summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78683-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78683-0.txt')
-rw-r--r--78683-0.txt2734
1 files changed, 2734 insertions, 0 deletions
diff --git a/78683-0.txt b/78683-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..f970715
--- /dev/null
+++ b/78683-0.txt
@@ -0,0 +1,2734 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78683 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 345 DE BANKROOVERS.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE BANKROOVERS.
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+HET GERUCHT ONDER DEN GROND.
+
+
+Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten
+tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de
+Regent-Street, niet ver van Pall Mall.
+
+Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden
+Londenschen philantroop.
+
+De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun
+schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar
+de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John
+Raffles, den Grooten Onbekende.
+
+Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.
+
+Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide
+heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd
+hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man
+was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van
+proeven op het gebied der chemie.
+
+Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste
+gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest
+zoeken.
+
+Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het
+laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende
+uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische
+vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer
+per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven
+aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste
+oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.
+
+Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische
+laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak
+werkten, en een soort rookkamer, die tevens een kleine
+wetenschappelijke boekerij bevatte.
+
+En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen,
+bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.
+
+Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde
+lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en
+men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter
+breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen
+bewegen.
+
+De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon
+Raffles:
+
+„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”
+
+„Ik ben er nieuwsgierig naar.”
+
+„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een
+allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”
+
+Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:
+
+„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans
+waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen
+zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet
+voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om
+hier heen te gaan!”
+
+„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”
+
+„Maar om wat te doen dan toch?”
+
+„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van
+dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige
+schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft
+plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die
+ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij
+haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds
+in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan
+dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien
+onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar
+te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij
+uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”
+
+„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine
+inspectie-reis ondernemen.”
+
+„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort,
+om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de
+spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch
+wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische
+geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik
+onderzoeken.”
+
+„Nu ik ben tot je dienst.”
+
+Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos
+schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening
+ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter
+breed.
+
+De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een
+kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn
+plaats terug gaan.
+
+De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die
+niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis
+en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren
+trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.
+
+Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun
+electrische zaklantaarn.
+
+De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.
+
+Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en
+nu stonden de mannen in het laboratorium.
+
+Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het
+vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote
+booglampen.
+
+Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op
+allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit
+Raffles zou hebben benijd.
+
+Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot,
+waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische
+smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn
+modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste
+gereedschappen.
+
+En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval
+ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen
+Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime
+plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen
+achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.
+
+Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen spoorstaaf, waarover
+een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die
+op een soort zadel konden gaan zitten.
+
+Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de
+tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.
+
+Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel
+aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.
+
+Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.
+
+„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles.
+„Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het
+wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly,
+wij zullen er te voet op uit moeten.”
+
+De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen
+aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een
+haak voor hun borst.
+
+Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken
+was.
+
+Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de
+tunnel.
+
+Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak
+gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen
+bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met
+een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche
+gang snelde.
+
+Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte
+genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.
+
+De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop
+in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de
+electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.
+
+Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die
+zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had
+gehouden, eensklaps stil.
+
+Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen
+schok der ontploffing was afgebroken.
+
+Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.
+
+De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den
+geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad
+aanstonds te herstellen.
+
+Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.
+
+Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was
+vernield.
+
+Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in
+de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met
+uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.
+
+Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.
+
+Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar
+omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op
+geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren
+aangebracht.
+
+Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen
+gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.
+
+Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle
+bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden
+zich nog in den besten staat.
+
+Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel
+uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den
+electromotor van het wagentje.
+
+Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop
+drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische
+stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren
+anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in
+bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische
+wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in
+beweging zette.
+
+Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide
+mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.
+
+Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel
+eensklaps veel breeder werd.
+
+Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van
+een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote
+kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van
+een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.
+
+In het midden, beschermd door een metalen kap, bevond zich het zware
+vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel
+ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee
+achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het
+er vier had bezeten.
+
+Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een
+gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke
+spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander
+ongeluk de motor mocht weigeren.
+
+Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het
+nauwkeurig.
+
+Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt
+kunnen worden.
+
+„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in
+orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant
+eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.
+
+En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel,
+die bijna vijf kilometer lang was.
+
+Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats
+gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly
+dwong, hetzelfde te doen.
+
+„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.
+
+„Luister eens, hoor je niets?”
+
+Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.
+
+„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling
+gerucht?”
+
+„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb
+de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er
+ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”
+
+De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.
+
+Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt
+door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.
+
+Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een
+stoommachine.
+
+Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een
+exprestrein voorbij reed.
+
+Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan,
+zonder een woord te wisselen.
+
+Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:
+
+„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik
+zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die
+met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij
+denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef
+te draaien.”
+
+„Waar zijn wij hier ergens?”
+
+„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik
+een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel
+heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij
+het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een
+man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+HET GELUID KOMT NADER.
+
+
+Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche
+werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde
+van de tunnel.
+
+Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist
+te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.
+
+Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet
+luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het
+electrische wagentje.
+
+Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het
+gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.
+
+Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar
+de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote
+boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel
+legde.
+
+Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden,
+nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen,
+namen en cijfers bedekt, en zeide:
+
+„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons
+ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij
+het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de
+Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een
+kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat
+ondergrondsche geluid niet!”
+
+„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van
+buizen?”
+
+„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig
+eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort
+loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil
+werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter
+wereld zoo toe!”
+
+„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”
+
+„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom
+zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”
+
+Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en
+wendde zich weder tot Charly met de opmerking:
+
+„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord,
+ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen
+daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant
+nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”
+
+Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met
+Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming
+van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig
+aandeel had genomen.
+
+Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne
+Lordschap William Aberdeen voor de deur.
+
+Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot
+Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:
+
+„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen
+spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te
+doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”
+
+Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto,
+die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het
+toppunt van dwaasheid.
+
+Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.
+
+Ongeveer een kwartier later reed de auto met een kalm gangetje door de
+oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn
+omgeslagen.
+
+Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo
+geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen
+spoorweg is.
+
+Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te
+ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!
+
+Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere
+straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.
+
+Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die
+eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:
+
+„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet
+alleen in onze verbeelding?”
+
+„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij
+wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen
+ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”
+
+„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had
+geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog
+nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons
+land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is
+een bepaalde schok, geen trilling”
+
+„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak
+boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is
+voorbijgetrokken!”
+
+„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik
+kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware
+kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door
+deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere
+kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze
+aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna
+zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”
+
+En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de
+vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium
+naar het huis in de Victoria-Street leidde.
+
+Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad,
+vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op
+het gelaat.
+
+De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:
+
+„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”
+
+„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste
+Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel
+geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”
+
+„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.
+
+„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”
+
+„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”
+
+„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende
+afdeeling zwaar geschut!”
+
+„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly.
+„Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”
+
+„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer
+beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een
+electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel
+om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen
+aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel
+en de spade verder te verwijderen.”
+
+„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing
+uit.
+
+„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles
+lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in
+de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die
+volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De
+gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in
+het bijzonder op wijs!”
+
+„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door
+en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als
+hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”
+
+„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles
+droogjes. „Inderdaad zou het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo
+onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”
+
+„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te
+zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.
+
+„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van
+de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en
+vooral van haar beginpunt!”
+
+„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.
+
+„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat
+ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het
+eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus
+een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet
+voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn
+uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen
+door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een
+voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder
+kunnen doordringen!”
+
+„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van
+dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond,
+dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te
+voorkomen!”
+
+„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat
+ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het
+punt, waar zij begonnen zijn.”
+
+„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu
+in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly,
+terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.
+
+„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en
+ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”
+
+„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”
+
+„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee
+uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder
+dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men
+het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat
+is volkomen buitengesloten.”
+
+„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen
+haar kelders een gemeenschap wil maken?”
+
+„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten
+zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”
+
+„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.
+
+„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam
+Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren
+zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij
+dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”
+
+Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden
+hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de
+diensten van Henderson gebruik te maken.
+
+Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.
+
+Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en
+Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.
+
+Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug,
+stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en
+luisterden ingespannen.
+
+En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer
+was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen,
+en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.
+
+Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij
+onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het
+groote huis in de Regent-Street terug.
+
+Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar
+dreigend was.
+
+Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand
+van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar
+en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William
+Aberdeen aan het licht!
+
+Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!
+
+De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine
+eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het
+vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid.
+
+„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe
+tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen
+nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie
+zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”
+
+Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de
+tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal
+het zonderlinge gerucht vernomen hadden.
+
+En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker
+verneembaar dan den vorigen dag.
+
+Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een
+reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door
+hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond
+werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.
+
+Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.
+
+Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou
+kunnen hooren:
+
+„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit
+gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de
+huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”
+
+„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte
+van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in
+geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”
+
+„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel
+doorgraven!”
+
+„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat
+werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook
+groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er
+niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan
+vrees ik het ergste!”
+
+„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor
+tegen den wand had gedrukt.
+
+„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week
+duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich
+gemakkelijk over den afstand onder den grond.”
+
+„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit.
+„Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het
+volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar
+eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”
+
+„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen.
+„Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel
+een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”
+
+„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij
+heen leidt?”
+
+„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur
+zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt
+dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te
+snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de
+rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de
+Baker-Street bevindt?”
+
+„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht
+het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”
+
+„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten,
+zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt
+worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn
+van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan
+zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”
+
+„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het
+gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen
+hooren!”
+
+„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder
+geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan
+volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”
+
+„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”
+
+„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte
+brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij
+zekerheid hebben.”
+
+Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij
+het knarsende, stootende, borende geluid.
+
+Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de
+groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in
+welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.
+
+De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken van een zwaar
+motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.
+
+Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige
+armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.
+
+Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:
+
+„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam
+werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”
+
+En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly
+Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.
+
+Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds,
+welk gevaar hier school.
+
+Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht
+werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak
+waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.
+
+En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar
+goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren
+staaf van een duim dik door midden te breken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+EEN GEVAARLIJKE VERWIKKELING.
+
+
+Raffles en Charly gingen intusschen het huis weder binnen en begonnen
+zich in hun slaapkamer zorgvuldig te vermommen.
+
+Al zou het den geheelen dag moeten duren, zij moesten en zouden het
+punt van uitgang ontdekken, er hing voor hun te veel van af.
+
+Het verlies van de tunnel zou nog niet het meeste te beteekenen hebben,
+ofschoon het nut menigmaal onmiskenbaar was gebleken, als Raffles zich
+wat spoediger moest verwijderen dan waarop hij gerekend had, maar dat
+men zou kunnen ontdekken, waarheen de tunnel leidde, dat was
+ontoelaatbaar, want dan zou het dubbele leven van Lord William Aberdeen
+aan den dag komen, en aldus zou aan den Grooten Onbekende een zijner
+krachtigste wapens uit de hand worden geslagen.
+
+Toen zij met hun vermomming gereed waren, zagen de beide mannen er uit
+als provincialen die op hun gemak door de straten konden slenteren,
+zonder daardoor achterdocht te wekken.
+
+Zij verlieten nu het huis aan de tuinzijde, en traden door een kleine
+deur een zijstraat binnen, waar zich nooit een levende ziel vertoonde.
+
+De een zijde bestond uit den langen muur van hun eigen tuin, de andere
+uit den blinden muur van een groote fabriek.
+
+In de Regent-Street namen de beide vrienden een huurauto, welke hen
+naar de Baker-Street bracht.
+
+Hier stapten zij uit en zonden den chauffeur weg.
+
+„En nu zullen wij onze taak eens verdeelen, zoodat wij de helft van den
+tijd kunnen besparen,” zeide Raffles. „Ik zal den zuidelijken kant van
+de straat nemen, en jij den noordelijken. Wij ontmoeten elkander weder
+in het café op den hoek van de Grosvenor-Street, behalve natuurlijk
+voor het geval, dat een onzer iets mocht hebben ontdekt, hetwelk hem
+noodzaakt, dadelijk handelend op te treden. Indien noodig, halen wij er
+dadelijk de politie bij! Maar in ieder geval moeten wij om het half uur
+een van beiden het café binnen gaan, want ik heb Henderson last
+gegeven, ons daar telefonisch te waarschuwen, in geval er in onze
+afwezigheid zich iets van groot gewicht mocht voordoen. Hij moet dan
+vragen naar een zekeren Johnson, en een goede fooi aan den kellner zal
+wonderen uitwerken.”
+
+En nu volgden de mannen ieder een kant van de straat, nauwkeurig acht
+gevend op het voorkomen van de huizen, en nu en dan stil staande, in de
+hoop, dat zij het geraas van de machine zouden hooren.
