summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75268-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75268-0.txt')
-rw-r--r--75268-0.txt15207
1 files changed, 15207 insertions, 0 deletions
diff --git a/75268-0.txt b/75268-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5d46407
--- /dev/null
+++ b/75268-0.txt
@@ -0,0 +1,15207 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector.
+ John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk.
+ Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings.
+ Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings,
+ naderhand Kardinaal Beaufort.
+ John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset.
+ Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van
+ Cambridge, naderhand Hertog van York.
+ Richard Beauchamp, Graaf van Warwick.
+ Thomas Montague, Graaf van Salisbury.
+ William de la Pole, Graaf van Suffolk.
+ Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury.
+ John Talbot, zijn zoon.
+ Edmund Mortimer, Graaf van March.
+ Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir
+ Thomas Gargrave.
+ Woodville, Commandant van den Tower.
+ De Mayor van Londen.
+ Vernon, van de Witte Roos of York-partij.
+ Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij.
+
+ Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk.
+ Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels.
+ De Hertog van Bourgondië.
+ De Hertog van Alençon.
+ De Bastaard van Orleans.
+ De Bevelhebber van Parijs.
+ De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux.
+ De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon.
+ Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van
+ Jeanne d’Arc.
+
+ Margaretha, dochter van Reignier.
+ De Gravin van Auvergne.
+ Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans.
+
+ Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten.
+ Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten,
+ aan de Pucelle verschijnend.
+
+
+
+Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Westminster-abdij.
+
+Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt
+binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford,
+Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster,
+Herauten enz.
+
+BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht!
+Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend,
+Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht,
+En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren,
+Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks,
+Die al te roemrijk was om lang te leven!
+England verloor geen koning ooit, zoo groot.
+
+GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning.
+Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag;
+Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind;
+Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht;
+Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette,
+En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht,
+Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat.
+Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof?
+Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.
+
+EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed?
+Hendrik is dood om nimmer te herleven;
+Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst,
+Verheerlijken des doods oneed’le zege,
+Met statig begeleiden, als gevang’nen,
+Aan eens verwinnaars zegekar geboeid.
+Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken,
+Die de’ ondergang bewerkten onzes roems?
+Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders
+En toov’naars houden, die, uit angst voor hem,
+Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?
+
+WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning
+Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags
+Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn,
+Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd
+Des Heeren der heerscharen. De gebeden
+Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.
+
+GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden
+Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf;
+Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon,
+Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.
+
+WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37
+Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk.
+Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht,
+Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.
+
+GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch,
+En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk,
+Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.
+
+BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede!
+Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!—
+En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen,
+Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf.
+Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin
+Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt,
+Dit land een voedster wordt van zilte tranen,
+Een tijd, die niemand in het leven laat
+Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!—
+Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk
+Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre!
+Bestrijd daarboven dreigende planeten!
+En uwe ziel wordt een roemruchter ster
+Dan Julius Cæsar of de heldre—
+
+(Een bode komt op.)
+
+BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet!
+Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk
+Van nederlagen, bloedbad en verlies:
+Guienne, Rheims, Champagne en Orleans,
+Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.
+
+BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk?
+Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden
+Doet hem zijn lood verbreken en herleven.
+
+GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd!
+Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt,
+Die tijding deed nog eens den geest hem geven.
+
+EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?
+
+BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap,
+De krijgers fluist’ren dit elkander toe:
+Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij,
+In plaats dat gij te velde trekt en vecht,
+Om ’t kiezen van de legerhoofden twist.
+De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken,
+Een ander vliegen, maar is vleugelloos,
+Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend,
+Door list en fraaie woorden vreê te erlangen.
+Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap!
+Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen!
+De leliën uit uw wapen zijn geplukt,
+Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81
+
+EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken,
+Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.
+
+BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk.
+Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten,
+Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad!
+Ik dring den Franschen wonden op voor oogen,
+Om hun hernieuwde ellende te beschreien.
+
+(Een tweede Bode komt op.)
+
+TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil.
+Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons,
+Op enk’le nietig kleine steden na.
+In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond,
+De bastaard Orleans met hem vereenigd,
+Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde,
+De hertog Alençon vlood heen, tot hem.
+
+EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem!
+O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?
+
+GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!—
+Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.
+
+BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust?
+’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd,
+Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.
+
+(Een derde Bode komt op.)
+
+DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren,
+Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt,
+Moet ik bericht doen van een feilen strijd
+Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.
+
+WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar?
+
+DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd;
+Uitvoerig wil ik heel den loop u melden.
+Toen op den tiende’ Augustus deze held
+Terugtrok van ’t beleg van Orleans,
+Te nauwernood zesduizend strijders sterk,
+Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen
+Geheel omsingeld en met kracht bestookt.
+Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen,
+Geen pieken om te planten voor zijn schutters;
+Zij staken daarom haastig scherpe palen,
+Die ze uit de heggen rukten, in den grond,
+Om de’ aanval van de ruiterij te keeren.
+Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht,
+En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht,
+Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans,
+Zond honderden ter helle, en niemand stond hem!
+Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed.
+De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”,
+Hun gansche leger staarde ontzet hem aan;
+Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend,
+En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich
+Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129
+En wis waar’ hun de zege vast bezegeld,
+Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.
+Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu
+De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken,
+Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot.
+Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad.
+Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend,
+Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug,
+Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk
+Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.
+
+BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf,
+Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl
+Een held als hij hulp dierf bij zulke daden
+En aan zijn lagen vijand werd verraden.
+
+DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen,
+Met hem lord Scales en ook lord Hungerford;
+Zóó de andren meest gevangen of gevallen.
+
+BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders.
+’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon,
+En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend;
+Vier hunner lords geef ik voor één der onze.—
+Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak;
+Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan,
+Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.
+Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed
+Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.
+
+DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd,
+Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak;
+De graaf van Salisbury smeekt om versterking
+En houdt het nauwelijks af van muiterij,
+Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.
+
+EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert,
+Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken,
+Of wel, hem neer te buigen in uw juk.
+
+BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid,
+Opdat ik mij terstond ten strijde rust.
+
+ (Bedford af.)
+
+GLOSTER. Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut
+En krijgsbehoeften na te gaan, en dan
+Roep ik den jongen Hendrik uit als koning,
+
+ (Gloster af.)
+
+EXETER. Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning,
+Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd;
+’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert.
+
+ (Exeter af.)
+
+WINCHESTER. Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen
+Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd.
+Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven;
+De koning is in Eltham; van die plaats
+Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Orleans.
+
+Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en
+Soldaten.
+
+KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop
+Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend.
+Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger,
+Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe.
+Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons?
+Tot kortswijl liggen wij voor Orleans;
+De hongrige Engelschen, als bleeke geesten,
+Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.
+
+ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen;
+Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten
+Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij
+Er poover uit, zooals verdronken muizen.
+
+REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd?
+Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen;
+Nu is slechts hier die dolkop Salisbury,
+En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op;
+Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.
+
+KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los.
+Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen!
+’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood,
+Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.
+
+ (Allen af.)
+
+(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot
+verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.)
+
+KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!—
+Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden,
+Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.
+
+REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury;
+Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe.
+En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen,
+Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.
+
+ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29
+Bracht England, in des derden Edwards tijd,
+Toen louter Oliviers en Roelands voort.
+En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid:
+Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het
+Ons hier als strijders toe. Één tegen tien!
+En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken,
+Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?
+
+KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels,
+En honger drijft hen des te feller aan;
+Ik ken hen wel: zij reten met de tanden
+De muren liever neer dan dat zij weken.
+
+REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen
+Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan,
+Want anders hielden zij het nooit zoo vol.
+Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.
+
+ALENÇON. Zoo zij het.
+
+(De Bastaard van Orleans komt op.)
+
+BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.
+
+KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!
+
+BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht;
+Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt?
+Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand;
+Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie
+De hemel door een droomgezicht gelastte,
+Een eind te maken aan dit lang beleg
+En de Engelschen te drijven uit dit rijk.
+Zij heeft den geest der echte profetie,
+Veel meer dan Rome’s negental Sybillen;
+Zij kan, wat was en komen zal, onthullen.
+Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden,
+Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.
+
+KAREL. Ga! roep haar.
+
+ (De Bastaard af.)
+
+ Doch, om eerst haar kunst te toetsen,
+Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn;
+Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte;
+Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.
+
+ (De Dauphijn treedt op den achtergrond.)
+
+(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.)
+
+REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?
+
+JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt?
+Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren!
+Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.—
+Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.
+’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.—
+Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.
+
+REIGNIER. Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. 71
+
+JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter;
+Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap,
+’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd,
+Op mij in lagen staat hun licht te stralen.
+Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde,
+Mijn wangen door de zon verschroeien liet,
+Verscheen genadig mij de moeder Gods
+En gaf, in een visioen vol majesteit,
+Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,
+Mijn vaderland te redden uit den nood.
+Zij zeide hulp mij toe en wisse zege,
+En toonde zich in al haar hemelglans.
+Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd,
+Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot,
+Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet.
+Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt,
+Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;
+Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,
+Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.
+Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard,
+Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.
+
+KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;
+En deze proef slechts wensch ik van uw moed;
+Gij zult in tweegevecht u met mij meten.
+Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar;
+Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.
+
+JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard,
+Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik
+Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof
+Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.
+
+KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.
+
+JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.
+
+(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.)
+
+KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone,
+En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.
+
+JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.
+
+KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen.
+Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u;
+Gij overwont mij tevens hart en hand.
+Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt,
+Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer;
+Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.
+
+JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,
+Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn;
+Maar heb ik al uw vijanden verdreven,
+En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.
+
+KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.
+
+REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118
+
+ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten,
+Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.
+
+REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?
+
+ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten;
+In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.
+
+REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag?
+Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?
+
+JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk!
+Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.
+
+KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.
+
+JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren.
+Nog deze nacht ontzet ik wis de stad;
+Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen
+Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen.
+De roem is als een cirkel in het water,
+Die immer meer en verder zich verbreidt,
+Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit.
+Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet,
+Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.
+Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens
+Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.
+
+KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield,
+Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest.
+Geen Helena, de moeder Constantijns,
+Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters.
+Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt,
+Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?
+
+ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!
+
+REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer!
+Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!
+
+KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw
+Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Voor den Tower.
+
+De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op.
+
+GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen;
+Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd.
+Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?
+Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.
+
+(De Dienaars kloppen aan.)
+
+EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?
+
+DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster.
+
+TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.
+
+DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?
+
+EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn;
+Wij doen niets anders dan ons is gelast.
+
+GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne?
+Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt
+Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning.
+Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?
+
+(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant
+Woodville.)
+
+WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?
+
+GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor?
+Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.
+
+WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog;
+De kardinaal van Winchester verbiedt het;
+Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast,
+Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.
+
+GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij?
+Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd,
+Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden?
+Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit
+De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.
+
+DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector!
+Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.
+
+(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in
+bruine kleedij).
+
+WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?
+
+GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?
+
+WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver,
+En geen beschermer van den troon of ’t rijk.
+
+GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder,
+Die wijlen onzen koning wildet moorden,
+En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen!
+Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots,
+U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37
+
+WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier.
+Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain;
+Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.
+
+GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u;
+En uw scharlaken mantel zal mij dienen,
+Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.
+
+WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.
+
+GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!—
+Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen,
+Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!—
+Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;
+
+(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.)
+
+En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe.
+Ik treed uw kardinaalshoed met den voet,
+Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.
+
+WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!
+
+GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!—
+Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?—
+U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!—
+Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!
+
+(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden
+van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.)
+
+MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden,
+Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!
+
+GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet,
+Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend,
+Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.
+
+WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is,
+Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit,
+Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten,
+En immer tracht den godsdienst om te keeren,
+Wijl hij protector is van ’t koninkrijk,
+En nu hier waap’nen vordert uit den Tower,
+Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.
+
+GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel
+Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.—
+Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72
+
+GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des
+konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij,
+in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en
+van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te
+voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”
+
+GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal,
+Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.
+
+WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen;
+Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.
+
+MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.—
+Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.
+
+GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.
+
+WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster!
+Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.
+
+ (Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar
+ verschillenden kant af.)
+
+MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.—
+God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt!
+In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.
+
+ (De Mayor met zijn Dienaren af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Orleans.
+
+De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.
+
+TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt;
+De vijand heeft de voorstad reeds bezet.
+
+ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak
+Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.
+
+TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden.
+Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen,
+Wat mij bij deze stad in aanzien brengt.
+Spionnen van den prins berichtten mij,
+Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand
+Door een getralied venster van dien toren
+Gewoon is uit te zien naar onze stad,
+En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut
+Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet.
+Om van dit ongerief ons te bevrijden
+Heb ik een stuk geschut daarop gericht,
+En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd,
+Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht,
+Wijl ik niet blijven kan.
+Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden;
+Gij zult mij vinden bij den commandant. 20
+
+ (De Tuigmeester af.)
+
+ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust;
+Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.
+
+ (De Zoon af.)
+
+(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury,
+Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.)
+
+SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug?
+Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld?
+En hoe gelukte ’t u, u los te koopen?
+Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.
+
+TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf,
+Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles;
+’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem.
+Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen
+Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik;
+Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood
+Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien,
+En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd.
+Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart;
+Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen,
+Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.
+
+SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.
+
+TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij.
+Zij stelden mij op de open markt ten toon,
+Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren.
+„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik,
+Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.”
+Toen reet ik mij van mijn bewakers los,
+Groef met de nagels steenen uit den grond,
+En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad;
+En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht.
+Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood.
+Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd;
+Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,—
+Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken,
+Arduinen posten gruiz’len met den voet;
+Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking,
+Die telkens bij minuten om mij waarden;—
+En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen,
+Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.
+
+(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.)
+
+SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan,
+Doch volle wraak gewordt ons binnenkort.
+’t Is avondetenstijd in Orleans;
+Hier, door de traliën, kan ik allen tellen,
+En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst.
+Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen.
+Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale,
+Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt,
+Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.
+
+GARGRAVE. Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. 66
+
+GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.
+
+TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden,
+Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.
+
+(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.)
+
+SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars!
+
+GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig!
+
+TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len?
+Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,—
+Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel?
+Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!—
+Vervloekte toren! vloekbare onheilshand,
+Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd!
+’t Was Salisbury, die dertien slagen won,
+Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde;
+Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk,
+Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.—
+Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken,
+Één oog bleef u tot smeeken om genade,
+Met één oog schouwt de zon de wereld aan.—
+Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig,
+Zoo Salisbury bij U genade derft!”
+Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven.
+Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven.
+Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op!
+Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn:
+Gij sterft niet zonder—
+Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,
+Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood,
+Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!”
+Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero,
+De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden;
+Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.
+
+(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.)
+
+Welk een geraas! de hemel is in oproer!
+Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan;
+En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle,
+Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend,
+Komt met een groote macht de stad ontzetten.
+
+(Salisbury richt zich op en kreunt.)
+
+TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt;
+Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.—
+Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn;
+Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond,
+’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven;
+Uw hersens kluts ik samen tot een poel.—
+Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent;
+Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.
+
+ (Allen af, met de lijken.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Voor een der poorten.
+
+Strijdgedruisch. Schermutselingen. Talbot vervolgt den Dauphijn, drijft
+hem op de vlucht en gaat heen; dan komt Jeanne d’Arc, de Pucelle,
+Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt Talbot
+weder op.
+
+TALBOT. Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid?
+Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden;
+Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort.
+
+(De Pucelle komt weder op.)
+
+Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten;
+Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u;
+Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af,
+En lever hem uw ziele, wien gij dient.
+
+PUCELLE. Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet.
+
+(Zij vechten.)
+
+TALBOT. Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint?
+Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed
+Of barsten ook mijn armen van de schouders,
+Toch tuchtig ik die overstoute deern!
+
+PUCELLE. Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar;
+’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen.
+Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht.
+Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk;
+Help Salisbury zijn testament te maken;
+De dag is ons, als vele nog na dezen.
+
+(De Pucelle trekt met haar krijgers de stad binnen.)
+
+TALBOT. Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel;
+Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe.
+Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal,
+Een heks ons hier terug en wint naar lust;
+Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven
+Weg uit haar korven, van haar tillen voort.
+Ons bijten deed ons Englands honden heeten,
+Nu loopen we als hondsjongen jankend weg.
+
+(Een kort strijdgedruisch.)
+
+Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht,
+Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen!
+Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen!
+Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf,
+Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit,
+Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten.
+
+(Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.)
+
+Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen
+De dood van Salisbury komt op uw hoofd,
+Want geen van u deed iets om hem te wreken.—
+Trots ons, trots alles wat wij konden doen,
+Is de Pucelle in Orleans getogen.
+O, ware ik saam met Salisbury gestorven!
+Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd.
+
+ (Strijdgedruisch. Terugtocht. Talbot met zijn Krijgers af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar.
+
+Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier,
+Alençon, en Soldaten.
+
+PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen!
+Ontrukt is Orleans aan Englands wolven,
+Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.
+
+KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter,
+Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe?
+Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen,
+Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.—
+Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!—
+Herwonnen is uw stad, uw Orleans;
+Nooit wedervoer ons land een grooter heil.
+
+REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad?
+Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren
+Ontsteken, juub’len, smullen in de straten,
+Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.
+
+ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust,
+Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.
+
+KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij;
+Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen;
+Wat priester is of monnik in mijn rijk,
+Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen.
+Een trotscher pyramide bouw ik haar,
+Dan die van Rhodope te Memphis was.
+Haar ter gedacht’nis worde na haar dood
+Haar asch in een veel kostlijker urn
+Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius
+Bij hooge feest’lijkheden omgedragen
+Voor Frankrijks koningen en koninginnen.
+Niet meer zij onze leuze: Saint Denis!
+Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn.
+Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal,
+Den gulden dag van deze zegepraal!
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Voor Orleans.
+
+Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.
+
+SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!
+Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat
+Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken
+Ons in het wachthuis fluks bericht er van.
+
+EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men
+arme knechten,
+Als andren in hun zachte bedden slapen,
+Op wacht in regen, koude en duisternis.
+
+(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun
+trommen slaan een gedempten marsch.)
+
+TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,
+Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,
+Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,
+De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,
+Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;
+Omhelzen wij dus die gelegenheid
+Om hun het loos bedrog weer te vergelden,
+Dat list en snoode tooverij bedacht. 15
+
+BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!
+Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,
+En sloot met hel en heksen een verbond!
+
+BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders.
+Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,
+Wie is zij?
+
+TALBOT. Men zegt een meisje.
+
+BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig!
+
+BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,
+Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard
+De wapens draagt, zooals zij nu begon.
+
+TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!
+Voor ons is God een burg; beklimmen wij
+In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!
+
+BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.
+
+TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,
+Dat we op verscheiden punten binnendringen,
+Opdat, zoo het een van ons mislukt,
+Een ander van hun macht het winnen kan.
+
+BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek.
+
+BOURGONDIË. En ik dien andren.
+
+TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—
+Nu, Salisbury, voor u en voor het recht
+Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,
+Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37
+
+(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!”
+en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)
+
+SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier
+storm!
+
+(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende
+kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half
+aangekleed, half onaangekleed.)
+
+ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?
+
+BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.
+
+REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;
+Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.
+
+ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit
+Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,
+Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.
+
+BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.
+
+REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.
+
+ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?
+
+BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.
+
+(Karel komt op, met de Pucelle.)
+
+KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?
+Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,
+Een kleine, zoete winst deelachtig worden,
+Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?
+
+PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?
+Verlangt gij mijne macht steeds even groot?
+Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,
+Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?
+Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid
+Zou dezen overval voorkomen hebben.
+
+KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,
+Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,
+Niet beter van dien grooten plicht u kweet.
+
+ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest
+Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,
+Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.
+
+BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd.
+
+REIGNIER. Zoo ook ’t mijne.
+
+KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht
+Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,
+Besteed om telkens heen en weer te gaan
+Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;
+Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?
+
+PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72
+Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens
+Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.
+Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:
+’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,
+En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.
+
+(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot!
+Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)
+
+DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.
+De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;
+Met rijken buit heb ik mij hier beladen,
+En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.
+
+ (De Soldaat af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Orleans. Binnen de stad.
+
+Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.
+
+BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht,
+Die met haar ravenmantel de aard omgaf.
+Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.
+
+(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)
+
+TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,
+En plaatst de baar hier op het open marktplein,
+Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—
+’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;
+Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,
+Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.
+Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,
+Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,
+Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,
+Waarin zijn overschot begraven worde,
+En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,
+Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,
+’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,
+En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—
+Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,
+Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,
+Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,
+Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.
+
+BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,
+Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,
+En, onder hoopen krijgers, van den wal
+Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.
+
+BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel
+En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—
+Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;
+Zij vloden, arm in arm, met alle macht,
+Gelijk een paar verliefde tortelduiven,
+Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.
+Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,
+Dan zetten wij met volle macht hen na. 33
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar
+Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,
+Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?
+
+TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?
+
+BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne,
+Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,
+Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,
+Haar te bezoeken op haar armen burg,
+Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,
+Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.
+
+BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg
+Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,
+Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—
+Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.
+
+TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen
+Met alle redekunst bereiken zou,
+Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—
+Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,
+En onderdanig haar bezoeken zal.—
+Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?
+
+BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;
+’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten
+’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.
+
+TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,
+Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.
+Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij
+begrijpt mij?
+
+HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.
+
+De Gravin en haar Portier komen op.
+
+GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast,
+En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.
+
+PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe.
+
+ (De Portier af.)
+
+GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed,
+Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,
+Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.
+Groot is de naam van dien gevreesden ridder,
+En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;
+’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,
+Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.
+
+(De Bode komt op, met Talbot.)
+
+BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,
+Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.
+
+GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man?
+
+BODE. Zoo is ’t, gravin.
+
+GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel?
+Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,
+Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?
+Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,
+Een tweede Hector, grimmig van gelaat,
+Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;
+En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22
+Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen
+Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.
+
+TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;
+Doch daar u dit niet recht gelegen komt,
+Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.
+
+GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.
+
+BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt
+De reden van uw rasch vertrek te weten.
+
+TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik
+’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.
+
+(De Portier komt weder terug, met sleutels.)
+
+GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.
+
+TALBOT. Gevangne? wiens?
+
+GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne;
+Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.
+Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,
+Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;
+Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;
+Die armen wil ik keet’nen en die beenen
+Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren
+Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,
+En onze zoons en mannen weggesleept.
+
+TALBOT. Ha, ha, ha!
+
+GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.
+
+TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,
+Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,
+Om daar uw booze strengheid op te koelen.
+
+GRAVIN. Zijt gij de man dan niet?
+
+TALBOT. Dat ben ik zeker.
+
+GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen.
+
+TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;
+Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;
+Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,
+Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.
+Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,
+Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,
+Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56
+
+GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;
+Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;
+Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?
+
+TALBOT. Dit toon ik u terstond.
+
+(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De
+poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)
+
+Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,
+Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?
+Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,
+Waarmee hij uw rebellennekken jukt,
+Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,
+In minder dan een omzien woest doet zijn.
+
+GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;
+Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,
+En meer dan uw gestalte deed vermoeden.
+Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;
+Het doet mij leed, dat ik u niet ontving
+Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.
+
+TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken
+Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst
+In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.
+Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,
+En andre schadeloosstelling eisch ik niet,
+Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn
+Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,
+Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.
+
+GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,
+Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De hof van den Tempel.
+
+De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard
+Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.
+
+PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?
+Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?
+
+SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal;
+Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.
+
+PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,
+En of die twister Somerset het mis had.
+
+SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,
+En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;
+En plooi daarom het recht naar mijnen wil.
+
+SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.
+
+WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft,
+Welk van twee honden schooner, dieper blaft,
+Welk van twee klingen van het fijnste staal is,
+Welk van twee paarden fraaier houding heeft,
+Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,
+Hierin treed ik desnoods als rechter op,
+Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,
+Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.
+
+PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19
+De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,
+Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.
+
+SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;
+Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,
+Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.
+
+PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,
+Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.
+Wie onder u echt edelman zich rekent,
+En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,
+Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,
+Met mij van dezen struik een witte roos.
+
+SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is,
+Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,
+Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.
+
+WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,
+En zonder lage vleierij pluk ik
+De witte roos hier met Plantagenet.
+
+SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset,
+En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.
+
+VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,
+Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen
+Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,
+Des andren aanspraak recht en juist zal achten.
+
+SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;
+Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.
+
+PLANTAGENET. En ik.
+
+VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,
+Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,
+En kies zoo voor de witte roos partij.
+
+SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt;
+Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,
+En stemt gij tegen uwen zin voor mij.
+
+VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,
+Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,
+En houdt mij aan de zijde, die ik koos.
+
+SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder?
+
+RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.
+Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;
+En daarom pluk ook ik een witte roos. 58
+
+PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?
+
+SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs
+Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.
+
+PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na;
+Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis
+Voor onze waarheid.
+
+SOMERSET. Neen, Plantagenet,
+Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang
+Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,
+En toch uw tong uw dwaling niet erkent.
+
+PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?
+
+SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.
+
+PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,
+Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.
+
+SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,
+Die mijne bloedig roode rozen dragen
+En staven zullen, dat ik waarheid spreek,
+Waar geen Plantagenet verschijnen durft.
+
+PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot
+Met u en uwen aanhang, jonge knaap.
+
+SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.
+
+PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.
+
+SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot.
+
+SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole;
+Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.
+
+WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;
+Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,
+Den derden zoon des derden konings Edward.
+Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?
+
+PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;
+Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.
+
+SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik
+Op iedre plek der christenwereld vol.
+Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,
+Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?
+En heeft niet zijn verraad u aangestoken,
+Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?
+Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;
+En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.
+
+PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97
+Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;
+Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,
+Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.
+Maar prent u in, gij en uw helper Poole:
+Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,
+Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;
+Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.
+
+SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid
+En kent den vijand dan aan deze kleur,
+Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.
+
+PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,
+Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,
+Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,
+Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,
+Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.
+
+SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;
+En nu vaarwel, tot ik u weder tref.
+
+ (Suffolk af.)
+
+SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.
+
+ (Somerset af.)
+
+PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.
+
+WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis,
+Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,
+Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.
+Indien gij dan niet hertog wordt van York,
+Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.
+’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,
+Den trotschen Somerset en Poole ten trots,
+Met deze roos aan uwe zij mij scharen.
+En dit voorspel ik: deze twist van heden,
+Die in den hof hier tot partijschap wies,
+Zendt, met de roode en witte roos als leuze,
+Veel duizend zielen in verderf en dood.
+
+PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,
+Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.
+
+VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.
+
+RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook.
+
+PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer.
+Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist
+Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in den Tower.
+
+Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders
+binnengedragen.
+
+MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,
+Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—
+Gelijk een man, pas van de folterbank,
+Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;
+Die grijze lokken, als des doods herauten,
+Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,
+Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.
+Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker
+Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,
+De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,
+En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,
+Die zijn verwelkte loten hangen laat.
+En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,
+Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—
+Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,
+Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—
+Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?
+
+GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer.
+Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,
+En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.
+
+MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—
+Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.
+Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot
+In wapenroem was, hier begon te heerschen,
+Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;
+En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd
+En van zijn eer en erflijk goed beroofd.
+Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,
+De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,
+Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—
+Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,
+En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!
+
+(Richard Plantagenet komt op.)
+
+GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.
+
+MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?
+
+PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,
+Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.
+
+MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,
+En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.
+Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,
+Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.
+En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,
+Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.
+
+PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,
+En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.
+’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak
+Tot woorden tusschen Somerset en mij,
+Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte
+En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.
+Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;
+’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.
+Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,
+En bij uw eer als een Plantagenet, 52
+Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,
+De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.
+
+MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij
+Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,
+Mij in een duffen kerker deed versmachten,
+Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.
+
+PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was;
+Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.
+
+MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,
+De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.
+De grootvader van onzen jongen vorst,
+Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef
+Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins
+Was oudste zoon en wettig erfgenaam
+Van Koning Edward, van dien naam den derden.
+Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden
+De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,
+Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,
+Mij op den troon van England te verheffen.
+Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,
+Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was
+En hij geen enklen telg had nagelaten,—
+Ik door mijn stam en bloed de naaste was.
+Van moeders zij toch heb ik Lionel,
+Hertog van Clarence, derden zoon van Edward
+Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik
+Van hertog Jan van Gent was afgestamd,
+Die slechts de vierde was dier heldenrij.
+Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,
+Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,
+Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.
+Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik
+Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,
+Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd
+Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,
+Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,
+Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger
+Geworven in de hoop, mij te bevrijden,
+En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;
+Maar als die andren, viel deze eed’le graaf
+En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,
+Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.
+
+PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt.
+
+MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,
+Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.
+Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,
+Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.
+
+PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98
+Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader
+Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.
+
+MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;
+Het huis van Lancaster is hecht geworteld,
+En, evenals een berg, niet weg te schuiven.
+Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,
+Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven
+In éénen vasten zetel hen verdriet.
+
+PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd
+Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!
+
+MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,
+Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.
+Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;
+Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.
+En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!
+Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!
+
+ (Mortimer sterft.)
+
+PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!
+In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,
+En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—
+Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;
+Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—
+Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg
+Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—
+
+ (De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)
+
+Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,
+Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;
+En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,
+Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,
+Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;
+En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;
+’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,
+Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.
+
+ (Plantagenet af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Het parlementshuis.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en
+Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard
+Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de
+Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.
+
+WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels,
+Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,
+Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,
+En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,
+Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,
+Zooals ik voor de vuist en hier terstond
+Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.
+
+GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,
+Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.
+Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,
+Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—
+Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,
+Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;
+Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,
+Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,
+Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.
+Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17
+Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,
+Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is
+Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.
+En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?
+Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,
+Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?
+Ja, werden uw gedachten eens gezift,
+Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,
+De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.
+
+WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,
+Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.
+Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,
+Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?
+Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek
+Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?
+Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede
+Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?
+Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,
+Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;
+Niemand dan hij moet om den koning zijn;
+En dit verwekt dien donder in zijn borst,
+En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;
+Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—
+
+GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....?
+
+WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!
+Een man, die op eens andren troon wil heerschen!
+
+GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap?
+
+WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46
+
+GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet,
+En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.
+
+WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij!
+
+GLOSTER. En gij zijt waardig
+Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.
+
+WINCHESTER. Dit wreke Rome!
+
+WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome.
+
+SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.
+
+WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.
+
+SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,
+En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.
+
+WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;
+Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.
+
+SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.
+
+WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?
