diff options
Diffstat (limited to '75268-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75268-0.txt | 15207 |
1 files changed, 15207 insertions, 0 deletions
diff --git a/75268-0.txt b/75268-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5d46407 --- /dev/null +++ b/75268-0.txt @@ -0,0 +1,15207 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 *** + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +EERSTE DEEL. + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector. + John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk. + Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings. + Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings, + naderhand Kardinaal Beaufort. + John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset. + Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van + Cambridge, naderhand Hertog van York. + Richard Beauchamp, Graaf van Warwick. + Thomas Montague, Graaf van Salisbury. + William de la Pole, Graaf van Suffolk. + Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury. + John Talbot, zijn zoon. + Edmund Mortimer, Graaf van March. + Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir + Thomas Gargrave. + Woodville, Commandant van den Tower. + De Mayor van Londen. + Vernon, van de Witte Roos of York-partij. + Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij. + + Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk. + Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels. + De Hertog van Bourgondië. + De Hertog van Alençon. + De Bastaard van Orleans. + De Bevelhebber van Parijs. + De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux. + De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon. + Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van + Jeanne d’Arc. + + Margaretha, dochter van Reignier. + De Gravin van Auvergne. + Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans. + + Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. + Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, + aan de Pucelle verschijnend. + + + +Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Westminster-abdij. + +Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt +binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford, +Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster, +Herauten enz. + +BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht! +Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend, +Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht, +En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren, +Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks, +Die al te roemrijk was om lang te leven! +England verloor geen koning ooit, zoo groot. + +GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning. +Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag; +Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind; +Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht; +Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette, +En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht, +Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat. +Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof? +Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde. + +EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed? +Hendrik is dood om nimmer te herleven; +Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst, +Verheerlijken des doods oneed’le zege, +Met statig begeleiden, als gevang’nen, +Aan eens verwinnaars zegekar geboeid. +Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken, +Die de’ ondergang bewerkten onzes roems? +Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders +En toov’naars houden, die, uit angst voor hem, +Door rijm en staf zijn dood te wege brachten? + +WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning +Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags +Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn, +Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd +Des Heeren der heerscharen. De gebeden +Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen. + +GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden +Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf; +Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon, +Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt. + +WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37 +Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk. +Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht, +Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen. + +GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch, +En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk, +Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden. + +BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede! +Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!— +En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen, +Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf. +Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin +Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt, +Dit land een voedster wordt van zilte tranen, +Een tijd, die niemand in het leven laat +Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!— +Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk +Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre! +Bestrijd daarboven dreigende planeten! +En uwe ziel wordt een roemruchter ster +Dan Julius Cæsar of de heldre— + +(Een bode komt op.) + +BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet! +Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk +Van nederlagen, bloedbad en verlies: +Guienne, Rheims, Champagne en Orleans, +Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren. + +BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk? +Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden +Doet hem zijn lood verbreken en herleven. + +GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd! +Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt, +Die tijding deed nog eens den geest hem geven. + +EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan? + +BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap, +De krijgers fluist’ren dit elkander toe: +Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij, +In plaats dat gij te velde trekt en vecht, +Om ’t kiezen van de legerhoofden twist. +De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken, +Een ander vliegen, maar is vleugelloos, +Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend, +Door list en fraaie woorden vreê te erlangen. +Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap! +Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen! +De leliën uit uw wapen zijn geplukt, +Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81 + +EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken, +Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt. + +BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk. +Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten, +Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad! +Ik dring den Franschen wonden op voor oogen, +Om hun hernieuwde ellende te beschreien. + +(Een tweede Bode komt op.) + +TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil. +Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons, +Op enk’le nietig kleine steden na. +In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond, +De bastaard Orleans met hem vereenigd, +Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde, +De hertog Alençon vlood heen, tot hem. + +EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem! +O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad? + +GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!— +Bedford, indien gij draalt, neem ik het op. + +BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust? +’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd, +Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt. + +(Een derde Bode komt op.) + +DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren, +Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt, +Moet ik bericht doen van een feilen strijd +Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen. + +WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar? + +DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd; +Uitvoerig wil ik heel den loop u melden. +Toen op den tiende’ Augustus deze held +Terugtrok van ’t beleg van Orleans, +Te nauwernood zesduizend strijders sterk, +Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen +Geheel omsingeld en met kracht bestookt. +Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen, +Geen pieken om te planten voor zijn schutters; +Zij staken daarom haastig scherpe palen, +Die ze uit de heggen rukten, in den grond, +Om de’ aanval van de ruiterij te keeren. +Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht, +En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht, +Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans, +Zond honderden ter helle, en niemand stond hem! +Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed. +De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”, +Hun gansche leger staarde ontzet hem aan; +Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend, +En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich +Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129 +En wis waar’ hun de zege vast bezegeld, +Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. +Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu +De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken, +Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot. +Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad. +Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend, +Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug, +Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk +Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien. + +BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf, +Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl +Een held als hij hulp dierf bij zulke daden +En aan zijn lagen vijand werd verraden. + +DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen, +Met hem lord Scales en ook lord Hungerford; +Zóó de andren meest gevangen of gevallen. + +BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders. +’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon, +En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend; +Vier hunner lords geef ik voor één der onze.— +Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak; +Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan, +Om ons Sint George’s feest met glans te vieren. +Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed +Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet. + +DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd, +Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak; +De graaf van Salisbury smeekt om versterking +En houdt het nauwelijks af van muiterij, +Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet. + +EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert, +Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken, +Of wel, hem neer te buigen in uw juk. + +BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid, +Opdat ik mij terstond ten strijde rust. + + (Bedford af.) + +GLOSTER. Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut +En krijgsbehoeften na te gaan, en dan +Roep ik den jongen Hendrik uit als koning, + + (Gloster af.) + +EXETER. Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning, +Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd; +’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert. + + (Exeter af.) + +WINCHESTER. Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen +Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd. +Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven; +De koning is in Eltham; van die plaats +Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats. + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Orleans. + +Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en +Soldaten. + +KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop +Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend. +Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger, +Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe. +Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons? +Tot kortswijl liggen wij voor Orleans; +De hongrige Engelschen, als bleeke geesten, +Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand. + +ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen; +Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten +Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij +Er poover uit, zooals verdronken muizen. + +REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd? +Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen; +Nu is slechts hier die dolkop Salisbury, +En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op; +Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg. + +KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los. +Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen! +’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood, +Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood. + + (Allen af.) + +(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot +verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.) + +KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!— +Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden, +Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan. + +REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury; +Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe. +En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen, +Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi. + +ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29 +Bracht England, in des derden Edwards tijd, +Toen louter Oliviers en Roelands voort. +En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid: +Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het +Ons hier als strijders toe. Één tegen tien! +En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken, +Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had? + +KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels, +En honger drijft hen des te feller aan; +Ik ken hen wel: zij reten met de tanden +De muren liever neer dan dat zij weken. + +REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen +Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan, +Want anders hielden zij het nooit zoo vol. +Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden. + +ALENÇON. Zoo zij het. + +(De Bastaard van Orleans komt op.) + +BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws. + +KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom! + +BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht; +Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt? +Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand; +Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie +De hemel door een droomgezicht gelastte, +Een eind te maken aan dit lang beleg +En de Engelschen te drijven uit dit rijk. +Zij heeft den geest der echte profetie, +Veel meer dan Rome’s negental Sybillen; +Zij kan, wat was en komen zal, onthullen. +Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden, +Want onbedrieglijk zijn zij en gewis. + +KAREL. Ga! roep haar. + + (De Bastaard af.) + + Doch, om eerst haar kunst te toetsen, +Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn; +Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte; +Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag. + + (De Dauphijn treedt op den achtergrond.) + +(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.) + +REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd? + +JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt? +Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren! +Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.— +Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen. +’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.— +Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij. + +REIGNIER. Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. 71 + +JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter; +Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap, +’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd, +Op mij in lagen staat hun licht te stralen. +Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde, +Mijn wangen door de zon verschroeien liet, +Verscheen genadig mij de moeder Gods +En gaf, in een visioen vol majesteit, +Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen, +Mijn vaderland te redden uit den nood. +Zij zeide hulp mij toe en wisse zege, +En toonde zich in al haar hemelglans. +Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd, +Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot, +Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet. +Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt, +Onvoorbereid zal ik u antwoord geven; +Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed, +Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw. +Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard, +Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt. + +KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal; +En deze proef slechts wensch ik van uw moed; +Gij zult in tweegevecht u met mij meten. +Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar; +Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen. + +JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard, +Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik +Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof +Uit veel oud ijzer uitgelezen heb. + +KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst. + +JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man. + +(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.) + +KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone, +En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt. + +JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak. + +KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen. +Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u; +Gij overwont mij tevens hart en hand. +Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt, +Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer; +Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt. + +JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn, +Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn; +Maar heb ik al uw vijanden verdreven, +En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven. + +KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan. + +REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118 + +ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten, +Want anders liep ’t gesprek wel eerder af. + +REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen? + +ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten; +In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong. + +REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag? +Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet? + +JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk! +Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen. + +KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is. + +JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren. +Nog deze nacht ontzet ik wis de stad; +Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen +Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen. +De roem is als een cirkel in het water, +Die immer meer en verder zich verbreidt, +Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit. +Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet, +Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot. +Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens +Te gader Cæsar droeg en zijn geluk. + +KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield, +Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest. +Geen Helena, de moeder Constantijns, +Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters. +Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt, +Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan? + +ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten! + +REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer! +Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk! + +KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw +Niet één profeet, als zij mij leugens spelt! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Londen. Voor den Tower. + +De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op. + +GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen; +Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd. +Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat? +Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept. + +(De Dienaars kloppen aan.) + +EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt? + +DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster. + +TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten. + +DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer? + +EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn; +Wij doen niets anders dan ons is gelast. + +GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne? +Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt +Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning. +Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart? + +(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant +Woodville.) + +WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders? + +GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor? +Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht. + +WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog; +De kardinaal van Winchester verbiedt het; +Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast, +Nòch u, nòch één der uwen, in te laten. + +GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij? +Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd, +Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden? +Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit +De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten. + +DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector! +Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt. + +(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in +bruine kleedij). + +WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog? + +GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last? + +WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver, +En geen beschermer van den troon of ’t rijk. + +GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder, +Die wijlen onzen koning wildet moorden, +En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen! +Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots, +U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37 + +WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier. +Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain; +Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt. + +GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u; +En uw scharlaken mantel zal mij dienen, +Om u, als in een doopkleed, weg te dragen. + +WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen. + +GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!— +Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen, +Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!— +Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen; + +(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.) + +En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe. +Ik treed uw kardinaalshoed met den voet, +Ja, sleur u bij den hals hier op en neer. + +WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord! + +GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!— +Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?— +U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!— +Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar! + +(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden +van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.) + +MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden, +Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt! + +GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet, +Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend, +Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt. + +WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is, +Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit, +Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten, +En immer tracht den godsdienst om te keeren, +Wijl hij protector is van ’t koninkrijk, +En nu hier waap’nen vordert uit den Tower, +Om zich te kronen, Hendrik te verdringen. + +GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel +Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.— +Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72 + +GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des +konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij, +in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en +van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te +voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.” + +GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal, +Maar wel uw trots; wij zien elkander weer. + +WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen; +Uw hartebloed betaalt mij dezen dag. + +MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.— +Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen. + +GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen. + +WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster! +Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn. + + (Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar + verschillenden kant af.) + +MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.— +God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt! +In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt. + + (De Mayor met zijn Dienaren af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Orleans. + +De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op. + +TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt; +De vijand heeft de voorstad reeds bezet. + +ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak +Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs. + +TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden. +Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen, +Wat mij bij deze stad in aanzien brengt. +Spionnen van den prins berichtten mij, +Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand +Door een getralied venster van dien toren +Gewoon is uit te zien naar onze stad, +En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut +Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet. +Om van dit ongerief ons te bevrijden +Heb ik een stuk geschut daarop gericht, +En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd, +Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht, +Wijl ik niet blijven kan. +Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden; +Gij zult mij vinden bij den commandant. 20 + + (De Tuigmeester af.) + +ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust; +Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig. + + (De Zoon af.) + +(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury, +Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.) + +SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug? +Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld? +En hoe gelukte ’t u, u los te koopen? +Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren. + +TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf, +Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles; +’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem. +Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen +Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik; +Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood +Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien, +En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd. +Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart; +Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen, +Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam. + +SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt. + +TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij. +Zij stelden mij op de open markt ten toon, +Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren. +„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik, +Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.” +Toen reet ik mij van mijn bewakers los, +Groef met de nagels steenen uit den grond, +En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad; +En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht. +Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood. +Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd; +Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,— +Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken, +Arduinen posten gruiz’len met den voet; +Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking, +Die telkens bij minuten om mij waarden;— +En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen, +Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed. + +(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.) + +SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan, +Doch volle wraak gewordt ons binnenkort. +’t Is avondetenstijd in Orleans; +Hier, door de traliën, kan ik allen tellen, +En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst. +Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen. +Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale, +Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt, +Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten. + +GARGRAVE. Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. 66 + +GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug. + +TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden, +Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len. + +(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.) + +SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars! + +GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig! + +TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len? +Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,— +Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel? +Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!— +Vervloekte toren! vloekbare onheilshand, +Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd! +’t Was Salisbury, die dertien slagen won, +Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde; +Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk, +Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.— +Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken, +Één oog bleef u tot smeeken om genade, +Met één oog schouwt de zon de wereld aan.— +Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig, +Zoo Salisbury bij U genade derft!” +Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven. +Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven. +Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op! +Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn: +Gij sterft niet zonder— +Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe, +Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood, +Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!” +Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero, +De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden; +Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig. + +(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.) + +Welk een geraas! de hemel is in oproer! +Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch? + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan; +En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle, +Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend, +Komt met een groote macht de stad ontzetten. + +(Salisbury richt zich op en kreunt.) + +TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt; +Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.— +Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn; +Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond, +’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven; +Uw hersens kluts ik samen tot een poel.— +Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent; +Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen. + + (Allen af, met de lijken.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. Voor een der poorten. + +Strijdgedruisch. Schermutselingen. Talbot vervolgt den Dauphijn, drijft +hem op de vlucht en gaat heen; dan komt Jeanne d’Arc, de Pucelle, +Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt Talbot +weder op. + +TALBOT. Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid? +Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden; +Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort. + +(De Pucelle komt weder op.) + +Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten; +Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u; +Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af, +En lever hem uw ziele, wien gij dient. + +PUCELLE. Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet. + +(Zij vechten.) + +TALBOT. Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint? +Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed +Of barsten ook mijn armen van de schouders, +Toch tuchtig ik die overstoute deern! + +PUCELLE. Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar; +’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen. +Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht. +Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk; +Help Salisbury zijn testament te maken; +De dag is ons, als vele nog na dezen. + +(De Pucelle trekt met haar krijgers de stad binnen.) + +TALBOT. Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel; +Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe. +Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal, +Een heks ons hier terug en wint naar lust; +Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven +Weg uit haar korven, van haar tillen voort. +Ons bijten deed ons Englands honden heeten, +Nu loopen we als hondsjongen jankend weg. + +(Een kort strijdgedruisch.) + +Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht, +Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen! +Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen! +Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf, +Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit, +Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten. + +(Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.) + +Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen +De dood van Salisbury komt op uw hoofd, +Want geen van u deed iets om hem te wreken.— +Trots ons, trots alles wat wij konden doen, +Is de Pucelle in Orleans getogen. +O, ware ik saam met Salisbury gestorven! +Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd. + + (Strijdgedruisch. Terugtocht. Talbot met zijn Krijgers af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Aldaar. + +Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier, +Alençon, en Soldaten. + +PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen! +Ontrukt is Orleans aan Englands wolven, +Aldus hield Jeanne la Pucelle woord. + +KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter, +Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe? +Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen, +Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.— +Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!— +Herwonnen is uw stad, uw Orleans; +Nooit wedervoer ons land een grooter heil. + +REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad? +Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren +Ontsteken, juub’len, smullen in de straten, +Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk. + +ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust, +Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken. + +KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij; +Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen; +Wat priester is of monnik in mijn rijk, +Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen. +Een trotscher pyramide bouw ik haar, +Dan die van Rhodope te Memphis was. +Haar ter gedacht’nis worde na haar dood +Haar asch in een veel kostlijker urn +Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius +Bij hooge feest’lijkheden omgedragen +Voor Frankrijks koningen en koninginnen. +Niet meer zij onze leuze: Saint Denis! +Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn. +Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal, +Den gulden dag van deze zegepraal! + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor Orleans. + +Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op. + +SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn! +Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat +Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken +Ons in het wachthuis fluks bericht er van. + +EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men +arme knechten, +Als andren in hun zachte bedden slapen, +Op wacht in regen, koude en duisternis. + +(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun +trommen slaan een gedempten marsch.) + +TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië, +Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois, +Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert, +De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos, +Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd; +Omhelzen wij dus die gelegenheid +Om hun het loos bedrog weer te vergelden, +Dat list en snoode tooverij bedacht. 15 + +BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde! +Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms, +En sloot met hel en heksen een verbond! + +BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders. +Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd, +Wie is zij? + +TALBOT. Men zegt een meisje. + +BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig! + +BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’, +Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard +De wapens draagt, zooals zij nu begon. + +TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan! +Voor ons is God een burg; beklimmen wij +In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk! + +BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen. + +TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter, +Dat we op verscheiden punten binnendringen, +Opdat, zoo het een van ons mislukt, +Een ander van hun macht het winnen kan. + +BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek. + +BOURGONDIË. En ik dien andren. + +TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.— +Nu, Salisbury, voor u en voor het recht +Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen, +Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37 + +(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” +en „Talbot”, en dringen allen in de stad.) + +SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier +storm! + +(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende +kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half +aangekleed, half onaangekleed.) + +ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed? + +BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen. + +REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen; +Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch. + +ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit +Van eenig krijgsplan, eenige’ overval, +Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit. + +BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel. + +REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig. + +ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt? + +BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw. + +(Karel komt op, met de Pucelle.) + +KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone? +Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen, +Een kleine, zoete winst deelachtig worden, +Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’? + +PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard? +Verlangt gij mijne macht steeds even groot? +Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen, +Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij? +Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid +Zou dezen overval voorkomen hebben. + +KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld, +Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht, +Niet beter van dien grooten plicht u kweet. + +ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest +Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was, +Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld. + +BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd. + +REIGNIER. Zoo ook ’t mijne. + +KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht +Heb ik, in haar kwartier en in het mijne, +Besteed om telkens heen en weer te gaan +Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten; +Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen? + +PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72 +Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens +Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen. +Er blijft geen andre raad alsnu dan deze: +’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len, +En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen. + +(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! +Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.) + +DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten. +De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard; +Met rijken buit heb ik mij hier beladen, +En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam. + + (De Soldaat af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Orleans. Binnen de stad. + +Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op. + +BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht, +Die met haar ravenmantel de aard omgaf. +Blaast den terugroep; staakt de heete jacht. + +(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.) + +TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen, +En plaatst de baar hier op het open marktplein, +Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.— +’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten; +Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor, +Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven. +Opdat de verre nazaat nog aanschouw’, +Welk een verwoesting volgde om hem te wreken, +Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op, +Waarin zijn overschot begraven worde, +En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan, +Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len, +’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods, +En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.— +Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad, +Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen, +Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne, +Noch iemand van zijn valsche bondgenooten. + +BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon, +Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt, +En, onder hoopen krijgers, van den wal +Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken. + +BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel +En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,— +Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit; +Zij vloden, arm in arm, met alle macht, +Gelijk een paar verliefde tortelduiven, +Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn. +Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken, +Dan zetten wij met volle macht hen na. 33 + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar +Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd, +Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet? + +TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken? + +BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne, +Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend, +Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen, +Haar te bezoeken op haar armen burg, +Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde, +Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt. + +BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg +Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel, +Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.— +Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad. + +TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen +Met alle redekunst bereiken zou, +Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.— +Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg, +En onderdanig haar bezoeken zal.— +Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen? + +BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar; +’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten +’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan. + +TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen, +Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen. +Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij +begrijpt mij? + +HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Auvergne. Het binnenplein van het kasteel. + +De Gravin en haar Portier komen op. + +GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast, +En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels. + +PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe. + + (De Portier af.) + +GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed, +Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd, +Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood. +Groot is de naam van dien gevreesden ridder, +En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem; +’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten, +Wat waar is van die wond’ren, die men meldt. + +(De Bode komt op, met Talbot.) + +BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap, +Die hem genood heeft, is lord Talbot hier. + +GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man? + +BODE. Zoo is ’t, gravin. + +GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel? +Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest, +Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen? +Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen, +Een tweede Hector, grimmig van gelaat, +Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar; +En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22 +Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen +Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan. + +TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen; +Doch daar u dit niet recht gelegen komt, +Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek. + +GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil. + +BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt +De reden van uw rasch vertrek te weten. + +TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik +’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben. + +(De Portier komt weder terug, met sleutels.) + +GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne. + +TALBOT. Gevangne? wiens? + +GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne; +Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis. +Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien, +Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt; +Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden; +Die armen wil ik keet’nen en die beenen +Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren +Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft, +En onze zoons en mannen weggesleept. + +TALBOT. Ha, ha, ha! + +GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed. + +TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant, +Van Talbot iets te hebben dan de schaduw, +Om daar uw booze strengheid op te koelen. + +GRAVIN. Zijt gij de man dan niet? + +TALBOT. Dat ben ik zeker. + +GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen. + +TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts; +Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier; +Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel, +Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid. +Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier, +Dan is van zoo geweldig grooten wasdom, +Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56 + +GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie; +Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet; +Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden? + +TALBOT. Dit toon ik u terstond. + +(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De +poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.) + +Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans, +Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is? +Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht, +Waarmee hij uw rebellennekken jukt, +Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert, +In minder dan een omzien woest doet zijn. + +GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling; +Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam, +En meer dan uw gestalte deed vermoeden. +Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’; +Het doet mij leed, dat ik u niet ontving +Met zooveel eerbetoon, als gij verdient. + +TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken +Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst +In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet. +Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd, +En andre schadeloosstelling eisch ik niet, +Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn +Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft, +Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk. + +GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer, +Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. De hof van den Tempel. + +De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard +Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op. + +PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen? +Waagt niemand voor de waarheid uit te komen? + +SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal; +Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats. + +PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde, +En of die twister Somerset het mis had. + +SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet, +En kon mijn wil nooit voegen naar het recht; +En plooi daarom het recht naar mijnen wil. + +SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit. + +WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft, +Welk van twee honden schooner, dieper blaft, +Welk van twee klingen van het fijnste staal is, +Welk van twee paarden fraaier houding heeft, +Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt, +Hierin treed ik desnoods als rechter op, +Maar in een rechtszaak vol haarklooverij, +Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij. + +PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19 +De waarheid is aan mijne zij zoo naakt, +Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent. + +SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed; +Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk, +Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen. + +PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt, +Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt. +Wie onder u echt edelman zich rekent, +En de eere van zijn bloed in aanzien houdt, +Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit, +Met mij van dezen struik een witte roos. + +SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is, +Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft, +Plukk’ met me een roode roos van dezen struik. + +WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel, +En zonder lage vleierij pluk ik +De witte roos hier met Plantagenet. + +SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset, +En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht. + +VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer, +Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen +Een kleiner tal van rozen wordt geplukt, +Des andren aanspraak recht en juist zal achten. + +SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken; +Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij. + +PLANTAGENET. En ik. + +VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht, +Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier, +En kies zoo voor de witte roos partij. + +SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt; +Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood, +En stemt gij tegen uwen zin voor mij. + +VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed, +Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts, +En houdt mij aan de zijde, die ik koos. + +SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder? + +RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen. +Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch; +En daarom pluk ook ik een witte roos. 58 + +PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht? + +SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs +Uw witte rozen bloedig rood verkleuren. + +PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na; +Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis +Voor onze waarheid. + +SOMERSET. Neen, Plantagenet, +Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang +Van schaamte bloost en onze rozen nabootst, +En toch uw tong uw dwaling niet erkent. + +PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset? + +SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet. + +PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven, +Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt. + +SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden, +Die mijne bloedig roode rozen dragen +En staven zullen, dat ik waarheid spreek, +Waar geen Plantagenet verschijnen durft. + +PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot +Met u en uwen aanhang, jonge knaap. + +SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren. + +PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u. + +SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot. + +SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole; +Wij doen den boer veel eer met ons gesprek. + +WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset; +Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence, +Den derden zoon des derden konings Edward. +Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren? + +PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats; +Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken. + +SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik +Op iedre plek der christenwereld vol. +Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge, +Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning? +En heeft niet zijn verraad u aangestoken, +Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd? +Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed; +En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer. + +PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97 +Gevonnisd om verraad, maar geen verrader; +Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset, +Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch. +Maar prent u in, gij en uw helper Poole: +Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan, +Dat ik u gees’len zal voor uwen laster; +Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u. + +SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid +En kent den vijand dan aan deze kleur, +Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen. + +PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds, +Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat, +Met deze bleek vertoornde roos ons sieren, +Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt, +Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang. + +SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht; +En nu vaarwel, tot ik u weder tref. + + (Suffolk af.) + +SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard. + + (Somerset af.) + +PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden. + +WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis, +Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement, +Dat Winchester verzoenen moet met Gloster. +Indien gij dan niet hertog wordt van York, +Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten. +’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u, +Den trotschen Somerset en Poole ten trots, +Met deze roos aan uwe zij mij scharen. +En dit voorspel ik: deze twist van heden, +Die in den hof hier tot partijschap wies, +Zendt, met de roode en witte roos als leuze, +Veel duizend zielen in verderf en dood. + +PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank, +Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet. + +VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan. + +RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook. + +PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer. +Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist +Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in den Tower. + +Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders +binnengedragen. + +MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven, +Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.— +Gelijk een man, pas van de folterbank, +Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden; +Die grijze lokken, als des doods herauten, +Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor, +Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer. +Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker +Als lampen, waarvan de olie is verbruikt, +De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last, +En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok, +Die zijn verwelkte loten hangen laat. +En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels, +Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,— +Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf, +Als wetend, dat geen andre troost mij rest.— +Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef? + +GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer. +Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel, +En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou. + +MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.— +Arm man! zijn krenking evenaart de mijne. +Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot +In wapenroem was, hier begon te heerschen, +Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven; +En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd +En van zijn eer en erflijk goed beroofd. +Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden, +De dood, in elke ellend de zachte scheidsman, +Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.— +Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden, +En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat! + +(Richard Plantagenet komt op.) + +GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef. + +MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar? + +PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden, +Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard. + +MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels, +En aan zijn borst mijn laatsten adem snik. +Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert, +Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus. +En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam, +Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet. + +PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm, +En hoor in rust, wat mij onrustig maakt. +’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak +Tot woorden tusschen Somerset en mij, +Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte +En om mijns vaders dood mij grievend smaadde. +Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong; +’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven. +Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil, +En bij uw eer als een Plantagenet, 52 +Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader, +De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest. + +MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij +Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam, +Mij in een duffen kerker deed versmachten, +Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood. + +PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was; +Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden. + +MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt, +De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is. +De grootvader van onzen jongen vorst, +Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef +Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins +Was oudste zoon en wettig erfgenaam +Van Koning Edward, van dien naam den derden. +Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden +De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten, +Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht, +Mij op den troon van England te verheffen. +Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog, +Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was +En hij geen enklen telg had nagelaten,— +Ik door mijn stam en bloed de naaste was. +Van moeders zij toch heb ik Lionel, +Hertog van Clarence, derden zoon van Edward +Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik +Van hertog Jan van Gent was afgestamd, +Die slechts de vierde was dier heldenrij. +Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging, +Om op den troon den rechten vorst te plaatsen, +Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt. +Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik +Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd, +Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd +Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog, +Mijn zuster huwend, die uw moeder werd, +Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger +Geworven in de hoop, mij te bevrijden, +En mij de kroon te plaatsen op het hoofd; +Maar als die andren, viel deze eed’le graaf +En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers, +Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld. + +PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt. + +MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet, +Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood. +Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re, +Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen. + +PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98 +Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader +Niets dan een daad van bloeddorst en geweld. + +MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen; +Het huis van Lancaster is hecht geworteld, +En, evenals een berg, niet weg te schuiven. +Maar thans verhuist uw oom weldra van hier, +Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven +In éénen vasten zetel hen verdriet. + +PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd +Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen! + +MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar, +Die vele wonden slaat, waar één kan dooden. +Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft; +Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg. +En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije! +Uw leven zij vol heil in krijg en vreê! + + (Mortimer sterft.) + +PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel! +In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind, +En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.— +Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt; +Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.— +Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg +Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.— + + (De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.) + +Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer, +Door eerzucht van de laagste soort gedoofd; +En voor dat onrecht, voor die bittere krenking, +Die Somerset mijn huis heeft aangedaan, +Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden; +En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement; +’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed, +Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. + + (Plantagenet af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Het parlementshuis. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en +Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard +Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de +Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het. + +WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels, +Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht, +Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt, +En iets ter wereld mij ten last wilt leggen, +Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist, +Zooals ik voor de vuist en hier terstond +Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert. + +GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging, +Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis. +Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid, +Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,— +Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben, +Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees; +Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid, +Uw listig en verpestend tweedrachtstichten, +Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots. +Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17 +Halsstarrig van natuur, des vredes vijand, +Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is +Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt. +En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder? +Daar gij met list mijn leven hebt belaagd, +Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower? +Ja, werden uw gedachten eens gezift, +Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd, +De boosheid van uw zwellend hart niet vrij. + +WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords, +Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor. +Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was, +Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm? +Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek +Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd? +Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede +Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word? +Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem, +Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt; +Niemand dan hij moet om den koning zijn; +En dit verwekt dien donder in zijn borst, +En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen; +Maar hij zal zien, ik ben zoo goed— + +GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....? + +WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek! +Een man, die op eens andren troon wil heerschen! + +GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap? + +WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46 + +GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet, +En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit. + +WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij! + +GLOSTER. En gij zijt waardig +Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven. + +WINCHESTER. Dit wreke Rome! + +WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome. + +SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken. + +WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking. + +SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn, +En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt. + +WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn; +Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten. + +SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend. + +WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig? +Is zijn genade hier niet rijks-protector? + +PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen, +Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt! +„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?” +’k Had anders gaarne een twist met Winchester. + +KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester, +Gestelde wakers over Englands welzijn, +Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik +In liefde en eendracht uwe harten saam. +O welk een smading is ’t van onze kroon, +Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten. +Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds, +Dat burgertwist een giftige adder is, +Die de ingewanden van den staat doorknaagt. + +(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”) + +Wat is dat voor geraas? + +WARWICK. Een oploop, wed ik, +Boosaardig door des bisschops volk verwekt. + +(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”) + +(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.) + +MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik, +Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer! +Des bisschops volk en dat van hertog Gloster! +Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden, +De zakken nu gevuld met kiezelsteenen. +Zij smijten, in partijen saamgerot, +Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd, +Dat velen reeds het dolle brein verplet werd. +In elke straat zijn vensters ingesmeten: +Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees. + +(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende +binnen, met bebloede koppen.) + +KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht: +Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87 +Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd. + +EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken +we onze tanden. + +TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten, +En staakt terstond dien ongehoorden strijd. + +EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade +Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst +Voor niemand wijkend dan zijn majesteit; +En nimmer dulden wij, dat zulk een prins +En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn, +Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker; +Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren, +Met uw belagers, tot zij ons verslaan. + +DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels +Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +GLOSTER. Stil, zeg ik, stil! +En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt, +Zoo geeft gehoor en matigt u een poos. + +KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!— +Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten +En tranen zien, en wordt uw hart niet week? +Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt? +Wie zal met ernst den vrede nog bevordren, +Zoo heil’gen priesters twist een wellust is? + +WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe, +Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren +Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten. +Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord +Door uwe vijandschap reeds is verwekt; +Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed. + +WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe. + +GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen; +’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd, +Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde. + +WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog +Verbande reeds zijn sombre, norsche woede, +Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst; +Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend? + +GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan. + +KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127 +Dat boosheid groote, zware zonde was; +En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen, +Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn? + +WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!— +Schaam u, mylord van Winchester, geef toe! +Hoe! zal een kind u leeren, wat u past? + +WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe, +En bied voor liefde liefde, hand voor hand. + +GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.— +Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten, +Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap +Voor ons en al de dienaars van ons huis. +En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel! + +WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen! + +KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster, +Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!