summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75791-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-04-04 14:21:03 -0700
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-04-04 14:21:03 -0700
commit9e70fb85ef202f5502cf47deef368acffa22e715 (patch)
tree4b3b9bd507eba409e5f6684e3257a0ab83d74a18 /75791-0.txt
Initial commitHEADmain
Diffstat (limited to '75791-0.txt')
-rw-r--r--75791-0.txt3040
1 files changed, 3040 insertions, 0 deletions
diff --git a/75791-0.txt b/75791-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..51a2106
--- /dev/null
+++ b/75791-0.txt
@@ -0,0 +1,3040 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***
+
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 31 VIER VADERS.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER VADERS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE BEIDE VREEMDELINGEN.
+
+
+De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote
+voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn
+met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee
+elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden
+blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.
+
+En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers
+waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.
+
+„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige,
+slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.
+
+„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op
+de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.
+
+De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er
+zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt
+in de wereld.
+
+Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:
+
+„Hoe lang denken de heeren te blijven?”
+
+„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie
+dagen.”
+
+Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen
+logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen
+hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en
+keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.
+
+De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het
+linnengoed in de kasten te bergen.
+
+„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?”
+vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.
+
+Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een
+spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.
+
+„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is
+van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die
+hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij
+hebben maar één gebrek..”
+
+„En dat is?”
+
+„Zij worden te slecht gesalarieerd.”
+
+Nu lachte ook de jongste.
+
+Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:
+
+„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in
+Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op
+mijn gemak gevoel.
+
+„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men
+zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.
+
+„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad
+aan den oever van de Spree en je kent de wijze voorzorgen en
+maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke
+vreemdeling wordt lastig gevallen.
+
+„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas
+of andere legitimatiepapieren te vertoonen.
+
+„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John
+of Soundso heeten.
+
+„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet
+of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”
+
+„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland
+de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in
+Rusland.
+
+„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar
+naar Berlijn bent gegaan.”
+
+Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak,
+sprak hij:
+
+„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick
+heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die,
+welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft
+uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een
+luitenant van politie.
+
+„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen
+dan een eenvoudige hoofdman.”
+
+„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”
+
+„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt,
+wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.
+
+„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb,
+aanschaffen.”
+
+Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de
+Alexanderstraat in.
+
+De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de
+huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.
+
+Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was
+uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen,
+weken of maanden.
+
+Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een
+kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen
+van huis- en portaaldeur.
+
+„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden,
+„zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan
+of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te
+worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”
+
+Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.
+
+Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude
+uniformen en gedragen kleeren.
+
+Een dergelijken winkel gingen zij binnen.
+
+„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van
+politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde
+feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets
+dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.
+
+„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde
+het antwoord.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de
+volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren,
+klaargelegd.
+
+Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte
+inpakken en namen het pak mee.
+
+Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van
+de Linden.
+
+Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste
+sprak:
+
+„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het
+midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie
+en die vóór hem staat, is wachtmeester.
+
+„De anderen zijn gewone agenten.
+
+„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze
+van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij
+dat gewend zijn te doen.”
+
+Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het
+interessante stadsgewoel te kijken.
+
+Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en
+begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond,
+op welks balkon zij plaats namen.
+
+Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en
+later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer
+in het pension en legden daar het pak neer.
+
+Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten
+den avond in een schouwburg door.
+
+Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om
+de door hen gehuurde kamer op te zoeken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.
+
+
+Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de
+Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen
+een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.
+
+De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met
+hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren
+bestemd.
+
+Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker
+wenschte.
+
+Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn,
+waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel
+van Samuel Löwenstein neerlegde.
+
+De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de
+fonkelende steenen zag.
+
+„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de
+kostbaarheden onderzoekende.
+
+De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:
+
+„Ik heb geld noodig!”
+
+Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.
+
+„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.
+
+„Ik heb 4000 noodig!”
+
+„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn
+niet meer waard.”
+
+De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde
+en sprak luid:
+
+„All right! Geef mij 3000.”
+
+„Hebt gij legitimatiepapieren?”
+
+De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.
+
+Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.
+
+Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel
+voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de
+Hongaarsche politie afgegeven.
+
+Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik
+op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den
+naam van den vreemdeling spelde.
+
+Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze
+naam juist was.
+
+De vreemde heer knikte bevestigend.
+
+Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde
+de 3000 Mark.
+
+De vreemdeling ging heen.
+
+Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een
+vreugdedans uit te voeren.
+
+Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:
+
+„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen
+heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief)
+zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde
+betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”
+
+Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast
+weg en gingen weer terug naar hun winkel.
+
+Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de
+Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling
+verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan
+den eigenaar der zaak.
+
+De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.
+
+Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was
+geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor
+dien dag gereed met zijn werk.
+
+Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van
+hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.
+
+„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op
+straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een
+belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?”
+
+Daarop gingen zij verder.
+
+Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek
+hadden genomen in het Grand Hotel.
+
+De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn
+portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.
+
+„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”
+
+„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak,
+waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de
+wereld niet schitterend noemen.”
+
+Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en
+antwoordde:
+
+„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je
+werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de
+geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels
+ook maar een enkelen penning zal schenken?
+
+„Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun
+vergaat.”
+
+
+
+Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant
+van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een
+wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een
+handkoffer droeg.
+
+Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de
+beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.
+
+De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij
+het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een
+zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.
+
+Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken
+woorden:
+
+„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!
+
+„Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij
+u op te houden.
+
+„Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in
+hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder
+voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”
+
+Samuel Löwenstein verbleekte.
+
+Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:
+
+„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande
+zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.
+
+„God zal mij straffen, als dat waar is.