+
+Zoo bereikte Raffles, die wist, dat hij nu een rechte lijn volgde, waar
+hier of daar het beginpunt van de tunnel moest zijn, tenminste als de
+gang in zuiver rechte richting was gegraven, na ongeveer twintig
+minuten loopen een huis, in welks benedenverdieping een kleine
+drukkerij gevestigd was.
+
+De beide groote ruiten waren halverhoogte van matglas, maar daarboven
+kon Raffles duidelijk een paar riemschijven zien, waarover eenige
+breede riemen snel heen schoven.
+
+Een oogenblik stond hij stil, in beraad, en toen trad hij vastberaden
+den winkel binnen.
+
+Hij bevond zich in een vrij groot vertrek, waar een drietal kleine
+klappersen stonden, zooals men ze wel gebruikt voor het drukken van
+visitekaartjes en ander klein drukwerk, en die met de hand zoowel als
+mechanisch bewogen kunnen worden.
+
+Alles blonk van nieuwheid, zooals Raffles met een enkelen oogopslag kon
+waarnemen.
+
+Het vertrek was aan de achterzijde afgesloten door een matglazen wand,
+waarin schuifdeuren, eveneens met matglazen ruiten.
+
+Alle drie de persen liepen dol, dat wil zeggen, dat de riemen wel over
+de bovenste schijven snorden, maar dat de schijven van de persen waren
+uitgeschakeld.
+
+Nergens was iemand van het drukkerspersoneel te bespeuren.
+
+„Een merkwaardige drukkerij!” mompelde Raffles voor zich heen. „Zij
+schijnen het hier ook niet bijzonder druk te hebben!”
+
+Juist had hij deze opmerking voor zich zelf gemaakt, toen een der
+schuifdeuren openging, en er een kleine jongen verscheen, met geen al
+te snugger gezicht, die met hoog opgetrokken wenkbrauwen even naar
+Raffles bleef kijken en toen als het ware aarzelend een paar stappen
+naar voren kwam.
+
+Het openschuiven van de deur had maar even geduurd, maar toch lang
+genoeg, om te kunnen zien, dat het aangrenzend vertrek zoo goed als
+geen meubels had, en dat er een klein tafeltje stond, misschien bestemd
+voor dit kantoorjongentje.
+
+Eindelijk opende de knaap zijn groote mond, en vroeg:
+
+„Wat is er van uw dienst, mijnheer?”
+
+„Kan ik hier visitekaartjes laten drukken, en reclamekaarten voor mijn
+zaak?”
+
+„Dat zal wel gaan, mijnheer?” antwoordde de jongen met een onnoozel
+lachje.
+
+„Is je patroon er niet?”
+
+„Die werkt in de schuur, achter in den tuin.”
+
+„Zoo? Daar is zeker de zetterij?”
+
+„Ja, mijnheer!”
+
+„Kan ik den patroon niet zelf even spreken?”
+
+„Dat zal niet gaan, mijnheer! Kunt u mij de boodschap niet geven?”
+
+„Neen, jongen, nu is het mijn beurt om te zeggen, dat zal niet gaan!
+Roep je baas maar eens even, maar een beetje vlug, ik heb niet veel
+tijd!”
+
+Raffles had dit met opzet gezegd, om te kunnen nagaan, of de jongen
+lang wegbleef, en dus, of hij zijn patroon spoedig had kunnen vinden.
+
+De jongen verdween weer door de schuifdeur, en Raffles nam plaats op
+den eenigen stoel dien hij in het vertrek zag.
+
+Zijn blikken vlogen snel door de werkplaats.
+
+In een hoek stond een krachtige electromotor, die de beweegkracht
+leverde voor de drie persen.
+
+Maar Raffles scherp en geoefend oog merkte bovendien nog een riem op,
+die niet naar de persen liep, maar buiten het vertrek werd geleid, door
+een paar sleuven in den zijmuur.
+
+Er was een extra riemschijf aan den motor bevestigd, die er
+oorspronkelijk niet toebehoord had, want de as was nauwelijks lang
+genoeg om de beide schijven naast elkander te bevatten.
+
+Er werd dus nog ergens anders een machine door dezen motor in beweging
+gebracht, maar waar zich die bevond, dat kon Raffles onmogelijk
+waarnemen.
+
+Hij stond even op, en trachtte over het matglazen gedeelte van de
+schuifdeur heen te zien, maar dit gelukte hem niet, ofschoon hij toch
+meer dan gewoon lang was.
+
+Een blik op de drie persen overtuigde hem dat de machines splinternieuw
+waren.
+
+Er stond ergens een letterbak, maar de specie was blijkbaar nog
+volkomen nieuw.
+
+„Heel veel krijgen de menschen hier niet te doen, dat is zeker,”
+mompelde Raffles. „In ieder geval een onderneming, welke pas begonnen
+is! Maar dan mochten zij toch in ieder geval wel een paar man bij de
+machines laten!”
+
+Op dit oogenblik gingen de schuifdeuren weder open en er trad een man
+van omstreeks veertig jaar binnen, met een glad geschoren gelaat,
+kleine, doordringende oogen, en bijzonder zwart en glanzend haar.
+
+Voor ieder ander was het zeker onopgemerkt gebleven, maar Raffles had
+voor zulke dingen goede oogen en met een oogopslag had hij gezien, dat
+de man een pruik droeg.
+
+Hij was wat links opgestaan, maakte een onhandige buiging, en begon:
+
+„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, als ik u kom lastig vallen, maar ik
+begin hier binnenkort een zaak in kaas en eieren en ik wilde wel een
+paar duizend reclamekaarten gedrukt hebben, maar vooral visitekaartjes,
+met er achter: „Handelaar in kaas en eieren en gros.” Begrijpt u? Ik
+kon wel naar een groote zaak gaan, maar die zijn zoo duur, en ik hoop,
+dat gij mij het vel niet over de ooren zult halen.”
+
+„Dat zal wel losloopen,” kwam de man met de pruik. „Geef uw naam en
+adres maar even op.”
+
+„Price Johnson. Voor het oogenblik logeer ik in het Marlborough Hotel,
+maar als ik het huis kan krijgen, dan kom ik te wonen in de
+Victoria-Street, nummero 78. U levert immers goed en deugdelijk werk?”
+
+„Wij zijn specialiteit in zulke dingen, maar ik kan u niet beloven dat
+u de bestelling zoo spoedig krijgt afgeleverd! Wij worden overstelpt
+met dergelijk werk!”
+
+Raffles weerhield bijtijds de opmerking die hem naar de lippen drong,
+toen hij dacht aan de verlaten persen.
+
+Een drukker, jong nog, die een voortreffelijke pruik droeg, daarmede
+moest men in ieder geval voorzichtig zijn, en zeker, als men John
+Raffles heette.
+
+„Ik hoop dat u zoo veel mogelijk spoed met de zaak zult maken,” hernam
+hij kalm. „Als uw werk mij bevalt, blijf ik uw klant!”
+
+Raffles meende een vaag spottend lachje om de dunne lippen van den man
+te zien spelen, maar hij kon zich ook wel vergist hebben.
+
+„Mag ik eens wat cartonsoorten en letters van u zien?” ging hij voort.
+
+De patroon trad op een wandkast toe, en kwam terug met een monsterboek,
+dat hij aan Raffles voorlegde.
+
+Deze zocht voor de leus een lettersoort uit, koos een dik carton uit,
+en zeide toen:
+
+„Voorloopig zijn tweeduizend kaarten voldoende.”
+
+„Wij zullen ons best doen, dat gij ze over een dag of vier hebt!”
+
+„Het is wel heel lang, kan het niet wat vlugger?”
+
+„Wij zullen ons best doen, mijnheer,” herhaalde de drukkerspatroon, een
+weinig ongeduldig naar het scheen.
+
+En reeds maakte hij een beweging naar de deur, als om zijn nieuwen
+klant uit te laten.
+
+„Ik kan niet zeggen, dat die heer er veel slag van heeft, om met zijn
+klanten om te gaan,” mompelde Raffles voor zich heen, toen hij weder op
+straat stond. „En dan noemt men ons in het buitenland nog wel „Een
+Natie van Winkeliers!” Deze vriend scheen er niet bijzonder op gesteld
+te zijn, mij tot zijn afnemers te mogen rekenen! Zijn keuze van papier
+en letters was ook al bijster schraal! En dan die pruik, die drie
+onbeheerde persen, die tweede riemschijf van den electromotor, waarvan
+de riem op geheimzinnige wijze buiten het vertrek verdween, de lange
+tocht van dat onnoozele jongentje, om zijn patroon te gaan waarschuwen!
+John Raffles, ik weet het niet, maar ik geloof, dat er in deze
+zoogenaamde drukkerij iets niet heelemaal pluis is! Die drukker had
+niet het type van zijn beroep, hij zag er als iets heel anders
+uit.......!”
+
+Onder deze overdenkingen vervolgde Raffles zijn weg.
+
+Weer lette hij nauwkeurig op alle huizen en winkels, maar nergens kon
+hij iets verdachts opmerken.
+
+Er waren groentewinkels, kruidenierszaken, boekwinkels, maar nergens
+bromden machines, die konden dienen om het geraas van een ander toestel
+te overstemmen.
+
+En de huizen waren alle deftige gebouwen, rustig en stil.
+
+Zoo bereikte Raffles de Midland-Bank.
+
+Het was een nieuw gebouw, uit een onbekrompen beurs betaald, zooals uit
+alles bleek.
+
+Bedienden van effectenhandelaars en bankiers liepen bedrijvig in en uit
+en Raffles kon hen de breede marmeren trappen naar de eerste verdieping
+zien op en af gaan.
+
+Een portier in een groene livrei stond met de handen op den rug naast
+de monumentale voordeur.
+
+Een reeks van vuistdikke tralies voorziene vensters wees even boven de
+straat de plek aan, waar zich de safes moesten bevinden.
+
+Raffles maakte snel een berekening:
+
+„Van deze bank tot aan de drukkerij, dat was ongeveer honderd meter,
+van de bank tot aan de tunnel was niet meer dan vijf-en-twintig meter,
+de ganggravers hadden dus zeker bijna driekwart van den weg onder den
+grond afgelegd, wel te verstaan als zijn wantrouwen tegen dezen
+zonderlingen drukkerspatroon gegrond bleek te zijn.”
+
+Even later trad hij het café binnen en hij was er nog geen vijf minuten
+of ook Charly verscheen.
+
+Er lag een uitdrukking van teleurstelling op zijn gelaat, die hij
+vruchteloos trachtte te verbergen.
+
+Hij had Raffles in zijn hoekje spoedig ontdekt, en trad op hem toe.
+
+Zonder zelfs zijn vraag af te wachten, zeide hij moedeloos:
+
+„Een vergeefsche tocht, Edward! Ik heb geen geluid gehoord, geen
+verdacht huis gezien!”
+
+„Dan ben ik gelukkiger geweest, mijn waarde,” kwam Raffles zacht.
+
+En hij deelde Charly uitvoerig mede, wat hem in de drukkerszaak
+wedervaren was.
+
+Charly had aandachtig toegeluisterd, en zeide nu:
+
+„Dat alles klinkt zeker tamelijk verdacht, maar laat je je nu niet al
+te zeer beïnvloeden door je wantrouwen, dat je overal spoken op
+klaarlichten dag doet zien?”
+
+„Waarde Charly, een spook met een pruik op is en blijft een voorwerp,
+waar tegenover ik terecht achterdocht koester! Als men in een straat
+als de Baker-Street een nieuwe drukkerszaak gaat openen, dan pakt men
+de zaak dadelijk grootscheeps aan, of tenminste zoo, dat men alle
+eventueele klanten flink kan bedienen. Dat kon deze man, hij droeg een
+pruik, niet doen, want hij liet zijn personeel uit wandelen gaan, hij
+had geen letters genoeg, en ook geen voldoenden voorraad carton,
+kortom, hij is niet in staat zelfs aan de bescheiden eischen te voldoen
+van een buitenmannetje, zooals ik er een voorstelde.”
+
+„Op zich zelf beschouwd is het zeker opvallend. Toch zou het zaak zijn,
+nader op deze aangelegenheid in te gaan.”
+
+„Dat ben ik dan ook van plan! Zoodra zich de gelegenheid voordoet,
+zullen wij die zoogenaamde drukkerij eens nauwkeurig onderzoeken. En
+het zou mij volstrekt niet verwonderen als daarbij aan het licht kwam,
+dat zij iets heel anders verborg.