— +Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet; +Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters. + +EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op. + +TWEEDE DIENAAR. Ik ook. + +DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft. + + (De Mayor, de Dienaars, enz. af.) + +WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift; +Het vraagt aan uwe majesteit herstelling +Der rechten van Richard Plantagenet. + +GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst, +Wanneer uw hoogheid alle punten weegt, +Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan, +Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds +In Eltham bij uw majesteit deed gelden. + +KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht; +Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons, +Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen. + +WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend; +Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed. + +WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester. + +KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem +Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit, +Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort, +Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd. + +PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar, +En onderdaan’gen dienst tot in den dood. + +KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169 +En ter belooning van uw huldiging, +Gord ik u met het dapp’re zwaard van York. +Rijs, Richard, als een echt Plantagenet. +Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York. + +PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen, +En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve, +Die aan uw majesteit met afgunst denkt. + +ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York! + +SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York! + +GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid, +Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen. +Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde +Bij onderdanen en getrouwe vrienden, +En rooft aan elk, die vijand is, den moed. + +KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat; +Want menig vijand zwicht door vriendenraad. + +GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê. + + (Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.) + +EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk, +Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal! +De pas ontglommen tweedracht dezer pairs +Brandt onder de asch van valsche liefde voort +En breekt in ’t eind in felle vlammen uit; +Gelijk een ett’rend lid allengskens rot, +Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan, +Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort. +Nu wekt die booze profetie mij vrees, +Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd, +Uit elken zuiglingsmond vernomen werd: +„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint, +„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.” +Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht, +Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde! + + (Exeter af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Rouaan. + +De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met +zakken op den rug. + +PUCELLE. Dit is de poort der veste, van Rouaan, +Waar onze list een bres zich door moet oop’nen. +Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw, +En praat zooals ’t gewone marktvolk doet, +Dat in de stad zijn koren komt verkoopen. +Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen +En vinden wij de trage wacht er zwak, +Dan geef ik onzen vrienden ras een sein, +Opdat de prins dauphijn hen overvall’. + +EERSTE SOLDAAT. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren +En make ons heer en meester van Rouaan. +Komt! aangeklopt! + +WACHT (binnen). Qui est là? + +PUCELLE. Paysans, pauvres gens de France; +Marktgangers, die hun graan verkoopen willen. + +WACHT (de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16 + +PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken. + +(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.) + +(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.) + +KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne! +Dan slapen wij weer veilig in Rouaan. + +BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers; +Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan, +Waar wij het best en veiligst binnendringen? + +ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren; +En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent, +Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is. + +(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel +omhoog.) + +PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel, +Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten, +Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten. + +BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak; +Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren. + +KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake, +En als profeet van onzes vijands val! + +ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos; +Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!” +En slaat de wachters aan de poort ter neer. + +(Zij dringen de stad binnen.) + +(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.) + +TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten, +Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft. +Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle, +Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld, +Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen. + +(Zij trekken stedewaarts op.) + +(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford, +die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de +Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel, +de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.) + +PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41 +Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik, +Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt. +Het was vol dolik; staat de smaak u aan? + +BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel! +’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken, +En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen. + +KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren. + +BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak! + +PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken, +En op den dood een rit doen in een stoel? + +TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len, +Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd, +Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen, +Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen? +Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u, +Of Talbot moge aan deze schande sterven. + +PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil; +Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.— + +(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.) + +God zegen ’t parlement! wie is de spreker? + +TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld? + +PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg +Tot toetsing, of het onze wel het onze is. + +TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks; +Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren; +Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen? + +ALENÇON. Neen, heer. + +TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers! +Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden, +En niet als ridders strijden in het veld. + +PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen, +Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.— +Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts +Om u te zeggen, dat wij hier zijn. + + (De Pucelle met de Anderen af.) + +TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang, +Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad! +Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis, +Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed, +Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft; +En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft, +En hier zijn vader heeft gezegevierd, +Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad +Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt, +Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84 + +BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed. + +TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft, +Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord! +Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats, +Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend. + +BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan; +’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten, +En deelgenoot zijn van uw wel of wee. + +BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden. + +BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen, +Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed +Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg. +’k Verlevendig misschien den moed der strijders, +Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf. + +TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!— +Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!— +En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer; +Maar onze macht verzameld tot den aanval; +Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt! + + (Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven + achter.) + +(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen +op.) + +HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast! + +FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht; +Wij worden zeker weer teruggeslagen. + +HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten? + +FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden. + + (Sir John Fastolfe af.) + +HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel. + + (De Hopman af.) + +(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en +Anderen, die vluchtende heengaan.) + +BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil; +Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd. +Wat is de sterkte en trots des blinden menschen? +Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon, +Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan. + + (Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.) + +(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.) + +TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115 +Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons; +Doch Gode zij de roem van deze zege! + +BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië. +Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden +Als eerzuil voor uw heldenmoed er op. + +TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle? +Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist; +Waar is des Bastaards pochen, Karels spot? +Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd, +Dat zulk een dapp’re bent gevloden is. +Laat thans ons alles reeg’len in de stad, +Er kundige officieren achterlaten, +Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning, +Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet. + +BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne. + +TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden, +Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht. +Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd. +Nooit heeft een braver held de speer gevoerd, +Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht; +Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood; +Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. De vlakte bij Rouaan. + +Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met +troepen. + +PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen, +’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren; +Want smart om dingen, die onheelbaar zijn, +Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif. +De dolle Talbot triumfeere een poos, +En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart, +Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk, +Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren. + +KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden, +En uw beleid werd niet door ons mistrouwd; +Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken. + +BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen, +En heel de wereld melden wij uw roem. + +ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen, +U eerend als een heil’ge patrones; +Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken. + +PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan: +Door zachte toespraak en met honigwoorden +Verlokken wij den hertog van Bourgondië, +Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20 + +KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan +Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer; +Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten, +Maar ras gerooid uit onze landen zijn. + +ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk, +En leenden van geen graafschap hier den naam. + +PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk, +De zaak in de gewenschte haven breng. + +(Getrommel in de verte.) + +Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren, +Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert. + +(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt +voorbij.) + +Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,— +En al het Engelsch krijgsvolk achter hem. + +(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne +troepen.) + +Bourgondië en zijn heer in de achterhoede! +Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!— +Steekt de trompet, wij willen met hem spreken. + +(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.) + +KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië! + +BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër? + +PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman. + +BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier. + +KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden. + +PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk, +Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’. + +BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang. + +PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk, +En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield +Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand. +Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht, +Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit, +Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie +Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden, +Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt. +O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden. +Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt; +Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt, +Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55 +Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen, +En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg. + +BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst, +Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt. + +PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk; +Zij twijflen aan uw echt en edel bloed. +Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk, +Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet. +Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet, +U tot zijn werktuig makend van verderf, +Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik? +U stoot men als een overlooper uit. +Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest: +Was Orleans, de hertog, niet uw vijand, +En was hij niet in England krijgsgevangen? +Nauw was hij als ùw vijand hun bekend, +Of zonder losgeld lieten zij hem vrij, +Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar. +Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten; +Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn. +Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst! +Als Karel, spreiden allen de armen open. + +BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal +Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut, +En bijna knielde ik neer tot overgaaf.— +Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten! +En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen; +Mijn leger, al mijn macht behoort aan u. +Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer. + +PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien! + +KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons. + +BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst. + +ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld, +En een gravinnekroontje er mee verdiend. + +KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend, +En dan getracht den vijand schâ te doen. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis. + +Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon, +Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner +officieren. + +TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs, +Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam, +Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund, +Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen; +Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer +Dan vijftig sterke sloten voor u won, +Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten, +Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,— +Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer; + +(Hij knielt neder.) + +En schrijft met onderdanig trouw gemoed, +Den roem en de eere der bevochten zeges, +Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe. + +KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13 +Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed? + +GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt. + +KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer! +’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,— +’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide, +Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde. +Sinds lange was uwe trouw ons openbaar, +Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren: +Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd, +En viel u zelfs geen woord van dank ten deel, +Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden. +Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten, +Den naam en rang van graaf van Shrewsbury; +Neem zoo uw plaats bij onze kroning in. + + (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af, + behalve Vernon en Basset.) + +VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee +Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet, +Die ik, Mylord van York ter eere, draag; +Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden? + +BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft +Het nijdig keffen van uw drieste tong +Tegen mijn heer, den hertog Somerset. + +VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is. + +BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York. + +VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis. + +(Hij geeft hem een slag.) + +BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht, +Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is; +Die slag onttapte u anders ’t hartebloed. +Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit +En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken; +Daar komt u onze ontmoeting duur te staan. + +VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan +Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is. + + (Beiden af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Parijs. Een troonzaal. + +Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop +van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen +treden op. + +GLOSTER. Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd. + +WINCHESTER. Heil koning Hendrik, zesden van dien naam! + +GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,— + +(De Commandant knielt.) + +Dat gij geen andren koning kiest dan hem, +Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn, +En niemand vijand reek’nen zult, dan hen, +Die zijn gezag met boozen raad belagen; +Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God! + + (De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.) + +(Sir John Fastolfe komt op.) + +FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais +Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest, +Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege +Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid. + +TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13 +’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten, +Dien knieband van uw hazebeen te rijten; + +(Hij rukt hem den kouseband af.) + +En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig +Bekleed werdt met die hooge waardigheid.— +Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren! +Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay, +Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg, +De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,— +Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel, +Liep hij als een getrouwe schildknaap weg! +Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht; +Ikzelf, en menig edelman met mij, +Wij werden overmand en krijgsgevangen. +Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed, +Of zulke lafaards ooit der ridderschap +Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen? + +GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos; +Slecht stond het aan den minsten wapenknecht, +Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider! + +TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren +De ridders van den knieband hooggeboren, +Vol dapperheid en deugd en fieren moed, +Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk; +Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend, +En onverschrokken in den hoogsten nood. 38 +Die deze gaven niet bezit, hij matigt +Zich driest den heil’gen naam van ridder aan, +En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek; +Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten, +Gelijk een in de heg geboren dorper, +Die zich vermeet op edel bloed te pralen. + +KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel. +Pak dus u weg, gij, die een ridder waart; +Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen. + + (Fastolfe af.) + +En nu, mylord protector, lees den brief +Van onzen oom, den hertog van Bourgondië. + +GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl? +Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”. +Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is? +Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin +Verand’ring in gezindheid bij hem aan? +Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan +Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren +Van hen, waar uw geweld’narij op teert, +Uw booze zaak verlaten; en ik sluit +Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!” +O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn, +Dat in verbonden, vriendschap en geloften +Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt? + +KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af? + +GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans. + +KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat? + +GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets. + +KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken, +En hem kastijden voor zijn snood bedrijf. +Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom? + +TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor; +’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt. + +KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los. +Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst, +En dat het zonde is, vrienden te bespotten. + +TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76 +Dat gij welras uws vijands val moogt zien. + + (Talbot af.) + +(Vernon en Basset komen op.) + +VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst! + +BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe! + +YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst! + +SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik! + +KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken. +Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang? +Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien? + +VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt. + +BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt. + +KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft? +Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord. + +BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam, +Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong +Om deze roos beleedigd, die ik draag; +Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren +Een beeld was van mijns meesters schaamteblos, +Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd +Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten, +Dien hij gehad had met den hertog York, +Met verdre lage schimp- en lastertaal; +Ter wederlegging van dit grof verwijt, +En ter verdediging mijns eed’len meesters, +Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet. + +VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst; +Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden, +Zijn driest vermetel doel vernissen moog’, +Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd, +Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken, +En zeide, dat de bleekheid dezer bloem +De lafheid van mijns meesters hart verried. + +YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind? + +SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit, +Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt. + +KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen, +Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden +Zoo vinnige partijschap zich verheft!— +Mijn waarde neven, Somerset en York, +Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u. + +YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116 +Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede. + +SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen, +En zij daarom ook door onszelf beslecht. + +YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op. + +VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon. + +BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst. + +GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil! +En gaat te grond, gij en uw driest gekijf! +Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet, +Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp +Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten? +En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel +Met zulk een dol gekijf van hen te dulden, +Laat staan een grond te delven uit hun taal +Om onderling nu zelve twist te zoeken; +Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg. + +EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede. + +KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert: +’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst: +Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.— +En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn: +In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk! +Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien, +En dat wij in onszelf oneenig zijn, +Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan +In koppige ongehoorzaamheid en oproer! +En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn, +Als vreemden vorsten dit ter oore komt, +Dat om een speelgoed, om een nietig ding, +De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel, +Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren! +O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader, +Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets, +Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds. +Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd. +Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, + +(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.) + +Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden, +Dat Somerset mij liever is dan York; +’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden; +Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon, +Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet. +Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht, +Dan ik u leeren of vermanen kan. +Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen, +Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.— +Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt +Door ons als uw regentschap u vertrouwd; +En, waarde lord van Somerset, vereenig +Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk. +Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen +Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand; +Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168 +Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren, +Na korte rust, dra naar Calais terug, +Van daar naar England, waar ik binnenkort +Karel, Alençon en heel die bent verraders +Door uw triomfen voor mij hoop te zien. + + (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester, + Suffolk en Basset af.) + +WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen, +Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld. + +YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen, +Dat hij de roos van Somerset nu draagt. + +WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard; +De goede vorst bedoelde wis niets kwaads. + +YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg; +Er zijn nu andere zaken, die mij roepen. + + (York, Warwick en Vernon af.) + +EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt; +Want, als uw hartstocht uitgebarsten was, +Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld +Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd, +Dan nu zich denken of vermoeden laat. +Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man, +Die dezen nijd en twist des adels ziet, +’t Wegdringen aan het hof van elk door elk, +En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent, +Voorziet het naad’ren van een boozen tijd. +’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait; +Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt, +Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet. + + (Exeter af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Bordeaux. + +Talbot komt op, met zijn troepen. + +TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux, +En roep den overste op tot een gesprek. + +(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche +troepen en Anderen.) + +Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept, +De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst; +En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten, +En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen, +En huldigt hem als need’rige onderdanen; +Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug. +Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt, +Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen, +’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger, +Die uwe torens, fier de wolken tartend, +Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk, +Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan. + +BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil, +’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt! +Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17 +Tot ons dringt gij niet door dan door den dood; +Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst, +En sterk genoeg tot uitval en gevecht. +En deinst gij af, gereed staat de dauphijn, +Om met des oorlogs strikken u te omslingren; +Aan beide uw zijden houden troepen wacht +En muren u den uitweg toe ter vlucht; +En nergens kunt ge om hulp u henenwenden, +Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt +En u het bleek verderf niet tegentreedt. +Tienduizend Franschen namen ’t sacrament, +Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot +Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen. +Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man +Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest; +Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans, +Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed; +Want eer het glas, welks zand begint te vloeien, +Den afloop meldt van ’t aangevangen uur, +Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood, +Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood. + +(Trommen in de verte.) + +Hoor! hoort +De trom van den dauphijn, een klok, die maant, +Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel; +U zal de mijne een bang verscheiden galmen. + + (De Bevelhebber met de zijnen af.) + +TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.— +Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.— +O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid! +Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid, +Een kleine, schuwe hertenkudde uit England, +Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden; +Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht, +Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet; +Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten +Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot, +Zoodat het laf en blaffend verre blijft; +Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik, +Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.— +God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht +Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een vlakte in Gasconje. + +York komt op, met troepen; een Bode nadert hem. + +YORK. Zijn nog de vlugge ruiters niet terug, +Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden? + +BODE. Zij zijn terug, mylord, en geven op, +Dat hij is aangetrokken op Bordeaux, +Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen, +Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker +Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden, +En verder met hem trokken naar Bordeaux. + +YORK. Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset, +Die den beloofden bijstand zoo vertraagt: +De ruiterij, voor dit beleg verzameld! +De groote Talbot rekent op mijn hulp, +En mij bedriegt een schurk, een laag verrader, +Dat ik den eed’len held niet helpen kan. +God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15 +Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg! + +(Sir William Lucy komt op.) + +LUCY. O vorst en legerhoofd van Englands kracht, +Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was, +IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot, +Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten, +Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld. +Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux! +Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel! + +YORK. O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel +Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats! +Dan wierd een dapper edelman gered, +Door ’t off’ren van een lafaard en verrader. +Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af; +Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf. + +LUCY. Om bijstand roept de held; hij zij verhoord! + +YORK. Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord. +Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered, +Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset. + +LUCY. O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig, +En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden, +Op reis naar zijn krijgshaften vader vond. +In zeven jaar zag hem zijn vader niet; +Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt. + +YORK. Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten, +Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten! +Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot; +Zulk wederzien in de ure van den dood! +Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man, +Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan. +Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd, +Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt! + + (York met zijn troepen af.) + +LUCY. Aldus, terwijl de gier der ijverzucht +Zich in de borst van zulke grooten mest, +Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim +De winst des nauwlijks kouden overwinnaars, +Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op. +Uit loutre zucht tot tegenkanting geven +Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven! + + (Lucy af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een andere vlakte in Gasconje. + +Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van +Talbot. + +SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden. +Die onderneming werd door York en Talbot +Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht +Kan bij een uitval reeds de stad alleen +Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed +Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer +Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk. +York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven, +Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven. + +OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij +’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken. + +(Sir William Lucy komt op.) + +SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending? + +LUCY. Waarheen, mylord? +Van den verraden en verkochten Talbot, +Die, eng door driesten tegenspoed omzet, +Roept om den eed’len York en Somerset, +Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden. +En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden, +Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len, +En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet, +Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer +Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht. +Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp, +Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven, +Terwijl hij, die beroemde en eed’le held, +Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht! +Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard +Van Orleans, Reignier, omsluiten hem, +En Talbot gaat door uwe schuld te grond. + +SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen. + +LUCY. En York laakt even heftig uw genade; +Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt, +Die juist voor dezen tocht verzameld was. + +SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd; +’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig; +’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond. + +LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk, +Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt. +Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven, +Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven. + +SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij; +Zes uren, en zij allen staan hem bij. + +LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood; +Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die; +En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan. + +SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God! + +LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux. + +Talbot en zijn zoon John komen op. + +TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden, +Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht, +En Talbot’s naam in u herleven zou, +Als dorre leden, sloopende ouderdom +Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren. +Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!— +Zijt ge aangekomen voor een feest des doods, +Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar. +Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros; +Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt +Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg! + +JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon? +En vluchten? O, bemint gij mijne moeder, +Onteer haar hoogvereerden naam dan niet, +Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken! +De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af? +Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!” + +TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val. + +JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal! + +TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij. + +JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij! +Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied; +Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet. +Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid, +Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit. +U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont, +Mij wel, die nog geen heldendaad bestond. +’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht; +Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht. +Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk, +Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk? +Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven, +Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven! + +TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven? + +JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven. + +TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt. + +JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet. + +TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond. + +JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39 + +TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden. + +JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden? + +TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij. + +JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij? +Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood. + +TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood? +Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam. + +JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam? +Van u te wijken is mij niet vergund, +Zoo min als gij uzelven splitsen kunt. +Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij, +En leef niet als gij valt, maar sterf als gij. + +TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind, +Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint. +Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd, +En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd! + + (Beiden af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Een Slagveld. + +Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door +Talbot ontzet wordt. + +TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht! +Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard; +Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.— +Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf +U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf. + +JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon; +Het eerstgeschonken leven was ontvloôn, +Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven, +Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven. + +TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen, +Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen +Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm +En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm, +Bourgondië, Alençon en Orleans +In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans. +Den bastaard Orleans, die, wild en ruw, +U bij uw maagdestrijd weerstond, en u +Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras, +En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras +Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon +Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon; +Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed +Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed +Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!” +Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde, +Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu; +Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u? +Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer; +Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer! +Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood; +De hulp van éénen man helpt niet in nood. +Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven +In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33 +Ontziet mij Frankrijks woede heden nog, +Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch; +Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt +Mijn leven slechts een enk’len dag verkort. +In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam, +Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam. +Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt; +Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt. + +JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart, +Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart. +Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer, +Een nietig leven voor een schat van eer, +Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde, +Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde, +En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot, +Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot! +Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon, +Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon. +Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen; +Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen. + +TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu, +Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u; +Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde, +Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde. + + (Beiden af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het slagveld. + +Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar +ondersteund. + +TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood? +O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?— +Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu, +Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.— +Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij +Zijn bloedig zwaard beschermend over mij, +En, als een uitgevaste leeuw, volbracht +Hij daden van geweld en reuzenkracht; +Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong +Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong, +Toen dreef hem blinde woede en razernij +Des harten plotseling heen en ver van mij +In ’s vijands dichten drom; de fiere moed +Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed; +Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem, +Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem. + +(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.) + +DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht. + +TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18 +Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd, +In heerlijkheid vereenigd voor altijd, +Twee Talbots zweven door de weeke lucht, +Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.— +O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan, +Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan! +Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis, +Alsof hij Franschman en uw vijand is.— +Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt: +„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”— +Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart; +Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart. +Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer: +Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer. + + (Hij sterft.) + +(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken +achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard, +de Pucelle, met troepen.) + +KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld, +Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden. + +BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed +Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed! + +PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan: +„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”; +Maar, met een blik vol majesteit en hoon, +Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon +Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!” +Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij +Liet hij daar staan als geen bestrijden waard. + +BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard. +Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven +Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven. + +BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld! +Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held! + +KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt, +Toen hij nog leefde, thans niet in den dood! + +(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen +Heraut.) + +LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn, +Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg. + +KAREL. Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53 + +LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord; +Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn. +Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen, +En wensch te zien, wie er gevallen zijn. + +KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel. +Doch zeg mij, wien gij zoekt. + +LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld, +De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury, +En, om zijn heldendaden, ook betiteld +Graaf van Valence, Wexford, Waterford, +Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield, +Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton, +Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield, +Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge, +Doorluchte ridder van Sint George’s orde, +Sint Michaël waardig en het Gulden vlies, +Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam, +Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk? + +PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl! +De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft, +Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem. +Hij, dien gij zoo verheft met al die titels, +Ligt voor uw voeten als een stinkend aas. + +LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel, +De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis? +O, wierden mijner oogen ballen kogels, +Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot! +Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen! +Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82 +Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef, +De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken! +Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’, +En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’. + +PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest, +Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken. +Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier +Verpesten zij de lucht slechts met hun stank. + +KAREL. Ga, neem de lijken mee. + +LUCY. Ik voer ze weg; +Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch, +Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was. + +KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt. +Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen! +Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Londen. Een zaal in het paleis. + +Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter. + +KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen, +Den keizer en den graaf van Armagnac? + +GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt: +Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan, +Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk +Een christenvrede dra gesloten worde. + +KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade? + +GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg +Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten +En veil’ge rust te gronden aan weerszij. + +KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor, +Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk, +Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten, +Bij hen, die één geloof zijn toegedaan. + +GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken +En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt +Graaf Armagnac, een naverwant van Karel, +Een man van veel en groot gezag in Frankrijk, +Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid +Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat. + +KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd! +O, beter passen mij nog vlijt en boeken, +Dan dartel minnekoozen met een bruid. +Maar toch, roep de afgezanten voor en geef +Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt; +Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts +Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land. + +(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van +Winchester in kardinaalsgewaad.) + +EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd +En met den kardinaalsrang nu bekleed? +Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn, +Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde: +„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden, +Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.” + +KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34 +Zijn grondig overwogen en getoetst. +Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig; +En daarom namen wij alsnu ’t besluit, +Voorwaarden voor een vrede vast te stellen, +Die onverwijld mylord van Winchester +Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal. + +GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer +Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo, +Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden, +Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat, +Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn. + +KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag +Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.— +En nu, mylord protector, laat de heeren +Naar Dover begeleiden tot aan boord; +En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee. + + (Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten + af.) + +WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst +De geldsom in ontvangst, die ik beloofde +In dank te kwijten aan zijn heiligheid +Voor de bekleeding met dit plechtgewaad. + +LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde. + +WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen, +Noch wijken voor den fiersten dezer pairs. +Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu, +Dat evenmin in rang als in geboorte +De bisschop zich door u verduistren laat; +Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen, +Of twist en omkeer zal dit land vernielen! + + (Beiden af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Een vlakte in Anjou. + +Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch. + +KAREL. Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken: +Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand, +En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij. + +ALENÇON. Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs! +En dralen houde uw leger niet terug. + +PUCELLE. Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt, +Of anders slechte de oorlog haar paleizen! + +(Een Bode komt op.) + +BODE. De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer, +En alle heil bij al zijn medestanders! + +KAREL. Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10 + +BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was +In twee gedeelten, is geheel vereend +En is van plan terstond u slag te leev’ren. + +KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding; +Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien. + +BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer; +Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer. + +PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees. +Gebied de zege, Karel, en ze is u, +Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’! + +KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Angers. + +Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op. + +PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.— +Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans, +En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt, +En teek’nen zendt van wat gebeuren zal; + +(Donderslagen.) + +Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar +Des noordpools groote koning over heerscht, +Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk! + +(Booze Geesten verschijnen.) + +Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg +Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt. +En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas +In machtige onderaardsche rijken, helpt mij +Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’! + +(De Geesten waren om en spreken niet.) + +O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen. +Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed, +Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef, +En dat u ’t handgeld zij van verder loon, +Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen. + +(De Geesten laten het hoofd hangen.) + +Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf +Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort. + +(Zij schudden het hoofd.) + +Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed +Tot uw gewone hulp en steun bewegen, +Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles, +Eer England op de Franschen triumfeer’! + + (Zij verdwijnen.) + +Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd, +Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25 +En ’t nederleggen moet in Englands schoot. +Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak; +De hel is mij te sterk om meê te worst’len; +Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof. + + (De Pucelle af.) + +(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; +daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt +gevangen genomen. De Franschen vluchten.) + +YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen; +Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken, +En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.— +Een schoone buit, de gunst des duivels waard! +Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst, +En liefst, als Circe, mij herscheppen zou. + +PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen. + +YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man; +Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen. + +PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil, +En moge een hand des bloeds u beiden plotsling +Bij ’t slapen in uw bedden overvallen! + +YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong! + +PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit. + +YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat. + + (Beiden af.) + +(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand +leidende.) + +SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij. + +(Hij beschouwt haar.) + +O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen, +Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan. +Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers, +En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij. +Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer. + +MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning, +Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,— + +SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam. +Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur, +Dat het uw lot was in mijn hand te vallen; +Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost +En houdt dit met haar vleugels als gevangen. +Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft, +Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan. + +(Zij wendt zich af om heen te gaan.) + +O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten; +Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen. +Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen, +Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend, +Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64 +Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken. +Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag. +Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart; +Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet? +Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw? +Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit; +Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp. + +MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt, +Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan? +Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie. + +SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt, +Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen? + +MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven? + +SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard; +Zij is een vrouw en daarom wel te winnen. + +MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen. + +SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw; +Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn? + +MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren. + +SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest. + +MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek. + +SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen. + +MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft. + +SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien? +Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout! + +MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman. + +SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde, +En deze rijken door een vreêverbond. +Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over: +Al is haar vader Napels’ koning, hertog +Van Maine en van Anjou, toch is hij arm, +En heel onze adel schimpt wis op dien echt. + +MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd? + +SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten; +Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.— +(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen. + +MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een +ridder, +En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102 + +SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken. + +MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog; +En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen. + +SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,— + +MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws! + +SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo? + +MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo. + +SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk, +Wanneer zij u tot koningin verheft? + +MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden, +Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid, +Want vorsten moeten vrij zijn. + +SUFFOLK. O, dat zult gij, +Als Englands machtig koning vrijheid heeft. + +MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan? + +SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken, +Een gouden scepter u ter hand te stellen, +Een rijke kroon te drukken op het hoofd, +Wanneer gij gunstrijk mij— + +MARGARETHA. Wat? + +SUFFOLK. Hèm beminnen wilt. + +MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn. + +SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig +Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,— +En zelf geen deel te hebben in de keus.— +Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in? + +MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe. + +SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!— +Prinses, wij willen voor uws vaders burg +Hem dringend vragen om een mondgesprek. + +(Troepen komen nader.) + +(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.) + +SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne. + +REIGNIER. Van wien? + +SUFFOLK. Van mij? + +REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden? +Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal, +Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134 + +SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden; +Sta toe, en sta het voor uw eere toe, +Dat uwe dochter met mijn koning huwt. +Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen, +En deze hechtnis, licht en zacht genoeg, +Heeft koninginne-vrijheid haar verworven. + +REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt? + +SUFFOLK. De jonkvrouw weet, +Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen. + +REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord, +Om antwoord op uw aanzoek u te geven. + + (Reignier af, van den muur.) + +SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af. + +(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.) + +REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied; +Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt. + +SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk, +Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen. +Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek? + +REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde +Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen, +Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen, +Anjou en Maine in vrede mag bezitten, +Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld, +Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht. + +SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij, +En beide deze landen, ’k neem het op mij, +Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten. + +REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik, +Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst, +Haar hand in de uwe, als teeken van verloving. + +SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank, +Naardien dit hand’len voor een koning is. +(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening +In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.— +(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws +En draag er voor de huwlijksviering zorg. +Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant, +Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen. + +REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier, +Uw vromen koning Hendrik zou omarmen. + +MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên +Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174 + +(Zij wil heengaan.) + +SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha, +Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning? + +MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd, +Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen. + +SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd! +Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,— +Geen liefdepand voor zijne majesteit? + +MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart, +Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning. + +SUFFOLK. En dit daarbij. + +(Hij kust haar.) + +MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning +Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden. + + (Reignier en Margaretha af.) + +SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg! +Begeef u niet in zulk een labyrinth; +Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad! +Win Hendrik door het roemen van dit wonder, +Stel u haar weergalooze deugden voor, +Die gaven der natuur, die kunst verduistren; +Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw, +Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt, +Hem zijn bezinning door verbazing rooft. + + (Suffolk af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Het legerkamp van den hertog van York in Anjou. + +York, Warwick en Anderen komen op. + +YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet. + +(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.) + +HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart! +Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht, +En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind, +Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood? +O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u. + +PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm! +Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten, +Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant. + +HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet; +Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel, +Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan, +En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap. + +WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af? + +YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15 +Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu. + +HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn! +God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed, +En meen’gen traan heb ik om u geschreid: +Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne! + +PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald, +Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren. + +HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester, +Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.— +Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!— +Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur +Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik, +Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt, +In rattengif verkeerd om uwentwille! +Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren, +Een uitgevaste wolf u opgevreten! +Zweert gij uw vader af, vervloekte slet? +Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht. + + (De Herder af.) + +YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd, +Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten. + +PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt: +Geenszins de dochter van een armen scheper, +Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams, +Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren: +En aangeblazen door des hemels gunst, +Om wondren, nooit gezien, op aard te werken. +Met booze geesten had ik nooit te doen; +Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt, +Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen, +Met duizenden van ondeugden besmet,— +Dewijl gij Gods genade, die aan andren +Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk, +Wondren te werken zonder ’s duivels hulp! +Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds, +En van haar prille jeugd, een reine maagd, +Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten; +Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed +Om wrake schreien aan des hemels poorten. + +YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking! + +WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is, +Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg; +Zet tonnen pek rondom den folterpaal, +Opdat gij zoo de martling haar verkort. + +PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59 +Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht, +Die naar de wet een voorrecht u verleent.— +Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger; +Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot, +Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs. + +YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger! + +WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan! +Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit? + +YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld; +Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn. + +PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem; +’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk. + +YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! +Het sterft, al waar het duizend levens rijk. + +PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel, +En ook de hertog, dien ik noemde, niet; +Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won. + +WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst! + +YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht, +Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t. + +WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild. + +YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!— +Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’ +Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch. + +PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek. +Dat nimmermeer de lichte zon haar glans +Doe stralen op het land, door u bewoond; +Dat nacht en schaduwen des doods u steeds +Omgeven, tot u onheil en vertwijfling +Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’! + + (De Pucelle met de Wacht af.) + +YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd, +Vervloekte, vuige dienares der hel! + +(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal +Beaufort, komt op met Gevolg.) + +KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet +Met dezen volmachtsbrief van onzen koning. +Want weet, de staten van de christenheid, +Om dezen woesten strijd vol mededoogen, +Verlangen dringend, dat er tusschen ons +En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’; +En reeds komt de dauphijn hier met gevolg +Om over enkle punten te onderhandlen. + +YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102 +Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs, +Aanvoerders, edellieden en soldaten, +Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf +Voor Englands welzijn fier ten beste gaven, +Ten laatste nu een laffen vrede sluiten? +Verloren wij door trouwbreuk, door verraad +En valschheid niet alreeds schier alle steden, +Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?