diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-04-04 14:21:03 -0700 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-04-04 14:21:03 -0700 |
| commit | 9e70fb85ef202f5502cf47deef368acffa22e715 (patch) | |
| tree | 4b3b9bd507eba409e5f6684e3257a0ab83d74a18 /75791-0.txt | |
Diffstat (limited to '75791-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75791-0.txt | 3040 |
1 files changed, 3040 insertions, 0 deletions
diff --git a/75791-0.txt b/75791-0.txt new file mode 100644 index 0000000..51a2106 --- /dev/null +++ b/75791-0.txt @@ -0,0 +1,3040 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 *** + + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 31 VIER VADERS. + + + + + + + + +VIER VADERS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE BEIDE VREEMDELINGEN. + + +De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote +voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn +met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee +elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden +blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen. + +En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers +waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond. + +„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, +slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd. + +„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op +de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht. + +De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er +zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt +in de wereld. + +Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij: + +„Hoe lang denken de heeren te blijven?” + +„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie +dagen.” + +Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen +logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen +hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en +keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein. + +De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het +linnengoed in de kasten te bergen. + +„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” +vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond. + +Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een +spottend glimlachje vloog over zijn gelaat. + +„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is +van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die +hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij +hebben maar één gebrek..” + +„En dat is?” + +„Zij worden te slecht gesalarieerd.” + +Nu lachte ook de jongste. + +Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden: + +„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in +Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op +mijn gemak gevoel. + +„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men +zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden. + +„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad +aan den oever van de Spree en je kent de wijze voorzorgen en +maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke +vreemdeling wordt lastig gevallen. + +„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas +of andere legitimatiepapieren te vertoonen. + +„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John +of Soundso heeten. + +„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet +of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.” + +„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland +de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in +Rusland. + +„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar +naar Berlijn bent gegaan.” + +Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, +sprak hij: + +„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick +heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, +welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft +uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een +luitenant van politie. + +„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen +dan een eenvoudige hoofdman.” + +„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?” + +„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, +wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen. + +„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, +aanschaffen.” + +Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de +Alexanderstraat in. + +De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de +huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken. + +Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was +uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, +weken of maanden. + +Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een +kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen +van huis- en portaaldeur. + +„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, +„zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan +of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te +worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.” + +Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat. + +Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude +uniformen en gedragen kleeren. + +Een dergelijken winkel gingen zij binnen. + +„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van +politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde +feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets +dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier. + +„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde +het antwoord. + +Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de +volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren, +klaargelegd. + +Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte +inpakken en namen het pak mee. + +Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van +de Linden. + +Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste +sprak: + +„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het +midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie +en die vóór hem staat, is wachtmeester. + +„De anderen zijn gewone agenten. + +„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze +van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij +dat gewend zijn te doen.” + +Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het +interessante stadsgewoel te kijken. + +Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en +begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, +op welks balkon zij plaats namen. + +Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en +later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer +in het pension en legden daar het pak neer. + +Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten +den avond in een schouwburg door. + +Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om +de door hen gehuurde kamer op te zoeken. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE BEDROGEN PANDJESBAZEN. + + +Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de +Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen +een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken. + +De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met +hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren +bestemd. + +Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker +wenschte. + +Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, +waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel +van Samuel Löwenstein neerlegde. + +De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de +fonkelende steenen zag. + +„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de +kostbaarheden onderzoekende. + +De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde: + +„Ik heb geld noodig!” + +Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark. + +„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende. + +„Ik heb 4000 noodig!” + +„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn +niet meer waard.” + +De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde +en sprak luid: + +„All right! Geef mij 3000.” + +„Hebt gij legitimatiepapieren?” + +De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde. + +Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk. + +Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel +voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de +Hongaarsche politie afgegeven. + +Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik +op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den +naam van den vreemdeling spelde. + +Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze +naam juist was. + +De vreemde heer knikte bevestigend. + +Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde +de 3000 Mark. + +De vreemdeling ging heen. + +Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een +vreugdedans uit te voeren. + +Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden: + +„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen +heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) +zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde +betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.” + +Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast +weg en gingen weer terug naar hun winkel. + +Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de +Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling +verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan +den eigenaar der zaak. + +De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten. + +Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was +geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor +dien dag gereed met zijn werk. + +Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van +hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer. + +„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op +straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een +belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?” + +Daarop gingen zij verder. + +Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek +hadden genomen in het Grand Hotel. + +De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn +portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark. + +„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.” + +„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, +waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de +wereld niet schitterend noemen.” + +Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en +antwoordde: + +„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je +werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de +geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels +ook maar een enkelen penning zal schenken? + +„Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun +vergaat.” + + + +Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant +van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een +wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een +handkoffer droeg. + +Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de +beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden. + +De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij +het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een +zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte. + +Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken +woorden: + +„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag! + +„Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij +u op te houden. + +„Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in +hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder +voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.” + +Samuel Löwenstein verbleekte. + +Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit: + +„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande +zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd. + +„God zal mij straffen, als dat waar is. + +„Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende +legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen. + +„Overtuig u zelf, heer luitenant.” + +„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester. + +„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen +tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend. + +De officier van politie nam ze aan en sprak: + +„Katzenstein is de naam van den oplichter. + +„Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?” + +Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht. + +Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand +prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze +versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met +gefronst voorhoofd: + +„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou +hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik +bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere +Katzenstein hier is geweest?” + +„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon. + +„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon. + +„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik +bemoei mij met de ouwe kleeren.” + +Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde +erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, +vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met +hetgeen hij in het boek zag staan en sprak: + +„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat +bedrag staat ook in uw boek genoteerd. + +„Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!” + +Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te +gehoorzamen. + +Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te +voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer. + +Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak +geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het +opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een +kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein. + +„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, +waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet. + +De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en +fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en +gefronste voorhoofden. + +Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in +vijftien andere pandjeshuizen afgelegd. + +Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles +tot zijn vriend en secretaris Charly Brand: + +„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 +Mark verdiend. + +„Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier +in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een +dergelijk bezoek vereeren.” + +Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal +pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand: + +„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter +slot en grendel te worden gezet. + +„In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te +staan en dan vooral om hun geslepenheid. + +„En nu ga jij naar Londen terug. + +„Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, +maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot +last zijn.” + +Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het +station en begaf zich daarna naar Café Bauer. + +De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen. + +De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste +nieuwtjes te lezen. + +Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te +amuseeren. + +Hij las het volgende: + + + „Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend + oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen. + + Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een + Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren + Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar + diamanten. + + Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als + politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester + uitgedosten medeplichtige. + + Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de + diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend. + + Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem + afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark. + + De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze + in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in + den tijd van een paar dagen. + + Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie + onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen + gelukken, den dader in handen te krijgen. + + De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief + John Raffles. + + De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een + bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige + aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen + der politie valt.” + + +Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor +zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen. + +Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap +brengen en schreef den volgenden brief: + + + „Aan de Redactie van het + „Berliner Tageblatt.” + + Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het + artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche + pandjesbazen. + + Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze + truc mij zoo volkomen is gelukt. + + Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig + heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de + armen van Berlijn ten goede te doen komen. + + En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet + denken aan den beruchten John C. Raffles. + + Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad + niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in + Berlijn ophoud. + + Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de + uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als + belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert, + zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik + hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder + in Berlijn te bewegen dan tot dusverre. + + Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw + blad, blijf ik met de meeste hoogachting, + + JOHN C. RAFFLES.” + + +Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het +Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken. + +Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de +bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die +door Charly Brand meegenomen werd naar Londen. + +Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS + + +Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van +Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn +gewonen gang ging. + +Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een +troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en +hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende +wijze de publieke aandacht trok. + +Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat +deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje +gleed langs zijn aristocratische trekken. + +In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, +toen hij de volgende aankondiging las: + + + Schouwburgzaal + Köpenickerstr. 68. + + Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen: + op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur. + + De groote Engelsche + sensatie—detective—comedie: + „Lord Lister” + genaamd Raffles de groote onbekende. + + door Curt. Matul. + + Plaatsbespreking van af heden. + + +„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn +horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig +vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om +mijn dubbelganger op de planken te zien.” + +Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, +nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel +van zijn dubbelganger. + +Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn +streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte. + +Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van +den schouwburg vertoeven. + +Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het +tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den +schouwburgdirecteur hadden plaats genomen. + +Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast +den directeur was komen staan, tot dezen sprak: + +„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw +binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen +persoon zich in den schouwburg bevindt.” + +„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze +acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.” + +Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke +wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden. + +Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de +politie hachelijk voor hem worden. + +Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door +politieagenten was bezet. + +Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, +van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten +met scherpe blikken monsterend. + +Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon +aanraken. + +Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef: + +„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.” + +Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het +verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles +geschreven woorden. + +Van het antwoord hing voor Raffles veel af. + +Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige +woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde +opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak: + +„Wees zoo goed, ons te volgen.” + +Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de +eerste étage begaven. + +Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door +Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten +Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond. + +Daaronder had de groote onbekende geschreven: + +„Een vriend van John Raffles.” + +„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol +belangstelling. + +Raffles lachte hartelijk. + +„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank +betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is +weergegeven.” + +Hij reikte beiden heeren de hand. + +„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de +politie?” + +„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle +zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.” + +Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween +Raffles. + +De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie +nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken. + +Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, +naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje. + +Deze opende het en las: + + + „Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo + verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb + het gebouw reeds verlaten. + + Met hoogachting en beleefde groeten, + John C. Raffles.” + + +De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan +den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond. + +Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de +inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen +bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal. + +Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief. + +Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling +een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het +voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden +letters gedrukt: + + + „Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, + den Grooten Onbekende”. + + +Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een +bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar +buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een +persoon gevolgd werd. + +Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote +onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den +neus was genomen. + +In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den +brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van +een vollen bruinen baard. + +Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben. + +John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, +nam een huurrijtuig en reed daarin verder. + +Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat +zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met +heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets +vertelde. + +Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven. + +Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en +sprak tot den koetsier: + +„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan +loopen, men vervolgt mij.” + +De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te +doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit +den boog de straat langs. + +Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het +rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet +zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij +hun rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun +koetsier en namen plaats in den motorwagen. + +De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, +maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een +penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van +politie was en sprak: + +„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!” + +„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?” + +De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte +verdween. + +„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, +gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.” + +„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak +de chauffeur en voort ging het met groote snelheid. + +Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin +zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten +was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald. + +De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende +vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, +die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den +koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven: + +„Blijf staan! In naam der wet!” + +De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om +niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in. + +Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een +seconde later in het eerste het beste huis. + +Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die +eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen. + +Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, +naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur +geopend. + +Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster +klom hij naar buiten. + +Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den +beganen grond voortbewoog. + +De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden +weg genomen als de vluchteling. + +Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de +Engelschman blijkbaar niet verder kon. + +Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, +die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep: + +„Geef u over!” + +Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen +enkelen detective ter wereld gevangen genomen was. + +De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende +hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf. + +Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, +die hem op het dak deed neertuimelen. + +Bewusteloos bleef hij liggen. + +Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige +politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak. + +Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn +vlucht zou kunnen voortzetten. + +Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel +steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die +ongeveer tien meter breed kon zijn. + +Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe +vervolgers. + +Toen nam hij een overmoedig besluit. + +Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile +dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot. + +Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar +de waterpijp langs het huis naar beneden ging. + +Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop +eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. +Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot +vasthoudend, boven de enorme diepte. + +Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig. + +Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de +naar beneden leidende looden waterbuis. + +Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te +kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit. + +Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen. + +Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid voor hem +zou zijn, om dit te bereiken. + +Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem +verwijderd. + +Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te +laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide +handen gebruiken om zich stevig vast te houden. + +De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken. + +Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige +vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de +pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon +geopend werd. + +Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij +iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.) + +Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand +deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij: + +„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!” + +Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een +waschlijn terug te komen. + +Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen +het andere gedeelte om zijn lichaam. + +Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand +vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet. + +„Laat u nu los!” riep hij. + +De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem +aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige +seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer. + +Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en +sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte: + +„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde +bereid, het mijne voor u te wagen.” + +„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt +gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen? + +„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en +moordenaar Hennig. + +„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste +niet naar uit.” + +„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware +geweest?” vroeg John Raffles. + +„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te +doen hadden.” + +„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben +Raffles!” + +Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den +Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit: + +„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen +te bedriegen?” + +De ander knikte bevestigend. + +Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man: + +„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt +geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het +zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest +liggen met verbrijzelde hersenpan. + +„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.” + +„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef +mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar +beneden te komen. + +„En ook hier zal ik niet veilig zijn.” + +Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd +geklopt. + +Beiden luisterden een oogenblik aandachtig. + +„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende. + +De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen. + +„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen +der politie zou kunnen verbergen. + +„Wat zullen wij doen? + +„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.” + +John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de +keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan +het vertrek grensde. + +De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg: + +„Wie is daar?” + +„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon. + +„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van +het huis, om tijd te winnen. + +Opnieuw werd op de deur geklopt. + +John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan +het kozijn van het keukenvenster. + +Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering +op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder: + +„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. +Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van +het touw?” + +Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het +volgende oogenblik verdwenen. + +Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de +binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder +het touw los. + +Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit +in de vuilnisbak. + +Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de +straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden +te gapen. + +Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke +nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak +meemaken. + +Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze +uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden +toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan. + +Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend +en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de +vluchteling gegrepen was. + +Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu +bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis +aankeek. + +„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast +hem stond. + +„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is +een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich +naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning +binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.” + +„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen +in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten +fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje +moest doen. + +„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet +verdragen!” + +„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw +haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, +„dat wij hier wel veilig staan?” + +Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte +den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven. + +Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te +wachten. + +Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat +zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften. + +En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de +deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot. + +„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender. + +„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording +schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de +huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier +verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien +dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te +dringen.” + +De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet +binnenkomen. + +„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.” + +De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed +verstond wat de ander zei. + +„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het +panopticum is weggeloopen? + +„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk +weer precies zoo neerzet als gij het vindt!” + +De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de +fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek. + +„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in +zenuwachtige onrust naast Bender stond. + +De gevraagde keek den ander woedend aan. + +„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik +ben houder van een bank van leening.” + +„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem +aanzie voor een stillen agent van politie! + +„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens +beleediging van een beambte!” + +Bender was zenuwachtig geworden. + +Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden. + +„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt +gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel +eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.” + +„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger +zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.” + +De fabrieksarbeider lachte. + +„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij +mij vinden.” + +De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en +dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de +voeten had gemaakt. + +„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de +fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn +beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden. + +„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een +hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag +springt? + +„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een +kwartier geleden bij mij kunnen hebben. + +„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een +vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien +vuilnisbak daar beneden en weg was hij!” + +Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap +nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— — + +Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de +eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden +liet brengen. + +Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet +begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde. + +Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend +rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension. + +Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten +trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +IN DE MISDADIGERSKROEG. + + +Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van +de Friedrichstraat had een aanvang genomen. + +Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen +volksoploop te kijken. + +Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een +jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen. + +Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte. + +Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, +sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een +looden stok den helm van het hoofd. + +De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen. + +Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, +zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest +beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn +haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent +bewusteloos neerviel. + +In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en +liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat. + +John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der +Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen +gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de +Jonkerstraat verdwenen. + +Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was. + +Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek +eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte. + +Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen +van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier. + +Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, +ontdekte Raffles echter niets. + +Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen +gordijn van het eerste was gescheiden. + +De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen +gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met +onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek +binnen te gaan. + +Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd +droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde +zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees: + +„Alles in orde!” + +Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek. + +De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den +boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen. + +Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat. + +Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam +plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch +wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan +„Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak. + +Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen +voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken. + +Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het +meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon +tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het +niet eens was. + +De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van +eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen +woedend naar het meisje. + +Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit: + +„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig keer gezegd, dat +ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van +het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.” + +„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen +van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord. + +„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar +mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis +zijn genomen. + +„Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur +ik mij als dienstmeisje.” + +Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel +opgesprongen. + +„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van +je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat +hooren en zien je vergaat.” + +Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en +in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om +hulp zoekend om zich heen. + +Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies. + +„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de +zwartharige met gebalde vuist. + +Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen +smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles +niet bij haar had vermoed: + +„Neen!” + +Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een +angstig vogeltje. + +Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar +komen opdagen. + +John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist +van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige +beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij +met een harden plof neerviel. + +Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den +boevenkelder. + +Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd +werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn +tafeltje gebracht. + +„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat +zal je nog niet zoo glad zitten.” + +De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen +hield. + +„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen. + +De zwartharige was weer opgesprongen. + +Het witte schuim stond hem van woede op de lippen. + +Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen. + +Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem +zooeven maar al te duidelijk was getoond. + +Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen +hem voor den gek te houden. + +„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet +aan! Wat een held!” + +„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met +opgeheven mes op zijn vijand werpen. + +John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand +op om zich te verdedigen. + +Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen +doorboren. + +Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor +een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar +vriendelijk terug. + +Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om +Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, +nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had +Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door +het lokaal deed rollen. + +Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna +zinneloos van woede. + +Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, +die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd +rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te +naderen. + +Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal +binnen. + +Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te +stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in +splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde. + +Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te +vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen. + +Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de +schavuiten den vreemdeling te lijf trekken. + +Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn +reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te +voorschijn en schreeuwde: + +„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie +dan maar opkomen! + +„Hier moet en zal rust heerschen!” + +„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” +klonk het als antwoord uit de menigte. + +Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, +die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom +Raffles en den waard. + +„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of +spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!” + +„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met +hem te zamen in de nor gezeten?” + +„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het +ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn +portret hebben gezien. + +„Die man is Raffles!” + +Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd +gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en +bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking. + +De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar +beneden en de wapens werden weggeborgen. + +Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen: + +„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den +dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien +noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.” + +De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen +scheuren, brak uit in een luid hoera. + +Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een +handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer +vereerden meesterdief. + +Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard +honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte +vertering. + +Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het +meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een +groot koffiehuis binnengaan. + +Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen +en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te +komen, vroeg hij naar haar naam. + +„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord. + +„Leven uw ouders nog?” + +Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje. + +„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden +gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van +linnengoed. + +„Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, +omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje +kon toestaan. + +„Toen werd ik ziek en had geen werk meer. + +„Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie +woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben. + +„Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer +leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.” + +Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige +schepsels doormaken. + +„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles. + +„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die +mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der +aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald +woont.” + +Raffles spitste de ooren. + +Nu begon de zaak belangwekkend te worden. + +„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?” + +„Ja, kort na moeders dood!” + +„En wat antwoordde hij u?” + +„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer +minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet +vaststond, dat hij mijn vader was. + +„Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar +gelijken.” + +„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij +onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.” + +Het jonge meisje bloosde. + +Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het +nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had +gewaagd, antwoordde zij: + +„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, uit wanhoop +getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd +zou blijven en haar kind een vader zou hebben. + +„Daarom had zij toen verschillende minnaars.” + +De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval +was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote +werken. + +„Kent gij de adressen van die heeren?” + +„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen +allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen +voorname lieden. + +„Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de +Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan +in Grunewald....” + +Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten. + +„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld +vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een +bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En +wat is de heer die in het Grunewald woont?” + +„Minister!” + +„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed +met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”. + +Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij +meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde +uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak: + +„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.” + +De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde: + +„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar +integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch +noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en +dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in +orde brengen. + +„Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. +Waar woont ge?” + +De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag. + +„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet +terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude +hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk +weer in zijn macht zijn.” + +„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u +onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.” + +„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje. + +„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker +wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het +mij terug kunt geven. + +„Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.” + +Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen +het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand. + +Zij bloosde opnieuw. + +„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u +terug kan geven.” + +Raffles lachte. + +„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld +verschaffen. + +„Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u +meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.” + +Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een +rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein. + +Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en +beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen +opzoeken. + +Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht +er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had +gebracht. + +Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover +nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder +grappig voorkwam. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE MINISTER. + + +Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk, +zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het +Grunewald, en was bezig brieven te schrijven. + +Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad +en hem een visitekaartje overhandigde. + +Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt +stond: + + + Graaf di Salvatore, + Pauselijk geheim kamerheer. + + +Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende: + +„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.” + +Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn +toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon +binnen. + +Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon +tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en +mompelde zijn naam. + +„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister, +terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen +plaats namen. + +De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke +parelgrijze handschoenen en antwoordde: + +„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter +verspreiding der zedelijkheid. + +„Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende +reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het +zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het +eerelidmaatschap zult willen ondersteunen. + +„De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende +Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.” + +De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde. + +Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden, +zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij +tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst +glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak: + +„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen +worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden +zijn te willen uitvoeren.” + +De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te +voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas. + +Het was van den volgenden inhoud: + + + „Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter + van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het + lidmaatschap erken.” + + +De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg: + +„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?” + +De graaf glimlachte. + +„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen +overtuiging heeft te vervullen. + +„Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer +Vereeniging wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en +collecten.” + +„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen +volgen?” + +De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer. + +Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen +post op de schrijftafel gelegd. + +Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de +graaf, zonder dat de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek. + +De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement +van oorlog. + +De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven +overhandigde document nogmaals door en onderteekende het. + +Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een +fijne sigaar, toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker +persoonlijk naar beneden tot aan den uitgang der villa, waar een auto +stond te wachten. + +Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de +graaf heen. + +Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels. + +Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de +onderteekening en mompelde: + +„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik +duidelijk en klaar uw onderteekening onder een document, waarin gij +jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter der Vereeniging tot +Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke +dochter erkent. + +„Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen +inkt heb geschreven, verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt, +waarmede ik de rest van het document schreef, het woord „vader” komen +te staan. + +„Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap +erkent. + +„Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is +open gebleven, om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den +volgenden zin: + +„„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira +Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”. + +„En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.” + +Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de +door hem opgestelde verklaring had laten onderteekenen. + +Met den professor had hij een gansch ander plan. + +Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar +John Raffles vernam, zeer angstig van natuur. + +Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten +kwam, diep in de schulden te steken, + +Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een +naam. + +Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang +van het jonge meisje zooveel mogelijk partij trekken. + +Hij sprak tot den professor: + +„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in +wier nalatenschap ik eenige brieven vond. + +„Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste +liefdesverklaringen, en ik neem dus aan, dat het u wel degelijk ernst +is geweest, mijn zuster te trouwen. + +„Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter +achter en deze beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit +bekennen?” + +Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd. + +Hij beefde over al zijn leden en fluisterde: + +„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast +bevindt, niets hoort. Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij +soms Marie?” + +De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog +steeds den Don Juan te spelen. + +John Raffles moest hartelijk lachen. + +„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen, +welke gij bezit, heer professor. + +„Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de +vader te zijn van mejuffrouw Elvira Manthé”. + +„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame... al +volwassen?” + +„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd +van 22 jaar bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar +vader te mogen aannemen. + +„En daartoe heb ik uw verklaring noodig.” + +„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten +kwam! Ik heb zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere +zorgen.” + +„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak +u verder niet ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn +nicht betreft, op dat gebied zullen wij u nimmer lastig vallen.” + +Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor +merkbaar op. + +„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt +komen vragen. Maar ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de +schulden zit en dat ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen +na zal komen.” + +„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?” + +„Zesduizend Mark per jaar.” + +„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?” + +„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in +vertrouwen gezegd, betaal ik voor drie andere.” + +Raffles lachte. + +Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk. + +„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te +bewijzen, dat ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk +optreden respecteer en eerbied voor u heb, omdat gij u zoo dapper +heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf hebt te danken, ben +ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een bedrag +van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van +haar zusters en broers.” + +De professor wist niet of hij waakte of droomde. + +Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat. + +Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op +de schrijftafel voor hem uittelde. + +Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon +beletten, omhelsde hij dezen, terwijl hij uitriep: + +„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb +altijd gezegd: hoe meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het +document onderteekenen, zooals gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde, +bereid om voor een dochter, die mij op zoo onbekrompen wijze +ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.” + +John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark +armer, de woning van den professor. + +Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had +toevertrouwd. De man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde +wijze zou uitgeven. + +Nu begaf hij zich naar den advocaat in de Friedrichstrasse. + +Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch. + +Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van +een echten zwierbol. + +Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn +monocle, toen deze hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig +jaar geleden nog herinnerde met de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé. + +„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een +hoofd als een ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen +herinnerde, met wie ik een relatie heb gehad. + +„Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor +het een of ander?” + +De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde. + +„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en +heeft door een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de +loterij gewonnen. + +„Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het +testament—moet op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.” + +Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik +vol hebzucht keek hij den spreker aan. + +„Hoeveel bedraagt het?” + +„250,000 Mark”. + +„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het +leven kan kosten, zal ik er aan voldoen.” + +John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij: + +„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij +getrouwd zijt met een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij +geen kinderen hebt. + +„Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig +interesseert.” + +„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men +altijd gebruiken. + +„Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.” + +„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw +kind erkent en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden. + +„Wilt gij hieraan voldoen?” + +De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte. + +„Maar dat spreekt van zelf! + +„Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods +elken dag aan! + +„Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die notaris is, deze +overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.” + +„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de +aangelegenheid dadelijk in orde te maken”. + +Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan. + +Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat: + +„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?” + +„Reeds over een paar dagen.” + +„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?” + +„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!” + +Met verbaasde blikken vroeg de advocaat: + +„Aan welke verplichtingen?” + +„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud +tot op haar 21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit +voorschrijft!” + +„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen +zeggen, aan die bijomstandigheid had ik niet gedacht.” + +„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij +er goedkoop af komt. + +„Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel +mededeelen.” + +Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een +vroolijke lach op zijn gelaat; + +„Mijnheer de advocaat zit in de klem!” + +Nu begaf hij zich naar den bankier. + +Ook deze was een oude zwierbol. + +„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem. + +„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij +straffen, als ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?” + +„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij, +mijnheer, ook bankier, maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en +Amerikaansche goudmijnen. Men schat mijn vermogen op twee millioen pond +sterling. + +„Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij, +naar ik u zooeven zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.” + +De bankier antwoordde lachend: + +„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter +heb. Het spijt mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot +schoonzoon te kunnen krijgen. Maar gij moet u in het adres vergist +hebben.” + +„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als +gij niet inderdaad in het bezit waart van een dochter. + +„Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere +verhouding hebt gestaan tot een juffrouw Manthé?” + +„Een actrice?” + +„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles. + +De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets +herinnerde. + +„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak +werkzaam. Maar hoe weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.” + +„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.” + +Nu werd de bankier zenuwachtig. + +„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —” + +„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu, +als ik zeg, dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren +kennen, ik wensch haar te trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het +arme meisje eindelijk dat geeft, waarop zij recht heeft, uw naam!” + +„Wilt gij haar inderdaad huwen?” + +„Anders zou ik hier niet voor u staan.” + +„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?” + +„Zeer zeker.” + +„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties +in Engeland. Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen. +Hoe kan die zaak geregeld worden?” + +„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der +aangelegenheid naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er +dadelijk werk van maakten.” + +„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich +met Raffles naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden +gemaakt. + +Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge +opzoeken en met een vroolijk lachje sprak hij tot haar: + +„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij +kunt kiezen uit vier vaders. + +„Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding +stellen met den minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.” + +Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen en seinde zijn vriend +Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen. + +Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den +vereischten vorm had opgesteld, sprak hij: + +„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk +schrijven en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan +mij een bedrag te zenden van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre +verschuldigde kosten voor levensonderhoud der jonge dame.” + +Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon +zien, als deze het schrijven zou ontvangen. + +Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht. + +In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een +hem geheel vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende +onechte dochter. + +Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te +beginnen. + +Veertien dagen later had de eerste termijn plaats. + +John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een +zestigjarig heer, was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen +van den indruk, dien het document zou maken. + +De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den +rechter het document overhandigde met de woorden: + +„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving +dit document van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der +Zedelijkheid. Herinnert gij u dien heer, Excellentie, of ontkent gij +misschien hem te hebben ontmoet?” + +„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te +hebben gemaakt.” + +„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening, +mijnheer?” + +De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk. + +„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.” + +„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?” + +„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.” + +„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft +ontkennen. + +Hier in dit document staat het volgende te lezen: + + + „Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de + Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap + erken. + + Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira + Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.” + + +Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve +dat van den minister een glimlach. + +De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden. + +„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op +een stuk, dat een anderen inhoud had.” + +De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende +blikken aan. + +„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw +positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst +nauwkeurig heeft doorgelezen. + +„Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?” + +„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.” + +De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het +geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching. + +De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor +zich komen. + +Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het +jonge meisje en beklaagde. + +De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend, +sprak hij: + +„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het +documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en +dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het +evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.” + +„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit. + +Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge +meisje. + +Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk +gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke +dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te +betalen ten bedrage van 3000 Mark. + +Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de +man, die na zooveel jaren eindelijk ter verantwoording was geroepen, de +gerechtszaal uit. + +Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met +Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen. + +Maar hij verhinderde haar dit en sprak: + +„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn +zooveel hij kan.” + +Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief +van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde +en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood. + +John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een +bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen: + +„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der +nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.” + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN INBRAAK. + + +Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan. + +John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een +zee-officier. + +Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den +Dierentuin bereikte. + +Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem +had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en +verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte. + +„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden +vriend en leermeester niet eens meer?” + +Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan. + +Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij: + +„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?” + +„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik +admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van +Engeland uit de havens zou stelen.” + +„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt +teruggeroepen?” + +„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong +meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd +veroordeeld om haar vader te zijn. + +„Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.” + +Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar +Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein +handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek +voort te zetten. + +„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan, +die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou +willen weten.” + +„Wat heb je daar ontdekt?” + +„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst +zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel +huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.” + + + +Tegen twee uur verlieten zij het hotel. + +Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven +wilden profiteeren. + +Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk. + +Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar +zij zich kostelijk zouden amuseeren. + +John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed +naar het Grunewald. + +In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister +bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en +beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te +wachten. + +„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon. + +Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op +dat uur niemand op straat vertoonde. + +Alle vensters van de villa van den minister waren donker. + +Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er +zich geen wachthond in of bij het huis bevond. + +Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat. +Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van +het gebouw. + +Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde +er een kunstig bewerkte zijden ladder uit te voorschijn, aan welks +uiteinde een ijzeren haak was bevestigd. + +Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid +naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren +haak in het hek van het balcon vastzitten. + +Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder +stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en +eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon. + +Een poosje bleven zij daar luisterend staan. + +Maar alles bleef rustig in huis. + +Niemand had eenig geluid