+
+„Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende
+legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.
+
+„Overtuig u zelf, heer luitenant.”
+
+„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.
+
+„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen
+tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.
+
+De officier van politie nam ze aan en sprak:
+
+„Katzenstein is de naam van den oplichter.
+
+„Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”
+
+Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.
+
+Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand
+prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze
+versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met
+gefronst voorhoofd:
+
+„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou
+hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik
+bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere
+Katzenstein hier is geweest?”
+
+„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.
+
+„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.
+
+„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik
+bemoei mij met de ouwe kleeren.”
+
+Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde
+erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid,
+vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met
+hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:
+
+„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat
+bedrag staat ook in uw boek genoteerd.
+
+„Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”
+
+Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te
+gehoorzamen.
+
+Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te
+voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer.
+
+Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak
+geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het
+opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een
+kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.
+
+„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas,
+waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.
+
+De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en
+fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en
+gefronste voorhoofden.
+
+Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in
+vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.
+
+Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles
+tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:
+
+„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000
+Mark verdiend.
+
+„Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier
+in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een
+dergelijk bezoek vereeren.”
+
+Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal
+pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:
+
+„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter
+slot en grendel te worden gezet.
+
+„In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te
+staan en dan vooral om hun geslepenheid.
+
+„En nu ga jij naar Londen terug.
+
+„Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine,
+maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot
+last zijn.”
+
+Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het
+station en begaf zich daarna naar Café Bauer.
+
+De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.
+
+De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste
+nieuwtjes te lezen.
+
+Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te
+amuseeren.
+
+Hij las het volgende:
+
+
+ „Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend
+ oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.
+
+ Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een
+ Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren
+ Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar
+ diamanten.
+
+ Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als
+ politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester
+ uitgedosten medeplichtige.
+
+ Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de
+ diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.
+
+ Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem
+ afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.
+
+ De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze
+ in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in
+ den tijd van een paar dagen.
+
+ Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie
+ onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen
+ gelukken, den dader in handen te krijgen.
+
+ De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief
+ John Raffles.
+
+ De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een
+ bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige
+ aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen
+ der politie valt.”
+
+
+Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor
+zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.
+
+Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap
+brengen en schreef den volgenden brief:
+
+
+ „Aan de Redactie van het
+ „Berliner Tageblatt.”
+
+ Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het
+ artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche
+ pandjesbazen.
+
+ Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze
+ truc mij zoo volkomen is gelukt.
+
+ Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig
+ heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de
+ armen van Berlijn ten goede te doen komen.
+
+ En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet
+ denken aan den beruchten John C. Raffles.
+
+ Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad
+ niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in
+ Berlijn ophoud.
+
+ Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de
+ uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als
+ belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert,
+ zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik
+ hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder
+ in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.
+
+ Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw
+ blad, blijf ik met de meeste hoogachting,
+
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het
+Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.
+
+Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de
+bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die
+door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.
+
+Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS
+
+
+Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van
+Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn
+gewonen gang ging.
+
+Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een
+troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en
+hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende
+wijze de publieke aandacht trok.
+
+Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat
+deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje
+gleed langs zijn aristocratische trekken.
+
+In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde,
+toen hij de volgende aankondiging las:
+
+
+ Schouwburgzaal
+ Köpenickerstr. 68.
+
+ Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:
+ op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.
+
+ De groote Engelsche
+ sensatie—detective—comedie:
+ „Lord Lister”
+ genaamd Raffles de groote onbekende.
+
+ door Curt. Matul.
+
+ Plaatsbespreking van af heden.
+
+
+„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn
+horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig
+vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om
+mijn dubbelganger op de planken te zien.”
+
+Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen,
+nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel
+van zijn dubbelganger.
+
+Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn
+streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.
+
+Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van
+den schouwburg vertoeven.
+
+Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het
+tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den
+schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.
+
+Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast
+den directeur was komen staan, tot dezen sprak:
+
+„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw
+binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen
+persoon zich in den schouwburg bevindt.”
+
+„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze
+acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”
+
+Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke
+wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.
+
+Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de
+politie hachelijk voor hem worden.
+
+Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door
+politieagenten was bezet.
+
+Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen,
+van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten
+met scherpe blikken monsterend.
+
+Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon
+aanraken.
+
+Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:
+
+„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”
+
+Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het
+verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles
+geschreven woorden.
+
+Van het antwoord hing voor Raffles veel af.
+
+Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige
+woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde
+opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:
+
+„Wees zoo goed, ons te volgen.”
+
+Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de
+eerste étage begaven.
+
+Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door
+Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten
+Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.
+
+Daaronder had de groote onbekende geschreven:
+
+„Een vriend van John Raffles.”
+
+„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol
+belangstelling.
+
+Raffles lachte hartelijk.
+
+„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank
+betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is
+weergegeven.”
+
+Hij reikte beiden heeren de hand.
+
+„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de
+politie?”
+
+„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle
+zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”
+
+Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween
+Raffles.
+
+De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie
+nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.
+
+Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen,
+naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.
+
+Deze opende het en las:
+
+
+ „Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo
+ verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb
+ het gebouw reeds verlaten.
+
+ Met hoogachting en beleefde groeten,
+ John C. Raffles.”
+
+
+De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan
+den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.
+
+Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de
+inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen
+bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.
+
+Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.
+
+Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling
+een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het
+voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden
+letters gedrukt:
+
+
+ „Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles,
+ den Grooten Onbekende”.
+
+
+Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een
+bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar
+buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een
+persoon gevolgd werd.
+
+Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote
+onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den
+neus was genomen.
+
+In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den
+brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van
+een vollen bruinen baard.
+
+Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
+
+John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden,
+nam een huurrijtuig en reed daarin verder.
+
+Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat
+zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met
+heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets
+vertelde.