— +O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart +’t Geheel verliezen van het Fransche rijk! + +WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten, +Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn, +Dat luttel slechts de Franschman er bij wint. + +(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en +Anderen.) + +KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is, +In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen, +Zoo komen wij thans van uzelven hooren, +Aan wat bedingen gij den vrede knoopt, + +YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt +Den hollen gang van mijn gevangen stem, +Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie. + +KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld: +Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis +U koning Hendrik ingewilligd heeft, +Uw land te ontheffen van den druk des krijgs, +Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men, +Moet gij vazallen worden van zijn kroon, +En, Karel, op beding, dat gij bezweert +Hem schatting op te brengen, en hem huldigt, +Zult gij, als vicekoning onder hem, +Voortaan u in uw koningsrang verheugen. + +ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn? +Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren, +En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed, +Alleen het recht eens onderdaans behouden? +Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd. + +KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied +Meer dan de helft alreeds in mijn bezit, +En word er als rechtmatig vorst geëerd; +En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel, +Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan, +Slechts vicekoning heeten van ’t geheel? +Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer +Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend, +De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem. + +YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim +Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven; +En nu het komen zal tot een verdrag, +Treedt gij terug en weegt en meet en rekent? +Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert, +Nu als geschenk van onzen koning aan, +Geen aanspraak er op makend als een recht, +Of reken op een eindeloozen krijg. 154 + +REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig +Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag; +Verzuimen wij dit nu, tien tegen een, +Wij krijgen die gelegenheid nooit weer. + +ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek, +Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden +En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks +Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet; +Neem daarom deze wapenschorsing aan, +Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt. + +WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding? + +KAREL. Het zij; +Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons +In een’ge stad van ons ùw volk te leggen. + +YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit: +Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam +Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan, +Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.— + +(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.) + +En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt, +Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen, +Want heilig is de nu gesloten vreê. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter +volgen.) + +KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring +Der schoone Margaretha, graaf, verstomd; +Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid, +Verwekken mij der liefde drang in ’t hart +En evenals de macht van woeste vlagen +Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom, +Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort, +Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen +Waar ik mij in haar min verheugen mag. + +SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht +Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard; +Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,— +Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken— +Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels, +In staat, den stompsten geest nog te verrukken. +En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’, +Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên, +Toch is zij met gelijken zieledeemoed +Geheel bereid om u ten dienst te zijn, +Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid +U als gemaal te minnen, te vereeren. 21 + +KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen. +Stem daarom, lord protector, toe, en zeg: +„Zij Margaretha Englands koningin!” + +GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien. +Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds +Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien, +Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken, +En niet onze eer ontwijden door een blaam? + +SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden; +Of zoo als een, die toezeide op een steekspel +Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat, +Omdat zijn tegenstander hem te min is. +Eens armen graven dochter is te min; +Haar op te geven is daarom geen oneer. + +GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij? +Haar vader is niet beter dan een graaf, +Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels. + +SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning, +Is vorst van Napels en Jeruzalem, +En bovendien in Frankrijk zoo geacht, +Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert, +De trouw der Franschen aan ons kluistren zal. + +GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder, +Want hij is nauw verwant aan den dauphijn. + +EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift, +Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven. + +SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning, +Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn, +Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde. +Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken; +Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden. +O, lage boeren dingen zoo om vrouwen, +Als marktlui om een rund, een schaap, een paard. +Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig, +Om die door zaakwaarnemers af te doen; +En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht, +Zij de genoote van zijn huwlijksbed. +En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint, +Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest, +Om haar in onze meening uit te lezen. +Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel, +Een gansche leeftijd vol van twist en strijd? +Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt +En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65 +Wie huwen wij met Hendrik, met een koning, +Dan Margaretha, dochter van een koning? +Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga, +Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning; +Haar wakk’re geest en onbezweken moed,— +Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,— +Is ons een borg voor kroost, een koning waardig; +Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars, +Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars, +Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden +Als Margaretha zich verbindt in liefde. +Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in: +Slechts Margaretha zij hier koningin. + +KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht, +Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer +Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd +Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,— +Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit: +Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht, +Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees, +Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben. +Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk; +Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen: +Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee +Naar England oversteke en zich laat kronen +Als Hendriks trouwe gade en koningin. +Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending +Kunt gij een tiende heffen van ons volk. +Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94 +Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.— +En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren; +Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart, +Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt +Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil. +En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen +Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed. + + (Koning Hendrik af.) + +GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde. + + (Gloster en Exeter af.) + +SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij +Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta; +Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden, +Maar met een beter slot dan die Trojaan.— +Beheersche Margaretha nu den koning; +Ik echter haar, den koning en het rijk! + + (Suffolk af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie +deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden, +welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York +schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den +grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van +het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals +gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de +volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II, +Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt. +Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit, +draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd +des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning +Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan +laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan. + +Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K. +Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is +het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet +alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even +natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner +voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch +tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van +Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van +tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en +Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de +jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn +Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in +zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening +zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover +kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo +spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen. + +Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare +en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk +zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van +Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel +getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar +de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem +herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel +zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de +andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het +laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het +eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde +deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn +later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun +nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals +te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter, +of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn +vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door +Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier +in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te +leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden, +omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry +Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in +den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn +opgenomen. + +Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet, +staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van +Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te +bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten +tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de +twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van +Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen, +het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen +zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel +de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze +draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van +het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van +het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der +gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze +wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen +worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van +Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later +plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon +hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft +Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan +had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een +krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den +oorlog. + +Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening +verdedigd, dat het eerste deel niet van Shakespeare is en dat met het +tweede een zelfstandig werk begint. Deze meening moet hier met een +woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in den folio van +1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren +nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht +gegeven, en wel onder den titel: The first part of the contention +betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, with the death of +the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke of +Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester, +with the notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first +claim unto the Crowne. London Printed by Thomas Creed, for Thomas +Millington, and are to be sold at his shop under Saint Peters Church in +Cornwall (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een +octavo-boek, dat het derde deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder +den titel: The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of +the good King Henrie the Sixt, with the whole contention betweene the +two Houses Lancaster and Yorke, as it was sundrie times acted by the +Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. Printed at London +by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe under +Saint Peter’s Church in Cornwal (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken +werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal beide in quarto, +uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band +uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had +overgedragen, onder den titel: The Whole Contention Betweene the Two +famous Houses, Lancaster and Yorke, With the tragicall Ends of the good +Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the sixt. Divided +into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William +Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.—Hier wordt dus voor het +eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering en +vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer +afzonderlijke uitgave nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want +Delius heeft dien met al zijn fouten in zijn bekende +Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en het +derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe +ongelooflijk de echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is +de handeling dezelfde en de gang der samenspraken eveneens, maar soms +is van een lange reden slechts een schets gegeven, verzen zijn vaak als +proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken zijn +weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de +samenspraak, hier en daar vindt men geheele gedeelten, die met den +tekst der folio-uitgave overeenkomen, maar midden daarin onzin of +geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen geheel +verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels, +dus gedeelten, die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed +weergegeven. Kortom de tekst bevat gedeelten, die geen ander dichter +uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; andere, die ook de +grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand van den +tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het +gehoor is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den +schouwburg aan het werk zijn geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad +het ging, op papier brachten en dat daarna de een of andere handlanger +de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog treffende +gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen +zijn, maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de +samenflanser de rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft +gehad, maar de ellendige toestand van den tekst maakt zelfs dit niet +waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van uitgeven was in dien +tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig +gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste +deel van Hendrik VI niet meester worden of zag hij in de uitgave geen +voordeel, zoodat nu het tweede en derde deel van K. Hendrik VI tot het +eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen de huizen van +Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en +onaangenaamheden te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel +wegbleef; trouwens iedereen wist toch wel, dat het dezelfde stukken +waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook bij de eerste +onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten. [1] + +Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als +tooneelspeler behoorde, ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven +werd, is onbekend; het is mogelijk, dat de vermelding van dit +gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste deel, alleen +op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook +mogelijk, dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen +moge, zeker is het, wanneer men den tekst van de door Millington +uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde onrechtmatige wijze +moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen +schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later +beter uitgewerkt is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat +het ontbreken van een afzonderlijke uitgave van het Eerste Deel van K. +Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, om laatstgenoemd stuk +niet aan Sh. toe te kennen. + +Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten, +dat de deelen volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere +voorbereidt, dan vinden wij, dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen +waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig jaren van Hendriks +koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie +stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen, +dan vindt men in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een +kind van negen maanden kon den dichter niet dienen,—komt in het eerste +deel voor als knaap, in het tweede als man, in het derde als grijsaard, +zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het is steeds +dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve +Shakespeare, dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van +anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had +kunnen schilderen en hem zulk een roerende goedheid en zooveel +majesteit had kunnen verleenen, dan moet het antwoord ontkennend +luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier stukken +zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het +eerste oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie +deelen van Koning Hendrik VI en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk +de schepping van één dichter.—En dat die dichter niemand anders dan +Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één stemming in al +deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid, +die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen +tegenover de Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven, +waardoor hij al zijn voorgangers en tijdgenooten overtreft. + +Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog +stond aangeschreven, is ons door een uiting van een gelijktijdig +schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op dit stuk in een geschrift: +„Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil”; hij verklaart het +tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen +der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de +helden van weleer uit het graf der vergetelheid weer in het leven +geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, „zou de dappere Talbot, de schrik der +Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat hij, na tweehonderd jaren +in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert en +dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en +verscheidene malen, van wel tienduizend toeschouwers, die in den +treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, hem op nieuw meenen te +zien bloeden!” + +Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt +nog uit een ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook +het derde deel van K. Hendrik VI reeds in 1592 gegeven werd en grooten +bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan ellende ter prooi, de +dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje „A +Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance”, dat Henry +Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens +tooneelspelen de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren, +zijn wrok gelucht over de nieuwere dichters, die, naar hij meende +geheel onverdiend, door de tooneelspelers boven de oudere dichters +werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name Marlowe, +Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond +spreken, den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort, +„want daar is een kraai, een opkomeling, gesierd met onze vederen, die +met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers huid gehuld” gelooft, dat +hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, als de +beste van u; en omdat hij een volkomen Johannes fac totum is, is hij in +zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (Shake-scene) in den +lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon +brengenden weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere +voortreffelijkheid nabootsen, en maak hen nimmer weer met uw bewonderde +dichterlijke vonden bekend!” + +Dat met den naam Shake-scene (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is, +spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart in vrouwenhuid gehuld!” +roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de Hertog van +York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is +duidelijk geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man, +niet zooals wij van geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford +bezocht heeft, een man, die ons, erkende dichters, nabootst en met onze +schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, in zijn +eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij, +evenals zij, met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen +zijn werken tooide, was niet zoo geheel onjuist, en zijn „Koning +Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de reden van het verwijt +niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers in de +schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van +af, daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk +maakte en in veler mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle, +achtte zich weldra, waarschijnlijk op aandrang van Shakespeare of zijn +vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen blaam verdiende, en hij +gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, „Kind-harts +dream” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet +onderdrukt te hebben; „omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn +gedrag als evenzoo beschaafd wellevend (civil) heb leeren kennen, als +hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden +eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel, +die van zijn rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het +schrijven, die zijn kunstvaardigheid bewijst”. + +Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten. + +Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis +Plantagenet, en daarmede tevens het verschrikkelijkst tijdvak van +Engelands geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor +Engeland verloren ging. + +Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn +broeder, de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog +tegen den Dauphijn van Frankrijk, die zich na zijns vaders dood als +Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel hij +aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429 +Orleans ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale +zaak en het optreden der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan. +Wel werd nog in December 1431 de toen negenjarige Hendrik VI te Parijs +plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend jaar begon de +Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche +koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen +zijn oom, den kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder, +den hertog van Bedford, tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op +de krijgsverrichtingen der Engelschen in Frankrijk, en toen, na den +dood van den hertog van Bedford, in September 1435, de hertog van +Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende, +gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot +1447, eer de wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens +door bemiddeling van Suffolk het huwelijk van koning Hendrik VI met +Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, die +onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn +koningshuis nog deed toenemen. + +Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen +tot aan ’s konings huwelijk. De dichter volgt over het geheel de +kroniek van Hall of de daaruit grootendeels geputte kroniek van +Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der +gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt, +wijkt hij van deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas +negen maanden oud was, als aankomend jongeling optreden, en vat de +oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die een dertigtal jaren +duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van Orleans +door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van +Hendrik in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening +van den koning van Frankrijk met den hertog van Bourgondië, de +tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling van een +wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van +Anjou, eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van +Talbot en zijn zoon. Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische +volgorde in acht is genomen, kan men afleiden, in hoeverre Shakespeare +van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming en den dood van de +Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht, +hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen; +het gevecht van Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst +hij voor het optreden der Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen +aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij in de eerste jaren, hoewel +hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde. +Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen +als het gevolg van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en +partijzucht der Engelsche grooten, en van het optreden der Maagd van +Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed der toeschouwers +gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd +van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan +heldenmoed en dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn +van hun inwendige verdeeldheid en van Fransche tooverkunsten. Schrijft +men de laatste niet aan de inwerking des duivels, maar aan de opwekking +toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen door de +Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de +hoofdzaak waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen +veranderd, al heeft hij de rol, die de mededingers Gloster en kardinaal +Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet juist teruggegeven en al +was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer een +welberaden en voorzichtig krijgsman. + +Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans +zoo, en niet anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit +Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, of zij had met helsche machten in +verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands groote dichter het +beeld der Maagd geteekend heeft [2], dat Fransche en Duitsche +geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis van het +Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit +authentieke stukken hebben toegelicht en haar als een der verhevenste +en reinste personen der wereldgeschiedenis hebben doen kennen [3]. Toch +heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel +verloochend; in het geheele stuk is het haar liefde voor land en +koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar zij de helsche machten ter +hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, is het +alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen. + +Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan +het einde van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke +rol speelt, zij hier opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste +en ijverigste aanhangers was van het huis Lancaster, en dat hij +geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met de hem verstrekte +instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk trof +en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het +oog van het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst +der bij het volk gehate Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en +Frankrijk meer en meer voor Engeland verloren ging, werd hij met den +onverzoenlijken haat van het volk beladen. + +Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die +van groot belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken +en van K. Richard III, moge het raadplegen der in dit deel voorkomende +geslachtslijst van het koninklijk huis aanbevolen worden. + + + +I. 1. De graaf van Warwick. Met den onder de optredende personen +voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen Richard Beauchamp, +graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de graaf +van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard +Nevil, die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van +Warwick, Anna Beauchamp, zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer +de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; misschien heeft hij beide +personen voor één gehouden. + +I. 1. 1. Behangt den hemel zwart. De hemel was de kunstterm voor de +zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart bekleed was. +Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis +door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand. + +I. 1. 65. Rheims door ons ontruimd. De Folio leest Roan, dat steeds bij +Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan Rheimes (tweelettergrepig) +moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de maat +duidelijk. + +I. 1. 117. Geen pieken om te planten voor de schutters. Op deze wijze +werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval +der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking a pitched battle. + +I. 1. 131. Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Zoo luidt de +naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder +Falstaff van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien, +evenals aan het publiek, de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn +dan de ridder Fastolf. + +I. 1. 153. Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s +feest met glans te vieren. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden +zullen als vreugdevuren dienen zooals in Engeland op den vooravond van +Engelands beschermheilige werden aangestoken. + +I. 2. 1. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog +toe onbekend. Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De +sterrekundigen waren nog niet bij machte geweest, den schijnbaren loop +der planeet Mars aan den hemel behoorlijk te verklaren. Maar juist +omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den grooten Kepler +ontraadseld. + +I. 2. 29. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft. Sh. vond deze +aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver +(1337–1410), in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de +bekende helden van Karel den Grooten. + +I. 2. 56. Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen. Negen Sibyllen waren +er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, die +aan Tarquinius te koop werden aan geboden. + +I. 2. 110. Eed’le Pucelle. Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog +niet genoemd. + +I. 2. 131. Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen. Halcyonendagen waren bij +de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op een storm +volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op +Sint Maarten, vergeleken. + +I. 2. 138. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar +droeg en zijn geluk. Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden +schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, want gij hebt Cæsar en zijn +geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van Plutarchus door +North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem +aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk +rijk is. + +I. 2. 140. Werd eens Mohammed door een duif bezield. Dit werd door Sh. +zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin +wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit +het oor te pikken, zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den +schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt kwam zoeken; waarna Mohammed +den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif de Heilige +Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn, +van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen +als heilige vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den +heiligen Philippus maagden waren en profeteerden, staat in de +Handelingen der Apostelen te lezen. + +I. 3. De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij. De +blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke +macht, terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan +ook de Dienaars van den bisschop van Winchester optreden. + +I. 3. 35. Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen. De bisschop van +Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, die +tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles +geld te slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord +Winchestergans, reg. 53. + +I. 3. 39. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain. Volgens de +overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus +ligt, verslagen hebben. + +I. 3. 46. Op de plaats geen acht geslagen. In de city mocht geen wapen +getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten der koninklijke +sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen, +zie reg. 84. + +I. 4. 1. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt. Het verhaal van +dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed. + +I. 4. 95. Plantagenet. Talbot noemt Salisbury met den familienaam van +het koninklijk geslacht, omdat hij een afstammeling was van koning +Edward III en de schoone gravin van Salisbury. + +I. 5. 6. Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af. Als iemand aan +een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem. + +I. 5. 21. Als Hannibal. Toespeling op Hannibals krijgslist, die den +Romeinen ontkwam, door ossen met brandende struiken aan de horens naar +hen toe te drijven. + +I. 6. 21. Een trotscher pyramide enz. In Plutarchus vindt men vermeld, +dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis een pyramide stichtte, +en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in een met +juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als +oorlogsbuit veroverd had. + +II. 1. 1. Hier, mannen, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt +door Holinshed van de inneming der stad Mans verhaald. + +II. 2. 38. De deugdrijke gravinne van Auvergne enz. Van dit voorval met +de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding gemaakt. + +II. 4. 3. Te luide spraken we in de Tempelzaal. De lords hadden in de +Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, Lancaster en +York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de +kenteekenen der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze +gekozen zouden zijn, die hier wordt aangegeven, vindt men nergens +vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; dit is te +meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend +onderstelt.—De tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een +geheiligde plaats, waar geen zwaard getrokken mocht worden; hierop +doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats gesproken wordt. + +II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de +vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht +hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden +den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen +zin gebruikt. + +II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was +inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op +het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den +ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en +zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de +aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II. + +II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat +eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder +ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als +van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten +waren. + +II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het +parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht, +dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem +geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen. + +III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort, +bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina +Swijnford. + +III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een +woordspeling: „Roam thither then.” + +III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI +slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten +tusschen Gloster en Winchester te beslechten. + +III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit +teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt. + +III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t +Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city. + +III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium +temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten +er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in +lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar +aanleiding hunner proeven bevestigd. + +III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit +zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn +broeder Aurelius. + +III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet +mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te +vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij +dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond +legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh. +bekend was, weten wij niet. + +III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze +bepaling gold voor de verblijfplaats des konings. + +IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens +Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn +orde hebben afgenomen. + +IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning +wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit +evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik +een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid +voor dezen vijand van Engeland bewijst. + +IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich +met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende +onderneming in het verderf stortte. + +IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels +en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan, +maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek +te vinden. + +V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den +kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij +reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een +anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend. + +V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote +koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s +Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in +het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze +geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning +van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen +Goap. + +V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn +eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde. + +V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius +voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het +gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de +interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van +Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.” + +V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch +noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan +hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus +(of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd +aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien +tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen +Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging +afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge +literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter +Chaucer. + +V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is +in zijn keuze. + +V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli +(1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een +voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood +van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van +zichzelf. + + + + + + + + + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +TWEEDE DEEL. + + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom. + Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings. + Richard Plantagenet, Hertog van York. + Edward en Richard, zijn zonen. + De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord + Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings. + De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York. + Lord Scales, Commandant van den Tower. + Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William. + Sir John Stanley.—Vaux. + Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, + Zeeroovers. + Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen. + John Hume en John Southwell, Priesters. + Bolingbroke, een Geestenbezweerder. + Een Geest, door Bolingbroke bezworen. + Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht. + Emanuël, de klerk van Chatham. + De Schout van Sint Albaan. + Simpcox, een Bedrieger. + Twee Moordenaars. + Jack Cade. + George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en + Michaël, aanhangers van Cade. + Alexander Iden, een Edelman uit Kent. + + Margaretha, Koning Hendriks Gemalin. + Eleonore, Hertogin van Gloster. + Gretha Jordaan, een Heks. + De Vrouw van Simpcox. + + Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. + Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. + Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz. + + + +Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Een staatsiezaal in het paleis. + +Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning +Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal +Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door +Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen. + +SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit +De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk, +Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid +Te huwen met prinsesse Margaretha, +Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn +Der koningen van Frankrijk en Sicilië, +Der hertogen van Orleans, Calabrië, +Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re +Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen, +Volbracht ik uwen last en werd gehuwd; +En leg nu onderdanig, op mijn knie, +Ten overstaan van England en zijn pairs, +Mijn recht op de eed’le koningin in handen +Van uw genade, die het wezen zijt +Der groote schaduw, die ik heb gespeeld: +De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf, +De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving. + +KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne! +Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde, +Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept, +Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid; +Want gij verleendet, in dit schoon gelaat, +Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen, +Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent! + +KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade! +Die innige omgang, die reeds mijn gemoed, +Bij dag en nacht, al wakend en in droomen, +In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer, +Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft, +Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten +Met minder schoone taal, zooals mìjn geest +Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft. + +KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken, +Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos +Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent; +Zóó is de volheid van mijn juichend hart.— +Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde! + +ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd! + +(Trompetgeschal). + +KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank! + +SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt, +Ziehier de artik’len van het vreêverdrag, +Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel! +Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42 + +GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van +Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant +van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen +zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van +Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal +kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het +hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en +overgegeven aan den koning haren vader,”— + +(Hij laat het papier vallen). + +KONING HENDRIK. Wat is er, oom? + +GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst, +Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan; +Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen. + +KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort. + +KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het +graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning +haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den +koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.” + +KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie: +Wij maken u tot eersten hertog Suffolk, +En gorden u het zwaard aan.—Neef van York, +We ontheffen uw genade van ’t regentschap +Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden +Verstreken is.—Dank, oom van Winchester, +York, Gloster, Buckingham en Somerset, +En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick, +Wij danken u voor uwen heuschen groet +Bij de aankomst van mijn waarde koningin. +Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig, +Dat nu haar kroning waardig zij gevierd. + + (De Koning, de Koningin en Suffolk af.) + +GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren, +Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,— +Uw leed, het algemeene leed des lands! +Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd, +Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd; +Had hij zoo vaak het open veld ter woon +In winterkoude en dorre zomerhitte, +Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren; +En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd +Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden; +Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham, +Zeeghafte Warwick, Salisbury en York, +In Normandië en Frankrijk diepe wonden; +En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf, +Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk, +Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten, +Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend, +Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden; +En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen, +In prille jeugd reeds in Parijs gekroond; +En moet die arbeid en die roem vergaan? 95 +Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid, +Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven? +O, pairs van England, smaadvol is die zoen, +Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij! +Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt +De letters weg van uwen lof, verminkt +Elk monument van Frankrijks onderwerping, +Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest! + +KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken, +Die rede met zoo breede omslachtigheid? +Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast. + +GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen, +Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,— +Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,— +De leenen Maine en Anjou weggeschonken +Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel +Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt. + +SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf, +Die landen zijn de poort van Normandië.— +Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon? + +WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren; +Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren, +Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan. +Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide; +Met dezen mijnen arm nam ik die in; +En steden, die ik voor ons won met wonden, +Die geeft men nu terug met vredeswoorden? +Mort Dieu! + +YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog, +Die de eere van dit heldeneiland schendt! +Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten, +Dan ik in dezen zoen getreden waar’! +Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten +Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen; +En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg, +En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt! + +GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk +Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen +Voor ’t halen en de kosten van den tocht! +Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren, +Aleer— + +KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig. +Het was de wil van onzen heer en vorst. + +GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel; +Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen, +’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141 +Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat, +’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef, +Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan. +Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben, +Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde. + + (Gloster af.) + +KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector. +’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is, +Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand, +En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings. +Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte +Het naaste recht bezit op Englands kroon; +Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan, +En van heel ’t westen ’t rijke koningschap, +Voor Gloster bleef er reden om te morren. +Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal +Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede! +Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt, +En hem den goeden hertog Humfried noemt, +En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt: +„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!” +En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!” +Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn +Blijkt hij nog een gevaarlijke protector. + +BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector, +Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?— +Mijn neef van Somerset, vereent u met mij, +En allen samen, met den hertog Suffolk; +Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl. + +KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen; +Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan. + + (De Kardinaal af.) + +SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons +De trots en hooge rang van Humfried kwets’, +Laat ons dien stouten kardinaal bewaken. +Zijn overmoed is minder nog te dragen, +Dan die van al de prinsen van het rijk; +Als Gloster valt, zal hij protector worden. + +BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik, +Trots hertog Humfried en den kardinaal. + + (Buckingham en Somerset af.) + +SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt. +Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid, +Betaamt het òns voor Englands heil te waken. +Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders +Dan als een waardig edelman gedroeg. 184 +Maar vaak zag ik den stouten kardinaal, +Meer op soldatenwijs dan als een priester, +Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer, +Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs, +Een heerscher over land en volk onwaardig.— +Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms, +Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven, +Verwierf u groote gunst bij al het volk, +’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried, +En uwe daden, broeder York, in Ierland, +Waar gij het volk tot orde hebt gebracht, +Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk, +Toen gij regent voor onzen koning waart, +Verwierven u des volks ontzag en liefde.— +Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn, +En breid’len en verstikken wij den trots +Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht, +Die Somerset en Buckingham bezielt; +En laat ons Gloster steunen in zijn doen, +Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt. + +WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk +Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint. + +YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond. + +SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t +mijne! + +WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren; +Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat +Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde! +Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne, +Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne. + + (Salisbury en Warwick af.) + +YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk; +Parijs ging over; Normandiës behoud +Hangt aan een haar, nu die verloren zijn. +Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs +Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne +Twee hertogdommen voor een hertogskind. +Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen? +Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet. +Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven, +Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken, +Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn; +Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren +Er luid om weent, en bang de handen wringt, +’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt, +Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten, +Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht; +Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong, +Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt. +Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland, +Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed, +Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout +Voor ’t harte van den prins van Calydon. +Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236 +Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde, +Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond. +Eens komt de dag, dat York het zijne vordert; +Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan, +En geef den trotschen Humfried goede woorden, +En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon; +Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel. +Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden, +Of in de kindervuist den scepter klemmen, +Of met den diadeem zijn hoofd versieren, +Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt. +Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt; +Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam, +En sla des staats geheimen immer gâ, +Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend +Met Englands duurgekochte koningin, +En Humfried met de pairs in strijd geraken; +Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog, +Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle, +En laat York’s wapen stralen op mijn standaard +Ter worstling met het huis van Lancaster; +En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd, +Die England van zijn luister heeft beroofd! + + (York af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster. + +Gloster en de Hertogin komen op. + +HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren +Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last? +Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd, +Als kwelde hem der wereld lieflijkheid? +Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond +En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten? +Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem, +Omzet met alle heerlijkheid der wereld? +Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat, +Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft. +Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!— +Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer; +En hebben wij te zaam hem opgeraapt, +Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel, +En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen, +Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen. + +GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade, +Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest! +Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning, +Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht, +Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!— +Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij. + +HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het +Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom. + +GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25 +Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien, +Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal; +En op de stukken werden toen de hoofden +Geplaatst van Edmond, hertog Somerset, +En William de la Pole, nu hertog Suffolk, +Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt. + +HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs, +Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof, +Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal. +Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog; +’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,— +En in den trotschen zetel, die ter kroning +Van koningen en koninginnen dient; +En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij, +En plaatsten op mijn hoofd den diadeem. + +GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven; +Hoovaardig wezen! booze Eleonora! +Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk, +En des protectors welbeminde gade? +Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens, +Ver boven al, wat gij ooit denken kondt? +En moet gij immer hoogverraad gaan smeden, +Om uwen man, uzelf ook, van den top +Der eer te stooten aan den voet der schande? +Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer! + +HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore, +En dat, omdat zij u haar droom vertelt? +’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf, +En zal gekijf vermijden. + +GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht, +Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen, +Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen. + +GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan? + +HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond. + + (Gloster en de Bode af.) + +Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet; +Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt. +Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed, +Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg, +En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts; +En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol +Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.— +Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang; +Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik. + +(John Hume komt op.) + +HUME. Behoede Jezus uwe majesteit! + +HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade. + +HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen +Voorzeker uw genade in macht en eer. 73 + +HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken +Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks, +En Roger Bolingbroke, den duivelbanner? +Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn? + +HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid +Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen, +Die op de vragen, die uw hoogheid hem +Gelieven zal te stellen, antwoord geeft. + +HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken. +Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn, +Zij alles naar behooren uitgevoerd. +Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed +Met uwe helpers in dit groote werk. + + (De Hertogin af.) + +HUME. Te goed doen met het goud der hertogin? +Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume? +Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum! +De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen. +Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor, +Dat ik de heks nog heden bij haar breng; +Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas. +Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,— +Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal, +En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk; +Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee, +Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen, +Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’, +En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen. +Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper; +Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper. +Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver, +Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt. +Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind +Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net, +En hare schuld doet hertog Humfried vallen. +Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen. + + (Hume af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in het paleis. + +Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften. + +EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt +hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften +allen gezamenlijk aan. + +TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; +de Heere Jezus zegene hem! + +(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.) + +EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. +Ik wil de eerste zijn, ja! + +TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en +niet de lord protector. + +SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij? + +EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den +lord protector. + +KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften +aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17 + +EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John +Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en +landerijen en vrouw en alles onthoudt. + +SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? +(Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor +zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij +schurk? + +TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor +onze geheele buurtschap. + +PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas +Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van +de kroon is. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de +wettige erfgenaam der kroon was? + +PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester +zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was. + +SUFFOLK. Is daar iemand? + +(Een Dienaar komt op.) + +Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om +zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van +den koning. + + (De Dienaar met Peter af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht +Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift +Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem. + +(Zij verscheurt de smeekschriften.) + +Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg. + +DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan! + + (De Smeekelingen af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode, +Is dit de wijs van doen aan Englands hof? +Is dit hier in Brittanje ’t koningschap, +Is dit de macht van Albions beheerschers? +Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig, +Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster? +Moet ik in rang en titel koningin, +Maar onderdane van een hertog zijn? 52 +Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours +Ter eere van mijn liefde een rit bestondt, +En onzer Fransche vrouwen harten staalt, +Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u, +In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken, +Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt +Ave Maria’s met zijn rozenkrans, +Apostels en profeten zijn zijn ridders, +En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens, +Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden +De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen. +Ik wenschte, dat de raad van kardinalen +Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde, +Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf; +Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge. + +SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was, +Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook +In England u geheel tevredenstellen. + +KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester, +Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset, +En Buckingham, en de altijd wreev’le York; +En wie de minste van die allen is, +Vermag in England meer dan zelfs de koning. + +SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag, +Vermag in England minder dan de Nevils; +Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs. + +KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel, +Als des protectors vrouw, die trotsche prij; +Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen, +Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw. +Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin; +Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf +En op onze armoe schimpt zij in haar hart. +Zou ik het niet beleven mij te wreken? +Die trotsche, laaggeboren helleveeg! +Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden? +De sleep der minste van haar rokken was +Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk +Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf. + +SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd, +En daar een koor lokvogels bij geplaatst, +Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten +En nooit meer op zal vliegen, u tot leed: +Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij; +Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96 +Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten +Bij hem ons scharen en bij de andere lords, +Totdat wij hertog Humfried vallen deden. +Wat hertog York betreft, die laatste klacht +Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen. +Zoo wieden wij hen allen, een voor een, +En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan. + +(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de +Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham, +Salisbury en Warwick.) + +KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords; +’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde. + +YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd, +Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd. + +SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is, +Dan worde York regent, ik sta ’t hem af. + +WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet, +Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig. + +KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken. + +WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re. + +BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick. + +WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen. + +SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham, +Waarom in deze Somerset zou voorgaan. + +KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest. + +GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg, +Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken. + +KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft +Gij dan protector van zijn majesteit? + +GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk, +En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer. + +SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af. +Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?— +Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk; +Aan de overzij won de dauphijn steeds veld; +En alle pairs en eed’len van het rijk +Zijn slaven onder uw bewind geweest. + +KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid +Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132 + +SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen +En de opschik van uw vrouw het rijk te staan. + +BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid, +Waarmee gij euveldaders hebt bestraft; +Dit levert wis u aan haar strengheid over. + +KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden +In Frankrijk zoo bewezen als vermoed, +Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd. + + (Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier + vallen.) + +Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet? + +(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.) + +Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis! + +HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche; +Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten, +Ik grifte er u mijn tien geboden in. + +KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet. + +HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig, +Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling; +Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’, +Niet ongestraft zal zij Lenore slaan. + + (De Hertogin af.) + +BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na, +En sla ook Humfried gade, wat hij doet; +Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor +Om dol van woede in haar verderf te rennen. + + (Buckingham af.) + +(Gloster komt weder op.) + +GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld, +Door hier het binnenhof eens rond te gaan, +Kom ik de staatsbelangen weer bespreken. +Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen, +Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af; +Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig, +Als ik getrouw mijn land en koning min. +Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.