summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78338-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78338-0.txt')
-rw-r--r--78338-0.txt3233
1 files changed, 3233 insertions, 0 deletions
diff --git a/78338-0.txt b/78338-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ef3e3af
--- /dev/null
+++ b/78338-0.txt
@@ -0,0 +1,3233 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78338 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 42 ONGEWENSCHTE WRAAK.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ONGEWENSCHTE WRAAK
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN EDELE DAAD VAN LORD LISTER EN EEN NIEUWE TRUC VAN RAFFLES.
+
+
+In het beroemde café Austria in de Regentstraat ging het tegen acht uur
+op een regenachtigen Octoberavond rumoerig toe.
+
+Zooeven had een der in het wit gekleede Oostenrijksche kellners een kop
+koffie gebracht aan een eenigszins corpulent heer van middelbaren
+leeftijd, die in een der vensternissen op zijn gemak in de kussens van
+een divan leunde. Tegelijkertijd had de kellner de pas uitgekomen
+avondbladen op het marmeren tafeltje voor den heer neergelegd.
+
+De corpulente heer stak een sigaret aan, proefde de koffie en verdiepte
+zich in de politieke mededeelingen in de Daily Telegraph.
+
+Hij had nog niet lang gelezen, toen een jonge man van opvallend
+Amerikaansch uiterlijk op den drempel van de deur in de onmiddellijke
+nabijheid verscheen met een reusachtige reistasch in de rechterhand.
+
+Hij keek met onderzoekenden blik rond en glimlachte, toen hij den
+dikken heer zoo dichtbij op den divan zag zitten. Hij liep dadelijk
+naar hem toe en zette zijn groote tasch, die leeg scheen te zijn, neer
+met een vroolijk:
+
+„Goeden avond, waarde oom, daar ben ik!”
+
+„Ah, zeer goed, Char... ik wou zeggen neef Bob!” antwoordde de
+welgedane Amerikaan en legde zijn courant neer. „Ben je daar al! Je
+hebt een waar monster van een tasch opgediept! Maar zij is uitstekend
+geschikt voor ons plan en zal voldoende zijn! Ga zitten! Kellner! Nog
+een koffie!”
+
+Charly Brand, want hij was het, ontdeed zich van zijn overjas en nam
+plaats.
+
+Toen de kellner de koffie had gebracht, legde Lord Lister, die in zijn
+Amerikaansche kleeding met het pneumatische buikkussen nauwelijks te
+herkennen was, zijn hand op Charly’s arm.
+
+„Vandaag zullen wij eens iets gaan stelen, om den eigenaar een groot
+genoegen te doen.”
+
+„Dat is eigenaardig, oom! Kan dat ook voorkomen?”
+
+Charly keek zoo naïef en verbaasd, dat Lord Lister onwillekeurig
+glimlachte.
+
+„Dat zal je heel gauw begrijpen! Ik zal je in het kort mijn plannen
+meedelen, want wij hebben geen tijd te verliezen!
+
+„Een bekwaam kunstenaar, hoogstaand als schilder en als etser, heeft er
+zich door tegenspoed en geldgebrek toe laten drijven om valsch
+papiergeld te maken, dat zoo uitstekend is nagebootst, dat het
+nauwelijks van echt te onderscheiden is.
+
+„Hij heeft alleen een banknoot van vijftig pond uitgegeven en kreeg
+toen berouw. Men droeg hem op een portret te schilderen en hij begaf
+zich naar den heer, wien hij de valsche banknoot had gegeven, om hem te
+verzoeken, hem het bankbiljet van vijftig pond, tegen betaling van dat
+bedrag in klinkende munt, terug te geven.
+
+„Deze man, die de vervalsching ondanks alles onmiddellijk had
+opgemerkt, had het bankbiljet bewaard, om den kunstenaar in zijn macht
+te hebben
+
+„Hij weigerde beslist het terug te geven, als de ander hem niet een
+aantal valsche bankbiljetten tegen betaling van den halven prijs wilde
+geven.
+
+„Ik was toevallig getuige van het gesprek in een zijvertrek van de
+beroemde heerenspeelclub in Westend. Het was mij opgevallen, dat de
+beide heeren uit de speelzalen verdwenen, terwijl de artist er
+ongelukkig en bedroefd uitzag.
+
+„Ik ben er blij om, dat ik het tweetal volgde en hun gesprek
+afluisterde.
+
+„De smeekbeden, de oprechte smart van den niet meer onbekenden
+kunstenaar tegenover den harteloozen jongen schurk gingen mij aan het
+hart en ik besloot, hem te helpen!
+
+„Denzelfden avond had deze jonge man veel pech aan de speeltafel. Ik
+speelde eveneens en had het geluk, hem ook nog iets af te winnen. Ten
+slotte wierp hij, min of meer beschonken, een bankbiljet van vijftig
+pond op tafel, dat gelukkig in mijn handen viel.”
+
+„Gelukkig voor den kunstenaar!” riep Charly Brand glimlachend uit.
+
+„Zooals je het op wilt vatten!” antwoordde Lord Lister. „Ja, het was de
+valsche banknoot en daardoor is de schilder uit de klauwen van den
+booswicht gered.
+
+„Maar ik vergat nog je te vertellen, dat deze ook bedreigingen uitte
+tegen den ongelukkige. Ik vrees daarom, dat hij Scotland Yard heeft
+ingelicht en dat, zonder dat de artist vermoedt wat hem boven het hoofd
+hangt, huiszoeking bij hem zal worden gehouden.
+
+„Want de elegante jonge heer uitte deze dreigementen, toen hij den
+artist verliet en bij het heengaan langs mijn schuilhoek ging. Dus aan
+het werk, Charly, opdat wij Scotland Yard voor zijn!”
+
+Lord Lister betaalde en trok met moeite, geholpen door den kellner,
+zijn overjas aan. Charly nam zijn reistasch op en beide heeren
+verlieten het café Austria.
+
+Buiten stonden een massa huurrijtuigen en, na den koetsier een straat
+te hebben opgegeven, namen zij plaats in het eerste het beste gesloten
+rijtuig, dat met hen wegreed.
+
+Zij hadden nog niet lang door de Londensche straten gereden, toen luid
+geschreeuw van courantenjongens Lord Lister naar buiten deed kijken.
+
+„Nu luister eens!” riep Lister vol verbazing uit, „hoor je wat zij
+roepen, Charly? Een nieuwe streek van Raffles! Daar moeten wij toch ook
+iets van weten. Hola, koetsier! Halt houden!”
+
+Het rijtuig bleef staan en op een wenk van zijn vriend en meester
+sprong Charly eruit, kocht een nummer van de Times en gaf dat aan
+Lister.
+
+Het was een extra-nummer, dat in groote letters het opschrift droeg:
+
+
+ „Een nieuwe truc van Raffles.—Een gestolen millioen.—Een failliete
+ reedersfirma.—Een afgeranselde medeplichtige.—Confrontatie van den
+ misdadiger op Scotland Yard met den reeder.—Scotland Yard zoekt
+ tevergeefs, enz.”
+
+
+Ook den naam en het adres van den bestolen reeder waren opgegeven en de
+bijzonderheden van den diefstal bij den voornamen reeder, welke
+diefstal dien avond was gepleegd, onmiddellijk nadat de zaak was
+gesloten, waren door den bestolene zelf meegedeeld.
+
+Lord Lister kon zijn oogen niet gelooven. Dat was sterk!
+
+Een gemeene bedrieger had misbruik gemaakt van zijn naam om ongestraft
+een misdaad te begaan, die waarschijnlijk niets gemeen had met de
+praktijken van den meesterdief.
+
+Daarbij was er een moord gepleegd, die in elk geval, al was het
+slachtoffer ook slechts een verloopen misdadiger, toch op rekening van
+Raffles kwam.
+
+Deze had daarom besloten, zich onmiddellijk naar de plek des onheils te
+begeven om nauwkeurige inlichtingen in te winnen omtrent de op zijn
+naam gepleegde schurkenstreek.
+
+Daarom liet hij het vol vertrouwen alleen aan Charly over, om de
+valsche banknoten heimelijk uit het atelier van den schilder weg te
+halen.
+
+Hij gaf Charly een brief, dien hij daarvoor inplaats moest achterlaten.
+Hierin bevond zich, behalve een opdracht tot het schilderen van een
+portret, een aanzienlijk bedrag, echter niet in papiergeld, maar in
+goudgeld.
+
+De onderteekening luidde:
+
+„Een bewonderaar van uw kunst, dien gij spoedig zult leeren kennen.”
+
+Nadat Charly het adres had gekregen van den schilder Gower, reed hij
+weg, terwijl Lord Lister in een leeg rijtuig, dat juist passeerde,
+plaats nam om de plek van de misdaad te gaan opzoeken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+SCOTLAND YARD EN DE NIEUWE RAFFLESSTREEK.
+
+
+Toen Lord Lister zich in de gedaante van den waardigen, oudachtigen Mr.
+Shaw door de menschenmenigte wilde dringen, welke de kantoorlokalen der
+firma Apsley en Co. omringde, wilde een agent van politie, gewapend met
+een gummistok, hem terugdringen.
+
+„Hier is geen toegang, Sir!” sprak hij op barschen toon, „Scotland Yard
+is daar binnen bezig en het publiek kan bij die werkzaamheden slechts
+hinderlijk zijn!”
+
+„Ik ben het volkomen met u eens, waarde inspecteur”, antwoordde Lord
+Lister met echt Yankee dialect. „Maar kunt gij mij misschien zeggen, of
+een van mijn kennissen, de wereldberoemde kapitein Baxter, of
+inspecteur Marholm daar binnen is?”
+
+„Zij zijn daar beiden, Sir!” antwoordde de agent van politie reeds op
+veel beleefder toon.
+
+De oude Amerikaan haalde bedaard en met veel omhaal een visitekaartje
+uit zijn notitieboekje, deed er een paar sigaren bij en gaf dit te
+zamen aan den beambte.
+
+„Wilt gij zoo goed zijn, kapitein Baxter mijn kaartje te overhandigen?
+Ik stel mijn zwakke krachten gaarne te zijner beschikking!”
+
+De politieagent verdween en kwam zeer snel weer terug. Hij verzocht den
+heer Harry Shaw met groote vriendelijkheid, binnen te komen en stelde
+het mopperende publiek tevreden met de mededeeling, dat die heer een
+Amerikaansch detective was.
+
+Toen Lister in zijn goed gekozen vermomming nadertrad, kwam kapitein
+Baxter hem reeds in het eerste kantoorlokaal tegemoet en begroette hem
+met de grootst mogelijke beleefdheid.
+
+„Wat zegt gij van deze nieuwe brutaliteit van den zoogenaamden
+meesterdief Raffles? Is het niet hemeltergend?
+
+„Evenals Mr. Apsley, de groote reeder, die nu zijn vermogen heeft
+verloren en totaal geruïneerd is, hebben ook wij in Scotland Yard
+telefonisch bericht gekregen, dat Raffles de brandkast der firma Apsley
+Co. zou leeghalen.
+
+„Zoo’n onbeschaamdheid.
+
+„Wij konden niet eerder hier zijn en kwamen te laat. Mr. Apsley heeft
+echter de dieven nog juist verrast en met de laatsten een harden strijd
+gehad.
+
+„Kom mee, kom mee, alles ligt nog precies zoo als wij het hebben
+gevonden. De door den heer Apsley gewurgde brandkastvernieler ligt op
+een paar stoelen, omdat de lijkschouwer dadelijk zal komen!”
+
+„Hoe, door Mr. Apsley gewurgd?” vroeg Lister verbaasd. „Ik meende,
+doodgeschoten!”
+
+Bij deze woorden waren beiden het derde kantoorlokaal, het particuliere
+kantoor van Mr. Apsley, binnengetreden.
+
+Hier getuigde de groote wanorde, omver geworpen kantoorstoelen, een
+gebroken lessenaar, inktkokers en inkt op den vloer, papiersnippers en
+bovenal de gewelddadig geopende en droevig leege brandkast van de
+inbraak en het gevecht.
+
+Terwijl de kortbeenige detective Marholm, bijgenaamd de vloo, juist de
+beschadiging van de brandkast aan een onderzoek onderwierp, bekeek
+detective Tijler met alle aandacht het op de binnenplaats uitziende,
+openstaande venster, waardoor de spitsboeven volgens de verklaring van
+Mr. Apsley, waren ontkomen. Door middel van een soort van lasso had hij
+den derden inbreker van dat venster teruggetrokken en bij dien stevigen
+ruk had hij hem tegen zijn wil gewurgd.
+
+De arme reeder, een man, die, naar het scheen, in de vijftig was, zag
+er erbarmelijk uit. Zijn jas hing aan flarden om hem heen, de kraag was
+er afgescheurd en zijn boord lag in onooglijken toestand op tafel.
+
+Aan zijn hals waren roode plekken zichtbaar en als hij den derden
+spitsboef ten slotte gewurgd had, dan scheen hier de Voorzienigheid te
+hebben ingegrepen, want de misdadiger moest hem eerst behoorlijk bij de
+keel hebben gepakt.
+
+Ook de grijsachtige pruik, die hij op den reeds tamelijk kalen schedel
+droeg, bewees door haar uiterlijk, dat zij blijkbaar een lijdelijke rol
+in het gevecht had gespeeld. Vermoedelijk waren er meerdere vuistslagen
+op neergedaald.
+
+Toen Lord Lister, alias Mr. Shaw, naderbij kwam, kwam een eigenaardige
+uitdrukking op zijn gelaat.
+
+Hij had naast den reeder, die hulpbehoevend en geheel terneergeslagen
+in zijn bureaustoel zat, een persoon opgemerkt, die hem bekend
+voorkwam.
+
+Het was een zeer elegante, jonge man in zwarte gekleede jas en wiens
+onberispelijke hooge hoed op de schrijftafel stond. Hij boog zich juist
+liefdevol over den ouden heer en scheen bezig te zijn, dien te
+troosten.
+
+„Wie is dat?” fluisterde Lister kapitein Baxter toe.
+
+„De beide heeren Apsley, vader en zoon!” antwoordde de inspecteur.
+
+Op dit oogenblik keerde de jongste der beide heeren zijn bleek,
+afgeleefd gelaat met klein snorretje naar den nieuwen bezoeker.
+Blijkbaar herkende hij Mr. Shaw niet, daar hij den vorigen dag, toen
+hij met dezen had gespeeld, reeds in vrij hooge mate dronken was
+geweest.
+
+Lister echter had hem onmiddellijk herkend als den persoon, die
+onverbiddelijk was gebleven voor de smeekbeden van den artist. Hier
+echter, tegenover zijn vader, bij dit geweldige verlies, dat ook hem
+trof, maakte hij een zeer beminnelijken indruk.
+
+Hij scheen zich met groote zelfbeheersching over het geldelijke verlies
+te kunnen heenzetten en zich alleen bezorgd te maken over zijn
+ontroostbaren, geheel terneergeslagen vader.
+
+Met de wellevendheid van een man van de wereld stelde Lord Lister zich
+dadelijk aan de beide heeren voor als Mr. Shaw uit Chicago en betuigde
+hun zijn oprechte deelneming in hun groot verlies.
+
+Hij stelde zichzelf in ieder opzicht ter beschikking, daar alle naties
+in den strijd tegen dergelijke gewetenlooze misdadigers zij aan zij
+moesten staan.
+
+De beide heeren dankten natuurlijk hartelijk voor het vriendelijke
+aanbod en waren een en al beleefdheid.
+
+„Ja”, sprak kapitein Baxter, „tot dusverre ontbreekt ons nog elke
+aanduiding, waarheen de spitsboeven zijn gevlucht en hoe het hun zoo
+gauw nadat de kantoren gesloten waren, mogelijk is geweest om de
+vuurvaste, sterke brandkast open te breken en leeg te halen.
+
+„De heer Apsley heeft ons zooeven de toedracht der zaak meegedeeld, in
+zooverre hij erin betrokken was!
+
+„Tot dusverre staat alleen vast, dat het weer die vervloekte Raffles
+was, die met behulp van twee beroepsinbrekers de misdaad heeft
+gepleegd!”
+
+„Raffles, waarom?” vroeg Lord Lister, alsof hij van niets wist.
+
+„Wel, weet gij dan niet”, vroeg kapitein Baxter, „dat die kerel, die
+steeds brutaler wordt, ons hedenavond heeft opgebeld?”
+
+„Hoor eens, kapitein!” antwoordde Lister op beminnelijken toon,
+„telefoneeren kan iedereen! Hoe kunt gij bewijzen, dat het werkelijk en
+inderdaad Raffles is geweest?”
+
+Lister had bij die woorden de beide heeren Apsley met het
+onverschilligste gezicht van de wereld aangekeken, alsof hij wilde
+zeggen:
+
+„Zijt gij het niet met mij eens, heeren?”
+
+En het kwam hem voor, alsof de oudste heer Apsley zijn verlegenheid met
+moeite verborg; terwijl hij als wanhopig voor zich staarde en het
+vermeed, den spreker aan te zien.
+
+Het gelaat van den jongen Apsley scheen nog bleeker te zijn geworden.
+
+Hij wees naar de tafel en sprak:
+
+„De brutale kerel heeft ook den treurigen moed gehad, ons te
+telegrafeeren! Daar ligt het telegram.”
+
+Lister nam het telegram op en las:
+
+
+ „Mr. Apsley en Co. Ik zal hedenavond een bezoek brengen aan uw
+ brandkast.
+
+ JOHN RAFFLES.”
+
+
+„Dat is sterk!” riep de eerlijke Amerikaan in onvervalscht
+Yankee-dialect uit, „het verbaast mij, dat men op het telegraafkantoor
+deze depêche heeft aangenomen! Wanneer is het telegram afgezonden?
+Juist, om vijf uur! Hebt gij dan in het geheel geen maatregelen
+genomen, Mr. Apsley?”
+
+De reeder haalde de schouders op.
+
+„Wie kan gelooven, dat een misdadiger zijn plan van te voren
+aankondigt! Ik hield het voor een grap, voor de flauwe aardigheid van
+een kennis, die misschien geld wilde komen halen of voor de boosaardige
+grap van een mijner beambten, die mij bang wilde maken.
+
+„Hoewel ik er niet aan geloofde, veronderstelde ik, zooals
+waarschijnlijk ieder in mijn plaats zou doen, dat, als er iets van aan
+was, de inbraak veel later zou plaats hebben en niet zoo onmiddellijk
+na het sluiten der kantoren, wanneer de straten nog vol menschen zijn.
+
+„Daarom besloot ik, hoewel ik ervan overtuigd was, dat er niets zou
+gebeuren, toch bij uitzondering thuis te blijven.
+
+„Ik ging daarom naar boven, naar de eerste verdieping, waar ik eenige
+kamers direct boven de kantoorlokalen heb. Ik heb niet veel vertrekken
+noodig, daar ik helaas weduwnaar ben. Daar moest ik ieder geluid
+beneden hooren.
+
+„Ik had juist een paar sandwiches, die ik in huis had, gebruikt, en mij
+een kop thee ingeschonken; ik kon nog geen half uur boven zijn geweest.
+
+„Hoe weinig waarde ik eigenlijk aan den inhoud van het telegram had
+gehecht, bewijst wel het beste de omstandigheid, dat ik mij niet eens
+de moeite had gegeven om mijn kast te openen, daar mijn revolver uit te
+nemen en die te laden.