vernomen. + +Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en +zij traden het vertrek binnen. + +Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij +zich in de eetkamer van den minister bevonden, + +„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn +eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den +weg te vinden. + +Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in +de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een +verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het +voordeel, ongestoord te kunnen werken. + +Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond +niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben. + +Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer +stond. + +Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig +moeite het slot indrukken. + +Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open. + +Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een +waarschuwend teeken. + +Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en +beiden luisterden aandachtig. + +Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde, +voetstappen. + +„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!” + +Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand +languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen. + +De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een +cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan +eener gaslamp open. + +Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken, +werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn +schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het, +die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer. + +Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden +en hem een samengevouwen doek in den mond stopten. + +Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven. + +Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige +contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark +bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die +alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog. + +Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige +pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien +hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede. + +Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang. + +Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen. + +Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en +bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst +hadden gedaan. + +De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst +van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van +vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen. + +Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden +beefde en sprak: + +„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen +vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt, +in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn. + +„Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat. + +„Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw +onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark. + +„Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van +bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man, +die vrouw noch kinderen heeft. + +„Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw +dochter. + +„Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te +gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van +de papieren, die ik hier heb gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem +hem nu den knevel uit den mond.” + +Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat +Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken. + +Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes +langs zijn gelaat. + +„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde +stem. + +Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam +zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn +geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden +eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den +pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore. + +De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het +verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen: + +„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen. + +„Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de +schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En +opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens +mijn werkelijken naam mede te deelen. + +„Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende. + +„Maak de boeien los!” + +Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen +man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende +oogen aan. + +Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef. + +Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht +schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver +te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan. + +Maar hij had niet op Charly Brand gerekend. + +Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met +een flinken vuistslag neergeworpen. + +„Vervloekte schurk!” siste de jonge man. + +Raffles had slechts even opgekeken. + +Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef +hij verder. + +Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van +woede. + +„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf +waarschijnlijk aan de galg brengen. + +„Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood +zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht. + +„Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn +vriend of ik gezwegen zouden hebben? + +„En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven: + + + „Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad + heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht, + de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de + Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om + mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn + buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom. + + +„Onderteeken dit, Excellentie.” + +Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document. + +John Raffles droogde het stuk. + +„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen, +het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.” + +Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en +afscheid nam van een aangenaam gezelschap. + +Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs +denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN ZELFMOORD. + + +Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse +in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een +zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak: + +„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.” + +Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het +hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man. + +„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar +spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te +behandelen hebben.” + +Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille +zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam +een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten. + +„Heb je haar eindelijk gesnapt?” + +„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens +kijken, wat je aan geld bij je hebt.” + +Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje, +waarin zich verscheiden goudstukken bevonden. + +„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij +het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie +zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar +duizend mark.” + +„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit. + +Beide mannen lachten luidkeels. + +„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn +kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een +edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar +en daarvoor kan jij zorgen. + +„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen, +dat de politie hem inpikt. + +„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui +heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en +verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt. + +„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal +ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en +dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.” + +Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij +kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar +uitte. + +„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu +staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen +man om zeven uur gevangen nemen. + +„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.” + +Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen. + +Zij wist niet, wat zij moest doen. + +Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in +het hotel terug. + +De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien +naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar +zou zijn. + +Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief. + +Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt, +dat de zwartharige haar had achtervolgd. + +In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw +weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen. + +Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om +het plein over te steken. + +Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak: + +„Heb je het geld?” + +Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht. + +Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn +flikkerende oogen antwoordde zij: + +„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u +oogenblikkelijk over aan de politie.” + +Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan. + +Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was +in het hotel teruggekeerd. + +Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet. + +Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen +lichtte een gevaarlijke gloed. + +„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!” + +Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte, +gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was. + +Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden +en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het +politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond. + +John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of +juffrouw Manthé te spreken was. + +„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een +kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.” + +De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel. + +Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den +tuin van een café. + +Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat +op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan +door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden. + +„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand +de beambten wees. + +„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in +de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik +mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet +hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen. + +„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.” + +Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde +kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren. + +Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was +weggereden. + +Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te +vertellen had. + +De brief luidde: + + + JOHN C. RAFFLES. + + Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de + onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij + niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een + onwaardige de behulpzame hand hadt geboden. + + Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap + slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat + iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met + eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan. + + Ik smeek u daarom, mij te vergeten. + + Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou + kunnen worden. + + Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat + gij over hebt voor de armen en ongelukkigen. + + Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet + boos op mij. + + Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn. + + ELVIRA MANTHÉ. + + +Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek +meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den +brief zwijgend aan Charly Brand. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN DOOD MAN. + + +Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de +ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den +minister had afgenomen. + +Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven. + +Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem +ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de +brieven van het begin tot het eind lezen. + +Het was juist zooals hij had vermoed. + +De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering +allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld. + +Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam +een courant op. + +Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en +antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand: + +„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het +Ziekenhuis la Charité.” + +Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige +vriend dat wenschte. + +Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf +Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak: + +„Lees!” + +Charly Brand las het volgende: + + + „Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes + uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling + van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die + dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks + haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.” + + +Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet. + +Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje +informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de +inrichting over een half uur zou verlaten. + +Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten +totdat het jonge meisje zou verschijnen. + +Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad. + +Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met +vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem +toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop +gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar +daarheen. + +Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was +gebroken. + +Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem +was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen +van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht. + +„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige +waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer +beangst, mijn kind, alles komt in orde. + +„Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het +zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede +bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.” + +Zij wist niet, hoe zij hem kon danken. + +De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde +haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte. + +Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat, +dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op +naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd. + +Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen. + +Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde dezen in het bezit +van een aanklacht tegen zijn collega. + +„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf +bezorgen.” + +Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces +tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem +mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor +het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke +schadeloosstelling uit te keeren. + +De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren +blij, op deze wijze van de zaak af te zijn. + +De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de +minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn +beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd. + +Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van +justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een +goeden indruk op hem had gemaakt. + +Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje +betrof. + +Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd +tot tijd iets van haar hooren. + +Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten. + +Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de +Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen +stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte. + +„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar +mijn plan: + +„Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept +hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast +aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den +politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken. + +„Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden. + +„Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter +volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in +handen der politie te vallen. + +„Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn, +maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin, +het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.” + +De groep mannen had hen niet zien aankomen. + +Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de +Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en +begaf zich in de richting der jonge kerels. + +Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg +met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht. + +Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het +straattooneel. + +Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met +versnelden pas stormden de agenten op de kerels los. + +Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het +politiebureau gebracht. + +Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk +bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij +meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om +zich te laten verbinden. + +Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak: + +„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!” + +„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste +is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn +reis naar Berlijn. + +„Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.” + +Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis. + +Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar +reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had +gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje +noodig was. + +Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij. + +Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar +oogen bijna iets van een God. + +Wie was deze man, die Raffles genoemd werd? + +Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag +tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden, +antwoordde hij: + +„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den +eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of +New-York ben.” + +„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?” + +„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof, +dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld +hebben gezien. + +„Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis de wereld door en +bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.” + +„Zult gij mij af en toe eens schrijven?” + +Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem. + +„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles. + +„En hoe zult gij mijn adres dan weten?” + +„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een +advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op +te geven. + +„Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten +ook voor het een of ander noodig hebt.” + +Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden. + +Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein +gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein +vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek +uit het raampje wuifde. + +„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly +Brand, toen zij het perron verlieten. + +De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar +zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij +afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken +uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer +terug zou zien. + +Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een +detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden. + +Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met +scherpen blik opnam. + +Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de +politie moest zijn. + +Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde +en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te +ontkomen. + +Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak: + +„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel +mogelijk, dan betaal ik dubbel.” + +Nu begon een ware jacht. + +De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender. + +Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker, +of hij den goede voor had. + +In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het +Grunewald. + +De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den +minister. + +Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten, +liet Raffles zich bij den minister aandienen. + +Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was +hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had. + +Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de +schrijftafel plaats en sprak: + +„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo +fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.” + +De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft. + +„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat +het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval +beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.” + +De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden. + +Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle +schurken, wanneer zij ontmaskerd worden. + +Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde: + +„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren, +wenscht u dringend te spreken.” + +Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk. + +„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het +salon; ik ben nog bezig.” + +De bediende boog en ging heen. + +„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister. + +„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten +zijn, dat u zoo ongerust maakt.” + +De minister stond op. + +Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan. + +„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.” + +„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.” + +Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de +deur naar de studeerkamer. + +Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur +uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs +dezen weg het vertrek. + +Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon de stem van den +wachtmeester, die tot den bediende sprak: + +„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.” + +Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden. + +Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met +knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug. + +Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van +Raffles, nu gevangen werd genomen. + +Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat +de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op +hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een +revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten. + +Het schot bracht alles in huis in rep en roer. + +Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van +den minister naderde. + +Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord, +het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand +heenreed. + +Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den +zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per +nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van +den dood van dezen staatsman. + +Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent +den dood van den minister en sprak: + +„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.” + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 *** |