+
+Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
+
+Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en
+sprak tot den koetsier:
+
+„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan
+loopen, men vervolgt mij.”
+
+De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te
+doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit
+den boog de straat langs.
+
+Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het
+rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet
+zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij
+hun rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun
+koetsier en namen plaats in den motorwagen.
+
+De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”,
+maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een
+penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van
+politie was en sprak:
+
+„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
+
+„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
+
+De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte
+verdween.
+
+„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel,
+gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”
+
+„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak
+de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.
+
+Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin
+zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten
+was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.
+
+De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende
+vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto,
+die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den
+koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
+
+„Blijf staan! In naam der wet!”
+
+De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om
+niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
+
+Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een
+seconde later in het eerste het beste huis.
+
+Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die
+eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
+
+Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde,
+naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur
+geopend.
+
+Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster
+klom hij naar buiten.
+
+Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den
+beganen grond voortbewoog.
+
+De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden
+weg genomen als de vluchteling.
+
+Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de
+Engelschman blijkbaar niet verder kon.
+
+Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg,
+die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:
+
+„Geef u over!”
+
+Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen
+enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.
+
+De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende
+hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
+
+Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag,
+die hem op het dak deed neertuimelen.
+
+Bewusteloos bleef hij liggen.
+
+Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige
+politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.
+
+Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn
+vlucht zou kunnen voortzetten.
+
+Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel
+steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die
+ongeveer tien meter breed kon zijn.
+
+Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe
+vervolgers.
+
+Toen nam hij een overmoedig besluit.
+
+Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile
+dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
+
+Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar
+de waterpijp langs het huis naar beneden ging.
+
+Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop
+eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak.
+Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot
+vasthoudend, boven de enorme diepte.
+
+Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
+
+Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de
+naar beneden leidende looden waterbuis.
+
+Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te
+kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.
+
+Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.
+
+Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid voor hem
+zou zijn, om dit te bereiken.
+
+Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem
+verwijderd.
+
+Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te
+laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide
+handen gebruiken om zich stevig vast te houden.
+
+De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
+
+Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige
+vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de
+pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon
+geopend werd.
+
+Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij
+iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)
+
+Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand
+deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:
+
+„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
+
+Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een
+waschlijn terug te komen.
+
+Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen
+het andere gedeelte om zijn lichaam.
+
+Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand
+vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.
+
+„Laat u nu los!” riep hij.
+
+De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem
+aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige
+seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
+
+Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en
+sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:
+
+„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde
+bereid, het mijne voor u te wagen.”
+
+„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt
+gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
+
+„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en
+moordenaar Hennig.
+
+„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste
+niet naar uit.”
+
+„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware
+geweest?” vroeg John Raffles.
+
+„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te
+doen hadden.”
+
+„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben
+Raffles!”
+
+Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den
+Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
+
+„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen
+te bedriegen?”
+
+De ander knikte bevestigend.
+
+Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
+
+„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt
+geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het
+zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest
+liggen met verbrijzelde hersenpan.
+
+„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
+
+„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef
+mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar
+beneden te komen.
+
+„En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
+
+Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd
+geklopt.
+
+Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
+
+„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
+
+De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
+
+„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen
+der politie zou kunnen verbergen.
+
+„Wat zullen wij doen?
+
+„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
+
+John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de
+keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan
+het vertrek grensde.
+
+De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
+
+„Wie is daar?”
+
+„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
+
+„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van
+het huis, om tijd te winnen.
+
+Opnieuw werd op de deur geklopt.
+
+John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan
+het kozijn van het keukenvenster.
+
+Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering
+op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder:
+
+„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden.
+Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van
+het touw?”
+
+Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het
+volgende oogenblik verdwenen.
+
+Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de
+binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder
+het touw los.
+
+Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit
+in de vuilnisbak.
+
+Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de
+straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden
+te gapen.
+
+Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke
+nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak
+meemaken.
+
+Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze
+uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden
+toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.
+
+Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend
+en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de
+vluchteling gegrepen was.
+
+Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu
+bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis
+aankeek.
+
+„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast
+hem stond.
+
+„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is
+een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich
+naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning
+binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
+
+„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen
+in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten
+fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje
+moest doen.
+
+„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet
+verdragen!”
+
+„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw
+haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles,
+„dat wij hier wel veilig staan?”
+
+Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte
+den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
+
+Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te
+wachten.
+
+Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat
+zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.
+
+En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de
+deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
+
+„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
+
+„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording
+schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de
+huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier
+verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien
+dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te
+dringen.”
+
+De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet
+binnenkomen.
+
+„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
+
+De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed
+verstond wat de ander zei.
+
+„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het
+panopticum is weggeloopen?
+
+„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk
+weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”
+
+De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de
+fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.
+
+„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in
+zenuwachtige onrust naast Bender stond.
+
+De gevraagde keek den ander woedend aan.
+
+„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik
+ben houder van een bank van leening.”
+
+„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem
+aanzie voor een stillen agent van politie!
+
+„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens
+beleediging van een beambte!”
+
+Bender was zenuwachtig geworden.
+
+Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
+
+„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt
+gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel
+eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”
+
+„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger
+zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.”
+
+De fabrieksarbeider lachte.
+
+„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij
+mij vinden.”
+
+De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en
+dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de
+voeten had gemaakt.
+
+„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de
+fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn
+beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.
+
+„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een
+hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag
+springt?
+
+„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een
+kwartier geleden bij mij kunnen hebben.
+
+„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een
+vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien
+vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
+
+Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap
+nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
+
+Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de
+eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden
+liet brengen.
+
+Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet
+begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.
+
+Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend
+rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
+
+Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten
+trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE MISDADIGERSKROEG.
