summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76779-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76779-0.txt')
-rw-r--r--76779-0.txt5999
1 files changed, 5999 insertions, 0 deletions
diff --git a/76779-0.txt b/76779-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..06d6fa5
--- /dev/null
+++ b/76779-0.txt
@@ -0,0 +1,5999 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 ***
+
+
+
+
+
+ HANS MARTIN
+
+ MALLE GEVALLEN
+ EEN KLUCHTIG VERHAAL
+
+
+ ZEVENDE DRUK
+
+
+ ROTTERDAM MCMXVIII
+ W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK.
+
+
+Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er
+niet aan ontkomen.
+
+Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar
+dit niet om mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om
+mijn eigen, op den voorgrond geschoven beeltenis weer terug te trekken
+en voor den lezer te verhuichelen.
+
+De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij
+levendiger leek en meer voor dit onderwerp geschikt; overweging die me
+ten kwade kan komen!
+
+Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit
+voorwoord van toepassing, daar het niet als een verontschuldiging werd
+bedoeld.
+
+Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen.
+
+
+Rome, 1913. Hans Martin.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.
+
+
+Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht
+zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is:
+
+Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de
+briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er
+een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was
+met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige
+dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar
+gelang het uitkomt.
+
+Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de
+farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den
+handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig
+opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun
+vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van
+kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig
+schijnen op te groeien.
+
+Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom,
+beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde
+onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk
+rijk maar jong en wondermooi is”.
+
+Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de
+laatste kans om het nog ooit te geraken.
+
+Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven,
+want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun
+malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te
+hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren
+raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt
+uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours
+truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn
+bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout
+aanraadde.
+
+Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een
+teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan
+ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te
+krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de
+romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen.
+
+Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn
+canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit,
+beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te
+koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik
+niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het
+duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het
+geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de
+chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een
+lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi.
+
+Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem
+(ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het
+onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire.
+
+Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook
+lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer
+den theepot).
+
+Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding.
+
+Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de
+vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te
+zijn gezakt.
+
+We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden
+„aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk
+door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde
+den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren.
+
+’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man,
+wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had
+dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van
+boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel
+verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert.
+
+Koos begon:
+
+„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.”
+
+„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy.
+
+„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling.
+
+„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy.
+
+„... Groot 5000 gulden,” hervatte Koos.
+
+„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling.
+
+„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos.
+
+„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde.
+
+Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een
+onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte.
+
+„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had.
+
+„Ik?—ik kijk naar buiten.”
+
+„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen.
+
+„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar.
+
+„En wat zié je dan toch op dat dak?”
+
+„Een vlieg,” openbaarde Boy.
+
+„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede.
+
+„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.”
+
+Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering
+kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij
+wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf
+zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot
+netjes de deur, zeggend:
+
+„Poppetje gezien, kastje dicht.”
+
+Maar Koos’ hoofd verscheen weer:
+
+„Naar den directeur!” brulde hij.
+
+„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy.
+
+Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af
+en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer.
+
+De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen.
+
+„Wat komen jullie doen?”
+
+„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war.
+
+„Wàt?” kwam de Dirk.
+
+„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel
+oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond.
+
+„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op.
+
+„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding
+affecteerde.
+
+Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd
+heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en
+ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in
+het gezicht sloeg.
+
+Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen.
+
+„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij.
+
+„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik.
+
+Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur
+achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk”
+en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en
+na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf.
+
+Het gesprek vlotte toen niet erg meer.
+
+Na tafel bracht ik Boy naar den trein.
+
+„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende
+hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net
+nog even uit wilde, gekneld raakte.
+
+„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy,
+„tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat
+dit model u staan zal...”
+
+Toen reed de trein gelukkig weg.
+
+En Bram?... Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het
+volgende hoofdstuk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.
+
+
+Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den
+rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en
+andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was
+die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den
+Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm
+heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche
+strand, ieder in een badstoel.
+
+„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy.
+
+Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den
+Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan
+het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide
+Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie
+voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen
+aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik
+een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den
+kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een
+verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy
+beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw,
+mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet
+lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het
+toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl
+er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook
+heel vreemd vond, vroeg Boy:
+
+„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een
+lantaarnpaal en een kanarievogel?”
+
+„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam.
+
+„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel
+eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die
+is óók van ijzer.”
+
+Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee
+ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen:
+
+
+ „de po—de po—waar is de po gebleven?
+ de po—de po—waar heb je ’m nou gezet?
+ de po—de po—’k moet overgeven?
+ de po—de p—ááh—álles in m’n bed?”
+
+
+en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe:
+
+„Ben je niet lekker?”
+
+„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een
+schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren
+meer kan leggen.”
+
+Toen liet ik hem maar liggen.
+
+We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf
+wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens
+bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht
+koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij
+me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen
+te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het
+gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan
+af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien
+middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven”
+verdietschte.
+
+Maar dat komt nu.
+
+„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?”
+
+Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in
+het kruis van mijn broek zat en zei toen:
+
+„Laten we een eind oploopen.”
+
+Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de
+batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende
+verzen van:
+
+
+ „Ik geloof waarempel datte
+ er is iemand aan de vensterlatte,
+ alleen maar datte en niks nie meer.”
+
+
+En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant:
+
+
+ „Ik ben geboren in Apeldoorn
+ en m’n zuster in Zierikzee”
+
+
+toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons
+op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná
+al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan
+ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien
+vervolgens weer af te nemen en te zeggen:
+
+„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.” [1]
+
+Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele
+leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik
+óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát.
+Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn
+platgekraakt hoofddeksel aan.
+
+„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg
+zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.”
+
+„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de
+stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een
+wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat
+zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid
+gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn
+zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er
+bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet
+„ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden
+het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat
+was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van
+kennismaking—een reden om aan te pakken.
+
+
+
+Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche
+gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat
+hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid
+om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te
+over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn.
+
+„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer.
+
+„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens
+voorliefde voor thee tóen reeds bleek.
+
+„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen.
+
+In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond
+me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten
+we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den
+binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk
+op Bram afstoof.
+
+„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.”
+
+Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem
+te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren
+geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een
+reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête
+lachend:
+
+„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?”
+
+Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen
+komen zitten.
+
+Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een
+verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren
+zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de
+hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails
+hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op
+tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden
+óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom
+we werden even kwajongensachtig als de anderen.
+
+Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De
+koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en
+Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de
+kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en
+Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A.
+K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg
+was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen
+begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten
+benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die
+uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap.
+
+Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders
+vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een
+meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in
+voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts
+en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat
+ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop
+een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar
+Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was.
+Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die
+nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant
+hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen
+wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een
+vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare
+uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar
+op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels,
+nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor
+personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde:
+„na u, m’nheer.”
+
+Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy
+boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.”
+
+Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem
+nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een
+derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen
+deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is
+het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast
+kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer
+indommelde.
+
+Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den
+voet en schreeuwde meteen:
+
+„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.”
+
+„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met
+pijn-vertrokken gezicht op.
+
+„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de
+werkelijk groote beenuiteinden beschouwend:
+
+„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.”
+
+Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten
+stond, snauwde:
+
+„U kunt hier niet rooken!”
+
+„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is
+heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?”
+
+„Ja maar—het is geen gewoonte...”
+
+„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in
+heb.”
+
+„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok
+op het plaatje „Verboden te rooken.”
+
+„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk.
+
+„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.”
+
+„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is
+ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel
+sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.”
+
+Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de
+gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden
+zou brengen.
+
+„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die
+m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.”
+
+Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het
+portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam
+zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen:
+
+„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.”
+
+„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij.
+
+„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een
+tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg.
+
+„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?”
+
+„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en... nou, het
+had dezelfde kleur als het onze.”
+
+Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig
+vroeg: „Zijn we er al?”
+
+„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken
+zat.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+BOY VALT IN HET RAPENBURG.
+
+
+We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de
+Harmonie. Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat
+de biefstuk smaakte alsof je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na
+afloop buiten een kleintje koffie dronken zat alleen Dirk,
+pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel
+eindelijk in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type”
+in te lichten.
+
+Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld
+als hij hebben wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn
+uitgaven boek hield. Elken Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk
+huis opzocht, moest hij het grootboek overleggen. Daarin las de vader
+soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en „Een paar
+tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden
+meer intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving,
+wonderlijk wisselden. Dán stond er „Homo sum et nihil humani a me
+alienum puto—20 pop”, of, „Het ewig weibliche zat me weer verbazend
+dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels geweigerd
+en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu
+eenmaal niet van hout of ijzer”, en papa betaalde.
+
+Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend
+zei: „M’n naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder
+onaangenaam zijn”.
+
+Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor
+op, die in een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had
+gevraagd. Toen de oude ijzervreter, huiverend en vol kwade
+voorgevoelens, in de deur verscheen, vroeg Dirk: „U wenscht een
+reisgenoot?” „Ja, maar wat heeft dát...” „Ik wou u alleen maar even
+zeggen dat ik vást niet meega”—en Dirk was weg.
+
+Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met
+reden, want hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij
+gebrand.
+
+„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op.
+
+„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde,
+die er van de week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een
+tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede jas en... godallemachtig
+ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!”
+
+„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram.
+
+„Heb jij er geen voor mij te leen?”
+
+„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een
+bakker in het Noordeinde woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de
+broek paste, die hem te klein bleek. En ná dit mager resultaat dronk
+Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden te gaan passen.
+Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond
+zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele
+„aangenaam-kennis-te-maken” gepreveld, zóoveel dranken dooreen
+gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze beoordeeld.
+
+De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het
+eerst bij Bram. Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een
+nieuwe vriend aanbelden, met een lijzige stem:
+
+„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?”
+
+Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit- en aantrekkend en
+de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten slotte
+lastig werd, beweerde, dat het eeuwige aan- en uittrekken van zijn
+beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder de straat op kon
+om elders zijn geluk te beproeven.
+
+„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer.
+
+„En waaróm niet?”—vroeg Dirk.
+
+„Voor de menschen.”
+
+„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?”
+
+„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter.
+
+„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van
+zulk onnuttig vertoon.
+
+„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer.
+
+En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen
+in een coupeurs-taaltje beweerde, als „geschilderd.”
+
+Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky
+en weinig soda gevierd.
+
+Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm.
+
+Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de
+paardentram die voorbijreed, om het trottoir wat hem te smal bleek,
+maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe stelde hij geregeld de
+vraag:
+
+„En naar wie gaan we nóu toe?”
+
+Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot
+Bram drong niets meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen
+stoep stond en Boy hem de sleutels uit den zak vischte, vroeg hij
+alweer:
+
+„Naar wie gaan we nóu toe?”
+
+Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een
+merkwaardige ommeslag:
+
+„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen—als je wat
+dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten
+wilt,—nou—dan maar wat zachies.”
+
+En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van
+een wapenrek een kromme turksche sabel, dook er mee in den
+bakkerswinkel, waar hij als dolleman in de raamkast te steken begon.
+
+„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde
+hij bloeddorstig, terwijl in lange rij zich regen cadetjes,
+krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden en ánder bakwerk aan het
+kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de tafel, toen
+hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok.
+Daarop dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer
+hoorden gaan. Dan was er een bonken van belang op de trap, als het
+trappelen van weerbarstige paardenpooten.
+
+„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer:
+„Jongelui—vier eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk
+verscheen hij in de kamer. De kleeren waren van boven tot onderen
+besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; maar met een zaligen
+glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit een
+breede barst een langen witten draad verloor.
+
+Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de
+tweede deur links in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te
+over met Bram, die met de sabel naar de boter in het vlootje stond te
+prikken. De klont tolde telkens koppig rond, tot Bram het vlootje in
+tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond begon te
+paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de
+gordijnen,—boter kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende
+sissen tegen de lampeglazen waarvan er éen, met een nijdigen knap, in
+scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek te liggen ook ons een
+boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem
+naar de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten.
+Trouwens Bram, plichtmatig, schoof zelf van binnen het bordje „bezet”
+er voor. Daar kon hij beboteren wat hij wilde.
+
+Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een
+tennisracket een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons
+binnenkomen had hij met een meesterlijken back-hand de slof in de
+spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn
+schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te
+gieren. Eindelijk hokte hij eruit:
+
+„Champignon du monde,—champign... heb je dàt
+gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?”
+
+Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een
+onbedaarlijke lachstuip, die niet verminderde toen Bram de deur van
+zijn gevangenis opentrapte en hem de rest van de boter onverwachts op
+zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, dat hij op
+Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in
+gorgelgeluiden zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn
+botervet hoofd op de kussens rondwentelde.
+
+Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren
+gekookt, die we met veel krentebrood opaten.
+
+Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur
+had staan, tusschen de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig
+gekeurd moesten worden.
+
+Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het
+eten ten tweeden male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden,
+konden we wel geen van allen vermoeden, dat deze weldra zou uitzien
+alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan.
+
+Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de flesschen Triple
+Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en zoo
+meer, ontkurkt en gekeurd.
+
+Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en
+stak derhalve een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in
+brand. En terwijl wij de fel laaiende, vonken spetterende dingen
+trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware ontspanning om in zijn
+eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de rozet uit
+de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen,
+hard bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van
+kalk, op de tafel neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen
+in de plotselinge duisternis de reusachtige herrie wat bedaard was en
+ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van den wanhopigen rommel,
+waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit de leiding
+suizen. En daar...
+
+„Lucifers!” brulde opeens Dirk.
+
+„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik.
+
+Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram
+wierp de ramen open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al
+de straat op. De suizing boven ons hoofd hield aan, de gaslucht werd
+weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te houden was. Na zijn
+diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en te
+loeien als een pampa-bisson:
+
+„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen
+dicht!”
+
+We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de
+gasuitstrooming ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap
+opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen en in zijn slaapkamer op het bed
+gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten we dat hij
+bloedde. Het gebroken glas had hem leelijk gehavend en een groote bult
+op zijn hoofd bewees, dat de gewichten van de lamp niets mée hadden
+gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten hem toen maar
+liggen.
+
+Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven
+rinkelend naar beneden en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul
+meer, zijn hoofd kalm door de ruit had gestoken:
+
+„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween.
+
+We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit
+te staren, toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn
+vreemde verbanden, de stoep weer opzwaaide. Dat was ons te machtig.
+Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, werd Dirk de steile trap
+weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; dekens en
+kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam.
+
+Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak
+van de trap had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het
+gisten gebracht.
+
+We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en
+Bram had de grootste belangstelling voor het bakken en kneden.
+
+„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker.
+
+Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de
+schoenen en broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij
+elken danspas lange strengen trok; hij leek hoeven te hebben als van
+een langharig middeleeuwsch ridderpaard.
+
+„Wel verdomme,” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.”
+
+„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik.
+
+„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?”
+
+Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus:
+
+„Hoeveel is dat deeg waard?”
+
+„Tien gúlden”.
+
+„Tien—gulden?”
+
+„Ja—en je kunt het me betalen.”
+
+Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de
+ridderpaardhoevige Boy logisch opmerkte:
+
+„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.”
+
+En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog
+vandoor.
+
+Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de
+sleutelgaten mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om
+den bewoners een aangename verrassing te bezorgen.
+
+Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te
+bekennen was.
+
+Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval
+kreeg:
+
+„Nou ga ik roeien.”
+
+En hij liet den geledigden trog te water.
+
+„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik.
+
+„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram,
+onwijs—gaf er een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend,
+de lompe bak opeens midden in de gore gracht schoof. Boy trachtte te
+pagaaien met zijn wandelstok, riep:
+
+„Zie je wel dat het best...” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze
+trog om. Proestend, blazend, temidden van een walgelijk geborrel van
+modderbellen, kwam Boy boven.
+
+„Is het nogal nat?” vroeg Bram.
+
+„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy.
+
+„Als je verzuipt roep je maar „kien””—raadde ik, in de verste verte
+niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten aan zijn voeten, daar
+werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg
+teeken,—ging weer onder, kwam weer boven.
+
+„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in
+den valen ochtendschemer, onderdook.
+
+Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd
+getrokken. Hij zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets
+te zeggen begon hij met zijn zakmes het cement-harde deeg van zijn
+broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht voor zijn metselwerk,
+door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig voor
+ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor
+afbraak te verkoopen. Alleen vroeg hij even:
+
+„Stinken jullie zoo?”
+
+„Neen dat ben jij.”
+
+„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette
+met een breeden grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens
+onmiddellijk daarop in volle werking toen een agent Boy achter een boom
+betrapte.
+
+„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen.
+
+„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch.
+
+„Mag ik dan uw naam maar eens weten?”
+
+Boy gaf zijn naam en adres.
+
+„Geboren?”
+
+„Ja, wis en drie.”
+
+„Wannéer bedoel ik.”
+
+„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik
+herinner me niets.”
+
+„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.”
+
+Maar ik mengde me in het gesprek.
+
+„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de heeren het
+zoo niet meenen.”
+
+„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen
+monsterend en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij
+de verwarring op Dirk’s kamer ook niet gunstiger op geworden was.
+
+We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige
+bekeuring van Boy liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te
+rooken had.
+
+Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn
+onwelriekende kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer
+stond grauw van het smerige water. Toen wikkelde hij zich in een wollen
+deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde in een leunstoel en
+verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in zijn
+eigen bed gekropen.
