diff options
Diffstat (limited to '78338-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78338-0.txt | 3233 |
1 files changed, 3233 insertions, 0 deletions
diff --git a/78338-0.txt b/78338-0.txt new file mode 100644 index 0000000..ef3e3af --- /dev/null +++ b/78338-0.txt @@ -0,0 +1,3233 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78338 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 42 ONGEWENSCHTE WRAAK. + + + + + + + + +ONGEWENSCHTE WRAAK + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN EDELE DAAD VAN LORD LISTER EN EEN NIEUWE TRUC VAN RAFFLES. + + +In het beroemde café Austria in de Regentstraat ging het tegen acht uur +op een regenachtigen Octoberavond rumoerig toe. + +Zooeven had een der in het wit gekleede Oostenrijksche kellners een kop +koffie gebracht aan een eenigszins corpulent heer van middelbaren +leeftijd, die in een der vensternissen op zijn gemak in de kussens van +een divan leunde. Tegelijkertijd had de kellner de pas uitgekomen +avondbladen op het marmeren tafeltje voor den heer neergelegd. + +De corpulente heer stak een sigaret aan, proefde de koffie en verdiepte +zich in de politieke mededeelingen in de Daily Telegraph. + +Hij had nog niet lang gelezen, toen een jonge man van opvallend +Amerikaansch uiterlijk op den drempel van de deur in de onmiddellijke +nabijheid verscheen met een reusachtige reistasch in de rechterhand. + +Hij keek met onderzoekenden blik rond en glimlachte, toen hij den +dikken heer zoo dichtbij op den divan zag zitten. Hij liep dadelijk +naar hem toe en zette zijn groote tasch, die leeg scheen te zijn, neer +met een vroolijk: + +„Goeden avond, waarde oom, daar ben ik!” + +„Ah, zeer goed, Char... ik wou zeggen neef Bob!” antwoordde de +welgedane Amerikaan en legde zijn courant neer. „Ben je daar al! Je +hebt een waar monster van een tasch opgediept! Maar zij is uitstekend +geschikt voor ons plan en zal voldoende zijn! Ga zitten! Kellner! Nog +een koffie!” + +Charly Brand, want hij was het, ontdeed zich van zijn overjas en nam +plaats. + +Toen de kellner de koffie had gebracht, legde Lord Lister, die in zijn +Amerikaansche kleeding met het pneumatische buikkussen nauwelijks te +herkennen was, zijn hand op Charly’s arm. + +„Vandaag zullen wij eens iets gaan stelen, om den eigenaar een groot +genoegen te doen.” + +„Dat is eigenaardig, oom! Kan dat ook voorkomen?” + +Charly keek zoo naïef en verbaasd, dat Lord Lister onwillekeurig +glimlachte. + +„Dat zal je heel gauw begrijpen! Ik zal je in het kort mijn plannen +meedelen, want wij hebben geen tijd te verliezen! + +„Een bekwaam kunstenaar, hoogstaand als schilder en als etser, heeft er +zich door tegenspoed en geldgebrek toe laten drijven om valsch +papiergeld te maken, dat zoo uitstekend is nagebootst, dat het +nauwelijks van echt te onderscheiden is. + +„Hij heeft alleen een banknoot van vijftig pond uitgegeven en kreeg +toen berouw. Men droeg hem op een portret te schilderen en hij begaf +zich naar den heer, wien hij de valsche banknoot had gegeven, om hem te +verzoeken, hem het bankbiljet van vijftig pond, tegen betaling van dat +bedrag in klinkende munt, terug te geven. + +„Deze man, die de vervalsching ondanks alles onmiddellijk had +opgemerkt, had het bankbiljet bewaard, om den kunstenaar in zijn macht +te hebben + +„Hij weigerde beslist het terug te geven, als de ander hem niet een +aantal valsche bankbiljetten tegen betaling van den halven prijs wilde +geven. + +„Ik was toevallig getuige van het gesprek in een zijvertrek van de +beroemde heerenspeelclub in Westend. Het was mij opgevallen, dat de +beide heeren uit de speelzalen verdwenen, terwijl de artist er +ongelukkig en bedroefd uitzag. + +„Ik ben er blij om, dat ik het tweetal volgde en hun gesprek +afluisterde. + +„De smeekbeden, de oprechte smart van den niet meer onbekenden +kunstenaar tegenover den harteloozen jongen schurk gingen mij aan het +hart en ik besloot, hem te helpen! + +„Denzelfden avond had deze jonge man veel pech aan de speeltafel. Ik +speelde eveneens en had het geluk, hem ook nog iets af te winnen. Ten +slotte wierp hij, min of meer beschonken, een bankbiljet van vijftig +pond op tafel, dat gelukkig in mijn handen viel.” + +„Gelukkig voor den kunstenaar!” riep Charly Brand glimlachend uit. + +„Zooals je het op wilt vatten!” antwoordde Lord Lister. „Ja, het was de +valsche banknoot en daardoor is de schilder uit de klauwen van den +booswicht gered. + +„Maar ik vergat nog je te vertellen, dat deze ook bedreigingen uitte +tegen den ongelukkige. Ik vrees daarom, dat hij Scotland Yard heeft +ingelicht en dat, zonder dat de artist vermoedt wat hem boven het hoofd +hangt, huiszoeking bij hem zal worden gehouden. + +„Want de elegante jonge heer uitte deze dreigementen, toen hij den +artist verliet en bij het heengaan langs mijn schuilhoek ging. Dus aan +het werk, Charly, opdat wij Scotland Yard voor zijn!” + +Lord Lister betaalde en trok met moeite, geholpen door den kellner, +zijn overjas aan. Charly nam zijn reistasch op en beide heeren +verlieten het café Austria. + +Buiten stonden een massa huurrijtuigen en, na den koetsier een straat +te hebben opgegeven, namen zij plaats in het eerste het beste gesloten +rijtuig, dat met hen wegreed. + +Zij hadden nog niet lang door de Londensche straten gereden, toen luid +geschreeuw van courantenjongens Lord Lister naar buiten deed kijken. + +„Nu luister eens!” riep Lister vol verbazing uit, „hoor je wat zij +roepen, Charly? Een nieuwe streek van Raffles! Daar moeten wij toch ook +iets van weten. Hola, koetsier! Halt houden!” + +Het rijtuig bleef staan en op een wenk van zijn vriend en meester +sprong Charly eruit, kocht een nummer van de Times en gaf dat aan +Lister. + +Het was een extra-nummer, dat in groote letters het opschrift droeg: + + + „Een nieuwe truc van Raffles.—Een gestolen millioen.—Een failliete + reedersfirma.—Een afgeranselde medeplichtige.—Confrontatie van den + misdadiger op Scotland Yard met den reeder.—Scotland Yard zoekt + tevergeefs, enz.” + + +Ook den naam en het adres van den bestolen reeder waren opgegeven en de +bijzonderheden van den diefstal bij den voornamen reeder, welke +diefstal dien avond was gepleegd, onmiddellijk nadat de zaak was +gesloten, waren door den bestolene zelf meegedeeld. + +Lord Lister kon zijn oogen niet gelooven. Dat was sterk! + +Een gemeene bedrieger had misbruik gemaakt van zijn naam om ongestraft +een misdaad te begaan, die waarschijnlijk niets gemeen had met de +praktijken van den meesterdief. + +Daarbij was er een moord gepleegd, die in elk geval, al was het +slachtoffer ook slechts een verloopen misdadiger, toch op rekening van +Raffles kwam. + +Deze had daarom besloten, zich onmiddellijk naar de plek des onheils te +begeven om nauwkeurige inlichtingen in te winnen omtrent de op zijn +naam gepleegde schurkenstreek. + +Daarom liet hij het vol vertrouwen alleen aan Charly over, om de +valsche banknoten heimelijk uit het atelier van den schilder weg te +halen. + +Hij gaf Charly een brief, dien hij daarvoor inplaats moest achterlaten. +Hierin bevond zich, behalve een opdracht tot het schilderen van een +portret, een aanzienlijk bedrag, echter niet in papiergeld, maar in +goudgeld. + +De onderteekening luidde: + +„Een bewonderaar van uw kunst, dien gij spoedig zult leeren kennen.” + +Nadat Charly het adres had gekregen van den schilder Gower, reed hij +weg, terwijl Lord Lister in een leeg rijtuig, dat juist passeerde, +plaats nam om de plek van de misdaad te gaan opzoeken. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +SCOTLAND YARD EN DE NIEUWE RAFFLESSTREEK. + + +Toen Lord Lister zich in de gedaante van den waardigen, oudachtigen Mr. +Shaw door de menschenmenigte wilde dringen, welke de kantoorlokalen der +firma Apsley en Co. omringde, wilde een agent van politie, gewapend met +een gummistok, hem terugdringen. + +„Hier is geen toegang, Sir!” sprak hij op barschen toon, „Scotland Yard +is daar binnen bezig en het publiek kan bij die werkzaamheden slechts +hinderlijk zijn!” + +„Ik ben het volkomen met u eens, waarde inspecteur”, antwoordde Lord +Lister met echt Yankee dialect. „Maar kunt gij mij misschien zeggen, of +een van mijn kennissen, de wereldberoemde kapitein Baxter, of +inspecteur Marholm daar binnen is?” + +„Zij zijn daar beiden, Sir!” antwoordde de agent van politie reeds op +veel beleefder toon. + +De oude Amerikaan haalde bedaard en met veel omhaal een visitekaartje +uit zijn notitieboekje, deed er een paar sigaren bij en gaf dit te +zamen aan den beambte. + +„Wilt gij zoo goed zijn, kapitein Baxter mijn kaartje te overhandigen? +Ik stel mijn zwakke krachten gaarne te zijner beschikking!” + +De politieagent verdween en kwam zeer snel weer terug. Hij verzocht den +heer Harry Shaw met groote vriendelijkheid, binnen te komen en stelde +het mopperende publiek tevreden met de mededeeling, dat die heer een +Amerikaansch detective was. + +Toen Lister in zijn goed gekozen vermomming nadertrad, kwam kapitein +Baxter hem reeds in het eerste kantoorlokaal tegemoet en begroette hem +met de grootst mogelijke beleefdheid. + +„Wat zegt gij van deze nieuwe brutaliteit van den zoogenaamden +meesterdief Raffles? Is het niet hemeltergend? + +„Evenals Mr. Apsley, de groote reeder, die nu zijn vermogen heeft +verloren en totaal geruïneerd is, hebben ook wij in Scotland Yard +telefonisch bericht gekregen, dat Raffles de brandkast der firma Apsley +Co. zou leeghalen. + +„Zoo’n onbeschaamdheid. + +„Wij konden niet eerder hier zijn en kwamen te laat. Mr. Apsley heeft +echter de dieven nog juist verrast en met de laatsten een harden strijd +gehad. + +„Kom mee, kom mee, alles ligt nog precies zoo als wij het hebben +gevonden. De door den heer Apsley gewurgde brandkastvernieler ligt op +een paar stoelen, omdat de lijkschouwer dadelijk zal komen!” + +„Hoe, door Mr. Apsley gewurgd?” vroeg Lister verbaasd. „Ik meende, +doodgeschoten!” + +Bij deze woorden waren beiden het derde kantoorlokaal, het particuliere +kantoor van Mr. Apsley, binnengetreden. + +Hier getuigde de groote wanorde, omver geworpen kantoorstoelen, een +gebroken lessenaar, inktkokers en inkt op den vloer, papiersnippers en +bovenal de gewelddadig geopende en droevig leege brandkast van de +inbraak en het gevecht. + +Terwijl de kortbeenige detective Marholm, bijgenaamd de vloo, juist de +beschadiging van de brandkast aan een onderzoek onderwierp, bekeek +detective Tijler met alle aandacht het op de binnenplaats uitziende, +openstaande venster, waardoor de spitsboeven volgens de verklaring van +Mr. Apsley, waren ontkomen. Door middel van een soort van lasso had hij +den derden inbreker van dat venster teruggetrokken en bij dien stevigen +ruk had hij hem tegen zijn wil gewurgd. + +De arme reeder, een man, die, naar het scheen, in de vijftig was, zag +er erbarmelijk uit. Zijn jas hing aan flarden om hem heen, de kraag was +er afgescheurd en zijn boord lag in onooglijken toestand op tafel. + +Aan zijn hals waren roode plekken zichtbaar en als hij den derden +spitsboef ten slotte gewurgd had, dan scheen hier de Voorzienigheid te +hebben ingegrepen, want de misdadiger moest hem eerst behoorlijk bij de +keel hebben gepakt. + +Ook de grijsachtige pruik, die hij op den reeds tamelijk kalen schedel +droeg, bewees door haar uiterlijk, dat zij blijkbaar een lijdelijke rol +in het gevecht had gespeeld. Vermoedelijk waren er meerdere vuistslagen +op neergedaald. + +Toen Lord Lister, alias Mr. Shaw, naderbij kwam, kwam een eigenaardige +uitdrukking op zijn gelaat. + +Hij had naast den reeder, die hulpbehoevend en geheel terneergeslagen +in zijn bureaustoel zat, een persoon opgemerkt, die hem bekend +voorkwam. + +Het was een zeer elegante, jonge man in zwarte gekleede jas en wiens +onberispelijke hooge hoed op de schrijftafel stond. Hij boog zich juist +liefdevol over den ouden heer en scheen bezig te zijn, dien te +troosten. + +„Wie is dat?” fluisterde Lister kapitein Baxter toe. + +„De beide heeren Apsley, vader en zoon!” antwoordde de inspecteur. + +Op dit oogenblik keerde de jongste der beide heeren zijn bleek, +afgeleefd gelaat met klein snorretje naar den nieuwen bezoeker. +Blijkbaar herkende hij Mr. Shaw niet, daar hij den vorigen dag, toen +hij met dezen had gespeeld, reeds in vrij hooge mate dronken was +geweest. + +Lister echter had hem onmiddellijk herkend als den persoon, die +onverbiddelijk was gebleven voor de smeekbeden van den artist. Hier +echter, tegenover zijn vader, bij dit geweldige verlies, dat ook hem +trof, maakte hij een zeer beminnelijken indruk. + +Hij scheen zich met groote zelfbeheersching over het geldelijke verlies +te kunnen heenzetten en zich alleen bezorgd te maken over zijn +ontroostbaren, geheel terneergeslagen vader. + +Met de wellevendheid van een man van de wereld stelde Lord Lister zich +dadelijk aan de beide heeren voor als Mr. Shaw uit Chicago en betuigde +hun zijn oprechte deelneming in hun groot verlies. + +Hij stelde zichzelf in ieder opzicht ter beschikking, daar alle naties +in den strijd tegen dergelijke gewetenlooze misdadigers zij aan zij +moesten staan. + +De beide heeren dankten natuurlijk hartelijk voor het vriendelijke +aanbod en waren een en al beleefdheid. + +„Ja”, sprak kapitein Baxter, „tot dusverre ontbreekt ons nog elke +aanduiding, waarheen de spitsboeven zijn gevlucht en hoe het hun zoo +gauw nadat de kantoren gesloten waren, mogelijk is geweest om de +vuurvaste, sterke brandkast open te breken en leeg te halen. + +„De heer Apsley heeft ons zooeven de toedracht der zaak meegedeeld, in +zooverre hij erin betrokken was! + +„Tot dusverre staat alleen vast, dat het weer die vervloekte Raffles +was, die met behulp van twee beroepsinbrekers de misdaad heeft +gepleegd!” + +„Raffles, waarom?” vroeg Lord Lister, alsof hij van niets wist. + +„Wel, weet gij dan niet”, vroeg kapitein Baxter, „dat die kerel, die +steeds brutaler wordt, ons hedenavond heeft opgebeld?” + +„Hoor eens, kapitein!” antwoordde Lister op beminnelijken toon, +„telefoneeren kan iedereen! Hoe kunt gij bewijzen, dat het werkelijk en +inderdaad Raffles is geweest?” + +Lister had bij die woorden de beide heeren Apsley met het +onverschilligste gezicht van de wereld aangekeken, alsof hij wilde +zeggen: + +„Zijt gij het niet met mij eens, heeren?” + +En het kwam hem voor, alsof de oudste heer Apsley zijn verlegenheid met +moeite verborg; terwijl hij als wanhopig voor zich staarde en het +vermeed, den spreker aan te zien. + +Het gelaat van den jongen Apsley scheen nog bleeker te zijn geworden. + +Hij wees naar de tafel en sprak: + +„De brutale kerel heeft ook den treurigen moed gehad, ons te +telegrafeeren! Daar ligt het telegram.” + +Lister nam het telegram op en las: + + + „Mr. Apsley en Co. Ik zal hedenavond een bezoek brengen aan uw + brandkast. + + JOHN RAFFLES.” + + +„Dat is sterk!” riep de eerlijke Amerikaan in onvervalscht +Yankee-dialect uit, „het verbaast mij, dat men op het telegraafkantoor +deze depêche heeft aangenomen! Wanneer is het telegram afgezonden? +Juist, om vijf uur! Hebt gij dan in het geheel geen maatregelen +genomen, Mr. Apsley?” + +De reeder haalde de schouders op. + +„Wie kan gelooven, dat een misdadiger zijn plan van te voren +aankondigt! Ik hield het voor een grap, voor de flauwe aardigheid van +een kennis, die misschien geld wilde komen halen of voor de boosaardige +grap van een mijner beambten, die mij bang wilde maken. + +„Hoewel ik er niet aan geloofde, veronderstelde ik, zooals +waarschijnlijk ieder in mijn plaats zou doen, dat, als er iets van aan +was, de inbraak veel later zou plaats hebben en niet zoo onmiddellijk +na het sluiten der kantoren, wanneer de straten nog vol menschen zijn. + +„Daarom besloot ik, hoewel ik ervan overtuigd was, dat er niets zou +gebeuren, toch bij uitzondering thuis te blijven. + +„Ik ging daarom naar boven, naar de eerste verdieping, waar ik eenige +kamers direct boven de kantoorlokalen heb. Ik heb niet veel vertrekken +noodig, daar ik helaas weduwnaar ben. Daar moest ik ieder geluid +beneden hooren. + +„Ik had juist een paar sandwiches, die ik in huis had, gebruikt, en mij +een kop thee ingeschonken; ik kon nog geen half uur boven zijn geweest. + +„Hoe weinig waarde ik eigenlijk aan den inhoud van het telegram had +gehecht, bewijst wel het beste de omstandigheid, dat ik mij niet eens +de moeite had gegeven om mijn kast te openen, daar mijn revolver uit te +nemen en die te laden. + +„Daar verneem ik plotseling beneden in de kantoorlokalen een geluid, +dat mij bekend voorkomt. + +„„Wat is dat?” vraag ik mijzelf af. + +„Ik heb een gevoel, alsof men mij op mijn hersens slaat! Voor een +oogenblik verlies ik mijn tegenwoordigheid van geest.