+
+„De persen maken een groot lawaai, en dempen volkomen het geluid van
+iedere andere machine die elders in het huis is opgesteld, bijvoorbeeld
+in de schuur, waarover die onnoozele jongen het had. Ik denk, dat zij
+met opzet een suffertje hebben genomen, om geen last te hebben van
+brutale snuffelaars!”
+
+Hij wierp een blik op de klok, die boven het buffet hing, en vervolgde:
+
+„Het wordt nu tijd voor de lunch, Charly. Het onderzoek heeft mij
+hongerig gemaakt! Het café hier lijkt mij wel voldoende! Willen wij
+hier wat eten?”
+
+„Ik vind het goed! Wij blijven dus hier in de buurt?”
+
+„Ja. Ik zou er prijs op stellen als jij zelf ook eens een kijkje ging
+nemen in de drukkerij van onze vriend met de pruik. Misschien merk je
+nog wel iets anders en iets nieuws op.”
+
+Raffles wenkte den kellner, en bestelde een eenvoudige lunch.
+
+Juist toen de beide vrienden gereed waren met den maaltijd, trad de
+kellner op hen toe, en vroeg:
+
+„Is een van de heeren misschien mijnheer Johnson?”
+
+„Die ben ik, vriend!” antwoordde Raffles.
+
+„Daar is iemand voor mijnheer aan de telefoon!” vervolgde de kellner.
+„Er is groote haast bij.”
+
+Raffles wisselde een snellen blik met Charly en sprong op.
+
+„Ik volg je!” zeide hij, zich tot den kellner wendende.
+
+De telefoon hing in een klein hokje naast het buffet.
+
+Raffles trad er binnen, sloot de deur, nam het toestel terhand, en
+zeide:
+
+„Hier Johnson! Met wien?”
+
+„Met Henderson! Ik verzoek u, zoo spoedig mogelijk terug te komen?
+Zooeven is er een gat in den wand van ..... den muur geslagen!”
+
+ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
+
+Zoodra Raffles en Charly het huis in de Regent-Street verlaten hadden,
+begaf Henderson zich naar de tunnel.
+
+Voor alle zekerheid had hij zich met zijn revolver gewapend, ofschoon
+hij het wapen niet noodig dacht te hebben.
+
+Ook had hij zich voorzien van zijn electrische zaklantaarn, ingeval het
+licht in de tunnel door een of andere oorzaak mocht uitgaan.
+
+Na een half uur te hebben geloopen, bereikte hij de plek, waar de
+gasontploffing de draden vernield had.
+
+Hij stond stil en luisterde.
+
+Zijn scherp gehoor ving het zoemend geluid op, afgewisseld door
+beukende slagen of stooten.
+
+Hij legde zijn hand tegen den muur, en mompelde hoofdschuddend in zich
+zelf:
+
+„De wand trilt er waarachtig van! Zij werken hard, daar onder den
+grond!”
+
+De reus zette zich op den grond, juist tegenover de plek, van waar het
+dof gerucht kwam, en hield den blik onafgewend op den tegenover
+liggenden wand gevestigd.
+
+Langzaam verstrekken de minuten, de kwartieren, de uren.
+
+En telkens werd het geluid sterker.
+
+Henderson stond nu en dan op, teneinde zijn hand tegen den wand te
+leggen, en hij merkte op, dat het kloppend geluid steeds sterker werd.
+
+Het was omstreeks een uur in den middag, toen Henderson eensklaps
+opnieuw opsprong en naar den wand van de tunnel trad.
+
+Het geluid was nu zoo dicht bij gekomen, dat hij meende, ieder
+oogenblik den tunnelwand te zien bezwijken.
+
+Nu werd het plotseling geheel stil en daarop dreunde de doffe slagen
+van een houweel aan den anderen kant van den tunnelwand.
+
+In gebogen houding bleef Henderson op dezelfde plek staan, de oogen
+strak gevestigd op den muur.
+
+De wand moest wel zeer dun geworden zijn, want bij iederen slag
+knipoogden de electrische lampjes en toen gingen er eenige uit,
+waarschijnlijk waren de platina draden gebroken.
+
+En onverhoeds geschiedde er iets, waarop Henderson verdacht had moeten
+zijn en dat hem toch ten zeerste verschrikte, met een luid gekraak en
+het versplinteren van een steen drong het ijzer van een houweel door
+den muur heen, bewoog even, en verdween toen weder.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik had Henderson den schakelaar van het
+electrische licht reeds omgedraaid, zoodat de tunnel in volkomen
+duisternis gehuld was.
+
+De reus had begrepen, dat hij zoo lang mogelijk moest trachten te
+voorkomen, dat de lieden, die daar hun tunnel aan het graven waren, het
+bestaan van deze gang ontdekten, en dat zouden zij zeker onmiddellijk
+doen, wanneer zij hier licht zagen, en het glinsteren van de spoorstaaf
+op den grond konden waarnemen.
+
+Voorloopig zouden zij waarschijnlijk vermoeden, dat zij nog altijd niet
+diep genoeg hadden gegraven, en op een kelder waren gestuit.
+
+Het was nu de vraag of zij aanstonds aan de tunnel een andere richting
+zouden geven, dan wel of zij eerst zouden willen onderzoeken of zij
+inderdaad bij een kelder terecht waren gekomen.
+
+Henderson hield zelfs zijn adem in, uit vrees dat hij zijn
+tegenwoordigheid zou verraden, en keek strak naar de kleine opening in
+den wand, niet grooter dan eenige centimeters, waardoor een krachtig
+lichtschijnsel in de tunnel doordrong.
+
+Toen werd dit schijnsel een oogenblik verduisterd en Henderson begreep,
+dat dit veroorzaakt werd doordat er aan den anderen kant van den muur
+iemand zijn oog voor de kleine opening had gebracht.
+
+En het volgende oogenblik klonken de slagen van het houweel opnieuw.
+
+Toen begreep Henderson dat hij geen tijd meer te verliezen had en dat
+hij Raffles aanstonds moest waarschuwen.
+
+Hij ontstak zijn zaklantaarn, en dempte het licht zooveel mogelijk,
+door er zijn zakdoek om te wikkelen, en zocht bij dit weinige licht
+zijn weg naar den ingang van de tunnel.
+
+Toen hij zeker wist dat men hem niet meer kon hooren of zien, begon hij
+haastig voort te snellen en rustte niet vóór hij het tuinhuis bereikt
+had waar zich een telefoon bevond en waar hij aanstonds aan Raffles
+mededeelde wat den lezer reeds bekend is.
+
+En toen ging hij haastig weder naar het onderaardsche laboratorium
+terug.
+
+Daar lagen, in een der hoeken, een aantal platen van nikkelstaal, bijna
+een meter hoog, tachtig centimeter breed, en een duim dik, welke
+Raffles noodig had voor het doen van eenige proeven.
+
+Deze platen wogen bijna honderd dertig kilo, maar Henderson bedacht
+zich niet, maar tilde er een op, en laadde ze op een soort duwwagentje,
+zooals ze wel gebruikt worden door kruiers op het perron, om zware
+koffers te vervoeren.
+
+Zoo vlug hij kon, bracht hij de zware pantserplaat naar de plek van de
+doorbraak.
+
+En reeds op verren afstand zag hij tot zijn schrik, dat de slagen van
+het houweel het gat in den wand nog vergroot hadden, en dat het thans
+bijna een decimeter hoog en eenige centimeters breed was.
+
+Er kon niet aan worden getwijfeld, de geheimzinnige tunnelgravers
+moesten nu reeds lang de spoorstaaf gezien hebben, den houten vloer, en
+de rij gloeilampjes tegen den wand van de tunnel.
+
+Henderson reed de zware vracht tot vlak voor de opening, laadde daar de
+plaat van het wagentje en schoof haar met geweldige inspanning zoodanig
+langs den wand, dat zij juist de opening bedekte.
+
+Natuurlijk begreep hij, dat men hem aan den anderen kant van den muur
+had moeten hooren, maar daaraan was nu eenmaal niets te doen, en de
+tunnelgravers zouden toch al wel begrepen hebben, dat zij een zeer
+eigenaardige ontdekking hadden gedaan.
+
+Ook zag hij wel in, dat de gravers van den gang, nieuwsgierig geworden,
+zouden trachten dit beletsel weder uit den weg te ruimen, daarom
+wentelde hij het duwwagentje op een kant en zette het schoor tusschen
+den anderen wand en de pantserplaat, zoodat men deze laatste niet omver
+zou kunnen duwen.
+
+Aan den anderen kant werd woedend met het houweel tegen de plaat
+geslagen, maar Henderson haalde glimlachend de schouders op en mompelde
+in zich zelf:
+
+„Beuk jullie maar raak, je bent knap, als je met een houweel die plaat
+van nikkelstaal aan kunt tasten!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+DE OVERVAL.
+
+
+Er waren nog geen twintig minuten verstreken nadat Henderson de plaat
+voor het gat had gezet, of hij hoorde haastige schreden van Raffles en
+Charly die door de tunnel naderbij kwamen.
+
+Ook zij hadden het licht van hun zaklantaarns zooveel mogelijk gedempt,
+daar zij maar al te goed begrepen, aan welk gevaar zij zich anders
+zouden blootstellen.
+
+Wat Henderson betreft, hij had den schakelaar van het electrische licht
+weder omgedraaid zoodra hij de naderende schreden hoorde.
+
+Eenige seconden later stond Raffles voor hem, en vroeg op zachten toon:
+
+„Wat is er gebeurd, Henderson?”
+
+„Zij zijn door den muur heen, Mylord! Een uur geleden ongeveer sloeg
+een van die menschen met zijn houweel glad door dien wand, en sindsdien
+hebben zij het gat nog vergroot, het is nu achter die pantserplaat,
+welke ik zoo vrij ben geweest uit het laboratorium te halen.”
+
+„Dat is een voortreffelijke inval van je geweest, Henderson!” zeide
+Raffles, terwijl hij den reus op den schouder klopte. „Het verheugt mij
+nu, dat ik je hier op post heb gezet! Wij zullen aanstonds de andere
+platen er ook voorzetten en de schoren wat steviger maken! Blijf jij
+hier Charly, en let op, Henderson gaat met mij mee!”
+
+Het wagentje op zijn lage wielen werd weder overeind gezet en vervangen
+door een paar dwarsliggers, waarop de spoorstaaf rustte, en die in
+allerijl werd losgemaakt.
+
+En daarop vertrokken de twee mannen met het wagentje terwijl Charly
+achterbleef om aanstonds alarm te kunnen geven als het noodig mocht
+blijken.
+
+Charly telde de seconden die er verliepen tusschen het vertrek en de
+terugkomst van de twee mannen.
+
+Het was op dit oogenblik stil achter de stalen plaat en het
+geheimzinnige, zoemende gerucht had opgehouden, maar de jonge man
+gevoelde zeer goed, dat het de stilte was, die den storm vooraf ging.
+
+Oogenschijnlijk broeiden de dieven aan den anderen kant van de tunnel
+op een plan, om de plaat te vernielen, en als zij zoo knap waren
+geweest om op een diepte van ruim twintig meter en met zulk een
+snelheid zoo’n groote tunnel te breken, dan zouden zij zeker ook
+pienter genoeg zijn om zulk een belemmering als een stalen pantserplaat
+uit den weg te ruimen.
+
+Maar, daar kwamen Raffles en Henderson weder aan en thans hadden zij
+twee pantserplaten medegebracht, die op het wagentje waren geladen,
+hetwelk zij met inspanning van al hun krachten voortduwden.
+
+„Ik ben blij, dat je er weer bent!” zeide Charly zachtjes. „De stilte
+aan den anderen kant van de gang bevalt mij in het geheel niet.”
+
+„Waarschijnlijk houden zij krijgsraad!” meende Raffles. „Laten wij maar
+spoedig deze borstwering overeind zetten.”
+
+Terwijl de drie mannen de eerste plaat van het wagentje tilden en tegen
+het andere schild aanplaatsten, begon het gezoem en het vreemde gegons
+aan den anderen kant van den muur opnieuw, maar nu was het toch van een
+anderen aard, en het ging vergezeld van een knarsend geluid, zooals een
+boor maakt, die metaal aantast.
+
+„Zij probeeren er een gat in te boren!” zeide Raffles spottend. „Nu,
+eer zij zoover zijn, voor zij door de drie platen heen zijn zullen er
+wel een paar dagen zijn verstreken, want ik geloof niet dat er ter
+wereld een stalen plaat is te vinden van deze dikte, die even glashard
+is als deze schilden van chroomnikkelstaal! Zij zullen om het kwartier
+een nieuwe boor moeten nemen!”