+
+De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de
+heeren nou toch eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een
+schandalige zwijnderij ’t in zijn winkel was. Heele plassen modderwater
+had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood gevonden.—Bram was niet
+te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap in de
+eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog
+had bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram
+onlogisch verzekerde, dat hij het wel betalen zou.
+
+Toen dommelden we wéer in.
+
+Tot om tien uur Bram binnenstapte.
+
+„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me.
+
+„Watte?”
+
+„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij
+op je haar?”
+
+„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter
+gemaft.”
+
+Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden
+kon verwekken, kwam hij terug:
+
+„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.”
+
+„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik.
+
+„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram.
+
+„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen,
+dat hij zich voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd
+had. Dan uitte hij den rechtvaardigen wensch om gekleed te worden. Bram
+bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje van Boy mogelijk best
+gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken galeiboef.
+De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen
+staken griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn
+oksels hem bijna elke armbeweging belemmerde.
+
+We ontbeten, gingen daarop naar Dirk.
+
+„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend.
+
+„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.”
+
+„Kan me niet verrotten.”
+
+„Hier is je broek.”
+
+„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.”
+
+„Gá dan ook.”
+
+„Nee—’k ga niet.”
+
+„Maar ze wachten je.”
+
+„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.”
+
+„Nou—kóm nou.”
+
+Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige
+bewegingen betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij
+langzaam:
+
+„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?”
+
+„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je
+kop door de ruit hebt gestoken,” helderde Bram op.
+
+„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij
+verneurieën wilt...”
+
+„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol.
+
+„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd.
+
+„Ga dan kijken op je kamer.”
+
+„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen
+we het uitschaterden werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie
+jongelui hem in den slaap den kop verbonden en hem stonden te
+vernachelen. „En nou dónderen jullie op!”
+
+En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen
+weer neer, terug gehouden door de bretels.
+
+„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs.
+
+Boy maakte de bretels los.
+
+„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte,
+flauwe jongens.”
+
+„Nou sta nou op.”
+
+„Verrek voor mijn part.”
+
+„Je bruiloft.”
+
+„Niks bruiloft.”
+
+„Ze wachten je.”
+
+„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig
+draaide hij ons den rug toe.
+
+We gaven het op.
+
+Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als
+een verwilderde gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik
+ontdekte, dat de scheur in het kruis van m’n broek, die me den vorigen
+dag van paardrijden deed afzien, ongewone afmetingen had aangenomen, en
+voelde me ook maar half in m’n nopjes.
+
+Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van mijn kamer in
+Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik met
+de beste voornemens voor de toekomst bezield.
+
+Och ja—die goede voornemens!
+
+Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt,
+dan is het óok gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een
+gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap brengt...
+
+En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons
+zonderling gedoe in Leiden was een inleiding tot onze
+gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+DE TENNISCLUB.
+
+
+Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen
+naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de
+alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven
+doorgaans ergens recht.”
+
+Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons
+geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te
+houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een
+flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of
+in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig
+gedaan.
+
+De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er
+was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor
+Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige
+toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s,
+die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had
+gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s,
+kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden.
+
+De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed,
+die Piet heette.
+
+Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een
+hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede
+omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de
+suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit
+bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty.
+
+Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen,
+die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te
+winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy
+uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret.
+
+Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte
+aanstalten om een sigaar op te steken.
+
+„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s
+van een kwartje.”
+
+„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty
+kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt
+vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei:
+
+„Wat een type ben jij toch, Boy!”
+
+Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er
+bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek.
+
+Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te
+herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch
+mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een
+gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo
+bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus”
+verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte
+toen oók zijn kar.
+
+„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet.
+
+„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte.
+
+„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna.
+
+„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend.
+
+Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en
+propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef
+geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te
+ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het
+zeiljacht van Bram huisden.
+
+„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd.
+
+„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het
+zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens
+anders.”
+
+Den volgenden dag verklaarde suikerpiet:
+
+„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.”
+
+„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram.
+
+„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter
+zou komen.
+
+„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets
+gedistingeerd.
+
+„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram
+verder op de hoogte.
+
+„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet.
+
+En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen
+lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden,
+het had laten opkalefateren.
+
+
+
+De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig
+weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze
+zeden eenigszins verzacht.
+
+Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het
+verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken
+avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me
+oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond
+eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het
+sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat
+te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk
+verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn
+minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde
+vroolijke, brutaalgeestige type.
+
+Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te
+bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan
+iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte,
+maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke
+dronkemansgedoe in Leiden.”
+
+De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er
+komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling
+... gaan werken.
+
+Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het
+gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens
+mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er
+geklopt werd en Kitty binnenkwam.
+
+„Stoor ik?” vroeg ze leuk.
+
+„Je weet wel beter.”
+
+„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.”
+
+„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je
+niet. Je hebt me zeker noodig?”
+
+„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen:
+
+„Komt hij vanmiddag?”
+
+„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch
+niet voor mij kwam.
+
+„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?”
+
+„Welke hij dan toch?” treiterde ik.
+
+„Boy natuurlijk.”
+
+„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer
+spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.”
+
+„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!”
+
+„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?”
+
+„Dus hij kómt?”
+
+„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?”
+
+„Weet je wat je bent? een enge zeur...”
+
+„Zoo die zit,” zuchtte ik.
+
+„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig.
+
+Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom
+wilde ik nog maar eens uithooren.
+
+„Waarom breng je Non nooit mee?”
+
+„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt.
+
+„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.”
+
+„Ben ik dan geen gezelschap?”
+
+„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs
+dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.”
+
+„Heusch wel,” deed ze erg oprecht.
+
+„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.”
+
+„Hè wat bén je flauw!”
+
+„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is
+het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.”
+
+„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je
+noodig.”
+
+„Vraag dan maar.”
+
+„Je moet...” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het
+aan niemand, aan niemand vertellen?”
+
+Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens
+in had kunnen loopen.
+
+„Je moet me antwoorden op een paar vragen.”
+
+„Over Boy,” zei ik boud.
+
+Ze zweeg,—zat er mee in.
+
+„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder.
+
+„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik
+bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon.
+
+„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik
+je zal laten praten.”
+
+Ze keek me schuchter aan.
+
+„Jij bent een goede vriend van Boy hè?”
+
+„Ja—een heél goede.”
+
+„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel
+eens rare dingen?”
+
+„Wat bedoel je?”
+
+„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo
+moeilijk.”
+
+„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik.
+
+„Ja en...”
+
+„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje
+gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend.
+
+„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk.
+
+„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar
+stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.”
+
+„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze.
+
+„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend.
+
+„Ja,”—lispte ze.
+
+„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik.
+
+„Ik dacht dat hij ... enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten
+hebben,” bekende ze met een zweem van ongegronde afgunst.
+
+„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat
+van hem houdt, dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos,
+omdat je vol illusies bent; verlies je zoo’n illusie dan ... gaat het
+meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn illusie behouden kan.”
+
+Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen.
+
+„Geloof je dat hij...!” waagde ze.
+
+„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te
+koop,—maar ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel
+van je houdt.”
+
+„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend.
+
+„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor
+van die prachtige redevoering, die ik tegen je gehouden heb.”
+
+Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben.
+
+„En jij houdt van Non hè?” vroeg ze.
+
+„Nee,” zei ik bot.
+
+„Hè,—wat sneu,” vond ze.
+
+„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs.
+
+„Nee, dát niet.”
+
+„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?”
+
+„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.”
+
+„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.”
+
+„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk.
+
+Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor
+kattekwaad we hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden
+en Delft. Ze vond alles ijselijk grappig en herhaalde telkens: „O, het
+is een type!”
+
+Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of
+hij altoos zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei
+hopeloos:
+
+„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.”
+
+Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op
+de wangen.
+
+„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam.
+
+Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord.
+
+„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou
+’m gaan halen. Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de
+Zuiderzee.”
+
+Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap.
+
+„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui
+waarmee ik vroeger zeilde zijn allebei zoek.”
+
+„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n
+laatsten wil zou neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde.
+
+„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur
+hier halen.”
+
+„Goed. Blijf je een kop thee drinken?”
+
+„Nee—ik heb haast.”
+
+„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde
+Kitty.
+
+„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en
+stoof de kamer uit.
+
+„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen
+gedrukt.
+
+„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik.
+
+„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze.
+
+„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik.
+
+„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je
+dat niet eerder gezegd?”
+
+„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik.
+
+„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de
+kussens van de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat
+lawaai kwam Boy binnen.
+
+„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en
+den rooden blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven
+Boy!”—zei ze, hartelijk blij nu hij er was.
+
+„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit
+laten kon zichzelf verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de
+zijne, en ik wist er niets beters op dan in ’s hemelsnaam met m’n
+knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de ingetrapte
+theekransjes uit het kleed te verwijderen.
+
+„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om
+twee uur moet je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de
+Mallemolen afhalen.”
+
+„O—ja?” vroeg Boy.
+
+„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan.
+
+„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord.
+
+„We gaan ’s nachts,” ging ik door.
+
+„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige
+aanmaning doorziepelde.
+
+„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik.
+
+„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin
+ik geen weg meer wist.
+
+Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los.
+
+„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol.
+
+„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had.
+
+„Nee, morgenmiddag uilskuiken.”
+
+„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy
+zich.
+
+„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur
+hier, met een óverjas. Begrepen?”
+
+„Ja,”—zei Boy.
+
+„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik.
+
+„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy.
+
+„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.”
+
+Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend:
+
+„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.”
+
+„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in
+zijn stem.
+
+Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes.
+
+Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken.
+
+
+
+In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen.
+
+„Thee?”
+
+„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.”
+
+„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens.
+
+„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy.
+
+„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik.
+
+„Waarom? Het is hier veel gezelliger.”
+
+„Prettig gefietst met Kitty?”
+
+„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en
+die wou waarachtig méerijden.”
+
+„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend.
+
+„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij
+heel gelant dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn
+achterband lek geprikt.”
+
+„Die is sterk,” schaterde ik.
+
+„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een
+poosje merkte.—Toen inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot
+hij hem gemaakt had. Maar Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn
+we maar doorgereden.”
+
+„Het is toch wél bar,” plaagde ik.
+
+„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort
+toch niet bij ons thuis?”
+
+Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde
+al het belang voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen
+ontbroken had,—maar loslaten deed hij niets.—Dat vond ik vervelend,
+niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar omdat ik het graag
+tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien.
+
+Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden,
+weggedoken in de luie stoelen, nauwelijks elkaar ziende in het doezige
+licht der schemerlamp, zwijgen bleven.
+
+Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn
+stem zei:
+
+„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan
+m’n besten vriend zei.”
+
+„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel.
+
+„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met
+Kitty gesproken en—nou—we houden allebei van elkaar.”
+
+Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk.
+
+„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik
+had niks laten blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten
+dag.”
+
+„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik.
+
+„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy.
+
+„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen
+verwrongen glimlach niet kon onderscheiden.
+
+„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy,
+in malle verbazing over het feit.
+
+Ik barstte los in een schaterlach.
+
+„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn
+lachaanval had.
+
+„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik.
+
+„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende
+omstandigheid is,” piekerde hij.
+
+„Leve de Mafkolder!” besloot ik.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+DE ZEILTOCHT.
+
+
+Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland.
+
+Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm,
+de sportpetten op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking
+gaapte ons aan.
+
+We kwamen aan de haven.
+
+„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy.
+
+„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp
+slechts de kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn
+vormen halsstarrig aan een gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan
+ook geweest was vóor dat Bram er een kajuit in bouwen liet en hem van
+„De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte.
+
+De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen
+ons en begon toen een technisch gesprek over de aangebrachte
+herstellingen, waarvan vrijwel elk woord een raadsel voor me bleef.
+
+„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester.
+
+„Ja,” zei Bram.
+
+„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling.
+
+„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en
+zoo—halen,”—verzocht Bram afleidend.
+
+We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken,
+en Boy schreef wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een
+buitenlandsche reis was en in geen maanden terug zou keeren. Daarna
+bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen zouden en was ik
+zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven aan
+Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok
+een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er
+ook nog ieder een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die
+in een vacantiereis in den Harz terecht komt, kan zich niet beter van
+zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij toenmaals.
+
+Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en
+spuitwater-flesschen, dat me een gerstendrankhoudende ontglipte en te
+spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw het rouwbeklag van „Het
+is zonde” ontlokte.
+
+We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen,
+waardoor de boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste
+kajuit, met raampjes in koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze
+achting rees.
+
+Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug.
+
+„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer
+een flesch op vallen stond.
+
+„Ga jij er in,” verzocht hij.
+
+En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank
+schoof op me toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag.
+
+„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het
+voorruim de eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de
+ijzeren ringen van op een stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om
+een verward touw weer op de katrol te leggen. Boy deed niets, behalve
+ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen de trekken aan
+zijn sigaar, neurieënd van:
+
+
+ „You can always tell when a coon is in love”
+
+
+waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet
+beslist een neger voor behoefde te wezen.
+
+Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te
+staren naar „de heeren van de Mallemolen.”
+
+„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel.
+
+„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs.
+
+„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb
+die vraag, gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een
+bevredigend antwoord op te kunnen vinden.
+
+Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den coon-song te
+herzingen.
+
+„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”—
+vond Bram.—„Doe nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar
+eens.”
+
+„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een
+wanhopigen smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber
+aangaf—„als je nóg eens wat hebt... Alle goden, een aandeelhouder van
+de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan er niet zoo naar stinken als
+ik het doe.”
+
+Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk.
+
+„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram.
+
+De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons
+rekenschap geven van hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was
+een rijtje van drie paar schoenen, die zich onder een dons van groene
+schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze ruim van zich
+afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding
+verkeerde, en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd,
+dat—volgens Boy—er over een paar weken wel niet veel meer dan de
+knoopen van waren overgebleven.
+
+Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en
+borden, verwarring van pappig pakkende dekens op de twee britsen,
+zeekaarten verscheurd en verfomfaaid verspreid over de hevig-vuile
+vloer,—en tusschen al die veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen
+lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum doortrokken:—„Fidessa”
+van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten.
+
+Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen
+griezelig-wit krioelende wortels hadden geschoten.
+
+„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem
+de boonenverzameling onder de neus stoppend. Maar Bram met een
+verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, beval:
+
+„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan
+worden over boord.”
+
+„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan
+waren we gauwer met opruimen klaar.”
+
+„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy.
+
+„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit
+drééf gewoon. Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.”
+
+„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik.
+
+„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat
+ze nog bij de pomp konden blijven.”
+
+Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu
+niet beslist aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik
+vannacht oók kans hadden om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit
+zich zelf gekeerdheid vermoedelijk.
+
+De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven
+verscheidene kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste
+pannen en half vergane onkuischheden uit „Le Rire,” „Simplicissimus,”
+„Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte plaatwerken,
+had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging
+den toeschouwers van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een
+meewarig „Het is zonde”—wat in Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen
+schijnt te behooren.
+
+Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot
+rustbanken opgemaakt, de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook
+wat. Een met rasterwerk omkringelde lamp hing aan de zoldering; op een
+tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken daarboven het
+eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen
+een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje
+boter bemachtigd. Links van den ingang, op een breede plank, lagen de
+„instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”.
+
+De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over
+welks doel Bram zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van
+scheepsklok voor het oorlam, dat Bram ons op ongeregelde tijden
+veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit Boy, zich
+oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een
+kompas, dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen
+en de beschimmelde kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had
+welke stiekeme parten het schijnheilige ding me spelen zou. Voorts
+stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten en waarbij
+men de kaarten kon raadplegen.
+
+In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder
+in, in den waan verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer
+moeilijkheden zou baren dan een landkaart.
+
+Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar
+opeens een raar gekleede kerel me aansprak:
+
+„Je suis russe”, verklaarde hij.
+
+„Je suis hollandais,” antwoordde ik logisch.
+
+„Je suis peintre,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak droeg en
+een grooten sombrero op zijn bol gedeukt.
+
+„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen.
+
+Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was
+en bewaarde dus een afwachtend stilzwijgen.
+
+„Serait-il possible de vous accompagner?” vroeg de kwastenwellusteling
+weer.
+
+„Le capitaine—c’est lui,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en
+hardop zei:
+
+„’k Wil den vent niet meehebben.”
+
+„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje
+noodig”, kwam Boy bemiddelend.
+
+„Je regrette, il n’y a pas de place”, zei Bram met een gezicht van een
+kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus mompelde een „pardon”
+en bleef op den wal achter.
+
+„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos
+op.
+
+In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde
+doperwtjes; de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den
+kapitein zich deed herinneren dat hij er koopen moest, omdat Boy
+minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram door de
+prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de
+meisjesleden van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er
+uitzag, was het niet onze schuld.
+
+Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden
+en lampenglazen—de bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord
+terug. Het was half acht en het begon te schemeren.
+
+Nu werd het méenens.
+
+„Kun je sturen?” vroeg Bram.
+
+„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig.
+
+„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil
+hijschen.”
+
+Dit bolde flauwtjes op.
+
+„Er is geen wind,” wanhoopte Boy.
+
+„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij.
+
+„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen.
+
+„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit.
+
+„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter.
+
+„De háven uit.”
