summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-04-04 14:21:03 -0700
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-04-04 14:21:03 -0700
commit9e70fb85ef202f5502cf47deef368acffa22e715 (patch)
tree4b3b9bd507eba409e5f6684e3257a0ab83d74a18
Initial commitHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--75791-0.txt3040
-rw-r--r--75791-h/75791-h.htm4210
-rw-r--r--75791-h/images/lordlister.pngbin0 -> 36856 bytes
-rw-r--r--75791-h/images/lordlister0031-front.jpgbin0 -> 95467 bytes
-rw-r--r--75791-h/images/p0031-01.pngbin0 -> 11595 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
8 files changed, 7267 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/75791-0.txt b/75791-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..51a2106
--- /dev/null
+++ b/75791-0.txt
@@ -0,0 +1,3040 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***
+
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 31 VIER VADERS.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER VADERS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE BEIDE VREEMDELINGEN.
+
+
+De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote
+voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn
+met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee
+elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden
+blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.
+
+En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers
+waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.
+
+„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige,
+slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.
+
+„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op
+de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.
+
+De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er
+zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt
+in de wereld.
+
+Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:
+
+„Hoe lang denken de heeren te blijven?”
+
+„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie
+dagen.”
+
+Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen
+logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen
+hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en
+keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.
+
+De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het
+linnengoed in de kasten te bergen.
+
+„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?”
+vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.
+
+Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een
+spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.
+
+„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is
+van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die
+hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij
+hebben maar één gebrek..”
+
+„En dat is?”
+
+„Zij worden te slecht gesalarieerd.”
+
+Nu lachte ook de jongste.
+
+Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:
+
+„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in
+Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op
+mijn gemak gevoel.
+
+„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men
+zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.
+
+„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad
+aan den oever van de Spree en je kent de wijze voorzorgen en
+maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke
+vreemdeling wordt lastig gevallen.
+
+„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas
+of andere legitimatiepapieren te vertoonen.
+
+„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John
+of Soundso heeten.
+
+„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet
+of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”
+
+„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland
+de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in
+Rusland.
+
+„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar
+naar Berlijn bent gegaan.”
+
+Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak,
+sprak hij:
+
+„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick
+heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die,
+welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft
+uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een
+luitenant van politie.
+
+„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen
+dan een eenvoudige hoofdman.”
+
+„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”
+
+„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt,
+wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.
+
+„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb,
+aanschaffen.”
+
+Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de
+Alexanderstraat in.
+
+De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de
+huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.
+
+Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was
+uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen,
+weken of maanden.
+
+Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een
+kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen
+van huis- en portaaldeur.
+
+„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden,
+„zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan
+of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te
+worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”
+
+Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.
+
+Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude
+uniformen en gedragen kleeren.
+
+Een dergelijken winkel gingen zij binnen.
+
+„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van
+politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde
+feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets
+dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.
+
+„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde
+het antwoord.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de
+volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren,
+klaargelegd.
+
+Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte
+inpakken en namen het pak mee.
+
+Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van
+de Linden.
+
+Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste
+sprak:
+
+„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het
+midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie
+en die vóór hem staat, is wachtmeester.
+
+„De anderen zijn gewone agenten.
+
+„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze
+van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij
+dat gewend zijn te doen.”
+
+Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het
+interessante stadsgewoel te kijken.
+
+Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en
+begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond,
+op welks balkon zij plaats namen.
+
+Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en
+later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer
+in het pension en legden daar het pak neer.
+
+Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten
+den avond in een schouwburg door.
+
+Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om
+de door hen gehuurde kamer op te zoeken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.
+
+
+Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de
+Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen
+een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.
+
+De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met
+hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren
+bestemd.
+
+Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker
+wenschte.
+
+Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn,
+waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel
+van Samuel Löwenstein neerlegde.
+
+De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de
+fonkelende steenen zag.
+
+„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de
+kostbaarheden onderzoekende.
+
+De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:
+
+„Ik heb geld noodig!”
+
+Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.
+
+„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.
+
+„Ik heb 4000 noodig!”
+
+„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn
+niet meer waard.”
+
+De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde
+en sprak luid:
+
+„All right! Geef mij 3000.”
+
+„Hebt gij legitimatiepapieren?”
+
+De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.
+
+Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.
+
+Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel
+voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de
+Hongaarsche politie afgegeven.
+
+Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik
+op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den
+naam van den vreemdeling spelde.
+
+Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze
+naam juist was.
+
+De vreemde heer knikte bevestigend.
+
+Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde
+de 3000 Mark.
+
+De vreemdeling ging heen.
+
+Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een
+vreugdedans uit te voeren.
+
+Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:
+
+„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen
+heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief)
+zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde
+betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”
+
+Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast
+weg en gingen weer terug naar hun winkel.
+
+Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de
+Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling
+verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan
+den eigenaar der zaak.
+
+De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.
+
+Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was
+geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor
+dien dag gereed met zijn werk.
+
+Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van
+hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.
+
+„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op
+straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een
+belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?”
+
+Daarop gingen zij verder.
+
+Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek
+hadden genomen in het Grand Hotel.
+
+De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn
+portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.
+
+„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”
+
+„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak,
+waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de
+wereld niet schitterend noemen.”
+
+Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en
+antwoordde:
+
+„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je
+werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de
+geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels
+ook maar een enkelen penning zal schenken?
+
+„Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun
+vergaat.”
+
+
+
+Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant
+van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een
+wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een
+handkoffer droeg.
+
+Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de
+beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.
+
+De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij
+het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een
+zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.
+
+Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken
+woorden:
+
+„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!
+
+„Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij
+u op te houden.
+
+„Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in
+hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder
+voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”
+
+Samuel Löwenstein verbleekte.
+
+Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:
+
+„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande
+zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.
+
+„God zal mij straffen, als dat waar is.
+
+„Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende
+legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.
+
+„Overtuig u zelf, heer luitenant.”
+
+„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.
+
+„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen
+tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.
+
+De officier van politie nam ze aan en sprak:
+
+„Katzenstein is de naam van den oplichter.
+
+„Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”
+
+Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.
+
+Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand
+prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze
+versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met
+gefronst voorhoofd:
+
+„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou
+hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik
+bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere
+Katzenstein hier is geweest?”
+
+„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.
+
+„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.
+
+„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik
+bemoei mij met de ouwe kleeren.”
+
+Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde
+erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid,
+vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met
+hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:
+
+„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat
+bedrag staat ook in uw boek genoteerd.
+
+„Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”
+
+Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te
+gehoorzamen.
+
+Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te
+voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer.
+
+Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak
+geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het
+opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een
+kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.
+
+„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas,
+waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.
+
+De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en
+fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en
+gefronste voorhoofden.
+
+Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in
+vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.
+
+Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles
+tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:
+
+„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000
+Mark verdiend.
+
+„Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier
+in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een
+dergelijk bezoek vereeren.”
+
+Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal
+pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:
+
+„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter
+slot en grendel te worden gezet.
+
+„In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te
+staan en dan vooral om hun geslepenheid.
+
+„En nu ga jij naar Londen terug.
+
+„Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine,
+maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot
+last zijn.”
+
+Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het
+station en begaf zich daarna naar Café Bauer.
+
+De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.
+
+De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste
+nieuwtjes te lezen.
+
+Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te
+amuseeren.
+
+Hij las het volgende:
+
+
+ „Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend
+ oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.
+
+ Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een
+ Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren
+ Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar
+ diamanten.
+
+ Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als
+ politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester
+ uitgedosten medeplichtige.
+
+ Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de
+ diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.
+
+ Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem
+ afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.
+
+ De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze
+ in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in
+ den tijd van een paar dagen.
+
+ Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie
+ onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen
+ gelukken, den dader in handen te krijgen.
+
+ De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief
+ John Raffles.
+
+ De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een
+ bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige
+ aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen
+ der politie valt.”
+
+
+Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor
+zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.
+
+Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap
+brengen en schreef den volgenden brief:
+
+
+ „Aan de Redactie van het
+ „Berliner Tageblatt.”
+
+ Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het
+ artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche
+ pandjesbazen.
+
+ Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze
+ truc mij zoo volkomen is gelukt.
+
+ Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig
+ heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de
+ armen van Berlijn ten goede te doen komen.
+
+ En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet
+ denken aan den beruchten John C. Raffles.
+
+ Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad
+ niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in
+ Berlijn ophoud.
+
+ Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de
+ uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als
+ belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert,
+ zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik
+ hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder
+ in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.
+
+ Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw
+ blad, blijf ik met de meeste hoogachting,
+
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het
+Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.
+
+Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de
+bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die
+door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.
+
+Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS
+
+
+Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van
+Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn
+gewonen gang ging.
+
+Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een
+troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en
+hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende
+wijze de publieke aandacht trok.
+
+Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat
+deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje
+gleed langs zijn aristocratische trekken.
+
+In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde,
+toen hij de volgende aankondiging las:
+
+
+ Schouwburgzaal
+ Köpenickerstr. 68.
+
+ Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:
+ op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.
+
+ De groote Engelsche
+ sensatie—detective—comedie:
+ „Lord Lister”
+ genaamd Raffles de groote onbekende.
+
+ door Curt. Matul.
+
+ Plaatsbespreking van af heden.
+
+
+„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn
+horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig
+vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om
+mijn dubbelganger op de planken te zien.”
+
+Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen,
+nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel
+van zijn dubbelganger.
+
+Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn
+streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.
+
+Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van
+den schouwburg vertoeven.
+
+Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het
+tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den
+schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.
+
+Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast
+den directeur was komen staan, tot dezen sprak:
+
+„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw
+binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen
+persoon zich in den schouwburg bevindt.”
+
+„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze
+acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”
+
+Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke
+wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.
+
+Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de
+politie hachelijk voor hem worden.
+
+Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door
+politieagenten was bezet.
+
+Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen,
+van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten
+met scherpe blikken monsterend.
+
+Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon
+aanraken.
+
+Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:
+
+„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”
+
+Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het
+verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles
+geschreven woorden.
+
+Van het antwoord hing voor Raffles veel af.
+
+Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige
+woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde
+opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:
+
+„Wees zoo goed, ons te volgen.”
+
+Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de
+eerste étage begaven.
+
+Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door
+Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten
+Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.
+
+Daaronder had de groote onbekende geschreven:
+
+„Een vriend van John Raffles.”
+
+„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol
+belangstelling.
+
+Raffles lachte hartelijk.
+
+„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank
+betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is
+weergegeven.”
+
+Hij reikte beiden heeren de hand.
+
+„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de
+politie?”
+
+„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle
+zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”
+
+Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween
+Raffles.
+
+De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie
+nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.
+
+Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen,
+naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.
+
+Deze opende het en las:
+
+
+ „Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo
+ verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb
+ het gebouw reeds verlaten.
+
+ Met hoogachting en beleefde groeten,
+ John C. Raffles.”
+
+
+De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan
+den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.
+
+Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de
+inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen
+bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.
+
+Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.
+
+Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling
+een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het
+voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden
+letters gedrukt:
+
+
+ „Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles,
+ den Grooten Onbekende”.
+
+
+Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een
+bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar
+buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een
+persoon gevolgd werd.
+
+Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote
+onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den
+neus was genomen.
+
+In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den
+brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van
+een vollen bruinen baard.
+
+Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
+
+John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden,
+nam een huurrijtuig en reed daarin verder.
+
+Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat
+zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met
+heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets
+vertelde.
+
+Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
+
+Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en
+sprak tot den koetsier:
+
+„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan
+loopen, men vervolgt mij.”
+
+De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te
+doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit
+den boog de straat langs.
+
+Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het
+rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet
+zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij
+hun rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun
+koetsier en namen plaats in den motorwagen.
+
+De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”,
+maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een
+penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van
+politie was en sprak:
+
+„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
+
+„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
+
+De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte
+verdween.
+
+„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel,
+gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”
+
+„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak
+de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.
+
+Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin
+zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten
+was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.
+
+De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende
+vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto,
+die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den
+koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
+
+„Blijf staan! In naam der wet!”
+
+De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om
+niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
+
+Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een
+seconde later in het eerste het beste huis.
+
+Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die
+eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
+
+Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde,
+naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur
+geopend.
+
+Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster
+klom hij naar buiten.
+
+Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den
+beganen grond voortbewoog.
+
+De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden
+weg genomen als de vluchteling.
+
+Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de
+Engelschman blijkbaar niet verder kon.
+
+Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg,
+die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:
+
+„Geef u over!”
+
+Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen
+enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.
+
+De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende
+hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
+
+Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag,
+die hem op het dak deed neertuimelen.
+
+Bewusteloos bleef hij liggen.
+
+Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige
+politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.
+
+Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn
+vlucht zou kunnen voortzetten.
+
+Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel
+steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die
+ongeveer tien meter breed kon zijn.
+
+Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe
+vervolgers.
+
+Toen nam hij een overmoedig besluit.
+
+Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile
+dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
+
+Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar
+de waterpijp langs het huis naar beneden ging.
+
+Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop
+eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak.
+Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot
+vasthoudend, boven de enorme diepte.
+
+Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
+
+Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de
+naar beneden leidende looden waterbuis.
+
+Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te
+kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.
+
+Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.
+
+Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid voor hem
+zou zijn, om dit te bereiken.
+
+Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem
+verwijderd.
+
+Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te
+laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide
+handen gebruiken om zich stevig vast te houden.
+
+De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
+
+Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige
+vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de
+pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon
+geopend werd.
+
+Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij
+iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)
+
+Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand
+deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:
+
+„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
+
+Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een
+waschlijn terug te komen.
+
+Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen
+het andere gedeelte om zijn lichaam.
+
+Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand
+vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.
+
+„Laat u nu los!” riep hij.
+
+De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem
+aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige
+seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
+
+Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en
+sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:
+
+„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde
+bereid, het mijne voor u te wagen.”
+
+„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt
+gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
+
+„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en
+moordenaar Hennig.
+
+„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste
+niet naar uit.”
+
+„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware
+geweest?” vroeg John Raffles.
+
+„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te
+doen hadden.”
+
+„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben
+Raffles!”
+
+Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den
+Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
+
+„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen
+te bedriegen?”
+
+De ander knikte bevestigend.
+
+Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
+
+„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt
+geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het
+zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest
+liggen met verbrijzelde hersenpan.
+
+„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
+
+„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef
+mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar
+beneden te komen.
+
+„En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
+
+Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd
+geklopt.
+
+Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
+
+„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
+
+De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
+
+„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen
+der politie zou kunnen verbergen.
+
+„Wat zullen wij doen?
+
+„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
+
+John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de
+keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan
+het vertrek grensde.
+
+De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
+
+„Wie is daar?”
+
+„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
+
+„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van
+het huis, om tijd te winnen.
+
+Opnieuw werd op de deur geklopt.
+
+John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan
+het kozijn van het keukenvenster.
+
+Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering
+op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder:
+
+„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden.
+Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van
+het touw?”
+
+Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het
+volgende oogenblik verdwenen.
+
+Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de
+binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder
+het touw los.
+
+Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit
+in de vuilnisbak.
+
+Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de
+straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden
+te gapen.
+
+Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke
+nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak
+meemaken.
+
+Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze
+uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden
+toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.
+
+Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend
+en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de
+vluchteling gegrepen was.
+
+Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu
+bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis
+aankeek.
+
+„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast
+hem stond.
+
+„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is
+een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich
+naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning
+binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
+
+„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen
+in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten
+fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje
+moest doen.
+
+„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet
+verdragen!”
+
+„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw
+haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles,
+„dat wij hier wel veilig staan?”
+
+Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte
+den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
+
+Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te
+wachten.
+
+Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat
+zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.
+
+En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de
+deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
+
+„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
+
+„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording
+schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de
+huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier
+verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien
+dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te
+dringen.”
+
+De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet
+binnenkomen.
+
+„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
+
+De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed
+verstond wat de ander zei.
+
+„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het
+panopticum is weggeloopen?
+
+„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk
+weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”
+
+De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de
+fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.
+
+„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in
+zenuwachtige onrust naast Bender stond.
+
+De gevraagde keek den ander woedend aan.
+
+„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik
+ben houder van een bank van leening.”
+
+„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem
+aanzie voor een stillen agent van politie!
+
+„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens
+beleediging van een beambte!”
+
+Bender was zenuwachtig geworden.