— +Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt +Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied. + +SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund, +Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon, +Hoe York het minst van allen er voor deugt. + +YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk; +Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan; +En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd, +Mylord van Somerset mij hier zou houden, +Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot, +Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt; +Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs +Berend werd, uitgehongerd en verloren. + +WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad +Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177 + +SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick! + +WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen? + +(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.) + +SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd; +God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’! + +YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad? + +KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden? + +SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man +Legt aan zijn meester hoogverraad te last. +Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York, +Naar recht de kroon van England dragen moest, +En dat uw heerschappij onwettig is. + +KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man? + +HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of +zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van +dien schurk. + +PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren, +hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren, +onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting. + +YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd +Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!— +Ik smeek uw koninklijke majesteit, +Laat hem de strengheid van de wet gevoelen. + +HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit +gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een +paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat +hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor +bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet +in het verderf op de aanklacht van een booswicht. + +KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn? + +GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst: +Laat Somerset regent in Frankrijk zijn, +Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat; +En dezen zij een dag en plaats bepaald, +Dat zij zich meten in een tweegevecht, +Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven. +Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak. + +SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit. + +HORNER. En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216 + +PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb +medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk! +O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te +vechten. O, lieve God, mijn hart! + +GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen. + +KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag +Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.— +Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster. + +Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op. + +HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van +uw beloften. + +BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade +onze bezweringen zien en hooren? + +HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd. + +BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van +een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat +gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij +daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg +gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En +nu, aan den gang. + +(De Hertogin verschijnt op het balkon.) + +HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom! +Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter. + +BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd. +De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht, +De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd, +Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen, +En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen, +Die tijd past voor ons voorgenomen werk. +Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen, +Dien houden we in een heil’gen cirkel vast. + +(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den +tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het +dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.) + +GEEST. Adsum. + +MARGRIET JORDAAN. Asmath! +Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht +U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen; +Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier. + +GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31 + +BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot +wacht hem?” + +GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af; +Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan. + +(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.) + +BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?” + +GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde. + +BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?” + +GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden; +Veel veil’ger is hij op een zandig strand, +Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen. +Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren. + +BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer. +Weg, booze geest! + + (Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.) + +(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met +Wachten.) + +YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!— +Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!— +Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze +Zijn rijk en koning diep bij u in schuld; +De lord protector brengt u zonder twijfel +Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten. + +HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning. +Smaadlustig man, die zonder reden dreigt! + +BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij +dit? + +(Hij houdt haar een papier voor.) + +YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden +Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons; +Stafford, voer gij haar met u.— + + (De Hertogin boven af.) + +Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht; +Weg met hen allen! + + (De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.) + +YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt; +Een prachtig plan om verder op te bouwen! +Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft. +Wat staat hier? +(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af; +Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.” +Nu, ’t is volkomen: +Aio te, Æacida, Romanos vincere posse. +Goed; verder; +„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?— +Door water komt hij om en vindt zijn einde.— +Wat zal den hertog Somerset weervaren? +Kasteelen moog hij mijden; +Veel veil’ger is hij op een zandig strand, +Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.” +Wat zegt gij, lords? +Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen, +En zwaar ook te verstaan. +De koning is op weg naar Sint-Albaans, +De man van deze teed’re vrouw is bij hem; +Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen, +Den lord protector wel een boos ontbijt! + +BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York; +Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon. + +YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand? + +(Een Dienaar komt op.) + +Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond +De lords van Salisbury en Warwick.—Komt! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Sint-Albaans. + +Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk +komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen. + +KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords, +Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar; +En toch, de wind was sterk; tien tegen een, +Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam. + +KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar +boven, +En steeg ver boven al die andren op! +Hoe toont zich God in al zijn creaturen! +Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog! + +SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid, +Dat des protectors valken zoo goed stijgen; +Zij weten, dat hun heer liefst boven is, +En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken. + +GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest, +Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen. + +KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij. + +GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon, +Als ge u verheffen kondt tot in den hemel? + +KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat! + +KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19 +Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat; +Gevaarlijke protector, booze pair, +Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt! + +GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig? +Tantæne animis cælestibus iræ? +Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok: +Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet? + +SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is +Bij zulk een goede zaak en slechten pair. + +GLOSTER. Als wie, mylord? + +SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord, +Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen. + +GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel. + +KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster. + +KONING HENDRIK. Lieve vrouw, +Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan; +Gezegend zij, die vrede op aarde stichten. + +KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard +Den vrede aan den protector brengen wil. + +GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens +daartoe komen! + +KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft! + +GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht; +Houd met uw eigen lijf den laster vol! + +KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft, +Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch. + +KONING HENDRIK. Wat is er, lords? + +KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar +Riep al te vroeg den valk terug; de jacht +Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw +tweehands-zwaard. + +GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom. + +KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch. + +GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal. + +KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster? + +GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders. +(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin; +Of anders is mijn vechtkunst niets. 52 + +KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum— +Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf! + +KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder. +Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet! +Als zulke snaren valsche tonen geven, +Hoe is er dan ooit hoop op harmonie? +Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg. + +(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”) + +GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit? +Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept? + +DE MAN. Mirakel! Mirakel! + +SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel. + +DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even +In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug, +Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft! + +KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen +In ’t duister licht, troost in ellenden geeft! + +(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een +stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop +volks.) + +KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht, +En stelt den man aan uwe hoogheid voor. + +KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde +Door ’t zien de lokking van de zonde meer. + +GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning; +’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken. + +KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg, +Opdat wij God om u verheerlijken. +Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende? + +SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren. + +VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen. + +SUFFOLK. Wie is die vrouw? + +VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw. + +GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis. + +KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan? + +SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade. + +KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan; +Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn; +Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed. + +KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier, +Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88 + +SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal +En meer nog riep de goede Sint Albaan +Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom, +En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!” + +VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen, +Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep. + +KARDINAAL. En zijt ge ook lam? + +SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij! + +SUFFOLK. Hoe werdt gij dat? + +SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen. + +VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom. + +GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind? + +SIMPCOX. O, blindgeboren. + +GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen? + +SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven. + +VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan. + +GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen! + +SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen, +En daarom klauterde ik op lijfsgevaar. + +GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.— +Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;— +Naar mijne meening ziet gij nog niet goed. + +SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan! + +GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel? + +SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed. + +GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed? + +SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git. + +KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus? + +SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien. + +GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik. + +VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet. + +GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam? + +SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet. + +GLOSTER. En zijn naam? + +SIMPCOX. ’k Weet niet. + +GLOSTER. En ook de zijne niet? + +SIMPCOX. Neen, waarlijk niet. + +GLOSTER. Hoe is uw eigen naam? 124 + +SIMPCOX. Sander Simpcox, als het u belieft, heer. + +GLOSTER. Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar +In christenlanden. Werdt gij blind geboren, +Dan kunt gij best al onze namen weten, +Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt. +Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden, +Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.— +Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder; +Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot, +Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf? + +SIMPCOX. O, als de heer dit kon! + +GLOSTER. Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in +uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt? + +MAYOR. O ja, mylord, om uwe genade te dienen. + +GLOSTER. Zend er dan dadelijk om een. + +MAYOR. Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier. + + (Een Dienaar gaat heen.) + +GLOSTER. Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank +gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over +deze zitbank en loop weg. + +SIMPCOX. Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan; +Al pijnigt gij mij ook, het is om niet. + +(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich +heeft.) + +GLOSTER. Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te +komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt. + +STOKKEKNECHT. Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit. + +SIMPCOX. Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan. + + (Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over + de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: + „Mirakel!”) + +KONING HENDRIK. God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig? + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag +loopen. + +GLOSTER. Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê. + +VROUW SIMPCOX. Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan. + +GLOSTER. Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek; +En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn. + + (De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.) + +KARDINAAL. Een wonder heeft heer Humfried daar verricht. + +SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162 + +GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden, +Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden. + +(Buckingham komt op.) + +KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham? + +BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen. +Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind, +Heeft, met de hulp en medeplichtigheid +Van des protectors gade Eleonore, +De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot, +Met schandlijk overleg uw troon bedreigd, +Met heksen en bezweerders in verbond; +Wij hebben hen op heeter daad betrapt, +Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden, +Hun vroegen naar het leven en den dood +Des konings en der leden van zijn raad, +Zooals uw hoogheid nader hooren zal. + +KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade +Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen. +(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af, +En aan uw uur zult gij u wel niet houden. + +GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken. +Gebroken is mijn kracht door zorg en leed, +En overweldigd wijk ik thans voor u, +Ja, voor den laagsten knecht. + +KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen; +Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf! + +KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest; +Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best. + +GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd +Mijn liefde aan land en koning heb gewijd; +Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat, +En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde. +O, edel is zij, maar indien zij deugd +En eer vergat, en omging met gespuis, +Dat, zooals pik, een edel huis besmet, +Verban ik haar van mij, mijn disch en bed; +Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande, +Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande. + +KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten, +En morgen keeren wij naar Londen weer, +Doorgronden daar de zaak met alle zorg, +En dagen de euveldaders ten verhoor, +En wegen alles in de juiste schalen +Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen. + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Londen. De tuin van den Hertog van York. + +York, Salisbury en Warwick komen op. + +YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick, +Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal, +Op deze stille wand’ling mij geruststel, +En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel +Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon. + +SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven. + +WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed, +Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen. + +YORK. Zoo hoort:— +Edward de derde, lords, had zeven zoons: +Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins; +Ten tweede William Hatfield; Lionel, +Hertog van Clarence, was de derde; dan +Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster; +Dan verder Edmond Langley, hertog York; +Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde; +William van Windsor was de laatste en zevende. +Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader, +En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven +Des derden Edwards zat op Englands troon, +Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster, +De zoon en erfgenaam van Jan van Gent, +Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam, +Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong, +Zich meester maakte, de arme koningin +Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret, +Alwaar, zooals u beiden is bekend. +De goede Richard schandlijk werd vermoord. + +WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt; +Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon. + +YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht; +Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen, +Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen. + +SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na. + +YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn +Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na, +Philippa, die met Edmond Mortimer, +Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu +Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon, +Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore. + +SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39 +De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,— +En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower +Hem levenslang in hechtnis had gehouden; +Doch ga nu voort. + +YORK. Zijn oudste zuster, Anna, +Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde +Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was +Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon. +Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde +Roger, den graaf van March, en die was zoon +Van Edmond Mortimer en van Philippa, +Die de een’ge dochter was van Lionel, +Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn +Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning. + +WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn? +Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent, +Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden. +Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen; +Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons, +De schoone spruiten van den eed’len boom. +Dies, vader Salisbury, hier saam geknield! +Laat ons op stille plek hier de eersten zijn, +Die onzen echten souverein begroeten, +Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen. + +BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer! + +YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet, +Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is +Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster; +En dit is geenszins plotsling te volvoeren, +Maar eischt beleid en stille heimlijkheid. +Doet zooals ik in dezen boozen tijd, +Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid, +Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven, +En dat van Buckingham en heel hun bent, +Tot zij den herder van de kudde omstrikken, +Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried. +Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken +Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan. + +SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven. + +WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick +York’s hertog eens tot koning maken zal. + +YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg, +Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick +De grootste man in England na den koning. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een Gerechtszaal. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York, +Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster, +Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht +binnengeleid. + +KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw. +Voor God en ons is uwe misdaad groot; +Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden, +Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.— +Gij and’re vier, terug naar uwen kerker; +En uit den kerker naar de plaats der straf: +Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand; +U drieën wacht de wurging aan de galg.— +Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte +Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer, +Drie dagen openbare boete doen, +Dan in uw eigen land verbannen leven, +Bij Sir John Stanley op het eiland Man. + +HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood. + +GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd, +Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt. + + (De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.) + +Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart. +Ach, deze schande van uw ouderdom +Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.— +Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan; +Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust. + +KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat, +Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen +Protector zijn; en God zij nu mijn hoop, +Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet! +En ga in vrede, mij niet minder dierbaar, +Dan vroeger als protector van uw vorst. + +KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning +Beschermd behoeft te worden als een kind.— +Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!— +Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd. + +GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik; +’k Hergeef u even gaarne dezen staf, +Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf; +’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw, +Als and’rer hand hem gretig vatten zou. +Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden, +Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden. + + (Gloster af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39 +En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf, +Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal: +Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt, +En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand +Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand. + +SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd; +Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd. + +YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid, +Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald; +En klager en beklaagde staan gereed, +De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk, +Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien. + +KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts +Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten. + +KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles; +De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht! + +YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan, +Zoo angstig om te vechten, als de klager, +Die dienaar van den wapensmid, mylords. + +(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó +toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een +zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager. +Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een +stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.) + +EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En +wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan. + +TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman. + +DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en +wees niet bang voor dien gezel! + +HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een +knip voor den neus voor Peter! + +EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang. + +TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de +eer op van de gezellen! + +PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; +want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan +heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem, +gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik +heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den +baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd. + +SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij +knaap, hoe heet gij? + +PETER. Peter, inderdaad. + +SALISBURY. Peter,—hoe nog meer? + +PETER. Stomp. 84 + +SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn. + +HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn +knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk +man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit +kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op +een slag, die neerkomt! + +SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. +Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’! + +(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.) + +HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad. + + (Horner sterft.) + +YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw +meester in den weg kwam. + +PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O +Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht. + +KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog; +Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was; +En de algerechte God heeft ons onthuld +De trouw en onschuld van deze’ armen knaap, +Dien hij met boos geweld vermoorden wilde. +Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een straat. + +Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad. + +GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk; +En zoo volgt op den zomer steeds de winter, +Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len +Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden. +Hoe laat is ’t, mannen? + +DIENAAR. Bijna tien, mylord. + +GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest +Op ’t komen van mijn boetedoende gade; +Hoe zal haar teedere en verwende voet +Der straten scherpe keien ooit verduren? +Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd, +Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart +En bij uw schande lacht met boozen blik, +Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets, +Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt. +Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen, +Bereid ik voor, om haar ellend te zien. + +(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met +papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de +hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.) + +DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17 + +GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij. + +HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien? +Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren; +Zie, hoe de wufte menigte op u wijst, +Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt! +Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween +Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek +Uw felle haters, beide de uwe en mijne. + +GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed! + +HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet! +Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben, +En gij een vorst, protector van dit land, +Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden, +Bekneld in smaad, behangen met papieren, +Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen +Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort. +Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet; +En krimp ik saam, dan lacht het booze volk +En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan. +O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen? +Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie, +Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien? +Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht, +’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel! +Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw, +En hij een prins en een regent van ’t rijk; +Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst, +Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos, +Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting +Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!” +Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande; +En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd +De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn; +Want Suffolk, hij, die alles is in alles +Bij haar, die ù haat en ons allen haat, +En York, en ook die valsche paap, Beaufort,— +Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels; +En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u; +Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is, +En kom vooral uw vijand nimmer voor. + +GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd; +’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd; +Al waren mijne haters twintigvoud, +En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd, +Zij allen konden mij in ’t minst niet deren, +Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben. +Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64 +Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt, +Maar ik om wetsverkrachting in gevaar. +Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora; +Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak +Van weinig dagen is weldra gedaan. + +(Een Heraut komt op.) + +HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat +op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden. + +GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen! +Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn. + + (De Heraut af.) + +Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff, +Beperk u bij haar boete tot het vonnis. + +SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier; +Aan Sir John Stanley is nu opgedragen +Haar mee te nemen naar het eiland Man. + +GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken? + +STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last. + +GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag, +Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht +De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik +Nog leven om het goede u te vergelden, +Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel. + +HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel? + +GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan. + + (Gloster en zijn Dienaren af.) + +HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u; +Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,— +De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed, +Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.— +Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg; +Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst; +Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast. + +STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94 +Daar zult gij naar uw stand behandeld worden. + +HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad; +Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn? + +STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade; +Naar dezen stand zal uw behandeling zijn. + +HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef, +Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid. + +SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe. + +HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.— +Kom, Stanley, gaan wij? + +STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af; +En gaan we u hullen in een reisgewaad. + +HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af; +Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen, +En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi. +Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF + + +EERSTE TOONEEL. + + +De abdij te Sint Edmund’s Bury. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, +Kardinaal Beaufort, Suffolk, York, +Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting. + +KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt, +Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,— +Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam. + +KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien, +Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd? +Met welk een majesteit hij zich gedraagt, +Hoe overmoedig hij geworden is, +Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach? +Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk; +En blikten wij, van verre zelfs, hem aan, +Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed +Was de bewondring van geheel het hof. +Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend, +Als toch een ieder goeden morgen wenscht, +Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog, +En gaat met ongebogen knie voorbij, +De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend. +Wie let er op, als kleine hondjes keffen? +Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen; +En Humfried is in England geen klein man. +Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed, +En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou. +Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,— +Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt, +En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,— +Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon +Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft. +Door vleien won hij der gemeenten gunst, +En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,— +Dit is te duchten,—allen hem gedwee. +’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels; +Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof +En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33 +Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij +’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren. +Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees; +En moet die vrees voor beter gronden wijken, +Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.” +Mylords van Suffolk, Buckingham en York, +Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb; +Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof. + +SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien; +En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen, +’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld. +De hertogin begon, zoo waar ik leef, +Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten; +En was hij niet in deze schuld betrokken, +Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,— +Als die de naaste staat aan Englands troon, +En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle, +In ’t brein geschokte hertogin wis aan, +Om boos naar onzes vorsten val te streven. +Glad stroomt het water van een diepe beek, +Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud. +Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil? +Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man, +Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog. + +KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde +Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven? + +YORK. En hief hij niet, toen hij protector was, +In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds +Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond, +Wat daag’lijks in die steden oproer wekte? + +BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre +Verborgen feilen van dien gladden hertog, +Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal. + +KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen +Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk; +Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen? +Van onzen oom van Gloster is het denken +Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre, +Als van een zuigend lam of zachte duif. +De hertog is te zacht en welgezind, +Om in den droom zelfs naar mijn val te staan. + +KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen! +Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd, +Want als een booze raaf is hij gezind. +Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend; +Als van een fellen wolf is zijn gemoed; +Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil? +Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn +Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man. + +(Somerset komt op). + +SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning! + +KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk? + +SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied +U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85 + +KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede! + +YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op +Frankrijk, +Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb. +Zoo sterven mijne bloesems in den knop, +En klagen rupsen mijne blaad’ren weg; +Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders +Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht. + +(Gloster komt op.) + +GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil! +Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn. + +SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen, +Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt. +Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis. + +GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken +Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis; +Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt. +Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk, +Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst. +Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig? + +YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht, +En gij ons leger zijn soldij onthieldt, +Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren. + +GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden? +’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd, +Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen. +Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb, +Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend! +Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal, +Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard, +Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij! +Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond, +Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde, +Aan ons bezettingsleger uitgekeerd, +En nooit verlangde ik iets terugbetaald. + +KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren. + +GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God! + +YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector +Vreemde, ongehoorde martelingen uit, +En England werd berucht door zulk een wreedheid. + +GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur +Mijn een’ge feil te groote deernis was, +Want bij eens euveldaders tranen smolt ik, +En liet hem vrij voor woorden van berouw. +Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief, +Die arme reizigers had uitgeschud, 129 +Dan legde ik nooit de volle straf hem op. +Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik, +Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad. + +SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord, +Doch grooter schuld wordt u te last gelegd, +Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt. +In naam des konings neem ik u in hechtnis; +Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u, +Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst. + +KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop, +Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren; +Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt. + +GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk. +Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt, +Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd; +Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert, +En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen. +Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven; +En kon mijn dood dit land gelukkig maken, +Waar’ die het einde van hun dwinglandij, +Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven; +Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk; +Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden, +Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet. +Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid, +Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat; +De scherpe Buckingham geeft met zijn tong +Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht; +De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt +En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok, +Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven; +En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren +Mij zonder reden oneer op het hoofd, +En deedt met alle kracht en vlijt het uwe, +Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd. +Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,— +Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,— +Om naar mijn schuldloos leven mij te staan. +Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel; +Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan; +Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden, +Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt. + +KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk! +Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden +Voor des verraads verborgen, moordziek mes, +Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden, +En de euveldader vrijheid heeft van spreken, +Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld. + +SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet +Gesmaald met booze, slim gekozen woorden, +Als had zij mannen omgekocht tot meineed, +Om hem door valsch getuignis te doen vallen? + +KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen. + +GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies; +Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch! +En dan heeft wie verliest wel recht van spreken. + +BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier. +Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187 + +KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed. + +GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg, +Aleer hij stevig op zijn beenen staat!— +Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd, +En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt! +O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan! +’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan! + + (Gloster door eenige Dienaren weggeleid.) + +KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid +Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren. + +KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten? + +KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart; +Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze; +Mijn lichaam is van jammer gansch omgord; +Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?— +Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat +De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid; +En, goede Humfried, de ure moet nog komen, +Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen. +Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien, +Dat deze groote lords en onze gade +’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven? +Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt, +En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt, +En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil, +En voorttrekt naar het bloedig slagersblok, +Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd; +En evenals de moeder loeiend rondloopt, +En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd, +En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling, +Bejammer ik des goeden Gloster’s val +Met tranen, die niet helpen, blik hem na +Met dofgekreten oog en kan niets doen, +Want zijn gezworen haters zijn te machtig. +’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef +Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet: +„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.” + + (Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin + Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de + laatste blijft afzonderlijk staan.) + +KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon, +Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken, +Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn +Misleidt hem, evenals de krokodil 226 +Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt, +Of als de slang, verscholen onder bloemen, +Met glanzend bonte huid, een kind verwondt, +Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant. +Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,— +En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,— +Dra ware Gloster vrij van aardsche smart, +En wij van alle vrees voor hem bevrijd. + +KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst, +Doch wij behoeven voor zijn dood een reden; +Hij sterve naar den eisch van recht en wet. + +SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst; +Wis zal de koning trachten hem te redden, +En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden; +En beet’re gronden kunnen wij niet geven, +Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient. + +YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer. + +SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer. + +YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.— +(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk, +Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is, +Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen +Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden, +En Humfried, om den koning te beschermen? + +KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens. + +SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin, +Den vos als kuddewachter aan te stellen? +Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd, +Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten, +Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd? +Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is, +Bewezen vijand van natuur der kudde, +Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed, +Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst. +En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden; +Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond, +In slaap of wakend, alles is hetzelfde, +Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog, +Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog. + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk! + +SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied; +Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend; +Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,— +Wijl ik de daad als prijzenswaard erken, +En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,— +Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272 + +KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk, +Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen. +Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt, +En ik bezorg u, die de daad volvoert; +Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte. + +SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk. + +KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik. + +YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten, +Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings +U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven, +En de Engelschen verdelgen met het zwaard. +Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede, +Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt; +Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling. + +KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt. +Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws? + +YORK. Dat Somerset er heenga als regent. +Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles; +’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het. + +SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst, +In mijne plaats regent er was geweest, +Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven. + +YORK. Niet tot het land verloren was, als gij; +’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet, +Dan zulk een last van schande thuis gebracht, +Door tot het land verloren was te blijven. +Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed; +Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt. + +KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit, +Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.— +Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;— +Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht +Had uw geluk nog minder zelfs erlangd. + +YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen! + +SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht. + +KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt. +De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand +En weeken woest hun grond met Engelsch bloed; +Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren, +Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen, +En tegen de Ieren uw geluk beproeven? + +YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht. + +SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord, +En wat wij hier bepalen vindt hij goed; +Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318 + +YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords; +Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken. + +SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten. +Doch nu weer van den valschen hertog Humfried. + +KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen, +Dat hij ons verder nimmer lastig zij; +En nu van hier, de dag is schier voorbij;— +Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij. + +YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers +Te Bristol binnen veertien dagen tijds; +Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen. + +SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York. + + (Allen af, behalve York.) + +YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart, +En worde uw weiflen vastbeslotenheid; +Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt, +Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig. +Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen, +Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart. +Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld, +Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt. +Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin, +Spant rustloos voor mijn haters net op net. +Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht, +Mij weg, van hier te zenden met een heermacht. +Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang, +Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt. +Manschappen miste ik en die geeft gij mij; +Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man +Drukt gij recht scherpe wapens in de hand. +Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik +Een zwarten storm in England op; die blaast +Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts; +En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet, +Aleer de gouden haarband om mijn hoofd, +Gelijk der eed’le zonne held’re stralen, +De woede stilt der dol verwekte vlaag. +En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik +Een stuggen Kentschen dolkop overreed, +John Cade uit Ashford, +Oproer te maken, wat hij goed verstaat, +En voor John Mortimer zich uit te geven. +Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens +Zich weren tegen heel een bende Kernen; +Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen +Geleken op een toornig stekelvarken; 363 +En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem +Een hoogen sprong doen als een moorendanser, +Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes. +Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern +Vermomd, gesprekken met den vijand aan, +Kwam onontdekt tot mij terug en gaf +Mij dan berichten van hun schurkerijen. +Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier; +Want op den pas gestorven Mortimer +Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak; +’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis, +En de aanspraak op den troon, van York behaagt. +En stel, hij werd gegrepen en gefolterd, +Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen, +Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef. +O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is, +Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland, +En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid; +Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn, +En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn. + + (York af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis. + +Eenige Moordenaars komen haastig op. + +EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden, +Dat naar zijn last de hertog afgedaan is. + +TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan? +Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig? + +EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord. + +(Suffolk komt op.) + +SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar? + +EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood. + +SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis; +Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen. +De koning komt daar aan met al zijn pairs. +Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles +Geheel in orde naar mijn last? + +EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord. + +SUFFOLK. Nu goed; van hier! + + (De Moordenaars af.) + +(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal +Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.) + +KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons; +Wij willen heden zijn genade hooren, +Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is. + +SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst. + + (Suffolk af.) + +KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen, +Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe, +Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis +Van mannen, goed ter naam en faam, verdient. + +KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22 +En schuldeloos een pair veroordeeld wierd! +Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’! + +KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer. + +(Suffolk komt weder op.) + +Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij? +Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek! + +SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood. + +KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God! + +KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd, +Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen. + +(De Koning valt in onmacht.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is +’t?—Helpt, lords, de koning sterft! + +SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus. + +KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O +Hendrik, sla toch de oogen op! + +SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe! + +KONING HENDRIK. O eeuw’ge God! + +KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal? + +SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed! + +KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten? +Zong hij niet juist een ravenlied mij toe, +Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde, +En waant hij, dat het tjilpen van een musch, +Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept, +Den eerst vernomen klank verjagen kan? +Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden; +Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik; +’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek! +Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht! +In booze majesteit zit op uw oogen +Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld; +Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken. +Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk; +En dood den man, die u onschuldig aanstaart; +In schaduwen des doods slechts vind ik heil, +In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo? +Ofschoon de hertog hem vijandig was, +Beklaagt hij als een christen toch zijn dood. +Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte, +Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken +En bloedverterend zuchten hem kon wekken, +Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62 +Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten, +Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien. +Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft? +Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren; +Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord; +Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden +En vorstenhoven met mijn smaad vervullen! +Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge! +Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad! + +KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man! + +KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger. +Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat? +Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan! +Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden? +Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw! +Is al uw troost in Gloster’s graf besloten? +O, dan was Margaretha nooit uw vreugd; +Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan: +Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild. +Was ik daarom op zee bijna vergaan? +Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg, +Van Englands kust terug naar ’t vaderland? +Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend, +Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest! +En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?” +Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen, +En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte, +En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust, +Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!” +Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol, +En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over. +Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig +Mij te verdrinken; o, zij wist te wel, +Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken +In tranen, zilter dan het nat der zee; +De scherpe klippen doken in het zand +Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len, +Opdat uw steen en hart, dat harder is, +Uw Margaretha doodde in uw paleis. +Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde, +Toen ons de storm terugsloeg van uw kust, +Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek; +En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht, +Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken, +Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107 +Het was een hart, gevat in diamanten,— +En wierp het naar uw land. De zee ontving het; +En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt; +Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer; +’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde +Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl +De veel gewenschte krijtzoom hun ontging. +Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk, +Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,— +Mij te betoov’ren, evenals Ascanius, +Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend, +Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik +Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij? +Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha, +Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft. + +(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het +volk dringen door de deur naar voren.) + +WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst, +Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad +Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn. +’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm, +Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft +En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt. +Ik bracht hun felle muiterij tot staan, +Tot zij de wijze van zijn dood vernemen. + +KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick; +Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet. +Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam; +Verklaar uzelf de reden van zijn dood. + +WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij, +Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’. + + (Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de + deur.) + +KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken! +Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden, +Dat Humfried door geweld het leven liet. +Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God! +Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe. +Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen +Met twintigduizend kussen en besproeide ik +’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen, +Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet, +En drukte met mijn hand zijn doode hand! +Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar; +En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel, +Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed? + +(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet +Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.) + +WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk. + +KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is; +Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem; +Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood. + +WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153 +Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen +Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden, +Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft +Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog. + +SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken! +Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord? + +WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef! +’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden, +Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed, +Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was, +Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood, +’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren; +Doch met het hart wordt dit daar koud en keert +Nooit weer om aan de wangen gloed te geven. +Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart, +Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde, +Strak, starend als een man, die wordt gewurgd; +Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len, +Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep, +Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd. +En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast; +Zijn netgehouden baard is ruig, verward, +Als koren, dat een storm ter neder sloeg. +Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord; +Het minste dezer teekens waar’ bewijs. + +SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick? +Ik had hem in mijn hoede met Beaufort, +En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars. + +WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij, +En saam bewaaktet gij den goeden hertog; +Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend, +En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond. + +KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords +Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood. + +WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend, +En dicht daarbij den slachter met de bijl, +En argwaant niet, dat hij het dier versloeg? +Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs +En zal niet raden, hoe de vogel stierf, +Al vliegt de valk met onbebloeden snavel? +Niet minder is dit treurspel hier verdacht. + +KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes? +Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen? + +SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197 +Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig, +Dat ik wil schuren in diens giftig hart, +Die met het purp’ren merk van moord mij hoont. +Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick, +Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood. + + (De Kardinaal, Somerset en Anderen af.) + +WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet? + +KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet +boeien, +Geen afstand doen van drieste lastertaal; +Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’. + +WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;— +Want ieder woord, om zijnentwil gesproken, +Brengt smaad op uwen koninklijken naam. + +SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden, +Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog, +Dan nam uw moeder in haar zondig bed +Een kinkel op, en werd op eed’len boom +Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt. +Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils! + +WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord, +En roofde ik aan den beul niet zijn belooning, +Tienduizendvoudige oneer u besparend, +En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht, +Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar, +Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken, +Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet +En gij in bastaardij geboren zijt; +En na die afgedwongen hulde gave ik +U dan uw loon en zond uw ziel ter hel, +Bloedzuiger en belager in den slaap! + +SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten, +Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan! + +WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier. +Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen, +Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen. + + (Suffolk en Warwick af.) + +KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart? +Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt, +En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’, +Wien ongerechtigheid het hart verpest. + +(Gedruisch buiten.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch? + +(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.) + +KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden +Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel? +Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw? + +SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury, +’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241 + +(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.) + +SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning +zeggen.— +(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij, +Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht, +Of buiten Englands schoon gebied verbannen, +Dan wordt hij met geweld van hier gerukt +En sterft een langen, zwaren marteldood. +Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven, +Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem; +En ’t is de drang van liefde en echte trouw, +Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet, +Alsof zij tegen uwen wil zich kantten, +Die hen doet dringen op zijn ballingschap. +Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij, +Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en +Bevolen had, dat niemand u zou storen, +Op straf van ongenade, op straf des doods, +Het toch, ondanks dat streng gebod, indien +Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong, +Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit, +Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken, +Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring, +Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte; +En daarom roepen zij, trots uw verbod, +Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden +Voor zulke slangen als de valsche Suffolk, +Door wiens venijnige’, onheilvollen steek +Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog, +Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam. + +HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury! + +SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop, +Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt; +Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden, +Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt; +Maar de eenige eer, die Salisbury daar won, +Is, dat hij afgezant was van een bende +Van ketellappers aan zijn heer en koning. + +HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen +binnen! + +KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij, +Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank; +En ware ik ook door hen niet zoo vermaand, +Ik had alreeds besloten, wat zij vragen; +Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest +Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand; +En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem, +Wien ik niet waardig ben hier te vervangen: +Niet langer dan drie dagen zal zijn adem +De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288 + + (Salisbury af.) + +KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk! + +KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen! +Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor, +Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen. +Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord; +Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.