+
+„Jawel—dat snap ik, maar waár?”
+
+„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op.
+
+Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de
+ontdekking, dat de geheele haven van roode en groene lichten
+wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram kreeg haast een
+beroerte.
+
+„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het
+hoofd, waar hij met volle macht den fok aan het optrekken was.
+
+Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe
+Bram wist, dat het juist deze beide waren en niet een paar van de
+overige dozijnen, stuurde ik er dapper op af.
+
+Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch
+stuurboord tegen de pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen
+de Zuiderzee in.
+
+Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en
+een groene, halfweg het want.
+
+„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan.
+
+„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman en Boy,
+wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot
+steward had benoemd.
+
+„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig
+plezier in het tochtje kreeg.
+
+„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten
+scharrelde, waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de
+dievenlantaarn, ontvouwde.
+
+„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit.
+
+„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk.
+
+„Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe
+plekken aanwees.
+
+Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet
+is dat water. Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was
+land en wit was water. Wat een weersprakigen geest moet de man hebben
+gehad die deze kleuraanduiding verzon!
+
+„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder
+uit, op een gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn
+minderen.
+
+Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen
+op elkander geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op
+den boeg languit neerlag.
+
+„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan
+en vervolgde zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en
+haal je rechts in.”
+
+Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit
+water,—nu dit weer.
+
+„En als er mist komt blaás je op den toeter.”
+
+„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het
+gesprek.
+
+„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg
+ik, onder den druk van mijn verantwoordelijkheid.
+
+„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt
+heel goed, ik kan het veilig aan je overlaten.”
+
+„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat oorlam?” kwam
+de steward.
+
+Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we,
+dronken den lang verbeiden cognac.
+
+Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen
+van de daken en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen
+den nog éven glorenden avondhemel. Op de zee overal ook de
+sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige schijf
+in zwavelgele dampen.
+
+„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me
+niet meer: ik voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit
+anders gedaan had. Ik wist nu dat blauw land was en wit water; ik wist
+wat stuurboord en bakboord beteekenden; ik wist links te passeeren, te
+toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, ik was vertrouwd met
+varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk?
+
+We rookten—Boy neuriede weer van:
+
+
+ „You can always tell when a coon is in love”
+
+
+en lokte geen tegenspraak meer uit.
+
+„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar
+op dat licht aan en hou je kluisgaten open.”
+
+Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn
+omgeving schikt, loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam
+recht op aán te sturen.
+
+Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de
+zuidwester en de oliejas hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan
+meteen in.
+
+Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de
+Mallemolen hevig stampend te keer te gaan, mij bij elke neerbonzing een
+heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend.
+
+Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een
+neger verliefd was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw
+vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. Toen hij naar Canada was
+overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij met een
+daglijst van den overtocht; bij „Saturday 15th:—Strong head gale.
+Dangerous sea. Squalls.”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne
+diners tweemaal.” Toen echter vermoedde ik niet ook nog eens de
+lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien.
+
+Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet
+loslaten om mijn overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het
+licht in de verte en schrok hevig toen een groote tweemaster met volle
+zeilen, als een vliegende hollander, rakelings achter me dwars door ons
+zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan stond) door
+die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook
+eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal
+aanhield, opeens schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere
+vormen van een stoomboot ontdekte. Haastig week ik links uit voor het
+ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen en weer, en vanaf de
+stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename
+bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me,
+dat bij het uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven
+staan. Thans had ik ruimschoots de keuze tusschen vele lichten waarop
+ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar ik vertrouwde het geval
+niet bijster meer en bleef strak het compas beturen.
+
+De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond
+(men vergeve mij deze zonderlinge lengte- en breedte-bepaling),
+sluierde zich een dichte damp.
+
+Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en
+nam een slok; niet eens zoo’n heel erg grooten.
+
+Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde,
+toen ik mijn linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte
+Zuiderzee-deining.
+
+Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik
+opeens de gesluierde maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas
+stond nog almaar op Z.Z.W. Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad
+hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven van het alleszins
+onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het
+groote zeil over.
+
+Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den
+hevigen mep, dien de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er
+stevig aan vast te klampen,—en toen hing ik met zeil en al buiten
+boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik liefst uit bleef.
+De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon hevig
+te keer te gaan.
+
+Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het
+hoofd buiten boord en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven.
+Dat was zijn geluk, want het zeil ging ten tweede male over en met een
+hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, rakelings over Boy
+heenzwierend.
+
+„Boy!” riep ik.
+
+Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet
+zijn verwilderde oogen dwalen over het dek.
+
+„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee.
+
+En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de
+boot weer hevig te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden
+male, met een nijdigen floep van het zeil, in verbijsterende snelheid
+over Boy heen, die—opnieuw katterig geworden door de tureluursche
+keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist op tijd het hoofd
+genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk
+met de erwtjes.
+
+Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd.
+
+Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige
+kunnen herhalen, gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s
+maag,—indien de kapitein niet door al de onwijze tolbewegingen van zijn
+jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen was.
+
+„Bram!” schreeuwde ik.
+
+Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast.
+
+„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend,
+terwijl hij, angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk
+vermeed.
+
+„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in
+zijn stem. „Verrek—wat doe jij daar?”
+
+„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in
+gehangen had.
+
+Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling,
+menschelijkerwijs gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen.
+
+„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste
+maal over. Ik was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes
+kwijt, maar bekende mezelven, dat ik er schoon genoeg van kreeg.
+
+„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest
+verliet. „Doe je nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit
+leedvermaak, dat niet hij alleen er slecht aan toe was.
+
+Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, kwam het zeil
+over, kon ik me in den kuil laten ploffen.
+
+„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur
+krampachtig in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn
+plagerijen, door inwendige beroering werd bezig gehouden.
+
+Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was,
+terwijl het kompas Z.Z.W. wees.
+
+„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de
+lichten,—je hebt toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht.
+
+„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram
+lette niet op deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas
+dan!” hield ik vol.
+
+„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,”
+verklaarde Bram.
+
+„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in
+de omgeving passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een
+halven slag om. Het zwoor schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein
+er een nijdigen mep tegen en langzaam, sarrend eigenwijs, draaide de
+roos in den goeden stand.
+
+„Zie je wel?” zegevierde Bram.
+
+„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog.
+
+„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de
+draaiende plaatst-rust en het heen-en-weer gevlieg mijn
+orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins in de war hadden
+gebracht.
+
+We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik
+zou er geen begrip van gehad hebben!
+
+Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut
+cognac. Bram kwam op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse
+plank te zetten.
+
+„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.”
+
+„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het
+malle van het op gang getrapte kompas in te zien.
+
+„Nou maf ze,” kwam Bram.
+
+„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig.
+
+„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in
+bed.—Boy—wat opgelucht—en minder in de war, nu de boot weer voor den
+wind liep, kroop naast hem.
+
+Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me
+verdiepend in de thans zich telkens openbarende bewegingen van de roos.
+Den koers hield ik tusschen Z.Z.W. en Z.W.
+
+Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams
+opvatting van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.”
+Want aan aflossen dácht hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte
+ik, dat onze lichten waren uitgegaan. Het was nu wel bar belangrijk,
+zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde weinig voor zulke
+kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook niets
+meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen,
+stoof een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid.
+
+„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige
+weldadigheid den visschen gebracht.
+
+„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder
+mijn bereik had, trok ik een schoen uit en slingerde hem midden in
+Boy’s maagstreek.
+
+„Au—verdomme!” jankte hij.
+
+„Kom er uit!” beval ik.
+
+„Waai om!” verwenschte de steward.
+
+„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen er weer lichtjes
+uit den nevel.
+
+„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?”
+
+„De lichten zijn uit!” jammerde ik.
+
+„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij.
+
+„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!”
+
+Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter.
+
+„Nee kaffer—eérst de lichten op!”
+
+Boy kroop op het dek.
+
+„Allemachtig wat een damp.”
+
+Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit.
+
+„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij.
+
+„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan.
+
+„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried,
+maar in zijn slaaplust zich blijkbaar noch van den mist, noch van de
+gedoofde lichten iets aantrok en aan de beloofde aflossing niet dacht.
+
+Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek.
+
+„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik.
+
+„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy.
+
+„Nee, andersom!”
+
+„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij
+als een nuchter kalf.
+
+„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik.
+
+Eindelijk hingen de lampen.
+
+„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig.
+
+„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.”
+
+„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al
+over boord.
+
+„Het was die omelette,—die ... die smaakte óok zoo naar petroleum”
+verklaarde hij een oogenblik later.
+
+„Ben je nu leég?”
+
+„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.”
+Dan kwam hij bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo
+beroerd ben geweest; het is zoo kinderachtig.”
+
+„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.”
+
+„Vertel het nu maar niet.”
+
+„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik.
+
+Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel:
+
+„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. „Had ’m naar
+m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige
+plek.”
+
+„Voel je je erg lam?”
+
+„Als een zatte aap,” verklaarde Boy.
+
+„Ga naar bed.”
+
+„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.”
+
+„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,”
+troostte ik.
+
+„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.”
+
+„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.”
+
+Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer.
+
+We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed
+een lange aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een
+langgerekte jammerklacht, als van een hond die huilt.
+
+„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed.
+
+„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op
+de Mallemolen was op haar hoogtepunt.
+
+„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek in den kuil,
+schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?”
+
+„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol
+verachting voor de nuttelooze dingen.
+
+Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik
+niet meer inkijken. Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos
+een boot aan vast.
+
+Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar
+maffen bleef, stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu
+maar eens Z.W. ten W. aangehouden.
+
+Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd
+dag.—Langzaam, heel langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen.
+Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden uit de nevels, recht voor
+me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde met de
+spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de
+Christenen over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens
+herkende ik ze:—het was Amsterdam.
+
+Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me
+ook niet veel schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik
+nam den toeter, in mijn zegepraal bereid tot groote middelen, boog
+voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend.
+
+„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de
+kribbighedens der ochtendziekte.
+
+„Amsterdam!” jubelde ik.
+
+„Je bent betoeterd.”
+
+„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug.
+
+„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig.
+
+„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der
+Amstelstad.
+
+„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein.
+
+„Alweer?—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig.
+
+„In de schutsluizen,” helderde Bram op.
+
+„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd.
+
+Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe
+ochtendzon liggen, kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam
+was van het kompastrappen, en mijn lendenen, blauw gestompt door het
+stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen den kapitein en mij
+over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik buiten
+langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te
+kunnen aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos
+een duister geheim blijven.
+
+We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte
+als een zaagmolen. Ik ging naast hem liggen, kon me levendig
+voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal er uitzagen, en sliep dus
+weldra ook in.
+
+Het was tien uur toen Boy me wakker maakte.
+
+„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud
+wijf!”
+
+In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en
+zong weer druk het sinds lang onderbroken lied van den verliefden
+neger.
+
+Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de
+steward eieren en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik
+verkneukelde me in het gezicht van Bram, die zich aan het stuur stond
+te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of avontuurlijks bood.
+
+Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen,
+bezorgde moeilijkheden.
+
+„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het stuur over
+om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in
+waarheid om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam.
+
+Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote
+oogenblik kwam.
+
+„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg.
+
+Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de
+wimpelspits af en plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug
+door.
+
+Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op
+het water, deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel,
+dronken meer en maften het meest. Bram, aan het stuur, kon zijn
+genoegen op.
+
+„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich
+verbaasd. In den nacht, alleen in den mist, had ik er over gepiekerd,
+nu sprak ik het uit:
+
+„Toch geen bár opwindende sport.”
+
+„Ik amuseer me best,” beweerde Bram.
+
+„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy.
+
+„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel
+huichelarij, en ging maar niet verder op het geval in.
+
+In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we
+besloten de Mallemolen er maar bij een werf achter te laten.
+
+
+
+„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht
+maar niet tot Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen
+gaan.”
+
+Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder
+uitgeslapen, vroeg:
+
+„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?”
+
+„Nee,” gaf Bram maar toe.
+
+„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel
+achter zou komen.
+
+„In een woonwagen,” verklaarde Boy.
+
+„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes
+kreeg.
+
+„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We
+trekken ’m om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.”
+
+„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang
+er op in.
+
+„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes,
+en Zondags eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal.”—sloeg Boy
+er zijn redeloozen onzin uit.
+
+„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang.
+
+„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy.
+
+Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen
+werd.
+
+„Jullie verlakken me.”
+
+„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén
+gierbui, hem hartelijk in den arm kneep, smeekend:
+
+„Boy—o Boy!—ik lach me doód!”
+
+Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend:
+
+„Enfin—ik trek me er weinig van an.”
+
+„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+WE HUREN EEN BOVENHUIS.
+
+
+Het was opeens besloten. Boy’s broer kwam over met een jaar indisch
+verlof en wilde bij zijn moeder inwonen, waardoor Boy het huis uit
+moest. Bram had genoeg gekregen van Leiden, vond het in Den Haag
+plezieriger. Ten slotte had mijn hospita me een lange redevoering
+gehouden, waarvan de slotsom was, dat ze niet altoos die jonge dames
+over den vloer wou hebben, omdat heel de buurt er schande van sprak.
+
+Ze wist wel dat onze omgang heel fatsoenlijk was, en de jongedames
+waren óók heel nette meisjes, maar enfin—menschen kletsen zoo gauw
+nietwaar?—Ik had haar bedankt voor hare goede meening over de leden van
+den Mafkolder en—me groot houdend—verzekerd, dat ik tóch al het plan
+had om weg te gaan, omdat haar poes telkens ongerechtigheden in m’n
+kamer deed en de meid altoos van mijn jam snoepte.—De hospita was
+langdradig op mijn vinnigheden ingegaan, bezwerend dat haar poes zoo
+zindelijk was als een mensch en dat de meid zoo eerlijk was als goud.
+
+Gevolg was dat ik de kamer opzegde.
+
+Met zijn drieën hadden we uitgemaakt, dat het veel spaarzamer zou wezen
+gezaamlijk een bovenhuis te huren en een meid te nemen, terwijl we dan
+tevens van alle hospita-gezanik bevrijd zouden zijn.
+
+En zoo stelden we een advertentie.
+
+De tekst had eenige moeilijkheid gekost. Bram wilde: „Drie losloopende
+jongelui wenschen gemeubileerd bovenhuis van alle gemakken
+voorzien.”—Waarop Boy meende dat het voldoende mocht heeten als er één
+gemak was en dus voorstelde: „Drie studenten zoeken bovenhuis met
+stevige maar smaakvolle meubels voorzien.”—Maar ten slotte besloten we
+te plaatsen: „Gemeubileerd bovenhuis in Duinoord gezocht.”
+
+Toen ik aan het bureau van het blad de ingekomen brieven kwam afhalen,
+kreeg ik er zeven en twintig en een briefkaart.
+
+Dien avond, bij mijn voorlezing, werd Boy bij den twaalfden brief
+wanhopig. Toen ik weer begon met den stereotiepen aanhef van: In
+antwoord op uw advertentie...—riep hij uit:
+
+„In godsnaam schei uit!—Het is om gek te worden. Geef me een kop thee,
+ik heb van al die lectuur een smaak in m’n mond gekregen als een oud
+wijf.”
+
+„Moeten we nu ál die huizen afloopen?” opperde Bram.
+
+„Het zijn bóvenhuizen man. Wil je dan toch waarempel een
+trappenberoerte of een bovenhuisduizeling oploopen?” wanhoopte ik.
+
+„Het is juist van dat óploopen dat je iets oploopen zou,” meende Boy.
+
+„Ik heb een idee!” kwam Bram.
+
+„’t Lijkt onwaarschijnlijk, maar kom óp met je idee,” zei Boy.
+
+„We zoeken ieder negen van de bovenhuizen op: we schikken het zoó, dat
+ze zooveel mooglijk in één buurt liggen. Zoo kunnen we alvast schiften.
+De paar, die ieder het beste lijken, kunnen we dan samen bezoeken.”
+
+„Er is nog een briefkaart,” merkte ik op.
+
+„Die neem ik dan wel,” verklaarde Bram goedig.
+
+„Maar als we dan later met z’n drieën komen aandazen, is het mis. Je
+snapt dat ze aan geen drie jongelui hun meubeltjes overlaten,” piekerde
+ik.
+
+„Een huisvrouw is voor jongelui even bang als voor motten of
+houtwurmen,” wijsgeerde Boy.
+
+„Dan huurt degene die het eerst gekomen is, de twee anderen gelden als
+vrienden, die in de keuze helpen,” stelde Bram voor.
+
+„Top,”—zei Boy.
+
+De huizen waren allen, zonder uitzondering, van indische gezinnen en
+van een losbandigen, slordigen wansmaak. Wanhopig zaten we dien avond
+elkaar aan te kijken.
+
+Maar den volgenden dag, op het dagbladbureau, waar ik nog maar eens
+heengegaan was, lag nog éen brief. Onze redding.—En we huurden het
+werkelijk gezellige bovenhuis, wat door de familie, die voor een jaar
+naar het buitenland vertrok, pardoes werd achtergelaten.