+Is zijn genade hier niet rijks-protector?
+
+PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,
+Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!
+„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”
+’k Had anders gaarne een twist met Winchester.
+
+KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester,
+Gestelde wakers over Englands welzijn,
+Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik
+In liefde en eendracht uwe harten saam.
+O welk een smading is ’t van onze kroon,
+Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.
+Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,
+Dat burgertwist een giftige adder is,
+Die de ingewanden van den staat doorknaagt.
+
+(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)
+
+Wat is dat voor geraas?
+
+WARWICK. Een oploop, wed ik,
+Boosaardig door des bisschops volk verwekt.
+
+(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)
+
+(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)
+
+MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik,
+Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!
+Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!
+Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,
+De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.
+Zij smijten, in partijen saamgerot,
+Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,
+Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.
+In elke straat zijn vensters ingesmeten:
+Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.
+
+(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende
+binnen, met bebloede koppen.)
+
+KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:
+Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87
+Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.
+
+EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken
+we onze tanden.
+
+TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,
+En staakt terstond dien ongehoorden strijd.
+
+EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade
+Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst
+Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;
+En nimmer dulden wij, dat zulk een prins
+En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,
+Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;
+Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,
+Met uw belagers, tot zij ons verslaan.
+
+DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels
+Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+GLOSTER. Stil, zeg ik, stil!
+En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,
+Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.
+
+KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—
+Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten
+En tranen zien, en wordt uw hart niet week?
+Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?
+Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,
+Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?
+
+WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,
+Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren
+Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.
+Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord
+Door uwe vijandschap reeds is verwekt;
+Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.
+
+WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.
+
+GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen;
+’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,
+Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.
+
+WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog
+Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,
+Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;
+Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?
+
+GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.
+
+KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127
+Dat boosheid groote, zware zonde was;
+En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,
+Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?
+
+WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—
+Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!
+Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?
+
+WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,
+En bied voor liefde liefde, hand voor hand.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—
+Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,
+Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap
+Voor ons en al de dienaars van ons huis.
+En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!
+
+WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!
+
+KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster,
+Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—
+Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;
+Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.
+
+EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op.
+
+TWEEDE DIENAAR. Ik ook.
+
+DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.
+
+ (De Mayor, de Dienaars, enz. af.)
+
+WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;
+Het vraagt aan uwe majesteit herstelling
+Der rechten van Richard Plantagenet.
+
+GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,
+Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,
+Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,
+Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds
+In Eltham bij uw majesteit deed gelden.
+
+KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht;
+Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,
+Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.
+
+WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;
+Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.
+
+WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester.
+
+KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem
+Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,
+Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,
+Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.
+
+PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,
+En onderdaan’gen dienst tot in den dood.
+
+KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169
+En ter belooning van uw huldiging,
+Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.
+Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.
+Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.
+
+PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,
+En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,
+Die aan uw majesteit met afgunst denkt.
+
+ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!
+
+SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!
+
+GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,
+Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.
+Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde
+Bij onderdanen en getrouwe vrienden,
+En rooft aan elk, die vijand is, den moed.
+
+KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;
+Want menig vijand zwicht door vriendenraad.
+
+GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)
+
+EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,
+Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!
+De pas ontglommen tweedracht dezer pairs
+Brandt onder de asch van valsche liefde voort
+En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;
+Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,
+Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,
+Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.
+Nu wekt die booze profetie mij vrees,
+Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,
+Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:
+„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,
+„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”
+Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,
+Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!
+
+ (Exeter af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Rouaan.
+
+De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met
+zakken op den rug.
+
+PUCELLE. Dit is de poort der veste, van Rouaan,
+Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.
+Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,
+En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,
+Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.
+Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen
+En vinden wij de trage wacht er zwak,
+Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,
+Opdat de prins dauphijn hen overvall’.
+
+EERSTE SOLDAAT. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren
+En make ons heer en meester van Rouaan.
+Komt! aangeklopt!
+
+WACHT (binnen). Qui est là?
+
+PUCELLE. Paysans, pauvres gens de France;
+Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.
+
+WACHT (de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16
+
+PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.
+
+(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)
+
+(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)
+
+KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!
+Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.
+
+BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;
+Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,
+Waar wij het best en veiligst binnendringen?
+
+ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;
+En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,
+Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.
+
+(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel
+omhoog.)
+
+PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,
+Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,
+Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.
+
+BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;
+Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.
+
+KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake,
+En als profeet van onzes vijands val!
+
+ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;
+Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”
+En slaat de wachters aan de poort ter neer.
+
+(Zij dringen de stad binnen.)
+
+(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)
+
+TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,
+Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.
+Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,
+Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,
+Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.
+
+(Zij trekken stedewaarts op.)
+
+(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford,
+die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de
+Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel,
+de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)
+
+PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41
+Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,
+Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.
+Het was vol dolik; staat de smaak u aan?
+
+BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!
+’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,
+En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.
+
+KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.
+
+BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!
+
+PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,
+En op den dood een rit doen in een stoel?
+
+TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,
+Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,
+Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,
+Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?
+Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,
+Of Talbot moge aan deze schande sterven.
+
+PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;
+Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—
+
+(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)
+
+God zegen ’t parlement! wie is de spreker?
+
+TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?
+
+PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg
+Tot toetsing, of het onze wel het onze is.
+
+TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks;
+Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;
+Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?
+
+ALENÇON. Neen, heer.
+
+TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!
+Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,
+En niet als ridders strijden in het veld.
+
+PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,
+Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—
+Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts
+Om u te zeggen, dat wij hier zijn.
+
+ (De Pucelle met de Anderen af.)
+
+TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang,
+Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!
+Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,
+Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,
+Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;
+En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,
+En hier zijn vader heeft gezegevierd,
+Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad
+Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,
+Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84
+
+BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.
+
+TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,
+Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!
+Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,
+Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.
+
+BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;
+’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,
+En deelgenoot zijn van uw wel of wee.
+
+BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden.
+
+BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,
+Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed
+Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.
+’k Verlevendig misschien den moed der strijders,
+Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.
+
+TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—
+Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—
+En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;
+Maar onze macht verzameld tot den aanval;
+Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!
+
+ (Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven
+ achter.)
+
+(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen
+op.)
+
+HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!
+
+FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;
+Wij worden zeker weer teruggeslagen.
+
+HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?
+
+FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.
+
+ (Sir John Fastolfe af.)
+
+HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.
+
+ (De Hopman af.)
+
+(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en
+Anderen, die vluchtende heengaan.)
+
+BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;
+Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.
+Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?
+Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,
+Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.
+
+ (Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)
+
+(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)
+
+TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115
+Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;
+Doch Gode zij de roem van deze zege!
+
+BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.
+Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden
+Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.
+
+TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?
+Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;
+Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?
+Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,
+Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.
+Laat thans ons alles reeg’len in de stad,
+Er kundige officieren achterlaten,
+Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,
+Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.
+
+BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.
+
+TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,
+Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.
+Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.
+Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,
+Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;
+Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;
+Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De vlakte bij Rouaan.
+
+Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met
+troepen.
+
+PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,
+’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;
+Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,
+Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.
+De dolle Talbot triumfeere een poos,
+En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,
+Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,
+Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.
+
+KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,
+En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;
+Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.
+
+BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,
+En heel de wereld melden wij uw roem.
+
+ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,
+U eerend als een heil’ge patrones;
+Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.
+
+PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:
+Door zachte toespraak en met honigwoorden
+Verlokken wij den hertog van Bourgondië,
+Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20
+
+KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan
+Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;
+Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,
+Maar ras gerooid uit onze landen zijn.
+
+ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,
+En leenden van geen graafschap hier den naam.
+
+PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,
+De zaak in de gewenschte haven breng.
+
+(Getrommel in de verte.)
+
+Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,
+Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.
+
+(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt
+voorbij.)
+
+Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—
+En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.
+
+(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne
+troepen.)
+
+Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!
+Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—
+Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.
+
+(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)
+
+KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!
+
+BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?
+
+PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.
+
+BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.
+
+KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.
+
+PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,
+Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.
+
+BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang.
+
+PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,
+En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield
+Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.
+Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,
+Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,
+Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie
+Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,
+Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.
+O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.
+Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;
+Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,
+Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55
+Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,
+En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.
+
+BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,
+Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.
+
+PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;
+Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.
+Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,
+Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.
+Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,
+U tot zijn werktuig makend van verderf,
+Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?
+U stoot men als een overlooper uit.
+Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:
+Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,
+En was hij niet in England krijgsgevangen?
+Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,
+Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,
+Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.
+Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;
+Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.
+Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!
+Als Karel, spreiden allen de armen open.
+
+BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal
+Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,
+En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—
+Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!
+En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;
+Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.
+Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.
+
+PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!
+
+KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.
+
+BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst.
+
+ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,
+En een gravinnekroontje er mee verdiend.
+
+KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,
+En dan getracht den vijand schâ te doen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.
+
+Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon,
+Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner
+officieren.
+
+TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs,
+Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,
+Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,
+Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;
+Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer
+Dan vijftig sterke sloten voor u won,
+Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,
+Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—
+Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;
+
+(Hij knielt neder.)
+
+En schrijft met onderdanig trouw gemoed,
+Den roem en de eere der bevochten zeges,
+Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.
+
+KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13
+Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?
+
+GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.
+
+KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!
+’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—
+’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,
+Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.
+Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,
+Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:
+Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,
+En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,
+Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.
+Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,
+Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;
+Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.
+
+ (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af,
+ behalve Vernon en Basset.)
+
+VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee
+Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,
+Die ik, Mylord van York ter eere, draag;
+Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?
+
+BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft
+Het nijdig keffen van uw drieste tong
+Tegen mijn heer, den hertog Somerset.
+
+VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.
+
+BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York.
+
+VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.
+
+(Hij geeft hem een slag.)
+
+BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,
+Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;
+Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.
+Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit
+En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;
+Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.
+
+VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan
+Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Parijs. Een troonzaal.
+
+Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop
+van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen
+treden op.
+
+GLOSTER. Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.
+
+WINCHESTER. Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!
+
+GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—
+
+(De Commandant knielt.)
+
+Dat gij geen andren koning kiest dan hem,
+Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,
+En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,
+Die zijn gezag met boozen raad belagen;
+Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!
+
+ (De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.)
+
+(Sir John Fastolfe komt op.)
+
+FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais
+Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,
+Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege
+Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.
+
+TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13
+’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,
+Dien knieband van uw hazebeen te rijten;
+
+(Hij rukt hem den kouseband af.)
+
+En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig
+Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—
+Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!
+Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,
+Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,
+De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—
+Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,
+Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!
+Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;
+Ikzelf, en menig edelman met mij,
+Wij werden overmand en krijgsgevangen.
+Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,
+Of zulke lafaards ooit der ridderschap
+Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?
+
+GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;
+Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,
+Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!
+
+TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren
+De ridders van den knieband hooggeboren,
+Vol dapperheid en deugd en fieren moed,
+Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;
+Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,
+En onverschrokken in den hoogsten nood. 38
+Die deze gaven niet bezit, hij matigt
+Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,
+En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;
+Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,
+Gelijk een in de heg geboren dorper,
+Die zich vermeet op edel bloed te pralen.
+
+KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.
+Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;
+Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.
+
+ (Fastolfe af.)
+
+En nu, mylord protector, lees den brief
+Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.
+
+GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?
+Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.
+Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?
+Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin
+Verand’ring in gezindheid bij hem aan?
+Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan
+Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren
+Van hen, waar uw geweld’narij op teert,
+Uw booze zaak verlaten; en ik sluit
+Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”
+O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,
+Dat in verbonden, vriendschap en geloften
+Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?
+
+KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?
+
+GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.
+
+KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?
+
+GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.
+
+KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,
+En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.
+Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?
+
+TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;
+’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.
+
+KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.
+Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,
+En dat het zonde is, vrienden te bespotten.
+
+TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76
+Dat gij welras uws vijands val moogt zien.
+
+ (Talbot af.)
+
+(Vernon en Basset komen op.)
+
+VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!
+
+BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!
+
+YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!
+
+SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!
+
+KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.
+Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?
+Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?
+
+VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.
+
+BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.
+
+KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft?
+Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.
+
+BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam,
+Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong
+Om deze roos beleedigd, die ik draag;
+Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren
+Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,
+Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd
+Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,
+Dien hij gehad had met den hertog York,
+Met verdre lage schimp- en lastertaal;
+Ter wederlegging van dit grof verwijt,
+En ter verdediging mijns eed’len meesters,
+Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.
+
+VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;
+Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,
+Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,
+Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,
+Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,
+En zeide, dat de bleekheid dezer bloem
+De lafheid van mijns meesters hart verried.
+
+YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?
+
+SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,
+Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.
+
+KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,
+Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden
+Zoo vinnige partijschap zich verheft!—
+Mijn waarde neven, Somerset en York,
+Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.
+
+YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116
+Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.
+
+SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,
+En zij daarom ook door onszelf beslecht.
+
+YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.
+
+VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.
+
+BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.
+
+GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!
+En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!
+Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,
+Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp
+Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?
+En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel
+Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,
+Laat staan een grond te delven uit hun taal
+Om onderling nu zelve twist te zoeken;
+Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.
+
+EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.
+
+KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:
+’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:
+Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—
+En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:
+In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!
+Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,
+En dat wij in onszelf oneenig zijn,
+Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan
+In koppige ongehoorzaamheid en oproer!
+En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,
+Als vreemden vorsten dit ter oore komt,
+Dat om een speelgoed, om een nietig ding,
+De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,
+Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!
+O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,
+Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,
+Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.
+Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.
+Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,
+
+(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.)
+
+Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,
+Dat Somerset mij liever is dan York;
+’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;
+Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,
+Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.
+Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,
+Dan ik u leeren of vermanen kan.
+Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,
+Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—
+Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt
+Door ons als uw regentschap u vertrouwd;
+En, waarde lord van Somerset, vereenig
+Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.
+Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen
+Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;
+Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168
+Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,
+Na korte rust, dra naar Calais terug,
+Van daar naar England, waar ik binnenkort
+Karel, Alençon en heel die bent verraders
+Door uw triomfen voor mij hoop te zien.
+
+ (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester,
+ Suffolk en Basset af.)
+
+WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,
+Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.
+
+YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,
+Dat hij de roos van Somerset nu draagt.
+
+WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;
+De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.
+
+YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;
+Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.
+
+ (York, Warwick en Vernon af.)
+
+EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;
+Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,
+Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld
+Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,
+Dan nu zich denken of vermoeden laat.
+Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,
+Die dezen nijd en twist des adels ziet,
+’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,
+En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,
+Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.
+’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;
+Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,
+Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.
+
+ (Exeter af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Bordeaux.
+
+Talbot komt op, met zijn troepen.
+
+TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,
+En roep den overste op tot een gesprek.
+
+(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche
+troepen en Anderen.)
+
+Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,
+De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;
+En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,
+En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,
+En huldigt hem als need’rige onderdanen;
+Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.
+Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,
+Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,
+’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,
+Die uwe torens, fier de wolken tartend,
+Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,
+Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.
+
+BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,
+’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!
+Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17
+Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;
+Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,
+En sterk genoeg tot uitval en gevecht.
+En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,
+Om met des oorlogs strikken u te omslingren;
+Aan beide uw zijden houden troepen wacht
+En muren u den uitweg toe ter vlucht;
+En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,
+Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt
+En u het bleek verderf niet tegentreedt.
+Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,
+Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot
+Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.
+Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man
+Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;
+Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,
+Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;
+Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,
+Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,
+Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,
+Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.
+
+(Trommen in de verte.)
+
+Hoor! hoort
+De trom van den dauphijn, een klok, die maant,
+Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;
+U zal de mijne een bang verscheiden galmen.
+
+ (De Bevelhebber met de zijnen af.)
+
+TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—
+Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—
+O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!
+Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,
+Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,
+Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;
+Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,
+Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;
+Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten
+Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,
+Zoodat het laf en blaffend verre blijft;
+Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,
+Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—
+God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht
+Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte in Gasconje.
+
+York komt op, met troepen; een Bode nadert hem.
+
+YORK. Zijn nog de vlugge ruiters niet terug,
+Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?
+
+BODE. Zij zijn terug, mylord, en geven op,
+Dat hij is aangetrokken op Bordeaux,
+Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen,
+Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker
+Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden,
+En verder met hem trokken naar Bordeaux.
+
+YORK. Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset,
+Die den beloofden bijstand zoo vertraagt:
+De ruiterij, voor dit beleg verzameld!
+De groote Talbot rekent op mijn hulp,
+En mij bedriegt een schurk, een laag verrader,
+Dat ik den eed’len held niet helpen kan.
+God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15
+Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!
+
+(Sir William Lucy komt op.)
+
+LUCY. O vorst en legerhoofd van Englands kracht,
+Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was,
+IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot,
+Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten,
+Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld.
+Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux!
+Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!
+
+YORK. O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel
+Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats!
+Dan wierd een dapper edelman gered,
+Door ’t off’ren van een lafaard en verrader.
+Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af;
+Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.
+
+LUCY. Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!
+
+YORK. Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord.
+Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered,
+Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.
+
+LUCY. O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig,
+En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden,
+Op reis naar zijn krijgshaften vader vond.
+In zeven jaar zag hem zijn vader niet;
+Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.
+
+YORK. Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten,
+Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten!
+Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot;
+Zulk wederzien in de ure van den dood!
+Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man,
+Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan.
+Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd,
+Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!
+
+ (York met zijn troepen af.)
+
+LUCY. Aldus, terwijl de gier der ijverzucht
+Zich in de borst van zulke grooten mest,
+Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim
+De winst des nauwlijks kouden overwinnaars,
+Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op.
+Uit loutre zucht tot tegenkanting geven
+Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!
+
+ (Lucy af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een andere vlakte in Gasconje.
+
+Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van
+Talbot.
+
+SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.
+Die onderneming werd door York en Talbot
+Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht
+Kan bij een uitval reeds de stad alleen
+Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed
+Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer
+Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.
+York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,
+Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.
+
+OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij
+’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.
+
+(Sir William Lucy komt op.)
+
+SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?
+
+LUCY. Waarheen, mylord?
+Van den verraden en verkochten Talbot,
+Die, eng door driesten tegenspoed omzet,
+Roept om den eed’len York en Somerset,
+Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.
+En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,
+Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,
+En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,
+Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer
+Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.
+Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,
+Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,
+Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,
+Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!
+Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard
+Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,
+En Talbot gaat door uwe schuld te grond.
+
+SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.
+
+LUCY. En York laakt even heftig uw genade;
+Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,
+Die juist voor dezen tocht verzameld was.
+
+SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;
+’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;
+’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.
+
+LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,
+Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.
+Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,
+Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.
+
+SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;
+Zes uren, en zij allen staan hem bij.
+
+LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood;
+Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;
+En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.
+
+SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!
+
+LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux.
+
+Talbot en zijn zoon John komen op.
+
+TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,
+Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,
+En Talbot’s naam in u herleven zou,
+Als dorre leden, sloopende ouderdom
+Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.
+Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—
+Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,
+Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.
+Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;
+Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt
+Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!
+
+JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?
+En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,
+Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,
+Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!
+De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?
+Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”
+
+TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.
+
+JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!
+
+TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.
+
+JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!
+Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;
+Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.
+Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,
+Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.
+U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,
+Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.
+’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;
+Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.
+Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,
+Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?
+Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,
+Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!
+
+TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?
+
+JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.
+
+TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.
+
+JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.
+
+TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond.
+
+JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39
+
+TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.
+
+JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?
+
+TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij.
+
+JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?
+Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.
+
+TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?
+Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.
+
+JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?
+Van u te wijken is mij niet vergund,
+Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.
+Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,
+En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.
+
+TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,
+Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.
+Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,
+En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Een Slagveld.
+
+Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door
+Talbot ontzet wordt.
+
+TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!
+Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;
+Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—
+Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf
+U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.
+
+JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;
+Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,
+Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,
+Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.
+
+TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,
+Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen
+Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm
+En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,
+Bourgondië, Alençon en Orleans
+In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.
+Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,
+U bij uw maagdestrijd weerstond, en u
+Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,
+En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras
+Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon
+Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;
+Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed
+Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed
+Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”
+Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,
+Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;
+Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?
+Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;
+Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!
+Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;
+De hulp van éénen man helpt niet in nood.
+Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven
+In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33
+Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,
+Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;
+Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt
+Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.
+In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,
+Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.
+Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;
+Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.
+
+JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,
+Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.
+Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,
+Een nietig leven voor een schat van eer,
+Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,
+Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,
+En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,
+Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!
+Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,
+Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.
+Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;
+Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.
+
+TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,
+Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;
+Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,
+Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het slagveld.
+
+Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar
+ondersteund.
+
+TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?
+O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—
+Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,
+Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—
+Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij
+Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,
+En, als een uitgevaste leeuw, volbracht
+Hij daden van geweld en reuzenkracht;
+Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong
+Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,
+Toen dreef hem blinde woede en razernij
+Des harten plotseling heen en ver van mij
+In ’s vijands dichten drom; de fiere moed
+Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;
+Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,
+Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.
+
+(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.)
+
+DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.
+
+TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18
+Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,
+In heerlijkheid vereenigd voor altijd,
+Twee Talbots zweven door de weeke lucht,
+Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—
+O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,
+Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!
+Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,
+Alsof hij Franschman en uw vijand is.—
+Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:
+„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—
+Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;
+Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.
+Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:
+Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.
+
+ (Hij sterft.)
+
+(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken
+achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard,
+de Pucelle, met troepen.)
+
+KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,
+Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.
+
+BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed
+Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!
+
+PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:
+„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;
+Maar, met een blik vol majesteit en hoon,
+Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon
+Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”
+Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij
+Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.
+
+BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.
+Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven
+Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.
+
+BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!
+Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!
+
+KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,
+Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!
+
+(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen
+Heraut.)
+
+LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,
+Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.
+
+KAREL. Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53
+
+LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;
+Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.
+Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,
+En wensch te zien, wie er gevallen zijn.
+
+KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel.
+Doch zeg mij, wien gij zoekt.
+
+LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld,
+De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,
+En, om zijn heldendaden, ook betiteld
+Graaf van Valence, Wexford, Waterford,
+Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,
+Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,
+Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,
+Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,
+Doorluchte ridder van Sint George’s orde,
+Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,
+Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,
+Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?
+
+PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!
+De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,
+Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.
+Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,
+Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.
+
+LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,
+De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?
+O, wierden mijner oogen ballen kogels,
+Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!
+Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!
+Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82
+Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,
+De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!
+Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,
+En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’.
+
+PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,
+Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.
+Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier
+Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.
+
+KAREL. Ga, neem de lijken mee.
+
+LUCY. Ik voer ze weg;
+Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,
+Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.
+
+KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.
+Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!
+Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Londen. Een zaal in het paleis.
+
+Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter.
+
+KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,
+Den keizer en den graaf van Armagnac?
+
+GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:
+Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,
+Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk
+Een christenvrede dra gesloten worde.
+
+KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade?
+
+GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg
+Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten
+En veil’ge rust te gronden aan weerszij.
+
+KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,
+Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,
+Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,
+Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.
+
+GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken
+En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt
+Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,
+Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,
+Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid
+Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat.
+
+KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!
+O, beter passen mij nog vlijt en boeken,
+Dan dartel minnekoozen met een bruid.
+Maar toch, roep de afgezanten voor en geef
+Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;
+Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts
+Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.
+
+(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van
+Winchester in kardinaalsgewaad.)
+
+EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd
+En met den kardinaalsrang nu bekleed?
+Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,
+Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:
+„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,
+Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”
+
+KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34
+Zijn grondig overwogen en getoetst.
+Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;
+En daarom namen wij alsnu ’t besluit,
+Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,
+Die onverwijld mylord van Winchester
+Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.
+
+GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer
+Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,
+Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,
+Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,
+Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.
+
+KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag
+Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—
+En nu, mylord protector, laat de heeren
+Naar Dover begeleiden tot aan boord;
+En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.
+
+ (Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten
+ af.)
+
+WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst
+De geldsom in ontvangst, die ik beloofde
+In dank te kwijten aan zijn heiligheid
+Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.
+
+LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.
+
+WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,
+Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.
+Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,
+Dat evenmin in rang als in geboorte
+De bisschop zich door u verduistren laat;
+Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,
+Of twist en omkeer zal dit land vernielen!
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Een vlakte in Anjou.
+
+Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch.
+
+KAREL. Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken:
+Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand,
+En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.
+
+ALENÇON. Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs!
+En dralen houde uw leger niet terug.
+
+PUCELLE. Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt,
+Of anders slechte de oorlog haar paleizen!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer,
+En alle heil bij al zijn medestanders!
+
+KAREL. Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10
+
+BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was
+In twee gedeelten, is geheel vereend
+En is van plan terstond u slag te leev’ren.
+
+KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;
+Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.
+
+BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;
+Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.
+
+PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.
+Gebied de zege, Karel, en ze is u,
+Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!
+
+KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Angers.
+
+Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op.
+
+PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—
+Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,
+En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,
+En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;
+
+(Donderslagen.)
+
+Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar
+Des noordpools groote koning over heerscht,
+Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!
+
+(Booze Geesten verschijnen.)
+
+Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg
+Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.
+En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas
+In machtige onderaardsche rijken, helpt mij
+Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!
+
+(De Geesten waren om en spreken niet.)
+
+O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.
+Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,
+Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,
+En dat u ’t handgeld zij van verder loon,
+Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.
+
+(De Geesten laten het hoofd hangen.)
+
+Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf
+Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.
+
+(Zij schudden het hoofd.)
+
+Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed
+Tot uw gewone hulp en steun bewegen,
+Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,
+Eer England op de Franschen triumfeer’!
+
+ (Zij verdwijnen.)
+
+Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,
+Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25
+En ’t nederleggen moet in Englands schoot.
+Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;
+De hel is mij te sterk om meê te worst’len;
+Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.
+
+ (De Pucelle af.)
+
+(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op;
+daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt
+gevangen genomen. De Franschen vluchten.)
+
+YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;
+Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,
+En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—
+Een schoone buit, de gunst des duivels waard!
+Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,
+En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.
+
+PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen.
+
+YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;
+Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.
+
+PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,
+En moge een hand des bloeds u beiden plotsling
+Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!
+
+YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!
+
+PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.
+
+YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.
+
+ (Beiden af.)
+
+(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand
+leidende.)
+
+SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.
+
+(Hij beschouwt haar.)
+
+O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,
+Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.
+Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,
+En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.
+Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.
+
+MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning,
+Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—
+
+SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.
+Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,
+Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;
+Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost
+En houdt dit met haar vleugels als gevangen.
+Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,
+Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.
+
+(Zij wendt zich af om heen te gaan.)
+
+O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;
+Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.
+Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,
+Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,
+Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64
+Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.
+Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.
+Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;
+Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?
+Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?
+Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;
+Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.
+
+MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,
+Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?
+Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,
+Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?
+
+MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;
+Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.
+
+MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;
+Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?
+
+MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.
+
+MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.
+
+MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?
+Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!
+
+MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,
+En deze rijken door een vreêverbond.
+Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:
+Al is haar vader Napels’ koning, hertog
+Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,
+En heel onze adel schimpt wis op dien echt.
+
+MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?
+
+SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;
+Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—
+(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.
+
+MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een
+ridder,
+En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102
+
+SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.
+
+MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;
+En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.
+
+SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—
+
+MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!
+
+SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?
+
+MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo.
+
+SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,
+Wanneer zij u tot koningin verheft?
+
+MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden,
+Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,
+Want vorsten moeten vrij zijn.
+
+SUFFOLK. O, dat zult gij,
+Als Englands machtig koning vrijheid heeft.
+
+MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?
+
+SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,
+Een gouden scepter u ter hand te stellen,
+Een rijke kroon te drukken op het hoofd,
+Wanneer gij gunstrijk mij—
+
+MARGARETHA. Wat?
+
+SUFFOLK. Hèm beminnen wilt.
+
+MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.
+
+SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig
+Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—
+En zelf geen deel te hebben in de keus.—
+Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?
+
+MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.
+
+SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—
+Prinses, wij willen voor uws vaders burg
+Hem dringend vragen om een mondgesprek.
+
+(Troepen komen nader.)
+
+(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.)
+
+SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.
+
+REIGNIER. Van wien?
+
+SUFFOLK. Van mij?
+
+REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden?
+Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,
+Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134
+
+SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;
+Sta toe, en sta het voor uw eere toe,
+Dat uwe dochter met mijn koning huwt.
+Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,
+En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,
+Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.
+
+REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt?
+
+SUFFOLK. De jonkvrouw weet,
+Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.
+
+REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,
+Om antwoord op uw aanzoek u te geven.
+
+ (Reignier af, van den muur.)
+
+SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af.
+
+(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.)
+
+REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;
+Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.
+
+SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,
+Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.
+Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?
+
+REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde
+Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,
+Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,
+Anjou en Maine in vrede mag bezitten,
+Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,
+Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.
+
+SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,
+En beide deze landen, ’k neem het op mij,
+Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.
+
+REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,
+Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,
+Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.
+
+SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,
+Naardien dit hand’len voor een koning is.
+(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening
+In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—
+(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws
+En draag er voor de huwlijksviering zorg.
+Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,
+Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.
+
+REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,
+Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.
+
+MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên
+Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174
+
+(Zij wil heengaan.)
+
+SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,
+Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?
+
+MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd,
+Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.
+
+SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!
+Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—
+Geen liefdepand voor zijne majesteit?
+
+MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,
+Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.
+
+SUFFOLK. En dit daarbij.
+
+(Hij kust haar.)
+
+MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning
+Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.
+
+ (Reignier en Margaretha af.)
+
+SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!
+Begeef u niet in zulk een labyrinth;
+Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!
+Win Hendrik door het roemen van dit wonder,
+Stel u haar weergalooze deugden voor,
+Die gaven der natuur, die kunst verduistren;
+Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,
+Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,
+Hem zijn bezinning door verbazing rooft.
+
+ (Suffolk af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Het legerkamp van den hertog van York in Anjou.
+
+York, Warwick en Anderen komen op.
+
+YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet.
+
+(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.)
+
+HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!
+Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,
+En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,
+Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?
+O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.
+
+PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!
+Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,
+Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.
+
+HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;
+Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,
+Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,
+En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.
+
+WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?
+
+YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15
+Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.
+
+HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!
+God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,
+En meen’gen traan heb ik om u geschreid:
+Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!
+
+PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,
+Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.
+
+HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,
+Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—
+Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—
+Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur
+Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,
+Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,
+In rattengif verkeerd om uwentwille!
+Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,
+Een uitgevaste wolf u opgevreten!
+Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?
+Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.
+
+ (De Herder af.)
+
+YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,
+Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.
+
+PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:
+Geenszins de dochter van een armen scheper,
+Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,
+Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:
+En aangeblazen door des hemels gunst,
+Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.
