eigenaardige opvattingen,” zeide Charly schouderophalend. „In ieder +geval schijnt het niet heel en al juist te zijn, wat de heeren +reporters beweren betreffende die teedere liefde jegens hare ouders.” + +„Neen, het strookt inderdaad niet geheel en al met de waarheid!” +beaamde Raffles, met een ironisch glimlachje. „Maar het staat goed, en +het omgeeft de jonge vrouw met een aureool van sympathie. Denk eens +aan, een gevierde, op de handen gedragen, Variété-artiste die iedere +week een deel van de zuur verdiende penningen naar het ouderlijke huis +stuurt, ver in het onherbergzame Polen. Ieder onbedorven hart moet zich +daar door ten diepste geroerd gevoelen. Apropos, heb je die kranten nog +gevonden, waar wij gisteren over gesproken hebben?” + +„Zij liggen in je werkkamer op je schrijfbureau.” + +„Merci. Dan ga ik ze dadelijk eens bestudeeren! Ik gevoel bepaald +behoefte iets meer te weten omtrent het voormalige dienstmeisje. Zij +boezemt mij om meer dan een reden groot belang in.” + +En met deze woorden stond Raffles op en begaf zich naar zijn werkkamer +op de eerste verdieping, een ruim, stemmig vertrek, dat als het ware +tot ingespannen hersenarbeid uitnoodigde. + +Een uur later verscheen hij in de bibliotheek, waar Charly zich onledig +hield met het bijhouden van een lijvig register, volgepakt met +krantenuitknipsels. + +„Waar is het groote fotografie-toestel, Charly?” vroeg Raffles. + +Charly keek eenigzins verbaasd op, en antwoordde: + +„Dat moet in de donkere kamer staan, op zolder! Wij hebben het in +langen tijd niet gebruikt, je vond het een weinig onhandelbaar. Wil ik +het voor je halen?” + +„Daarmee zul je mij een pleizier doen. Breng dan meteen den insteldoek +en het statief mee, en doe eenige gevoelige platen in de cassettes.” + +„Ga je naar buiten om wat te fotografeeren?” + +„Ik ga fotografeeren, maar niet naar buiten, ik ga foto’s maken van +Marja Ivy.” + +„Maar mijn hemel, in iederen boekwinkel kun je er zooveel krijgen als +je er hebben wilt voor een paar pence.” + +Raffles haalde eenigzins ongeduldig de schouders op. + +„Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar daarom is het mij niet te doen. +Ik wil haar fotografeeren, omdat ik eens wil zien hoe zij behuisd is, +en hoe haar diamanten behuisd zijn.” + +„Maar Edward, zou je het in ernst voorzien hebben op de juweelen van +die jonge vrouw?” + +„Je legt den nadruk op haar geslacht, Charly, alsof zij een onnoozel, +onschuldig wicht is, een arm weesje onder den druk van een slechten +voogd of iets dergelijks. Ik voor mij acht haar niet bijzonder veel +zaaks, een hartelooze vrouw, wie het alleen te doen is om veel geld en +veel kostbaarheden, en die van minnaar verandert, zoo als wij een +schoonen zakdoek nemen.” + +„Maar misschien moet zij met die steenen wel haar brood verdienen, +Edward.” + +„Goede hemel, neen, mijn waarde!” ging Raffles voort. „Houdt op met die +sentimentaliteiten. Er is geen kwestie van brood verdienen. Zij treedt +in een variété op, eenvoudig om des te beter en des te gemakkelijker de +aandacht op zich te kunnen vestigen, zij heeft die steenen te danken +aan haar blanke huid, haar fraaie beenen en het doorzichtige hemdje dat +zij draagt, dat is de zuivere onopgesmukte waarheid. Denk je soms, dat +een theaterdirecteur haar zou engageeren als zij er op stond in een +ochtendjapon op te treden? Wel man, men zou haar vragen of zij niet +goed bij haar verstand was, als zij maar even haar mond had open +gedaan. Je zult toch niet durven volhouden, dat jij haar bijvoorbeeld +om haar stem zou engageeren?” + +„Ik moet erkennen.......” begon Charly stamelend. + +„Je moet erkennen, dat haar liedjes klinken alsof er met een diamant +over een ruit gekrast wordt, en dat je wel stapelgek zoudt zijn, als je +haar ook maar een avond zoudt laten optreden, wanneer zij niet met haar +pauwenveeren en haar korte tunica kon rondloopen. Maar hoe het ook zij, +ik wil eerst eens nader onderzoek bij haar doen. Misschien verander ik +nog wel van idee, misschien is zij beter dan haar faam. En nu dat +toestel, als ik je verzoeken mag.” + +Charly stond op, verliet het vertrek, en keerde eenige oogenblikken +later terug met een notenhouten camera van groot formaat en een tasch +van waterproof waarin een drietal plaathouders zaten, die ieder twee +platen konden bevatten. + +Ook had hij een drieledig, zwaar statief bij zich. + +Raffles bekeek een en ander, en bromde tevreden: + +„Het ziet er nog heel goed uit. Nu nog het stel lenzen, en dan ga ik +als fotograaf voor een of ander tijdschrift er op uit.” + +„Maar als ze weigert je te ontvangen?” + +„Dat zou ze misschien over een paar jaren doen, maar nu staat zij nog +aan het begin van haar loopbaan en zij moet reporters en fotografen te +vriend houden.” + +„Maar je zult je toch hoop ik vermommen?” + +„Ik zal mij herscheppen tot een artistiek man, Charly!” zeide Raffles +hoogdravend. + +Hij begaf zich naar zijn slaapkamer, opende de geheime kast waarin zich +zijn talrijke kleederen en uniformen bevonden en begon daarna met +groote zorgvuldigheid zijn gelaat onder handen te nemen. + +Hij gebruikte daarbij geen gewone schmink, zooals acteurs en pas +beginnende detectives aanwenden, en die voor ieder scherp oog reeds op +een paar meters afstand te onderkennen is, maar kleurmiddeltjes van +zijn eigen vinding, die de huid niet aantasten, en er toch een geheel +andere kleur aangeven. + +Tenslotte zette hij een pruik met lang haar op, zoo voortreffelijk +nagemaakt, dat zelfs voor het meest geoefende oog het bedrog niet te +ontdekken viel en schoot een bruin fluweelen jasje aan. + +Een slappe hoed voltooide zijn costuum en aldus vermomd, begaf hij zich +naar de bibliotheek waar Charly hem met een lachenden uitroep van +verbazing ontving. + +„Bevalt mijn uiterlijk je?” vroeg Raffles lachend. + +„Ik zou geen enkele aanmerking kunnen maken, Edward. Als je mij vreemd +was, en je stelde mij de vraag, welk beroep je uitoefende, dan zou ik +zonder aarzelen uitroepen: „Photograaf”. Zelfs je handen wijzen er op, +die rouwrandjes aan de nagels, die ruwe vingertoppen en die bruine +vlekken van den ontwikkelaar. Ik moet zeggen, het is prachtig.” + +„Ik dank je voor het compliment, Charly, en ik ga er nu maar aanstonds +op uit.” + +„Maar het is nog geen elf uur, je kunt haar nu onmogelijk bezoeken, +Edward.” + +„Ik ga er ook niet regelrecht naar toe, ik wil eerst eens wat in den +omtrek neuzen, en het hotel Cecil, waar zij logeert, een weinig in het +oog houden.” + +„Ik zal dan niet op je behoeven te wachten met de lunch?” + +„Neen, ik zal daar in de buurt wel wat eten.” + +Raffles drukte Charly de hand ten afscheid, hing de tasch met platen +over den schouder, nam het zware toestel en den driepoot op, en stak +het etui met lenzenstel in zijn zak en verliet het vertrek. + +Hij ging het huis nu echter niet uit door de voordeur, maar stak den +tuin over, aan alle zijden door dicht struikgewas en hooge boomen +omgeven, en verliet hem weder door een kleine tuinpoort, die in een +zijstraat uitkwam, waar zich maar hoogst zelden iemand vertoonde. + +Hij liep deze straat teneinde, en wachtte tot er een onbezette huurauto +zou passeeren. + +Eenige minuten later was hij onderweg naar het Strand. + +Daar in het duurste en weelderigste hotel van Londen, logeerde Marja +Ivy en reeds hadden de bladen weten te vertellen, dat zij voor de drie +kamers welke zij bewoonde, 15 pond sterling per dag moest betalen, wel +te verstaan zonder ontbijt of eenig ander voedsel. + +Raffles slofte met zijn zwaar toestel naar een klein restaurant, +tegenover het beroemde hotel gelegen, en legde zich daar als het ware +in hinderlaag. + +Veel bijzonders zag hij echter niet, maar er werden drie ruikers +gebracht en twee groote bloemstukken maar die konden natuurlijk +evengoed voor een andere bewoonster van het hotel zijn. + +Van Marja Ivy zelve zag hij niets, en hij leidde daar uit af, dat zij +nog wel in het hotel zou zijn en haar kamers nog niet verlaten had. + +Tegen twee uur stond hij op en verliet het restaurant. + +Hij ging het deftige hotel binnen maar werd bijna aanstonds +tegengehouden door den zwaarlijvigen portier, in een groen livrei +gestoken die hem tamelijk barsch vroeg, wat hij kwam doen. + +Raffles trok een beleedigd en een boos gezicht en antwoordde: + +„Sedert wanneer is het gewoonte, dat men den fotograaf van „The Scotch” +vraagt wat hij komt doen? Natuurlijk kom ik iemand fotografeeren! Is +mejuffrouw Marja Ivy nog op haar kamer?” + +„Dat is zij wel, maar ik denk niet, dat zij u zoo maar zal ontvangen! +Er zijn al meer fotografen geweest!” + +Raffles haalde minachtend de schouders op. + +„Er zijn fotografen en fotografen, goede man!” zeide hij hooghartig. +„Je zult mij toch zeker niet met de lieden van niemendal willen +vergelijken? Bovendien, ik word verwacht!” + +„Dan is het wat anders!” hernam de portier. + +„Tweede verdieping, eerste gang rechts, nummers 87 en 88!” + +„Dank je, vriend, dank je!” zeide Raffles. „Ik zal het nu wel vinden!” + +En met zijn toestel beladen besteeg hij de trappen en klopte toen aan +op de deur, die het nummer 87 droeg. + +Een koket kamermeisje deed de deur open op een kier slechts, als moest +zij reeds bij voorbaat het indringen van ongewenschte personen +beletten. + +„De mise-en-scène is prachtig!” mompelde Raffles voor zich heen. „Men +zou zweren, dat men bij Sarah Bernard of bij Zijne Majesteit in persoon +op audientie komt!” + +En luid vervolgde hij, zich tot het kamerkatje wendende: + +„Schoon kind, ik ben fotograaf, en ik vraag om de gunst, uw meesteres +te mogen fotografeeren, echter niet zooals Jan en Alleman het +gewoonlijk doet, neen, ik wil er iets bijzonders van maken, ik wil +madame kieken in haar dagelijksche omgeving, met haar katjes en haar +hondjes, haar todjes en haar vodjes, haar strikjes en haar kwikjes!” + +Het lieve kind achter de deur had met niet geringe verbazing naar deze +korte toespraak geluisterd en zeide nu, met een sterk buitenlandsch +accent en in het miserabelste Engelsch dat men zich kan denken: + +„Ik zal het aan madame gaan vragen, u lijkt mij wel een grappenmaker!” + +„O, schoon meisje, je vleit mij,” riep Raffles uit, en met moeite, +wegens het zware toestel en het statief, streek hij het kamermeisje +onder de poezele kin. „Zeg aan madame, dat hier iemand staat, die haar +een portret zal leveren waarbij vergeleken al het andere prulleboel uit +een kermistentje is!” + +Proestend verwijderde het jonge ding zich, maar Raffles behoefde niet +lang te wachten. + +Eenige oogenblikken later keerde zij weder terug en hield de gangdeur +voor Raffles open. + +„Madame verwacht u!” zeide zij opgeruimd. „Ik heb gezegd, dat u zeker +wel iets goeds zoudt maken!” + +„Dat is buitengewoon vriendelijk van je, schoone maagd!” zeide Raffles, +terwijl hij binnentrad, en achter het meisje naar een fraai gemeubeld +vertrek ging, waar Marja Ivy zich bevond. + +De variété-danseres droeg nog een morgengewaad, zeer ruim, en van +soepele zijde vervaardigd, en Raffles moest erkennen, dat zij er in de +hoogste mate verleidelijk en bekoorlijk uitzag. + +Zij zat op een rustbank, en naast haar lagen twee prachtige +Pekineesjes, die Raffles met hun ronde oogen en van onder het lange +haar nieuwsgierig aangluurden. + +Op het haardkleedje lag een schoone Angora-kat te slapen, en voor een +der ramen stond een standaard met een groote koperen kooi, waarin een +kakelbonte papegaai heen en weder sprong, die nu en dan een origineelen +Franschen vloek liet hooren. + +Marja stond tamelijk onverschillig op, en legde het dagblad weg, waarin +zij had zitten lezen, toen het bezoek werd aangekondigd. + +„U wenscht mij te fotografeeren, mijnheer?” vroeg zij, thans in het +Fransch, maar met een onmiskenbaar Slavisch accent. + +„Ik verzoek om die eer, madame!” antwoordde Raffles. + +„Voor welk blad is het?” + +„Ik werk niet speciaal voor een blad, madame! Ik bind mij niet! Die er +het geld voor kan en wil missen, om de producten van mijne buitengewone +vaardigheid te koopen, die krijgt mijn foto’s, de anderen publiceeren +voddengoed!” + +Een glimlach plooide zich om de roode lippen van de jonge vrouw bij +dezen uitval, en daarop hernam zij: + +„Gij wildet mij in deze kamer, in mijn eigen omgeving fotografeeren, +zooals mijn dienstmeisje mij zegt?” + +„Ja, Madame!” + +„Geen kwaad denkbeeld, maar haast u dan wat; want ik ontvang zoo +aanstonds bezoek!” + +„Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen, madame!” zeide Raffles. + +Hij begon ijverig zijn tasschen