— +Indien gij na drie dagen wordt gevonden +Op eenig grondgebied, door mij beheerscht, +Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.— +Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij; +’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen. + + (Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.) + +KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet! +U mogen harteleed en bitt’re droefheid +Speelnooten zijn en u gezelschap houden! +Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde; +En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’! + +SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin, +En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen. + +KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij! +Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken? + +SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken? +Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet, +Dan vond ik bitterbooze woorden uit, +Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor, +En stiet ze door de opeengeklemde tanden +Met zooveel blijk van ingevreten haat, +Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd. +Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len, +Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len, +Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan, +Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee. +En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken, +Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank! +Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal! +Hun liefste schaduw een cypressenwoud! +Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken! +Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen! +Afschuwlijk hun muziek als slanggesis, +Door uilen-onheilskreten begeleid! +Al de eis’lijkheden van de diepste hel— + +KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf, +Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel +Of als een overladen donderbus, terug, +En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot. + +SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien? +O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet, +Dóórvloeken konde ik heel een winternacht, +Al moest ik naakt staan op een hoogen berg, +Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat, +En ’k achtte dit een kortswijl van minuten. + +KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339 +Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe; +En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek +Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!— +O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent, +Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht, +Door welke ik duizend zuchten om u slaak. +Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel; +’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat, +Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt, +’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,— +Ik waag het, dat ikzelf verbannen word; +Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen. +Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!— +O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood +Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar, +En scheiden, eindloos kussend, duizend keer, +Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven! +En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven! + +SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen, +Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u. +Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier; +Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk, +Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had; +Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld, +Met elken lust, met elk genot der wereld; +En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid. +Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven; +Ik zonder één genot, dan dat gij leeft. + +(Vaux komt op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek? + +VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden, +Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt; +Hem greep een zware ziekte plotsling aan, +Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht, +God lastrend en de menschenkindren vloekend. +Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest +Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning, +En fluistert tot zijn kussen, als tot hem, +Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel; +En ’t is mijn last, den koning te gaan melden, +Dat hij daar juist geweldig om hem roept. + +KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning. + + (Vaux af.) + +Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding! +Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort, +Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend? +En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383 +In tranen even rijk als zuiderwolken, +Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed? +Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt; +En vond hij u bij mij, gij waart des doods. + +SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven; +En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders +Dan als een zoete slaap in uwen schoot? +Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit, +Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind, +Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft; +Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind, +U roepend, om mij de oogen toe te drukken +En met uw lippen mij den mond te sluiten, +Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug +Of in uw boezem ademde ik haar uit, +Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium. +Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl, +Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven; +O, laat mij blijven, kome wat er wil! + +KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel, +Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat. +Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren; +Want waar gij op het wereldrond ook zijt, +Ik zal een Iris hebben, die u vindt. + +SUFFOLK. Ik ga. + +KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u. + +SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel, +Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft. +Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij; +Naar dezen kant wacht mij de dood. + +KONINGIN MARGARETHA. Hier mij. + + (Beiden af, naar verschillenden kant.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort. + +Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal +Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen. + +KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst. + +KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten; +Genoeg om zulk een eiland u te koopen, +Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn. + +KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven, +Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd! + +WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt. + +KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt. +Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven? +Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10 +O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.— +Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is; +Ik geef wel duizend pond om hem te zien.— +Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.— +Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn +Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.— +Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker, +Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht. + +KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt, +Zie met genadig oog op dezen worm! +O, drijf den rustloos driesten duivel weg, +Die thans met macht zijn arme ziel bestormt! +Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop! + +WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt! + +SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden. + +KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt. +Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade, +Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.— +Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem! + +WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven. + +KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.— +Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht; +En keeren we allen tot onszelven in. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Kent. Het zeestrand bij Dover. + +Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een +Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen; +met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen. + +KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig, +Heeft in den schoot der golven zich verscholen; +Luid huilend wekken wolven nu de knollen, +Die traag de kar der sombre, norsche Nacht +Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken +Langs graven zwevend, uit hun vochten muil +Vuil, giftig duister aad’men in de lucht. +Brengt nu de krijgers der genomen bark; +Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij +Hun losgeld ons voldoen hier op het strand, +Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.— +Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;— +Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;— +Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14 + +EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som. + +SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop. + +BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt. + +KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam, +En noemt en doet ge u voor als edellieden?— +Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja! +Weegt zulk een kleine som de levens op +Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren? + +EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven. + +TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis. + +WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld, +(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven; +En dezen stierven ook, had ik mijn zin. + +KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven. + +SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman; +Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u. + +WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31 +Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood? + +SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood. +Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken, +En toen gezegd: door Water zoude ik sterven. +Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen; +Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier. + +WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit +Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld, +Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt. +Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak, +Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk, +En roep alom mij als een lafaard uit! + +(Hij grijpt Suffolk aan.) + +SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne; +’t Is hertog Suffolk, William de la Pole. + +WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen! + +SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk; +Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik? + +KAPITEIN. Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49 + +SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed, +Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster, +Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten. +Hebt gij weleer de hand mij niet gekust, +Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden, +Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier, +En door mijn knik gelukkig u gevoeld? +Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend, +Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig +Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal +Met koningin Marg’retha was gezeten? +Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed, +Ja, en het knakke uw onberaden trots. +Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal, +En wachttet onderdanig tot ik kwam? +De hand hier schreef wel eens ten uwen bate, +En kluist’re daarom thans uw wilde tong. + +WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen? + +KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij. + +SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf. + +KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep, +En sla hem ’t hoofd af. + +SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan? + +KAPITEIN. Ja, Pole. + +SUFFOLK. Pole? + +KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord? +Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek +De zilvren bron bederft, waar England drinkt. +Nu stop ik u dien opgesperden muil, +Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen, +Die Margaretha kusten, vagen ’t stof; +En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet, +Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs +Nu aan; die fluiten u verachtend uit; +Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd, +Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst, +De dochter van een beed’laar-koning aanzocht, +Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat. +Groot werdt ge alleen door duivels-politiek, +En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla, +Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85 +Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk; +Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers +Driest ons gezag verwerpen, Picardije +Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht, +De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt. +De vorstelijke Warwick, al de Nevils, +Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot, +Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan; +En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen +Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst, +En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,— +Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop, +De halve zon, door wolken brekend, op, +Waaronder staat: „invitis nubibus”. +Het volk in Kent is opgestaan, gewapend; +In één woord, beed’laars-armoê en beschimping +Zijn ingeslopen in des konings slot, +En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen! + +SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot, +Op deze lage, slaafsche, vuile knechten! +’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch; +Hier deze schurk, die op een boot bevel voert, +Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman, +De sterke Bargulus.—De hommel zuigt +Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven +Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf +Door zulk een lagen dienstman als gij zijt. +Uw taal wekt woede, geen berouw in mij. +Ik moet naar Frankrijk voor de koningin; +En zeg u: voer mij veilig over zee. + +KAPITEIN. Walter! + +WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren. + +SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik. + +WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga. +Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen? + +EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe. + +SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong, +Weet te gebieden, niet om gunst te vragen. +Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden +Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd +Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige, +Dan voor den hoogen God en voor mijn koning; +En eer nog danse ’t bloedig op een stang, +Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht. +Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees; +Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen. + +KAPITEIN. Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131 + +SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt, +Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten. +Vaak sterven groote mannen door verworp’nen: +Een vechter en bandiet uit Rome moordde +Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand +Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk +Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers. + + (Whitmore met Suffolk en Anderen af.) + +KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is, +Één hunner moge voor het geld gaan zorgen; +Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan. + + (Allen af, behalve de Eerste Edelman.) + +(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.) + +WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp, +Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’. + + (Whitmore af.) + +EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel! +Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen; +Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij, +Aan wie hij dierbaar was, de koningin. + + (De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Blackheath. + +George Bevis en John Holland komen op. + +GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij +zijn al sinds eergisteren opgestaan. + +JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen. + +GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken +en keeren en er nieuwe wol opbrengen. + +JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik +zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de +edellieden opgekomen zijn. + +GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in +tel. + +JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen. + +GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk. + +JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo +veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom +moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20 + +GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan +een harde hand. + +JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit +Wingham,— + +GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer +van te maken. + +JOHN. En Dick, de slager,— + +GEORGE. Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid +gekeeld als een kalf. + +JOHN. En Smith, de wever,— + +GEORGE. Argo, hun levensdraad is afgesponnen. + +JOHN. Kom, kom, ons bij hen aangesloten! + +(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote +hoop volks komen op.) + +CADE. Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,— + +DICK (ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen +gestolen hebt. + +CADE. Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden +door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij +stil zijn. + +DICK. Stilte! + +CADE. Mijn vader was een Mortimer,— + +DICK (ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar. + +CADE. Mijn moeder een Plantagenet,— + +DICK (ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw. + +CADE. Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;— + +DICK (ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook +wel spencers verkocht hebben. + +SMITH (ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar +mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen. + +CADE. En dus ben ik van hoogen huize. + +DICK (ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en +daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een +huis gehad behalve het landloopershok. + +CADE. Moed heb ik;— + +SMITH (ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen. + +CADE. En ik kan veel verdragen;— + +DICK (ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen +achtereen met de bullepees zien krijgen. + +CADE. Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;— + +SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want +zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65 + +DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor +zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen. + +CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, +dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in +Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog +zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren, +scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, +en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning +ben,—want koning zal ik zijn,— + +ALLEN. God behoede uw majesteit! + +CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen +zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei +kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer +vereeren. + +DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan. + +CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel +van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het +bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij +steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in +mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen +meester. Wat is dat? wien hebt gij daar? + +(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.) + +SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen +opmaken! + +CADE. O, afschuwelijk! + +SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor +zijn jongens. + +CADE. ’t Is een schurk. + +SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in. + +CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder. + +DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als +een advocaat. + +CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem +niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u +verhooren. Hoe is uw naam? + +KLERK. Emanuël. + +DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht +met u afloopen. + +CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt +gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man? + +KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan +schrijven. 113 + +ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een +verrader. + +CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om +zijn hals. + + (Eenigen af met den Klerk.) + +(Michaël komt op.) + +MICHAËL. Waar is onze generaal? + +CADE. Hier ben ik, enkele kerel. + +MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder +zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning. + +CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal +een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet +waar? + +MICHAËL. Juist. + +CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder +maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John +Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los. + +(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande +trommen en met troepen op.) + +STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent, +Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer; +IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht. +De koning is genadig, zoo gij afvalt. + +WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak, +Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft. + +CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven; +Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover +Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker, +Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon. + +STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar; +Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet? + +CADE. En Adam was een spitter. + +WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij? + +CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man +Der dochter van den hertog Clarence, niet? + +STAFFORD. ’t Is waar. + +CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk. + +WILLIAM STAFFORD. Niet waar. + +CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is. +Het oudste van de twee, dat bij een min was, +Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw; +Het kende zijn geboorte en afkomst niet, +En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar. +Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt. + +DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning. + +SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en +de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het +niet. 158 + +STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof, +Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt? + +ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg! + +WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd. + +CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid). +Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders +wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen +speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft +regeeren; maar ik wil protector over hem zijn. + +DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het +hertogdom Maine verkocht heeft. + +CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met +een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij +medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een +gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken +en dus is hij een verrader. + +STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid! + +CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, +dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, +een goed raadsman zijn, ja of neen? + +ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd. + +WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen, +Zoo grijp hen met des konings heermacht aan. + +STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad, +Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn; +Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht, +Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders, +Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.— +En wie des konings vriend is, volge mij! + + (De beide Staffords met hun troepen af.) + +CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!— +’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen. +Wij willen lord noch jonker sparen, niemand, +Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt. +Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen, +Als zij maar durfden, zeker onzen kant. + +DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af. + +CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. +Komt, vooruit! voorwaarts! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van Blackheath. + +Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords +worden gedood. + +CADE. Waar is Dick, de slachter van Ashford? + +DICK. Hier. + +CADE. Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof +gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de +vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning +krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten. + +DICK. Meer verlang ik niet. + +CADE. En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de +wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de +overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot +ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen +laten dragen. + +DICK. Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij +de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten. + +CADE. Weest onbezorgd; daar sta ik voor in. +Komt, allen voorwaarts, naar Londen! + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van +Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha, +treurende over Suffolk’s hoofd. + +KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed +Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt; +Laat daarom af van weenen, denk aan wraak. +Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien? +Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten, +Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou? + +BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen? + +KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar; +Verhoede God, dat zooveel arme zielen +Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog +Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf +Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.— +Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen. + +KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat +Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht, +En kon het hen niet tot erbarmen dwingen, +Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien? + +KONING HENDRIK. Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19 + +SAY. Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn. + +KONING HENDRIK. Hoe is het, vrouwe? +Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood? +Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’, +Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd. + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u. + +(Een Bode komt op.) + +KONING HENDRIK. Wat is er? waartoe komt gij met die haast? + +BODE. De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst! +Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer, +Gesproten uit het hertogshuis van Clarence; +Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst +En zweert, in Westminster zichzelf te kronen. +Zijn leger is een havelooze bende +Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig. +Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood +Gaf hun het hart, den moed om door te gaan. +Geleerden, advocaten, hof en adel, +’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast. + +KONING HENDRIK. Godd’loozen, die niet weten wat zij doen! + +BUCKINGHAM. Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth, +Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is. + +KONINGIN MARGARETHA. O, leefde thans de hertog Suffolk nog, +Die Kentsche muiters waren ras bedwongen. + +KONING HENDRIK. Lord Say, die oproermakers haten u; +Daarom, ga met ons mee naar Killingworth. + +SAY. Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar. +Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede; +Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat; +Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat. + +(Een Tweede Bode komt op.) + +TWEEDE BODE. Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug; +De burgers vluchten angstig uit hun huizen; +En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters, +Uit dorst naar buit; als één man zweren zij +De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren. + +BUCKINGHAM. Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier! + +KONING HENDRIK. Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons. + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is. + +KONING HENDRIK (tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters +niet. + +BUCKINGHAM. Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand. + +SAY. Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld, +En daarom ben ik moedig en gerust. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. De Tower. + +Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen +eenige Burgers beneden op. + +SCALES. Wel, is Jack Cade alreeds gedood? + +EERSTE BURGER. Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij +hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord +mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad +tegen de muiters te verdedigen. + +SCALES. Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst; +Maar ik heb zelf de handen vol met hen; +Zij waagden reeds een aanval op den Tower. +Doch trek naar Smithfield en verzamel volk; +Daarheen zend ik tot u Matthias Gough. +Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens; +En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier. + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Aldaar. De Kanonstraat. + +Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den +Londener steen. + +CADE. Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den +Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het +manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar +van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als +iemand mij anders noemt dan lord Mortimer. + +(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.) + +REBEL. Jack Cade! Jack Cade! + +CADE. Slaat dien kerel dood! + + (De Man wordt gedood.) + +SMITH. Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade +noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen. + +DICK. Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht. + +CADE. Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de +Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den +Tower plat. Komt, vooruit! + + (Allen af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Aldaar. Smithfield. + +Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van +de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door +Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en +Matthias Gough valt. + +CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis +neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond! + +DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid. + +CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben. + +DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen +komen. + +JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij +is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen. + +SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want +hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas. + +CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de +besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen. + +JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem +zijn tanden niet uitgetrokken worden. + +CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden +in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den +vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond +bij de laatste oorlogsschatting. + +(George Bevis komt op, met Lord Say.) + +CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say, +gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke +rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij +Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt +overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord +Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke +vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk +verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl +voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het +keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot +inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen +gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u +heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en +meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. +Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen +over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die +in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen, +terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een +schabrak, is het zoo niet? + +SAY. En wat zou dat? 52 + +CADE. Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui +dan gij in broek en hemdrok rondloopen. + +DICK. En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een +slager ben. + +SAY. Gij mannen van Kent,— + +DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen? + +SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens. + +CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn. + +SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt. +Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren +De liefste streek genoemd van heel dit eiland; +Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen; +Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild, +Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent. +Niet ik gaf Maine en Normandije prijs, +Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr. +Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd, +Mij roerden beden, tranen,—giften nooit. +Wanneer legde ik u lasten op, tenzij +Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven? +Veel giften schonk ik aan geleerde mannen, +Omdat mijn weten bij den koning gold, +En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis +De vleugel is, die ons ten hemel heft. +Zijt gij van hellegeesten niet bezeten, +Dan deinst gij van een moord op mij terug. +Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven +Voor u gepleit,— + +CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd? + +SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen, +Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs. + +GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te +overvallen! + +SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn. + +CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken. + +SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden +Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal. + +CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den +bijstand van een bijl. + +DICK. Wat siddert gij, man? 96 + +SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees. + +CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel +vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. +Voert hem weg en slaat hem het hoofd af. + +SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb; +Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek! +Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers? +Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog? +Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt? +Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten, +In deze borst geen arglist ooit gehuisd; +O, laat mij ’t leven! + +CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, +maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat +hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een +dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van +God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en +breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het +hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier. + +ALLEN. Het zal gebeuren. + +SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden +Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont, +Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan? +Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven. + +CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel. + + (Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.) + +De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders +dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er +uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien +krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en +bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar +wenschen of de tong vertellen kan. + +DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op +te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken? + +CADE. Wel, dadelijk. + +ALLEN. O, heerlijk! + +(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn +Schoonzoon op staken.) + +CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want +zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van +elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg +te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht, +want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee +rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen +zij elkander kussen.—Vooruit! + + (Allen af.) + + + + + + +ACHTSTE TOONEEL. + + +Southwark. + +Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel. + +CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, +velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor +een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand +het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef, +alles dood te slaan? + +(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.) + +BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen. +Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier +Des konings aan ’t door u verleide volk; +Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe, +Die u verlaat en rustig huiswaarts keert. + +CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade, +Die onderwerping nog erlangt, of moet +Een oproerling u voeren in den dood? +Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht, +Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!” +Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert, +Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed, +Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort. + +ALLEN. Den koning heil! den koning heil! + +CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, +laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met +uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen +opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den +steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt +nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen +zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van +den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug +breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor +uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen, +en daarmee,—Gods vloek op u allen! + +ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade! + +CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36 +Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt? +Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren, +U, zelfs den minste, graaf of hertog maken? +Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord, +Hij kan niet leven, dan alleen door roof, +’t Bestelen van uw vrienden en van ons. +Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht +De schuwe Franschman, eerst door u verslagen, +De zeeën overstak en u versloeg? +Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist, +Hoe hij den baas in Londens straten speelt, +„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet. +Laat eer tienduizend laaggeboren Cades +Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt +Voor de genade van een enk’len Franschman. +Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort, +Spaart England, dàt is uw geboortestrand. +Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig; +God helpt ons, twijfelt aan de zege niet. + +ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met +Clifford! + +CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze +volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een +honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie, +dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen, +mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots +hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen +van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en +schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten. + + (Cade af.) + +BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na; +En wie het hoofd diens mans den koning brengt, +Zal duizend kronen ter belooning hebben. + + (Eenigen spoeden zich heen.) + +Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht, +Om allen met den koning te verzoenen. + + (Allen af.) + + + + + + +NEGENDE TOONEEL. + + +Het kasteel Kenilworth. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset +verschijnen op het terras van het kasteel. + +KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning, +Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij? +Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen, +Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning; +Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden, +Als ik verlang een onderdaan te zijn. + +(Buckingham en Clifford komen op, boven.) + +BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid! + +KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade +Gevat, of week hij slechts om macht te gâren? + +(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om +den hals.) + +CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over, +En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig +Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven. + +KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13 +En dat mijn dank en lof u welkom zij!— +Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij; +Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint; +Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd, +Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij, +Hem nimmer liefdeloos bevinden zult. +En zoo, u allen dankend en vergevend, +Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen. + +ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning! + +(Een Bode komt op). + +BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren: +Zoo even komt de hertog York uit Ierland, +En rukt, met groote en sterke legermacht, +Van Galloglassen en van forsche Kernen, +Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend, +Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning, +Dan van het hof den hertog Somerset,— +Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren. + +KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard, +Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt, +Pas rustig, door een kaper wordt geënterd; +Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid, +Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan. +Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet, +Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg, +Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;— +Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf, +Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt. + +SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis, +Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten. + +KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen +barsche taal, +Want heftig is hij en verdraagt dit niet. + +BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid, +Dat alles zich ten uwen beste keert. + +KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer +Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu +Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken. + + (Allen af.) + + + + + + +TIENDE TOONEEL. + + +Kent. Iden’s tuin. + +Cade komt op. + +CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch +op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in +deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het +geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet +langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor +in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te +zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm, +en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag +een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord +helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig +keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten +zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht +deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu +heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen. + +(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.) + +IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren, +Die zulk een rustig wandelplekje heeft? +Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet, +Bevredigt mij, is mij een koninkrijk. +Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen, +Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd; +Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven, +Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven. + +CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een +landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, +gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen +door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een +struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij +tweeën van elkander scheiden. + +IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn, +Ik ken u niet; wat zou ik u verraden? +Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd, +En als een dief hier in mijn hof komt stelen, +Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt, +Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen? + +CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, +en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen +iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u +niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit +meer één grassprietje te eten krijg. 44 + +IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat, +Dat Alexander Iden, Kenter landheer, +Met overmacht een hong’rig man bevocht. +Richt vast uw starend oog nu op het mijne, +En zie, of gij met blikken mij bedwingt; +Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer; +Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist, +Uw been een stok, naast dezen stam gezien, +Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht; +En zoo ik in de lucht mijn arm verhef, +Is u in de aard alreeds uw graf gedolven. +Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt, +Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg. + +CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit +van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien +grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in +uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot +hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben +geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er +tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien +maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor, +gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit +huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70 + +IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader? +Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad; +Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf; +Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt, +Gij zult het dragen als een wapenkleed, +Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won. + +CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van +mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele +wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben +overwonnen door den honger, niet door dapperheid. + + (Hij sterft.) + +IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God! +Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg! +En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet, +Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel. +Thans sleep ik bij uw hielen u van hier +Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn; +Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af, +Dat ik den koning zegevierend breng, +Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten. + + (Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een veld tusschen Dartford en Blackheath. + +Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt +York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen +afstand. + +YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht, +En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks; +Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend, +En groet den echten vorst van ’t machtig England. +Sancta majestas! wie kocht u niet duur? +Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan; +De hand hier werd gevormd om enkel goud, +Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden +Kan zij de volle kracht en klem niet geven, +Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht. +En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben, +Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil. + +(Buckingham komt op.) + +Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen? +De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len. + +BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk. + +YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet. +Komt gij als bode hier, of uit uzelf? + +BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst, +Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning? +Waarom hebt gij, een onderdaan als ik, +Trots uwen eed en uw bezworen trouw, +Zulk leger zonder machtiging gelicht, +En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen? + +YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik. +O, rotsen kon ik kloven, keien werpen, +Zoo toornig word ik bij die snoode taal; +Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius, +Mijn woede op ossen en op schapen koelen. +Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning, +Meer koning in mijn denken, in mijn aard; +Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen, +Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.— +(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede, +Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf; +Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen. +Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,— +Den trotschen Somerset het hof doen ruimen, +Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37 + +BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar! +Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel, +Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd; +De hertog Somerset is in den Tower. + +YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne? + +BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne. + +YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.— +Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans; +Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld, +Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht. +En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik, +Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons, +Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend +Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen; +Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb, +’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft. + +BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York; +Gaan wij te zamen naar des konings tent. + +(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.) + +KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten, +Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm? + +YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping, +Verschijnt hier York voor uwe majesteit. + +KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt? + +YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven, +En de’ aartsverrader Cade een les te geven;— +Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is. + +(Iden komt op, met Cade’s hoofd.) + +IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang, +Voor de oogen van een koning treden mag, +Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd, +Van Cade, in tweegevecht door mij gedood. + +KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!— +O, laat mij het gelaat des dooden zien, +Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft. +Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt? + +IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt. + +KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang? + +IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent, +Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint. + +BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed, +Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan. + +KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78 +Wij geven u tot loon éénduizend mark, +En willen, dat gij voortaan om ons zijt. + +IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig; +Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst. + +(Hij rijst op.) + +KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset! +Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen. + +(Koningin Margaretha en Somerset komen op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks, +Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat. + +YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York, +Ontboei uw langgekerkerde gedachten, +En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart. +Zou ik het zien van Somerset verdragen?— +Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord, +Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld? +Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning; +Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len, +Die geen verrader teug’len durft noch kunt? +Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd, +Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen, +Een echten vorstenscepter siert zij niet. +Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne, +Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer, +Door zijn verand’ring dooden kan of heelen. +Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend, +’t Gezag der wetten klem verleenen kan. +Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn +Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep. + +SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u +Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam; +Kniel, driest verrader; vraag genade, York. + +YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen, +Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’. +Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn; + + (Een van York’s volgers af.) + +Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan, +Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding. + +KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen; +Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York +Huns valschen vaders borgen kunnen zijn. + + (Buckingham af.) + +YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat, +Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê; +York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte, +Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem, +Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121 + +(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op; +van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.) + +Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed. + +KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af. + +CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning! + +(Hij knielt.) + +YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden? +Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken; +Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens; +En deze uw dwaling willen we u vergeven. + +CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet; +Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;— +Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig? + +KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin +Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan. + +CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower, +En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp. + +KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert; +Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem. + +YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar? + +EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt. + +RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard. + +CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders! + +YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam; +Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.— +Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren, +Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds +Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’; +Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen. + +(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.) + +CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood, +En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen, +Als gij hen op de kampplaats brengen durft. + +RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond +Omsprong en beet, omdat men hem weerhield, +Maar losgelaten op den berenklauw, +Met ingetrokken staart begon te janken; +En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op, +Als gij u met lord Warwick waagt te meten. + +CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen, +Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158 + +YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken. + +CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’! + +KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen? +En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar, +Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!— +Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard +En zoekt met uwen bril het onheil op? +O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid? +Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd, +Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?— +Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven, +Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren? +Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft? +Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar? +O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie, +Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd. + +SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf +De aanspraken van den hoogberoemden hertog, +En naar geweten acht ik volgens ’t recht +Hem erfgenaam van Englands koningstroon. + +KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen? + +SALISBURY. Dat heb ik. + +KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan? + +SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen, +Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden. +Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden. +Een moord te doen, diefstal en roof te plegen, +Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen, +Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken, +Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,— +En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht, +Dan dat een plechtige eed er hem toe bond? + +KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste. + +KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne. + +YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op; +Ik ben besloten: dood of ’t koningschap! + +CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn. + +WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen; +Gij waart er veilig voor des slagvelds storm. + +CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten, +Dan uw bezwering heden op kan roepen; +En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven, +Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201 + +WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi, +Den opgerichten beer aan de’ ouden paal, +Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,— +Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt, +Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,— +Om u te ontzetten door ’t gezicht er van. + +CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer +En treed dien vol verachting in het stof; +Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt. + +DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader, +Ter fnuiking van de muiters en hun bent! + +RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal! +U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal. + +DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel! + +RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel. + + (Allen af, naar verschillenden kant.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Sint-Albaans. + +Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op. + +WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep! +Indien gij niet u voor den beer verschuilt, +Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast +En stervenskreten de ijle lucht vervullen, +Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij! +Noordlandsche trotsche lord van Cumberland, +Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u. + +(York komt op.) + +Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet? + +YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros; +Maar leer om leer heb ik het hem vergolden, +En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was, +Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai. + +(Clifford komt op.) + +WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar. + +YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild; +Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood. + +WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.— +Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford, +Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan. + + (Warwick af.) + +CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen? + +YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd. +Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart. + +CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22 +Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette. + +YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard, +Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven. + +CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd! + +YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u! + +(Zij vechten. Clifford valt.) + +CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres! + + (Hij sterft.) + +YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil! +Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil! + + (York af.) + +(De jonge Clifford komt op.) + +DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht. +Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt +Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel, +Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest, +Werp in de ijskoude borsten van ons leger +Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’! +Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht +Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint, +Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval, +Den naam van dapper.— + +(Hij ziet het lijk zijns vaders.) + + Booze ’wereld, eindig! +En gij, vervroegde vlammen des gerichts, +Boeit aarde en hemel saâm! +Weergalme nu des jongsten dags bazuin, +En overstemm’ die elken aardschen klank, +Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader, +In vrede uw jeugd te zien verloren gaan, +Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid, +In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven +In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik +Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is, +Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet, +Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen +Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur; +En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht, +Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie. +Niets wil ik nu voortaan van deernis weten; +Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York, +Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste +Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed; +Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve. +Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords, + +(Hij neemt het lijk op.) + +Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg, +Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders; +Maar hij droeg toen een last, die leven had, +Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed. + + (De jonge Clifford af.) + +(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt +gedood.) + +RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66 +Want onder eener herberg uithangschild, +„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset +Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem. +Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden: +Voor haters bidden priesters, prinsen dooden. + + (Richard af.) + +(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha +en Anderen komen op, terugtrekkende.) + +KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf! + +KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf! + +KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten? +Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand, +Te wijken voor den vijand, ons te bergen +Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht. + +(Strijdgedruisch op een afstand.) + +Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem +Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,— +Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,— +Dan zijn wij dra te Londen, waar men u +Genegen is, en waar wij deze bres +In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten. + +(De jonge Clifford komt weder op.) + +DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil, +Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried; +Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid +Beheerscht het hart al onzer vrienden hier. +Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven +Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven! +Voort, voort, mijn vorst, van hier! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een veld bij Sint-Albaans. + +Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard +Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels. + +YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury? +Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede +Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet, +En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht +Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag +Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen, +Zoo Salisbury ontbreekt. + +RICHARD. Mijn eed’le vader, +Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard, +Stond driemaal over hem, en voerde driemaal +Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd; +Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem; +Als in een arme hut een rijk tapijt, +Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil. +Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14 + +(Salisbury komt op.) + +SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten; +Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard; +God weet, hoe lang ik nog te leven heb; +En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal +Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.— +Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet; +’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood; +Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen. + +YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil, +Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen, +En roept zijn parlement er daad’lijk op. +Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen! +Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na? + +WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor! +Bij God, mylords, dit was een dag van roem; +De slag, door den roemruchten York gewonnen, +Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.