+
+Veertien dagen later trokken we er in en begonnen met er den boel
+ergerlijk overhoop te halen. Zóo hadden we besloten;—Bram de voorkamer
+met den erker en het kamertje er naast tot slaapvertrek. De achterkamer
+met serre diende tot eetkamer en ontvangsalon. Wat dit laatste
+doeleinde betrof, besloten we eenstemmig alle berenleiders aan de
+vóordeur te laten wachten. Op de bovenverdieping was voorkamer met
+balkon en zijkamertje voor mij, de achter-eadem voor Boy. Dierhalve
+begon al dadelijk een verwarrend beddegesleep. De gangetjes lagen vol
+matrassen en dekens en kussens.
+
+Bram droeg onhandig een beddekastje de trap op; het deurtje ging open
+en het nachtvaatwerk viel tot scherven op het hoofd van Boy, die juist
+een weerspannig vloerkleed den hoek omwerkte.
+
+„Stomme komkommer!” vloekte Boy, zich het hoofd wrijvend.
+
+Maar Bram zat er mee in dat hij andermans bullen brak:
+
+„Als het maar geen familiestuk geweest is,” vreesde hij, de scherven
+bijeen rapend,—„je hebt menschen, die hechten aan alles.”
+
+En hij sjouwde verder met het beddenkastje. Ik volgde met een
+waschtafel. Terwijl ik het ding op zijn plaats zette, deed Bram een
+spiegelkast open.
+
+„Au—verrek—ai—ai!—Hans!” brulde hij, waar hem uit de kast een
+verwilderde uitgehongerde kat in het gezicht gesprongen was. Dan rende
+hij de gang op, bette zijn gekrabbeld gelaat onder het fonteintje.—Ik
+sloot veilig de deur.
+
+„Wat schreeuw je toch als een mager varken?” vroeg Boy, zwoegend onder
+het vloerkleed.
+
+„Een kat, man,—een kat!” legde de gewonde uit.
+
+Boy vatte natuurlijk niets.
+
+„Een kater bedoel je,” veronderstelde hij.
+
+„Dat heb je zoo gauw niet kunnen zien,” verdedigde Bram zijn gebrek aan
+opmerkingsvermogen.
+
+„Drink wat spuitwater,”—raadde Boy—„dan zal die wel overgaan.”
+
+Maar toen hij het geval eindelijk begreep, trok hij vastberaden een
+revolver uit zijn achterzak, waar spuitwater hem niet meer afdoende
+toescheen,—deed de deur op een kier open, gluurde om een hoek, teneinde
+het ondier te ontdekken.
+
+„Zeg—zijn jullie allebei bezopen?—Ik zie niks.”
+
+„Pas op!” waarschuwde Bram, „de hemel weet waar die ondergekropen is.”
+
+Boy sloop de kamer in, keek overal:—de kat was zoek.
+
+„Ik geloof dat jullie me vernachelen,” meende hij nuchter, den revolver
+weer in den zak stekend.
+
+„’t Wás een kat,” hield Bram vol.
+
+„’t Wás een kat,” beaamde ik.
+
+„We hebben toch geen hallucinaties?” kwam Bram nog, de schram bettend,
+die zeker niet aan een zinsbegoocheling te wijten was.
+
+„Dan is het beest ’m gesmeerd,” besloot ik.
+
+En we togen weer aan het werk, hoewel Boy de voorzorg nam elke kast te
+openen met den revolver in de hand.
+
+„’t Mocht eens een liefhebberij van onzen voorganger geweest
+zijn,”—veronderstelde hij.
+
+Tegen den avond waren we vrijwel klaar.
+
+„Ga jij nu even een nieuwe po koopen,” maande Boy aan.
+
+„Ik dank je stichtelijk,” weerde Bram af.
+
+„Jij hebt ’m gebroken,” beschuldigde ik.
+
+„En neem een scherf mee als staal,” raadde Boy.
+
+„Jullie bent betoeterd. Een po koopen?—Nee, dat vertrap ik sterk.”
+
+„Vooruit—wat kan het je bommen? Er is een winkel vlak om den hoek; je
+laat ’m inpakken,” overreedde ik.
+
+En zoo geschiedde het dat Bram een nachtvaatwerk kocht, op het staaltje
+gelijkend, en hem zegevierend op de tafel der eetkamer uitpakte.
+
+„Ben je nou van de ratten?” vroeg Boy.—„Vooruit—schiet óp met dat
+ding!”
+
+„Hij is toch schóón?” vond Bram.
+
+„Hij hoort hier niet,” meende Boy; en dat was ontegenzeggelijk juist.
+
+Bram ging naar boven om het ding, wat mooglijk een familiestuk moest
+vervangen,—te zetten waar het wèl hoorde. Boy en ik, uitpuffend in een
+paar luie stoelen, bleven achter. Opeens klonk er boven een geluid van
+scherven, een gestamp van voeten, een driftige slag van een deur en de
+jammering van Bram:
+
+„Au—allemachtig—au!” en hij stoof binnen, met een nieuwe schram,
+ditmaal over zijn hand.
+
+„Wat heb je noú weer aan de hand?” vroeg Boy verbluft.
+
+„Een krabbel, dat zie je,” antwoordde Bram gevat.
+
+„Is het die kat weer?” vroeg ik.
+
+„Ja—springt me dat loeder uit het nachtkastje.”
+
+„Gedecideerd—hij moet joú hebben,” meende Boy.
+
+„Ik moet hém hebben. Allemachtig als ik dat kreng in m’n handen krijg,
+draai ’k hem de nek om,” dreigde Bram.
+
+„Hoe zúllen we hem krijgen?” opperde ik het vraagstuk.
+
+„Ik verdom het—ik ga die kamer niet meer in. Ik slaap wel hier op de
+canapee,”—verklaarde Bram.
+
+„Ben je zéker dat ie nòg op je kamer zit?” vroeg ik.
+
+„Waarachtig,—ik heb hem direct gesmeerd, de deur dichtgegooid.”
+
+„Ja wat dán?”
+
+We hielden krijgsraad. Een uitgehongerde kat is een gevaarlijk beest,
+véel gevaarlijker dan een haai of een ratelslang. Bram stelde voor om
+vanaf het achterbalcon, door een kier van het raam, rattenkruid naar
+binnen te gooien; maar we hadden dat niet als jam of boter voor het
+ontbijt in huis. Overigens merkte Boy op dat rattenkruid voor ratten is
+en niet voor katten. Hij stelde dan ook voor de kamer uit te zwavelen,
+door een brandend stuk door de even open deur te schuiven. Maar dat was
+brandgevaar. Juist was ik met het nuchter plan voor den dag gekomen om
+het beest eenvoudig met wat eten te bedaren, toen Boy langzaam, in
+beduusde verbazing door de open deur in de duistere gang starend, zei:
+
+„Wel verdraaid!—Zeg—blijf even stil zitten!” en den revolver te
+voorschijn haalde, met voorzichtige bedaardheid, en het ding opeens
+afknalde.—De slag daverde door de kamer. Dan werd het stil:
+
+„Geraakt!” zegevierde Boy—„zoo dood als een pier.”
+
+We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het
+bléef stil in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe
+kater, met dikken kop, waarin—midden tusschen de oogen—een roode wond
+van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, vies, vol
+groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van
+onzen voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen
+hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond.
+
+„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy.
+
+„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n
+kast eer ik er m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram.
+
+„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik.
+
+Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel.
+
+„Wat ga je doen?”
+
+„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend.
+
+„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog.
+
+„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht.
+
+Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en
+droeg het een eind de straat op.
+
+Even later kwam Bram terug met een flesch carbol en een andere
+sublimaat, een doosje jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon
+zich zelf én het nachtkastje én de spiegelkast te ontsmetten. Dan
+draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), want je wist
+nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij
+met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op,
+dat bij den schrik hem ontvallen was.
+
+Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis
+een rare geur van katers, karbol, jodeform en kruitdamp.
+
+
+
+Den volgenden dag kwam onze verhuisboel.
+
+Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt
+overtollige bezit van een schrijftafel, een studeerlamp en een
+boekenkast. Deftige groene gordijnen dienen dan veelal om de
+armoedigheid der boekerijen te bedekken.
+
+Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, met een
+stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram
+welwillend afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken.
+
+’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die
+Brams boeltje bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met
+boeken en wasch. Tegen twaalf uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en
+mij.
+
+Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het
+voorhoofd. Nijdig had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters
+geschilderd: Katten worden geweerd, en dit tusschen het ruitje en het
+traliehekje van de huisdeur geplaatst.
+
+Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis”
+bekend stond?
+
+„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle
+koffie ontbroken had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.”
+
+En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik
+bezig de planken van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de
+kamer daarnaast, hartverscheurend van:
+
+
+ „You can always tell when a coon is in love”.
+
+
+toen er gebeld werd.
+
+„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik.
+
+„Doe eens even open Bram!” riep Boy.
+
+Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was
+het huis vol gesnater.
+
+„Dag Boy!” juichte Kitty.
+
+„Waar is Bram?” vroeg Toos.
+
+„Wat een leuke pan,” meende Non.
+
+Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars:
+
+„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?”
+
+„We komen helpen,” verklaarde Toos.
+
+„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non.
+
+Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn
+als ze het huis klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte
+en met Kitty smoesde, ging de huisdeur weer open, stond Bram opeens
+midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, hield de linker
+krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet.
+
+„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty.
+
+... Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig
+inpakken.
+
+De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en
+ging stiekem met het ding naar boven, iets mompelend van:
+
+„Den Reinen ist alles rein.”
+
+„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend.
+
+Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen
+ik de schietgeschiedenis verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet.
+
+„En nou vooruit—marsch!” beval ik.
+
+„We komen hélpen,”—pruilde Kitty.
+
+Er werd gebeld: het linnengoed kwam.
+
+„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk.
+
+Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die
+zich in zijn kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne
+onderhanden nemen.
+
+„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer
+binnenkomend.
+
+„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?”
+
+„Kom maar kijken.”
+
+„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?”
+
+„Ja”—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?”
+
+„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?”
+
+„Ik hoorde het. Dus niet?”
+
+„Wel nee—hoe kóm je er bij?”
+
+„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.”
+
+„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel
+in; pak die nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer
+theedrinken.”
+
+„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen.
+
+„Non—wat héb je?” vroeg ik.
+
+„Niks,” ontweek ze.
+
+„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch
+woordenboek in de kast.
+
+„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter.
+
+„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me.
+
+„Wie dan meer?”
+
+„Kitty—verleden.”
+
+„Kitty is met Boy, nietwaar?”
+
+„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer
+verdacht stil was.
+
+„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug.
+
+Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd?
+
+„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig
+Aagje.”
+
+„Ik wou het wéten,” hield ze vol.
+
+„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet
+niets.”
+
+„Toe nou,” smeekte ze.
+
+„Non—je bent vervelend.”
+
+„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze.
+
+„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik.
+
+„Zég het dan!” stampvoette ze.
+
+„Vertel jij andermans geheimen?”
+
+„Nee.”
+
+„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig.
+
+„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze.
+
+„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik,
+beginselvast.
+
+„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel
+leuk.”
+
+„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken.
+
+„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk.
+
+„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?”
+
+En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat
+begint er raar voor je uit te zien.”
+
+En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen
+schilderij glippen en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want
+dan had ze niet iets blij’s over zich gekregen toen zij zijn verloving
+vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? Maar voor wie? voor
+propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat was
+lam, lastig... En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de
+ladder.
+
+Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar
+volkomen onverschillig liet, kwam kijken.
+
+„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.
+
+„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had
+gevonden.
+
+„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan.
+
+„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen.
+
+„Non kwám, aarzelend.
+
+„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.”
+
+Non trok punten aan haar zakdoek.
+
+„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik.
+
+„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen.
+
+„Ben jij soms op ... è—... op Boy?”
+
+Ze glimlachte, keek me oprecht aan:
+
+„Welnee,” verklaarde ze.
+
+„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het
+toch niet om er ruzie over te maken?”
+
+„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt,” verklaarde ze
+schuchter.
+
+Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me
+vorschend aan, begreep mijn gedachten en begon te glimlachen.
+
+„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze.
+
+„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen
+kon.
+
+„Ik dacht ... nou dat jij op mij verliefd was.”
+
+„En verder?” kwam ik in spanning.
+
+„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter.
+
+Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee.
+
+„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij... O ’t is om je een
+kriek te lachen!”
+
+„Dacht jij dat ik...?” riep ze verontwaardigd.
+
+„Ja,”—hikte ik.
+
+„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust.
+
+„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik.
+
+„Top,”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo
+afgeloopen is,—ik zat er zoo mee in.”
+
+Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar.
+
+Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der
+anderen was te bekennen. Dies bonsde ik op Brams deur.
+
+„Wat moet je?” vroeg hij.
+
+„De thee is klaar,” meldde Non.
+
+„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward
+schenen.
+
+„Toos is het bed klaar?” vroeg ik.
+
+„Nee,” zei ze kleurend.
+
+„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.”
+
+„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel
+hier.”
+
+„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram.
+
+Ook Boy werd opgeschrikt:
+
+„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de
+schrijftafel, terwijl er toch stoelen te over waren.
+
+„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter.
+
+„Gunst ja,” deed ze verbaasd.
+
+Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes
+gewasschen en zaten in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste
+maal.
+
+Buiten regende het.
+
+„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—„nu kunnen we niet meer
+tennissen.”
+
+„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens
+helpen,” raadde Bram.
+
+„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty.
+
+„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy.
+
+„Leuk—een meid huren,” meende Non.
+
+„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat
+weigerden we.
+
+
+
+Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en
+ik, met onze gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn
+kattekrabbels raár uitzag,—zaten om de tafel, deftig, ernstig. De
+eerste was een Marie, blonde, brutale meid.
+
+„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene,”—en ze
+ging.
+
+De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter.
+
+„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—„altoos
+bij families met kinderen,”—en ze ging.
+
+Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde
+beesten schenen te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden.
+Juist hadden we er bijna eén in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy
+uit verstrooidheid zijn revolver uit den zak haalde en er mee te spelen
+begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens meenend in een
+moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals je dat in de „Wilsons”
+las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, toen
+zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal
+kapothoedje; over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte
+loovertjes. Maar ze had goedig-slimme grauwe oogen in haar oud
+rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar bloedlooze
+lippen.
+
+„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze
+mochten Janne graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij
+families geweest, maar ik ben liever bij jong volk. Als u mijn den boel
+maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn het gaat.”
+
+Janne maakte een gunstigen indruk.
+
+„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor met een
+kennis van zaken die me verwonderde.
+
+„Best,”—zei Janne—„dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die
+studeert in Delft.”
+
+Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen.
+
+„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren
+te zorgen—koken, kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog.
+
+„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge
+meid,”—verklaarde ze.
+
+„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy.
+
+„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze
+eerlijk.
+
+„Welnee,” vonden we.
+
+„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze.
+
+„What does she want?” vroeg Boy.
+
+„To get her fee,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in
+de hand.
+
+En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide
+dienstbodenkamers, die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op
+de onopgemaakte bedden aan.
+
+Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de
+indrukwekkende grijze „dame” vroeg:
+
+„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich
+niet in het minst.
+
+„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar
+u verlangd hebben.”
+
+Want Janne was een slimmert.
+
+„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend.
+
+„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non.
+
+„Non eén ding,” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle
+opmerkingen achter haar rug. Ze is wát aardig.”
+
+Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen.
+
+„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond,
+toen ze ons lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger
+nou ik weer bij jong volk ben.”
+
+„Leve Janne!” riep Boy onstuimig.
+
+Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden
+we de keuken uitgesmeten.
+
+„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne.
+
+„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in
+zijn kamer, waar hij vol geweld een kram in de muur joeg.
+
+Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping,
+luisterden. Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een
+ouweheerenstem klonk van onderen:
+
+„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en
+die herrie maar eens uit wezen.”
+
+„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram.
+
+„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig
+in een nette buurt die jonge vrouwen over de vloer.”
+
+„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne.
+
+„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets
+aangaan?” verzocht Bram.
+
+„Ik ben oók jong geweest...” begon de ouwe heer.
+
+„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram.
+
+„... maar in onzen tijd...” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur
+bleek.
+
+„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde
+Bram nutteloos.
+
+„... in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn
+preek.
+
+„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag Bram.
+
+„... en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles
+door.
+
+„Och kom?” kwam Bram.
+
+„... en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.”
+
+„O, ja?”
+
+„... en smeet je geen kattenkrengen op straat.”
+
+„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe.
+
+„... en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over
+straat.”
+
+„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram.
+
+„... en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden
+geweerd”, op een nette deur.”
+
+„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram.
+
+„... en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.”
+
+„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram.
+
+„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur.
+
+„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het
+slot springt soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in,
+begon weer te hameren.
+
+Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik
+daalden af, kwamen ook de kamer binnen.
+
+„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met
+wien heb ik de eer?”
+
+„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik.
+
+„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer.
+
+„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan.
+
+„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit.
+
+„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen:
+
+„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de
+eerste de beste zou binnen kunnen loopen.”
+
+De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een
+keukenstoel te schudden, kon er geen woord uit krijgen.
+
+Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen.
+
+„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij.
+
+„’t Is huisvredebreuk,” verklaarde ik.
+
+„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen
+halen,”—voorzag Boy.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN.
+
+
+’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen
+tegen vijf uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty,
+Toos, Non en mij in de eetkamer bij den afternoon tea.