te ontpakken, schroefde het toestel op +den driepoot, bevestigde er een der objectieven op, maar liet +ondertusschen zijn spiedende blikken aandachtig door het vertrek +dwalen. + +Van de juweelen zag hij niets, die waren op dit oogenblik zeker veilig +opgeborgen. + +De jonge vrouw droeg alleen eenige ringen van groote waarde, en een +gouden armband om een van haar tengere polsen. + +Heur haar was bijzonder hoog opgemaakt en kroonde als een helm het fijn +gevormde hoofd. + +Maar de groote oogen hadden een harden, onaangenamen glans, die Raffles +niet aanstond, en die volgens hem de uitdrukking van het schoone +gezicht niet weinig benadeelde. + +Met het geoefende oog van den kunstenaar had Raffles spoedig een +bevallige groep weten samen te stellen, de jonge vrouw half uitgestrekt +op den divan, een tijdschrift in de hand van den slap neerhangenden +arm, een der rashondjes in haar anderen gekromden arm, het tweede aan +haar voeten, de Angora op haar schoot. + +Raffles stelde in, kroop daarbij onder den insteldoek, en maakte +vervolgens een paar opnamen. + +„Denkt gij, dat de foto’s goed geslaagd zijn, mijnheer?” vroeg de +danseres, terwijl Raffles begon zijn toestel weer in te pakken. + +„Daar ben ik zeker van, madame!” antwoordde Raffles. „Hoe zou het ook +anders kunnen met zulk een dankbaar onderwerp.” + +Juist had hij dit compliment geuit, toen er op de deur werd geklopt, en +het dienstmeisje haastig ging zien wie er was. + +Even later trad er een flatterig heerschap binnen, ongeveer veertig +jaar oud, reeds bijna geheel kaal, met een groote monocle in het oog +geklemd, en naar den laatsten smaak gekleed. + +Hij torste een geweldigen ruiker, en bleef even op den drempel in de +deur staan, blijkbaar onaangenaam verrast bij het zien van den +fotograaf. + +„Kom toch binnen, graaf!” noodigde de jonge vrouw den bezoeker uit. +„Wat blijf gij daar staan, alsof gij geen tien kunt tellen.” + +Buigend en zijn keel schrapend trad de graaf binnen. + +Hij legde zijn hoed op een klein tafeltje, en trad toen met den ruiker +op Marja toe. + +„Mag ik u deze bloemen aanbieden als een bewijs van mijn geringe +hoogachting— — —als een gering bewijs van mijn hoogachting!” verbeterde +hij haastig en met een rauw keelgeschraap. + +Marja barstte in lachen uit en zeide: + +„Leg het bewijs van uw geringe hoogachting maar op dien stoel, graaf! +Ik dank u!” + +De bezoeker had Raffles zien glimlachen en trad nu met een grimmig +gezicht op hem toe. + +„Zijt gij spoedig gereed, mijnheer?” vroeg hij op onbeschaamden toon. +„Dan is uw aanwezigheid hier niet langer gewenscht!” + +Raffles liet langzaam de tasch zakken, die hij had opgenomen, en keek +den graaf en vervolgens de jonge Lithausche vragend aan. + +Daarop zeide hij bedaard: + +„Het spijt mij, mijnheer, maar ik ben niet gewend, mij te overhaasten!” + +„Dan zult gij zoo goed zijn, het bij deze gelegenheid te doen!” snauwde +de bezoeker. „Uw taak is nu verricht zou ik denken, en wij kunnen u nu +wel missen!” + +„Wij?” herhaalde Raffles rustig. „Spreekt gij ook voor madame? Hoe weet +gij zoo zeker, dat zij mij weg wil hebben? Het is best mogelijk, dat +zij iedere minuut, die ik langer blijf, in haar hart zegent!” + +„Maar bij Jove, de kerel wordt brutaal!” schreeuwde de graaf, die zijn +ooren niet scheen te kunnen gelooven. „Pak u nu aanstonds weg als gij +niet wilt, dat ik mijn rotting op u laat neerdalen!” + +Tot groote verbazing van Marja Ivy, en misschien wel tot haar inwendig +vermaak, zette Raffles zijn tasch op den grond, en kwam langzaam naar +den graaf toe. + +Vlak voor hem stond hij stil en toen klonk het rustig van zijn lippen: + +„Nog voor gij uw rotting zoudt hebben opgeheven, mijnheer, zou ik u in +het gezicht hebben geslagen! Denkt gij soms, dat een fotograaf maar +alles van u lieden verdraagt? Dan hebt gij het mis! Gij zijt een +onbeschaamde vlegel, als gij dan bepaald mijn oordeel over u vernemen +wilt!” + +Krijtwit was de graaf achteruit getreden. + +De wandelstok ging de hoogte in, maar voor hij nog kon nederdalen, was +de vlakke hand van den gewaanden fotograaf met zulk een kracht op de +bleeke wang van den ander nedergedaald, dat de klap zeker eenige kamers +verder te hooren was, en de wang als bij tooverslag veel dikker werd +dan zij oorspronkelijk was geweest! + +„Dat... dat...” stotterde de geslagene, die nauwelijks besefte, wat hem +overkomen was, „dat zal u berouwen! O, als gij slechts van mijn stand +waart, ik zou u onmiddellijk uitdagen!” + +„Maar kunt gij dan niet voor eenige oogenblikken doen, alsof ik +inderdaad van uw stand was, mijnheer de graaf?” vroeg Raffles zonder de +minste stemverheffing. „Ik ben dan gaarne tot uw dienst!” + +„Wat? Den degen kruisen met een... fotograaf?” riep de bezoeker op +schellen toon uit. „Ik zou mij voor altijd blameeren. Neen, mijnheer, +ik kan niet met u vechten, maar ik tref u met mijn minachting!” + +„Nu, dat is tenminste al vast iets!” hernam Raffles koeltjes. „Daarmee +zal ik dan genoegen moeten nemen, voorloopig, want, mijnheer de graaf,” +Raffles trad bij deze woorden nog dichter op den ander toe, „want +misschien komt er wel een tijd, dat gij met mij kunt vechten, zonder u +al te zeer te encanailleeren!” + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +HET IDEAAL VAN MARJA IVY. + + +Raffles had zijn platen dadelijk ontwikkeld, nadat hij was terug +gekeerd van den tocht, die zoo eigenaardig geëindigd was, en tot zijn +voldoening waren zij voortreffelijk uitgevallen. + +Als hij werkelijk fotograaf was, zou hij geen oogenblik behoeven te +vreezen, dat hij deze uitstekende opnamen niet dadelijk zou verkoopen +aan de beste geïllustreerde tijdschriften. + +Nu vergenoegde hij er zich mede, er een paar afdrukken van te maken, en +daar mede naar het Hotel Cecil te gaan, waar Marja Ivy hem reeds met +eenig ongeduld scheen te wachten, waaruit overduidelijk bleek, dat zij +nog pas aan den aanvang van haar schitterende loopbaan stond. + +De jonge vrouw toonde zich zeer ingenomen met de foto’s en bestelde er +dadelijk een dozijn van, tegen een half pond per stuk. + +Geld scheen er voor haar in het geheel niet op aan te komen, wanneer +het gold, reclame voor haar eigen dierbaar persoontje te maken. + +Twee en zeventig pond rijker verliet Raffles het hotel weder. + +Een oogenblik had hij er over gedacht, reeds nu zijn slag te slaan, +maar verschillende redenen verzetten zich daartegen. + +Ten eerste was er een voortdurend komen en gaan op de verdieping, waar +zich de weelderige vertrekken van Marja Ivy bevonden, ten tweede +verliet het dienstmeisje geen oogenblik het neven-vertrek, ten derde +wist Raffles in het geheel niet waar de jonge vrouw haar fraaie +diamanten bewaarde, en ten slotte wilde hij eerst iets meer van haar +weten, van haar inborst en van de wijze waarop zij omsprong met het +blijkbaar zeer gemakkelijk verdiende geld. + +Toen hij na veel plichtplegingen vertrekken wilde, hield het +bekoorlijke dienstmeisje hem staande in het voorvertrek. + +Zij keek omzichtig om zich heen, ten einde zich te vergewissen, dat zij +niet beluisterd werd, en vroeg toen op zacht gefluisterden toon: + +„Gij zijt zeker goed bekend in uw vaderstad, mijnheer de fotograaf?” + +„Dat zou ik meenen, schoon meisje!” antwoordde Raffles, wel een weinig +verbaasd over deze vraag. + +Maar de volgende zou hem nog heel wat meer verrassen! + +Het kamerkatje ging op haar teenen staan, teneinde haar mond zoo dicht +mogelijk bij het oor van den gewaanden fotograaf te kunnen brengen, en +vroeg toen: + +„Weet gij ook, of de Prins van Wales een minnares heeft?” + +Raffles verwonderde zich niet spoedig ergens over, daarvoor behoedde +hem een leven vol van de vreemdste ervaringen, maar deze vraag deed hem +toch even verbluft staan, vooral omdat zij zoo onverwacht kwam. + +Toen kwam zijn antwoord: + +„Heel precies zou ik het u niet kunnen zeggen, lief kind, maar ik +geloof het haast niet! Zoo iets is geen gewoonte in ons land!” + +De soubrette haalde minachtend de schouders op en fluisterde: + +„Hij is toch jong en knap!” + +„Zeker, maar wij zijn hier niet in Spanje of in Portugal, of in een +ander land, waar dergelijke dingen nog al eens schijnen voor te komen!” + +„O, die puriteinen!” kwam het kamerkatje verachtelijk! „Nu, ik hoop, +dat madame daar een eind aan zal maken, dat is alles!” + +„Madame?” herhaalde Raffles verwonderd. „Wat heeft die er mede te +maken?” + +Het kamermeisje trok een gezicht als iemand die zich een weinig +versproken heeft. + +„Och, ik zeg maar zoo...” stamelde zij. „Madame heeft zoo’n voorliefde +voor heel hooge heeren, ziet gij?” + +Er ging Raffles een licht op. + +Marja Ivy scheen bijzonder gesteld te zijn op „hooge heeren”, zooals +het bevallige kamerkatje zich uitdrukte, en zeer waarschijnlijk had zij +nu het oog laten vallen op niemand minder dan den Engelschen +troonopvolger, vandaar de indiscrete vraag van het meisje! + +Raffles kon ternauwernood een glimlach weerhouden, het denkbeeld, dat +aan het strenge, stijf deftig Engelsche hof zooiets als een publieke +minnarij van den troonopvolger zou worden geduld, die nog nauwelijks +den kinderschoenen was ontwassen kon alleen opkomen in het hoofdje van +een volslagen vreemdelinge in Jeruzalem! + +Maar reeds bracht het kamermeisje opnieuw haar mondje dicht bij het oor +van den fotograaf, en nu klonk haar vleiend stemmetje: + +„Er zijn morgen belangrijke wedrennen, nietwaar?” + +„Inderdaad, Miss!” antwoordde Raffles, die lont begon te ruiken. „Te +Hendon.” + +„Komt de troonopvolger wel eens op dergelijke sportbijeenkomsten?” + +„O ja! Hij is een echt sportsman in hart en nieren! Hij slaat geen +enkelen wedren van eenige beteekenis over!” + +„Zoo? Nu, dat valt mij nogal van hem mee, maar het andere, neen hoor, +als ik zoo jong en zoo knap was dan...” + +Wat zij dan zou doen, kwam Raffles niet te weten, want op dat oogenblik +klonk de scherpe stem van Marja Ivy, die haar riep. + +Maar voor zij kon heen vluchten, had Raffles haar snel gevraagd: + +„De naam van dien graaf, dien ik gisteren geoorveegd heb?” + +„Graaf Douglas Carwood! Hij is gek op madame, en zij houdt hem voor de +mal!” + +En met deze belangwekkende mededeeling snelde zij weg. + +In gedachten verzonken aanvaardde Raffles den terugweg naar zijn +woning. + +Marja Ivy reikte wel hoog. + +Dat was dus haar ideaal, den Engelschen troonopvolger tot minnaar te +hebben! + +Aldus wilde zij zeker Gaby Deslys overvleugelen, die het maar met een +koning van een klein land had moeten stellen, een koning, die niet eens +zijn troon had weten te behouden! + +Weer moest Raffles glimlachen. + +Zooiets was ondenkbaar aan het hof te Londen. + +Zeker, vroegere kroonprinsen hadden minnaressen gehad en wijlen Edward +VII. was verre van een puritein geweest, maar dat alles geschiedde in +groote stilte en men werd algemeen geacht van dergelijke dingen +volkomen onkundig te zijn! + +Maar het denkbeeld, dat kroonprins Albert op een renbaan, ten +aanschouwe van een duizendkoppige menigte zich zou afficheeren met een +variété-ster, die nog maar in haar opkomst was, dat was te dwaas om er +een oogenblik bij te kunnen stilstaan. + +Toch nam Raffles zich voor, den volgenden dag naar Hendon te gaan, en +daar eens te zien hoe de zaken zich zouden ontwikkelen. + +Haast had hij volstrekt niet, want Marja Ivy zou op zijn minst veertien +dagen in het Hypodrome-Theater blijven optreden en het was zeer +waarschijnlijk dat zij op het programma zou worden geprolongeerd, te +oordeelen naar het succes, hetwelk zij bij haar eerste optreden had +geoogst. + +Hij vond Charly in de biljartkamer, bezig met het oefenen van een +moeilijken massé-stoot. + +De jonge man zette evenwel zijn queue spoedig weg en vroeg: + +„Heb je een goede opdracht gekregen?” + +„Ik heb al mijn afdrukken meteen verkocht! Waarachtig, ik geloof dat +het baantje van fotograaf, vooral als men in de gelegenheid komt, mooie +variété-soubrettes te kieken, nog zoo slecht niet is!” + +„Was die gevaarlijke graaf van gisteren er weer?” + +„Ik heb den gek niet meer gezien! Misschien zal het uitgaan hem in den +eersten tijd wel wat moeilijk zijn vanwege zijn dikke wang!” + +„Maar ben je niet wat heel erg uit je rol gevallen, Edward?” riep +Charly lachend uit. + +„Ik geef toe, dat mijn optreden voor een fotograaf voor geïllustreerde +bladen wel een weinig brutaal en vreemd was, maar de graaf scheen dat +in zijn woede in het geheel niet te bemerken!” + +„En Marja?” + +„O, die lachte maar achter haar krant! Zeg eens, hebben wij plaatsen +voor de wedrennen van