— +Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen; +Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar +1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het +huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van +York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele +tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van +Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van +Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit +een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin +van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog +van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de +heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds +in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van +Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den +duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den +kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den +koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het +boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar +het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren +later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg +hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd +in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in +hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood +in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens +verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den +gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de +kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt +onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die +onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na +Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het +staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan +genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en +hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: +„Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?” + +Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog +van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond +den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den +eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van +Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van +wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen. +In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund +van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de +Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook +de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der +Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige +plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen +verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten +beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te +verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het +huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor +vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks +had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of +hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en +gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem +uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen. + +Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort +na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis +Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig +gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen +lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het +huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon +van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer +aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar +Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten +van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij +behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de +verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de +geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke +troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd +neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van +den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, +week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den +aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar +het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade +weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen +persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond. + +Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den +Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord +Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” +in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s +harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn +zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze +stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der +vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen +en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James +Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider +hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op +iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop +volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering, +terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet +verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied +bewees, werd zonder genade onthoofd. + +Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen +naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut +en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in +Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk +gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte +het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van +de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede +zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de +verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu +de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van +John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, +zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een +prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een +boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander +Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood +werd. + +Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De +ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het +hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid +hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in +vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als +haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn +broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen +van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog +des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen; +hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en +een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze +omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, +die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand +had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales, +verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het +wanbestuur van Somerset te doen ophouden. + +Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de +familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, +belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen +namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de +zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede +bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee +graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke +huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil, +zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van +Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst +vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden +troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de +vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote +beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. +Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot, +Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der +vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van +Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks +werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt +geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in +zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of +gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen +kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een +der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de +eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak +van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren +zouden gegaan zijn. + +Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere +invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was +de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog +van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel +bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund +van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te +handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat +hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, +om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings +raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen, +toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen +gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf +voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings +woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even +fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar +Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar +eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een +getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen +zijn, werd hij weder ontslagen. + +Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te +roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land +bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen, +geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst +overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem +voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin +van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze +eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den +loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van +het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in +hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad +schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot +„Protector en Defensor” van het rijk verklaard. + +Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de +voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het +noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der +Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de +regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling +de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst +der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, +reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn +getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf +van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen +en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw +aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op +tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en +Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en +vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens +vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op +het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral +door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York +beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen +vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond, +geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem +naar Londen togen. + +Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel +van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag +van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en +waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op +den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het +eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt +voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde +zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was, +tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der +Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in +onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers; +wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning +schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten +uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden +York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs +gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van +Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij +Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd +andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met +haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest +vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij +Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton +viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen +volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het +parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen +gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten. + +In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn +doel verwerkt heeft. + + + + +I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t +Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke, +may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in +den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de +klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn +hertogdom!” + +I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot +bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den +tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de +vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht +geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning +vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone +belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen +naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, +naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning +moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van +6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden +voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de +buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het +geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het +vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de +ware, dan kan de vertaling der plaats luiden: + + Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk + ’t Vijftiende deel der lasten van het volk + Vraagt voor de kosten van den overtocht. + +I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier +jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder, +omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was. + +I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als +erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik +VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt +Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de +hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine +volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden. + +I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van +den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de +oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn +moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou +blijven. + +I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury +en Warwick. + +I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede. + +I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede +priesters werden aangesproken. + +I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend +verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de +beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een +andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn. + +I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall +opmerkt, for en niet to gelezen worden. + +I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had +in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook +het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel +van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken. + +I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een +hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing +bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth +niet veilig voor een vorstelijke oorveeg. + +I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er +op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K. +Hendrik VI”, IV. 3. + +I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is +dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of +voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en +Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald. +Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel, +dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of +hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan +beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt +overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”. + +I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de +opmerkingen van Marshall, aan York toegekend. + +II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk. + +II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen +zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de +spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk +aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens +luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee +regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much +holiness can you not do it? + +II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten +onrechte, als proza gedrukt. + +II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de +beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie +pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42. + +II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de +beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw +verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een +parlementsbesluit deze waardigheid. + +II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij +Lissabon benoemd. + +III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het +parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen +het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De +hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld +vermocht hem niet meer te redden. + +III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de +Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de +steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan. + +III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van +Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit +den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en +omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den +stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. +Hendrik V”, II. 4. 25. + +III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de +adder doof. + +III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden +de winden in een grot opgesloten hield. + +III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de +plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben +aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en +deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der +koningin voor Æneas aanwakkert. + +III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de +Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden. + +III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de +aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309. + +III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin +wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel +blijkt. + +IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht +genoemd. + +IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het +beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt. + +IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de +woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg +gelijk uitgesproken. + +IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het +zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt +was, werd alleen door personen van rang gebezigd. + +IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord +en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en +beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een +woordspeling op dien naam. + +IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De +Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door +wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt +meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van +Shakespeare’s „Koning Richard III.” + +IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der +oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.), +waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden. + +IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille +schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel +herkomstig is, is onbekend. + +IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het +geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon +van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk +vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een +anderen. + +IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling +met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager +Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring +gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de +tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed). + +IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke +staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters) +kan verkocht hebben. + +IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen +uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven. + +IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien +zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst. + +IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow; +„particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen. + +IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij +men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den +vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te +overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den +tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met +duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald. + +IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de +vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen +en wel voor 99 beesten. + +IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van +den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels +beslagen was. + +IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde +slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden +bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst +Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever +van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen +de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd +en met huizen bezet. + +IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die +eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, +hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk +geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken, +misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van +Brussel.” + +IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het +was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den +oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der +prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door +Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat +Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was +het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland +uit zijn mond zouden komen. + +IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft +laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste +oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal +den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien +een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen. + +IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou +say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge, +en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t +Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen +zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een +Franschman, is verbasterd van baise mon cul. + +IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad. + +IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius +Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle +the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st +place. + +IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken. +In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill +beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard. + +IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie +gevolgd: Or let a rebel etc. + +IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het +Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco +geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, +b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van +dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de +Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft +willen maken. + +IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in +Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen +lichtgewapenden. + +IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men +een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent. + +V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils, +waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal +geketenden beer in hun wapen. + +V. 2. 28. „La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en +oorlogskreet. + +V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden +broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te +houden. + +V. 2. 68. „’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de +voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38. + + + + + + + + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +DERDE DEEL. + + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Edward, Prins van Wales, zijn zoon. + Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk. + De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford, + de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord + Clifford, aanhangers des Konings. + Richard Plantagenet, Hertog van York. + Edward, Graaf van March, later } + Koning Edward de Vierde, } Zoons van den + Edmond, Graaf van Rutland, } Hertog van York. + George, later Hertog van Clarence, } + Richard, later Hertog van Gloster, } + De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van + Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford, + aanhangers van den Hertog van York. + Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van + York. + Hendrik, de jonge Graaf van Richmond. + Lord Rivers, broeder van Lady Grey. + Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville. + De Leermeester van Rutland. + De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman. + Twee Boschwachters en een Jager. + Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft. + Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft. + + Koningin Margaretha. + Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden. + Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk. + + Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, + Boden, Wachten, enz. + +Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, +voor het overige in Engeland. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Het Parlementshuis. + +Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal +binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en +Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van +Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed. + +WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam. + +YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden +Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg, +Waarop de groote lord Northumberland, +Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden, +Het matte leger moed wist in te storten; +Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich, +Stormde in op onze voorste rij, brak door, +Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers. + +EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader, +Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond; +Ik spleet hem met een fellen houw den helm; +Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed. + +(Hij toont zijn bloedig zwaard). + +MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf +Wiltshire, +Met wien ik bij ons treffen heb gekampt. + +(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.) + +RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed. + +(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.) + +YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.— +Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset? + +NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent! + +RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te +schudden. + +WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York, +Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon, +Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd, +Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God! +Dit hier is het paleis des laffen konings, +En dit des konings stoel; bestijg hem, York; +U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven. + +YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het; +Want ingebroken zijn wij met geweld. + +NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven. + +YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;— +En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier. + +WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens, +Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34 + + (De Soldaten trekken zich terug.) + +YORK. De koningin houdt heden parlement hier. +Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren. +Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht. + +RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven. + +WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning, +En die beschroomde Hendrik afgezet, +Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,— +Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten. + +YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal; +Ik denk bezit te nemen van mijn recht. + +WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint, +De stoutste, die voor Lancaster het opneemt, +Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick, +Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat. +Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.— +Beslis nu, Richard; vorder Englands troon. + +(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.) + +(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland +en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.) + +KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling; +Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het, +Op Warwick steunend, op dien valschen pair, +Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.— +Northumberland, uw vader viel door hem, +Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak +Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden. + +NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij! + +CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal. + +WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer! +Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet. + +KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland! + +CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij; +Hij zat daar niet, indien uw vader leefde. +Genadig heer, laat ons in ’t parlement +Hier op den stam van York een aanval doen. + +NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo! + +KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen, +En troepen krijgers wachten op hun wenken! + +EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69 + +KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte, +Dit parlement een slachthuis te doen zijn! +Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging, +Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil. + +(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.) + +Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon, +Kniel om genade en gunst aan mijne voeten; +Ik ben uw heer en vorst. + +YORK. Neen! ik ben de uwe. + +EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York. + +YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March. + +EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad. + +WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad, +Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt. + +CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning? + +WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York. + +KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon? + +YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken. + +WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning. + +WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster; +Dit zal de lord van Westmoreland u staven. + +WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet, +Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden, +Uw vaders doodden, met ontplooide vanen +Door Londens straten trokken naar ’t paleis. + +NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed; +En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis. + +WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen +Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan +Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren. + +CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden, +Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden, +Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken. + +WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen! + +YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen; +Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit. + +KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104 +Uw vader was, als gij, hertog van York; +Uw moeders vader was de graaf van March;— +Mijn vader was de groote vijfde Hendrik, +Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn, +Hun steden en hun landen heeft veroverd. + +WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren. + +KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik; +’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd. + +RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij. +Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd. + +EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd. + +MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief, +Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten. + +RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis. + +YORK. Stil, zoons! + +KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord. + +WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan; +En luistert zwijgend en aandachtig toe; +Wie in de rede valt, hij zal niet leven. + +KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat, +Waarop mijn vader en diens vader zaten? +Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken, +En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend, +Doch nu in England, tot mijn harteleed,— +Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords? +Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne. + +WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst. + +KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring. + +YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst. + +KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak. +(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen? + +YORK. Wat verder? + +KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning, +Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords, +Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan; +Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij. + +YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning, +En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142 + +WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang, +Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong? + +EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen, +Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen. + +KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons? + +EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht. + +YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord? + +EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning. + +KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem. + +NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt, +Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet. + +WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen. + +NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden, +In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,— +Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,— +Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen. + +CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet, +Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden; +Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden, +Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel! + +KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart! + +YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!— +Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords? + +WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe, +Of van gewapend volk vervul ik ’t huis, +En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt, +Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed! + +(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.) + +KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord, +Laat mij mijn leven lang als koning heerschen. + +YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven, +En rustig heerscht gij heel uw leven lang. + +KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet, +Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel. + +CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon! + +WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177 + +WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik! + +CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt! + +WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren. + +NORTHUMBERLAND. Ik evenmin. + +CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld! + +WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst, +In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft! + +NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf +In boeien voor dit man-onteerend doen! + +CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen, +Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht! + + (Northumberland, Clifford en Westmoreland af.) + +WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen! + +EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam. + +KONING HENDRIK. Ach, Exeter! + +WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer? + +KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon, +Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.— +Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik +De kroon voor eeuwig u en uwen erven; +Met dit beding, dat gij den eed hier doet, +Den burgerkrijg te staken en mij steeds, +Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren, +En noch door open krijg, noch door verraad +Te streven naar mijn val om zelf te heerschen. + +YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem +houden. + +WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem! + +KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons! + +YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend. + +EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien! + +(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.) + +YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel. + +WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten. + +NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk. + +MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209 + + (York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg + af.) + +KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof. + +(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.) + +EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn; +’k Wil henensluipen. + +KONING HENDRIK. Exeter, ook ik. + +(Hij wil heengaan.) + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen. + +KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven. + +KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken? +Onzalig man! ware ik als maagd gestorven, +Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard, +Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk! +Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven? +Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik, +Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed, +Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed, +Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven, +Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt, +En dezen uwen een’gen zoon onterfd. + +PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen; +Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op. + +KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;— +Graaf Warwick en de hertog dwongen mij. + +KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen? +Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard! +Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij, +En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht, +Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden. +Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken, +Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven, +Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd? +Warwick is kanselier, beheerscht Calais, +De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee, +De hertog is protector nu van ’t rijk, +En acht ge u veilig? zulk een veiligheid +Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven. +Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest, +Eer had ik door de krijgers op hun pieken +Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit +Tot zulk een onderhand’ling had verstaan; +Maar gij verkiest uw leven boven de eer; +En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik +Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat +Dit parlementsbesluit vernietigd is, +Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd. +De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten, +Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert; +En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad, +En ’t gansche huis van York ten ondergang. +Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier; +Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256 + +KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken. + +KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga! + +KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij? + +KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde! + +PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer, +Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar. + +KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom! + + (Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.) + +KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde +Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen! +God wreke haar op dezen boozen hertog, +Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij +De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar +Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!— +Die afval der drie lords bezwaart mijn hart; +Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.— +Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn. + +EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen. + + (Beiden af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield. + +Edward, Richard en Montague komen op. + +RICHARD. Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,— + +EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen. + +MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht. + +(York komt op.) + +YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen? +Waarover hebt gij twist en hoe begon die? + +EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd. + +YORK. Waarom? + +RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat: +De kroon van England, die aan u behoort. + +YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is. + +RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet. + +EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu; +Laat gij de Lancasters op adem komen, +Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14 + +YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren. + +EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon; +Ik brak er duizend om één jaar te heerschen. + +RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt! + +YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp. + +RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren. + +YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk. + +RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij +Een echte, wettige overheid hem afneemt, +Die over hem, die zweert, gezag bezit; +Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd; +Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,— +En dus, mylord, uw eed is nul en nietig. +Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader, +Hoe schoon het is, een diadeem te dragen, +Hoe in zijn omtrek een Elysium is, +En elk geluk en heil, dat dichters malen. +Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust, +Alvorens ik de witte roos, die ’k draag, +In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur. + +YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.— +(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen; +Spoor Warwick tot deze onderneming aan.— +Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk, +En deel hem heim’lijk onze plannen mee.— +Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden, +Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan; +Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten, +Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed. +Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen, +Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan, +Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan, +Noch iemand van het huis van Lancaster? + +(Een Bode komt op.) + +Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast? + +BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden, +Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren. +Zij rukt met twintigduizend man ginds aan; +Versterk daarom uw veste goed, mylord. + +YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?— +Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;— +Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen, +En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren, +Die bij den koning als protectors bleven, +Met krachtig staatsbeleid zich te versterken, +Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend. + +MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60 +Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid. + + (Montague af.) + +(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.) + +YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer, +Gij komt te goeder ure in Sandal aan; +De macht der koningin wil ons beleeg’ren. + +SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld. + +YORK. Wat! met vijfduizend man? + +RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods; +Een vrouw is generaal, wat is te duchten? + +(Een marsch in de verte.) + +EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend; +Naar buiten dan; den slag hun aangeboden! + +YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht; +Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning. +In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen, +Waarin de vijand tien was tegen één; +Waarom zou ik niet even goed nu slagen? + + (Alarmsignalen.—Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Eene vlakte nabij slot Sandal. + +Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen +op. + +RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen? +Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt! + +(Clifford komt op, met Soldaten). + +CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven; +Maar hier dit jong van den vervloekten hertog, +Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven. + +LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn. + +CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg. + +LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind, +En maak u niet gehaat bij God en menschen. + + (Hij wordt door soldaten weggevoerd.) + +CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees, +Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen. + +RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan, +Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt; +Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi, +Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!— +O, lieve lord, versla mij met uw zwaard, +En niet met zulk een wreeden, fellen blik. +O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf: +Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt; +Neem wraak op mannen, en laat mij het leven! + +CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed +Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22 + +RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen; +Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem. + +CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven +En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg. +Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op, +Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen, +Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan. +Het zien van wien ook van het huis van York +Is als een furie, die het hart mij foltert; +En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb, +Geen leven sparend,—leef ik in de hel. +Daarom,— + +RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;— +Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford! + +CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent. + +RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden? + +CLIFFORD. Uw vader deed het wel. + +RUTLAND. Vóór mijn geboorte. +Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil, +Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake +Verslagen word’, zoo jammervol als ik. +O, laat mij levenslang gevangen zijn, +En geef ik ooit u grond tot ergernis, +Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden. + +CLIFFORD. Geen reden? +Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf. + +(Hij doorsteekt hem.) + +RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ. + + (Hij sterft.) + +CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet! +Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft, +Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed +Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat. + + (Clifford af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte der vlakte. + +Strijdgedruisch. York komt op. + +YORK. De macht der koningin behoudt het veld: +Om mij te redden vielen beî mijn ooms; +Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten +Mijn volgers, snel als schepen voor den wind, +Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf. +Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer; +Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen, +Tot roem geboren, beide in dood en leven. +Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij, +En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!” +En even vaak kwam Edward mij op zijde, +Met purperroode kling, tot aan ’t gevest +Met zijner weerpartijders bloed geverfd; +En toen de meest geharde krijgers weken, +Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!” +Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf! +Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!” +Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach! +Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan +Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20 +Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend. + +(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.) + +Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen; +En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten; +En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden. +Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt; +’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten. + +(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van +Wales en Soldaten komen op.) + +Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland, +Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede +Blaas ik hier aan tot feller razernij. +Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot. + +NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York. + +CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm +Als afbetaling aan mijn vader schonk! +Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld +En deed het avond zijn op ’t middaguur. + +YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel +Verwekken, die mij op u allen wreekt; +En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel, +En ik belach, wat gij mij aandoen kunt. +Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig? + +CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards: +Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw; +Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven +Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht. + +YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug, +En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest, +En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan; +Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt, +Wiens booze blik u rillen deed en vluchten. + +CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven, +Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een. + +(Hij trekt zijn zwaard.) + +KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen +Wil ik een poos des booswichts leven rekken.— + +(Clifford dringt op York steeds aan.) + +(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland! + +NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54 +Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen. +Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt, +De hand te steken tusschen ’t scherp gebit, +Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen? +’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen; +Tien tegen een werpt op den moed geen smet. + +(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.) + +CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik. + +NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net. + +(York wordt gevangen genomen.) + +YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit; +Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers. + +NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen? + +KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland, +Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man, +Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep, +Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.— +Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn, +Die in ons parlement den baas kwaamt spelen, +Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam? +Waar is uw viertal zoons om u te steunen? +De dartele Edward en de lachbek Clarence! +En waar het dapp’re kromme wangedrocht, +Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg +Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten? +En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland? +Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed, +Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards +Liet stroomen uit de borst van uwen knaap; +Indien uw oogen om hem schreien kunnen, +Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen. + +(Zij werpt hem den doek toe.) + +Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat +Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen. +Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York. +Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit, +Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt? +Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu; +Ik hoon u zoo, om razend u te maken; +Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’! +O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt; +York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!— +Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.— +Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op. + +(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.) + +Ja, nu ziet hij er als een koning uit! +Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam; +Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.— +Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99 +Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak? +Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn, +Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had. +En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken, +Zijn slapen van den diadeem berooven, +Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots? +O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.— +Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd! +Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd! + +CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader. + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal. + +YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven, +Wier tong meer gift heeft dan een addertand! +Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus +Te juub’len als een Amazone-snol +Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat! +Ware uw gelaat niet roerloos als een mom, +Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen, +Ik zou beproeven, trotsche koningin, +Een blos u aan te jagen, want te zeggen +Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg +Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet. +Uw vader draagt den koningstooi van Napels, +De twee Siciliën en Jeruzalem, +Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger; +Heeft u die arme vorst uw trots geleerd? +Maar, trotsche koningin, dit baat u niets, +Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar +Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.” +Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig; +Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan. +’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren; +Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel. +’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt; +Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend. +Van al wat goed is zijt gij afgekeerd, +Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons, +Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden. +O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld! +Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len, +Opdat de vader de oogen er mee wischte, +En toch het uitzicht hebben van een vrouw? +Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam, +Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos. +Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch. +Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil. +Want storm, die raast, blaast zware buien saam, +En als het razen luwt, dan komt de regen. +Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland, +En elke druppel schreeuwt om wraak op u, +Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw! + +NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150 +Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud. + +YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig, +Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt; +Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar, +Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië. +Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen! +Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek, +En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg; +Hier, neem dien doek terug en pronk er mee; + +(Hij werpt den doek terug.) + +En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid, +Bij God, uw hoorders zullen tranen storten, +Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten, +En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”— +Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek, + +(Hij werpt de papieren kroon neer.) + +En vind, in uwen nood, denzelfden troost, +Als thans uw al te wreede hand mij biedt!— +Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!— +Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden! + +NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht, +Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen, +Nu ik dien diepen zielejammer zie. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland! +Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed; +Dit zal die weeke tranen ras u drogen. + +CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood! + +(Hij doorsteekt York.) + +KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning! + +(Zij doorsteekt York mede.) + +YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God! +Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u. + + (Hij sterft.) + +KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York; +Zoo overblikke York zijn veste York. + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire. + +Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen. + +EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn? +En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet, +Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging? +Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend; +Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend; +Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij +De blijde tijding zeker reeds vernomen.— +Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt? + +RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet, +Wat onzen dapp’ren vader is bejegend. +Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf, +Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas. +Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang, +Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren, +Of als een beer, van honden gansch omringd, +Die enk’len met een klauwslag janken doet, +Zoodat de rest uit verre verte keft. +Zoo deed daar onze vader met den vijand; +Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader; +Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.— +Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort +Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt; +Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid +Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt! + +EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25 + +RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon, +Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden, +Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw. +Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar, +Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld; +Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon! +Dit is een voorbeduidsel aan den hemel! + +EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords. +Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld, +Waar wij, de zoons van den krijgshaften York, +Schoon ieder stralend met ons eigen licht, +Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard +Bestralen moeten, als de zon ’t heelal. +Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild +Van dit uur af drie blonde zonnen voeren. + +RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,— +Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon. + +(Een Bode komt op.) + +Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt, +Dat booze tijding op de tong u zweeft? + +BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was, +Hoe de eed’le hertog York verslagen werd, +Uw hooge vader, mijn beminde heer. + +EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord. + +RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49 + +BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden +En wederstond hen, als eens Troje’s schuts +De Grieken, die in Troje wilden dringen. +Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules, +En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen +Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik. +Een tal van handen overmande uw vader; +Doch hem vermoordde alleen de gramme hand +Des fellen Clifford’s, en der koningin. +Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte +Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende, +Gaf hem de deernislooze koningin, +Opdat hij zich de wangen er mee wischte, +Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt +Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford, +En na veel hoon en lagen, fellen spot +Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort +Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet; +De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard! + +EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden! +Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut! +O Clifford, felle Clifford! gij versloegt +De bloem der ridderschap van gansch Europa; +’t Was door verraad, dat gij hem overmocht; +Man tegen man had hij wis u verwonnen. +Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker; +O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam +In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd! +Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken; +Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe! + +RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten +Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart; +Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen, +Want de adem, die tot spreken dienen moest, +Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen +Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen. +Het weenen maakt den weedom minder diep; +Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!— +Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood; +Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel! + +EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u; +Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij. + +RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend, +Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht! +Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel; +Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem. + +(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.) + +WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96 + +RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws +Verhalen moesten en bij ieder woord +Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind, +Der woorden pijn ware erger dan de wonden. +O dapp’re lord, de hertog York is dood. + +EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet, +Die u zoo lief had als zijn eigen ziel, +Is door den wreeden Clifford omgebracht. + +WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds +In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren, +Door ’t melden van wat verder is geschied. +Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader, +De wakk’re held, den laatsten adem uitblies, +Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden, +Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden. +Ik, die in Londen ’s konings hoeder was, +Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam, +En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust, +Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten, +En nam tot zekerheid den koning meê; +Want mijn spionnen hadden mij gemeld, +Dat zij in ’t veld was met het vast besluit +Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht +En Hendriks eed, geheel te niet te doen. +Om kort te gaan, wij werden handgemeen +Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig; +Maar, of het nu des konings koelheid was, +Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte, +Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam; +Of het gerucht misschien van haar geluk; +Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid, +Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert, +Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden, +Hùn vechten was een bliks’men met de wapens, +En onze slagen,—zacht als uilenwieken, +Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen +Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen. +Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht, +Beloften van hoog loon en rijken buit;— +Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten, +En ons de hoop om zoo te zegevieren. +Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade, +Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,— +Spoorslags hierheen, om u thans te versterken, +Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken +Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd. + +EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk? +En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië? + +WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen, +En George, uw broeder, werd door uwe moei, +Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden +Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft. + +RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148 +Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen, +Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week. + +WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort; +Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist +Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks, +Den hoogen scepter uit de hand hem wringt, +Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk, +Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom. + +RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet; +Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken. +Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd? +Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen, +In zwarten rouw ons hullen, en met kralen +De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden? +Of zullen we op der weerpartijders helmen +Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen? +Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit! + +WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord; +En hiertoe komt mijn broeder Montague. +Geeft acht, mylords. De drieste koningin +Heeft reeds, met Clifford en Northumberland +En and’re trotsche vogels van die veêren, +Den weeken koning omgekneed als was. +Bezworen werd door hem uw erfopvolging, +Zijn eed werd bij het parlement geboekt; +En nu is hun geheele troep naar Londen, +Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn, +Wat aan het huis van Lancaster kan schaden. +Hun macht is, meen ik, dertigduizend man; +Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf +Met alle vrienden, wakk’re graaf van March, +Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen, +Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,— +Welaan, naar Londen dan met alle macht, +Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen, +Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!” +Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht! + +RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken. +Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’, +Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt. + +EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen; +Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!— +Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel! + +WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York; +De rang, die volgt, is Englands hooge troon; +Tot Englands koning roepen wij u uit +In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert; +En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt, +Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd, +Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,— +Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem; +Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen! + +RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201 +Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden, +Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn. + +EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George! + +(Een Bode komt op.) + +WARWICK. Wat meldt gij? spreek! + +BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij: +De koningin rukt aan met groote macht; +Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen. + +WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts! + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Voor de stad York. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van +Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten. + +KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York! +Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel, +Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven; +Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart? + +KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht; +Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.