+
+Hierin bleek Raffles goed te hebben gezien want de tweede plaat was nog
+nauwelijks overeind gezet of het gonzen hield op. Blijkbaar zette men
+eene nieuwe boor in het toestel.
+
+Nu werd ook de derde plaat opgezet en aldus was een stalen wand
+opgericht van bijna acht centimeter dikte, dus bijna even dik als de
+dikste bepantsering van eenig Engelsch oorlogsschip.
+
+Toen werd de spoorstaaf over vrij groote lengte losgemaakt, en met
+behulp van de meegebrachte metaalzaag werden er vier stukken afgezaagd,
+allen even groot, en die met geweld tusschen de pantserplaten en den
+tegenovergestelden wand werden gedreven.
+
+„Als zij nu geen dynamiet gebruiken, termiet, of een ander dergelijk
+middel,” zeide Raffles glimlachend, „dan zullen er wel eenige dagen
+verloopen, alvorens zij dezen hinderpaal hebben opgeruimd.”
+
+„Maar zij kunnen het wel op een andere wijze probeeren,” zeide Charly
+bedrukt.
+
+„Hoe dan wel denk je?”
+
+„Zij kunnen beginnen met den steenen wand, die nu zeker niet dikker is
+dan op zijn hoogst een decimeter, en alleen maar uit metselsteen
+bestaat, op verscheidene plaatsen aan te tasten, totdat zij op de
+pantserplaat stuiten, en dan kunnen zij trachten die met behulp van
+koevoeten van hun plaats te verschuiven.”
+
+„Ik erken dat dit mogelijk is, maar ook daarmede gaat geruime tijd
+heen, en voor er twee uren verloopen zijn zullen wij een bezoek hebben
+gebracht aan die zoogenaamde drukkerij.”
+
+„En als je je eens vergist hebt met die drukkerij en wij er niets
+bijzonders ontdekken?”
+
+„Dan, dan zou ik naar het laatste middel moeten grijpen, ik zou mijn
+kostbare tunnel over een grooten afstand moeten laten instorten. Maar
+je begrijpt dat ik slechts in het uiterste geval tot dit paardenmiddel
+zal overgaan.”
+
+Raffles raadpleegde zijn horloge.
+
+Het was bijna zes uur geworden.
+
+Zoolang had deze zware arbeid geduurd.
+
+Hij overtuigde zich nog eens dat de stukken van de spoorstaven
+onwrikbaar op hun plaats zaten, en wendde zich toen tot Henderson met
+de woorden:
+
+„Het is onpleizierig, beste vriend Henderson, maar het gaat niet
+anders, wij zullen de tunnel voortdurend in het oog moeten houden, en
+daarom ga jij nu eerst den maaltijd gebruiken, en je keert hier niet
+voor negen uur terug, tenzij je het waarschuwingssein krijgt, want dan
+moet je aanstonds hierheen komen!”
+
+„Maar, Mylord? Gij zelf dan, en mijnheer Brand?” riep de chauffeur uit.
+
+„Wij kunnen wel wat later eten, James, de zaak van de tunnel gaat op
+dit oogenblik voor. Zoodra je hier terug bent gekeerd zullen wij je wel
+nadere instructies geven!”
+
+Henderson bood geen tegenstand meer, en begaf zich naar het uiteinde
+van de tunnel en verder naar het bediendenvertrek, waar hij, in
+gezelschap van den Italiaanschen kok, en van den ouden kamerbediende
+Gaston, den eenvoudigen maaltijd gebruikte.
+
+Raffles en Charly bleven nu alleen achter en geruimen tijd zaten zij
+zwijgend naast elkander op het kleine wagentje waarmede de
+pantserplaten waren aangevoerd.
+
+Slechts vaag en onduidelijk klonk het gerucht van de boor, op geregelde
+tijden onderbroken door een langdurige pauze, wanneer het bot geworden
+ijzer door een nieuw moest worden vervangen.
+
+En om acht uur hield het zoemen geheel en al op, toen waren zeker alle
+voorradige boorijzers opgebruikt.
+
+Maar een kwartier later klonk een geregeld geklop, hetwelk onafgebroken
+zou voortduren; de lieden aan den anderen kant van den muur hadden den
+steenen wand opnieuw met hun houweelen aangetast.
+
+Waarschijnlijk waren zij op dit oogenblik bezig het oorspronkelijke gat
+te vergrooten in de hoop, dat zij ten slotte wel de beide kanten van de
+stalen belemmeringen vrij zouden krijgen, waardoor het mogelijk zou
+worden, haar naar links of rechts te verschuiven, men hield aan den
+anderen kant van den muur waarschijnlijk geen rekening met de vier
+stukken spoorstaaf, die met zware hamerslagen waren vastgedreven.
+
+„Dat kan lang duren!” begon Raffles. „Minstens tot morgenochtend, als
+alles hun meeloopt, en voor dien tijd moeten we die menschen overvallen
+hebben en weten wat zij doen en wie zij zijn!”
+
+„Als je het mij vraagt, dan zou ik zeggen, dat wij met een gevaarlijk
+volkje te doen krijgen!” zeide Charly hoofdschuddend.
+
+„Ja dat lijdt geen twijfel! Wij moeten nu maar niet aannemen, dat men
+deze tunnel met een wetenschappelijk doel graaft, bijvoorbeeld om den
+aard van de gesteldheid van den bodem van Londen te onderzoeken! Neen,
+wij mogen het wel bijna als zeker beschouwen, dat het voorzien is op de
+Midland-Bank, het zou wel heel toevallig zijn, als de tunnel dien kant
+uitliep, zonder dat men het op de bank begrepen had. Maar hoe het ook
+zij, wij gaan zoo vroeg mogelijk aan den slag, zoodra het gedaan kan
+worden zonder al te groot gevaar. Ik heb opgemerkt dat een paar huizen
+van de drukkerij af een openbare school is, met een groote speelplaats
+er achter. Wij kunnen misschien over een schutting klimmen en van daar
+aan den achterkant die zoogenaamde drukkerij binnendringen.”
+
+„Nemen wij Henderson mede?”
+
+„Neen, die moet hier de wacht blijven houden.”
+
+„Dat zal hem alles behalve aangenaam stemmen.”
+
+„Dat is wel mogelijk, maar wij mogen de tunnel niet onbewaakt laten!
+Stel je eens voor dat wij terug keeren en wij loopen in ons huis in de
+Regent-Street in de uitgespreide armen van een bende bandieten!”
+
+De beide vrienden spraken nog geruimen tijd door over de kans, dat het
+geheim der tunnel bewaard zou blijven, of dat men althans haar lengte,
+haar doel, en haar richting nooit zou uitvinden, toen precies om negen
+uur Henderson weer verscheen.
+
+„Luister nu eens, mijn vriend,” begon Raffles. „Ik verg veel van je
+uithoudingsvermogen, maar het is volstrekt noodzakelijk, dat er hier
+iemand blijft opdat wij er zeker van zijn, dat niemand ongezien in ons
+huis in de Regent-Street kan binnendringen.”
+
+„Als het moet dan moet het, Mylord!” gaf Henderson te kennen.
+
+„Dat is een schoon beginsel, Henderson, en wij zullen verstandig doen
+als wij ons daaraan houden, vooral in dit bijzondere geval. Mijnheer
+Brand en ik gaan vannacht naar dat huis, waarin ik vermoed, dat de
+tunnel een aanvang neemt.”
+
+„Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar ik zou gaarne weten waar dat huis
+is!” hernam Henderson. „Men kan nooit weten, hoe die kennis naderhand
+te pas kan komen! Ik weet gaarne steeds waar gij zijt, vooral in zaken
+als deze!”
+
+„Je hebt misschien gelijk, Henderson, het is beter als je het huis
+kent, hetwelk ik op het oog heb! Het is in de Baker-Street, niet ver
+van die Grosvenor-Street, een drukkerij, met twee voor de helft
+matglazen winkelruiten, groengeschilderd houtwerk en een kleine
+uitgangsdeur. Het is aan de rechterzijde van de straat als je van ons
+huis komt. Ik geloof echter niet dat je gebruik behoeft te maken van
+deze kennis, als wij die lieden verrassen, dan zijn wij een heel eind
+op weg.”
+
+„Maar Edward, als je je vermoedens nu toch eenvoudig aan de politie
+mededeelde!” riep Charly eensklaps uit.
+
+„Een prachtig plan!” kwam Raffles ironisch. „Zij dringen dan het huis
+binnen, zij vinden dan eventueel de tunnel en aan het einde van het
+groote gat, met geglans van de stalen pantserplaat daarachter, en denk
+je dan dat ze hun nieuwsgierigheid bevredigd achten en hun onderzoek
+niet verder zouden voortzetten? Daar zou ik maar niet al te vast op
+rekenen. Neen, als ik het even kan vermijden, dan haal ik er de politie
+niet in, zij helpt ons dan van den regen in den drop, en van den wal in
+de sloot! Als het onmogelijk anders kan, dan zal het nog altijd tijd
+genoeg zijn, om Scotland-Yard te waarschuwen. Maar als ik dat doe, dan
+moet ik ook tevens mijn tunnel prijs geven, ik zou haar over grooten
+afstand moeten vernielen. En nu genoeg gepraat, wij moeten nog veel
+doen en in orde maken voor onze onderneming.”
+
+Henderson kreeg zijn laatste instructies en Raffles en Charly verlieten
+de tunnel, beklommen de smalle trap naar het laboratorium en voorzagen
+zich daar van eenige voorwerpen door Raffles uitgevonden, en welke
+verdedigingsmiddelen hun wellicht te pas konden komen.
+
+Het was bij tienen, toen zij door den tuin, die nu in volkomen
+duisternis gehuld was, naar de achterzijde van het groote huis gingen
+en dit binnentraden door een van de achterdeuren.
+
+Zij hadden zich nog den tijd niet gegund hun vermomming af te leggen,
+en deze was nog zeer goed bruikbaar, want als zij bij hun onderneming
+het onderspit moesten delven, dan kwam het er al zeer weinig op aan, of
+de zoogenaamde drukkerspatroon in een van de nachtelijke indringers al
+of niet zijn provinciaalschen klant herkende.
+
+Maar, daar een revolver altijd een uitstekend wapen is, onverschillig
+of het door een Londenaar of door een provinciaal wordt gebruikt, zoo
+lieten de beide vrienden ieder van deze practische wapenen één in hun
+zak glijden.
+
+Een paar tasschen werden gevuld met de noodige inbrekerswerktuigen,
+Raffles ging zich in zijn slaapkamer voorzien van een paar kleine
+voorwerpen, welke hem misschien te pas zouden kunnen komen, en om elf
+uur, nadat hij zich telefonisch bij Henderson had overtuigd, dat in de
+tunnel alles nog bij het oude was, verlieten zij het vertrek en
+vervolgens het huis.
+
+Maar Raffles had Henderson moeten beloven, dat hij hem dadelijk op de
+hoogte zou brengen als de zaak tot een goed einde was gebracht, en als
+het later werd dan drie uur, dan mocht Henderson die maatregelen nemen,
+welke hem het beste zouden toeschijnen, want dan zou het bewijs
+geleverd zijn, dat in de Baker-Street niet alles voor den wind was
+gegaan.
+
+Het was een donkere avond, want de maan was achter de wolken verdwenen,
+een gelukkige omstandigheid, die het gewaagde plan van de beide mannen
+moest begunstigen.
+
+En dan, het plasregende, en ook dat kwam hun te stade, want daardoor
+was het aantal late wandelaars zeer verminderd.
+
+Op een kwartier loopens van hun huis wisten zij niet zonder moeite, een
+huurauto te veroveren, en den chauffeur, die eigenlijk liever naar huis
+was gegaan, te bewegen, hen naar de Baker-Street te rijden.
+
+Aan het begin van deze straat gekomen, dankten zij den chauffeur met
+een goede fooi af, men moest het nooit verbruien voor anderen, zooals
+Raffles het niet ten onrechte opmerkte.
+
+Het was over twaalven, toen de beide vrienden, hun regenjassen met de
+rechterhand dichthoudend, tegen den stijven bries opworstelden, die
+door de straat stoof.
+
+Een kwartier later hadden zij het schoolgebouw bereikt, na de
+zoogenaamde drukkerij te zijn gepasseerd.
+
+Daar was nu alles duister, ten minste van de straat af was nergens
+eenig lichtschijnsel te bespeuren.