morgen, te Hendon?” + +„Dat spreekt van zelf; ik heb twee plaatsen voor het paddock, zoodat we +kunnen gaan en staan waar wij willen. + +„Uitstekend, dan zullen wij de komedie niet verzuimen. Ik ben werkelijk +benieuwd, of Marja daar zal verschijnen, maar vooral of zij inderdaad +een poging zal doen om in aanraking te komen met Prins Albert.” + +„Maar luister eens, Edward, het is toch wel eens meer voorgekomen, dat +een Variété-ster werd voorgesteld aan een prins van den bloede!” + +„Ongetwijfeld, al is het niet vaak geschied. Maar zij is nog geen ster, +zij staat nauwelijks aan het ondereinde van de ladder naar den roem, of +naar de befaamdheid, zooals je het noemen wilt. En dan, op een renbaan, +denk eens aan! Die Slavische dames schijnen alles maar voor mogelijk te +achten. Nu, wij zullen het morgen wel zien!” + +Den volgenden dag om elf uur in den morgen kwam de groote toerwagen +voorrijden, bestuurd door Henderson, die de beide vrienden naar Hendon +zoude brengen, waar dien dag belangrijke wedrennen plaats hadden. + +Het was een heerlijke dag, en zeer warm. + +Reeds op dat vroege uur was de breede straatweg naar het plaatsje +bedekt met talrijke voertuigen en wandelaars, die zich op het +middenterrein der renbaan van een goed plaatsje wilden verzekeren. + +Een uur later hadden Raffles en Charly de plaats van bestemming +bereikt, en stapten uit voor het grootste restaurant, waar zij de lunch +gebruikten. + +En zij zaten daar nog, onder het groote afdak van de veranda, toen er +een sierlijke landauer voorbijreed, bespannen met twee fraaie +Isabella’s, waarin Marja Ivy in al den glans van haar jeugd en haar +schoonheid gezeten was. + +Zij was in het wit gekleed en zij zag er waarlijk allerbekoorlijkst +uit, zooals zij daar bevallig achterover leunde en haar gelaat tegen de +brandende zonnestralen beschermde met een sierlijke parasol. + +Charly keek haar een oogenblik na en zeide toen op zachten toon: + +„Het is eigenlijk zonde en jammer, dat bekoorlijke schepseltje te +bestelen.” + +Raffles haalde de schouders op, en gaf ten antwoord: + +„Ik heb mij tot beginsel gesteld, mij bij mijn ondernemingen nooit te +laten beïnvloeden door het uiterlijk van mijn slachtoffers, en ik +geloof dat het een goed beginsel is! Inderdaad, waar zou het heen +moeten als ik alleen oude besjes en leelijke mannen zou mogen bestelen. +Mijn terrein van werkzaamheden zou wel beperkt worden, en dat zonder +eenige grondige reden. Als de vrouw die daar voorbijreed met harden +arbeid haar geld verdiend had, en een andere inborst had, dan zou ik +mij zeer waarschijnlijk nog wel eens bedenken, maar nu zal ik denkelijk +van gewetenswroeging weinig last hebben, wanneer ik haar beurs wat +verlicht. Zij kan het gemakkelijk missen, omdat zij het gemakkelijk kan +krijgen. Heb je al eens naar de omstandigheden van die Marja Ivy +geïnformeerd, zooals ik je verzocht heb?” + +„Ik heb er een aanvang mede gemaakt, en zij moet inderdaad Sonja +Malakoff heeten, zooals je inderdaad vermoedde. En dat haar moeder dood +is en haar vader een dronkenlap komt ook uit. Zij heeft nog zusjes en +broers, maar daaraan laat zij zich al heel weinig gelegen liggen. Zij +moet zich al eens uitgelaten hebben dat zij liever zelf in een +armenhuis ging, dan ooit een penny aan haar vader te sturen, die het +geld toch dadelijk door zijn keel zou jagen. En voor de rest, heeft ze +zoo jong als ze is reeds een tiental aanbidders gehad, die zij allen +behoorlijk geplukt heeft.” + +„Nu, heel veel zaaks schijnt onze Marja dus niet te zijn,” hernam +Raffles onverschillig. „En laten wij nu maar gaan, want ik geloof dat +het vol zal loopen.” + +De beide mannen stonden op en verlieten het restaurant om weder in de +auto te stappen, die hen tot op de renbaan bracht en zich vervolgens +ging voegen bij de honderden automobielen, die reeds op de daartoe +bestemde plek verzameld waren. + +De toegangsbewijzen van de beide vrienden gaven hun het recht om zich +overal te bewegen en zij konden plaats nemen op de groote tribune tegen +over den eindpaal of voor het hek, dat de renbaan afscheidde van het +terrein. + +Het was reeds zeer vol, want het was een der eerste rendagen van het +seizoen, en het weder werkte mede. + +Raffles wierp een blik op de koninklijke loge, zij was op dit oogenblik +nog leeg. + +De groote tribune echter was bijna geheel bezet, en men zag daar keur +van lichte en fraaie toiletten, gedragen door de bloem van de +vrouwelijke aristocratie. + +De heeren waren allen in grijs jacket gestoken, en met den grijzen +hoogen hoed zooals dat op de Engelsche renbanen bijna een traditie is +geworden. + +Verder droegen zij de onvermijdelijke witte slobkousen en het even +onmisbare rottinkje. + +Raffles en Charly hadden nog geen honderd stappen gedaan, of daar kwam +Marja Ivy aanwandelen, in gezelschap van graaf Douglas Carwood. + +De beide vrienden liepen kalm door, want zij wisten wel, dat zij geen +gevaar liepen om te worden herkend, Raffles zag er nu heel wat anders +uit dan toen hij de rol van den fotograaf vervulde. Hij was eenvoudig +Lord William Aberdeen en als zoodanig groetten hem ook de leden van de +Windsor Club, die hun Vice-President herkenden. + +Graaf Carwood stapte trotsch als een pauw aan de zijde van de schoone, +jonge vrouw voort, overtuigd, dat hij het voorwerp was van veler nijd +en afgunst. + +Wat Marja betreft, zij wierp herhaaldelijk een schuinschen blik naar de +koninklijke loge, en scheen geen aandacht te hebben voor hetgeen haar +metgezel haar zeide. + +Toen zij voorbij waren kwam Charly glimlachend: + +„Misschien rekent zij wel op Carwood, om haar aan den kroonprins voor +te stellen. Je weet immers dat hij vrij goed bekend is met Prins +Albert?” + +„Ja, zij hebben in hetzelfde regiment gediend,” antwoordde Raffles. +„Toen prins Albert kolonel was van de Queens Own Cameron Highlanders, +toen was onze graaf eerste luitenant bij dat regiment.” + +„Zou hij werkelijk zoo gek zijn om een poging te doen haar onverhoeds +aan den kroonprins voor te stellen?” + +„Daaraan valt immers niet te denken,” antwoordde Raffles. „Hij zou zich +voor goed onmogelijk maken aan het hof.” + +„Maar wacht eens, graaf Douglas Carwood, dat is dus de man, met wien je +gisteren die kleine uiteenzetting hebt gehad in de kleine logeerkamer +van Marja Ivy.” + +„Ja Charly, dat is hij! En ik moet je eerlijk zeggen, dat ik een +zonderlinge kriebeling in mijn handpalm voelde, toen ik het heerschap +voorbij liep.” + +Juist had Raffles dit gezegd, toen er buiten de renbaan een luid +gejuich opging, en een oogenblik later draaide met een stouten zwaai +een geweldig groote auto het hek binnen, die stil hield voor de groote +tribune. + +Uit den wagen stapten kroonprins Albert en zijn persoonlijke adjudant +graaf Herbert Lodge. + +Met vlugge stappen, nu en dan zijn hoed afnemend voor het gejuich dat +hem begroette, beklom prins Albert de trappen, die naar zijn loge +voerden, en zoodra hij gezeten was, en zijn adjudant hem met een +buiging een programma had ter hand gesteld, nam de ren een aanvang. + +Raffles en Charly hadden hun positie gekozen ongeveer halverwege de +breede trap, die terzijde van de groote tribune naar boven loopt, en +konden van daar zoowel de koninklijke loge als het paddock goed +overzien. + +En zoo bemerkten zij, dat Marja Ivy nog altijd heen en weer liep, +steeds in gezelschap van graaf Carwood. + +Maar de paarden schenen haar volstrekt niet te interesseeren, zij hield +den blik van haar groote, violetzwarte oogen bijna aanhoudend gevestigd +op de loge van prins Albert, die vol belangstelling door zijn kijker de +races volgde. + +Toen brak de pauze aan, en volgens zijn gewoonte, daalde de prins de +treden af en mengde zich ongegeneerd onder het deftige publiek, maar +steeds vergezeld van zijn adjudant. + +„Zij is een goede stratege,” zeide Raffles vol bewondering, toen hij +zag, dat Marja Ivy zoodanig manoeuvreerde dat zij schijnbaar onbemerkt +tot vlak in de nabijheid van prins Albert kwam. + +Een paar oogenblikken later stootte zij den troonopvolger schijnbaar +bij ongeluk aan, zoodat deze zijn kijker liet vallen. + +„Knap gedaan!” zeide Charly vol bewondering. „Heel handig gedaan!” + +„Toegestemd, maar het resultaat is belabberd!” voegde Raffles er aan +toe. + +Inderdaad, Marja Ivy had heel weinig succes van haar goed gevonden +trucje. Zij had zich snel naar den kijker gebukt om hem op te rapen, en +aan den kroonprins ter hand te stellen, maar de adjudant was haar reeds +voor geweest en had het voorwerp opgeraapt. + +Toen richtte de jonge vrouw, blijkbaar om zich te excuseeren, een paar +woorden tot den kroonprins en tenslotte maakte zij een diepe buiging +waarvan zij meende te kunnen vermoeden dat de prins haar met +welgevallen zou gade slaan. + +Maar toen zij zich weder uit haar diepgebogen houding oprichtte, moest +zij tot haar teleurstelling en woede ervaren, dat de prins alweder +minstens tien passen verder en op dit oogenblik al weer in gesprek was +met een verbazend zwaarlijvigen generaal, blinkend van gouden +versierselen. + +Zijn adjudant scheen hem zeer haastig een paar woorden te hebben +toegefluisterd en keek nu met ijskoude blikken naar de +beklagenswaardige Variété-danseres, die zich op de lippen beet, woedend +de kleine vuisten balde, den graaf onder den arm nam en hem zoo haastig +met zich meevoerde, dat er van de correcte houding van haar +tegenwoordigen minnaar zoo goed als niets meer overbleef. + +Spoedig waren zijn fladderende jaspanden en zijn hooge grijze hoed +onder het publiek verdwenen, dat het paar, voor zoover het getuige van +het kleine tooneeltje was geweest, met spottende blikken vol +leedvermaak nakeek. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +BIJ GEBREK AAN BROOD..... + + +Slechts weinige bladen bevatten den volgenden morgen eenige stekeligen +opmerkingen naar aanleiding van het gebeurde op de renbaan aan het +adres van de onbescheidene Variété-Diva, maar verreweg de meeste bladen +hadden het incident zelfs niet vermeld, en dat bracht de jonge vrouw +misschien nog meer in woede dan al het andere. + +Veel liever had zij gehad, dat men haar de huid had volgescholden, dan +was tenminste de aandacht op haar gevestigd. + +Zij begreep nu echter wel, dat zij iedere poging om indruk te maken op +prins Albert gerust kon laten varen, en zij gaf uiting aan haar +teleurstelling en gekwetste ijdelheid door den jongen kroonprins een +geheele reeks uitgezochte scheldwoorden in haar moedertaal naar het +hoofd te werpen, terwijl zij gezeten was voor haar kaptafel en het +kamermeisje met vaardige hand heur haar kapte. + +„Een stokvisch, een ijsblok, een ongelikte beer, een man zonder een +grijn tactgevoel!” riep zij maar. „Een houten klaas, de dood van +Pierlala, en dat is zeven en twintig jaar! Hemeltje lief, wat beleven +wij toch een vreemden tijd!” + +„Misschien trekt hij nog wel bakzeil, madam,” gaf het kamerkatje +wijsgeerig te kennen. + +„Dat denk ik niet, Mirza,” zeide Marja hoofdschuddend. „Ik vergis mij +niet spoedig in de houding van de heeren der schepping. Hij behandelde +mij alsof ik lucht voor hem was, dat hij op zijn weg tegen kwam.” + +Zij trappelde ongeduldig met haar hooggehakte pantoffeltjes op het +dikke vloerkleed, en wilde wederom een nieuwe reeks krachttermen aan +het adres van den troonopvolger lanceeren toen er op de deur werd +geklopt van de voorkamer. + +„Ga eens zien, wie daar is, Mirza,” beval Marja humeurig. „Als het die +vervelende Carwood is, stuur je hem maar weer weg. Ik kan hem op het +oogenblik niet verdragen. Die man werkt op mijn zenuwen.” + +Mirza ging door de voorkamer naar de gangdeur, opende die en vond daar +een etagekellner die haar een visitekaartje ter hand stelde. + +Het meisje wierp er een vluggen blik op en las den naam van „Graaf +James Colebrooke”. + +„Wat wil de graaf?” vroeg het meisje. + +„Wel, je meesteres een bezoek brengen denk ik,” antwoordde de kellner. + +„Om twaalf uur in den morgen? Waarom niet liever in het holste van den +nacht,” riep Mirza verontwaardigd uit. + +„Hij zegt, dat hij om een zaak van belang komt.” + +Het kamermeisje haalde de schouders op en ging met het visitekaartje +naar haar meesteres. + +Na eenig geparlementeer kreeg de graaf toestemming om binnen te komen. + +Marja dacht er evenwel niet aan haar bezigheden te staken, maar liet +haar kamermeisje doorgaan met het opmaken van haar prachtig haar. + +Binnen trad nu een man in de kracht van zijn leven, maar met reeds +gebogen rug, een groote kale plek op het hoofd, een verlepte