+
+Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
+
+„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt
+gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel
+eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”
+
+„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger
+zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.”
+
+De fabrieksarbeider lachte.
+
+„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij
+mij vinden.”
+
+De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en
+dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de
+voeten had gemaakt.
+
+„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de
+fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn
+beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.
+
+„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een
+hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag
+springt?
+
+„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een
+kwartier geleden bij mij kunnen hebben.
+
+„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een
+vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien
+vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
+
+Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap
+nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
+
+Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de
+eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden
+liet brengen.
+
+Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet
+begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.
+
+Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend
+rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
+
+Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten
+trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE MISDADIGERSKROEG.
+
+
+Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van
+de Friedrichstraat had een aanvang genomen.
+
+Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen
+volksoploop te kijken.
+
+Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een
+jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.
+
+Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.
+
+Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond,
+sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een
+looden stok den helm van het hoofd.
+
+De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.
+
+Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote,
+zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest
+beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn
+haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent
+bewusteloos neerviel.
+
+In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en
+liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.
+
+John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der
+Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen
+gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de
+Jonkerstraat verdwenen.
+
+Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.
+
+Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek
+eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.
+
+Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen
+van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.
+
+Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien,
+ontdekte Raffles echter niets.
+
+Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen
+gordijn van het eerste was gescheiden.
+
+De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen
+gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met
+onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek
+binnen te gaan.
+
+Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd
+droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde
+zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:
+
+„Alles in orde!”
+
+Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.
+
+De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den
+boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.
+
+Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.
+
+Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam
+plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch
+wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan
+„Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.
+
+Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen
+voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.
+
+Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het
+meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon
+tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het
+niet eens was.
+
+De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van
+eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen
+woedend naar het meisje.
+
+Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:
+
+„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig keer gezegd, dat
+ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van
+het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”
+
+„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen
+van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.
+
+„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar
+mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis
+zijn genomen.
+
+„Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur
+ik mij als dienstmeisje.”
+
+Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel
+opgesprongen.
+
+„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van
+je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat
+hooren en zien je vergaat.”
+
+Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en
+in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om
+hulp zoekend om zich heen.
+
+Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.
+
+„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de
+zwartharige met gebalde vuist.
+
+Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen
+smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles
+niet bij haar had vermoed:
+
+„Neen!”
+
+Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een
+angstig vogeltje.
+
+Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar
+komen opdagen.
+
+John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist
+van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige
+beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij
+met een harden plof neerviel.
+
+Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den
+boevenkelder.
+
+Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd
+werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn
+tafeltje gebracht.
+
+„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat
+zal je nog niet zoo glad zitten.”
+
+De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen
+hield.
+
+„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.
+
+De zwartharige was weer opgesprongen.
+
+Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.
+
+Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.
+
+Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem
+zooeven maar al te duidelijk was getoond.
+
+Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen
+hem voor den gek te houden.
+
+„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet
+aan! Wat een held!”
+
+„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met
+opgeheven mes op zijn vijand werpen.
+
+John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand
+op om zich te verdedigen.
+
+Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen
+doorboren.
+
+Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor
+een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar
+vriendelijk terug.
+
+Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om
+Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik,
+nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had
+Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door
+het lokaal deed rollen.
+
+Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna
+zinneloos van woede.
+
+Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles,
+die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd
+rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te
+naderen.
+
+Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal
+binnen.
+
+Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te
+stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in
+splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.
+
+Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te
+vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.
+
+Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de
+schavuiten den vreemdeling te lijf trekken.
+
+Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn
+reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te
+voorschijn en schreeuwde:
+
+„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie
+dan maar opkomen!
+
+„Hier moet en zal rust heerschen!”
+
+„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!”
+klonk het als antwoord uit de menigte.
+
+Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen,
+die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom
+Raffles en den waard.
+
+„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of
+spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”
+
+„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met
+hem te zamen in de nor gezeten?”
+
+„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het
+ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn
+portret hebben gezien.
+
+„Die man is Raffles!”
+
+Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd
+gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en
+bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.
+
+De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar
+beneden en de wapens werden weggeborgen.
+
+Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:
+
+„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den
+dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien
+noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”
+
+De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen
+scheuren, brak uit in een luid hoera.
+
+Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een
+handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer
+vereerden meesterdief.
+
+Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard
+honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte
+vertering.
+
+Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het
+meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een
+groot koffiehuis binnengaan.
+
+Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen
+en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te
+komen, vroeg hij naar haar naam.
+
+„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.
+
+„Leven uw ouders nog?”
+
+Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.
+
+„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden
+gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van
+linnengoed.
+
+„Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn,
+omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje
+kon toestaan.
+
+„Toen werd ik ziek en had geen werk meer.
+
+„Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie
+woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.
+
+„Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer
+leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”
+
+Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige
+schepsels doormaken.
+
+„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.
+
+„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die
+mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der
+aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald
+woont.”
+
+Raffles spitste de ooren.
+
+Nu begon de zaak belangwekkend te worden.
+
+„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”
+
+„Ja, kort na moeders dood!”
+
+„En wat antwoordde hij u?”
+
+„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer
+minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet
+vaststond, dat hij mijn vader was.
+
+„Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar
+gelijken.”
+
+„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij
+onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”
+
+Het jonge meisje bloosde.
+
+Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het
+nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had
+gewaagd, antwoordde zij:
+
+„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, uit wanhoop
+getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd
+zou blijven en haar kind een vader zou hebben.
+
+„Daarom had zij toen verschillende minnaars.”
+
+De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval
+was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote
+werken.
+
+„Kent gij de adressen van die heeren?”
+
+„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen
+allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen
+voorname lieden.
+
+„Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de
+Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan
+in Grunewald....”
+
+Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.
+
+„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld
+vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een
+bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En
+wat is de heer die in het Grunewald woont?”
+
+„Minister!”
+
+„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed
+met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.
+
+Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij
+meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde
+uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:
+
+„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”
+
+De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:
+
+„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar
+integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch
+noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en
+dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in
+orde brengen.
+
+„Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen.
+Waar woont ge?”
+
+De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.
+
+„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet
+terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude
+hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk
+weer in zijn macht zijn.”
+
+„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u
+onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”
+
+„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.
+
+„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker
+wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het
+mij terug kunt geven.
+
+„Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”
+
+Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen
+het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.
+
+Zij bloosde opnieuw.
+
+„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u
+terug kan geven.”
+
+Raffles lachte.
+
+„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld
+verschaffen.
+
+„Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u
+meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”
+
+Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een
+rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.
+
+Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en
+beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen
+opzoeken.
+
+Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht
+er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had
+gebracht.
+
+Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover
+nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder
+grappig voorkwam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE MINISTER.
+
+
+Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk,
+zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het
+Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.
+
+Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad
+en hem een visitekaartje overhandigde.
+
+Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt
+stond:
+
+
+ Graaf di Salvatore,
+ Pauselijk geheim kamerheer.
+
+
+Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:
+
+„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”
+
+Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn
+toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon
+binnen.
+
+Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon
+tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en
+mompelde zijn naam.
+
+„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister,
+terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen
+plaats namen.
+
+De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke
+parelgrijze handschoenen en antwoordde:
+
+„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter
+verspreiding der zedelijkheid.
+
+„Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende
+reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het
+zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het
+eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.
+
+„De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende
+Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.”
+
+De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.
+
+Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden,
+zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij
+tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst
+glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:
+
+„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen
+worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden
+zijn te willen uitvoeren.”
+
+De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te
+voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas.
+
+Het was van den volgenden inhoud:
+
+
+ „Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter
+ van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het
+ lidmaatschap erken.”
+
+
+De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:
+
+„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”
+
+De graaf glimlachte.
+
+„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen
+overtuiging heeft te vervullen.
+
+„Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer
+Vereeniging wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en
+collecten.”
+
+„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen
+volgen?”
+
+De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer.
+
+Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen
+post op de schrijftafel gelegd.
+
+Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de
+graaf, zonder dat de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek.
+
+De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement
+van oorlog.
+
+De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven
+overhandigde document nogmaals door en onderteekende het.
+
+Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een
+fijne sigaar, toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker
+persoonlijk naar beneden tot aan den uitgang der villa, waar een auto
+stond te wachten.
+
+Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de
+graaf heen.
+
+Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels.
+
+Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de
+onderteekening en mompelde:
+
+„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik
+duidelijk en klaar uw onderteekening onder een document, waarin gij
+jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter der Vereeniging tot
+Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke
+dochter erkent.
+
+„Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen
+inkt heb geschreven, verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt,
+waarmede ik de rest van het document schreef, het woord „vader” komen
+te staan.
+
+„Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap
+erkent.
+
+„Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is
+open gebleven, om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den
+volgenden zin:
+
+„„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira
+Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”.
+
+„En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.”
+
+Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de
+door hem opgestelde verklaring had laten onderteekenen.
+
+Met den professor had hij een gansch ander plan.
+
+Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar
+John Raffles vernam, zeer angstig van natuur.
+
+Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten
+kwam, diep in de schulden te steken,
+
+Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een
+naam.
+
+Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang
+van het jonge meisje zooveel mogelijk partij trekken.
+
+Hij sprak tot den professor:
+
+„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in
+wier nalatenschap ik eenige brieven vond.
+
+„Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste
+liefdesverklaringen, en ik neem dus aan, dat het u wel degelijk ernst
+is geweest, mijn zuster te trouwen.
+
+„Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter
+achter en deze beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit
+bekennen?”
+
+Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd.
+
+Hij beefde over al zijn leden en fluisterde:
+
+„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast
+bevindt, niets hoort. Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij
+soms Marie?”
+
+De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog
+steeds den Don Juan te spelen.
+
+John Raffles moest hartelijk lachen.
+
+„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen,
+welke gij bezit, heer professor.
+
+„Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de
+vader te zijn van mejuffrouw Elvira Manthé”.
+
+„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame... al
+volwassen?”
+
+„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd
+van 22 jaar bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar
+vader te mogen aannemen.
+
+„En daartoe heb ik uw verklaring noodig.”
+
+„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten
+kwam! Ik heb zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere
+zorgen.”
+
+„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak
+u verder niet ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn
+nicht betreft, op dat gebied zullen wij u nimmer lastig vallen.”
+
+Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor
+merkbaar op.
+
+„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt
+komen vragen. Maar ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de
+schulden zit en dat ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen
+na zal komen.”
+
+„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?”
+
+„Zesduizend Mark per jaar.”
+
+„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?”
+
+„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in
+vertrouwen gezegd, betaal ik voor drie andere.”
+
+Raffles lachte.
+
+Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk.
+
+„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te
+bewijzen, dat ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk
+optreden respecteer en eerbied voor u heb, omdat gij u zoo dapper
+heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf hebt te danken, ben
+ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een bedrag
+van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van
+haar zusters en broers.”
+
+De professor wist niet of hij waakte of droomde.
+
+Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat.
+
+Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op
+de schrijftafel voor hem uittelde.
+
+Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon
+beletten, omhelsde hij dezen, terwijl hij uitriep:
+
+„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb
+altijd gezegd: hoe meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het
+document onderteekenen, zooals gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde,
+bereid om voor een dochter, die mij op zoo onbekrompen wijze
+ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.”
+
+John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark
+armer, de woning van den professor.
+
+Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had
+toevertrouwd. De man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde
+wijze zou uitgeven.
+
+Nu begaf hij zich naar den advocaat in de Friedrichstrasse.
+
+Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch.
+
+Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van
+een echten zwierbol.
+
+Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn
+monocle, toen deze hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig
+jaar geleden nog herinnerde met de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé.
+
+„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een
+hoofd als een ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen
+herinnerde, met wie ik een relatie heb gehad.
+
+„Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor
+het een of ander?”
+
+De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde.
+
+„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en
+heeft door een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de
+loterij gewonnen.
+
+„Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het
+testament—moet op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.”
+
+Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik
+vol hebzucht keek hij den spreker aan.
+
+„Hoeveel bedraagt het?”
+
+„250,000 Mark”.
+
+„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het
+leven kan kosten, zal ik er aan voldoen.”
+
+John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij:
+
+„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij
+getrouwd zijt met een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij
+geen kinderen hebt.
+
+„Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig
+interesseert.”
+
+„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men
+altijd gebruiken.
+
+„Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.”
+
+„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw
+kind erkent en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden.
+
+„Wilt gij hieraan voldoen?”
+
+De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte.
+
+„Maar dat spreekt van zelf!
+
+„Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods
+elken dag aan!
+
+„Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die notaris is, deze
+overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.”
+
+„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de
+aangelegenheid dadelijk in orde te maken”.
+
+Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan.
+
+Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat:
+
+„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?”
+
+„Reeds over een paar dagen.”
+
+„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?”
+
+„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!”
+
+Met verbaasde blikken vroeg de advocaat:
+
+„Aan welke verplichtingen?”
+
+„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud
+tot op haar 21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit
+voorschrijft!”
+
+„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen
+zeggen, aan die bijomstandigheid had ik niet gedacht.”
+
+„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij
+er goedkoop af komt.
+
+„Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel
+mededeelen.”
+
+Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een
+vroolijke lach op zijn gelaat;
+
+„Mijnheer de advocaat zit in de klem!”
+
+Nu begaf hij zich naar den bankier.
+
+Ook deze was een oude zwierbol.
+
+„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem.
+
+„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij
+straffen, als ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?”
+
+„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij,
+mijnheer, ook bankier, maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en
+Amerikaansche goudmijnen. Men schat mijn vermogen op twee millioen pond
+sterling.
+
+„Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij,
+naar ik u zooeven zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.”
+
+De bankier antwoordde lachend:
+
+„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter
+heb. Het spijt mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot
+schoonzoon te kunnen krijgen. Maar gij moet u in het adres vergist
+hebben.”
+
+„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als
+gij niet inderdaad in het bezit waart van een dochter.
+
+„Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere
+verhouding hebt gestaan tot een juffrouw Manthé?”
+
+„Een actrice?”
+
+„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles.
+
+De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets
+herinnerde.
+
+„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak
+werkzaam. Maar hoe weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.”
+
+„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.”
+
+Nu werd de bankier zenuwachtig.
+
+„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu,
+als ik zeg, dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren
+kennen, ik wensch haar te trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het
+arme meisje eindelijk dat geeft, waarop zij recht heeft, uw naam!”
+
+„Wilt gij haar inderdaad huwen?”
+
+„Anders zou ik hier niet voor u staan.”
+
+„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?”
+
+„Zeer zeker.”
+
+„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties
+in Engeland. Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen.
+Hoe kan die zaak geregeld worden?”
+
+„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der
+aangelegenheid naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er
+dadelijk werk van maakten.”
+
+„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich
+met Raffles naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden
+gemaakt.
+
+Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge
+opzoeken en met een vroolijk lachje sprak hij tot haar:
+
+„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij
+kunt kiezen uit vier vaders.
+
+„Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding
+stellen met den minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.”
+
+Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen en seinde zijn vriend
+Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen.
+
+Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den
+vereischten vorm had opgesteld, sprak hij:
+
+„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk
+schrijven en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan
+mij een bedrag te zenden van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre
+verschuldigde kosten voor levensonderhoud der jonge dame.”
+
+Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon
+zien, als deze het schrijven zou ontvangen.
+
+Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht.
+
+In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een
+hem geheel vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende
+onechte dochter.
+
+Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te
+beginnen.
+
+Veertien dagen later had de eerste termijn plaats.
+
+John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een
+zestigjarig heer, was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen
+van den indruk, dien het document zou maken.
+
+De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den
+rechter het document overhandigde met de woorden:
+
+„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving
+dit document van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der
+Zedelijkheid. Herinnert gij u dien heer, Excellentie, of ontkent gij
+misschien hem te hebben ontmoet?”
+
+„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te
+hebben gemaakt.”
+
+„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening,
+mijnheer?”
+
+De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.
+
+„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”
+
+„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”
+
+„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”
+
+„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft
+ontkennen.
+
+Hier in dit document staat het volgende te lezen:
+
+
+ „Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de
+ Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap
+ erken.
+
+ Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira
+ Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”
+
+
+Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve
+dat van den minister een glimlach.
+
+De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.
+
+„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op
+een stuk, dat een anderen inhoud had.”
+
+De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende
+blikken aan.
+
+„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw
+positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst
+nauwkeurig heeft doorgelezen.
+
+„Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”
+
+„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”
+
+De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het
+geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching.