+
+Ook het schoolgebouw lag natuurlijk in dichte duisternis gedompeld.
+
+Raffles en Charly sloegen den hoek van de zijstraat om, waaraan de
+school grensde, kwamen aan den steenen muur, die hier de speelplaats
+van de straat afscheidde, en zaten er het volgende oogenblik bovenop.
+
+Een jarenlange, geduldige oefening, die hun natuurlijke lenigheid nog
+had vermeerderd, stelde hen in staat, zulke toeren te verrichten met
+een verbazende vlugheid, en zonder ooit te falen.
+
+Maar zij vonden den bovenkant van een smallen muur niet de aangewezen
+plaats om er te blijven zitten, en daarom lieten zij zich zoo snel
+mogelijk aan den anderen kant zakken.
+
+Zij stonden nu op een ruime binnenplaats, waar eenige populieren
+stonden, die een vrij armzalig bestaan leidden.
+
+In een hoek tegenover den kant waar zij waren overgeklommen, bevond
+zich een hoop zand, bestemd voor de kleintjes.
+
+Raffles en Charly maakten ook van deze hoop zand gebruik, maar voor een
+geheel ander doel.
+
+Zij gebruikten haar eenvoudig om aldus de hoogte van den scheidingsmuur
+te verkleinen.
+
+Volgens hun gewoonte wachtten zij tot dat zij niets meer hoorden, en
+toen pas slingerden zij zich op den muur, en lieten zich aan den
+anderen kant vallen.
+
+Zij kwamen terecht in de weeke aarde van een kleinen stadstuin, en
+haastten zich, dezen over te steken, en over een schutting te klimmen.
+
+En nu waren zij in den tuin van de drukkerij....
+
+Maar op dat oogenblik geschiedde er iets waarop zij misschien wel
+gerekend hadden, maar dat hen toch niet minder onaangenaam trof, een
+paar huizen verder begon eensklaps een waakhond, die hen misschien
+geroken had, woedend aan te slaan.
+
+Zelfs hier konden zij het rammelen hooren van den ketting waaraan het
+dier was vast gelegd.
+
+„Vlug aan het werk, Charly! Als die schreeuwleelijk wordt losgemaakt,
+zouden al de schuttingen, welke hem van ons scheiden wel eens een
+peuleschil voor hem blijken, en dan konden wij evengoed regelrecht naar
+Scotland-Yard wandelen, en ons aan den hoofdcommissaris presenteeren!”
+
+„Waar is ergens die schuur?” vroeg Charly fluisterend. „Ik denk dat we
+daar moeten zijn!”
+
+„Ja, dat vermoed ik ook. Daar staat zij!”
+
+Raffles wees naar een klein houten gebouwtje, een soort bergloods, dat
+men ook een tuinhuis zou kunnen noemen, met een enkel klein venster, en
+dat door een overdekten gang in verbinding stond met het huis.
+
+Raffles trad haastig op de deur toe, en het duurde niet lang, of hij
+had het slot met een zijner sleutels geopend.
+
+En juist toen de beide vrienden binnendrongen, ging er eenige huizen
+verder een deur open, en een barsche mannenstem scheen den nog altijd
+woedend blaffenden hond te ondervragen en hem van den ketting los te
+maken.
+
+De beide vrienden verloren geen tijd, maar onderzochten snel de loods,
+waar zij zich nu bevonden.
+
+Zij bleken zich in een ruim vertrek te bevinden, zonder eenig
+meubelstuk, als men tenminste dien naam niet wilde geven aan een paar
+zetkasten die blijkbaar zeer weinig gebruikt werden, want de letters
+waren nog volkomen blank, en werden waarschijnlijk zoo goed als nooit
+gebruikt.
+
+In een hoek was het begin zichtbaar van een trap, die waarschijnlijk
+naar een kelder leidde.
+
+Wel een kwartier bleven de beide vrienden volgens hun gewoonte op
+dezelfde plek en gaven hun ooren goed den kost.
+
+Toen achter alles stil bleef, besloten zij, de trap af te gaan, en te
+zien waar die hen zou brengen.
+
+Het was zeer donker in de loods, en daar zij nog geen licht durfden
+maken, moesten zij hun weg vinden door langs den houten wand te tasten.
+
+Zoo bereikten zij de trap en voorzichtig begonnen zij de houten treden
+af te dalen.
+
+Telkens stonden zij opnieuw stil, om te luisteren.
+
+Zij waren reeds tien treden afgedaald, toen Raffles, die vooraan ging,
+Charly waarschuwde door hem in het been te knijpen.
+
+Zijn scherp, geoefend gehoor, had eenig gerucht opgevangen, waarvan hij
+zich niet dadelijk den aard kon begrijpen.
+
+Het was als het verzetten van een schakelaar van het electrische licht,
+maar het kon ook evengoed het overhalen van den haan van een revolver
+zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+IN DE HANDEN DER BANKROOVERS.
+
+
+Raffles dacht er nog over na of hij licht zou maken, toen zich
+plotseling weder een ander geluid liet hooren, ditmaal zeer dicht bij
+hem, het was als het verschuiven van een zwaar voorwerp, bijvoorbeeld
+van een kast over een houten vloer.
+
+Terwijl de beide mannen er nog over nadachten wat dit zijn kon, begon
+de trap, waarop zij stonden, zachtjes te slingeren, en zij moesten zich
+aan de leuningen vast houden om er niet af te vallen.
+
+„Voor den drommel, wat is dat nu?” fluisterde Charly voor zich heen.
+„Wat mankeert dat ding? Ik heb een gevoel of ik op de kermis in een
+reuzenschommel zit!”
+
+Inderdaad, de trap begon hoe langer hoe erger te zwaaien en de beide
+mannen moesten zich met alle kracht aan de wrakke leuning vastklampen
+die verdacht kraakte, en die ieder oogenblik scheen te zullen afbreken.
+
+De slingeringen werden voortdurend heviger en de geheele trap scheen nu
+wel om een scharnier te draaien, dat zich ergens in de bovenste trede
+moest bevinden.
+
+Maar nu nam deze zonderlinge beweging gaande weg af, en na eenige
+minuten was de trap tot rust gekomen.
+
+Maar zij liep niet langer in een schuine richting omlaag, neen, zij
+hing loodrecht naar beneden, en dus waren de bovenkanten der treden
+niet meer horizontaal maar schuin.
+
+Om er op te kunnen blijven staan, moesten Raffles en Charly zich aan de
+leuning vasthouden.
+
+Raffles, die onderaan stond, strekte voorzichtig een been uit, en
+tastte naar de lager gelegen trede.
+
+Zijn voet ontmoette echter geen tegenstand, er was geen trede meer!
+
+Maar evenmin voelde hij den grond!
+
+„Zullen wij niet liever licht maken?” vroeg Charly op fluisterenden
+toon. „Er is iets niet in orde, dat is zeker! Wat doe je daar toch,
+Edward?”
+
+„Wat ik doe? Ik zoek naar den bodem!” antwoordde Raffles lakoniek.
+
+„Wat is dat? Rust de trap dan niet op den vloer?”
+
+„Ik kan er tenminste geen vinden. Wij zullen licht maken, wat er ook
+gebeuren moge!”
+
+Zich met een hand aan de leuning vastklampend, haalde Raffles met de
+andere zijn zaklantaarn te voorschijn, en drukte op den knop.
+
+Een helder schijnsel verlichtte nu de ruimte, waar de beide mannen zich
+bevonden.
+
+Het was een groote kelder, met wit gekalkte muren, en ongewoon diep.
+
+Zoldering en vloer waren tenminste zes meter van elkander verwijderd.
+
+De smalle trap, waarop de twee mannen zich bevonden, bleek uit twee
+deelen te bestaan, het benedenste vast met het bovenste scharnierend.
+
+Op welke wijze de trap zoo eensklaps haar oorspronkelijke gedaante had
+verloren, viel moeilijk te zeggen, maar het was zeker, dat nu het
+bovenste stuk loodrecht omlaag hing, en dat de onderste trede zich
+ongeveer drie meter boven den grond bevond.
+
+En men mocht het tevens voor verzekerd houden, dat dit niet van zelf
+zoo was gekomen, maar dat de trap door menschenhanden in twee deelen
+was gebroken!
+
+En toch was er niemand in den kelder te zien.
+
+Een deur was er ook niet, tenminste niet zichtbaar.
+
+„Ik wil gevild worden als ik er iets van begrijp!” mompelde Charly, die
+zich met handen en voeten aan de loshangende trap vastklemde.
+
+„Ik geloof dat ik het maar al te goed begrijp, Charly,” kwam Raffles.
+„Men heeft ons gehoord, dat staat als een paal boven water! Maar hoe
+dan ook, ik heb weinig lust, hier als een rijpe pruim te blijven
+hangen!”
+
+„Waar wil je dan heen? Weer naar boven?”
+
+„Neen. Wij zijn van boven gekomen en wij moeten verder!”
+
+„Dat is gemakkelijk gezegd, maar wij zijn hier drie meter boven den
+steenen vloer!”
+
+„Dien afstand kunnen wij bekorten!”
+
+En met die woorden hing Raffles zijn zaklantaarn aan een knoop van zijn
+jas, hurkte als het ware op de onderste trede, bracht zijn handen
+zoover mogelijk naar beneden, omvatte stevig de stijlen van de trap, en
+strekte toen zijn lichaam, zoodat hij nu alleen aan zijn handen hing.
+
+En daarop liet hij zich vallen.
+
+Bijna tegelijker tijd schoof ergens in den kelder een luik of deur weg,
+en drie mannen stormden binnen, allen gemaskerd, die zich op Raffles
+wierpen, voor hij weder op de been kon zijn.
+
+De strijd was kort, maar hevig.
+
+Als Raffles op beide voeten had gestaan, had hij misschien wel weg
+geweten met drie aanvallers, maar nu was hij in de minderheid.
+
+Hij kon een paar malen zijn vuist tegen de kin van een vijand laten
+neerkomen, maar toen werd hij zelf half verdoofd door een hevigen slag
+tegen het hoofd, en toen hij zich daarvan hersteld had, waren zijn
+armen reeds gebonden.
+
+„Red je, Charly!” schreeuwde hij. „Ik beveel het je!”
+
+Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het
+toch niet hebben kunnen doen.
+
+Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een
+revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de
+positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige
+kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.
+
+Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen
+neerschieten.
+
+En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven
+omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer
+vallen, en werd evenals Raffles overmand.
+
+De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens
+beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te
+gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.
+
+Nu bevonden zij zich in een tweeden kelder, maar veel lager en kleiner
+dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke
+eikenhouten balken gestut.
+
+Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de
+dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.
+
+Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal
+stoelen.
+
+Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.
+
+Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder
+genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend
+plan van de tunnel voor hem lag.
+
+Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk
+glanzende zwarte oogen.
+
+Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde
+drukker.
+
+De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst
+van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks
+beschouwing hij geheel verdiept was.
+
+De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan
+den zolder hing.
+
+„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de
+twee vrienden hadden meester gemaakt.
+
+Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel
+om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.
+
+„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er,
+geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de
+eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt,
+ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”
+
+„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam
+Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier
+tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide,
+toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u
+wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen!
+Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der
+Wolven, en draagt gij den goed gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk
+wegens uw fonkelenden blik!”
+
+De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de
+zijde voor Raffles.
+
+Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.
+
+„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn
+eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat
+gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds
+wantrouwend zijn, begrijpt gij?”
+
+„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen
+op een instelling als de Midland-Bank, dan is men allicht geneigd in
+iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”
+
+„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de
+tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen.
+„Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren
+behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen.
+Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te
+verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als
+gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk
+uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek
+gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde
+drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw
+gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij!
+Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u
+spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”
+
+„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij
+geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.
+
+„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht!” riep de Lynx
+sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik
+wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende
+waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat
+gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij
+er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te
+bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer
+verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest
+is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen
+tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo
+redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen!
+Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”
+
+„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam
+Raffles hoffelijk.
+
+De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:
+
+„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester,
+welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er
+ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”
+
+Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles,
+die onbewegelijk tegenover hem stond.
+
+„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar
+zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo
+maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker
+niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het
+oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs
+doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut
+zijn....”
+
+Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging
+voort:
+
+„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”
+
+„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes.
+„Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel
+mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw
+onbescheiden blikken heb beschermd!”
+
+„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn
+zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.... Zeg mij eerst eens, waarom
+gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen,
+dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”
+
+„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou
+hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om
+het begin van uw tunnel te vinden!”