kleur en +slappe gelaatstrekken, knipperende oogen die hij steeds half dicht +kneep daar hij blijkbaar zeer bijziende was, en onberispelijk gekleed. + +Met een krakende stem, terwijl hij op den drempel van de deur bleef +staan, zeide hij: + +„Duidt het mij niet kwalijk, madame, als ik u nog voor de lunch een +bezoek breng. Ik weet echter wel, dat artisten het niet zoo nauw plegen +te nemen zelfs wanneer zij zoo hoog in aanzien zijn als gij.” + +De diva had zich half op haar stoel omgewend, en keek nieuwsgierig naar +de dorre schrale figuur, die wel uit hout gesneden leek te zijn, het +vale gezicht en de rood omrande oogen. + +Toen vroeg zij half spottend: + +„Is u een graaf?” + +„Een authentieke madam. Ik erken echter, dat ik misschien een weinig te +haastig geleefd heb, en misschien wel wat te veel geld heb uitgegeven, +maar dat komt meer voor in onze kringen. Wilt gij mij toestaan terzake +te komen?” + +„Ga uw gang, graaf, maar maak het kort, wat ik u verzoeken mag!” + +En toen de bezoeker een schuinschen blik wierp op Mirza, die nog altijd +ijverig het glanzende zwarte haar borstelde, vervolgde zij: + +„Voor mijn kamermeisje heb ik geen geheimen, gij kunt vrijuit spreken.” + +„Nu als dat het geval is, dan zal ik van die vrijheid gebruik maken, +madame.” + +Op een uitnoodigend gebaar van de schoone jonge vrouw nam graaf +Colebrooke plaats, schraapte zijn keel eens, en begon met zijn +krakende, heesche stem: + +„Ik was gisteren op de renbaan te Hendon, hm! Goede sport, mooie +vrouwen, beste paarden, enzoovoort, hm! Ik had ook het genoegen u daar +te zien, ik herkende u natuurlijk dadelijk, kon niet missen, +bekoorlijke trekken, zeer sierlijk costuumpje, enzoovoort, hm! Was ook +willekeurig getuige van het kleine intermezzo met den kijker, moest +dadelijk getuigen, kranig gevonden, zeer adrem, kolossaal handig, +enzoovoort, hm!” + +De diva zat een oogenblik in beraad of zij zich driftig zou maken, maar +er was iets in de stem van den bezoeker, dat haar deed zwijgen, en met +belangstelling op de rest wachten. + +Graaf Colebrooke bekeek zijn vingertoppen met een uitdrukking op zijn +gelaat alsof hij voor het eerst van zijn leven iets bijzonders +merkwaardigs onder de oogen kreeg, en vervolgde toen: + +„U duidt mij mijn openhartigheid niet euvel, daarvan ben ik overtuigd, +hm! Met eerlijkheid bereikt men op deze wereld nog het meest, onder +sommige omstandigheden, hm! Eerlijkheid duurt het langst, nu en dan. Ik +kom nu ter zake. Ik meen te hebben opgemerkt, madame, dat gij, hoe zal +ik het zeggen, eenige belangstelling koestert voor den jeugdigen +troonopvolger, hm! Ik zie aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb! Maar, +uwe pogingen zullen waarschijnlijk ijdel zijn, madame! Vreemde jongen, +onze kroonprins, hm! Koud als ijs, onverschillig, denkt alleen aan +paarden en honden, staatszaken en andere nonsens. Lijkt wel afkeerig +van het schoone geslacht te zijn, voor zoo verre het geen +gravenkroontje draagt, hm! Uiterst merkwaardige jongen, zal het +ongetwijfeld ver brengen in de wereld, bij wijze van spreken +natuurlijk, want verder dan koning, nietwaar, kan men het al haast niet +brengen.” + +Graaf Colebrooke vond dit waarschijnlijk een uitstekend geslaagde grap, +want hij liet een lachje hooren, dat precies klonk als het afloopen van +een wekker, waarvan plotseling een der radertjes gebroken is. + +„Vergun mij de opmerking, graaf, dat ik nog steeds niet weet, waar dit +alles op moet uitdraaien,” kwam Marja Ivy een weinig ongeduldig. + +Zij was nu geheel gekapt, en Mirza was bezig met het opvouwen van +eenige kleedingstukken. + +„Gij zult aanstonds tevreden worden gesteld, madame,” hernam graaf +Colebrooke. „Het spijt mij, wanneer ik u ophoud, maar ik ben gaarne zoo +duidelijk mogelijk, ik ga altijd op den man af, hm. In dit geval +natuurlijk op de vrouw, hm. Wij komen dan terug op het kleine, en zoo +voortreffelijk geënsceneerde incident op de renbaan, hm. Ik neem dus uw +belangstelling voor den kroonprins als vast staande aan, en ik +constateer, dat die niet tot het gewenschte doel heeft geleid. Maar, +men kan ook wel dansen, al is het niet met de bruid, zooals een oud en +beroemd spreekwoord in ons land luidt!” + +Marja keek den bezoeker met groote oogen aan, en vroeg: + +„Waar wilt u eigenlijk heen, graaf?” + +„Dat zal ik u zeggen, madame, en nu ga ik een teeder punt aanroeren, +hm. Het spreekwoord dat ik zooeven noemde, zou ik als volgt willen +uitleggen: + +„Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. Men moet roeien +met de riemen die men heeft, en ik ben vast overtuigd, dat de riemen, +welke ik u kan verschaffen, zeer wel in uw smaak zullen vallen, bij +wijze van begin, hm!” + +„Wat wilt gij zeggen, graaf?” + +„Ik wil zeggen, madame, dat er nog wel andere prinsen zijn te krijgen, +al zijn het geen kroonprinsen, hm! Gij zijt een vreemdelinge, en daarom +uit den aard der zaak niet geheel op de hoogte van de samenstelling van +het koninklijke gezin. Laat mij u dan mededeelen, dat Koning George +vijf zoons heeft, en een dochter. De zoons zijn Prins Edward Albert, +George, Andrew, Patrick David, geboren op 23. Juni 1894. Hij is de +kroonprins. Daarop volgt prins Albert, Frederic, Arthur, George, +geboren 14. December 1895. Daarop volgt de prinses, voor ons van geen +belang. Dan komt Prins Henry, William, Frederic, Albert, in 1900 +geboren op 31. Maart. Vervolgens....” + +„Maar lieve hemel, graaf. Wat kan mij die opsomming schelen!” viel +Marja hem ongeduldig in de reden. „Als gij nog langer doorgaat, zult +gij ook nog de zuigelingen opnoemen....” + +„Zooals gij wilt, madame, dan zal ik u de beide manlijke telgen, die in +1905 en 1902 geboren zijn besparen, hm. Bepalen wij ons dus bij prins +Albert Frederic, den tweeden zoon, gemeenlijk prins George genoemd. Hij +is op dit oogenblik 25 jaar, hm! En ik meen te weten dat hij niet +bepaald afkeerig is van het vrouwelijk geslacht, voor zooverre het een +zekere bevalligheid ten toon spreidt.” + +„Ah! Nu begin ik het te begrijpen!” riep Marja lachend uit. „Maar, dat +plan is nog niet eens zoo kwaad!” voegde zij er peinzend aan toe. „En, +nu zult gij mij zeker wel eens willen zeggen, met welk doel en in welke +hoedanigheid gij mij dit komt mededeelen?” + +De graaf wierp nogmaals een schichtigen blik op Mirza, die zachtjes +neuriënd haar werk deed, en liet zijn krassende stem zooveel mogelijk +dalen, toen hij hernam: + +„Ik wil er geen geheim van maken, madame, dat ik bij vroegere +gelegenheden een weinig de rol van Postillon d’Amour heb gespeeld, ten +behoeve van prins George. Ik wil voorts ook niet verzwijgen, dat ik, +min of meer, hoe zal men zeggen, op zwart zaad ben geraakt, en dat mijn +geldmiddelen niet zoo zijn, als ik wel wenschte, hm! Misschien bestaat +er eenig meeningsverschil aangaande de wijze, waarop ik tracht, die +geldmiddelen te herstellen, maar ik heb niet veel keus, en met +handenarbeid kan een graaf Colebrooke natuurlijk niet zijn stand +ophouden.” + +„Wel, wel, wel, dus een koppelaar!” riep Marja Ivy uit, terwijl zij +zich zachtjes in haar stoel heen en weder wiegde. + +„O, foei, wat een uitdrukking!” riep graaf Colebrooke, vol +verontwaardiging uit. „Men kan dat toch anders zeggen, men kan zeggen +dat ik mijn gewaardeerde diensten verleen als prins George den wensch +te kennen geeft, zijn warm gemoed uit te storten aan den boezem eener +sympathieke vrouw.” + +„Het kan mij volstrekt niet schelen, hoe gij het noemt, graaf,” riep +Marja lachend uit. „De hoofdzaak is dat gij kans ziet, mij in kennis te +brengen met prins George en dat gij voor uw bemiddeling behoorlijk +gehonoreerd wilt worden, hetgeen ook niet meer dan billijk is. Wij +zullen niet over een paar woorden vallen! Ik heb het immers bij het +juiste eind?” + +„Zoo is het, madame!” + +„Welnu, ik wil ook van mijn hart geen moordkuil maken, nu mijn +kennismaking met den kroonprins zoo jammerlijk mislukt is, wil ik mij +ook wel met minder tevreden stellen, en als gij er in staagt, mij in +kennis te brengen met prins George dan zal ik mij niet ondankbaar +toonen. Maar laat mij u tenminste mogen zeggen, dat gij op zonderlinge +wijze aan den kost komt.” + +„Ieder vogeltje zingt, zooals hij gebekt is, madame,” riep graaf +Colebrooke uit, terwijl hij opstond, en zich blijkbaar gereedmaakte, om +te vertrekken. + +Maar Marja Ivy was een doortastende vrouw, zij was gewend, het ijzer te +smeden als het heet was. + +„Wanneer zoudt gij een samenkomst tusschen mij en den prins tot stand +kunnen brengen?” vroeg zij op den man af. + +„Zoo spoedig gij wilt, madame!” + +„Dan morgen reeds! Ik ben verlangend mij op den kroonprins te wreken, +en dat kan ik niet beter doen, door hem te toonen, dat zijn broeder +minder afkeerig is van mij dan hij zelf. Zoudt gij kans zien, prins +George over te halen, mij morgen hier in deze vertrekken een bezoek te +brengen?” + +De graaf trok een bedenkelijk gezicht, en scheen even na te denken. +Toen antwoordde hij: + +„Gij vraagt heel wat, madame, maar ik zal mijn best doen, hm! Als het +gaat, dan zal ik u nog hedenavond schrijven, of u morgen een boodschap +zenden.” + +Marja klapte vroolijk in de handen en riep opgewonden uit: + +„Als dat lukt dan heb ik er heel wat voor over!” + +„Dat hoop ik, madame, dat hoop ik!” zeide graaf Colebrooke +handenwrijvend. „Er zullen wellicht kosten aan verbonden zijn, en, het +is niet meer dan billijk, dat mij die vergoed worden, niet waar? Ik zou +u echter willen aanraden, hm, aan de zaak voorloopig zoo weinig +mogelijk ruchtbaarheid te geven, prins George houdt daar in het geheel +niet van! Later kunt gij natuurlijk uw schade dubbel en dwars inhalen, +maar in den aanvang moeten wij hem niet afschrikken!” + +„Ik beloof het u, graaf!” riep Marja uit. „Gij kent den prins +natuurlijk persoonlijk zeer goed?” + +„Ik ben zeer intiem met hem bevriend, madame! Om zoo te zeggen frère et +compagnon! Maar juist daarom zult gij wel begrijpen, dat dit alles +tusschen ons moet blijven. Ik zou mij zelf zeer benadeelen, als het +later bleek, hm, dat ik hier de rol van bemiddelaar had gespeeld!” + +„Wees daaromtrent gerust, graaf! Gij zult er buiten blijven, dat +verzeker ik u op mijn woord! A propos, is de prins nog al vrijgevig, +dat gij weet?” + +„Gij zult u niet te beklagen hebben, als gij in den smaak van zijne +hoogheid valt, dat is alles wat ik u zeggen kan, madame!” antwoordde de +graaf. „De prins staat er voor bekend, dat hij niet op eenige duizenden +ponden ziet, als het zijn vrienden betreft, en dat geldt in nog +meerdere mate voor zijn vriendinnen! Het blijft dus afgesproken, ik zal +u bijtijds waarschuwen!” + +„Dat is waar ook, ik moet natuurlijk morgenavond optreden, zou de prins +daarmede rekening kunnen houden?” + +„Dat spreekt vanzelf! Als ik het goed onthouden heb, treedt gij +omstreeks tien uur op, ik zal er zorg voor dragen, dat de prins hier +dadelijk na het diner komt!” + +„Heerlijk, heerlijk, en, dat is waar, als hij soms naar mijn voorkeur +vraagt op het gebied van juweelen, ik ben dol op rose diamanten!” + +„Ik zal niet mankeeren, madame, hm, om er zijne hoogheid opmerkzaam op +te maken,” zeide de graaf met een diepe buiging. + +En daarop bracht hij de kleine hand van de Variété-diva even aan de +lippen, en trippelde heen. + +Hij daalde de trappen af, de groote hal door, en stapte, buitengekomen, +in de groote auto die hem wachtte, na den chauffeur een adres te hebben +opgegeven. + +De fraaie wagen reed naar de Victoria Street en stond stil voor een +hoekhuis. + +De graaf stapte uit, liep de zijstraat in, en ging het huis binnen, +waarvan hij de zijdeur opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg. + +Hij liep haastig een trap op, en opende de deur van een kamer op de +eerste verdieping. + +En daar vond hij Charly Brand, die zich den tijd met lezen verdreven +had, en nu haastig opsprong, om hem tegemoet te gaan. + +De zoogenaamde graaf was John Raffles in eigen persoon! + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE PRINS WORDT IN GENADE AANGENOMEN. + + +„Is alles goedgegaan, Edward?” was de eerste vraag van den jongen man, +toen Raffles had plaats genomen. + +„Zij liep er hals over kop in! Het kon niet mooier! Die jonge dame is +een ware haai, gulzig en vraatzuchtig als het op geld en juweelen +aankomt!” + +„Maar slikte zij het goedmoedig, dat er des avonds, in een hotel nog +wel, een prins van den bloede bij haar op bezoek zou komen?” + +„O, zij is immers in het geheel niet op de hoogte van onze toestanden +en acht dit blijkbaar heel