+
+Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te
+lezen en te werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was
+het theedrinken tevens ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den
+morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen zat te ploeteren, toen
+zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas over
+zijn ondergoed, kwam binnensluipen.
+
+„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig.
+
+„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit.
+
+„De pest,” zei hij.
+
+„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder.
+
+„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer.
+
+„Wil je dat ik wat thee zet?”
+
+„Nee laat maar.”
+
+Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet
+hóe hem te behandelen.
+
+„Heb je koorts?”
+
+„Nee—de pest—heb ik je al gezegd.—Wat zit je daar te blokken?”
+
+„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.”
+
+„Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere ...
+schwamm drüber,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt,
+dan zal het me niets verwonderen.”
+
+„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” meende ik.
+
+„Och ja man—’t is lam.”
+
+„Iets met Kitty?” vroeg ik.
+
+„Nee—met haar familie.”
+
+„O.”
+
+„Ik moet me voorstellen.”
+
+„Is dat alles?” kwam ik opgelucht.
+
+„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik
+wordt al wee als ik er aan denk.”
+
+„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik.
+
+„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.”
+
+„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.”
+
+„En je straalt,” voorspelde Boy.
+
+„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.”
+
+„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,”
+somberde hij.
+
+„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik.
+
+„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een
+aanstaanden schoonpapa optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden
+opbiechten?”
+
+„Heb je er veel?”
+
+„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.”
+
+„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later
+wel.”
+
+„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je
+voor je plezier geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou
+veel meer zin hebben den heelen dag op een paard te zitten, nooit meer
+een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.”
+
+Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn
+gekleede jas, met handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als
+een dominee.
+
+„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer
+bij het boord geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee
+verwrongen had.—Ik bracht hem tot de deur.
+
+„Hou je maar taai,” moedigde ik aan.
+
+„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik
+maak een standaardwerk van flaters.”
+
+Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half
+uur. Boy kwam niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis.
+
+Na een poosje kwam hij terug.
+
+„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning.
+
+„Beroerd.”
+
+„Hoe zoo?”
+
+„Wacht even.—Janne!”
+
+Janne kwam.
+
+„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en
+die lakschoenen en ... nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.”
+
+„Steek eens op,” leidde ik af.
+
+„Graag.—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.”
+
+„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer.
+
+„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een
+vaasje van een tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n
+onhandigheid heb ik toen gezegd: „Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei
+schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. „Het is me heel
+aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg er
+natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat
+schoonpapa me raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan
+praten; over m’n financies, waaromtrent hij mij evengoed had kunnen
+inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat ik als geheime
+verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als ik
+door m’n eerste examen ben.”
+
+„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig:
+
+„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en
+aan twee broers én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot.
+Ik heb in de familiekring theé moeten drinken. M’n bakkes stond stijf
+en strak van het glimlachen dat ik deed. De heele familie keek me aan
+als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan m’n moeder; arme
+vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten en
+’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der
+dagen wordt aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik
+’s avonds theedrinken, zal Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen
+met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk niet meer komen. Dat stáat
+niet.
+
+„Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een
+verschrikking maakt, is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk
+begonnen?”
+
+„’t Is altoos zoo,” troostte ik.
+
+„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige,
+poeteloetige inleiding voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet
+burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel idealen, of misschien te
+weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als
+wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.”
+
+„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik.
+
+„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n
+dictaten en boeken ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat
+óok maar. En—o ja—neem dat beeld van dien naakten faun weg, mama kon er
+eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap je?”
+
+En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, die
+over den kop is gegaan.
+
+Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een
+gehéime verloving is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en
+Boy trok zich terug, om op zijn schrijftafel al vast de
+dictaten-uitstalling in te richten.
+
+Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht
+vermoedelijk, dat Bram nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de
+oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar niet aan, geheel vervuld door
+een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee hij zegevierend
+thuis was gekomen.
+
+„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij.
+
+„Waar?” vroeg Toos.
+
+„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor.
+
+„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best
+kon en trok de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan,
+dat hij er mee had trachten op te staan.
+
+„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.”
+
+Bram zat voor de deur van zijn kamer, wreef zijn achterhoofd, dat tegen
+de deur was aangekwakt.
+
+„Doet het pijn?” vroeg Toos.
+
+„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch.
+
+Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen
+schop tegen mijn schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te
+slaan.
+
+Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten.
+Zich vasthoudend aan de trapleuning, stapte Bram met holle
+dondergeluiden over het gangetje. Wij keken toe, op een gepasten
+afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor den
+helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De
+trapopening deed de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval
+gevaarlijk. Aan den deurknop van de eetkamer kón hij zich niet
+vasthouden, want, om de deurpost loerend, was daar Toos, die hem
+onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij sloeg twee
+maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot
+den afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den
+deurknop van de zekere plaats vast, rukte in zijn slag die
+geheimzinnige deur open:
+
+„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat.
+
+„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de
+deur neergezegen.
+
+„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan
+gruzelementen getrokken! Ai jesses nog an toe!”
+
+We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram,
+die maar riep:
+
+„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer
+neerplofte, maar den moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen
+deurknop tot steunsel te grijpen.
+
+Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten
+rechts en links.
+
+„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy.
+
+„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram.
+
+„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een
+nieuwe lachstuip lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning
+miste en met kletterend metaalgeraas en gebonk van ledematen de trap
+afsloeg.
+
+„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy.
+
+„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik.
+
+Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met
+automaat-bewegingen de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag
+te huilen van opwinding en Non geen geluid meer van zich gaf; Boy zat
+op den grond en ik stond hoestend me in een koekje te verslikken.
+
+Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te
+verzetten.
+
+„’t Gaat al beter,” verkondigde Bram, „als ik maar op gang...” en toen
+sloeg hij voorover, greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met
+theegerij en koekjes over zich heen.
+
+„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen.
+
+„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg.
+
+Toen kwam Janne binnen:
+
+„Ai jesses nog an toe,” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.”
+
+Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op.
+
+„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur.
+
+„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy.
+
+„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde
+ik.
+
+„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later
+jaren, in Nangking, zou hij er om denken.
+
+Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de
+theevlekken uit vloer- en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non
+dronken met snikkende bewegingen en bibberende lippen koud water. Bram
+had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf in den nek
+smeeren.
+
+„Ja,”—vond Boy, „het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je
+direct en als je kúnt rollen, rol je niet meer.—Enfin—ik heb me met
+recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: „Je zult je
+nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf
+vond.
+
+Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had
+de vertooning op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker
+toe te kijken.
+
+„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy.
+
+Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met
+een duwtje kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net
+was hij er bij een aangeland, toen de meid er uit kwam. Bram stoof
+tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om het evenwicht te
+bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen.
+
+„Enge bliksem!”—giechelde de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!”
+klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan niets hebben en stoof met een
+duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur gerakend. Een
+spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te
+pletter.
+
+„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in
+zoo’n kort oogenblik had zien geschieden.
+
+„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op
+éen elleboog in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te
+trekken trachtte.
+
+„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer.
+
+Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des
+onderbuurs loerspiegeltjes vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen
+bij te trekken, nam weer een afzetje en stoof ditmaal tegen den ouwen
+van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen was.
+
+„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den
+hals sloeg, maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de
+schenen uitdeelde, waar ik van meespreken kon.
+
+„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen
+ter afwisseling achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht
+boóg,—„laat me lós m’nheer!”
+
+„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der beenen bij,
+waardoor het andere weer uitschoot.
+
+„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder.
+
+„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen
+zal het regenen. Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de
+kleine steentjes.
+
+„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker.
+
+„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer.
+
+„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat
+Bram, loslatend, met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In
+volmaakte evenredigheid lagen ze op elkaar.
+
+Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken
+trappenden Bram naar binnen.
+
+„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy,
+het heertje afkloppend.
+
+„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek.
+
+„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig.
+
+„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit
+is me zoó iets overkomen.”
+
+„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je
+leven,”—troostte Boy en deed de huisdeur dicht.
+
+Binnen op de trap zat Bram.
+
+„Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij.
+
+„Goddank,” zei ik opgelucht.
+
+„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy.
+
+„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram.
+
+„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht.
+
+„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er
+immers niet om gevraagd.”
+
+Meteen werd er gebeld,—driftig.
+
+„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur.
+
+Boy deed open.
+
+„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer.
+
+„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog
+veel gekker dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram
+inmiddels plat gedeukt bij de lantaarn gevonden.
+
+„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel.
+
+„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik.
+
+„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die
+kat—u weet wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel
+erg.”—Waarop de getergde de deur dichtsloeg.
+
+Boven aan de trap was Janne.
+
+„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet
+meer op.”
+
+Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat
+praten.
+
+„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.”
+
+„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig.
+
+„Vermoedelijk wel.”
+
+„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond
+hij somber.
+
+Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het
+koffiedrinken ten huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het
+geld voor haar melkkan eischen.
+
+„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap
+tegemoet kwam.
+
+„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen
+op beide wangen.
+
+„Gossie,”—zei de meid grinnekend.
+
+Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel
+wat anders:
+
+„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht
+bonzend.
+
+Bram keek beteuterd.
+
+„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had.
+
+„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars.
+
+„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne
+zich, die Bram niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval.
+
+„Ga haar achterop,” raadde ik.
+
+„Toe—doe jij het,” verzocht Bram.
+
+En zoo holde ik Toos achterna.
+
+„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze
+kón rennen.
+
+„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze
+haast huilde.
+
+„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik.
+
+„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze.
+
+Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren.
+
+„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen.
+
+„Toe nou Toos,”—hield ik aan.
+
+„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram.
+
+„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar
+uit.
+
+„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg
+van.”
+
+„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende Toos.
+
+„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn
+aardige meisjes genoeg in den Haag,”—kwam de meisjesgek.
+
+„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk
+deeglijk.
+
+„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug.
+
+Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty
+niet meer, nou Toos. Het was lam.
+
+Dien middag werd weinig aan tafel gesproken.
+
+Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan,
+want nog een páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou
+zenuwziek zijn.
+
+„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram.
+
+„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche
+steal-crisis, toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het
+algemeen—over dienstboden. Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord
+hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over het boenen van parketvloeren
+en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal was, net of
+ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een
+discussie over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou
+het nooit uit.”
+
+„Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik.
+
+„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het
+salon, borduurde. Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan
+doen.”
+
+„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was.
+
+„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om
+getemd te worden, om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel
+ik me of ik al duf begin te worden,—of ik begin uit te slaan.”
+
+„Nee—je slaat dóor,” vond ik.
+
+Maar het begón er raar uit te zien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.
+
+
+Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld
+kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit
+meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu
+er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan
+ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven.
+
+Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den
+Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij
+toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank,
+jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht,
+sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante
+preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van
+ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de
+vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals
+halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het
+refrein:
+
+
+ Ma voce e bellezza
+ e giovinezza
+ non torna più;
+ el il tempo che passò
+ senza l’amore
+ non tornerà!
+
+
+en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me
+nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn
+uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen
+jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere
+levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig,
+lévend lichaam er door heen te maaien.
+
+Men vergeve me deze ontboezeming.
+
+Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach
+door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan
+zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden
+kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte
+sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en
+vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin
+... ik was er mal van.
+
+Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de
+ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan
+uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch
+was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s
+avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het
+rechte wisten we er niet van.
+
+Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen,
+want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy
+binnenstuiven kwam.
+
+„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen
+koffiedrinken.”
+
+„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die
+ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor
+altoos geweken.
+
+„Ze kómen!” jammerde Boy.
+
+„Geef orders aan Janne,” raadde ik.
+
+„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug.
+
+„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend.
+
+Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te
+regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was
+het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag
+drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor
+bijna leege schotels elkaar verwijten te doen.
+
+Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en
+een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield.
+Als Bram kwam waren we dus tien personen.
+
+„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan
+éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om.
+
+„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze.
+
+„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy.
+
+„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol.
+
+„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in
+den mond.
+
+„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar
+jammerklacht.
+
+„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel.
+
+„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?”
+
+„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik.
+
+Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar
+manchetten.
+
+„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij.
+
+„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne.
+
+Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst:
+
+„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal
+sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas...”
+
+„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de
+koffie.”
+
+„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een
+koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan.
+
+„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor
+je, als je doet wat ik zeg.”
+
+„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd.
+
+„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap
+je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht
+maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen
+kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.”
+
+„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde
+Boy zijn reputatie.
+
+„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef
+je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.”
+
+Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde
+over de plaatsenverdeeling.
+
+„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes,
+genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat
+bloemen.
+
+„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik
+terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.”
+
+„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en
+ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog
+wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den
+brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille
+van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik
+haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer
+mocht belanden.
+
+Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als
+karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich
+aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd:
+„Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een
+diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit:
+
+„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier...” toen
+hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste
+figuur.
+
+„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen.
+
+„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet
+je nooit hoe laat hij komt.”
+
+En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van
+wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween,
+toen Janne eerwaardig binnenstapte.
+
+„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht
+eenige winters meér bezat.
+
+Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door
+tegen Kitty te zeggen:
+
+„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer
+voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen
+vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar
+listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou.
+
+De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat
+hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons
+sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en
+sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen
+met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die
+riep:
+
+„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?”
+
+„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang.
+
+„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de
+deur van de huiskamer.
+
+„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!”
+
+„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém
+heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf.
+
+Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar
+wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch
+bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn:
+
+„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht.
+
+„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw
+vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas
+over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen
+door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig
+open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik
+ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje.
+
+Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van
+Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een
+deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven ... Loekie...; als ze
+zich maar stilhield.
+
+Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken.
+
+„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig
+en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot.
+
+„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond,
+terwijl ik den sleutel in den zak stak.
+
+„Sst!” deed ik angstig.
+
+Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de
+schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan
+kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de
+naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen
+aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar
+beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer
+neerstreek.
+
+Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen
+verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje
+moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet
+meer uit, loog onbevangen:
+
+„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb
+afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf
+handjes en ging.
+
+„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde
+welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in
+de keuken, gaf Janne haar fooi.
+
+„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel.
+
+Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er
+bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn
+bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar
+blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne
+hempje, waren zichtbaar.
+
+„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing
+voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de
+dekens, bleef met éen oog naar me kijken.
+
+„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik.
+
+„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze.
+
+Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar
+verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze
+kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes
+en de sigaretten in bed gekropen was.
+
+„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan.
+
+„Hoezoo, Loekie?”
+
+„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.”
+
+„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd.
+
+„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat
+ik ze óok veel liever zóo zag.
+
+Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig
+éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het
+andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn
+kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel.
+Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen,
+de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de
+roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden
+hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze
+een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een
+sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele
+lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige
+bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk
+vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd
+in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die
+over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen
+kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond
+veroordeelen.
+
+Ik niet.
+
+„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie.
+
+Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel,
+leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het
+lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de
+ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig.
+
+Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de
+vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy
+binnen.
+
+„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte
+toonend over haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus
+nog altijd offside?”
+
+„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon
+verdragen over de lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn
+ruikinrichting.
+
+„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het
+kaarsje op de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was,
+sprong ze op met een kattig-vlug gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar
+deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in de sofa te
+suffen zat.
+
+„Au—schei uit!” schreeuwde hij.
+
+„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes
+op zijn schoot zitten.
+
+Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar
+jonge lichaam door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is
+het dat hij zich oerdeeglijk hield en commandeerde:
+
+„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!”
+
+Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in
+waardeering verschillen kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde
+speelsch de keurige scheiding.
+
+Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval
+aan te zien... En toen stond opeens Toos midden in de kamer.
+
+Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik
+van zich laten merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een
+standje met een kwitantie op de stoep hebt; dat juist een deur zal
+opentrekken als de daarachter-zittende vergeten heeft het haakje er op
+te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde?
+
+Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar
+kleeding tegenover een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok
+en met zenuwachtige bewegingen de afgezakte roodzijden schouderbanden
+weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, stond er betoeterd bij, zei
+toen hakkelend:
+
+„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen
+onhartelijk mocht heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht
+haar toevlucht bij mij, verborg haar blozend hoofdje aan mijn borst,
+terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes legde. Toos mocht
+ze eens áanvliegen.
+
+Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op
+heeterdaad betrapt”-tooneeltje, dat ik opeens in een schaterlach
+loskwam.
+
+Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen:
+
+„’t Is schándelijk—’t is schándelijk!” hijgde ze.
+
+„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je
+het tegen den commissaris van politie in eigen persoon opnemen.
+
+„Hou je stíl!” barstte Toos los.
+
+„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend.
+
+„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos.
+
+„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend.
+
+„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos.
+
+„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren.
+
+„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen
+holde ze de kamer uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer
+hoorde ik den twist losbarsten.
+
+„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch
+al weinig aangetrokken had.
+
+„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze.
+
+„Och wat,” kwam ik luchtig.
+
+„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me
+week. Die ellendige Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn
+armen voelde ik het lenige lichaampje schokken in hortend gehuil. Er
+moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte oogen, zette
+haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer.
+
+„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de
+vuist op tafel,—„dat zal ik zélf doen.”
+
+„En haar vóorliegen,” keef Toos.
+
+Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en
+weer, bulderde:
+
+„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat
+meisje,—of ze het niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders
+niet?—Kom ga mée!”
+
+„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!”