+
+„Daar verneem ik plotseling beneden in de kantoorlokalen een geluid,
+dat mij bekend voorkomt.
+
+„„Wat is dat?” vraag ik mijzelf af.
+
+„Ik heb een gevoel, alsof men mij op mijn hersens slaat! Voor een
+oogenblik verlies ik mijn tegenwoordigheid van geest.—
+
+„Opeens voel ik een koude rilling langs mijn rug.
+
+„Drommels, dat is de brandkast!
+
+„Mijne heeren, de brandkast bevatte—ik ben failliet, ik ben
+geruïneerd!—de brandkast bevatte 50,000 pond sterling!
+
+„Ik had de laatste dagen groote betalingen gehad, de derde termijn voor
+onze groote stoomboot, enorme leveranties voor onze eigen
+scheepstimmerwerven—alleen de hoofdbedragen!
+
+„Wij zijn geruïneerd! Alles, alles heeft die vervloekte schurk, die op
+de een of andere wijze van het voorhanden zijn van dit bijzonder groote
+bedrag in onze kas heeft geweten, meegesleept.
+
+„Geen penny heeft hij achtergelaten.
+
+„Wat hebben wij aan brandkasten met gepantserde platen, als die
+virtuozen op het gebied der inbraakkunst in staat zijn, de beste
+fabrikaten geruischloos open te breken, of liever gezegd: open te
+smelten?
+
+„Want het is duidelijk, dat hier het slot met behulp van knalgas is
+losgesmolten.
+
+„Gij kunt de plaatsen op den vloer zien, waar het gloeiende metaal af
+is gedropen en waar het den vloer heeft verbrand!”
+
+„Dat klopt!” riep detective Marholm uit, „maar wat deedt gij verder,
+Mr. Apsley, toen gij het knarsende geluid van de deur uwer brandkast
+hadt vernomen?”
+
+„Ik keek om mij heen, zoekend naar het een of andere wapen.
+
+„Nu moet ik eerst vertellen, dat ik vroeger jarenlang in Amerika heb
+gewoond, onder anderen te San Francisco en in de Westelijke
+mijndistricten. Daar werkt men veel met de lasso.
+
+„Ik had dat ook geleerd.
+
+„Toevallig viel mijn blik op het eind sterk koord, dat ik voor mijn
+gordijnen had gebruikt.”
+
+De vloo legde bij deze woorden van den reeder het bedoelde eind koord,
+dat men van den hals van den inbreker had losgemaakt, op tafel.
+
+Het koord was veel dikker dan men het gewoonlijk voor het ophalen van
+gordijnen gebruikt. Het was van een groote lus voorzien en bijzonder
+geschikt om als lasso te worden gebruikt.
+
+Lord Lister maakte deze opmerkingen in stilte, toen hij het eind koord
+bekeek.
+
+„Ik neem dus het koord in de hand en maak er onwillekeurig een lus in,
+zonder er bij te denken, want mijn gedachten waren bij mijn brandkast.
+Ik snelde naar beneden en rukte de kantoordeur open.
+
+„Ik zie nog juist, hoe een persoon iets uit het venster naar de
+binnenplaats reikt en daarna er zelf uitspringt. Op hetzelfde oogenblik
+echter krijg ik een slag op het hoofd en grijpt men mij bij de keel.
+
+„Natuurlijk verdedig ik mij zoo goed ik kan, maar in een ommezien lig
+ik op den vloer.
+
+„De kerel laat mij los en wil naar het raam snellen. Juist toen ik
+bliksemsnel weer ben opgestaan, springt de misdadiger op de
+vensterbank, ik denk aan mijn lasso, slinger die in de hoogte en mik
+zoo goed, dat ik den schurk erin vang.
+
+„Ik trek uit al mijn macht, zonder precies te weten wat ik doe, geheel
+en al werktuigelijk en de kerel valt als een blok hout van de
+vensterbank in de kamer terug.
+
+„Ik houd de lasso nog steeds gespannen. Maar hij beweegt zich niet en
+naderbij komend zie ik, dat hij morsdood is!
+
+„Ik had hem, zonder het te willen, met mijn koord gewurgd!
+
+„Verder kan ik niets vertellen.
+
+„Ik telefoneerde onmiddellijk mijn zoon in zijn club, die dan ook heel
+spoedig per auto aankwam en wiens schrik en verbazing over hetgeen in
+zijn afwezigheid was voorgevallen, ge u kunt voorstellen!
+
+„Het spijt mij, dat die geschiedenis met de lasso is gebeurd!”
+
+„Kom, krijg daarover maar geen grijze haren, Mr. Apsley! Uw lasso was
+werkelijk een uitstekende inval!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GESTOLEN ONTWERP VOOR EEN ONDERZEESCHE BOOT.
+
+
+Nauwelijks had kapitein Baxter deze woorden gesproken, of een jonge man
+snelde geheel buiten zichzelf van opgewondenheid het particuliere
+kantoor van den reeder binnen.
+
+„Om ’s Hemelswil, Mr. Apsley!” riep hij tot dien heer, die schijnbaar
+in de diepste verslagenheid aan tafel zat, „tot mijn schrik hoor ik,
+dat men bij u heeft ingebroken! Men heeft uw brandkast geplunderd!
+
+„Ik wilde juist hierheen om u teruggaaf te verzoeken van het ontwerp,
+dat ik u eenige dagen geleden toevertrouwde. Gij weet wel, dat morgen
+de wedstrijd wordt geopend.
+
+„O, stel mij toch gerust, mijn beste heer! Nietwaar, ik kan mijn
+ontwerp toch heden terugkrijgen? De dieven zullen het toch niet hebben
+meegenomen? Het had voor hen immers niet de minste waarde!”
+
+De oude reeder sloeg de handen boven het hoofd samen en drukte ze
+daarna voor zijn oogen.
+
+„Mijn hemel, ook nog deze onoverkomelijke ramp!”
+
+Hij stond weenend op; hij zag er in zijn verscheurde kleeren jammerlijk
+uit en omhelsde met vochtige oogen den jongen man.
+
+„O, mijn kranige Mr. Burton! Gij ziet in mij den ongelukkigsten man van
+geheel Londen! Ik ben bestolen! Mijn geheele vermogen, ja, nog meer is
+gestolen! En toch—niets gaat mij zoo aan het hart als uw onherstelbaar
+verlies!
+
+„O, dwaas die ik ben, om mijn brandkast voor zoo veilig te houden! Het
+is, alsof men mij nu het tegendeel heeft willen bewijzen!
+
+„Mijn lieve, kranige Burton, ook uw heerlijk ontwerp, dat u stellig den
+eersten prijs zou hebben bezorgd, is gestolen!”
+
+Mr. Apsley weende hartverscheurend en bracht telkens weer zijn zakdoek
+naar de oogen.
+
+Lord Lister beschouwde den zoozeer door het ongeluk getroffen jongen
+man met innige deelneming.
+
+Het fijnbesneden gelaat van den blonden artist, die ongeveer achter in
+de twintig moest zijn, drukte groote droefenis uit, toen hij uit den
+mond van den reeder zijn ongeluk vernam. Hij beefde en moest zich aan
+de tafel vasthouden. Blijkbaar was hij op het punt, in zwijm te vallen.
+
+Lord Lister naderde hem en sloeg zijn arm om hem heen.
+
+„Moed houden, moed houden, mijn jonge vriend!” sprak hij op meewarigen
+toon. „Wij zullen trachten de papieren terug te vinden! En wij zullen
+ze terugkrijgen, vooral daar zij geen waarde hebben voor de
+misdadigers.”
+
+„Zou het mogelijk zijn, mijnheer—”
+
+„Mr. Shaw uit Chicago!” stelde Lister zich voor.
+
+„Edward Burton, chef-ingenieur der Apsley-werken in de Commercial
+Docks!—Maar dan is het te laat! Wanneer de ontwerpen morgenmiddag niet
+zijn ingeleverd bij de commissie, worden zij niet meer aangenomen door
+de jury en heeft men geen aanspraak meer op den prijs.
+
+„Ik heb iets geheel nieuws in elkaar gezet en ben ervan overtuigd, dat
+ik had gezegevierd over de weinige collega’s, die niets vermoeden van
+mijn uitvinding!”—
+
+„O, Mr. Edward, gij verscheurt mij het hart!” weeklaagde de oude
+reeder. „Natuurlijk zoudt gij hebben gezegevierd en nu moet ik door
+mijn te groot vertrouwen ook u mee in het verderf storten! O, een
+ongeluk komt zelden alleen!”
+
+De oude Apsley was wanhopig.
+
+Zijn zoon, die voortdurend had gezwegen, richtte zich nu, naar het
+scheen, zeer onder den indruk, tot den jammerenden ingenieur.
+
+„Ziet gij dan niet, Mr. Burton, hoezeer gij mijn vader opwindt met uw
+verwijten en klachten? Hoe durft gij het wagen, uw klein ongeluk hier
+zoo uit te bazuinen op het oogenblik, waarop die vervloekte Raffles ons
+totaal heeft geruïneerd! Het ontwerp, dat gij toch zelf hebt gemaakt,
+zult gij toch wel gauw weer in elkaar kunnen zetten! Dat kleine uitstel
+zal u toch wel niet ongelukkig maken!”
+
+„Maar Mr. Apsley, morgen wordt de wedstrijd immers reeds geopend!
+Morgenmiddag is de termijn afgeloopen! Ik moet de mooiste gelegenheid,
+die misschien nooit terugkomt, voorbij laten gaan! Mijn geheele
+toekomst is vernietigd, als ik het ontwerp niet volgens mijn opgaaf
+morgenmiddag kan inzenden!
+
+„Ik hoopte, dat het de grondslag zou zijn tot mijn levensgeluk. Mijn
+bruid, die zoo vast in mij gelooft—alle toekomstplannen vallen in
+duigen.”
+
+„Het doet mij leed, Mr. Burton,” viel de jonge Apsley hem tamelijk
+ongevoelig in de rede. „Wat zullen wij doen? De spitsboeven hebben uw
+voortreffelijk ontwerp meegenomen, zonder te weten, wat het beteekent.
+
+„Hoe kunnen wij u helpen, nu wij totaal ten gronde zijn gericht, nu men
+ons tienduizenden ponden heeft ontstolen!—Draag uw verlies, dat immers
+hersteld kan worden, als een man, Burton! Wij moeten u, helaas, vanaf
+dit oogenblik uw ontslag geven. Onze firma is voor het oogenblik
+insolvent!”
+
+De jonge ingenieur bedekte zijn oogen met de hand. Hij trachtte
+tevergeefs zich te beheerschen. Deze slag was voor hem te onverwacht
+gekomen.
+
+„O, mijn hemel, wat zal Ellinor zeggen! Nu is het gedaan met mij!—En
+mijn betrekking ook verloren!”
+
+Met deze woorden wendde hij zich af met een groetende handbeweging en
+verliet het vertrek.
+
+Lord Lister zag hem vol medelijden na. Hij zou wel lust hebben gehad om
+hem te volgen. Maar wat had de jonge ingenieur hem nog kunnen
+meedeelen, dat hij niet reeds wist?
+
+En misschien was het voor dezen nuttiger, wanneer hij zijn
+navorschingen naar den oorsprong van deze geheimzinnige misdaad op de
+plek zelf voortzette.
+
+Daar Lister onwillekeurig achteruit was gegaan, om den wanhopigen
+ingenieur na te kijken en dicht bij de deur naar de andere
+kantoorlokalen stond, kon hij daar een dienstman zien, die hem een wenk
+gaf. De andere personen, die zich meer in het midden van het vertrek
+bevonden en beide heeren Apsley konden den dienstman niet zien.
+
+Lord Lister herkende oogenblikkelijk Charly in een van zijn meest
+geliefkoosde verkleedingen. Zeer gevat wendde hij zich tot kapitein
+Baxter:
+
+„Ik wil toch even met den armen, ongelukkigen jongen man meegaan om hem
+een paar troostwoorden toe te spreken. Hij zag er zoo wanhopig uit!”
+
+„Ja”, sprak de reeder op huilenden toon, „doe dat, ik zal er u zeer
+dankbaar voor zijn!”
+
+De „Yankee” was reeds naar buiten gegaan en sprak met Charly, die hem
+vertelde, dat alles in orde was en dat de banknoten in de villa
+verborgen waren. Lister fluisterde hem toe, dat hij nauwkeurig op moest
+letten, waarheen de oude en de jonge heer Apsley zich, na het sluiten
+der kantoorlokalen, zouden begeven. Hij moest hen in elk geval, maar
+voorzichtig en onopgemerkt volgen. Als zij elk een anderen weg namen,
+moest hij den ouden heer volgen.
+
+Charly was vol vuur voor deze gewichtige opdracht, die zijn meester hem
+gaf en verdween om, zonder opgemerkt te worden, tusschen de
+menschenmassa, die zich nog steeds voor het reederskantoor bevond, zijn
+observatiepost in te nemen.
+
+Schouderophalend kwam de dikke Amerikaan het kantoorlokaal weer binnen,
+waar Scotland Yard zich rondom de heeren Apsley had verzameld. Toen de
+oudste der beide heeren hem weer zag komen, kon hij een grimmig
+„vervloekt!” niet onderdrukken.
+
+Daarop echter gaf hij zijn zoon een wenk en deze moest zijn vader
+onmiddellijk hebben begrepen, want hij wendde zich zeer beleefd tot
+kapitein Baxter en sprak:
+
+„Hebt gij nog gewichtige vragen te stellen, kapitein? Gij ziet, hoe
+mijn vader onder den indruk is van het voorgevallene. Hij heeft nu
+dringend behoefte aan rust. Ik wil hem echter vannacht niet alleen
+laten met zijn verdriet en wanhoop. Gij zult dat begrijpen!
+
+„Wie weet, tot welke dingen hij na dit ontzettend verlies zou komen! Ik
+zal hem meenemen naar mijn woning in het Oosteinde, dicht bij onze
+werven, bij de Commercial Docks.
+
+„Ik maak mij ongerust over hem en ben dat dus verplicht.
+
+„Als wij u nog met inlichtingen van dienst kunnen zijn, zijn wij
+daartoe gaarne bereid!”
+
+„Ik zou niet weten...”, antwoordde Baxter, zich achter de ooren
+krabbend. „Denk eens na, Mr. Apsley, of gij nog het een of ander hebt
+vergeten mee te deelen. Uw berichten zijn duidelijk, maar zij wijzen
+ons den weg niet om deze geheimzinnige misdaad op te helderen”.
+
+De beide heeren Apsley keken elkaar, zooals Lister zeer goed merkte,
+met een knipoogje aan.
+
+„Welnu, waarde kapitein”, sprak de zoon, „als gij ons geen verdere
+vragen hebt te stellen, dan zouden wij ons nu gaarne, vooral in het
+belang van mijn vader, die zeer ontdaan is, terugtrekken! Mij vindt
+gij, zoo noodig, morgen op de werf.
+
+„Mijn vader zal wel hier moeten zijn om met zijn personeel de balans op
+te maken voor de insolventverklaring.
+
+„Natuurlijk zijn wij gaarne ten allen tijde tot uw beschikking!”
+
+„Ik vind het uitstekend, dat gij u nu terugtrekt, heeren!” antwoordde
+kapitein Baxter zeer voorkomend.
+
+„Gij hebt het protocol immers geteekend en verdere vragen heb ik u voor
+het oogenblik niet te stellen”.
+
+Met een groet verliet de reeder, leunende op den arm van zijn zoon, de
+kantoorlokalen, terwijl de beambten van Scotland Yard hem met meewarige
+blikken volgden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN MODERNE LIJKENBEZWERING.
+
+
+„Als nu Dr. Warrens hier was”, sprak Baxter, toen de beide heeren waren
+heengegaan, „konden wij aan ons ander werk gaan!”
+
+„Gij hebt zeker nog veel te doen, vannacht?” vroeg Mr. Shaw met goed
+gespeelde belangstelling.
+
+„Dat zou ik denken”, antwoordde de kapitein in het bewustzijn van zijn
+gewicht. „Eerstens zijn wij van plan een groote opruiming te houden
+onder het gepeupel, dat in Eastend weer de overhand krijgt en wij
+drieën kunnen daarbij, als hoofdpersonen, niet gemist worden”.
+
+„Zeer begrijpelijk!” sprak Lister.
+
+„Kapitein!” riep Marholm, verheugd naar de deur wijzende, „als men van
+den duivel spreekt... Daar komt de dokter juist!”
+
+„Gij komt als geroepen, Dr. Warrens”, begroette Baxter den
+binnentredende, „daar achter ligt uw patiënt, die u wel niet veel werk
+zal geven. Hij is zoo dood als een pier!”
+
+„Dood? Welk soort van dood?” vroeg de jonge dokter vol belangstelling.
+
+„Mijn beste dokter, het is een prachtig geval, zooals gij dat
+waarschijnlijk noemt, al zegt gij het ook niet, van verwurging”.
+
+„Wat? Verwurging? Wat gij zegt! Inderdaad, dat is prachtig! Een geluk,
+dat ik al het benoodigde bij mij heb! Waar is hij? Daar achter?”
+
+„Die grappenmaker van een dokter!” riep Baxter vroolijk uit, „net
+zooals ik zei! En neem mij nu niet kwalijk! Wij hebben namelijk nog
+zeer veel elders te doen. Het is al laat en men zal op ons wachten.
+
+„Dus veel genoegen met uw interessant geval! Maar een ding verzoek ik
+u, maak dat gevaarlijke sujet, den meest beruchten inbreker van geheel
+Engeland, bijgenaamd „Sloten-Bob”, niet weer levend.
+
+„Dat zou u weleens slecht kunnen bekomen en Scotland Yard is blij van
+dien kerel bevrijd te zijn.
+
+„Hier is het protocol. En als gij nog verdere inlichtingen wenscht, dan
+is hier—gij blijft immers nog een poosje, Mr. Shaw? Misschien stelt gij
+er belang in, de lijkschouwing van Dr. Warrens bij te wonen?—dus Mr.
+Shaw, die alles heeft gehoord. Hij zal u zeer zeker eventueele vragen
+gaarne beantwoorden!”
+
+„Zeer aangenaam, dokter”, sprak Lord Lister lachend, terwijl hij den
+dokter de hand reikte.
+
+„Als gij een assistent noodig hebt, ben ik gaarne tot uw dienst! Gij
+weet, dat wij Amerikanen veel practischer zijn dan andere menschen!”
+
+„Nu, Mr. Shaw, ik zou u misschien wel eens aan uw woord kunnen houden”,
+antwoordde de jonge dokter.
+
+„Ik wensch niet anders”, antwoordde Raffles vriendelijk.
+
+Reeds wilden de detectives met een groet heengaan, toen bij de deur
+luid geschrei werd vernomen.
+
+Marholm snelde vooruit en kwam terug met de mededeeling, dat de vrouw
+van „Sloten-Bob” met haar kind bij de deur stond en naar binnen wilde
+om haar man te zien. Of de agent haar wilde binnenlaten?
+
+Nog voordat Baxter had kunnen antwoorden, riep de dokter:
+
+„Ja zeker, dat komt prachtig uit. Laat haar maar binnenkomen. Ik wil
+namelijk een proef nemen en haar aanwezigheid daarbij is mij misschien
+van groot nut!”