+Met booze geesten had ik nooit te doen;
+Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,
+Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,
+Met duizenden van ondeugden besmet,—
+Dewijl gij Gods genade, die aan andren
+Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,
+Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!
+Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,
+En van haar prille jeugd, een reine maagd,
+Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;
+Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed
+Om wrake schreien aan des hemels poorten.
+
+YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!
+
+WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,
+Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;
+Zet tonnen pek rondom den folterpaal,
+Opdat gij zoo de martling haar verkort.
+
+PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59
+Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,
+Die naar de wet een voorrecht u verleent.—
+Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;
+Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,
+Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.
+
+YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!
+
+WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan!
+Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?
+
+YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;
+Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.
+
+PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;
+’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.
+
+YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!
+Het sterft, al waar het duizend levens rijk.
+
+PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,
+En ook de hertog, dien ik noemde, niet;
+Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.
+
+WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!
+
+YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,
+Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.
+
+WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.
+
+YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—
+Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’
+Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.
+
+PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.
+Dat nimmermeer de lichte zon haar glans
+Doe stralen op het land, door u bewoond;
+Dat nacht en schaduwen des doods u steeds
+Omgeven, tot u onheil en vertwijfling
+Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!
+
+ (De Pucelle met de Wacht af.)
+
+YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,
+Vervloekte, vuige dienares der hel!
+
+(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal
+Beaufort, komt op met Gevolg.)
+
+KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet
+Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.
+Want weet, de staten van de christenheid,
+Om dezen woesten strijd vol mededoogen,
+Verlangen dringend, dat er tusschen ons
+En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;
+En reeds komt de dauphijn hier met gevolg
+Om over enkle punten te onderhandlen.
+
+YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102
+Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,
+Aanvoerders, edellieden en soldaten,
+Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf
+Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,
+Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?
+Verloren wij door trouwbreuk, door verraad
+En valschheid niet alreeds schier alle steden,
+Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—
+O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart
+’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!
+
+WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,
+Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,
+Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.
+
+(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en
+Anderen.)
+
+KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,
+In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,
+Zoo komen wij thans van uzelven hooren,
+Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,
+
+YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt
+Den hollen gang van mijn gevangen stem,
+Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.
+
+KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:
+Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis
+U koning Hendrik ingewilligd heeft,
+Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,
+Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,
+Moet gij vazallen worden van zijn kroon,
+En, Karel, op beding, dat gij bezweert
+Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,
+Zult gij, als vicekoning onder hem,
+Voortaan u in uw koningsrang verheugen.
+
+ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?
+Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,
+En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,
+Alleen het recht eens onderdaans behouden?
+Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.
+
+KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied
+Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,
+En word er als rechtmatig vorst geëerd;
+En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,
+Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,
+Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?
+Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer
+Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,
+De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.
+
+YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim
+Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;
+En nu het komen zal tot een verdrag,
+Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?
+Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,
+Nu als geschenk van onzen koning aan,
+Geen aanspraak er op makend als een recht,
+Of reken op een eindeloozen krijg. 154
+
+REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig
+Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;
+Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,
+Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.
+
+ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek,
+Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden
+En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks
+Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;
+Neem daarom deze wapenschorsing aan,
+Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.
+
+WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?
+
+KAREL. Het zij;
+Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons
+In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.
+
+YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:
+Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam
+Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,
+Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—
+
+(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.)
+
+En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,
+Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,
+Want heilig is de nu gesloten vreê.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter
+volgen.)
+
+KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring
+Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;
+Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,
+Verwekken mij der liefde drang in ’t hart
+En evenals de macht van woeste vlagen
+Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,
+Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,
+Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen
+Waar ik mij in haar min verheugen mag.
+
+SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht
+Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;
+Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—
+Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—
+Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,
+In staat, den stompsten geest nog te verrukken.
+En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,
+Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,
+Toch is zij met gelijken zieledeemoed
+Geheel bereid om u ten dienst te zijn,
+Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid
+U als gemaal te minnen, te vereeren. 21
+
+KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.
+Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:
+„Zij Margaretha Englands koningin!”
+
+GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.
+Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds
+Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,
+Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,
+En niet onze eer ontwijden door een blaam?
+
+SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;
+Of zoo als een, die toezeide op een steekspel
+Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,
+Omdat zijn tegenstander hem te min is.
+Eens armen graven dochter is te min;
+Haar op te geven is daarom geen oneer.
+
+GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij?
+Haar vader is niet beter dan een graaf,
+Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.
+
+SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning,
+Is vorst van Napels en Jeruzalem,
+En bovendien in Frankrijk zoo geacht,
+Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,
+De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.
+
+GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,
+Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.
+
+EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,
+Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.
+
+SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,
+Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,
+Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.
+Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;
+Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.
+O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,
+Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.
+Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,
+Om die door zaakwaarnemers af te doen;
+En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,
+Zij de genoote van zijn huwlijksbed.
+En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,
+Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,
+Om haar in onze meening uit te lezen.
+Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,
+Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?
+Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt
+En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65
+Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,
+Dan Margaretha, dochter van een koning?
+Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,
+Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;
+Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—
+Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—
+Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;
+Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,
+Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,
+Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden
+Als Margaretha zich verbindt in liefde.
+Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:
+Slechts Margaretha zij hier koningin.
+
+KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht,
+Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer
+Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd
+Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—
+Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:
+Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,
+Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,
+Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.
+Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;
+Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:
+Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee
+Naar England oversteke en zich laat kronen
+Als Hendriks trouwe gade en koningin.
+Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending
+Kunt gij een tiende heffen van ons volk.
+Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94
+Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—
+En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;
+Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,
+Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt
+Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.
+En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen
+Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.
+
+ (Koning Hendrik af.)
+
+GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.
+
+ (Gloster en Exeter af.)
+
+SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij
+Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;
+Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,
+Maar met een beter slot dan die Trojaan.—
+Beheersche Margaretha nu den koning;
+Ik echter haar, den koning en het rijk!
+
+ (Suffolk af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie
+deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden,
+welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York
+schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den
+grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van
+het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals
+gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de
+volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II,
+Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt.
+Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit,
+draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd
+des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning
+Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan
+laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan.
+
+Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K.
+Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is
+het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet
+alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even
+natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner
+voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch
+tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van
+Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van
+tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en
+Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de
+jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn
+Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in
+zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening
+zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover
+kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo
+spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen.
+
+Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare
+en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk
+zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van
+Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel
+getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar
+de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem
+herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel
+zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de
+andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het
+laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het
+eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde
+deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn
+later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun
+nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals
+te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter,
+of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn
+vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door
+Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier
+in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te
+leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden,
+omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry
+Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in
+den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn
+opgenomen.
+
+Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet,
+staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van
+Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te
+bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten
+tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de
+twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van
+Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen,
+het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen
+zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel
+de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze
+draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van
+het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van
+het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der
+gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze
+wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen
+worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van
+Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later
+plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon
+hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft
+Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan
+had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een
+krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den
+oorlog.
+
+Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening
+verdedigd, dat het eerste deel niet van Shakespeare is en dat met het
+tweede een zelfstandig werk begint. Deze meening moet hier met een
+woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in den folio van
+1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren
+nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht
+gegeven, en wel onder den titel: The first part of the contention
+betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, with the death of
+the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke of
+Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester,
+with the notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first
+claim unto the Crowne. London Printed by Thomas Creed, for Thomas
+Millington, and are to be sold at his shop under Saint Peters Church in
+Cornwall (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een
+octavo-boek, dat het derde deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder
+den titel: The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of
+the good King Henrie the Sixt, with the whole contention betweene the
+two Houses Lancaster and Yorke, as it was sundrie times acted by the
+Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. Printed at London
+by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe under
+Saint Peter’s Church in Cornwal (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken
+werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal beide in quarto,
+uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band
+uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had
+overgedragen, onder den titel: The Whole Contention Betweene the Two
+famous Houses, Lancaster and Yorke, With the tragicall Ends of the good
+Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the sixt. Divided
+into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William
+Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.—Hier wordt dus voor het
+eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering en
+vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer
+afzonderlijke uitgave nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want
+Delius heeft dien met al zijn fouten in zijn bekende
+Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en het
+derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe
+ongelooflijk de echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is
+de handeling dezelfde en de gang der samenspraken eveneens, maar soms
+is van een lange reden slechts een schets gegeven, verzen zijn vaak als
+proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken zijn
+weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de
+samenspraak, hier en daar vindt men geheele gedeelten, die met den
+tekst der folio-uitgave overeenkomen, maar midden daarin onzin of
+geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen geheel
+verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels,
+dus gedeelten, die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed
+weergegeven. Kortom de tekst bevat gedeelten, die geen ander dichter
+uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; andere, die ook de
+grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand van den
+tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het
+gehoor is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den
+schouwburg aan het werk zijn geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad
+het ging, op papier brachten en dat daarna de een of andere handlanger
+de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog treffende
+gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen
+zijn, maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de
+samenflanser de rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft
+gehad, maar de ellendige toestand van den tekst maakt zelfs dit niet
+waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van uitgeven was in dien
+tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig
+gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste
+deel van Hendrik VI niet meester worden of zag hij in de uitgave geen
+voordeel, zoodat nu het tweede en derde deel van K. Hendrik VI tot het
+eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen de huizen van
+Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en
+onaangenaamheden te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel
+wegbleef; trouwens iedereen wist toch wel, dat het dezelfde stukken
+waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook bij de eerste
+onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten. [1]
+
+Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als
+tooneelspeler behoorde, ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven
+werd, is onbekend; het is mogelijk, dat de vermelding van dit
+gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste deel, alleen
+op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook
+mogelijk, dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen
+moge, zeker is het, wanneer men den tekst van de door Millington
+uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde onrechtmatige wijze
+moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen
+schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later
+beter uitgewerkt is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat
+het ontbreken van een afzonderlijke uitgave van het Eerste Deel van K.
+Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, om laatstgenoemd stuk
+niet aan Sh. toe te kennen.
+
+Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten,
+dat de deelen volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere
+voorbereidt, dan vinden wij, dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen
+waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig jaren van Hendriks
+koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie
+stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen,
+dan vindt men in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een
+kind van negen maanden kon den dichter niet dienen,—komt in het eerste
+deel voor als knaap, in het tweede als man, in het derde als grijsaard,
+zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het is steeds
+dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve
+Shakespeare, dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van
+anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had
+kunnen schilderen en hem zulk een roerende goedheid en zooveel
+majesteit had kunnen verleenen, dan moet het antwoord ontkennend
+luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier stukken
+zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het
+eerste oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie
+deelen van Koning Hendrik VI en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk
+de schepping van één dichter.—En dat die dichter niemand anders dan
+Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één stemming in al
+deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid,
+die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen
+tegenover de Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven,
+waardoor hij al zijn voorgangers en tijdgenooten overtreft.
+
+Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog
+stond aangeschreven, is ons door een uiting van een gelijktijdig
+schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op dit stuk in een geschrift:
+„Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil”; hij verklaart het
+tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen
+der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de
+helden van weleer uit het graf der vergetelheid weer in het leven
+geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, „zou de dappere Talbot, de schrik der
+Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat hij, na tweehonderd jaren
+in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert en
+dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en
+verscheidene malen, van wel tienduizend toeschouwers, die in den
+treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, hem op nieuw meenen te
+zien bloeden!”
+
+Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt
+nog uit een ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook
+het derde deel van K. Hendrik VI reeds in 1592 gegeven werd en grooten
+bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan ellende ter prooi, de
+dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje „A
+Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance”, dat Henry
+Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens
+tooneelspelen de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren,
+zijn wrok gelucht over de nieuwere dichters, die, naar hij meende
+geheel onverdiend, door de tooneelspelers boven de oudere dichters
+werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name Marlowe,
+Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond
+spreken, den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort,
+„want daar is een kraai, een opkomeling, gesierd met onze vederen, die
+met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers huid gehuld” gelooft, dat
+hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, als de
+beste van u; en omdat hij een volkomen Johannes fac totum is, is hij in
+zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (Shake-scene) in den
+lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon
+brengenden weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere
+voortreffelijkheid nabootsen, en maak hen nimmer weer met uw bewonderde
+dichterlijke vonden bekend!”
+
+Dat met den naam Shake-scene (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is,
+spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart in vrouwenhuid gehuld!”
+roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de Hertog van
+York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is
+duidelijk geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man,
+niet zooals wij van geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford
+bezocht heeft, een man, die ons, erkende dichters, nabootst en met onze
+schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, in zijn
+eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij,
+evenals zij, met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen
+zijn werken tooide, was niet zoo geheel onjuist, en zijn „Koning
+Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de reden van het verwijt
+niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers in de
+schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van
+af, daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk
+maakte en in veler mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle,
+achtte zich weldra, waarschijnlijk op aandrang van Shakespeare of zijn
+vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen blaam verdiende, en hij
+gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, „Kind-harts
+dream” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet
+onderdrukt te hebben; „omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn
+gedrag als evenzoo beschaafd wellevend (civil) heb leeren kennen, als
+hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden
+eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel,
+die van zijn rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het
+schrijven, die zijn kunstvaardigheid bewijst”.
+
+Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten.
+
+Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis
+Plantagenet, en daarmede tevens het verschrikkelijkst tijdvak van
+Engelands geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor
+Engeland verloren ging.
+
+Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn
+broeder, de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog
+tegen den Dauphijn van Frankrijk, die zich na zijns vaders dood als
+Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel hij
+aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429
+Orleans ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale
+zaak en het optreden der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan.
+Wel werd nog in December 1431 de toen negenjarige Hendrik VI te Parijs
+plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend jaar begon de
+Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche
+koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen
+zijn oom, den kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder,
+den hertog van Bedford, tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op
+de krijgsverrichtingen der Engelschen in Frankrijk, en toen, na den
+dood van den hertog van Bedford, in September 1435, de hertog van
+Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende,
+gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot
+1447, eer de wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens
+door bemiddeling van Suffolk het huwelijk van koning Hendrik VI met
+Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, die
+onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn
+koningshuis nog deed toenemen.
+
+Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen
+tot aan ’s konings huwelijk. De dichter volgt over het geheel de
+kroniek van Hall of de daaruit grootendeels geputte kroniek van
+Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der
+gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt,
+wijkt hij van deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas
+negen maanden oud was, als aankomend jongeling optreden, en vat de
+oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die een dertigtal jaren
+duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van Orleans
+door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van
+Hendrik in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening
+van den koning van Frankrijk met den hertog van Bourgondië, de
+tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling van een
+wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van
+Anjou, eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van
+Talbot en zijn zoon. Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische
+volgorde in acht is genomen, kan men afleiden, in hoeverre Shakespeare
+van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming en den dood van de
+Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht,
+hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen;
+het gevecht van Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst
+hij voor het optreden der Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen
+aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij in de eerste jaren, hoewel
+hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde.
+Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen
+als het gevolg van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en
+partijzucht der Engelsche grooten, en van het optreden der Maagd van
+Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed der toeschouwers
+gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd
+van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan
+heldenmoed en dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn
+van hun inwendige verdeeldheid en van Fransche tooverkunsten. Schrijft
+men de laatste niet aan de inwerking des duivels, maar aan de opwekking
+toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen door de
+Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de
+hoofdzaak waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen
+veranderd, al heeft hij de rol, die de mededingers Gloster en kardinaal
+Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet juist teruggegeven en al
+was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer een
+welberaden en voorzichtig krijgsman.
+
+Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans
+zoo, en niet anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit
+Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, of zij had met helsche machten in
+verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands groote dichter het
+beeld der Maagd geteekend heeft [2], dat Fransche en Duitsche
+geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis van het
+Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit
+authentieke stukken hebben toegelicht en haar als een der verhevenste
+en reinste personen der wereldgeschiedenis hebben doen kennen [3]. Toch
+heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel
+verloochend; in het geheele stuk is het haar liefde voor land en
+koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar zij de helsche machten ter
+hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, is het
+alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen.
+
+Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan
+het einde van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke
+rol speelt, zij hier opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste
+en ijverigste aanhangers was van het huis Lancaster, en dat hij
+geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met de hem verstrekte
+instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk trof
+en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het
+oog van het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst
+der bij het volk gehate Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en
+Frankrijk meer en meer voor Engeland verloren ging, werd hij met den
+onverzoenlijken haat van het volk beladen.
+
+Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die
+van groot belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken
+en van K. Richard III, moge het raadplegen der in dit deel voorkomende
+geslachtslijst van het koninklijk huis aanbevolen worden.
+
+
+
+I. 1. De graaf van Warwick. Met den onder de optredende personen
+voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen Richard Beauchamp,
+graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de graaf
+van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard
+Nevil, die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van
+Warwick, Anna Beauchamp, zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer
+de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; misschien heeft hij beide
+personen voor één gehouden.
+
+I. 1. 1. Behangt den hemel zwart. De hemel was de kunstterm voor de
+zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart bekleed was.
+Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis
+door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand.
+
+I. 1. 65. Rheims door ons ontruimd. De Folio leest Roan, dat steeds bij
+Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan Rheimes (tweelettergrepig)
+moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de maat
+duidelijk.
+
+I. 1. 117. Geen pieken om te planten voor de schutters. Op deze wijze
+werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval
+der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking a pitched battle.
+
+I. 1. 131. Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Zoo luidt de
+naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder
+Falstaff van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien,
+evenals aan het publiek, de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn
+dan de ridder Fastolf.
+
+I. 1. 153. Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s
+feest met glans te vieren. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden
+zullen als vreugdevuren dienen zooals in Engeland op den vooravond van
+Engelands beschermheilige werden aangestoken.
+
+I. 2. 1. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog
+toe onbekend. Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De
+sterrekundigen waren nog niet bij machte geweest, den schijnbaren loop
+der planeet Mars aan den hemel behoorlijk te verklaren. Maar juist
+omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den grooten Kepler
+ontraadseld.
+
+I. 2. 29. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft. Sh. vond deze
+aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver
+(1337–1410), in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de
+bekende helden van Karel den Grooten.
+
+I. 2. 56. Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen. Negen Sibyllen waren
+er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, die
+aan Tarquinius te koop werden aan geboden.
+
+I. 2. 110. Eed’le Pucelle. Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog
+niet genoemd.
+
+I. 2. 131. Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen. Halcyonendagen waren bij
+de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op een storm
+volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op
+Sint Maarten, vergeleken.
+
+I. 2. 138. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar
+droeg en zijn geluk. Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden
+schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, want gij hebt Cæsar en zijn
+geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van Plutarchus door
+North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem
+aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk
+rijk is.
+
+I. 2. 140. Werd eens Mohammed door een duif bezield. Dit werd door Sh.
+zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin
+wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit
+het oor te pikken, zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den
+schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt kwam zoeken; waarna Mohammed
+den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif de Heilige
+Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn,
+van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen
+als heilige vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den
+heiligen Philippus maagden waren en profeteerden, staat in de
+Handelingen der Apostelen te lezen.
+
+I. 3. De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij. De
+blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke
+macht, terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan
+ook de Dienaars van den bisschop van Winchester optreden.
+
+I. 3. 35. Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen. De bisschop van
+Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, die
+tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles
+geld te slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord
+Winchestergans, reg. 53.
+
+I. 3. 39. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain. Volgens de
+overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus
+ligt, verslagen hebben.
+
+I. 3. 46. Op de plaats geen acht geslagen. In de city mocht geen wapen
+getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten der koninklijke
+sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen,
+zie reg. 84.
+
+I. 4. 1. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt. Het verhaal van
+dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed.
+
+I. 4. 95. Plantagenet. Talbot noemt Salisbury met den familienaam van
+het koninklijk geslacht, omdat hij een afstammeling was van koning
+Edward III en de schoone gravin van Salisbury.
+
+I. 5. 6. Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af. Als iemand aan
+een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem.
+
+I. 5. 21. Als Hannibal. Toespeling op Hannibals krijgslist, die den
+Romeinen ontkwam, door ossen met brandende struiken aan de horens naar
+hen toe te drijven.
+
+I. 6. 21. Een trotscher pyramide enz. In Plutarchus vindt men vermeld,
+dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis een pyramide stichtte,
+en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in een met
+juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als
+oorlogsbuit veroverd had.
+
+II. 1. 1. Hier, mannen, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt
+door Holinshed van de inneming der stad Mans verhaald.
+
+II. 2. 38. De deugdrijke gravinne van Auvergne enz. Van dit voorval met
+de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding gemaakt.
+
+II. 4. 3. Te luide spraken we in de Tempelzaal. De lords hadden in de
+Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, Lancaster en
+York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de
+kenteekenen der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze
+gekozen zouden zijn, die hier wordt aangegeven, vindt men nergens
+vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; dit is te
+meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend
+onderstelt.—De tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een
+geheiligde plaats, waar geen zwaard getrokken mocht worden; hierop
+doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats gesproken wordt.
+
+II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de
+vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht
+hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden
+den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen
+zin gebruikt.
+
+II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was
+inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op
+het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den
+ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en
+zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de
+aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II.
+
+II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat
+eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder
+ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als
+van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten
+waren.
+
+II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het
+parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht,
+dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem
+geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen.
+
+III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort,
+bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina
+Swijnford.
+
+III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een
+woordspeling: „Roam thither then.”
+
+III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI
+slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten
+tusschen Gloster en Winchester te beslechten.
+
+III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit
+teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt.
+
+III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t
+Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city.
+
+III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium
+temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten
+er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in
+lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar
+aanleiding hunner proeven bevestigd.
+
+III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit
+zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn
+broeder Aurelius.
+
+III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet
+mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te
+vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij
+dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond
+legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh.
+bekend was, weten wij niet.
+
+III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze
+bepaling gold voor de verblijfplaats des konings.
+
+IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens
+Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn
+orde hebben afgenomen.
+
+IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning
+wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit
+evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik
+een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid
+voor dezen vijand van Engeland bewijst.
+
+IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich
+met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende
+onderneming in het verderf stortte.
+
+IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels
+en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan,
+maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek
+te vinden.
+
+V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den
+kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij
+reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een
+anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend.
+
+V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote
+koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s
+Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in
+het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze
+geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning
+van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen
+Goap.
+
+V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn
+eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde.
+
+V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius
+voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het
+gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de
+interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van
+Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.”
+
+V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch
+noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan
+hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus
+(of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd
+aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien
+tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen
+Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging
+afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge
+literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter
+Chaucer.
+
+V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is
+in zijn keuze.
+
+V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli
+(1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een
+voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood
+van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van
+zichzelf.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom.
+ Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings.
+ Richard Plantagenet, Hertog van York.
+ Edward en Richard, zijn zonen.
+ De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord
+ Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings.
+ De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York.
+ Lord Scales, Commandant van den Tower.
+ Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William.
+ Sir John Stanley.—Vaux.
+ Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman,
+ Zeeroovers.
+ Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen.
+ John Hume en John Southwell, Priesters.
+ Bolingbroke, een Geestenbezweerder.
+ Een Geest, door Bolingbroke bezworen.
+ Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht.
+ Emanuël, de klerk van Chatham.
+ De Schout van Sint Albaan.
+ Simpcox, een Bedrieger.
+ Twee Moordenaars.
+ Jack Cade.
+ George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en
+ Michaël, aanhangers van Cade.
+ Alexander Iden, een Edelman uit Kent.
+
+ Margaretha, Koning Hendriks Gemalin.
+ Eleonore, Hertogin van Gloster.
+ Gretha Jordaan, een Heks.
+ De Vrouw van Simpcox.
+
+ Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen.
+ Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen.
+ Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.
+
+
+
+Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een staatsiezaal in het paleis.
+
+Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning
+Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal
+Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door
+Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen.
+
+SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit
+De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,
+Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid
+Te huwen met prinsesse Margaretha,
+Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn
+Der koningen van Frankrijk en Sicilië,
+Der hertogen van Orleans, Calabrië,
+Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re
+Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,
+Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;
+En leg nu onderdanig, op mijn knie,
+Ten overstaan van England en zijn pairs,
+Mijn recht op de eed’le koningin in handen
+Van uw genade, die het wezen zijt
+Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:
+De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,
+De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.
+
+KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!
+Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,
+Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,
+Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;
+Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,
+Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,
+Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade!
+Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,
+Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,
+In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,
+Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,
+Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten
+Met minder schoone taal, zooals mìjn geest
+Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.
+
+KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,
+Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos
+Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;
+Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—
+Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!
+
+ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd!
+
+(Trompetgeschal).
+
+KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank!
+
+SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt,
+Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,
+Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!
+Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42
+
+GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van
+Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant
+van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen
+zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van
+Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal
+kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het
+hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en
+overgegeven aan den koning haren vader,”—
+
+(Hij laat het papier vallen).
+
+KONING HENDRIK. Wat is er, oom?
+
+GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst,
+Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;
+Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.
+
+KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.
+
+KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het
+graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning
+haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den
+koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.”
+
+KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:
+Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,
+En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,
+We ontheffen uw genade van ’t regentschap
+Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden
+Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,
+York, Gloster, Buckingham en Somerset,
+En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,
+Wij danken u voor uwen heuschen groet
+Bij de aankomst van mijn waarde koningin.
+Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,
+Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.
+
+ (De Koning, de Koningin en Suffolk af.)
+
+GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,
+Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—
+Uw leed, het algemeene leed des lands!
+Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,
+Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;
+Had hij zoo vaak het open veld ter woon
+In winterkoude en dorre zomerhitte,
+Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;
+En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd
+Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;
+Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,
+Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,
+In Normandië en Frankrijk diepe wonden;
+En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,
+Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,
+Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,
+Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,
+Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;
+En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,
+In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;
+En moet die arbeid en die roem vergaan? 95
+Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,
+Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?
+O, pairs van England, smaadvol is die zoen,
+Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!
+Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt
+De letters weg van uwen lof, verminkt
+Elk monument van Frankrijks onderwerping,
+Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!
+
+KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,
+Die rede met zoo breede omslachtigheid?
+Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.
+
+GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,
+Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—
+Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—
+De leenen Maine en Anjou weggeschonken
+Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel
+Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.
+
+SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf,
+Die landen zijn de poort van Normandië.—
+Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?
+
+WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;
+Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,
+Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.
+Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;
+Met dezen mijnen arm nam ik die in;
+En steden, die ik voor ons won met wonden,
+Die geeft men nu terug met vredeswoorden?
+Mort Dieu!
+
+YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,
+Die de eere van dit heldeneiland schendt!
+Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,
+Dan ik in dezen zoen getreden waar’!
+Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten
+Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;
+En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,
+En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!
+
+GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk
+Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen
+Voor ’t halen en de kosten van den tocht!
+Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,
+Aleer—
+
+KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.
+Het was de wil van onzen heer en vorst.
+
+GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel;
+Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,
+’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141
+Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,
+’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,
+Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.
+Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,
+Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.
+
+ (Gloster af.)
+
+KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector.
+’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,
+Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,
+En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.
+Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte
+Het naaste recht bezit op Englands kroon;
+Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,
+En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,
+Voor Gloster bleef er reden om te morren.
+Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal
+Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!
+Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,
+En hem den goeden hertog Humfried noemt,
+En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:
+„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”
+En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”
+Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn
+Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.
+
+BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector,
+Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—
+Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,
+En allen samen, met den hertog Suffolk;
+Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.
+
+KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen;
+Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.
+
+ (De Kardinaal af.)
+
+SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons
+De trots en hooge rang van Humfried kwets’,
+Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.
+Zijn overmoed is minder nog te dragen,
+Dan die van al de prinsen van het rijk;
+Als Gloster valt, zal hij protector worden.
+
+BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,
+Trots hertog Humfried en den kardinaal.
+
+ (Buckingham en Somerset af.)
+
+SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.
+Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,
+Betaamt het òns voor Englands heil te waken.
+Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders
+Dan als een waardig edelman gedroeg. 184
+Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,
+Meer op soldatenwijs dan als een priester,
+Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,
+Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,
+Een heerscher over land en volk onwaardig.—
+Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,
+Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,
+Verwierf u groote gunst bij al het volk,
+’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,
+En uwe daden, broeder York, in Ierland,
+Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,
+Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,
+Toen gij regent voor onzen koning waart,
+Verwierven u des volks ontzag en liefde.—
+Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,
+En breid’len en verstikken wij den trots
+Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,
+Die Somerset en Buckingham bezielt;
+En laat ons Gloster steunen in zijn doen,
+Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.
+
+WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk
+Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.
+
+YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.
+
+SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t
+mijne!
+
+WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren;
+Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat
+Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde!
+Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,
+Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.
+
+ (Salisbury en Warwick af.)
+
+YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;
+Parijs ging over; Normandiës behoud
+Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.
+Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs
+Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne
+Twee hertogdommen voor een hertogskind.
+Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?
+Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.
+Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,
+Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,
+Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;
+Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren
+Er luid om weent, en bang de handen wringt,
+’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,
+Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,
+Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;
+Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,
+Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.
+Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,
+Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,
+Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout
+Voor ’t harte van den prins van Calydon.
+Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236
+Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,
+Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.
+Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;
+Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,
+En geef den trotschen Humfried goede woorden,
+En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;
+Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.
+Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,
+Of in de kindervuist den scepter klemmen,
+Of met den diadeem zijn hoofd versieren,
+Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.
+Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;
+Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,
+En sla des staats geheimen immer gâ,
+Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend
+Met Englands duurgekochte koningin,
+En Humfried met de pairs in strijd geraken;
+Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,
+Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,
+En laat York’s wapen stralen op mijn standaard
+Ter worstling met het huis van Lancaster;
+En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,
+Die England van zijn luister heeft beroofd!
+
+ (York af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster.
+
+Gloster en de Hertogin komen op.
+
+HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren
+Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?
+Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,
+Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?
+Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond
+En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?
+Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,
+Omzet met alle heerlijkheid der wereld?
+Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,
+Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.
+Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—
+Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;
+En hebben wij te zaam hem opgeraapt,
+Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,
+En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,
+Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.