+
+„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift.
+
+Toen kwam Janne binnen.
+
+„Ai jesses nog aan toe,” verbaasde ze zich.
+
+Maar Janne was een uitkomst.
+
+„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik.
+
+„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne.
+
+„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik
+verder.
+
+„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!”
+
+„Zíj,” wees Boy op Toos.
+
+„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die
+liegt met permissie!” getuigde Janne.
+
+„Nou hóor je het!” zei Boy.
+
+„Is het héusch?” vroeg Toos.
+
+„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken
+van m’nheer Boy,” verweet de dienstbode.
+
+De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen,
+zelfs niet door Toos.
+
+„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze.
+
+„’t Wordt tijd,” meende Boy.
+
+„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader.
+
+Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze
+had naar ons verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de
+huiskamer, hoorde boven stemmen „en toen—nou toen vond ik jullie met
+die ... die...”
+
+„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan.
+
+„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze.
+
+„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik.
+
+„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos.
+
+„Dat is je geraden,” kwam ik valsch.
+
+Toos ging.
+
+„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan
+Janne.
+
+In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze
+gekleed, klaar om heen te gaan.
+
+„Wat zijn dát nou voor kuren?”
+
+„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig.
+
+„Toe nou—je bent er pas.”
+
+„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze,
+en haar lippen begonnen te beven, ze stond op huilen.
+
+„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag,
+den heelen avond, den heelen nacht.”
+
+„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af.
+
+„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil
+je dien hoed wel eens afzetten, en den mantel uit, en de
+handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande ik, haar in mijn armen
+vertroetelend.
+
+En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de
+handschoenen; en ook de bloese en den rok en al haar wondere fijne
+kanten en zijden verborgenheden, die ik met voorzichtige vingers haar
+afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen woelden in mijn
+haar.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+GEHEIMZINNIGHEDEN.
+
+
+Kitty vond Bram en mij voortaan „schandelijke jongens,” maar bleef van
+Boy’s voorbeeldigen levenswandel overtuigd.
+
+Tot op een zekeren dag een naamlooze brief de jonge verloofde
+waarschuwde voor haren aanstaanden wettigen echtgenoot; het velletje
+was onderteekend door „een trouwen en gedevoueerden vriend.”
+
+Den Haag doet steeds wanhopige pogingen om een wereldstad te gelijken,
+geen wonder dat dus ook dáar men elkaar het leven verzuurt met het
+grootsteedsche middel van anonieme brieven. Daar echter noch Kitty’s
+familie, noch Boy tot de „côterie” behoorden, zaten ze met het
+geheimzinnige schrijven in, evenals een kantoorklerk die een
+prijsgekroonden jachthond ontvangt.—Na het eerste moesten andere
+schrijfsels volgen, en Kitty werd stil.
+
+Zoo kwam eens Boy met een epistel thuis. Er werd in verteld, dat hij
+dien avond een afspraakje zou hebben bij de eerste sluis van het
+ververschingskanaal.
+
+„’t Is poëtisch,” meende Bram.
+
+„Ik ga er naar toe,” besloot Boy.
+
+„Wie denk je dat het is?” vroeg ik.
+
+Bram, die druk Sherlock Holmes leest (je hebt dat meer met menschen die
+in de letteren studeeren), zat het ding onder een loupe te begluren:
+
+„Je zoudt zeggen, iemand met een koppig karakter;—kijk maar eens wat
+een hoop rechte verticale en horizontale lijnen.”
+
+„Stik met je koppig karakter,” kwam Boy botweg; „’t is de katjang, dat
+is zoo klaar als een klontje.”
+
+„Dáar had ik nog niet aan gedacht,” bekende Bram.
+
+„En als ik hém vanavond vind,” ging Boy door,—„dan zal ik hem op z’n
+dikken bek slaan, dat hij geen pa en geen ma meer kan zeggen.”
+
+„Bega geen stommiteiten,” verzocht ik. „Bram en ik zullen gaan.”
+
+En we gingen. Het was koud en motregende.
+
+„Er zijn twee sluizen,” merkte Bram op.
+
+„’t Is de eerste,” verklaarde ik.
+
+„Dat ligt er aan van welken kant je begint te tellen,” filosofeerde
+Bram treffend.
+
+„Dan gaat er een naar de zee-, de andere naar de binnensluis,” loste ik
+op.
+
+Bij een lantaarnpaal wierpen we kruis of munt. Ik liep er in en
+dierhalve vloekend naar de zeesluis. Waar ik me in den regen en den
+wind, alle katjangs en naamlooze brieven naar de hel verwenschend, ’n
+half uur lang te vertrappelen stond.
+
+Thuisgekomen lag Bram al voor de kachel een pijp te rooken.
+
+„En?” vroeg hij.
+
+„Niks gezien. Jij?”
+
+„Geen kip.”
+
+Waarop Boy meende dat we kuikens waren.
+
+Bram, die een speurdersgeest heeft, nam me den volgenden middag
+terzijde.
+
+„Nou gaan we katjang zoeken.”
+
+„En den boel bederven.”
+
+„Nee—laat mij maar begaan.”
+
+„Nou vooruit maar,” gaf ik toe, bedenkend dat het geval moeilijk
+verwarder kon worden.
+
+Bram’s doel was de Bordelaise. Den Haag is zoo’n wereldstad, dat je in
+de Bordelaise en in Centraal de geheele bitterbende vinden kunt. En
+katjang zát in de Bor.
+
+„Dag Piet,” zei Bram vriendelijk, „dat is leuk dat we je eens
+ontmoeten.”
+
+Piet vond het ook charmant en we gingen zitten, dronken een
+„schilletje”.
+
+„Zie je veel lui in den laatsten tijd?” vroeg Bram.
+
+En de katjang sneed gretig op van al de donderjolen en de barre fuiven
+die hij meegemaakt had, vertelde hoe hij verleden nacht vijfhonderd pop
+op den Jockey-club had laten zitten bij een baccarat. Maar dat gaf
+niets. Wat hem in den weg zat, dat was, dat die Lena, „je weet wel die
+magere meid uit Flora?” hem niet los wou laten, terwijl hij toch zóo
+genoeg van haar had.
+
+„Ze is mal van je hé?” vroeg Bram.
+
+„Stapel man,” snoefde Piet.
+
+„Ja dat hoorde ik,” loog Bram.
+
+„Zoo? Och ja, ze tóont het ook zoo,” kwam de katjang gevleid.
+
+„Gelukkige kerel,” verlakte ik, Bram een duw met mijn knie gevend.
+
+Maar Bram bleef ernstig.
+
+„Je moet naamlijk weten Piet, dat deze hier,” en hij wees op mij, „óok
+mal van haar is en graag eens aanpappen wou.”
+
+Ik hield een staal gezicht bij deze aantichting.
+
+„Och kom?” glimlachte katjang, „maar jij bent toch met een andere meid,
+zoo’n modehip meen ik.”
+
+Het liefst had ik katjang op zijn gezicht geslagen, wel niet zoo hard
+dat hij geen pa en ma meer kon zeggen, maar toch ook niet zóo zachtjes
+dat hij geen au riep. Maar ik hield me al weér goed, aangespoord door
+knieduwingen van Bram, die mij met het tweede schilletje deden morsen.
+
+„Och, dát is al voorbij,” bekende ik luchtig.
+
+„Ja, nooit lang bij éen vrouw blijven, dat is zoo insipide,” vond
+katjang. „Maar weet je, ik zeg het je om je te waarschuwen: Lena is een
+dúre meid, ze kan een hoop geld aan.”
+
+„Dat heb ik er voor óver,” blufte ik.
+
+„Ze zou je kunnen ruïneeren,” voorspelde katjang patserig.
+
+„Hem?” kwam Bram even patserig. „Hij heeft geld genoeg om tien Lena’s
+te onderhouden.” Een bewering die te pijnlijk voor me was om te beamen.
+
+„Goed ik zal je voorstellen, dan bewijzen we elkaar een dienst,” deed
+katjang vriendelijk.
+
+„Schrijf een aanbeveling,” raadde Bram, en ik begon lont te ruiken.
+
+De kellner bracht de schrijfbehoeften en met een spatpen, een van die
+pennen die je alleen in café’s en postkantoren aantreft, krabbelde hij
+een aanbeveling voor de wonderlijk begeerde Lena. Zijn schrift beefde
+een beetje doordat Bram me voortdurend aanstootte, maar het leek
+desniettegenstaande volmaakt op dat der naamlooze brieven.
+
+„Wie stoot er toch zoo?” vroeg de argelooze, ezelsdomme Piet.
+
+„Ik;—m’n been sliep,” verklaarde Bram.
+
+En toen gingen we vlug naar huis, waar we Boy op zijn kamer vonden,
+handen in het haar.
+
+„Scheelt er wat aan?” vroeg ik.
+
+„’t Is uit!” kwam hij stil.
+
+„Wát?” stamelde Bram.
+
+„Pa meende, dat je geen koe bont noemde als er niet een vlekje aan
+zat,—waarop ik geantwoord heb, dat je ook nooit wist hoe een koe een
+haas ving, en dat ik er wel áchter zou kunnen komen wié die vodden
+schreef...”
+
+„’t Is de kátjang; we weten het nou,” riep Bram zegevierend.
+
+„Waarachtig?—hóe weet je het?” sprong Boy op, met flikkerig-nijdige
+oogen.
+
+Bram gaf de aanbeveling voor Lena, legde het geval uit.
+
+„Godverdomme—de ploert! Ik wórg den vent!” en Boy sloeg met de vuist op
+tafel.
+
+„Zie je—zoo is morgen de zaak weer gezond,” kalmeerde ik.
+
+„Nee—dat is die niet,” en Boy ging slap weer zitten.
+
+„Vooruit nou,” lachte Bram.
+
+„Kitty...” aarzelde Boy—en toen opeens driftig:
+
+„Ze gelooft het wel niet heelemaal, maar ze wantrouwt me. Dàt maakt me
+kapot, dàt vreet me op. En daarom heb ik zèlf het ook maar uitgemaakt.”
+
+„Je bent gek,” meende Bram bot.
+
+„Hou je smoel—je weet niet wat je kletst,” stoof Boy op.
+
+„’t Komt wel terecht,” suste ik.
+
+„Dat komt het niet.”
+
+„Zullen we er héen gaan, hun uitleggen van den brief?” trachtte Bram.
+
+„Nee laát dat maar.”
+
+„Laat nou geen misverstanden blijven bestaan,” kwam ik wereldwijs.
+
+„Er is geen kwestie van misverstand. Kitty denkt dat ik lieg. Kitty
+gelooft me niet, en daarmee is de zaak uit. Dus komt ’t niet meer in
+orde.”
+
+Bram en ik, die het argument voelden, hielden ons toen maar stil.
+
+
+
+Dienzelfden avond had Boy alweer zijn alledaagschen trant herwonnen.
+
+„Wanneer komt Loekie nu weer eens?” vroeg hij.
+
+„Ze wou van avond komen, als je het niet vervelend vindt,” beweerde ik
+met een doodgraversgezicht.
+
+„Ben je màl?—integendeel.”
+
+„M’nheer,” kwam Janne binnen, „juffrouw Loekie, die ondeugende meid, is
+vanmiddag nog even hier geweest.”
+
+„Ze komt straks wel,” voorspelde ik.
+
+„Daar zèg ik het niet voor,” weerde Janne af, „ze is hier of ze
+kòmt,—daar leit ’t niet aan,—maar ik wou dat u d’r is een beetje d’r
+rare kunsten afleerde.”
+
+„Wàt voor rare kunsten?” Ik vóelde mijn verantwoordelijkheid.
+
+„Vanmiddag heit ze, uit baloorigheid, me een poets gebakken, zeker
+omdat ù niet kwam,” klaagde Janne.
+
+„Wàt dan toch,” kwam ik in spanning.
+
+„Ze heit... Wacht ik kom zóo weerom,” en Janne verdween in de beste
+kamer.
+
+We keken elkaar aan, in wilde verbazing.
+
+„Och meheer,” verzocht Janne van achter de deur, „kijk u toch eens even
+naar de biefstuk.”
+
+We kéken naar den biefstuk, kregen twist of hij al dan niet omgedraaid
+moest worden, en toen Janne terúgkwam was hij natuurlijk aangebrand.
+
+„Ai jesses nog an toe—ik kan het niet helpen heere.—Die verdomde judas
+van een meid ook!”
+
+„Allemachtig Janne, zou je nou eens willen vertellen?” maande Bram aan.
+
+„Ben ik even weg uit de keuken en daar heit ze me stiekem wonderolie in
+m’n thee gedaan,” helderde Janne op.
+
+We gierden het uit.
+
+„Jannepans—zeit ze toen—je thee wordt koud; wacht zal ik es effen
+roeren? En toen roert ze en zet me de kop aan den mond en giet ’t er
+zóo in.”
+
+„Waarom heb je het gedronken?” schaterde ik.
+
+„Och—ze heit zoo’n lieve manier van doen en toen ze me hielp drinken
+vond ik het wel leuk.—En ik slokte ’t in éene op. Je kent aan dat kind
+niks weigeren als ze wat wil.”
+
+„Nee,” zei ik, die er van mée wist te praten.
+
+„En toen ik het óp had,” vervolgde Janne, „zeg ik zoo:—wat een rare
+smaak het die thee. En toen zij aan het lachen, op stuipen af, en toen
+zeit ze me: „er zat wónderolie in”, en smeert ’m meteen.—Zoo’n
+verduvelde meid.”
+
+„Hoe is het gegáan?” vroeg Bram.
+
+„Als gesmeerd vermoedelijk,” meende Boy.
+
+„Dat ging het nét. Ik ben er met permissie geen kwartier van áf
+geweest. De heere moeten me maar eens verekskuseeren, ik heb op het
+eten...”
+
+„Hoe zoo, heb je ook op het eten...?” huiverde Bram.
+
+„Nee,”—kwam Janne beleedigd, „ik heb er niet op kunnen lètten. Hé—ai
+jesses nog an toe—ik voel me zoo áaklig.—Wacht, ik kom zóo terug.” En
+Janne holde weer weg.
+
+Het eten was óf ongaar óf aangebrand; de bediening had groote gapingen.
+
+„Een flauwe mop eigenlijk,” vond Bram, die een kieskeur is.
+
+„Ik zal het haar afleeren,” beloofde ik.
+
+Net ging de bel over.
+
+„Och doet ú even open,” verzocht Janne van achter de deur.
+
+Ik trok aan het touw.
+
+„Dág,”—schalde Loekie’s stem, „waar is Jannepans?”
+
+„Dat snap je wel,” trachtte ik ernstig te doen.
+
+Loekie kwam binnen. Met haar grooten zwarten hoed, haar nauw om het
+lenig lijf sluitend manteltje en dúrvend engen rok, zag ze er snoezig
+uit.—Maar ik nam ál mijn ernst bijeen om haar een standje te maken.
+
+„Geef je me niet eens een zoen?” vroeg ze.
+
+„Eerst zal je excuus aan Janne vragen,” deed ik stug.
+
+„Ze zei zélf dat ze verstopt was,” verdedigde Loekie zich pruilend.
+
+„Je hebt óns het eten er mee bedorven,” nijdigde Bram.
+
+„Die grappen láat je nu voortaan maar,” kwam ik nog met een laatste
+greintje gemaakte boosheid. Loekie—goedig kind, dat geen ernst
+verdragen kan, stond aan haar rok te plukken, oogen neergeslagen. Ze
+was góddelijk zoo.
+
+„Is het nou zóo erg?” pruilde ze zachtjes. „Ik heb wat lékkers
+meegebracht voor Jannepans,”—en uit haar taschje haalde ze een zak
+haagsche hopjes.
+
+„Zoo rakker,” zei Janne, binnenkomend.
+
+„O Jannepans, ik zal het nooit, nooit weer doen,” beloofde ze.
+
+„Nee, éen keer is genoeg,” vond Boy.
+
+„Toe—Jannepans,” smeekte Loekie, „hier is wat lekkers.”
+
+„Ja dat ken ik nou tóch niet eten,” verklaarde ze bars.
+
+„Hè, tóe nou,” hield Loekie aan. „Ben je bóos Jannepans?” en ze trok,
+als een kind, de oude meid aan haar schort.
+
+„Komkom—op joú kan niemand boos wezen,” lachte Janne weer. „’t Is al
+weer over hoor.”—Ze bedoelde haar boosheid.
+
+„En noú geef je me een zoen,” juichte Loekie, doodop van zooveel ernst
+neerzijgend op mijn schoot.—Ik gaf haar een en toen nog een
+heeleboel.—Janne ging heen, vermoedelijk niet naar de keuken.
+
+Loekie trok mantel en handschoenen uit, zette den grooten hoed af en
+ging goedig in de keuken vaten wasschen.
+
+„Je blijft er af,” bedilde ze, toen Janne zich er mee bemoeien wou,
+„jij bent ziek vanavond.”
+
+„Zoo’n duvel,” glimlachte Janne, die zich nog steeds onledig hield met
+zich te ledigen.
+
+Daarna diende Loekie thee op.
+
+„Zit er wéer wonderolie in?” informeerde Boy.
+
+„Welnee. Toe, geef me een sigaret,” kwam Loekie, en ze drapeerde zich
+met het tafelkleed, nam mijn filten hoed en danste niet
+onverdienstelijk een spaanschen dans.