— + +„Opeens voel ik een koude rilling langs mijn rug. + +„Drommels, dat is de brandkast! + +„Mijne heeren, de brandkast bevatte—ik ben failliet, ik ben +geruïneerd!—de brandkast bevatte 50,000 pond sterling! + +„Ik had de laatste dagen groote betalingen gehad, de derde termijn voor +onze groote stoomboot, enorme leveranties voor onze eigen +scheepstimmerwerven—alleen de hoofdbedragen! + +„Wij zijn geruïneerd! Alles, alles heeft die vervloekte schurk, die op +de een of andere wijze van het voorhanden zijn van dit bijzonder groote +bedrag in onze kas heeft geweten, meegesleept. + +„Geen penny heeft hij achtergelaten. + +„Wat hebben wij aan brandkasten met gepantserde platen, als die +virtuozen op het gebied der inbraakkunst in staat zijn, de beste +fabrikaten geruischloos open te breken, of liever gezegd: open te +smelten? + +„Want het is duidelijk, dat hier het slot met behulp van knalgas is +losgesmolten. + +„Gij kunt de plaatsen op den vloer zien, waar het gloeiende metaal af +is gedropen en waar het den vloer heeft verbrand!” + +„Dat klopt!” riep detective Marholm uit, „maar wat deedt gij verder, +Mr. Apsley, toen gij het knarsende geluid van de deur uwer brandkast +hadt vernomen?” + +„Ik keek om mij heen, zoekend naar het een of andere wapen. + +„Nu moet ik eerst vertellen, dat ik vroeger jarenlang in Amerika heb +gewoond, onder anderen te San Francisco en in de Westelijke +mijndistricten. Daar werkt men veel met de lasso. + +„Ik had dat ook geleerd. + +„Toevallig viel mijn blik op het eind sterk koord, dat ik voor mijn +gordijnen had gebruikt.” + +De vloo legde bij deze woorden van den reeder het bedoelde eind koord, +dat men van den hals van den inbreker had losgemaakt, op tafel. + +Het koord was veel dikker dan men het gewoonlijk voor het ophalen van +gordijnen gebruikt. Het was van een groote lus voorzien en bijzonder +geschikt om als lasso te worden gebruikt. + +Lord Lister maakte deze opmerkingen in stilte, toen hij het eind koord +bekeek. + +„Ik neem dus het koord in de hand en maak er onwillekeurig een lus in, +zonder er bij te denken, want mijn gedachten waren bij mijn brandkast. +Ik snelde naar beneden en rukte de kantoordeur open. + +„Ik zie nog juist, hoe een persoon iets uit het venster naar de +binnenplaats reikt en daarna er zelf uitspringt. Op hetzelfde oogenblik +echter krijg ik een slag op het hoofd en grijpt men mij bij de keel. + +„Natuurlijk verdedig ik mij zoo goed ik kan, maar in een ommezien lig +ik op den vloer. + +„De kerel laat mij los en wil naar het raam snellen. Juist toen ik +bliksemsnel weer ben opgestaan, springt de misdadiger op de +vensterbank, ik denk aan mijn lasso, slinger die in de hoogte en mik +zoo goed, dat ik den schurk erin vang. + +„Ik trek uit al mijn macht, zonder precies te weten wat ik doe, geheel +en al werktuigelijk en de kerel valt als een blok hout van de +vensterbank in de kamer terug. + +„Ik houd de lasso nog steeds gespannen. Maar hij beweegt zich niet en +naderbij komend zie ik, dat hij morsdood is! + +„Ik had hem, zonder het te willen, met mijn koord gewurgd! + +„Verder kan ik niets vertellen. + +„Ik telefoneerde onmiddellijk mijn zoon in zijn club, die dan ook heel +spoedig per auto aankwam en wiens schrik en verbazing over hetgeen in +zijn afwezigheid was voorgevallen, ge u kunt voorstellen! + +„Het spijt mij, dat die geschiedenis met de lasso is gebeurd!” + +„Kom, krijg daarover maar geen grijze haren, Mr. Apsley! Uw lasso was +werkelijk een uitstekende inval!” + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HET GESTOLEN ONTWERP VOOR EEN ONDERZEESCHE BOOT. + + +Nauwelijks had kapitein Baxter deze woorden gesproken, of een jonge man +snelde geheel buiten zichzelf van opgewondenheid het particuliere +kantoor van den reeder binnen. + +„Om ’s Hemelswil, Mr. Apsley!” riep hij tot dien heer, die schijnbaar +in de diepste verslagenheid aan tafel zat, „tot mijn schrik hoor ik, +dat men bij u heeft ingebroken! Men heeft uw brandkast geplunderd! + +„Ik wilde juist hierheen om u teruggaaf te verzoeken van het ontwerp, +dat ik u eenige dagen geleden toevertrouwde. Gij weet wel, dat morgen +de wedstrijd wordt geopend. + +„O, stel mij toch gerust, mijn beste heer! Nietwaar, ik kan mijn +ontwerp toch heden terugkrijgen? De dieven zullen het toch niet hebben +meegenomen? Het had voor hen immers niet de minste waarde!” + +De oude reeder sloeg de handen boven het hoofd samen en drukte ze +daarna voor zijn oogen. + +„Mijn hemel, ook nog deze onoverkomelijke ramp!” + +Hij stond weenend op; hij zag er in zijn verscheurde kleeren jammerlijk +uit en omhelsde met vochtige oogen den jongen man. + +„O, mijn kranige Mr. Burton! Gij ziet in mij den ongelukkigsten man van +geheel Londen! Ik ben bestolen! Mijn geheele vermogen, ja, nog meer is +gestolen! En toch—niets gaat mij zoo aan het hart als uw onherstelbaar +verlies! + +„O, dwaas die ik ben, om mijn brandkast voor zoo veilig te houden! Het +is, alsof men mij nu het tegendeel heeft willen bewijzen! + +„Mijn lieve, kranige Burton, ook uw heerlijk ontwerp, dat u stellig den +eersten prijs zou hebben bezorgd, is gestolen!” + +Mr. Apsley weende hartverscheurend en bracht telkens weer zijn zakdoek +naar de oogen. + +Lord Lister beschouwde den zoozeer door het ongeluk getroffen jongen +man met innige deelneming. + +Het fijnbesneden gelaat van den blonden artist, die ongeveer achter in +de twintig moest zijn, drukte groote droefenis uit, toen hij uit den +mond van den reeder zijn ongeluk vernam. Hij beefde en moest zich aan +de tafel vasthouden. Blijkbaar was hij op het punt, in zwijm te vallen. + +Lord Lister naderde hem en sloeg zijn arm om hem heen. + +„Moed houden, moed houden, mijn jonge vriend!” sprak hij op meewarigen +toon. „Wij zullen trachten de papieren terug te vinden! En wij zullen +ze terugkrijgen, vooral daar zij geen waarde hebben voor de +misdadigers.” + +„Zou het mogelijk zijn, mijnheer—” + +„Mr. Shaw uit Chicago!” stelde Lister zich voor. + +„Edward Burton, chef-ingenieur der Apsley-werken in de Commercial +Docks!—Maar dan is het te laat! Wanneer de ontwerpen morgenmiddag niet +zijn ingeleverd bij de commissie, worden zij niet meer aangenomen door +de jury en heeft men geen aanspraak meer op den prijs. + +„Ik heb iets geheel nieuws in elkaar gezet en ben ervan overtuigd, dat +ik had gezegevierd over de weinige collega’s, die niets vermoeden van +mijn uitvinding!”— + +„O, Mr. Edward, gij verscheurt mij het hart!” weeklaagde de oude +reeder. „Natuurlijk zoudt gij hebben gezegevierd en nu moet ik door +mijn te groot vertrouwen ook u mee in het verderf storten! O, een +ongeluk komt zelden alleen!” + +De oude Apsley was wanhopig. + +Zijn zoon, die voortdurend had gezwegen, richtte zich nu, naar het +scheen, zeer onder den indruk, tot den jammerenden ingenieur. + +„Ziet gij dan niet, Mr. Burton, hoezeer gij mijn vader opwindt met uw +verwijten en klachten? Hoe durft gij het wagen, uw klein ongeluk hier +zoo uit te bazuinen op het oogenblik, waarop die vervloekte Raffles ons +totaal heeft geruïneerd! Het ontwerp, dat gij toch zelf hebt gemaakt, +zult gij toch wel gauw weer in elkaar kunnen zetten! Dat kleine uitstel +zal u toch wel niet ongelukkig maken!” + +„Maar Mr. Apsley, morgen wordt de wedstrijd immers reeds geopend! +Morgenmiddag is de termijn afgeloopen! Ik moet de mooiste gelegenheid, +die misschien nooit terugkomt, voorbij laten gaan! Mijn geheele +toekomst is vernietigd, als ik het ontwerp niet volgens mijn opgaaf +morgenmiddag kan inzenden! + +„Ik hoopte, dat het de grondslag zou zijn tot mijn levensgeluk. Mijn +bruid, die zoo vast in mij gelooft—alle toekomstplannen vallen in +duigen.” + +„Het doet mij leed, Mr. Burton,” viel de jonge Apsley hem tamelijk +ongevoelig in de rede. „Wat zullen wij doen? De spitsboeven hebben uw +voortreffelijk ontwerp meegenomen, zonder te weten, wat het beteekent. + +„Hoe kunnen wij u helpen, nu wij totaal ten gronde zijn gericht, nu men +ons tienduizenden ponden heeft ontstolen!—Draag uw verlies, dat immers +hersteld kan worden, als een man, Burton! Wij moeten u, helaas, vanaf +dit oogenblik uw ontslag geven. Onze firma is voor het oogenblik +insolvent!” + +De jonge ingenieur bedekte zijn oogen met de hand. Hij trachtte +tevergeefs zich te beheerschen. Deze slag was voor hem te onverwacht +gekomen. + +„O, mijn hemel, wat zal Ellinor zeggen! Nu is het gedaan met mij!—En +mijn betrekking ook verloren!” + +Met deze woorden wendde hij zich af met een groetende handbeweging en +verliet het vertrek. + +Lord Lister zag hem vol medelijden na. Hij zou wel lust hebben gehad om +hem te volgen. Maar wat had de jonge ingenieur hem nog kunnen +meedeelen, dat hij niet reeds wist? + +En misschien was het voor dezen nuttiger, wanneer hij zijn +navorschingen naar den oorsprong van deze geheimzinnige misdaad op de +plek zelf voortzette. + +Daar Lister onwillekeurig achteruit was gegaan, om den wanhopigen +ingenieur na te kijken en dicht bij de deur naar de andere +kantoorlokalen stond, kon hij daar een dienstman zien, die hem een wenk +gaf. De andere personen, die zich meer in het midden van het vertrek +bevonden en beide heeren Apsley konden den dienstman niet zien. + +Lord Lister herkende oogenblikkelijk Charly in een van zijn meest +geliefkoosde verkleedingen. Zeer gevat wendde hij zich tot kapitein +Baxter: + +„Ik wil toch even met den armen, ongelukkigen jongen man meegaan om hem +een paar troostwoorden toe te spreken. Hij zag er zoo wanhopig uit!” + +„Ja”, sprak de reeder op huilenden toon, „doe dat, ik zal er u zeer +dankbaar voor zijn!” + +De „Yankee” was reeds naar buiten gegaan en sprak met Charly, die hem +vertelde, dat alles in orde was en dat de banknoten in de villa +verborgen waren. Lister fluisterde hem toe, dat hij nauwkeurig op moest +letten, waarheen de oude en de jonge heer Apsley zich, na het sluiten +der kantoorlokalen, zouden begeven. Hij moest hen in elk geval, maar +voorzichtig en onopgemerkt volgen. Als zij elk een anderen weg namen, +moest hij den ouden heer volgen. + +Charly was vol vuur voor deze gewichtige opdracht, die zijn meester hem +gaf en verdween om, zonder opgemerkt te worden, tusschen de +menschenmassa, die zich nog steeds voor het reederskantoor bevond, zijn +observatiepost in te nemen. + +Schouderophalend kwam de dikke Amerikaan het kantoorlokaal weer binnen, +waar Scotland Yard zich rondom de heeren Apsley had verzameld. Toen de +oudste der beide heeren hem weer zag komen, kon hij een grimmig +„vervloekt!” niet onderdrukken. + +Daarop echter gaf hij zijn zoon een wenk en deze moest zijn vader +onmiddellijk hebben begrepen, want hij wendde zich zeer beleefd tot +kapitein Baxter en sprak: + +„Hebt gij nog gewichtige vragen te stellen, kapitein? Gij ziet, hoe +mijn vader onder den indruk is van het voorgevallene. Hij heeft nu +dringend behoefte aan rust. Ik wil hem echter vannacht niet alleen +laten met zijn verdriet en wanhoop. Gij zult dat begrijpen! + +„Wie weet, tot welke dingen hij na dit ontzettend verlies zou komen! Ik +zal hem meenemen naar mijn woning in het Oosteinde, dicht bij onze +werven, bij de Commercial Docks. + +„Ik maak mij ongerust over hem en ben dat dus verplicht. + +„Als wij u nog met inlichtingen van dienst kunnen zijn, zijn wij +daartoe gaarne bereid!” + +„Ik zou niet weten...”, antwoordde Baxter, zich achter de ooren +krabbend. „Denk eens na, Mr. Apsley, of gij nog het een of ander hebt +vergeten mee te deelen. Uw berichten zijn duidelijk, maar zij wijzen +ons den weg niet om deze geheimzinnige misdaad op te helderen”. + +De beide heeren Apsley keken elkaar, zooals Lister zeer goed merkte, +met een knipoogje aan. + +„Welnu, waarde kapitein”, sprak de zoon, „als gij ons geen verdere +vragen hebt te stellen, dan zouden wij ons nu gaarne, vooral in het +belang van mijn vader, die zeer ontdaan is, terugtrekken! Mij vindt +gij, zoo noodig, morgen op de werf. + +„Mijn vader zal wel hier moeten zijn om met zijn personeel de balans op +te maken voor de insolventverklaring. + +„Natuurlijk zijn wij gaarne ten allen tijde tot uw beschikking!” + +„Ik vind het uitstekend, dat gij u nu terugtrekt, heeren!” antwoordde +kapitein Baxter zeer voorkomend. + +„Gij hebt het protocol immers geteekend en verdere vragen heb ik u voor +het oogenblik niet te stellen”. + +Met een groet verliet de reeder, leunende op den arm van zijn zoon, de +kantoorlokalen, terwijl de beambten van Scotland Yard hem met meewarige +blikken volgden. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN MODERNE LIJKENBEZWERING. + + +„Als nu Dr. Warrens hier was”, sprak Baxter, toen de beide heeren waren +heengegaan, „konden wij aan ons ander werk gaan!” + +„Gij hebt zeker nog veel te doen, vannacht?” vroeg Mr. Shaw met goed +gespeelde belangstelling. + +„Dat zou ik denken”, antwoordde de kapitein in het bewustzijn van zijn +gewicht. „Eerstens zijn wij van plan een groote opruiming te houden +onder het gepeupel, dat in Eastend weer de overhand krijgt en wij +drieën kunnen daarbij, als hoofdpersonen, niet gemist worden”. + +„Zeer begrijpelijk!” sprak Lister. + +„Kapitein!” riep Marholm, verheugd naar de deur wijzende, „als men van +den duivel spreekt... Daar komt de dokter juist!” + +„Gij komt als geroepen, Dr. Warrens”, begroette Baxter den +binnentredende, „daar achter ligt uw patiënt, die u wel niet veel werk +zal geven. Hij is zoo dood als een pier!” + +„Dood? Welk soort van dood?” vroeg de jonge dokter vol belangstelling. + +„Mijn beste dokter, het is een prachtig geval, zooals gij dat +waarschijnlijk noemt, al zegt gij het ook niet, van verwurging”. + +„Wat? Verwurging? Wat gij zegt! Inderdaad, dat is prachtig! Een geluk, +dat ik al het benoodigde bij mij heb! Waar is hij? Daar achter?” + +„Die grappenmaker van een dokter!” riep Baxter vroolijk uit, „net +zooals ik zei! En neem mij nu niet kwalijk! Wij hebben namelijk nog +zeer veel elders te doen. Het is al laat en men zal op ons wachten. + +„Dus veel genoegen met uw interessant geval! Maar een ding verzoek ik +u, maak dat gevaarlijke sujet, den meest beruchten inbreker van geheel +Engeland, bijgenaamd „Sloten-Bob”, niet weer levend. + +„Dat zou u weleens slecht kunnen bekomen en Scotland Yard is blij van +dien kerel bevrijd te zijn. + +„Hier is het protocol. En als gij nog verdere inlichtingen wenscht, dan +is hier—gij blijft immers nog een poosje, Mr. Shaw? Misschien stelt gij +er belang in, de lijkschouwing van Dr. Warrens bij te wonen?