+
+GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,
+Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!
+Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,
+Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,
+Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—
+Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.
+
+HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het
+Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.
+
+GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25
+Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,
+Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;
+En op de stukken werden toen de hoofden
+Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,
+En William de la Pole, nu hertog Suffolk,
+Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.
+
+HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs,
+Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,
+Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.
+Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;
+’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—
+En in den trotschen zetel, die ter kroning
+Van koningen en koninginnen dient;
+En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,
+En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.
+
+GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;
+Hoovaardig wezen! booze Eleonora!
+Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,
+En des protectors welbeminde gade?
+Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,
+Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?
+En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,
+Om uwen man, uzelf ook, van den top
+Der eer te stooten aan den voet der schande?
+Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!
+
+HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,
+En dat, omdat zij u haar droom vertelt?
+’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,
+En zal gekijf vermijden.
+
+GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,
+Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,
+Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.
+
+GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?
+
+HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.
+
+ (Gloster en de Bode af.)
+
+Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;
+Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.
+Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,
+Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,
+En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;
+En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol
+Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—
+Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;
+Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.
+
+(John Hume komt op.)
+
+HUME. Behoede Jezus uwe majesteit!
+
+HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.
+
+HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen
+Voorzeker uw genade in macht en eer. 73
+
+HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken
+Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,
+En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?
+Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?
+
+HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid
+Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,
+Die op de vragen, die uw hoogheid hem
+Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.
+
+HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.
+Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,
+Zij alles naar behooren uitgevoerd.
+Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed
+Met uwe helpers in dit groote werk.
+
+ (De Hertogin af.)
+
+HUME. Te goed doen met het goud der hertogin?
+Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?
+Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum!
+De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.
+Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,
+Dat ik de heks nog heden bij haar breng;
+Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.
+Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—
+Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,
+En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;
+Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,
+Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,
+Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,
+En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.
+Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;
+Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.
+Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,
+Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.
+Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind
+Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,
+En hare schuld doet hertog Humfried vallen.
+Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.
+
+ (Hume af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in het paleis.
+
+Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften.
+
+EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt
+hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften
+allen gezamenlijk aan.
+
+TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man;
+de Heere Jezus zegene hem!
+
+(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.)
+
+EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem.
+Ik wil de eerste zijn, ja!
+
+TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en
+niet de lord protector.
+
+SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?
+
+EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den
+lord protector.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften
+aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17
+
+EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John
+Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en
+landerijen en vrouw en alles onthoudt.
+
+SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij?
+(Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor
+zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij
+schurk?
+
+TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor
+onze geheele buurtschap.
+
+PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas
+Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van
+de kroon is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de
+wettige erfgenaam der kroon was?
+
+PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester
+zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was.
+
+SUFFOLK. Is daar iemand?
+
+(Een Dienaar komt op.)
+
+Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om
+zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van
+den koning.
+
+ (De Dienaar met Peter af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht
+Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift
+Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.
+
+(Zij verscheurt de smeekschriften.)
+
+Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.
+
+DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan!
+
+ (De Smeekelingen af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,
+Is dit de wijs van doen aan Englands hof?
+Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,
+Is dit de macht van Albions beheerschers?
+Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,
+Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?
+Moet ik in rang en titel koningin,
+Maar onderdane van een hertog zijn? 52
+Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours
+Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,
+En onzer Fransche vrouwen harten staalt,
+Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,
+In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,
+Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt
+Ave Maria’s met zijn rozenkrans,
+Apostels en profeten zijn zijn ridders,
+En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,
+Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden
+De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.
+Ik wenschte, dat de raad van kardinalen
+Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,
+Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;
+Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.
+
+SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,
+Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook
+In England u geheel tevredenstellen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester,
+Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,
+En Buckingham, en de altijd wreev’le York;
+En wie de minste van die allen is,
+Vermag in England meer dan zelfs de koning.
+
+SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag,
+Vermag in England minder dan de Nevils;
+Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,
+Als des protectors vrouw, die trotsche prij;
+Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,
+Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.
+Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;
+Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf
+En op onze armoe schimpt zij in haar hart.
+Zou ik het niet beleven mij te wreken?
+Die trotsche, laaggeboren helleveeg!
+Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?
+De sleep der minste van haar rokken was
+Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk
+Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.
+
+SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,
+En daar een koor lokvogels bij geplaatst,
+Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten
+En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:
+Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;
+Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96
+Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten
+Bij hem ons scharen en bij de andere lords,
+Totdat wij hertog Humfried vallen deden.
+Wat hertog York betreft, die laatste klacht
+Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.
+Zoo wieden wij hen allen, een voor een,
+En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.
+
+(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de
+Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham,
+Salisbury en Warwick.)
+
+KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;
+’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.
+
+YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,
+Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.
+
+SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,
+Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.
+
+WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet,
+Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.
+
+KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.
+
+WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.
+
+BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.
+
+WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.
+
+SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,
+Waarom in deze Somerset zou voorgaan.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.
+
+GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,
+Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft
+Gij dan protector van zijn majesteit?
+
+GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk,
+En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.
+
+SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.
+Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—
+Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;
+Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;
+En alle pairs en eed’len van het rijk
+Zijn slaven onder uw bewind geweest.
+
+KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid
+Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132
+
+SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen
+En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.
+
+BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid,
+Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;
+Dit levert wis u aan haar strengheid over.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden
+In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,
+Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.
+
+ (Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier
+ vallen.)
+
+Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?
+
+(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.)
+
+Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!
+
+HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;
+Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,
+Ik grifte er u mijn tien geboden in.
+
+KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.
+
+HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,
+Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;
+Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,
+Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.
+
+ (De Hertogin af.)
+
+BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,
+En sla ook Humfried gade, wat hij doet;
+Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor
+Om dol van woede in haar verderf te rennen.
+
+ (Buckingham af.)
+
+(Gloster komt weder op.)
+
+GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,
+Door hier het binnenhof eens rond te gaan,
+Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.
+Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,
+Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;
+Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,
+Als ik getrouw mijn land en koning min.
+Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—
+Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt
+Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.
+
+SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,
+Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,
+Hoe York het minst van allen er voor deugt.
+
+YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;
+Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;
+En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,
+Mylord van Somerset mij hier zou houden,
+Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,
+Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;
+Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs
+Berend werd, uitgehongerd en verloren.
+
+WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad
+Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177
+
+SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick!
+
+WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?
+
+(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.)
+
+SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;
+God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!
+
+YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad?
+
+KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?
+
+SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man
+Legt aan zijn meester hoogverraad te last.
+Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,
+Naar recht de kroon van England dragen moest,
+En dat uw heerschappij onwettig is.
+
+KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man?
+
+HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of
+zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van
+dien schurk.
+
+PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren,
+hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren,
+onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.
+
+YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd
+Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—
+Ik smeek uw koninklijke majesteit,
+Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.
+
+HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit
+gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een
+paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat
+hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor
+bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet
+in het verderf op de aanklacht van een booswicht.
+
+KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?
+
+GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:
+Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,
+Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;
+En dezen zij een dag en plaats bepaald,
+Dat zij zich meten in een tweegevecht,
+Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.
+Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.
+
+SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit.
+
+HORNER. En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216
+
+PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb
+medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk!
+O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te
+vechten. O, lieve God, mijn hart!
+
+GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.
+
+KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag
+Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—
+Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster.
+
+Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op.
+
+HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van
+uw beloften.
+
+BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade
+onze bezweringen zien en hooren?
+
+HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.
+
+BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van
+een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat
+gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij
+daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg
+gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En
+nu, aan den gang.
+
+(De Hertogin verschijnt op het balkon.)
+
+HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom!
+Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.
+
+BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.
+De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,
+De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,
+Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,
+En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,
+Die tijd past voor ons voorgenomen werk.
+Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,
+Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.
+
+(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den
+tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het
+dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.)
+
+GEEST. Adsum.
+
+MARGRIET JORDAAN. Asmath!
+Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht
+U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;
+Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.
+
+GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31
+
+BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot
+wacht hem?”
+
+GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;
+Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.
+
+(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.)
+
+BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”
+
+GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde.
+
+BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?”
+
+GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden;
+Veel veil’ger is hij op een zandig strand,
+Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.
+Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.
+
+BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.
+Weg, booze geest!
+
+ (Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.)
+
+(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met
+Wachten.)
+
+YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—
+Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—
+Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze
+Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;
+De lord protector brengt u zonder twijfel
+Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.
+
+HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.
+Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!
+
+BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij
+dit?
+
+(Hij houdt haar een papier voor.)
+
+YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden
+Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;
+Stafford, voer gij haar met u.—
+
+ (De Hertogin boven af.)
+
+Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;
+Weg met hen allen!
+
+ (De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.)
+
+YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;
+Een prachtig plan om verder op te bouwen!
+Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.
+Wat staat hier?
+(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;
+Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”
+Nu, ’t is volkomen:
+Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.
+Goed; verder;
+„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—
+Door water komt hij om en vindt zijn einde.—
+Wat zal den hertog Somerset weervaren?
+Kasteelen moog hij mijden;
+Veel veil’ger is hij op een zandig strand,
+Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”
+Wat zegt gij, lords?
+Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,
+En zwaar ook te verstaan.
+De koning is op weg naar Sint-Albaans,
+De man van deze teed’re vrouw is bij hem;
+Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,
+Den lord protector wel een boos ontbijt!
+
+BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York;
+Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.
+
+YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?
+
+(Een Dienaar komt op.)
+
+Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond
+De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Sint-Albaans.
+
+Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk
+komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen.
+
+KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,
+Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;
+En toch, de wind was sterk; tien tegen een,
+Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.
+
+KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar
+boven,
+En steeg ver boven al die andren op!
+Hoe toont zich God in al zijn creaturen!
+Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!
+
+SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,
+Dat des protectors valken zoo goed stijgen;
+Zij weten, dat hun heer liefst boven is,
+En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.
+
+GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest,
+Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.
+
+KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.
+
+GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,
+Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?
+
+KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!
+
+KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19
+Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;
+Gevaarlijke protector, booze pair,
+Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!
+
+GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?
+Tantæne animis cælestibus iræ?
+Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:
+Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?
+
+SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is
+Bij zulk een goede zaak en slechten pair.
+
+GLOSTER. Als wie, mylord?
+
+SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord,
+Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.
+
+GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster.
+
+KONING HENDRIK. Lieve vrouw,
+Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;
+Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.
+
+KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard
+Den vrede aan den protector brengen wil.
+
+GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens
+daartoe komen!
+
+KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft!
+
+GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;
+Houd met uw eigen lijf den laster vol!
+
+KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,
+Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.
+
+KONING HENDRIK. Wat is er, lords?
+
+KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar
+Riep al te vroeg den valk terug; de jacht
+Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw
+tweehands-zwaard.
+
+GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom.
+
+KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch.
+
+GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal.
+
+KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster?
+
+GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.
+(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;
+Of anders is mijn vechtkunst niets. 52
+
+KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum—
+Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!
+
+KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.
+Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!
+Als zulke snaren valsche tonen geven,
+Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?
+Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.
+
+(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”)
+
+GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit?
+Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?
+
+DE MAN. Mirakel! Mirakel!
+
+SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel.
+
+DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even
+In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,
+Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!
+
+KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen
+In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!
+
+(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een
+stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop
+volks.)
+
+KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,
+En stelt den man aan uwe hoogheid voor.
+
+KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde
+Door ’t zien de lokking van de zonde meer.
+
+GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;
+’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.
+
+KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,
+Opdat wij God om u verheerlijken.
+Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?
+
+SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.
+
+VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.
+
+SUFFOLK. Wie is die vrouw?
+
+VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.
+
+GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.
+
+KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan?
+
+SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.
+
+KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;
+Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;
+Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,
+Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88
+
+SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal
+En meer nog riep de goede Sint Albaan
+Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,
+En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”
+
+VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,
+Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.
+
+KARDINAAL. En zijt ge ook lam?
+
+SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij!
+
+SUFFOLK. Hoe werdt gij dat?
+
+SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen.
+
+VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom.
+
+GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind?
+
+SIMPCOX. O, blindgeboren.
+
+GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen?
+
+SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.
+
+VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.
+
+GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!
+
+SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,
+En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.
+
+GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—
+Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—
+Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.
+
+SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!
+
+GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?
+
+SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed.
+
+GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?
+
+SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.
+
+KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?
+
+SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.
+
+GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.
+
+VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.
+
+GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam?
+
+SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet.
+
+GLOSTER. En zijn naam?
+
+SIMPCOX. ’k Weet niet.
+
+GLOSTER. En ook de zijne niet?
+
+SIMPCOX. Neen, waarlijk niet.
+
+GLOSTER. Hoe is uw eigen naam? 124
+
+SIMPCOX. Sander Simpcox, als het u belieft, heer.
+
+GLOSTER. Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar
+In christenlanden. Werdt gij blind geboren,
+Dan kunt gij best al onze namen weten,
+Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt.
+Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden,
+Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.—
+Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder;
+Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot,
+Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?
+
+SIMPCOX. O, als de heer dit kon!
+
+GLOSTER. Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in
+uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt?
+
+MAYOR. O ja, mylord, om uwe genade te dienen.
+
+GLOSTER. Zend er dan dadelijk om een.
+
+MAYOR. Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.
+
+ (Een Dienaar gaat heen.)
+
+GLOSTER. Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank
+gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over
+deze zitbank en loop weg.
+
+SIMPCOX. Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan;
+Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.
+
+(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich
+heeft.)
+
+GLOSTER. Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te
+komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt.
+
+STOKKEKNECHT. Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.
+
+SIMPCOX. Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.
+
+ (Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over
+ de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep:
+ „Mirakel!”)
+
+KONING HENDRIK. God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag
+loopen.
+
+GLOSTER. Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.
+
+VROUW SIMPCOX. Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.
+
+GLOSTER. Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek;
+En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.
+
+ (De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.)
+
+KARDINAAL. Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.
+
+SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162
+
+GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,
+Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.
+
+(Buckingham komt op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?
+
+BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.
+Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,
+Heeft, met de hulp en medeplichtigheid
+Van des protectors gade Eleonore,
+De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,
+Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,
+Met heksen en bezweerders in verbond;
+Wij hebben hen op heeter daad betrapt,
+Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,
+Hun vroegen naar het leven en den dood
+Des konings en der leden van zijn raad,
+Zooals uw hoogheid nader hooren zal.
+
+KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade
+Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.
+(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,
+En aan uw uur zult gij u wel niet houden.
+
+GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.
+Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,
+En overweldigd wijk ik thans voor u,
+Ja, voor den laagsten knecht.
+
+KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen;
+Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;
+Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.
+
+GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd
+Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;
+Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,
+En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.
+O, edel is zij, maar indien zij deugd
+En eer vergat, en omging met gespuis,
+Dat, zooals pik, een edel huis besmet,
+Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;
+Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,
+Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.
+
+KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,
+En morgen keeren wij naar Londen weer,
+Doorgronden daar de zaak met alle zorg,
+En dagen de euveldaders ten verhoor,
+En wegen alles in de juiste schalen
+Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De tuin van den Hertog van York.
+
+York, Salisbury en Warwick komen op.
+
+YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,
+Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,
+Op deze stille wand’ling mij geruststel,
+En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel
+Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.
+
+SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.
+
+WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,
+Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.
+
+YORK. Zoo hoort:—
+Edward de derde, lords, had zeven zoons:
+Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;
+Ten tweede William Hatfield; Lionel,
+Hertog van Clarence, was de derde; dan
+Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;
+Dan verder Edmond Langley, hertog York;
+Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;
+William van Windsor was de laatste en zevende.
+Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,
+En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven
+Des derden Edwards zat op Englands troon,
+Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,
+De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,
+Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,
+Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,
+Zich meester maakte, de arme koningin
+Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,
+Alwaar, zooals u beiden is bekend.
+De goede Richard schandlijk werd vermoord.
+
+WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;
+Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.
+
+YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;
+Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,
+Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.
+
+SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.
+
+YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn
+Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,
+Philippa, die met Edmond Mortimer,
+Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu
+Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,
+Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.
+
+SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39
+De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—
+En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower
+Hem levenslang in hechtnis had gehouden;
+Doch ga nu voort.
+
+YORK. Zijn oudste zuster, Anna,
+Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde
+Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was
+Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.
+Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde
+Roger, den graaf van March, en die was zoon
+Van Edmond Mortimer en van Philippa,
+Die de een’ge dochter was van Lionel,
+Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn
+Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.
+
+WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?
+Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,
+Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.
+Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;
+Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,
+De schoone spruiten van den eed’len boom.
+Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!
+Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,
+Die onzen echten souverein begroeten,
+Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.
+
+BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer!
+
+YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,
+Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is
+Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;
+En dit is geenszins plotsling te volvoeren,
+Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.
+Doet zooals ik in dezen boozen tijd,
+Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,
+Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,
+En dat van Buckingham en heel hun bent,
+Tot zij den herder van de kudde omstrikken,
+Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.
+Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken
+Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.
+
+SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.
+
+WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick
+York’s hertog eens tot koning maken zal.
+
+YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,
+Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick
+De grootste man in England na den koning.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een Gerechtszaal.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York,
+Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster,
+Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht
+binnengeleid.
+
+KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.
+Voor God en ons is uwe misdaad groot;
+Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,
+Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—
+Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;
+En uit den kerker naar de plaats der straf:
+Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;
+U drieën wacht de wurging aan de galg.—
+Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte
+Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,
+Drie dagen openbare boete doen,
+Dan in uw eigen land verbannen leven,
+Bij Sir John Stanley op het eiland Man.
+
+HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.
+
+GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,
+Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.
+
+ (De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.)
+
+Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.
+Ach, deze schande van uw ouderdom
+Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—
+Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;
+Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.
+
+KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,
+Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen
+Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,
+Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!
+En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,
+Dan vroeger als protector van uw vorst.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning
+Beschermd behoeft te worden als een kind.—
+Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—
+Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.
+
+GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;
+’k Hergeef u even gaarne dezen staf,
+Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;
+’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,
+Als and’rer hand hem gretig vatten zou.
+Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,
+Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.
+
+ (Gloster af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39
+En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,
+Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:
+Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,
+En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand
+Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.
+
+SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;
+Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.
+
+YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,
+Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;
+En klager en beklaagde staan gereed,
+De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,
+Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts
+Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.
+
+KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;
+De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!
+
+YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,
+Zoo angstig om te vechten, als de klager,
+Die dienaar van den wapensmid, mylords.
+
+(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó
+toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een
+zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager.
+Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een
+stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.)
+
+EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En
+wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan.
+
+TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman.
+
+DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en
+wees niet bang voor dien gezel!
+
+HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een
+knip voor den neus voor Peter!
+
+EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.
+
+TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de
+eer op van de gezellen!
+
+PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag;
+want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan
+heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem,
+gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik
+heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den
+baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.
+
+SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij
+knaap, hoe heet gij?
+
+PETER. Peter, inderdaad.
+
+SALISBURY. Peter,—hoe nog meer?
+
+PETER. Stomp. 84
+
+SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.
+
+HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn
+knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk
+man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit
+kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op
+een slag, die neerkomt!
+
+SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel.
+Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’!
+
+(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.)
+
+HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.
+
+ (Horner sterft.)
+
+YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw
+meester in den weg kwam.
+
+PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O
+Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht.
+
+KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog;
+Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;
+En de algerechte God heeft ons onthuld
+De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,
+Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.
+Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een straat.
+
+Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad.
+
+GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;
+En zoo volgt op den zomer steeds de winter,
+Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len
+Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.
+Hoe laat is ’t, mannen?
+
+DIENAAR. Bijna tien, mylord.
+
+GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest
+Op ’t komen van mijn boetedoende gade;
+Hoe zal haar teedere en verwende voet
+Der straten scherpe keien ooit verduren?
+Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,
+Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart
+En bij uw schande lacht met boozen blik,
+Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,
+Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.
+Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,
+Bereid ik voor, om haar ellend te zien.
+
+(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met
+papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de
+hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.)
+
+DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17
+
+GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.
+
+HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?
+Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;
+Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,
+Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!
+Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween
+Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek
+Uw felle haters, beide de uwe en mijne.
+
+GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!
+
+HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!
+Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,
+En gij een vorst, protector van dit land,
+Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,
+Bekneld in smaad, behangen met papieren,
+Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen
+Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.
+Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;
+En krimp ik saam, dan lacht het booze volk
+En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.
+O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?
+Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,
+Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?
+Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,
+’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!
+Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,
+En hij een prins en een regent van ’t rijk;
+Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,
+Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,
+Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting
+Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”
+Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;
+En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd
+De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;
+Want Suffolk, hij, die alles is in alles
+Bij haar, die ù haat en ons allen haat,
+En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—
+Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;
+En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;
+Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,
+En kom vooral uw vijand nimmer voor.
+
+GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;
+’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;
+Al waren mijne haters twintigvoud,
+En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,
+Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,
+Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.
+Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64
+Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,
+Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.
+Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;
+Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak
+Van weinig dagen is weldra gedaan.
+
+(Een Heraut komt op.)
+
+HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat
+op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden.
+
+GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen!
+Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.
+
+ (De Heraut af.)
+
+Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,
+Beperk u bij haar boete tot het vonnis.
+
+SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;
+Aan Sir John Stanley is nu opgedragen
+Haar mee te nemen naar het eiland Man.
+
+GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?
+
+STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last.
+
+GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,
+Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht
+De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik
+Nog leven om het goede u te vergelden,
+Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.
+
+HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?
+
+GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.
+
+ (Gloster en zijn Dienaren af.)
+
+HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;
+Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—
+De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,
+Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—
+Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;
+Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;
+Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.
+
+STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94
+Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.
+
+HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;
+Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?
+
+STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade;
+Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.
+
+HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,
+Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.
+
+SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.
+
+HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—
+Kom, Stanley, gaan wij?
+
+STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;
+En gaan we u hullen in een reisgewaad.
+
+HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;
+Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,
+En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.
+Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+De abdij te Sint Edmund’s Bury.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha,
+Kardinaal Beaufort, Suffolk, York,
+Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting.
+
+KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,
+Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—
+Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,
+Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?
+Met welk een majesteit hij zich gedraagt,
+Hoe overmoedig hij geworden is,
+Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?
+Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;
+En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,
+Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed
+Was de bewondring van geheel het hof.
+Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,
+Als toch een ieder goeden morgen wenscht,
+Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,
+En gaat met ongebogen knie voorbij,
+De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.
+Wie let er op, als kleine hondjes keffen?
+Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;
+En Humfried is in England geen klein man.
+Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,
+En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.
+Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—
+Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,
+En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—
+Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon
+Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.
+Door vleien won hij der gemeenten gunst,
+En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—
+Dit is te duchten,—allen hem gedwee.
+’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;
+Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof
+En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33
+Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij
+’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.
+Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;
+En moet die vrees voor beter gronden wijken,
+Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”
+Mylords van Suffolk, Buckingham en York,
+Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;
+Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.
+
+SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;
+En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,
+’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.
+De hertogin begon, zoo waar ik leef,
+Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;
+En was hij niet in deze schuld betrokken,
+Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—
+Als die de naaste staat aan Englands troon,
+En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,
+In ’t brein geschokte hertogin wis aan,
+Om boos naar onzes vorsten val te streven.
+Glad stroomt het water van een diepe beek,
+Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.
+Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?
+Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,
+Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.
+
+KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde
+Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?
+
+YORK. En hief hij niet, toen hij protector was,
+In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds
+Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,
+Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?
+
+BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre
+Verborgen feilen van dien gladden hertog,
+Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.
+
+KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen
+Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;
+Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?
+Van onzen oom van Gloster is het denken
+Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,
+Als van een zuigend lam of zachte duif.
+De hertog is te zacht en welgezind,
+Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!
+Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,
+Want als een booze raaf is hij gezind.
+Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;
+Als van een fellen wolf is zijn gemoed;
+Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?
+Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn
+Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.
+
+(Somerset komt op).
+
+SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!
+
+KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?
+
+SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied
+U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85
+
+KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!
+
+YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op
+Frankrijk,
+Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.
+Zoo sterven mijne bloesems in den knop,
+En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;
+Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders
+Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.
+
+(Gloster komt op.)
+
+GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil!
+Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.
+
+SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,
+Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.
+Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.
+
+GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken
+Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;
+Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.
+Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,
+Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.
+Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?
+
+YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,
+En gij ons leger zijn soldij onthieldt,
+Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.
+
+GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?
+’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,
+Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.
+Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,
+Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!
+Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,
+Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,
+Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!
+Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,
+Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,
+Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,
+En nooit verlangde ik iets terugbetaald.
+
+KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.
+
+GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!
+
+YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector
+Vreemde, ongehoorde martelingen uit,
+En England werd berucht door zulk een wreedheid.
+
+GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur
+Mijn een’ge feil te groote deernis was,
+Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,
+En liet hem vrij voor woorden van berouw.
+Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,
+Die arme reizigers had uitgeschud, 129
+Dan legde ik nooit de volle straf hem op.
+Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,
+Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.
+
+SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,
+Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,
+Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.
+In naam des konings neem ik u in hechtnis;
+Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,
+Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.
+
+KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,
+Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;
+Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.
+
+GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.
+Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,
+Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;
+Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,
+En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.
+Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;
+En kon mijn dood dit land gelukkig maken,
+Waar’ die het einde van hun dwinglandij,
+Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;
+Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;
+Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,
+Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.
+Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,
+Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;
+De scherpe Buckingham geeft met zijn tong
+Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;
+De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt
+En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,
+Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;
+En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren
+Mij zonder reden oneer op het hoofd,
+En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,
+Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.
+Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—
+Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—
+Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.
+Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;
+Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;
+Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,
+Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.
+
+KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!
+Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden
+Voor des verraads verborgen, moordziek mes,
+Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,
+En de euveldader vrijheid heeft van spreken,
+Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.
+
+SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet
+Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,
+Als had zij mannen omgekocht tot meineed,
+Om hem door valsch getuignis te doen vallen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.
+
+GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;
+Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!
+En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.
+
+BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.
+Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187
+
+KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.
+
+GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,
+Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—
+Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,
+En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!
+O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!
+’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!
+
+ (Gloster door eenige Dienaren weggeleid.)
+
+KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid
+Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten?
+
+KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;
+Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;
+Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;
+Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—
+Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat
+De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;
+En, goede Humfried, de ure moet nog komen,
+Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.
+Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,
+Dat deze groote lords en onze gade
+’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?
+Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,
+En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,
+En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,
+En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,
+Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;
+En evenals de moeder loeiend rondloopt,
+En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,
+En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,
+Bejammer ik des goeden Gloster’s val
+Met tranen, die niet helpen, blik hem na
+Met dofgekreten oog en kan niets doen,
+Want zijn gezworen haters zijn te machtig.
+’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef
+Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:
+„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”
+
+ (Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin
+ Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de
+ laatste blijft afzonderlijk staan.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,
+Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,
+Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn
+Misleidt hem, evenals de krokodil 226
+Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,
+Of als de slang, verscholen onder bloemen,
+Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,
+Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.
+Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—
+En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—
+Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,
+En wij van alle vrees voor hem bevrijd.
+
+KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,
+Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;
+Hij sterve naar den eisch van recht en wet.
+
+SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;
+Wis zal de koning trachten hem te redden,
+En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;
+En beet’re gronden kunnen wij niet geven,
+Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.
+
+YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.
+
+SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.
+
+YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—
+(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,
+Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,
+Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen
+Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,
+En Humfried, om den koning te beschermen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.
+
+SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,
+Den vos als kuddewachter aan te stellen?
+Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,
+Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,
+Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?
+Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,
+Bewezen vijand van natuur der kudde,
+Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,
+Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.
+En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;
+Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,
+In slaap of wakend, alles is hetzelfde,
+Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,
+Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!
+
+SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;
+Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;
+Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—
+Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,
+En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—
+Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272
+
+KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,
+Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.
+Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,
+En ik bezorg u, die de daad volvoert;
+Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.
+
+SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik.
+
+YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten,
+Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings
+U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,
+En de Engelschen verdelgen met het zwaard.
+Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,
+Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;
+Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.
+
+KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.
+Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?
+
+YORK. Dat Somerset er heenga als regent.
+Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;
+’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.
+
+SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,
+In mijne plaats regent er was geweest,
+Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.
+
+YORK. Niet tot het land verloren was, als gij;
+’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,
+Dan zulk een last van schande thuis gebracht,
+Door tot het land verloren was te blijven.
+Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;
+Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,
+Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—
+Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—
+Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht
+Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.
+
+YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!
+
+SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht.
+
+KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.
+De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand
+En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;
+Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,
+Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,
+En tegen de Ieren uw geluk beproeven?
+
+YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.
+
+SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,
+En wat wij hier bepalen vindt hij goed;
+Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318
+
+YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;
+Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.
+
+SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.
+Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.
+
+KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,
+Dat hij ons verder nimmer lastig zij;
+En nu van hier, de dag is schier voorbij;—
+Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.
+
+YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers
+Te Bristol binnen veertien dagen tijds;
+Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.
+
+SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.
+
+ (Allen af, behalve York.)
+
+YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,
+En worde uw weiflen vastbeslotenheid;
+Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,
+Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.
+Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,
+Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.
+Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,
+Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.
+Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,
+Spant rustloos voor mijn haters net op net.
+Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,
+Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.
+Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,
+Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.
+Manschappen miste ik en die geeft gij mij;
+Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man
+Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.
+Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik
+Een zwarten storm in England op; die blaast
+Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;
+En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,
+Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,
+Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,
+De woede stilt der dol verwekte vlaag.
+En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik
+Een stuggen Kentschen dolkop overreed,
+John Cade uit Ashford,
+Oproer te maken, wat hij goed verstaat,
+En voor John Mortimer zich uit te geven.
+Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens
+Zich weren tegen heel een bende Kernen;
+Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen
+Geleken op een toornig stekelvarken; 363
+En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem
+Een hoogen sprong doen als een moorendanser,
+Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.
+Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern
+Vermomd, gesprekken met den vijand aan,
+Kwam onontdekt tot mij terug en gaf
+Mij dan berichten van hun schurkerijen.
+Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;
+Want op den pas gestorven Mortimer
+Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;
+’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,
+En de aanspraak op den troon, van York behaagt.
+En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,
+Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,
+Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.
+O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,
+Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,
+En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;
+Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,
+En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.
+
+ (York af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis.
+
+Eenige Moordenaars komen haastig op.
+
+EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,
+Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?
+Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord.
+
+(Suffolk komt op.)