gewoon! Zij herinnert zich, dat de Russische +grootvorsten minnaressen bij dozijnen hadden onder de dames artisten, +en zij denkt dat zooiets hier natuurlijk ook wel het geval zal zijn. En +natuurlijk neemt zij den prins maar als noodhulp! Door hem denkt zij +denkelijk den kroonprins in haar netten te lokken! Ja, onze lieve +schoone heeft bepaald eergevoel. Zij stelt haar eischen hoog, dat is +zeker!” + +„En, je blijft er bij, dat ik de gevaarlijke rol van den prins zal +spelen?” + +„Natuurlijk! Je bent er als het ware voor geknipt! Alleen ben je iets +minder lang dan de prins, maar je hebt zijn bruine oogen, zijn blond +haar, dat je op dezelfde wijze draagt, zijn gave, witte tanden, en de +rest kunnen wij wel genoegzaam veranderen. Vergeet ook niet, dat zij +den prins natuurlijk niet kent, of hoogstens van een paar onbeduidende +kieken in de bladen! Wanneer je nu maar wat hooghartig doet, en mij met +genadige minzaamheid aanspreekt, dan zal zij alles voor zoete koek +slikken.” + +„En wien stel jij nu eigenlijk voor, of is die graaf Colebrooke louter +fantasie?” + +„Om den drommel niet! De man bestaat en is inderdaad een vertrouwd +vriend van den prins! Alleen betwijfel ik, of hij zich in werkelijkheid +wel zou leenen tot de rol van „koppelaar”, zooals de schoone Marja mij +noemde!” + +„En wanneer moet dat alles gebeuren?” + +„Morgen reeds. Zij brandt letterlijk van ongeduld, om den armen prins +zoo gedecideerd mogelijk leeg te plunderen! Je mag tenminste wel wat +diamanten in je vestzakje steken, bij wijze van introductie!” + +„Dat is nu alles goed en wel, maar je laat mij nu een rol spelen, die +mij eigenlijk maar half aanstaat! Om den teederen minnaar uit te +hangen, dat bevalt mij maar half!” + +„Je behoeft bij dien eersten keer volstrekt niet zoo teeder te zijn, +tenzij Marja zelve haast achter de zaak zet! Je gedraagt je dus +aanvankelijk een weinig op een afstand, dat zou de echte prins +natuurlijk ook gedaan hebben, verondersteld, dat hij de jonge vrouw +inderdaad op deze wijze zou bezoeken!” + +„Maar je blijft toch hoop ik, bij mij?” vroeg Charly op benauwden toon. + +„Mijn waarde, je vraagt dat op een toon, alsof ik je noodzaak, met een +tooverkol het spel van liefde en hartstocht te spelen! Was jij zelf +niet de eerste, die mij opmerkzaam maakte op haar groote schoonheid, en +zelfs verontwaardigd was, dat ik niet dadelijk je geestdrift deelde?” + +„Oho! Dat is iets anders, dan maar aanstonds in gloeiende liefde +ontbranden!” + +„Dat raakt mij trouwens niet! Als je maar doet, alsof je vuur en vlam +voor haar bent! Trouwens, ik denk, dat er na de eerste zitting geen +tweede noodig zal zijn. En ga nu mede, want wij hebben nog tamelijk +veel te doen, voor alles gereed is!” + +De beide mannen verlieten het huis weder, hetwelk Raffles reeds jaren +geleden gekocht het teneinde hem te dienen als plaats waar zij zich +gemakkelijk en onbespied verkleeden konden, en namen in de auto plaats, +maar niet, dan nadat Raffles snel weder zijn vermomming afgelegd had. + +Het was immers niet geheel en al onmogelijk, dat men in dit gedeelte +van Londen den echten graaf Colebrooke zou tegenkomen, met zeer +onaangename gevolgen voor den nagemaakten, wanneer deze zich niet ten +snelste uit de voeten maakte. + +De rest van den dag en de helft van den volgenden dag ging voorbij met +het maken van de noodige toebereidselen. + +Om één uur zond Raffles een kruier naar Marja Ivy, met een zoogenaamd +door graaf Colebrooke geschreven briefje, waarin hij haar mededeelde, +dat de prins dienzelfden avond het genoegen hoopte te smaken, haar in +het hotel een visite te komen maken. + +Hij zou precies om acht uur zijn intrede doen, daar hij wel wist, dat +de diva uiterlijk om negen uur het hotel zou moeten verlaten teneinde +zich naar den schouwburg te begeven. + +Om zes uur begon Charly zich met groote zorg te grimeeren, daarbij +eenigen der beste portretten van prins George tot model nemend. + +Ook Raffles legde opnieuw zijn voortreffelijke vermomming als graaf +Colebrooke aan. + +Dit geschiedde weder in het huis aan de Victoria-Street, en daar zouden +de beide mannen ook het eenvoudige middagmaal nuttigen, door Charly +bereid, die sterk ontwikkelde cullinairische talenten bezat. + +Om half acht kwam Henderson met de groote auto voorrijden, en juist om +acht uur stapten beide vrienden de groote hal van het hotel binnen. + +Onmiddellijk bleek het hun, hoe voortreffelijk hun vermomming geslaagd +was, want de gerant kwam dadelijk verbluft en onderdanig toeloopen, +buigend en handen wrijvend. + +Charly nam hem terstond terzijde en zeide op zachten toon, met een in +de perfectie nagebootste stem: + +„Luister eens, mijn waarde gerant, geen ruchtbaarheid als ik u +verzoeken mag, ik kom eenvoudig een uwer gasten een kort bezoek +brengen, maar incognito. In streng incognito, denk er om!” + +„Uwe Hoogheid natuurlijk, dat spreekt vanzelf!” stamelde de gerant. +„Alles zal geschieden zoo als Uwe Hoogheid het wenscht! Mag ik, u +begrijpt, dat het geen nieuwsgierigheid is, mag ik den naam weten van +den gast, opdat wij dien kunnen waarschuwen, en gij geen seconde +behoeft te wachten?” + +„Het is geen mannelijke gast, mijn waarde!” antwoordde de gewaande +prins glimlachend, „het is een dame!” + +De gerant trok dadelijk een plechtig gezicht, en keek tegelijkertijd +snel om zich heen, teneinde zich te vergewissen, dat niemand de woorden +van den prins gehoord had. + +Hij liet zijn stem dalen en zeide eerbiedig: + +„Wij zullen zorg dragen, dat uw bezoek onopgemerkt blijft!” + +„Dat hoop ik, en dat verwacht ik ook! Wees zoo goed, mij de kamers aan +te wijzen, maar dat is waar ook, gij kent de ligging, waarde graaf!” +zoo wendde hij zich tot Raffles, die met uitgestreken gelaat op den +achtergrond was gebleven en er uitzag, alsof hij deze escapade van zijn +hoogen meester maar half goed keurde. + +Nu trad hij haastig naar voren en zeide: + +„Ik, hm, ben inderdaad op de hoogte, Uwe Hoogheid! Als ik u dan maar +zal voorgaan, maar ik zal de dame in kwestie toch even waarschuwen!” + +„Volstrekt niet noodig, mijn waarde!” hernam de prins vroolijk. „Laat +het een verrassing blijven, dan kan ik het beste zien, welken indruk ik +maak!” + +De gewaande prins knikte den buigenden gerant genadig toe, en ging +daarop met zijn adjudant de breede trappen op. + +Daar het diner in de groote zaal nog niet geheel beëindigd was, waren +slechts enkele gasten getuige geweest van het korte tooneeltje, en +bovendien had niemand kunnen verstaan wat er gesproken was. + +Dat de prins hier in dat deftige hotel een bezoek kwam brengen, werd op +zich zelf niets bijzonders gevonden, zoo iets kwam herhaaldelijk voor. + +De Engelsche prinsen waren zoo vrij als vogeltjes in de lucht, +natuurlijk binnen zekere grenzen. + +Raffles geleidde Charly naar de deur, terwijl een kellner in de +voorhoede ging, die nog snel door de gerant was vooruit gezonden. + +De man klopte aan, het kamerkatje opende de deur, en verdween snel +weder, om het hooge bezoek aan te kondigen. + +Een oogenblik later traden de beide mannen binnen. + +Raffles had nog juist gelegenheid gehad, op zachten toon tot Charly te +zeggen: + +„Zij zal mij natuurlijk dadelijk wegzenden! Wat er ook gebeure, laat +haar niet gaan, voor ik weder binnentreed, zoogenaamd om je er aan te +herinneren, dat je elders verwacht wordt!” + +Het moet gezegd worden, dat Marja Ivy alle zeilen had bijgezet, om een +zoo gunstig mogelijken indruk op den man te maken, dien zij in haar +netten wilde vangen. + +Zij zag er uit als de zonde zelve, in haar laag uitgesneden vuurroode +japon, de armen geheel naakt, een donkerroode roos in het weelderige +haar, thans à la page opgemaakt. + +Haar oogen schitterden als van strijdlust, en het was als of zij de +zegepraal reeds bij voorbaat genoot. + +Zij was ook volstrekt niet verlegen, maar zich blijkbaar zeer goed +bewust van haar verleidelijkheid. + +Met een paar luchtige stappen was zij bij den prins, en stak hem een +klein, wit handje toe, dat volstrekt niet meer herinnerde aan het +voormalige beroep van de schoone vrouw. + +Charly bracht dat handje galant aan zijn lippen, en drukte er een kus +op. + +Maar de adjudant was dadelijk ter plaatse, om voor het decorum te +zorgen. + +„Sta mij toe, Uwe Hoogheid, u voor te stellen aan mademoiselle Marja +Ivy, de even schoone als befaamde Variété-diva!” + +Maar Marja duwde hem eenvoudig op zijde en riep lachend uit: + +„Houdt op met die dwaasheid, graaf! Alsof de prins mij niet zou kennen! +Gij komt toch zeker ook wel eens in het Hypodrome-Theater, niet waar, +prins?” + +„Men zegt: Uwe Hoogheid, madame!” kwam de adjudant deftig +tusschenbeide. + +„Het kan mij niet schelen, wat „men” zegt,” kwam de diva humeurig. „Ik +zeg „prins” en dat zal ook wel goed zijn!” + +„Het is uitstekend, madame!” kwam Charly met een glimlach. „Ik zou het +u bepaald kwalijk nemen, wanneer gij mij anders aanspraakt! Wellicht +komt er wel een tijd, dat ik u ook met een anderen titel mag +aanspreken, dan met het stijve „Madame!”” + +Een por van Raffles in zijn zijde was hem een waarschuwing, dat hij +niet te hard van stal moest loopen, en daarop namen allen plaats. + +Het kamerkatje bracht thee binnen en een karaf cognac, en toen dat +gedaan was, wierp Marja den gewaanden graaf een blik toe, die aan +duidelijkheid niets te wenschen overliet. + +Raffles las daar in de zwarte oogen zoo duidelijk als in een boek: + +„Uw tegenwoordigheid is hier niet meer gewenscht, gij zijt te veel!” + +Maar hij scheen niet van zins te zijn, den prins alleen in gezelschap +met de schoone artiste te laten, en daarom zeide Marja eenigzins +ongeduldig: + +„Graaf Colebrooke, in mijn kamer hiernaast heb ik zeer amusante +tijdschriften, die u zeker wel zullen interesseeren. Zij handelen over +sport, paarden, honden, en zoo meer! Laat ik u vooral niet ophouden, +als gij soms kennis zoudt willen nemen van den inhoud!” + +Dat was niet mis te verstaan, al was het dan niet zeer ladylike! + +Hij werd dus eenvoudig weggestuurd! + +De adjudant keek den prins even met een schuwen blik aan, maar daar +deze niets zeide, en alleen oogen voor de mooie artiste scheen te +hebben, stond hij zuchtend op, en zeide op zachten toon: + +„Mag ik er Uwe Hoogheid aan herinneren, dat hij over een uur een zeer +belangrijke vergadering moet presideeren?” + +„Ik zal het niet vergeten, graaf, tenminste dat hoop ik!” antwoordde de +prins ongeduldig. „Gij herinnert mij op de meest ongelegen tijdstippen +aan onaangename dingen!” + +„Ik doe slechts mijn plicht, Uwe Hoogheid,” hernam de adjudant, in zijn +wiek geschoten. + +„Het is goed, ik dank u!” kwam de prins kortaf. + +En met die woorden van ongenade in zijn ooren kon de arme adjudant zich +verwijderen. + +Hij ging het naast gelegen vertrek binnen, het boudoir van de +variété-diva. + +„Het verwondert mij, dat zij hem maar niet dadelijk hier heeft +ontvangen!” bromde Raffles voor zich heen. „Ik moet zeggen, dat de +jonge dame zeer voortvarend is, en niet bepaald terughoudend! Ik +voorzie een tijd voor dien besten Charly waarop hij later niet dan met +genoegen zal terug zien! Maar laat ons niet onzen eigen tijd gaan +verknoeien en eens zien, hoe het hier staat met de fondsen van onze +dame! Maar eerst de deuren! Het zou niet aangenaam zijn, wanneer dat +jolige kamerkatje eensklaps binnentrad en mij verraste bij mijn +belangwekkende onderzoekingen!” + +Raffles ging op zijn teenen naar de gangdeur en sloot die. + +Nu was er nog een deur, die met de slaapkamer in verbinding stond, aan +de andere zijde van het boudoir, en welke Raffles eveneens afsloot, en +vervolgens de deur naar de ontvangkamer, waar zich nu Marja met haar +hoogen gast bevond. + +Raffles bleef even luisterend staan, en begon toen met een vlugheid, +slechts te verkrijgen door een langdurige oefening, alle laden en +kasten, alle kistjes en doozen te onderzoeken. + +En daarbij bleek het hem al spoedig, dat Madame Marja er een +eigenaardige manier op na hield, om haar eigendommen op te bergen! + +Hij vond een paarlencollier in een ledige bonbondoos, een diamanten +oorknop in een sigarettendoosje, een armband in een zijden muiltje, dat +op de kaptafel stond, een paar kostbare ringen in een sierlijk +naaidoosje. + +Maar het geld bleek beter verborgen te zijn. + +Raffles had tenminste vol tien minuten noodig, voor hij op den bodem +van een kast vol kostbare kleedingstukken een ijzeren kistje vond, met +een heel gewoon slot, dat hij in een ommezien had opengebroken. + +Boven in lag het contract van