+
+De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor
+zich komen.
+
+Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het
+jonge meisje en beklaagde.
+
+De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend,
+sprak hij:
+
+„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het
+documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en
+dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het
+evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.”
+
+„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.
+
+Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge
+meisje.
+
+Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk
+gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke
+dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te
+betalen ten bedrage van 3000 Mark.
+
+Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de
+man, die na zooveel jaren eindelijk ter verantwoording was geroepen, de
+gerechtszaal uit.
+
+Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met
+Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen.
+
+Maar hij verhinderde haar dit en sprak:
+
+„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn
+zooveel hij kan.”
+
+Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief
+van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde
+en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood.
+
+John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een
+bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:
+
+„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der
+nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN INBRAAK.
+
+
+Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.
+
+John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een
+zee-officier.
+
+Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den
+Dierentuin bereikte.
+
+Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem
+had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en
+verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.
+
+„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden
+vriend en leermeester niet eens meer?”
+
+Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.
+
+Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:
+
+„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik
+admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van
+Engeland uit de havens zou stelen.”
+
+„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt
+teruggeroepen?”
+
+„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong
+meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd
+veroordeeld om haar vader te zijn.
+
+„Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”
+
+Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar
+Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein
+handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek
+voort te zetten.
+
+„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan,
+die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou
+willen weten.”
+
+„Wat heb je daar ontdekt?”
+
+„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst
+zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel
+huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”
+
+
+
+Tegen twee uur verlieten zij het hotel.
+
+Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven
+wilden profiteeren.
+
+Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.
+
+Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar
+zij zich kostelijk zouden amuseeren.
+
+John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed
+naar het Grunewald.
+
+In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister
+bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en
+beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te
+wachten.
+
+„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.
+
+Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op
+dat uur niemand op straat vertoonde.
+
+Alle vensters van de villa van den minister waren donker.
+
+Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er
+zich geen wachthond in of bij het huis bevond.
+
+Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat.
+Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van
+het gebouw.
+
+Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde
+er een kunstig bewerkte zijden ladder uit te voorschijn, aan welks
+uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.
+
+Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid
+naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren
+haak in het hek van het balcon vastzitten.
+
+Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder
+stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en
+eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.
+
+Een poosje bleven zij daar luisterend staan.
+
+Maar alles bleef rustig in huis.
+
+Niemand had eenig geluid vernomen.
+
+Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en
+zij traden het vertrek binnen.
+
+Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij
+zich in de eetkamer van den minister bevonden,
+
+„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn
+eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den
+weg te vinden.
+
+Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in
+de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een
+verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het
+voordeel, ongestoord te kunnen werken.
+
+Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond
+niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.
+
+Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer
+stond.
+
+Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig
+moeite het slot indrukken.
+
+Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.
+
+Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een
+waarschuwend teeken.
+
+Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en
+beiden luisterden aandachtig.
+
+Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde,
+voetstappen.
+
+„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”
+
+Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand
+languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.
+
+De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een
+cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan
+eener gaslamp open.
+
+Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken,
+werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn
+schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het,
+die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.
+
+Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden
+en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.
+
+Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.
+
+Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige
+contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark
+bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die
+alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.
+
+Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige
+pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien
+hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.
+
+Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.
+
+Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.
+
+Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en
+bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst
+hadden gedaan.
+
+De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst
+van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van
+vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.
+
+Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden
+beefde en sprak:
+
+„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen
+vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt,
+in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.
+
+„Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.
+
+„Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw
+onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.
+
+„Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van
+bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man,
+die vrouw noch kinderen heeft.
+
+„Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw
+dochter.
+
+„Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te
+gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van
+de papieren, die ik hier heb gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem
+hem nu den knevel uit den mond.”
+
+Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat
+Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.
+
+Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes
+langs zijn gelaat.
+
+„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde
+stem.
+
+Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam
+zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn
+geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden
+eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den
+pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.
+
+De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het
+verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:
+
+„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.
+
+„Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de
+schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En
+opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens
+mijn werkelijken naam mede te deelen.
+
+„Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.
+
+„Maak de boeien los!”
+
+Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen
+man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende
+oogen aan.
+
+Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.
+
+Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht
+schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver
+te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.
+
+Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.
+
+Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met
+een flinken vuistslag neergeworpen.
+
+„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.
+
+Raffles had slechts even opgekeken.
+
+Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef
+hij verder.
+
+Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van
+woede.
+
+„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf
+waarschijnlijk aan de galg brengen.
+
+„Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood
+zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.
+
+„Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn
+vriend of ik gezwegen zouden hebben?
+
+„En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:
+
+
+ „Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad
+ heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht,
+ de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de
+ Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om
+ mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn
+ buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.
+
+
+„Onderteeken dit, Excellentie.”
+
+Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.
+
+John Raffles droogde het stuk.
+
+„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen,
+het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”
+
+Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en
+afscheid nam van een aangenaam gezelschap.
+
+Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs
+denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ZELFMOORD.
+
+
+Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse
+in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een
+zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:
+
+„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”
+
+Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het
+hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.
+
+„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar
+spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te
+behandelen hebben.”
+
+Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille
+zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam
+een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.
+
+„Heb je haar eindelijk gesnapt?”
+
+„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens
+kijken, wat je aan geld bij je hebt.”
+
+Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje,
+waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.
+
+„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij
+het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie
+zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar
+duizend mark.”
+
+„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.
+
+Beide mannen lachten luidkeels.
+
+„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn
+kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een
+edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar
+en daarvoor kan jij zorgen.
+
+„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen,
+dat de politie hem inpikt.
+
+„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui
+heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en
+verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.
+
+„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal
+ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en
+dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”
+
+Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij
+kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar
+uitte.
+
+„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu
+staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen
+man om zeven uur gevangen nemen.
+
+„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”
+
+Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.
+
+Zij wist niet, wat zij moest doen.
+
+Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in
+het hotel terug.
+
+De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien
+naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar
+zou zijn.
+
+Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.
+
+Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt,
+dat de zwartharige haar had achtervolgd.
+
+In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw
+weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.
+
+Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om
+het plein over te steken.
+
+Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:
+
+„Heb je het geld?”
+
+Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.
+
+Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn
+flikkerende oogen antwoordde zij:
+
+„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u
+oogenblikkelijk over aan de politie.”
+
+Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.
+
+Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was
+in het hotel teruggekeerd.
+
+Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.
+
+Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen
+lichtte een gevaarlijke gloed.
+
+„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”
+
+Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte,
+gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.
+
+Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden
+en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het
+politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.
+
+John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of
+juffrouw Manthé te spreken was.
+
+„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een
+kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”
+
+De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.
+
+Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den
+tuin van een café.
+
+Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat
+op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan
+door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.
+
+„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand
+de beambten wees.
+
+„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in
+de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik
+mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet
+hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.
+
+„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”
+
+Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde
+kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.
+
+Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was
+weggereden.
+
+Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te
+vertellen had.
+
+De brief luidde:
+
+
+ JOHN C. RAFFLES.
+
+ Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de
+ onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij
+ niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een
+ onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.
+
+ Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap
+ slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat
+ iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met
+ eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.
+
+ Ik smeek u daarom, mij te vergeten.
+
+ Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou
+ kunnen worden.
+
+ Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat
+ gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.
+
+ Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet
+ boos op mij.
+
+ Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.
+
+ ELVIRA MANTHÉ.
+
+
+Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek
+meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den
+brief zwijgend aan Charly Brand.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN DOOD MAN.
+
+
+Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de
+ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den
+minister had afgenomen.
+
+Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.
+
+Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem
+ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de
+brieven van het begin tot het eind lezen.
+
+Het was juist zooals hij had vermoed.
+
+De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering
+allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.
+
+Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam
+een courant op.
+
+Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en
+antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:
+
+„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het
+Ziekenhuis la Charité.”
+
+Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige
+vriend dat wenschte.
+
+Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf
+Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:
+
+„Lees!”
+
+Charly Brand las het volgende:
+
+
+ „Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes
+ uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling
+ van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die
+ dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks
+ haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”
+
+
+Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.
+
+Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje
+informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de
+inrichting over een half uur zou verlaten.
+
+Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten
+totdat het jonge meisje zou verschijnen.
+
+Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.
+
+Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met
+vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem
+toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop
+gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar
+daarheen.
+
+Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was
+gebroken.
+
+Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem
+was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen
+van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.
+
+„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige
+waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer
+beangst, mijn kind, alles komt in orde.
+
+„Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het
+zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede
+bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”
+
+Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.
+
+De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde
+haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.
+
+Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat,
+dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op
+naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.
+
+Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.
+
+Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde dezen in het bezit
+van een aanklacht tegen zijn collega.
+
+„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf
+bezorgen.”
+
+Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces
+tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem
+mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor
+het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke
+schadeloosstelling uit te keeren.
+
+De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren
+blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.
+
+De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de
+minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn
+beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd.
+
+Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van
+justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een
+goeden indruk op hem had gemaakt.
+
+Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje
+betrof.
+
+Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd
+tot tijd iets van haar hooren.
+
+Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.
+
+Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de
+Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen
+stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte.
+
+„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar
+mijn plan:
+
+„Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept
+hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast
+aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den
+politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.
+
+„Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.
+
+„Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter
+volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in
+handen der politie te vallen.
+
+„Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn,
+maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin,
+het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.”
+
+De groep mannen had hen niet zien aankomen.
+
+Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de
+Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en
+begaf zich in de richting der jonge kerels.
+
+Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg
+met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht.
+
+Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het
+straattooneel.
+
+Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met
+versnelden pas stormden de agenten op de kerels los.
+
+Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het
+politiebureau gebracht.
+
+Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk
+bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij
+meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om
+zich te laten verbinden.
+
+Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:
+
+„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”
+
+„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste
+is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn
+reis naar Berlijn.
+
+„Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”
+
+Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.
+
+Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar
+reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had
+gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje
+noodig was.
+
+Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.
+
+Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar
+oogen bijna iets van een God.
+
+Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?
+
+Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag
+tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden,
+antwoordde hij:
+
+„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den
+eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of
+New-York ben.”
+
+„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”
+
+„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof,
+dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld
+hebben gezien.
+
+„Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis de wereld door en
+bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”
+
+„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”
+
+Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.
+
+„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.
+
+„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”
+
+„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een
+advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op
+te geven.
+
+„Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten
+ook voor het een of ander noodig hebt.”
+
+Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.
+
+Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein
+gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein
+vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek
+uit het raampje wuifde.
+
+„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly
+Brand, toen zij het perron verlieten.
+
+De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar
+zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij
+afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken
+uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer
+terug zou zien.
+
+Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een
+detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden.
+
+Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met
+scherpen blik opnam.
+
+Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de
+politie moest zijn.
+
+Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde
+en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te
+ontkomen.
+
+Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:
+
+„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel
+mogelijk, dan betaal ik dubbel.”
+
+Nu begon een ware jacht.
+
+De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.
+
+Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker,
+of hij den goede voor had.
+
+In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het
+Grunewald.
+
+De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den
+minister.
+
+Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten,
+liet Raffles zich bij den minister aandienen.
+
+Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was
+hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.
+
+Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de
+schrijftafel plaats en sprak:
+
+„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo
+fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”
+
+De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.
+
+„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat
+het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval
+beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.”
+
+De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.
+
+Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle
+schurken, wanneer zij ontmaskerd worden.
+
+Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:
+
+„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren,
+wenscht u dringend te spreken.”
+
+Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.
+
+„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het
+salon; ik ben nog bezig.”
+
+De bediende boog en ging heen.
+
+„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.
+
+„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten
+zijn, dat u zoo ongerust maakt.”
+
+De minister stond op.
+
+Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.
+
+„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”
+
+„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”
+
+Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de
+deur naar de studeerkamer.
+
+Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur
+uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs
+dezen weg het vertrek.
+
+Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon de stem van den
+wachtmeester, die tot den bediende sprak:
+
+„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”
+
+Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.
+
+Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met
+knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug.
+
+Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van
+Raffles, nu gevangen werd genomen.
+
+Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat
+de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op
+hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een
+revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.
+
+Het schot bracht alles in huis in rep en roer.
+
+Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van
+den minister naderde.
+
+Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord,
+het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand
+heenreed.
+
+Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den
+zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per
+nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van
+den dood van dezen staatsman.
+
+Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent
+den dood van den minister en sprak:
+
+„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***
diff --git a/75791-h/75791-h.htm b/75791-h/75791-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..dcb8103
--- /dev/null
+++ b/75791-h/75791-h.htm
@@ -0,0 +1,4210 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-04-04T20:17:20Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Lord Lister No. 31: Vier vaders | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Kurt Matull (1872–1920)">
+<meta name="author" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]">
+<link rel="coverpage" href="images/lordlister0031-front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/lordlister0031-front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Lord Lister No. 31: Vier vaders">
+<meta name="DC.Creator" content="Kurt Matull (1872–1920)">
+<meta name="DC.Creator" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]">
+<meta name="DC.Contributor" content="Alfred Gustav Christian Roloff (1879–1951)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="Detective and mystery stories -- Periodicals">
+<meta name="DC:Subject" content="Dime novels -- Periodicals">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+tr, td, th {
+vertical-align: top;
+}
+tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td {
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td {
+font-style: italic;
+}
+td.leftbrace, td.rightbrace {
+vertical-align: middle;
+}
+span.sum {
+padding-top: 2px;
+border-top: solid black 1px;
+}
+table.inlineTable {
+display: inline-table;
+}
+table.borderOutside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
+border-left: 0 solid black;
+}
+table.borderAll,
+table.rtlBorderAll {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td,
+table.rtlBorderAll td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop,
+table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom,
+table.rtlBorderAll .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom,
+table.rtlBorderAll .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft,
+table.borderAll .cellHeadLeft {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight,
+table.borderAll .cellHeadRight {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cellLeft,
+table.rtlBorderAll .cellHeadLeft {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cellRight,
+table.rtlBorderAll .cellHeadRight {
+border-left: 2px solid black;
+}
+tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
+border-top: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
+border-right: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
+border-top: 1px solid black !important;
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
+border-right: 1px solid black !important;
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
+border: 1px solid black !important;
+}
+tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
+border-top: none !important;
+}
+tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
+border-right: none !important;
+}
+tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
+border-left: none !important;
+}
+tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
+border-top: none !important;
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
+border-right: none !important;
+border-left: none !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
+border: none !important;
+}
+.cellDoubleUp {
+border-width: 0 !important;
+width: 1em;
+}
+.cellDummy {
+border-width: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalIntegerPart {
+text-align: right;
+border-right: none !important;
+padding-right: 0 !important;
+margin-right: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalFractionPart {
+text-align: left;
+border-left: none !important;
+padding-left: 0 !important;
+margin-left: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalNotNumber {
+text-align: center;
+}
+table.alignedText, table.alignedVerse {
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+table.alignedText td.first, table.alignedText td.second {
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedVerse {
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedText td.first, table.alignedVerse td.first {
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedText td.second, table.alignedVerse td.second {
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedVerse td.first, table.alignedVerse td.second {
+width: 45%;
+}
+table.alignedVerse td.lineNumbers {
+width: 10%;
+}
+td.alignedDiv1 {
+padding-top: 5.6em;
+}
+td.alignedDiv2 {
+padding-top: 4.8em;
+}
+td.alignedDiv3 {
+padding-top: 3.6em;
+}
+td.alignedDiv4 {
+padding-top: 2.4em;
+}
+td.alignedDiv5, td.alignedDiv6, td.alignedDiv7 {
+padding-top: 1.44em;
+}
+table.alignedText p:not(.first) {
+margin-top: 0;
+}
+.alignedVerseHead {
+margin: 1em 0 1em 0;
+display: inline-block;
+}
+.alignedVerseSpacer {
+height: 1.4em;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.imprint {
+color: gray; text-align: center;
+}
+div.advertisement img {
+mix-blend-mode: darken;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.xl {
+font-size: x-large;
+}
+.xxl {
+font-size: xx-large;
+}
+.xxxl {
+font-size: 300%;
+}
+.bold {
+font-weight: bold;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.xd33e1679 {
+text-align:center; vertical-align:middle; font-size:x-large; width:33%;
+}
+.xd33e1680 {
+text-align:center; vertical-align:middle;
+}
+.cover-imagewidth {
+width:561px;
+}
+.xd33e123 {
+font-size:x-large;
+}
+.xd33e125 {
+font-size:small;
+}
+.xd33e425 {
+margin:2em auto; padding:0 1em; border:2pt solid black; width:60%;
+}
+.xd33e430 {
+width:100%; border-bottom:2pt solid black; margin:0.1em 0 !important;
+}
+.xd33e439 {
+line-height:0.1ex;
+}
+.xd33e1676 {
+text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000; font-weight:bold;
+}
+.tbl\.wanted\.header {
+width:100%;
+}
+.xd33e1683 {
+font-size:xx-large;
+}
+.lordlisterwidth {
+width:307px;
+}
+.xd33e1698 {
+text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000;
+}
+.xd33e1700 {
+font-size:large;
+}
+.xd33e1703 {
+font-size:large;
+}
+.xd33e1706 {
+text-align:center;
+}
+.xd33e1708 {
+text-align:center; font-size:x-large;
+}
+.xd33e1712 {
+text-align:center; font-size:large;
+}
+.warrant\.en {
+font-size:small; border:2pt solid black; padding-left:1em; padding-right:1em; margin:1em;
+}
+.xd33e1723 {
+font-size:x-large; text-align:center;
+}
+.xd33e1727 {
+font-weight:bold; text-align:center;
+}
+.warrant\.nl {
+display:none; font-size:small;
+}
+.xd33e1835 {
+text-align:center; font-weight:bold; font-size:large;
+}
+.xd33e1947 {
+font-size:xx-large;
+}
+.xd33e1949 {
+font-size:medium;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/lordlister0031-front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="561" height="720"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first xd33e123">☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
+</p>
+<p class="xd33e125">UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/p0031-01.png" alt="VIER VADERS." width="720" height="221"></div>
+<h2 class="super xxl">VIER VADERS.</h2>
+<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE BEIDE VREEMDELINGEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote voorkomendheid
+het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn met goud omzoomde pet af en
+maakte een eerbiedige buiging voor twee elegante heeren, die uit het rijtuig stapten
+en die hij met geoefenden blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.