+
+„Nu, als u het goed vindt, dokter, mij is het onverschillig. Dus
+Marholm, zeg haar, dat zij mag binnenkomen!”
+
+Een verloopen wijf met een uitdrukking van lafhartigheid op het magere,
+pokdalige gelaat, waar omheen grijze haarstrengen ongekamd fladderden,
+trad, in vuile lompen gehuld, met een ongeveer vijfjarig kind aan de
+hand, snikkend en weeklagend nader.
+
+„Daar achter ligt je man, die fijne vechtersbaas, gesnapt bij den
+inbraak en bij het leeghalen van de brandkast. Maar wees gedwee, je
+hebt te doen, wat mijnheer de dokter je beveelt!
+
+„Dus vaarwel, heeren! en veel succes!”
+
+Met die woorden verlieten de drie detectives de kantoorlokalen der
+firma Apsley en Co., waar een zoo geheimzinnige misdaad was gepleegd.
+
+Intusschen was dokter Warrens met zijn koffer nader gekomen en Lord
+Lister was hem in gespannen verwachting gevolgd naar den doode.
+
+Wat wilde de dokter nu doen?
+
+Toen de vrouw, die hen schuw was nageslopen, haar man daar zoo stijf en
+onbeweeglijk zag liggen, begon zij te snikken en te weeklagen en ook
+het kind begon hartverscheurend te huilen.
+
+„Goede vrouw”, zei de dokter, „ik begrijp uw verdriet en waardeer dat.
+Het strekt u tot eer en zelfs den doode daar! Maar ik kan mij nu niet
+laten storen, ik heb te werken! Maak u liever nuttig en kleed uw man
+uit.”
+
+De vrouw begon dit met trillende vingers te doen.
+
+De dokter ontdeed zich van zijn overjas en opende zijn koffer.
+
+„Ieder oogenblik is kostbaar! Een dergelijk gelukje heb ik nog niet
+gehad. Bij lijken met schotwonden is niets uit te richten! Door de
+kogels worden verschillende deelen gekwetst, die niet weer te
+herstellen zijn.
+
+„Bij natuurlijke sterfgevallen of bij verwurging zijn nog alle organen,
+in den regel ten minste, onaangeroerd, zoodat de proef, die ik wensch
+te nemen, belooft te zullen slagen of in elk geval mogelijk is!”
+
+De doode was nu met behulp van Lister en van den dokter door de vrouw
+ontkleed en de arts onderzocht de lichaamswarmte.
+
+„Dat treft bijzonder”, mompelde hij, zelf ontdaan. „De warmte is nog
+zeer aanmerkelijk!”
+
+Bij die woorden wierp hij een van de groote venstergordijnen over hem
+heen. Hij masseerde hem een weinig aan den hals en bracht daarna, nadat
+hij den mond had geopend, de door de verwurging naar voren gedrukte
+tong van den doode weder met groote handigheid op haar plaats.
+
+Hierdoor was het uiterlijk van den doode minder griezelig geworden.
+
+Nadat eenige gedeelten van den hals nogmaals gemasseerd waren, hadden
+de trekken de natuurlijke uitdrukking teruggekregen.
+
+„Welke proef hebt gij op het oog, dokter? Zeg het mij! Ik zal u
+krachtdadig helpen!”
+
+„Ziet gij, waarde heer Shaw. Mijn collega’s lachen erom en toch heb ik
+iets dergelijks al eenmaal bereikt.
+
+„Het is een feit, dat ik, al was het ook maar voor een paar seconden,
+iemand, die een paar uur geleden aan een ziekte was overleden, in het
+leven heb teruggeroepen. Ik verzamel hiervoor materiaal. Iemand, die
+gewurgd was, heb ik nog nooit machtig kunnen worden; van een dergelijk
+geval is nog meer succes te verwachten, omdat alle organen nog kort van
+te voren normaal waren.
+
+„Ik zal een schedelboring uitvoeren, aan de achterste oppervlakte van
+de bulbus, alsof ik een abces zou moeten verwijderen. Wij zullen hem
+sterk masseeren en verwarmen, ik giet hem deze druppels in, welke ik
+voor dit doel heb geprepareerd en ik voorspel u, dat hij bij drukking
+op den levensknoop der hersenen, al is het ook maar voor korten tijd,
+zal ontwaken!”
+
+„Dat zou verbazend zijn!” riep Lister uit. „Maar denkt gij, dat hij zou
+kunnen spreken, als hij tot bewustzijn komt?”
+
+„De mogelijkheid is niet uitgesloten, wanneer de indrukken, die op dit
+oogenblik op hem inwerken, sterk genoeg zijn om zich in hem vast te
+zetten en reactie op te wekken, d. w. z. een in zekeren zin
+onwillekeurige uitwerking te weeg brengen.”
+
+Lister dacht een oogenblik na.
+
+Daarop legde hij zijn hand op den arm van den dokter.
+
+„Mag ik een opmerking maken? Het zou van het grootste gewicht zijn voor
+de opheldering van deze geheimzinnige misdaad, als de doode kon
+spreken! Het komt mij voor, alsof alles in deze zaak niet geheel in den
+haak is!
+
+„Hoe zoudt gij het vinden, als wij den doode eerst terugbrachten in het
+privé kantoor van Mr. Apsley en hem zoo neerlegden, dat hij het
+allereerst de ledige brandkast ziet?”
+
+„Ik maak u mijn compliment, Mr. Shaw. Gij hebt groot gelijk! Ik heb de
+wetenschappelijke quaestie nog niet beschouwd in verband met de
+rechtszaak, dit moet ik tot mijn schande bekennen. Maar natuurlijk,
+alleen het zien van de plek der misdaad zal hem tot spreken kunnen
+brengen.”
+
+Zij begaven zich naar het vertrek, waar de brandkast stond, zetten daar
+eenige stoelen zoo neer, dat Sloten-Bob, als hij ontwaakte, de geopende
+brandkast vlak voor zich had.
+
+Daarop legden zij het lijk in de gewenschte houding.
+
+Mr. Shaw, of liever Lord Lister, ontstak een electrische gloeilamp, die
+zich dicht bij de brandkast bevond en doofde alle anderen uit. Hierna
+beval hij de arme vrouw om naast de brandkast te gaan staan en gaf haar
+een handvol goudstukken, waarnaar zij met begeerige blikken keek.
+
+„Kijk nu niet naar het geld, vrouw, maar let op!” sprak Lord Lister op
+dringenden toon. „Lukt het ons, je man in het leven terug te roepen en
+aan het spreken te krijgen, dan zijn de goudstukken voor jou!
+
+„Let je echter niet op en verhinder je onze poging door je
+onachtzaamheid, dan krijg je geen cent!”
+
+„O, ik zweer het u, Sir! Zeg mij maar, wat ik moet doen en wanneer ik
+moet beginnen.”
+
+„Wat je te doen hebt, is niet moeilijk! Je moet hem alleen maar de
+glinsterende goudstukken in je linkerhand laten zien. Begrijp je? En
+verder moet je niets anders roepen dan: Bob—Bob!—Wie?—Bob—wie?”
+
+„Uitstekend, Mr. Shaw!” sprak de dokter. „Ik wou, dat ik altijd zoo’n
+adsistent bij mij had! Gij hebt de zaak zoo eenvoudig gemaakt, dat hij
+het, als hij ook maar even tot bewustzijn komt, moet begrijpen. Nu heb
+ik alle hoop, dat de vermoorde ook zal spreken!”
+
+De vrouw staarde intusschen met een rilling naar het doen en laten der
+beide mannen in de donkere kamer, waarin alleen een gloeilichtje
+brandde.
+
+De dokter had intusschen uit zijn tasch een sleuteltje, chirurgische
+instrumenten en een rood fleschje genomen. Uit een andere flesch goot
+hij olie in een kom, welke hij naast zich plaatste. Daarop begon hij
+met de schedelboring, nadat hij het lijk voorover had gelegd. In deze
+houding hield Lord Lister den doode in zijn armen vast.
+
+Nadat de operatie was afgeloopen, legde hij het lijk weer achterover en
+beide heeren, Lister en de dokter, doopten hun vingers in de olie en
+begonnen met koortsachtigen ijver te masseeren, terwijl zij de
+gemasseerde plaatsen steeds zorgvuldig bedekten.
+
+Nu opende de dokter den mond van den doode en goot hem den inhoud van
+het roode fleschje in de keel. Daarop verzocht hij Lord Lister, snel en
+krachtig de armen van den gewurgde op en neer te bewegen. Nu ging Dr.
+Warrens achter den doode staan en riep:
+
+„Zeg, vrouw, kijk niet aldoor naar het goud, maar hierheen! Let op, of
+hij ontwaakt!”
+
+„Ja, ja, mijnheer de dokter, dat doe ik!”
+
+Zij boog zich voorover en staarde angstig in de doffe oogen van haar
+man, wachtende op het oogenblik, waarop hij weer zou opleven. Met de
+linkerhand hield zij hem het goud voor en wees naar de leege brandkast.
+
+De dokter richtte nu, met behulp van Lister, het hoofd van den doode op
+en wreef eenige minuten met kracht de slapen en de keel. Daarop drukte
+hij een oogenblik op den levensknoop der hersenen.
+
+Al had de dokter het ook van te voren voorspeld, toch was het
+griezelig, wat er nu in dit donkere vertrek midden in den nacht
+gebeurde.
+
+Men hoorde een benauwd gerochel, alsof met moeite de lucht in de ledige
+longen drong. De oogen van den gewurgden man openden zich al verder en
+verder met angstige uitdrukking en zelfs den onverschrokken Lord Lister
+liep een koude rilling over den rug.
+
+„Bob, Bob!” riep de vrouw rillend en bevend. „Bob—Bob—wie—wie?—Bob, zeg
+mij wie?”
+
+Vol geestdrift volgde de arts den gang der gebeurtenissen en vol
+spanning wachtte ook Lister op het antwoord van den gewurgde.
+
+En waarlijk, bewogen de lippen zich niet, alsof zij wilden spreken?
+Maar de inspanning was nog te groot, er werd geen geluid vernomen.
+
+En opnieuw riep de vrouw nog luider en vol ontzetting:
+
+„Bob, Bob, hoor je mij?—Wie, zeg toch wie?”
+
+Weer wees zij naar de brandkast en het electrische licht deed de
+goudstukken in haar hand fonkelen.
+
+En weer opende zich de mond van den vermoorde en zijn lippen trilden.
+
+Nog eenmaal vernam men het afschuwelijke gerochel en hierop volgde,
+onduidelijk, als een kreet van schrik en ontzetting: „Zelf!”
+
+Daarop keek hij met verbaasden blik om zich heen en vroeg:
+
+„Waar ben ik?”
+
+Een oogenblik later zakte hij weer in elkaar.
+
+De dokter had zich over hem heengebogen en keek hem in de oogen.
+
+„Het is voorbij!” sprak hij. „De oogen zijn reeds weer verglaasd, de
+mond is gesloten. De ademhaling heeft opgehouden. Alle andere moeite is
+nu tevergeefs! Maar de werking was zeer sterk, al heeft hij ook niet
+gesproken.”
+
+„Ongetwijfeld!” antwoordde Lister peinzend.
+
+Had hij zich vergist?
+
+Was het alleen de emotie van het oogenblik geweest, die hem dat „zelf”
+had doen hooren, terwijl de ervaren geneesheer slechts een
+onverstaanbaar geluid had vernomen?
+
+Als het echter werkelijk het woord „zelf” was geweest, op wien had het
+dan betrekking?
+
+Bedoelde hij zichzelf? Hoogstwaarschijnlijk!
+
+Misschien was op dit uiterste oogenblik in deze verdorven
+misdadigersziel een eigenaardige trots op de door hem volbrachte daad
+opgekomen.
+
+Hij, de behendige dief en inbreker, die ook volgens Baxter’s beweren
+zijns gelijken tevergeefs zocht, was het geweest, die dezen rijken en
+vermoedelijk onbarmhartigen reeder alles had ontstolen.
+
+Wie kon in de ziel lezen van zulk een misdadiger!
+
+Of zou dat „zelf” op iemand anders slaan? Op een misdadiger, die het
+nog verder had gebracht in de kunst van stelen?— — —
+
+Terwijl Lord Lister op deze wijze zijn hersens pijnigde over de
+beteekenis van dit eene woordje, dat hij uit den mond van den
+overledene meende te hebben gehoord, was de havelooze vrouw van den
+misdadiger, aan wier rok zich het verwaarloosde kleine meisje
+vastklemde, voor hem gaan staan, terwijl zij hem met schuwen blik de
+handvol goudstukken voorhield.
+
+Zij durfde niets vragen, daar volgens haar meening niet aan de
+voorwaarde, door den rijken heer gesteld, was voldaan.
+
+„Dus ook zij heeft niets gehoord! Zou ik mij dan toch vergist hebben?
+Was het misschien mijn groote verbeeldingskracht, die mij het sissende
+geluid als het woordje „zelf” deed verstaan?” dacht Lister.
+
+„Als gij mij wilt beloven, dat gij u hiervoor het allereerst kleeren en
+voedsel zult koopen, moogt gij het geld behouden!”
+
+„Al dit goud voor mij?” stamelde de arme vrouw met ongeloovigen en
+schuwen blik.
+
+„O, men zal mij niet gelooven! Men zal mij in de gevangenis opsluiten,
+als men zooveel goud bij mij vindt en het kind zal van honger omkomen!”
+
+„Zij heeft gelijk, Mr. Shaw”, sprak de geneesheer. „Geef haar liever
+zilver, goud kan haar slechts verdacht maken.
+
+„En het is ook veel te veel! Wat denkt gij, Mr. Shaw? Wij zijn hier
+niet in Amerika!”
+
+„Nonsens!” antwoordde met echt Amerikaansche onverschilligheid de
+Yankee. „Geef niet alles tegelijk uit en spaar iets voor later.”
+
+Daarop nam hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en schreef er
+met zijn vulpen aan de achterzijde eenige regels op, vermeldende, dat
+Mrs. Cogwell, dit was de eigenlijke naam van den vermoorden Sloten-Bob,
+tien sovereigns eerlijk had verdiend.
+
+Hij onderteekende het en ook de dokter zette er als getuige zijn naam
+onder.
+
+„Hier, vrouw! Als iemand u wantrouwt en u wil ondervragen, toon dan dit
+kaartje. Bewaar het goed.
+
+„En als gij voor u en het kind eenvoudige, warme kleeren hebt gekocht,
+als gij gewasschen en gekamd zijt, kom dan aan het opgegeven adres aan
+mijn villa, in het Westeinde. Begrijpt gij?
+
+„Dan zullen wij verder zien”.
+
+De arme vrouw staarde nog steeds ongeloovig naar al de goudstukken in
+haar handen en twee dikke tranen rolden langs haar magere wangen.
+Aarzelend deed zij het geld en het kaartje in haar zak, alsof zij een
+misdaad pleegde.
+
+Daarop wilde zij Lister’s hand kussen. Maar Lister, die als vrije
+Engelschman dergelijke betuigingen van onderworpenheid haatte, duwde
+haar zacht weg en sprak:
+
+„Goed, goed, vrouwtje. Als gij uw dankbaarheid wilt betuigen, doe dan
+wat ik u zeg. Geen sterken drank! Koopt er eten en drinken en kleeren
+en dekens voor! Daarna kunt gij u bij mij vervoegen!”
+
+„Ja, ja, mylord, de Hemel zegene u! Gij meent het goed! Ik zal alles
+doen! Ach, dat mijn arme Bob dit nog had beleefd! Hij had zulk goed
+werk bij een rijk heer en nu is hij dood!
+
+„Bob was niet slecht, mijnheer, naar hij kon helaas den borrel niet
+nalaten! Gij hebt gelijk mijnheer! De brandewijn is het verderf der
+armen!”
+
+Bij die woorden maakte zij aanstalten om heen te gaan.
+
+„Wacht eens even!” riep Lister. „Hij had werk bij een rijk heer, zegt
+gij? Heeft hij u ook verteld, hoe die heer heette?”
+
+„Neen, mijnheer, dat weet ik niet! Bob zei alleen nog: het is eerlijk
+werk, Kate, en het wordt goed betaald. En toen vertelde hij mij nog—en
+hij was goed nuchter—dat de rijke heer hem werk voor altijd had
+beloofd, als hij zijn taak dezen keer goed volbracht.
+
+„Verder niets en o, ik was zoo blij!”
+
+Lister schudde het hoofd.
+
+Hierdoor kwam hij niet verder.
+
+„Dus het blijft bij hetgeen wij hebben afgesproken. Ik merk wel, dat
+gij ook niets verder weet!”
+
+De vrouw groette, nam haar kind bij de hand en ging heen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+CHARLY’S ONTDEKKING IN EEN ELEGANTE HEERENWONING.
+
+
+Toen Lord Lister op vriendschappelijke wijze bij de deur van het
+reederskantoor afscheid had genomen van dr. Warrens, kwam tot zijn
+verbazing Charly op hem toe, nu in de vermomming van een Amerikaan.
+
+„Hier staat onze auto, oom!” sprak hij gevat.
+
+Nauwelijks hadden zij plaats genomen in de zachte kussens van het
+onmiddellijk wegsnellende voertuig, of Charly vertelde den uitslag van
+zijn navorschingen.
+
+„Zonder de deur uit het oog te verliezen, heb ik deze auto genomen, en
+vanuit het raampje naar den ingang gekeken. Ik beloofde den chauffeur
+den dubbelen prijs en een groote fooi, als hij ongemerkt twee heeren
+zou volgen, die weldra uit het kantoor zouden komen, waar de inbraak
+had plaats gehad.
+
+„Daar ik als kruier was gekleed, betaalde ik de gewone vracht vooruit.
+
+„Wij letten dus nauwkeurig op en het duurde niet lang of de beide
+heeren kwamen uit de huisdeur naar buiten.
+
+„Ik had natuurlijk niet de voorste auto genomen, maar de derde. De
+beide heeren namen de eerste en reden weg.
+
+„Ik volgde in dolle vaart. In een der deftigste straten in het
+Westeinde lieten zij halt houden en stapten beiden uit.
+
+„Zij gingen een eind te voet, nadat zij hun auto hadden weggezonden en
+ik sloop hen na aan de andere zijde der straat.
+
+„Toen ik hen een deftig huis zag binnengaan, waarvan de deur door den
+jongen heer werd opengesloten, bleef ik voor een kunsthandel aan den
+overkant staan en wachtte of er iets te zien zou zijn, dan wel of zij
+er weer uit zouden komen.
+
+„Misschien wilde de oude heer gaan uitrusten of zich verkleeden. Ik
+stak juist mijn tabakspijp aan, toen ik zag, dat op de tweede
+verdieping plotseling twee vensters werden verlicht. Voordat de
+jalouzieën neergelaten werden, meende ik, den slanken jongen heer
+Apsley aan het raam te hebben herkend.
+
+„Het duurde echter niet lang of deze kwam er weer uit, riep een leeg
+rijtuig aan en noemde bij het instappen de Heerenclub.
+
+„Daar ik dit adres kende en veronderstelde, dat hij er vrij lang zou
+blijven, volgde ik hem niet, maar wachtte, of misschien de oude heer
+ook nog niet zou gaan.”