—dus Mr. +Shaw, die alles heeft gehoord. Hij zal u zeer zeker eventueele vragen +gaarne beantwoorden!” + +„Zeer aangenaam, dokter”, sprak Lord Lister lachend, terwijl hij den +dokter de hand reikte. + +„Als gij een assistent noodig hebt, ben ik gaarne tot uw dienst! Gij +weet, dat wij Amerikanen veel practischer zijn dan andere menschen!” + +„Nu, Mr. Shaw, ik zou u misschien wel eens aan uw woord kunnen houden”, +antwoordde de jonge dokter. + +„Ik wensch niet anders”, antwoordde Raffles vriendelijk. + +Reeds wilden de detectives met een groet heengaan, toen bij de deur +luid geschrei werd vernomen. + +Marholm snelde vooruit en kwam terug met de mededeeling, dat de vrouw +van „Sloten-Bob” met haar kind bij de deur stond en naar binnen wilde +om haar man te zien. Of de agent haar wilde binnenlaten? + +Nog voordat Baxter had kunnen antwoorden, riep de dokter: + +„Ja zeker, dat komt prachtig uit. Laat haar maar binnenkomen. Ik wil +namelijk een proef nemen en haar aanwezigheid daarbij is mij misschien +van groot nut!” + +„Nu, als u het goed vindt, dokter, mij is het onverschillig. Dus +Marholm, zeg haar, dat zij mag binnenkomen!” + +Een verloopen wijf met een uitdrukking van lafhartigheid op het magere, +pokdalige gelaat, waar omheen grijze haarstrengen ongekamd fladderden, +trad, in vuile lompen gehuld, met een ongeveer vijfjarig kind aan de +hand, snikkend en weeklagend nader. + +„Daar achter ligt je man, die fijne vechtersbaas, gesnapt bij den +inbraak en bij het leeghalen van de brandkast. Maar wees gedwee, je +hebt te doen, wat mijnheer de dokter je beveelt! + +„Dus vaarwel, heeren! en veel succes!” + +Met die woorden verlieten de drie detectives de kantoorlokalen der +firma Apsley en Co., waar een zoo geheimzinnige misdaad was gepleegd. + +Intusschen was dokter Warrens met zijn koffer nader gekomen en Lord +Lister was hem in gespannen verwachting gevolgd naar den doode. + +Wat wilde de dokter nu doen? + +Toen de vrouw, die hen schuw was nageslopen, haar man daar zoo stijf en +onbeweeglijk zag liggen, begon zij te snikken en te weeklagen en ook +het kind begon hartverscheurend te huilen. + +„Goede vrouw”, zei de dokter, „ik begrijp uw verdriet en waardeer dat. +Het strekt u tot eer en zelfs den doode daar! Maar ik kan mij nu niet +laten storen, ik heb te werken! Maak u liever nuttig en kleed uw man +uit.” + +De vrouw begon dit met trillende vingers te doen. + +De dokter ontdeed zich van zijn overjas en opende zijn koffer. + +„Ieder oogenblik is kostbaar! Een dergelijk gelukje heb ik nog niet +gehad. Bij lijken met schotwonden is niets uit te richten! Door de +kogels worden verschillende deelen gekwetst, die niet weer te +herstellen zijn. + +„Bij natuurlijke sterfgevallen of bij verwurging zijn nog alle organen, +in den regel ten minste, onaangeroerd, zoodat de proef, die ik wensch +te nemen, belooft te zullen slagen of in elk geval mogelijk is!” + +De doode was nu met behulp van Lister en van den dokter door de vrouw +ontkleed en de arts onderzocht de lichaamswarmte. + +„Dat treft bijzonder”, mompelde hij, zelf ontdaan. „De warmte is nog +zeer aanmerkelijk!” + +Bij die woorden wierp hij een van de groote venstergordijnen over hem +heen. Hij masseerde hem een weinig aan den hals en bracht daarna, nadat +hij den mond had geopend, de door de verwurging naar voren gedrukte +tong van den doode weder met groote handigheid op haar plaats. + +Hierdoor was het uiterlijk van den doode minder griezelig geworden. + +Nadat eenige gedeelten van den hals nogmaals gemasseerd waren, hadden +de trekken de natuurlijke uitdrukking teruggekregen. + +„Welke proef hebt gij op het oog, dokter? Zeg het mij! Ik zal u +krachtdadig helpen!” + +„Ziet gij, waarde heer Shaw. Mijn collega’s lachen erom en toch heb ik +iets dergelijks al eenmaal bereikt. + +„Het is een feit, dat ik, al was het ook maar voor een paar seconden, +iemand, die een paar uur geleden aan een ziekte was overleden, in het +leven heb teruggeroepen. Ik verzamel hiervoor materiaal. Iemand, die +gewurgd was, heb ik nog nooit machtig kunnen worden; van een dergelijk +geval is nog meer succes te verwachten, omdat alle organen nog kort van +te voren normaal waren. + +„Ik zal een schedelboring uitvoeren, aan de achterste oppervlakte van +de bulbus, alsof ik een abces zou moeten verwijderen. Wij zullen hem +sterk masseeren en verwarmen, ik giet hem deze druppels in, welke ik +voor dit doel heb geprepareerd en ik voorspel u, dat hij bij drukking +op den levensknoop der hersenen, al is het ook maar voor korten tijd, +zal ontwaken!” + +„Dat zou verbazend zijn!” riep Lister uit. „Maar denkt gij, dat hij zou +kunnen spreken, als hij tot bewustzijn komt?” + +„De mogelijkheid is niet uitgesloten, wanneer de indrukken, die op dit +oogenblik op hem inwerken, sterk genoeg zijn om zich in hem vast te +zetten en reactie op te wekken, d. w. z. een in zekeren zin +onwillekeurige uitwerking te weeg brengen.” + +Lister dacht een oogenblik na. + +Daarop legde hij zijn hand op den arm van den dokter. + +„Mag ik een opmerking maken? Het zou van het grootste gewicht zijn voor +de opheldering van deze geheimzinnige misdaad, als de doode kon +spreken! Het komt mij voor, alsof alles in deze zaak niet geheel in den +haak is! + +„Hoe zoudt gij het vinden, als wij den doode eerst terugbrachten in het +privé kantoor van Mr. Apsley en hem zoo neerlegden, dat hij het +allereerst de ledige brandkast ziet?” + +„Ik maak u mijn compliment, Mr. Shaw. Gij hebt groot gelijk! Ik heb de +wetenschappelijke quaestie nog niet beschouwd in verband met de +rechtszaak, dit moet ik tot mijn schande bekennen. Maar natuurlijk, +alleen het zien van de plek der misdaad zal hem tot spreken kunnen +brengen.” + +Zij begaven zich naar het vertrek, waar de brandkast stond, zetten daar +eenige stoelen zoo neer, dat Sloten-Bob, als hij ontwaakte, de geopende +brandkast vlak voor zich had. + +Daarop legden zij het lijk in de gewenschte houding. + +Mr. Shaw, of liever Lord Lister, ontstak een electrische gloeilamp, die +zich dicht bij de brandkast bevond en doofde alle anderen uit. Hierna +beval hij de arme vrouw om naast de brandkast te gaan staan en gaf haar +een handvol goudstukken, waarnaar zij met begeerige blikken keek. + +„Kijk nu niet naar het geld, vrouw, maar let op!” sprak Lord Lister op +dringenden toon. „Lukt het ons, je man in het leven terug te roepen en +aan het spreken te krijgen, dan zijn de goudstukken voor jou! + +„Let je echter niet op en verhinder je onze poging door je +onachtzaamheid, dan krijg je geen cent!” + +„O, ik zweer het u, Sir! Zeg mij maar, wat ik moet doen en wanneer ik +moet beginnen.” + +„Wat je te doen hebt, is niet moeilijk! Je moet hem alleen maar de +glinsterende goudstukken in je linkerhand laten zien. Begrijp je? En +verder moet je niets anders roepen dan: Bob—Bob!—Wie?—Bob—wie?” + +„Uitstekend, Mr. Shaw!” sprak de dokter. „Ik wou, dat ik altijd zoo’n +adsistent bij mij had! Gij hebt de zaak zoo eenvoudig gemaakt, dat hij +het, als hij ook maar even tot bewustzijn komt, moet begrijpen. Nu heb +ik alle hoop, dat de vermoorde ook zal spreken!” + +De vrouw staarde intusschen met een rilling naar het doen en laten der +beide mannen in de donkere kamer, waarin alleen een gloeilichtje +brandde. + +De dokter had intusschen uit zijn tasch een sleuteltje, chirurgische +instrumenten en een rood fleschje genomen. Uit een andere flesch goot +hij olie in een kom, welke hij naast zich plaatste. Daarop begon hij +met de schedelboring, nadat hij het lijk voorover had gelegd. In deze +houding hield Lord Lister den doode in zijn armen vast. + +Nadat de operatie was afgeloopen, legde hij het lijk weer achterover en +beide heeren, Lister en de dokter, doopten hun vingers in de olie en +begonnen met koortsachtigen ijver te masseeren, terwijl zij de +gemasseerde plaatsen steeds zorgvuldig bedekten. + +Nu opende de dokter den mond van den doode en goot hem den inhoud van +het roode fleschje in de keel. Daarop verzocht hij Lord Lister, snel en +krachtig de armen van den gewurgde op en neer te bewegen. Nu ging Dr. +Warrens achter den doode staan en riep: + +„Zeg, vrouw, kijk niet aldoor naar het goud, maar hierheen! Let op, of +hij ontwaakt!” + +„Ja, ja, mijnheer de dokter, dat doe ik!” + +Zij boog zich voorover en staarde angstig in de doffe oogen van haar +man, wachtende op het oogenblik, waarop hij weer zou opleven. Met de +linkerhand hield zij hem het goud voor en wees naar de leege brandkast. + +De dokter richtte nu, met behulp van Lister, het hoofd van den doode op +en wreef eenige minuten met kracht de slapen en de keel. Daarop drukte +hij een oogenblik op den levensknoop der hersenen. + +Al had de dokter het ook van te voren voorspeld, toch was het +griezelig, wat er nu in dit donkere vertrek midden in den nacht +gebeurde. + +Men hoorde een benauwd gerochel, alsof met moeite de lucht in de ledige +longen drong. De oogen van den gewurgden man openden zich al verder en +verder met angstige uitdrukking en zelfs den onverschrokken Lord Lister +liep een koude rilling over den rug. + +„Bob, Bob!” riep de vrouw rillend en bevend. „Bob—Bob—wie—wie?—Bob, zeg +mij wie?” + +Vol geestdrift volgde de arts den gang der gebeurtenissen en vol +spanning wachtte ook Lister op het antwoord van den gewurgde. + +En waarlijk, bewogen de lippen zich niet, alsof zij wilden spreken? +Maar de inspanning was nog te groot, er werd geen geluid vernomen. + +En opnieuw riep de vrouw nog luider en vol ontzetting: + +„Bob, Bob, hoor je mij?—Wie, zeg toch wie?” + +Weer wees zij naar de brandkast en het electrische licht deed de +goudstukken in haar hand fonkelen. + +En weer opende zich de mond van den vermoorde en zijn lippen trilden. + +Nog eenmaal vernam men het afschuwelijke gerochel en hierop volgde, +onduidelijk, als een kreet van schrik en ontzetting: „Zelf!” + +Daarop keek hij met verbaasden blik om zich heen en vroeg: + +„Waar ben ik?” + +Een oogenblik later zakte hij weer in elkaar. + +De dokter had zich over hem heengebogen en keek hem in de oogen. + +„Het is voorbij!” sprak hij. „De oogen zijn reeds weer verglaasd, de +mond is gesloten. De ademhaling heeft opgehouden. Alle andere moeite is +nu tevergeefs! Maar de werking was zeer sterk, al heeft hij ook niet +gesproken.” + +„Ongetwijfeld!” antwoordde Lister peinzend. + +Had hij zich vergist? + +Was het alleen de emotie van het oogenblik geweest, die hem dat „zelf” +had doen hooren, terwijl de ervaren geneesheer slechts een +onverstaanbaar geluid had vernomen? + +Als het echter werkelijk het woord „zelf” was geweest, op wien had het +dan betrekking? + +Bedoelde hij zichzelf? Hoogstwaarschijnlijk! + +Misschien was op dit uiterste oogenblik in deze verdorven +misdadigersziel een eigenaardige trots op de door hem volbrachte daad +opgekomen. + +Hij, de behendige dief en inbreker, die ook volgens Baxter’s beweren +zijns gelijken tevergeefs zocht, was het geweest, die dezen rijken en +vermoedelijk onbarmhartigen reeder alles had ontstolen. + +Wie kon in de ziel lezen van zulk een misdadiger! + +Of zou dat „zelf” op iemand anders slaan? Op een misdadiger, die het +nog verder had gebracht in de kunst van stelen?— — — + +Terwijl Lord Lister op deze wijze zijn hersens pijnigde over de +beteekenis van dit eene woordje, dat hij uit den mond van den +overledene meende te hebben gehoord, was de havelooze vrouw van den +misdadiger, aan wier rok zich het verwaarloosde kleine meisje +vastklemde, voor hem gaan staan, terwijl zij hem met schuwen blik de +handvol goudstukken voorhield. + +Zij durfde niets vragen, daar volgens haar meening niet aan de +voorwaarde, door den rijken heer gesteld, was voldaan. + +„Dus ook zij heeft niets gehoord! Zou ik mij dan toch vergist hebben? +Was het misschien mijn groote verbeeldingskracht, die mij het sissende +geluid als het woordje „zelf” deed verstaan?” dacht Lister. + +„Als gij mij wilt beloven, dat gij u hiervoor het allereerst kleeren en +voedsel zult koopen, moogt gij het geld behouden!” + +„Al dit goud voor mij?” stamelde de arme vrouw met ongeloovigen en +schuwen blik. + +„O, men zal mij niet gelooven! Men zal mij in de gevangenis opsluiten, +als men zooveel goud bij mij vindt en het kind zal van honger omkomen!” + +„Zij heeft gelijk, Mr. Shaw”, sprak de geneesheer. „Geef haar liever +zilver, goud kan haar slechts verdacht maken. + +„En het is ook veel te veel! Wat denkt gij, Mr. Shaw? Wij zijn hier +niet in Amerika!” + +„Nonsens!” antwoordde met echt Amerikaansche onverschilligheid de +Yankee. „Geef niet alles tegelijk uit en spaar iets voor later.” + +Daarop nam hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en schreef er +met zijn vulpen aan de achterzijde eenige regels op, vermeldende, dat +Mrs. Cogwell, dit was de eigenlijke naam van den vermoorden Sloten-Bob, +tien sovereigns eerlijk had verdiend. + +Hij onderteekende het en ook de dokter zette er als getuige zijn naam +onder. + +„Hier, vrouw! Als iemand u wantrouwt en u wil ondervragen, toon dan dit +kaartje. Bewaar het goed. + +„En als gij voor u en het kind eenvoudige, warme kleeren hebt gekocht, +als gij gewasschen en gekamd zijt, kom dan aan het opgegeven adres aan +mijn villa, in het Westeinde. Begrijpt gij? + +„Dan zullen wij verder zien”. + +De arme vrouw staarde nog steeds ongeloovig naar al de goudstukken in +haar handen en twee dikke tranen rolden langs haar magere wangen. +Aarzelend deed zij het geld en het kaartje in haar zak, alsof zij een +misdaad pleegde. + +Daarop wilde zij Lister’s hand kussen. Maar Lister, die als vrije +Engelschman dergelijke betuigingen van onderworpenheid haatte, duwde +haar zacht weg en sprak: + +„Goed, goed, vrouwtje. Als gij uw dankbaarheid wilt betuigen, doe dan +wat ik u zeg. Geen sterken drank! Koopt er eten en drinken en kleeren +en dekens voor! Daarna kunt gij u bij mij vervoegen!” + +„Ja, ja, mylord, de Hemel zegene u! Gij meent het goed! Ik zal alles +doen! Ach, dat mijn arme Bob dit nog had beleefd! Hij had zulk goed +werk bij een rijk heer en nu is hij dood! + +„Bob was niet slecht, mijnheer, naar hij kon helaas den borrel niet +nalaten! Gij hebt gelijk mijnheer! De brandewijn is het verderf der +armen!” + +Bij die woorden maakte zij aanstalten om heen te gaan. + +„Wacht eens even!” riep Lister. „Hij had werk bij een rijk heer, zegt +gij? Heeft hij u ook verteld, hoe die heer heette?” + +„Neen, mijnheer, dat weet ik niet! Bob zei alleen nog: het is eerlijk +werk, Kate, en het wordt goed betaald. En toen vertelde hij mij nog—en +hij was goed nuchter—dat de rijke heer hem werk voor altijd had +beloofd, als hij zijn taak dezen keer goed volbracht. + +„Verder niets en o, ik was zoo blij!” + +Lister schudde het hoofd. + +Hierdoor kwam hij niet verder. + +„Dus het blijft bij hetgeen wij hebben afgesproken. Ik merk wel, dat +gij ook niets verder weet!” + +De vrouw groette, nam haar kind bij de hand en ging heen. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +CHARLY’S ONTDEKKING IN EEN ELEGANTE HEERENWONING. + + +Toen Lord Lister op vriendschappelijke wijze bij de deur van het +reederskantoor afscheid had genomen van dr. Warrens, kwam tot zijn +verbazing Charly op hem toe, nu in de vermomming van een Amerikaan. + +„Hier staat onze auto, oom!” sprak hij gevat. + +Nauwelijks hadden zij plaats genomen in de zachte kussens van het +onmiddellijk wegsnellende voertuig, of Charly vertelde den uitslag van +zijn navorschingen. + +„Zonder de deur uit het oog te verliezen, heb ik deze auto genomen, en +vanuit het raampje naar den ingang gekeken. Ik beloofde den chauffeur +den dubbelen prijs en een groote fooi, als hij ongemerkt twee heeren +zou volgen, die weldra uit het kantoor zouden komen, waar de inbraak +had plaats gehad. + +„Daar ik als kruier was gekleed, betaalde ik de gewone vracht vooruit. + +„Wij letten dus nauwkeurig op en het duurde niet lang of de beide +heeren kwamen uit de huisdeur naar buiten. + +„Ik had natuurlijk niet de voorste auto genomen, maar de derde. De +beide heeren namen de eerste en reden weg. + +„Ik volgde in dolle vaart. In een der deftigste straten in het +Westeinde lieten zij halt houden en stapten beiden uit. + +„Zij gingen een eind te voet, nadat zij hun auto hadden weggezonden en +ik sloop hen na aan de andere zijde der straat. + +„Toen ik hen een deftig huis zag binnengaan, waarvan de deur door den +jongen heer werd opengesloten, bleef ik voor een kunsthandel aan den +overkant staan en wachtte of er iets te zien zou zijn, dan wel of zij +er weer uit zouden komen. + +„Misschien wilde de oude heer gaan uitrusten of zich verkleeden. Ik +stak juist mijn tabakspijp aan, toen ik zag, dat op de tweede +verdieping plotseling twee vensters werden verlicht. Voordat de +jalouzieën neergelaten werden, meende ik, den slanken jongen heer +Apsley aan het raam te hebben herkend. + +„Het duurde echter niet lang of deze kwam er weer uit, riep een leeg +rijtuig aan en noemde bij het instappen de Heerenclub. + +„Daar ik dit adres kende en veronderstelde, dat hij er vrij lang zou +blijven, volgde ik hem niet, maar wachtte, of misschien de oude heer +ook nog niet zou gaan.” + +„Uitstekend!” sprak de Lord. „En werd je geduld beloond?” + +„Zeker! Er waren nauwelijks tien minuten verloopen, toen ik de deur +weer open zag gaan en, met een zeer elegante overjas en cylinder, een +fijne havanna in den mond, kwam de oude heer naar buiten. Hij zag er nu +veel jonger en zeer vergenoegd uit. + +„Hij begaf zich met veerkrachtigen tred, als een jonge man, naar de +Square, waar bij het kruispunt van de Nelson en Campbellstreet een +aantal auto’s van de Daimler-Company gestationeerd zijn. Maar ik hoorde +helaas niet, welk adres hij zijn chauffeur opgaf.” + +„En waarheen rijden wij nu?” vroeg Lister glimlachend. + +„Nu, ik dacht, dat gij misschien de woning in de Campbellstreet, +waarheen de heeren Apsley zich begaven, wel eens wildet zien.” + +„Je hebt mijn bedoeling uitstekend geraden, lieve neef Robert. Maar ik +word niet gedreven door gewone nieuwsgierigheid. + +„In de eerste plaats kost die inbraakgeschiedenis, die zoo ongehoord +brutaal is, mij veel hoofdbreken. Ik kan er nog niet achter komen, wie +hier de hand in het spel heeft. + +„Misschien vind ik in het logies van den reeder, die mij niet +betrouwbaar voorkomt, de een of andere vingerwijzing, misschien ook +niet! + +„Verder is een brave jonge man, de ingenieur der firma, die zijn chef +gewichtige ontwerpen ter veilige bewaring in diens brandkast heeft +toevertrouwd, bij deze zaak betrokken, misschien voor zijn verdere +leven ongelukkig gemaakt. + +„Ik vermoed dat Mr. Apsley, die met zijn ervaring op het gebied der +scheepbouwkunde, de genialiteit van dit ontwerp heeft ingezien, het +stuk heeft verduisterd en dat deze inbraak hem in zooverre zeer gelegen +kwam, omdat hem nu de mogelijkheid werd geopend, de verduistering van +het ontwerp te maskeeren!” + +„Zoo’n schurk!” riep Charly vol eerlijke verontwaardiging. „En ik had +nogal zoo’n medelijden met hem wegens zijn groot verlies en verbaasde +er mij daarom over, dat hij zoo welgemoed uit het huis kwam.” + +„Nu, het is voorloopig ook alleen een vermoeden van mij. Ik kan mij +vergissen en zou niet gaarne iemand onrecht willen aandoen.” + +„Als het ontwerp ook juist nu is verdwenen, dan komt mij dat zeer +verdacht voor. Je zult wel gelijk hebben met je veronderstelling. Dat +was de reden van zijn goede luim!” + +„Het zou prachtig zijn, als wij het ontwerp vonden. Morgen moeten de +stukken namelijk zijn ingediend. Wat des middags om 12 uur niet +aanwezig is, blijft buiten mededinging. + +„De hoop van den jongen man om een prijs te behalen, is niet zonder +grond. Dit ontwerp moet geheel nieuwe ideeën bevatten. + +„Burton is verloofd en zou gelukkig worden als hij zegeviert, waaraan +niet te twijfelen viel! Juist het verdwijnen van het ontwerp sterkt mij +in mijn overtuiging, dat het een voortreffelijk stuk werk is. + +„Het is echter mogelijk, dat wij Mr. Apsley groot onrecht doen. Ik heb +al gedacht, of hier niet een concurrent, die eveneens mededingt naar +den prijs en die Burton’s genie vreest, op deze wijze Burton heeft +buitengesloten. + +„Maar die zou zich niet vergrepen hebben aan het geld van de firma +Apsley, al is het ook waar, dat de gelegenheid den dief maakt. + +„Ook kan het een concurreerende firma van Mr. Apsley zijn geweest, +welke vreesde, dat de firma Apsley, als chef van den ingenieur Burton, +wanneer deze laatste den prijs behaalde, ook in de eerste plaats in +aanmerking zou komen om uitvoering te geven aan de plannen van den +uitvinder. + +„Men kon het ontwerp laten verdwijnen en maakte meteen de firma +tijdelijk onschadelijk, door de 50.000 pond te verduisteren. + +„Misschien komt Mr. Burton’s ontwerp weer te voorschijn als het werk +van een ander. Ik zie de zaak nog niet duidelijk in. Er zijn hier veel +verklaringen te geven!” + +Onder het uiten van deze veronderstellingen waren de beide vrienden in +de Campbellstreet aangekomen en lieten de auto stilhouden. Charly +betaalde het overeengekomen bedrag en liet den chauffeur met het +voertuig wegrijden, daar in de nabijheid wel weer een auto te krijgen +was. + +Charly had het huisnummer goed genoteerd en met den looper van den +Grooten Onbekende opende deze geruischloos de zware huisdeur. + +Zij klommen de met rijke loopers belegde, prachtige trappen op naar de +tweede verdieping en Charly, die nauwkeurig had opgelet, wees op een +hooge deur, die zich bevond tusschen de ingangen naar twee +huurwoningen. Die deur gaf toegang naar de kamer met de beide vensters +aan de voorzijde, die hij verlicht had gezien. + +Met verbazing las Lister op een visitekaartje boven een brievenbus: +„Mr. John Morris”. + +„In elk geval zullen wij de kamer onderzoeken. De naam doet er +eigenlijk niets toe!” meende Charly, terwijl hij aan het sleutelgat +luisterde. + +„Daar binnen is niemand”, sprak hij daarop. + +„Laat ons dan beginnen”, vond Lister. Zijn steeksleutel paste ook hier +en voorzichtig opende hij de deur. + +Alles was donker. + +Charly streek waslucifers aan en ontdekte het draaiknopje van het +electrische licht. Hij ontstak een der gloeilampjes aan de kroon en +keek om zich heen. + +Op hetzelfde oogenblik riep Lister met halfluide stem: + +„Hoera! Het klopt! De naam Morris is slechts een aangenomen naam. Een +der beide heeren Apsley, en wel naar ik vermoed de oudste, bedient zich +van deze vrijgezellenkamer onder een valschen naam. + +„Daar ligt namelijk de vernielde jas op den stoel en op tafel het +gescheurde boordje, de das en de slappe vilthoed, dien Mr. Apsley +droeg, toen hij het kantoor verliet.” + +Bij het doorsnuffelen van de jaszakken vielen Charly ten overvloede nog +eenige brieven in handen aan het adres van Mr. Apsley Senior, zoodat nu +geen twijfel meer mogelijk was. + +In de elegante woonkamer werden alle laden en kasten, vooral de inhoud +van het cylinderbureau, nauwkeurig onderzocht. Ook hierbij deed weer +Lister’s overal passende sleutel uitstekend dienst. + +Alle moeite was echter vergeefs. + +Lister onderzocht zelfs de hooge rugleuning van de sofa, de muren en +het buffet, maar geen geheime schuilplaats werd gevonden. + +„Nu naar de slaapkamer”, sprak Lister, over den drempel stappend. + +Ook hier werd een der electrische lampen opgedraaid en tegelijkertijd +deed Charly het licht in de woonkamer uit. + +Doch ook hier in de tamelijk leege kleerkast, in de laden van de +waschtafel, zelfs in het nachtkastje, ja, onder de bedden en kussens +werd niets gevonden. + +Plotseling bleef hij voor een tafel met een toiletspiegel staan. Hij +zette den spiegel eraf en voelde over de moiré-achtige, roode +bekleeding, waarop zich op gelijke afstanden bladornamenten bevonden. + +Hij had zich niet vergist. + +Het blad, waarover zijn vinger onderzoekend was heengegleden, bevond +zich op eenigen afstand van den vloer en was beweegbaar. Toen hij het +op zij schoof, kwam een sleutelgat te voorschijn. + +„Charly!” riep Lister met gesmoorde stem, „de schuilplaats!” + +Charly kwam op de teenen toegesneld. + +„Drommels, jij weet alles te vinden!” fluisterde hij vol bewondering. + +Lister had zijn looper reeds in het sleutelgat gestoken en de zoo +zorgvuldig verborgen deur van een muurkast bewoog zich geruischloos in +haar scharnieren. + +Toen de kast zich voor hun oogen had geopend, stonden Lister en Charly +stom van verbazing! + +Het was wel niet het ontwerp van den ingenieur dat zij voor zich zagen, +maar voor hen lag de som geld, die door Raffles zou zijn gestolen, de +50,000 pond sterling, meer dan een half millioen aan Hollandsch geld, +in zakken, rollen, banknoten en credietbrieven. + +Zooals een nader onderzoek, dat Lord Lister later instelde, bewees, was +het volle bedrag nog bij elkaar. + +Raffles keek vol verbazing Charly aan, die sprakeloos naast hem stond. +Daarop sprak Lister hoofdschuddend: + +„Op deze toch zoo voor de hand liggende mogelijkheid was +ik—waarschijnlijk uit achting voor het menschelijk karakter—niet +gekomen! + +„Dwaas die ik ben, de gewurgde man heeft het mij, toen hij een +oogenblik tot bewustzijn kwam, duidelijk gemaakt! + +„Hij bedoelde met het woordje „zelf”, dat zelfs de dokter niet, maar ik +wel heb verstaan, niet zichzelf, maar hemzelf, den ouden reeder, zijn +lastgever en—moordenaar! + +„De vijftigduizend pond waren hier reeds in veiligheid, toen de +inbreker van beroep, om de zaak geloofwaardig te maken, de brandkast +moest opensmelten met het moderne knalgas-blaastoestel. + +„Om den man onschadelijk te maken, misschien ook om den inbraak +geloofwaardiger te doen schijnen, hebben de beide heeren Apsley te +zamen den inbreker met het daartoe gereedliggende koord gewurgd. + +„De voorname, rijke heer, waarvan Bob heeft gesproken, was de reeder. +Het eerlijke werk was de opdracht van den eigenaar, om de brandkast te +openen. Wie weet, welke redenen men hem daarvoor had opgegeven. + +„Daarvoor had Apsley beloofd, hem doorloopend werk te geven. In zekeren +zin, maar op afschuwelijke wijze, heeft hij die belofte ook gehouden!” + +Lister rilde en Charly was bleek geworden, toen hem de groote +verdorvenheid van dezen rijkaard uit Lister’s woorden duidelijk werd. + +„Deze man, van wien men alles kan verwachten, heeft ook het ontwerp van +den ingenieur in zijn bezit. Daaraan valt in ’t geheel niet te +twijfelen. Maar hij draagt het, omdat het zoo kostbaar is, misschien +bij zich! + +„En nu geloof ik stellig, dat die geheele gefingeerde inbraak, ja, +zelfs de koelbloedige moord op dien beklagenswaardigen Bob, die juist +bezig was, zich weer aan eerlijken arbeid te wijden, enkel en alleen +het middel was om het verdwijnen van het ontwerp voor het bouwen van +een onderzeesche boot geloofwaardig te maken! + +„Wij moeten ook dat ontwerp nog vinden, al zou ik het dezen onmensch +ook met geweld moeten afhandig maken!” + +Lister knarste met de tanden en zijn oogen fonkelden van toorn en +verontwaardiging. + +„Ik wil hem straffen met de straf, die hem het hardst zal treffen. + +„De rijke man zal tot bedelaar worden! Ik wil zien, of hij het zal +dragen met de kracht en waardigheid, waarmede mijn vader het droeg, +waarmede ik het heb gedragen, toen verdorven bloedverwanten ons erfdeel +roofden! + +„Ik, Raffles, veroordeel u, beide heeren Apsley, onwaardige schurken, +om voortaan tot de bedelaars te behooren! Maar niet tot die, welke met +een rein geweten en vroolijke blijmoedigheid hun eerlijke armoede +dragen, neen, tot de bedelaars, die geen rust kunnen vinden, omdat hun +hartstochten en hun geweten, omdat de gedachte aan alle schatten, die +zij hebben verloren, hun geen rust gunt! + +„Bedelaars—bedelaars, opdat gij in al uw ellende en minderwaardigheid +bekend zult worden!” + +Lord Lister streek zich met een zucht over het bleeke gelaat, waarop +diepe ontroering te lezen stond. + +„Ik begrijp niet wat mij opeens zoo overweldigde! Maar deze slechtheid +grenst ook aan het ongelooflijke. + +„En nu aan het werk, Charly! Luister naar hetgeen je moet doen! Neem +een auto aan de Square, betaal drie- of vierdubbele vracht, maar vlieg, +opdat je terug bent, voordat de schurken terug komen. + +„Rijd naar onze villa en haal in de tasch de valsche banknoten hier! + +„Zoo snel als je kunt! Ik blijf hier. Zij zullen niet zoo gauw komen! + +„De jonge Apsley kan niet zoo gauw afscheid nemen van het spel in de +Club en als de oude onmensch komt, terwijl ik hier ben, dan zal hij een +onaangenaam kwartiertje beleven!” + +Charly nam vol geestdrift zijn bevelen in ontvangst en snelde heen. + +Lord Lister nam op de sofa plaats, legde zijn kleine revolver voor zich +op tafel en stak, om zichzelf eenigszins te kalmeeren, een sigaret aan. + +In diepe gedachten zat hij daar en was zeer verbaasd, toen Charly reeds +binnen zeer korten tijd met de groote tasch terug kwam. + +Dezen keer echter was zij vol en zwaar, want zij bevatte alle +banknoten, die den schilder waren ontnomen. + +Lister stak zijn revolver in den zak en stond op. + +„Je auto moet wel haast gevlogen hebben”, sprak hij. + +„Dat geloof ik bij driedubbelen prijs!” antwoordde Charly. + +Na een vluchtige schets te hebben gemaakt van de indeeling der kast, +waarbij hij noteerde, welke geld- en bankpapiersoorten elk vak bevatte, +nam nu Lister met behulp van Charly de valsche banknoten uit de +reistasch en legde ze, naar de waarde verdeeld, op de toilettafel. + +Daarop eerst nam hij de zakken en rollen goudstukken en de +verschillende stapels bankpapier uit den schuilhoek en borg alles in de +tasch: 50,000 pond sterling! + +Nu verdeelde Lister de valsche bankbiljetten in de vakjes van de kast +ongeveer zoo, als het echte geld daarin had gelegen. + +Overal waar zooeven nog het geld had gelegen, bevonden zich nu de +daarmee in waarde overeenkomende valsche banknoten. + +Een nauwkeurig onderzoek kon deze verandering natuurlijk niet +doorstaan, des te minder, omdat de zakken en rollen ontbraken, maar bij +oppervlakkige beschouwing zou men de verwisseling van het geld in het +geheel niet hebben waargenomen. + +Hierna sloot Lister voorzichtig de kastdeur en schoof het blad weer +voor het slot. + +Ook den toiletspiegel zette hij precies weer op de oude plaats. + +Hij draaide het electrische licht uit en beiden gingen de woonkamer +binnen. + +Alles was daar nog zooals zij het hadden aangetroffen en zij +overtuigden zich ervan, dat zij niets hadden achter gelaten, wat hun +aanwezigheid zou kunnen verraden. + +Zij gingen nu zoo zacht mogelijk de kamer uit en begaven zich naar het +trappenhuis. Daar heerschte duisternis en stilte. + +Onhoorbaar sloot Lord Lister de deur achter zich af. + +Hij had juist het handvat van de tasch mee beetgepakt, om Charly bij +het dragen van het zware voorwerp behulpzaam te zijn, toen hij staan +bleef. Zijn scherpe ooren hadden het geluid gehoord van een +huissleutel, die in het slot werd gestoken. + +„Halt, Charly,” fluisterde hij. „Het is mogelijk, dat de persoon, die +daar komt, in een der andere woningen moet zijn.” + +Maar de schreden naderden de trap en tegelijkertijd werden ook twee +stemmen vernomen, een zwaardere mannenstem en een vrouwelijke. + +„Zij komen naar boven,” fluisterde Charly, die zich voorzichtig +voorovergebogen had. „Hij strijkt een lucifer aan. Het is de oude +Apsley!” + +„Dan voorzichtig een trap hooger gegaan, Charly,” sprak Lister zacht en +met groote kalmte. + +Zij namen onhoorbaar de tasch op en slopen op de teenen naar de +volgende trap. Een paar treden in de hoogte zetten zij de tasch neer en +luisterden. + +En zij hoorden het volgende stichtelijke gesprek: + +„Hoeveel geef je mij, oudje, zeg eens?” + +„Daar zullen wij binnen over spreken, bij sherry en gebak.” + +„Nu, ook goed! Ik heb zoo’n afschuwelijken honger, oudje. Krijg ik een +sovereign? Nietwaar? Je bent een nobele jongen, ik krijg er een?” + +De reeder lachte. + +„Als je je eischen niet hooger stelt, met genoegen! En als je heel lief +bent, misschien zelfs wel twee!” + +„O, mijn lieve ouwetje! Daarvoor heb ik je hartstochtelijk lief!” + +Zij moest hem wel omhelsd en gekust hebben, want de heer Apsley sprak +lachend: + +„Mijn hemel, wat een liefdesvuur voor twee sovereigns! Laat mij ten +minste de deur eerst opensluiten, vleistertje!” + +En hij opende de deur, zoodat de weer dichtvallende deur den beiden +luisteraars belette, nog iets van het gesprek te hooren. Zij hoorden +alleen nog, hoe de respectabele oude heer zich met de straatdame, die +hij ergens had opgepikt, in de kamer opsloot. + +Toen Lister en Charly de straat hadden bereikt, namen zij op de +dichtstbijzijnde standplaats een auto, waarin Charly met de tasch +plaats nam, terwijl Raffles zich naar de Heerenclub liet rijden. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +AANGENAAME VERWACHTING EN ONAANGENAME VERRASSING. + + +Toen de reeder zijn kamer met zijn gezellin was binnengegaan, draaide +hij twee lichten der electrische kroon aan en sprak lachend: + +„Nu, maak het je gemakkelijk, kleintje. Hoe heet je eigenlijk?” + +„Ik ben je Claire, oudje! Maar drommels, hier is het piekfijn! Wat moet +je rijk zijn! Ik mag je hier wel dikwijls bezoeken, nietwaar?” + +Mr. Apsley lachte hartelijk. + +„Een flinke vrouw ben je! Je neemt als een handig handelsreiziger elke +gelegenheid te baat om vaste klanten te krijgen!” + +Claire lachte mee en ontdeed zich om te beginnen van haar reusachtigen, +modernen hoed, die van buiten grijs en van binnen rood was. Daarop trok +zij ongegeneerd haar grijze blouse uit en ging met bloote armen in een +hoek van de sofa zitten. + +Ook de reeder maakte het zich gemakkelijk. Hij trok overjas, gekleede +jas en gesteven vest uit en legde zijn gouden horloge met zwaren +ketting op zijn schrijftafel. + +Toen bracht hij zijn kleeren naar de slaapkamer en kwam eenige +oogenblikken later in een gemakkelijk fluweelen huisjasje weer te +voorschijn. + +Ook de nette laarzen trok hij uit en deed fijne viltpantoffels aan. + +„Zoo, mijn lief, blond poesje, nu is het veel behaaglijker!” + +„Maar je hebt mij beloofd, mij wat te eten te zullen geven, oudje; ik +heb zoo’n ontzettenden honger!” + +„Zeer juist opgemerkt”, antwoordde de reeder. „Overal gaat de honger +voor de liefde. Dat is een natuurwet, zoolang de wereld bestaat! Nu, +wij zullen eens zien, wat er is!” + +Apsley senior ging naar het buffet en opende de bovenste kast ervan. + +„Wacht, daar is nog zalm!” sprak hij. + +„Ach ja, zalm, heerlijk! heerlijk!” riep het meisje verrukt uit. + +De reeder zette een nog vrij groot stuk zalm, boter, wittebrood en +gebak op tafel en nam uit een ander kastje van het buffet een pas +aangebroken flesch sherry en twee glazen. + +„Nu, eet en drink zooveel je lust, hongerig schepseltje! Zoo, wensch je +ook een mes en vork?” + +Hij opende een lade en gaf Claire het benoodigde. Daarop schonk hij de +glazen vol en stiet met haar aan. Zij dronk gretig. + +„Hè! Zoo iets lekkers heb ik in langen tijd niet gedronken!” + +Daarop wijdde zij zich met alle aandacht aan de zalm en het brood en +gaf tot groot vermaak van den reeder uiting aan haar aangename +gewaarwordingen door onverstaanbare geluiden. + +De oude Apsley, die waarschijnlijk ergens anders had gesoupeerd, stond +haar gewillig het geheele stuk zalm af. Hij dronk zijn sherry en nam er +een stuk taart bij. + +Nadat de zalm en verschillende boterhammen waren verorberd, begon het +jonge meisje met grooten ijver van het gebak te eten, dat als sneeuw +voor de zon verdween. + +Eindelijk scheen de honger gestild te zijn. Met een zucht van +voldoening leunde zij in den stoel achterover. + +„Ach, dat heeft goed gesmaakt! Zooiets goeds krijgt iemand van ons slag +niet elken dag. O, ik zal altijd graag bij je komen! Ik zal je mijn +adres geven en zoodra je mij schrijft, kom ik!” + +„Dat kunnen wij doen!” vond de reeder met een vroolijk glimlachje. +„Meisje, jij bevalt mij! Kom, geef mij een kus!” + +„Voor zulk heerlijk eten en twee sovereigns zooveel als je wilt!” + +Zij vlijde zich tegen den reeder aan, die intusschen naast haar op de +sofa had plaats genomen en kuste hem vol vuur. + +„Zoo, mijn beste! O, ik heb je zoo lief en je zult tevreden over mij +zijn! Maar geef mij nu eerst de twee sovereigns, die je mij hebt +beloofd. Daaraan wil ik zien, oudje, of je evenveel van mij houdt als +ik van jou!” + +Mr. Apsley lachte. + +„Drommels! In jouw aderen vloeit het echte Engelsche handelsbloed. +Jammer, dat je geen man bent! Met jouw handelsgeest zou het je als +koopman goed zijn gegaan! + +„Zelfs in het vuur van de heetste liefde denk je aan geld! Dat is +bewonderenswaardig! + +„Maar, stel je gerust, je hebt het dezen keer gelukkig getroffen! Ik +ben in zulk een tevreden stemming, dat ik eens nobel wil zijn. Ik zal +je, als je heel lief wilt zijn, een biljet van vijf pond geven.” + +„Hoeveel?” vroeg het meisje aangenaam verrast. „Dat geloof ik niet, +oudje! Zoo zullen de biljetten van vijf pond je wel niet op den rug +groeien! Kom, geef dan hier, dan zal je mij morgen zelf moeten +bekennen, dat je je nog nooit zoo goed geamuseerd hebt als met mij!” + +„Mooi!” antwoordde Mr. Apsley en deed, alsof hij iets uit den zak van +zijn fluweelen jasje wilde halen. Dit onnoozele meisje behoefde niet te +weten, dat hij het biljet uit de muurkast ging halen. + +„Ach ja”, sprak hij daarop, „het is waar, ik heb mijn kleeren in de +kast gehangen! Wacht even.” + +De reeder ging naar zijn slaapkamer, tastte in het donker naar het +afsluitblad, haalde zijn sleutelbos te voorschijn uit den broekzak en +opende de kast. Hij greep in het vak, waarin de banknoten van vijf pond +lagen en nam daar een uit. Daarop sloot hij de kast weer en kwam in de +woonkamer terug. + +„Hier, ongeloovige Thomas, daar heb je het bankbiljet!” + +Hij wierp een vluchtigen blik op het biljet en gaf het aan het meisje. + +„Ben je nu tevreden, kind?” + +Hij nam weer naast haar plaats en legde zijn arm om haar middel, in het +bewustzijn, daar nu het volste recht op te hebben. + +Maar zoo hij het meisje eenige oogenblikken wegens haar handelsgeest +had bespot, hij zou nu gewaar worden, dat zij werkelijk een koopvrouw +was. + +Waarschijnlijk had zij in haar leven reeds minder aangename ervaringen +opgedaan met valsch geld, in elk geval, zij stak het bankbiljet niet, +zooals misschien zooveel vrouwen van haar soort gedaan zouden hebben, +onmiddellijk in haar zak, maar zij onderzocht het biljet van vijf pond +lang en nauwkeurig. + +Apsley keek met een spotlachje naar haar. + +„Alsof zij er verstand van had!” dacht hij. + +Na eenige minuten echter gaf zij hem het biljet terug en sprak vol +minachting: + +„Nee, oudje, daar vlieg ik niet in. Voor zoo dom moet je mij niet +aanzien! Dit biljet is valsch!” + +De reeder lachte luidkeels. + +„Waaraan zie je dat?” + +Maar onwillekeurig bekeek ook hij het biljet met aandacht. + +„Het is in elk geval fonkelnieuw en......... Mijn hemel! Maar het is +werkelijk valsch! Het is het goede papier niet! Het watermerk +ontbreekt!” + +Het gelaat van Mr. Apsley werd donkerrood, hij snelde letterlijk naar +de slaapkamer, woedend, dat men hem een valsch bankbiljet in de handen +had gestopt. + +Snel draaide hij het electrische licht op en opende zijn geheime kast, +want hij was bang, dat zich onder zijn geld nog meer onechte biljetten +konden bevinden. + +Hij keek in de kast en zijn knieën knikten. + +Wat hem in donker zooeven niet was opgevallen, zag hij nu op den +eersten blik. + +De zakken en rollen met de goudstukken ontbraken. Hoe hij ook zocht en +de pakketten papiergeld optilde en opzij zette, hij vond ze niet terug, +zij waren verdwenen. + +Nu maakte een onuitsprekelijke angst zich van hem meester en eerst nu +kwam de gedachte in hem op, dat ook de andere biljetten weleens valsch +konden zijn. + +Hij moest zich aan de waschtafel en aan de deur van de kast vasthouden +om niet neer te vallen. + +Met sidderende hand onderzocht hij het eene biljet na het andere en +wierp ze woedend in de vakjes, waaruit de goudstukken waren verdwenen. + +Eindelijk bekeek hij de biljetten ter waarde van vijftig pond. + +„Alles valsch! Alles valsch!” kermde hij. Zijn krachten begaven hem, +zijn knieën knikten en machteloos zonk de reeder, die zooeven nog zoo +levenslustig was geweest, op den grond neer. + +Hij kon niet meer denken en drukte beide handen tegen zijn gloeiend +voorhoofd. + +Het meisje, dat op de sofa in de zitkamer nog steeds zat te wachten, +begon eindelijk ongeduldig te worden. + +„Kom je, oude heer?” riep zij op luiden toon. „Kom, wees lief en breng +een echt bankbiljet voor mij mee, of een handvol sovereigns, die heb ik +nog liever!” + +Maar de reeder had allen lust voor liefdesavonturen verloren. + +„Loop naar den duivel, deerne!” riep hij woedend uit. „Wil je mij nog +bespotten ook? O, ik ben op een vreeselijke manier bedrogen.” + +En als een bliksemstraal schoot het plotseling door zijn hoofd: + +„Raffles—Raffles—dit is de wraak van Raffles!” + +Hij verloor het bewustzijn en zakte ineen. + +Het meisje wachtte nog een tijd lang. Toen echter alles stil bleef na +het geluid van den val, stond zij op en sloop onhoorbaar naar de +openstaande deur der slaapkamer. + +Hier zag zij Apsley roerloos op den grond liggen. + +„Misschien heeft hij een beroerte gehad!” fluisterde zij. „Dat komt wel +eens meer voor bij oude heeren. + +„Jammer voor hem, maar mij laat het koud! Wat kan mij zoo’n oude kerel +schelen, als hij geen geld heeft!” + +Maar ook in dit vreeselijke oogenblik liet haar koopmansgeest haar niet +in den steek. Zij keek met onderzoekende blikken om zich heen, +eigenlijk in hoofdzaak, om den huissleutel te zoeken. + +Zij ontdekte dezen ook op den schrijftafel van den reeder en nam hem +op. Toevallig echter lagen Apsley’s zwaar gouden horloge en de ketting +er naast en misschien was het alleen uit behoefte aan orde en netheid, +dat zij ook deze beide voorwerpen opnam en in haar zak stak. + +In een ommezien had zij zich gekleed en haar rooden reuzenhoed opgezet. +Nogmaals luisterde zij, of de oude heer rustig was. Toen zij geen +geluid vernam, ontsloot zij zacht de kamerdeur, sloop naar buiten, deed +de deur achter zich dicht en weldra was Miss Claire met de waardevolle +eigendommen van Mr. Apsley in den donkeren nacht verdwenen. + +Den huissleutel alleen nam zij niet mee, maar liet hem in het slot +steken. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +ONVERWACHTE GEBEURTENISSEN IN DE HEERENCLUB. + + +Toen Lord Lister in de vermomming van den welgedanen Amerikaan het +marmeren salon van de Heerenclub was binnengegaan, waar achter gesloten +deuren allerlei hazardspelen werden gehouden, keek hij overal rond. + +Het beruchte hazardspel wordt, zooals bekend is, door een bankhouder +gespeeld tegen een aantal pointeurs. Van een spel van 52 kaarten krijgt +ieder er 13 stuks, van het aas tot de 2, waarvan hij een of meer kan +bezitten. + +De jonge Apsley hield de bank en hem zocht Lord Lister. + +Hoewel natuurlijk, zooals bij de meeste hazardspelen, de bankier het +voordeeligst af is, scheen Mr. James Apsley hedenavond nog niet veel +geluk te hebben gehad. + +Hij had slechts een matige winst gehad en wat hij moest uitbetalen, had +de winst verre overtroffen. + +Mr. James was nog bleeker dan gewoonlijk en het zweet stond op zijn +voorhoofd. + +Om zijn zenuwen te sterken, goot hij twee glazen cognac naar binnen, +voordat hij zijn champagne, die de kellner juist voor hem had +binnengebracht, begon te drinken. + +Hierop wijdde hij weer alle aandacht aan het spel. + +Zijn oogen openden zich wijd van verbazing, toen hij ook den dikken +Amerikaan met onverschillig uiterlijk aan de speeltafel zag staan en +deze zich door den kellner 13 kaarten liet geven. + +Een lichte blos van verlegenheid kleurde het gelaat van den jongen +Apsley, omdat de Amerikaan hem hier aan de speeltafel zag, onmiddellijk +nadat deze heer van zijn vader had gehoord, dat bij de inbraak hun +geheele vermogen verloren was gegaan. + +Hij voelde zich gedrongen om den Amerikaan te groeten, wat deze +doodbedaard met een beleefde buiging van het hoofd beantwoordde. + +Lister had vijf kaarten bezet, ieder met 5 pond, zoodat de inzet dus 25 +pond bedroeg. + +Mr. James Apsley wierp nog een glas champagne naar binnen. + +Daarop schudde hij zorgvuldig de kaarten, nam de twee bovenste er af, +nadat hij de onderste kaart had laten zien, die geen winst geeft, doch +den bankhouder ten goede komt. + +Nadat de eerste keer was getrokken, had de Amerikaan het dubbele bedrag +op zijn kaarten staan, namelijk 600 gulden, terwijl de heer Apsley +Junior minstens evenveel had verloren, daar hij ook aan de andere +spelers had moeten uitbetalen. + +Zijn vingers trilden zichtbaar, toen hij opnieuw de kaarten schudde en +door Mr. Shaw liet trekken. + +„Va tout!” (het gaat om den geheelen inzet) riep Lord Lister op kalmen +toon. + +„Drommels, wat is dat, Mr. Shaw?” vroeg hem een zijner kennissen, die +ook meespeelde, „gij geeft den bankhouder immers alle voordeelen! Het +zou al heel toevallig zijn, als gij dezelfde kaarten weer kreegt.” + +„Nu, dat wil ik toch eens zien!” antwoordde de vermeende Yankee met +onverstoorbare, echt Amerikaansche kalmte, „ik heb een voorgevoel, +alsof Mr. Apsley, onze voortreffelijke bankhouder, vandaag niet erg +gevaarlijk is. Het is voor de Apsleys een ongeluksdag!” + +Mr. Apsley’s gelaat werd donkerrood. + +„Wat wilt gij daarmee zeggen, Mr. Shaw? Mag ik u om opheldering van uw +woorden verzoeken?” + +„Als ik mijn inzet liet staan op dezen voor u zoo ongelukkigen dag, +waarop uw firma door inbraak voor 50,000 pond is bestolen, dan deed ik +dat, omdat ik u de kans wilde geven, voor u zelf of uw schuldeischers +dit verlies ten minste voor een klein gedeelte te boven te komen!” + +Mr. Apsley werd donkerrood. + +„Ik bedank beleefd voor uw ongewenschte grootmoedigheid. + +„In de eerste plaats heb ik nog geld genoeg en in de tweede plaats zal +ik met behulp van mijn vrienden in staat zijn elk verlies te dekken!” + +„Daaraan twijfel ik evenzeer, Mr. Apsley, als uw vader. Gij herinnert u +zeker wel, dat ik erbij stond, toen hij handenwringend verklaarde, dat +de firma Apsley bankroet was. + +„Ik weet niet, of op zulk een dag de speelzaal van de heerenclub wel de +rechte plaats is om die verliezen terug te krijgen! Gij kent toch zeker +wel de bijbelspreuk, die van zooveel diepe wijsheid getuigt: + +„„Wie iets heeft, aan hem wordt gegeven en wie niets heeft, van hem +wordt ook nog genomen, dat wat hij heeft!”” + +„Zijt gij misschien speciaal hier gekomen met het doel om uw goedkoope +methodistenwijsheid aan den man te brengen?” schreeuwde Mr. Apsley, die +reeds half dronken was. + +Maar eenige leden der Club en goede kennissen kalmeerden hem. + +In de zaal hadden zich groepjes gevormd, die de woorden van Mr. Shaw +bespraken. Verscheiden heeren konden de waarheid der mededeelingen +bevestigen en een van hen toonde zelfs het extra avondblad van de +Times, waarin de inbraak—volgens opgaven van den reeder natuurlijk!