+
+
+Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van
+de Friedrichstraat had een aanvang genomen.
+
+Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen
+volksoploop te kijken.
+
+Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een
+jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.
+
+Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.
+
+Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond,
+sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een
+looden stok den helm van het hoofd.
+
+De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.
+
+Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote,
+zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest
+beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn
+haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent
+bewusteloos neerviel.
+
+In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en
+liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.
+
+John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der
+Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen
+gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de
+Jonkerstraat verdwenen.
+
+Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.
+
+Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek
+eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.
+
+Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen
+van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.
+
+Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien,
+ontdekte Raffles echter niets.
+
+Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen
+gordijn van het eerste was gescheiden.
+
+De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen
+gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met
+onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek
+binnen te gaan.
+
+Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd
+droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde
+zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:
+
+„Alles in orde!”
+
+Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.
+
+De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den
+boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.
+
+Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.
+
+Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam
+plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch
+wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan
+„Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.
+
+Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen
+voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.
+
+Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het
+meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon
+tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het
+niet eens was.
+
+De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van
+eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen
+woedend naar het meisje.
+
+Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:
+
+„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig keer gezegd, dat
+ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van
+het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”
+
+„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen
+van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.
+
+„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar
+mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis
+zijn genomen.
+
+„Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur
+ik mij als dienstmeisje.”
+
+Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel
+opgesprongen.
+
+„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van
+je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat
+hooren en zien je vergaat.”
+
+Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en
+in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om
+hulp zoekend om zich heen.
+
+Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.
+
+„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de
+zwartharige met gebalde vuist.
+
+Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen
+smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles
+niet bij haar had vermoed:
+
+„Neen!”
+
+Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een
+angstig vogeltje.
+
+Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar
+komen opdagen.
+
+John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist
+van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige
+beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij
+met een harden plof neerviel.
+
+Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den
+boevenkelder.
+
+Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd
+werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn
+tafeltje gebracht.
+
+„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat
+zal je nog niet zoo glad zitten.”
+
+De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen
+hield.
+
+„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.
+
+De zwartharige was weer opgesprongen.
+
+Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.
+
+Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.
+
+Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem
+zooeven maar al te duidelijk was getoond.
+
+Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen
+hem voor den gek te houden.
+
+„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet
+aan! Wat een held!”
+
+„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met
+opgeheven mes op zijn vijand werpen.
+
+John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand
+op om zich te verdedigen.
+
+Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen
+doorboren.
+
+Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor
+een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar
+vriendelijk terug.
+
+Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om
+Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik,
+nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had
+Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door
+het lokaal deed rollen.
+
+Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna
+zinneloos van woede.
+
+Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles,
+die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd
+rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te
+naderen.
+
+Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal
+binnen.
+
+Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te
+stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in
+splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.
+
+Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te
+vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.
+
+Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de
+schavuiten den vreemdeling te lijf trekken.
+
+Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn
+reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te
+voorschijn en schreeuwde:
+
+„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie
+dan maar opkomen!
+
+„Hier moet en zal rust heerschen!”
+
+„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!”
+klonk het als antwoord uit de menigte.
+
+Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen,
+die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom
+Raffles en den waard.
+
+„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of
+spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”
+
+„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met
+hem te zamen in de nor gezeten?”
+
+„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het
+ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn
+portret hebben gezien.
+
+„Die man is Raffles!”
+
+Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd
+gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en
+bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.
+
+De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar
+beneden en de wapens werden weggeborgen.
+
+Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:
+
+„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den
+dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien
+noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”
+
+De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen
+scheuren, brak uit in een luid hoera.
+
+Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een
+handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer
+vereerden meesterdief.
+
+Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard
+honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte
+vertering.
+
+Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het
+meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een
+groot koffiehuis binnengaan.
+
+Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen
+en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te
+komen, vroeg hij naar haar naam.
+
+„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.
+
+„Leven uw ouders nog?”
+
+Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.
+
+„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden
+gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van
+linnengoed.
+
+„Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn,
+omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje
+kon toestaan.
+
+„Toen werd ik ziek en had geen werk meer.
+
+„Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie
+woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.
+
+„Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer
+leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”
+
+Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige
+schepsels doormaken.
+
+„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.
+
+„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die
+mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der
+aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald
+woont.”
+
+Raffles spitste de ooren.
+
+Nu begon de zaak belangwekkend te worden.
+
+„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”
+
+„Ja, kort na moeders dood!”
+
+„En wat antwoordde hij u?”
+
+„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer
+minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet
+vaststond, dat hij mijn vader was.
+
+„Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar
+gelijken.”
+
+„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij
+onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”
+
+Het jonge meisje bloosde.
+
+Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het
+nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had
+gewaagd, antwoordde zij:
+
+„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, uit wanhoop
+getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd
+zou blijven en haar kind een vader zou hebben.
+
+„Daarom had zij toen verschillende minnaars.”
+
+De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval
+was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote
+werken.
+
+„Kent gij de adressen van die heeren?”
+
+„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen
+allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen
+voorname lieden.
+
+„Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de
+Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan
+in Grunewald....”
+
+Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.
+
+„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld
+vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een
+bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En
+wat is de heer die in het Grunewald woont?”
+
+„Minister!”
+
+„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed
+met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.
+
+Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij
+meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde
+uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:
+
+„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”
+
+De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:
+
+„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar
+integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch
+noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en
+dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in
+orde brengen.
+
+„Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen.
+Waar woont ge?”
+
+De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.
+
+„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet
+terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude
+hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk
+weer in zijn macht zijn.”
+
+„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u
+onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”
+
+„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.
+
+„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker
+wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het
+mij terug kunt geven.
+
+„Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”
+
+Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen
+het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.
+
+Zij bloosde opnieuw.