+</p>
+<p>En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers waren geplakt
+en waarop de naam Londen te lezen stond.
+</p>
+<p>„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, slankgebouwde man van
+ongeveer veertigjarigen leeftijd.
+</p>
+<p>„<span lang="en">Yes, Sir</span>”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op de eerste verdieping
+gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.
+</p>
+<p>De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er zijn intrek
+met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt in de wereld.
+</p>
+<p>Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:
+</p>
+<p>„Hoe lang denken de heeren te blijven?”
+</p>
+<p>„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>minstens echter drie dagen.”
+</p>
+<p>Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen logeergast in elk
+hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen hadden gelicht, ging de jongste der
+beide Engelschen naar het raam en keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.
+</p>
+<p>De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het linnengoed in de kasten
+te bergen.
+</p>
+<p>„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” vroeg de zoon van
+Albion, die bij het venster stond.
+</p>
+<p>Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een spottend glimlachje
+vloog over zijn gelaat.
+</p>
+<p>„Dat, <span lang="en">my boy</span>, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is van veel meer beteekenis
+dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die hier werken, zijn de wakkerste, de beste
+detectives, die ik ken. Zij hebben maar één gebrek..”
+</p>
+<p>„En dat is?”
+</p>
+<p>„Zij worden te slecht gesalarieerd.”
+</p>
+<p>Nu lachte ook de jongste.
+</p>
+<p>Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:
+</p>
+<p>„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in Berlijn, hoewel
+het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op mijn gemak gevoel.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men zich hier niet,
+zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad aan den oever
+van de Spree en je <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>kent de wijze voorzorgen en maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger
+en elke vreemdeling wordt lastig gevallen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas of andere legitimatiepapieren
+te vertoonen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John of Soundso heeten.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet of tegen zijn
+eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”
+</p>
+<p>„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland de politie
+iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in Rusland.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar naar Berlijn bent
+gegaan.”
+</p>
+<p>Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, sprak hij:
+</p>
+<p>„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick heeft behaald.
+En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, welke de geniale schoenmaker
+tot vermaak der geheele wereld hier heeft uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren
+is in de uniform van een luitenant van politie.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen dan een eenvoudige
+hoofdman.”
+</p>
+<p>„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”
+</p>
+<p>„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, wanneer ik
+ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, aanschaffen.”
+</p>
+<p>Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de Alexanderstraat
+in.
+</p>
+<p>De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de huizenrijen en
+bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.
+</p>
+<p>Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was uitgehangen, dat vermeldde,
+dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, weken of maanden.
+</p>
+<p>Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een kamer, betaalde
+een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen van huis- en portaaldeur.
+</p>
+<p>„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, „zijn wij zeer
+ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan of thuiskomen. Als men heeft
+betaald, kan men, zonder door iemand te worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen
+en verlaten.”
+</p>
+<p>Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.
+</p>
+<p>Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude uniformen en gedragen
+kleeren.
+</p>
+<p>Een dergelijken winkel gingen zij binnen.
+</p>
+<p>„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van politie en van een
+wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde feest van de roeivereeniging mee
+bijwonen. Kunt gij ons aan iets dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.
+</p>
+<p>„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde het antwoord.
+</p>
+<p>Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de volledige uniformen,
+benevens sabels en verder toebehooren, klaargelegd.
+</p>
+<p>Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte inpakken en namen
+het pak mee.
+</p>
+<p>Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van de Linden.
+</p>
+<p>Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste sprak:
+</p>
+<p>„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het midden, die met
+de beambten staat te praten, is luitenant van politie en die vóór hem staat, is wachtmeester.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De anderen zijn gewone agenten.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze van doen van
+deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij dat gewend zijn te doen.”
+</p>
+<p>Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het interessante
+stadsgewoel te kijken.
+</p>
+<p>Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en begaven zich
+eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, op welks <span class="corr" id="xd33e222" title="Bron: balcon">balkon</span> zij plaats namen.
+</p>
+<p>Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en later der beambten
+van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer in het pension en legden daar
+het pak neer.
+</p>
+<p>Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten den avond in
+een schouwburg door.
+</p>
+<p>Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om de door hen
+gehuurde kamer op te zoeken.
+<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de Frankfurterstraat,
+had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen een heer zijn winkel binnenkwam,
+die wenschte om hem zelf te spreken.
+</p>
+<p>De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met hem had te
+verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren bestemd.
+</p>
+<p>Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker wenschte.
+</p>
+<p>Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, waaruit hij eenige
+kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel van Samuel Löwenstein neerlegde.
+</p>
+<p>De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de fonkelende steenen
+zag.
+</p>
+<p>„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de kostbaarheden
+onderzoekende.
+</p>
+<p>De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:
+</p>
+<p>„Ik heb geld noodig!”
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.
+</p>
+<p>„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.
+</p>
+<p>„Ik heb 4000 noodig!”
+</p>
+<p>„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn niet meer waard.”
+</p>
+<p>De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde en sprak luid:
+</p>
+<p>„<span lang="en">All right!</span> Geef mij 3000.”
+</p>
+<p>„Hebt gij legitimatiepapieren?”
+</p>
+<p>De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.
+</p>
+<p>Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel voorzien document
+uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de Hongaarsche politie afgegeven.
+</p>
+<p>Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik op wierp, met
+het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den naam van den vreemdeling
+spelde.
+</p>
+<p>Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze naam juist was.
+</p>
+<p>De vreemde heer knikte bevestigend.
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde de 3000 Mark.
+</p>
+<p>De vreemdeling ging heen.
+</p>
+<p>Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een vreugdedans
+uit te voeren.
+</p>
+<p>Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:
+</p>
+<p>„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen heer gezien,
+die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) zijn, want hij bracht mij
+uitgebroken steenen en ik heb een vierde betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark
+waard.”
+</p>
+<p>Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast weg en gingen
+weer terug naar hun winkel.
+</p>
+<p>Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de <span class="corr" id="xd33e270" title="Bron: Friedrichsstraat">Friedrichstraat</span> een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling verpandde tegen een bespottelijk lagen
+prijs losgebroken diamanten aan den eigenaar der zaak.
+</p>
+<p>De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.
+</p>
+<p>Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was geworden,
+had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor dien dag gereed met zijn
+werk.
+</p>
+<p>Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van hem voor het
+huis, als om de wacht te houden, heen en weer.
+</p>
+<p>„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op straat bij
+hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een belachelijk klein bedrag die
+prachtige steenen van de hand doet?”
+<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p>
+<p>Daarop gingen zij verder.
+</p>
+<p>Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek hadden genomen
+in het Grand Hotel.
+</p>
+<p>De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn portefeuille, die
+gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.
+</p>
+<p>„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”
+</p>
+<p>„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, waarbij men duizenden
+verliest, kan men toch met den besten wil van de wereld niet schitterend noemen.”
+</p>
+<p>Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en antwoordde:
+</p>
+<p>„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je werkelijk dat ik,
+de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de geheele Londensche politiemacht
+beeft en siddert, dat ik dien kerels ook maar een enkelen penning zal schenken?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun vergaat.”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant van politie den
+winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een wachtmeester, welke laatste
+een portefeuille met acten en een handkoffer droeg.
+</p>
+<p>Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de beambten, die met
+een kort „goeden morgen” binnentraden.
+</p>
+<p>De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij het zien binnenkomen
+van twee dienaren der gerechtigheid en met een zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer
+de luitenant wenschte.
+</p>
+<p>Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken woorden:
+</p>
+<p>„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij u op te houden.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in hechtenis is genomen,
+gestolen juweelen te hebben beleend, zonder voldoende legitimatiebewijzen van dien
+persoon te hebben gevorderd.”
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein verbleekte.
+</p>
+<p>Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:
+</p>
+<p>„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande zou laden op
+mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>God zal mij straffen, als dat waar is.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende legitimatiebewijzen
+juweelen in pand zou hebben genomen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Overtuig u zelf, heer luitenant.”
+</p>
+<p>„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.
+</p>
+<p>„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen tegen elkaar slaand
+en het gewenschte te voorschijn halend.
+</p>
+<p>De officier van politie nam ze aan en sprak:
+</p>
+<p>„Katzenstein is de naam van den oplichter.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.
+</p>
+<p>Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand prijkte, in een
+der neusgaten en toen in den mond en alsof deze versnapering hem aan een goed antwoord
+had geholpen, sprak hij met gefronst voorhoofd:
+</p>
+<p>„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou hij hier zijn
+geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik bij de ontelbare klanten, die
+ik heb, nog weten, of een zekere Katzenstein hier is geweest?”
+</p>
+<p>„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.
+</p>
+<p>„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.
+</p>
+<p>„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik bemoei mij
+met de ouwe kleeren.”
+</p>
+<p>Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde erin. Eenige
+oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, vergeleek een lommerdbriefje,
+dat hij uit de portefeuille haalde, met hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:
+</p>
+<p>„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat bedrag staat
+ook in uw boek genoteerd.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”
+</p>
+<p>Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te gehoorzamen.
+</p>
+<p>Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te voorschijn en
+legde ze voor den luitenant van politie neer.
+<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
+<p>Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak geven, verzegelde
+het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het opschrift droeg: „In beslag genomen
+door de Koninklijke politie”, een kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.
+</p>
+<p>„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, waarna hij
+met zijn wachtmeester het huis verliet.
+</p>
+<p>De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en fluisterden nog geruimen
+tijd met geheimzinnige handgebaren en gefronste voorhoofden.
+</p>
+<p>Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in vijftien andere pandjeshuizen
+afgelegd.
+</p>
+<p>Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles tot zijn vriend
+en secretaris Charly Brand:
+</p>
+<p>„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 Mark verdiend.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier in de hoofdstad
+van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een dergelijk bezoek vereeren.”
+</p>
+<p>Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal pandjeshuizen bezocht
+en sprak hij tot Charly Brand:
+</p>
+<p>„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter slot en grendel
+te worden gezet.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te staan en dan
+vooral om hun geslepenheid.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En nu ga jij naar Londen terug.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, maar interessante
+avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot last zijn.”
+</p>
+<p>Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het station en begaf
+zich daarna naar Café Bauer.
+</p>
+<p>De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende nam het <i lang="de">Berliner Tageblatt</i> op om de laatste nieuwtjes te lezen.
+</p>
+<p>Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te amuseeren.
+</p>
+<p>Hij las het volgende:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„<i>Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend oplichter ten nadeele
+van de Berlijnsche pandhuizen.</i>
+</p>
+<p>Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een Hongaar, die een legitimatiebewijs
+bezat, ten name van een zekeren Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende
+daar diamanten.
+</p>
+<p>Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als politie-officier en
+in gezelschap van een als wachtmeester uitgedosten medeplichtige.
+</p>
+<p>Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de diamanten, welke door
+een zekeren Katzenstein waren beleend.
+</p>
+<p>Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem afgezet voor bedragen
+van 2000 tot 6000 Mark.
+</p>
+<p>De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze in het bezit te
+stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in den tijd van een paar dagen.
+</p>
+<p>Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie onmiddellijk in
+het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen gelukken, den dader in handen te
+krijgen.
+</p>
+<p>De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief John Raffles.
+</p>
+<p>De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een bedrag van 1000 Mark
+uit te betalen aan dengeen, die zoodanige aanduidingen in deze zaak kan verschaffen,
+dat de dader in handen der politie valt.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor zich uit en
+een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.
+</p>
+<p>Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap brengen en schreef
+den volgenden brief:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first address">„<i>Aan de Redactie van het</i>
+<br>„<i lang="de">Berliner Tageblatt.</i>”
+</p>
+<p>Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het artikel over mijn
+rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche pandjesbazen.
+</p>
+<p>Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze truc mij zoo volkomen
+is gelukt.
+</p>
+<p>Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig heb gemaakt, gebruikt
+om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de armen van Berlijn ten goede te doen komen.
+</p>
+<p>En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet denken aan den beruchten
+John C. Raffles.
+<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
+<p>Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad niemand anders ben
+dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in Berlijn ophoud.
+</p>
+<p>Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de uitgeloofde 1000 Mark
+te verdienen, die vastgesteld zijn als belooning voor dengene, die den dader in handen
+der politie levert, zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik
+hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder in Berlijn te
+bewegen dan tot dusverre.
+</p>
+<p>Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw blad, blijf ik
+met de meeste hoogachting,
+</p>
+<p class="signed">JOHN C. RAFFLES.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het Café Bauer,
+om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.
+</p>
+<p>Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de bagage door
+hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die door Charly Brand meegenomen
+werd naar Londen.
+</p>
+<p>Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden.
+<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van Berlijn en keek
+vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn gewonen gang ging.
+</p>
+<p>Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een troep menschen
+was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en hoofden der voor hem staanden
+te lezen, wat hier op zoo opvallende wijze de publieke aandacht trok.
+</p>
+<p>Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat deze opeenhooping
+van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje gleed langs zijn aristocratische
+trekken.
+</p>
+<p>In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, toen hij de volgende
+aankondiging las:
+</p>
+<div class="q center xd33e425">
+<p class="first large bold">Schouwburgzaal
+<br>Köpenickerstr. 68.
+</p>
+<hr class="tb xd33e430"><p>
+</p>
+<p class="bold">Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:
+</p>
+<p>op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.
+</p>
+<p class="large bold">De groote Engelsche
+</p>
+<p class="xl">sensatie—detective—comedie:
+</p>
+<p class="xxxl xd33e439">„Lord Lister”
+</p>
+<p class="xl bold">genaamd Raffles de groote onbekende.
+</p>
+<p class="large bold">door Curt. Matul.
+</p>
+<hr class="tb xd33e430"><p>
+</p>
+<p class="bold">Plaatsbespreking van af heden.</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn horloge vergeleek
+met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig vanavond geen dringende bezigheden
+en ik ben inderdaad nieuwsgierig om mijn dubbelganger op de planken te zien.”
+</p>
+<p>Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, nam een logeplaats
+en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel van zijn dubbelganger.
+</p>
+<p>Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn streken en trucs
+in luide bijvalskreten losbarstte.
+</p>
+<p>Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van den schouwburg
+vertoeven.
+</p>
+<p>Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het tafeltje zat, waaraan
+de schrijver van het stuk met den schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.
+</p>
+<p>Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast den directeur
+was komen staan, tot dezen sprak:
+</p>
+<p>„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw binnen. Hij zegt,
+bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen persoon zich in den schouwburg bevindt.”
+</p>
+<p>„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze acteur in verzekerde
+bewaring wordt gesteld.”
+</p>
+<p>Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke wijze hij zich
+uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.