+
+„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch
+niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen,
+haar het gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten
+binnendringen?”
+
+„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam
+Raffles, steeds even rustig.
+
+„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest
+er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus
+bij het goede eind, dat gij..... John Raffles waart!”
+
+„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.
+
+„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er
+is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen
+u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze
+doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele
+Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw
+ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel,
+hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”
+
+„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen
+onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles
+ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij
+binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden
+totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”
+
+„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de
+Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis!
+Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten,
+en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim
+van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te
+zijn!”
+
+„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken
+uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”
+
+„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam
+vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes
+uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij
+het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+BANGE UREN.
+
+
+Raffles knipte zelfs niet met de oogen, toen hij deze vreeselijke
+woorden hoorde.
+
+Hij had immers niet anders verwacht....
+
+Zijn stem klonk volkomen helder en onbewogen, toen hij hernam:
+
+„Ik weiger! Maar, gij zult toch zeker niet zoo beestachtig wreed zijn,
+mijn vriend voor mijn weigering te laten boeten?”
+
+„Uw vriend zal uw lot deelen!” schreeuwde de Lynx, met een giftigen
+blik in zijn koolzwarte oogen.
+
+„Doe dan wat gij wilt, en ik hoop dat het u niet zal berouwen!” zeide
+Raffles op ernstigen toon.
+
+„Die verantwoording neem ik op mij!” zeide de Lynx hooghartig. „Het is
+nu twee uur, wanneer gij om acht uur morgenochtend niet tot andere
+gedachten zijt gekomen, dan wacht u de dood, en ik verzeker u dat wij
+onverbiddelijk zullen zijn! Als gij werkelijk John Raffles zijt, en
+daaraan twijfel ik geen oogenblik, dan zou de tegenwoordige chef van
+het Genootschap van den Gouden Sleutel het mij zelfs zeer kwalijk
+hebben kunnen nemen, dat ik u niet onmiddellijk een kogel door het
+hoofd heb geschoten! Maar ik wil u een kans geven, omdat ik begrijp,
+dat de kennis van het geheim van die tunnel voor ons van het grootste
+gewicht is. Die gang zal wel naar een of andere huis loopen, waar gij
+gewoonlijk verblijf houdt, en het zou voor ons van veel belang zijn,
+als wij wisten, onder welken naam John Raffles de Londensche politie
+zoo fijn om den tuin leidt.”
+
+„Dat kan ik mij zeer goed voorstellen, maar daar ik van mijn kant zeer
+bepaald er op sta, om het geheim van die tunnel voor mij zelf te
+behouden, wie ik dan ook zijn moge, daarom zult gij het uit mijn mond
+niet vernemen! Gij hebt gelijk als gij zegt dat het van gewicht is, ik
+kon evengoed dadelijk een einde aan mijn leven maken, of mij gevangen
+gaan geven op Scotland-Yard. Gij moet dus inzien dat uw wachten
+vruchteloos is.”
+
+„Wij zullen zien!” hernam de Lynx kortaf.
+
+Hij wendde zich daarop tot de gemaskerde mannen, die zwijgend en met de
+revolver in de hand op dezelfde plek waren blijven staan en zeide:
+
+„Breng hem weder naar den grooten kelder, bindt hem goed, en laat een
+uwer hem bewaken.”
+
+„Neem mij niet kwalijk, chef,” zei een van de mannen, „ik zou er maar
+twee van maken als ik u was.”
+
+„En het werk in de tunnel dan?” vroeg de Lynx.
+
+Niemand antwoordde.
+
+De chef dacht nog even na en hernam toen:
+
+„Misschien heb je ook wel gelijk, als hij Raffles is, dan hebben wij
+met een gevaarlijken tegenstander te doen. Twee blijven dus hier om op
+hem te passen en de anderen gaan weder naar de tunnel, naar het andere
+einde, en stellen daar alles in het werk, om die stalen platen op te
+ruimen. Is dat geschied voordat de zes uren om zijn, misschien kan dat
+dezen man dan het leven redden, maar in het tegenovergestelde
+geval.....”
+
+De Lynx voltooide den zin niet, maar de dreigende blik in zijn oogen
+sprak een duidelijke taal, die niet misverstaan kon worden.
+
+Alles werd nu in gereedheid gebracht, om de beide gevangenen goed te
+kunnen bewaken.
+
+Er werden twee zware stoelen ergens uit het huis gehaald en daarop
+werden de beide gevangenen vastgebonden, hun beenen tegen de sporten,
+hun armen achter de leuning, en bovendien werden hun polsen nog te
+samen gebonden, met het stevigste touw.
+
+En daarop werden de stoelen midden in het vertrek gezet, zoodat de twee
+bewakers voortdurend om de gevangenen heen konden loopen, teneinde zich
+te overtuigen of de touwen nog stevig vast waren.
+
+De Lynx had reeds al te veel gehoord van de buitengewone bekwaamheid
+van John Raffles om zich van de sterkste boeien te bevrijden.
+
+De chef kwam zich zelf overtuigen, dat de touwen stevig waren geknoopt,
+en zeide toen, zich tot Raffles wendende:
+
+„Zes uren, denk er om! Gij hebt het leven thans in uw eigen hand! In uw
+eigen belang zou ik u raden, niet al te veel op onze goedhartigheid te
+vertrouwen! In dergelijke zaken kennen wij geen medelijden, en ook al
+waart gij niet de man voor wien ik u aanzie, dan zoudt gij toch sterven
+als gij ons verlangen niet inwilligt!”
+
+„Ik zeg u nog eens dat ik mijn geheim niet verraad, en als gij mij
+beter kende, dan zoudt gij weten dat ik nimmer op een eenmaal genomen
+besluit terug kom!”
+
+De Lynx haalde de schouders op, en riep uit:
+
+„Wij zullen eens zien of gij om acht uur even bout spreekt! Bedenk ook
+wel dat gij niet alleen u zelf maar ook uw vriend en helper het leven
+beneemt als gij weigert.”
+
+Er kwam een sombere smartelijke uitdrukking op het gelaat van den
+Grooten Onbekende, maar dadelijk liet de stem van Charly zich hooren,
+die vastberaden uitriep:
+
+„Bekommer je niet om mij, Edward! Ook ik denk er niet aan om ons geheim
+te verraden en als jij sterft, welk doel zou mijn leven dan nog
+hebben?”
+
+„Zeer aandoenlijk!” zeide de Lynx op spottenden toon. „Wij zullen wel
+eens zien of die broederlijke genegenheid stand houdt in het gezicht
+van den dood.”
+
+Hij stak beide handen in de zakken, riep den man die nog altijd met de
+revolver in de hand boven aan de trap stond en wenkte een van de drie
+kerels die Raffles en Charly overweldigd hadden.
+
+Zij begaven zich naar den kleinen kelder waar de dynamo stond, en de
+zware met ijzer beslagen deur viel dicht.
+
+De beide gevangenen bleven alleen met hunne bewakers.
+
+Een hunner had, voor de Lynx en de beide anderen zich verwijderden, een
+schakelaar omgedraaid, zoodat de kelder nu in een helder electrisch
+licht baadde, en vervolgens een hefboom overgehaald waardoor het
+boveneinde van de trap langzaam weder in zijn oorspronkelijken toestand
+kwam, waarin zij werd gehouden door een zware ijzeren bout, die er bij
+wijze van deurgrendel voorgeschoven werd.
+
+Raffles had het gevoel alsof hij nog nimmer zoo helder van hoofd was
+geweest als op dit oogenblik in dezen kelder en in het aangezicht van
+den dood, die hem toegrijnsde, als hij weigerde het kostbare geheim
+prijs te geven, dat als het ware met zijn leven zelf was samengeweven.
+
+Inderdaad, de tunnel zelve was zeker van minder belang, en haar verlies
+bijvoorbeeld door een groote instorting, zou wel ernstig, maar
+volstrekt niet onoverkomelijk zijn, maar zij leidde aan den eenen kant
+naar het huis van Lord William Aberdeen en het zou zeker niet lang
+duren of de bandieten zouden den geheimen toegang naar het tuinhuis
+gevonden hebben.
+
+Het leven van Lord Aberdeen zou bekend worden, al was het dan
+voorloopig maar aan de bendeleden, en dit zou zulk een noodlottigen
+invloed uitoefenen op al zijn ondernemingen, dat hij evengoed
+regelrecht naar den hoofdcommissaris van politie zou kunnen loopen.
+
+Als ooit werd uitgemaakt dat Lord Aberdeen en John Raffles een en
+dezelfde persoon waren, dan zou het geheele bouwwerk van zijn
+dubbelleven ineen storten en hij zou weder een geheel nieuw plan moeten
+opstellen, hetgeen zeker met de grootste moeilijkheden gepaard zou
+gaan.
+
+Maar over dit alles dacht hij slechts kort.
+
+Het stond voor hem vast dat hij het geheim niet zou verraden, en
+daarover behoefde hij dus in het geheel niet na te denken.
+
+Neen, zijn gedachten waren uitsluitend gericht op de kansen welke hij
+had om zich te bevrijden alvorens de zes uren verstreken waren.
+
+Hij begreep maar al te goed, dat deze kansen al bijzonder gering waren,
+de kelder was daghelder verlicht, de stoelen stonden in het midden van
+het vertrek, de touwen waren stevig en goed geknoopt, al had hij kans
+gezien door tijdens het binden zijn spieren zooveel mogelijk te
+spannen, zich een weinig speelruimte te verschaffen, de oppassers waren
+krachtige kerels, klaar wakker en goed gewapend, en geen enkele
+beweging hunner gevangenen zou hun ontgaan.
+
+Maar Raffles was er de man niet naar, om iedere hoop te laten varen.
+
+Integendeel, al waren de bezwaren reusachtig groot, toch was al zijn
+denken nu gericht op de mogelijkheid hier te ontsnappen.
+
+Charly scheen op zijn gelaat te lezen wat er in hem omging maar de
+stemming van den jongen man was veel minder opgewekt als men het zoo
+noemen mag, hij zag de toekomst zeer duister in, en hij vreesde dat
+deze kelder wel hun laatste verblijf zou zijn.
+
+Raffles liet met opzet een half uur voorbijgaan voor hij ook maar de
+geringste beweging maakte.
+
+Toen rekte hij zich eens uit, voor zoover dit mogelijk was, zoodat de
+touwen kraakten, maar dadelijk kwam een der wakers voor hem staan, die
+zich nu beiden van hun masker ontdaan hadden en zeide dreigend terwijl
+hij zijn revolver ophief:
+
+„Laat die grappen maar, het zou je kunnen berouwen!”
+
+„Gij staat het mij dus niet toe dat ik mij uitrek en zoodoende den
+slaap in mijn ledenmaten tegen ga?” vroeg Raffles op onderdanigen toon.
+
+„Dat zal ik niet dulden, ik heb van je gehoord, man, ik ken je
+duivelskunsten, je bent al ontelbare malen gesnapt.”
+
+Hij liep om den stoel heen, betastte de touwen, als vreesde hij
+waarlijk dat Raffles ze al had laten afknappen, en ging toen weder naar
+zijn makker, die op dezelfde plek was blijven staan.
+
+Nu bracht het beroep van Raffles mede dat hij een voortreffelijk
+gelaatskenner was en op het gezicht van dezen tweeden man zoo duidelijk
+als in een boek las, dat hij zooals men dat noemt, „liever lui dan moe”
+was, en bovendien vast overtuigd, dat er aan de ontvluchting der beide
+gevangenen niet te denken viel.
+
+Hij en zijn makker immers waren gewapend, de beide gevangenen niet, en
+bij de eerste poging om op te staan, zouden zij reeds een kogel in het
+hoofd hebben.
+
+Raffles glimlachte flauwtjes voor zich heen, en zeide in zich zelf:
+
+„Zelfvertrouwen is goed, mijn vriend, maar men moet het toch nooit te
+ver doordrijven!”
+
+De Groote Onbekende wierp Charly een blik toe, een zeer snellen blik,
+maar die den jongen man alles onthulde wat er op dit oogenblik in het
+hoofd van zijn vriend omging. Raffles begon nu met het vertrek zeer
+zorgvuldig te bestudeeren.
+
+Wij zeiden reeds dat er een houten trap naar beneden leidde, die
+ongeveer in het midden beweegbaar was.
+
+Zij telde dertig tot twee en dertig treden en liep langs den gladden
+zijwand van den kelder.
+
+De deur bovenaan kwam dadelijk op de trap uit zonder portaal.