+
+„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u
+terug kan geven.”
+
+Raffles lachte.
+
+„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld
+verschaffen.
+
+„Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u
+meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”
+
+Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een
+rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.
+
+Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en
+beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen
+opzoeken.
+
+Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht
+er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had
+gebracht.
+
+Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover
+nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder
+grappig voorkwam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE MINISTER.
+
+
+Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk,
+zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het
+Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.
+
+Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad
+en hem een visitekaartje overhandigde.
+
+Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt
+stond:
+
+
+ Graaf di Salvatore,
+ Pauselijk geheim kamerheer.
+
+
+Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:
+
+„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”
+
+Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn
+toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon
+binnen.
+
+Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon
+tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en
+mompelde zijn naam.
+
+„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister,
+terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen
+plaats namen.
+
+De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke
+parelgrijze handschoenen en antwoordde:
+
+„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter
+verspreiding der zedelijkheid.
+
+„Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende
+reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het
+zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het
+eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.
+
+„De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende
+Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.”
+
+De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.
+
+Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden,
+zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij
+tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst
+glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:
+
+„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen
+worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden
+zijn te willen uitvoeren.”
+
+De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te
+voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas.
+
+Het was van den volgenden inhoud:
+
+
+ „Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter
+ van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het
+ lidmaatschap erken.”
+
+
+De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:
+
+„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”
+
+De graaf glimlachte.
+
+„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen
+overtuiging heeft te vervullen.
+
+„Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer
+Vereeniging wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en
+collecten.”
+
+„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen
+volgen?”
+
+De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer.
+
+Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen
+post op de schrijftafel gelegd.
+
+Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de
+graaf, zonder dat de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek.
+
+De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement
+van oorlog.
+
+De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven
+overhandigde document nogmaals door en onderteekende het.
+
+Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een
+fijne sigaar, toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker
+persoonlijk naar beneden tot aan den uitgang der villa, waar een auto
+stond te wachten.
+
+Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de
+graaf heen.
+
+Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels.
+
+Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de
+onderteekening en mompelde:
+
+„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik
+duidelijk en klaar uw onderteekening onder een document, waarin gij
+jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter der Vereeniging tot
+Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke
+dochter erkent.
+
+„Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen
+inkt heb geschreven, verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt,
+waarmede ik de rest van het document schreef, het woord „vader” komen
+te staan.
+
+„Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap
+erkent.
+
+„Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is
+open gebleven, om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den
+volgenden zin:
+
+„„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira
+Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”.
+
+„En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.”
+
+Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de
+door hem opgestelde verklaring had laten onderteekenen.
+
+Met den professor had hij een gansch ander plan.
+
+Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar
+John Raffles vernam, zeer angstig van natuur.
+
+Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten
+kwam, diep in de schulden te steken,
+
+Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een
+naam.
+
+Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang
+van het jonge meisje zooveel mogelijk partij trekken.
+
+Hij sprak tot den professor:
+
+„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in
+wier nalatenschap ik eenige brieven vond.
+
+„Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste
+liefdesverklaringen, en ik neem dus aan, dat het u wel degelijk ernst
+is geweest, mijn zuster te trouwen.
+
+„Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter
+achter en deze beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit
+bekennen?”
+
+Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd.
+
+Hij beefde over al zijn leden en fluisterde:
+
+„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast
+bevindt, niets hoort. Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij
+soms Marie?”
+
+De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog
+steeds den Don Juan te spelen.
+
+John Raffles moest hartelijk lachen.
+
+„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen,
+welke gij bezit, heer professor.
+
+„Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de
+vader te zijn van mejuffrouw Elvira Manthé”.
+
+„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame... al
+volwassen?”
+
+„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd
+van 22 jaar bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar
+vader te mogen aannemen.
+
+„En daartoe heb ik uw verklaring noodig.”
+
+„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten
+kwam! Ik heb zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere
+zorgen.”
+
+„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak
+u verder niet ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn
+nicht betreft, op dat gebied zullen wij u nimmer lastig vallen.”
+
+Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor
+merkbaar op.
+
+„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt
+komen vragen. Maar ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de
+schulden zit en dat ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen
+na zal komen.”
+
+„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?”
+
+„Zesduizend Mark per jaar.”
+
+„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?”
+
+„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in
+vertrouwen gezegd, betaal ik voor drie andere.”
+
+Raffles lachte.
+
+Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk.
+
+„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te
+bewijzen, dat ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk
+optreden respecteer en eerbied voor u heb, omdat gij u zoo dapper
+heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf hebt te danken, ben
+ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een bedrag
+van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van
+haar zusters en broers.”
+
+De professor wist niet of hij waakte of droomde.
+
+Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat.
+
+Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op
+de schrijftafel voor hem uittelde.
+
+Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon
+beletten, omhelsde hij dezen, terwijl hij uitriep:
+
+„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb
+altijd gezegd: hoe meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het
+document onderteekenen, zooals gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde,
+bereid om voor een dochter, die mij op zoo onbekrompen wijze
+ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.”
+
+John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark
+armer, de woning van den professor.
+
+Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had
+toevertrouwd. De man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde
+wijze zou uitgeven.
+
+Nu begaf hij zich naar den advocaat in de Friedrichstrasse.
+
+Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch.
+
+Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van
+een echten zwierbol.
+
+Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn
+monocle, toen deze hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig
+jaar geleden nog herinnerde met de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé.
+
+„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een
+hoofd als een ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen
+herinnerde, met wie ik een relatie heb gehad.
+
+„Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor
+het een of ander?”
+
+De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde.
+
+„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en
+heeft door een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de
+loterij gewonnen.
+
+„Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het
+testament—moet op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.”
+
+Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik
+vol hebzucht keek hij den spreker aan.