+
+„Uitstekend!” sprak de Lord. „En werd je geduld beloond?”
+
+„Zeker! Er waren nauwelijks tien minuten verloopen, toen ik de deur
+weer open zag gaan en, met een zeer elegante overjas en cylinder, een
+fijne havanna in den mond, kwam de oude heer naar buiten. Hij zag er nu
+veel jonger en zeer vergenoegd uit.
+
+„Hij begaf zich met veerkrachtigen tred, als een jonge man, naar de
+Square, waar bij het kruispunt van de Nelson en Campbellstreet een
+aantal auto’s van de Daimler-Company gestationeerd zijn. Maar ik hoorde
+helaas niet, welk adres hij zijn chauffeur opgaf.”
+
+„En waarheen rijden wij nu?” vroeg Lister glimlachend.
+
+„Nu, ik dacht, dat gij misschien de woning in de Campbellstreet,
+waarheen de heeren Apsley zich begaven, wel eens wildet zien.”
+
+„Je hebt mijn bedoeling uitstekend geraden, lieve neef Robert. Maar ik
+word niet gedreven door gewone nieuwsgierigheid.
+
+„In de eerste plaats kost die inbraakgeschiedenis, die zoo ongehoord
+brutaal is, mij veel hoofdbreken. Ik kan er nog niet achter komen, wie
+hier de hand in het spel heeft.
+
+„Misschien vind ik in het logies van den reeder, die mij niet
+betrouwbaar voorkomt, de een of andere vingerwijzing, misschien ook
+niet!
+
+„Verder is een brave jonge man, de ingenieur der firma, die zijn chef
+gewichtige ontwerpen ter veilige bewaring in diens brandkast heeft
+toevertrouwd, bij deze zaak betrokken, misschien voor zijn verdere
+leven ongelukkig gemaakt.
+
+„Ik vermoed dat Mr. Apsley, die met zijn ervaring op het gebied der
+scheepbouwkunde, de genialiteit van dit ontwerp heeft ingezien, het
+stuk heeft verduisterd en dat deze inbraak hem in zooverre zeer gelegen
+kwam, omdat hem nu de mogelijkheid werd geopend, de verduistering van
+het ontwerp te maskeeren!”
+
+„Zoo’n schurk!” riep Charly vol eerlijke verontwaardiging. „En ik had
+nogal zoo’n medelijden met hem wegens zijn groot verlies en verbaasde
+er mij daarom over, dat hij zoo welgemoed uit het huis kwam.”
+
+„Nu, het is voorloopig ook alleen een vermoeden van mij. Ik kan mij
+vergissen en zou niet gaarne iemand onrecht willen aandoen.”
+
+„Als het ontwerp ook juist nu is verdwenen, dan komt mij dat zeer
+verdacht voor. Je zult wel gelijk hebben met je veronderstelling. Dat
+was de reden van zijn goede luim!”
+
+„Het zou prachtig zijn, als wij het ontwerp vonden. Morgen moeten de
+stukken namelijk zijn ingediend. Wat des middags om 12 uur niet
+aanwezig is, blijft buiten mededinging.
+
+„De hoop van den jongen man om een prijs te behalen, is niet zonder
+grond. Dit ontwerp moet geheel nieuwe ideeën bevatten.
+
+„Burton is verloofd en zou gelukkig worden als hij zegeviert, waaraan
+niet te twijfelen viel! Juist het verdwijnen van het ontwerp sterkt mij
+in mijn overtuiging, dat het een voortreffelijk stuk werk is.
+
+„Het is echter mogelijk, dat wij Mr. Apsley groot onrecht doen. Ik heb
+al gedacht, of hier niet een concurrent, die eveneens mededingt naar
+den prijs en die Burton’s genie vreest, op deze wijze Burton heeft
+buitengesloten.
+
+„Maar die zou zich niet vergrepen hebben aan het geld van de firma
+Apsley, al is het ook waar, dat de gelegenheid den dief maakt.
+
+„Ook kan het een concurreerende firma van Mr. Apsley zijn geweest,
+welke vreesde, dat de firma Apsley, als chef van den ingenieur Burton,
+wanneer deze laatste den prijs behaalde, ook in de eerste plaats in
+aanmerking zou komen om uitvoering te geven aan de plannen van den
+uitvinder.
+
+„Men kon het ontwerp laten verdwijnen en maakte meteen de firma
+tijdelijk onschadelijk, door de 50.000 pond te verduisteren.
+
+„Misschien komt Mr. Burton’s ontwerp weer te voorschijn als het werk
+van een ander. Ik zie de zaak nog niet duidelijk in. Er zijn hier veel
+verklaringen te geven!”
+
+Onder het uiten van deze veronderstellingen waren de beide vrienden in
+de Campbellstreet aangekomen en lieten de auto stilhouden. Charly
+betaalde het overeengekomen bedrag en liet den chauffeur met het
+voertuig wegrijden, daar in de nabijheid wel weer een auto te krijgen
+was.
+
+Charly had het huisnummer goed genoteerd en met den looper van den
+Grooten Onbekende opende deze geruischloos de zware huisdeur.
+
+Zij klommen de met rijke loopers belegde, prachtige trappen op naar de
+tweede verdieping en Charly, die nauwkeurig had opgelet, wees op een
+hooge deur, die zich bevond tusschen de ingangen naar twee
+huurwoningen. Die deur gaf toegang naar de kamer met de beide vensters
+aan de voorzijde, die hij verlicht had gezien.
+
+Met verbazing las Lister op een visitekaartje boven een brievenbus:
+„Mr. John Morris”.
+
+„In elk geval zullen wij de kamer onderzoeken. De naam doet er
+eigenlijk niets toe!” meende Charly, terwijl hij aan het sleutelgat
+luisterde.
+
+„Daar binnen is niemand”, sprak hij daarop.
+
+„Laat ons dan beginnen”, vond Lister. Zijn steeksleutel paste ook hier
+en voorzichtig opende hij de deur.
+
+Alles was donker.
+
+Charly streek waslucifers aan en ontdekte het draaiknopje van het
+electrische licht. Hij ontstak een der gloeilampjes aan de kroon en
+keek om zich heen.
+
+Op hetzelfde oogenblik riep Lister met halfluide stem:
+
+„Hoera! Het klopt! De naam Morris is slechts een aangenomen naam. Een
+der beide heeren Apsley, en wel naar ik vermoed de oudste, bedient zich
+van deze vrijgezellenkamer onder een valschen naam.
+
+„Daar ligt namelijk de vernielde jas op den stoel en op tafel het
+gescheurde boordje, de das en de slappe vilthoed, dien Mr. Apsley
+droeg, toen hij het kantoor verliet.”
+
+Bij het doorsnuffelen van de jaszakken vielen Charly ten overvloede nog
+eenige brieven in handen aan het adres van Mr. Apsley Senior, zoodat nu
+geen twijfel meer mogelijk was.
+
+In de elegante woonkamer werden alle laden en kasten, vooral de inhoud
+van het cylinderbureau, nauwkeurig onderzocht. Ook hierbij deed weer
+Lister’s overal passende sleutel uitstekend dienst.
+
+Alle moeite was echter vergeefs.
+
+Lister onderzocht zelfs de hooge rugleuning van de sofa, de muren en
+het buffet, maar geen geheime schuilplaats werd gevonden.
+
+„Nu naar de slaapkamer”, sprak Lister, over den drempel stappend.
+
+Ook hier werd een der electrische lampen opgedraaid en tegelijkertijd
+deed Charly het licht in de woonkamer uit.
+
+Doch ook hier in de tamelijk leege kleerkast, in de laden van de
+waschtafel, zelfs in het nachtkastje, ja, onder de bedden en kussens
+werd niets gevonden.
+
+Plotseling bleef hij voor een tafel met een toiletspiegel staan. Hij
+zette den spiegel eraf en voelde over de moiré-achtige, roode
+bekleeding, waarop zich op gelijke afstanden bladornamenten bevonden.
+
+Hij had zich niet vergist.
+
+Het blad, waarover zijn vinger onderzoekend was heengegleden, bevond
+zich op eenigen afstand van den vloer en was beweegbaar. Toen hij het
+op zij schoof, kwam een sleutelgat te voorschijn.
+
+„Charly!” riep Lister met gesmoorde stem, „de schuilplaats!”
+
+Charly kwam op de teenen toegesneld.
+
+„Drommels, jij weet alles te vinden!” fluisterde hij vol bewondering.
+
+Lister had zijn looper reeds in het sleutelgat gestoken en de zoo
+zorgvuldig verborgen deur van een muurkast bewoog zich geruischloos in
+haar scharnieren.
+
+Toen de kast zich voor hun oogen had geopend, stonden Lister en Charly
+stom van verbazing!
+
+Het was wel niet het ontwerp van den ingenieur dat zij voor zich zagen,
+maar voor hen lag de som geld, die door Raffles zou zijn gestolen, de
+50,000 pond sterling, meer dan een half millioen aan Hollandsch geld,
+in zakken, rollen, banknoten en credietbrieven.
+
+Zooals een nader onderzoek, dat Lord Lister later instelde, bewees, was
+het volle bedrag nog bij elkaar.
+
+Raffles keek vol verbazing Charly aan, die sprakeloos naast hem stond.
+Daarop sprak Lister hoofdschuddend:
+
+„Op deze toch zoo voor de hand liggende mogelijkheid was
+ik—waarschijnlijk uit achting voor het menschelijk karakter—niet
+gekomen!
+
+„Dwaas die ik ben, de gewurgde man heeft het mij, toen hij een
+oogenblik tot bewustzijn kwam, duidelijk gemaakt!
+
+„Hij bedoelde met het woordje „zelf”, dat zelfs de dokter niet, maar ik
+wel heb verstaan, niet zichzelf, maar hemzelf, den ouden reeder, zijn
+lastgever en—moordenaar!
+
+„De vijftigduizend pond waren hier reeds in veiligheid, toen de
+inbreker van beroep, om de zaak geloofwaardig te maken, de brandkast
+moest opensmelten met het moderne knalgas-blaastoestel.
+
+„Om den man onschadelijk te maken, misschien ook om den inbraak
+geloofwaardiger te doen schijnen, hebben de beide heeren Apsley te
+zamen den inbreker met het daartoe gereedliggende koord gewurgd.
+
+„De voorname, rijke heer, waarvan Bob heeft gesproken, was de reeder.
+Het eerlijke werk was de opdracht van den eigenaar, om de brandkast te
+openen. Wie weet, welke redenen men hem daarvoor had opgegeven.
+
+„Daarvoor had Apsley beloofd, hem doorloopend werk te geven. In zekeren
+zin, maar op afschuwelijke wijze, heeft hij die belofte ook gehouden!”
+
+Lister rilde en Charly was bleek geworden, toen hem de groote
+verdorvenheid van dezen rijkaard uit Lister’s woorden duidelijk werd.
+
+„Deze man, van wien men alles kan verwachten, heeft ook het ontwerp van
+den ingenieur in zijn bezit. Daaraan valt in ’t geheel niet te
+twijfelen. Maar hij draagt het, omdat het zoo kostbaar is, misschien
+bij zich!
+
+„En nu geloof ik stellig, dat die geheele gefingeerde inbraak, ja,
+zelfs de koelbloedige moord op dien beklagenswaardigen Bob, die juist
+bezig was, zich weer aan eerlijken arbeid te wijden, enkel en alleen
+het middel was om het verdwijnen van het ontwerp voor het bouwen van
+een onderzeesche boot geloofwaardig te maken!
+
+„Wij moeten ook dat ontwerp nog vinden, al zou ik het dezen onmensch
+ook met geweld moeten afhandig maken!”
+
+Lister knarste met de tanden en zijn oogen fonkelden van toorn en
+verontwaardiging.
+
+„Ik wil hem straffen met de straf, die hem het hardst zal treffen.
+
+„De rijke man zal tot bedelaar worden! Ik wil zien, of hij het zal
+dragen met de kracht en waardigheid, waarmede mijn vader het droeg,
+waarmede ik het heb gedragen, toen verdorven bloedverwanten ons erfdeel
+roofden!
+
+„Ik, Raffles, veroordeel u, beide heeren Apsley, onwaardige schurken,
+om voortaan tot de bedelaars te behooren! Maar niet tot die, welke met
+een rein geweten en vroolijke blijmoedigheid hun eerlijke armoede
+dragen, neen, tot de bedelaars, die geen rust kunnen vinden, omdat hun
+hartstochten en hun geweten, omdat de gedachte aan alle schatten, die
+zij hebben verloren, hun geen rust gunt!
+
+„Bedelaars—bedelaars, opdat gij in al uw ellende en minderwaardigheid
+bekend zult worden!”
+
+Lord Lister streek zich met een zucht over het bleeke gelaat, waarop
+diepe ontroering te lezen stond.
+
+„Ik begrijp niet wat mij opeens zoo overweldigde! Maar deze slechtheid
+grenst ook aan het ongelooflijke.
+
+„En nu aan het werk, Charly! Luister naar hetgeen je moet doen! Neem
+een auto aan de Square, betaal drie- of vierdubbele vracht, maar vlieg,
+opdat je terug bent, voordat de schurken terug komen.
+
+„Rijd naar onze villa en haal in de tasch de valsche banknoten hier!
+
+„Zoo snel als je kunt! Ik blijf hier. Zij zullen niet zoo gauw komen!
+
+„De jonge Apsley kan niet zoo gauw afscheid nemen van het spel in de
+Club en als de oude onmensch komt, terwijl ik hier ben, dan zal hij een
+onaangenaam kwartiertje beleven!”
+
+Charly nam vol geestdrift zijn bevelen in ontvangst en snelde heen.
+
+Lord Lister nam op de sofa plaats, legde zijn kleine revolver voor zich
+op tafel en stak, om zichzelf eenigszins te kalmeeren, een sigaret aan.
+
+In diepe gedachten zat hij daar en was zeer verbaasd, toen Charly reeds
+binnen zeer korten tijd met de groote tasch terug kwam.
+
+Dezen keer echter was zij vol en zwaar, want zij bevatte alle
+banknoten, die den schilder waren ontnomen.
+
+Lister stak zijn revolver in den zak en stond op.
+
+„Je auto moet wel haast gevlogen hebben”, sprak hij.
+
+„Dat geloof ik bij driedubbelen prijs!” antwoordde Charly.
+
+Na een vluchtige schets te hebben gemaakt van de indeeling der kast,
+waarbij hij noteerde, welke geld- en bankpapiersoorten elk vak bevatte,
+nam nu Lister met behulp van Charly de valsche banknoten uit de
+reistasch en legde ze, naar de waarde verdeeld, op de toilettafel.
+
+Daarop eerst nam hij de zakken en rollen goudstukken en de
+verschillende stapels bankpapier uit den schuilhoek en borg alles in de
+tasch: 50,000 pond sterling!
+
+Nu verdeelde Lister de valsche bankbiljetten in de vakjes van de kast
+ongeveer zoo, als het echte geld daarin had gelegen.
+
+Overal waar zooeven nog het geld had gelegen, bevonden zich nu de
+daarmee in waarde overeenkomende valsche banknoten.
+
+Een nauwkeurig onderzoek kon deze verandering natuurlijk niet
+doorstaan, des te minder, omdat de zakken en rollen ontbraken, maar bij
+oppervlakkige beschouwing zou men de verwisseling van het geld in het
+geheel niet hebben waargenomen.
+
+Hierna sloot Lister voorzichtig de kastdeur en schoof het blad weer
+voor het slot.
+
+Ook den toiletspiegel zette hij precies weer op de oude plaats.
+
+Hij draaide het electrische licht uit en beiden gingen de woonkamer
+binnen.
+
+Alles was daar nog zooals zij het hadden aangetroffen en zij
+overtuigden zich ervan, dat zij niets hadden achter gelaten, wat hun
+aanwezigheid zou kunnen verraden.
+
+Zij gingen nu zoo zacht mogelijk de kamer uit en begaven zich naar het
+trappenhuis. Daar heerschte duisternis en stilte.
+
+Onhoorbaar sloot Lord Lister de deur achter zich af.
+
+Hij had juist het handvat van de tasch mee beetgepakt, om Charly bij
+het dragen van het zware voorwerp behulpzaam te zijn, toen hij staan
+bleef. Zijn scherpe ooren hadden het geluid gehoord van een
+huissleutel, die in het slot werd gestoken.
+
+„Halt, Charly,” fluisterde hij. „Het is mogelijk, dat de persoon, die
+daar komt, in een der andere woningen moet zijn.”
+
+Maar de schreden naderden de trap en tegelijkertijd werden ook twee
+stemmen vernomen, een zwaardere mannenstem en een vrouwelijke.
+
+„Zij komen naar boven,” fluisterde Charly, die zich voorzichtig
+voorovergebogen had. „Hij strijkt een lucifer aan. Het is de oude
+Apsley!”
+
+„Dan voorzichtig een trap hooger gegaan, Charly,” sprak Lister zacht en
+met groote kalmte.
+
+Zij namen onhoorbaar de tasch op en slopen op de teenen naar de
+volgende trap. Een paar treden in de hoogte zetten zij de tasch neer en
+luisterden.
+
+En zij hoorden het volgende stichtelijke gesprek:
+
+„Hoeveel geef je mij, oudje, zeg eens?”
+
+„Daar zullen wij binnen over spreken, bij sherry en gebak.”
+
+„Nu, ook goed! Ik heb zoo’n afschuwelijken honger, oudje. Krijg ik een
+sovereign? Nietwaar? Je bent een nobele jongen, ik krijg er een?”
+
+De reeder lachte.
+
+„Als je je eischen niet hooger stelt, met genoegen! En als je heel lief
+bent, misschien zelfs wel twee!”
+
+„O, mijn lieve ouwetje! Daarvoor heb ik je hartstochtelijk lief!”
+
+Zij moest hem wel omhelsd en gekust hebben, want de heer Apsley sprak
+lachend:
+
+„Mijn hemel, wat een liefdesvuur voor twee sovereigns! Laat mij ten
+minste de deur eerst opensluiten, vleistertje!”
+
+En hij opende de deur, zoodat de weer dichtvallende deur den beiden
+luisteraars belette, nog iets van het gesprek te hooren. Zij hoorden
+alleen nog, hoe de respectabele oude heer zich met de straatdame, die
+hij ergens had opgepikt, in de kamer opsloot.
+
+Toen Lister en Charly de straat hadden bereikt, namen zij op de
+dichtstbijzijnde standplaats een auto, waarin Charly met de tasch
+plaats nam, terwijl Raffles zich naar de Heerenclub liet rijden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+AANGENAAME VERWACHTING EN ONAANGENAME VERRASSING.
+
+
+Toen de reeder zijn kamer met zijn gezellin was binnengegaan, draaide
+hij twee lichten der electrische kroon aan en sprak lachend:
+
+„Nu, maak het je gemakkelijk, kleintje. Hoe heet je eigenlijk?”
+
+„Ik ben je Claire, oudje! Maar drommels, hier is het piekfijn! Wat moet
+je rijk zijn! Ik mag je hier wel dikwijls bezoeken, nietwaar?”
+
+Mr. Apsley lachte hartelijk.
+
+„Een flinke vrouw ben je! Je neemt als een handig handelsreiziger elke
+gelegenheid te baat om vaste klanten te krijgen!”