— +Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet, +En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed. + +CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid, +Dit schaad’lijk medelijden van u af. +Wien werpen leeuwen zachte blikken toe? +Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen. +Wien likt wel de berin des wouds de hand? +Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft. +Of wie ontgaat den giftbeet van de slang? +Niet hij, die haar den voet zet op den rug. +De kleinste worm verheft, getrapt, den kop; +En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt. +Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon; +Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste. +Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader, +Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien; +Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend, +Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn, +Een vader u getoond, die niet beminde. +Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel; +En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’, +Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen, +Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len, +Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht, +Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31 +Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen? +O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld; +Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap +Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven, +En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:— +„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven, +Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!” +O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap; +Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege +Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart, +Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft! + +KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst +En voerde gronden aan van groot gewicht. +Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord, +Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt? +En is het dien zoon altijd wel gegaan, +Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle? +Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden; +O had ik ook zooveel, niets meer geërfd! +Want al het oov’rige is slechts een bezitting, +Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg, +Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt. +Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten, +Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat! + +KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij; +Die weeke stemming maakt uw volgers zwak. +Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan; +Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.— +Kniel neder, Edward. + +KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder; +En leer: trek voor het recht alleen het zwaard. + +PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof, +Ik wil het als uw troonopvolger trekken, +En in dien strijd het voeren tot den dood. + +CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins! + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid; +Want met een macht van dertigduizend man +Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York, +En roept hem, in de steden, die hij doortrekt, +Tot koning uit, en velen vloeien toe; +Schaart fluks uw leger, want hij is nabij. + +CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet; +De koningin slaagt beter in uw afzijn. + +KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over. + +KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76 + +NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten. + +PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords +En allen aan, die voor uw rechten strijden; +Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!” + +(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen +op, met troepen.) + +EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade, +En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem, +Of moet het bloedig veld uw lot beslissen? + +KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap! +Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren, +Hier voor uw souverein en rechten koning? + +EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen. +Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit, +Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor, +Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen, +Veeleer de koning zijt, hem opgezet, +Bij parlementsbesluit mij uit te vagen, +En te vervangen door zijn eigen zoon. + +CLIFFORD. En dat terecht; wie zou +Opvolger zijn des vaders, dan de zoon? + +RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken. + +CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord, +U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag. + +RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar? + +CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad. + +RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval! + +WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon? + +KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken? +Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden +Uw beenen beter dan uw handen dienst. + +WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe. + +CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch. + +WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford. + +NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet. + +RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.— +Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode +Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen +Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter. + +CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind? + +RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114 +Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;— +Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken. + +KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken. + +KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht. + +KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan; +Ik ben een koning, spreken is mijn recht. + +CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond, +Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil. + +RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem, +Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker. +Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong. + +EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet? +Een duizend man, die nog ontbeten, proeven +Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer. + +WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd? +Want York gespt voor het recht het harnas aan. + +PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan +Bestaat geen onrecht, dan is alles recht. + +RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder; +Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong. + +KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder, +Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen, +Geteekend door het lot, dat men u mijde +Gelijk een giftpad of haag’dissestekels. + +RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt, +Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,— +Alsof een goot ooit zee geheeten werd!— +Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet, +Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen? + +EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard, +Als zij die prij zichzelve kennen leerde! +Veel schooner was de Grieksche Helena, +Al moge uw gade ook Menelaüs zijn; +Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder +Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet. +Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk, +Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen; +En ware hìj naar zijnen rang gehuwd, +Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd; +Maar bedgenoot werd hem een beed’lares, +Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader; +En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam, +Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde, +En op zijn kroon hier oproer samenbracht. +Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots? +Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen; +Uit deernis met den zachten koning hadden +Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162 + +GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente, +En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei; +Dies legden we aan den vreemden stam onze aks; +En schoon de snede onszelf een weinig trof, +Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving, +Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld, +Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid. + +EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde, +En ik versmaad elk verder mondgesprek, +Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.— +Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen! +Dat zij ter zege of dood den weg ons banen! + +KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward! + +EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden! +Tienduizend levens kost dit twisten heden. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een slagveld bij Towton. + +Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op. + +WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop, +Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen; +De ontvangen slagen, weergegeven houwen +Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht; +En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten. + +(Edward komt in vliegende haast op.) + +EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij! +Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon. + +WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege? + +(George komt op.) + +GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop; +Doorbroken is ons heer en onheil naakt. +Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij? + +EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld; +En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan! + +(Richard komt op.) + +RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug? +Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed, +Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt; +En in den laatsten doodstrijd riep hij nog, +Dof als een onheilspellend ver gedreun: +„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!” +Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die +Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed, +Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22 + +WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed; +Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil. +Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen, +En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast; +En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel +Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak? +Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven, +Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets, +Aleer de dood deze oogen heeft geloken, +Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft. + +EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie, +En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!— +En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat, +Werp ik mijn oog en hart en hand tot U, +U, grooten koningsschepper en verdelger, +En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit, +Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,— +Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’, +Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’! +En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien, +’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde. + +RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick, +’k Omvange u met mijn moegestreden armen! +Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen, +Dat winter onze lentezon doet tanen. + +WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel! + +GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers; +Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden, +Hen noemen we onze pijlers; en aan hen +Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd +Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel. +Dit plant wellicht in lauwe harten moed; +Want hoop op leven is er en op zege.— +Niet meer gedraald; vooruit met alle macht! + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Schermutselingen. Richard en Clifford komen op. + +RICHARD. Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij. +Deze arm, denk dit, is voor den hertog York, +En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd, +Al waart ge omsloten van een bronzen muur. + +CLIFFORD. Nu, Richard, ben ik hier met u alleen. +Ja, deze hand doorstak uw vader York, +En deze hand versloeg uw broeder Rutland, +En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood, +En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder, +Den lust geeft om u evenzoo te rechten. +Dus: weer u! + + (Zij vechten. Warwick komt. Clifford vlucht.) + +RICHARD. Neen, Warwick, lees een ander wild u uit; +Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. 13 + + (Beiden af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op. + +KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd, +Als stervend donker kampt met groeiend licht, +Wanneer de herder, op zijn nagels blazend, +Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht. +Nu zwaait het dien weg, als een groote zee, +Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen, +Dan dezen weg uit, als dezelfde zee, +Teruggedreven door de macht des winds; +Nu wint de vloed den strijd en dan de wind, +Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst; +Beide om de zege worst’lend, borst aan borst, +Geen overwinnaar nog, geen overwonnen; +Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds. +Ik wil me op dezen molshoop nederzetten. +Waar God ze geven wil, daar zij de zege! +Want Margaretha heeft, en Clifford ook, +Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend, +Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt. +O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood! +Want wat is de aard, dan enkel leed en nood? +O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot, +Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder, +Te zitten op een heuvel als ik hier, +En zonnewijzers kunstig uit te snijden, +Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden, +Hoeveel er van te zaam een uur voltooien. +En hoeveel uren voor een dag verloopen, +Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is, +En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft. +En dan, is dit erkend, den tijd te deelen, +Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden, +En zooveel uren moet ik aan mijn rust, +En zooveel uur aan overdenking wijden, +En zooveel uren geven aan vermaak, +En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig, +En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren, +En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren; +Minuten, uren, dagen, maanden, jaren, +Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel, +En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf. +Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk! +Verleent het doornebosch niet aan den herder, +Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw, +Dan op den troon een rijkgestikte hemel +Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht? +O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet. +En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel, +Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch, +Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer, +Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet, +Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51 +Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker, +Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd, +Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren. + +(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het +lijk.) + +ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt! +De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg, +Kan licht een buidel kronen bij zich hebben; +En ik, die bij geluk hem die ontneem, +Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven, +Een ander afstaan, als de doode aan mij. +Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders, +Dien ik onwetend in den strijd versloeg! +O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt! +Men preste mij te Londen voor den koning; +Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick, +Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York; +En ik, die ’t leven eens van hem ontving, +Heb met mijn hand het leven hem benomen!— +Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;— +Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.— +Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg; +En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend! + +KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed! +Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren, +Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist. +Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan; +Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist, +Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer! + +(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn +armen.) + +VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt, +Geef mij uw goud, indien gij goud bezit; +Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen. +Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands? +O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!— +O kind, zoo er nog leven in u is, +Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen, +Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden, +Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!— +Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!— +O welke daden, gruw’lijk en moorddadig, +Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk, +Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!— +O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, +Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat! + +KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed! +O, dat mijn dood die gruw’len einden kon! +Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!— +De roode en witte roos zijn op zijn kaak, +Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98 +Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur, +Op de andere al te wel zijn bleeke wang; +Één roos verwelke, en moge de andre bloeien! +Geen strijd, die duizend levens doet verwelken! + +ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood, +Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd! + +VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon, +Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid! + +KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen, +Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd! + +ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd? + +VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid? + +KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd? +Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn. + +ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit. + + (De Zoon af met het lijk.) + +VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,— +Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht, +Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten. +Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt; +En even diepe rouw bedrijft uw vader +Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind, +Als Priamus om al zijn dapp’re zoons. +Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht +En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht. + + (De Vader af, met het lijk.) + +KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij, +Hier zit een koning, met meer wee dan gij. + +(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van +Wales en Exeter komen op.) + +PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden, +En Warwick raast als een getergde stier. +IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen! + +KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar +Berwick; +Edward en Richard,—als twee hazenwinden, +Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien, +Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len, +Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd, +Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen! + +EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak; +Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed; +Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit. + +KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137 +Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik +De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier! + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + +Aldaar. + +Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond. + +CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij, +Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen. +O Lancaster! nu vrees ik uwen val, +Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel! +Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden, +Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging, +Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York. +Waar vliegen muggen heen, dan in de zon? +En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders? +O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend, +Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende, +Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid! +En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht, +Gelijk uw vader en zijn vader deden, +En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven, +Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen; +Ik en tienduizend in dit arme rijk, +Wij lieten thans geen droeve weeuwen na, +En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon. +Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht? +En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?— +Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden. +Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer! +De vijand kent geen deernis, geen erbarmen, +Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen! +De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in, +En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.— +Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders; +Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders! + +(Hij bezwijmt.) + +(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague, +Warwick en Troepen komen op.) + +EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk +Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd +Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.— +Een deel vervolg’ de felle koningin; +Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning, +Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind, +Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen. +Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood? + +WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is; +Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,— +Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf; +En, waar hij zij, voorzeker is hij dood. + + (Clifford steunt en sterft.) + +EDWARD. Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? 42 + +RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood. + +EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu +’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend. + +RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t; +Die niet tevreden, dat hij zulk een tak +Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef, +Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg, +Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,— +Ik meen, aan onzen hoogen vader York. + +WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af, +Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant; +En neme zijne plaats dit hoofd nu in, +Want maat voor maat moet de vergelding zijn. + +EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis, +Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste; +Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied, +En de onheilstaal van zijne tong verstomde. + +(Het lijk wordt naar voren gedragen.) + +WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.— +Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?— +’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht; +Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen. + +RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet; +Het is misschien een list, zich dood te veinzen, +Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga, +Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed. + +GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden. + +RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis. + +EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs! + +WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld! + +GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken. + +RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York. + +EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u. + +GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde. + +WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht. + +RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford +Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78 +Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God! +Kon ik hem zoo twee uren levens koopen, +Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen, +Ik hakte mij de hand af en verstikte +Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst +Noch York noch jonge Rutland konden lesschen. + +WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af, +En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat. +En nu naar Londen voorwaarts in triomf, +En laat tot Englands koning fluks u kronen. +Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over, +En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin. +Zoo knoopt gij beide landen innig saam, +En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand, +Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan; +Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan, +Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen. +Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek +Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk +Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt. + +EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick; +Want op uw schouders bouw ik mijnen troon, +En nimmer onderneem ik een’ge zaak, +Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.— +Richard, tot hertog maak ik u van Gloster, +George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf, +Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt. + +RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster; +Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil. + +WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet +Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen, +Daar al onze eer nu in bezit genomen! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een jachtveld in Noord-Engeland. + +Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte, +Want op deze open plek komt steeds het wild; +Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht, +En lezen zoo het schoonste hert ons uit. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog +Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot. +Neen, samen staan wij hier en doen ons best. +En om den tijd van ’t wachten u te korten, +Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats, +Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd. + +(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.) + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij +is. + +KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13 +Om liefdevol mijn eigen land te groeten. +Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u, +Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen, +Die balsem, die u heiligde, afgewischt; +Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen, +Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen, +Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken; +Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan? + +EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont; +De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten. + +KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen; +Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd! + +EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren. + +KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp; +En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik, +Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster +Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo, +Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite; +Want Warwick is een schrander redenaar, +En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk. +Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen; +Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard; +Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst, +Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38 +Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht, +En Nero wordt geroerd van deernis, als hij +Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet. +’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven; +Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen, +Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward. +Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet; +Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond; +Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart, +Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt, +En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind +Den koning overreedt, haar niet te hooren, +Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen, +Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot. +Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme +Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen +En koninginnen praat? 55 + +KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest; +Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn? +En van een koning mag een mensch toch praten? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt. + +KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon? + +KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd, +Met Indische edelsteenen niet bezet, +Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid, +Een kroon zooals een koning zelden draagt. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan +Nu met uw kroon tevredenheid tevreden +En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij +De koning, afgezet door koning Edward; +En wij, onze’ eed als onderdanen trouw, +Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt. + +KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet. + +KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn. + +KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning, +Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren; +Gezworen onderdanen waart gij mij; +En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken? + +EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen; +Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart. + +KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch? +Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert! +Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas, +En de adem van den wind het mij terugblaast, +En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas, +En ook weer toegeeft, als een ander blaast, +Steeds door de sterker strooming meegevoerd, +Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89 +Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde +Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn. +Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last; +Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward. + +KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn, +Als hij op koning Edward’s troon weer zat. + +EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede; +Gij moet met ons naar zijn beambten gaan. + +KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings +Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond; +En wat God wil, dat moge uw koning doen; +In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken. + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op. + +KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe +Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag +Van Sint-Albaans gevallen en zijn land +Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar. +Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land, +Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen, +Omdat de waardige edelman zijn leven +Verloor bij ’t strijden voor het huis van York. + +GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan; +Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren. + +KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo? +De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan, +Aleer de koning haar verzoek wil toestaan. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed +het spoor! + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu! + +KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw, +Kom dus een andermaal het antwoord hooren. + +LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden; +’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven, +En wat u zal behagen is mij goed. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw +land, +Indien wat hem behaagt, u wel bevalt. +Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij +niet valt. 24 + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor +hem! + +KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg? + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind +van haar. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er +twee. + +LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer. + +GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft. + +KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen. + +LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun. + +KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje +toetsen. + +GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten, +Tot u de jeugd verlaat en krukken laat. + +(Gloster en Clarence treden terug.) + +KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief? + +LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb. + +KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt? + +LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten. + +KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal. + +LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit. + +KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven. + +LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten. + +KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf? + +LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan. + +KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag. + +LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag. + +KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil. + +LADY GREY. Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. 49 + +GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen +holt den steen. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was +wel smelten. + +LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten? + +KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen. + +LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan. + +KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer. + +LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen. + +(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.) + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het +zegel. + +KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten. + +LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst. + +KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin; +Om welke liefde meent gij, dat ik smeek? + +LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden, +Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft. + +KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet. + +LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht. + +KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn. + +LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch +Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta. + +KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats. + +LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker. + +KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet. + +LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed; +Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen. + +KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort. + +LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort. +Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim +Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek; +Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”. + +KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede; +Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch. + +LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81 + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de +wenkbrauw. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo +plomp het hof. + +KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik; +Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord; +Zoo schoone gaven eischen vorstenrang; +Een koning is zij waardig, zus of zoo, +’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.— +(Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam? + +LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen; +Ik deug als onderdaan misschien tot scherts, +Maar nimmer toch om koningin te zijn. + +KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon, +Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent; +Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten. + +LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil. +Ik weet, ik ben te laag voor koningin, +Maar toch te goed voor liefje van een koning. + +KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin. + +LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons +U vader gingen noemen. + +KONING EDWARD. Neen, niet meer, +Dan zoo u mijne dochters moeder noemen. +Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk; +En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel, +Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak, +De vader van een tal van zoons te zijn. +Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht +gehoord. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list +aan ’t woord. + +KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken? + +GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken. + +KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos? + +CLARENCE. Voor wien, mylord? + +KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf. + +GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. + +CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt. + +GLOSTER. Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. 114 + +KONING EDWARD. Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u, +Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt. + +(Een Edelman komt op.) + +EDELMAN. Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat, +En als gevang’ne hier voor uw paleis. + +KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;— + + (De Edelman af.) + +En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft, +Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.— +Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere. + + (Allen af, behalve Gloster.) + +GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.— +Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles, +Opdat geen groene spruit uit zijne lenden +Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag! +Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,— +Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,— +Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward, +En al hun onverhoopte lijflijke erven, +En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is; +Een killende overweging bij mijn plan! +Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk, +Als een, die op een voorgebergte staat +En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht, +En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog, +De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt, +Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen; +Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon, +En kijf op al wat mij van haar terughoudt, +En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen, +En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is. +Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest, +Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren. +Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard, +Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan? +Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot, +In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re +De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;— +Armzalige inval, minder nog bereikbaar, +Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen! +De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf; +En, opdat ik haar zachte wet zou derven, +Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht +Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len +Gelijk een dorre struik, om op mijn rug +Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid +Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt; +Om mij de beenen ongelijk te vormen, +Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden, +Als aan een warklomp of een berenwelp, +Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt. +En ben dan ik een man, die liefde wekt? +O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164 +Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt +Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen, +Die schooner van gestalte zijn dan ik, +Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen, +En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen, +Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd +Omtuind is van een glorierijke kroon. +Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang, +Want vele levens scheiden mij van ’t doel. +Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,— +De dorens scheurend, zelf er door geschramd,— +Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert, +Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt, +Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,— +Zoo martel ik mij af om Englands kroon; +En van die mart’ling wil ik mij bevrijden, +Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks. +Glimlachen kan ik en glimlachend moorden, +En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft, +En kunstig mijn gelaat met tranen vochten, +Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds. +’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf, +Meer kijkers dooden dan de basilisk, +Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen, +Bedriegen, fijner dan Ulysses deed, +Een Sinon zijn en nog een Troje nemen; +Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen, +Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs; +Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;— +En zou een kroon mij onbereikbaar zijn? +Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn! + + (Gloster af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Een staatsievertrek in het koninklijk paleis. + +Trompetgeschal. Koning Lodewijk en prinses Bona komen op, met Gevolg. +De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin Margaretha, +Prins Edward en de Graaf van Oxford. + +KONING LODEWIJK (opstaande). Doorluchte, schoone koningin van England, +Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst, +Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit. + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, groote koning, Margaretha moet +Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen, +Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte +’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd, +Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden, +Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet +Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu, +En ik mij schikken in mijn lage plaats. + +KONING LODEWIJK. Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis? + +KONINGIN MARGARETHA. Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult, +Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt. + +KONING LODEWIJK. Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, 15 +En zet u naast ons. (Beiden gaan zitten.) Buig den nek toch niet +Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave +Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort; +Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed; +Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed. + +KONINGIN MARGARETHA. Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest +En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken. +Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust, +Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart, +In plaats van koning nu een vlucht’ling is, +In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet, +Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York, +Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd +Van Englands echtgezalfden, rechten koning. +Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha, +Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon, +Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend; +Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop; +Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet; +In England zijn èn pairs èn volk verleid, +De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid; +En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid. + +KONING LODEWIJK. Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm, +Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken. + +KONINGIN MARGARETHA. Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand. + +KONING LODEWIJK. Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp. + +KONINGIN MARGARETHA. O, ongeduld verzelt steeds waren kommer; +En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan. + +(Warwick komt op, met Gevolg.) + +KONING LODEWIJK. Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon? + +KONINGIN MARGARETHA. De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend. + +KONING LODEWIJK. Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons? + +(De Koning komt van den troon af. Koningin Margaretha staat op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wee! nu begint een tweede storm te woeden; +Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht! + +WARWICK. De roemrijke Edward, koning thans van Albion, +Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend, +Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde, +Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten, +Voorts aan te dringen op een vriendschapsband, +En dan nog, om die vriendschap te versterken, +Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen, +Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona, +Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden. + +KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58 + +WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege +Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig +De hand u kussen en u met mijn tong +Den gloed beschrijven van mijns meesters hart, +Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend, +Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd. + +KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan, +Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek +Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde, +Alleen uit arglist, door den nood verwekt; +Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis, +Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt? +Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk, +Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven, +Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon. +Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt, +Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd; +Want een geweld’naar moge een wijle heerschen, +God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit. + +WARWICK. Smaadzieke Margaretha! + +PRINS. Waarom niet koningin? + +WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij +Zoo min een prins, als zij een koningin. + +OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent, +Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet, +En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik, +Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs, +En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik, +Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd; +Van deze reeks stamt onze Hendrik af. + +WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede +Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik +Al wat de vijfde Hendrik won, verloor? +Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier +De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij +Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets +Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten. + +OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij +Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft, +En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen? + +WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98 +Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms? +Laat Hendrik varen en noem Edward koning. + +OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis +Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere, +Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader, +En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds +Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had? +Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft, +Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster. + +WARWICK. En ik aan ’t huis van York. + +KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford, +Op ons verzoek een poos ter zij te treden, +Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek. + +KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’! + +(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.) + +KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af, +Is Edward waarlijk koning, want ik knoop +Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst. + +WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is. + +KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks? + +WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had. + +KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk +De mate van de liefde, die hij voedt +Voor onze zuster. + +WARWICK. Zoo doet die zich voor, +Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt. +Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren; +Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde, +Die in den grond der deugd haar wortels heeft, +Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid. +Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen, +Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’. + +KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren. + +BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn; +(Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds, +Als ik uws konings gaven hoorde roemen, +Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte. + +KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade; +En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen +Omtrent den weduwschat, dien England toekent, +Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.— +Treed nader, koningin, en wees getuige, +Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning. + +PRINS EDWARD. Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. 140 + +KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan, +Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken; +Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend. + +KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha; +Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak, +Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken, +Dan is het billijk, dat ik van de hulp +Ontheven zij, voorheen u toegezegd. +Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst, +Dien gij behoeft en ik verleenen kan. + +WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland, +Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan. +En gij, gewezen koningin van England, +Hebt hier uw vader om voor u te zorgen; +Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen. + +KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg, +Gij trotsche koningsschepper en verdelger! +Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen, +Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon, +Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde; +Want vogels zijt ge beî van eender veeren. + +(Horengeschal.) + +KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over, +Van uwen broeder, markgraaf Montague;— +(Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;— +(Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien. + +(Allen lezen hun brieven). + +OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres +Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt. + +PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld; +Ik hoop er ’t beste van. + +KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek! +Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin? + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop. + +WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer. + +KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174 +En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen +En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant? +Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt? +En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen? + +KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld; +Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer. + +WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel, +En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik +Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,— +Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert, +Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag. +Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York +Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden? +Gezwegen bij de onteering van mijn nicht? +Zijn hoofd omgeven met de koningskroon? +Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken? +En word ik in het eind met schimp beloond? +Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt, +Die hij mij roofde; en om die weer te winnen, +Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik. +Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok; +Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar. +Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik, +En Hendrik breng ik op zijn ouden troon. + +KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde; +En ik vergeef, vergeet alle oude schuld, +Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt. + +WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend, +Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen +Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan, +Ik op mij neem, op onze kust te landen, +Door krijg den dwing’land van den troon te storten. +Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat; +En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt, +Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken, +Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer, +Dan veiligheid of sterkte van ons land. + +BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden, +Zoo gij deze arme koningin niet steunt? + +KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven, +Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt? + +BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een. + +WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses. + +KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha, +Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste +Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt. + +KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken. + +KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222 +Den valschen Edward, uw vermeenden koning, +Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, +Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len. +Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee. + +BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar +Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans. + +KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd +En sta gereed, het harnas aan te gespen. + +WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, +En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt. +Hier, neem uw loon, en ga! + + (Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.) + +KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij, +En Oxford, en vijfduizend man met u, +Steekt over en bestrijdt den valschen Edward; +En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe, +Alsook de prins, met versche troepen volgen. +Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op: +Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw? + +WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw: +Indien mijn koningin en prins het willen, +Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter, +Terstond met hem door heil’gen echt verbinden. + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel. +Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon; +Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick, +En met de hand uw onverbreek’lijk woord, +Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt. + +PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het; +En hiervoor zij mijn hand het onderpand. + +(Hij reikt aan Warwick de hand.) + +KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam, +En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks, +Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.— +Zij nederlaag en dood nu Edwards lot, +Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot! + + (Allen af, behalve Warwick.) + +WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier, +Doch ga terug als zijn gezworen vijand. +Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len, +Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek. +Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen? +Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed. +Ik was de man, die hem ten troon verhief; +Ik wil de man zijn, die hem vallen doet. +Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel, +Doch straffen wil ik Edwards guichelspel. + + (Warwick af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op. + +GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u +Van dezen nieuwen echt met lady Grey? +Kon onze broeder beter keuze doen? + +CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk; +Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was? + +SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning. + +GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw. + +CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk. + +(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als +koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.) + +KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus, +Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd? + +CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick, +Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed, +Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden. + +KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond, +Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward, +Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16 + +GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt; +Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best. + +KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel? + +GLOSTER. Neen, neen, ik niet; +Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen, +Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het +Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast. + +KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin, +Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey +Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;— +En gij ook, Somerset en Montague, +Zegt ronduit uwe meening. + +SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk +Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek +Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid. + +GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht, +Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33 + +KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen +Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk? + +MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk, +Ons tegen vreemde stormen meer versterkt, +Dan eenige echt met een landsdochter doet. + +HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England +Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf? + +MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog. + +HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd! +Laat ons door God en van de zee gedekt zijn, +Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk; +Verweren wij ons enkel met hun hulp; +In hen en in onszelf ligt onze kracht. + +CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings, +De erfdochter van lord Hungerford te erlangen. + +KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst; +En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil. + +GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed, +Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw +De erfdochter weg te schenken van lord Scales; +Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe; +Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap. + +CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon +Lord Bonville’s erfgename niet bestemd, +En zoo uw broeders elders laten uitzien. + +KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw, +Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen. + +CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel; +Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund, +Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed; +En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten. + +KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn +En niet gebonden aan zijns broeders wil. + +KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde, +Mij als zijn gade vorstenrang te schenken, +Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,— +Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren +Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt. +Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert, +Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte, +Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed. + +KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75 +Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen, +Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend +En hun monarch is, wien zij moeten dienen? +Zij zullen ’t doen en u beminnen ook, +Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft; +En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds, +En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen. + +GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer. + +(Een Bode komt op.) + +KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten +Uit Frankrijk? + +BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden, +Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen, +Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt. + +KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort, +Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord. +Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven? + +BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid: +„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning, +„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, +„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.” + +KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik. +Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt? + +BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid: +„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar +„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.” + +KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen; +Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade? +Want naar ik hoorde, was zij mede daar. + +BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af, +„En sta gereed, het harnas aan te gespen.” + +KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen. +Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon? + +BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit +Dan al die and’ren, gaf mij dit in last: +„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, +„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.” + +KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112 +Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe, +En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots. +Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha? + +BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap, +Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt. + +CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste. +Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast; +Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter, +Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk, +In huwlijksglans voor u niet onderdoe.— +Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij. + + (Clarence af, gevolgd door Somerset.) + +GLOSTER (ter zijde). Niet ik; +Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik +Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon. + +KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over! +Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend; +Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.— +Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers; +Rust alles duchtig tot den oorlog toe. +Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn; +Ikzelf zal in persoon terstond u volgen. + + (Pembroke en Stafford af.) + +Doch voor ik ga, Hastings en Montague, +Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren, +Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na; +Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij? +Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem; +Een vijand is mij liever dan een schijnvriend; +Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden, +Zoo geve een eed van u mij zekerheid, +Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’! + +MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft! + +HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht. + +KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons? + +GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant. + +KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker. +Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen, +Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen! + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een vlakte in Warwickshire. + +Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen. + +WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed; +In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe. + +(Clarence en Somerset komen op.) + +Doch zie, daar komen Somerset en Clarence! +Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden? + +CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor. + +WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom; +Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid, +Argwaan te koest’ren, als een edel hart +Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt; +’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder, +Is een geveinsde vriend slechts van ons doen; +Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.— +Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld, +Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd, +Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid, +En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft, +Hem te overromp’len en naar wensch te vatten? +’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij, +Gelijk Ulysses en held Diomedes +Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen +En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden, +Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld, +De wacht van Edward onvoorziens verslaan, +Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden, +Want enkel hem verrassen is mijn doel.— +Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt, +Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam! + +ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik! + +WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte! +Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Edwards legerkamp bij Warwick. + +Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op. + +EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post; +De koning heeft zich reeds gezet tot slapen. + +TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed? + +EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan, +Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten, +Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is. + +TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn. +Als Warwick zoo nabij is als men zegt. + +DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman, +Die met den koning in zijn tent hier slaapt? + +EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings. + +DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning, +Dat al zijn volk schier in de steden ligt, +Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14 + +TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer. + +DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust; +Die heb ik liever dan gevaar en eer. +Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan, +Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou. + +EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden. + +TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent, +Dan om een overval bij nacht te keeren! + +(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle +stilte.) + +WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht. +Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer! +Volgt mij slechts en terstond is Edward ons. + +EERSTE WACHTER. Wie daar? + +TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft! + +(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de +Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de +Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder +getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in +nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men +Gloster en Hastings vluchten.) + +SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten? + +WARWICK. Richard is ’t, +Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog. + +KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden, +Heette ik uw koning! + +WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders. +Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan, +Toen heb ik u als koning afgezet, +En thans benoem ik u tot hertog York. +Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren, +Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert, +Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt, +Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt, +Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt, +Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt. + +KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij? +Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.— +Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot, +Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen, +Zal Edward steeds als koning zich gedragen; +Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver, +Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad. + +WARWICK. Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48 + +(Hij neemt hem de kroon af.) + +Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen +En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.— +Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg, +Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder, +Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd. +Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden, +Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord +Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.— +En nu vaarwel, mijn waarde hertog York. + +KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad; +En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat. + + (Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.) + +OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords, +Dan met ons heer naar Londen op te rukken? + +WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen, +Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden, +En weer te plaatsen op zijn koningstroon. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koningin Elizabeth en Rivers komen op. + +RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig? + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren, +Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof? + +RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick? + +KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon. + +RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood? + +KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen, +Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried, +Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep; +En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede +Des aartsbisschops van York is toevertrouwd, +Die Warwick’s broeder is en dus ons haat. + +RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag; +Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren; +Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren. + +KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren; +Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre, +Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot; +Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len, +Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20 +Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug, +En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou; +Licht ware traan of zuchten ten verderve +Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve! + +RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu? + +KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt, +En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil. +Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt. +Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,— +Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,— +IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats +En red den erfgenaam van Edwards recht; +Daar ben ik veilig voor geweld en list. +Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is; +Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis. + + (Beiden af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een park bij het slot Middleham in Yorkshire. + +Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op. + +GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley, +Verbaast u langer niet, dat ik hierheen +In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde. +Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward +Is als gevang’ne bij den bisschop hier, +Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt, +Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt, +Zich met de jacht vermakend, hierheen komt. +’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd, +Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt, +Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken, +Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt +En zijn gevangenschap verbreken kan. + +(Koning Edward en een Jager komen op.) + +JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild. + +KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.— +Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren, +Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen? + +GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed. +Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed. + +KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu? + +HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren. + +GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan. + +KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden. + +GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd. + +KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan? + +JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen. + +GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud! + +KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak, +En bid, dat God mij weder koning maak’. + + (Allen af). + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Een vertrek in den Tower. + +Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford, +Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op. + +KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden +Edward gebonsd is van den koningstroon, +En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid, +Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek, +Wat loon bij onze slaking u wel toekomt! + +SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren; +Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag, +Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit. + +KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen? +Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen, +Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn; +Ja, een genot, zooals de vogel smaakt, +Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust, +In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied, +’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.— +Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd, +Ontvang daarom, na God, mijn besten dank; +Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;— +Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne, +Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert, +En niet het volk van dit gezegend land +Getuchtigd worde met mijn boos gesternte, +Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’, +Geef ik aan u het landsbestuur hier over, +Want u geleidt geluk bij al uw doen. + +WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd, +Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam, +Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt; +Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren; +Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,— +Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven. + +CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig, +Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte +De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde, +Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt; +En daarom geef ik willig u mijn stem. + +WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector. + +KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38 +Vereent uw handen, en daarmee uw harten, +Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’; +Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk, +Opdat ikzelf, gelijk een burger levend, +Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde, +Mijn Schepper love en booze zonde mijde. + +WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil? + +CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe; +Want op uw goed geluk verlaat ik mij. + +WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen. +Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw +Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen. +’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind, +Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust. +En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig, +Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad +En al zijn land en goed verbeurdverklaren. + +CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len. + +WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat. + +KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht +Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;— +Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward, +Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren; +Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees +De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd. + +CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed. + +KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap, +Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt? + +SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond. + +KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop. + +(Hij legt hem de hand op het hoofd.) + +Indien geheime machten echte waarheid +Inblazen aan mijn verrezienden geest, +Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen. +Zijn blik is vol van kalme majesteit, +Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen, +Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf +Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren. +Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat +Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad. + +(Een Bode komt op.) + +WARWICK. Wat meldt gij, man? + +BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt, +En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië. + +WARWICK. Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80 + +BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings +Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied, +In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud, +En aan des bisschops jagers hem ontrukt; +Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf. + +WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.— +Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen, +Om elke wond, die voorkomt, te genezen. + + (Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.) + +SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp; +Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië, +En dan ontstaat er even wis weer krijg. +Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart +Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond, +Thans is ’t beangst om wat in deze twisten +Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil. +Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen, +Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan, +Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan. + +OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon, +Licht deelde Richmond in der and’ren loon. + +SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed; +Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed. + + (Allen af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Voor York. + +Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen. + +KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren, +Tot dusver maakt het lot ons alles goed, +En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat +Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon. +Wij staken tweemaal nu de zee goed over, +Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend; +Wij kwamen van de haven Ravensburg +Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig, +Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad? + +(Hastings klopt aan de poort.) + +GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet; +Voor menigeen is struik’len aan den drempel +Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert. + +KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken; +Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij; +’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen. + +HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen. + +(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op +den muur.) + +MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17 +Uit zorg voor onze veiligheid de poort, +Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig. + +KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft +Steeds Edward voor het minst hertog van York. + +MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen. + +KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom, +Waarmede ik gansch en al tevreden ben. + +GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen, +Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt. + +HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor? +Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden. + +MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open. + + (De Mayor en Raadsleden boven af.) + +GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed! + +HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat, +Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij, +Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij +Hem en geheel zijn raad tot rede brengen. + +(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.) + +KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten, +Dan in de nacht of als er oorlog is. +Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af; + +(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.) + +Want Edward is ’t, die u, uw stad en al +Wie mijne zijde kiest, beschutten zal. + +(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.) + +GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery, +Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend. + +KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend? + +MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd, +Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt. + +KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog +Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen +Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt. + +MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug; +Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.— +De trom geroerd en weder afgetrokken! + +(De trommen beginnen een marsch te slaan.) + +KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen, +Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen. + +MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53 +Zoo gij hier niet tot koning u verklaart, +Dan laat ik hier u over aan uw lot, +Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen. +Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt? + +GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden? + +KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn; +Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen. + +HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard! + +GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon. +Wij roepen, broeder, nu terstond u uit; +’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan. + +KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht, +En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan. + +MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf; +En nu ook wil ik Edwards strijder zijn. + +HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.— +Hier kameraad, lees gij de proclamatie. + +(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.) + +SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van +Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.” + +MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht, +Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht. + +(Hij werpt zijn handschoen neder.) + +ALLEN. Lang leve Edward de vierde! + +KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank! +Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde. +Laat ons in York deze eene nacht verwijlen; +En als de morgenzonne weer haar kar +Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet, +Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang, +Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.— +O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan, +Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen! +Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.— +De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet; +En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt! + + (Allen af.) + + + + + + +ACHTSTE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en +Oxford komen op. + +WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward +Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders, +De smalle zee in veiligheid doorkliefd, +En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen +En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe. + +KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan. + +CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden; +Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet. + +WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden, +In vrede rustig, leeuwen in den krijg; +Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u, +En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent +De ridders op, heel de’ adel, u te volgen; +Gij, broeder Montague, in Buckingham, +Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis +Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;— +Gij, dappere Oxford, wondervol bemind +In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.— +Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar +Omgeven, als zijn eiland van de zee, +Of als de kuische jachtgodin van nymfen, +In Londen blijven, tot wij wederkeeren.— +Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet. +Vaarwel, mijn vorst en heer. + +KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop. + +CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand. + +KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig! + +MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer. + +OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw; +vaarwel! + +KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague, +Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel. + +WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats. + + (Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.) + +KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten. +Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij? +Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft, +Is niet in staat, de mijne te weerstaan. + +EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt. + +KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd. +’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten. +Geen beden uitgesteld van dag tot dag; +Mijn deernis was een balsem voor hun wonden, +Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer, +Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed; +Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig, +Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten, +Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft. +Waarom zou Edward hun dus liever zijn? +Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg; +En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd, +Dan loopt het lam hem immer achterna. + +(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”) + +EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw? + +(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.) + +KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg; +En roept ons weder uit tot Englands koning.— +Gij zijt de bron, die kleine beken voedt; +Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op, +En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.— +Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken. + + (Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.) + +En, lords, naar Coventry ons nu gespoed, +Waar de op gezag beluste Warwick staat. +Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi, +’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi. + +GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt +Den grootgeworden landverrader plots’ling; +Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor Coventry. + +Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee +Boden en Anderen. + +WARWICK. Waar is de bode van den dapp’ren Oxford? +Hoe ver is nog uw meester, goede vriend? + +EERSTE BODE. Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen. + +WARWICK. Waar is de man, die Montague ons zond?— +Hoe ver is onze broeder Montague? + +TWEEDE BODE. Nu reeds te Daintry, met een groote macht. + +(Sir John Somerville komt op.) + +WARWICK. Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon? +En hoe nabij is Clarence, naar gij gist? + +SOMERVILLE. ’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam; +Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier. + +(Men hoort getrommel.) + +WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11 + +SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.) +Southam ligt daar; +’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick. + +WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden? + +SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten. + +(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun +troepen.) + +KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud. + +GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten. + +WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier? +Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om, +Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren? + +KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen? +Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie, +Noem Edward koning, vraag van hem genade, +En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad. + +WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan? +Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen; +Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig, +En blijven zult ge en zijn, hertog van York. + +GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen; +Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem? + +WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk? + +GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral; +Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave. + +WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk. + +KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave. + +WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot; +Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug; +Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar. + +KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne; +En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord: +Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt? + +GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42 +Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht, +Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd! +Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops; +Tien tegen een, thans woont hij in den Tower. + +KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick! + +GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel! +Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt. + +WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen +En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat, +Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk. + +KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,— +De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar, +En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd +Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven: +De windhaan Warwick draait nu nimmermeer. + +(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt! + +OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster! + +(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons! + +KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen. +Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig +De poort uit om een slag ons aan te bieden; +Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij +Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten. + +WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp. + +(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster! + +(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad +Betalen met uw dierbaarst hartebloed. + +KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege; +En overwinning, heil spelt mij mijn hart. + +(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster! + +(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij, +Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven, +Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt. + +(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76 +Met macht genoeg om Edward aan te grijpen! +Hem geldt een edele ijver voor het recht +Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.— + +(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met +hem.) + +Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept. + +CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick? + +(Hij neemt de roode roos van den hoed.) + +Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe; +Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot +Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val; +’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick, +Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk, +Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst, +Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren? +Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor? +Het houden van dien eed waar’ goddeloozer +Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte. +Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp, +Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen, +Mij uw gezworen vijand hier verklaar, +En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,— +En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,— +U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen. +Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug, +En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.— +Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen; +Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd; +Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig. + +KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind, +Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend! + +GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin. + +WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig! + +KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij? +Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd? + +WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer! +Ik trek terstond van hier naar Barnet op; +Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft. + +KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.— +Lords, naar het veld! Sint George en overwinning! + + (Getrommel. Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een slagveld bij Barnet. + +Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar +verwonden Warwick. + +KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u; +Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.— +Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans; +Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm! + + (Koning Edward af.) + +WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom, +En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick? +Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam, +Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont, +Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet, +En door mijn val de zege aan mijnen vijand. +Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen +De koningsarend schutse vond, wiens schaduw +Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin +Neêrzag op Jupiters verkoren boom +En struikjes hoedde voor des winters vlagen. +Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood, +Was eens doordringend als de middagzon, +Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd; +De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed, +Zijn vaak met koningsgraven vergeleken; +Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven? +Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste? +Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed! +Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had, +Begeven mij; van al mijn landbezit +Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam. +O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer? +Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer. + +(Oxford en Somerset komen op.) + +SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij, +O, dan herwonnen we al, wat wij verloren! +Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin +Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten! + +WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague, +Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand, +En houd mijn ziel terug met uwe lippen! +Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen +Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat +Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat. +Kom spoedig, Montague, of ik ben dood. + +SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit, +En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick, +En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.” +Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer, +Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf +En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst +Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte: +„Vaarwel, mijn Warwick!” + +WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords; +Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven! + + (Hij sterft.) + +OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin! + + (Beiden af, met Warwick’s lijk.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het slagveld. + +Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence, +Gloster en de Overigen. + +KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen, +En sieren zegekransen ons het hoofd. +Doch in den middagglans van dezen dag +Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt +En strijden wil met onze gouden zon, +Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt; +Mylords, de strijdmacht, die de koningin +In Gallië samenbracht, is reeds geland, +Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd. + +CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk, +En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam; +Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen; +Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui. + +GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend; +Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;— +Kan zij op adem komen, wees verzekerd, +Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze. + +KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht, +Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury. +Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht, +Terstond daarheen, want ijver kort den weg; +En onderweg groeit onze macht wis aan +In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.— +De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit! + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een vlakte bij Tewksbury. + +Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en +Soldaten komen op. + +KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords, +Geen wijze zit en jammert om verliezen; +Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van. +Zij ook de mast ons overboord gewaaid, +De kabel middendoor, het anker weg, +En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden, +Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij +Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje +Met vochtige oogen vocht giet bij de zee, +En dat versterkt, wat al te sterk reeds is, +Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed +En vlijt kon redden, op de klippen stoot? +O welk een schande, welk een schuld waar’ dit! +Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog? +En Montague de bramsteng,—wat dan verder? +Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu? +Is Oxford hier ons niet een ander anker, +En Somerset een and’re goede mast, +En onze Fransche vrienden want en tuig? 18 +Kan ik met Edward niet, schoon onervaren, +Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods? +Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen; +Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip +Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen. +Of gij de baren hoont of prijst, is een. +En wat is Edward dan een booze zee? +En Clarence dan een drijfzand vol bedrog? +En Richard dan een dood’lijk scherpe rots? +Die allen zijn onze arme hulk vijandig. +Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang; +Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in; +Omklem de rots, de vloed spoelt u er af, +Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood. +Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat, +Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten, +Niet meer genade bij de broeders vindt, +Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen. +Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten, +Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees. + +PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest, +Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde, +Zijn borst vervullen van een heldenmoed, +Om naakt een man in waap’nen te verslaan. +Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u; +Want als ik iemand hier van vrees verdacht, +’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan, +Opdat hij in den nood geen ander aansteek’ +En van denzelfden geest doe zijn als hij. +Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!— +Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is. + +OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,— +En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.— +O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde +Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang +En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie! + +SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil, +Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag, +Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing. + +KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank! + +PRINS. Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59 + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij, +Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld! + +OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan; +Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden. + +SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed. + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien. + +OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet. + +(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence +komen op, met troepen). + +KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het +doornenwoud, +Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht, +Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen. +’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen, +Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.— +Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords! + +KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik +zeggen wilde, +Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord, +Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken. +Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne +Zijns vijands, overweldigd is zijn troon, +Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord, +Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd; +En ginder is de wolf, die dit bedreef. +Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords, +Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht! + + (Beide legers af). + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan +komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin +Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen. + +KONING EDWARD. Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde. +Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham; +En Somerset, het schuldig hoofd hem af! +Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren. + +OXFORD. Ik zal u niet met woorden lastig vallen. + +SOMERSET. Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft. + +KONINGIN MARGARETHA. Wij scheiden treurig in dit jammerdal; +Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde. + + (Oxford en Somerset af, met een wacht). + +KONING EDWARD. Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt, +Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven? + +GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11 + +(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.) + +KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.— +Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken? +Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven +Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken, +En al den verd’ren last, dien gij mij deedt? + +PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York, +En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt: +Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta, +Terwijl ik u dezelfde vragen stel, +Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij. + +KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest! + +GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen, +En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt. + +PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len; +Hier passen zulke hondsche raadsels niet. + +GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord. + +KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn. + +GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong! + +PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond. + +KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong. + +CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid. + +PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten; +Wellustige Edward,—eedvergeten George,— +En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen: +Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij, +En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne. + +KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar! + +(Hij doorsteekt hem.) + +GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht! + +(Hij doorsteekt hem.) + +CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht! + +(Hij doorsteekt hem.) + +KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij! + +GLOSTER. Voorwaar, terstond! 42 + +(Hij richt het zwaard op haar). + +KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel. + +GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen? + +KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en +broeder van mij; +Een zaak van groot belang roept mij naar Londen; +Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws. + +CLARENCE. Wat? wat? + +GLOSTER. De Tower! de Tower! + + (Gloster af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap! +Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars! +Die Cæsar doodden, deden geenen moord, +Misdreven niets, verdienden geen berisping, +Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld; +Hij was een man en dit een kind bij hem; +Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt. +Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme? +Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek; +En spreken wil ik, dat het hart mij berste.— +Slachters en schurken! wreede kannibalen! +Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid! +Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die, +Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd; +Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan +Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien, +Als, beulen, dezen jongen prins door u! + +KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg! + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af! +Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u. +Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het. + +CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken. + +KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het. + +CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen. + +KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken; +Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen. +Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter, +De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij? +Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven; +Een smeekgebed om moord wijst gij niet af. + +KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier! + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82 + + (Koningin Margaretha wordt weggevoerd.) + +KONING EDWARD. Waar is nu Richard heen? + +CLARENCE. Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij +Daar in den Tower een bloedig avondmaal. + +KONING EDWARD. Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt. +Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk +Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen, +En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt; +Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij. + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in den Tower. + +Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van +den Tower staat naast hem. Gloster komt op. + +GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept? + +KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”; +Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”; +Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”, +Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”. + +GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken. + + (De Slotvoogd af.) + +KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf; +Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol +En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.— +Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? + +GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om; +De dief vermoedt in elke ruigte een rakker. + +KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd, +Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik; +Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong, +Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling +Gelijmd door werd, gevangen en gedood. + +GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta, +Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde! +Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas. + +KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus, +Uw vader Minos, die den weg ons afsloot, +Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen +De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee, +Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden. +O, dood mij met uw wapen, niet met woorden; +Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits, +Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel. +Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven? + +GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul? + +KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker; +Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk, +Dan, zeker, zijt ge een beul. 33 + +GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal. + +KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood, +Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden. +En zoo voorspel ik: vele duizend zielen, +Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen, +En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten, +En veler weezen óverstroomend oog,— +Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden, +En weezen om der oud’ren vroegen dood,— +Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt. +Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken; +De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend; +Storm loeide en velde boomen; honden huilden; +De raaf streek neder op den schoorsteentop; +En eksters krijschten oordoorborend saâm. +Uw moeder voelde meer dan moederweeën, +Toch bracht zij minder dan een moeders hope, +Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld, +Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam; +En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte, +Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt; +En is het and’re waar, dat ik vernam, +Dan kwaamt gij— + +GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede! + +(Hij doorsteekt hem.) + +Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd. + +KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen. +O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem! + + (Hij sterft.) + +GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster +Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik; +Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent! +O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen +Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!— +Zoo in u nog een sprankje levens huist, +Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond; + +(Hij doorsteekt hem nog eens.) + +Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken. +Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,— +En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,— +Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam. +En had ik dan geen grond tot spoed, om hen, +Die ons ons recht verkortten, te doen vallen? +De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74 +„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!” +Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan, +Dat ik moest snarsen, bijten als een hond. +Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd, +Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid. +Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders; +En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend, +Zij wone in menschen, die elkaar gelijken, +Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.— +O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht; +Pikzwarte dagen zal ik u verwekken; +Want profetieën zal ik gonzen doen, +Die Edward angst inboez’men voor zijn leven; +En dan heel ik zijn angst en ben uw dood. +Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon; +Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort; +Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.— +Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek; +Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’! + + (Gloster af, met het lijk.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth +met den kleinen Prins; Clarence, Gloster, +Hastings en Anderen, om hem heen. + +KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon, +Met onzer haat’ren bloed teruggekocht. +Wat dapp’re tegenstanders hebben wij, +Als koren, neergemaaid in al hun trots! +Drie hertogen van Somerset, driewerf +Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders; +Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon; +En twee Northumberlands, de kloekste ridders, +Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden; +En dan dat onversaagde berenpaar, +Warwick en Montague, dat met hun keet’nen +Den koninklijken leeuw gekluisterd hield +En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed. +Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon +En maakten veiligheid tot onze voetbank.— +Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’! +Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms +In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt, +Te voet des zomers middaggloed verduurd, +Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt; +Gij zult de vrucht van onze moeite plukken. + +GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ +oogst; +Want nu ziet mij de wereld nog niet aan. +Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd, +En heffen zal hij lasten, of hij breekt. + +(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.) + +Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25 + +KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade +Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje! + +CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel +Ik op de lippen van dit lieflijk wicht. + +KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank! + +GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin, +Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.— +(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer +En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende. + +KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf +Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde. + +CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha? +Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk +Sicilië en Jeruzalem verpand; +En dit is als haar losgeld hier gezonden. + +KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.— +En wat nu verder, dan den tijd te wijden +Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen, +Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof? +Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen! +Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de +slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan +toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht +van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen +kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha +van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik +viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar +Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning +verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene, +maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en +laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor +de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der +gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor +oogen gesteld worden. + +Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich +zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en +Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar +Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den +troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten +erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn +rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, +maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te +nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der +aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus +onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden +werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den +twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het +koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds +was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij +zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als +leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was +hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig +troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige +regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed +van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van +den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest +komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en +troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik +moest toestemmen. + +Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een +vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke +graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de +Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden +zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. +Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York +met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok +van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward, +graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de +vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen +om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of +zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot +naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad +van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige +overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een +half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee +bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf +van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag +onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een +zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap +werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te +redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, +nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver, +„nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik +had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat +hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met +groote schande belaadde.” + +Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn +lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo +op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat +zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een +molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd +gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus +gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil +u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en +onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen +overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin +gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van +York geplant”. + +York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer +gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; +George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder +veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en +stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper +van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd +vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; +zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan +als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling +als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen +genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de +bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen +planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze +stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds +dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp +uitkomen. + +De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; +in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den +graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding +de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij +Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had +de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd +geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag +hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het +slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet +duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van +Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, +hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar +woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste +zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire +bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen +Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was +daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten +nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om +den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle +krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den +strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een +voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van +Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met +alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood +te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en +Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten +het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de +koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar +Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de +hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der +graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde +krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle +steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. +Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling +als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem +als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot +hertogen van Clarence en van Gloster benoemd. + +De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele +gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den +dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen +koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de +gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning +Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar +Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het +huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de +kroniek het volgende: + +Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een +geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick +naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen. +Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig +op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van +Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord +Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder +John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij +Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op +haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te +bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het +huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den +koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar +eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen, +haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was, +en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar +zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo +gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken +zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin +te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn +voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, +omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; +de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het +genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader +werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder +Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd; +een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste +zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke +erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis +York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met +klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om +vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de +schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens +aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den +menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag +door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een +vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets +ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en +Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar +weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in +den persoon van den hertog van Milaan. + +Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van +Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de +ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als +door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na +Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel +onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide +broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier +was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en +door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn +plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en +ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge +waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde. +Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij +zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende +op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; +niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning, +maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en +gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De +gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York +toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn +aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem +gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst +nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een +verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het +huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van +dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s +zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna. +Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner +eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn +broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime +onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone +beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven. + +Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar +de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf +van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den +graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon +van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning +Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit +huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, +was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter +tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich +bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel +ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward +aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder +Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door +hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings, +Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag +of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar +Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin +van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar +zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die +dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na +zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd +weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot +rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor +het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van +Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te +halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning +voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap +zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,” +zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling +vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, +bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van +den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15 +jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon +te beklimmen. + +Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een +kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man +sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar +vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze +verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk +erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te +betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en +velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden, +dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York +wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de +koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open +veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man +bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op +zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk +met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij +zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen +ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de +aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in +het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad +bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan. +Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij +Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, +die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April +1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats. +Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als +moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht +veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde +dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague +vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel +uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in +de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege +uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower +teruggebracht. + +Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust +van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze +onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, +maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten; +zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar +Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun +macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 +Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der +koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een +einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige +zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder +Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den +overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen, +die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn +leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den +jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen +Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om +mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn +vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen +stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop +Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem +plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed +hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden +kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.” +Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier +haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar +geboorteland. + +Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn +alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar +het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van +Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward +met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat +hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood, +van verdriet gestorven is.” + +In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken +geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt +heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan +Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe +vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten +worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de +schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet +vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp, +die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de +Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door +verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5]. +Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn +tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput +heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier +handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen, +dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter +waardig is. + + + +I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij +in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand +van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de +kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; +hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het +handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben +en niet terstond kon nageslagen worden. + +I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis +is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de +koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het +parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar +zijn hof wil gaan. + +I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd +voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken. + +I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van +den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te +verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent. + +I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March. +Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet +staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het +graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers, +door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den +troon ontleende. + +I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet +juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V, +wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns +broeders dood op hem was overgegaan. + +I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling +broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, +was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf +Salisbury. + +I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle +in Yorkshire. + +I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van +Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de +opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen +aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken. + +I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een +leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten +geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden. + +I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius +is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit +iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!” + +I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de +woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de +Irving-editie ontleend. + +I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en +werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd. + +II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog +Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier +der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke +uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke +Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren: +„Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd +liever dan de mannetjes.” + +II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch. + +II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het +spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child, +whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door +den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk +geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de +zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de +juistheid van het spreekwoord. + +II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij +de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning +Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later +Menelaus genoemd. + +II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of +liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak +gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden. + +II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in +dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men +nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die +den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury, +Warwick’s vader, viel. + +II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke, +dat de zoon de helmklep van den doode oplicht. + +II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu +van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath +bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is, +omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar +leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven +beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de +uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de +twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt +alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te +vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te +vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, +en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van +heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is +ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen, +enz. niet vrij van verwardheid. + +II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek +van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt +hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters +onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van +Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden +vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood. + +III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een +wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen. + +III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier +op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar +in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s +graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij +zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil +niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward +beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen +dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij +Wakefield. + +III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t +oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname +huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen, +pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers, +waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels +later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De +wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van +ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De +Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is +dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.” + +III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede +of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist +opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste, +zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken. + +IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier +staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de +koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth +met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere +Gloster, Clarence, