diff options
Diffstat (limited to '76779-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76779-0.txt | 5999 |
1 files changed, 5999 insertions, 0 deletions
diff --git a/76779-0.txt b/76779-0.txt new file mode 100644 index 0000000..06d6fa5 --- /dev/null +++ b/76779-0.txt @@ -0,0 +1,5999 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 *** + + + + + + HANS MARTIN + + MALLE GEVALLEN + EEN KLUCHTIG VERHAAL + + + ZEVENDE DRUK + + + ROTTERDAM MCMXVIII + W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ + + + + + + + + +VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK. + + +Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er +niet aan ontkomen. + +Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar +dit niet om mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om +mijn eigen, op den voorgrond geschoven beeltenis weer terug te trekken +en voor den lezer te verhuichelen. + +De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij +levendiger leek en meer voor dit onderwerp geschikt; overweging die me +ten kwade kan komen! + +Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit +voorwoord van toepassing, daar het niet als een verontschuldiging werd +bedoeld. + +Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen. + + +Rome, 1913. Hans Martin. + + + + + + + + +HOOFDSTUK I + +HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN. + + +Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht +zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is: + +Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de +briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er +een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was +met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige +dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar +gelang het uitkomt. + +Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de +farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den +handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig +opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun +vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van +kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig +schijnen op te groeien. + +Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom, +beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde +onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk +rijk maar jong en wondermooi is”. + +Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de +laatste kans om het nog ooit te geraken. + +Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven, +want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun +malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te +hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren +raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt +uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours +truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn +bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout +aanraadde. + +Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een +teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan +ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te +krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de +romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen. + +Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn +canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit, +beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te +koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik +niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het +duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het +geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de +chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een +lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi. + +Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem +(ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het +onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire. + +Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook +lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer +den theepot). + +Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding. + +Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de +vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te +zijn gezakt. + +We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden +„aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk +door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde +den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren. + +’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man, +wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had +dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van +boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel +verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert. + +Koos begon: + +„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.” + +„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy. + +„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling. + +„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy. + +„... Groot 5000 gulden,” hervatte Koos. + +„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling. + +„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos. + +„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde. + +Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een +onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte. + +„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had. + +„Ik?—ik kijk naar buiten.” + +„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen. + +„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar. + +„En wat zié je dan toch op dat dak?” + +„Een vlieg,” openbaarde Boy. + +„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede. + +„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.” + +Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering +kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij +wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf +zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot +netjes de deur, zeggend: + +„Poppetje gezien, kastje dicht.” + +Maar Koos’ hoofd verscheen weer: + +„Naar den directeur!” brulde hij. + +„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy. + +Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af +en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer. + +De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen. + +„Wat komen jullie doen?” + +„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war. + +„Wàt?” kwam de Dirk. + +„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel +oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond. + +„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op. + +„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding +affecteerde. + +Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd +heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en +ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in +het gezicht sloeg. + +Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen. + +„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij. + +„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik. + +Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur +achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk” +en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en +na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf. + +Het gesprek vlotte toen niet erg meer. + +Na tafel bracht ik Boy naar den trein. + +„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende +hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net +nog even uit wilde, gekneld raakte. + +„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy, +„tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat +dit model u staan zal...” + +Toen reed de trein gelukkig weg. + +En Bram?... Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het +volgende hoofdstuk. + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL. + + +Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den +rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en +andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was +die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den +Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm +heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche +strand, ieder in een badstoel. + +„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy. + +Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den +Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan +het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide +Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie +voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen +aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik +een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den +kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een +verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy +beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw, +mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet +lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het +toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl +er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook +heel vreemd vond, vroeg Boy: + +„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een +lantaarnpaal en een kanarievogel?” + +„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam. + +„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel +eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die +is óók van ijzer.” + +Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee +ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen: + + + „de po—de po—waar is de po gebleven? + de po—de po—waar heb je ’m nou gezet? + de po—de po—’k moet overgeven? + de po—de p—ááh—álles in m’n bed?” + + +en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe: + +„Ben je niet lekker?” + +„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een +schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren +meer kan leggen.” + +Toen liet ik hem maar liggen. + +We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf +wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens +bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht +koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij +me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen +te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het +gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan +af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien +middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven” +verdietschte. + +Maar dat komt nu. + +„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?” + +Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in +het kruis van mijn broek zat en zei toen: + +„Laten we een eind oploopen.” + +Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de +batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende +verzen van: + + + „Ik geloof waarempel datte + er is iemand aan de vensterlatte, + alleen maar datte en niks nie meer.” + + +En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant: + + + „Ik ben geboren in Apeldoorn + en m’n zuster in Zierikzee” + + +toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons +op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná +al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan +ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien +vervolgens weer af te nemen en te zeggen: + +„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.” [1] + +Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele +leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik +óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát. +Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn +platgekraakt hoofddeksel aan. + +„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg +zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.” + +„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de +stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een +wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat +zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid +gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn +zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er +bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet +„ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden +het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat +was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van +kennismaking—een reden om aan te pakken. + + + +Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche +gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat +hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid +om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te +over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn. + +„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer. + +„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens +voorliefde voor thee tóen reeds bleek. + +„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen. + +In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond +me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten +we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den +binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk +op Bram afstoof. + +„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.” + +Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem +te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren +geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een +reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête +lachend: + +„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?” + +Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen +komen zitten. + +Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een +verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren +zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de +hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails +hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op +tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden +óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom +we werden even kwajongensachtig als de anderen. + +Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De +koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en +Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de +kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en +Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A. +K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg +was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen +begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten +benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die +uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap. + +Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders +vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een +meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in +voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts +en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat +ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop +een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar +Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was. +Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die +nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant +hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen +wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een +vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare +uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar +op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels, +nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor +personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde: +„na u, m’nheer.” + +Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy +boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.” + +Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem +nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een +derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen +deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is +het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast +kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer +indommelde. + +Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den +voet en schreeuwde meteen: + +„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.” + +„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met +pijn-vertrokken gezicht op. + +„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de +werkelijk groote beenuiteinden beschouwend: + +„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.” + +Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten +stond, snauwde: + +„U kunt hier niet rooken!” + +„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is +heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?” + +„Ja maar—het is geen gewoonte...” + +„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in +heb.” + +„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok +op het plaatje „Verboden te rooken.” + +„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk. + +„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.” + +„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is +ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel +sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.” + +Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de +gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden +zou brengen. + +„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die +m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.” + +Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het +portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam +zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen: + +„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.” + +„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij. + +„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een +tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg. + +„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?” + +„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en... nou, het +had dezelfde kleur als het onze.” + +Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig +vroeg: „Zijn we er al?” + +„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken +zat. + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +BOY VALT IN HET RAPENBURG. + + +We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de +Harmonie. Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat +de biefstuk smaakte alsof je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na +afloop buiten een kleintje koffie dronken zat alleen Dirk, +pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel +eindelijk in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type” +in te lichten. + +Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld +als hij hebben wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn +uitgaven boek hield. Elken Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk +huis opzocht, moest hij het grootboek overleggen. Daarin las de vader +soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en „Een paar +tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden +meer intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving, +wonderlijk wisselden. Dán stond er „Homo sum et nihil humani a me +alienum puto—20 pop”, of, „Het ewig weibliche zat me weer verbazend +dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels geweigerd +en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu +eenmaal niet van hout of ijzer”, en papa betaalde. + +Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend +zei: „M’n naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder +onaangenaam zijn”. + +Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor +op, die in een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had +gevraagd. Toen de oude ijzervreter, huiverend en vol kwade +voorgevoelens, in de deur verscheen, vroeg Dirk: „U wenscht een +reisgenoot?” „Ja, maar wat heeft dát...” „Ik wou u alleen maar even +zeggen dat ik vást niet meega”—en Dirk was weg. + +Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met +reden, want hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij +gebrand. + +„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op. + +„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde, +die er van de week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een +tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede jas en... godallemachtig +ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!” + +„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram. + +„Heb jij er geen voor mij te leen?” + +„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een +bakker in het Noordeinde woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de +broek paste, die hem te klein bleek. En ná dit mager resultaat dronk +Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden te gaan passen. +Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond +zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele +„aangenaam-kennis-te-maken” gepreveld, zóoveel dranken dooreen +gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze beoordeeld. + +De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het +eerst bij Bram. Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een +nieuwe vriend aanbelden, met een lijzige stem: + +„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?” + +Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit- en aantrekkend en +de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten slotte +lastig werd, beweerde, dat het eeuwige aan- en uittrekken van zijn +beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder de straat op kon +om elders zijn geluk te beproeven. + +„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer. + +„En waaróm niet?”—vroeg Dirk. + +„Voor de menschen.” + +„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?” + +„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter. + +„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van +zulk onnuttig vertoon. + +„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer. + +En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen +in een coupeurs-taaltje beweerde, als „geschilderd.” + +Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky +en weinig soda gevierd. + +Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm. + +Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de +paardentram die voorbijreed, om het trottoir wat hem te smal bleek, +maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe stelde hij geregeld de +vraag: + +„En naar wie gaan we nóu toe?” + +Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot +Bram drong niets meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen +stoep stond en Boy hem de sleutels uit den zak vischte, vroeg hij +alweer: + +„Naar wie gaan we nóu toe?” + +Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een +merkwaardige ommeslag: + +„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen—als je wat +dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten +wilt,—nou—dan maar wat zachies.” + +En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van +een wapenrek een kromme turksche sabel, dook er mee in den +bakkerswinkel, waar hij als dolleman in de raamkast te steken begon. + +„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde +hij bloeddorstig, terwijl in lange rij zich regen cadetjes, +krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden en ánder bakwerk aan het +kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de tafel, toen +hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok. +Daarop dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer +hoorden gaan. Dan was er een bonken van belang op de trap, als het +trappelen van weerbarstige paardenpooten. + +„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer: +„Jongelui—vier eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk +verscheen hij in de kamer. De kleeren waren van boven tot onderen +besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; maar met een zaligen +glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit een +breede barst een langen witten draad verloor. + +Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de +tweede deur links in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te +over met Bram, die met de sabel naar de boter in het vlootje stond te +prikken. De klont tolde telkens koppig rond, tot Bram het vlootje in +tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond begon te +paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de +gordijnen,—boter kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende +sissen tegen de lampeglazen waarvan er éen, met een nijdigen knap, in +scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek te liggen ook ons een +boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem +naar de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten. +Trouwens Bram, plichtmatig, schoof zelf van binnen het bordje „bezet” +er voor. Daar kon hij beboteren wat hij wilde. + +Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een +tennisracket een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons +binnenkomen had hij met een meesterlijken back-hand de slof in de +spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn +schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te +gieren. Eindelijk hokte hij eruit: + +„Champignon du monde,—champign... heb je dàt +gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?” + +Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een +onbedaarlijke lachstuip, die niet verminderde toen Bram de deur van +zijn gevangenis opentrapte en hem de rest van de boter onverwachts op +zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, dat hij op +Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in +gorgelgeluiden zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn +botervet hoofd op de kussens rondwentelde. + +Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren +gekookt, die we met veel krentebrood opaten. + +Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur +had staan, tusschen de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig +gekeurd moesten worden. + +Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het +eten ten tweeden male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden, +konden we wel geen van allen vermoeden, dat deze weldra zou uitzien +alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan. + +Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de flesschen Triple +Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en zoo +meer, ontkurkt en gekeurd. + +Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en +stak derhalve een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in +brand. En terwijl wij de fel laaiende, vonken spetterende dingen +trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware ontspanning om in zijn +eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de rozet uit +de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen, +hard bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van +kalk, op de tafel neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen +in de plotselinge duisternis de reusachtige herrie wat bedaard was en +ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van den wanhopigen rommel, +waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit de leiding +suizen. En daar... + +„Lucifers!” brulde opeens Dirk. + +„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik. + +Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram +wierp de ramen open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al +de straat op. De suizing boven ons hoofd hield aan, de gaslucht werd +weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te houden was. Na zijn +diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en te +loeien als een pampa-bisson: + +„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen +dicht!” + +We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de +gasuitstrooming ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap +opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen en in zijn slaapkamer op het bed +gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten we dat hij +bloedde. Het gebroken glas had hem leelijk gehavend en een groote bult +op zijn hoofd bewees, dat de gewichten van de lamp niets mée hadden +gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten hem toen maar +liggen. + +Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven +rinkelend naar beneden en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul +meer, zijn hoofd kalm door de ruit had gestoken: + +„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween. + +We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit +te staren, toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn +vreemde verbanden, de stoep weer opzwaaide. Dat was ons te machtig. +Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, werd Dirk de steile trap +weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; dekens en +kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam. + +Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak +van de trap had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het +gisten gebracht. + +We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en +Bram had de grootste belangstelling voor het bakken en kneden. + +„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker. + +Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de +schoenen en broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij +elken danspas lange strengen trok; hij leek hoeven te hebben als van +een langharig middeleeuwsch ridderpaard. + +„Wel verdomme,” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.” + +„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik. + +„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?” + +Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus: + +„Hoeveel is dat deeg waard?” + +„Tien gúlden”. + +„Tien—gulden?” + +„Ja—en je kunt het me betalen.” + +Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de +ridderpaardhoevige Boy logisch opmerkte: + +„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.” + +En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog +vandoor. + +Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de +sleutelgaten mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om +den bewoners een aangename verrassing te bezorgen. + +Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te +bekennen was. + +Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval +kreeg: + +„Nou ga ik roeien.” + +En hij liet den geledigden trog te water. + +„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik. + +„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram, +onwijs—gaf er een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend, +de lompe bak opeens midden in de gore gracht schoof. Boy trachtte te +pagaaien met zijn wandelstok, riep: + +„Zie je wel dat het best...” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze +trog om. Proestend, blazend, temidden van een walgelijk geborrel van +modderbellen, kwam Boy boven. + +„Is het nogal nat?” vroeg Bram. + +„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy. + +„Als je verzuipt roep je maar „kien””—raadde ik, in de verste verte +niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten aan zijn voeten, daar +werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg +teeken,—ging weer onder, kwam weer boven. + +„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in +den valen ochtendschemer, onderdook. + +Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd +getrokken. Hij zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets +te zeggen begon hij met zijn zakmes het cement-harde deeg van zijn +broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht voor zijn metselwerk, +door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig voor +ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor +afbraak te verkoopen. Alleen vroeg hij even: + +„Stinken jullie zoo?” + +„Neen dat ben jij.” + +„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette +met een breeden grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens +onmiddellijk daarop in volle werking toen een agent Boy achter een boom +betrapte. + +„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen. + +„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch. + +„Mag ik dan uw naam maar eens weten?” + +Boy gaf zijn naam en adres. + +„Geboren?” + +„Ja, wis en drie.” + +„Wannéer bedoel ik.” + +„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik +herinner me niets.” + +„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.” + +Maar ik mengde me in het gesprek. + +„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de heeren het +zoo niet meenen.” + +„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen +monsterend en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij +de verwarring op Dirk’s kamer ook niet gunstiger op geworden was. + +We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige +bekeuring van Boy liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te +rooken had. + +Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn +onwelriekende kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer +stond grauw van het smerige water. Toen wikkelde hij zich in een wollen +deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde in een leunstoel en +verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in zijn +eigen bed gekropen. + +De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de +heeren nou toch eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een +schandalige zwijnderij ’t in zijn winkel was. Heele plassen modderwater +had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood gevonden.—Bram was niet +te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap in de +eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog +had bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram +onlogisch verzekerde, dat hij het wel betalen zou. + +Toen dommelden we wéer in. + +Tot om tien uur Bram binnenstapte. + +„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me. + +„Watte?” + +„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij +op je haar?” + +„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter +gemaft.” + +Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden +kon verwekken, kwam hij terug: + +„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.” + +„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik. + +„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram. + +„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen, +dat hij zich voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd +had. Dan uitte hij den rechtvaardigen wensch om gekleed te worden. Bram +bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje van Boy mogelijk best +gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken galeiboef. +De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen +staken griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn +oksels hem bijna elke armbeweging belemmerde. + +We ontbeten, gingen daarop naar Dirk. + +„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend. + +„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.” + +„Kan me niet verrotten.” + +„Hier is je broek.” + +„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.” + +„Gá dan ook.” + +„Nee—’k ga niet.” + +„Maar ze wachten je.” + +„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.” + +„Nou—kóm nou.” + +Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige +bewegingen betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij +langzaam: + +„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?” + +„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je +kop door de ruit hebt gestoken,” helderde Bram op. + +„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij +verneurieën wilt...” + +„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol. + +„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd. + +„Ga dan kijken op je kamer.” + +„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen +we het uitschaterden werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie +jongelui hem in den slaap den kop verbonden en hem stonden te +vernachelen. „En nou dónderen jullie op!” + +En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen +weer neer, terug gehouden door de bretels. + +„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs. + +Boy maakte de bretels los. + +„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte, +flauwe jongens.” + +„Nou sta nou op.” + +„Verrek voor mijn part.” + +„Je bruiloft.” + +„Niks bruiloft.” + +„Ze wachten je.” + +„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig +draaide hij ons den rug toe. + +We gaven het op. + +Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als +een verwilderde gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik +ontdekte, dat de scheur in het kruis van m’n broek, die me den vorigen +dag van paardrijden deed afzien, ongewone afmetingen had aangenomen, en +voelde me ook maar half in m’n nopjes. + +Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van mijn kamer in +Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik met +de beste voornemens voor de toekomst bezield. + +Och ja—die goede voornemens! + +Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt, +dan is het óok gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een +gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap brengt... + +En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons +zonderling gedoe in Leiden was een inleiding tot onze +gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +DE TENNISCLUB. + + +Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen +naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de +alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven +doorgaans ergens recht.” + +Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons +geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te +houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een +flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of +in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig +gedaan. + +De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er +was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor +Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige +toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s, +die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had +gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s, +kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden. + +De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed, +die Piet heette. + +Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een +hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede +omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de +suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit +bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty. + +Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen, +die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te +winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy +uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret. + +Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte +aanstalten om een sigaar op te steken. + +„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s +van een kwartje.” + +„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty +kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt +vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei: + +„Wat een type ben jij toch, Boy!” + +Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er +bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek. + +Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te +herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch +mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een +gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo +bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus” +verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte +toen oók zijn kar. + +„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet. + +„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte. + +„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna. + +„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend. + +Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en +propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef +geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te +ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het +zeiljacht van Bram huisden. + +„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd. + +„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het +zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens +anders.” + +Den volgenden dag verklaarde suikerpiet: + +„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.” + +„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram. + +„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter +zou komen. + +„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets +gedistingeerd. + +„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram +verder op de hoogte. + +„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet. + +En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen +lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden, +het had laten opkalefateren. + + + +De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig +weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze +zeden eenigszins verzacht. + +Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het +verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken +avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me +oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond +eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het +sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat +te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk +verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn +minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde +vroolijke, brutaalgeestige type. + +Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te +bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan +iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte, +maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke +dronkemansgedoe in Leiden.” + +De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er +komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling +... gaan werken. + +Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het +gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens +mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er +geklopt werd en Kitty binnenkwam. + +„Stoor ik?” vroeg ze leuk. + +„Je weet wel beter.” + +„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.” + +„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je +niet. Je hebt me zeker noodig?” + +„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen: + +„Komt hij vanmiddag?” + +„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch +niet voor mij kwam. + +„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?” + +„Welke hij dan toch?” treiterde ik. + +„Boy natuurlijk.” + +„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer +spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.” + +„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!” + +„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?” + +„Dus hij kómt?” + +„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?” + +„Weet je wat je bent? een enge zeur...” + +„Zoo die zit,” zuchtte ik. + +„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig. + +Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom +wilde ik nog maar eens uithooren. + +„Waarom breng je Non nooit mee?” + +„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt. + +„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.” + +„Ben ik dan geen gezelschap?” + +„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs +dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.” + +„Heusch wel,” deed ze erg oprecht. + +„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.” + +„Hè wat bén je flauw!” + +„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is +het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.” + +„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je +noodig.” + +„Vraag dan maar.” + +„Je moet...” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het +aan niemand, aan niemand vertellen?” + +Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens +in had kunnen loopen. + +„Je moet me antwoorden op een paar vragen.” + +„Over Boy,” zei ik boud. + +Ze zweeg,—zat er mee in. + +„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder. + +„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik +bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon. + +„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik +je zal laten praten.” + +Ze keek me schuchter aan. + +„Jij bent een goede vriend van Boy hè?” + +„Ja—een heél goede.” + +„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel +eens rare dingen?” + +„Wat bedoel je?” + +„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo +moeilijk.” + +„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik. + +„Ja en...” + +„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje +gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend. + +„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk. + +„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar +stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.” + +„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze. + +„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend. + +„Ja,”—lispte ze. + +„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik. + +„Ik dacht dat hij ... enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten +hebben,” bekende ze met een zweem van ongegronde afgunst. + +„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat +van hem houdt, dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos, +omdat je vol illusies bent; verlies je zoo’n illusie dan ... gaat het +meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn illusie behouden kan.” + +Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen. + +„Geloof je dat hij...!” waagde ze. + +„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te +koop,—maar ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel +van je houdt.” + +„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend. + +„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor +van die prachtige redevoering, die ik tegen je gehouden heb.” + +Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben. + +„En jij houdt van Non hè?” vroeg ze. + +„Nee,” zei ik bot. + +„Hè,—wat sneu,” vond ze. + +„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs. + +„Nee, dát niet.” + +„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?” + +„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.” + +„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.” + +„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk. + +Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor +kattekwaad we hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden +en Delft. Ze vond alles ijselijk grappig en herhaalde telkens: „O, het +is een type!” + +Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of +hij altoos zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei +hopeloos: + +„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.” + +Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op +de wangen. + +„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam. + +Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord. + +„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou +’m gaan halen. Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de +Zuiderzee.” + +Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap. + +„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui +waarmee ik vroeger zeilde zijn allebei zoek.” + +„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n +laatsten wil zou neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde. + +„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur +hier halen.” + +„Goed. Blijf je een kop thee drinken?” + +„Nee—ik heb haast.” + +„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde +Kitty. + +„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en +stoof de kamer uit. + +„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen +gedrukt. + +„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik. + +„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze. + +„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik. + +„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je +dat niet eerder gezegd?” + +„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik. + +„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de +kussens van de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat +lawaai kwam Boy binnen. + +„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en +den rooden blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven +Boy!”—zei ze, hartelijk blij nu hij er was. + +„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit +laten kon zichzelf verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de +zijne, en ik wist er niets beters op dan in ’s hemelsnaam met m’n +knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de ingetrapte +theekransjes uit het kleed te verwijderen. + +„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om +twee uur moet je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de +Mallemolen afhalen.” + +„O—ja?” vroeg Boy. + +„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan. + +„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord. + +„We gaan ’s nachts,” ging ik door. + +„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige +aanmaning doorziepelde. + +„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik. + +„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin +ik geen weg meer wist. + +Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los. + +„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol. + +„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had. + +„Nee, morgenmiddag uilskuiken.” + +„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy +zich. + +„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur +hier, met een óverjas. Begrepen?” + +„Ja,”—zei Boy. + +„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik. + +„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy. + +„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.” + +Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend: + +„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.” + +„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in +zijn stem. + +Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes. + +Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken. + + + +In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen. + +„Thee?” + +„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.” + +„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens. + +„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy. + +„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik. + +„Waarom? Het is hier veel gezelliger.” + +„Prettig gefietst met Kitty?” + +„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en +die wou waarachtig méerijden.” + +„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend. + +„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij +heel gelant dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn +achterband lek geprikt.” + +„Die is sterk,” schaterde ik. + +„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een +poosje merkte.