+
+„Hoeveel bedraagt het?”
+
+„250,000 Mark”.
+
+„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het
+leven kan kosten, zal ik er aan voldoen.”
+
+John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij:
+
+„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij
+getrouwd zijt met een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij
+geen kinderen hebt.
+
+„Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig
+interesseert.”
+
+„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men
+altijd gebruiken.
+
+„Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.”
+
+„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw
+kind erkent en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden.
+
+„Wilt gij hieraan voldoen?”
+
+De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte.
+
+„Maar dat spreekt van zelf!
+
+„Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods
+elken dag aan!
+
+„Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die notaris is, deze
+overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.”
+
+„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de
+aangelegenheid dadelijk in orde te maken”.
+
+Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan.
+
+Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat:
+
+„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?”
+
+„Reeds over een paar dagen.”
+
+„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?”
+
+„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!”
+
+Met verbaasde blikken vroeg de advocaat:
+
+„Aan welke verplichtingen?”
+
+„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud
+tot op haar 21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit
+voorschrijft!”
+
+„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen
+zeggen, aan die bijomstandigheid had ik niet gedacht.”
+
+„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij
+er goedkoop af komt.
+
+„Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel
+mededeelen.”
+
+Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een
+vroolijke lach op zijn gelaat;
+
+„Mijnheer de advocaat zit in de klem!”
+
+Nu begaf hij zich naar den bankier.
+
+Ook deze was een oude zwierbol.
+
+„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem.
+
+„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij
+straffen, als ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?”
+
+„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij,
+mijnheer, ook bankier, maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en
+Amerikaansche goudmijnen. Men schat mijn vermogen op twee millioen pond
+sterling.
+
+„Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij,
+naar ik u zooeven zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.”
+
+De bankier antwoordde lachend:
+
+„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter
+heb. Het spijt mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot
+schoonzoon te kunnen krijgen. Maar gij moet u in het adres vergist
+hebben.”
+
+„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als
+gij niet inderdaad in het bezit waart van een dochter.
+
+„Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere
+verhouding hebt gestaan tot een juffrouw Manthé?”
+
+„Een actrice?”
+
+„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles.
+
+De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets
+herinnerde.
+
+„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak
+werkzaam. Maar hoe weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.”
+
+„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.”
+
+Nu werd de bankier zenuwachtig.
+
+„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu,
+als ik zeg, dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren
+kennen, ik wensch haar te trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het
+arme meisje eindelijk dat geeft, waarop zij recht heeft, uw naam!”
+
+„Wilt gij haar inderdaad huwen?”
+
+„Anders zou ik hier niet voor u staan.”
+
+„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?”
+
+„Zeer zeker.”
+
+„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties
+in Engeland. Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen.
+Hoe kan die zaak geregeld worden?”
+
+„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der
+aangelegenheid naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er
+dadelijk werk van maakten.”
+
+„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich
+met Raffles naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden
+gemaakt.
+
+Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge
+opzoeken en met een vroolijk lachje sprak hij tot haar:
+
+„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij
+kunt kiezen uit vier vaders.
+
+„Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding
+stellen met den minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.”
+
+Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen en seinde zijn vriend
+Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen.
+
+Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den
+vereischten vorm had opgesteld, sprak hij:
+
+„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk
+schrijven en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan
+mij een bedrag te zenden van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre
+verschuldigde kosten voor levensonderhoud der jonge dame.”
+
+Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon
+zien, als deze het schrijven zou ontvangen.
+
+Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht.
+
+In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een
+hem geheel vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende
+onechte dochter.
+
+Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te
+beginnen.
+
+Veertien dagen later had de eerste termijn plaats.
+
+John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een
+zestigjarig heer, was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen
+van den indruk, dien het document zou maken.
+
+De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den
+rechter het document overhandigde met de woorden:
+
+„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving
+dit document van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der
+Zedelijkheid. Herinnert gij u dien heer, Excellentie, of ontkent gij
+misschien hem te hebben ontmoet?”
+
+„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te
+hebben gemaakt.”
+
+„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening,
+mijnheer?”
+
+De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.
+
+„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”
+
+„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”
+
+„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”
+
+„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft
+ontkennen.
+
+Hier in dit document staat het volgende te lezen:
+
+
+ „Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de
+ Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap
+ erken.
+
+ Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira
+ Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”
+
+
+Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve
+dat van den minister een glimlach.
+
+De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.
+
+„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op
+een stuk, dat een anderen inhoud had.”
+
+De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende
+blikken aan.
+
+„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw
+positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst
+nauwkeurig heeft doorgelezen.
+
+„Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”
+
+„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”
+
+De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het
+geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching.
+
+De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor
+zich komen.
+
+Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het
+jonge meisje en beklaagde.
+
+De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend,
+sprak hij:
+
+„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het
+documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en
+dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het
+evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.”
+
+„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.
+
+Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge
+meisje.
+
+Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk
+gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke
+dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te
+betalen ten bedrage van 3000 Mark.
+
+Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de
+man, die na zooveel jaren eindelijk ter verantwoording was geroepen, de
+gerechtszaal uit.
+
+Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met
+Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen.
+
+Maar hij verhinderde haar dit en sprak:
+
+„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn
+zooveel hij kan.”
+
+Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief
+van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde
+en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood.
+
+John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een
+bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:
+
+„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der
+nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN INBRAAK.
+
+
+Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.
+
+John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een
+zee-officier.
+
+Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den
+Dierentuin bereikte.
+
+Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem
+had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en
+verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.
+
+„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden
+vriend en leermeester niet eens meer?”
+
+Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.
+
+Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:
+
+„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik
+admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van
+Engeland uit de havens zou stelen.”