+
+Claire lachte mee en ontdeed zich om te beginnen van haar reusachtigen,
+modernen hoed, die van buiten grijs en van binnen rood was. Daarop trok
+zij ongegeneerd haar grijze blouse uit en ging met bloote armen in een
+hoek van de sofa zitten.
+
+Ook de reeder maakte het zich gemakkelijk. Hij trok overjas, gekleede
+jas en gesteven vest uit en legde zijn gouden horloge met zwaren
+ketting op zijn schrijftafel.
+
+Toen bracht hij zijn kleeren naar de slaapkamer en kwam eenige
+oogenblikken later in een gemakkelijk fluweelen huisjasje weer te
+voorschijn.
+
+Ook de nette laarzen trok hij uit en deed fijne viltpantoffels aan.
+
+„Zoo, mijn lief, blond poesje, nu is het veel behaaglijker!”
+
+„Maar je hebt mij beloofd, mij wat te eten te zullen geven, oudje; ik
+heb zoo’n ontzettenden honger!”
+
+„Zeer juist opgemerkt”, antwoordde de reeder. „Overal gaat de honger
+voor de liefde. Dat is een natuurwet, zoolang de wereld bestaat! Nu,
+wij zullen eens zien, wat er is!”
+
+Apsley senior ging naar het buffet en opende de bovenste kast ervan.
+
+„Wacht, daar is nog zalm!” sprak hij.
+
+„Ach ja, zalm, heerlijk! heerlijk!” riep het meisje verrukt uit.
+
+De reeder zette een nog vrij groot stuk zalm, boter, wittebrood en
+gebak op tafel en nam uit een ander kastje van het buffet een pas
+aangebroken flesch sherry en twee glazen.
+
+„Nu, eet en drink zooveel je lust, hongerig schepseltje! Zoo, wensch je
+ook een mes en vork?”
+
+Hij opende een lade en gaf Claire het benoodigde. Daarop schonk hij de
+glazen vol en stiet met haar aan. Zij dronk gretig.
+
+„Hè! Zoo iets lekkers heb ik in langen tijd niet gedronken!”
+
+Daarop wijdde zij zich met alle aandacht aan de zalm en het brood en
+gaf tot groot vermaak van den reeder uiting aan haar aangename
+gewaarwordingen door onverstaanbare geluiden.
+
+De oude Apsley, die waarschijnlijk ergens anders had gesoupeerd, stond
+haar gewillig het geheele stuk zalm af. Hij dronk zijn sherry en nam er
+een stuk taart bij.
+
+Nadat de zalm en verschillende boterhammen waren verorberd, begon het
+jonge meisje met grooten ijver van het gebak te eten, dat als sneeuw
+voor de zon verdween.
+
+Eindelijk scheen de honger gestild te zijn. Met een zucht van
+voldoening leunde zij in den stoel achterover.
+
+„Ach, dat heeft goed gesmaakt! Zooiets goeds krijgt iemand van ons slag
+niet elken dag. O, ik zal altijd graag bij je komen! Ik zal je mijn
+adres geven en zoodra je mij schrijft, kom ik!”
+
+„Dat kunnen wij doen!” vond de reeder met een vroolijk glimlachje.
+„Meisje, jij bevalt mij! Kom, geef mij een kus!”
+
+„Voor zulk heerlijk eten en twee sovereigns zooveel als je wilt!”
+
+Zij vlijde zich tegen den reeder aan, die intusschen naast haar op de
+sofa had plaats genomen en kuste hem vol vuur.
+
+„Zoo, mijn beste! O, ik heb je zoo lief en je zult tevreden over mij
+zijn! Maar geef mij nu eerst de twee sovereigns, die je mij hebt
+beloofd. Daaraan wil ik zien, oudje, of je evenveel van mij houdt als
+ik van jou!”
+
+Mr. Apsley lachte.
+
+„Drommels! In jouw aderen vloeit het echte Engelsche handelsbloed.
+Jammer, dat je geen man bent! Met jouw handelsgeest zou het je als
+koopman goed zijn gegaan!
+
+„Zelfs in het vuur van de heetste liefde denk je aan geld! Dat is
+bewonderenswaardig!
+
+„Maar, stel je gerust, je hebt het dezen keer gelukkig getroffen! Ik
+ben in zulk een tevreden stemming, dat ik eens nobel wil zijn. Ik zal
+je, als je heel lief wilt zijn, een biljet van vijf pond geven.”
+
+„Hoeveel?” vroeg het meisje aangenaam verrast. „Dat geloof ik niet,
+oudje! Zoo zullen de biljetten van vijf pond je wel niet op den rug
+groeien! Kom, geef dan hier, dan zal je mij morgen zelf moeten
+bekennen, dat je je nog nooit zoo goed geamuseerd hebt als met mij!”
+
+„Mooi!” antwoordde Mr. Apsley en deed, alsof hij iets uit den zak van
+zijn fluweelen jasje wilde halen. Dit onnoozele meisje behoefde niet te
+weten, dat hij het biljet uit de muurkast ging halen.
+
+„Ach ja”, sprak hij daarop, „het is waar, ik heb mijn kleeren in de
+kast gehangen! Wacht even.”
+
+De reeder ging naar zijn slaapkamer, tastte in het donker naar het
+afsluitblad, haalde zijn sleutelbos te voorschijn uit den broekzak en
+opende de kast. Hij greep in het vak, waarin de banknoten van vijf pond
+lagen en nam daar een uit. Daarop sloot hij de kast weer en kwam in de
+woonkamer terug.
+
+„Hier, ongeloovige Thomas, daar heb je het bankbiljet!”
+
+Hij wierp een vluchtigen blik op het biljet en gaf het aan het meisje.
+
+„Ben je nu tevreden, kind?”
+
+Hij nam weer naast haar plaats en legde zijn arm om haar middel, in het
+bewustzijn, daar nu het volste recht op te hebben.
+
+Maar zoo hij het meisje eenige oogenblikken wegens haar handelsgeest
+had bespot, hij zou nu gewaar worden, dat zij werkelijk een koopvrouw
+was.
+
+Waarschijnlijk had zij in haar leven reeds minder aangename ervaringen
+opgedaan met valsch geld, in elk geval, zij stak het bankbiljet niet,
+zooals misschien zooveel vrouwen van haar soort gedaan zouden hebben,
+onmiddellijk in haar zak, maar zij onderzocht het biljet van vijf pond
+lang en nauwkeurig.
+
+Apsley keek met een spotlachje naar haar.
+
+„Alsof zij er verstand van had!” dacht hij.
+
+Na eenige minuten echter gaf zij hem het biljet terug en sprak vol
+minachting:
+
+„Nee, oudje, daar vlieg ik niet in. Voor zoo dom moet je mij niet
+aanzien! Dit biljet is valsch!”
+
+De reeder lachte luidkeels.
+
+„Waaraan zie je dat?”
+
+Maar onwillekeurig bekeek ook hij het biljet met aandacht.
+
+„Het is in elk geval fonkelnieuw en......... Mijn hemel! Maar het is
+werkelijk valsch! Het is het goede papier niet! Het watermerk
+ontbreekt!”
+
+Het gelaat van Mr. Apsley werd donkerrood, hij snelde letterlijk naar
+de slaapkamer, woedend, dat men hem een valsch bankbiljet in de handen
+had gestopt.
+
+Snel draaide hij het electrische licht op en opende zijn geheime kast,
+want hij was bang, dat zich onder zijn geld nog meer onechte biljetten
+konden bevinden.
+
+Hij keek in de kast en zijn knieën knikten.
+
+Wat hem in donker zooeven niet was opgevallen, zag hij nu op den
+eersten blik.
+
+De zakken en rollen met de goudstukken ontbraken. Hoe hij ook zocht en
+de pakketten papiergeld optilde en opzij zette, hij vond ze niet terug,
+zij waren verdwenen.
+
+Nu maakte een onuitsprekelijke angst zich van hem meester en eerst nu
+kwam de gedachte in hem op, dat ook de andere biljetten weleens valsch
+konden zijn.
+
+Hij moest zich aan de waschtafel en aan de deur van de kast vasthouden
+om niet neer te vallen.
+
+Met sidderende hand onderzocht hij het eene biljet na het andere en
+wierp ze woedend in de vakjes, waaruit de goudstukken waren verdwenen.
+
+Eindelijk bekeek hij de biljetten ter waarde van vijftig pond.
+
+„Alles valsch! Alles valsch!” kermde hij. Zijn krachten begaven hem,
+zijn knieën knikten en machteloos zonk de reeder, die zooeven nog zoo
+levenslustig was geweest, op den grond neer.
+
+Hij kon niet meer denken en drukte beide handen tegen zijn gloeiend
+voorhoofd.
+
+Het meisje, dat op de sofa in de zitkamer nog steeds zat te wachten,
+begon eindelijk ongeduldig te worden.
+
+„Kom je, oude heer?” riep zij op luiden toon. „Kom, wees lief en breng
+een echt bankbiljet voor mij mee, of een handvol sovereigns, die heb ik
+nog liever!”
+
+Maar de reeder had allen lust voor liefdesavonturen verloren.
+
+„Loop naar den duivel, deerne!” riep hij woedend uit. „Wil je mij nog
+bespotten ook? O, ik ben op een vreeselijke manier bedrogen.”
+
+En als een bliksemstraal schoot het plotseling door zijn hoofd:
+
+„Raffles—Raffles—dit is de wraak van Raffles!”
+
+Hij verloor het bewustzijn en zakte ineen.
+
+Het meisje wachtte nog een tijd lang. Toen echter alles stil bleef na
+het geluid van den val, stond zij op en sloop onhoorbaar naar de
+openstaande deur der slaapkamer.
+
+Hier zag zij Apsley roerloos op den grond liggen.
+
+„Misschien heeft hij een beroerte gehad!” fluisterde zij. „Dat komt wel
+eens meer voor bij oude heeren.
+
+„Jammer voor hem, maar mij laat het koud! Wat kan mij zoo’n oude kerel
+schelen, als hij geen geld heeft!”
+
+Maar ook in dit vreeselijke oogenblik liet haar koopmansgeest haar niet
+in den steek. Zij keek met onderzoekende blikken om zich heen,
+eigenlijk in hoofdzaak, om den huissleutel te zoeken.
+
+Zij ontdekte dezen ook op den schrijftafel van den reeder en nam hem
+op. Toevallig echter lagen Apsley’s zwaar gouden horloge en de ketting
+er naast en misschien was het alleen uit behoefte aan orde en netheid,
+dat zij ook deze beide voorwerpen opnam en in haar zak stak.
+
+In een ommezien had zij zich gekleed en haar rooden reuzenhoed opgezet.
+Nogmaals luisterde zij, of de oude heer rustig was. Toen zij geen
+geluid vernam, ontsloot zij zacht de kamerdeur, sloop naar buiten, deed
+de deur achter zich dicht en weldra was Miss Claire met de waardevolle
+eigendommen van Mr. Apsley in den donkeren nacht verdwenen.
+
+Den huissleutel alleen nam zij niet mee, maar liet hem in het slot
+steken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ONVERWACHTE GEBEURTENISSEN IN DE HEERENCLUB.
+
+
+Toen Lord Lister in de vermomming van den welgedanen Amerikaan het
+marmeren salon van de Heerenclub was binnengegaan, waar achter gesloten
+deuren allerlei hazardspelen werden gehouden, keek hij overal rond.
+
+Het beruchte hazardspel wordt, zooals bekend is, door een bankhouder
+gespeeld tegen een aantal pointeurs. Van een spel van 52 kaarten krijgt
+ieder er 13 stuks, van het aas tot de 2, waarvan hij een of meer kan
+bezitten.
+
+De jonge Apsley hield de bank en hem zocht Lord Lister.
+
+Hoewel natuurlijk, zooals bij de meeste hazardspelen, de bankier het
+voordeeligst af is, scheen Mr. James Apsley hedenavond nog niet veel
+geluk te hebben gehad.
+
+Hij had slechts een matige winst gehad en wat hij moest uitbetalen, had
+de winst verre overtroffen.
+
+Mr. James was nog bleeker dan gewoonlijk en het zweet stond op zijn
+voorhoofd.
+
+Om zijn zenuwen te sterken, goot hij twee glazen cognac naar binnen,
+voordat hij zijn champagne, die de kellner juist voor hem had
+binnengebracht, begon te drinken.
+
+Hierop wijdde hij weer alle aandacht aan het spel.
+
+Zijn oogen openden zich wijd van verbazing, toen hij ook den dikken
+Amerikaan met onverschillig uiterlijk aan de speeltafel zag staan en
+deze zich door den kellner 13 kaarten liet geven.
+
+Een lichte blos van verlegenheid kleurde het gelaat van den jongen
+Apsley, omdat de Amerikaan hem hier aan de speeltafel zag, onmiddellijk
+nadat deze heer van zijn vader had gehoord, dat bij de inbraak hun
+geheele vermogen verloren was gegaan.
+
+Hij voelde zich gedrongen om den Amerikaan te groeten, wat deze
+doodbedaard met een beleefde buiging van het hoofd beantwoordde.
+
+Lister had vijf kaarten bezet, ieder met 5 pond, zoodat de inzet dus 25
+pond bedroeg.
+
+Mr. James Apsley wierp nog een glas champagne naar binnen.
+
+Daarop schudde hij zorgvuldig de kaarten, nam de twee bovenste er af,
+nadat hij de onderste kaart had laten zien, die geen winst geeft, doch
+den bankhouder ten goede komt.
+
+Nadat de eerste keer was getrokken, had de Amerikaan het dubbele bedrag
+op zijn kaarten staan, namelijk 600 gulden, terwijl de heer Apsley
+Junior minstens evenveel had verloren, daar hij ook aan de andere
+spelers had moeten uitbetalen.
+
+Zijn vingers trilden zichtbaar, toen hij opnieuw de kaarten schudde en
+door Mr. Shaw liet trekken.
+
+„Va tout!” (het gaat om den geheelen inzet) riep Lord Lister op kalmen
+toon.
+
+„Drommels, wat is dat, Mr. Shaw?” vroeg hem een zijner kennissen, die
+ook meespeelde, „gij geeft den bankhouder immers alle voordeelen! Het
+zou al heel toevallig zijn, als gij dezelfde kaarten weer kreegt.”
+
+„Nu, dat wil ik toch eens zien!” antwoordde de vermeende Yankee met
+onverstoorbare, echt Amerikaansche kalmte, „ik heb een voorgevoel,
+alsof Mr. Apsley, onze voortreffelijke bankhouder, vandaag niet erg
+gevaarlijk is. Het is voor de Apsleys een ongeluksdag!”
+
+Mr. Apsley’s gelaat werd donkerrood.
+
+„Wat wilt gij daarmee zeggen, Mr. Shaw? Mag ik u om opheldering van uw
+woorden verzoeken?”
+
+„Als ik mijn inzet liet staan op dezen voor u zoo ongelukkigen dag,
+waarop uw firma door inbraak voor 50,000 pond is bestolen, dan deed ik
+dat, omdat ik u de kans wilde geven, voor u zelf of uw schuldeischers
+dit verlies ten minste voor een klein gedeelte te boven te komen!”
+
+Mr. Apsley werd donkerrood.
+
+„Ik bedank beleefd voor uw ongewenschte grootmoedigheid.
+
+„In de eerste plaats heb ik nog geld genoeg en in de tweede plaats zal
+ik met behulp van mijn vrienden in staat zijn elk verlies te dekken!”
+
+„Daaraan twijfel ik evenzeer, Mr. Apsley, als uw vader. Gij herinnert u
+zeker wel, dat ik erbij stond, toen hij handenwringend verklaarde, dat
+de firma Apsley bankroet was.
+
+„Ik weet niet, of op zulk een dag de speelzaal van de heerenclub wel de
+rechte plaats is om die verliezen terug te krijgen! Gij kent toch zeker
+wel de bijbelspreuk, die van zooveel diepe wijsheid getuigt:
+
+„„Wie iets heeft, aan hem wordt gegeven en wie niets heeft, van hem
+wordt ook nog genomen, dat wat hij heeft!””
+
+„Zijt gij misschien speciaal hier gekomen met het doel om uw goedkoope
+methodistenwijsheid aan den man te brengen?” schreeuwde Mr. Apsley, die
+reeds half dronken was.
+
+Maar eenige leden der Club en goede kennissen kalmeerden hem.
+
+In de zaal hadden zich groepjes gevormd, die de woorden van Mr. Shaw
+bespraken. Verscheiden heeren konden de waarheid der mededeelingen
+bevestigen en een van hen toonde zelfs het extra avondblad van de
+Times, waarin de inbraak—volgens opgaven van den reeder natuurlijk!—in
+alle bijzonderheden werd beschreven.
+
+Ook de bestuursleden der Club stonden in een afzonderlijke groep bij
+elkaar in een der kleine zijzalen, waar aan marmeren tafeltjes
+gelegenheid tot soupeeren was.
+
+Zij zetten bedenkelijke gezichten en schudden de hoofden.
+
+Zij gaven Mr. Shaw volkomen gelijk en besloten, nauwkeurig te letten op
+het spel van James Apsley en hem niet meer toe te staan, speelschulden
+te maken, om hun andere leden voor verliezen te bewaren, als werkelijk
+de firma insolvent zou worden verklaard.
+
+Intusschen had Mr. James nog een paar glazen cognac naar binnen
+gespoeld. Hij was echter zoo kort aangebonden en onvriendelijk tegen
+zijn vrienden, dat deze zich beleedigd terugtrokken.
+
+„Nu, hoe is het? Wij wachten hier nog steeds! Ik wil, ondanks al uw
+onbeleefdheden, u deze kans nog geven. Va tout!”
+
+„Voor mijn part dan!” riep Apsley, bij voorbaat reeds genietend in het
+vooruitzicht van zijn overwinning. Maar de kaarten, die hem in vroegere
+dagen zoo dikwijls hadden gelokt, totdat hij reddeloos aan den
+speelduivel was vervallen, zij lieten hem op dit oogenblik in den
+steek.
+
+Onophoudelijk won Lister en toen het spel uit was, had de Amerikaan
+honderd pond sterling op zijn kaarten staan.
+
+Mr. James veegde zich het zweet van het voorhoofd. Hij had nu op dezen
+avond reeds de helft verspeeld van de 500 pond, die zijn vader hem had
+gegeven, toen de 50,000 pond waren overgebracht naar de geheime kast
+van de vrijgezellenkamers.
+
+Maar hij dacht er niet aan om op te houden, want hij wist immers, dat
+in de kast van zijn vader zich een zeer groot bedrag bevond en dat hij
+dus dit verlies gemakkelijk zou kunnen betalen.
+
+Ook twijfelde hij er niet aan, of zijn vader zou hem, al was het ook na
+eenige verwijten te hebben geuit, het verloren bedrag wel teruggeven.
+
+Maar het hinderde hem, dat juist die Amerikaan alles had gewonnen en
+hij zwoer zichzelf, hem zijn winst weer afhandig te maken.
+
+Hij keek echter verbaasd op, toen de Amerikaan zonder een spier van
+zijn gelaat te vertrekken, kalm sprak:
+
+„Wilt gij uw geheele verlies met een enkelen slag terugwinnen? Hoeveel
+staat er in de bank?”
+
+Apsley schrok, maar hij wilde dit niet laten merken. Een verraderlijke
+uitdrukking kwam in zijn oogen.