+</p>
+<p>Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de politie hachelijk
+voor hem worden.
+</p>
+<p>Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door politieagenten was
+bezet.
+</p>
+<p>Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, van het eene
+tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten met scherpe blikken monsterend.
+</p>
+<p>Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon aanraken.
+<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
+<p>Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:
+</p>
+<p>„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”
+</p>
+<p>Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het verbaasde
+gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles geschreven woorden.
+</p>
+<p>Van het antwoord hing voor Raffles veel af.
+</p>
+<p>Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige woorden in het oor,
+waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde opspringen, zich echter wist te
+beheerschen en op kalmen toon sprak:
+</p>
+<p>„Wees zoo goed, ons te volgen.”
+</p>
+<p>Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de eerste étage begaven.
+</p>
+<p>Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door Raffles overhandigde
+visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten Engelschman droeg, maar waarop
+John Hallborn te lezen stond.
+</p>
+<p>Daaronder had de groote onbekende geschreven:
+</p>
+<p>„Een vriend van John Raffles<span class="corr" id="xd33e478" title="Bron: ”.">.”</span>
+</p>
+<p>„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol belangstelling.
+</p>
+<p>Raffles lachte hartelijk.
+</p>
+<p>„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank betuigen voor de
+geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is weergegeven.”
+</p>
+<p>Hij reikte beiden heeren de hand.
+</p>
+<p>„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de politie?”
+</p>
+<p>„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle zekerheid zal ik
+u tot aan den uitgang vergezellen.”
+</p>
+<p>Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween Raffles.
+</p>
+<p>De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie nog steeds
+aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.
+</p>
+<p>Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, naderde den politie-officier
+en overhandigde, dezen een briefje.
+</p>
+<p>Deze opende het en las:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo verstandig om op uw gemak
+een potje bier te gaan drinken. Ik heb het gebouw reeds verlaten.
+</p>
+<p class="signed">Met hoogachting en beleefde groeten,
+<br>John C. Raffles.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan den schouwburgdirecteur,
+die dichtbij hem stond.
+</p>
+<p>Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de inhoud van het
+briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen bekend was, heerschte algemeene
+vroolijkheid in het lokaal.
+</p>
+<p>Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.
+</p>
+<p>Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling een prachtige
+lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het voetlicht was geroepen. Op het rood
+satijnen lint was in groote gouden letters gedrukt:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„<i>Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, den Grooten Onbekende</i>”.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een bloemenwinkel
+in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar buiten trad, merkte hij tot zijn
+groote verbazing, dat hij door een persoon gevolgd werd.
+</p>
+<p>Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote onbekende, dat
+het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den neus was genomen.
+</p>
+<p>In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den brief van John
+Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van een vollen bruinen baard.
+</p>
+<p>Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
+</p>
+<p>John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, nam een huurrijtuig
+en reed daarin verder.
+</p>
+<p>Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat zijn vervolger
+met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met heftige gebaren in de richting
+van het zich verwijderende rijtuig, iets vertelde.
+</p>
+<p>Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
+</p>
+<p>Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en sprak tot den
+koetsier:
+</p>
+<p>„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan loopen, men vervolgt
+mij.”
+</p>
+<p>De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te doen was. Hij
+ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit den boog de straat langs.
+</p>
+<p>Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het rijtuig, waarin
+Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet zulk een flink draver was
+als dat van den vluchteling, verlieten zij hun <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun koetsier en namen plaats
+in den motorwagen.
+</p>
+<p>De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, maar de persoon,
+die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een penning voor zijn verbaasde oogen,
+waaruit bleek dat hij beambte van politie was en sprak:
+</p>
+<p>„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
+</p>
+<p>„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
+</p>
+<p>De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte verdween.
+</p>
+<p>„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, gij kunt een
+tienmarkstuk extra verdienen.”
+</p>
+<p>„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak de chauffeur
+en voort ging het met groote snelheid.
+</p>
+<p>Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin zich bijna geen
+enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten was het rijtuig, waarin Raffles
+zat, ingehaald.
+</p>
+<p>De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende vervolgers van Berlijnsche
+misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, die niet snel genoeg tot stilstaan kon
+worden gebracht, tot den koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
+</p>
+<p>„Blijf staan! In naam der wet!”
+</p>
+<p>De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om niet te gehoorzamen,
+hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
+</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een seconde later
+in het eerste het beste huis.
+</p>
+<p>Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die eerst uit de
+auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
+</p>
+<p>Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, naar boven gevlogen
+en had met een kleinen looper de zolderdeur geopend.
+</p>
+<p>Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster klom hij naar
+buiten.
+</p>
+<p>Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den beganen grond
+voortbewoog.
+</p>
+<p>De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden weg genomen
+als de vluchteling.
+</p>
+<p>Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de Engelschman blijkbaar
+niet verder kon.
+</p>
+<p>Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, die over de daken
+leidde, voort, terwijl hij uitriep:
+</p>
+<p>„Geef u over!”
+</p>
+<p>Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen enkelen detective
+ter wereld gevangen genomen was.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende hieruit te mogen
+begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
+</p>
+<p>Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, die hem op
+het dak deed neertuimelen.
+</p>
+<p>Bewusteloos bleef hij liggen.
+</p>
+<p>Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige politie-agenten, die hij ter
+hulp had geroepen, eveneens op het dak.
+</p>
+<p>Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn vlucht zou kunnen
+voortzetten.
+</p>
+<p>Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel steunpunt. Deze muur
+sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die ongeveer tien meter breed kon zijn.
+</p>
+<p>Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe vervolgers.
+</p>
+<p>Toen nam hij een overmoedig besluit.
+</p>
+<p>Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile dak aan den
+straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
+</p>
+<p>Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar de waterpijp
+langs het huis naar beneden ging.
+</p>
+<p>Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop eerst liet
+hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. Eindelijk hing hij geheel
+vrij, zich alleen met de handen aan de goot vasthoudend, boven de enorme diepte.
+</p>
+<p>Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
+</p>
+<p>Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de naar beneden leidende
+looden waterbuis.
+</p>
+<p>Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te kijken. Zij stieten
+luide kreten van ontzetting uit.
+</p>
+<p>Intusschen was John Raffles ter hoogte van een <span class="corr" id="xd33e566" title="Bron: balcon">balkon</span> gekomen.
+</p>
+<p>Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>voor hem zou zijn, om dit te bereiken.
+</p>
+<p>Het gemetselde <span class="corr" id="xd33e575" title="Bron: balcon">balkon</span> was op meer dan een meter afstands van hem verwijderd.
+</p>
+<p>Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te laten, want
+hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide handen gebruiken om zich
+stevig vast te houden.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
+</p>
+<p>Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige vastgrijpen
+en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de pijp verder naar beneden
+te glijden, toen de deur van het <span class="corr" id="xd33e582" title="Bron: balcon">balkon</span> geopend werd.
+</p>
+<p>Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij iemand boven zich
+zag hangen. (Zie het titelblad.)
+</p>
+<p>Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand deze vermetele
+waaghals zich bevond, riep hij:
+</p>
+<p>„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
+</p>
+<p>Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een waschlijn terug te
+komen.
+</p>
+<p>Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen het andere gedeelte
+om zijn lichaam.
+</p>
+<p>Nu klom hij over den rand van het <span class="corr" id="xd33e593" title="Bron: balcon">balkon</span>, hield zich met de rechterhand vast en greep met de linker Raffles onder den arm
+beet.
+</p>
+<p>„Laat u nu los!” riep hij.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem aangeboden steunpunt,
+met een handigen zwaai op het <span class="corr" id="xd33e599" title="Bron: balcon">balkon</span> en eenige seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
+</p>
+<p>Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en sprak daarna,
+terwijl hij zijn redder de hand reikte:
+</p>
+<p>„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde bereid, het
+mijne voor u te wagen.”
+</p>
+<p>„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt gij mij niet
+vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en moordenaar Hennig.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste niet naar uit.”
+</p>
+<p>„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware geweest?” vroeg John
+Raffles.
+</p>
+<p>„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te doen hadden.”
+</p>
+<p>„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben Raffles!”
+</p>
+<p>Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der <span class="corr" id="xd33e617" title="Bron: balconkamer">balkonkamer</span> den Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
+</p>
+<p>„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen te bedriegen?”
+</p>
+<p>De ander knikte bevestigend.
+</p>
+<p>Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
+</p>
+<p>„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt geweest, dien ik
+ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het zou meer dan jammer zijn, als
+gij op dit oogenblik daar beneden moest liggen met verbrijzelde hersenpan.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
+</p>
+<p>„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef mij geen andere
+keus over dan langs de goot en de waterpijp naar beneden te komen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
+</p>
+<p>Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd geklopt.
+</p>
+<p>Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
+</p>
+<p>„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
+</p>
+<p>De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
+</p>
+<p>„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen der politie
+zou kunnen verbergen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wat zullen wij doen?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
+</p>
+<p>John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de keuken, waarvan
+de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan het vertrek grensde.
+</p>
+<p>De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
+</p>
+<p>„Wie is daar?”
+</p>
+<p>„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
+</p>
+<p>„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van het huis, om
+tijd te winnen.
+</p>
+<p>Opnieuw werd op de deur geklopt.
+</p>
+<p>John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan het kozijn
+van het keukenvenster.
+</p>
+<p>Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering op de binnenplaats
+bevond, sprak hij tot zijn redder:
+<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
+<p>„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. Kijk eens, mag
+ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van het touw?”
+</p>
+<p>Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het volgende oogenblik
+verdwenen.
+</p>
+<p>Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de binnenplaats
+bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder het touw los.
+</p>
+<p>Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit in de vuilnisbak.
+</p>
+<p>Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de straat, waar wel
+twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden te gapen.
+</p>
+<p>Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke nieuwsgierigheid,
+het verdere verloop van deze interessante zaak meemaken.
+</p>
+<p>Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze uit zijn bewusteloozen
+toestand was ontwaakt, van de straat hadden toegeroepen, langs welken weg de onbekende
+waaghals was gegaan.
+</p>
+<p>Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend en in de vurige
+hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de vluchteling gegrepen was.
+</p>
+<p>Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu bij hen voegde
+en met even groote belangstelling als zijzelf het huis aankeek.
+</p>
+<p>„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast hem stond.
+</p>
+<p>„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is een van de handlangers
+van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich naar beneden laten glijden. Toen is
+hij een vreemde woning binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
+</p>
+<p>„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen in de zij druk
+had staan redeneeren met een paar opgeschoten fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij
+hier ook een duit in het zakje moest doen.
+</p>
+<p>„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet verdragen!”
+</p>
+<p>„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw haar buurtje
+gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, „dat wij hier wel veilig
+staan?”
+</p>
+<p>Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte den blik uit
+haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
+</p>
+<p>Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te wachten.
+</p>
+<p>Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat zij op gewelddadige
+wijze zich toegang verschaften.
+</p>
+<p>En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de deur open te
+trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
+</p>
+<p>„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
+</p>
+<p>„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording schuldig! Dat gaat
+u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon
+mij, voordat gij hier verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik
+kan zien dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te dringen.”
+</p>
+<p>De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet binnenkomen.
+</p>
+<p>„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
+</p>
+<p>De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstond wat de
+ander zei.
+</p>
+<p>„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het panopticum is weggeloopen?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk weer precies zoo
+neerzet als gij het vindt!”
+</p>
+<p>De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de fabrieksarbeider
+met een spottend lachje naar hen keek.
+</p>
+<p>„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in zenuwachtige onrust
+naast Bender stond.
+</p>
+<p>De gevraagde keek den ander woedend aan.
+</p>
+<p>„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is <span class="corr" id="xd33e688" title="Bron: Lowenstein">Löwenstein</span>. Ik ben houder van een bank van leening.”
+</p>
+<p>„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem aanzie voor
+een stillen agent van politie!
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens beleediging van een
+beambte!”
+</p>
+<p>Bender was zenuwachtig geworden.
+</p>
+<p>Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
+</p>
+<p>„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt gij de kraan
+van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel eens uit te voorschijn
+komen, of misschien uit de kachel.”
+</p>
+<p>„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger zich eerst op
+uw <span class="corr" id="xd33e701" title="Bron: balcon">balkon</span> en daarna in uw woning heeft begeven.”
+<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
+<p>De fabrieksarbeider lachte.
+</p>
+<p>„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij mij vinden.”
+</p>
+<p>De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en dat de vluchteling
+zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de voeten had gemaakt.
+</p>
+<p>„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de fabrieksarbeider
+eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn beschermeling zich nu wel in veiligheid
+zou bevinden.
+</p>
+<p>„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een hoogte van veertig
+meter met het hoofd naar beneden naar omlaag springt?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een kwartier geleden bij
+mij kunnen hebben.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een vloo uit mijn keukenvenster,
+met een prachtigen zwaai precies in dien vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
+</p>
+<p>Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap nog het luide
+lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
+</p>
+<p>Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de eerste zijstraat
+een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden liet brengen.
+</p>
+<p>Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet begaf hij zich
+naar een café, waar hij avondeten bestelde.
+</p>
+<p>Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend rentenier
+de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
+</p>
+<p>Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten trotseeren voor
+den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur.
+<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">IN DE MISDADIGERSKROEG.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van de Friedrichstraat
+had een aanvang genomen.
+</p>
+<p>Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen volksoploop
+te kijken.
+</p>
+<p>Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een jong meisje bij
+den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.
+</p>
+<p>Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.
+</p>
+<p>Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, sprong plotseling
+een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een looden stok den helm van het hoofd.
+</p>
+<p>De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.
+</p>
+<p>Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, zwartharige
+man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest beschikken, hem met een
+gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn haalde, een geweldigen slag op de
+hersens gegeven, zoodat de agent bewusteloos neerviel.
+</p>
+<p>In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en liepen met haar
+de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.
+</p>
+<p>John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der Berlijnsche misdadigers
+gade te slaan en te keren kennen, was hen gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje
+in een kelderlokaal in de Jonkerstraat verdwenen.
+</p>
+<p>Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.
+</p>
+<p>Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek eens rond in
+de vuile, verwaarloosde ruimte.
+</p>
+<p>Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen van verschillenden
+leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.
+</p>
+<p>Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, ontdekte Raffles
+echter niets.
+</p>
+<p>Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen gordijn van
+het eerste was gescheiden.
+</p>
+<p>De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen gordijn bevond,
+glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met onderzoekende blikken op en wilde hem
+beletten, het achtervertrek binnen te gaan.
+</p>
+<p>Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd droeg, en
+die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde zich tot den waard en
+sprak, terwijl hij naar Raffles wees:
+</p>
+<p>„Alles in orde!”
+</p>
+<p>Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.
+</p>
+<p>De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den boevenkelder,
+die hier geregeld bij elkaar kwamen.
+</p>
+<p>Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.
+</p>
+<p>Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam plaats op een
+der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch wijn bij den herbergier, die
+door zijn gasten nooit anders dan „Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel
+sprak.
+</p>
+<p>Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen voorviel, zoo begon
+Raffles zijn wijn te drinken.
+</p>
+<p>Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het meisje uit de handen
+van den politieagent had gered, op driftigen toon tot haar sprak en blijkbaar iets
+van haar verlangde, waarmede zij het niet eens was.
+</p>
+<p>De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van eenigen opschik
+getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen woedend naar het meisje.
+</p>
+<p>Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:
+</p>
+<p>„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>keer gezegd, dat ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg
+van het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”
+</p>
+<p>„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen van dien politieploert
+heb gered?” klonk het brutale antwoord.
+</p>
+<p>„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar mijn schandelijk
+bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis zijn genomen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur ik mij als dienstmeisje.”
+</p>
+<p>Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel opgesprongen.
+</p>
+<p>„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van je mooie snuitje?
+Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat hooren en zien je vergaat.”
+</p>
+<p>Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en in wier oogen
+een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om hulp zoekend om zich heen.
+</p>
+<p>Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.
+</p>
+<p>„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de zwartharige met gebalde
+vuist.
+</p>
+<p>Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen smeekend, haar handen
+op en riep met een vastberadenheid, die Raffles niet bij haar had vermoed:
+</p>
+<p>„Neen!”
+</p>
+<p>Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een angstig vogeltje.
+</p>
+<p>Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar komen opdagen.
+</p>
+<p>John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist van den zwartharigen
+jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige beweging omgedraaid en had den kerel
+tegen den muur gesmeten, waar hij met een harden plof neerviel.