+
+„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt
+teruggeroepen?”
+
+„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong
+meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd
+veroordeeld om haar vader te zijn.
+
+„Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”
+
+Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar
+Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein
+handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek
+voort te zetten.
+
+„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan,
+die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou
+willen weten.”
+
+„Wat heb je daar ontdekt?”
+
+„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst
+zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel
+huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”
+
+
+
+Tegen twee uur verlieten zij het hotel.
+
+Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven
+wilden profiteeren.
+
+Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.
+
+Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar
+zij zich kostelijk zouden amuseeren.
+
+John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed
+naar het Grunewald.
+
+In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister
+bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en
+beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te
+wachten.
+
+„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.
+
+Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op
+dat uur niemand op straat vertoonde.
+
+Alle vensters van de villa van den minister waren donker.
+
+Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er
+zich geen wachthond in of bij het huis bevond.
+
+Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat.
+Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van
+het gebouw.
+
+Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde
+er een kunstig bewerkte zijden ladder uit te voorschijn, aan welks
+uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.
+
+Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid
+naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren
+haak in het hek van het balcon vastzitten.
+
+Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder
+stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en
+eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.
+
+Een poosje bleven zij daar luisterend staan.
+
+Maar alles bleef rustig in huis.
+
+Niemand had eenig geluid vernomen.
+
+Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en
+zij traden het vertrek binnen.
+
+Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij
+zich in de eetkamer van den minister bevonden,
+
+„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn
+eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den
+weg te vinden.
+
+Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in
+de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een
+verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het
+voordeel, ongestoord te kunnen werken.
+
+Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond
+niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.
+
+Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer
+stond.
+
+Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig
+moeite het slot indrukken.
+
+Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.
+
+Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een
+waarschuwend teeken.
+
+Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en
+beiden luisterden aandachtig.
+
+Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde,
+voetstappen.
+
+„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”
+
+Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand
+languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.
+
+De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een
+cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan
+eener gaslamp open.
+
+Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken,
+werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn
+schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het,
+die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.
+
+Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden
+en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.
+
+Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.
+
+Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige
+contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark
+bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die
+alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.
+
+Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige
+pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien
+hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.
+
+Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.
+
+Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.
+
+Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en
+bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst
+hadden gedaan.
+
+De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst
+van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van
+vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.
+
+Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden
+beefde en sprak:
+
+„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen
+vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt,
+in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.
+
+„Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.
+
+„Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw
+onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.
+
+„Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van
+bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man,
+die vrouw noch kinderen heeft.
+
+„Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw
+dochter.
+
+„Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te
+gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van
+de papieren, die ik hier heb gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem
+hem nu den knevel uit den mond.”
+
+Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat
+Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.
+
+Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes
+langs zijn gelaat.
+
+„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde
+stem.
+
+Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam
+zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn
+geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden
+eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den
+pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.
+
+De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het
+verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:
+
+„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.
+
+„Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de
+schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En
+opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens
+mijn werkelijken naam mede te deelen.
+
+„Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.
+
+„Maak de boeien los!”
+
+Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen
+man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende
+oogen aan.
+
+Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.
+
+Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht
+schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver
+te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.
+
+Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.
+
+Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met
+een flinken vuistslag neergeworpen.
+
+„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.
+
+Raffles had slechts even opgekeken.
+
+Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef
+hij verder.
+
+Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van
+woede.
+
+„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf
+waarschijnlijk aan de galg brengen.
+
+„Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood
+zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.
+
+„Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn
+vriend of ik gezwegen zouden hebben?
+
+„En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:
+
+
+ „Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad
+ heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht,
+ de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de
+ Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om
+ mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn
+ buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.
+
+
+„Onderteeken dit, Excellentie.”
+
+Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.
+
+John Raffles droogde het stuk.
+
+„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen,
+het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”
+
+Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en
+afscheid nam van een aangenaam gezelschap.
+
+Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs
+denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ZELFMOORD.
+
+
+Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse
+in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een
+zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:
+
+„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”
+
+Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het
+hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.
+
+„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar
+spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te
+behandelen hebben.”
+
+Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille
+zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam
+een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.
+
+„Heb je haar eindelijk gesnapt?”
+
+„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens
+kijken, wat je aan geld bij je hebt.”
+
+Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje,
+waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.
+
+„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij
+het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie
+zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar
+duizend mark.”
+
+„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.
+
+Beide mannen lachten luidkeels.
+
+„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn
+kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een
+edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar
+en daarvoor kan jij zorgen.
+
+„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen,
+dat de politie hem inpikt.
+
+„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui
+heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en
+verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.
+
+„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal
+ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en
+dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”
+
+Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij
+kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar
+uitte.
+
+„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu
+staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen
+man om zeven uur gevangen nemen.
+
+„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”
+
+Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.
+
+Zij wist niet, wat zij moest doen.
+
+Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in
+het hotel terug.
+
+De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien
+naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar
+zou zijn.
+
+Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.
+
+Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt,
+dat de zwartharige haar had achtervolgd.
+
+In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw
+weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.
+
+Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om
+het plein over te steken.
+
+Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:
+
+„Heb je het geld?”
+
+Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.
+
+Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn
+flikkerende oogen antwoordde zij:
+
+„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u
+oogenblikkelijk over aan de politie.”
+
+Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.
+
+Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was
+in het hotel teruggekeerd.
+
+Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.
+
+Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen
+lichtte een gevaarlijke gloed.
+
+„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”
+
+Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte,
+gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.
+
+Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden
+en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het
+politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.
+
+John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of
+juffrouw Manthé te spreken was.
+
+„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een
+kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”
+
+De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.
+
+Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den
+tuin van een café.
+
+Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat
+op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan
+door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.
+
+„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand
+de beambten wees.