+
+Zeker wilde deze dwaze Yankee nogmaals op dezelfde kaarten zetten! Dat
+beteekende voor den bankhouder een bijna zekere winst. Deze gelegenheid
+moest hij aangrijpen!
+
+„Hier liggen 150 pond”, sprak hij na vlug geteld te hebben en hij
+haalde zijn laatste 100 pond uit den zak, welke hij erbij zette.
+
+„Nu staan er 250 pond op de bank”, vervolgde hij.
+
+„Apsley, zijt gij door den duivel bezeten?” riepen verscheiden stemmen.
+
+„Hij heeft de beste kansen!” riepen anderen. „Gij verliest, Mr. Shaw,
+dat is zoo zeker als twee maal twee vier is.”
+
+„Va banque!” riep onder ademlooze stilte der aanwezigen, die zich nu om
+de speeltafel verdrongen, Lord Lister.
+
+James trilde van opgewondenheid.
+
+Hij nam een glas cognac en dronk dat in een enkelen teug leeg.
+
+„Om ’s Hemels wil, Apsley!” vermaande hem een der bestuursleden, „drink
+toch niet meer! Gij maakt u steeds meer opgewonden!”
+
+Maar de jonge man veegde zich het zweet van het voorhoofd.
+
+„Waarom ben ik zoo zenuwachtig?” vroeg hij zichzelf af, „ik heb toch de
+meeste kans.” Wat hinderde hem in het ergste geval zulk een onbeduidend
+verlies?
+
+Al meende de wereld ook, dat hun vermogen weg was, hij wist immers
+beter! Zijn vader moest toch voor hem betalen. Wat had hij dus te
+vreezen?
+
+„Ik geef u nogmaals kans om te winnen!” sprak de Amerikaan op ijskouden
+toon. „Ik laat ook nu mijn inzet op dezelfde kaarten staan.”
+
+Van alle kanten hoorde men uitroepen van verbazing, en werden zelfs
+weddenschappen aangegaan.
+
+Niemand geloofde aan het geluk van den Amerikaan.
+
+„Zooals gij wilt”, antwoordde Mr. James schouderophalend.
+
+Alle aanwezigen hadden opgehouden mee te spelen en keken vol spanning
+naar den, zooals zij meenden, ongelijken strijd.
+
+Opnieuw schudde de bankhouder de kaarten en trok.
+
+Maar zijn aanvankelijke kalmte maakte plaats voor steeds grooter
+opgewondenheid. De eene kaart na de andere viel bij het trekken weer
+aan den kant van Lord Lister.
+
+De handen van James Apsley beefden toen hij Mr. Shaw de gewonnen 250
+pond toeschoof.
+
+Hij zocht gejaagd in den borstzak van zijn deftige, gekleede jas. Hij
+haalde zijn portefeuille te voorschijn en opende die.
+
+Maar het gaf niets. Zij was leeg. Hij zocht ook in den anderen zak en
+haalde er een groote enveloppe uit. Ook hierin bevond zich geen enkel
+bankbiljet.
+
+Hij had alles verspeeld, de 500 pond waren naar den duivel.
+
+Opgewonden en bevend stak hij het couvert, waarin zich alleen een
+manuscript op blauw papier bevond, weer bij zich.
+
+„Mr. Darley”, sprak hij tot een zijner vrienden, met wien hij zeer
+intiem was, „ik zou nog een poging willen wagen, leen mij—!”
+
+„Ga naar huis, Apsley! Dat zal het beste voor u zijn! Ik heb weinig bij
+mij!”
+
+„Mr. North, zoudt gij misschien zoo goed willen zijn—”
+
+„Het doet mij leed, Apsley, maar ik vind, dat gij heden, bij de
+geruchten, welke in omloop zijn, beter hadt gedaan, niet te spelen. Wat
+moeten uw schuldeischers daarvan denken!”
+
+Overal weigeringen! Hij gaf het op, en toch, welk een voldoening om
+dezen Amerikaan toch nog weer te kunnen overwinnen!
+
+Haastig dronk hij nog een glas cognac en riep:
+
+„Mijn heeren, ik geef de bank over! Laat een ander zich in mijn plaats
+met Mr. Shaw meten!”
+
+Lord Lister glimlachte.
+
+„Zoudt gij nog tegen mij willen spelen, Mr. Apsley? Nu, ik bega
+misschien een domheid, maar ik wil u iets leenen. Misschien wint gij
+juist daarmee, zooals meermalen gebeurt.
+
+„Maar na hetgeen mijnheer uw vader heden vertelde, zult gij begrijpen,
+dat ik voor mijn geld eenig onderpand vraag”.
+
+„Hel en duivel, Sir. Twijfelt gij misschien aan mijn eerewoord?”
+
+„Dat niet, maar gij zoudt er morgen wel eens anders over kunnen denken
+dan heden”, antwoordde Lister met nadruk.
+
+„Ja, ik zou alles weer van u willen terugwinnen, dat is mijn vurigste
+wensch!”
+
+„Dat geloof ik! Mooi! Welk pand geeft gij?”
+
+„Wat wenscht gij? Horloge en ketting? Mijn ringen?”
+
+„Wat doe ik met dien rommel, als gij het geld niet teruggeeft? Neen,
+het moet iets zijn, dat mij uw komst waarborgt. Hebt gij niets
+dergelijks?”
+
+„Jawel, ouwe Yankee, ik heb hier iets! Maar ik moet het morgen kunnen
+terughalen.”
+
+„Breng mij morgenochtend het geld en gij krijgt uw onderpand terug. Wat
+is het?”
+
+Apsley dronk een glas champagne, zijn oogen waren met bloed beloopen.
+
+„Maar dat zeg ik je, Yankee, als ik je morgenochtend het geld breng en
+je weigert mij de teruggave, dan schiet ik je neer als een hond. Bedenk
+dat wel!”
+
+De president der Club legde zijn hand op den schouder van James Apsley.
+
+„Mr. Apsley, ik moet u verzoeken, u te matigen in uw uitdrukkingen en
+geen bedreigingen te uiten tegen gasten der Club. Uw positie als lid
+van deze Club is na alles, wat er is voorgevallen, niet al te zeker!
+Gij gedraagt u heden, zooals dat een onzer leden onwaardig is.”
+
+„Als gij alle kletspraatjes gelooft! Ik onderhandel immers met Mr.
+Shaw. Wat wilt gij eigenlijk?”
+
+„Hij is stomdronken! Men moet hem daarom iets vergeven bij zijn verlies
+van hedenavond”, sprak de president, Lord Readen, tot den kassier van
+de Club. „Maar neem de cognac weg, kellner!”
+
+Maar Mr. James verlangde dien sterken drank juist. Hij zag de karaf
+wegbrengen en trok ze den kellner uit de hand.
+
+„Wat ga je doen, domkop? De cognac blijft hier! Dat is het beste, wat
+er is!”
+
+Hij schonk zich een glaasje vol en dronk het leeg.
+
+Hierop waggelde hij naar den Amerikaan toe, hij trok het manuscript op
+blauw papier uit zijn linkerborstzak en wierp het voor Mr. Shaw op de
+groene tafel neer.
+
+„Wat is dat?” vroeg Lord Lister op ijskouden toon.
+
+„Dat zal ik u zeggen. Gij zult er wel niets van begrijpen, het is een
+door mij gemaakt ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot, dat
+ik morgen op het Admiraliteitsgebouw moet bezorgen.”
+
+De aanwezigen spitsten de ooren. Dat had men niet gedacht van dezen
+speler en zwierbol.
+
+Hij was wel scheepvaartkundig ingenieur, maar men had er niet veel
+respect voor.
+
+Zou men zich zoo vergist hebben?
+
+Lord Lister glimlachte: het groote moment was gekomen!
+
+„En dit geniale ontwerp, dat van mij is en iets geheel nieuws brengt—
+—Wat wilde ik zeggen? O ja! Dat zal ons verlies door dien vervloekten
+Raffles spoedig weer vergoeden.
+
+„Wilt gij mij hierop 25 pond leenen?”
+
+Lister sloeg het manuscript open, om zich van den inhoud te overtuigen.
+
+Juist: teekeningen in witte lijnen op blauw papier en de technische
+beschrijving.
+
+Hij stak het geniale ontwerp in zijn zak en wierp vijf biljetten van
+vijf pond voor James op de groene tafel.
+
+„Morgen, of liever dezen ochtend, kunt gij het ontwerp terugkrijgen,
+als gij mij het geld terugbrengt.”
+
+Lord Lister glimlachte.
+
+Intusschen had Mr. James de rest der cognac in een glas geschonken en
+dit leeggedronken. Zijn oogen staarden zonder uitdrukking en het eerst
+zoo zorgvuldig gepomadeerde haar zat slordig en liet het begin van een
+kalen kop doorschemeren.
+
+Dikke zweetdroppelen parelden op zijn voorhoofd en slapen en zijn
+trekken waren verwrongen.
+
+„Apsley ziet er afschuwelijk uit”, sprak de voorzitter tot zijn
+vrienden, Mr. Darley en North. „Men moest hem beletten, door te
+spelen!”
+
+„Dat ben ik volkomen met u eens, president!” sprak Darley ernstig. „Ik
+zal— —”
+
+Maar reeds had Apsley de kaarten weer opgenomen en riep:
+
+„Ik houd de bank nogmaals! Wie zet?”
+
+Op een wenk van den president trokken zich de leden en geïntroduceerden
+terug. Alleen Lord Lister sprak met onverstoorbare kalmte:
+
+„Als gij het inderdaad wenscht, Mr. Apsley, ben ik bereid, u revanche
+te geven!”
+
+„Dat hoop ik, Mr. Shaw! Maar ik zie, dat gij nog maar alleen zijt.
+Waarom dan al die drukte? Zwart voor u, rood voor mij! Wat het eerst
+valt, wint!”
+
+„Zooals gij wilt, Mr. Apsley! Voor mijn part verliest gij de 25 pond
+ook nog!”
+
+De geheele Club drong zich om de groene tafel, om dit roekelooze spel
+gade te slaan.
+
+Apsley schudde, liet Mr. Shaw afnemen en wierp de eerste kaart neer:
+
+Hartenvrouw!
+
+Apsley had gewonnen!
+
+Onverschillig gaf Lister hem 5 biljetten en de belangstelling der
+toeschouwers werd steeds grooter.
+
+„Datzelfde nogmaals!” riep de Amerikaan.
+
+„Va tout!”
+
+Bij die woorden legde hij tien biljetten van vijf pond voor zich neer.
+
+Toen Apsley weer de eerste kaart trok, was het klaveraas. Apsley had
+alles verloren. Hij keek een oogenblik met zijn bloedbeloopen oogen
+naar de vierkante gestalte van den Amerikaan, die de hem toegeschoven
+biljetten kalm bij de zijne legde, als wilde hij zich op den Yankee
+werpen.
+
+Zijn borst ging hijgend op en neer en hij moest zich aan de tafel
+vasthouden. Zijn gedachten waren verward.
+
+„Hij mag niet zegevieren! Ik wil mij wreken! Ik wil hem geld en ontwerp
+weer af winnen! De kaarten kunnen toch niet betooverd zijn! De
+aanhouder wint!”
+
+„Mr. Shaw!” riep hij op luiden toon.
+
+Lister vroeg zich af, of hij nu niet heen zou gaan. Hij had het ontwerp
+in zijn bezit. Hij was er zeker van, dat dit het rechtmatige eigendom
+was van den ontwerper, Mr. Burton en dat Apsley het morgen niet zou
+kunnen inwisselen.
+
+Mocht Apsley toch met het geld komen, dan kon hij altijd nog Scotland
+Yard waarschuwen.
+
+„Mr. Shaw!” herhaalde de zoon van den reeder ongeduldig.
+
+„Wat wenscht gij nog? Ik zou denken, dat het tijd voor u was om naar
+huis te gaan”, merkte Lister op.
+
+„Ik heb er nog zin in”, antwoordde de beschonkene. „Ik wil nog spelen!
+Ik wil u uw geld weer afnemen en het manuscript ook!”
+
+„Dat wil ik wel gelooven! Maar daar is geld voor noodig” antwoordde de
+Amerikaan koel.
+
+„Dat zult gij mij geven! Kellner, whisky!”
+
+„Ik zal mij wel in acht nemen, Mr. Apsley. Ik hoorde de verklaring van
+uw vader omtrent de insolventie met mijn eigen ooren”, luidde Listers
+antwoord.
+
+De kellner had de whiskyflesch op een tafeltje gezet en een glas
+ingeschonken. Apsley nam het met sidderende hand op en dronk het leeg.
+
+„En gij zult mij toch geld geven, Mr. Shaw. Ik heb u mijn ontwerp voor
+een onderzeesche boot verpand! Maar dat heeft voor mij niets te
+beteekenen. Ik kan als uitvinder van dit plan elk oogenblik een geheel
+ander, nog meer volkomen in elkaar zetten!” sprak Mr. Apsley bluffend,
+terwijl hij, om op de been te blijven, nu eens voor- dan achteruit
+liep.
+
+Hij verbeeldde zich misschien in zijn steeds duidelijker wordende
+dronkenschap, de rechtmatige eigenaar van het ontwerp te zijn.
+
+„Wat geeft gij mij, als ik u het ontwerp verkoop?”
+
+Dit was den meesten aanwezigen toch te sterk. Zelfs zij, die zich eerst
+hadden teruggetrokken om zijn lompe houding, kregen nu medelijden met
+den beschonkene.
+
+„Apsley, zijt gij gek?” riep Mr. North.
+
+„Gij moet het ontwerp morgen immers hebben, wees toch verstandig!” riep
+de voorzitter der Club.
+
+„Morgenmiddag is de inzending gesloten!” sprak Mr. Darley bezorgd.
+„Latere inzending is onmogelijk.”
+
+Al deze heeren hadden natuurlijk niet het minste vermoeden, dat het
+ontwerp van Mr. Burton was gestolen.
+
+Maar Apsley wees de welmeenende vrienden met een energische
+handbeweging terug, hij hield zich aan de groene tafel vast en vroeg
+met zware tong:
+
+„Wa—wat geeft gij mij voor het ontwerp, Mr. Shaw?”
+
+„Neemt hem rechts en links onder den arm!” beval de president. „Wij
+mogen een dergelijke handelwijze niet dulden in onze Club.”
+
+Maar de beschonkene riep stotterend:
+
+„Dat is mijn zaak! Ik wil spelen! Ik wil toch eens zien— —”
+
+„Des menschen wil, des menschen leven!” citeerde Lord Lister
+koelbloedig. „Daar is niets aan te doen, heeren. Laat hem zijn zin
+volgen.”
+
+Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn en nam er 1000 pond aan
+bankpapier uit.
+
+„Hier zijn 1000 pond, Mr. Apsley”, riep hij den beschonkene toe.
+
+Hierop sprak Lister tot de leden der Club:
+
+„Heeren, overtuigt er u van, dat het bedrag juist is! Bij den toestand,
+waarin zich mijn medespeler bevindt, is dat noodig!”
+
+„Dus gij neemt de 1000 pond en daarvoor is het ontwerp mijn eigendom!”
+riep Lord Lister.
+
+„Top!” schreeuwde Apsley, die de banknoten met onvaste hand voor zich
+neerlegde.
+
+„Hoe zullen wij spelen?” vroeg hij op heeschen toon. „Ik wil u het
+ontwerp weer afwinnen en mijn geld erbij!”
+
+„Dat gaat nooit goed. Hij verliest dit geld ook nog. Mr. Shaw, neem gij
+tenminste de bank. Hij kan de kaarten niet meer vasthouden.”
+
+Zoo spraken de toeschouwers door elkaar.
+
+„Als gij het wenscht, zal ik de bank nemen, Mr. Apsley. Het valt u
+moeilijk om te schudden, dat zie ik wel.
+
+„Ik doe u het voorstel, in vijf keer, telkens voor tweehonderd pond,
+het spel uit te maken. Ik heb er genoeg van, voortdurend met u alleen
+te spelen.”
+
+„Dat vind ik goed. Dus gij neemt de bank.”
+
+Apsley kwam waggelend van achter de groene tafel naar voren. Maar hij
+vergat niet, nog een glas whisky te nemen. De zoon van den reeder
+geloofde met het idee fixe van dronken menschen, dat het geluk hem toch
+nog toe zou lachen en dat het hem zou gelukken, alles terug te winnen.
+
+De beide eerste keeren won hij. Trots eischte hij nu ook verdere
+revanche.
+
+Na het eind van de zevende taille echter waren de 1000 pond weer in het
+bezit van Lord Lister, wien het blinde geluk den geheelen avond getrouw
+bleef.
+
+Apsley staarde somber naar het bankpapier, dat Lord Lister met
+stoïcijnsche kalmte weer in zijn portefeuille borg.
+
+Daarop haalde hij diep adem en mompelde, als versuft:
+
+„Alles weg, alles verloren!”
+
+Plotseling echter, bij het zien van de onverstoorbare kalmte van zijn
+tegenstander, werd hij woedend.
+
+„Dat is niet eerlijk toegegaan! Er is hier een samenzwering tegen mij!
+Vervloekte Amerikaan, je hebt mij bestolen, uitgeplunderd tot op het
+hemd! Maar, schurk, ik zal je eens uit je onbeweeglijke kalmte
+opwekken!”
+
+En nog voordat de verbaasde omstanders wisten, wat er gebeurde, had hij
+een blinkende revolver uit zijn zak genomen en schoot die op Lord
+Lister af.
+
+Deze had echter iets dergelijks verwacht en trad bliksemsnel op zij.
+Doelloos kwam de kogel in den muur terecht.
+
+Nu echter verhief zich een ware storm van verontwaardiging onder de
+leden en gasten der Club, die getuigen waren van dit tooneel. Niemand
+van hen had echter zin om den woesteling beet te pakken.
+
+„Grijpt hem! Houdt hem vast!” riep de president.
+
+„Hij is totaal beschonken”, zuchtte Mr. North.
+
+„Dat zoo iets in onze Heerenclub kan passeeren!” weeklaagde de
+voorzitter.
+
+Lister wilde zich op Apsley werpen, maar reeds was deze met dreigend
+opgeheven revolver dwars door de zaal naar buiten gesneld.
+
+„Terug, jelui honden, als je leven je lief is!” riep hij, toen Lister
+en andere heeren hem wilden volgen.
+
+Nog twee keer knalde een schot, maar omdat hij te dronken was om goed
+te kunnen mikken vielen er geen dooden of gewonden in de speelzaal.
+
+„Vervloekte gauwdieven! Schurken! Gij heeren? Wat? Zakkenrollers en
+dieven zijt gij!”
+
+Nogmaals schoot hij, zonder iets anders dan een grooten spiegel te
+raken, vlak naast den voorzitter. Daarop opende hij de deur naar de
+gang en wierp deze met een ruk in het slot.
+
+Een groote verwarring ontstond. Men riep om de politie en om Scotland
+Yard.
+
+Slechts met moeite gelukte het Lord Lister, het woord te krijgen.
+
+„Heeren”, sprak hij, „laat den misdadiger aan zijn noodlot over, dat
+hem spoedig genoeg zal treffen.