+
+SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood.
+
+SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;
+Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.
+De koning komt daar aan met al zijn pairs.
+Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles
+Geheel in orde naar mijn last?
+
+EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord.
+
+SUFFOLK. Nu goed; van hier!
+
+ (De Moordenaars af.)
+
+(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal
+Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.)
+
+KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;
+Wij willen heden zijn genade hooren,
+Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.
+
+SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.
+
+ (Suffolk af.)
+
+KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,
+Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,
+Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis
+Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22
+En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!
+Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!
+
+KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.
+
+(Suffolk komt weder op.)
+
+Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?
+Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!
+
+SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God!
+
+KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,
+Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.
+
+(De Koning valt in onmacht.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is
+’t?—Helpt, lords, de koning sterft!
+
+SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O
+Hendrik, sla toch de oogen op!
+
+SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!
+
+KONING HENDRIK. O eeuw’ge God!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal?
+
+SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!
+
+KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?
+Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,
+Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,
+En waant hij, dat het tjilpen van een musch,
+Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,
+Den eerst vernomen klank verjagen kan?
+Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;
+Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;
+’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!
+Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!
+In booze majesteit zit op uw oogen
+Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;
+Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.
+Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;
+En dood den man, die u onschuldig aanstaart;
+In schaduwen des doods slechts vind ik heil,
+In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?
+Ofschoon de hertog hem vijandig was,
+Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.
+Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,
+Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken
+En bloedverterend zuchten hem kon wekken,
+Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62
+Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,
+Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.
+Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?
+Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;
+Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;
+Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden
+En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!
+Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!
+Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!
+
+KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.
+Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?
+Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!
+Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?
+Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!
+Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?
+O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;
+Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:
+Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.
+Was ik daarom op zee bijna vergaan?
+Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,
+Van Englands kust terug naar ’t vaderland?
+Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,
+Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!
+En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”
+Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,
+En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,
+En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,
+Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”
+Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,
+En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.
+Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig
+Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,
+Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken
+In tranen, zilter dan het nat der zee;
+De scherpe klippen doken in het zand
+Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,
+Opdat uw steen en hart, dat harder is,
+Uw Margaretha doodde in uw paleis.
+Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,
+Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,
+Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;
+En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,
+Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,
+Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107
+Het was een hart, gevat in diamanten,—
+En wierp het naar uw land. De zee ontving het;
+En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;
+Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;
+’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde
+Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl
+De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.
+Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,
+Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—
+Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,
+Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,
+Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik
+Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?
+Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,
+Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.
+
+(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het
+volk dringen door de deur naar voren.)
+
+WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst,
+Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad
+Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.
+’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,
+Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft
+En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.
+Ik bracht hun felle muiterij tot staan,
+Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.
+
+KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;
+Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.
+Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;
+Verklaar uzelf de reden van zijn dood.
+
+WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,
+Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.
+
+ (Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de
+ deur.)
+
+KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!
+Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,
+Dat Humfried door geweld het leven liet.
+Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!
+Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.
+Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen
+Met twintigduizend kussen en besproeide ik
+’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,
+Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,
+En drukte met mijn hand zijn doode hand!
+Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;
+En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,
+Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?
+
+(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet
+Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.)
+
+WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.
+
+KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;
+Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;
+Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.
+
+WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153
+Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen
+Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,
+Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft
+Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.
+
+SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!
+Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?
+
+WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!
+’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,
+Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,
+Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,
+Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,
+’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;
+Doch met het hart wordt dit daar koud en keert
+Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.
+Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,
+Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,
+Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;
+Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,
+Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,
+Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.
+En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;
+Zijn netgehouden baard is ruig, verward,
+Als koren, dat een storm ter neder sloeg.
+Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;
+Het minste dezer teekens waar’ bewijs.
+
+SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?
+Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,
+En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.
+
+WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,
+En saam bewaaktet gij den goeden hertog;
+Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,
+En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords
+Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.
+
+WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,
+En dicht daarbij den slachter met de bijl,
+En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?
+Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs
+En zal niet raden, hoe de vogel stierf,
+Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?
+Niet minder is dit treurspel hier verdacht.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?
+Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?
+
+SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197
+Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,
+Dat ik wil schuren in diens giftig hart,
+Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.
+Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,
+Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.
+
+ (De Kardinaal, Somerset en Anderen af.)
+
+WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet
+boeien,
+Geen afstand doen van drieste lastertaal;
+Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.
+
+WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—
+Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,
+Brengt smaad op uwen koninklijken naam.
+
+SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden,
+Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,
+Dan nam uw moeder in haar zondig bed
+Een kinkel op, en werd op eed’len boom
+Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.
+Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!
+
+WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,
+En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,
+Tienduizendvoudige oneer u besparend,
+En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,
+Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,
+Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,
+Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet
+En gij in bastaardij geboren zijt;
+En na die afgedwongen hulde gave ik
+U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,
+Bloedzuiger en belager in den slaap!
+
+SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,
+Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!
+
+WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.
+Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,
+Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.
+
+ (Suffolk en Warwick af.)
+
+KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?
+Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,
+En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,
+Wien ongerechtigheid het hart verpest.
+
+(Gedruisch buiten.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch?
+
+(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden
+Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?
+Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?
+
+SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury,
+’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241
+
+(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.)
+
+SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning
+zeggen.—
+(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,
+Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,
+Of buiten Englands schoon gebied verbannen,
+Dan wordt hij met geweld van hier gerukt
+En sterft een langen, zwaren marteldood.
+Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,
+Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;
+En ’t is de drang van liefde en echte trouw,
+Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,
+Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,
+Die hen doet dringen op zijn ballingschap.
+Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,
+Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en
+Bevolen had, dat niemand u zou storen,
+Op straf van ongenade, op straf des doods,
+Het toch, ondanks dat streng gebod, indien
+Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,
+Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,
+Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,
+Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,
+Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;
+En daarom roepen zij, trots uw verbod,
+Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden
+Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,
+Door wiens venijnige’, onheilvollen steek
+Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,
+Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.
+
+HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!
+
+SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,
+Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;
+Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,
+Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;
+Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,
+Is, dat hij afgezant was van een bende
+Van ketellappers aan zijn heer en koning.
+
+HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen
+binnen!
+
+KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,
+Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;
+En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,
+Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;
+Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest
+Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;
+En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,
+Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:
+Niet langer dan drie dagen zal zijn adem
+De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288
+
+ (Salisbury af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!
+
+KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!
+Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,
+Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.
+Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;
+Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—
+Indien gij na drie dagen wordt gevonden
+Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,
+Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—
+Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;
+’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.
+
+ (Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet!
+U mogen harteleed en bitt’re droefheid
+Speelnooten zijn en u gezelschap houden!
+Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;
+En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!
+
+SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin,
+En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!
+Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?
+
+SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?
+Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,
+Dan vond ik bitterbooze woorden uit,
+Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,
+En stiet ze door de opeengeklemde tanden
+Met zooveel blijk van ingevreten haat,
+Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.
+Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,
+Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,
+Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,
+Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.
+En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,
+Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!
+Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!
+Hun liefste schaduw een cypressenwoud!
+Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!
+Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!
+Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,
+Door uilen-onheilskreten begeleid!
+Al de eis’lijkheden van de diepste hel—
+
+KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,
+Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel
+Of als een overladen donderbus, terug,
+En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.
+
+SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?
+O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,
+Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,
+Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,
+Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,
+En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339
+Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;
+En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek
+Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—
+O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,
+Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,
+Door welke ik duizend zuchten om u slaak.
+Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;
+’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,
+Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,
+’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—
+Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;
+Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.
+Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—
+O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood
+Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,
+En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,
+Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!
+En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!
+
+SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,
+Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.
+Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;
+Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,
+Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;
+Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,
+Met elken lust, met elk genot der wereld;
+En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.
+Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;
+Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.
+
+(Vaux komt op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?
+
+VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,
+Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;
+Hem greep een zware ziekte plotsling aan,
+Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,
+God lastrend en de menschenkindren vloekend.
+Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest
+Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,
+En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,
+Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;
+En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,
+Dat hij daar juist geweldig om hem roept.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning.
+
+ (Vaux af.)
+
+Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!
+Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,
+Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?
+En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383
+In tranen even rijk als zuiderwolken,
+Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?
+Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;
+En vond hij u bij mij, gij waart des doods.
+
+SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;
+En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders
+Dan als een zoete slaap in uwen schoot?
+Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,
+Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,
+Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;
+Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,
+U roepend, om mij de oogen toe te drukken
+En met uw lippen mij den mond te sluiten,
+Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug
+Of in uw boezem ademde ik haar uit,
+Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.
+Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,
+Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;
+O, laat mij blijven, kome wat er wil!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,
+Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.
+Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;
+Want waar gij op het wereldrond ook zijt,
+Ik zal een Iris hebben, die u vindt.
+
+SUFFOLK. Ik ga.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u.
+
+SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,
+Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.
+Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;
+Naar dezen kant wacht mij de dood.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hier mij.
+
+ (Beiden af, naar verschillenden kant.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort.
+
+Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal
+Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.
+
+KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;
+Genoeg om zulk een eiland u te koopen,
+Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.
+
+KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven,
+Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!
+
+WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.
+
+KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.
+Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?
+Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10
+O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—
+Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;
+Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—
+Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—
+Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn
+Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—
+Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,
+Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.
+
+KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,
+Zie met genadig oog op dezen worm!
+O, drijf den rustloos driesten duivel weg,
+Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!
+Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!
+
+WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!
+
+SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.
+
+KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.
+Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,
+Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—
+Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!
+
+WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.
+
+KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—
+Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;
+En keeren we allen tot onszelven in.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Kent. Het zeestrand bij Dover.
+
+Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een
+Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen;
+met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen.
+
+KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,
+Heeft in den schoot der golven zich verscholen;
+Luid huilend wekken wolven nu de knollen,
+Die traag de kar der sombre, norsche Nacht
+Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken
+Langs graven zwevend, uit hun vochten muil
+Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.
+Brengt nu de krijgers der genomen bark;
+Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij
+Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,
+Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—
+Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—
+Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—
+Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14
+
+EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.
+
+SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.
+
+BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.
+
+KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,
+En noemt en doet ge u voor als edellieden?—
+Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!
+Weegt zulk een kleine som de levens op
+Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?
+
+EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.
+
+TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.
+
+WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,
+(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;
+En dezen stierven ook, had ik mijn zin.
+
+KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.
+
+SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;
+Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.
+
+WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31
+Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?
+
+SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.
+Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,
+En toen gezegd: door Water zoude ik sterven.
+Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;
+Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier.
+
+WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit
+Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,
+Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.
+Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,
+Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,
+En roep alom mij als een lafaard uit!
+
+(Hij grijpt Suffolk aan.)
+
+SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;
+’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.
+
+WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!
+
+SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;
+Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?
+
+KAPITEIN. Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49
+
+SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,
+Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,
+Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.
+Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,
+Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,
+Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,
+En door mijn knik gelukkig u gevoeld?
+Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,
+Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig
+Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal
+Met koningin Marg’retha was gezeten?
+Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,
+Ja, en het knakke uw onberaden trots.
+Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,
+En wachttet onderdanig tot ik kwam?
+De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,
+En kluist’re daarom thans uw wilde tong.
+
+WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?
+
+KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.
+
+SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.
+
+KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep,
+En sla hem ’t hoofd af.
+
+SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan?
+
+KAPITEIN. Ja, Pole.
+
+SUFFOLK. Pole?
+
+KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord?
+Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek
+De zilvren bron bederft, waar England drinkt.
+Nu stop ik u dien opgesperden muil,
+Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,
+Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;
+En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,
+Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs
+Nu aan; die fluiten u verachtend uit;
+Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,
+Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,
+De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,
+Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.
+Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,
+En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,
+Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85
+Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;
+Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers
+Driest ons gezag verwerpen, Picardije
+Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,
+De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.
+De vorstelijke Warwick, al de Nevils,
+Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,
+Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;
+En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen
+Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,
+En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—
+Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,
+De halve zon, door wolken brekend, op,
+Waaronder staat: „invitis nubibus”.
+Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;
+In één woord, beed’laars-armoê en beschimping
+Zijn ingeslopen in des konings slot,
+En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!
+
+SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot,
+Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!
+’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;
+Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,
+Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,
+De sterke Bargulus.—De hommel zuigt
+Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven
+Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf
+Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.
+Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.
+Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;
+En zeg u: voer mij veilig over zee.
+
+KAPITEIN. Walter!
+
+WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.
+
+SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik.
+
+WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.
+Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?
+
+EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.
+
+SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,
+Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.
+Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden
+Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd
+Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,
+Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;
+En eer nog danse ’t bloedig op een stang,
+Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.
+Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;
+Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.
+
+KAPITEIN. Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131
+
+SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,
+Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.
+Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:
+Een vechter en bandiet uit Rome moordde
+Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand
+Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk
+Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.
+
+ (Whitmore met Suffolk en Anderen af.)
+
+KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,
+Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;
+Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.
+
+ (Allen af, behalve de Eerste Edelman.)
+
+(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.)
+
+WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,
+Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.
+
+ (Whitmore af.)
+
+EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!
+Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;
+Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,
+Aan wie hij dierbaar was, de koningin.
+
+ (De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Blackheath.
+
+George Bevis en John Holland komen op.
+
+GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij
+zijn al sinds eergisteren opgestaan.
+
+JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.
+
+GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken
+en keeren en er nieuwe wol opbrengen.
+
+JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik
+zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de
+edellieden opgekomen zijn.
+
+GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in
+tel.
+
+JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.
+
+GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.
+
+JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo
+veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom
+moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20
+
+GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan
+een harde hand.
+
+JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit
+Wingham,—
+
+GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer
+van te maken.
+
+JOHN. En Dick, de slager,—
+
+GEORGE. Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid
+gekeeld als een kalf.
+
+JOHN. En Smith, de wever,—
+
+GEORGE. Argo, hun levensdraad is afgesponnen.
+
+JOHN. Kom, kom, ons bij hen aangesloten!
+
+(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote
+hoop volks komen op.)
+
+CADE. Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—
+
+DICK (ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen
+gestolen hebt.
+
+CADE. Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden
+door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij
+stil zijn.
+
+DICK. Stilte!
+
+CADE. Mijn vader was een Mortimer,—
+
+DICK (ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.
+
+CADE. Mijn moeder een Plantagenet,—
+
+DICK (ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.
+
+CADE. Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—
+
+DICK (ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook
+wel spencers verkocht hebben.
+
+SMITH (ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar
+mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen.
+
+CADE. En dus ben ik van hoogen huize.
+
+DICK (ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en
+daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een
+huis gehad behalve het landloopershok.
+
+CADE. Moed heb ik;—
+
+SMITH (ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.
+
+CADE. En ik kan veel verdragen;—
+
+DICK (ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen
+achtereen met de bullepees zien krijgen.
+
+CADE. Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—
+
+SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want
+zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65
+
+DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor
+zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen.
+
+CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u,
+dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in
+Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog
+zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren,
+scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden,
+en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning
+ben,—want koning zal ik zijn,—
+
+ALLEN. God behoede uw majesteit!
+
+CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen
+zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei
+kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer
+vereeren.
+
+DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.
+
+CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel
+van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het
+bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij
+steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in
+mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen
+meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?
+
+(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.)
+
+SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen
+opmaken!
+
+CADE. O, afschuwelijk!
+
+SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor
+zijn jongens.
+
+CADE. ’t Is een schurk.
+
+SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.
+
+CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder.
+
+DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als
+een advocaat.
+
+CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem
+niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u
+verhooren. Hoe is uw naam?
+
+KLERK. Emanuël.
+
+DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht
+met u afloopen.
+
+CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt
+gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man?
+
+KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan
+schrijven. 113
+
+ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een
+verrader.
+
+CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om
+zijn hals.
+
+ (Eenigen af met den Klerk.)
+
+(Michaël komt op.)
+
+MICHAËL. Waar is onze generaal?
+
+CADE. Hier ben ik, enkele kerel.
+
+MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder
+zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning.
+
+CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal
+een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet
+waar?
+
+MICHAËL. Juist.
+
+CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder
+maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John
+Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los.
+
+(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande
+trommen en met troepen op.)
+
+STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent,
+Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;
+IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.
+De koning is genadig, zoo gij afvalt.
+
+WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,
+Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.
+
+CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;
+Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover
+Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,
+Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.
+
+STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar;
+Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?
+
+CADE. En Adam was een spitter.
+
+WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij?
+
+CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man
+Der dochter van den hertog Clarence, niet?
+
+STAFFORD. ’t Is waar.
+
+CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.
+
+WILLIAM STAFFORD. Niet waar.
+
+CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.
+Het oudste van de twee, dat bij een min was,
+Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;
+Het kende zijn geboorte en afkomst niet,
+En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.
+Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.
+
+DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.
+
+SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en
+de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het
+niet. 158
+
+STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,
+Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?
+
+ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!
+
+WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.
+
+CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid).
+Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders
+wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen
+speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft
+regeeren; maar ik wil protector over hem zijn.
+
+DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het
+hertogdom Maine verkocht heeft.
+
+CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met
+een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij
+medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een
+gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken
+en dus is hij een verrader.
+
+STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!
+
+CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu,
+dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt,
+een goed raadsman zijn, ja of neen?
+
+ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.
+
+WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,
+Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.
+
+STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,
+Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;
+Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,
+Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,
+Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—
+En wie des konings vriend is, volge mij!
+
+ (De beide Staffords met hun troepen af.)
+
+CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—
+’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.
+Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,
+Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.
+Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,
+Als zij maar durfden, zeker onzen kant.
+
+DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.
+
+CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn.
+Komt, vooruit! voorwaarts!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van Blackheath.
+
+Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords
+worden gedood.
+
+CADE. Waar is Dick, de slachter van Ashford?
+
+DICK. Hier.
+
+CADE. Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof
+gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de
+vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning
+krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten.
+
+DICK. Meer verlang ik niet.
+
+CADE. En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de
+wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de
+overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot
+ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen
+laten dragen.
+
+DICK. Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij
+de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten.
+
+CADE. Weest onbezorgd; daar sta ik voor in.
+Komt, allen voorwaarts, naar Londen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van
+Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha,
+treurende over Suffolk’s hoofd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed
+Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;
+Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.
+Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?
+Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,
+Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?
+
+BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?
+
+KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;
+Verhoede God, dat zooveel arme zielen
+Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog
+Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf
+Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—
+Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat
+Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,
+En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,
+Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?
+
+KONING HENDRIK. Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19
+
+SAY. Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is het, vrouwe?
+Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood?
+Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’,
+Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat is er? waartoe komt gij met die haast?
+
+BODE. De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst!
+Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer,
+Gesproten uit het hertogshuis van Clarence;
+Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst
+En zweert, in Westminster zichzelf te kronen.
+Zijn leger is een havelooze bende
+Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig.
+Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood
+Gaf hun het hart, den moed om door te gaan.
+Geleerden, advocaten, hof en adel,
+’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.
+
+KONING HENDRIK. Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!
+
+BUCKINGHAM. Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth,
+Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, leefde thans de hertog Suffolk nog,
+Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.
+
+KONING HENDRIK. Lord Say, die oproermakers haten u;
+Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.
+
+SAY. Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar.
+Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede;
+Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat;
+Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.
+
+(Een Tweede Bode komt op.)
+
+TWEEDE BODE. Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug;
+De burgers vluchten angstig uit hun huizen;
+En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters,
+Uit dorst naar buit; als één man zweren zij
+De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.
+
+BUCKINGHAM. Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!
+
+KONING HENDRIK. Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.
+
+KONING HENDRIK (tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters
+niet.
+
+BUCKINGHAM. Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.
+
+SAY. Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld,
+En daarom ben ik moedig en gerust.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De Tower.
+
+Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen
+eenige Burgers beneden op.
+
+SCALES. Wel, is Jack Cade alreeds gedood?
+
+EERSTE BURGER. Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij
+hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord
+mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad
+tegen de muiters te verdedigen.
+
+SCALES. Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst;
+Maar ik heb zelf de handen vol met hen;
+Zij waagden reeds een aanval op den Tower.
+Doch trek naar Smithfield en verzamel volk;
+Daarheen zend ik tot u Matthias Gough.
+Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens;
+En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De Kanonstraat.
+
+Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den
+Londener steen.
+
+CADE. Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den
+Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het
+manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar
+van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als
+iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.
+
+(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.)
+
+REBEL. Jack Cade! Jack Cade!
+
+CADE. Slaat dien kerel dood!
+
+ (De Man wordt gedood.)
+
+SMITH. Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade
+noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen.
+
+DICK. Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.
+
+CADE. Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de
+Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den
+Tower plat. Komt, vooruit!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Smithfield.
+
+Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van
+de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door
+Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en
+Matthias Gough valt.
+
+CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis
+neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!
+
+DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.
+
+CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.
+
+DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen
+komen.
+
+JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij
+is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.
+
+SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want
+hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.
+
+CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de
+besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.
+
+JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem
+zijn tanden niet uitgetrokken worden.
+
+CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden
+in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den
+vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond
+bij de laatste oorlogsschatting.
+
+(George Bevis komt op, met Lord Say.)
+
+CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say,
+gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke
+rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij
+Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt
+overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord
+Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke
+vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk
+verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl
+voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het
+keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot
+inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen
+gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u
+heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en
+meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan.
+Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen
+over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die
+in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen,
+terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een
+schabrak, is het zoo niet?
+
+SAY. En wat zou dat? 52
+
+CADE. Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui
+dan gij in broek en hemdrok rondloopen.
+
+DICK. En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een
+slager ben.
+
+SAY. Gij mannen van Kent,—
+
+DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen?
+
+SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens.
+
+CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.
+
+SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.
+Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren
+De liefste streek genoemd van heel dit eiland;
+Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;
+Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,
+Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.
+Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,
+Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.
+Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,
+Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.
+Wanneer legde ik u lasten op, tenzij
+Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?
+Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,
+Omdat mijn weten bij den koning gold,
+En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis
+De vleugel is, die ons ten hemel heft.
+Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,
+Dan deinst gij van een moord op mij terug.
+Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven
+Voor u gepleit,—
+
+CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?
+
+SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,
+Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.
+
+GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te
+overvallen!
+
+SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.
+
+CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.
+
+SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden
+Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.
+
+CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den
+bijstand van een bijl.
+
+DICK. Wat siddert gij, man? 96
+
+SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.
+
+CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel
+vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt.
+Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.
+
+SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;
+Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!
+Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?
+Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?
+Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?
+Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,
+In deze borst geen arglist ooit gehuisd;
+O, laat mij ’t leven!
+
+CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden,
+maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat
+hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een
+dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van
+God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en
+breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het
+hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier.
+
+ALLEN. Het zal gebeuren.
+
+SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden
+Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,
+Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?
+Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.
+
+CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel.
+
+ (Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.)
+
+De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders
+dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er
+uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien
+krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en
+bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar
+wenschen of de tong vertellen kan.
+
+DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op
+te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?
+
+CADE. Wel, dadelijk.
+
+ALLEN. O, heerlijk!
+
+(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn
+Schoonzoon op staken.)
+
+CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want
+zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van
+elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg
+te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht,
+want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee
+rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen
+zij elkander kussen.—Vooruit!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE TOONEEL.
+
+
+Southwark.
+
+Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel.
+
+CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood,
+velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor
+een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand
+het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef,
+alles dood te slaan?
+
+(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.)
+
+BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.
+Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier
+Des konings aan ’t door u verleide volk;
+Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,
+Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.
+
+CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade,
+Die onderwerping nog erlangt, of moet
+Een oproerling u voeren in den dood?
+Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,
+Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”
+Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,
+Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,
+Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.
+
+ALLEN. Den koning heil! den koning heil!
+
+CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij,
+laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met
+uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen
+opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den
+steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt
+nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen
+zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van
+den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug
+breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor
+uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen,
+en daarmee,—Gods vloek op u allen!
+
+ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!
+
+CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36
+Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?
+Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,
+U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?
+Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,
+Hij kan niet leven, dan alleen door roof,
+’t Bestelen van uw vrienden en van ons.
+Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht
+De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,
+De zeeën overstak en u versloeg?
+Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,
+Hoe hij den baas in Londens straten speelt,
+„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.
+Laat eer tienduizend laaggeboren Cades
+Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt
+Voor de genade van een enk’len Franschman.
+Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,
+Spaart England, dàt is uw geboortestrand.
+Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;
+God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.
+
+ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met
+Clifford!
+
+CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze
+volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een
+honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie,
+dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen,
+mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots
+hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen
+van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en
+schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten.
+
+ (Cade af.)
+
+BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;
+En wie het hoofd diens mans den koning brengt,
+Zal duizend kronen ter belooning hebben.
+
+ (Eenigen spoeden zich heen.)
+
+Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,
+Om allen met den koning te verzoenen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE TOONEEL.
+
+
+Het kasteel Kenilworth.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset
+verschijnen op het terras van het kasteel.
+
+KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,
+Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?
+Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,
+Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;
+Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,
+Als ik verlang een onderdaan te zijn.
+
+(Buckingham en Clifford komen op, boven.)
+
+BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!
+
+KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade
+Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?
+
+(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om
+den hals.)
+
+CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,
+En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig
+Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.
+
+KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13
+En dat mijn dank en lof u welkom zij!—
+Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;
+Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;
+Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,
+Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,
+Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.
+En zoo, u allen dankend en vergevend,
+Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.
+
+ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning!
+
+(Een Bode komt op).
+
+BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:
+Zoo even komt de hertog York uit Ierland,
+En rukt, met groote en sterke legermacht,
+Van Galloglassen en van forsche Kernen,
+Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,
+Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,
+Dan van het hof den hertog Somerset,—
+Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.
+
+KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,
+Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,
+Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;
+Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,
+Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.
+Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,
+Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,
+Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—
+Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,
+Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.
+
+SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,
+Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.
+
+KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen
+barsche taal,
+Want heftig is hij en verdraagt dit niet.
+
+BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,
+Dat alles zich ten uwen beste keert.
+
+KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer
+Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu
+Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TIENDE TOONEEL.
+
+
+Kent. Iden’s tuin.
+
+Cade komt op.
+
+CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch
+op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in
+deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het
+geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet
+langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor
+in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te
+zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm,
+en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag
+een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord
+helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig
+keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten
+zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht
+deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu
+heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.
+
+(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.)
+
+IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,
+Die zulk een rustig wandelplekje heeft?
+Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,
+Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.
+Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,
+Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;
+Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,
+Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.
+
+CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een
+landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk,
+gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen
+door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een
+struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij
+tweeën van elkander scheiden.
+
+IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,
+Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?
+Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,
+En als een dief hier in mijn hof komt stelen,
+Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,
+Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?
+
+CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden,
+en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen
+iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u
+niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit
+meer één grassprietje te eten krijg. 44
+
+IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,
+Dat Alexander Iden, Kenter landheer,
+Met overmacht een hong’rig man bevocht.
+Richt vast uw starend oog nu op het mijne,
+En zie, of gij met blikken mij bedwingt;
+Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;
+Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,
+Uw been een stok, naast dezen stam gezien,
+Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;
+En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,
+Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.
+Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,
+Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.
+
+CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit
+van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien
+grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in
+uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot
+hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben
+geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er
+tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien
+maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor,
+gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit
+huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70
+
+IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?
+Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;
+Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;
+Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,
+Gij zult het dragen als een wapenkleed,
+Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.
+
+CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van
+mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele
+wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben
+overwonnen door den honger, niet door dapperheid.
+
+ (Hij sterft.)
+
+IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!
+Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!
+En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,
+Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.
+Thans sleep ik bij uw hielen u van hier
+Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;
+Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,
+Dat ik den koning zegevierend breng,
+Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten.
+
+ (Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een veld tusschen Dartford en Blackheath.
+
+Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt
+York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen
+afstand.
+
+YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,
+En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;
+Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,
+En groet den echten vorst van ’t machtig England.
+Sancta majestas! wie kocht u niet duur?
+Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;
+De hand hier werd gevormd om enkel goud,
+Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden
+Kan zij de volle kracht en klem niet geven,
+Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.
+En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,
+Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.
+
+(Buckingham komt op.)
+
+Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?
+De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.
+
+BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.
+
+YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.
+Komt gij als bode hier, of uit uzelf?
+
+BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,
+Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?
+Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,
+Trots uwen eed en uw bezworen trouw,
+Zulk leger zonder machtiging gelicht,
+En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?
+
+YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.
+O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,
+Zoo toornig word ik bij die snoode taal;
+Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,
+Mijn woede op ossen en op schapen koelen.
+Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,
+Meer koning in mijn denken, in mijn aard;
+Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,
+Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—
+(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,
+Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;
+Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.
+Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—
+Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,
+Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37
+
+BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar!
+Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,
+Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;
+De hertog Somerset is in den Tower.
+
+YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?
+
+BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.
+
+YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—
+Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;
+Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,
+Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.
+En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,
+Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,
+Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend
+Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;
+Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,
+’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.
+
+BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York;
+Gaan wij te zamen naar des konings tent.
+
+(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.)
+
+KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,
+Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?
+
+YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping,
+Verschijnt hier York voor uwe majesteit.
+
+KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?
+
+YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven,
+En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—
+Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.
+
+(Iden komt op, met Cade’s hoofd.)
+
+IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,
+Voor de oogen van een koning treden mag,
+Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,
+Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.
+
+KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—
+O, laat mij het gelaat des dooden zien,
+Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.
+Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?
+
+IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?
+
+IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,
+Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.
+
+BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,
+Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.
+
+KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78
+Wij geven u tot loon éénduizend mark,
+En willen, dat gij voortaan om ons zijt.
+
+IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;
+Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.
+
+(Hij rijst op.)
+
+KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!
+Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.
+
+(Koningin Margaretha en Somerset komen op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,
+Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.
+
+YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,
+Ontboei uw langgekerkerde gedachten,
+En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.
+Zou ik het zien van Somerset verdragen?—
+Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,
+Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?
+Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;
+Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,
+Die geen verrader teug’len durft noch kunt?
+Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,
+Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,
+Een echten vorstenscepter siert zij niet.
+Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,
+Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,
+Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.
+Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,
+’t Gezag der wetten klem verleenen kan.
+Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn
+Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.
+
+SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u
+Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;
+Kniel, driest verrader; vraag genade, York.
+
+YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,
+Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.
+Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;
+
+ (Een van York’s volgers af.)
+
+Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,
+Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;
+Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York
+Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.
+
+ (Buckingham af.)