—Toen inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot +hij hem gemaakt had. Maar Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn +we maar doorgereden.” + +„Het is toch wél bar,” plaagde ik. + +„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort +toch niet bij ons thuis?” + +Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde +al het belang voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen +ontbroken had,—maar loslaten deed hij niets.—Dat vond ik vervelend, +niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar omdat ik het graag +tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien. + +Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden, +weggedoken in de luie stoelen, nauwelijks elkaar ziende in het doezige +licht der schemerlamp, zwijgen bleven. + +Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn +stem zei: + +„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan +m’n besten vriend zei.” + +„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel. + +„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met +Kitty gesproken en—nou—we houden allebei van elkaar.” + +Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk. + +„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik +had niks laten blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten +dag.” + +„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik. + +„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy. + +„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen +verwrongen glimlach niet kon onderscheiden. + +„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy, +in malle verbazing over het feit. + +Ik barstte los in een schaterlach. + +„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn +lachaanval had. + +„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik. + +„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende +omstandigheid is,” piekerde hij. + +„Leve de Mafkolder!” besloot ik. + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE ZEILTOCHT. + + +Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland. + +Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm, +de sportpetten op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking +gaapte ons aan. + +We kwamen aan de haven. + +„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy. + +„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp +slechts de kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn +vormen halsstarrig aan een gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan +ook geweest was vóor dat Bram er een kajuit in bouwen liet en hem van +„De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte. + +De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen +ons en begon toen een technisch gesprek over de aangebrachte +herstellingen, waarvan vrijwel elk woord een raadsel voor me bleef. + +„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester. + +„Ja,” zei Bram. + +„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling. + +„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en +zoo—halen,”—verzocht Bram afleidend. + +We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken, +en Boy schreef wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een +buitenlandsche reis was en in geen maanden terug zou keeren. Daarna +bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen zouden en was ik +zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven aan +Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok +een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er +ook nog ieder een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die +in een vacantiereis in den Harz terecht komt, kan zich niet beter van +zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij toenmaals. + +Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en +spuitwater-flesschen, dat me een gerstendrankhoudende ontglipte en te +spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw het rouwbeklag van „Het +is zonde” ontlokte. + +We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen, +waardoor de boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste +kajuit, met raampjes in koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze +achting rees. + +Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug. + +„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer +een flesch op vallen stond. + +„Ga jij er in,” verzocht hij. + +En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank +schoof op me toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag. + +„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het +voorruim de eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de +ijzeren ringen van op een stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om +een verward touw weer op de katrol te leggen. Boy deed niets, behalve +ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen de trekken aan +zijn sigaar, neurieënd van: + + + „You can always tell when a coon is in love” + + +waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet +beslist een neger voor behoefde te wezen. + +Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te +staren naar „de heeren van de Mallemolen.” + +„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel. + +„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs. + +„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb +die vraag, gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een +bevredigend antwoord op te kunnen vinden. + +Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den coon-song te +herzingen. + +„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”— +vond Bram.—„Doe nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar +eens.” + +„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een +wanhopigen smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber +aangaf—„als je nóg eens wat hebt... Alle goden, een aandeelhouder van +de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan er niet zoo naar stinken als +ik het doe.” + +Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk. + +„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram. + +De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons +rekenschap geven van hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was +een rijtje van drie paar schoenen, die zich onder een dons van groene +schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze ruim van zich +afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding +verkeerde, en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd, +dat—volgens Boy—er over een paar weken wel niet veel meer dan de +knoopen van waren overgebleven. + +Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en +borden, verwarring van pappig pakkende dekens op de twee britsen, +zeekaarten verscheurd en verfomfaaid verspreid over de hevig-vuile +vloer,—en tusschen al die veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen +lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum doortrokken:—„Fidessa” +van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten. + +Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen +griezelig-wit krioelende wortels hadden geschoten. + +„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem +de boonenverzameling onder de neus stoppend. Maar Bram met een +verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, beval: + +„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan +worden over boord.” + +„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan +waren we gauwer met opruimen klaar.” + +„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy. + +„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit +drééf gewoon. Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.” + +„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik. + +„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat +ze nog bij de pomp konden blijven.” + +Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu +niet beslist aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik +vannacht oók kans hadden om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit +zich zelf gekeerdheid vermoedelijk. + +De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven +verscheidene kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste +pannen en half vergane onkuischheden uit „Le Rire,” „Simplicissimus,” +„Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte plaatwerken, +had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging +den toeschouwers van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een +meewarig „Het is zonde”—wat in Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen +schijnt te behooren. + +Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot +rustbanken opgemaakt, de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook +wat. Een met rasterwerk omkringelde lamp hing aan de zoldering; op een +tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken daarboven het +eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen +een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje +boter bemachtigd. Links van den ingang, op een breede plank, lagen de +„instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”. + +De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over +welks doel Bram zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van +scheepsklok voor het oorlam, dat Bram ons op ongeregelde tijden +veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit Boy, zich +oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een +kompas, dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen +en de beschimmelde kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had +welke stiekeme parten het schijnheilige ding me spelen zou. Voorts +stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten en waarbij +men de kaarten kon raadplegen. + +In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder +in, in den waan verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer +moeilijkheden zou baren dan een landkaart. + +Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar +opeens een raar gekleede kerel me aansprak: + +„Je suis russe”, verklaarde hij. + +„Je suis hollandais,” antwoordde ik logisch. + +„Je suis peintre,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak droeg en +een grooten sombrero op zijn bol gedeukt. + +„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen. + +Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was +en bewaarde dus een afwachtend stilzwijgen. + +„Serait-il possible de vous accompagner?” vroeg de kwastenwellusteling +weer. + +„Le capitaine—c’est lui,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en +hardop zei: + +„’k Wil den vent niet meehebben.” + +„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje +noodig”, kwam Boy bemiddelend. + +„Je regrette, il n’y a pas de place”, zei Bram met een gezicht van een +kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus mompelde een „pardon” +en bleef op den wal achter. + +„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos +op. + +In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde +doperwtjes; de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den +kapitein zich deed herinneren dat hij er koopen moest, omdat Boy +minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram door de +prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de +meisjesleden van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er +uitzag, was het niet onze schuld. + +Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden +en lampenglazen—de bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord +terug. Het was half acht en het begon te schemeren. + +Nu werd het méenens. + +„Kun je sturen?” vroeg Bram. + +„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig. + +„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil +hijschen.” + +Dit bolde flauwtjes op. + +„Er is geen wind,” wanhoopte Boy. + +„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij. + +„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen. + +„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit. + +„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter. + +„De háven uit.” + +„Jawel—dat snap ik, maar waár?” + +„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op. + +Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de +ontdekking, dat de geheele haven van roode en groene lichten +wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram kreeg haast een +beroerte. + +„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het +hoofd, waar hij met volle macht den fok aan het optrekken was. + +Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe +Bram wist, dat het juist deze beide waren en niet een paar van de +overige dozijnen, stuurde ik er dapper op af. + +Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch +stuurboord tegen de pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen +de Zuiderzee in. + +Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en +een groene, halfweg het want. + +„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan. + +„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman en Boy, +wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot +steward had benoemd. + +„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig +plezier in het tochtje kreeg. + +„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten +scharrelde, waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de +dievenlantaarn, ontvouwde. + +„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit. + +„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk. + +„Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe +plekken aanwees. + +Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet +is dat water. Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was +land en wit was water. Wat een weersprakigen geest moet de man hebben +gehad die deze kleuraanduiding verzon! + +„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder +uit, op een gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn +minderen. + +Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen +op elkander geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op +den boeg languit neerlag. + +„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan +en vervolgde zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en +haal je rechts in.” + +Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit +water,—nu dit weer. + +„En als er mist komt blaás je op den toeter.” + +„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het +gesprek. + +„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg +ik, onder den druk van mijn verantwoordelijkheid. + +„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt +heel goed, ik kan het veilig aan je overlaten.” + +„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat oorlam?” kwam +de steward. + +Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we, +dronken den lang verbeiden cognac. + +Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen +van de daken en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen +den nog éven glorenden avondhemel. Op de zee overal ook de +sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige schijf +in zwavelgele dampen. + +„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me +niet meer: ik voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit +anders gedaan had. Ik wist nu dat blauw land was en wit water; ik wist +wat stuurboord en bakboord beteekenden; ik wist links te passeeren, te +toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, ik was vertrouwd met +varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk? + +We rookten—Boy neuriede weer van: + + + „You can always tell when a coon is in love” + + +en lokte geen tegenspraak meer uit. + +„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar +op dat licht aan en hou je kluisgaten open.” + +Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn +omgeving schikt, loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam +recht op aán te sturen. + +Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de +zuidwester en de oliejas hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan +meteen in. + +Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de +Mallemolen hevig stampend te keer te gaan, mij bij elke neerbonzing een +heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend. + +Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een +neger verliefd was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw +vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. Toen hij naar Canada was +overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij met een +daglijst van den overtocht; bij „Saturday 15th:—Strong head gale. +Dangerous sea. Squalls.”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne +diners tweemaal.” Toen echter vermoedde ik niet ook nog eens de +lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien. + +Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet +loslaten om mijn overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het +licht in de verte en schrok hevig toen een groote tweemaster met volle +zeilen, als een vliegende hollander, rakelings achter me dwars door ons +zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan stond) door +die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook +eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal +aanhield, opeens schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere +vormen van een stoomboot ontdekte. Haastig week ik links uit voor het +ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen en weer, en vanaf de +stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename +bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me, +dat bij het uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven +staan. Thans had ik ruimschoots de keuze tusschen vele lichten waarop +ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar ik vertrouwde het geval +niet bijster meer en bleef strak het compas beturen. + +De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond +(men vergeve mij deze zonderlinge lengte- en breedte-bepaling), +sluierde zich een dichte damp. + +Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en +nam een slok; niet eens zoo’n heel erg grooten. + +Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde, +toen ik mijn linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte +Zuiderzee-deining. + +Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik +opeens de gesluierde maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas +stond nog almaar op Z.Z.W. Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad +hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven van het alleszins +onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het +groote zeil over. + +Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den +hevigen mep, dien de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er +stevig aan vast te klampen,—en toen hing ik met zeil en al buiten +boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik liefst uit bleef. +De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon hevig +te keer te gaan. + +Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het +hoofd buiten boord en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven. +Dat was zijn geluk, want het zeil ging ten tweede male over en met een +hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, rakelings over Boy +heenzwierend. + +„Boy!” riep ik. + +Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet +zijn verwilderde oogen dwalen over het dek. + +„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee. + +En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de +boot weer hevig te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden +male, met een nijdigen floep van het zeil, in verbijsterende snelheid +over Boy heen, die—opnieuw katterig geworden door de tureluursche +keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist op tijd het hoofd +genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk +met de erwtjes. + +Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd. + +Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige +kunnen herhalen, gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s +maag,—indien de kapitein niet door al de onwijze tolbewegingen van zijn +jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen was. + +„Bram!” schreeuwde ik. + +Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast. + +„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend, +terwijl hij, angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk +vermeed. + +„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in +zijn stem. „Verrek—wat doe jij daar?” + +„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in +gehangen had. + +Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling, +menschelijkerwijs gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen. + +„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste +maal over. Ik was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes +kwijt, maar bekende mezelven, dat ik er schoon genoeg van kreeg. + +„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest +verliet. „Doe je nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit +leedvermaak, dat niet hij alleen er slecht aan toe was. + +Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, kwam het zeil +over, kon ik me in den kuil laten ploffen. + +„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur +krampachtig in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn +plagerijen, door inwendige beroering werd bezig gehouden. + +Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was, +terwijl het kompas Z.Z.W. wees. + +„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de +lichten,—je hebt toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht. + +„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram +lette niet op deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas +dan!” hield ik vol. + +„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,” +verklaarde Bram. + +„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in +de omgeving passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een +halven slag om. Het zwoor schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein +er een nijdigen mep tegen en langzaam, sarrend eigenwijs, draaide de +roos in den goeden stand. + +„Zie je wel?” zegevierde Bram. + +„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog. + +„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de +draaiende plaatst-rust en het heen-en-weer gevlieg mijn +orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins in de war hadden +gebracht. + +We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik +zou er geen begrip van gehad hebben! + +Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut +cognac. Bram kwam op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse +plank te zetten. + +„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.” + +„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het +malle van het op gang getrapte kompas in te zien. + +„Nou maf ze,” kwam Bram. + +„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig. + +„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in +bed.