+</p>
+<p>Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den boevenkelder.
+</p>
+<p>Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd werden geslingerd,
+het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn tafeltje gebracht.
+</p>
+<p>„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat zal je nog niet
+zoo glad zitten.”
+</p>
+<p>De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen hield.
+</p>
+<p>„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.
+</p>
+<p>De zwartharige was weer opgesprongen.
+</p>
+<p>Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.
+</p>
+<p>Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.
+</p>
+<p>Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem zooeven maar al
+te duidelijk was getoond.
+</p>
+<p>Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen hem voor den
+gek te houden.
+</p>
+<p>„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet aan! Wat een
+held!”
+</p>
+<p>„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met opgeheven mes op
+zijn vijand werpen.
+</p>
+<p>John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand op om zich
+te verdedigen.
+</p>
+<p>Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen doorboren.
+</p>
+<p>Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor een messteek
+van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar vriendelijk terug.
+</p>
+<p>Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om Raffles het
+mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, nog voordat hij in staat
+was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had Raffles hem een trap in de maagstreek
+gegeven, die hem als een bal door het lokaal deed rollen.
+</p>
+<p>Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna zinneloos van woede.
+</p>
+<p>Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, die nu een
+stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd rondzwaaide, dat het niemand
+mogelijk zou zijn geweest om hem te naderen.
+</p>
+<p>Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal binnen.
+</p>
+<p>Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te stormen, kreeg
+zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in splinters uit elkaar vloog
+en den aanvaller op den grond slingerde.
+</p>
+<p>Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te vallen. Een waar
+oproer ontstond onder de aanwezigen.
+</p>
+<p>Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de schavuiten den vreemdeling
+te lijf trekken.
+<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
+<p>Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn reusachtige, gespierde
+gestalte voor Raffles, haalde een revolver te voorschijn en schreeuwde:
+</p>
+<p>„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie dan maar opkomen!
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hier moet en zal rust heerschen!”
+</p>
+<p>„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” klonk het als
+antwoord uit de menigte.
+</p>
+<p>Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, die van wraaklust
+en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom Raffles en den waard.
+</p>
+<p>„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of spion, hij is meer
+waard dan honderd van jelui met elkaar!”
+</p>
+<p>„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met hem te zamen
+in de nor gezeten?”
+</p>
+<p>„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het ochtendblad hadt
+gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn portret hebben gezien.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Die man is Raffles!”
+</p>
+<p>Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd gegoten; de oogen,
+die zooeven nog schitterden van wraak en bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige
+uitdrukking.
+</p>
+<p>De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar beneden en de wapens
+werden weggeborgen.
+</p>
+<p>Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:
+</p>
+<p>„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den dichtstbijzijnden
+politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien noodig ik uit om een flesch wijn met
+mij te ledigen.”
+</p>
+<p>De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen scheuren, brak
+uit in een luid hoera.
+</p>
+<p>Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een handdruk te
+krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer vereerden meesterdief.
+</p>
+<p>Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard honderd mark had
+gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte vertering.
+</p>
+<p>Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het meisje netjes
+gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een groot koffiehuis binnengaan.
+</p>
+<p>Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen en het jonge
+meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te komen, vroeg hij naar haar
+naam.
+</p>
+<p>„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.
+</p>
+<p>„Leven uw ouders nog?”
+</p>
+<p>Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.
+</p>
+<p>„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden gestorven. Wij voorzagen
+samen in ons onderhoud door het naaien van linnengoed.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, omdat de chef
+meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje kon toestaan.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Toen werd ik ziek en had geen werk meer.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie woorden en
+bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer leiden. Ik wil trachten
+als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”
+</p>
+<p>Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige schepsels doormaken.
+</p>
+<p>„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.
+</p>
+<p>„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die mijn moeder
+heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der aanzienlijkste inwoners van Berlijn
+is en in een villa in het Grunewald woont.”
+</p>
+<p>Raffles spitste de ooren.
+</p>
+<p>Nu begon de zaak belangwekkend te worden.
+</p>
+<p>„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”
+</p>
+<p>„Ja, kort na moeders dood!”
+</p>
+<p>„En wat antwoordde hij u?”
+</p>
+<p>„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer minnaars zou
+hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet vaststond, dat hij mijn vader was.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar gelijken.”
+</p>
+<p>„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij onomwonden.
+Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”
+</p>
+<p>Het jonge meisje bloosde.
+</p>
+<p>Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het nobele, eerlijke
+gelaat van den man, die zijn leven voor haar had gewaagd, antwoordde zij:
+</p>
+<p>„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>uit wanhoop getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd
+zou blijven en haar kind een vader zou hebben.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daarom had zij toen verschillende minnaars.”
+</p>
+<p>De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval was, als hij
+bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote werken.
+</p>
+<p>„Kent gij de adressen van die heeren?”
+</p>
+<p>„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen allen, welke
+ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen voorname lieden.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de Friedrichstrasse
+woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan in Grunewald.…”
+</p>
+<p>Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.
+</p>
+<p>„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld vaderschap. U kan het
+nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een bankier, een advocaat, een dominee,
+en een hooggeleerd professor. En wat is de heer die in het <span class="corr" id="xd33e874" title="Bron: Grünewald">Grunewald</span> woont?”
+</p>
+<p>„Minister!”
+</p>
+<p>„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed met u voor gehad,
+uw weg zal langs rozen gaan”.
+</p>
+<p>Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij meende, dat hij
+zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde uitdrukking verscheen op haar
+bleek gelaat, toen zij sprak:
+</p>
+<p>„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”
+</p>
+<p>De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:
+</p>
+<p>„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar integendeel voor u
+zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch noodig zooals ik ben, om u de voor
+u gesloten geldbeurzen te openen, en dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik
+zal die zaak voor u in orde brengen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. Waar woont
+ge?”
+</p>
+<p>De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.
+</p>
+<p>„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet terugkeeren. Hij zou
+mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin.
+Ik zou dan onmiddellijk weer in zijn macht zijn.”
+</p>
+<p>„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u onder dak brengen
+in een fatsoenlijk hotel.”
+</p>
+<p>„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.
+</p>
+<p>„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker wel toestaan,
+mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het mij terug kunt geven.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”
+</p>
+<p>Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen het merkten,
+een biljet van honderd Mark in de hand.
+</p>
+<p>Zij bloosde opnieuw.
+</p>
+<p>„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u terug kan geven.”
+</p>
+<p>Raffles <span class="corr" id="xd33e901" title="Bron: lachtte">lachte</span>.
+</p>
+<p>„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld verschaffen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u meen. Ik verwacht
+dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”
+</p>
+<p>Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een rijtuig en bracht
+haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.
+</p>
+<p>Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en beloofde, dat
+hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen opzoeken.
+</p>
+<p>Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht er lang over
+na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had gebracht.
+</p>
+<p>Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover nadacht, moest
+hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem <span class="corr" id="xd33e914" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> grappig voorkwam.
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE MINISTER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk, zat in de studeerkamer
+van zijn weelderig ingerichte villa in het Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.
+</p>
+<p>Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad en hem een
+visitekaartje overhandigde.
+</p>
+<p>Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt stond:
+</p>
+<div class="q center"><i>Graaf di Salvatore</i>,
+<br>Pauselijk geheim kamerheer.</div><p>
+</p>
+<p>Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:
+</p>
+<p>„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”
+</p>
+<p>Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn toilet en haar
+in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon binnen.
+</p>
+<p>Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon tellen, stond
+bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en mompelde zijn naam.
+</p>
+<p>„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister, terwijl beide heeren
+op de met zware damastzijde overtrokken stoelen plaats namen.
+</p>
+<p>De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke parelgrijze handschoenen
+en antwoordde:
+</p>
+<p>„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter verspreiding
+der zedelijkheid.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende reputatie,
+tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het zegenrijke werk van onze vereeniging
+door uwe toetreding tot het eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende Europeesche
+vorsten ter decoratie voorgedragen.”
+</p>
+<p>De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.
+</p>
+<p>Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden, zeer eergierig,
+en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij tegenover den graaf had aangenomen,
+riep hij nu een allerbeminnelijkst glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:
+</p>
+<p>„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen worden, ik verzoek
+u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden zijn te willen uitvoeren.”
+</p>
+<p>De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te voorschijn,
+dat hij openvouwde en den minister voorlas.
+</p>
+<p>Het was van den volgenden inhoud:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging
+ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het lidmaatschap erken.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:
+</p>
+<p>„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”
+</p>
+<p>De graaf glimlachte.
+</p>
+<p>„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen overtuiging heeft
+te vervullen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer Vereeniging
+wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en collecten.”
+</p>
+<p>„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen volgen?”
+</p>
+<p>De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer.
+</p>
+<p>Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen post op de
+schrijftafel gelegd.
+</p>
+<p>Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de graaf, zonder dat
+de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek.
+<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
+<p>De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement van oorlog.
+</p>
+<p>De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven overhandigde document
+nogmaals door en onderteekende het.
+</p>
+<p>Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een fijne sigaar,
+toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker persoonlijk naar beneden tot aan
+den uitgang der villa, waar een auto stond te wachten.
+</p>
+<p>Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de graaf heen.
+</p>
+<p>Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels.
+</p>
+<p>Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de onderteekening en mompelde:
+</p>
+<p>„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik duidelijk en klaar
+uw onderteekening onder een document, waarin gij jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter
+der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke
+dochter erkent.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen inkt heb geschreven,
+verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt, waarmede ik de rest van het document
+schreef, het woord „vader” komen te staan.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap erkent.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is open gebleven,
+om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den volgenden zin:
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan
+volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.”
+</p>
+<p>Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de door hem opgestelde
+verklaring had laten onderteekenen.
+</p>
+<p>Met den professor had hij een gansch ander plan.
+</p>
+<p>Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar John Raffles vernam,
+zeer angstig van natuur.
+</p>
+<p>Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten kwam, diep in
+de schulden te steken,
+</p>
+<p>Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een naam.
+</p>
+<p>Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang van het jonge
+meisje zooveel mogelijk partij trekken.
+</p>
+<p>Hij sprak tot den professor:
+</p>
+<p>„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in wier nalatenschap
+ik eenige brieven vond.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste liefdesverklaringen, en ik neem
+dus aan, dat het u wel degelijk ernst is geweest, mijn zuster te trouwen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter achter en deze
+beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit bekennen?”
+</p>
+<p>Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd.
+</p>
+<p>Hij beefde over al zijn leden en fluisterde:
+</p>
+<p>„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast bevindt, niets hoort.
+Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij soms Marie?”
+</p>
+<p>De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog steeds den Don
+Juan te spelen.
+</p>
+<p>John Raffles moest hartelijk lachen.
+</p>
+<p>„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen, welke gij bezit,
+heer professor.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de vader te zijn van
+mejuffrouw Elvira Manthé”.
+</p>
+<p>„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame … al volwassen?”
+</p>
+<p>„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd van 22 jaar
+bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar vader te mogen aannemen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En daartoe heb ik uw verklaring noodig.”
+</p>
+<p>„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten kwam! Ik heb
+zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere zorgen.”
+</p>
+<p>„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak u verder niet
+ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn nicht betreft, op dat gebied
+zullen wij u nimmer lastig vallen.”
+</p>
+<p>Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor merkbaar op.
+</p>
+<p>„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt komen vragen. Maar
+ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de schulden zit en dat <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen na zal komen.”
+</p>
+<p>„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?”
+</p>
+<p>„Zesduizend Mark per jaar.”
+</p>
+<p>„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?”
+</p>
+<p>„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in vertrouwen gezegd,
+betaal ik voor drie andere.”
+</p>
+<p>Raffles lachte.
+</p>
+<p>Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk.
+</p>
+<p>„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te bewijzen, dat
+ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk optreden respecteer en eerbied
+voor u heb, omdat gij u zoo dapper heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf
+hebt te danken, ben ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een
+bedrag van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van haar zusters
+en broers.”
+</p>
+<p>De professor wist niet of hij waakte of droomde.
+</p>
+<p>Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat.
+</p>
+<p>Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op de schrijftafel
+voor hem uittelde.
+</p>
+<p>Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon beletten, omhelsde
+hij dezen, terwijl hij uitriep:
+</p>
+<p>„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb altijd gezegd: hoe
+meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het document onderteekenen, zooals
+gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde, bereid om voor een dochter, die mij op zoo
+onbekrompen wijze ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.”
+</p>
+<p>John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark armer, de
+woning van den professor.
+</p>
+<p>Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had toevertrouwd. De
+man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde wijze zou uitgeven.
+</p>
+<p>Nu begaf hij zich naar den advocaat in de <span class="corr" id="xd33e1047" title="Bron: Friedrichsstrasse">Friedrichstrasse</span>.
+</p>
+<p>Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch.
+</p>
+<p>Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van een echten zwierbol.
+</p>
+<p>Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn monocle, toen deze
+hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig jaar geleden nog herinnerde met
+de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé.
+</p>
+<p>„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een hoofd als een
+ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen herinnerde, met wie ik een
+relatie heb gehad.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor het een of ander?”
+</p>
+<p>De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde.
+</p>
+<p>„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en heeft door
+een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de loterij gewonnen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het testament—moet
+op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.”
+</p>
+<p>Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik vol hebzucht
+keek hij den spreker aan.
+</p>
+<p>„Hoeveel bedraagt het?”
+</p>
+<p>„250,000 Mark”.
+</p>
+<p>„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het leven kan
+kosten, zal ik er aan voldoen.”
+</p>
+<p>John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij:
+</p>
+<p>„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij getrouwd zijt met
+een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij geen kinderen hebt.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig interesseert.”
+</p>
+<p>„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men altijd gebruiken.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.”
+</p>
+<p>„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw kind erkent
+en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wilt gij hieraan voldoen?”
+</p>
+<p>De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte.
+</p>
+<p>„Maar dat spreekt van zelf!
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods elken dag aan!
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>notaris is, deze overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.”
+</p>
+<p>„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de aangelegenheid dadelijk
+in orde te maken”.
+</p>
+<p>Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan.
+</p>
+<p>Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat:
+</p>
+<p>„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?”
+</p>
+<p>„Reeds over een paar dagen.”
+</p>
+<p>„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?”
+</p>
+<p>„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!”
+</p>
+<p>Met verbaasde blikken vroeg de advocaat:
+</p>
+<p>„Aan welke verplichtingen?”
+</p>
+<p>„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud tot op haar
+21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit voorschrijft!”
+</p>
+<p>„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen zeggen, aan
+die bijomstandigheid had ik niet gedacht.”
+</p>
+<p>„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij er goedkoop
+af komt.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel mededeelen.”
+</p>
+<p>Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een vroolijke lach op
+zijn gelaat;
+</p>
+<p>„Mijnheer de advocaat zit in de klem!”
+</p>
+<p>Nu begaf hij zich naar den bankier.
+</p>
+<p>Ook deze was een oude zwierbol.
+</p>
+<p>„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem.
+</p>
+<p>„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij straffen, als
+ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?”
+</p>
+<p>„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij, mijnheer, ook bankier,
+maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en Amerikaansche goudmijnen. Men schat
+mijn vermogen op twee millioen pond sterling.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij, naar ik u zooeven
+zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.”
+</p>
+<p>De bankier antwoordde lachend:
+</p>
+<p>„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter heb. Het spijt
+mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot schoonzoon te kunnen krijgen.
+Maar gij moet u in het adres vergist hebben.”
+</p>
+<p>„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als gij niet inderdaad
+in het bezit waart van een dochter.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere verhouding hebt gestaan
+tot een juffrouw Manthé?”
+</p>
+<p>„Een actrice?”
+</p>
+<p>„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles.
+</p>
+<p>De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets herinnerde.
+</p>
+<p>„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak werkzaam. Maar hoe
+weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.”
+</p>
+<p>„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.”
+</p>
+<p>Nu werd de bankier zenuwachtig.
+</p>
+<p>„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —”
+</p>
+<p>„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu, als ik zeg,
+dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren kennen, ik wensch haar te
+trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het arme meisje eindelijk dat geeft, waarop
+zij recht heeft, uw naam!”
+</p>
+<p>„Wilt gij haar inderdaad huwen?”
+</p>
+<p>„Anders zou ik hier niet voor u staan.”
+</p>
+<p>„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?”
+</p>
+<p>„Zeer zeker.”