+
+„Gij hebt u heden misschien over mijn optreden en mijzelf verbaasd,
+maar ik kwam hier met de bedoeling, het gestolen ontwerp voor een
+onderzeesche boot te vinden en dit aan den ongelukkigen eigenaar en
+uitvinder terug te kunnen geven.
+
+„Zooals gij hebt gezien, is mij dat gelukt.”
+
+Een algemeen bravo volgde. Allerlei vragen werden gedaan en men
+bestormde Mr. Shaw om een nadere verklaring.
+
+„Ik kon al niet begrijpen, hoe dit lichtzinnige sujet een geniaal
+ontwerp had uitgevonden,” merkte Mr. Darley op.
+
+Lister noemde den naam van Edward Burton als dien van den ontwerper en
+nam, om verdere vragen te ontloopen, op beminnelijke wijze afscheid van
+de heeren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+APSLEY SENIOR EN JUNIOR.
+
+
+De oude Mr. Apsley was ondertusschen weer tot zichzelve gekomen. Hij
+was met moeite van den grond opgestaan en, na nog een wanhopigen blik
+op de nog open staande kast met valsche bankbiljetten in de slaapkamer
+te hebben geworpen, sloot hij de deur.
+
+Daarna had hij zich, met een bang gevoel voor de plaats des ongeluks,
+naar de woonkamer gesleept, waar hij de verdwijning van zijn horloge en
+van het meisje bemerkte.
+
+Hij nam hierop een flesch whisky uit het buffet, en schonk zich een
+wijnglas vol, dat hij leeg dronk.
+
+Hierna begon hij zich beter te gevoelen.
+
+Hij ging in den hoek der sofa zitten, steunde zijn hoofd op zijn hand
+en dacht na.
+
+Het was wel een ramp, die mooie 50.000 pond; al zijn spaarpenningen en
+ontvangsten waren verdwenen. Iets van de geldswaardige papieren zou
+misschien nog te redden zijn!
+
+„Maar per slot van rekening is het toch niet zoo erg; wij behouden toch
+altijd nog het prachtige ontwerp. Morgen heeft de wedstrijd plaats, en
+als mijn zoon of de firma Apsley & Co. den prijs wint, waaraan niet
+valt te twijfelen, en ook met den bouw zelf wordt belast, zullen we dit
+zware verlies spoedig genoeg weer te boven komen.”
+
+Met deze gedachte en vooruitzichten begon de reeder langzamerhand weer
+moed te scheppen, en zijn werkkracht kwam opnieuw boven.
+
+Hoe meer hij over deze plannen nadacht, des te beter werd zijn humeur.
+
+Hij had de eerste neerslachtigheid al bijna geheel overwonnen, toen hij
+iemand met zwaren tred en veel lawaai de trap hoorde opkomen.
+
+„Die moet flink wat naar binnen hebben gewerkt”, dacht hij bij
+zichzelf, toen opeens de deur openging.
+
+Het was zijn zoon James.
+
+Maar hoe zag deze er uit!
+
+Den eleganten hoogen hoed had hij achter op zijn hoofd, en zijn donker
+haar hing wild en verward op zijn voorhoofd. Zijn gelaat was krijtwit,
+alleen de oogen gloeiden op onnatuurlijke wijze.
+
+Zijn dronkenschap scheen in de buitenlucht gedurende den tocht in de
+auto nog toegenomen te zijn. Hij kon zich nauwelijks staande houden en
+had moeite om zijn evenwicht te bewaren.
+
+„James, ongelukkige, wat zie jij er uit! In wat voor toestand verkeer
+je? Och hemel, ook dat nog bij al het andere!”
+
+„Het geld is op, vader! Alleen het geluk was tegen me, anders zou ik
+dien onbeschaamden Yankee toch nog gelegd hebben!
+
+„Kom, geef mij een whisky, vader, wees eens goed! En dan geld, nieuw
+geld, dat is de hoofdzaak!
+
+„Is dat niet whi—whisky? Natuurlijk is het dat! Kom, ik heb een
+afschuwelijken dorst, maar niet naar water.”
+
+„Je bent volslagen beschonken! Geen druppel krijg je meer!”
+
+Mr. Apsley nam gauw de flesch van tafel en sloot haar in het buffet.
+Hij nam er een flesch sodawater uit en schonk daarmee een waterglas
+vol.
+
+„Daar, lichtzinnig individu! Vooruit, drink! Ik wil het hebben.”
+
+James weerde eerst het onwelkome drankje af, doch toen zijn vader bleef
+aandringen, nam hij het aan en slikte het met allerlei vreeselijke
+grimassen naar binnen.
+
+„Ge hebt nu gezien, dat ik uw wil doe, voldoe nu ook aan mijn
+verlangen! Geef mij geld, vader, veel geld! Ik verdwijn over den
+grooten vijver.”
+
+„Onzin, James! Je hebt op ’t oogenblik je vijf zinnen niet bij elkaar.
+Daar is geen sprake van! Jij moet werken. Het luie leventje, dat je tot
+nu toe hebt geleid, moet thans ophouden.
+
+„In dit opzicht treft het nu bijzonder goed. Jij hebt het in je leven
+altijd veel te gemakkelijk gehad, en ik was altijd te toegevend en gaf
+je veel te veel geld, en altijd weer opnieuw. Dat was mijn fout,
+waarvan ik nu spijt heb.
+
+„Maar dat moet nu ophouden, mijn jongen! En daar het niet anders kan,
+zal het ook ophouden, en wel voor je eigen bestwil! We zullen allebei
+flink gaan werken, om de geleden schade weer in te halen en ik hoop,
+dat je me krachtig zult steunen en bijstaan en mij zult bewijzen, dat
+je, ondanks alle lichtzinnigheid, een kern van de gelijkheid in je
+hebt, en in waarheid mijn zoon bent.”
+
+„Werk? Neen, dierbare vader, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. En
+overigens moge de duivel mij halen, als ik ook maar een syllabe van uw
+opbouwende zedepreek—louter nonsens, met uw verlof—begrijp!
+
+„We hebben immers geld genoeg, kunnen de andere menschen, de armen, de
+hongerlijders, de dommen voor ons laten werken en zelf van het leven
+genieten.
+
+„Dat is juist de kunst in het leven.”
+
+De reeder krabde zich bedenkelijk achter de ooren.
+
+„Mijn hemel, hij weet immers nog van niets! Dat vergat ik heelemaal!
+Nu, dat zal een heele slag voor hem zijn, des te meer, nu hij van heden
+af aan moet werken! En bij dit alles is hij nog dronken ook!”
+
+Hij slaagde er echter in, James de rest van het sodawater naar binnen
+te laten werken.
+
+„Verduiveld!” zei James, wiens geest weer een beetje helder begon te
+worden, zoodat hij zich bewust werd, dat hij zijn benarde positie aan
+zichzelf had te wijten. „Ik moet weg! Ik moet geld hebben! Ik bezit
+geen rooden duit meer! Alles verspeeld aan dien hond van een Yankee!
+
+„Allo, vader, geef mij zooveel, dat ik zoodra mogelijk weg kan over den
+Atlantischen Oceaan, voordat het te laat is!”
+
+„Hij is nog totaal dronken!” mompelde de reeder bezorgd. „James, wat
+praat je toch voor wartaal! Kom eens tot jezelf, mijn jongen! Ik
+vergeef je immers alles en wil ook niet met je twisten. Maar dat moet
+in de toekomst geheel ophouden. Van heden af aan. Beloof je me dat?
+
+„Kijk eens naar Mr. Edward, hoe die gewerkt heeft dag en nacht! Het
+doet mij bijna leed, dat hij door ons toedoen niet de vruchten zal
+plukken van zijn vlijt. Doch ieder is zichzelf het naast! Misschien
+kunnen we ons later met hem associeeren!—
+
+„Niet waar, ik kan erop vertrouwen, James, dat je mij in onzen nieuwen
+strijd om het bestaan trouw ter zijde zult staan?”
+
+„Dat is louter onzin, vader, wat ge praat! Ik moet weg!”
+
+Hij keek schuw naar de deur, of de menschen van Scotland Yard soms al
+achter hem stonden.
+
+Het begon hem nu duidelijk te worden, dat hij in de Heerenclub een
+vreeselijke domheid had begaan, om het niet erger te noemen.
+
+De reeder keek hem aandachtig aan, en haalde de schouders op, daar hij
+zijn dwaas gepraat toeschreef aan dronkenschap.
+
+Doch James werd nu door eene zenuwachtige onrust bevangen. Hij wilde
+zich in veiligheid brengen.
+
+„Kom, vader, ik heb alles verspeeld! Ik moet geld hebben! Ik moet weg!
+Hoort gij niet? Geef mij toch zooveel, dat ik voldoende heb voor den
+overtocht, geef mij tienduizend uit de geheime bergplaats daar binnen!
+Verder zal ik geen aanspraak op iets maken.”
+
+„Uit de kast, jawel!” lachte de reeder hoonend. „Leg je schuldeischers,
+als je ze hebt, maar op andere manier het zwijgen op. Geld kan ik je
+niet meer geven!—Het geld is weg—is verdwenen!”
+
+De zoon barstte in een luid gelach los.
+
+„Ik zal er niet invliegen! Neen, zoo dom is uw zoon niet, vader!
+
+„Tracht dat een ander wijs te maken. Natuurlijk, ge wilt mij niets
+geven, omdat ik dronken ben! Doch ik ben nu weer helder van geest! Ik
+weet alles! Ik moet het hebben! Heusch!
+
+„Ik heb een domme streek uitgehaald! Doch ik was woedend, omdat ze mij
+zoo leeggeplunderd hadden, en toen heb ik op den bankhouder, dien
+vervloekten Yankee, Mr. Shaw, geschoten, en ik geloof, dat ik hem zijn
+winst betaald gezet heb, en dat ik ook van de andere schurken een paar
+gebrandmerkt heb.”
+
+Bij deze woorden wierp James zijn revolver op tafel, waarop zich nog
+twee of drie patronen bevonden.
+
+„Die heeft mij op de schurkenbende gewroken! En het doet mij ook in ’t
+geheel geen leed voor de schelmen!
+
+„Maar ziet ge, ik moet weg, snel weg, als de fameuze kapitein Baxter en
+de gevaarlijke „vloo” me niet zullen pakken. Daarvoor echter heb ik
+geld noodig, vader, veel geld!”
+
+De reeder sloeg de handen ineen over deze onthullingen.
+
+„Waanzinnige”, weeklaagde hij, „jij bent niet te helpen! Vlucht in ’s
+hemelsnaam, als je iemand doodgeschoten hebt!”
+
+„Ja, ik wensch niets liever dan dat. Maar daar heb ik juist geld voor
+noodig, hoe meer, hoe beter!”
+
+„Als ik je toch zeg, dat ik geen geld heb”, jammerde de oude Apsley
+handenwringend.
+
+„Och, wat, gij zoudt geen geld hebben! We hebben toch eerst vanavond de
+vijftigduizend pond hierheen in veiligheid gebracht!”
+
+„Maar zij zijn weg”, antwoordde zijn vader hem. „Zij zijn er niet meer.
+Daar is niets meer aan te doen!”
+
+„Maar, vader, waar hebt ge ze dan?” vroeg James ongeloovig en mompelde
+in zichzelf: „Hij wil het me maar niet zeggen.”
+
+„Een ellendige geschiedenis”, sprak de reeder, die de zaak voor
+zichzelf gewikt en gewogen had. „James, James, wat haal jij voor dingen
+uit! Maar we zullen alles wel weer in het goede spoor brengen!
+
+„Ondertusschen moet jij je verborgen houden. We zullen wel overleggen.
+Al moeten we nu ook opnieuw beginnen, dat is niets, ik ben ertoe
+besloten. Ik laat mij niet ten onder brengen. Wij zullen de
+vijftigduizend pond terug zien te krijgen.”
+
+„Alsof ze inderdaad weg waren!” viel James spottend in de rede.
+
+„Ze zijn weg”, ging de reeder voort met een angstig gelaat. „Maar we
+hebben immers het geniale plan van Mr. Burton, en dat zal ons weer van
+deze schipbreuk redden. En spoedig zullen we er beter voorstaan dan
+ooit te voren.
+
+„Natuurlijk kan jij er onder deze omstandigheden niet aan denken, het
+ontwerp hedenvoormiddag persoonlijk in te leveren. Dat spreekt vanzelf!
+Geef mij dus het plan, ik zal het bezorgen! Hedenvoormiddag wordt de
+inschrijving voor den wedstrijd gesloten! En dan zullen we verder
+overleg plegen!— —
+
+„Onze geheele toekomst hangt nu af van het prachtige ontwerp!”
+
+De jonge Apsley kreeg bij deze woorden van zijn vader toch een gevoel
+van verlegenheid en schaamte over zich. Hij ergerde zich nu zelf over
+zijn grenzenlooze lichtzinnigheid en dwaasheid.
+
+Hij trachtte echter dit gevoel van zich af te schudden en verborg zijn
+schaamte achter een voorgewende driestheid.
+
+„Ik heb het ontwerp niet meer”, zei hij ronduit.
+
+De reeder keek hem sprakeloos aan. Hij kon het niet gelooven.
+
+„Wat?” vroeg hij, „heb je het ontwerp niet meer? Dat is onmogelijk!”
+
+James trad naderbij.
+
+„Neen, het is helaas zoo! Maar laten we daar geen woorden over
+verspelen. Wat gebeurd is, is niet meer goed te maken. Ik heb het in
+mijn speelwoede verpand, verkocht en het geld—nu, dat is ook al naar
+den duivel.”
+
+„Jij, schurk!” schreeuwde de reeder, door ontzetting aangegrepen.
+
+„Is dat waar?”
+
+Zijn borst ging zwaar op en neer en zijn hart klopte luid.
+
+„Hahaha!” lachte zijn zoon boosaardig. „Kostelijk, hij noemt mij schurk
+om het ontwerp, dat hij zelf stal!
+
+„Maar wees goed op me, vader, kom, geef mij het geld!—Ik zal bescheiden
+zijn. Geef mij een vijfde, tienduizend pond, en ik zal voor altijd
+bevredigd zijn.”
+
+De reeder zuchtte diep en greep zijn hoofd met beide handen vast. Toen
+begon hij heesch te lachen.
+
+„Nietswaardige, dat is het einde van alles!”
+
+Met één greep richtte hij de op tafel blinkende revolver van zijn zoon
+op zichzelf.
+
+Een schot knalde, en James Apsley’s vader stortte met bebloed gelaat
+voor zijn zoon op het tapijt neer.
+
+James sprong in den eersten schrik een paar passen achteruit. Spoedig
+echter kreeg de zelfzucht de overhand.
+
+„Die oude gek!” mompelde de liefdevolle zoon. „Hoe kon dat gestolen
+ontwerp hem toch tot zoo’n wanhopige daad voeren?
+
+„Enfin, des te beter! De heele vijftigduizend voor mij!
+Dadelijk—onmiddellijk zal ik verdwijnen. Misschien zoekt Scotland Yard
+mij al! Ik geloof weliswaar niet, dat ik iemand trof, doch wie weet! De
+duivel kan bij het schieten in het spel geweest zijn! Het was stom van
+me, dat is waar! Doch wie kan zich beheerschen, wanneer zelfs de
+laatste shilling in den wijden zak verdwijnt van dien vervloekten
+Yankee, die daarbij geen spiertje van zijn gelaat vertrekt.”
+
+Met begeerigen blik en verwrongen gelaat snelde de nog sterk
+beschonkene met wankelende schreden naar de slaapkamer van zijn vader,
+waar hij wist, dat de vijftigduizend pond bewaard werden.
+
+Met één draai ontstak hij het electrisch licht en ging naar het geheime
+kastje in den muur. De sleutelbos van zijn vader stak in het slot,
+hetgeen hem eenigszins verwonderde. Snel sloot hij de deur open.
+
+„Nu, zei ik het niet”, lachte hij hoonend bij den aanblik van de pakjes
+bankbiljetten.
+
+„Het is inderdaad zeer voorkomend van den oude mij zoo onverwacht in de
+aangename positie van den lachenden erfgenaam te verplaatsen.”
+
+Hij haalde den koffer wat dichterbij, waarin zij beiden de
+vijftigduizend pond hadden meegenomen en nam het eerste pakje uit een
+der vakjes te voorschijn.
+
+Zijn oogen werden echter onnatuurlijk groot. Hij ging met het bundeltje
+bij het electrisch licht, om beter te kunnen zien.
+
+Zijn zoowel door de zaak als door hazardspel geoefend oog herkende, in
+weerwil van zijn dronkenschap, de vervalsching.
+
+Hij bekeek het een na het ander alle papieren van het pakket en
+slingerde ze met kracht op den grond.
+
+Daarop ging hij naar de kast en keek ook de overige pakketten door.
+Dikke zweetdruppels stonden hem op het voorhoofd.
+
+„Alles valsch!—Wat beteekent dat?” fluisterde hij.
+
+De dronkenschap scheen opeens verdwenen te zijn. In plaats van de
+rozenroode sluiers van de door den roes opdoemende droombeelden zag hij
+plotseling de naakte, grijze werkelijkheid.
+
+Hij rilde ervan.—
+
+Daarop snelde hij naar het woonvertrek.
+
+„Alles—alles voorbij! En hij”, steunde hij met den blik op het met
+bloed bedekte lijk van zijn vader op het tapijt gericht, „hij—wist
+het!”
+
+Met een gevoel van nijd in zich rukte hij uit de koude hand van den
+doode de nog een of twee kogels bevattende revolver.
+
+Hij plaatste haar stevig tegen de slapen, en bij het knallen van het
+schot zonk, over het lijk van zijn vader heen, ook de zoon met
+verpletterden schedel op den grond.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE HOOP VAN DEN KAPITEIN VAN POLITIE NIET VERWEZENLIJKT.
+
+
+De kapitein van politie Baxter had het privé-kantoor der firma Apsley &
+Co., na de inbraak door Lord Lister, alias Mr. Shaw, verlaten, ten
+einde een razzia te houden in de Zuidoostelijke stadsgedeelten van
+Londen.
+
+Hij had niet de zuivere, ten minste niet de geheele waarheid gesproken.
+
+Zulk een razzia toch was reeds van de zijde van andere detectives van
+Scotland Yard in vollen gang. Hij zelf echter, met zijn speciale
+ondergeschikten Tyler en Marholm, was van plan, de aanwijzingen van den
+jongen Apsley te volgen en den vervalscher der bankbiljetten, den
+schilder Mr. Gower, te overvallen, mee te nemen en in hechtenis te
+brengen.
+
+
+
+Mr. Gower liep in zijn atelier, met grootendeels onomlijste
+schilderijen en kopergravures versierd, onrustig op en neer en rookte
+een sigaret. Op een teekentafel lagen de voor het kopergraveeren
+benoodigde werktuigen, graveerstift, schaaf en polijststaal, benevens
+een begonnen plaat. Op een piedestal op den achtergrond schitterde de
+half-voltooide karakterkop van een apostel.
+
+De kunstenaar echter, die slechts zelden bij electrisch licht werkte,
+had er dezen avond niet den minsten lust toe.
+
+Steeds weer moest hij er aan terugdenken, dat hij door nood gedrongen,
+op een zwak oogenblik, aan zijn clubgenoot James Apsley een valsch
+bankbiljet te wisselen had gegeven, dat nog in diens handen was en dat
+deze de teruggave geweigerd had, ofschoon de kunstenaar hem het volle
+bedrag en zelfs meer had geboden.