—Boy—wat opgelucht—en minder in de war, nu de boot weer voor den +wind liep, kroop naast hem. + +Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me +verdiepend in de thans zich telkens openbarende bewegingen van de roos. +Den koers hield ik tusschen Z.Z.W. en Z.W. + +Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams +opvatting van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.” +Want aan aflossen dácht hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte +ik, dat onze lichten waren uitgegaan. Het was nu wel bar belangrijk, +zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde weinig voor zulke +kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook niets +meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen, +stoof een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid. + +„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige +weldadigheid den visschen gebracht. + +„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder +mijn bereik had, trok ik een schoen uit en slingerde hem midden in +Boy’s maagstreek. + +„Au—verdomme!” jankte hij. + +„Kom er uit!” beval ik. + +„Waai om!” verwenschte de steward. + +„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen er weer lichtjes +uit den nevel. + +„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?” + +„De lichten zijn uit!” jammerde ik. + +„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij. + +„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!” + +Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter. + +„Nee kaffer—eérst de lichten op!” + +Boy kroop op het dek. + +„Allemachtig wat een damp.” + +Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit. + +„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij. + +„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan. + +„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried, +maar in zijn slaaplust zich blijkbaar noch van den mist, noch van de +gedoofde lichten iets aantrok en aan de beloofde aflossing niet dacht. + +Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek. + +„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik. + +„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy. + +„Nee, andersom!” + +„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij +als een nuchter kalf. + +„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik. + +Eindelijk hingen de lampen. + +„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig. + +„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.” + +„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al +over boord. + +„Het was die omelette,—die ... die smaakte óok zoo naar petroleum” +verklaarde hij een oogenblik later. + +„Ben je nu leég?” + +„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.” +Dan kwam hij bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo +beroerd ben geweest; het is zoo kinderachtig.” + +„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.” + +„Vertel het nu maar niet.” + +„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik. + +Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel: + +„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. „Had ’m naar +m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige +plek.” + +„Voel je je erg lam?” + +„Als een zatte aap,” verklaarde Boy. + +„Ga naar bed.” + +„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.” + +„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,” +troostte ik. + +„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.” + +„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.” + +Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer. + +We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed +een lange aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een +langgerekte jammerklacht, als van een hond die huilt. + +„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed. + +„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op +de Mallemolen was op haar hoogtepunt. + +„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek in den kuil, +schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?” + +„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol +verachting voor de nuttelooze dingen. + +Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik +niet meer inkijken. Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos +een boot aan vast. + +Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar +maffen bleef, stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu +maar eens Z.W. ten W. aangehouden. + +Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd +dag.—Langzaam, heel langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen. +Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden uit de nevels, recht voor +me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde met de +spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de +Christenen over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens +herkende ik ze:—het was Amsterdam. + +Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me +ook niet veel schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik +nam den toeter, in mijn zegepraal bereid tot groote middelen, boog +voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend. + +„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de +kribbighedens der ochtendziekte. + +„Amsterdam!” jubelde ik. + +„Je bent betoeterd.” + +„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug. + +„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig. + +„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der +Amstelstad. + +„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein. + +„Alweer?—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig. + +„In de schutsluizen,” helderde Bram op. + +„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd. + +Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe +ochtendzon liggen, kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam +was van het kompastrappen, en mijn lendenen, blauw gestompt door het +stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen den kapitein en mij +over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik buiten +langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te +kunnen aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos +een duister geheim blijven. + +We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte +als een zaagmolen. Ik ging naast hem liggen, kon me levendig +voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal er uitzagen, en sliep dus +weldra ook in. + +Het was tien uur toen Boy me wakker maakte. + +„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud +wijf!” + +In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en +zong weer druk het sinds lang onderbroken lied van den verliefden +neger. + +Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de +steward eieren en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik +verkneukelde me in het gezicht van Bram, die zich aan het stuur stond +te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of avontuurlijks bood. + +Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen, +bezorgde moeilijkheden. + +„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het stuur over +om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in +waarheid om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam. + +Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote +oogenblik kwam. + +„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg. + +Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de +wimpelspits af en plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug +door. + +Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op +het water, deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel, +dronken meer en maften het meest. Bram, aan het stuur, kon zijn +genoegen op. + +„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich +verbaasd. In den nacht, alleen in den mist, had ik er over gepiekerd, +nu sprak ik het uit: + +„Toch geen bár opwindende sport.” + +„Ik amuseer me best,” beweerde Bram. + +„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy. + +„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel +huichelarij, en ging maar niet verder op het geval in. + +In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we +besloten de Mallemolen er maar bij een werf achter te laten. + + + +„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht +maar niet tot Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen +gaan.” + +Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder +uitgeslapen, vroeg: + +„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?” + +„Nee,” gaf Bram maar toe. + +„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel +achter zou komen. + +„In een woonwagen,” verklaarde Boy. + +„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes +kreeg. + +„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We +trekken ’m om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.” + +„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang +er op in. + +„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes, +en Zondags eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal.”—sloeg Boy +er zijn redeloozen onzin uit. + +„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang. + +„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy. + +Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen +werd. + +„Jullie verlakken me.” + +„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén +gierbui, hem hartelijk in den arm kneep, smeekend: + +„Boy—o Boy!—ik lach me doód!” + +Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend: + +„Enfin—ik trek me er weinig van an.” + +„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +WE HUREN EEN BOVENHUIS. + + +Het was opeens besloten. Boy’s broer kwam over met een jaar indisch +verlof en wilde bij zijn moeder inwonen, waardoor Boy het huis uit +moest. Bram had genoeg gekregen van Leiden, vond het in Den Haag +plezieriger. Ten slotte had mijn hospita me een lange redevoering +gehouden, waarvan de slotsom was, dat ze niet altoos die jonge dames +over den vloer wou hebben, omdat heel de buurt er schande van sprak. + +Ze wist wel dat onze omgang heel fatsoenlijk was, en de jongedames +waren óók heel nette meisjes, maar enfin—menschen kletsen zoo gauw +nietwaar?—Ik had haar bedankt voor hare goede meening over de leden van +den Mafkolder en—me groot houdend—verzekerd, dat ik tóch al het plan +had om weg te gaan, omdat haar poes telkens ongerechtigheden in m’n +kamer deed en de meid altoos van mijn jam snoepte.—De hospita was +langdradig op mijn vinnigheden ingegaan, bezwerend dat haar poes zoo +zindelijk was als een mensch en dat de meid zoo eerlijk was als goud. + +Gevolg was dat ik de kamer opzegde. + +Met zijn drieën hadden we uitgemaakt, dat het veel spaarzamer zou wezen +gezaamlijk een bovenhuis te huren en een meid te nemen, terwijl we dan +tevens van alle hospita-gezanik bevrijd zouden zijn. + +En zoo stelden we een advertentie. + +De tekst had eenige moeilijkheid gekost. Bram wilde: „Drie losloopende +jongelui wenschen gemeubileerd bovenhuis van alle gemakken +voorzien.”—Waarop Boy meende dat het voldoende mocht heeten als er één +gemak was en dus voorstelde: „Drie studenten zoeken bovenhuis met +stevige maar smaakvolle meubels voorzien.”—Maar ten slotte besloten we +te plaatsen: „Gemeubileerd bovenhuis in Duinoord gezocht.” + +Toen ik aan het bureau van het blad de ingekomen brieven kwam afhalen, +kreeg ik er zeven en twintig en een briefkaart. + +Dien avond, bij mijn voorlezing, werd Boy bij den twaalfden brief +wanhopig. Toen ik weer begon met den stereotiepen aanhef van: In +antwoord op uw advertentie...—riep hij uit: + +„In godsnaam schei uit!—Het is om gek te worden. Geef me een kop thee, +ik heb van al die lectuur een smaak in m’n mond gekregen als een oud +wijf.” + +„Moeten we nu ál die huizen afloopen?” opperde Bram. + +„Het zijn bóvenhuizen man. Wil je dan toch waarempel een +trappenberoerte of een bovenhuisduizeling oploopen?” wanhoopte ik. + +„Het is juist van dat óploopen dat je iets oploopen zou,” meende Boy. + +„Ik heb een idee!” kwam Bram. + +„’t Lijkt onwaarschijnlijk, maar kom óp met je idee,” zei Boy. + +„We zoeken ieder negen van de bovenhuizen op: we schikken het zoó, dat +ze zooveel mooglijk in één buurt liggen. Zoo kunnen we alvast schiften. +De paar, die ieder het beste lijken, kunnen we dan samen bezoeken.” + +„Er is nog een briefkaart,” merkte ik op. + +„Die neem ik dan wel,” verklaarde Bram goedig. + +„Maar als we dan later met z’n drieën komen aandazen, is het mis. Je +snapt dat ze aan geen drie jongelui hun meubeltjes overlaten,” piekerde +ik. + +„Een huisvrouw is voor jongelui even bang als voor motten of +houtwurmen,” wijsgeerde Boy. + +„Dan huurt degene die het eerst gekomen is, de twee anderen gelden als +vrienden, die in de keuze helpen,” stelde Bram voor. + +„Top,”—zei Boy. + +De huizen waren allen, zonder uitzondering, van indische gezinnen en +van een losbandigen, slordigen wansmaak. Wanhopig zaten we dien avond +elkaar aan te kijken. + +Maar den volgenden dag, op het dagbladbureau, waar ik nog maar eens +heengegaan was, lag nog éen brief. Onze redding.—En we huurden het +werkelijk gezellige bovenhuis, wat door de familie, die voor een jaar +naar het buitenland vertrok, pardoes werd achtergelaten. + +Veertien dagen later trokken we er in en begonnen met er den boel +ergerlijk overhoop te halen. Zóo hadden we besloten;—Bram de voorkamer +met den erker en het kamertje er naast tot slaapvertrek. De achterkamer +met serre diende tot eetkamer en ontvangsalon. Wat dit laatste +doeleinde betrof, besloten we eenstemmig alle berenleiders aan de +vóordeur te laten wachten. Op de bovenverdieping was voorkamer met +balkon en zijkamertje voor mij, de achter-eadem voor Boy. Dierhalve +begon al dadelijk een verwarrend beddegesleep. De gangetjes lagen vol +matrassen en dekens en kussens. + +Bram droeg onhandig een beddekastje de trap op; het deurtje ging open +en het nachtvaatwerk viel tot scherven op het hoofd van Boy, die juist +een weerspannig vloerkleed den hoek omwerkte. + +„Stomme komkommer!” vloekte Boy, zich het hoofd wrijvend. + +Maar Bram zat er mee in dat hij andermans bullen brak: + +„Als het maar geen familiestuk geweest is,” vreesde hij, de scherven +bijeen rapend,—„je hebt menschen, die hechten aan alles.” + +En hij sjouwde verder met het beddenkastje. Ik volgde met een +waschtafel. Terwijl ik het ding op zijn plaats zette, deed Bram een +spiegelkast open. + +„Au—verrek—ai—ai!—Hans!” brulde hij, waar hem uit de kast een +verwilderde uitgehongerde kat in het gezicht gesprongen was. Dan rende +hij de gang op, bette zijn gekrabbeld gelaat onder het fonteintje.—Ik +sloot veilig de deur. + +„Wat schreeuw je toch als een mager varken?” vroeg Boy, zwoegend onder +het vloerkleed. + +„Een kat, man,—een kat!” legde de gewonde uit. + +Boy vatte natuurlijk niets. + +„Een kater bedoel je,” veronderstelde hij. + +„Dat heb je zoo gauw niet kunnen zien,” verdedigde Bram zijn gebrek aan +opmerkingsvermogen. + +„Drink wat spuitwater,”—raadde Boy—„dan zal die wel overgaan.” + +Maar toen hij het geval eindelijk begreep, trok hij vastberaden een +revolver uit zijn achterzak, waar spuitwater hem niet meer afdoende +toescheen,—deed de deur op een kier open, gluurde om een hoek, teneinde +het ondier te ontdekken. + +„Zeg—zijn jullie allebei bezopen?—Ik zie niks.” + +„Pas op!” waarschuwde Bram, „de hemel weet waar die ondergekropen is.” + +Boy sloop de kamer in, keek overal:—de kat was zoek. + +„Ik geloof dat jullie me vernachelen,” meende hij nuchter, den revolver +weer in den zak stekend. + +„’t Wás een kat,” hield Bram vol. + +„’t Wás een kat,” beaamde ik. + +„We hebben toch geen hallucinaties?” kwam Bram nog, de schram bettend, +die zeker niet aan een zinsbegoocheling te wijten was. + +„Dan is het beest ’m gesmeerd,” besloot ik. + +En we togen weer aan het werk, hoewel Boy de voorzorg nam elke kast te +openen met den revolver in de hand. + +„’t Mocht eens een liefhebberij van onzen voorganger geweest +zijn,”—veronderstelde hij. + +Tegen den avond waren we vrijwel klaar. + +„Ga jij nu even een nieuwe po koopen,” maande Boy aan. + +„Ik dank je stichtelijk,” weerde Bram af. + +„Jij hebt ’m gebroken,” beschuldigde ik. + +„En neem een scherf mee als staal,” raadde Boy. + +„Jullie bent betoeterd. Een po koopen?—Nee, dat vertrap ik sterk.” + +„Vooruit—wat kan het je bommen? Er is een winkel vlak om den hoek; je +laat ’m inpakken,” overreedde ik. + +En zoo geschiedde het dat Bram een nachtvaatwerk kocht, op het staaltje +gelijkend, en hem zegevierend op de tafel der eetkamer uitpakte. + +„Ben je nou van de ratten?” vroeg Boy.—„Vooruit—schiet óp met dat +ding!” + +„Hij is toch schóón?” vond Bram. + +„Hij hoort hier niet,” meende Boy; en dat was ontegenzeggelijk juist. + +Bram ging naar boven om het ding, wat mooglijk een familiestuk moest +vervangen,—te zetten waar het wèl hoorde. Boy en ik, uitpuffend in een +paar luie stoelen, bleven achter. Opeens klonk er boven een geluid van +scherven, een gestamp van voeten, een driftige slag van een deur en de +jammering van Bram: + +„Au—allemachtig—au!” en hij stoof binnen, met een nieuwe schram, +ditmaal over zijn hand. + +„Wat heb je noú weer aan de hand?” vroeg Boy verbluft. + +„Een krabbel, dat zie je,” antwoordde Bram gevat. + +„Is het die kat weer?” vroeg ik. + +„Ja—springt me dat loeder uit het nachtkastje.” + +„Gedecideerd—hij moet joú hebben,” meende Boy. + +„Ik moet hém hebben. Allemachtig als ik dat kreng in m’n handen krijg, +draai ’k hem de nek om,” dreigde Bram. + +„Hoe zúllen we hem krijgen?” opperde ik het vraagstuk. + +„Ik verdom het—ik ga die kamer niet meer in. Ik slaap wel hier op de +canapee,”—verklaarde Bram. + +„Ben je zéker dat ie nòg op je kamer zit?” vroeg ik. + +„Waarachtig,—ik heb hem direct gesmeerd, de deur dichtgegooid.” + +„Ja wat dán?” + +We hielden krijgsraad. Een uitgehongerde kat is een gevaarlijk beest, +véel gevaarlijker dan een haai of een ratelslang. Bram stelde voor om +vanaf het achterbalcon, door een kier van het raam, rattenkruid naar +binnen te gooien; maar we hadden dat niet als jam of boter voor het +ontbijt in huis. Overigens merkte Boy op dat rattenkruid voor ratten is +en niet voor katten. Hij stelde dan ook voor de kamer uit te zwavelen, +door een brandend stuk door de even open deur te schuiven. Maar dat was +brandgevaar. Juist was ik met het nuchter plan voor den dag gekomen om +het beest eenvoudig met wat eten te bedaren, toen Boy langzaam, in +beduusde verbazing door de open deur in de duistere gang starend, zei: + +„Wel verdraaid!—Zeg—blijf even stil zitten!” en den revolver te +voorschijn haalde, met voorzichtige bedaardheid, en het ding opeens +afknalde.—De slag daverde door de kamer. Dan werd het stil: + +„Geraakt!” zegevierde Boy—„zoo dood als een pier.” + +We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het +bléef stil in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe +kater, met dikken kop, waarin—midden tusschen de oogen—een roode wond +van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, vies, vol +groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van +onzen voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen +hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond. + +„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy. + +„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n +kast eer ik er m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram. + +„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik. + +Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel. + +„Wat ga je doen?” + +„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend. + +„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog. + +„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht. + +Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en +droeg het een eind de straat op. + +Even later kwam Bram terug met een flesch carbol en een andere +sublimaat, een doosje jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon +zich zelf én het nachtkastje én de spiegelkast te ontsmetten. Dan +draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), want je wist +nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij +met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op, +dat bij den schrik hem ontvallen was. + +Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis +een rare geur van katers, karbol, jodeform en kruitdamp. + + + +Den volgenden dag kwam onze verhuisboel. + +Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt +overtollige bezit van een schrijftafel, een studeerlamp en een +boekenkast. Deftige groene gordijnen dienen dan veelal om de +armoedigheid der boekerijen te bedekken. + +Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, met een +stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram +welwillend afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken. + +’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die +Brams boeltje bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met +boeken en wasch. Tegen twaalf uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en +mij. + +Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het +voorhoofd. Nijdig had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters +geschilderd: Katten worden geweerd, en dit tusschen het ruitje en het +traliehekje van de huisdeur geplaatst. + +Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis” +bekend stond? + +„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle +koffie ontbroken had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.” + +En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik +bezig de planken van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de +kamer daarnaast, hartverscheurend van: + + + „You can always tell when a coon is in love”. + + +toen er gebeld werd. + +„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik. + +„Doe eens even open Bram!” riep Boy. + +Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was +het huis vol gesnater. + +„Dag Boy!” juichte Kitty. + +„Waar is Bram?” vroeg Toos. + +„Wat een leuke pan,” meende Non. + +Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars: + +„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?” + +„We komen helpen,” verklaarde Toos. + +„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non. + +Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn +als ze het huis klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte +en met Kitty smoesde, ging de huisdeur weer open, stond Bram opeens +midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, hield de linker +krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet. + +„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty. + +... Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig +inpakken. + +De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en +ging stiekem met het ding naar boven, iets mompelend van: + +„Den Reinen ist alles rein.” + +„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend. + +Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen +ik de schietgeschiedenis verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet. + +„En nou vooruit—marsch!” beval ik. + +„We komen hélpen,”—pruilde Kitty. + +Er werd gebeld: het linnengoed kwam. + +„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk. + +Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die +zich in zijn kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne +onderhanden nemen. + +„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer +binnenkomend. + +„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?” + +„Kom maar kijken.” + +„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?” + +„Ja”—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?” + +„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?” + +„Ik hoorde het. Dus niet?” + +„Wel nee—hoe kóm je er bij?” + +„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.” + +„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel +in; pak die nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer +theedrinken.” + +„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen. + +„Non—wat héb je?” vroeg ik. + +„Niks,” ontweek ze. + +„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch +woordenboek in de kast. + +„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter. + +„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me. + +„Wie dan meer?” + +„Kitty—verleden.” + +„Kitty is met Boy, nietwaar?” + +„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer +verdacht stil was. + +„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug. + +Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd? + +„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig +Aagje.” + +„Ik wou het wéten,” hield ze vol. + +„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet +niets.” + +„Toe nou,” smeekte ze. + +„Non—je bent vervelend.” + +„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze. + +„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik. + +„Zég het dan!” stampvoette ze. + +„Vertel jij andermans geheimen?” + +„Nee.” + +„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig. + +„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze. + +„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik, +beginselvast. + +„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel +leuk.” + +„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken. + +„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk. + +„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?” + +En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat +begint er raar voor je uit te zien.” + +En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen +schilderij glippen en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want +dan had ze niet iets blij’s over zich gekregen toen zij zijn verloving +vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? Maar voor wie? voor +propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat was +lam, lastig... En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de +ladder. + +Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar +volkomen onverschillig liet, kwam kijken. + +„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze. + +„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had +gevonden. + +„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan. + +„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen. + +„Non kwám, aarzelend. + +„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.” + +Non trok punten aan haar zakdoek. + +„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik. + +„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen. + +„Ben jij soms op ... è—... op Boy?” + +Ze glimlachte, keek me oprecht aan: + +„Welnee,” verklaarde ze. + +„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het +toch niet om er ruzie over te maken?” + +„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt,” verklaarde ze +schuchter. + +Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me +vorschend aan, begreep mijn gedachten en begon te glimlachen. + +„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze. + +„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen +kon. + +„Ik dacht ... nou dat jij op mij verliefd was.” + +„En verder?” kwam ik in spanning. + +„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter. + +Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee. + +„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij... O ’t is om je een +kriek te lachen!” + +„Dacht jij dat ik...?” riep ze verontwaardigd. + +„Ja,”—hikte ik. + +„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust. + +„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik. + +„Top,”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo +afgeloopen is,—ik zat er zoo mee in.” + +Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar. + +Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der +anderen was te bekennen. Dies bonsde ik op Brams deur. + +„Wat moet je?” vroeg hij. + +„De thee is klaar,” meldde Non. + +„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward +schenen. + +„Toos is het bed klaar?” vroeg ik. + +„Nee,” zei ze kleurend. + +„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.” + +„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel +hier.” + +„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram. + +Ook Boy werd opgeschrikt: + +„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de +schrijftafel, terwijl er toch stoelen te over waren. + +„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter. + +„Gunst ja,” deed ze verbaasd. + +Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes +gewasschen en zaten in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste +maal. + +Buiten regende het. + +„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—„nu kunnen we niet meer +tennissen.” + +„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens +helpen,” raadde Bram. + +„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty. + +„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy. + +„Leuk—een meid huren,” meende Non. + +„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat +weigerden we. + + + +Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en +ik, met onze gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn +kattekrabbels raár uitzag,—zaten om de tafel, deftig, ernstig. De +eerste was een Marie, blonde, brutale meid. + +„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene,”—en ze +ging. + +De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter. + +„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—„altoos +bij families met kinderen,”—en ze ging. + +Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde +beesten schenen te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden. +Juist hadden we er bijna eén in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy +uit verstrooidheid zijn revolver uit den zak haalde en er mee te spelen +begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens meenend in een +moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals je dat in de „Wilsons” +las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, toen +zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal +kapothoedje; over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte +loovertjes. Maar ze had goedig-slimme grauwe oogen in haar oud +rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar bloedlooze +lippen. + +„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze +mochten Janne graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij +families geweest, maar ik ben liever bij jong volk. Als u mijn den boel +maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn het gaat.” + +Janne maakte een gunstigen indruk. + +„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor met een +kennis van zaken die me verwonderde. + +„Best,”—zei Janne—„dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die +studeert in Delft.” + +Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen. + +„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren +te zorgen—koken, kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog. + +„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge +meid,”—verklaarde ze. + +„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy. + +„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze +eerlijk. + +„Welnee,” vonden we. + +„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze. + +„What does she want?” vroeg Boy. + +„To get her fee,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in +de hand. + +En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide +dienstbodenkamers, die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op +de onopgemaakte bedden aan. + +Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de +indrukwekkende grijze „dame” vroeg: + +„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich +niet in het minst. + +„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar +u verlangd hebben.” + +Want Janne was een slimmert. + +„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend. + +„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non. + +„Non eén ding,” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle +opmerkingen achter haar rug. Ze is wát aardig.” + +Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen. + +„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond, +toen ze ons lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger +nou ik weer bij jong volk ben.” + +„Leve Janne!” riep Boy onstuimig. + +Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden +we de keuken uitgesmeten. + +„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne. + +„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in +zijn kamer, waar hij vol geweld een kram in de muur joeg. + +Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping, +luisterden. Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een +ouweheerenstem klonk van onderen: + +„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en +die herrie maar eens uit wezen.” + +„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram. + +„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig +in een nette buurt die jonge vrouwen over de vloer.” + +„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne. + +„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets +aangaan?” verzocht Bram. + +„Ik ben oók jong geweest...” begon de ouwe heer. + +„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram. + +„... maar in onzen tijd...” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur +bleek. + +„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde +Bram nutteloos. + +„... in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn +preek. + +„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag Bram. + +„... en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles +door. + +„Och kom?” kwam Bram. + +„... en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.” + +„O, ja?” + +„... en smeet je geen kattenkrengen op straat.” + +„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe. + +„... en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over +straat.” + +„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram. + +„... en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden +geweerd”, op een nette deur.” + +„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram. + +„... en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.” + +„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram. + +„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur. + +„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het +slot springt soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in, +begon weer te hameren. + +Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik +daalden af, kwamen ook de kamer binnen. + +„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met +wien heb ik de eer?” + +„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik. + +„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer. + +„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan. + +„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit. + +„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen: + +„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de +eerste de beste zou binnen kunnen loopen.” + +De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een +keukenstoel te schudden, kon er geen woord uit krijgen. + +Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen. + +„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij. + +„’t Is huisvredebreuk,” verklaarde ik. + +„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen +halen,”—voorzag Boy. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN. + + +’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen +tegen vijf uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty, +Toos, Non en mij in de eetkamer bij den afternoon tea. + +Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te +lezen en te werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was +het theedrinken tevens ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den +morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen zat te ploeteren, toen +zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas over +zijn ondergoed, kwam binnensluipen. + +„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig. + +„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit. + +„De pest,” zei hij. + +„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder. + +„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer. + +„Wil je dat ik wat thee zet?” + +„Nee laat maar.” + +Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet +hóe hem te behandelen. + +„Heb je koorts?” + +„Nee—de pest—heb ik je al gezegd.—Wat zit je daar te blokken?” + +„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.” + +„Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere ... +schwamm drüber,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt, +dan zal het me niets verwonderen.” + +„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” meende ik. + +„Och ja man—’t is lam.” + +„Iets met Kitty?” vroeg ik. + +„Nee—met haar familie.” + +„O.” + +„Ik moet me voorstellen.” + +„Is dat alles?” kwam ik opgelucht. + +„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik +wordt al wee als ik er aan denk.” + +„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik. + +„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.” + +„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.” + +„En je straalt,” voorspelde Boy. + +„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.” + +„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,” +somberde hij. + +„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik. + +„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een +aanstaanden schoonpapa optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden +opbiechten?” + +„Heb je er veel?” + +„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.” + +„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later +wel.” + +„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je +voor je plezier geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou +veel meer zin hebben den heelen dag op een paard te zitten, nooit meer +een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.” + +Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn +gekleede jas, met handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als +een dominee. + +„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer +bij het boord geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee +verwrongen had.—Ik bracht hem tot de deur. + +„Hou je maar taai,” moedigde ik aan. + +„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik +maak een standaardwerk van flaters.” + +Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half +uur. Boy kwam niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis. + +Na een poosje kwam hij terug. + +„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning. + +„Beroerd.” + +„Hoe zoo?” + +„Wacht even.—Janne!” + +Janne kwam. + +„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en +die lakschoenen en ... nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.” + +„Steek eens op,” leidde ik af. + +„Graag.—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.” + +„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer. + +„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een +vaasje van een tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n +onhandigheid heb ik toen gezegd: „Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei +schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. „Het is me heel +aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg er +natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat +schoonpapa me raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan +praten; over m’n financies, waaromtrent hij mij evengoed had kunnen +inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat ik als geheime +verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als ik +door m’n eerste examen ben.” + +„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig: + +„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en +aan twee broers én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot. +Ik heb in de familiekring theé moeten drinken. M’n bakkes stond stijf +en strak van het glimlachen dat ik deed. De heele familie keek me aan +als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan m’n moeder; arme +vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten en +’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der +dagen wordt aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik +’s avonds theedrinken, zal Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen +met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk niet meer komen. Dat stáat +niet. + +„Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een +verschrikking maakt, is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk +begonnen?” + +„’t Is altoos zoo,” troostte ik. + +„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige, +poeteloetige inleiding voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet +burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel idealen, of misschien te +weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als +wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.” + +„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik. + +„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n +dictaten en boeken ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat +óok maar. En—o ja—neem dat beeld van dien naakten faun weg, mama kon er +eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap je?” + +En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, die +over den kop is gegaan. + +Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een +gehéime verloving is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en +Boy trok zich terug, om op zijn schrijftafel al vast de +dictaten-uitstalling in te richten. + +Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht +vermoedelijk, dat Bram nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de +oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar niet aan, geheel vervuld door +een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee hij zegevierend +thuis was gekomen. + +„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij. + +„Waar?” vroeg Toos. + +„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor. + +„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best +kon en trok de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan, +dat hij er mee had trachten op te staan. + +„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.” + +Bram zat voor de deur van zijn kamer, wreef zijn achterhoofd, dat tegen +de deur was aangekwakt. + +„Doet het pijn?” vroeg Toos. + +„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch. + +Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen +schop tegen mijn schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te +slaan. + +Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten. +Zich vasthoudend aan de trapleuning, stapte Bram met holle +dondergeluiden over het gangetje. Wij keken toe, op een gepasten +afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor den +helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De +trapopening deed de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval +gevaarlijk. Aan den deurknop van de eetkamer kón hij zich niet +vasthouden, want, om de deurpost loerend, was daar Toos, die hem +onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij sloeg twee +maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot +den afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den +deurknop van de zekere plaats vast, rukte in zijn slag die +geheimzinnige deur open: + +„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat. + +„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de +deur neergezegen. + +„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan +gruzelementen getrokken! Ai jesses nog an toe!” + +We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram, +die maar riep: + +„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer +neerplofte, maar den moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen +deurknop tot steunsel te grijpen. + +Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten +rechts en links. + +„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy. + +„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram. + +„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een +nieuwe lachstuip lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning +miste en met kletterend metaalgeraas en gebonk van ledematen de trap +afsloeg. + +„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy. + +„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik. + +Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met +automaat-bewegingen de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag +te huilen van opwinding en Non geen geluid meer van zich gaf; Boy zat +op den grond en ik stond hoestend me in een koekje te verslikken. + +Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te +verzetten. + +„’t Gaat al beter,” verkondigde Bram, „als ik maar op gang...” en toen +sloeg hij voorover, greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met +theegerij en koekjes over zich heen. + +„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen. + +„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg. + +Toen kwam Janne binnen: + +„Ai jesses nog an toe,” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.” + +Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op. + +„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur. + +„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy. + +„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde +ik. + +„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later +jaren, in Nangking, zou hij er om denken. + +Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de +theevlekken uit vloer- en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non +dronken met snikkende bewegingen en bibberende lippen koud water. Bram +had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf in den nek +smeeren. + +„Ja,”—vond Boy, „het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je +direct en als je kúnt rollen, rol je niet meer.—Enfin—ik heb me met +recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: „Je zult je +nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf +vond. + +Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had +de vertooning op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker +toe te kijken. + +„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy. + +Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met +een duwtje kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net +was hij er bij een aangeland, toen de meid er uit kwam. Bram stoof +tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om het evenwicht te +bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen. + +„Enge bliksem!”—giechelde de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!” +klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan niets hebben en stoof met een +duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur gerakend. Een +spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te +pletter. + +„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in +zoo’n kort oogenblik had zien geschieden. + +„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op +éen elleboog in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te +trekken trachtte. + +„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer. + +Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des +onderbuurs loerspiegeltjes vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen +bij te trekken, nam weer een afzetje en stoof ditmaal tegen den ouwen +van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen was. + +„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den +hals sloeg, maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de +schenen uitdeelde, waar ik van meespreken kon. + +„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen +ter afwisseling achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht +boóg,—„laat me lós m’nheer!” + +„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der beenen bij, +waardoor het andere weer uitschoot. + +„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder. + +„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen +zal het regenen. Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de +kleine steentjes. + +„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker. + +„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer. + +„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat +Bram, loslatend, met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In +volmaakte evenredigheid lagen ze op elkaar. + +Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken +trappenden Bram naar binnen. + +„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy, +het heertje afkloppend. + +„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek. + +„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig. + +„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit +is me zoó iets overkomen.” + +„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je +leven,”—troostte Boy en deed de huisdeur dicht. + +Binnen op de trap zat Bram. + +„Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij. + +„Goddank,” zei ik opgelucht. + +„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy. + +„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram. + +„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht. + +„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er +immers niet om gevraagd.” + +Meteen werd er gebeld,—driftig. + +„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur. + +Boy deed open. + +„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer. + +„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog +veel gekker dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram +inmiddels plat gedeukt bij de lantaarn gevonden. + +„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel. + +„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik. + +„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die +kat—u weet wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel +erg.”—Waarop de getergde de deur dichtsloeg. + +Boven aan de trap was Janne. + +„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet +meer op.” + +Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat +praten. + +„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.” + +„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig. + +„Vermoedelijk wel.” + +„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond +hij somber. + +Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het +koffiedrinken ten huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het +geld voor haar melkkan eischen. + +„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap +tegemoet kwam. + +„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen +op beide wangen. + +„Gossie,”—zei de meid grinnekend. + +Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel +wat anders: + +„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht +bonzend. + +Bram keek beteuterd. + +„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had. + +„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars. + +„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne +zich, die Bram niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval. + +„Ga haar achterop,” raadde ik. + +„Toe—doe jij het,” verzocht Bram. + +En zoo holde ik Toos achterna. + +„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze +kón rennen. + +„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze +haast huilde. + +„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik. + +„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze. + +Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren. + +„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen. + +„Toe nou Toos,”—hield ik aan. + +„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram. + +„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar +uit. + +„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg +van.” + +„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende Toos. + +„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn +aardige meisjes genoeg in den Haag,”—kwam de meisjesgek. + +„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk +deeglijk. + +„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug. + +Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty +niet meer, nou Toos. Het was lam. + +Dien middag werd weinig aan tafel gesproken. + +Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan, +want nog een páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou +zenuwziek zijn. + +„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram. + +„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche +steal-crisis, toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het +algemeen—over dienstboden. Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord +hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over het boenen van parketvloeren +en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal was, net of +ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een +discussie over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou +het nooit uit.” + +„Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik. + +„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het +salon, borduurde. Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan +doen.” + +„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was. + +„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om +getemd te worden, om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel +ik me of ik al duf begin te worden,—of ik begin uit te slaan.” + +„Nee—je slaat dóor,” vond ik. + +Maar het begón er raar uit te zien. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN. + + +Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld +kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit +meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu +er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan +ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven. + +Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den +Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij +toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank, +jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht, +sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante +preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van +ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de +vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals +halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het +refrein: + + + Ma voce e bellezza + e giovinezza + non torna più; + el il tempo che passò + senza l’amore + non tornerà! + + +en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me +nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn +uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen +jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere +levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig, +lévend lichaam er door heen te maaien. + +Men vergeve me deze ontboezeming. + +Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach +door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan +zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden +kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte +sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en +vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin +... ik was er mal van. + +Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de +ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan +uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch +was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s +avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het +rechte wisten we er niet van. + +Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen, +want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy +binnenstuiven kwam. + +„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen +koffiedrinken.” + +„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die +ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor +altoos geweken. + +„Ze kómen!” jammerde Boy. + +„Geef orders aan Janne,” raadde ik. + +„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug. + +„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend. + +Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te +regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was +het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag +drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor +bijna leege schotels elkaar verwijten te doen. + +Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en +een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield. +Als Bram kwam waren we dus tien personen. + +„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan +éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om. + +„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze. + +„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy. + +„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol. + +„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in +den mond. + +„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar +jammerklacht. + +„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel. + +„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?” + +„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik. + +Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar +manchetten. + +„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij. + +„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne. + +Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst: + +„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal +sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas...” + +„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de +koffie.” + +„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een +koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan. + +„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor +je, als je doet wat ik zeg.” + +„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd. + +„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap +je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht +maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen +kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.” + +„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde +Boy zijn reputatie. + +„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef +je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.” + +Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde +over de plaatsenverdeeling. + +„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes, +genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat +bloemen. + +„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik +terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.” + +„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en +ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog +wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den +brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille +van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik +haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer +mocht belanden. + +Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als +karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich +aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd: +„Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een +diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit: + +„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier...” toen +hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste +figuur. + +„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen. + +„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet +je nooit hoe laat hij komt.” + +En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van +wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween, +toen Janne eerwaardig binnenstapte. + +„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht +eenige winters meér bezat. + +Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door +tegen Kitty te zeggen: + +„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer +voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen +vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar +listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou. + +De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat +hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons +sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en +sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen +met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die +riep: + +„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?” + +„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang. + +„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de +deur van de huiskamer. + +„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!” + +„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém +heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf. + +Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar +wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch +bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn: + +„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht. + +„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw +vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas +over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen +door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig +open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik +ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje. + +Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van +Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een +deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven ... Loekie...; als ze +zich maar stilhield. + +Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken. + +„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig +en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot. + +„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond, +terwijl ik den sleutel in den zak stak. + +„Sst!” deed ik angstig. + +Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de +schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan +kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de +naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen +aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar +beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer +neerstreek. + +Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen +verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje +moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet +meer uit, loog onbevangen: + +„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb +afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf +handjes en ging. + +„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde +welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in +de keuken, gaf Janne haar fooi. + +„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel. + +Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er +bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn +bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar +blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne +hempje, waren zichtbaar. + +„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing +voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de +dekens, bleef met éen oog naar me kijken. + +„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik. + +„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze. + +Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar +verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze +kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes +en de sigaretten in bed gekropen was. + +„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan. + +„Hoezoo, Loekie?” + +„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.” + +„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd. + +„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat +ik ze óok veel liever zóo zag. + +Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig +éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het +andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn +kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel. +Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen, +de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de +roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden +hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze +een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een +sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele +lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige +bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk +vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd +in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die +over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen +kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond +veroordeelen. + +Ik niet. + +„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie. + +Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel, +leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het +lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de +ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig. + +Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de +vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy +binnen. + +„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte +toonend over haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus +nog altijd offside?” + +„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon +verdragen over de lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn +ruikinrichting. + +„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het +kaarsje op de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was, +sprong ze op met een kattig-vlug gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar +deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in de sofa te +suffen zat. + +„Au—schei uit!” schreeuwde hij. + +„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes +op zijn schoot zitten. + +Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar +jonge lichaam door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is +het dat hij zich oerdeeglijk hield en commandeerde: + +„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!” + +Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in +waardeering verschillen kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde +speelsch de keurige scheiding. + +Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval +aan te zien... En toen stond opeens Toos midden in de kamer. + +Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik +van zich laten merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een +standje met een kwitantie op de stoep hebt; dat juist een deur zal +opentrekken als de daarachter-zittende vergeten heeft het haakje er op +te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde? + +Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar +kleeding tegenover een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok +en met zenuwachtige bewegingen de afgezakte roodzijden schouderbanden +weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, stond er betoeterd bij, zei +toen hakkelend: + +„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen +onhartelijk mocht heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht +haar toevlucht bij mij, verborg haar blozend hoofdje aan mijn borst, +terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes legde. Toos mocht +ze eens áanvliegen. + +Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op +heeterdaad betrapt”-tooneeltje, dat ik opeens in een schaterlach +loskwam. + +Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen: + +„’t Is schándelijk—’t is schándelijk!” hijgde ze. + +„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je +het tegen den commissaris van politie in eigen persoon opnemen. + +„Hou je stíl!” barstte Toos los. + +„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend. + +„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos. + +„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend. + +„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos. + +„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren. + +„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen +holde ze de kamer uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer +hoorde ik den twist losbarsten. + +„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch +al weinig aangetrokken had. + +„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze. + +„Och wat,” kwam ik luchtig. + +„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me +week. Die ellendige Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn +armen voelde ik het lenige lichaampje schokken in hortend gehuil. Er +moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte oogen, zette +haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer. + +„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de +vuist op tafel,—„dat zal ik zélf doen.” + +„En haar vóorliegen,” keef Toos. + +Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en +weer, bulderde: + +„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat +meisje,—of ze het niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders +niet?—Kom ga mée!” + +„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!” + +„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift. + +Toen kwam Janne binnen. + +„Ai jesses nog aan toe,” verbaasde ze zich. + +Maar Janne was een uitkomst. + +„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik. + +„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne. + +„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik +verder. + +„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!” + +„Zíj,” wees Boy op Toos. + +„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die +liegt met permissie!” getuigde Janne. + +„Nou hóor je het!” zei Boy. + +„Is het héusch?” vroeg Toos. + +„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken +van m’nheer Boy,” verweet de dienstbode. + +De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen, +zelfs niet door Toos. + +„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze. + +„’t Wordt tijd,” meende Boy. + +„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader. + +Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze +had naar ons verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de +huiskamer, hoorde boven stemmen „en toen—nou toen vond ik jullie met +die ... die...” + +„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan. + +„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze. + +„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik. + +„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos. + +„Dat is je geraden,” kwam ik valsch. + +Toos ging. + +„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan +Janne. + +In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze +gekleed, klaar om heen te gaan. + +„Wat zijn dát nou voor kuren?” + +„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig. + +„Toe nou—je bent er pas.” + +„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze, +en haar lippen begonnen te beven, ze stond op huilen. + +„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag, +den heelen avond, den heelen nacht.” + +„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af. + +„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil +je dien hoed wel eens afzetten, en den mantel uit, en de +handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande ik, haar in mijn armen +vertroetelend. + +En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de +handschoenen; en ook de bloese en den rok en al haar wondere fijne +kanten en zijden verborgenheden, die ik met voorzichtige vingers haar +afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen woelden in mijn +haar. + + + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +GEHEIMZINNIGHEDEN. + + +Kitty vond Bram en mij voortaan „schandelijke jongens,” maar bleef van +Boy’s voorbeeldigen levenswandel overtuigd. + +Tot op een zekeren dag een naamlooze brief de jonge verloofde +waarschuwde voor haren aanstaanden wettigen echtgenoot; het velletje +was onderteekend door „een trouwen en gedevoueerden vriend.” + +Den Haag doet steeds wanhopige pogingen om een wereldstad te gelijken, +geen wonder dat dus ook dáar men elkaar het leven verzuurt met het +grootsteedsche middel van anonieme brieven. Daar echter noch Kitty’s +familie, noch Boy tot de „côterie” behoorden, zaten ze met het +geheimzinnige schrijven in, evenals een kantoorklerk die een +prijsgekroonden jachthond ontvangt.—Na het eerste moesten andere +schrijfsels volgen, en Kitty werd stil. + +Zoo kwam eens Boy met een epistel thuis. Er werd in verteld, dat hij +dien avond een afspraakje zou hebben bij de eerste sluis van het +ververschingskanaal. + +„’t Is poëtisch,” meende Bram. + +„Ik ga er naar toe,” besloot Boy. + +„Wie denk je dat het is?” vroeg ik. + +Bram, die druk Sherlock Holmes leest (je hebt dat meer met menschen die +in de letteren studeeren), zat het ding onder een loupe te begluren: + +„Je zoudt zeggen, iemand met een koppig karakter;—kijk maar eens wat +een hoop rechte verticale en horizontale lijnen.” + +„Stik met je koppig karakter,” kwam Boy botweg; „’t is de katjang, dat +is zoo klaar als een klontje.” + +„Dáar had ik nog niet aan gedacht,” bekende Bram. + +„En als ik hém vanavond vind,” ging Boy door,—„dan zal ik hem op z’n +dikken bek slaan, dat hij geen pa en geen ma meer kan zeggen.” + +„Bega geen stommiteiten,” verzocht ik. „Bram en ik zullen gaan.” + +En we gingen. Het was koud en motregende. + +„Er zijn twee sluizen,” merkte Bram op. + +„’t Is de eerste,” verklaarde ik. + +„Dat ligt er aan van welken kant je begint te tellen,” filosofeerde +Bram treffend. + +„Dan gaat er een naar de zee-, de andere naar de binnensluis,” loste ik +op. + +Bij een lantaarnpaal wierpen we kruis of munt. Ik liep er in en +dierhalve vloekend naar de zeesluis. Waar ik me in den regen en den +wind, alle katjangs en naamlooze brieven naar de hel verwenschend, ’n +half uur lang te vertrappelen stond. + +Thuisgekomen lag Bram al voor de kachel een pijp te rooken. + +„En?” vroeg hij. + +„Niks gezien. Jij?” + +„Geen kip.” + +Waarop Boy meende dat we kuikens waren. + +Bram, die een speurdersgeest heeft, nam me den volgenden middag +terzijde. + +„Nou gaan we katjang zoeken.” + +„En den boel bederven.” + +„Nee—laat mij maar begaan.” + +„Nou vooruit maar,” gaf ik toe, bedenkend dat het geval moeilijk +verwarder kon worden. + +Bram’s doel was de Bordelaise. Den Haag is zoo’n wereldstad, dat je in +de Bordelaise en in Centraal de geheele bitterbende vinden kunt. En +katjang zát in de Bor. + +„Dag Piet,” zei Bram vriendelijk, „dat is leuk dat we je eens +ontmoeten.” + +Piet vond het ook charmant en we gingen zitten, dronken een +„schilletje”. + +„Zie je veel lui in den laatsten tijd?” vroeg Bram. + +En de katjang sneed gretig op van al de donderjolen en de barre fuiven +die hij meegemaakt had, vertelde hoe hij verleden nacht vijfhonderd pop +op den Jockey-club had laten zitten bij een baccarat. Maar dat gaf +niets. Wat hem in den weg zat, dat was, dat die Lena, „je weet wel die +magere meid uit Flora?” hem niet los wou laten, terwijl hij toch zóo +genoeg van haar had. + +„Ze is mal van je hé?” vroeg Bram. + +„Stapel man,” snoefde Piet. + +„Ja dat hoorde ik,” loog Bram. + +„Zoo? Och ja, ze tóont het ook zoo,” kwam de katjang gevleid. + +„Gelukkige kerel,” verlakte ik, Bram een duw met mijn knie gevend. + +Maar Bram bleef ernstig. + +„Je moet naamlijk weten Piet, dat deze hier,” en hij wees op mij, „óok +mal van haar is en graag eens aanpappen wou.” + +Ik hield een staal gezicht bij deze aantichting. + +„Och kom?” glimlachte katjang, „maar jij bent toch met een andere meid, +zoo’n modehip meen ik.” + +Het liefst had ik katjang op zijn gezicht geslagen, wel niet zoo hard +dat hij geen pa en ma meer kon zeggen, maar toch ook niet zóo zachtjes +dat hij geen au riep. Maar ik hield me al weér goed, aangespoord door +knieduwingen van Bram, die mij met het tweede schilletje deden morsen. + +„Och, dát is al voorbij,” bekende ik luchtig. + +„Ja, nooit lang bij éen vrouw blijven, dat is zoo insipide,” vond +katjang. „Maar weet je, ik zeg het je om je te waarschuwen: Lena is een +dúre meid, ze kan een hoop geld aan.” + +„Dat heb ik er voor óver,” blufte ik. + +„Ze zou je kunnen ruïneeren,” voorspelde katjang patserig. + +„Hem?” kwam Bram even patserig. „Hij heeft geld genoeg om tien Lena’s +te onderhouden.” Een bewering die te pijnlijk voor me was om te beamen. + +„Goed ik zal je voorstellen, dan bewijzen we elkaar een dienst,” deed +katjang vriendelijk. + +„Schrijf een aanbeveling,” raadde Bram, en ik begon lont te ruiken. + +De kellner bracht de schrijfbehoeften en met een spatpen, een van die +pennen die je alleen in café’s en postkantoren aantreft, krabbelde hij +een aanbeveling voor de wonderlijk begeerde Lena. Zijn schrift beefde +een beetje doordat Bram me voortdurend aanstootte, maar het leek +desniettegenstaande volmaakt op dat der naamlooze brieven. + +„Wie stoot er toch zoo?” vroeg de argelooze, ezelsdomme Piet. + +„Ik;—m’n been sliep,” verklaarde Bram. + +En toen gingen we vlug naar huis, waar we Boy op zijn kamer vonden, +handen in het haar. + +„Scheelt er wat aan?” vroeg ik. + +„’t Is uit!” kwam hij stil. + +„Wát?” stamelde Bram. + +„Pa meende, dat je geen koe bont noemde als er niet een vlekje aan +zat,—waarop ik geantwoord heb, dat je ook nooit wist hoe een koe een +haas ving, en dat ik er wel áchter zou kunnen komen wié die vodden +schreef...” + +„’t Is de kátjang; we weten het nou,” riep Bram zegevierend. + +„Waarachtig?