+
+„Bonjour, bonjour,” riep ze, het tafelkleed op de sofa werpend en me
+bij de hand naar mijn kamer meetrekkend.
+
+„Ben je nog boos?” vroeg ze, de armen om mijn hals.
+
+„Malle Loekie, ik ben nooit boos geweest,” lachte ik, al mijn
+waardigheid vergetend.
+
+„Mag ik blijven vannacht?” vleide ze.
+
+„Natuurlijk.”
+
+En ze rende weg naar mijn slaapkamer, kwam terug met losse haren, het
+lichaam gehuld in de plooien van een wijden warmen blauwen kimono, de
+voetjes in een paar persische muiltjes gestoken.
+
+„Zoo voel ik me veel prettiger,” verklaarde ze leuk.
+
+O, heerlijke ondeeglijkheid! Ze heeft me nooit berouwd toen ik er in
+later jaren armoe door leed.
+
+
+
+Den volgenden dag gingen Loekie, Boy en ik de stad in, want Loekie
+moest een nieuwen hoed hebben, èn een heeleboel fijn-zijden kousen èn
+een paar nieuwe lage lakschoentjes.
+
+En zoo wilde het ongeluk, dat het vroolijk snappend kind ons de Passage
+binnenlokte en dat Boy opeens den katjang voor de Bor ontwaarde.
+
+„Zoo verdomde smeerlap,” zei Boy, suikerpiet bij den schouder pakkend.
+
+„Wat moet je?” vroeg deze.
+
+„Heb jij nog meer brieven aan Kitty te schrijven?” kwam Boy ingehouden
+woedend.
+
+„Laat me lòs,” riep de katjang, die vaal werd.
+
+„Daar!” en pardoes gaf Boy hem een klinkende oorvijg, die onder het
+glazen dak ná-echoën bleef.
+
+„M’nheer, ben je bedonderd?” kwam de katjang beduusd.
+
+Pats, sloeg hem een tweede oorvijg tegen de tafeltjes. De menschen
+stoven op, we kregen bekijks.—En toen deed de katjang, die te laf was
+om een klap terug te wagen, iets waardigs om zijn figuur te redden.
+
+„M’nheer, m’n kaartje, m’n kaartje,” schreeuwde hij, grabbelend naar
+zijn portefeuille, en het karton met breed gebaar overreikend aan Boy,
+die ingehouden kalm afwachtte, besloten tot alles.
+
+„Hier, m’n kaartje, m’nheer,” stotterde de katjang weer.
+
+„Och ventje, toen ik zoo oud was als jij, hàd ik zulke mooie kaartjes
+niet eens,” kwam Boy snijdend.
+
+„Op de sabel m’nheer, op de sabel,” snoof zenuwachtig katjang.
+
+„Breng ’m goed scherp mee, dat ik er me mee scheren kan,” geestigde
+Boy.
+
+De Bor-bezoekers zaten te schateren. Loekie, die eerst stil geweest
+was, riep gierend:
+
+„Ik lach me dóod!”
+
+Waarop Boy ernstig zei:
+
+„Sst! Loekie, pas op met dien m’nheer, hij stéekt je straks nog dood.”
+
+„Een duel, m’nheer, een duel!” schreeuwde de katjang, die zich wanhopig
+belachelijk voelde.
+
+„Jongen, schreéuw zoo niet, we wéten het,” suste Boy, en dan: „Kassian,
+soeda dan maar, drroom err nou maar niet van, já?”
+
+Nooit is er in de Bor harder gelachen, vooral toen Boy, heengaand,
+Piets hoed afmepte, zeggend:
+
+„En je hóed af als je met groote menschen spreekt.”
+
+„Dag kàtjang!” schalde Loekies stem nog.
+
+„Dat lucht op,” vond Boy, zich door het gedrang wringend. „En waár gaan
+we nu Loekies kousen koopen?”
+
+Loekie verklaarde dat ze wel een winkel wist.
+
+Bram werd door ons drieën verrast.
+
+„Ik heb een duel,” verkondigde Boy.
+
+„Vernachel jij je tante,” raadde Bram.
+
+„Heusch!” schaterde ik.
+
+„Met den ouwe van beneden?” veronderstelde Bram.
+
+„Nee met kàtjang!” juichte Loekie en trok toen haar nieuwe
+lakschoentjes uit, grabbelde het pak kousen uit mijn jaszak, trok het
+oude paar uit en een nieuw paar—paarse—aan.
+
+„Geef die oude maar aan Jannepans,” verzocht ze, niet bedenkend wat
+Janne met opengewerkte zijden kousen wel zou moeten beginnen.
+
+„Allemachtig mooie beenen heeft Loekie,” vond Bram, wien het duel geen
+snars kon scheelen.
+
+„Kijk vóor je,” maande Loekie, die niet de minste moeite deed haar
+mooie beenen, en meér nog, te verbergen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+HET DUEL.
+
+
+Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der
+wereld, in Loekie’s armen, toen Boy klopte.
+
+„Wat is er?” gaapte ik.
+
+„Kom beneden.”
+
+„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte
+het slapende kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen.
+Hij keek even naar Loekie, fluisterde verteederd:
+
+„Allemachtig wat is ze zóo lief.”
+
+„Ja maar, wat is er nu?”
+
+„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die
+sterk naar Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te
+schateren.
+
+„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij.
+
+„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op.
+
+„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.”
+
+„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde
+en dan maar weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs
+voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen die vloekten bij mijn pyama.
+Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt achter een
+krant.
+
+„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig:
+
+„Ja—heel goed,” antwoordde.
+
+„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers.
+
+„Och kom?”
+
+„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren...”
+
+„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te
+verontschuldigen: „Ik lees daar zoo’n malle advertentie.”
+
+„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee.
+
+„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram.
+
+„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting
+vaststellen. Den beleedigde—want m’nheer Piet is in deze de
+beleedigde...”
+
+„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde
+chevaleresque aan de getuigenvereeniging deelnam.
+
+„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een
+hoogrood congestiehoofd op springen zat.
+
+„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde
+weer de eerste getuige.
+
+„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan.
+
+„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams
+lach achter de krant los.
+
+„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik.
+
+„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy.
+
+„Om je dóod te lachen,” gierde Bram.
+
+„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel
+uitscheiden,” merkte katjang-een geraakt op.
+
+„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden
+kon.
+
+„Wát?” vroeg getuige-twee.
+
+„Uitscheiden,” stamelde Bram.
+
+„Nee—dóorgaan,” vond ik.
+
+„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig.
+
+„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige.
+
+„Nee—géen sabel,” kwam Bram.
+
+„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe.
+
+„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram,
+die blijkbaar niet wist dat je met een sabel niet sták.
+
+„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik.
+
+„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan.
+
+„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol.
+
+„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs.
+
+„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij.
+
+„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram.
+
+„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik.
+
+„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m
+betalen,” voorzag Bram.
+
+„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige.
+
+„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de
+tweede.
+
+„Op de pistool,” bevestigde Bram.
+
+„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een
+stilte.
+
+„Die kóóp je,” meende een der getuigen.
+
+„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n
+malleboel?”
+
+„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.”
+
+„Best,” vonden de katjangs.
+
+„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek.
+
+„Dat is gevaarlijk,” vonden de bezoekers.
+
+„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen
+hoefde, met de veeleischendheid van een toeschouwer.
+
+„Tegelijk schieten?” vroeg ik.
+
+„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde.
+
+„Dat zijn geen gelijke kansen,” verontwaardigde zich Bram.
+
+„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy.
+
+„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik.
+
+„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg
+schieten, want dan krijg je beslist ongelukken.”
+
+„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend.
+
+„En wanneér dus?” vroeg Bram.
+
+„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee.
+
+„Dat is?”
+
+„Half zeven.”
+
+„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy.
+
+We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier.
+
+„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy.
+
+„Och dat is niet noodig,” meende ik.
+
+„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij.
+
+„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,”
+beloofde Bram.
+
+We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde:
+
+„Is uw vriend een goed schutter?”
+
+„En òf!” en ik vertelde de katervelling.
+
+Piets getuige werd stil.
+
+„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog.
+
+„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met
+leedvermaak den doodsschrik op het lijf.
+
+„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,”
+verklapte de ander.
+
+„Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik.
+
+En toen gingen ze heen, vergetend te groeten.
+
+„Hoor nu eens even,” zei Boy ernstig—„nou geén grappen met ongeladen
+patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet
+voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van
+hebben, en als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus
+geen grappen hè?”
+
+We beloofden.
+
+„Dank je,” zei Boy.
+
+En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar
+Loekie, éen open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag.
+
+„Wat wàs er?” vroeg ze.
+
+Ik vertelde het geval.
+
+„Mag ik mee?”
+
+„Nee, dat kàn niet, Loekie?”
+
+„Hè, tóe nou—wat flauw.”
+
+„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand.
+Je zult kou vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.”
+
+„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij.
+
+„Altoos als je wilt.”
+
+„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?”
+
+Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee
+lebberen en de boterhammen met veel jam oppeuzelen.
+
+
+
+Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken.
+
+Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik
+in een chamberloek,—toen opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas
+van de andere wereld klonk.
+
+Meteen kwam Janne boven:
+
+„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het
+schieten—ogotogot—aan het schieten, m’nheer!”
+
+„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens.
+
+„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er
+net een revolverschot losdreunde.
+
+„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik.
+
+De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal
+neergelaten en lieten flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De
+schuifdeuren naar de eetkamer stonden open en in de serre had hij op
+een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, met een brandend
+kaarsje er voor.
+
+„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.—
+
+„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp
+bemachtigde.—„Geraakt!”
+
+De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook.
+
+„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?”
+
+„Ik train me,” verklaarde Boy.
+
+„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je
+kans om aan den overkant van de tuintjes iemand te raken.”
+
+„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die
+tegen een verstokten idioot redeneert.
+
+„En als je er làngs schiet?”
+
+„Ik schiet er niet langs, verbeél je.”
+
+„Dat weét je niet,” hield ik vol.
+
+„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig.
+
+„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen
+zooals aan Bram;—er kan... Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik
+gezaghebbend.
+
+„Vast niet,” koppigde hij.
+
+„Ja,” hield ik vol.
+
+„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie.
+
+„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op.
+
+„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne.
+
+„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op
+tafel.
+
+„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk,
+den patroonhouder er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den
+Browning in den zak stekend.
+
+„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy.
+
+Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de
+onderbuurman brieschend verzet aanteekenen.
+
+„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan
+kwam ze binnen:
+
+„Die m’nheer van onderen wou u spreken.”
+
+Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer.
+
+„Hier werd geschoten,” meende hij.
+
+„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,”
+verklaarde Boy.
+
+„Ik meende...” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend
+aan de schemering der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote
+enkels en kuiten had, waarvan hij de schoonheid niet op prijs wist te
+stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg onder den kimono, die nog het
+kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde.
+
+„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,”
+jammerde hij.
+
+Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur
+uitzette.
+
+„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik,
+hevig ontroerd.
+
+„M’nheer!”
+
+Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een
+spuitwaterflesch op den hoed en in den nek: een paar korte, floepende
+stralen.
+
+„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze.
+
+Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit.
+
+
+
+Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk,
+vond het geval ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding
+voor het tweegevecht, toen Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den
+kimono droeg maar toch door mij overtuigd was, dat een paar kousen en
+een hemdje er onder „gekleeder” stonden.
+
+Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle
+handje toestak.
+
+Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen
+champagne,—je wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden
+was!—en Henk en Loekie kregen de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg,
+dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, en bij Loekie, dat ze met
+theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al bij voorbaat
+uitlachte.
+
+Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten
+we maar óp te blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen.
+
+„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram.
+
+„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat
+jodiumtinctuur.”
+
+Loekie vond dat alweer ijselijk mal.
+
+„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik.
+
+„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend.
+
+„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter.
+
+„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich.
+
+„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk.
+
+„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram.
+
+„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.”
+
+„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie.
+
+Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost.
+
+We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge
+operaties, die Loekie stil maakten.
+
+„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat
+ernstig gebeurd weet ik er óok geen raad mee.”
+
+Maar Boy trok zich daar niets van aan.
+
+„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet,
+heb je kans dát ie raak schiet.”
+
+„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk.
+
+„’t Loopt wel los,” suste ik.
+
+En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend
+gevoerd, nu Loekie op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op
+mijn schouder.—Om half vier dutte Boy, misschien zijn láatsten slaap;
+om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst te snorken, weggezakt
+in de leunstoelen.
+
+Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood ...
+sla, sla...” en dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „...
+dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje half open; ze zag zeker
+grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; met
+moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte
+niet toen ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze
+dichtdekte en haar de haren van het voorhoofd streek;—ze glimlachte
+maar in haar droom.
+
+Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het
+ronkende, knikkebollende drietal op de tafel; toen zocht ik een
+plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig
+wakker, legde het hoofdje op mijn schouder ... en sliep weer in.
+
+Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef,
+stond ik op, ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met
+een nijdigen armzwaai het lawaaimakende ding van de tafel in een hoek,
+waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde hij en dommelde weer in.
+Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het gaf niets;
+toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht:
+
+„Godverdómme!” vloekte hij.
+
+„Opstaan,” gebood ik.
+
+„Waarom?”
+
+„Je moet duelleeren.”
+
+Dat deed hem klaarwakker worden:
+
+„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?”
+
+En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons
+kwam er weer bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden,
+werd nijdig:
+
+„Schei uit—nou géen gekheden!”
+
+Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den
+revolver in den zak.
+
+„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy.
+
+„Een stuk of zes geloof ik.”
+
+„Dat is wéinig,” vond Boy.
+
+„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels
+er gewisseld moeten worden.”
+
+„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche
+veeleischendheid.
+
+„Een is genoeg,” voorspelde Boy.
+
+En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s en op mijn step
+staan, want Boy moest gespaard worden.
+
+Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist.
+
+„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn
+jaskraag. „Wat een pest—zóo vroeg op te staan.”
+
+Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis
+over,—zwoegen met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd
+verlaten lag het strand.—Het was half zeven.
+
+„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk.
+
+We gingen liggen tegen het duin, rookten.
+
+„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy.
+
+„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen
+moet,” meende Bram.
+
+Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie
+katjang.
+
+„Vertrapt deftig,” meende Boy.
+
+„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk.
+
+De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af,
+groetten. Piet, vaalbleek, oók in feestkleedij, hield zich op een
+afstand, dicht bij het rijtuig.
+
+„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend.
+
+„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend.
+
+De getuigen kuchten toen:
+
+„Onze vriend Piet—wilde ... hm ... wilde zijn verontschuldigingen
+aanbieden.”
+
+We keken verbluft, maar Boy:
+
+„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken
+bedremmeld, maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en
+van m’nheer uw vriend neem ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg
+voor opgestaan en ik wil hier niet komen voor Piet snot.”
+
+„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet
+katjang werd gesproken.
+
+De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg
+valer werd.
+
+„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy.
+
+„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó
+gezellig is het hier niet.”
+
+De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug
+staan, stapten we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een
+kuil.
+
+„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle
+duelregels in.
+
+Bram lootte met den anderen getuige om de plaats.
+
+Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken.
+
+„Vooruit heeren!” verzocht ik.
+
+Maar Bram begon opgewonden te gebaren:
+
+„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders
+gedecideerd voor hun raap,” voorzag hij.
+
+De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen
+terug. De koetsier, die van het heele geval niets begreep en half
+angstig, half belangstellend,—zooals men naar gevaarlijke krankzinnigen
+kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht te waarschuwen als
+iemand van den kant der sluizen mocht komen.
+
+Bram bracht Boy naar zijn plaats:
+
+„Trek je jas uit,” gebood hij.
+
+„Ben je mal? ik verrek van de kou,” betoogde Boy.
+
+„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op,
+dat je witte boord geen mikpunt geeft.”
+
+Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit,
+vroeg:
+
+„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?”
+
+Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig.
+
+„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag
+zwachtels schikkend.
+
+„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik
+wel voor.”
+
+Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich
+sullig den revolver in den hand stoppen.
+
+„Opgepast!” riep Bram.
+
+Boy, handen in de zakken, sigaar groot dampend in den mond, hoed in de
+oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen kropen wèg
+achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van
+de duelleerenden.
+
+„Aanleggen,” gebood Bram.
+
+Maar katjang maakte geen bewéging.
+
+„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op.
+
+De arm ging slap omhoog.
+
+„Vuur!” kommandeerde ik.
+
+Pang! knalde het schot.
+
+„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog
+al maar rechtop stond te rooken.
+
+„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets
+kogel, vlak voor hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had.
+
+„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb
+nog gezegd: niét luk raak schieten.”
+
+De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje.
+
+„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven,
+tranende oogen weer wat kijken kon.
+
+Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop.
+
+„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval
+geen raad meer schenen te weten.
+
+„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand
+zág.
+
+„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn
+allen sjorden we katjang op, die klappertande en groote droppen
+zweette.
+
+„Klaar?” vroeg Bram.
+
+„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde
+Boy, die de sigaar had weggeworpen.
+
+„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden
+geschaard, Henk ditmaal ook.
+
+„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het
+schot was afgekomen. Deze bleef staan, onbesloten.—„Schiet óp!” gebood
+Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer beenen
+en verdween.