+
+De kunstenaar had een zijde van de bankbiljetten eenigen tijd geleden
+klaar gemaakt voor een Londensche firma, die de keerzijde wenschte te
+gebruiken om haar fabrikaten op humoristische wijze aan te prijzen.
+
+De biljetten waren echter zoo volkomen gelijkend uitgevallen, dat de
+firma vreesde daardoor in conflict met de wet te komen en per slot van
+rekening haar geheele plan opgaf.
+
+De schilder had nu de reeds gemaakte afdrukken voor zich liggen. Meer
+gedreven door nieuwsgierigheid dan door hebzucht of met het doel om te
+vervalschen, had hij de rugzijde ook nagestoken en achter op de gereed
+zijnde biljetten afgedrukt.
+
+Hij was zelf verbaasd over de gelijkenis met de echte bankbiljetten,
+had echter de pakjes weggesloten en bijna vergeten, totdat een
+plotselinge geldnood hem eraan herinnerde.
+
+James Apsley had hem in zijn atelier opgezocht, om een historisch
+schilderij van den kunstenaar te bezichtigen, voordat dit naar de
+............expositie ging, waar het als „Messalina’s dood” veel van
+zich deed spreken.
+
+Het was bij deze gelegenheid, dat Gower noodgedwongen het biljet van
+vijftig pond uit een ouden stoel bij het atelierraam op den achtergrond
+te voorschijn had gehaald en Mr. Apsley verzocht de banknoot voor hem
+te wisselen.
+
+Hij had weliswaar gevreesd, dat de met alle geldsoorten goed bekende
+zoon van den reeder dadelijk de vervalsching zou bemerken, in welk
+geval hij hem zou vertellen, hoe hij tot dezen arbeid was gekomen en
+hoe hij erover dacht, kortom, dat hij zich slechts een grap had
+veroorloofd.
+
+Toen evenwel Apsley, die de vervalsching dadelijk had ontdekt, zich
+niet in dien geest uitliet, doch zonder bedenking de banknoot wisselde,
+had hij in zijn benarde positie de zwakheid om te zwijgen en de som,
+hoewel zijn geweten hem erg knaagde, aan te nemen.
+
+Reeds een paar dagen later was hij in het bezit van een beduidende som
+gelds, daar zijn schilderij „Messalina’s dood”, nauwelijks
+tentoongesteld, een kooper had gevonden.
+
+Zijn eerste gang was naar Apsley geweest.
+
+Daar hij hem niet thuis trof, had hij hem in de Heerenclub opgezocht,
+alwaar de bespreking had plaats gehad, die Lord Lister had
+afgeluisterd.
+
+Door de onthulling van het ware karakter van Apsley en het in hem
+opgewekte medegevoel voor den kunstenaar nam Lister het besluit
+tusschenbeide te komen.
+
+Onrustig liep Mr. Gower zijn atelier op en neer. De weigering van James
+Apsley om hem het biljet terug te geven en de daaruit blijkende
+vijandelijke gezindheid en slechte bedoeling maakten hem zeer bezorgd.
+
+Hij was beslist van plan om in de eerstvolgende dagen alle nagemaakte
+bankbiljetten aan het vuur prijs te geven.
+
+Steeds weer stelde het hem eenigszins gerust, dat zelfs in het ergste
+geval wel niemand op de gedachte zou komen, dat zij in den ouden,
+uitgesneden stoel waren verborgen, die bovendien nog alleen door een
+moeilijk te vinden veer was open te krijgen.
+
+Op dit oogenblik werd er geklopt en nadat de schilder „binnen!” had
+geroepen, trad eerst de kapitein van politie Baxter en achter hem de
+detectives Tyler en de „Vloo” binnen.
+
+De kunstenaar verbleekte bij het zien van de hem bekende beambten van
+Scotland Yard.
+
+„Wat verschaft mij de eer, meneer de kapitein van politie?” vroeg hij
+met voorgewende kalmte.
+
+„Nu, Mr. Gower, wanneer ge dat nog niet weet, zult gij het spoedig
+hooren. Wij komen om uwe schilderijen te bekijken. Het is alleen nog
+maar de vraag, welke!”
+
+De hoop, dat de detectives de schuilplaats niet zouden vinden, gaf den
+schilder kracht.
+
+„Ik heb mij niets te verwijten! Hier moet een vergissing in het spel
+zijn, meneer de kapitein van politie”.
+
+Baxter haalde de schouders op.
+
+„Dat zegt iedereen natuurlijk. Maar de zeer juiste aanwijzingen, die ik
+heb, laten geen twijfel over.
+
+„Ik moet u verzoeken geen pogingen te doen om te ontvluchten, zoolang
+ons onderzoek nog niet is afgeloopen!
+
+„Het resultaat zal beslissend zijn!
+
+„Neemt u hier plaats en verroer u niet.
+
+„Tyler, gij blijft borg voor Mr. Gower!”
+
+Als een gebroken man zonk de kunstenaar op den stoel neer voor zijn
+koperplaat en steunde zijn hoofd in zijn rechterhand.
+
+Diep ongelukkig mompelde hij:
+
+„O, wat een schande! O, wat een schande!”
+
+Nog grooter werd zijn schrik, toen hij zag, dat de kapitein van politie
+en de vloo, zonder zich met eenig nader onderzoek bezig te houden, het
+piedestal met het apostel-beeld voorbij gingen en regelrecht op den
+stoel bij het achterste atelier-raam toe liepen.
+
+„Dat daar is een gesneden stoel, kapitein!” zei de vloo. „Die zal het
+zijn! Nu zullen we eens zien, of we de veer kunnen vinden.
+
+„Het zou jammer zijn van het kostbare stuk, wanneer wij het moesten
+openbreken!”
+
+„Kostbaar? Bah, dan heb ik wel eens wat kostbaarders gezien!”
+
+„Waarom niet? Het is toch een echt antiek stuk, misschien wel zes- of
+zeven honderd jaar oud.”
+
+„Och praat toch niet. In dien tijd kende men toch zeker nog geen
+geheime bergplaatsen!”
+
+„Dat is nog de vraag”, gaf de vloo ten antwoord.
+
+Dadelijk daarop riep hij triomfanteljk, zoodat het den schilder als een
+doodsoordeel in de ooren klonk:
+
+„Ik heb de veer! Kijk, daar is de knop, het is snijwerk!”
+
+Gower zou het liefst door den grond zijn gezonken van schaamte en
+ellende.
+
+Door den druk van Marholm was de stoel opengesprongen en de beide
+detectives keken elkaar zeer verbaasd aan.
+
+„Wel verduiveld, wat is dat nu? De stoel is immers leeg? Wat beteekent
+dat?” ging de kapitein van politie te keer.
+
+De schilder dacht te hebben misverstaan. Een gevoel van geluk kwam in
+eens over hem.
+
+„Hier, kapitein, heb ik een zwaar couvert aan het adres van Mr. Gower.
+Er schijnt geld in te zijn. Misschien geeft dat opheldering.”
+
+„Neen, dat klopt al niet! Volgens de ons verstrekte gegevens moest de
+stoel bijna geheel met valsche bankbiljetten gevuld zijn.
+
+„Wat kan zich nu in dat couvert bevinden? Het schijnt mij bovendien toe
+metaalgeld te zijn!”
+
+Nadat de beide detectives den stoel nog zoo nauwkeurig mogelijk hadden
+onderzocht en zich hadden overtuigd, dat er behalve het couvert niets
+in was en in kon zijn, lieten ze hem weer dicht vallen en kwamen met
+den briefomslag naar Mr. Gower toe.
+
+„Ik vraag u excuus, Mr. Gower. De ons gedane aanwijzingen zijn onjuist
+gebleken.
+
+„Het was echter onze plicht een onderzoek in te stellen. Hier is echter
+nog een aan u geadresseerd, gesloten couvert. Gij weet natuurlijk wat
+er in is?”
+
+„Geen flauw vermoeden”, antwoordde de kunstenaar overeenkomstig de
+waarheid.
+
+„Dat is toch zonderling! Er is hard geld in”, sprak Baxter.
+
+„Dan moet ik u toch verzoeken, het couvert in ons bijzijn open te
+maken”.
+
+Mr. Gower werd opnieuw opgewonden. Hij dacht aan dat eene, door hem
+uitgegeven bankbiljet.
+
+Toen hij echter het couvert had opengesneden, rolden er 25 goudstukken
+uit, terwijl hij een schrijven openvouwde, dat hij met blijde verbazing
+las.
+
+Het luidde:
+
+
+ „Geachte Meester!
+
+ Vergeefs hier op u wachtend met het doel u een portretschildering
+ op te dragen, ontdekte ik het geheim van den stoel en veroorloofde
+ mij, hieraan bijgaand voorschot op het aanstaand meesterwerk van uw
+ penseel toe te vertrouwen, zeer benieuwd, of en zoo ja, op welke
+ wijze gij dezen brief, ontdekken zult.
+
+ Met verzoek de grap goed op te nemen,
+
+ Iemand, dien gij spoedig zult leeren kennen.”
+
+
+Gower liet het couvert zien. Verder bevatte het niets.
+
+De drie detectives stonden sprakeloos.
+
+„Dat is heel aardig”, zei kapitein Baxter erg bedaard. „Ik wou, dat ik
+ook zulke onbekende vrienden had!”
+
+„Nu en of”, ging de vloo verder, „vijf-en-twintig sovereigns is geen
+kinderspel, en dat heet nog maar een voorschot. Gij moet wel reusachtig
+veel verdienen!
+
+„Ik zou wel eens willen weten, hoe lang dat daar al in ligt”.
+
+Mr. Gower haalde de schouders op.
+
+„Een datum is in het beleefde briefje niet aangegeven. Dat kan er wel
+al lang in liggen”.
+
+„Welnu, meneer Gower, neem ons niet kwalijk. Dergelijke onaangename
+plichten brengt ons beroep nu eenmaal mee.
+
+„In elk geval zijt gij volkomen in ’t gelijk gesteld. Met den aangever
+hebben we nog een appeltje te schillen.
+
+„Wil ons dus verontschuldigen en vaarwel.”
+
+„Adieu, heeren!”
+
+De drie detectives van Scotland Yard hadden geen gelukkigen dag.
+
+Als drie natte poedels dropen ze af en aanvaardden den terugtocht.
+
+Mr. Gower evenwel sloeg van blijdschap de handen ineen, nu de storm zoo
+kalm over zijn hoofd was heengegaan, en dacht ontroerd aan den
+onbekenden vriend, aan wien hij zijn redding had te danken.
+
+
+
+Toen Lord Lister uit de club op zijn villa terugkwam, vond hij zijn
+trouwen Charly, in weerwil van het vergevorderd uur, nog bezig aan zijn
+aeronautischen arbeid.
+
+De luchtschip-techniek was Charly’s stokpaardje en ze zou hem nog
+dikwijls te pas komen.
+
+„Arme kerel”, sprak Lister vol medelijden, „hij heeft zijn hoofd niet
+durven neerleggen uit zorg voor onze schatten!
+
+„Dat is de vloek van het goud, Charly!
+
+„Men kan het draaien zooals men wil, het hebben of niet hebben baart
+den mensch veel zorgen!
+
+„Doch genoeg over levenswijsheid!
+
+„Wij kunnen helaas nog niet naar bed gaan, want je moet nog eenmaal op
+onderzoek uit!”
+
+„Ik ben bereid, Edward.”
+
+„Ik stel er namelijk veel belang in om te weten, of de verwisseling der
+bankbiljetten in de ......street al ontdekt is!”
+
+„In welke gedaante?”
+
+„Als Mr. Shaw! Bedenk wel, dat de fameuze kapitein van politie een
+tamelijk scherp oog heeft; nog daargelaten de in dit opzicht zeer
+begaafde vloo.
+
+„Laat je nachtauto tegenover het garçonlogis van Apsley wachten, blijf
+erin, totdat Scotland Yard wegtrekt, of totdat er leven komt in het
+huis, en vraag naar het voorgevallene alsof je juist voorbij kwaamt!”
+
+„Goed”, antwoordde Charly, die reeds voor den spiegel stond om zich een
+echt Amerikaansch aanzien te geven.
+
+In korten tijd was hij weer de elegante, jonge Mr. Robert Benting-Shaw
+uit Chicago.
+
+Hij drukte Lord Lister de hand en ging haastig weg.
+
+Lister stak een sigaret op en liep peinzend heen en weer.
+
+Daarop nam hij een deel van Shakespeare’s meesterwerken van de plank en
+verdiepte zich in zijn prachtige comedie „Cymbeline”.
+
+Eindelijk kwam Charly opgewonden en ontdaan terug en deelde mede, dat
+zooeven, opgebeld door de bewoners van het huis, Scotland Yard was
+aangekomen en de lijken der beide heeren Apsley in de
+vrijgezellenwoning van den vader had gevonden.
+
+„Blijf hier, Charly, en zorg voor koffie. Het is bijna morgen. Ik ga
+erheen en wil zelf hooren en zien, wat er gebeurd is. Ik zal niet lang
+wegblijven!”
+
+De dikke Amerikaan werd op de plaats van het ongeval door de beambten
+van Scotland Yard als een oude kennis met vreugde begroet. Vooral
+Baxter was niet weinig gevleid, dat de wereldberoemde milliardair zoo
+druk met hem omging.
+
+De beide lijken lagen nog, zooals men ze had gevonden, vader en zoon
+over elkaar uitgestrekt.
+
+Terwijl de beambten de slaapkamer doorzochten en bij de ontdekking van
+de kast in den muur luide uitroepen van verbazing en verontwaardiging
+slaakten, stond Lord Lister met over elkaar geslagen armen in de
+huiskamer en keek met ernstig gelaat naar het tweetal, dat zichzelf had
+gestraft.
+
+Al waren het ook schurken en al hadden zij ook een moord op hun geweten
+genomen, om geen getuige tegen zich te hebben, hun dood had hij toch
+niet gewenscht.
+
+Daar trad, blijkbaar zeer opgewonden, kapitein Baxter de kamer binnen.
+
+„Wat is er, Mr. Baxter? Wat maakt u zoo nerveus? Hoe verklaart gij deze
+aangelegenheid, die mij zoo onbegrijpelijk mogelijk is? Wat een
+vreeselijk geval!”
+
+„De verklaring is heel eenvoudig”, antwoordde Baxter met
+zelfvoldoening.
+
+„Ik wil geheel in het midden laten, of hier een moord of een dubbele
+zelfmoord is gepleegd, daar de schoten uit dezelfde revolver kwamen.
+
+„Ik denk aan dubbelen zelfmoord.
+
+„De beide heeren Apsley zijn ontmaskerd als de uitgevers van de in
+omloop zijnde valsche bankbiljetten. Daar binnen, in de slaapkamer,
+bevindt zich een geheime muurkast, die geheel gevuld is met valsche
+biljetten van vijf, tien en vijftig pond. Tyler en Marholm zijn juist
+bezig het bedrag te tellen.”
+
+„De beide heeren Apsley vervalschers van bankpapier? Maar waarom hebben
+zij elkaar dan om het leven gebracht?” vroeg Lord Lister.
+
+„Valsch papiergeld tot zulk een hoog bedrag”, antwoordde Baxter met een
+gewichtig gelaat, „kan alleen bij hooge bedragen met echt papier mee
+gesmokkeld worden. En daar de heeren Apsley door de inbraak in hun
+kantoor hun geheele vermogen hebben verloren, zagen zij geen kans, het
+valsche papier ooit te kunnen uitgeven. Daar zij door den diefstal van
+Raffles alles kwijt waren, zochten zij te zamen den dood. Wat zegt gij
+van deze verklaring?”
+
+„Die is zeer aannemelijk, kapitein. Wel, wel, wat hebt gij een gave om
+te combineeren! Bewonderenswaardig!”
+
+„O, Mr. Shaw, gij maakt mij verlegen”, antwoordde Baxter gevleid. „Wat
+mij het meest ergert is, dat deze jonge schurk hier op den grond—die
+zichzelf nu heeft gestraft—den moed had om Scotland Yard leugenachtige
+mededeelingen te doen omtrent een eerlijk man, terwijl hij zelf de
+vervalscher was.”
+
+Lister gaf hem gelijk, hoewel het hem moeite kostte niet te
+schaterlachen.— — —
+
+Toen Lord Lister in de villa terugkeerde, had Charly intusschen
+heerlijke koffie gezet en de versche broodjes aangenomen van den
+bakkersjongen.
+
+„Nu, mijn beste jongen”, sprak Lord Lister, een fijne sigaret
+aanstekend, „laat ons nu allereerst eens zorgen voor het geluk van een
+jong paar.
+
+„Neem het geniale plan van den ingenieur Burton en bezorg het, vermomd
+als boodschapsjongen, met een begeleidend briefje van mij aan Miss
+Betty Robertson, de bruid van den ingenieur.
+
+„Zij heeft nog tijd genoeg om het ontwerp aan haar verloofde ter hand
+te stellen, opdat hij aan den wedstrijd kan deelnemen.”— — —
+
+Reeds vroeg in den morgen had ingenieur Burton zich naar het
+Admiraliteitsgebouw begeven, waar in twee zalen de wedstrijd om tien
+uur zou worden geopend.
+
+Hij was in zijn verdriet eigenlijk alleen gegaan om te zien of zijn
+ontwerp niet door een ongerechtigde werd ingeleverd.
+
+Maar hij had alle hoop reeds opgegeven.
+
+Daar verschenen, bijna op het laatste oogenblik, twee dames in de
+deuropening en hij hoorde door een bekende stem zijn naam roepen.
+
+Toen hij omkeek, zag hij naast een kennis zijn bruid staan, die een
+blauw papier in de hoogte hield.
+
+Burton uitte een jubelkreet en vloog haar tegemoet. Het ontwerp was
+terug en hij kon het nog tijdig inleveren.
+
+Daar er weinig ontwerpen ingekomen waren over dit zoo uiterst moeilijke
+onderwerp, werd reeds na anderhalf uur door de jury beslist, dat
+Burton’s plan als verreweg het beste met den prijs was bekroond en ter
+uitvoering was aangenomen, welke hem eveneens was opgedragen.
+
+Toen de uitspraak bekend werd kwamen juist Lister en Charly nader om
+naar den stand der zaken te informeeren. De groote onbekende kocht, in
+zijn rol van den milliardair Shaw de nu stilstaande werken der firma
+Apsley en stelde deze ter beschikking van den jongen ingenieur.
+
+Hierop reed het gezelschap per auto naar den schilder Gower om
+verschillende bestellingen voor portretten te doen.
+
+Mr. Gower drukte Lord Lister onophoudelijk vol dankbaarheid de handen,
+en toen het gezelschap zich in het atelier had verspreid, riep Lister
+den kunstenaar apart en toonde hem een biljet van vijftig pond, dat
+deze maar al te goed herkende.
+
+Lister streek een lucifer aan en verbrandde het voor zijn oogen.
+
+Mr. Gower kon van ontroering niet spreken, want eerst nu was hij weer
+gerust.
+
+Het is waarschijnlijk, dat het door „Mr. Shaw” bestelde portret een
+meesterstuk zal worden, evenals het model voor een Engelsche
+onderzeesche boot van Mr. Burton.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78338 ***