de schoone diva met de directie van het +Hypodrome-Theater. + +Raffles vouwde het open en wierp er een nieuwsgierigen blik in. + +Hij floot zachtjes even tusschen de lippen en bromde voor zich heen: + +„Madame Marja kan zich niet beklagen over de vrekkigheid van de +Londensche directie! Duizend pond voor veertien dagen leelijk zingen, +het is de moeite waard! Nu, de directie weet ook wel wat zij doet, zij +weet, dat het publiek zeer waarschijnlijk niet komt om de stem, maar +wel om de mooie oogen en de fraaie beenen van onze Lithauensche! En nu +eens verder zien!” + +Het kistje bleek, behalve een massa bankbiljetten, ook nog een aantal +losse diamanten te bevatten en eenige groote paarlen van hooge waarde, +waarschijnlijk geschenken van schatrijke aanbidders. + +Zonder zich een oogenblik te bedenken liet Raffles den geheelen inhoud +van het kistje in zijn zak glijden, op het contract na. + +Daarop sloot hij het kistje weder en zette het op zijn vorige plaats, +waarna hij ook de kleerenkast dichtdeed, en den sleutel verborg. + +Alle andere juweelen gingen denzelfden weg op, dat wil zeggen, dat zij +met verwonderlijke snelheid in de zakken van den gewaanden adjudant van +Zijne Hoogheid verdwenen. + +Dit alles had ternauwernood een kwartier geduurd. + +Raffles kuchte eens een paar malen, hetgeen blijkbaar een waarschuwing +moest verbeelden, en sloop toen naar de verbindingsdeur. + +Hij luisterde ingespannen en zijn gelaat had een ironische uitdrukking, +toen hij voor zich heen fluisterde: + +„Als ik er ook nog maar een grein verstand van heb, dan zijn de +jongelui op dit oogenblik bezig, elkander te kussen! Die goede Charly! +Ik gun hem dit avontuurtje van harte, maar ik betwijfel, of het wel van +langen duur zal zijn!” + +Eensklaps bukte hij zich neder en bracht zijn oor tegen het sleutelgat. + +Hij had gemeend een vreemde stem te hooren. + +Of liever gezegd de stem was hem niet vreemd, want hij had haar al eens +vroeger onder andere omstandigheden gehoord, hoewel in hetzelfde +vertrek, maar het was in ieder geval niet de stem van Charly Brand. + +Neen, het was de nasale stem van graaf Douglas Carwood! + +En nu klonk ook de hooge stem van Marja Ivy, die blijkbaar zeer uit +haar humeur was. + +„Ik geloof, dat het oogenblik is aangekomen, om hier even tusschen +beide te komen, anders kon het wel eens niet goed afloopen!” bromde +Raffles voor zich heen. + +Hij legde dus resoluut de hand op de kruk van de deur, en bemerkte dat +zij aan den anderen kant was afgesloten! + +„Die vrouw boezemt mij hoe langer hoe meer belang in!” mompelde Raffles +bij zich zelf. „Zij neemt haar maatregelen goed, men kan het niet +loochenen!” + +Maar daar binnen scheen men het draaien aan den knop te hebben gemerkt. + +De deur ging tenminste open, Charly stond op den drempel. + +Zijn gelaat vertoonde alle mogelijke uitdrukkingen, schrik, +vroolijkheid, ongeduld, en... teleurstelling! + +Dicht bij de deur stond graaf Carwood met een reusachtigen ruiker in de +hand, als de ridder van de droevige figuur. + +Zijn gelaat was vertrokken van nijd en afgunst, maar hij stond daar in +een volmaakt correcte houding, zijn medeminnaar was niet de eerste de +beste. + +Maar nauwelijks had hij den adjudant gezien, of hij maakte een +verstolen gebaar van woede. + +„Wat is er eigenlijk, graaf?” vroeg Charly. „Waarom draait gij aan den +deurknop. Waarom komt gij niet behoorlijk binnen?” + +„Ik, hm, de zaak is....” stamelde de adjudant. „Ik meende dat de deur +op slot was, maar ik zal mij natuurlijk vergist hebben! Ik wilde er Uwe +Hoogheid slechts even aan herinneren, dat het bijna negen uur is!” + +„Welnu, wat zou dat?” vroeg de prins toornig. „Is dat een reden om mij +te storen in een hoogst belangwekkend onderhoud met Madame Marja?” + +„De vergadering....” stotterde de adjudant. + +„De vergadering kan naar den duivel loopen!” viel de prins ruw uit. + +„Bravo!” riep Marja met schitterende oogen. + +Zij had blijkbaar een beslissende overwinning op den prins +bevochten.... + +Deze nam haar met een galante buiging terzijde, en van dit oogenblik +maakte graaf Carwood gebruik, om snel op Raffles toe te treden, en hem +toe te bijten: + +„Dat is uw werk, graaf!” + +„Mijn werk? Wat bedoelt gij?” + +„Houdt u niet van de domme! Gij zijt als koppelaar opgetreden! Gij hebt +deze samenkomst geënsceneerd!” + +„Welnu, en als het zoo was, wat gaat het u dan nog aan?” + +„Wat het mij aangaat? Wist gij soms niet, dat Marja Ivy mij +toebehoort?” + +„Wat? Gij verbaast mij! Ik dacht, dat het tijdperk der slavernij reeds +lang achter den rug was! En voor het overige, ik zou u aanraden, een +toontje lager te zingen! Ik duld niet, dat gij zoo tegen mij spreekt!” + +„Ik zal spreken zoo als ik verkies! En als u dat niet bevalt, dan hebt +gij het maar te zeggen!” + +„Dan zeg ik het op deze klinkende wijze, graaf!” + +En op hetzelfde oogenblik daalde een schallende oorveeg neder op de +wang van den graaf, het was de wang, die nog gaaf was. + +Marja, die met den prins was blijven praten, uitte een kreet van +schrik, en riep uit: + +„Wat is dat nu? Maar heeren, schaamt gij u niet? In mijn +tegenwoordigheid!” + +„Vergeef het mij, madame, hm!” zeide Raffles. „Die oorveeg duldde +werkelijk geen uitstel!” + +„Gij zult mij rekenschap geven, graaf,” brulde de beklagenswaardige +afgewezen minnaar, terwijl hij zijn opgezette wang wreef. + +„Waar en wanneer gij maar verkiest, graaf!” gaf de adjudant koeltjes te +kennen. „Ik zal zoo vrij zijn, u nog hedenavond mijn getuigen te +zenden, gij zult wel zoo goed zijn, voor hen thuis te blijven!” + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +RUMOR IN CASA. + + +Graaf Carwood, ziedend van drift, en nauwelijks beseffend, dat hij zich +in tegenwoordigheid van den prins bevond, had het vertrek verlaten, na +met geweld zijn ruiker tegen den grond te hebben gekwakt. + +De prins, die van het geheele tooneeltje getuige was geweest, kwam nu +op zijn adjudant toe en zeide op koelen toon: + +„Ik hoop, graaf, dat dergelijke voorvallen mij voortaan bespaard zullen +blijven! Als gij twist zoekt met andere heeren, mij wel, maar wacht +daar dan mede, tot gij alleen met hem zijt! Wat uw duel betreft, ik +behoef u zeker niet te zeggen, dat ik dat in geen geval zal toelaten!” + +„Maar Uwe Hoogheid, de graaf heeft mij diep beleedigd!” riep de +adjudant op klagenden toon. + +„Dat is wel mogelijk, maar wij zijn hier niet in Frankrijk!” + +Maar Marja dacht hier heel anders over! + +In een duel zag zij een reclame, zooals zij er geen betere kon +wenschen! + +Wat zou er niet over haar gepraat worden, als het bekend werd, dat twee +graven met elkander geduelleerd hadden, die in haar vertrek twist +hadden gekregen, en nog wel in bijzijn van den prins! + +Dat was bijna nog beter, dan de erkende minnares van prins George te +zijn! + +En daarom trad zij vleiend op den prins toe, legde aanhalig haar arm om +zijn hals en zeide: „Kom prinsje, zoo erg zal het toch wel niet zijn! +Die tweegevechten hebben hier toch immers ook niets te beteekenen!” + +„Ik mag het niet toelaten, madame!” zeide de prins. + +„Ook niet om mijnentwille? Kom, de heeren zouden elkander zoo graag een +klein prikje geven, waarom zoudt gij hun dat genoegen niet gunnen? Dan +doet gij maar net, of gij van niets weet! Mijnheer de graaf zal ook wel +weten te zwijgen, nietwaar?” zoo wendde zij zich tot Raffles, die +bedremmeld bij de deur was blijven staan. + +„Wat mij betreft, madame, graaf Carwood heeft mij bloedig beleedigd en +desnoods zou ik met hem naar Frankrijk trekken, om daar voldoening van +hem te eischen! Maar natuurlijk zou ik zwijgen, de zaak behoeft niet +ruchtbaar te worden!” + +Dat was nu weder in het geheel niet naar den zin van de +Variété-danseres, want juist in de ruchtbaarheid lag voor haar de +reclame! + +Maar zij overwoog, dat zij volstrekt niet de verplichting op zich had +genomen, te zwijgen, en als het duel eenmaal had plaats gehad, zou zij +wel zorgen, dat alle bladen er den volgenden dag van onderricht werden! + +De prins had reeds zijn hoogen hoed gegrepen, en wendde zich nu tot +Marja met de woorden: + +„Het spijt mij meer, dan ik u zeggen kan, madame, dat ik u nu reeds +moet verlaten! Maar een dringende vergadering vraagt mijn aandacht, en +gij zult u ook wel naar den schouwburg moeten begeven!” + +„Ik wil u niet langer terug houden, prins, maar ik hoop toch, dat dit +niet ons laatste onderhoud zal zijn geweest!” zeide Marja, terwijl zij +den prins een vurigen blik uit haar violet-zwarte oogen toewierp. + +„Wees verzekerd, dat ik niets liever verlang, dan u herhaaldelijk te +bezoeken,” antwoordde Charly galant. + +Hij kuste het kleine handje, dat hem werd toegestoken, en wendde zich +toen tot zijn adjudant: + +„Mijn auto, graaf!” + +„Aanstonds Uwe Hoogheid!” zeide Raffles volijverig. + +Hij maakte een diepe buiging voor de schoone vrouw, en verliet haastig +het vertrek, na Charly een vluggen wenk te hebben gegeven. + +Zijn scherp oor had buiten de luchtige schreden opgevangen van de +kamenier, en om velerlei redenen was het gewenscht, dat de beiden het +hotel zouden hebben verlaten, alvorens het lieve kind binnentrad. + +Charly treuzelde dan ook niet, maar haastte zich, op zijn beurt +afscheid te nemen, met de belofte, dat hij zoo spoedig mogelijk terug +zou komen. + +En Marja bleef achter, met een gevoel van volkomen zegepraal. + +Zij had niet durven hopen, dat de prins zoo spoedig bezweken zou zijn +voor haar bekoorlijkheden, en vol trots bekeek zij zich in den grooten +spiegel, een vroolijk wijsje neuriënd. + +Maar toen bedacht zij met schrik, dat het hoog tijd was, om zich naar +den schouwburg te begeven. + +Juist ging de gangdeur open, en het kamermeisje trad binnen. + +„Mirza, snel mijn mantel en hoed!” beval de schoone jongevrouw. „En +mijn auto. Het is al laat! Breng meteen mijn ringen mee, ik weet niet +waar zij zijn, ik geloof in mijn handschoenendoos!” + +Het meisje verdween in de zijkamer. + +Maar zij was er nog geen volle minuut of Marja werd opgeschrikt door +een luiden gil. + +Zij ijlde naar het boudoir en vroeg toornig: + +„Ben je gek geworden, Mirza? Waarom schreeuw je zoo? Je maakt mij aan +het schrikken!” + +„U zoudt ook zijn geschrokken, madame!” riep Mirza, die met bleek +gelaat en een doos in de handen bij de tafel stond. „Al uw juweelen +zijn weg!” + +Nu slaakte de diva zelve een gil, die in niets onderdeed voor den kreet +van het kamermeisje en met koortsachtige haast begon zij alle doozen en +kistjes te doorzoeken, terwijl zij ondertusschen afgebroken zinnen liet +hooren. + +„In dit doosje, ik weet het zeker, mijn ringen, en in dat kistje, ik +wil er wel een eed op doen, mijn armband! En die doos, ook leeg, en die +lade, ook niets meer in! Bestolen, bedrogen, en mijn geldkistje....” + +Zij snelde naar de kleerenkast en nam er het ijzeren kistje uit. + +Zij kon het deksel open klappen zonder den sleutel noodig te hebben. + +In het kistje lag niets meer dan haar contract.... + +De jonge vrouw gaf een schreeuw als een gewonde leeuwin, en snelde naar +de electrische schel. + +Zij drukte er op, alsof zij den knop wilde verbrijzelen en liet zich +toen met bleek gelaat in een stoel vallen. + +Maar eensklaps sprong zij weder op, en krijschte schor van drift: + +„Dat moet die graaf geweest zijn, het kan niet anders, vijf minuten +voor hij en de prins kwamen, was alles er nog, daarop durf ik zweren. +En hij is ruim een kwartier hier alleen in de kamer geweest! O, die +schelm, die bandiet! En dat is een Engelsche graaf! Maar dat gaat zoo +niet! Wacht maar, ik zal je wel vinden, graaf Colebrooke!” + +Er werd op de deur geklopt en een etagekellner trad binnen. + +„U heeft gebeld, madame?” vroeg hij. + +„Ja, haal de politie!” + +„De politie, madame?” herhaalde de kellner verbluft. + +„Versta je geen Engelsch? Ja, de politie! En dadelijk! Ik ben bestolen! +Voor een waarde van minstens zevenduizend pond sterling aan geld en +juweelen! En misschien wel tienduizend!” + +De kellner trok een ontsteld gelaat en zeide: + +„Ik zal dadelijk den gerant waarschuwen, madame!” + +„De gerant kan mij niet schelen!” schreeuwde Marja Ivy. „Ik wil de +politie! Ik weet wie de dief is geweest! Graaf Colebrooke is het +geweest! Sta mij niet als een idioot aan te staren, man, maar loop, +loop!” + +De kellner vloog weg, en een oogenblik later was de gerant van het feit +in kennis gesteld. + +Hij snelde de trappen op, en trad buiten adem het vertrek van de +variété-danseres binnen. + +„Is het waar, madame, wat de kellner mij daar vertelt?” vroeg