—hóe weet je het?” sprong Boy op, met flikkerig-nijdige +oogen. + +Bram gaf de aanbeveling voor Lena, legde het geval uit. + +„Godverdomme—de ploert! Ik wórg den vent!” en Boy sloeg met de vuist op +tafel. + +„Zie je—zoo is morgen de zaak weer gezond,” kalmeerde ik. + +„Nee—dat is die niet,” en Boy ging slap weer zitten. + +„Vooruit nou,” lachte Bram. + +„Kitty...” aarzelde Boy—en toen opeens driftig: + +„Ze gelooft het wel niet heelemaal, maar ze wantrouwt me. Dàt maakt me +kapot, dàt vreet me op. En daarom heb ik zèlf het ook maar uitgemaakt.” + +„Je bent gek,” meende Bram bot. + +„Hou je smoel—je weet niet wat je kletst,” stoof Boy op. + +„’t Komt wel terecht,” suste ik. + +„Dat komt het niet.” + +„Zullen we er héen gaan, hun uitleggen van den brief?” trachtte Bram. + +„Nee laát dat maar.” + +„Laat nou geen misverstanden blijven bestaan,” kwam ik wereldwijs. + +„Er is geen kwestie van misverstand. Kitty denkt dat ik lieg. Kitty +gelooft me niet, en daarmee is de zaak uit. Dus komt ’t niet meer in +orde.” + +Bram en ik, die het argument voelden, hielden ons toen maar stil. + + + +Dienzelfden avond had Boy alweer zijn alledaagschen trant herwonnen. + +„Wanneer komt Loekie nu weer eens?” vroeg hij. + +„Ze wou van avond komen, als je het niet vervelend vindt,” beweerde ik +met een doodgraversgezicht. + +„Ben je màl?—integendeel.” + +„M’nheer,” kwam Janne binnen, „juffrouw Loekie, die ondeugende meid, is +vanmiddag nog even hier geweest.” + +„Ze komt straks wel,” voorspelde ik. + +„Daar zèg ik het niet voor,” weerde Janne af, „ze is hier of ze +kòmt,—daar leit ’t niet aan,—maar ik wou dat u d’r is een beetje d’r +rare kunsten afleerde.” + +„Wàt voor rare kunsten?” Ik vóelde mijn verantwoordelijkheid. + +„Vanmiddag heit ze, uit baloorigheid, me een poets gebakken, zeker +omdat ù niet kwam,” klaagde Janne. + +„Wàt dan toch,” kwam ik in spanning. + +„Ze heit... Wacht ik kom zóo weerom,” en Janne verdween in de beste +kamer. + +We keken elkaar aan, in wilde verbazing. + +„Och meheer,” verzocht Janne van achter de deur, „kijk u toch eens even +naar de biefstuk.” + +We kéken naar den biefstuk, kregen twist of hij al dan niet omgedraaid +moest worden, en toen Janne terúgkwam was hij natuurlijk aangebrand. + +„Ai jesses nog an toe—ik kan het niet helpen heere.—Die verdomde judas +van een meid ook!” + +„Allemachtig Janne, zou je nou eens willen vertellen?” maande Bram aan. + +„Ben ik even weg uit de keuken en daar heit ze me stiekem wonderolie in +m’n thee gedaan,” helderde Janne op. + +We gierden het uit. + +„Jannepans—zeit ze toen—je thee wordt koud; wacht zal ik es effen +roeren? En toen roert ze en zet me de kop aan den mond en giet ’t er +zóo in.” + +„Waarom heb je het gedronken?” schaterde ik. + +„Och—ze heit zoo’n lieve manier van doen en toen ze me hielp drinken +vond ik het wel leuk.—En ik slokte ’t in éene op. Je kent aan dat kind +niks weigeren als ze wat wil.” + +„Nee,” zei ik, die er van mée wist te praten. + +„En toen ik het óp had,” vervolgde Janne, „zeg ik zoo:—wat een rare +smaak het die thee. En toen zij aan het lachen, op stuipen af, en toen +zeit ze me: „er zat wónderolie in”, en smeert ’m meteen.—Zoo’n +verduvelde meid.” + +„Hoe is het gegáan?” vroeg Bram. + +„Als gesmeerd vermoedelijk,” meende Boy. + +„Dat ging het nét. Ik ben er met permissie geen kwartier van áf +geweest. De heere moeten me maar eens verekskuseeren, ik heb op het +eten...” + +„Hoe zoo, heb je ook op het eten...?” huiverde Bram. + +„Nee,”—kwam Janne beleedigd, „ik heb er niet op kunnen lètten. Hé—ai +jesses nog an toe—ik voel me zoo áaklig.—Wacht, ik kom zóo terug.” En +Janne holde weer weg. + +Het eten was óf ongaar óf aangebrand; de bediening had groote gapingen. + +„Een flauwe mop eigenlijk,” vond Bram, die een kieskeur is. + +„Ik zal het haar afleeren,” beloofde ik. + +Net ging de bel over. + +„Och doet ú even open,” verzocht Janne van achter de deur. + +Ik trok aan het touw. + +„Dág,”—schalde Loekie’s stem, „waar is Jannepans?” + +„Dat snap je wel,” trachtte ik ernstig te doen. + +Loekie kwam binnen. Met haar grooten zwarten hoed, haar nauw om het +lenig lijf sluitend manteltje en dúrvend engen rok, zag ze er snoezig +uit.—Maar ik nam ál mijn ernst bijeen om haar een standje te maken. + +„Geef je me niet eens een zoen?” vroeg ze. + +„Eerst zal je excuus aan Janne vragen,” deed ik stug. + +„Ze zei zélf dat ze verstopt was,” verdedigde Loekie zich pruilend. + +„Je hebt óns het eten er mee bedorven,” nijdigde Bram. + +„Die grappen láat je nu voortaan maar,” kwam ik nog met een laatste +greintje gemaakte boosheid. Loekie—goedig kind, dat geen ernst +verdragen kan, stond aan haar rok te plukken, oogen neergeslagen. Ze +was góddelijk zoo. + +„Is het nou zóo erg?” pruilde ze zachtjes. „Ik heb wat lékkers +meegebracht voor Jannepans,”—en uit haar taschje haalde ze een zak +haagsche hopjes. + +„Zoo rakker,” zei Janne, binnenkomend. + +„O Jannepans, ik zal het nooit, nooit weer doen,” beloofde ze. + +„Nee, éen keer is genoeg,” vond Boy. + +„Toe—Jannepans,” smeekte Loekie, „hier is wat lekkers.” + +„Ja dat ken ik nou tóch niet eten,” verklaarde ze bars. + +„Hè, tóe nou,” hield Loekie aan. „Ben je bóos Jannepans?” en ze trok, +als een kind, de oude meid aan haar schort. + +„Komkom—op joú kan niemand boos wezen,” lachte Janne weer. „’t Is al +weer over hoor.”—Ze bedoelde haar boosheid. + +„En noú geef je me een zoen,” juichte Loekie, doodop van zooveel ernst +neerzijgend op mijn schoot.—Ik gaf haar een en toen nog een +heeleboel.—Janne ging heen, vermoedelijk niet naar de keuken. + +Loekie trok mantel en handschoenen uit, zette den grooten hoed af en +ging goedig in de keuken vaten wasschen. + +„Je blijft er af,” bedilde ze, toen Janne zich er mee bemoeien wou, +„jij bent ziek vanavond.” + +„Zoo’n duvel,” glimlachte Janne, die zich nog steeds onledig hield met +zich te ledigen. + +Daarna diende Loekie thee op. + +„Zit er wéer wonderolie in?” informeerde Boy. + +„Welnee. Toe, geef me een sigaret,” kwam Loekie, en ze drapeerde zich +met het tafelkleed, nam mijn filten hoed en danste niet +onverdienstelijk een spaanschen dans. + +„Bonjour, bonjour,” riep ze, het tafelkleed op de sofa werpend en me +bij de hand naar mijn kamer meetrekkend. + +„Ben je nog boos?” vroeg ze, de armen om mijn hals. + +„Malle Loekie, ik ben nooit boos geweest,” lachte ik, al mijn +waardigheid vergetend. + +„Mag ik blijven vannacht?” vleide ze. + +„Natuurlijk.” + +En ze rende weg naar mijn slaapkamer, kwam terug met losse haren, het +lichaam gehuld in de plooien van een wijden warmen blauwen kimono, de +voetjes in een paar persische muiltjes gestoken. + +„Zoo voel ik me veel prettiger,” verklaarde ze leuk. + +O, heerlijke ondeeglijkheid! Ze heeft me nooit berouwd toen ik er in +later jaren armoe door leed. + + + +Den volgenden dag gingen Loekie, Boy en ik de stad in, want Loekie +moest een nieuwen hoed hebben, èn een heeleboel fijn-zijden kousen èn +een paar nieuwe lage lakschoentjes. + +En zoo wilde het ongeluk, dat het vroolijk snappend kind ons de Passage +binnenlokte en dat Boy opeens den katjang voor de Bor ontwaarde. + +„Zoo verdomde smeerlap,” zei Boy, suikerpiet bij den schouder pakkend. + +„Wat moet je?” vroeg deze. + +„Heb jij nog meer brieven aan Kitty te schrijven?” kwam Boy ingehouden +woedend. + +„Laat me lòs,” riep de katjang, die vaal werd. + +„Daar!” en pardoes gaf Boy hem een klinkende oorvijg, die onder het +glazen dak ná-echoën bleef. + +„M’nheer, ben je bedonderd?” kwam de katjang beduusd. + +Pats, sloeg hem een tweede oorvijg tegen de tafeltjes. De menschen +stoven op, we kregen bekijks.—En toen deed de katjang, die te laf was +om een klap terug te wagen, iets waardigs om zijn figuur te redden. + +„M’nheer, m’n kaartje, m’n kaartje,” schreeuwde hij, grabbelend naar +zijn portefeuille, en het karton met breed gebaar overreikend aan Boy, +die ingehouden kalm afwachtte, besloten tot alles. + +„Hier, m’n kaartje, m’nheer,” stotterde de katjang weer. + +„Och ventje, toen ik zoo oud was als jij, hàd ik zulke mooie kaartjes +niet eens,” kwam Boy snijdend. + +„Op de sabel m’nheer, op de sabel,” snoof zenuwachtig katjang. + +„Breng ’m goed scherp mee, dat ik er me mee scheren kan,” geestigde +Boy. + +De Bor-bezoekers zaten te schateren. Loekie, die eerst stil geweest +was, riep gierend: + +„Ik lach me dóod!” + +Waarop Boy ernstig zei: + +„Sst! Loekie, pas op met dien m’nheer, hij stéekt je straks nog dood.” + +„Een duel, m’nheer, een duel!” schreeuwde de katjang, die zich wanhopig +belachelijk voelde. + +„Jongen, schreéuw zoo niet, we wéten het,” suste Boy, en dan: „Kassian, +soeda dan maar, drroom err nou maar niet van, já?” + +Nooit is er in de Bor harder gelachen, vooral toen Boy, heengaand, +Piets hoed afmepte, zeggend: + +„En je hóed af als je met groote menschen spreekt.” + +„Dag kàtjang!” schalde Loekies stem nog. + +„Dat lucht op,” vond Boy, zich door het gedrang wringend. „En waár gaan +we nu Loekies kousen koopen?” + +Loekie verklaarde dat ze wel een winkel wist. + +Bram werd door ons drieën verrast. + +„Ik heb een duel,” verkondigde Boy. + +„Vernachel jij je tante,” raadde Bram. + +„Heusch!” schaterde ik. + +„Met den ouwe van beneden?” veronderstelde Bram. + +„Nee met kàtjang!” juichte Loekie en trok toen haar nieuwe +lakschoentjes uit, grabbelde het pak kousen uit mijn jaszak, trok het +oude paar uit en een nieuw paar—paarse—aan. + +„Geef die oude maar aan Jannepans,” verzocht ze, niet bedenkend wat +Janne met opengewerkte zijden kousen wel zou moeten beginnen. + +„Allemachtig mooie beenen heeft Loekie,” vond Bram, wien het duel geen +snars kon scheelen. + +„Kijk vóor je,” maande Loekie, die niet de minste moeite deed haar +mooie beenen, en meér nog, te verbergen. + + + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +HET DUEL. + + +Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der +wereld, in Loekie’s armen, toen Boy klopte. + +„Wat is er?” gaapte ik. + +„Kom beneden.” + +„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte +het slapende kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen. +Hij keek even naar Loekie, fluisterde verteederd: + +„Allemachtig wat is ze zóo lief.” + +„Ja maar, wat is er nu?” + +„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die +sterk naar Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te +schateren. + +„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij. + +„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op. + +„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.” + +„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde +en dan maar weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs +voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen die vloekten bij mijn pyama. +Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt achter een +krant. + +„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig: + +„Ja—heel goed,” antwoordde. + +„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers. + +„Och kom?” + +„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren...” + +„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te +verontschuldigen: „Ik lees daar zoo’n malle advertentie.” + +„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee. + +„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram. + +„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting +vaststellen. Den beleedigde—want m’nheer Piet is in deze de +beleedigde...” + +„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde +chevaleresque aan de getuigenvereeniging deelnam. + +„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een +hoogrood congestiehoofd op springen zat. + +„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde +weer de eerste getuige. + +„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan. + +„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams +lach achter de krant los. + +„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik. + +„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy. + +„Om je dóod te lachen,” gierde Bram. + +„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel +uitscheiden,” merkte katjang-een geraakt op. + +„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden +kon. + +„Wát?” vroeg getuige-twee. + +„Uitscheiden,” stamelde Bram. + +„Nee—dóorgaan,” vond ik. + +„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig. + +„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige. + +„Nee—géen sabel,” kwam Bram. + +„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe. + +„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram, +die blijkbaar niet wist dat je met een sabel niet sták. + +„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik. + +„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan. + +„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol. + +„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs. + +„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij. + +„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram. + +„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik. + +„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m +betalen,” voorzag Bram. + +„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige. + +„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de +tweede. + +„Op de pistool,” bevestigde Bram. + +„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een +stilte. + +„Die kóóp je,” meende een der getuigen. + +„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n +malleboel?” + +„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.” + +„Best,” vonden de katjangs. + +„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek. + +„Dat is gevaarlijk,” vonden de bezoekers. + +„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen +hoefde, met de veeleischendheid van een toeschouwer. + +„Tegelijk schieten?” vroeg ik. + +„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde. + +„Dat zijn geen gelijke kansen,” verontwaardigde zich Bram. + +„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy. + +„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik. + +„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg +schieten, want dan krijg je beslist ongelukken.” + +„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend. + +„En wanneér dus?” vroeg Bram. + +„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee. + +„Dat is?” + +„Half zeven.” + +„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy. + +We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier. + +„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy. + +„Och dat is niet noodig,” meende ik. + +„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij. + +„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,” +beloofde Bram. + +We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde: + +„Is uw vriend een goed schutter?” + +„En òf!” en ik vertelde de katervelling. + +Piets getuige werd stil. + +„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog. + +„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met +leedvermaak den doodsschrik op het lijf. + +„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,” +verklapte de ander. + +„Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik. + +En toen gingen ze heen, vergetend te groeten. + +„Hoor nu eens even,” zei Boy ernstig—„nou geén grappen met ongeladen +patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet +voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van +hebben, en als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus +geen grappen hè?” + +We beloofden. + +„Dank je,” zei Boy. + +En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar +Loekie, éen open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag. + +„Wat wàs er?” vroeg ze. + +Ik vertelde het geval. + +„Mag ik mee?” + +„Nee, dat kàn niet, Loekie?” + +„Hè, tóe nou—wat flauw.” + +„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand. +Je zult kou vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.” + +„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij. + +„Altoos als je wilt.” + +„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?” + +Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee +lebberen en de boterhammen met veel jam oppeuzelen. + + + +Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken. + +Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik +in een chamberloek,—toen opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas +van de andere wereld klonk. + +Meteen kwam Janne boven: + +„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het +schieten—ogotogot—aan het schieten, m’nheer!” + +„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens. + +„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er +net een revolverschot losdreunde. + +„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik. + +De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal +neergelaten en lieten flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De +schuifdeuren naar de eetkamer stonden open en in de serre had hij op +een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, met een brandend +kaarsje er voor. + +„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.— + +„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp +bemachtigde.—„Geraakt!” + +De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook. + +„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?” + +„Ik train me,” verklaarde Boy. + +„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je +kans om aan den overkant van de tuintjes iemand te raken.” + +„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die +tegen een verstokten idioot redeneert. + +„En als je er làngs schiet?” + +„Ik schiet er niet langs, verbeél je.” + +„Dat weét je niet,” hield ik vol. + +„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig. + +„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen +zooals aan Bram;—er kan... Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik +gezaghebbend. + +„Vast niet,” koppigde hij. + +„Ja,” hield ik vol. + +„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie. + +„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op. + +„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne. + +„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op +tafel. + +„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk, +den patroonhouder er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den +Browning in den zak stekend. + +„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy. + +Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de +onderbuurman brieschend verzet aanteekenen. + +„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan +kwam ze binnen: + +„Die m’nheer van onderen wou u spreken.” + +Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer. + +„Hier werd geschoten,” meende hij. + +„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,” +verklaarde Boy. + +„Ik meende...” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend +aan de schemering der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote +enkels en kuiten had, waarvan hij de schoonheid niet op prijs wist te +stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg onder den kimono, die nog het +kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde. + +„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,” +jammerde hij. + +Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur +uitzette. + +„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik, +hevig ontroerd. + +„M’nheer!” + +Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een +spuitwaterflesch op den hoed en in den nek: een paar korte, floepende +stralen. + +„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze. + +Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit. + + + +Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk, +vond het geval ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding +voor het tweegevecht, toen Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den +kimono droeg maar toch door mij overtuigd was, dat een paar kousen en +een hemdje er onder „gekleeder” stonden. + +Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle +handje toestak. + +Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen +champagne,—je wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden +was!—en Henk en Loekie kregen de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg, +dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, en bij Loekie, dat ze met +theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al bij voorbaat +uitlachte. + +Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten +we maar óp te blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen. + +„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram. + +„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat +jodiumtinctuur.” + +Loekie vond dat alweer ijselijk mal. + +„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik. + +„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend. + +„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter. + +„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich. + +„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk. + +„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram. + +„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.” + +„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie. + +Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost. + +We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge +operaties, die Loekie stil maakten. + +„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat +ernstig gebeurd weet ik er óok geen raad mee.” + +Maar Boy trok zich daar niets van aan. + +„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet, +heb je kans dát ie raak schiet.” + +„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk. + +„’t Loopt wel los,” suste ik. + +En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend +gevoerd, nu Loekie op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op +mijn schouder.—Om half vier dutte Boy, misschien zijn láatsten slaap; +om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst te snorken, weggezakt +in de leunstoelen. + +Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood ... +sla, sla...” en dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „... +dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje half open; ze zag zeker +grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; met +moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte +niet toen ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze +dichtdekte en haar de haren van het voorhoofd streek;—ze glimlachte +maar in haar droom. + +Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het +ronkende, knikkebollende drietal op de tafel; toen zocht ik een +plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig +wakker, legde het hoofdje op mijn schouder ... en sliep weer in. + +Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef, +stond ik op, ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met +een nijdigen armzwaai het lawaaimakende ding van de tafel in een hoek, +waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde hij en dommelde weer in. +Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het gaf niets; +toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht: + +„Godverdómme!” vloekte hij. + +„Opstaan,” gebood ik. + +„Waarom?” + +„Je moet duelleeren.” + +Dat deed hem klaarwakker worden: + +„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?” + +En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons +kwam er weer bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden, +werd nijdig: + +„Schei uit—nou géen gekheden!” + +Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den +revolver in den zak. + +„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy. + +„Een stuk of zes geloof ik.” + +„Dat is wéinig,” vond Boy. + +„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels +er gewisseld moeten worden.” + +„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche +veeleischendheid. + +„Een is genoeg,” voorspelde Boy. + +En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s en op mijn step +staan, want Boy moest gespaard worden. + +Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist. + +„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn +jaskraag. „Wat een pest—zóo vroeg op te staan.” + +Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis +over,—zwoegen met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd +verlaten lag het strand.