+
+YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat,
+Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;
+York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,
+Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,
+Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121
+
+(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op;
+van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.)
+
+Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.
+
+CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!
+
+(Hij knielt.)
+
+YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?
+Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;
+Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;
+En deze uw dwaling willen we u vergeven.
+
+CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;
+Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—
+Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?
+
+KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin
+Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.
+
+CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,
+En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;
+Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.
+
+YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar?
+
+EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.
+
+RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.
+
+CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!
+
+YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;
+Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—
+Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,
+Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds
+Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;
+Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.
+
+(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.)
+
+CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,
+En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,
+Als gij hen op de kampplaats brengen durft.
+
+RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond
+Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,
+Maar losgelaten op den berenklauw,
+Met ingetrokken staart begon te janken;
+En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,
+Als gij u met lord Warwick waagt te meten.
+
+CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,
+Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158
+
+YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.
+
+CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!
+
+KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?
+En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,
+Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—
+Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard
+En zoekt met uwen bril het onheil op?
+O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?
+Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,
+Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—
+Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,
+Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?
+Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?
+Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?
+O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,
+Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.
+
+SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf
+De aanspraken van den hoogberoemden hertog,
+En naar geweten acht ik volgens ’t recht
+Hem erfgenaam van Englands koningstroon.
+
+KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?
+
+SALISBURY. Dat heb ik.
+
+KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?
+
+SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,
+Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.
+Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.
+Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,
+Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,
+Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,
+Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—
+En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,
+Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.
+
+KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.
+
+YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op;
+Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!
+
+CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.
+
+WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;
+Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.
+
+CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten,
+Dan uw bezwering heden op kan roepen;
+En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,
+Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201
+
+WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,
+Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,
+Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—
+Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,
+Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—
+Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.
+
+CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer
+En treed dien vol verachting in het stof;
+Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.
+
+DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,
+Ter fnuiking van de muiters en hun bent!
+
+RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!
+U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.
+
+DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel!
+
+RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.
+
+ (Allen af, naar verschillenden kant.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Sint-Albaans.
+
+Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op.
+
+WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!
+Indien gij niet u voor den beer verschuilt,
+Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast
+En stervenskreten de ijle lucht vervullen,
+Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!
+Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,
+Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.
+
+(York komt op.)
+
+Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?
+
+YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;
+Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,
+En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,
+Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.
+
+(Clifford komt op.)
+
+WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.
+
+YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;
+Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.
+
+WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—
+Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,
+Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.
+
+ (Warwick af.)
+
+CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?
+
+YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.
+Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.
+
+CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22
+Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.
+
+YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,
+Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.
+
+CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!
+
+YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!
+
+(Zij vechten. Clifford valt.)
+
+CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres!
+
+ (Hij sterft.)
+
+YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!
+Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!
+
+ (York af.)
+
+(De jonge Clifford komt op.)
+
+DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.
+Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt
+Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,
+Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,
+Werp in de ijskoude borsten van ons leger
+Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!
+Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht
+Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,
+Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,
+Den naam van dapper.—
+
+(Hij ziet het lijk zijns vaders.)
+
+ Booze ’wereld, eindig!
+En gij, vervroegde vlammen des gerichts,
+Boeit aarde en hemel saâm!
+Weergalme nu des jongsten dags bazuin,
+En overstemm’ die elken aardschen klank,
+Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,
+In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,
+Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,
+In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven
+In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik
+Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,
+Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,
+Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen
+Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;
+En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,
+Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.
+Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;
+Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,
+Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste
+Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;
+Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.
+Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,
+
+(Hij neemt het lijk op.)
+
+Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg,
+Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;
+Maar hij droeg toen een last, die leven had,
+Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.
+
+ (De jonge Clifford af.)
+
+(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt
+gedood.)
+
+RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66
+Want onder eener herberg uithangschild,
+„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset
+Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.
+Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:
+Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.
+
+ (Richard af.)
+
+(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha
+en Anderen komen op, terugtrekkende.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!
+
+KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?
+Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,
+Te wijken voor den vijand, ons te bergen
+Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.
+
+(Strijdgedruisch op een afstand.)
+
+Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem
+Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—
+Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—
+Dan zijn wij dra te Londen, waar men u
+Genegen is, en waar wij deze bres
+In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.
+
+(De jonge Clifford komt weder op.)
+
+DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,
+Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;
+Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid
+Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.
+Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven
+Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!
+Voort, voort, mijn vorst, van hier!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een veld bij Sint-Albaans.
+
+Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard
+Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels.
+
+YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury?
+Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede
+Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,
+En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht
+Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag
+Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,
+Zoo Salisbury ontbreekt.
+
+RICHARD. Mijn eed’le vader,
+Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,
+Stond driemaal over hem, en voerde driemaal
+Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;
+Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;
+Als in een arme hut een rijk tapijt,
+Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.
+Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14
+
+(Salisbury komt op.)
+
+SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;
+Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;
+God weet, hoe lang ik nog te leven heb;
+En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal
+Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—
+Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;
+’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;
+Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.
+
+YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,
+Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,
+En roept zijn parlement er daad’lijk op.
+Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!
+Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?
+
+WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!
+Bij God, mylords, dit was een dag van roem;
+De slag, door den roemruchten York gewonnen,
+Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—
+Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;
+Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar
+1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het
+huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van
+York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele
+tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van
+Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van
+Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit
+een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin
+van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog
+van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de
+heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds
+in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van
+Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den
+duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den
+kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den
+koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het
+boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar
+het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren
+later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg
+hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd
+in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in
+hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood
+in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens
+verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den
+gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de
+kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt
+onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die
+onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na
+Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het
+staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan
+genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en
+hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen:
+„Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”
+
+Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog
+van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond
+den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den
+eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van
+Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van
+wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen.
+In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund
+van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de
+Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook
+de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der
+Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige
+plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen
+verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten
+beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te
+verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het
+huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor
+vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks
+had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of
+hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en
+gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem
+uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen.
+
+Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort
+na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis
+Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig
+gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen
+lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het
+huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon
+van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer
+aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar
+Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten
+van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij
+behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de
+verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de
+geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke
+troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd
+neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van
+den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen,
+week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den
+aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar
+het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade
+weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen
+persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond.
+
+Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den
+Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord
+Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert”
+in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s
+harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn
+zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze
+stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der
+vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen
+en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James
+Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider
+hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op
+iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop
+volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering,
+terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet
+verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied
+bewees, werd zonder genade onthoofd.
+
+Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen
+naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut
+en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in
+Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk
+gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte
+het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van
+de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede
+zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de
+verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu
+de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van
+John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht,
+zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een
+prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een
+boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander
+Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood
+werd.
+
+Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De
+ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het
+hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid
+hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in
+vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als
+haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn
+broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen
+van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog
+des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen;
+hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en
+een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze
+omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland,
+die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand
+had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales,
+verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het
+wanbestuur van Somerset te doen ophouden.
+
+Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de
+familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen,
+belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen
+namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de
+zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede
+bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee
+graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke
+huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil,
+zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van
+Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst
+vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden
+troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de
+vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote
+beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen.
+Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot,
+Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der
+vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van
+Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks
+werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt
+geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in
+zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of
+gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen
+kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een
+der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de
+eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak
+van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren
+zouden gegaan zijn.
+
+Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere
+invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was
+de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog
+van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel
+bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund
+van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te
+handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat
+hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok,
+om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings
+raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen,
+toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen
+gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf
+voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings
+woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even
+fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar
+Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar
+eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een
+getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen
+zijn, werd hij weder ontslagen.
+
+Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te
+roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land
+bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen,
+geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst
+overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem
+voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin
+van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze
+eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den
+loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van
+het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in
+hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad
+schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot
+„Protector en Defensor” van het rijk verklaard.
+
+Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de
+voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het
+noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der
+Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de
+regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling
+de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst
+der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest,
+reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn
+getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf
+van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen
+en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw
+aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op
+tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en
+Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en
+vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens
+vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op
+het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral
+door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York
+beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen
+vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond,
+geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem
+naar Londen togen.
+
+Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel
+van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag
+van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en
+waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op
+den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het
+eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt
+voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde
+zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was,
+tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der
+Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in
+onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers;
+wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning
+schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten
+uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden
+York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs
+gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van
+Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij
+Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd
+andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met
+haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest
+vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij
+Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton
+viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen
+volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het
+parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen
+gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.
+
+In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn
+doel verwerkt heeft.
+
+
+
+
+I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t
+Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke,
+may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in
+den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de
+klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn
+hertogdom!”
+
+I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot
+bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den
+tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de
+vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht
+geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning
+vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone
+belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen
+naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende,
+naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning
+moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van
+6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden
+voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de
+buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het
+geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het
+vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de
+ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:
+
+ Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk
+ ’t Vijftiende deel der lasten van het volk
+ Vraagt voor de kosten van den overtocht.
+
+I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier
+jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder,
+omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.
+
+I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als
+erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik
+VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt
+Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de
+hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine
+volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden.
+
+I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van
+den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de
+oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn
+moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou
+blijven.
+
+I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury
+en Warwick.
+
+I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede.
+
+I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede
+priesters werden aangesproken.
+
+I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend
+verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de
+beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een
+andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn.
+
+I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall
+opmerkt, for en niet to gelezen worden.
+
+I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had
+in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook
+het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel
+van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken.
+
+I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een
+hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing
+bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth
+niet veilig voor een vorstelijke oorveeg.
+
+I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er
+op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K.
+Hendrik VI”, IV. 3.
+
+I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is
+dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of
+voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en
+Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald.
+Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel,
+dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of
+hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan
+beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt
+overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”.
+
+I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de
+opmerkingen van Marshall, aan York toegekend.
+
+II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk.
+
+II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen
+zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de
+spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk
+aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens
+luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee
+regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much
+holiness can you not do it?
+
+II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten
+onrechte, als proza gedrukt.
+
+II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de
+beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie
+pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.
+
+II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de
+beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw
+verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een
+parlementsbesluit deze waardigheid.
+
+II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij
+Lissabon benoemd.
+
+III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het
+parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen
+het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De
+hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld
+vermocht hem niet meer te redden.
+
+III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de
+Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de
+steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan.
+
+III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van
+Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit
+den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en
+omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den
+stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K.
+Hendrik V”, II. 4. 25.
+
+III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de
+adder doof.
+
+III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden
+de winden in een grot opgesloten hield.
+
+III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de
+plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben
+aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en
+deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der
+koningin voor Æneas aanwakkert.
+
+III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de
+Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.
+
+III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de
+aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.
+
+III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin
+wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel
+blijkt.
+
+IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht
+genoemd.
+
+IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het
+beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt.
+
+IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de
+woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg
+gelijk uitgesproken.
+
+IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het
+zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt
+was, werd alleen door personen van rang gebezigd.
+
+IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord
+en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en
+beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een
+woordspeling op dien naam.
+
+IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De
+Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door
+wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt
+meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van
+Shakespeare’s „Koning Richard III.”
+
+IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der
+oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.),
+waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.
+
+IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille
+schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel
+herkomstig is, is onbekend.
+
+IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het
+geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon
+van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk
+vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een
+anderen.
+
+IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling
+met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager
+Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring
+gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de
+tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed).
+
+IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke
+staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters)
+kan verkocht hebben.
+
+IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen
+uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.
+
+IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien
+zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.
+
+IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow;
+„particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen.
+
+IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij
+men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den
+vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te
+overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den
+tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met
+duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald.
+
+IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de
+vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen
+en wel voor 99 beesten.
+
+IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van
+den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels
+beslagen was.
+
+IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde
+slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden
+bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst
+Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever
+van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen
+de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd
+en met huizen bezet.
+
+IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die
+eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen,
+hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk
+geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken,
+misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van
+Brussel.”
+
+IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het
+was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den
+oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der
+prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door
+Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat
+Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was
+het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland
+uit zijn mond zouden komen.
+
+IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft
+laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste
+oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal
+den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien
+een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen.
+
+IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou
+say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge,
+en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t
+Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen
+zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een
+Franschman, is verbasterd van baise mon cul.
+
+IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad.
+
+IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius
+Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle
+the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st
+place.
+
+IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken.
+In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill
+beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard.
+
+IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie
+gevolgd: Or let a rebel etc.
+
+IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het
+Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco
+geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt,
+b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van
+dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de
+Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft
+willen maken.
+
+IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in
+Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen
+lichtgewapenden.
+
+IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men
+een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent.
+
+V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils,
+waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal
+geketenden beer in hun wapen.
+
+V. 2. 28. „La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en
+oorlogskreet.
+
+V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden
+broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te
+houden.
+
+V. 2. 68. „’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de
+voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+DERDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Edward, Prins van Wales, zijn zoon.
+ Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk.
+ De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford,
+ de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord
+ Clifford, aanhangers des Konings.
+ Richard Plantagenet, Hertog van York.
+ Edward, Graaf van March, later }
+ Koning Edward de Vierde, } Zoons van den
+ Edmond, Graaf van Rutland, } Hertog van York.
+ George, later Hertog van Clarence, }
+ Richard, later Hertog van Gloster, }
+ De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van
+ Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford,
+ aanhangers van den Hertog van York.
+ Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van
+ York.
+ Hendrik, de jonge Graaf van Richmond.
+ Lord Rivers, broeder van Lady Grey.
+ Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville.
+ De Leermeester van Rutland.
+ De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman.
+ Twee Boschwachters en een Jager.
+ Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft.
+ Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft.
+
+ Koningin Margaretha.
+ Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden.
+ Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk.
+
+ Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward,
+ Boden, Wachten, enz.
+
+Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk,
+voor het overige in Engeland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Het Parlementshuis.
+
+Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal
+binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en
+Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van
+Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed.
+
+WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.
+
+YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden
+Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,
+Waarop de groote lord Northumberland,
+Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,
+Het matte leger moed wist in te storten;
+Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,
+Stormde in op onze voorste rij, brak door,
+Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.
+
+EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,
+Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;
+Ik spleet hem met een fellen houw den helm;
+Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.
+
+(Hij toont zijn bloedig zwaard).
+
+MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf
+Wiltshire,
+Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.
+
+(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.)
+
+RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.
+
+(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.)
+
+YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—
+Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?
+
+NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!
+
+RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te
+schudden.
+
+WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York,
+Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,
+Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,
+Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!
+Dit hier is het paleis des laffen konings,
+En dit des konings stoel; bestijg hem, York;
+U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.
+
+YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;
+Want ingebroken zijn wij met geweld.
+
+NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.
+
+YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—
+En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.
+
+WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,
+Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34
+
+ (De Soldaten trekken zich terug.)
+
+YORK. De koningin houdt heden parlement hier.
+Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.
+Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.
+
+RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.
+
+WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning,
+En die beschroomde Hendrik afgezet,
+Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—
+Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.
+
+YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;
+Ik denk bezit te nemen van mijn recht.
+
+WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint,
+De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,
+Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,
+Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.
+Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—
+Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.
+
+(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.)
+
+(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland
+en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.)
+
+KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;
+Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,
+Op Warwick steunend, op dien valschen pair,
+Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—
+Northumberland, uw vader viel door hem,
+Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak
+Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.
+
+NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!
+
+CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.
+
+WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!
+Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.
+
+KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!
+
+CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij;
+Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.
+Genadig heer, laat ons in ’t parlement
+Hier op den stam van York een aanval doen.
+
+NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!
+
+KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,
+En troepen krijgers wachten op hun wenken!
+
+EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69
+
+KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,
+Dit parlement een slachthuis te doen zijn!
+Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,
+Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.
+
+(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.)
+
+Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,
+Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;
+Ik ben uw heer en vorst.
+
+YORK. Neen! ik ben de uwe.
+
+EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.
+
+YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.
+
+EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.
+
+WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,
+Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.
+
+CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?
+
+WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.
+
+KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?
+
+YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.
+
+WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.
+
+WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster;
+Dit zal de lord van Westmoreland u staven.
+
+WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,
+Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,
+Uw vaders doodden, met ontplooide vanen
+Door Londens straten trokken naar ’t paleis.
+
+NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;
+En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.
+
+WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen
+Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan
+Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.
+
+CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,
+Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,
+Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.
+
+WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!
+
+YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;
+Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.
+
+KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104
+Uw vader was, als gij, hertog van York;
+Uw moeders vader was de graaf van March;—
+Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,
+Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,
+Hun steden en hun landen heeft veroverd.
+
+WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.
+
+KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik;
+’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.
+
+RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.
+Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.
+
+EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.
+
+MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,
+Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.
+
+RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.
+
+YORK. Stil, zoons!
+
+KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord.
+
+WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;
+En luistert zwijgend en aandachtig toe;
+Wie in de rede valt, hij zal niet leven.
+
+KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,
+Waarop mijn vader en diens vader zaten?
+Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,
+En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,
+Doch nu in England, tot mijn harteleed,—
+Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?
+Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.
+
+WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.
+
+KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.
+
+YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.
+
+KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.
+(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?
+
+YORK. Wat verder?
+
+KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,
+Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,
+Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;
+Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.
+
+YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,
+En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142
+
+WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,
+Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?
+
+EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,
+Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.
+
+KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?
+
+EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.
+
+YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?
+
+EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.
+
+KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem.
+
+NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,
+Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.
+
+WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.
+
+NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,
+In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—
+Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—
+Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.
+
+CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,
+Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;
+Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,
+Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!
+
+KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!
+
+YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—
+Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?
+
+WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,
+Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,
+En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,
+Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!
+
+(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.)
+
+KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,
+Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.
+
+YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,
+En rustig heerscht gij heel uw leven lang.
+
+KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet,
+Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.
+
+CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!
+
+WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177
+
+WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!
+
+CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!
+
+WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.
+
+NORTHUMBERLAND. Ik evenmin.
+
+CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!
+
+WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,
+In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!
+
+NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf
+In boeien voor dit man-onteerend doen!
+
+CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,
+Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!
+
+ (Northumberland, Clifford en Westmoreland af.)
+
+WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!
+
+EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.
+
+KONING HENDRIK. Ach, Exeter!
+
+WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer?
+
+KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,
+Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—
+Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik
+De kroon voor eeuwig u en uwen erven;
+Met dit beding, dat gij den eed hier doet,
+Den burgerkrijg te staken en mij steeds,
+Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,
+En noch door open krijg, noch door verraad
+Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.
+
+YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem
+houden.
+
+WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!
+
+KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!
+
+YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.
+
+EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!
+
+(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.)
+
+YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.
+
+WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten.
+
+NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.
+
+MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209
+
+ (York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg
+ af.)
+
+KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof.
+
+(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.)
+
+EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;
+’k Wil henensluipen.
+
+KONING HENDRIK. Exeter, ook ik.
+
+(Hij wil heengaan.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.
+
+KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?
+Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,
+Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,
+Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!
+Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?
+Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,
+Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,
+Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,
+Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,
+Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,
+En dezen uwen een’gen zoon onterfd.
+
+PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;
+Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.
+
+KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—
+Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?
+Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!
+Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,
+En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,
+Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.
+Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,
+Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,
+Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?
+Warwick is kanselier, beheerscht Calais,
+De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,
+De hertog is protector nu van ’t rijk,
+En acht ge u veilig? zulk een veiligheid
+Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.
+Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,
+Eer had ik door de krijgers op hun pieken
+Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit
+Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;
+Maar gij verkiest uw leven boven de eer;
+En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik
+Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat
+Dit parlementsbesluit vernietigd is,
+Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.
+De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,
+Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;
+En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,
+En ’t gansche huis van York ten ondergang.
+Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;
+Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256
+
+KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!
+
+KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?
+
+KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde!
+
+PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,
+Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!
+
+ (Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.)
+
+KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde
+Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!
+God wreke haar op dezen boozen hertog,
+Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij
+De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar
+Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—
+Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;
+Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—
+Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.
+
+EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield.
+
+Edward, Richard en Montague komen op.
+
+RICHARD. Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—
+
+EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.
+
+MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.
+
+(York komt op.)
+
+YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?
+Waarover hebt gij twist en hoe begon die?
+
+EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.
+
+YORK. Waarom?
+
+RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:
+De kroon van England, die aan u behoort.
+
+YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.
+
+RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.
+
+EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;
+Laat gij de Lancasters op adem komen,
+Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14
+
+YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.
+
+EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon;
+Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.
+
+RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!
+
+YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.
+
+RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.
+
+YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.
+
+RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij
+Een echte, wettige overheid hem afneemt,
+Die over hem, die zweert, gezag bezit;
+Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;
+Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—
+En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.
+Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,
+Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,
+Hoe in zijn omtrek een Elysium is,
+En elk geluk en heil, dat dichters malen.
+Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,
+Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,
+In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.
+
+YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—
+(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;
+Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—
+Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,
+En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—
+Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,
+Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;
+Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,
+Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.
+Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,
+Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,
+Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,
+Noch iemand van het huis van Lancaster?
+
+(Een Bode komt op.)
+
+Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?
+
+BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden,
+Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.
+Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;
+Versterk daarom uw veste goed, mylord.
+
+YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—
+Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—
+Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,
+En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,
+Die bij den koning als protectors bleven,
+Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,
+Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.
+
+MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60
+Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.
+
+ (Montague af.)
+
+(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.)
+
+YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,
+Gij komt te goeder ure in Sandal aan;
+De macht der koningin wil ons beleeg’ren.
+
+SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.
+
+YORK. Wat! met vijfduizend man?
+
+RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;
+Een vrouw is generaal, wat is te duchten?
+
+(Een marsch in de verte.)
+
+EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;
+Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!
+
+YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;
+Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.
+In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,
+Waarin de vijand tien was tegen één;
+Waarom zou ik niet even goed nu slagen?
+
+ (Alarmsignalen.—Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Eene vlakte nabij slot Sandal.
+
+Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen
+op.
+
+RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?
+Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!
+
+(Clifford komt op, met Soldaten).
+
+CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;
+Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,
+Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.
+
+LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.
+
+CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg.
+
+LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,
+En maak u niet gehaat bij God en menschen.
+
+ (Hij wordt door soldaten weggevoerd.)
+
+CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,
+Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.
+
+RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,
+Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;
+Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,
+Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—
+O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,
+En niet met zulk een wreeden, fellen blik.
+O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:
+Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;
+Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!
+
+CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed
+Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22
+
+RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;
+Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.
+
+CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven
+En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.
+Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,
+Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,
+Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.
+Het zien van wien ook van het huis van York
+Is als een furie, die het hart mij foltert;
+En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,
+Geen leven sparend,—leef ik in de hel.
+Daarom,—
+
+RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—
+Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!
+
+CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.
+
+RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?
+
+CLIFFORD. Uw vader deed het wel.
+
+RUTLAND. Vóór mijn geboorte.
+Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,
+Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake
+Verslagen word’, zoo jammervol als ik.
+O, laat mij levenslang gevangen zijn,
+En geef ik ooit u grond tot ergernis,
+Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.
+
+CLIFFORD. Geen reden?
+Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.
+
+ (Hij sterft.)
+
+CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet!
+Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,
+Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed
+Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.
+
+ (Clifford af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte der vlakte.
+
+Strijdgedruisch. York komt op.
+
+YORK. De macht der koningin behoudt het veld:
+Om mij te redden vielen beî mijn ooms;
+Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten
+Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,
+Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.
+Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;
+Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,
+Tot roem geboren, beide in dood en leven.
+Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,
+En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”
+En even vaak kwam Edward mij op zijde,
+Met purperroode kling, tot aan ’t gevest
+Met zijner weerpartijders bloed geverfd;
+En toen de meest geharde krijgers weken,
+Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”
+Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!
+Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”
+Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!
+Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan
+Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20
+Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.
+
+(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.)
+
+Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;
+En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;
+En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.
+Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;
+’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.
+
+(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van
+Wales en Soldaten komen op.)
+
+Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,
+Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede
+Blaas ik hier aan tot feller razernij.
+Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.
+
+NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York.
+
+CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm
+Als afbetaling aan mijn vader schonk!
+Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld
+En deed het avond zijn op ’t middaguur.
+
+YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel
+Verwekken, die mij op u allen wreekt;
+En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,
+En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.
+Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?
+
+CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:
+Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;
+Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven
+Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.
+
+YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug,
+En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,
+En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;
+Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,
+Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.
+
+CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,
+Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.
+
+(Hij trekt zijn zwaard.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen
+Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—
+
+(Clifford dringt op York steeds aan.)
+
+(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!
+
+NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54
+Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.
+Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,
+De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,
+Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?
+’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;
+Tien tegen een werpt op den moed geen smet.
+
+(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.)
+
+CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.
+
+NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net.
+
+(York wordt gevangen genomen.)
+
+YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit;
+Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.
+
+NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,
+Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,
+Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,
+Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—
+Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,
+Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,
+Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?
+Waar is uw viertal zoons om u te steunen?
+De dartele Edward en de lachbek Clarence!
+En waar het dapp’re kromme wangedrocht,
+Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg
+Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?
+En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?
+Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,
+Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards
+Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;
+Indien uw oogen om hem schreien kunnen,
+Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.
+
+(Zij werpt hem den doek toe.)
+
+Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat
+Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.
+Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.
+Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,
+Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?
+Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;
+Ik hoon u zoo, om razend u te maken;
+Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!
+O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;
+York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—
+Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—
+Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.
+
+(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.)
+
+Ja, nu ziet hij er als een koning uit!
+Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;
+Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—
+Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99
+Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?
+Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,
+Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.
+En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,
+Zijn slapen van den diadeem berooven,
+Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?
+O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—
+Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!
+Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!
+
+CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.
+
+YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,
+Wier tong meer gift heeft dan een addertand!
+Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus
+Te juub’len als een Amazone-snol
+Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!
+Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,
+Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,
+Ik zou beproeven, trotsche koningin,
+Een blos u aan te jagen, want te zeggen
+Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg
+Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.
+Uw vader draagt den koningstooi van Napels,
+De twee Siciliën en Jeruzalem,
+Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;
+Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?
+Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,
+Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar
+Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”
+Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;
+Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.
+’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;
+Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.
+’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;
+Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.
+Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,
+Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,
+Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.
+O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!
+Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,
+Opdat de vader de oogen er mee wischte,
+En toch het uitzicht hebben van een vrouw?
+Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,
+Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.
+Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.
+Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.
+Want storm, die raast, blaast zware buien saam,
+En als het razen luwt, dan komt de regen.
+Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,
+En elke druppel schreeuwt om wraak op u,
+Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!
+
+NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150
+Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.
+
+YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,
+Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;
+Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,
+Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.
+Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!
+Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,
+En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;
+Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;
+
+(Hij werpt den doek terug.)
+
+En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,
+Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,
+Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,
+En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—
+Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,
+
+(Hij werpt de papieren kroon neer.)
+
+En vind, in uwen nood, denzelfden troost,
+Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—
+Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—
+Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!
+
+NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht,
+Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,
+Nu ik dien diepen zielejammer zie.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!
+Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;
+Dit zal die weeke tranen ras u drogen.
+
+CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!
+
+(Hij doorsteekt York.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!
+
+(Zij doorsteekt York mede.)
+
+YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!
+Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.
+
+ (Hij sterft.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;
+Zoo overblikke York zijn veste York.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire.
+
+Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen.
+
+EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn?
+En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet,
+Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging?
+Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend;
+Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend;
+Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij
+De blijde tijding zeker reeds vernomen.—
+Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?
+
+RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet,
+Wat onzen dapp’ren vader is bejegend.
+Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf,
+Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas.
+Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang,
+Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren,
+Of als een beer, van honden gansch omringd,
+Die enk’len met een klauwslag janken doet,
+Zoodat de rest uit verre verte keft.
+Zoo deed daar onze vader met den vijand;
+Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader;
+Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.—
+Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort
+Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt;
+Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid
+Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!
+
+EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25
+
+RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon,
+Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden,
+Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw.
+Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar,
+Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld;
+Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon!
+Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!
+
+EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords.
+Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld,
+Waar wij, de zoons van den krijgshaften York,
+Schoon ieder stralend met ons eigen licht,
+Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard
+Bestralen moeten, als de zon ’t heelal.
+Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild
+Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.
+
+RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,—
+Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt,
+Dat booze tijding op de tong u zweeft?
+
+BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was,
+Hoe de eed’le hertog York verslagen werd,
+Uw hooge vader, mijn beminde heer.
+
+EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.
+
+RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49
+
+BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden
+En wederstond hen, als eens Troje’s schuts
+De Grieken, die in Troje wilden dringen.
+Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules,
+En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen
+Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik.
+Een tal van handen overmande uw vader;
+Doch hem vermoordde alleen de gramme hand
+Des fellen Clifford’s, en der koningin.
+Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte
+Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende,
+Gaf hem de deernislooze koningin,
+Opdat hij zich de wangen er mee wischte,
+Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt
+Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford,
+En na veel hoon en lagen, fellen spot
+Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort
+Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet;
+De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!
+
+EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden!
+Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut!
+O Clifford, felle Clifford! gij versloegt
+De bloem der ridderschap van gansch Europa;
+’t Was door verraad, dat gij hem overmocht;
+Man tegen man had hij wis u verwonnen.
+Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker;
+O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam
+In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd!
+Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken;
+Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!
+
+RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten
+Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart;
+Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen,
+Want de adem, die tot spreken dienen moest,
+Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen
+Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen.
+Het weenen maakt den weedom minder diep;
+Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!—
+Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood;
+Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!
+
+EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u;
+Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.
+
+RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend,
+Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht!
+Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel;
+Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.
+
+(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.)
+
+WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96
+
+RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws
+Verhalen moesten en bij ieder woord
+Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind,
+Der woorden pijn ware erger dan de wonden.
+O dapp’re lord, de hertog York is dood.
+
+EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet,
+Die u zoo lief had als zijn eigen ziel,
+Is door den wreeden Clifford omgebracht.
+
+WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds
+In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren,
+Door ’t melden van wat verder is geschied.
+Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader,
+De wakk’re held, den laatsten adem uitblies,
+Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden,
+Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden.
+Ik, die in Londen ’s konings hoeder was,
+Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam,
+En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust,
+Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten,
+En nam tot zekerheid den koning meê;
+Want mijn spionnen hadden mij gemeld,
+Dat zij in ’t veld was met het vast besluit
+Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht
+En Hendriks eed, geheel te niet te doen.