+
+De hefboom, zooeven door een der bandieten overgehaald, bevond zich
+niet ver van den voet van de trap, en de schakelaar van het electrische
+licht was naast de stevige deur, geheel van ijzer vervaardigd, en in de
+grijze kleur van de steenen geschilderd, waardoor Raffles en Charly
+haar, toen zij op de trap stonden, niet aanstonds hadden kunnen zien.
+
+De kelder was ongeveer vijf meter breed en bijna zeven meter lang, en
+zooals gezegd, de beide stoelen stonden in het midden, ruim een meter
+van elkander.
+
+De bewakers liepen voortdurend heen en weder oogenschijnlijk om te
+voorkomen dat zij in slaap zouden vallen.
+
+Weer verliep een half uur en Raffles had reeds een paar keeren gegaapt.
+
+„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren,” zeide hij, „maar het is toch
+zeker niet verboden om te rooken in dit vertrek? Er is niets zoo goed
+als een voortreffelijk sigaret om zich den tijd een weinig te korten en
+wakker te blijven.”
+
+De twee bewakers schenen elkander met een blik te raadplegen en toen
+antwoordde een hunner brommend:
+
+„Als gij kans ziet om te rooken, gij kunt uw gang gaan, maar ik heb
+geen sigaretten!”
+
+„Het is ook de vraag of ik uw sigaretten wel zou lusten!” riep Raffles
+spottend uit. „Wees zoo goed en haal mijn koker eens te voorschijn, hij
+zit in mijn binnenzak, en het is vreemd, maar ik kan er zelf niet bij!”
+
+De bewaker, dien Raffles in gedachten „De onverschillige” had genoemd
+trad op hem toe, knoopte zijn jas open, stak de hand in den binnenzak,
+en haalde er een fraaien, gouden sigarettenkoker uit.
+
+Hij liet een zacht fluitend geluid van bewondering hooren, wierp het
+kostbare voorwerp een paar malen omhoog, en zeide grinnikend:
+
+„Ik geloof dat ik dat mooie dingetje maar confisceer! Het is zeker een
+erfenis, niet waar?”
+
+„Gij kunt doen wat gij verkiest, als gij mij maar eerst een sigaret
+geeft!” antwoordde Raffles schouderophalend.
+
+De bandiet opende het étui en wilde er een sigaret uitnemen, maar
+Raffles zeide haastig:
+
+„Blijf er liever af met je vingers, vriend! Ik wil volstrekt niets
+afdingen op je zindelijkheid, maar de aroma van deze fijne sigaretten
+heeft er onder te lijden als zij te veel worden aangevat! Houdt mij het
+étui maar voor, ik zal er met de lippen wel een uitnemen!”
+
+De bandiet, een weinig verbluft, gehoorzaamde, en hield Raffles het
+étui zoo dicht mogelijk bij den mond, dat deze er met de lippen een
+sigaret uit kon nemen.
+
+„Nu een beetje vuur, als ik je verzoeken mag!” zeide hij.
+
+De bandiet haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, streek een lucifer
+af, en hield die aan de sigaret.
+
+Vol welbehagen deed Raffles een paar trekjes, en de bandiet, opgetogen
+over de heerlijke lucht, riep uit:
+
+„Bij mijn ziel, dat is eerst een sigaret! Kom, wij zullen er ook eens
+den brand in steken!”
+
+Hij nam een sigaret uit den koker en had haar het volgende ooogenblik
+aangestoken.
+
+Hij kwam nu met het étui naar zijn makker toe en hield het hem voor,
+maar deze, die het geheele tooneeltje een weinig argwanend had
+gadegeslagen riep uit:
+
+„Ik rook de sigaretten van dien man niet!”
+
+„Kom, kom, hij heeft er toch zelf ook een aangestoken!” riep „de
+onverschillige”.
+
+„Wel mogelijk, maar ik vertrouw hem niet! En als ik jou een raad mag
+geven, Jim, dan gooi je dat ding dadelijk weer weg! Vooruit, doe wat ik
+zeg! Ik heb het niet voorzien op sigaretten van iemand die John Raffles
+heet, of kan zijn!”
+
+De aangesprokene die naar den naam Jim luisterde scheen de autoriteit
+van den ander te erkennen, want hij bromde binnensmonds een vloek, deed
+nog snel een paar lange halen aan de sigaret, verdraaide zijn oogen van
+genot, en wierp toen het rolletje tabak in den hoek, maar niet zonder
+dat hij een verliefden blik op de smeulende sigaret liet rusten.
+
+Daarop stak hij den gouden koker in zijn zak, en zeide tevreden:
+
+„Die zijn dan in ieder geval goed voor een volgende gelegenheid!”
+
+„Als ze je maar niet opbreken,” mompelde de tweede bandiet. „Ik zeg je
+nog eens, sigaretten van John Raffles, daar pas ik voor!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+WIE HET ONDERST UIT DE KAN WIL HEBBEN.....
+
+
+Jim begon te lachen, een luide, rollende lach, maar die eensklaps werd
+afgebroken, afgesneden als met een mes als het ware.
+
+Hij bleef eensklaps als uit steen gehouwen en met starende oogen in
+zijn lach steken, bracht toen met een vaag gebaar een trillende hand
+aan het hoofd, rochelde eenige keeren alsof hij iets in de keel had dat
+hij niet kon wegslikken, deed een paar wankelende stappen.... en zakte
+toen in elkaar.
+
+Een rilling doorliep zijn lichaam en toen lag hij onbewegelijk.
+
+Zijn makker slaakte een waar gebrul en schreeuwde:
+
+„Ik heb het je wel gezegd! Die verdoemde sigaretten!”
+
+Hij vergat zelfs een oogenblik zijn gevangenen, knielde naast Jim
+neder, schudde hem heen en weder, wierp een blik op het gelaat, waarin
+de trekken eensklaps verstijfd schenen en op de glazige oogen, en
+sprong toen met een woesten vloek weder overeind.
+
+Een bijna bijgeloovige vrees had zich van hem meester gemaakt en hij
+staarde Raffles, die hem glimlachend aankeek, met uitpuilende oogen
+aan.
+
+Toen barstte hij uit:
+
+„Ik weet niet wat mij weerhoudt om er maar dadelijk een eind aan te
+maken! Nu is het wel zeker dat je John Raffles bent! Het had maar een
+haar gescheeld of ik had ook van je duivelsche sigaretten gerookt.”
+
+„Wel, dat was de bedoeling!” zeide Raffles langs zijn neus.
+
+De bandiet hief de vuist op, als om Raffles te treffen, en slechts met
+moeite wist hij zich zelf te beheerschen.
+
+Hij dacht een oogenblik na, bromde toen voor zich heen:
+
+„Ik moet telefoneeren, zij moeten mij een ander zenden! Ik durf niet
+alleen blijven met dien duivelskunstenaar!”
+
+Hij vloog naar de trap, en begon haar zoo vlug hij kon te beklimmen.
+
+Waarschijnlijk bevond de telefoon zich in een of ander vertrek van de
+drukkerij, of in de schuur.
+
+Raffles volgde hem met de oogen, en juist toen de bandiet de helft van
+de trap bereikt had, strekte hij zijn beenen zoo ver mogelijk, tot zijn
+teenen den grond raakten, en wierp zich met een enkelen sprong als die
+van een kangoeroe met zijn volle gewicht vooruit, en tegen den hefboom
+aan den voet van de trap......
+
+Een kort gekraak liet zich hooren, het boveneinde van de trap zwaaide
+terug en de bandiet, zoo plotseling van het evenwicht beroofd, stortte
+van een hoogte van drie meter voorover op den steenen vloer van den
+kelder.
+
+De hoogte was niet groot genoeg om hem te dooden, maar hij moest toch
+iets gebroken hebben want hij bleef half verdoofd liggen.
+
+Zijn revolver was hem tijdens den val uit de hand gevlogen en lag ver
+buiten zijn bereik.
+
+Raffles verloor geen tijd maar beukte uit alle macht den stoel tegen
+den muur, zoodat het niet lang duurde of de rug en de pooten waren
+gebroken.
+
+De dikke touwen hadden nu geen houvast meer, en vielen slap langs armen
+en beenen neer.
+
+In een oogwenk had Raffles zich bevrijd, en snelde nu op Charly toe,
+die meende te droomen, en als versuft dit tooneeltje had gadegeslagen
+dat zich met ongelooflijke snelheid had afgespeeld.
+
+En het merkwaardige was dat de sigaret nog altijd tusschen de lippen
+van den Grooten Onbekende zat geklemd en hij nog even rustig rookte,
+alsof hij zich in de conversatiezaal van de Windsor-Club had bevonden.
+
+Stotterend van verbazing vroeg Charly, toen hij armen en beenen weer
+bewegen kon:
+
+„Ik kan nog niet begrijpen dat het al werkelijk gebeurd is, heb je zelf
+in het geheel geen last van die sigaret?”
+
+„Het was de eenige goede die er bij was, mijn jongen!” antwoordde
+Raffles glimlachend. „Het gouden mondstukje is een weinig korter dan
+dat van de andere sigaretten en daaraan herken ik het terstond. Maar
+daarom wilde ik ook volstrekt de sigaret zelf nemen. Maar laten wij nu
+geen tijd verbeuzelen met babbelen, er valt ander werk te doen. Wij
+zullen eerst onzen vriend eens verbinden maar zoo dat hij zich niet
+bevrijden kan!”
+
+Hij bukte zich over den man heen, die juist uit zijn verdooving
+ontwaakte en zeide:
+
+„Ik geloof niet dat hij iets gebroken heeft!”
+
+„Vindt je wel dat het er veel toe doet?” vroeg Charly ironisch.
+
+Raffles antwoordde niet, maar greep het touw waarmede hij zelf was
+gebonden geweest en een oogenblik later was de bandiet zoodanig
+gekneveld dat hij in den letterlijken zin van het woord geen lid kon
+verroeren.
+
+Hij werd naar een hoek van het vertrek gedragen en daar neergelegd.
+
+De man was weder volkomen bij kennis en keek Raffles aan met twee oogen
+die van haat en machteloos woede gloeiden.
+
+„Ja vriend!” zeide Raffles op wijsgeerigen toon, „dat men den morgen
+nooit moet prijzen voor den nacht, om een bekend spreekwoord naar
+omstandigheden te wijzigen. Over je metgezel behoef je je niet ongerust
+te maken, hij is springlevend en alleen maar bewusteloos en dat zal hij
+de eerste twaalf uren wel blijven. Mijn sigaretten zijn zeer krachtig.
+En nu zal ik je gedurende eenigen tijd tot mijn spijt moeten verlaten
+want dringende bezigheden roepen mij elders!”
+
+Hij ging de revolver opzoeken, onderzocht het wapen nauwkeurig en kwam
+tot de ontdekking dat het gelukkig door den val niet geleden had.
+
+Charly wapende zich met het automatische repeteerpistool van den
+bewusteloozen bandiet, en keek Raffles vol afwachting aan.
+
+„Nu maken wij zeker dadelijk dat wij wegkomen?”
+
+„Ja, mijn jongen, wij gaan naar huis.”
+
+Gelukkig riep Charly uit: „Ik had, eerlijk gezegd, gedacht, dat je het
+avontuur nog verder had willen voortzetten.”
+
+„Wel, ik ben ook niet anders van plan,” hernam Raffles droogjes. „Want
+ik wil wel naar huis, maar langs een anderen weg dan dien wij gekomen
+zijn.”
+
+„Hoe dan wel?”
+
+„Door de tunnel, welke de bandieten gegraven hebben.”
+
+„Maar dat staat gelijk met zelfmoord!” riep Charly verschrikt uit. „Wie
+weet hoeveel van die kerels wij daar wel vinden!”
+
+„Het kunnen er zooveel niet zijn, want in een onderaardschen gang, zoo
+als zij er een graven, kunnen onmogelijk meer dan vier man tegelijk
+vertoeven, en waarschijnlijk vinden wij er niet meer dan drie. Maar al
+waren het er zes, wij hebben het voordeel van de verrassing. Kom
+spoedig mede!”
+
+Raffles trad op de ijzeren deur toe, en het duurde niet lang, of hij
+had de wijze ontdekt, waarop zij geopend moest worden.
+
+Hij knikte nog eens naar den gebonden bandiet die onbeweeglijk en met
+giftigen blik naar hem keek, en daarop traden de beide vrienden den
+tweeden, kleinen kelder binnen, na zich eerst te hebben overtuigd dat
+hun lantaarns nog goed werkten.
+
+Een eenvoudige houten deur, van goede planken vervaardigd, bleek het
+begin van de tunnel af te sluiten.