+
+„Dus aanleggen!” riep Bram weer.
+
+„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te
+schommelen stond.
+
+„Hij is zát,” fluisterde Henk.
+
+„Vuur!” kwam Bram.
+
+Pang!—katjang sloeg neer, achterover.
+
+We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes
+doodgeschoten wordt, vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure
+gebied op tooneel en in bewegende lichtbeelden vertoond door achterover
+vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we hadden nu eenmaal nooit
+iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het nu écht was.
+
+Dan snelde Henk op het lijk toe.
+
+„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op
+ieders gezicht stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij
+bedacht, dat maar het beste was naar Amerika uit te wijken.
+
+Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter
+neergehurkt bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o
+schrikwekkende aanblik!—bewóog en begon in stuipbewegingen de maag te
+ledigen.
+
+De katjang was flauw gevallen!
+
+Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem
+overmatig over het hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende
+mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen uitspuwend,—kwam hij óp
+te zitten.
+
+„Ellendige lafbek!” woedde Boy.
+
+„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen
+laten en hard wegloopen.
+
+Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig
+door het zand.
+
+„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich.
+
+Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen.
+
+„Vooruit m’nheer—uw equipage staat vóor,” ginnegapte Henk, den
+vadoek-achtigen Piet opsollend.
+
+„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende
+scheur in Piets schouderwatte.
+
+„Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy.
+En dan, katjang hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend:
+
+„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden
+geschreven heeft, versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een
+tweeden keer kom je er zóo niet af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je
+vuil maken, maar als je me nog eens in den weg zit, stuur ik een
+mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden plat
+slaan.”
+
+„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend.
+
+„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag ga je onmiddellijk en
+je maakt je excuses.”
+
+„Ik ... ik...” stotterde het slachtoffer.
+
+„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze.
+
+„Ik ... ja ... ja—ik ... ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet
+stumperig.
+
+„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er
+op,” treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang,
+die op onraad wees.
+
+Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om
+de beurt op onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme
+kachel en een cognacje, onze verkleuming vergetend, we het malle geval
+beschaterden.
+
+Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin
+ze zich verslikte toen ik haar katjangs figuur verhaalde.
+
+Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de
+wangen, ter belooning.
+
+„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy.
+
+„Ik ook,” openbaarde Henk.
+
+Maar Loekie ging op mijn schoot zitten:
+
+„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig.
+
+„Jammer,” vond Henk.
+
+Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in
+de „Twee Steden.”
+
+We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me
+niet meer hoé.—Alleen weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den
+kellner stichtte, door een prentkaart voor vijf personen en eén
+kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich
+beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te
+helpen. Bram tolde met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit
+te komen.—Loekie verzocht aan den conducteur van Henks tram, om goed op
+den jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd
+uitstapte en zijn pasje niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake,
+verklaarde dat hij zich èrg aaklig voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel
+had alsof hij moest trouwen.
+
+Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle
+heugenis.
+
+Dat was misschien ook wel beter.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+HET EINDE NADERT.
+
+
+Kitty had een langen lieven brief geschreven, waarin vele vervloekingen
+vielen op katjangs katterig hoofd en elke nieuwe regel met een
+herhaling van verontschuldiging begon. Ook schoonpapa had geschreven,
+Boy verzoekend het „betreurenswaardige misverstand” te willen vergeten
+en zijn bezoeken te hervatten.—Maar Boy wilde daarvan niets weten,
+antwoordde, dat de verhouding toch nooit meer zou worden als ze geweest
+was en voegde er bij, dat hij van zins was in het buitenland zijn geluk
+te gaan speuren, waar hij hoe langer hoe meer begreep niet voor het
+zoete, vlakke, emotielooze leven geschikt te zijn.
+
+Dat begonnen we overigens alle drie wel te voelen. Boy was niet meer in
+Delft te bekennen, maar bedreef veel liefde in Den Haag en bracht
+telkens àndere vrouwelijke logés over den vloer.—Ook hèm was de
+deeglijkheid opgebroken.
+
+Met Bram was het heelemáal mis. Hij had uit zuivere nieuwsgierigheid de
+magere Lena uit Flora opgezocht en fuifde heele nachten met haar door,
+hing den volgenden dag landerig in een stoel, om ’s avonds weer te
+beginnen.—En zoo wilde het ongelukkige toeval, dat hij op een avond,
+meér dan aangeschoten, met magere Lena aan den arm, zijn papa van de
+kleine steentjes liep.
+
+Papa hád reeds verdenkingen op den levenswandel van zijn zoon. Reeds
+eénmaal had Lena hen samen op straat vrijmoedig toegeknikt, waarop papa
+ernstig had gevraagd:
+
+„Zeg Bram, kèn jij die vrouw?”
+
+„Neen pa—ù soms?” had zoontjelief toen gevat vermogen te antwoorden.
+
+Maar papa, die zeker wist die vrouw niet te kennen, had argwaan
+gekregen. Toen dus het tweetal—in kennelijken staat van
+dronkenschap—hem van de kleine steentjes liep, had papa besloten er een
+einde aan te maken.
+
+Den volgenden dag kwam hij ten onzent, betrapte Loekie in den kimono en
+stoof met een ongemakkelijk gezicht de zoogenaamde „studeerkamer” van
+zijn zoon in.
+
+„’t Is uit,” had pa gezegd.
+
+„Best,” had Bram gevonden.
+
+„Als je niet studeeren wilt moet je maar werken,” meende pa, een aan
+Bram niet helder onderscheid tusschen studeeren en werken ontdekkend.
+
+„Je kunt voortaan je eigen brood verdienen,” voorspelde pa.
+
+„Mij wel—als het maar niet in Holland is,” stelde Bram zijn
+voorwaarden.
+
+„Ik wil je ook niet meer in Holland zien; je bent een schande voor de
+familie—en je heele vriendenkliek er bij,” insinueerde papa, de
+vriendinnen buiten bespreking latend. „En nu—hóeveel schulden heb je?”
+sloeg pa spijkers met koppen.
+
+„Weet ik niet,” kwam Bram, een la met rekeningen openend.
+
+„Ongeveer,” drong papa aan.
+
+„Een tweeduizend pop,” schatte zoontjelief.
+
+Het was even stil.
+
+„Tel alles op—en verkoop je boot, je fiets. En verder zal je wel van me
+hooren,” voorspelde de verbolgen vader en ging.
+
+Bram huppelde de eetkamer in, wreef zich in de handen:
+
+„Goddank—geen examens meer, geen Holland meer, geen beeren
+meer.—Lekker.”
+
+Maar op Boy en op mij had het geval een diepere inwerking gehad. Dien
+avond trokken we ons in onze kamers terug,—gingen de „balans” opmaken.
+
+Ik kwam tot de ontdekking, dat ik het kleine erfdeel, waarvan ik mijn
+staatsexamen-voorbereiding en daarop mijn rechtenstudie moest
+bekostigen, voor het grootste deel er doór gelapt had.—Als ik zuinig
+aanpakte, zònder Loekie, kon ik het nog anderhalf jaar stouwen; mèt
+Loekie misschien nog zes maanden.—Vaarwel deftige meesterstitel!
+
+Boy, die van een familiefonds èn een toelage van zijn moeder leefde,
+kwam tot dezelfde slotsom. Als hij zijn schulden betaalde kon hij nog
+een jaartje rònd komen.
+
+We zweetten van onze ongewone boekhouderij, toen we elkaar het magere
+resultaat bekenden.
+
+„Ik ga er uit, naar het buitenland,” beweerde ik.
+
+„Ik ook; ik ga vèr weg, naar Canada of naar Australië.” voorspelde Boy.
+
+„En ikke?” vroeg Loekie.
+
+Boy gevoelig, verdween.
+
+„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het
+kind op mijn schoot trekkend.
+
+Ze begreep toen ik haar alles uitlegde.
+
+„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent
+meer hebben,” besloot ik.
+
+Ze keek me aan:
+
+„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes.
+
+„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu
+weer alleen moet laten.”
+
+„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het
+geld gedacht, en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal
+mijn schuld.” En ze begon te huilen.
+
+„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we.
+Als het niet lukt dan ... dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.”
+
+„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend.
+
+„Arme Loekie,” beklaagde ik haar.
+
+„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze.
+
+„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik
+somber.—„Jij hebt me je lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik
+nooit spijt over hebben.”
+
+„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk:
+„Dat tijdje dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor
+elkaar wezen en dan ... dan zullen we maar hopen tot weerziens.”
+
+En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer
+niet begrijpen.
+
+
+
+Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later
+kwam zoontjelief vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche
+thee en zijde in Nanking was geplaatst. Een verre, volgens hollandsche
+begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig wezen in Brams familie, was er
+directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te beginnen en vrij
+wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de
+firma—begreep Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien.
+
+Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de
+Mallemolen, door Loekie „de waterchinees” genoemd.
+
+Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en
+er werk te zoeken. Als hij land en toestanden kende en een goede
+onderneming voorzag, zou hij de rest van zijn fortuintje laten komen om
+wat te kunnen beginnen.
+
+Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een
+volk wat even ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even
+lichttillend was als ik zelve: in Spanje of in Italië. Derhalve bezocht
+ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met een mooi
+praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was
+het met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome,
+tweemaal per maand een causerietje te sturen, wat men mij met
+welwillende vrijgevigheid met een riks per stuk zou betalen. Vijf
+gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier en
+postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen
+sprake. Men zou het immers alleen maar met me probeeren!
+
+Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees,
+een cowboy, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes.
+
+Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van
+het bovenhuis was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte
+wijze wegviel, doordat we er uit gezet werden.
+
+Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij
+het fonteintje willen verhangen, daar de kram telkens uit de
+verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram een langen spijker genomen en
+hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd het toen stil.
+
+Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen,
+riep:
+
+„Zeg help eens even, waterchinees.”
+
+„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten.
+
+„Kom dan!” spoorde de cowboy aan.
+
+„Dadelijk,” kermde de waterchinees.
+
+Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt,
+bij het fonteintje vond staan.
+
+„Kom je nog?”
+
+„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen den muur.
+
+„Wat heb je met dien duim?”
+
+„Niks.”
+
+„Kom dan, idioot.”
+
+„Zoometeen,” beloofde Bram vaag.
+
+„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram
+weg.—De duim raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige
+straal water, pal in Boy’s gezicht.
+
+Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd.
+
+„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om
+zich af te drogen.
+
+Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot
+intusschen tegen den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in
+de gang.—Dat duurde zoo een poosje en dan kwam Boy op het slimme
+denkbeeld om de waterleiding af te draaien.
+
+Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van
+doorgesiepeld water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was,
+dat de huisbaas, met machtiging van den wettigen huurder in het
+buitenland, ons er uit zette.
+
+En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de
+boekenkasten, de studeerlampen verdwenen weer, de beddelakens gingen
+terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, waarop ik, als
+pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien al
+snotterend de deur uitgetroond.
+
+Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met
+twist uit elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in
+tranen baadde en sliep daarna óok in ’s moeders woning.
+
+Loekie en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte
+voor het laatst op een bed, wat van lakens en kussensloopen ontdaan
+was.
+
+Toen dien morgen de coupé voorkwam en mijn koffers er op geheschen
+werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje te
+gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit.
+
+„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit
+meer in deze straat!”
+
+Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden
+en ik ook.
+
+De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het
+perron en haar zakdoekje dat wuifde,—wuifde.
+
+
+
+Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap
+van vrijheid, in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig
+vertrouwen op ons zelven; krachtig nu we ons bewust waren te gaan
+léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten en die ons
+niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere
+landen, andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan
+het zoete plantenbestaan van werken en een titeltje halen en een
+betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie een reisje in den
+Harz of naar Zwitserland.
+
+De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons
+gezond lichaam wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk
+levend, zònder de engheid van vooroordeelen en fatsoen, zonder de
+pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen
+van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou
+den eenen dag misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We
+zouden misschien wel eens honger moeten lijden, mooglijk wel eens geen
+bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we zouden wèl onzen lach
+behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals het
+was, buiten de broeikas waarin we tot nu toe waren getogen.
+
+We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende,
+ontevreden kinderen met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer
+ondervonden hadden hóe het leven hard kon zijn, omdat ze nimmer
+begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der menschen
+hoogste goed.
+
+We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende
+boulevards, waar in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen
+dooreenkrioelden en hoog boven de huizen de avondhemel nog in wondere
+tinten stond.
+
+Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven!
+
+
+
+Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs.
+
+Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux
+gedronken, die Boy eenigszins doezelig had gemaakt.
+
+Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig
+uitgelaten, in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en
+er achtereenvolgens door al de kuitentoonende mondaines werden
+aangeklampt.
+
+We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de
+lieve beeltenis van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de
+herinnering aan magere Lena geen zielversterkenden invloed op Bram.
+
+„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!”
+
+Dat was warempel tegen mij!
+
+Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie
+gespleten rok liet een welgevormd been ontwaren.
+
+„Pas le marron,” deed ik stug.
+
+„Eh—vas donc, je serai gentille,” vleide ze.
+
+„Non ma petite, ça ne colle pas ce soir,” hield ik vol.
+
+„Et tes amis—c’est aussi purée que toi?” ondervroeg ze verder.
+
+„Est-ce que je sais, moi?” ontweek ik weer.
+
+Maar ze boog al naar Boy over:
+
+„En voilà un coco!” schaterde ze schel, waar Boy half ingedut was.
+
+„Je vous en prie, laissez-moi tranquille,” weerde hij boos haar
+liefkoozing af.
+
+„Quel mufle,” schold ze.
+
+Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in
+betoovring naar, dat het opvallen moest.
+
+„Elle te plait—ma jambe?” vroeg ze, en ging naast hem zitten.
+
+De garçon schoot toe, er werd besteld.
+
+„Stomme bliksem,” mopperde Boy.
+
+Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te
+denken aan zijn transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat
+nu geen trein was dien men eens missen kon.
+
+„Qu’est-ce qu’ils baffouillent?” vroeg de sirene.
+
+„Rien—rien,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets
+te voelen begon, en alvast de vertering betaalde om weer van haar af te
+komen.
+
+En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals
+ze dat overigens in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal
+dancing-girls het tooneel opwipten, zingend:
+
+
+ „Everybody is doing it, doing it, doing it!”
+
+
+waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed.
+
+De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de
+rij der anderen uit het oog verloren.
+
+„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar
+Montmartre opklommen, waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin”
+verzeilden.
+
+Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die
+gelegenheden, waar nooit een parijzenaar komt.
+
+
+
+Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram
+wègbleef.
+
+Boy was wanhopig:
+
+„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te
+ontbijten zaten in het hòtel.
+
+„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen.
+
+En we wachten,—en Bram bleef zoek.
+
+Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er
+mee naar het station reden.
+
+De trein stond klaar.
+
+„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het
+vraagstuk.
+
+„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik.
+
+Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een
+kwartier voor tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder
+das, het perron opstoof.
+
+Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het
+slachtoffer van een entôlage was geworden, kwam hij kalm:
+
+„Nee—’k heb me verslapen.”
+
+„En je hoed?” onderzocht Boy.
+
+„Vergeten.”
+
+„Heb je je biljet?” angstigde ik.
+
+„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.”
+
+„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy.
+
+„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig
+meiske—allemachtig aardig.”
+
+Hij was nog heelemaal onder den indruk.
+
+„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik.
+
+„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy.
+
+„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde
+Bram, uit den koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den
+smoking.
+
+Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een
+brilslang.
+
+Toen werd er gefloten.
+
+„Dag kerel—het beste.”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de
+hand.
+
+„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!”
+schreeuwde Boy nog, toen Bram al een eind ver was.
+
+En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren
+kreeg.
+
+We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het
+station, waar hij naar Calais zou vertrekken.
+
+„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,”
+zei Boy.
+
+„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,”
+waarschuwde ik.
+
+Toen vertrok de trein.
+
+„Dag cowboy!” schudde ik hem stevig de hand.
+
+„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig.
+
+„Nooit Boy,” beloofde ik.
+
+„En nou—vooruit!”
+
+„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den
+trein vallend over een zak, die op het perron lag.
+
+„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen hand de
+bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak.
+
+„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal.
+
+Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf.
+
+Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon.
+
+Langzaam kropen de uren om en ik piekerde:
+
+Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was
+lám zoo alleen. Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je
+er nooit. Je moest er uit, de wereld in, wilde je leven, wilde je iets
+worden! Niet vastgroeien in een landje, in een kliekje! Er uit en
+áanpakken!
+
+En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar
+het wemelende bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen.
+
+De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste
+lichten van Parijs verdwenen waren.
+
+Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden,
+ieder zijn eigen toekomst tegemoet.
+
+De toekomst.—Hoe zou ze zijn?
+
+Kom, niet piekeren.
+
+En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had
+zitten wuiven.
+
+„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks.
+En ik glimlachte stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan.
+
+„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?”
+overwoog ik nog.
+
+En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen
+staven snelde, en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar
+in; want in Parijs was weinig geslapen.
+
+En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens
+heeft, en dat ik dus aan deze malligheid een eind maak.
+
+Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek.
+
+Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier
+kunnen bekostigen en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel
+voor twintig Lire!
+
+De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden.
+Zonder die belofte was ik er stellig niet aan begonnen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik
+met dit boek m’n eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 ***