hij +opgewonden. „Ik denk toch wel, dat gij u vergist! Graaf Colebrooke! Het +is immers onmogelijk!” + +„Hij en niemand anders, zeg ik u!” snerpte de jonge vrouw. „Hij is in +die kamer geweest terwijl ik bezoek ontving van prins George, een +kwartier lang, en hij moet mijn geld en mijn juweelen hebben gestolen! +Alles was er nog, toen hij binnentrad, dat wil ik voor alle rechtbanken +van Londen bezweren!” + +„Onze naam! Onze goede naam!” kermde de gerant. „Ik bezweer u, madame! +Zwijg over dit alles, tot wij volkomen zekerheid hebben!” + +„Zwijgen?” herhaalde Marja Ivy met krijschende stem. „Zwijgen? Van de +daken zal ik het schreeuwen! Ik zal het aan de groote klok hangen! +Politie! Dadelijk!” + +Marja Ivy was een practische vrouw. + +Zij had een zeer groot verlies geleden, maar zij begreep ook aanstonds, +dat hierin weder een kostbaar element van de beste reclame school, +welke zij zich maar kon wenschen. + +Dat was nog iets anders dan de gefingeerde diefstallen, waarvan de +beroemdheden als Emma Nevada, Sigrid Arnoldson, Sarah Bernard, en +anderen het slachtoffer heetten te zijn geworden! + +Neen, zwijgen zou zij zeker niet, dat nam zij zich stellig voor! + +Een echte graaf, die een dief bleek te zijn, en die haar had bestolen, +zulk een gelegenheid bood zich zeker nooit weer aan! + +En daarom herhaalde zij stampvoetend, telkens opnieuw: + +„De politie! De politie! De politie!” + +De gerant maakte een wanhopend gebaar. + +Er stond een schandaal voor de deur, zooals men er in Londen in langen +tijd geen had bijgewoond. + +Dat prins George bij een variété-ster op bezoek kwam, dat kon er +desnoods nog mee door, ofschoon hij het stellig niet wereldkundig zou +hebben gemaakt, maar dat zijn adjudant, een graaf, zich aan een +diefstal schuldig maakt, tijdens dat bezoek, dat was ongehoord, dat zou +maanden lang stof tot praatjes geven! + +Er moest hier vlug en doortastend gehandeld worden! + +Hij wendde zich weder tot Marja Ivy en vroeg op gedempten toon: + +„Hoe groot taxeert gij de waarde van de u ontstolen juweelen en het +geld?” + +„Op minstens twaalf duizend pond sterling!” antwoordde de jonge vrouw, +die van oordeel was, dat zij de gestolen kostbaarheden eer te hoog dan +te laag kon aanslaan. + +Dat was een heele som, en de gerant verschrok dan ook merkbaar. + +Hij beet zich op de lippen, en scheen een oogenblik in beraad te staan. + +Toen hernam hij: + +„Luister eens, madame, misschien kunnen wij het wel op een accoordje +gooien. Ik ben er bijna zeker van, dat de directie u het geleden +verlies wel zal willen vergoeden, als gij zwijgt! Men zou het ook aan +den prins kunnen mededeelen, en daar hij er, neem mij niet kwalijk, dat +ik u het zeg, daar hij zelf belang heeft dat er zoo weinig mogelijk +over het bezoek ten uwent gesproken wordt, zoo zal hij ook wel in den +zak willen tasten!” + +Maar dat strookte alweder niet met de belangen van de egoïstische +artiste! + +Wat! Men zou het bezoek van den prins in den doofpot willen stoppen, +even als den diefstal. Neen, dat zou niet gaan! Zij was nu eenmaal +bestolen en zij zou er alle reclame uitslaan, die er in zat, dat nam +zij zich vast voor. + +En dus hernam zij op koelen toon: + +„De diamanten en paarlen zijn niet met geld alleen te vergoeden, +mijnheer! Ik wil ze terug hebben en daarom verzoek ik u voor de laatste +maal, of gij de politie wilt halen, anders ga ik er zelf heen, of +telefoneer!” + +De gerant zag wel in, dat de artiste niet tot andere gedachten was te +brengen. + +Hij maakte dus een wanhopig gebaar, hij gaf den strijd op. + +Alleen bleef hem nu nog de hoop, dat madame zich toch nog zou blijken +vergist te hebben en dat de graaf niets met de geheele zaak uitstaande +had. + +Met deze gedachte bezield, verliet hij met gebogen hoofd het vertrek, +en telefoneerde om een detective naar Scotland Yard. + +Er verliep een half uur, en toen trad er een vierkant gebouwd man met +groote doordringende grijze oogen en een energiek geteekend gelaat het +vertrek van de diva binnen, vergezeld van een jong meisje, met een +bevallig maar krachtig gelaat. + +De man was James Sullivan, een der beste speurneuzen van Scotland Yard, +en het jonge meisje was Dorrit Evans, een zijner meest belovende +leerlingen. + +Beiden werden aangediend door den etagekellner, die zich vervolgens +terug trok. + +Marja Ivy, die al dien tijd vruchteloos al haar kistjes en kastjes had +onderzocht, trad Sullivan haastig tegemoet, en vroeg: + +„Gij zijt van de politie?” + +„Ja, Madame! Mijn naam is Sullivan, deze jongedame is een collega, Miss +Evans.” + +Marja knikte eenige malen zenuwachtig met het zwartgelokte hoofd, en +zeide toen: + +„Ik ben blij, dat gij gekomen zijt, mijnheer! Ik moet u zeggen, dat de +gerant getracht heeft, de zaak te sussen, maar daarvoor ben ik niet te +vinden! Ik wil mijn juweelen terug!” + +„Zoudt gij ons de zaak niet eens in het kort en zonder noodeloozen +omhaal willen mededeelen, madame?” vroeg Sullivan bedaard. „Ik heb +immers het genoegen, te spreken met madame Marja Ivy, de bekende +variété-artiste?” + +„Die ben ik, mijnheer!” antwoordde Marja. „Die zaak heeft zich als +volgt toegedragen. Ik ontving hedenavond bezoek van prins George. Hij +was in gezelschap van zijn adjudant, graaf Colebrooke. Een paar minuten +voor de heeren kwamen, dat was om negen uur, waren mijn juweelen er +nog, en ook het geld was nog in het ijzeren kistje. Wat ik zoo goed +weet, omdat ik juist iets had moeten betalen, en het dus had geopend. +Toen de prins en de graaf er waren, verzocht ik den laatste, in mijn +boudoir te wachten, ik had met den prins zaken te bespreken, waarbij +hij volkomen overbodig was. Ik was ongeveer een kwartier, hoogstens +twintig minuten met den prins samengeweest, toen graaf Carwood +binnentrad. Ik behoef er geen geheim van te maken, dat er tusschen den +graaf en mij zekere vriendschapsbanden bestaan. Hij had dus een zeker +recht, bij mij binnen te treden. Maar de aanwezigheid van den prins +scheen hem onaangenaam te treffen, en hij maakte nogal brutaal een +opmerking daar over. Toen trad graaf Colebrooke op zijn beurt weder +binnen, komende uit het boudoir, en achtereenvolgens gingen graaf +Carwood, graaf Colebrooke, en de prins heen. En toen mijn kamermeisje +nauwelijks een minuut later het boudoir binnentrad, waren al mijn +juweelen en mijn geld verdwenen.” + +Sullivan had met gespannen aandacht toegeluisterd en zeide nu: + +„Uwe uiteenzetting is even kort als duidelijk, madame! Nu een paar +vragen. Gij kendet den prins niet voor hedenavond?” + +„Neen, ik kende hem alleen van gezicht.” + +„Hoe kwam hij zoo eensklaps hier?” + +„Het was niet eensklaps! Zijn adjudant had het bezoek voorbereid.” + +„Gij kendet dus graaf Colebrooke?” + +„Hij is gisteren hier geweest, voor de eerste maal. Hij deed mij toen +het voorstel, mij met den prins in kennis te stellen.” + +Sullivan keek verrast op, en wisselde toen een blik met Dorrit Evans. + +Toen vroeg hij deze op zachten toon: + +„Wat zegt gij daar wel van?” + +„Ik vind het zeer merkwaardig!” antwoordde het jonge meisje. „Ik heb +zoo iets nooit achter den prins gezocht!” + +„En ik niet achter den graaf, dien ik toevallig persoonlijk ken!” zeide +Sullivan hoofdschuddend. + +Hij dacht even na en vervolgde toen: + +„Wat deed de graaf, nadat hij uit het boudoir was binnengetreden?” + +„Hij sloeg graaf Carwood om de ooren!” + +„Wat zegt gij daar?” riep Sullivan in de grootste verwondering uit. +„Deed hij dat in het bijzijn van den prins?” + +„Ja! En de arme stakker had den dag te voren al een oorveeg op de +andere wang gekregen van een fotograaf, die opnamen kwam maken!” + +„Dat is kras!” mompelde Sullivan half luid voor zich heen. „Dat is +bepaald niet geheel en al in den haak!” + +Hij verviel in gepeins en nu vroeg Miss Evans: + +„Vond Zijne Hoogheid dat maar goed, dat in zijn tegenwoordigheid de +eene graaf den ander oorveegde?” + +„O neen, graaf Colebrooke kreeg een leelijken uitbrander!” antwoordde +Marja Ivy. + +„Hoe kwam het eigenlijk?” + +„Graaf Carwood had graaf Colebrooke beleedigd!” + +„Waardoor?” + +„Hij had hem voor de voeten geworpen, dat hij deze samenkomst had +bewerkt!” + +„En bleef het daarbij?” + +„Neen, de geslagene daagde graaf Colebrooke uit!” + +„En nam die het aan?” + +„Op slag!” + +„Kras!” mompelde nu ook Miss Evans. „De oude man kan ternauwernood zijn +wandelstok vasthouden!” + +„Nu, ik verzeker u, dat de slag aankwam!” riep Marja uit. „De vloer +dreunde er van! Als die oude heer even goed schermt als hij muilperen +uitdeelt, dan staan graaf Carwood eenige onaangename oogenblikken te +wachten!” + +„Nu, het schijnt hier eigenaardig te zijn toegegaan, dat is zeker,” +hernam Sullivan, die uit zijn gepeins ontwaakt was. „En ik zeg u nog +eens, hier is iets niet in den haak!” + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +LIEFDE EN RECLAME. + + +De detective was het boudoir binnengetreden en bekeek nu zorgvuldig +alle deuren achtereenvolgens na. + +„Waren de deuren dicht, toen het hooge bezoek kwam?” vroeg hij. + +„Neen, ik weet heel zeker van niet!” antwoordde Mirza, het kamermeisje. + +„Dan heeft de graaf ze dus op slot gedaan,” zeide Sullivan. „Dat is van +belang, Miss Dorrit.” + +„Ja, er blijkt in ieder geval duidelijk uit, dat de deuren van binnen +gesloten zijn door iemand, die de vertrekken door de ontvangkamer van +madame Ivy weder heeft verlaten, op de gewone manier. Dat zou er dus +voor pleiten, dat de graaf inderdaad de dief is geweest!” + +„Goed geredeneerd!” riep Sullivan uit. „Zoo is het! De sleutels zitten +alle aan de binnenzijde. Alleen de deur naar het ontvangvertrek is +open.” + +De detective liep langzaam door het vertrek, en bekeek nauwkeurig de +verschillende doozen. + +„Hield gij er geen bepaald juweelenkistje op na, madame?” zoo wendde +hij zich opnieuw tot de diva, die zenuwachtig zijn gangen volgde. + +„Ik heb er wel een, maar ik ben wat slordig uitgevallen, ik leg altijd +alles door elkaar! De juweelen lagen hier en daar, overal!” + +„En het geldkistje?” + +„Dat was goed gesloten en stond in die kast, op den grond, ik vond het +geopend terug. En nu wilde ik u wel vragen, of gij het zonder mij kunt +stellen, mijnheer, ik ben over mijn tijd vrees ik, en de directie zal +misschien niet als verontschuldiging laten gelden, dat ik bestolen ben, +en een hooge boete eischen!” + +„Nog slechts en enkele vraag, madame, en dan zal ik de rest wel met uw +kamermeisje bespreken. + +„Welke taal sprak de prins met u?” + +„Wel Fransch! En hij sprak het uitstekend!” + +„Dan heeft hij het in enkele dagen geleerd, madame!” zeide Sullivan +ironisch, „want tot op eergisteren verstond hij geen woord Fransch zoo +groot als een huis!” + +„Wat, wat wilt gij zeggen,” stamelde de diva, terwijl zij verbleekte en +zich aan een tafel moest vasthouden. + +„Ik wil zeggen, dat ik sterk vermoed, dat uw prins een heel gewone, of +liever een buitengewone bedrieger is geweest, evenals zijn zoogenaamde +adjudant. Prins George kent geen Fransch, hoogstens een paar +beleefdheidsformules! Maar wij kunnen ons spoedig genoeg overtuigen!” + +Hij ging het ontvangvertrek weder binnen, nam de telefoon van den haak, +en stelde zich in verbinding met het koninklijk paleis. + +Deze verbinding werd, zooals bij alle groote hotels bewerkstelligd door +de Hotel Centrale, die door een zestal jonge meisjes werd bediend. + +Aan het andere einde van de lijn stond een kamerbediende van den prins +hem te woord. + +De detective sprak gedurende eenige minuten, en hing toen met een +uitdrukking van de grootste verbazing het toestel weder op. + +„Dat is het merkwaardigste, wat ik nog ooit beleefd heb, madame!” zeide +hij, terwijl hij het boudoir weder binnentrad. „De kamerdienaar van den +prins zegt mij zooeven, dat Zijne Hoogheid inderdaad is uitgegaan tegen +negen uur, om hier een bezoek aan u te brengen! En die man is in alle +intieme geheimen van zijn meester! Ik sta hier voor een raadsel, +tenzij....” + +Hij voltooide den zin niet, maar hernam: + +„Ik wil u niet langer van uw werk afhouden, madame! Het overige verneem +ik wel van het personeel. Ik hoop echter, dat gij dadelijk nadat uw +nummer afgeloopen is, hier weder terug keert!” + +„Daar kunt gij op rekenen, mijnheer!” zeide Marja, die reeds haar +mantel had aangetrokken en haar hoed had opgezet. „Al zou ik er den +geheelen nacht voor moeten opblijven, mijn juweelen moeten en zullen +mij teruggegeven worden!” + +En met die woorden ruischte zij het vertrek uit. + +Sullivan keek haar met een half spottend, half medelijdend