+
+De gang had een ovalen vorm, en de grootste doorsnede was omstreeks één
+meter tachtig, de kleinste één meter vijftig.
+
+Op geregelde afstanden was de tunnel geschoord en op den eersten blik
+zag Raffles dat hier een zeer kundig ingenieur aan het werk was
+geweest.
+
+De tunnel was volkomen recht, overal even hoog en breed en op zwakke
+plaatsen met metselsteenen versterkt.
+
+De schoren bestonden uit dikke palen van eikenhout, zoo dik als een
+heipaal, en schuin gesteld, zoodat zij het gewicht van het verwulf
+konden dragen.
+
+En nauwelijks waren de twee vrienden een twintigtal meter in de tunnel
+door gedrongen of zij zagen heel in de verte een flauw schijnsel.
+
+Dadelijk doofden zij het licht van hun eigen lantaarns en gingen op den
+tast verder.
+
+Aan weerszijden van de tunnel liepen de electrische draden van de
+boormachine, welke zich aan de uiteinden van de onderaardsche gang
+moest bevinden, en waarmede de tunnelgravers den harden bodem hadden
+aangetast, om dien vervolgens met schop en houweel verder te
+verwijderen.
+
+Waar de uitgegraven aarde gebleven was, begreep Raffles niet. Maar,
+waarschijnlijk had men die in een andere schuur opgehoopt.
+
+Bij iederen stap werd het schijnsel helderder, en na ongeveer vijftig
+meter te zijn voortgegaan konden de beide mannen de vage gedaanten zien
+van eenige lieden, die druk bezig waren aan het andere einde van de
+tunnel.
+
+Maar de boormachine zweeg, wier gonzend geluid hun het eerst op het
+spoor van de tunnelgravers had gebracht.
+
+Wel klonken de regelmatige slagen van twee of drie houweelen op den
+harden grond.
+
+Blijkbaar waren de bandieten bezig het gat te vergrooten in den
+tusschenwand, teneinde des te gemakkelijker de stalen platen voor de
+opening op zijde te kunnen schuiven.
+
+Raffles en Charly hadden zich plat voorover geworpen en kropen voort,
+de revolvers in de vuisten geklemd.
+
+Charly trok het touw achter zich aan, waarmede hij gebonden was geweest
+en dat men misschien aanstonds noodig zou kunnen hebben.
+
+Nog een twintig meter, en toen konden Raffles en Charly reeds duidelijk
+onderscheiden wat er daarginds geschiedde.
+
+Er waren daar drie mannen, hoogstwaarschijnlijk de Lynx met de twee
+bandieten, die hem vergezeld hadden.
+
+Twee hunner waren bezig met houweelen uit alle macht de rotsharde aarde
+aan te tasten, terwijl de derde het werk leidde, en een zeer groote
+electrische lantaarn in de hand hield, waarmede hij de beide arbeiders
+belichtte.
+
+Zoo sterk was het licht, dat Raffles duidelijk kon zien, dat de opening
+in den wand sedert dien morgen zeer veel grooter was geworden.
+
+Zij was bijna vier decimeter hoog en zeven decimeter breed, en daar
+achter was zeer duidelijk het zwakke geglim van het schild van
+nikkelstaal te zien.
+
+Links stond de boormachine, die thans buiten gebruik was gesteld, daar
+zij de stalen schilden toch niet zou kunnen bewerken.
+
+Het zou zeker geen uur meer duren, of de geheele opening zou vrij
+gemaakt, en dan zou het zeker heel wat gemakkelijker vallen, de stalen
+platen omver te werpen, of ter zijde te schuiven.
+
+En als ook dit mislukte, zouden de bandieten wel eens kunnen pogen, de
+staalschilden met behulp van een zuurstofvlam te vernielen, en zoo in
+de tunnel door te dringen, die zoo zeer hun nieuwsgierigheid had gaande
+gemaakt.
+
+Maar voor het oogenblik was daar geen vrees voor.
+
+Het werk vorderde langzaam en telkens vlogen er kleine stukjes van den
+rotsharden grond.
+
+Nu en dan liet de Lynx het werk ophouden, en beschouwde de opening en
+de staalplaat daar achter.
+
+En toen, voor Raffles en Charly er goed en wel op verdacht waren, spoot
+er als het ware een verblindend witte straal tegen de staalplaat.
+
+De bankroovers hadden hun zuurstofapparaat reeds in werking gebracht.
+
+Zij droegen alle drie brillen met zwart gemaakte glazen, waardoor zij
+ongestraft in het vreeselijke wit van de vlam konden kijken.
+
+Maar Raffles en Charly hadden ongewapende oogen en konden zelfs op dien
+afstand den helschen gloed ternauwernood verdragen.
+
+Er viel ook niet aan te denken, behoorlijk te mikken tegen dit
+verblindend licht in.
+
+Zij kropen zoo snel zij konden weder een twintig meters achteruit, en
+van deze plek konden zij nog zeer goed zien, wat er daarginds vooraan
+in de tunnel voorviel, zonder gevaar te loopen, hun oogen
+onherroepelijk te bederven.
+
+Van de drie bandieten was nu niets meer te zien.
+
+Zij hadden zich waarschijnlijk plat op den buik geworpen, om zoo weinig
+mogelijk last te hebben van het schelwitte licht, van een witheid, door
+niets te overtreffen, en waarbij zelfs de schittering van een sterke
+electrische booglamp in het niet zonk.
+
+Er verliepen bijna twee uren.
+
+Het gat was nu zeker bijna zoo diep, dat alle drie de platen waren
+doorgesmolten.
+
+En toen geschiedde er iets, waarop de twee mannen ook al niet gerekend
+hadden.
+
+De Lynx zond een van zijn mannen terug, zeker om eens te gaan zien, of
+de gevangenen zich nog niet bedacht hadden!
+
+Als zij bleven waar zij waren, dan zouden zij zeker gezien worden, want
+de tunnel bood hier volstrekt geen schuilplaats, en de man, die
+terugkeerde was voorzien van een kleinen zaklantaarn.
+
+Maar hier viel niet te aarzelen, zij moesten beginnen met te
+retireeren, tot zij althans buiten het gehoor van de twee
+achtergebleven bandieten waren.
+
+Raffles en Charly kropen dus als bij onderlinge afspraak, zonder dat
+het noodig was geweest, een enkel woord te wisselen, achteruit, op
+handen en voeten, en nu en dan omziende om zich te overtuigen, dat zij
+buiten het lichtschijnsel van de lantaarn bleven.
+
+Zij waren den man minstens vijftig meter vooruit, en hij kon hen
+onmogelijk zien.
+
+En toen ontfermde het lot zich over hen, zij vonden een plek, waar de
+tunnel eensklaps een weinig breeder werd, misschien had hier een
+aardinstorting plaats gehad, of was deze soort nis met opzet gemaakt,
+teneinde er gereedschappen of machineonderdeelen te kunnen bewaren.
+
+Deze kleine uitholling was echter nauwelijks groot genoeg, om een enkel
+persoon te kunnen bevatten.
+
+Raffles boog zich naar Charly over en fluisterde hem in:
+
+„Ga jij nog een tiental meters verder, ik blijf hier, en zal den kerel
+ten val brengen, dan keer je dadelijk weer terug, en helpt hem
+onschadelijk maken!”
+
+Charly knikte en ging verder, terwijl Raffles zich zoo klein mogelijk
+maakte, en zich tegen den achterwand van de nis drukte.
+
+Vijf minuten later kwam de bankroover voorbij, of liever, hij wilde
+voorbij gaan, want zoover kwam het niet.
+
+Raffles had zich bliksemsnel gebukt en den kerel bij het onderbeen
+gevat.
+
+De man struikelde en had zelfs niet den tijd voor een vloek.
+
+Want dadelijk wierp Raffles zich op hem, en toen ook Charly op het
+gerucht van den val terug kwam ijlen, was zijn lot spoedig beslist.
+
+Hij werd nu stevig gebonden, zoodat hij zich niet verroeren kon, en ook
+geen geluid kon maken.
+
+Dat was dus een derde van de vijandelijke legermacht verslagen.
+
+De rest zou kinderspel zijn!
+
+Juist op dat oogenblik hoorden de beide mannen een dof gekraak aan het
+uiteinde van de tunnel.
+
+Zij snelden terug zoo vlug zij konden en de gesteldheid van de tunnel
+het hun veroorloofde.
+
+Het verblindend witte licht was nu verdwenen.
+
+Alleen de twee lantaarns verspreidden hun licht.
+
+Blijkbaar was zooeven de arbeid met de steekvlam geëindigd.
+
+Er was nog meer gebeurd.
+
+Door de opening in de drie stalen schilden, ongeveer zuiver rond, en
+bijna twee decimeter in doorsnede, hadden de twee bandieten de stukken
+van de spoorstaaf met behulp van een ijzeren haak kunnen wegduwen.
+
+En daarna hadden zij, uit alle macht zich inspannend, de stalen
+schilden één voor één omver kunnen werpen.
+
+De opening was nu vrij!
+
+Een der bandieten stak er een arm gewapend met een lantaarn door, zeker
+om de tunnel, die nu open voor hen lag, te belichten.
+
+Dat was zijn ongeluk....
+
+Want Raffles en Charly zagen op hetzelfde oogenblik iets eigenaardigs
+gebeuren.
+
+De man met de lantaarn verdween onder het slaken van een luiden vloek,
+en zoo vlug, of hij door toovenaarshanden werd weggesleurd!
+
+„Dat moet Henderson zijn!” kwam Raffles glimlachend, terwijl Charly
+moeite had een schaterlach te onderdrukken, zoo snel en zonder omslag
+was de bankroover uit het oog verdwenen.
+
+„Kom vlug, Charly, voor mijnheer de Lynx zijn makker ter hulp kan
+snellen!”
+
+De twee vrienden ijlden naar de opening, en onder het loopen gaf
+Raffles het waarschuwingssein, voor Henderson bestemd, die zooeven zoo
+handig zijn tegenstander door de opening had getrokken, met niet meer
+omslag dan men gebruikt om een sardiene uit het blikje te nemen.
+
+Op het hooren van het sein keerde de Lynx zich om, en slaakte een
+gebrul van woede, toen hij zijn gevangenen herkende.
+
+Hij bracht de hand naar zijn zak, maar hij was wat te langzaam....
+reeds was Raffles bij hem en sloeg hem door een op de goede plek
+aangebrachten vuistslag neer.
+
+In een handomdraaien was de schurk gebonden en machteloos gemaakt.
+
+Hij kwam juist weer bij, toen dit geschied was.
+
+„Ja, vriend Lynx, zoo gaat het nu eenmaal in de wereld,” zeide Raffles
+glimlachend, „heden ik, morgen gij! Maar vandaag zijt gij het in ieder
+geval, naar ik geloof!”
+
+Henderson stak op dit oogenblik zijn groot hoofd door de opening, en
+zeide leukweg:
+
+„Alles all right, mijnheer! Bij u ook, hoop ik?”
+
+„Alles in de beste orde, James!” antwoordde Charly lachend. „Steek dien
+kerel maar weer door het gat, waar je hem zoo handig gevangen hebt!”
+
+Even later kwam er een soort mummie door de opening, aangereikt door
+den reus.
+
+De man was zoo stijf gebonden, dat hij letterlijk geen vingerlid kon
+verroeren.
+
+„Zoo, daar hebben wij de verzameling compleet!” kwam Raffles tevreden.
+„Nu nog het vrachtje naar het huis in de Baker-Street vervoerd, en
+tijdelijk in den kelder neergelegd, in afwachting van de komst der
+politie, maar voor dien tijd staat ons een zware arbeid te wachten,
+vrienden!”
+
+„Wat wil je doen?” vroeg Charly nieuwsgierig.
+
+„Vraag je dat nog? Natuurlijk wil ik de tunnel van die lieden voor de
+grootste helft vernielen, en doen instorten! Want om zich te wreken
+zullen zij natuurlijk verraden wat zij gevonden en gezien hebben en dan
+was alle moeite toch vruchteloos geweest! En daarom zullen wij eerst
+hun tunnel voor een deel vernielen, vervolgens zullen wij een laag
+beton hier op deze plek aanbrengen, een vijftal meter dik, en tenslotte
+zullen wij onze eigen tunnel een andere richting geven, op deze plek!
+En al dien tijd zullen de heeren onze gasten zijn, wel bewaakt,
+natuurlijk! De bankroof zullen zij mijnentwege later nog eens kunnen
+beproeven, maar dan niet ten koste van John Raffles!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78683 ***