—Het was half zeven. + +„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk. + +We gingen liggen tegen het duin, rookten. + +„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy. + +„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen +moet,” meende Bram. + +Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie +katjang. + +„Vertrapt deftig,” meende Boy. + +„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk. + +De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af, +groetten. Piet, vaalbleek, oók in feestkleedij, hield zich op een +afstand, dicht bij het rijtuig. + +„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend. + +„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend. + +De getuigen kuchten toen: + +„Onze vriend Piet—wilde ... hm ... wilde zijn verontschuldigingen +aanbieden.” + +We keken verbluft, maar Boy: + +„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken +bedremmeld, maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en +van m’nheer uw vriend neem ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg +voor opgestaan en ik wil hier niet komen voor Piet snot.” + +„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet +katjang werd gesproken. + +De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg +valer werd. + +„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy. + +„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó +gezellig is het hier niet.” + +De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug +staan, stapten we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een +kuil. + +„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle +duelregels in. + +Bram lootte met den anderen getuige om de plaats. + +Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken. + +„Vooruit heeren!” verzocht ik. + +Maar Bram begon opgewonden te gebaren: + +„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders +gedecideerd voor hun raap,” voorzag hij. + +De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen +terug. De koetsier, die van het heele geval niets begreep en half +angstig, half belangstellend,—zooals men naar gevaarlijke krankzinnigen +kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht te waarschuwen als +iemand van den kant der sluizen mocht komen. + +Bram bracht Boy naar zijn plaats: + +„Trek je jas uit,” gebood hij. + +„Ben je mal? ik verrek van de kou,” betoogde Boy. + +„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op, +dat je witte boord geen mikpunt geeft.” + +Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit, +vroeg: + +„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?” + +Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig. + +„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag +zwachtels schikkend. + +„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik +wel voor.” + +Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich +sullig den revolver in den hand stoppen. + +„Opgepast!” riep Bram. + +Boy, handen in de zakken, sigaar groot dampend in den mond, hoed in de +oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen kropen wèg +achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van +de duelleerenden. + +„Aanleggen,” gebood Bram. + +Maar katjang maakte geen bewéging. + +„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op. + +De arm ging slap omhoog. + +„Vuur!” kommandeerde ik. + +Pang! knalde het schot. + +„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog +al maar rechtop stond te rooken. + +„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets +kogel, vlak voor hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had. + +„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb +nog gezegd: niét luk raak schieten.” + +De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje. + +„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven, +tranende oogen weer wat kijken kon. + +Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop. + +„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval +geen raad meer schenen te weten. + +„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand +zág. + +„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn +allen sjorden we katjang op, die klappertande en groote droppen +zweette. + +„Klaar?” vroeg Bram. + +„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde +Boy, die de sigaar had weggeworpen. + +„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden +geschaard, Henk ditmaal ook. + +„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het +schot was afgekomen. Deze bleef staan, onbesloten.—„Schiet óp!” gebood +Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer beenen +en verdween. + +„Dus aanleggen!” riep Bram weer. + +„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te +schommelen stond. + +„Hij is zát,” fluisterde Henk. + +„Vuur!” kwam Bram. + +Pang!—katjang sloeg neer, achterover. + +We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes +doodgeschoten wordt, vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure +gebied op tooneel en in bewegende lichtbeelden vertoond door achterover +vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we hadden nu eenmaal nooit +iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het nu écht was. + +Dan snelde Henk op het lijk toe. + +„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op +ieders gezicht stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij +bedacht, dat maar het beste was naar Amerika uit te wijken. + +Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter +neergehurkt bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o +schrikwekkende aanblik!—bewóog en begon in stuipbewegingen de maag te +ledigen. + +De katjang was flauw gevallen! + +Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem +overmatig over het hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende +mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen uitspuwend,—kwam hij óp +te zitten. + +„Ellendige lafbek!” woedde Boy. + +„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen +laten en hard wegloopen. + +Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig +door het zand. + +„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich. + +Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen. + +„Vooruit m’nheer—uw equipage staat vóor,” ginnegapte Henk, den +vadoek-achtigen Piet opsollend. + +„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende +scheur in Piets schouderwatte. + +„Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy. +En dan, katjang hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend: + +„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden +geschreven heeft, versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een +tweeden keer kom je er zóo niet af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je +vuil maken, maar als je me nog eens in den weg zit, stuur ik een +mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden plat +slaan.” + +„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend. + +„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag ga je onmiddellijk en +je maakt je excuses.” + +„Ik ... ik...” stotterde het slachtoffer. + +„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze. + +„Ik ... ja ... ja—ik ... ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet +stumperig. + +„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er +op,” treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang, +die op onraad wees. + +Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om +de beurt op onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme +kachel en een cognacje, onze verkleuming vergetend, we het malle geval +beschaterden. + +Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin +ze zich verslikte toen ik haar katjangs figuur verhaalde. + +Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de +wangen, ter belooning. + +„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy. + +„Ik ook,” openbaarde Henk. + +Maar Loekie ging op mijn schoot zitten: + +„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig. + +„Jammer,” vond Henk. + +Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in +de „Twee Steden.” + +We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me +niet meer hoé.—Alleen weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den +kellner stichtte, door een prentkaart voor vijf personen en eén +kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich +beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te +helpen. Bram tolde met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit +te komen.—Loekie verzocht aan den conducteur van Henks tram, om goed op +den jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd +uitstapte en zijn pasje niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake, +verklaarde dat hij zich èrg aaklig voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel +had alsof hij moest trouwen. + +Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle +heugenis. + +Dat was misschien ook wel beter. + + + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +HET EINDE NADERT. + + +Kitty had een langen lieven brief geschreven, waarin vele vervloekingen +vielen op katjangs katterig hoofd en elke nieuwe regel met een +herhaling van verontschuldiging begon. Ook schoonpapa had geschreven, +Boy verzoekend het „betreurenswaardige misverstand” te willen vergeten +en zijn bezoeken te hervatten.—Maar Boy wilde daarvan niets weten, +antwoordde, dat de verhouding toch nooit meer zou worden als ze geweest +was en voegde er bij, dat hij van zins was in het buitenland zijn geluk +te gaan speuren, waar hij hoe langer hoe meer begreep niet voor het +zoete, vlakke, emotielooze leven geschikt te zijn. + +Dat begonnen we overigens alle drie wel te voelen. Boy was niet meer in +Delft te bekennen, maar bedreef veel liefde in Den Haag en bracht +telkens àndere vrouwelijke logés over den vloer.—Ook hèm was de +deeglijkheid opgebroken. + +Met Bram was het heelemáal mis. Hij had uit zuivere nieuwsgierigheid de +magere Lena uit Flora opgezocht en fuifde heele nachten met haar door, +hing den volgenden dag landerig in een stoel, om ’s avonds weer te +beginnen.—En zoo wilde het ongelukkige toeval, dat hij op een avond, +meér dan aangeschoten, met magere Lena aan den arm, zijn papa van de +kleine steentjes liep. + +Papa hád reeds verdenkingen op den levenswandel van zijn zoon. Reeds +eénmaal had Lena hen samen op straat vrijmoedig toegeknikt, waarop papa +ernstig had gevraagd: + +„Zeg Bram, kèn jij die vrouw?” + +„Neen pa—ù soms?” had zoontjelief toen gevat vermogen te antwoorden. + +Maar papa, die zeker wist die vrouw niet te kennen, had argwaan +gekregen. Toen dus het tweetal—in kennelijken staat van +dronkenschap—hem van de kleine steentjes liep, had papa besloten er een +einde aan te maken. + +Den volgenden dag kwam hij ten onzent, betrapte Loekie in den kimono en +stoof met een ongemakkelijk gezicht de zoogenaamde „studeerkamer” van +zijn zoon in. + +„’t Is uit,” had pa gezegd. + +„Best,” had Bram gevonden. + +„Als je niet studeeren wilt moet je maar werken,” meende pa, een aan +Bram niet helder onderscheid tusschen studeeren en werken ontdekkend. + +„Je kunt voortaan je eigen brood verdienen,” voorspelde pa. + +„Mij wel—als het maar niet in Holland is,” stelde Bram zijn +voorwaarden. + +„Ik wil je ook niet meer in Holland zien; je bent een schande voor de +familie—en je heele vriendenkliek er bij,” insinueerde papa, de +vriendinnen buiten bespreking latend. „En nu—hóeveel schulden heb je?” +sloeg pa spijkers met koppen. + +„Weet ik niet,” kwam Bram, een la met rekeningen openend. + +„Ongeveer,” drong papa aan. + +„Een tweeduizend pop,” schatte zoontjelief. + +Het was even stil. + +„Tel alles op—en verkoop je boot, je fiets. En verder zal je wel van me +hooren,” voorspelde de verbolgen vader en ging. + +Bram huppelde de eetkamer in, wreef zich in de handen: + +„Goddank—geen examens meer, geen Holland meer, geen beeren +meer.—Lekker.” + +Maar op Boy en op mij had het geval een diepere inwerking gehad. Dien +avond trokken we ons in onze kamers terug,—gingen de „balans” opmaken. + +Ik kwam tot de ontdekking, dat ik het kleine erfdeel, waarvan ik mijn +staatsexamen-voorbereiding en daarop mijn rechtenstudie moest +bekostigen, voor het grootste deel er doór gelapt had.—Als ik zuinig +aanpakte, zònder Loekie, kon ik het nog anderhalf jaar stouwen; mèt +Loekie misschien nog zes maanden.—Vaarwel deftige meesterstitel! + +Boy, die van een familiefonds èn een toelage van zijn moeder leefde, +kwam tot dezelfde slotsom. Als hij zijn schulden betaalde kon hij nog +een jaartje rònd komen. + +We zweetten van onze ongewone boekhouderij, toen we elkaar het magere +resultaat bekenden. + +„Ik ga er uit, naar het buitenland,” beweerde ik. + +„Ik ook; ik ga vèr weg, naar Canada of naar Australië.” voorspelde Boy. + +„En ikke?” vroeg Loekie. + +Boy gevoelig, verdween. + +„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het +kind op mijn schoot trekkend. + +Ze begreep toen ik haar alles uitlegde. + +„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent +meer hebben,” besloot ik. + +Ze keek me aan: + +„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes. + +„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu +weer alleen moet laten.” + +„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het +geld gedacht, en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal +mijn schuld.” En ze begon te huilen. + +„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we. +Als het niet lukt dan ... dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.” + +„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend. + +„Arme Loekie,” beklaagde ik haar. + +„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze. + +„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik +somber.—„Jij hebt me je lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik +nooit spijt over hebben.” + +„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk: +„Dat tijdje dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor +elkaar wezen en dan ... dan zullen we maar hopen tot weerziens.” + +En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer +niet begrijpen. + + + +Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later +kwam zoontjelief vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche +thee en zijde in Nanking was geplaatst. Een verre, volgens hollandsche +begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig wezen in Brams familie, was er +directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te beginnen en vrij +wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de +firma—begreep Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien. + +Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de +Mallemolen, door Loekie „de waterchinees” genoemd. + +Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en +er werk te zoeken. Als hij land en toestanden kende en een goede +onderneming voorzag, zou hij de rest van zijn fortuintje laten komen om +wat te kunnen beginnen. + +Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een +volk wat even ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even +lichttillend was als ik zelve: in Spanje of in Italië. Derhalve bezocht +ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met een mooi +praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was +het met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome, +tweemaal per maand een causerietje te sturen, wat men mij met +welwillende vrijgevigheid met een riks per stuk zou betalen. Vijf +gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier en +postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen +sprake. Men zou het immers alleen maar met me probeeren! + +Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees, +een cowboy, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes. + +Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van +het bovenhuis was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte +wijze wegviel, doordat we er uit gezet werden. + +Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij +het fonteintje willen verhangen, daar de kram telkens uit de +verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram een langen spijker genomen en +hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd het toen stil. + +Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen, +riep: + +„Zeg help eens even, waterchinees.” + +„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten. + +„Kom dan!” spoorde de cowboy aan. + +„Dadelijk,” kermde de waterchinees. + +Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt, +bij het fonteintje vond staan. + +„Kom je nog?” + +„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen den muur. + +„Wat heb je met dien duim?” + +„Niks.” + +„Kom dan, idioot.” + +„Zoometeen,” beloofde Bram vaag. + +„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram +weg.—De duim raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige +straal water, pal in Boy’s gezicht. + +Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd. + +„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om +zich af te drogen. + +Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot +intusschen tegen den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in +de gang.—Dat duurde zoo een poosje en dan kwam Boy op het slimme +denkbeeld om de waterleiding af te draaien. + +Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van +doorgesiepeld water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was, +dat de huisbaas, met machtiging van den wettigen huurder in het +buitenland, ons er uit zette. + +En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de +boekenkasten, de studeerlampen verdwenen weer, de beddelakens gingen +terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, waarop ik, als +pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien al +snotterend de deur uitgetroond. + +Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met +twist uit elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in +tranen baadde en sliep daarna óok in ’s moeders woning. + +Loekie en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte +voor het laatst op een bed, wat van lakens en kussensloopen ontdaan +was. + +Toen dien morgen de coupé voorkwam en mijn koffers er op geheschen +werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje te +gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit. + +„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit +meer in deze straat!” + +Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden +en ik ook. + +De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het +perron en haar zakdoekje dat wuifde,—wuifde. + + + +Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap +van vrijheid, in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig +vertrouwen op ons zelven; krachtig nu we ons bewust waren te gaan +léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten en die ons +niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere +landen, andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan +het zoete plantenbestaan van werken en een titeltje halen en een +betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie een reisje in den +Harz of naar Zwitserland. + +De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons +gezond lichaam wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk +levend, zònder de engheid van vooroordeelen en fatsoen, zonder de +pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen +van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou +den eenen dag misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We +zouden misschien wel eens honger moeten lijden, mooglijk wel eens geen +bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we zouden wèl onzen lach +behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals het +was, buiten de broeikas waarin we tot nu toe waren getogen. + +We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende, +ontevreden kinderen met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer +ondervonden hadden hóe het leven hard kon zijn, omdat ze nimmer +begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der menschen +hoogste goed. + +We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende +boulevards, waar in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen +dooreenkrioelden en hoog boven de huizen de avondhemel nog in wondere +tinten stond. + +Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven! + + + +Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs. + +Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux +gedronken, die Boy eenigszins doezelig had gemaakt. + +Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig +uitgelaten, in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en +er achtereenvolgens door al de kuitentoonende mondaines werden +aangeklampt. + +We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de +lieve beeltenis van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de +herinnering aan magere Lena geen zielversterkenden invloed op Bram. + +„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!” + +Dat was warempel tegen mij! + +Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie +gespleten rok liet een welgevormd been ontwaren. + +„Pas le marron,” deed ik stug. + +„Eh—vas donc, je serai gentille,” vleide ze. + +„Non ma petite, ça ne colle pas ce soir,” hield ik vol. + +„Et tes amis—c’est aussi purée que toi?” ondervroeg ze verder. + +„Est-ce que je sais, moi?” ontweek ik weer. + +Maar ze boog al naar Boy over: + +„En voilà un coco!” schaterde ze schel, waar Boy half ingedut was. + +„Je vous en prie, laissez-moi tranquille,” weerde hij boos haar +liefkoozing af. + +„Quel mufle,” schold ze. + +Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in +betoovring naar, dat het opvallen moest. + +„Elle te plait—ma jambe?” vroeg ze, en ging naast hem zitten. + +De garçon schoot toe, er werd besteld. + +„Stomme bliksem,” mopperde Boy. + +Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te +denken aan zijn transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat +nu geen trein was dien men eens missen kon. + +„Qu’est-ce qu’ils baffouillent?” vroeg de sirene. + +„Rien—rien,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets +te voelen begon, en alvast de vertering betaalde om weer van haar af te +komen. + +En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals +ze dat overigens in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal +dancing-girls het tooneel opwipten, zingend: + + + „Everybody is doing it, doing it, doing it!” + + +waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed. + +De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de +rij der anderen uit het oog verloren. + +„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar +Montmartre opklommen, waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin” +verzeilden. + +Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die +gelegenheden, waar nooit een parijzenaar komt. + + + +Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram +wègbleef. + +Boy was wanhopig: + +„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te +ontbijten zaten in het hòtel. + +„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen. + +En we wachten,—en Bram bleef zoek. + +Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er +mee naar het station reden. + +De trein stond klaar. + +„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het +vraagstuk. + +„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik. + +Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een +kwartier voor tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder +das, het perron opstoof. + +Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het +slachtoffer van een entôlage was geworden, kwam hij kalm: + +„Nee—’k heb me verslapen.” + +„En je hoed?” onderzocht Boy. + +„Vergeten.” + +„Heb je je biljet?” angstigde ik. + +„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.” + +„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy. + +„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig +meiske—allemachtig aardig.” + +Hij was nog heelemaal onder den indruk. + +„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik. + +„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy. + +„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde +Bram, uit den koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den +smoking. + +Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een +brilslang. + +Toen werd er gefloten. + +„Dag kerel—het beste.”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de +hand. + +„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!” +schreeuwde Boy nog, toen Bram al een eind ver was. + +En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren +kreeg. + +We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het +station, waar hij naar Calais zou vertrekken. + +„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,” +zei Boy. + +„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,” +waarschuwde ik. + +Toen vertrok de trein. + +„Dag cowboy!” schudde ik hem stevig de hand. + +„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig. + +„Nooit Boy,” beloofde ik. + +„En nou—vooruit!” + +„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den +trein vallend over een zak, die op het perron lag. + +„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen hand de +bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak. + +„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal. + +Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf. + +Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon. + +Langzaam kropen de uren om en ik piekerde: + +Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was +lám zoo alleen. Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je +er nooit. Je moest er uit, de wereld in, wilde je leven, wilde je iets +worden! Niet vastgroeien in een landje, in een kliekje! Er uit en +áanpakken! + +En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar +het wemelende bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen. + +De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste +lichten van Parijs verdwenen waren. + +Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden, +ieder zijn eigen toekomst tegemoet. + +De toekomst.—Hoe zou ze zijn? + +Kom, niet piekeren. + +En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had +zitten wuiven. + +„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks. +En ik glimlachte stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan. + +„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?” +overwoog ik nog. + +En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen +staven snelde, en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar +in; want in Parijs was weinig geslapen. + +En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens +heeft, en dat ik dus aan deze malligheid een eind maak. + +Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek. + +Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier +kunnen bekostigen en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel +voor twintig Lire! + +De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden. +Zonder die belofte was ik er stellig niet aan begonnen. + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik +met dit boek m’n eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi. + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76779 *** |