—in +alle bijzonderheden werd beschreven. + +Ook de bestuursleden der Club stonden in een afzonderlijke groep bij +elkaar in een der kleine zijzalen, waar aan marmeren tafeltjes +gelegenheid tot soupeeren was. + +Zij zetten bedenkelijke gezichten en schudden de hoofden. + +Zij gaven Mr. Shaw volkomen gelijk en besloten, nauwkeurig te letten op +het spel van James Apsley en hem niet meer toe te staan, speelschulden +te maken, om hun andere leden voor verliezen te bewaren, als werkelijk +de firma insolvent zou worden verklaard. + +Intusschen had Mr. James nog een paar glazen cognac naar binnen +gespoeld. Hij was echter zoo kort aangebonden en onvriendelijk tegen +zijn vrienden, dat deze zich beleedigd terugtrokken. + +„Nu, hoe is het? Wij wachten hier nog steeds! Ik wil, ondanks al uw +onbeleefdheden, u deze kans nog geven. Va tout!” + +„Voor mijn part dan!” riep Apsley, bij voorbaat reeds genietend in het +vooruitzicht van zijn overwinning. Maar de kaarten, die hem in vroegere +dagen zoo dikwijls hadden gelokt, totdat hij reddeloos aan den +speelduivel was vervallen, zij lieten hem op dit oogenblik in den +steek. + +Onophoudelijk won Lister en toen het spel uit was, had de Amerikaan +honderd pond sterling op zijn kaarten staan. + +Mr. James veegde zich het zweet van het voorhoofd. Hij had nu op dezen +avond reeds de helft verspeeld van de 500 pond, die zijn vader hem had +gegeven, toen de 50,000 pond waren overgebracht naar de geheime kast +van de vrijgezellenkamers. + +Maar hij dacht er niet aan om op te houden, want hij wist immers, dat +in de kast van zijn vader zich een zeer groot bedrag bevond en dat hij +dus dit verlies gemakkelijk zou kunnen betalen. + +Ook twijfelde hij er niet aan, of zijn vader zou hem, al was het ook na +eenige verwijten te hebben geuit, het verloren bedrag wel teruggeven. + +Maar het hinderde hem, dat juist die Amerikaan alles had gewonnen en +hij zwoer zichzelf, hem zijn winst weer afhandig te maken. + +Hij keek echter verbaasd op, toen de Amerikaan zonder een spier van +zijn gelaat te vertrekken, kalm sprak: + +„Wilt gij uw geheele verlies met een enkelen slag terugwinnen? Hoeveel +staat er in de bank?” + +Apsley schrok, maar hij wilde dit niet laten merken. Een verraderlijke +uitdrukking kwam in zijn oogen. + +Zeker wilde deze dwaze Yankee nogmaals op dezelfde kaarten zetten! Dat +beteekende voor den bankhouder een bijna zekere winst. Deze gelegenheid +moest hij aangrijpen! + +„Hier liggen 150 pond”, sprak hij na vlug geteld te hebben en hij +haalde zijn laatste 100 pond uit den zak, welke hij erbij zette. + +„Nu staan er 250 pond op de bank”, vervolgde hij. + +„Apsley, zijt gij door den duivel bezeten?” riepen verscheiden stemmen. + +„Hij heeft de beste kansen!” riepen anderen. „Gij verliest, Mr. Shaw, +dat is zoo zeker als twee maal twee vier is.” + +„Va banque!” riep onder ademlooze stilte der aanwezigen, die zich nu om +de speeltafel verdrongen, Lord Lister. + +James trilde van opgewondenheid. + +Hij nam een glas cognac en dronk dat in een enkelen teug leeg. + +„Om ’s Hemels wil, Apsley!” vermaande hem een der bestuursleden, „drink +toch niet meer! Gij maakt u steeds meer opgewonden!” + +Maar de jonge man veegde zich het zweet van het voorhoofd. + +„Waarom ben ik zoo zenuwachtig?” vroeg hij zichzelf af, „ik heb toch de +meeste kans.” Wat hinderde hem in het ergste geval zulk een onbeduidend +verlies? + +Al meende de wereld ook, dat hun vermogen weg was, hij wist immers +beter! Zijn vader moest toch voor hem betalen. Wat had hij dus te +vreezen? + +„Ik geef u nogmaals kans om te winnen!” sprak de Amerikaan op ijskouden +toon. „Ik laat ook nu mijn inzet op dezelfde kaarten staan.” + +Van alle kanten hoorde men uitroepen van verbazing, en werden zelfs +weddenschappen aangegaan. + +Niemand geloofde aan het geluk van den Amerikaan. + +„Zooals gij wilt”, antwoordde Mr. James schouderophalend. + +Alle aanwezigen hadden opgehouden mee te spelen en keken vol spanning +naar den, zooals zij meenden, ongelijken strijd. + +Opnieuw schudde de bankhouder de kaarten en trok. + +Maar zijn aanvankelijke kalmte maakte plaats voor steeds grooter +opgewondenheid. De eene kaart na de andere viel bij het trekken weer +aan den kant van Lord Lister. + +De handen van James Apsley beefden toen hij Mr. Shaw de gewonnen 250 +pond toeschoof. + +Hij zocht gejaagd in den borstzak van zijn deftige, gekleede jas. Hij +haalde zijn portefeuille te voorschijn en opende die. + +Maar het gaf niets. Zij was leeg. Hij zocht ook in den anderen zak en +haalde er een groote enveloppe uit. Ook hierin bevond zich geen enkel +bankbiljet. + +Hij had alles verspeeld, de 500 pond waren naar den duivel. + +Opgewonden en bevend stak hij het couvert, waarin zich alleen een +manuscript op blauw papier bevond, weer bij zich. + +„Mr. Darley”, sprak hij tot een zijner vrienden, met wien hij zeer +intiem was, „ik zou nog een poging willen wagen, leen mij—!” + +„Ga naar huis, Apsley! Dat zal het beste voor u zijn! Ik heb weinig bij +mij!” + +„Mr. North, zoudt gij misschien zoo goed willen zijn—” + +„Het doet mij leed, Apsley, maar ik vind, dat gij heden, bij de +geruchten, welke in omloop zijn, beter hadt gedaan, niet te spelen. Wat +moeten uw schuldeischers daarvan denken!” + +Overal weigeringen! Hij gaf het op, en toch, welk een voldoening om +dezen Amerikaan toch nog weer te kunnen overwinnen! + +Haastig dronk hij nog een glas cognac en riep: + +„Mijn heeren, ik geef de bank over! Laat een ander zich in mijn plaats +met Mr. Shaw meten!” + +Lord Lister glimlachte. + +„Zoudt gij nog tegen mij willen spelen, Mr. Apsley? Nu, ik bega +misschien een domheid, maar ik wil u iets leenen. Misschien wint gij +juist daarmee, zooals meermalen gebeurt. + +„Maar na hetgeen mijnheer uw vader heden vertelde, zult gij begrijpen, +dat ik voor mijn geld eenig onderpand vraag”. + +„Hel en duivel, Sir. Twijfelt gij misschien aan mijn eerewoord?” + +„Dat niet, maar gij zoudt er morgen wel eens anders over kunnen denken +dan heden”, antwoordde Lister met nadruk. + +„Ja, ik zou alles weer van u willen terugwinnen, dat is mijn vurigste +wensch!” + +„Dat geloof ik! Mooi! Welk pand geeft gij?” + +„Wat wenscht gij? Horloge en ketting? Mijn ringen?” + +„Wat doe ik met dien rommel, als gij het geld niet teruggeeft? Neen, +het moet iets zijn, dat mij uw komst waarborgt. Hebt gij niets +dergelijks?” + +„Jawel, ouwe Yankee, ik heb hier iets! Maar ik moet het morgen kunnen +terughalen.” + +„Breng mij morgenochtend het geld en gij krijgt uw onderpand terug. Wat +is het?” + +Apsley dronk een glas champagne, zijn oogen waren met bloed beloopen. + +„Maar dat zeg ik je, Yankee, als ik je morgenochtend het geld breng en +je weigert mij de teruggave, dan schiet ik je neer als een hond. Bedenk +dat wel!” + +De president der Club legde zijn hand op den schouder van James Apsley. + +„Mr. Apsley, ik moet u verzoeken, u te matigen in uw uitdrukkingen en +geen bedreigingen te uiten tegen gasten der Club. Uw positie als lid +van deze Club is na alles, wat er is voorgevallen, niet al te zeker! +Gij gedraagt u heden, zooals dat een onzer leden onwaardig is.” + +„Als gij alle kletspraatjes gelooft! Ik onderhandel immers met Mr. +Shaw. Wat wilt gij eigenlijk?” + +„Hij is stomdronken! Men moet hem daarom iets vergeven bij zijn verlies +van hedenavond”, sprak de president, Lord Readen, tot den kassier van +de Club. „Maar neem de cognac weg, kellner!” + +Maar Mr. James verlangde dien sterken drank juist. Hij zag de karaf +wegbrengen en trok ze den kellner uit de hand. + +„Wat ga je doen, domkop? De cognac blijft hier! Dat is het beste, wat +er is!” + +Hij schonk zich een glaasje vol en dronk het leeg. + +Hierop waggelde hij naar den Amerikaan toe, hij trok het manuscript op +blauw papier uit zijn linkerborstzak en wierp het voor Mr. Shaw op de +groene tafel neer. + +„Wat is dat?” vroeg Lord Lister op ijskouden toon. + +„Dat zal ik u zeggen. Gij zult er wel niets van begrijpen, het is een +door mij gemaakt ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot, dat +ik morgen op het Admiraliteitsgebouw moet bezorgen.” + +De aanwezigen spitsten de ooren. Dat had men niet gedacht van dezen +speler en zwierbol. + +Hij was wel scheepvaartkundig ingenieur, maar men had er niet veel +respect voor. + +Zou men zich zoo vergist hebben? + +Lord Lister glimlachte: het groote moment was gekomen! + +„En dit geniale ontwerp, dat van mij is en iets geheel nieuws brengt— +—Wat wilde ik zeggen? O ja! Dat zal ons verlies door dien vervloekten +Raffles spoedig weer vergoeden. + +„Wilt gij mij hierop 25 pond leenen?” + +Lister sloeg het manuscript open, om zich van den inhoud te overtuigen. + +Juist: teekeningen in witte lijnen op blauw papier en de technische +beschrijving. + +Hij stak het geniale ontwerp in zijn zak en wierp vijf biljetten van +vijf pond voor James op de groene tafel. + +„Morgen, of liever dezen ochtend, kunt gij het ontwerp terugkrijgen, +als gij mij het geld terugbrengt.” + +Lord Lister glimlachte. + +Intusschen had Mr. James de rest der cognac in een glas geschonken en +dit leeggedronken. Zijn oogen staarden zonder uitdrukking en het eerst +zoo zorgvuldig gepomadeerde haar zat slordig en liet het begin van een +kalen kop doorschemeren. + +Dikke zweetdroppelen parelden op zijn voorhoofd en slapen en zijn +trekken waren verwrongen. + +„Apsley ziet er afschuwelijk uit”, sprak de voorzitter tot zijn +vrienden, Mr. Darley en North. „Men moest hem beletten, door te +spelen!” + +„Dat ben ik volkomen met u eens, president!” sprak Darley ernstig. „Ik +zal— —” + +Maar reeds had Apsley de kaarten weer opgenomen en riep: + +„Ik houd de bank nogmaals! Wie zet?” + +Op een wenk van den president trokken zich de leden en geïntroduceerden +terug. Alleen Lord Lister sprak met onverstoorbare kalmte: + +„Als gij het inderdaad wenscht, Mr. Apsley, ben ik bereid, u revanche +te geven!” + +„Dat hoop ik, Mr. Shaw! Maar ik zie, dat gij nog maar alleen zijt. +Waarom dan al die drukte? Zwart voor u, rood voor mij! Wat het eerst +valt, wint!” + +„Zooals gij wilt, Mr. Apsley! Voor mijn part verliest gij de 25 pond +ook nog!” + +De geheele Club drong zich om de groene tafel, om dit roekelooze spel +gade te slaan. + +Apsley schudde, liet Mr. Shaw afnemen en wierp de eerste kaart neer: + +Hartenvrouw! + +Apsley had gewonnen! + +Onverschillig gaf Lister hem 5 biljetten en de belangstelling der +toeschouwers werd steeds grooter. + +„Datzelfde nogmaals!” riep de Amerikaan. + +„Va tout!” + +Bij die woorden legde hij tien biljetten van vijf pond voor zich neer. + +Toen Apsley weer de eerste kaart trok, was het klaveraas. Apsley had +alles verloren. Hij keek een oogenblik met zijn bloedbeloopen oogen +naar de vierkante gestalte van den Amerikaan, die de hem toegeschoven +biljetten kalm bij de zijne legde, als wilde hij zich op den Yankee +werpen. + +Zijn borst ging hijgend op en neer en hij moest zich aan de tafel +vasthouden. Zijn gedachten waren verward. + +„Hij mag niet zegevieren! Ik wil mij wreken! Ik wil hem geld en ontwerp +weer af winnen! De kaarten kunnen toch niet betooverd zijn! De +aanhouder wint!” + +„Mr. Shaw!” riep hij op luiden toon. + +Lister vroeg zich af, of hij nu niet heen zou gaan. Hij had het ontwerp +in zijn bezit. Hij was er zeker van, dat dit het rechtmatige eigendom +was van den ontwerper, Mr. Burton en dat Apsley het morgen niet zou +kunnen inwisselen. + +Mocht Apsley toch met het geld komen, dan kon hij altijd nog Scotland +Yard waarschuwen. + +„Mr. Shaw!” herhaalde de zoon van den reeder ongeduldig. + +„Wat wenscht gij nog? Ik zou denken, dat het tijd voor u was om naar +huis te gaan”, merkte Lister op. + +„Ik heb er nog zin in”, antwoordde de beschonkene. „Ik wil nog spelen! +Ik wil u uw geld weer afnemen en het manuscript ook!” + +„Dat wil ik wel gelooven! Maar daar is geld voor noodig” antwoordde de +Amerikaan koel. + +„Dat zult gij mij geven! Kellner, whisky!” + +„Ik zal mij wel in acht nemen, Mr. Apsley. Ik hoorde de verklaring van +uw vader omtrent de insolventie met mijn eigen ooren”, luidde Listers +antwoord. + +De kellner had de whiskyflesch op een tafeltje gezet en een glas +ingeschonken. Apsley nam het met sidderende hand op en dronk het leeg. + +„En gij zult mij toch geld geven, Mr. Shaw. Ik heb u mijn ontwerp voor +een onderzeesche boot verpand! Maar dat heeft voor mij niets te +beteekenen. Ik kan als uitvinder van dit plan elk oogenblik een geheel +ander, nog meer volkomen in elkaar zetten!” sprak Mr. Apsley bluffend, +terwijl hij, om op de been te blijven, nu eens voor- dan achteruit +liep. + +Hij verbeeldde zich misschien in zijn steeds duidelijker wordende +dronkenschap, de rechtmatige eigenaar van het ontwerp te zijn. + +„Wat geeft gij mij, als ik u het ontwerp verkoop?” + +Dit was den meesten aanwezigen toch te sterk. Zelfs zij, die zich eerst +hadden teruggetrokken om zijn lompe houding, kregen nu medelijden met +den beschonkene. + +„Apsley, zijt gij gek?” riep Mr. North. + +„Gij moet het ontwerp morgen immers hebben, wees toch verstandig!” riep +de voorzitter der Club. + +„Morgenmiddag is de inzending gesloten!” sprak Mr. Darley bezorgd. +„Latere inzending is onmogelijk.” + +Al deze heeren hadden natuurlijk niet het minste vermoeden, dat het +ontwerp van Mr. Burton was gestolen. + +Maar Apsley wees de welmeenende vrienden met een energische +handbeweging terug, hij hield zich aan de groene tafel vast en vroeg +met zware tong: + +„Wa—wat geeft gij mij voor het ontwerp, Mr. Shaw?” + +„Neemt hem rechts en links onder den arm!” beval de president. „Wij +mogen een dergelijke handelwijze niet dulden in onze Club.” + +Maar de beschonkene riep stotterend: + +„Dat is mijn zaak! Ik wil spelen! Ik wil toch eens zien— —” + +„Des menschen wil, des menschen leven!” citeerde Lord Lister +koelbloedig. „Daar is niets aan te doen, heeren. Laat hem zijn zin +volgen.” + +Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn en nam er 1000 pond aan +bankpapier uit. + +„Hier zijn 1000 pond, Mr. Apsley”, riep hij den beschonkene toe. + +Hierop sprak Lister tot de leden der Club: + +„Heeren, overtuigt er u van, dat het bedrag juist is! Bij den toestand, +waarin zich mijn medespeler bevindt, is dat noodig!” + +„Dus gij neemt de 1000 pond en daarvoor is het ontwerp mijn eigendom!” +riep Lord Lister. + +„Top!” schreeuwde Apsley, die de banknoten met onvaste hand voor zich +neerlegde. + +„Hoe zullen wij spelen?” vroeg hij op heeschen toon. „Ik wil u het +ontwerp weer afwinnen en mijn geld erbij!” + +„Dat gaat nooit goed. Hij verliest dit geld ook nog. Mr. Shaw, neem gij +tenminste de bank. Hij kan de kaarten niet meer vasthouden.” + +Zoo spraken de toeschouwers door elkaar. + +„Als gij het wenscht, zal ik de bank nemen, Mr. Apsley. Het valt u +moeilijk om te schudden, dat zie ik wel. + +„Ik doe u het voorstel, in vijf keer, telkens voor tweehonderd pond, +het spel uit te maken. Ik heb er genoeg van, voortdurend met u alleen +te spelen.” + +„Dat vind ik goed. Dus gij neemt de bank.” + +Apsley kwam waggelend van achter de groene tafel naar voren. Maar hij +vergat niet, nog een glas whisky te nemen. De zoon van den reeder +geloofde met het idee fixe van dronken menschen, dat het geluk hem toch +nog toe zou lachen en dat het hem zou gelukken, alles terug te winnen. + +De beide eerste keeren won hij. Trots eischte hij nu ook verdere +revanche. + +Na het eind van de zevende taille echter waren de 1000 pond weer in het +bezit van Lord Lister, wien het blinde geluk den geheelen avond getrouw +bleef. + +Apsley staarde somber naar het bankpapier, dat Lord Lister met +stoïcijnsche kalmte weer in zijn portefeuille borg. + +Daarop haalde hij diep adem en mompelde, als versuft: + +„Alles weg, alles verloren!” + +Plotseling echter, bij het zien van de onverstoorbare kalmte van zijn +tegenstander, werd hij woedend. + +„Dat is niet eerlijk toegegaan! Er is hier een samenzwering tegen mij! +Vervloekte Amerikaan, je hebt mij bestolen, uitgeplunderd tot op het +hemd! Maar, schurk, ik zal je eens uit je onbeweeglijke kalmte +opwekken!” + +En nog voordat de verbaasde omstanders wisten, wat er gebeurde, had hij +een blinkende revolver uit zijn zak genomen en schoot die op Lord +Lister af. + +Deze had echter iets dergelijks verwacht en trad bliksemsnel op zij. +Doelloos kwam de kogel in den muur terecht. + +Nu echter verhief zich een ware storm van verontwaardiging onder de +leden en gasten der Club, die getuigen waren van dit tooneel. Niemand +van hen had echter zin om den woesteling beet te pakken. + +„Grijpt hem! Houdt hem vast!” riep de president. + +„Hij is totaal beschonken”, zuchtte Mr. North. + +„Dat zoo iets in onze Heerenclub kan passeeren!” weeklaagde de +voorzitter. + +Lister wilde zich op Apsley werpen, maar reeds was deze met dreigend +opgeheven revolver dwars door de zaal naar buiten gesneld. + +„Terug, jelui honden, als je leven je lief is!” riep hij, toen Lister +en andere heeren hem wilden volgen. + +Nog twee keer knalde een schot, maar omdat hij te dronken was om goed +te kunnen mikken vielen er geen dooden of gewonden in de speelzaal. + +„Vervloekte gauwdieven! Schurken! Gij heeren? Wat? Zakkenrollers en +dieven zijt gij!” + +Nogmaals schoot hij, zonder iets anders dan een grooten spiegel te +raken, vlak naast den voorzitter. Daarop opende hij de deur naar de +gang en wierp deze met een ruk in het slot. + +Een groote verwarring ontstond. Men riep om de politie en om Scotland +Yard. + +Slechts met moeite gelukte het Lord Lister, het woord te krijgen. + +„Heeren”, sprak hij, „laat den misdadiger aan zijn noodlot over, dat +hem spoedig genoeg zal treffen. + +„Gij hebt u heden misschien over mijn optreden en mijzelf verbaasd, +maar ik kwam hier met de bedoeling, het gestolen ontwerp voor een +onderzeesche boot te vinden en dit aan den ongelukkigen eigenaar en +uitvinder terug te kunnen geven. + +„Zooals gij hebt gezien, is mij dat gelukt.” + +Een algemeen bravo volgde. Allerlei vragen werden gedaan en men +bestormde Mr. Shaw om een nadere verklaring. + +„Ik kon al niet begrijpen, hoe dit lichtzinnige sujet een geniaal +ontwerp had uitgevonden,” merkte Mr. Darley op. + +Lister noemde den naam van Edward Burton als dien van den ontwerper en +nam, om verdere vragen te ontloopen, op beminnelijke wijze afscheid van +de heeren. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +APSLEY SENIOR EN JUNIOR. + + +De oude Mr. Apsley was ondertusschen weer tot zichzelve gekomen. Hij +was met moeite van den grond opgestaan en, na nog een wanhopigen blik +op de nog open staande kast met valsche bankbiljetten in de slaapkamer +te hebben geworpen, sloot hij de deur. + +Daarna had hij zich, met een bang gevoel voor de plaats des ongeluks, +naar de woonkamer gesleept, waar hij de verdwijning van zijn horloge en +van het meisje bemerkte. + +Hij nam hierop een flesch whisky uit het buffet, en schonk zich een +wijnglas vol, dat hij leeg dronk. + +Hierna begon hij zich beter te gevoelen. + +Hij ging in den hoek der sofa zitten, steunde zijn hoofd op zijn hand +en dacht na. + +Het was wel een ramp, die mooie 50.000 pond; al zijn spaarpenningen en +ontvangsten waren verdwenen. Iets van de geldswaardige papieren zou +misschien nog te redden zijn! + +„Maar per slot van rekening is het toch niet zoo erg; wij behouden toch +altijd nog het prachtige ontwerp. Morgen heeft de wedstrijd plaats, en +als mijn zoon of de firma Apsley & Co. den prijs wint, waaraan niet +valt te twijfelen, en ook met den bouw zelf wordt belast, zullen we dit +zware verlies spoedig genoeg weer te boven komen.” + +Met deze gedachte en vooruitzichten begon de reeder langzamerhand weer +moed te scheppen, en zijn werkkracht kwam opnieuw boven. + +Hoe meer hij over deze plannen nadacht, des te beter werd zijn humeur. + +Hij had de eerste neerslachtigheid al bijna geheel overwonnen, toen hij +iemand met zwaren tred en veel lawaai de trap hoorde opkomen. + +„Die moet flink wat naar binnen hebben gewerkt”, dacht hij bij +zichzelf, toen opeens de deur openging. + +Het was zijn zoon James. + +Maar hoe zag deze er uit! + +Den eleganten hoogen hoed had hij achter op zijn hoofd, en zijn donker +haar hing wild en verward op zijn voorhoofd. Zijn gelaat was krijtwit, +alleen de oogen gloeiden op onnatuurlijke wijze. + +Zijn dronkenschap scheen in de buitenlucht gedurende den tocht in de +auto nog toegenomen te zijn. Hij kon zich nauwelijks staande houden en +had moeite om zijn evenwicht te bewaren. + +„James, ongelukkige, wat zie jij er uit! In wat voor toestand verkeer +je? Och hemel, ook dat nog bij al het andere!” + +„Het geld is op, vader! Alleen het geluk was tegen me, anders zou ik +dien onbeschaamden Yankee toch nog gelegd hebben! + +„Kom, geef mij een whisky, vader, wees eens goed! En dan geld, nieuw +geld, dat is de hoofdzaak! + +„Is dat niet whi—whisky? Natuurlijk is het dat! Kom, ik heb een +afschuwelijken dorst, maar niet naar water.” + +„Je bent volslagen beschonken! Geen druppel krijg je meer!” + +Mr. Apsley nam gauw de flesch van tafel en sloot haar in het buffet. +Hij nam er een flesch sodawater uit en schonk daarmee een waterglas +vol. + +„Daar, lichtzinnig individu! Vooruit, drink! Ik wil het hebben.” + +James weerde eerst het onwelkome drankje af, doch toen zijn vader bleef +aandringen, nam hij het aan en slikte het met allerlei vreeselijke +grimassen naar binnen. + +„Ge hebt nu gezien, dat ik uw wil doe, voldoe nu ook aan mijn +verlangen! Geef mij geld, vader, veel geld! Ik verdwijn over den +grooten vijver.” + +„Onzin, James! Je hebt op ’t oogenblik je vijf zinnen niet bij elkaar. +Daar is geen sprake van! Jij moet werken. Het luie leventje, dat je tot +nu toe hebt geleid, moet thans ophouden. + +„In dit opzicht treft het nu bijzonder goed. Jij hebt het in je leven +altijd veel te gemakkelijk gehad, en ik was altijd te toegevend en gaf +je veel te veel geld, en altijd weer opnieuw. Dat was mijn fout, +waarvan ik nu spijt heb. + +„Maar dat moet nu ophouden, mijn jongen! En daar het niet anders kan, +zal het ook ophouden, en wel voor je eigen bestwil! We zullen allebei +flink gaan werken, om de geleden schade weer in te halen en ik hoop, +dat je me krachtig zult steunen en bijstaan en mij zult bewijzen, dat +je, ondanks alle lichtzinnigheid, een kern van de gelijkheid in je +hebt, en in waarheid mijn zoon bent.” + +„Werk? Neen, dierbare vader, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. En +overigens moge de duivel mij halen, als ik ook maar een syllabe van uw +opbouwende zedepreek—louter nonsens, met uw verlof—begrijp! + +„We hebben immers geld genoeg, kunnen de andere menschen, de armen, de +hongerlijders, de dommen voor ons laten werken en zelf van het leven +genieten. + +„Dat is juist de kunst in het leven.” + +De reeder krabde zich bedenkelijk achter de ooren. + +„Mijn hemel, hij weet immers nog van niets! Dat vergat ik heelemaal! +Nu, dat zal een heele slag voor hem zijn, des te meer, nu hij van heden +af aan moet werken! En bij dit alles is hij nog dronken ook!” + +Hij slaagde er echter in, James de rest van het sodawater naar binnen +te laten werken. + +„Verduiveld!” zei James, wiens geest weer een beetje helder begon te +worden, zoodat hij zich bewust werd, dat hij zijn benarde positie aan +zichzelf had te wijten. „Ik moet weg! Ik moet geld hebben! Ik bezit +geen rooden duit meer! Alles verspeeld aan dien hond van een Yankee! + +„Allo, vader, geef mij zooveel, dat ik zoodra mogelijk weg kan over den +Atlantischen Oceaan, voordat het te laat is!” + +„Hij is nog totaal dronken!” mompelde de reeder bezorgd. „James, wat +praat je toch voor wartaal! Kom eens tot jezelf, mijn jongen! Ik +vergeef je immers alles en wil ook niet met je twisten. Maar dat moet +in de toekomst geheel ophouden. Van heden af aan. Beloof je me dat? + +„Kijk eens naar Mr. Edward, hoe die gewerkt heeft dag en nacht! Het +doet mij bijna leed, dat hij door ons toedoen niet de vruchten zal +plukken van zijn vlijt. Doch ieder is zichzelf het naast! Misschien +kunnen we ons later met hem associeeren!— + +„Niet waar, ik kan erop vertrouwen, James, dat je mij in onzen nieuwen +strijd om het bestaan trouw ter zijde zult staan?” + +„Dat is louter onzin, vader, wat ge praat! Ik moet weg!” + +Hij keek schuw naar de deur, of de menschen van Scotland Yard soms al +achter hem stonden. + +Het begon hem nu duidelijk te worden, dat hij in de Heerenclub een +vreeselijke domheid had begaan, om het niet erger te noemen. + +De reeder keek hem aandachtig aan, en haalde de schouders op, daar hij +zijn dwaas gepraat toeschreef aan dronkenschap. + +Doch James werd nu door eene zenuwachtige onrust bevangen. Hij wilde +zich in veiligheid brengen. + +„Kom, vader, ik heb alles verspeeld! Ik moet geld hebben! Ik moet weg! +Hoort gij niet? Geef mij toch zooveel, dat ik voldoende heb voor den +overtocht, geef mij tienduizend uit de geheime bergplaats daar binnen! +Verder zal ik geen aanspraak op iets maken.” + +„Uit de kast, jawel!” lachte de reeder hoonend. „Leg je schuldeischers, +als je ze hebt, maar op andere manier het zwijgen op. Geld kan ik je +niet meer geven!—Het geld is weg—is verdwenen!” + +De zoon barstte in een luid gelach los. + +„Ik zal er niet invliegen! Neen, zoo dom is uw zoon niet, vader! + +„Tracht dat een ander wijs te maken. Natuurlijk, ge wilt mij niets +geven, omdat ik dronken ben! Doch ik ben nu weer helder van geest! Ik +weet alles! Ik moet het hebben! Heusch! + +„Ik heb een domme streek uitgehaald! Doch ik was woedend, omdat ze mij +zoo leeggeplunderd hadden, en toen heb ik op den bankhouder, dien +vervloekten Yankee, Mr. Shaw, geschoten, en ik geloof, dat ik hem zijn +winst betaald gezet heb, en dat ik ook van de andere schurken een paar +gebrandmerkt heb.” + +Bij deze woorden wierp James zijn revolver op tafel, waarop zich nog +twee of drie patronen bevonden. + +„Die heeft mij op de schurkenbende gewroken! En het doet mij ook in ’t +geheel geen leed voor de schelmen! + +„Maar ziet ge, ik moet weg, snel weg, als de fameuze kapitein Baxter en +de gevaarlijke „vloo” me niet zullen pakken. Daarvoor echter heb ik +geld noodig, vader, veel geld!” + +De reeder sloeg de handen ineen over deze onthullingen. + +„Waanzinnige”, weeklaagde hij, „jij bent niet te helpen! Vlucht in ’s +hemelsnaam, als je iemand doodgeschoten hebt!” + +„Ja, ik wensch niets liever dan dat. Maar daar heb ik juist geld voor +noodig, hoe meer, hoe beter!” + +„Als ik je toch zeg, dat ik geen geld heb”, jammerde de oude Apsley +handenwringend. + +„Och, wat, gij zoudt geen geld hebben! We hebben toch eerst vanavond de +vijftigduizend pond hierheen in veiligheid gebracht!” + +„Maar zij zijn weg”, antwoordde zijn vader hem. „Zij zijn er niet meer. +Daar is niets meer aan te doen!” + +„Maar, vader, waar hebt ge ze dan?” vroeg James ongeloovig en mompelde +in zichzelf: „Hij wil het me maar niet zeggen.” + +„Een ellendige geschiedenis”, sprak de reeder, die de zaak voor +zichzelf gewikt en gewogen had. „James, James, wat haal jij voor dingen +uit! Maar we zullen alles wel weer in het goede spoor brengen! + +„Ondertusschen moet jij je verborgen houden. We zullen wel overleggen. +Al moeten we nu ook opnieuw beginnen, dat is niets, ik ben ertoe +besloten. Ik laat mij niet ten onder brengen. Wij zullen de +vijftigduizend pond terug zien te krijgen.” + +„Alsof ze inderdaad weg waren!” viel James spottend in de rede. + +„Ze zijn weg”, ging de reeder voort met een angstig gelaat. „Maar we +hebben immers het geniale plan van Mr. Burton, en dat zal ons weer van +deze schipbreuk redden. En spoedig zullen we er beter voorstaan dan +ooit te voren. + +„Natuurlijk kan jij er onder deze omstandigheden niet aan denken, het +ontwerp hedenvoormiddag persoonlijk in te leveren. Dat spreekt vanzelf! +Geef mij dus het plan, ik zal het bezorgen! Hedenvoormiddag wordt de +inschrijving voor den wedstrijd gesloten! En dan zullen we verder +overleg plegen!— — + +„Onze geheele toekomst hangt nu af van het prachtige ontwerp!” + +De jonge Apsley kreeg bij deze woorden van zijn vader toch een gevoel +van verlegenheid en schaamte over zich. Hij ergerde zich nu zelf over +zijn grenzenlooze lichtzinnigheid en dwaasheid. + +Hij trachtte echter dit gevoel van zich af te schudden en verborg zijn +schaamte achter een voorgewende driestheid. + +„Ik heb het ontwerp niet meer”, zei hij ronduit. + +De reeder keek hem sprakeloos aan. Hij kon het niet gelooven. + +„Wat?” vroeg hij, „heb je het ontwerp niet meer? Dat is onmogelijk!” + +James trad naderbij. + +„Neen, het is helaas zoo! Maar laten we daar geen woorden over +verspelen. Wat gebeurd is, is niet meer goed te maken. Ik heb het in +mijn speelwoede verpand, verkocht en het geld—nu, dat is ook al naar +den duivel.” + +„Jij, schurk!” schreeuwde de reeder, door ontzetting aangegrepen. + +„Is dat waar?” + +Zijn borst ging zwaar op en neer en zijn hart klopte luid. + +„Hahaha!” lachte zijn zoon boosaardig. „Kostelijk, hij noemt mij schurk +om het ontwerp, dat hij zelf stal! + +„Maar wees goed op me, vader, kom, geef mij het geld!—Ik zal bescheiden +zijn. Geef mij een vijfde, tienduizend pond, en ik zal voor altijd +bevredigd zijn.” + +De reeder zuchtte diep en greep zijn hoofd met beide handen vast. Toen +begon hij heesch te lachen. + +„Nietswaardige, dat is het einde van alles!” + +Met één greep richtte hij de op tafel blinkende revolver van zijn zoon +op zichzelf. + +Een schot knalde, en James Apsley’s vader stortte met bebloed gelaat +voor zijn zoon op het tapijt neer. + +James sprong in den eersten schrik een paar passen achteruit. Spoedig +echter kreeg de zelfzucht de overhand. + +„Die oude gek!” mompelde de liefdevolle zoon. „Hoe kon dat gestolen +ontwerp hem toch tot zoo’n wanhopige daad voeren? + +„Enfin, des te beter! De heele vijftigduizend voor mij! +Dadelijk—onmiddellijk zal ik verdwijnen. Misschien zoekt Scotland Yard +mij al! Ik geloof weliswaar niet, dat ik iemand trof, doch wie weet! De +duivel kan bij het schieten in het spel geweest zijn! Het was stom van +me, dat is waar! Doch wie kan zich beheerschen, wanneer zelfs de +laatste shilling in den wijden zak verdwijnt van dien vervloekten +Yankee, die daarbij geen spiertje van zijn gelaat vertrekt.” + +Met begeerigen blik en verwrongen gelaat snelde de nog sterk +beschonkene met wankelende schreden naar de slaapkamer van zijn vader, +waar hij wist, dat de vijftigduizend pond bewaard werden. + +Met één draai ontstak hij het electrisch licht en ging naar het geheime +kastje in den muur. De sleutelbos van zijn vader stak in het slot, +hetgeen hem eenigszins verwonderde. Snel sloot hij de deur open. + +„Nu, zei ik het niet”, lachte hij hoonend bij den aanblik van de pakjes +bankbiljetten. + +„Het is inderdaad zeer voorkomend van den oude mij zoo onverwacht in de +aangename positie van den lachenden erfgenaam te verplaatsen.” + +Hij haalde den koffer wat dichterbij, waarin zij beiden de +vijftigduizend pond hadden meegenomen en nam het eerste pakje uit een +der vakjes te voorschijn. + +Zijn oogen werden echter onnatuurlijk groot. Hij ging met het bundeltje +bij het electrisch licht, om beter te kunnen zien. + +Zijn zoowel door de zaak als door hazardspel geoefend oog herkende, in +weerwil van zijn dronkenschap, de vervalsching. + +Hij bekeek het een na het ander alle papieren van het pakket en +slingerde ze met kracht op den grond. + +Daarop ging hij naar de kast en keek ook de overige pakketten door. +Dikke zweetdruppels stonden hem op het voorhoofd. + +„Alles valsch!—Wat beteekent dat?” fluisterde hij. + +De dronkenschap scheen opeens verdwenen te zijn. In plaats van de +rozenroode sluiers van de door den roes opdoemende droombeelden zag hij +plotseling de naakte, grijze werkelijkheid. + +Hij rilde ervan.— + +Daarop snelde hij naar het woonvertrek. + +„Alles—alles voorbij! En hij”, steunde hij met den blik op het met +bloed bedekte lijk van zijn vader op het tapijt gericht, „hij—wist +het!” + +Met een gevoel van nijd in zich rukte hij uit de koude hand van den +doode de nog een of twee kogels bevattende revolver. + +Hij plaatste haar stevig tegen de slapen, en bij het knallen van het +schot zonk, over het lijk van zijn vader heen, ook de zoon met +verpletterden schedel op den grond. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE HOOP VAN DEN KAPITEIN VAN POLITIE NIET VERWEZENLIJKT. + + +De kapitein van politie Baxter had het privé-kantoor der firma Apsley & +Co., na de inbraak door Lord Lister, alias Mr. Shaw, verlaten, ten +einde een razzia te houden in de Zuidoostelijke stadsgedeelten van +Londen. + +Hij had niet de zuivere, ten minste niet de geheele waarheid gesproken. + +Zulk een razzia toch was reeds van de zijde van andere detectives van +Scotland Yard in vollen gang. Hij zelf echter, met zijn speciale +ondergeschikten Tyler en Marholm, was van plan, de aanwijzingen van den +jongen Apsley te volgen en den vervalscher der bankbiljetten, den +schilder Mr. Gower, te overvallen, mee te nemen en in hechtenis te +brengen. + + + +Mr. Gower liep in zijn atelier, met grootendeels onomlijste +schilderijen en kopergravures versierd, onrustig op en neer en rookte +een sigaret. Op een teekentafel lagen de voor het kopergraveeren +benoodigde werktuigen, graveerstift, schaaf en polijststaal, benevens +een begonnen plaat. Op een piedestal op den achtergrond schitterde de +half-voltooide karakterkop van een apostel. + +De kunstenaar echter, die slechts zelden bij electrisch licht werkte, +had er dezen avond niet den minsten lust toe. + +Steeds weer moest hij er aan terugdenken, dat hij door nood gedrongen, +op een zwak oogenblik, aan zijn clubgenoot James Apsley een valsch +bankbiljet te wisselen had gegeven, dat nog in diens handen was en dat +deze de teruggave geweigerd had, ofschoon de kunstenaar hem het volle +bedrag en zelfs meer had geboden. + +De kunstenaar had een zijde van de bankbiljetten eenigen tijd geleden +klaar gemaakt voor een Londensche firma, die de keerzijde wenschte te +gebruiken om haar fabrikaten op humoristische wijze aan te prijzen. + +De biljetten waren echter zoo volkomen gelijkend uitgevallen, dat de +firma vreesde daardoor in conflict met de wet te komen en per slot van +rekening haar geheele plan opgaf. + +De schilder had nu de reeds gemaakte afdrukken voor zich liggen. Meer +gedreven door nieuwsgierigheid dan door hebzucht of met het doel om te +vervalschen, had hij de rugzijde ook nagestoken en achter op de gereed +zijnde biljetten afgedrukt. + +Hij was zelf verbaasd over de gelijkenis met de echte bankbiljetten, +had echter de pakjes weggesloten en bijna vergeten, totdat een +plotselinge geldnood hem eraan herinnerde. + +James Apsley had hem in zijn atelier opgezocht, om een historisch +schilderij van den kunstenaar te bezichtigen, voordat dit naar de +............expositie ging, waar het als „Messalina’s dood” veel van +zich deed spreken. + +Het was bij deze gelegenheid, dat Gower noodgedwongen het biljet van +vijftig pond uit een ouden stoel bij het atelierraam op den achtergrond +te voorschijn had gehaald en Mr. Apsley verzocht de banknoot voor hem +te wisselen. + +Hij had weliswaar gevreesd, dat de met alle geldsoorten goed bekende +zoon van den reeder dadelijk de vervalsching zou bemerken, in welk +geval hij hem zou vertellen, hoe hij tot dezen arbeid was gekomen en +hoe hij erover dacht, kortom, dat hij zich slechts een grap had +veroorloofd. + +Toen evenwel Apsley, die de vervalsching dadelijk had ontdekt, zich +niet in dien geest uitliet, doch zonder bedenking de banknoot wisselde, +had hij in zijn benarde positie de zwakheid om te zwijgen en de som, +hoewel zijn geweten hem erg knaagde, aan te nemen. + +Reeds een paar dagen later was hij in het bezit van een beduidende som +gelds, daar zijn schilderij „Messalina’s dood”, nauwelijks +tentoongesteld, een kooper had gevonden. + +Zijn eerste gang was naar Apsley geweest. + +Daar hij hem niet thuis trof, had hij hem in de Heerenclub opgezocht, +alwaar de bespreking had plaats gehad, die Lord Lister had +afgeluisterd. + +Door de onthulling van het ware karakter van Apsley en het in hem +opgewekte medegevoel voor den kunstenaar nam Lister het besluit +tusschenbeide te komen. + +Onrustig liep Mr. Gower zijn atelier op en neer. De weigering van James +Apsley om hem het biljet terug te geven en de daaruit blijkende +vijandelijke gezindheid en slechte bedoeling maakten hem zeer bezorgd. + +Hij was beslist van plan om in de eerstvolgende dagen alle nagemaakte +bankbiljetten aan het vuur prijs te geven. + +Steeds weer stelde het hem eenigszins gerust, dat zelfs in het ergste +geval wel niemand op de gedachte zou komen, dat zij in den ouden, +uitgesneden stoel waren verborgen, die bovendien nog alleen door een +moeilijk te vinden veer was open te krijgen. + +Op dit oogenblik werd er geklopt en nadat de schilder „binnen!” had +geroepen, trad eerst de kapitein van politie Baxter en achter hem de +detectives Tyler en de „Vloo” binnen. + +De kunstenaar verbleekte bij het zien van de hem bekende beambten van +Scotland Yard. + +„Wat verschaft mij de eer, meneer de kapitein van politie?” vroeg hij +met voorgewende kalmte. + +„Nu, Mr. Gower, wanneer ge dat nog niet weet, zult gij het spoedig +hooren. Wij komen om uwe schilderijen te bekijken. Het is alleen nog +maar de vraag, welke!” + +De hoop, dat de detectives de schuilplaats niet zouden vinden, gaf den +schilder kracht. + +„Ik heb mij niets te verwijten! Hier moet een vergissing in het spel +zijn, meneer de kapitein van politie”. + +Baxter haalde de schouders op. + +„Dat zegt iedereen natuurlijk. Maar de zeer juiste aanwijzingen, die ik +heb, laten geen twijfel over. + +„Ik moet u verzoeken geen pogingen te doen om te ontvluchten, zoolang +ons onderzoek nog niet is afgeloopen! + +„Het resultaat zal beslissend zijn! + +„Neemt u hier plaats en verroer u niet. + +„Tyler, gij blijft borg voor Mr. Gower!” + +Als een gebroken man zonk de kunstenaar op den stoel neer voor zijn +koperplaat en steunde zijn hoofd in zijn rechterhand. + +Diep ongelukkig mompelde hij: + +„O, wat een schande! O, wat een schande!” + +Nog grooter werd zijn schrik, toen hij zag, dat de kapitein van politie +en de vloo, zonder zich met eenig nader onderzoek bezig te houden, het +piedestal met het apostel-beeld voorbij gingen en regelrecht op den +stoel bij het achterste atelier-raam toe liepen. + +„Dat daar is een gesneden stoel, kapitein!” zei de vloo. „Die zal het +zijn! Nu zullen we eens zien, of we de veer kunnen vinden. + +„Het zou jammer zijn van het kostbare stuk, wanneer wij het moesten +openbreken!” + +„Kostbaar? Bah, dan heb ik wel eens wat kostbaarders gezien!” + +„Waarom niet? Het is toch een echt antiek stuk, misschien wel zes- of +zeven honderd jaar oud.” + +„Och praat toch niet. In dien tijd kende men toch zeker nog geen +geheime bergplaatsen!” + +„Dat is nog de vraag”, gaf de vloo ten antwoord. + +Dadelijk daarop riep hij triomfanteljk, zoodat het den schilder als een +doodsoordeel in de ooren klonk: + +„Ik heb de veer! Kijk, daar is de knop, het is snijwerk!” + +Gower zou het liefst door den grond zijn gezonken van schaamte en +ellende. + +Door den druk van Marholm was de stoel opengesprongen en de beide +detectives keken elkaar zeer verbaasd aan. + +„Wel verduiveld, wat is dat nu? De stoel is immers leeg? Wat beteekent +dat?” ging de kapitein van politie te keer. + +De schilder dacht te hebben misverstaan. Een gevoel van geluk kwam in +eens over hem. + +„Hier, kapitein, heb ik een zwaar couvert aan het adres van Mr. Gower. +Er schijnt geld in te zijn. Misschien geeft dat opheldering.” + +„Neen, dat klopt al niet! Volgens de ons verstrekte gegevens moest de +stoel bijna geheel met valsche bankbiljetten gevuld zijn. + +„Wat kan zich nu in dat couvert bevinden? Het schijnt mij bovendien toe +metaalgeld te zijn!” + +Nadat de beide detectives den stoel nog zoo nauwkeurig mogelijk hadden +onderzocht en zich hadden overtuigd, dat er behalve het couvert niets +in was en in kon zijn, lieten ze hem weer dicht vallen en kwamen met +den briefomslag naar Mr. Gower toe. + +„Ik vraag u excuus, Mr. Gower. De ons gedane aanwijzingen zijn onjuist +gebleken. + +„Het was echter onze plicht een onderzoek in te stellen. Hier is echter +nog een aan u geadresseerd, gesloten couvert. Gij weet natuurlijk wat +er in is?” + +„Geen flauw vermoeden”, antwoordde de kunstenaar overeenkomstig de +waarheid. + +„Dat is toch zonderling! Er is hard geld in”, sprak Baxter. + +„Dan moet ik u toch verzoeken, het couvert in ons bijzijn open te +maken”. + +Mr. Gower werd opnieuw opgewonden. Hij dacht aan dat eene, door hem +uitgegeven bankbiljet. + +Toen hij echter het couvert had opengesneden, rolden er 25 goudstukken +uit, terwijl hij een schrijven openvouwde, dat hij met blijde verbazing +las. + +Het luidde: + + + „Geachte Meester! + + Vergeefs hier op u wachtend met het doel u een portretschildering + op te dragen, ontdekte ik het geheim van den stoel en veroorloofde + mij, hieraan bijgaand voorschot op het aanstaand meesterwerk van uw + penseel toe te vertrouwen, zeer benieuwd, of en zoo ja, op welke + wijze gij dezen brief, ontdekken zult. + + Met verzoek de grap goed op te nemen, + + Iemand, dien gij spoedig zult leeren kennen.” + + +Gower liet het couvert zien. Verder bevatte het niets. + +De drie detectives stonden sprakeloos. + +„Dat is heel aardig”, zei kapitein Baxter erg bedaard. „Ik wou, dat ik +ook zulke onbekende vrienden had!” + +„Nu en of”, ging de vloo verder, „vijf-en-twintig sovereigns is geen +kinderspel, en dat heet nog maar een voorschot. Gij moet wel reusachtig +veel verdienen! + +„Ik zou wel eens willen weten, hoe lang dat daar al in ligt”. + +Mr. Gower haalde de schouders op. + +„Een datum is in het beleefde briefje niet aangegeven. Dat kan er wel +al lang in liggen”. + +„Welnu, meneer Gower, neem ons niet kwalijk. Dergelijke onaangename +plichten brengt ons beroep nu eenmaal mee. + +„In elk geval zijt gij volkomen in ’t gelijk gesteld. Met den aangever +hebben we nog een appeltje te schillen. + +„Wil ons dus verontschuldigen en vaarwel.” + +„Adieu, heeren!” + +De drie detectives van Scotland Yard hadden geen gelukkigen dag. + +Als drie natte poedels dropen ze af en aanvaardden den terugtocht. + +Mr. Gower evenwel sloeg van blijdschap de handen ineen, nu de storm zoo +kalm over zijn hoofd was heengegaan, en dacht ontroerd aan den +onbekenden vriend, aan wien hij zijn redding had te danken. + + + +Toen Lord Lister uit de club op zijn villa terugkwam, vond hij zijn +trouwen Charly, in weerwil van het vergevorderd uur, nog bezig aan zijn +aeronautischen arbeid. + +De luchtschip-techniek was Charly’s stokpaardje en ze zou hem nog +dikwijls te pas komen. + +„Arme kerel”, sprak Lister vol medelijden, „hij heeft zijn hoofd niet +durven neerleggen uit zorg voor onze schatten! + +„Dat is de vloek van het goud, Charly! + +„Men kan het draaien zooals men wil, het hebben of niet hebben baart +den mensch veel zorgen! + +„Doch genoeg over levenswijsheid! + +„Wij kunnen helaas nog niet naar bed gaan, want je moet nog eenmaal op +onderzoek uit!” + +„Ik ben bereid, Edward.” + +„Ik stel er namelijk veel belang in om te weten, of de verwisseling der +bankbiljetten in de ......street al ontdekt is!” + +„In welke gedaante?” + +„Als Mr. Shaw! Bedenk wel, dat de fameuze kapitein van politie een +tamelijk scherp oog heeft; nog daargelaten de in dit opzicht zeer +begaafde vloo. + +„Laat je nachtauto tegenover het garçonlogis van Apsley wachten, blijf +erin, totdat Scotland Yard wegtrekt, of totdat er leven komt in het +huis, en vraag naar het voorgevallene alsof je juist voorbij kwaamt!” + +„Goed”, antwoordde Charly, die reeds voor den spiegel stond om zich een +echt Amerikaansch aanzien te geven. + +In korten tijd was hij weer de elegante, jonge Mr. Robert Benting-Shaw +uit Chicago. + +Hij drukte Lord Lister de hand en ging haastig weg. + +Lister stak een sigaret op en liep peinzend heen en weer. + +Daarop nam hij een deel van Shakespeare’s meesterwerken van de plank en +verdiepte zich in zijn prachtige comedie „Cymbeline”. + +Eindelijk kwam Charly opgewonden en ontdaan terug en deelde mede, dat +zooeven, opgebeld door de bewoners van het huis, Scotland Yard was +aangekomen en de lijken der beide heeren Apsley in de +vrijgezellenwoning van den vader had gevonden. + +„Blijf hier, Charly, en zorg voor koffie. Het is bijna morgen. Ik ga +erheen en wil zelf hooren en zien, wat er gebeurd is. Ik zal niet lang +wegblijven!” + +De dikke Amerikaan werd op de plaats van het ongeval door de beambten +van Scotland Yard als een oude kennis met vreugde begroet. Vooral +Baxter was niet weinig gevleid, dat de wereldberoemde milliardair zoo +druk met hem omging. + +De beide lijken lagen nog, zooals men ze had gevonden, vader en zoon +over elkaar uitgestrekt. + +Terwijl de beambten de slaapkamer doorzochten en bij de ontdekking van +de kast in den muur luide uitroepen van verbazing en verontwaardiging +slaakten, stond Lord Lister met over elkaar geslagen armen in de +huiskamer en keek met ernstig gelaat naar het tweetal, dat zichzelf had +gestraft. + +Al waren het ook schurken en al hadden zij ook een moord op hun geweten +genomen, om geen getuige tegen zich te hebben, hun dood had hij toch +niet gewenscht. + +Daar trad, blijkbaar zeer opgewonden, kapitein Baxter de kamer binnen. + +„Wat is er, Mr. Baxter? Wat maakt u zoo nerveus? Hoe verklaart gij deze +aangelegenheid, die mij zoo onbegrijpelijk mogelijk is? Wat een +vreeselijk geval!” + +„De verklaring is heel eenvoudig”, antwoordde Baxter met +zelfvoldoening. + +„Ik wil geheel in het midden laten, of hier een moord of een dubbele +zelfmoord is gepleegd, daar de schoten uit dezelfde revolver kwamen. + +„Ik denk aan dubbelen zelfmoord. + +„De beide heeren Apsley zijn ontmaskerd als de uitgevers van de in +omloop zijnde valsche bankbiljetten. Daar binnen, in de slaapkamer, +bevindt zich een geheime muurkast, die geheel gevuld is met valsche +biljetten van vijf, tien en vijftig pond. Tyler en Marholm zijn juist +bezig het bedrag te tellen.” + +„De beide heeren Apsley vervalschers van bankpapier? Maar waarom hebben +zij elkaar dan om het leven gebracht?” vroeg Lord Lister. + +„Valsch papiergeld tot zulk een hoog bedrag”, antwoordde Baxter met een +gewichtig gelaat, „kan alleen bij hooge bedragen met echt papier mee +gesmokkeld worden. En daar de heeren Apsley door de inbraak in hun +kantoor hun geheele vermogen hebben verloren, zagen zij geen kans, het +valsche papier ooit te kunnen uitgeven. Daar zij door den diefstal van +Raffles alles kwijt waren, zochten zij te zamen den dood. Wat zegt gij +van deze verklaring?” + +„Die is zeer aannemelijk, kapitein. Wel, wel, wat hebt gij een gave om +te combineeren! Bewonderenswaardig!” + +„O, Mr. Shaw, gij maakt mij verlegen”, antwoordde Baxter gevleid. „Wat +mij het meest ergert is, dat deze jonge schurk hier op den grond—die +zichzelf nu heeft gestraft—den moed had om Scotland Yard leugenachtige +mededeelingen te doen omtrent een eerlijk man, terwijl hij zelf de +vervalscher was.” + +Lister gaf hem gelijk, hoewel het hem moeite kostte niet te +schaterlachen.— — — + +Toen Lord Lister in de villa terugkeerde, had Charly intusschen +heerlijke koffie gezet en de versche broodjes aangenomen van den +bakkersjongen. + +„Nu, mijn beste jongen”, sprak Lord Lister, een fijne sigaret +aanstekend, „laat ons nu allereerst eens zorgen voor het geluk van een +jong paar. + +„Neem het geniale plan van den ingenieur Burton en bezorg het, vermomd +als boodschapsjongen, met een begeleidend briefje van mij aan Miss +Betty Robertson, de bruid van den ingenieur. + +„Zij heeft nog tijd genoeg om het ontwerp aan haar verloofde ter hand +te stellen, opdat hij aan den wedstrijd kan deelnemen.”— — — + +Reeds vroeg in den morgen had ingenieur Burton zich naar het +Admiraliteitsgebouw begeven, waar in twee zalen de wedstrijd om tien +uur zou worden geopend. + +Hij was in zijn verdriet eigenlijk alleen gegaan om te zien of zijn +ontwerp niet door een ongerechtigde werd ingeleverd. + +Maar hij had alle hoop reeds opgegeven. + +Daar verschenen, bijna op het laatste oogenblik, twee dames in de +deuropening en hij hoorde door een bekende stem zijn naam roepen. + +Toen hij omkeek, zag hij naast een kennis zijn bruid staan, die een +blauw papier in de hoogte hield. + +Burton uitte een jubelkreet en vloog haar tegemoet. Het ontwerp was +terug en hij kon het nog tijdig inleveren. + +Daar er weinig ontwerpen ingekomen waren over dit zoo uiterst moeilijke +onderwerp, werd reeds na anderhalf uur door de jury beslist, dat +Burton’s plan als verreweg het beste met den prijs was bekroond en ter +uitvoering was aangenomen, welke hem eveneens was opgedragen. + +Toen de uitspraak bekend werd kwamen juist Lister en Charly nader om +naar den stand der zaken te informeeren. De groote onbekende kocht, in +zijn rol van den milliardair Shaw de nu stilstaande werken der firma +Apsley en stelde deze ter beschikking van den jongen ingenieur. + +Hierop reed het gezelschap per auto naar den schilder Gower om +verschillende bestellingen voor portretten te doen. + +Mr. Gower drukte Lord Lister onophoudelijk vol dankbaarheid de handen, +en toen het gezelschap zich in het atelier had verspreid, riep Lister +den kunstenaar apart en toonde hem een biljet van vijftig pond, dat +deze maar al te goed herkende. + +Lister streek een lucifer aan en verbrandde het voor zijn oogen. + +Mr. Gower kon van ontroering niet spreken, want eerst nu was hij weer +gerust. + +Het is waarschijnlijk, dat het door „Mr. Shaw” bestelde portret een +meesterstuk zal worden, evenals het model voor een Engelsche +onderzeesche boot van Mr. Burton. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78338 *** |