+
+„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in
+de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik
+mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet
+hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.
+
+„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”
+
+Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde
+kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.
+
+Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was
+weggereden.
+
+Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te
+vertellen had.
+
+De brief luidde:
+
+
+ JOHN C. RAFFLES.
+
+ Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de
+ onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij
+ niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een
+ onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.
+
+ Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap
+ slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat
+ iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met
+ eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.
+
+ Ik smeek u daarom, mij te vergeten.
+
+ Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou
+ kunnen worden.
+
+ Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat
+ gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.
+
+ Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet
+ boos op mij.
+
+ Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.
+
+ ELVIRA MANTHÉ.
+
+
+Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek
+meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den
+brief zwijgend aan Charly Brand.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN DOOD MAN.
+
+
+Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de
+ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den
+minister had afgenomen.
+
+Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.
+
+Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem
+ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de
+brieven van het begin tot het eind lezen.
+
+Het was juist zooals hij had vermoed.
+
+De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering
+allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.
+
+Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam
+een courant op.
+
+Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en
+antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:
+
+„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het
+Ziekenhuis la Charité.”
+
+Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige
+vriend dat wenschte.
+
+Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf
+Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:
+
+„Lees!”
+
+Charly Brand las het volgende:
+
+
+ „Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes
+ uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling
+ van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die
+ dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks
+ haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”
+
+
+Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.
+
+Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje
+informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de
+inrichting over een half uur zou verlaten.
+
+Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten
+totdat het jonge meisje zou verschijnen.
+
+Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.
+
+Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met
+vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem
+toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop
+gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar
+daarheen.
+
+Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was
+gebroken.
+
+Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem
+was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen
+van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.
+
+„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige
+waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer
+beangst, mijn kind, alles komt in orde.
+
+„Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het
+zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede
+bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”
+
+Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.
+
+De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde
+haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.
+
+Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat,
+dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op
+naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.
+
+Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.
+
+Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde dezen in het bezit
+van een aanklacht tegen zijn collega.
+
+„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf
+bezorgen.”
+
+Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces
+tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem
+mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor
+het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke
+schadeloosstelling uit te keeren.
+
+De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren
+blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.
+
+De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de
+minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn
+beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd.
+
+Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van
+justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een
+goeden indruk op hem had gemaakt.
+
+Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje
+betrof.
+
+Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd
+tot tijd iets van haar hooren.
+
+Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.
+
+Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de
+Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen
+stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte.
+
+„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar
+mijn plan:
+
+„Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept
+hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast
+aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den
+politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.
+
+„Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.
+
+„Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter
+volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in
+handen der politie te vallen.
+
+„Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn,
+maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin,
+het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.”
+
+De groep mannen had hen niet zien aankomen.
+
+Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de
+Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en
+begaf zich in de richting der jonge kerels.
+
+Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg
+met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht.
+
+Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het
+straattooneel.
+
+Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met
+versnelden pas stormden de agenten op de kerels los.
+
+Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het
+politiebureau gebracht.
+
+Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk
+bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij
+meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om
+zich te laten verbinden.
+
+Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:
+
+„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”
+
+„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste
+is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn
+reis naar Berlijn.
+
+„Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”
+
+Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.
+
+Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar
+reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had
+gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje
+noodig was.
+
+Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.
+
+Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar
+oogen bijna iets van een God.
+
+Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?
+
+Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag
+tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden,
+antwoordde hij:
+
+„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den
+eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of
+New-York ben.”
+
+„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”
+
+„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof,
+dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld
+hebben gezien.
+
+„Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis de wereld door en
+bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”
+
+„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”
+
+Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.
+
+„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.
+
+„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”
+
+„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een
+advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op
+te geven.
+
+„Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten
+ook voor het een of ander noodig hebt.”
+
+Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.
+
+Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein
+gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein
+vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek
+uit het raampje wuifde.
+
+„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly
+Brand, toen zij het perron verlieten.
+
+De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar
+zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij
+afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken
+uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer
+terug zou zien.
+
+Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een
+detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden.
+
+Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met
+scherpen blik opnam.
+
+Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de
+politie moest zijn.
+
+Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde
+en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te
+ontkomen.
+
+Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:
+
+„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel
+mogelijk, dan betaal ik dubbel.”
+
+Nu begon een ware jacht.
+
+De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.
+
+Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker,
+of hij den goede voor had.
+
+In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het
+Grunewald.
+
+De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den
+minister.
+
+Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten,
+liet Raffles zich bij den minister aandienen.
+
+Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was
+hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.
+
+Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de
+schrijftafel plaats en sprak:
+
+„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo
+fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”
+
+De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.
+
+„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat
+het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval
+beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.”
+
+De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.
+
+Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle
+schurken, wanneer zij ontmaskerd worden.
+
+Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:
+
+„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren,
+wenscht u dringend te spreken.”
+
+Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.
+
+„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het
+salon; ik ben nog bezig.”
+
+De bediende boog en ging heen.
+
+„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.
+
+„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten
+zijn, dat u zoo ongerust maakt.”
+
+De minister stond op.
+
+Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.
+
+„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”
+
+„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”
+
+Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de
+deur naar de studeerkamer.
+
+Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur
+uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs
+dezen weg het vertrek.
+
+Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon de stem van den
+wachtmeester, die tot den bediende sprak:
+
+„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”
+
+Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.
+
+Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met
+knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug.
+
+Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van
+Raffles, nu gevangen werd genomen.
+
+Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat
+de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op
+hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een
+revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.
+
+Het schot bracht alles in huis in rep en roer.
+
+Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van
+den minister naderde.
+
+Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord,
+het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand
+heenreed.
+
+Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den
+zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per
+nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van
+den dood van dezen staatsman.
+
+Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent
+den dood van den minister en sprak:
+
+„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***