+</p>
+<p>„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties in Engeland.
+Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen. Hoe kan die zaak geregeld
+worden?”
+</p>
+<p>„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der aangelegenheid
+naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er dadelijk werk van maakten.”
+</p>
+<p>„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich met Raffles
+naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden gemaakt.
+</p>
+<p>Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge opzoeken en met een
+vroolijk lachje sprak hij tot haar:
+</p>
+<p>„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij kunt kiezen uit
+vier vaders.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding stellen met den
+minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.”
+</p>
+<p>Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>en seinde zijn vriend Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen.
+</p>
+<p>Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den vereischten
+vorm had opgesteld, sprak hij:
+</p>
+<p>„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk schrijven
+en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan mij een bedrag te zenden
+van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre verschuldigde kosten voor levensonderhoud
+der jonge dame.”
+</p>
+<p>Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon zien, als deze
+het schrijven zou ontvangen.
+</p>
+<p>Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht.
+</p>
+<p>In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een hem geheel
+vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende onechte dochter.
+</p>
+<p>Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te beginnen.
+</p>
+<p>Veertien dagen later had de eerste termijn plaats.
+</p>
+<p>John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een zestigjarig heer,
+was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen van den indruk, dien het document
+zou maken.
+</p>
+<p>De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den rechter het document
+overhandigde met de woorden:
+</p>
+<p>„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving dit document
+van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid. Herinnert gij
+u dien heer, Excellentie, of ontkent gij misschien hem te hebben ontmoet?”
+</p>
+<p>„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te hebben gemaakt.”
+</p>
+<p>„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening, mijnheer?”
+</p>
+<p>De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.
+</p>
+<p>„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”
+</p>
+<p>„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”
+</p>
+<p>„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”
+</p>
+<p>„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft ontkennen.
+</p>
+<p>Hier in dit document staat het volgende te lezen:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, <span class="corr" id="xd33e1173" title="Bron: eere-voorzitter">eerevoorzitter</span> van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap erken.
+</p>
+<p>Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan
+volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve dat van den
+minister een glimlach.
+</p>
+<p>De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.
+</p>
+<p>„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op een stuk,
+dat een anderen inhoud had.”
+</p>
+<p>De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende blikken aan.
+</p>
+<p>„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw positie iets
+zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst nauwkeurig heeft doorgelezen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”
+</p>
+<p>„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”
+</p>
+<p>De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het geringste spoor was
+te ontdekken, niets wees op een vervalsching.
+</p>
+<p>De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor zich komen.
+</p>
+<p>Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het jonge meisje en
+beklaagde.
+</p>
+<p>De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend, sprak hij:
+</p>
+<p>„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het documenten betreft,
+maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en dat gij eveneens betwist, bewijst
+ons allen zeer duidelijk, dat het evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven
+stuk.”
+</p>
+<p>„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.
+</p>
+<p>Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge meisje.
+</p>
+<p>Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk gesteld en de minister
+veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke dochter een jaarlijksche toelage voor haar
+levensonderhoud uit te betalen ten bedrage van 3000 Mark.
+</p>
+<p>Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de man, die na zooveel
+jaren eindelijk <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>ter verantwoording was geroepen, de gerechtszaal uit.
+</p>
+<p>Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met Raffles in een
+rijtuig wegreed, hem de handen kussen.
+</p>
+<p>Maar hij verhinderde haar dit en sprak:
+</p>
+<p>„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn zooveel hij
+kan.”
+</p>
+<p>Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief van den minister,
+waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde en een bedrag ineens van 20,000
+Mark aanbood.
+</p>
+<p>John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een bezoek bracht,
+zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:
+</p>
+<p>„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der nalatenschap; gij zult
+zien, dat de minister daarop ingaat.”
+<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN INBRAAK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.
+</p>
+<p>John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een zee-officier.
+</p>
+<p>Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den Dierentuin bereikte.
+</p>
+<p>Charly Brand die, gehoorzaam het <span class="corr" id="xd33e1218" title="Bron: telegraphische">telegrafische</span> bevel, dat Raffles hem had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij
+en verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.
+</p>
+<p>„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden vriend en leermeester
+niet eens meer?”
+</p>
+<p>Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.
+</p>
+<p>Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:
+</p>
+<p>„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”
+</p>
+<p>„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik admiraal was,
+in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van Engeland uit de havens zou stelen.”
+</p>
+<p>„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt teruggeroepen?”
+</p>
+<p>„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong meisje, dat vijf
+vaders heeft en een minister, die heden werd veroordeeld om haar vader te zijn.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”
+</p>
+<p>Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar Charly Brand
+geen zware bagage bij zich had, alleen een klein handtaschje, gingen zij een café
+in de buurt binnen om daar hun gesprek voort te zetten.
+</p>
+<p>„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan, die mij verschillende
+dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou willen weten.”
+</p>
+<p>„Wat heb je daar ontdekt?”
+</p>
+<p>„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst zullen wij
+in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel huren, opdat jij rust kunt
+nemen en met mij aan den arbeid gaan.”
+</p>
+<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -<br>- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
+</p>
+<p>Tegen twee uur verlieten zij het hotel.
+</p>
+<p>Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven wilden profiteeren.
+</p>
+<p>Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.
+</p>
+<p>Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar zij zich kostelijk
+zouden amuseeren.
+</p>
+<p>John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed naar het Grunewald.
+</p>
+<p>In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister bevond, liet Raffles
+de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en beval den chauffeur, wien hij 40
+Mark ter hand stelde, daar geduldig te wachten.
+</p>
+<p>„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.
+</p>
+<p>Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op dat uur niemand
+op straat vertoonde.
+</p>
+<p>Alle vensters van de villa van den minister waren donker.
+</p>
+<p>Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er zich geen
+wachthond in of bij het huis bevond.
+</p>
+<p>Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat. Hier klommen zij
+over en samen begaven zij zich naar den achterkant van het gebouw.
+</p>
+<p>Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde er een kunstig
+bewerkte zijden <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>ladder uit te voorschijn, aan welks uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.
+</p>
+<p>Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid naar een <span class="corr" id="xd33e1257" title="Bron: balcon">balkon</span> op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren haak in het hek van het balcon
+vastzitten.
+</p>
+<p>Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder stevig genoeg vast
+zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en eenige oogenblikken later stonden
+de twee mannen op het <span class="corr" id="xd33e1262" title="Bron: balcon">balkon</span>.
+</p>
+<p>Een poosje bleven zij daar luisterend staan.
+</p>
+<p>Maar alles bleef rustig in huis.
+</p>
+<p>Niemand had eenig geluid vernomen.
+</p>
+<p>Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de <span class="corr" id="xd33e1271" title="Bron: balcondeur">balkondeur</span> en zij traden het vertrek binnen.
+</p>
+<p>Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij zich in de
+eetkamer van den minister bevonden,
+</p>
+<p>„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn eerste bezoek
+goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den weg te vinden.
+</p>
+<p>Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in de studeerkamer
+van den minister. Zijn slaapvertrek moest een verdieping hooger liggen en daardoor
+had de Groote Onbekende het voordeel, ongestoord te kunnen werken.
+</p>
+<p>Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond niets, dat voor
+hem eenige waarde kon hebben.
+</p>
+<p>Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer stond.
+</p>
+<p>Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig moeite het
+slot indrukken.
+</p>
+<p>Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.
+</p>
+<p>Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een waarschuwend teeken.
+</p>
+<p>Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en beiden luisterden
+aandachtig.
+</p>
+<p>Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde, voetstappen.
+</p>
+<p>„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”
+</p>
+<p>Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand languit op het
+tapijt onder de schrijftafel ging liggen.
+</p>
+<p>De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een cylinder op,
+trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan eener gaslamp open.
+</p>
+<p>Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken, werd zijn arm
+gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn schedel neer en half bewusteloos
+viel de minister, want deze was het, die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.
+</p>
+<p>Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden en hem een
+samengevouwen doek in den mond stopten.
+</p>
+<p>Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.
+</p>
+<p>Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige contanten,
+die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark bedroegen, eruit en ging daarna
+een stapel papieren doorzoeken, die alle het stempel droegen van het Fransche ministerie
+van oorlog.
+</p>
+<p>Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige pogingen om zich
+van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien hij in den mond had, slaakte
+hij een kreet van woede.
+</p>
+<p>Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.
+</p>
+<p>Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.
+</p>
+<p>Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en bemerkte, dat
+zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst hadden gedaan.
+</p>
+<p>De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst van de Fransche
+regeering en reeds jarenlang zijn positie van vertrouwen misbruikte door schurkenstreken
+uit te halen.
+</p>
+<p>Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden beefde en sprak:
+</p>
+<p>„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen vleesch en bloed
+verloochent en die als een hartelooze schurk handelt, in zijn zaken een man van eer
+zou blijken te zijn.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw onwettige dochter,
+betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zie in uw <span class="corr" id="xd33e1309" title="Bron: chequeboek">chèqueboek</span>, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van bijna twee millioen Mark liggen hebt.
+Dat is veel te veel voor een man, die vrouw noch kinderen heeft.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw dochter.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te gebruiken, dan kunt
+gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van de papieren, die ik hier heb <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem hem nu den knevel uit den mond.”
+</p>
+<p>Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat Raffles wenschte,
+zoodat de minister weer kon spreken.
+</p>
+<p>Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes langs zijn
+gelaat.
+</p>
+<p>„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde stem.
+</p>
+<p>Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam zijn masker
+af en met een kreet herkende de minister zijn geheimzinnigen bezoeker van eenige weken
+geleden, den voorgewenden <span class="corr" id="xd33e1326" title="Bron: eere-voorzitter">eerevoorzitter</span> van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den pauselijken geheimen kamerdienaar,
+graaf di Salvatore.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het verbaasde en ontstelde
+gelaat van den schurk en sprak toen:
+</p>
+<p>„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de schrijftafel ligt,
+neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En opdat gij weet, met wien gij
+te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens mijn werkelijken naam mede te deelen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maak de boeien los!”
+</p>
+<p>Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen man, die hem
+in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende oogen aan.
+</p>
+<p>Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.
+</p>
+<p>Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht schijnbaar onwillekeurig
+zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver te voorschijn en legde in het volgende
+oogenblik op Raffles aan.
+</p>
+<p>Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.
+</p>
+<p>Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met een flinken vuistslag
+neergeworpen.
+</p>
+<p>„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.
+</p>
+<p>Raffles had slechts even opgekeken.
+</p>
+<p>Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef hij verder.
+</p>
+<p>Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van woede.
+</p>
+<p>„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf waarschijnlijk aan de
+galg brengen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood zou uw schurkenstreken
+ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn vriend of ik gezwegen
+zouden hebben?
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad heb gepleegd aan
+Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht, de mij toebehoorende en in zijn bezit
+zijnde papieren aan de Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte,
+om mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn buitenechtelijke dochter
+Elvira Manthé, niet nakom.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Onderteeken dit, Excellentie.”
+</p>
+<p>Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.
+</p>
+<p>John Raffles droogde het stuk.
+</p>
+<p>„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen, het is zelfs
+een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”
+</p>
+<p>Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en afscheid nam
+van een aangenaam <span class="corr" id="xd33e1372" title="Bron: gezelschapt">gezelschap</span>.
+</p>
+<p>Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs denzelfden weg,
+waarlangs zij waren gekomen.
+<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN ZELFMOORD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse in, om zich
+naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een zijstraat iemand haar arm
+greep en tot haar sprak:
+</p>
+<p>„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”
+</p>
+<p>Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het hoonlachende gelaat
+van den zwartharigen jongen man.
+</p>
+<p>„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar spreken. Iedereen
+behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te behandelen hebben.”
+</p>
+<p>Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille zijstraat insloegen,
+floot de jonge man en uit een der portieken kwam een vriend van hem te voorschijn,
+die daar had staan wachten.
+</p>
+<p>„Heb je haar eindelijk gesnapt?”
+</p>
+<p>„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens kijken, wat
+je aan geld bij je hebt.”
+</p>
+<p>Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje, waarin zich verscheiden
+goudstukken bevonden.
+</p>
+<p>„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij het goudgeld
+in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie zoo’n kerel als Raffles tot
+minnaar heeft, kijkt niet op een paar duizend mark.”
+</p>
+<p>„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.
+</p>
+<p>Beide mannen lachten luidkeels.
+</p>
+<p>„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn kameraad. „Nu vertelt
+ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een edel mensch is. Achter de tralies hoort
+hij voor minstens vijftien jaar en daarvoor kan jij zorgen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen, dat de politie
+hem inpikt.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui heeft meer verstand
+in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en verbeeld je vooral niet, dat je
+zoo gemakkelijk van mij afkomt.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal ik de zedelijkheidspolitie
+inlichten, wat voor eentje jij er bent en dan—je weet het, dan laten ze je niet meer
+los.”
+</p>
+<p>Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij kon beseffen,
+hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar uitte.
+</p>
+<p>„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu staan en dan
+breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen man om zeven uur gevangen
+nemen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”
+</p>
+<p>Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.
+</p>
+<p>Zij wist niet, wat zij moest doen.
+</p>
+<p>Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in het hotel terug.
+</p>
+<p>De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien naam had Raffles
+zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar zou zijn.
+</p>
+<p>Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.
+</p>
+<p>Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt, dat de zwartharige
+haar had achtervolgd.
+</p>
+<p>In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw weer zou verlaten,
+of dat Raffles misschien zou verschijnen.
+</p>
+<p>Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om het plein over
+te steken.
+</p>
+<p>Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:
+</p>
+<p>„Heb je het geld?”
+</p>
+<p>Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.
+</p>
+<p>Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn flikkerende
+oogen antwoordde zij:
+</p>
+<p>„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u oogenblikkelijk over aan
+de politie.”
+<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.
+</p>
+<p>Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was in het hotel
+teruggekeerd.
+</p>
+<p>Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.
+</p>
+<p>Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen lichtte een gevaarlijke
+gloed.
+</p>
+<p>„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”
+</p>
+<p>Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte, gevolgd door Charly
+Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.
+</p>
+<p>Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden en zoo snel
+als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het politiebureau, dat zich in het
+stationsgebouw bevond.
+</p>
+<p>John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of juffrouw Manthé
+te spreken was.
+</p>
+<p>„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een kwartier geleden
+uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”
+</p>
+<p>De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.
+</p>
+<p>Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den tuin van een
+café.
+</p>
+<p>Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat op eenigen
+afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan door den zwartharigen jongen
+man, naar het hotel snelden.
+</p>
+<p>„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand de beambten
+wees.
+</p>
+<p>„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in de val hebben
+gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik mijn beschermelinge heb gered,
+heeft haar verblijf ontdekt en moet hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”
+</p>
+<p>Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde kwam, zag hij
+tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.
+</p>
+<p>Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was weggereden.
+</p>
+<p>Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te vertellen had.
+</p>
+<p>De brief luidde:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first salute"><span class="corr" id="xd33e1451" title="Bron: ELVIRA MANTHé">JOHN C. RAFFLES</span>.
+</p>
+<p>Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de onbaatzuchtige vriendschap,
+die gij mij hebt bewezen, hoewel gij niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart
+misschien een onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.
+</p>
+<p>Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap slechts in groote moeilijkheden
+kan brengen en heb begrepen, dat iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht
+niet heeft, met eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.
+</p>
+<p>Ik smeek u daarom, mij te vergeten.
+</p>
+<p>Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou kunnen worden.
+</p>
+<p>Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat gij over hebt voor
+de armen en ongelukkigen.
+</p>
+<p>Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet boos op mij.
+</p>
+<p>Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.
+</p>
+<p class="signed">ELVIRA MANTHÉ.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek meermalen met
+de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den brief zwijgend aan Charly
+Brand.
+<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN DOOD MAN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de ontbijttafel zat, keek
+hij de brieven en documenten in, die hij den minister had afgenomen.
+</p>
+<p>Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.
+</p>
+<p>Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem ook; na een
+half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de brieven van het begin tot het
+eind lezen.
+</p>
+<p>Het was juist zooals hij had vermoed.
+</p>
+<p>De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering allerlei geheimen
+betreffende vestingplannen had meegedeeld.
+</p>
+<p>Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam een courant op.
+</p>
+<p>Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en antwoordde op
+den vragenden blik van Charly Brand:
+</p>
+<p>„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het Ziekenhuis
+la Charité.”
+</p>
+<p>Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige vriend dat
+wenschte.