lachje op +zijn schrander gezicht na, en wendde zich toen tot Dorrit Evans met de +opmerking: + +„Ik geloof dat madame Ivy zich dat een weinig al te gemakkelijk +voorstelt! Wij hebben hier blijkbaar met een uiterst handigen bedrieger +te doen, of zij en het kamermeisje moeten zich vergissen, en graaf +Colebrooke had niets met het geval te doen. Maar dan blijft het raadsel +van de Fransche taal! De prins is echter hier geweest, dat staat nu wel +vast! Hij schijnt dus binnen korten tijd de Fransche taal machtig te +zijn geworden, of hij heeft zijn kennis van de taal van Voltaire altijd +geheim gehouden! Hoe het ook zij, zijn aanwezigheid hier staat vast. +Blijft over de graaf. Is hij de authentieke graaf Colebrooke geweest? +Als hij de man was, die de juweelen stal, dan is dat zoo goed als +buiten gesloten, tenzij hij eensklaps cleptomaan is geworden, en +zooiets zullen wij nu maar niet aannemen! De graaf is schatrijk, een +der rijkste mannen van Londen, misschien wel van geheel Engeland!” + +„Dat kan niet waar zijn, mijnheer!” liet nu eensklaps de stem van Mirza +zich hooren. „Pas gisteren verklaarde de graaf, dat hij op zwart zaad +zat, en dat hij er daarom werk van maakte, den prins aan een of ander +avontuurtje te helpen!” + +Vol verbazing staarden Sullivan en Miss Evans elkander aan. + +Toen barstte de detective uit: + +„Dan is die man stellig een bedrieger geweest! Hoe hij zich bij den +prins heeft weten in te dringen, is mij een raadsel, maar ik acht in +geheel Londen maar een enkelen man in staat, zooiets te wagen! Zijn +naam behoef ik u zeker niet te noemen, Miss Dorrit!” + +„Neen, die is bekend genoeg!” zeide het jonge meisje met opeengeklemde +tanden. „Dus, hij zou hier weer achter zitten, denkt gij?” + +„Dat zou mij althans in het minst niet verwonderen! Het is juist iets +voor Raffles!” + +„Maar telefoneer dan even naar het huis van graaf Colebrooke! Misschien +kan hij zelf of zijn kamerbediende inlichtingen geven!” + +„Gij hebt gelijk, Miss Dorrit!” riep Sullivan uit. + +Hij snelde het andere vertrek weder binnen, en liet zich door de +hotelcentrale verbinden met het prachtige woonhuis van graaf Colebrooke +aan de Mall gelegen. + +Tien minuten later trad hij weder binnen. + +Zijn gelaat stond strak en nog nimmer had zijn leerlinge er zulk een +grenzelooze verwondering op afgeteekend gezien. + +„Wat is er?” vroeg zij nieuwsgierig. + +„Wat er is? Wel, de graaf is hier geweest, met den prins, zegt zijn +kamerbediende mij!” + +„Daar houdt alles bij op!” kreet Dorrit Evans. „Dat is toch bijna +onmogelijk! Was de graaf zelf niet thuis?” + +„Neen, hij was om half negen uitgegaan. Dat klopt dus. Maar het klopt +niet, dat een man als hij bij een variété-mamsel diamanten steelt! Voor +den drommel, wat heeft dat alles te beteekenen?” + +Hij stond lang in gedachten en haalde toen de schouders op. + +„Wij zullen het later wel uitvinden,” zeide hij. „Misschien is de graaf +totaal onschuldig en moeten wij de daders heel ergens anders zoeken, +onder het hotelpersoneel bijvoorbeeld. Kom, laten wij maar dadelijk +eens op onderzoek uitgaan!” + +En nu begon de detective met een van die stelselmatig gevoerde +onderzoekingen, waardoor hij zich zulk een grooten naam bij +Scotland-Yard had weten te verwerven. + +Maar na anderhalf uur moest hij bekennen, dat hij nog even ver was als +bij het begin, het was zoo goed als ondenkbaar, dat iemand van het +personeel den diefstal had kunnen plegen, daar alle gangdeuren immers +goed gesloten werden gevonden! + +Juist toen Sullivan en Miss Evans weder in het boudoir terug waren +gekeerd, trad Marja weder binnen. + +Of beter gezegd, zij viel, zij struikelde de kamer in, en liet zich, +woedend met de voeten trappelend, op een sofa vallen, na haar hoed met +een woest gebaar van het hoofd te hebben gerukt! + +„Bedrogen! Voor den gek gehouden door een paar ellendelingen!” kreet +zij eindelijk. + +„Zoudt gij ons niet eens willen zeggen, wat er eigenlijk gebeurd is, +madame?” vroeg Sullivan, die begreep, dat er iets ernstigs moest zijn +voorgevallen. + +Marja was met een ruk overeind en schreeuwde, terwijl haar zwarte oogen +vlamden: + +„Prins George en graaf Colebrooke waren in het Hypodrome-Theater.” + +„Wat!” riepen Sullivan en Evans tegelijk, die hun ooren niet geloofden. +„Allebei?” + +„Allebei, en sedert acht uur! De Prins zat in zijn loge! Gij kunt u +begrijpen, wat er in mij omging, toen ik het hoorde! Ik weet nog niet, +hoe ik er in geslaagd ben, mijn liedjes teneinde te zingen! Ik stuurde +iemand met een beleefd briefje naar hem toe, om hem te vragen, of hij +werkelijk den geheelen avond in den schouwburg was geweest, omdat het +voor mij van groot belang was, dit te weten, en toen kwam graaf +Colebrooke zelf achter, een stijve, houten Klaas, die mij zeide, dat de +prins en hij inderdaad den geheelen avond in hun loge hadden gezeten! +Dus, die beide mannen zijn bedriegers geweest! O, ik zal mij wreken!” + +„Maar dan.... de telefoon!” schreeuwde Sullivan woedend. + +„Zij hebben voorzien, dat er navraag zou worden gedaan,” zeide Dorrit +schouderophalend, „en op het dak van een van Raffles’ huizen, waarover +de draden van hier naar de telefooncentrale loopen, hebben zij den +draad afgetapt en u zelf antwoord gegeven!” + +„Drie dubbele ezel die ik ben,” schreeuwde Sullivan, bijna stikkend van +woede, „ja, zoo moet het gegaan zijn! Ik had het moeten weten! Maar nog +is alles niet verloren!” + +Hij wendde zich tot Mirza, die nog altijd bleek en bevend bij haar +meesteres stond en vervolgde haastig: + +„Hebt gij mij niet gesproken over een duel, zooeven?” + +„Ja, mijnheer, graaf Colebrooke wilde met graaf Carwood duelleeren!” + +„Spraken de heeren niet over de plek, waar zij zouden vechten?” + +„Neen, daarvan heb ik niets gehoord!” + +Sullivan uitte een gesmoorden vloek, en gromde tusschen de tanden: + +„Dat is dus ook al mis! Anders had ik hem op de plek der samenkomst +laten arresteeren! Hij is in staat, inderdaad den graaf een kleinen +prik te geven!” + +Maar nu riep Dorrit Evans opeens uit: + +„Als wij eens naar graaf Carwood gingen! Hij kan ons immers zeggen, +waar het tweegevecht zal plaats hebben?” + +„Miss Dorrit, gij hebt alweder gelijk, en ik geloof, dat de woede mijn +denkvermogen benevelt!” riep Sullivan vol geestdrift. „Het is reeds +zeer laat, maar dat doet er niet toe, laten wij dadelijk naar het huis +van den graaf gaan! Gij weet zeker zijn adres?” zoo wendde hij zich tot +de variété-danseres, die er over zat na te denken, hoe zij ondanks +alles nog de reclametrom zou kunnen roeren. + +„Grosvenor Road 76!” antwoordde de jonge vrouw toonloos. + +„Dat is een heel eind van hier,” zeide Sullivan. „Maar wij mogen niet +aarzelen! Kom mede, Miss Dorrit! Wij hebben hier voorloopig niets meer +te doen! Wij gaan op jacht naar de dieven!” + +„Als gij mijn juweelen maar terug brengt!” riep Marja uit. „De dieven +boezemen mij minder belang in!” + +„Dan verschillen wij daaromtrent van meening, madame!” gaf Sullivan ten +antwoord. „Het beste zou echter zijn, wanneer wij én de juweelen én de +dieven konden vangen!” + +Een haastige buiging voor de artiste en de beide detectives verlieten +snel het vertrek. + +Voor het breede trottoir stond nog de politieauto te wachten, die hen +hier had gebracht. + +Het was toen half een in den nacht. + +Sullivan gaf den chauffeur het adres van graaf Carwood op, en de auto +stelde zich in beweging. + +Na een rit van een half uur hield de auto stil voor een fraai huis, dat +geheel in duisternis gedompeld was. + +Sullivan moest herhaalde malen bellen, eer de deur werd geopend door +een slaperigen bediende, die hem alles behalve vriendelijk ontving. + +Sullivan maakte zijn kwaliteit bekend en gaf het verlangen te kennen, +dadelijk bij den graaf te worden toegelaten! + +„Maar de graaf slaapt reeds en hij is onwel!” riep de bediende uit. + +„Wij zullen hem slechts enkele minuten ophouden!” drong Dorrit aan. +„Het betreft een zaak van het grootste gewicht!” + +De bediende haalde de schouders op, maar hij ging toch de bezoekers +voor, de breede trap op, en langs een groot portaal, tot hij stil stond +voor een deur, waarop hij eenige malen luid klopte. + +Eindelijk klonk daarbinnen een zwakke stem, die op klagenden toon riep: + +„Wat is er toch? Wat wilt gij? Ik wil met rust worden gelaten!” + +„Politie!” riep Sullivan met luide stem. „Een dringende zaak! Ik +verzoek u vriendelijk, mij dadelijk even te willen ontvangen.” + +„Maar wat is er dan toch aan de hand?” hernam de vragende stem. „Ik ben +werkelijk niet in een toestand om mij te vertoonen!” + +„Wij zullen u niet lang ophouden, graaf!” riep nu Dorrit Evans. + +„Mijn hemel, zijn er dames ook nog?” klonk de stem aan den anderen kant +van de deur verschrikt. „Die moeten dadelijk vertrekken!” + +„Ik ga al, graaf!” hernam de jonge detective lachend. + +Pas toen het gerucht van haar voetstappen was weggestorven, werd de +deur van de slaapkamer heel langzaam op een kier geopend en daar +verscheen graaf Carwood, in een zijden pyjama. + +Dat hij het was, kon men echter slechts vermoeden, want zijn gezicht +was bijna geheel in een verband gehuld en uit den vorm daarvan bleek +duidelijk, dat allebei zijn wangen deerlijk waren opgezet. + +Ondanks den toestand kon Sullivan een glimlach niet weerhouden. + +De graaf zag er dan ook uit als een figuur uit een kluchtspel, zooals +hij daar stond in zijn pyjama, het tipje van zijn neus en een klein +gedeelte van zijn mond even zichtbaar, bibberend en bleek. + +„Neem me niet kwalijk als ik aanstonds met de deur in het huis val, +graaf,” begon Sullivan. „Ik weet van uw tweegevecht af, ik kom u +slechts vragen, waar en wanneer het plaats heeft! De zoogenaamde prins +George, zoowel als graaf Colebrooke waren bedriegers en ik wil hen +arresteeren!” + +„Dat heb ik al voor u geweten, meneer de detective!” jammerde graaf +Carwood op hartverscheurenden toon. „Dat is juist mijn ongeluk +geworden! Luister, dan zal ik het u mededeelen.” + +Hij wenkte Sullivan om binnen te komen, liet zich in een gemakkelijken +stoel vallen en begon toen met haperende stem: + +„Als gij van het tweegevecht afweet, dan moet gij ook weten, op welk +een schandelijke wijze ik gisteren behandeld ben door een fotograaf, +dien ik bij Marja Ivy, de danseres aantrof! Die kerel had de +onbeschaamdheid mij een muilpeer te geven, meneer! Een muilpeer aan +mij, de spruit van een geslacht, dat zijn oorsprong tot in het begin +van de veertiende eeuw kan nawijzen! Gij zoudt het niet gelooven, maar +hedenavond kreeg ik in die zelfde kamer op de andere wang een tweede +oorveeg, ditmaal van graaf Colebrooke! Ik ging heen in een toestand, +dien gij u wel kunt voorstellen, en met de verklaring, dat ik nog +hedenavond zijn getuigen zou wachten. Maar denk u in mijn toestand, +toen ik mij naar het Hypodrome-Theater liet rijden, waar ik Marja +hoopte te spreken, om vrede met haar te sluiten, en daar prins George +en graaf Colebrooke in hun loge zag zitten! Ik vertrouwde mijn oogen +niet, vervoegde mij dadelijk bij Zijne Hoogheid en vernam daar den +samenhang van het geheele treurspel. Ik moest het slachtoffer zijn +geworden van een laaghartig bedrog en ik liet mij dadelijk weder naar +huis brengen om de schuldigen te ontmaskeren! Helaas, helaas, had ik er +maar aan gedacht om een paar stevige politieagenten mede te brengen!” + +De graaf wiegde eenige malen in zijn gemakkelijken stoel heen en weder +als een gewonde ijsbeer en vervolgde toen: + +„Ik was nauwelijks thuis, of de getuigen kwamen opdagen, en ik wist nu +natuurlijk, dat zij de handlangers waren van een paar bedriegers! Ik +zeide hun dat er onder deze omstandigheden van dit tweegevecht niets +kon komen, want dat ik natuurlijk niet met Jan Rap en zijn maat kon +vechten, en weet gij, wat zij toen deden?” + +„Ik ben er benieuwd naar, graaf!” zeide Sullivan, die zich weliswaar +zeer teleurgesteld gevoelde over de mislukking van zijn plan, maar toch +een glimlach onmogelijk kon bedwingen. + +„Zij betreurden het, dat er van het duel niets kon komen, zeiden zij en +daarop gaven zij mij ieder een muilpeer, meneer, de eene op de linker, +de ander op de rechterwang! Zoodat ik van dit alles het slachtoffer +ben!” + +En ineens uitte de ongelukkige graaf een jammerklacht, was in een wip +overeind, ijlde met de vlugheid van een haas op zijn bed toe, en dook +met onbegrijpelijke vlugheid onder de dekens. + +En zoo eindigde voor hem het avontuur met de Poolsche Variété-diva. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78820 *** |