+Om kort te gaan, wij werden handgemeen
+Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig;
+Maar, of het nu des konings koelheid was,
+Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte,
+Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam;
+Of het gerucht misschien van haar geluk;
+Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid,
+Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert,
+Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden,
+Hùn vechten was een bliks’men met de wapens,
+En onze slagen,—zacht als uilenwieken,
+Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen
+Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen.
+Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht,
+Beloften van hoog loon en rijken buit;—
+Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten,
+En ons de hoop om zoo te zegevieren.
+Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade,
+Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,—
+Spoorslags hierheen, om u thans te versterken,
+Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken
+Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.
+
+EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk?
+En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?
+
+WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen,
+En George, uw broeder, werd door uwe moei,
+Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden
+Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.
+
+RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148
+Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen,
+Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.
+
+WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort;
+Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist
+Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks,
+Den hoogen scepter uit de hand hem wringt,
+Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk,
+Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.
+
+RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet;
+Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken.
+Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd?
+Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen,
+In zwarten rouw ons hullen, en met kralen
+De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden?
+Of zullen we op der weerpartijders helmen
+Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen?
+Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!
+
+WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord;
+En hiertoe komt mijn broeder Montague.
+Geeft acht, mylords. De drieste koningin
+Heeft reeds, met Clifford en Northumberland
+En and’re trotsche vogels van die veêren,
+Den weeken koning omgekneed als was.
+Bezworen werd door hem uw erfopvolging,
+Zijn eed werd bij het parlement geboekt;
+En nu is hun geheele troep naar Londen,
+Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn,
+Wat aan het huis van Lancaster kan schaden.
+Hun macht is, meen ik, dertigduizend man;
+Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf
+Met alle vrienden, wakk’re graaf van March,
+Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen,
+Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,—
+Welaan, naar Londen dan met alle macht,
+Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen,
+Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!”
+Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!
+
+RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken.
+Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’,
+Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.
+
+EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen;
+Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!—
+Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!
+
+WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York;
+De rang, die volgt, is Englands hooge troon;
+Tot Englands koning roepen wij u uit
+In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert;
+En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt,
+Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd,
+Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,—
+Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem;
+Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!
+
+RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201
+Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden,
+Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.
+
+EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+WARWICK. Wat meldt gij? spreek!
+
+BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij:
+De koningin rukt aan met groote macht;
+Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.
+
+WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Voor de stad York.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van
+Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York!
+Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel,
+Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven;
+Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?
+
+KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht;
+Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.—
+Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet,
+En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.
+
+CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid,
+Dit schaad’lijk medelijden van u af.
+Wien werpen leeuwen zachte blikken toe?
+Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen.
+Wien likt wel de berin des wouds de hand?
+Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft.
+Of wie ontgaat den giftbeet van de slang?
+Niet hij, die haar den voet zet op den rug.
+De kleinste worm verheft, getrapt, den kop;
+En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt.
+Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon;
+Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste.
+Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader,
+Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien;
+Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend,
+Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn,
+Een vader u getoond, die niet beminde.
+Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel;
+En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’,
+Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen,
+Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len,
+Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht,
+Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31
+Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen?
+O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld;
+Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap
+Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven,
+En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:—
+„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven,
+Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!”
+O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap;
+Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege
+Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart,
+Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!
+
+KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst
+En voerde gronden aan van groot gewicht.
+Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord,
+Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt?
+En is het dien zoon altijd wel gegaan,
+Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle?
+Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden;
+O had ik ook zooveel, niets meer geërfd!
+Want al het oov’rige is slechts een bezitting,
+Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg,
+Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt.
+Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten,
+Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij;
+Die weeke stemming maakt uw volgers zwak.
+Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan;
+Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.—
+Kniel neder, Edward.
+
+KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder;
+En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.
+
+PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof,
+Ik wil het als uw troonopvolger trekken,
+En in dien strijd het voeren tot den dood.
+
+CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid;
+Want met een macht van dertigduizend man
+Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York,
+En roept hem, in de steden, die hij doortrekt,
+Tot koning uit, en velen vloeien toe;
+Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.
+
+CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet;
+De koningin slaagt beter in uw afzijn.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.
+
+KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76
+
+NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten.
+
+PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords
+En allen aan, die voor uw rechten strijden;
+Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”
+
+(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen
+op, met troepen.)
+
+EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade,
+En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem,
+Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap!
+Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren,
+Hier voor uw souverein en rechten koning?
+
+EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen.
+Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit,
+Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor,
+Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen,
+Veeleer de koning zijt, hem opgezet,
+Bij parlementsbesluit mij uit te vagen,
+En te vervangen door zijn eigen zoon.
+
+CLIFFORD. En dat terecht; wie zou
+Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?
+
+RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.
+
+CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord,
+U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.
+
+RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?
+
+CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.
+
+RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!
+
+WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken?
+Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden
+Uw beenen beter dan uw handen dienst.
+
+WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.
+
+CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.
+
+WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.
+
+NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet.
+
+RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.—
+Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode
+Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen
+Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.
+
+CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?
+
+RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114
+Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;—
+Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.
+
+KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.
+
+KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan;
+Ik ben een koning, spreken is mijn recht.
+
+CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond,
+Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.
+
+RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem,
+Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker.
+Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.
+
+EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet?
+Een duizend man, die nog ontbeten, proeven
+Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.
+
+WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd?
+Want York gespt voor het recht het harnas aan.
+
+PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan
+Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.
+
+RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder;
+Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder,
+Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen,
+Geteekend door het lot, dat men u mijde
+Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.
+
+RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt,
+Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,—
+Alsof een goot ooit zee geheeten werd!—
+Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet,
+Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?
+
+EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard,
+Als zij die prij zichzelve kennen leerde!
+Veel schooner was de Grieksche Helena,
+Al moge uw gade ook Menelaüs zijn;
+Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder
+Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet.
+Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk,
+Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen;
+En ware hìj naar zijnen rang gehuwd,
+Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd;
+Maar bedgenoot werd hem een beed’lares,
+Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader;
+En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam,
+Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde,
+En op zijn kroon hier oproer samenbracht.
+Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots?
+Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen;
+Uit deernis met den zachten koning hadden
+Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162
+
+GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente,
+En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei;
+Dies legden we aan den vreemden stam onze aks;
+En schoon de snede onszelf een weinig trof,
+Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving,
+Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld,
+Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.
+
+EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde,
+En ik versmaad elk verder mondgesprek,
+Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.—
+Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen!
+Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward!
+
+EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden!
+Tienduizend levens kost dit twisten heden.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een slagveld bij Towton.
+
+Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op.
+
+WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop,
+Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen;
+De ontvangen slagen, weergegeven houwen
+Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht;
+En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.
+
+(Edward komt in vliegende haast op.)
+
+EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij!
+Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.
+
+WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?
+
+(George komt op.)
+
+GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop;
+Doorbroken is ons heer en onheil naakt.
+Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?
+
+EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld;
+En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!
+
+(Richard komt op.)
+
+RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug?
+Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed,
+Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt;
+En in den laatsten doodstrijd riep hij nog,
+Dof als een onheilspellend ver gedreun:
+„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!”
+Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die
+Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed,
+Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22
+
+WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed;
+Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil.
+Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen,
+En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast;
+En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel
+Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak?
+Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven,
+Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets,
+Aleer de dood deze oogen heeft geloken,
+Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.
+
+EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie,
+En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!—
+En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat,
+Werp ik mijn oog en hart en hand tot U,
+U, grooten koningsschepper en verdelger,
+En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit,
+Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,—
+Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’,
+Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’!
+En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien,
+’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.
+
+RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick,
+’k Omvange u met mijn moegestreden armen!
+Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen,
+Dat winter onze lentezon doet tanen.
+
+WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!
+
+GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers;
+Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden,
+Hen noemen we onze pijlers; en aan hen
+Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd
+Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel.
+Dit plant wellicht in lauwe harten moed;
+Want hoop op leven is er en op zege.—
+Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Schermutselingen. Richard en Clifford komen op.
+
+RICHARD. Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij.
+Deze arm, denk dit, is voor den hertog York,
+En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd,
+Al waart ge omsloten van een bronzen muur.
+
+CLIFFORD. Nu, Richard, ben ik hier met u alleen.
+Ja, deze hand doorstak uw vader York,
+En deze hand versloeg uw broeder Rutland,
+En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood,
+En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder,
+Den lust geeft om u evenzoo te rechten.
+Dus: weer u!
+
+ (Zij vechten. Warwick komt. Clifford vlucht.)
+
+RICHARD. Neen, Warwick, lees een ander wild u uit;
+Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. 13
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op.
+
+KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd,
+Als stervend donker kampt met groeiend licht,
+Wanneer de herder, op zijn nagels blazend,
+Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht.
+Nu zwaait het dien weg, als een groote zee,
+Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen,
+Dan dezen weg uit, als dezelfde zee,
+Teruggedreven door de macht des winds;
+Nu wint de vloed den strijd en dan de wind,
+Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst;
+Beide om de zege worst’lend, borst aan borst,
+Geen overwinnaar nog, geen overwonnen;
+Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds.
+Ik wil me op dezen molshoop nederzetten.
+Waar God ze geven wil, daar zij de zege!
+Want Margaretha heeft, en Clifford ook,
+Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend,
+Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt.
+O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood!
+Want wat is de aard, dan enkel leed en nood?
+O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot,
+Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder,
+Te zitten op een heuvel als ik hier,
+En zonnewijzers kunstig uit te snijden,
+Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden,
+Hoeveel er van te zaam een uur voltooien.
+En hoeveel uren voor een dag verloopen,
+Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is,
+En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft.
+En dan, is dit erkend, den tijd te deelen,
+Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden,
+En zooveel uren moet ik aan mijn rust,
+En zooveel uur aan overdenking wijden,
+En zooveel uren geven aan vermaak,
+En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig,
+En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren,
+En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren;
+Minuten, uren, dagen, maanden, jaren,
+Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel,
+En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf.
+Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk!
+Verleent het doornebosch niet aan den herder,
+Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw,
+Dan op den troon een rijkgestikte hemel
+Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht?
+O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet.
+En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel,
+Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch,
+Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer,
+Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet,
+Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51
+Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker,
+Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd,
+Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.
+
+(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het
+lijk.)
+
+ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt!
+De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg,
+Kan licht een buidel kronen bij zich hebben;
+En ik, die bij geluk hem die ontneem,
+Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven,
+Een ander afstaan, als de doode aan mij.
+Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders,
+Dien ik onwetend in den strijd versloeg!
+O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt!
+Men preste mij te Londen voor den koning;
+Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick,
+Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York;
+En ik, die ’t leven eens van hem ontving,
+Heb met mijn hand het leven hem benomen!—
+Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;—
+Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.—
+Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg;
+En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!
+
+KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed!
+Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren,
+Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist.
+Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan;
+Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist,
+Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!
+
+(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn
+armen.)
+
+VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt,
+Geef mij uw goud, indien gij goud bezit;
+Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen.
+Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands?
+O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!—
+O kind, zoo er nog leven in u is,
+Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen,
+Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden,
+Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!—
+Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!—
+O welke daden, gruw’lijk en moorddadig,
+Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk,
+Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!—
+O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven,
+Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!
+
+KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed!
+O, dat mijn dood die gruw’len einden kon!
+Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!—
+De roode en witte roos zijn op zijn kaak,
+Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98
+Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur,
+Op de andere al te wel zijn bleeke wang;
+Één roos verwelke, en moge de andre bloeien!
+Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!
+
+ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood,
+Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!
+
+VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon,
+Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!
+
+KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen,
+Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!
+
+ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?
+
+VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?
+
+KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd?
+Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.
+
+ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.
+
+ (De Zoon af met het lijk.)
+
+VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,—
+Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht,
+Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten.
+Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt;
+En even diepe rouw bedrijft uw vader
+Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind,
+Als Priamus om al zijn dapp’re zoons.
+Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht
+En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.
+
+ (De Vader af, met het lijk.)
+
+KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij,
+Hier zit een koning, met meer wee dan gij.
+
+(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van
+Wales en Exeter komen op.)
+
+PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden,
+En Warwick raast als een getergde stier.
+IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar
+Berwick;
+Edward en Richard,—als twee hazenwinden,
+Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien,
+Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len,
+Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd,
+Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!
+
+EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak;
+Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed;
+Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.
+
+KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137
+Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik
+De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+Aldaar.
+
+Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond.
+
+CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij,
+Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen.
+O Lancaster! nu vrees ik uwen val,
+Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel!
+Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden,
+Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging,
+Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York.
+Waar vliegen muggen heen, dan in de zon?
+En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders?
+O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend,
+Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende,
+Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid!
+En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht,
+Gelijk uw vader en zijn vader deden,
+En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven,
+Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen;
+Ik en tienduizend in dit arme rijk,
+Wij lieten thans geen droeve weeuwen na,
+En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon.
+Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht?
+En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?—
+Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden.
+Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer!
+De vijand kent geen deernis, geen erbarmen,
+Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen!
+De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in,
+En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.—
+Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders;
+Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!
+
+(Hij bezwijmt.)
+
+(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague,
+Warwick en Troepen komen op.)
+
+EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk
+Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd
+Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.—
+Een deel vervolg’ de felle koningin;
+Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning,
+Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind,
+Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen.
+Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?
+
+WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is;
+Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,—
+Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf;
+En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.
+
+ (Clifford steunt en sterft.)
+
+EDWARD. Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? 42
+
+RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood.
+
+EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu
+’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.
+
+RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t;
+Die niet tevreden, dat hij zulk een tak
+Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef,
+Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg,
+Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,—
+Ik meen, aan onzen hoogen vader York.
+
+WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af,
+Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant;
+En neme zijne plaats dit hoofd nu in,
+Want maat voor maat moet de vergelding zijn.
+
+EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis,
+Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste;
+Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied,
+En de onheilstaal van zijne tong verstomde.
+
+(Het lijk wordt naar voren gedragen.)
+
+WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.—
+Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?—
+’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht;
+Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.
+
+RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet;
+Het is misschien een list, zich dood te veinzen,
+Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga,
+Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.
+
+GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.
+
+RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.
+
+EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!
+
+WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!
+
+GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.
+
+RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York.
+
+EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.
+
+GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.
+
+WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.
+
+RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford
+Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78
+Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God!
+Kon ik hem zoo twee uren levens koopen,
+Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen,
+Ik hakte mij de hand af en verstikte
+Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst
+Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.
+
+WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af,
+En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat.
+En nu naar Londen voorwaarts in triomf,
+En laat tot Englands koning fluks u kronen.
+Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over,
+En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin.
+Zoo knoopt gij beide landen innig saam,
+En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand,
+Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan;
+Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan,
+Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen.
+Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek
+Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk
+Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.
+
+EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick;
+Want op uw schouders bouw ik mijnen troon,
+En nimmer onderneem ik een’ge zaak,
+Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.—
+Richard, tot hertog maak ik u van Gloster,
+George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf,
+Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.
+
+RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster;
+Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.
+
+WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet
+Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen,
+Daar al onze eer nu in bezit genomen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een jachtveld in Noord-Engeland.
+
+Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte,
+Want op deze open plek komt steeds het wild;
+Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht,
+En lezen zoo het schoonste hert ons uit.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog
+Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot.
+Neen, samen staan wij hier en doen ons best.
+En om den tijd van ’t wachten u te korten,
+Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats,
+Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.
+
+(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.)
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij
+is.
+
+KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13
+Om liefdevol mijn eigen land te groeten.
+Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u,
+Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen,
+Die balsem, die u heiligde, afgewischt;
+Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen,
+Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen,
+Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken;
+Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont;
+De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.
+
+KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen;
+Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.
+
+KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp;
+En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik,
+Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster
+Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo,
+Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite;
+Want Warwick is een schrander redenaar,
+En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk.
+Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen;
+Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard;
+Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst,
+Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38
+Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht,
+En Nero wordt geroerd van deernis, als hij
+Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet.
+’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven;
+Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen,
+Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward.
+Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet;
+Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond;
+Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart,
+Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt,
+En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind
+Den koning overreedt, haar niet te hooren,
+Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen,
+Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot.
+Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme
+Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen
+En koninginnen praat? 55
+
+KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest;
+Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn?
+En van een koning mag een mensch toch praten?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.
+
+KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?
+
+KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd,
+Met Indische edelsteenen niet bezet,
+Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid,
+Een kroon zooals een koning zelden draagt.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan
+Nu met uw kroon tevredenheid tevreden
+En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij
+De koning, afgezet door koning Edward;
+En wij, onze’ eed als onderdanen trouw,
+Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.
+
+KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.
+
+KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.
+
+KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning,
+Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren;
+Gezworen onderdanen waart gij mij;
+En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen;
+Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.
+
+KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch?
+Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert!
+Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas,
+En de adem van den wind het mij terugblaast,
+En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas,
+En ook weer toegeeft, als een ander blaast,
+Steeds door de sterker strooming meegevoerd,
+Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89
+Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde
+Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn.
+Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last;
+Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.
+
+KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn,
+Als hij op koning Edward’s troon weer zat.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede;
+Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.
+
+KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings
+Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond;
+En wat God wil, dat moge uw koning doen;
+In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op.
+
+KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe
+Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag
+Van Sint-Albaans gevallen en zijn land
+Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar.
+Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land,
+Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen,
+Omdat de waardige edelman zijn leven
+Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.
+
+GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan;
+Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.
+
+KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo?
+De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan,
+Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed
+het spoor!
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu!
+
+KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw,
+Kom dus een andermaal het antwoord hooren.
+
+LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden;
+’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven,
+En wat u zal behagen is mij goed.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw
+land,
+Indien wat hem behaagt, u wel bevalt.
+Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij
+niet valt. 24
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor
+hem!
+
+KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind
+van haar.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er
+twee.
+
+LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer.
+
+GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.
+
+KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.
+
+LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.
+
+KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje
+toetsen.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten,
+Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.
+
+(Gloster en Clarence treden terug.)
+
+KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?
+
+LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb.
+
+KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?
+
+LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.
+
+KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.
+
+LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.
+
+KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.
+
+LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.
+
+KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?
+
+LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.
+
+KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.
+
+LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.
+
+KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.
+
+LADY GREY. Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. 49
+
+GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen
+holt den steen.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was
+wel smelten.
+
+LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?
+
+KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen.
+
+LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.
+
+KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.
+
+LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.
+
+(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.)
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het
+zegel.
+
+KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.
+
+LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.
+
+KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin;
+Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?
+
+LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden,
+Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.
+
+KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.
+
+LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.
+
+KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.
+
+LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch
+Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.
+
+KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.
+
+LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.
+
+KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.
+
+LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed;
+Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.
+
+KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort.
+
+LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort.
+Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim
+Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek;
+Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.
+
+KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede;
+Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.
+
+LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de
+wenkbrauw.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo
+plomp het hof.
+
+KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik;
+Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord;
+Zoo schoone gaven eischen vorstenrang;
+Een koning is zij waardig, zus of zoo,
+’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.—
+(Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?
+
+LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen;
+Ik deug als onderdaan misschien tot scherts,
+Maar nimmer toch om koningin te zijn.
+
+KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon,
+Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent;
+Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.
+
+LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil.
+Ik weet, ik ben te laag voor koningin,
+Maar toch te goed voor liefje van een koning.
+
+KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.
+
+LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons
+U vader gingen noemen.
+
+KONING EDWARD. Neen, niet meer,
+Dan zoo u mijne dochters moeder noemen.
+Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk;
+En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel,
+Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak,
+De vader van een tal van zoons te zijn.
+Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht
+gehoord.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list
+aan ’t woord.
+
+KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?
+
+GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.
+
+KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?
+
+CLARENCE. Voor wien, mylord?
+
+KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf.
+
+GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.
+
+CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.
+
+GLOSTER. Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. 114
+
+KONING EDWARD. Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u,
+Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt.
+
+(Een Edelman komt op.)
+
+EDELMAN. Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat,
+En als gevang’ne hier voor uw paleis.
+
+KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—
+
+ (De Edelman af.)
+
+En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft,
+Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.—
+Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.
+
+ (Allen af, behalve Gloster.)
+
+GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.—
+Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles,
+Opdat geen groene spruit uit zijne lenden
+Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag!
+Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,—
+Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,—
+Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward,
+En al hun onverhoopte lijflijke erven,
+En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is;
+Een killende overweging bij mijn plan!
+Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk,
+Als een, die op een voorgebergte staat
+En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht,
+En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog,
+De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt,
+Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen;
+Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon,
+En kijf op al wat mij van haar terughoudt,
+En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen,
+En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is.
+Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest,
+Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren.
+Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard,
+Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan?
+Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot,
+In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re
+De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;—
+Armzalige inval, minder nog bereikbaar,
+Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen!
+De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf;
+En, opdat ik haar zachte wet zou derven,
+Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht
+Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len
+Gelijk een dorre struik, om op mijn rug
+Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid
+Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt;
+Om mij de beenen ongelijk te vormen,
+Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden,
+Als aan een warklomp of een berenwelp,
+Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt.
+En ben dan ik een man, die liefde wekt?
+O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164
+Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt
+Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen,
+Die schooner van gestalte zijn dan ik,
+Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen,
+En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen,
+Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd
+Omtuind is van een glorierijke kroon.
+Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang,
+Want vele levens scheiden mij van ’t doel.
+Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,—
+De dorens scheurend, zelf er door geschramd,—
+Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert,
+Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt,
+Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,—
+Zoo martel ik mij af om Englands kroon;
+En van die mart’ling wil ik mij bevrijden,
+Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks.
+Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,
+En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft,
+En kunstig mijn gelaat met tranen vochten,
+Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds.
+’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf,
+Meer kijkers dooden dan de basilisk,
+Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen,
+Bedriegen, fijner dan Ulysses deed,
+Een Sinon zijn en nog een Troje nemen;
+Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen,
+Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs;
+Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;—
+En zou een kroon mij onbereikbaar zijn?
+Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!
+
+ (Gloster af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Een staatsievertrek in het koninklijk paleis.
+
+Trompetgeschal. Koning Lodewijk en prinses Bona komen op, met Gevolg.
+De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin Margaretha,
+Prins Edward en de Graaf van Oxford.
+
+KONING LODEWIJK (opstaande). Doorluchte, schoone koningin van England,
+Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst,
+Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, groote koning, Margaretha moet
+Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen,
+Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte
+’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd,
+Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden,
+Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet
+Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu,
+En ik mij schikken in mijn lage plaats.
+
+KONING LODEWIJK. Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult,
+Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt.
+
+KONING LODEWIJK. Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, 15
+En zet u naast ons. (Beiden gaan zitten.) Buig den nek toch niet
+Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave
+Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort;
+Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed;
+Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest
+En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken.
+Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust,
+Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart,
+In plaats van koning nu een vlucht’ling is,
+In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet,
+Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York,
+Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd
+Van Englands echtgezalfden, rechten koning.
+Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha,
+Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon,
+Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend;
+Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop;
+Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet;
+In England zijn èn pairs èn volk verleid,
+De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid;
+En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid.
+
+KONING LODEWIJK. Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm,
+Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand.
+
+KONING LODEWIJK. Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, ongeduld verzelt steeds waren kommer;
+En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan.
+
+(Warwick komt op, met Gevolg.)
+
+KONING LODEWIJK. Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon?
+
+KONINGIN MARGARETHA. De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend.
+
+KONING LODEWIJK. Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons?
+
+(De Koning komt van den troon af. Koningin Margaretha staat op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wee! nu begint een tweede storm te woeden;
+Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht!
+
+WARWICK. De roemrijke Edward, koning thans van Albion,
+Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend,
+Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde,
+Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten,
+Voorts aan te dringen op een vriendschapsband,
+En dan nog, om die vriendschap te versterken,
+Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen,
+Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona,
+Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58
+
+WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege
+Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig
+De hand u kussen en u met mijn tong
+Den gloed beschrijven van mijns meesters hart,
+Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend,
+Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan,
+Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek
+Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde,
+Alleen uit arglist, door den nood verwekt;
+Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis,
+Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt?
+Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk,
+Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven,
+Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon.
+Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt,
+Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd;
+Want een geweld’naar moge een wijle heerschen,
+God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.
+
+WARWICK. Smaadzieke Margaretha!
+
+PRINS. Waarom niet koningin?
+
+WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij
+Zoo min een prins, als zij een koningin.
+
+OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent,
+Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet,
+En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik,
+Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs,
+En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik,
+Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd;
+Van deze reeks stamt onze Hendrik af.
+
+WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede
+Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik
+Al wat de vijfde Hendrik won, verloor?
+Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier
+De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij
+Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets
+Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.
+
+OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij
+Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft,
+En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?
+
+WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98
+Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms?
+Laat Hendrik varen en noem Edward koning.
+
+OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis
+Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere,
+Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader,
+En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds
+Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had?
+Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft,
+Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.
+
+WARWICK. En ik aan ’t huis van York.
+
+KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford,
+Op ons verzoek een poos ter zij te treden,
+Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.
+
+KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’!
+
+(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.)
+
+KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af,
+Is Edward waarlijk koning, want ik knoop
+Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.
+
+WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.
+
+KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks?
+
+WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.
+
+KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk
+De mate van de liefde, die hij voedt
+Voor onze zuster.
+
+WARWICK. Zoo doet die zich voor,
+Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt.
+Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren;
+Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde,
+Die in den grond der deugd haar wortels heeft,
+Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid.
+Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen,
+Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.
+
+KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.
+
+BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn;
+(Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds,
+Als ik uws konings gaven hoorde roemen,
+Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.
+
+KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade;
+En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen
+Omtrent den weduwschat, dien England toekent,
+Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.—
+Treed nader, koningin, en wees getuige,
+Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.
+
+PRINS EDWARD. Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. 140
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan,
+Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken;
+Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.
+
+KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha;
+Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak,
+Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken,
+Dan is het billijk, dat ik van de hulp
+Ontheven zij, voorheen u toegezegd.
+Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst,
+Dien gij behoeft en ik verleenen kan.
+
+WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland,
+Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan.
+En gij, gewezen koningin van England,
+Hebt hier uw vader om voor u te zorgen;
+Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg,
+Gij trotsche koningsschepper en verdelger!
+Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen,
+Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon,
+Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde;
+Want vogels zijt ge beî van eender veeren.
+
+(Horengeschal.)
+
+KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over,
+Van uwen broeder, markgraaf Montague;—
+(Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;—
+(Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.
+
+(Allen lezen hun brieven).
+
+OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres
+Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.
+
+PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld;
+Ik hoop er ’t beste van.
+
+KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek!
+Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.
+
+WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.
+
+KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174
+En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen
+En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant?
+Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt?
+En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld;
+Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.
+
+WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel,
+En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik
+Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,—
+Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert,
+Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag.
+Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York
+Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden?
+Gezwegen bij de onteering van mijn nicht?
+Zijn hoofd omgeven met de koningskroon?
+Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken?
+En word ik in het eind met schimp beloond?
+Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt,
+Die hij mij roofde; en om die weer te winnen,
+Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik.
+Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok;
+Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar.
+Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik,
+En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde;
+En ik vergeef, vergeet alle oude schuld,
+Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.
+
+WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend,
+Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen
+Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan,
+Ik op mij neem, op onze kust te landen,
+Door krijg den dwing’land van den troon te storten.
+Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat;
+En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt,
+Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken,
+Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer,
+Dan veiligheid of sterkte van ons land.
+
+BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden,
+Zoo gij deze arme koningin niet steunt?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven,
+Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?
+
+BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een.
+
+WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses.
+
+KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha,
+Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste
+Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken.
+
+KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222
+Den valschen Edward, uw vermeenden koning,
+Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
+Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.
+Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.
+
+BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar
+Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd
+En sta gereed, het harnas aan te gespen.
+
+WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
+En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.
+Hier, neem uw loon, en ga!
+
+ (Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.)
+
+KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij,
+En Oxford, en vijfduizend man met u,
+Steekt over en bestrijdt den valschen Edward;
+En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe,
+Alsook de prins, met versche troepen volgen.
+Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op:
+Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?
+
+WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw:
+Indien mijn koningin en prins het willen,
+Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter,
+Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel.
+Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon;
+Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick,
+En met de hand uw onverbreek’lijk woord,
+Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.
+
+PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het;
+En hiervoor zij mijn hand het onderpand.
+
+(Hij reikt aan Warwick de hand.)
+
+KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam,
+En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks,
+Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.—
+Zij nederlaag en dood nu Edwards lot,
+Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!
+
+ (Allen af, behalve Warwick.)
+
+WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier,
+Doch ga terug als zijn gezworen vijand.
+Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len,
+Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek.
+Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen?
+Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed.
+Ik was de man, die hem ten troon verhief;
+Ik wil de man zijn, die hem vallen doet.
+Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel,
+Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.
+
+ (Warwick af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op.
+
+GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u
+Van dezen nieuwen echt met lady Grey?
+Kon onze broeder beter keuze doen?
+
+CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;
+Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?
+
+SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.
+
+GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.
+
+CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.
+
+(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als
+koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.)
+
+KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,
+Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?
+
+CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,
+Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,
+Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.
+
+KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,
+Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,
+Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16
+
+GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;
+Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.
+
+KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?
+
+GLOSTER. Neen, neen, ik niet;
+Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,
+Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het
+Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.
+
+KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin,
+Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey
+Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—
+En gij ook, Somerset en Montague,
+Zegt ronduit uwe meening.
+
+SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk
+Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek
+Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.
+
+GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht,
+Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33
+
+KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen
+Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?
+
+MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,
+Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,
+Dan eenige echt met een landsdochter doet.
+
+HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England
+Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?
+
+MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.
+
+HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!
+Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,
+Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;
+Verweren wij ons enkel met hun hulp;
+In hen en in onszelf ligt onze kracht.
+
+CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,
+De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.
+
+KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;
+En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.
+
+GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,
+Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw
+De erfdochter weg te schenken van lord Scales;
+Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;
+Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.
+
+CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon
+Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,
+En zoo uw broeders elders laten uitzien.
+
+KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,
+Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.
+
+CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;
+Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,
+Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;
+En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.
+
+KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn
+En niet gebonden aan zijns broeders wil.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,
+Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,
+Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—
+Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren
+Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.
+Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,
+Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,
+Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.
+
+KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75
+Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,
+Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend
+En hun monarch is, wien zij moeten dienen?
+Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,
+Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;
+En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,
+En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten
+Uit Frankrijk?
+
+BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,
+Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,
+Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.
+
+KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,
+Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.
+Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?
+
+BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:
+„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,
+„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
+„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”
+
+KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.
+Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?
+
+BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:
+„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar
+„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”
+
+KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;
+Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?
+Want naar ik hoorde, was zij mede daar.
+
+BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,
+„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”
+
+KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.
+Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?
+
+BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit
+Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:
+„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
+„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”
+
+KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112
+Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,
+En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.
+Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?
+
+BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,
+Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.
+
+CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.
+Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;
+Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,
+Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,
+In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—
+Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.
+
+ (Clarence af, gevolgd door Somerset.)
+
+GLOSTER (ter zijde). Niet ik;
+Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik
+Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.
+
+KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!
+Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;
+Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—
+Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;
+Rust alles duchtig tot den oorlog toe.
+Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;
+Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.
+
+ (Pembroke en Stafford af.)
+
+Doch voor ik ga, Hastings en Montague,
+Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,
+Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;
+Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?
+Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;
+Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;
+Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,
+Zoo geve een eed van u mij zekerheid,
+Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!
+
+MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!
+
+HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht.
+
+KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?
+
+GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.
+
+KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.
+Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,
+Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte in Warwickshire.
+
+Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen.
+
+WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;
+In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.
+
+(Clarence en Somerset komen op.)
+
+Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!
+Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?
+
+CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor.
+
+WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;
+Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,
+Argwaan te koest’ren, als een edel hart
+Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;
+’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,
+Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;
+Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—
+Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,
+Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,
+Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,
+En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,
+Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?
+’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,
+Gelijk Ulysses en held Diomedes
+Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen
+En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,
+Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,
+De wacht van Edward onvoorziens verslaan,
+Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,
+Want enkel hem verrassen is mijn doel.—
+Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,
+Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!
+
+ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik!
+
+WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!
+Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Edwards legerkamp bij Warwick.
+
+Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.
+
+EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;
+De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.
+
+TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed?
+
+EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,
+Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,
+Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.
+
+TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.
+Als Warwick zoo nabij is als men zegt.
+
+DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,
+Die met den koning in zijn tent hier slaapt?
+
+EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.
+
+DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,
+Dat al zijn volk schier in de steden ligt,
+Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14
+
+TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.
+
+DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;
+Die heb ik liever dan gevaar en eer.
+Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,
+Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.
+
+EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden.
+
+TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,
+Dan om een overval bij nacht te keeren!
+
+(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle
+stilte.)
+
+WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.
+Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!
+Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.
+
+EERSTE WACHTER. Wie daar?
+
+TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft!
+
+(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de
+Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de
+Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder
+getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in
+nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men
+Gloster en Hastings vluchten.)
+
+SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten?
+
+WARWICK. Richard is ’t,
+Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.
+
+KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,
+Heette ik uw koning!
+
+WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders.
+Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,
+Toen heb ik u als koning afgezet,
+En thans benoem ik u tot hertog York.
+Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,
+Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,
+Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,
+Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,
+Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,
+Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.
+
+KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?
+Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—
+Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,
+Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,
+Zal Edward steeds als koning zich gedragen;
+Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,
+Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.
+
+WARWICK. Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48
+
+(Hij neemt hem de kroon af.)
+
+Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen
+En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—
+Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,
+Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,
+Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.
+Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,
+Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord
+Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—
+En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.
+
+KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;
+En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.
+
+ (Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.)
+
+OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,
+Dan met ons heer naar Londen op te rukken?
+
+WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,
+Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,
+En weer te plaatsen op zijn koningstroon.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koningin Elizabeth en Rivers komen op.
+
+RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,
+Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?
+
+RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.
+
+RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,
+Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,
+Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;
+En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede
+Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,
+Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.
+
+RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;
+Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;
+Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren;
+Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,
+Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;
+Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,
+Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20
+Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,
+En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;
+Licht ware traan of zuchten ten verderve
+Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!
+
+RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,
+En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.
+Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.
+Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—
+Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—
+IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats
+En red den erfgenaam van Edwards recht;
+Daar ben ik veilig voor geweld en list.
+Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;
+Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een park bij het slot Middleham in Yorkshire.
+
+Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op.
+
+GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,
+Verbaast u langer niet, dat ik hierheen
+In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.
+Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward
+Is als gevang’ne bij den bisschop hier,
+Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,
+Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,
+Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.
+’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,
+Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,
+Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,
+Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt
+En zijn gevangenschap verbreken kan.
+
+(Koning Edward en een Jager komen op.)
+
+JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.
+
+KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—
+Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,
+Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?
+
+GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.
+Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.
+
+KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu?
+
+HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.
+
+GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.
+
+KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.
+
+GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.
+
+KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?
+
+JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.
+
+GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!
+
+KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,
+En bid, dat God mij weder koning maak’.
+
+ (Allen af).
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Een vertrek in den Tower.
+
+Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford,
+Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op.
+
+KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden
+Edward gebonsd is van den koningstroon,
+En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,
+Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,
+Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!
+
+SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;
+Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,
+Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.
+
+KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?
+Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,
+Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;
+Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,
+Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,
+In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,
+’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—
+Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,
+Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;
+Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—
+Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,
+Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,
+En niet het volk van dit gezegend land
+Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,
+Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,
+Geef ik aan u het landsbestuur hier over,
+Want u geleidt geluk bij al uw doen.
+
+WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,
+Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,
+Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;
+Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;
+Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—
+Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.
+
+CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,
+Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte
+De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,
+Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;
+En daarom geef ik willig u mijn stem.
+
+WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector.
+
+KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38
+Vereent uw handen, en daarmee uw harten,
+Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;
+Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,
+Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,
+Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,
+Mijn Schepper love en booze zonde mijde.
+
+WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?
+
+CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;
+Want op uw goed geluk verlaat ik mij.
+
+WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.
+Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw
+Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.
+’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,
+Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.
+En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,
+Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad
+En al zijn land en goed verbeurdverklaren.
+
+CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.
+
+WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.
+
+KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht
+Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—
+Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,
+Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;
+Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees
+De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.
+
+CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.
+
+KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap,
+Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?
+
+SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.
+
+KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop.
+
+(Hij legt hem de hand op het hoofd.)
+
+Indien geheime machten echte waarheid
+Inblazen aan mijn verrezienden geest,
+Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.
+Zijn blik is vol van kalme majesteit,
+Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,
+Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf
+Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.
+Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat
+Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+WARWICK. Wat meldt gij, man?
+
+BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,
+En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.
+
+WARWICK. Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80
+
+BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings
+Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,
+In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,
+En aan des bisschops jagers hem ontrukt;
+Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.
+
+WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—
+Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,
+Om elke wond, die voorkomt, te genezen.
+
+ (Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.)
+
+SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;
+Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,
+En dan ontstaat er even wis weer krijg.
+Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart
+Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,
+Thans is ’t beangst om wat in deze twisten
+Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.
+Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,
+Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,
+Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.
+
+OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,
+Licht deelde Richmond in der and’ren loon.
+
+SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;
+Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Voor York.
+
+Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen.
+
+KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,
+Tot dusver maakt het lot ons alles goed,
+En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat
+Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.
+Wij staken tweemaal nu de zee goed over,
+Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;
+Wij kwamen van de haven Ravensburg
+Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,
+Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?
+
+(Hastings klopt aan de poort.)
+
+GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;
+Voor menigeen is struik’len aan den drempel
+Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.
+
+KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;
+Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;
+’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.
+
+HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.
+
+(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op
+den muur.)
+
+MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17
+Uit zorg voor onze veiligheid de poort,
+Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.
+
+KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft
+Steeds Edward voor het minst hertog van York.
+
+MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.
+
+KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,
+Waarmede ik gansch en al tevreden ben.
+
+GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,
+Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.
+
+HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?
+Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.
+
+MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.
+
+ (De Mayor en Raadsleden boven af.)
+
+GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed!
+
+HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,
+Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,
+Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij
+Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.
+
+(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.)
+
+KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,
+Dan in de nacht of als er oorlog is.
+Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;
+
+(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.)
+
+Want Edward is ’t, die u, uw stad en al
+Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.
+
+(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.)
+
+GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,
+Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.
+
+KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?
+
+MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,
+Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.
+
+KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog
+Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen
+Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.
+
+MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;
+Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—
+De trom geroerd en weder afgetrokken!
+
+(De trommen beginnen een marsch te slaan.)
+
+KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,
+Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.
+
+MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53
+Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,
+Dan laat ik hier u over aan uw lot,
+Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.
+Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?
+
+GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?
+
+KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;
+Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.
+
+HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!
+
+GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.
+Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;
+’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.
+
+KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,
+En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.
+
+MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;
+En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.
+
+HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—
+Hier kameraad, lees gij de proclamatie.
+
+(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.)
+
+SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van
+Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.”
+
+MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,
+Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.
+
+(Hij werpt zijn handschoen neder.)
+
+ALLEN. Lang leve Edward de vierde!
+
+KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!
+Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.
+Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;
+En als de morgenzonne weer haar kar
+Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,
+Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,
+Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—
+O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,
+Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!
+Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—
+De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;
+En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en
+Oxford komen op.
+
+WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward
+Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,
+De smalle zee in veiligheid doorkliefd,
+En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen
+En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.
+
+KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan.
+
+CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;
+Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.
+
+WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,
+In vrede rustig, leeuwen in den krijg;
+Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,
+En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent
+De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;
+Gij, broeder Montague, in Buckingham,
+Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis
+Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—
+Gij, dappere Oxford, wondervol bemind
+In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—
+Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar
+Omgeven, als zijn eiland van de zee,
+Of als de kuische jachtgodin van nymfen,
+In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—
+Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.
+Vaarwel, mijn vorst en heer.
+
+KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.
+
+CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand.
+
+KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!
+
+MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.
+
+OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw;
+vaarwel!
+
+KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,
+Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.
+
+WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.
+
+ (Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.)
+
+KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.
+Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?
+Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,
+Is niet in staat, de mijne te weerstaan.
+
+EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.
+
+KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.
+’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.
+Geen beden uitgesteld van dag tot dag;
+Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,
+Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,
+Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;
+Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,
+Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,
+Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.
+Waarom zou Edward hun dus liever zijn?
+Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;
+En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,
+Dan loopt het lam hem immer achterna.
+
+(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”)
+
+EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?
+
+(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.)
+
+KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;
+En roept ons weder uit tot Englands koning.—
+Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;
+Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,
+En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—
+Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.
+
+ (Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.)
+
+En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,
+Waar de op gezag beluste Warwick staat.
+Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,
+’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.
+
+GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt
+Den grootgeworden landverrader plots’ling;
+Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Voor Coventry.
+
+Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee
+Boden en Anderen.
+
+WARWICK. Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?
+Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?
+
+EERSTE BODE. Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.
+
+WARWICK. Waar is de man, die Montague ons zond?—
+Hoe ver is onze broeder Montague?
+
+TWEEDE BODE. Nu reeds te Daintry, met een groote macht.
+
+(Sir John Somerville komt op.)
+
+WARWICK. Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?
+En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?
+
+SOMERVILLE. ’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;
+Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.
+
+(Men hoort getrommel.)
+
+WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11
+
+SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.)
+Southam ligt daar;
+’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.
+
+WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?
+
+SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.
+
+(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun
+troepen.)
+
+KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud.
+
+GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.
+
+WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier?
+Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,
+Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?
+
+KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?
+Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,
+Noem Edward koning, vraag van hem genade,
+En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.
+
+WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?
+Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;
+Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,
+En blijven zult ge en zijn, hertog van York.
+
+GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;
+Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?
+
+WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?
+
+GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;
+Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.
+
+WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.
+
+KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.
+
+WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;
+Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;
+Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.
+
+KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;
+En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:
+Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?
+
+GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42
+Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,
+Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!
+Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;
+Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.
+
+KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!
+
+GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!
+Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.
+
+WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen
+En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,
+Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.
+
+KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—
+De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,
+En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd
+Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:
+De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.
+
+(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!
+
+OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster!
+
+(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons!
+
+KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen.
+Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig
+De poort uit om een slag ons aan te bieden;
+Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij
+Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.
+
+WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.
+
+(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster!
+
+(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad
+Betalen met uw dierbaarst hartebloed.
+
+KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;
+En overwinning, heil spelt mij mijn hart.
+
+(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster!
+
+(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij,
+Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,
+Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.
+
+(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76
+Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!
+Hem geldt een edele ijver voor het recht
+Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—
+
+(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met
+hem.)
+
+Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.
+
+CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?
+
+(Hij neemt de roode roos van den hoed.)
+
+Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;
+Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot
+Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;
+’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,
+Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,
+Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,
+Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?
+Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?
+Het houden van dien eed waar’ goddeloozer
+Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.
+Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,
+Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,
+Mij uw gezworen vijand hier verklaar,
+En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—
+En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—
+U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.
+Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,
+En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—
+Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;
+Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;
+Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.
+
+KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,
+Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!
+
+GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.
+
+WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!
+
+KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?
+Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?
+
+WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!
+Ik trek terstond van hier naar Barnet op;
+Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.
+
+KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—
+Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!
+
+ (Getrommel. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een slagveld bij Barnet.
+
+Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar
+verwonden Warwick.
+
+KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;
+Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—
+Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;
+Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!
+
+ (Koning Edward af.)
+
+WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,
+En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?
+Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,
+Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,
+Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,
+En door mijn val de zege aan mijnen vijand.
+Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen
+De koningsarend schutse vond, wiens schaduw
+Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin
+Neêrzag op Jupiters verkoren boom
+En struikjes hoedde voor des winters vlagen.
+Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,
+Was eens doordringend als de middagzon,
+Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;
+De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,
+Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;
+Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?
+Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?
+Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!
+Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,
+Begeven mij; van al mijn landbezit
+Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.
+O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?
+Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.
+
+(Oxford en Somerset komen op.)
+
+SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,
+O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!
+Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin
+Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!
+
+WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,
+Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,
+En houd mijn ziel terug met uwe lippen!
+Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen
+Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat
+Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.
+Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.
+
+SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,
+En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,
+En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”
+Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,
+Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf
+En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst
+Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:
+„Vaarwel, mijn Warwick!”
+
+WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;
+Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!
+
+ (Hij sterft.)
+
+OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!
+
+ (Beiden af, met Warwick’s lijk.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het slagveld.
+
+Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence,
+Gloster en de Overigen.
+
+KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,
+En sieren zegekransen ons het hoofd.
+Doch in den middagglans van dezen dag
+Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt
+En strijden wil met onze gouden zon,
+Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;
+Mylords, de strijdmacht, die de koningin
+In Gallië samenbracht, is reeds geland,
+Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.
+
+CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk,
+En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;
+Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;
+Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.
+
+GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend;
+Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—
+Kan zij op adem komen, wees verzekerd,
+Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.
+
+KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht,
+Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.
+Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,
+Terstond daarheen, want ijver kort den weg;
+En onderweg groeit onze macht wis aan
+In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—
+De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte bij Tewksbury.
+
+Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en
+Soldaten komen op.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords,
+Geen wijze zit en jammert om verliezen;
+Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.
+Zij ook de mast ons overboord gewaaid,
+De kabel middendoor, het anker weg,
+En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,
+Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij
+Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje
+Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,
+En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,
+Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed
+En vlijt kon redden, op de klippen stoot?
+O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!
+Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?
+En Montague de bramsteng,—wat dan verder?
+Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?
+Is Oxford hier ons niet een ander anker,
+En Somerset een and’re goede mast,
+En onze Fransche vrienden want en tuig? 18
+Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,
+Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?
+Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;
+Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip
+Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.
+Of gij de baren hoont of prijst, is een.
+En wat is Edward dan een booze zee?
+En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?
+En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?
+Die allen zijn onze arme hulk vijandig.
+Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;
+Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;
+Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,
+Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.
+Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,
+Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,
+Niet meer genade bij de broeders vindt,
+Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.
+Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,
+Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.
+
+PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,
+Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,
+Zijn borst vervullen van een heldenmoed,
+Om naakt een man in waap’nen te verslaan.
+Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;
+Want als ik iemand hier van vrees verdacht,
+’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,
+Opdat hij in den nood geen ander aansteek’
+En van denzelfden geest doe zijn als hij.
+Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—
+Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.
+
+OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—
+En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—
+O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde
+Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang
+En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!
+
+SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,
+Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,
+Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!
+
+PRINS. Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij,
+Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!
+
+OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;
+Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.
+
+SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.
+
+OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.
+
+(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence
+komen op, met troepen).
+
+KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het
+doornenwoud,
+Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,
+Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.
+’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,
+Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—
+Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!
+
+KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik
+zeggen wilde,
+Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,
+Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.
+Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne
+Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,
+Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,
+Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;
+En ginder is de wolf, die dit bedreef.
+Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,
+Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!
+
+ (Beide legers af).
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan
+komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin
+Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen.
+
+KONING EDWARD. Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.
+Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;
+En Somerset, het schuldig hoofd hem af!
+Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.
+
+OXFORD. Ik zal u niet met woorden lastig vallen.
+
+SOMERSET. Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wij scheiden treurig in dit jammerdal;
+Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.
+
+ (Oxford en Somerset af, met een wacht).
+
+KONING EDWARD. Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,
+Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?
+
+GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11
+
+(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)
+
+KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—
+Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?
+Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven
+Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,
+En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?
+
+PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,
+En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:
+Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,
+Terwijl ik u dezelfde vragen stel,
+Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!
+
+GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,
+En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.
+
+PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len;
+Hier passen zulke hondsche raadsels niet.
+
+GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.
+
+GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!
+
+PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.
+
+KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.
+
+CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.
+
+PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;
+Wellustige Edward,—eedvergeten George,—
+En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:
+Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,
+En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.
+
+KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij!
+
+GLOSTER. Voorwaar, terstond! 42
+
+(Hij richt het zwaard op haar).
+
+KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.
+
+GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?
+
+KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en
+broeder van mij;
+Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;
+Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.
+
+CLARENCE. Wat? wat?
+
+GLOSTER. De Tower! de Tower!
+
+ (Gloster af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!
+Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!
+Die Cæsar doodden, deden geenen moord,
+Misdreven niets, verdienden geen berisping,
+Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;
+Hij was een man en dit een kind bij hem;
+Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.
+Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?
+Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;
+En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—
+Slachters en schurken! wreede kannibalen!
+Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!
+Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,
+Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;
+Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan
+Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,
+Als, beulen, dezen jongen prins door u!
+
+KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!
+Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.
+Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.
+
+CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.
+
+CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;
+Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.
+Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,
+De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?
+Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;
+Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.
+
+KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82
+
+ (Koningin Margaretha wordt weggevoerd.)
+
+KONING EDWARD. Waar is nu Richard heen?
+
+CLARENCE. Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij
+Daar in den Tower een bloedig avondmaal.
+
+KONING EDWARD. Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.
+Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk
+Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,
+En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;
+Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in den Tower.
+
+Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van
+den Tower staat naast hem. Gloster komt op.
+
+GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?
+
+KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;
+Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;
+Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,
+Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.
+
+GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.
+
+ (De Slotvoogd af.)
+
+KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;
+Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol
+En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—
+Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?
+
+GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;
+De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.
+
+KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,
+Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;
+Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,
+Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling
+Gelijmd door werd, gevangen en gedood.
+
+GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,
+Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!
+Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.
+
+KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,
+Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,
+Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen
+De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,
+Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.
+O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;
+Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,
+Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.
+Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?
+
+GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?
+
+KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;
+Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,
+Dan, zeker, zijt ge een beul. 33
+
+GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.
+
+KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,
+Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.
+En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,
+Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,
+En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,
+En veler weezen óverstroomend oog,—
+Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,
+En weezen om der oud’ren vroegen dood,—
+Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.
+Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;
+De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;
+Storm loeide en velde boomen; honden huilden;
+De raaf streek neder op den schoorsteentop;
+En eksters krijschten oordoorborend saâm.
+Uw moeder voelde meer dan moederweeën,
+Toch bracht zij minder dan een moeders hope,
+Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,
+Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;
+En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,
+Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;
+En is het and’re waar, dat ik vernam,
+Dan kwaamt gij—
+
+GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.
+
+KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen.
+O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!
+
+ (Hij sterft.)
+
+GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster
+Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;
+Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!
+O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen
+Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—
+Zoo in u nog een sprankje levens huist,
+Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;
+
+(Hij doorsteekt hem nog eens.)
+
+Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.
+Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—
+En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—
+Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.
+En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,
+Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?
+De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74
+„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”
+Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,
+Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.
+Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,
+Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.
+Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;
+En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,
+Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,
+Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—
+O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;
+Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;
+Want profetieën zal ik gonzen doen,
+Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;
+En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.
+Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;
+Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;
+Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—
+Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;
+Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!
+
+ (Gloster af, met het lijk.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth
+met den kleinen Prins; Clarence, Gloster,
+Hastings en Anderen, om hem heen.
+
+KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,
+Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.
+Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,
+Als koren, neergemaaid in al hun trots!
+Drie hertogen van Somerset, driewerf
+Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;
+Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;
+En twee Northumberlands, de kloekste ridders,
+Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;
+En dan dat onversaagde berenpaar,
+Warwick en Montague, dat met hun keet’nen
+Den koninklijken leeuw gekluisterd hield
+En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.
+Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon
+En maakten veiligheid tot onze voetbank.—
+Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!
+Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms
+In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,
+Te voet des zomers middaggloed verduurd,
+Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;
+Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.
+
+GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’
+oogst;
+Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.
+Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,
+En heffen zal hij lasten, of hij breekt.
+
+(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)
+
+Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25
+
+KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade
+Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!
+
+CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel
+Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!
+
+GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,
+Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—
+(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer
+En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.
+
+KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf
+Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.
+
+CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?
+Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk
+Sicilië en Jeruzalem verpand;
+En dit is als haar losgeld hier gezonden.
+
+KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—
+En wat nu verder, dan den tijd te wijden
+Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,
+Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?
+Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!
+Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de
+slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan
+toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht
+van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen
+kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha
+van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik
+viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar
+Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning
+verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene,
+maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en
+laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor
+de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der
+gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor
+oogen gesteld worden.
+
+Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich
+zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en
+Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar
+Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den
+troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten
+erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn
+rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen,
+maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te
+nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der
+aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus
+onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden
+werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den
+twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het
+koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds
+was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij
+zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als
+leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was
+hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig
+troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige
+regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed
+van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van
+den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest
+komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en
+troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik
+moest toestemmen.
+
+Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een
+vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke
+graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de
+Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden
+zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts.
+Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York
+met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok
+van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward,
+graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de
+vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen
+om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of
+zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot
+naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad
+van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige
+overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een
+half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee
+bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf
+van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag
+onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een
+zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap
+werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te
+redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde,
+nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver,
+„nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik
+had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat
+hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met
+groote schande belaadde.”
+
+Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn
+lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo
+op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat
+zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een
+molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd
+gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus
+gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil
+u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en
+onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen
+overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin
+gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van
+York geplant”.
+
+York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer
+gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande;
+George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder
+veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en
+stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper
+van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd
+vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe;
+zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan
+als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling
+als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen
+genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de
+bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen
+planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze
+stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds
+dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp
+uitkomen.
+
+De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad;
+in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den
+graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding
+de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij
+Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had
+de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd
+geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag
+hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het
+slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet
+duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van
+Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist,
+hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar
+woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste
+zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire
+bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen
+Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was
+daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten
+nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om
+den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle
+krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den
+strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een
+voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van
+Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met
+alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood
+te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en
+Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten
+het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de
+koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar
+Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de
+hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der
+graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde
+krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle
+steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen.
+Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling
+als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem
+als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot
+hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.
+
+De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele
+gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den
+dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen
+koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de
+gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning
+Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar
+Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het
+huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de
+kroniek het volgende:
+
+Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een
+geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick
+naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen.
+Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig
+op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van
+Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord
+Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder
+John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij
+Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op
+haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te
+bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het
+huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den
+koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar
+eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen,
+haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was,
+en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar
+zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo
+gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken
+zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin
+te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn
+voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk,
+omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs;
+de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het
+genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader
+werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder
+Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd;
+een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste
+zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke
+erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis
+York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met
+klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om
+vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de
+schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens
+aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den
+menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag
+door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een
+vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets
+ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en
+Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar
+weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in
+den persoon van den hertog van Milaan.
+
+Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van
+Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de
+ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als
+door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na
+Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel
+onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide
+broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier
+was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en
+door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn
+plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en
+ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge
+waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde.
+Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij
+zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende
+op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe;
+niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning,
+maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en
+gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De
+gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York
+toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn
+aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem
+gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst
+nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een
+verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het
+huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van
+dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s
+zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna.
+Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner
+eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn
+broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime
+onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone
+beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven.
+
+Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar
+de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf
+van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den
+graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon
+van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning
+Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit
+huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset,
+was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter
+tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich
+bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel
+ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward
+aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder
+Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door
+hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings,
+Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag
+of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar
+Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin
+van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar
+zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die
+dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na
+zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd
+weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot
+rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor
+het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van
+Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te
+halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning
+voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap
+zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,”
+zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling
+vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg,
+bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van
+den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15
+jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon
+te beklimmen.
+
+Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een
+kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man
+sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar
+vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze
+verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk
+erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te
+betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en
+velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden,
+dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York
+wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de
+koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open
+veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man
+bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op
+zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk
+met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij
+zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen
+ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de
+aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in
+het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad
+bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan.
+Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij
+Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward,
+die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April
+1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats.
+Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als
+moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht
+veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde
+dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague
+vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel
+uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in
+de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege
+uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower
+teruggebracht.
+
+Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust
+van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze
+onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren,
+maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten;
+zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar
+Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun
+macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4
+Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der
+koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een
+einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige
+zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder
+Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den
+overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen,
+die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn
+leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den
+jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen
+Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om
+mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn
+vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen
+stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop
+Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem
+plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed
+hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden
+kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.”
+Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier
+haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar
+geboorteland.
+
+Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn
+alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar
+het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van
+Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward
+met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat
+hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood,
+van verdriet gestorven is.”
+
+In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken
+geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt
+heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan
+Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe
+vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten
+worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de
+schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet
+vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp,
+die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de
+Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door
+verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5].
+Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn
+tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput
+heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier
+handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen,
+dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter
+waardig is.
+
+
+
+I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij
+in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand
+van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de
+kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor;
+hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het
+handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben
+en niet terstond kon nageslagen worden.
+
+I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis
+is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de
+koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het
+parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar
+zijn hof wil gaan.
+
+I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd
+voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken.
+
+I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van
+den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te
+verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent.
+
+I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March.
+Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet
+staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het
+graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers,
+door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den
+troon ontleende.
+
+I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet
+juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V,
+wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns
+broeders dood op hem was overgegaan.
+
+I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling
+broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil,
+was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf
+Salisbury.
+
+I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle
+in Yorkshire.
+
+I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van
+Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de
+opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen
+aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.
+
+I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een
+leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten
+geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.
+
+I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius
+is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit
+iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”
+
+I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de
+woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de
+Irving-editie ontleend.
+
+I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en
+werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd.
+
+II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog
+Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier
+der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke
+uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke
+Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren:
+„Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd
+liever dan de mannetjes.”
+
+II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch.
+
+II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het
+spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child,
+whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door
+den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk
+geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de
+zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de
+juistheid van het spreekwoord.
+
+II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij
+de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning
+Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later
+Menelaus genoemd.
+
+II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of
+liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak
+gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.
+
+II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in
+dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men
+nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die
+den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury,
+Warwick’s vader, viel.
+
+II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke,
+dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.
+
+II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu
+van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath
+bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is,
+omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar
+leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven
+beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de
+uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de
+twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt
+alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te
+vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te
+vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft,
+en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van
+heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is
+ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen,
+enz. niet vrij van verwardheid.
+
+II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek
+van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt
+hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters
+onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van
+Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden
+vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood.
+
+III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een
+wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.
+
+III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier
+op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar
+in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s
+graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij
+zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil
+niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward
+beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen
+dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij
+Wakefield.
+
+III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t
+oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname
+huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen,
+pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers,
+waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels
+later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De
+wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van
+ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De
+Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is
+dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.”
+
+III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede
+of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist
+opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste,
+zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.
+
+IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier
+staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de
+koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth
+met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere
+Gloster, Clarence, Somerset en Montague.
+
+IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze
+woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze
+wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence
+heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.
+
+IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter
+van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord
+Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord
+Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht
+uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter,
+en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon
+beschouwd.
+
+IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar
+de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning
+Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin
+Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het
+volgend stuk, K. Richard III, voorbereid.
+
+IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten
+onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden.
+
+V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven
+in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de
+Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de
+volksuitspraak voor Daventry.
+
+V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het
+paleis des Bisschops van Londen.
+
+V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven
+vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de
+folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een
+kanonschot.”
+
+V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze
+eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest.
+
+V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt
+Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus.
+
+V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de
+beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van
+Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche
+publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in
+de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet,
+II. 2. 410.
+
+V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De
+koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen
+is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
+
+V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het
+volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54.
+
+V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het
+geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste,
+Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning
+Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst
+behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met
+Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel
+het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOETNOTEN
+
+
+[1] Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat
+omtrent de wijze, waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn
+gekomen, en omtrent de echtheid en onechtheid van verschillende
+gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. Wie hierin verder
+wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes (1896)
+pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar
+aangehaalde werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal
+het een moeilijk werk vinden, tot een zekere uitkomst te geraken.
+
+[2] Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door
+del’ Averdy gegeven en vervat in het derde deel der Notices et extraits
+des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790. Dit werk bevindt
+zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar.
+
+[3] Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in Karel Hase, Neue
+Propheten. Leipzig 1851 en (2de druk) 1861; sedert is het aantal
+geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk vermeerderd, met name in
+Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. Fr. Eysell.
+
+[4] Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt.
+
+[5] Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander
+uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of
+Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over
+dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken
+zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in
+afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral
+het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn
+Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag
+gelegd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***