+</p>
+<p>Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf Raffles hem de courant,
+die hij nog steeds in de hand hield en sprak:
+</p>
+<p>„Lees!”
+</p>
+<p>Charly Brand las het volgende:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first"><span class="corr" title="Niet in bron">„</span><span class="ex">Stadsnieuws.</span> Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers
+zagen, hoe zij plotseling van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot,
+die dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks haar hevigen
+weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.
+</p>
+<p>Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje informeerden, kregen
+zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de inrichting over een half uur zou
+verlaten.
+</p>
+<p>Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten totdat het jonge
+meisje zou verschijnen.
+</p>
+<p>Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.
+</p>
+<p>Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met vermoeide,
+langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem toekwam. Hij snelde haar
+tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop gaf hij den chauffeur het adres op
+van zijn pension en bracht haar daarheen.
+</p>
+<p>Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was gebroken.
+</p>
+<p>Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem was. Het duurde
+niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen van den zwartharige haar tot
+de wanhopige daad hadden gebracht.
+</p>
+<p>„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige waarde te hechten
+aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer beangst, mijn kind, alles komt
+in orde.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het zuiden maken om
+volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede bank worden vastgezet en van
+de rente zult gij ruim kunnen leven.”
+</p>
+<p>Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.
+</p>
+<p>De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde haar zoodanig,
+dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.
+</p>
+<p>Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat, dat de minister
+het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op naam van het jonge meisje bij
+de Duitsche Bank was gedeponeerd.
+</p>
+<p>Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.
+</p>
+<p>Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>dezen in het bezit van een aanklacht tegen zijn collega.
+</p>
+<p>„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf bezorgen.”
+</p>
+<p>Hij <span class="corr" id="xd33e1515" title="Bron: zoch">zocht</span> nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces tegen den bankier op.
+Eenige dagen later konden de advocaten hem mededeelen, dat, wijl de omstandigheden
+bijzonder gunstig waren voor het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden,
+haar een flinke schadeloosstelling uit te keeren.
+</p>
+<p>De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren blij, op deze
+wijze van de zaak af te zijn.
+</p>
+<p>De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de minister op de Duitsche
+Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn beschermelinge een ervaren reisgezellin
+van gepasseerden leeftijd.
+</p>
+<p>Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van justitie, een
+dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een goeden indruk op hem had
+gemaakt.
+</p>
+<p>Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje betrof.
+</p>
+<p>Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd tot tijd iets
+van haar hooren.
+</p>
+<p>Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.
+</p>
+<p>Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de Mohrenstraat
+ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen stonden, waaronder hij den
+zwartharige ontdekte.
+</p>
+<p>„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar mijn plan:
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept hem ter verantwoording
+door hem te vragen, waarom hij je overlast aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan
+en ik zal den politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter volstrekt niet
+van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in handen der politie te vallen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn, maar met de Berlijnsche
+politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin, het inwendige van een Pruisische gevangeniscel
+te leeren kennen.”
+</p>
+<p>De groep mannen had hen niet zien aankomen.
+</p>
+<p>Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de Friedrichstrasse,
+toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en begaf zich in de richting der
+jonge kerels.
+</p>
+<p>Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg met de mannen,
+die aanleiding gaf tot een gevecht.
+</p>
+<p>Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het straattooneel.
+</p>
+<p>Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met versnelden pas
+stormden de agenten op de kerels los.
+</p>
+<p>Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het politiebureau gebracht.
+</p>
+<p>Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk bloedende hoofdwonde
+gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij meedeelde, dat hij door de kerels
+was aangevallen, een apotheek op om zich te laten verbinden.
+</p>
+<p>Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:
+</p>
+<p>„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”
+</p>
+<p>„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste is, dat wij
+ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn reis naar Berlijn.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”
+</p>
+<p>Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.
+</p>
+<p>Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar reisgezellin uit
+een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had gebracht en maakte alles in
+orde, wat voor de reis van het jonge meisje noodig was.
+</p>
+<p>Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.
+</p>
+<p>Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar oogen bijna
+iets van een God.
+</p>
+<p>Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?
+</p>
+<p>Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag tot hem richtte,
+aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden, antwoordde hij:
+</p>
+<p>„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den eersten tijd
+in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of New-York ben.”
+</p>
+<p>„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”
+</p>
+<p>„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof, dat de meeste
+menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld hebben gezien.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>de wereld door en bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”
+</p>
+<p>„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”
+</p>
+<p>Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.
+</p>
+<p>„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.
+</p>
+<p>„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”
+</p>
+<p>„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een advertentie in
+de Londensche <span lang="en">Times</span> plaatsen, teneinde mij uw adres op te geven.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten ook voor het
+een of ander noodig hebt.”
+</p>
+<p>Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.
+</p>
+<p>Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein gebracht. De
+beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein vertrok, keken zij deze na,
+zoolang het jonge meisje met haar zakdoek uit het raampje wuifde.
+</p>
+<p>„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly Brand, toen
+zij het perron verlieten.
+</p>
+<p>De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar zorgen toevertrouwde
+meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij afscheid van Raffles had genomen,
+was Elvira in een krampachtig snikken uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen
+trouwen vriend nimmer terug zou zien.
+</p>
+<p>Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een detectivebureau liet hij
+zich af en toe bericht omtrent haar zenden.
+</p>
+<p>Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met scherpen blik
+opnam.
+</p>
+<p>Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de politie moest
+zijn.
+</p>
+<p>Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde en bij de volgende
+halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te ontkomen.
+</p>
+<p>Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:
+</p>
+<p>„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel mogelijk, dan betaal
+ik dubbel.”
+</p>
+<p>Nu begon een ware jacht.
+</p>
+<p>De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.
+</p>
+<p>Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker, of hij den
+goede voor had.
+</p>
+<p>In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het Grunewald.
+</p>
+<p>De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den minister.
+</p>
+<p>Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten, liet Raffles
+zich bij den minister aandienen.
+</p>
+<p>Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was hem aan te zien,
+dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.
+</p>
+<p>Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de schrijftafel
+plaats en sprak:
+</p>
+<p>„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo fatsoenlijke
+wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”
+</p>
+<p>De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.
+</p>
+<p>„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat het geen aangename
+zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval beter dan uw doen en laten tegenover
+de Fransche Regeering.”
+</p>
+<p>De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.
+</p>
+<p>Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle schurken, wanneer
+zij ontmaskerd worden.
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:
+</p>
+<p>„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren, wenscht u dringend
+te spreken.”
+</p>
+<p>Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.
+</p>
+<p>„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het salon; ik ben nog
+bezig.”
+</p>
+<p>De bediende boog en ging heen.
+</p>
+<p>„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.
+</p>
+<p>„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten zijn, dat u zoo
+ongerust maakt.”
+</p>
+<p>De minister stond op.
+</p>
+<p>Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.
+</p>
+<p>„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”
+</p>
+<p>„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”
+</p>
+<p>Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de deur naar de
+studeerkamer.
+</p>
+<p>Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur uit de kamer
+naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs dezen weg het vertrek.
+</p>
+<p>Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>de stem van den wachtmeester, die tot den bediende sprak:
+</p>
+<p>„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”
+</p>
+<p>Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.
+</p>
+<p>Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met knikkende knieën
+sloop hij in zijn studeerkamer terug.
+</p>
+<p>Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van Raffles, nu
+gevangen werd genomen.
+</p>
+<p>Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat de wachtmeester
+hem zeer dringend moest spreken, had de minister op hetzelfde oogenblik een der laden
+van zijn schrijftafel geopend, een revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.
+</p>
+<p>Het schot bracht alles in huis in rep en roer.
+</p>
+<p>Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van den minister
+naderde.
+</p>
+<p>Niemand lette erop, dat Raffles<span class="corr" id="xd33e1634" title="Niet in bron">,</span> die het schot eveneens had gehoord, het huis had verlaten, in de auto plaats nam
+en met Charly Brand heenreed.
+</p>
+<p>Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den zelfmoord van
+den minister en alleen de beide Engelschen, die per nachttrein naar Vlissingen vertrokken,
+wisten, welke de oorzaak was van den dood van dezen staatsman.
+</p>
+<p>Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent den dood van
+den minister en sprak:
+</p>
+<p>„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 notice"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center">Titel van het volgend deel (nummer 32) is:
+</p>
+<p class="center xxl">„DE BLAUWE DOOD”.
+<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center xl"><span class="underline">Verrassend!</span> <span class="underline">Boeiend!</span>
+</p>
+<p class="xl">In den Roman-Boekhandel voorheen A. EICHLER te Amsterdam verschijnt in 14-daagsche
+afleveringen:
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+</p>
+<p class="center xxxl">BUFFALO BILL,
+</p>
+<p class="center xl bold">Amerika’s grootste Meester-verkenner.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+</p>
+<p class="xl">Elke aflevering bevat een afgerond verhaal.
+</p>
+<p class="xl">Buffalo Bill vertelt daarin op eenvoudige, doch pakkende, aandoenlijke wijze van zijn
+avonturen met struikroovers, roodhuiden, bandieten, enz.
+</p>
+<p class="center xl">SPANNENDE LECTUUR, VOL<br>
+SENSATIE-WEKKENDE TOONEELTJES.
+</p>
+<p class="center xxl">ELKE AFLEVERING KOST SLECHTS 10 CENT.
+</p>
+</div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first underline xd33e1676">Belooning: 1000 pond sterling.
+</p>
+<div class="table">
+<table class="tbl.wanted.header">
+<tr>
+<td class="xd33e1679 cell-left cell-top xd33e1683">Wie kent hem?
+</td>
+<td rowspan="2" class="rowspan xd33e1680 cell-top cell-bottom">
+<div class="figure lordlisterwidth"><img src="images/lordlister.png" alt="Portret van Lord Lister." width="307" height="404"></div>
+</td>
+<td class="xd33e1679 cell-right cell-top xd33e1683">Wie heeft hem gezien?
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="xd33e1679 cell-left cell-bottom">Dat vraagt men in Scotland Yard!
+</td>
+<td class="xd33e1679 cell-right cell-bottom">Dat vraagt heel Londen!</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p class="xd33e1698">Lord Lister <span class="underline xd33e1700">genaamd</span> John C. Raffles, <span class="xd33e1703">de geniaalste aller dieven</span>
+</p>
+<p class="xd33e1706">brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters;
+ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt
+en behoeftigen ondersteunt.
+</p>
+<p class="xd33e1708">Man van eer in alle opzichten
+</p>
+<p class="xd33e1706">spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing
+op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
+</p>
+<p class="xd33e1712">Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
+</p>
+<p class="xd33e1706">Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, <b>Lord Lister</b>, genaamd <b>John C. Raffles</b>, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
+</p>
+<div lang="en" class="div2 section warrant.en"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><table class="alignedText">
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="first xd33e1723">WARRANT OF ARREST.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p class="first"><span class="underline">Vertaling</span>:
+</p>
+<p class="xd33e1835">Bevel tot aanhouding.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p>Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension
+of the man described as under:
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p>Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="xd33e1727">DESCRIPTION:
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Name</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, alias John C. <span class="corr" id="xd33e1737" title="Bron: Sinclair">Raffles</span>.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Age</span>: </td>
+<td class="cell-right">32 to 35 years.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Height</span>: </td>
+<td class="cell-right">5 feet nine inches.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Weight</span>: </td>
+<td class="cell-right">176 pounds.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Figure</span>: </td>
+<td class="cell-right">Tall.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Complexion</span>: </td>
+<td class="cell-right">Dark.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Hair</span>: </td>
+<td class="cell-right">Black.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Beard</span>: </td>
+<td class="cell-right">A slight moustache.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Eyes</span>: </td>
+<td class="cell-right">Black.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Language</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-bottom">English, French, German, Russian, etc.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p class="xd33e1727">Beschrijving:
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Naam</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, genaamd John C<span class="corr" id="xd33e1849" title="Niet in bron">.</span> Raffles.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Leeftijd</span>: </td>
+<td class="cell-right">32–35 jaar.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Lengte</span>: </td>
+<td class="cell-right">ongeveer 1,76 meter.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gewicht</span>: </td>
+<td class="cell-right">80 kilo.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gestalte</span>: </td>
+<td class="cell-right">slank.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gelaatskleur</span>: </td>
+<td class="cell-right">donker.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Haar</span>: </td>
+<td class="cell-right">zwart.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Baardgroei</span>: </td>
+<td class="cell-right">kleine snor.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Oogen</span>: </td>
+<td class="cell-right">zwart.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Spreekt</span> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom">Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p><span class="ex">Special notes</span>: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other
+day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p><span class="ex">Bijzondere kenteekenen</span>: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een
+ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam
+onbekend.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p>Charged with robbery.
+</p>
+<p>A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p>Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000
+pond sterling.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="xd33e1727">Headquarters—Scotland Yard.
+</p>
+<p class="dateline"><span class="ex">London</span>, 1<sup>st</sup> October 1908.
+</p>
+<p class="signed"><b>Police Inspector</b>,<br>
+<span class="ex">Horny.</span>
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p><b><i>Het Hoofdbureau van Politie <span class="corr" id="xd33e1925" title="Bron: Scotland-Yard">Scotland Yard</span>.</i></b>
+</p>
+<p class="dateline"><span class="ex">Londen</span>, 1. <span class="corr" id="xd33e1933" title="Bron: Oktober">October</span> 1908.
+</p>
+<p class="signed"><b><span class="corr" id="xd33e1938" title="Bron: Inspekteur">Inspecteur</span> van Politie</b><br>
+(get.) <span class="ex">Horny</span>.
+</p>
+</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first xd33e1947">Roman-Boekhandel <span class="xd33e1949">voorheen</span> A. Eichler
+</p>
+<p class="xd33e123">Singel 236—Amsterdam.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table>
+<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">DE BEIDE VREEMDELINGEN.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">3</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">7</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch4.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">IN DE MISDADIGERSKROEG.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">13</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch5.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">DE MINISTER.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">17</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch6.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VI. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">EEN INBRAAK.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">23</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch7.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">EEN ZELFMOORD.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">26</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch8.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VIII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">EEN DOOD MAN.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">28</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2025-03-31 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 128 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><i title="97 gevallen">Passim.
+</i></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e222">2</a>, <a class="pageref" href="#xd33e566">9</a>, <a class="pageref" href="#xd33e575">10</a>, <a class="pageref" href="#xd33e582">10</a>, <a class="pageref" href="#xd33e593">10</a>, <a class="pageref" href="#xd33e599">10</a>, <a class="pageref" href="#xd33e701">11</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1257">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1262">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balcon</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balkon</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e270">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Friedrichsstraat</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Friedrichstraat</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e478">8</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e617">10</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balconkamer</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balkonkamer</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e688">11</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Lowenstein</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Löwenstein</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e874">16</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Grünewald</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Grunewald</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e901">16</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">lachtte</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">lachte</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e914">16</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bizonder</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bijzonder</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1047">19</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Friedrichsstrasse</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Friedrichstrasse</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1173">21</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1326">25</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">eere-voorzitter</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">eerevoorzitter</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1218">23</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">telegraphische</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">telegrafische</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1271">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balcondeur</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">balkondeur</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1309">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">chequeboek</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">chèqueboek</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1372">25</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">gezelschapt</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">gezelschap</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1451">27</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ELVIRA MANTHé</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">JOHN C. RAFFLES</td>
+<td class="bottom">13</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1515">29</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">zoch</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">zocht</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1634">31</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1737">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">Sinclair</td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">Raffles</td>
+<td class="bottom">7</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1849">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1925">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland-Yard</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland Yard</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1933">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Oktober</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">October</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1938">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspekteur</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspecteur</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75791 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/75791-h/images/lordlister.png b/75791-h/images/lordlister.png
new file mode 100644
index 0000000..e9e45f1
--- /dev/null
+++ b/75791-h/images/lordlister.png
Binary files differ
diff --git a/75791-h/images/lordlister0031-front.jpg b/75791-h/images/lordlister0031-front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..740785a
--- /dev/null
+++ b/75791-h/images/lordlister0031-front.jpg
Binary files differ
diff --git a/75791-h/images/p0031-01.png b/75791-h/images/p0031-01.png
new file mode 100644
index 0000000..960d941
--- /dev/null
+++ b/75791-h/images/p0031-01.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..b5dba15
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this book outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..89d2d3f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+book #75791 (https://www.gutenberg.org/ebooks/75791)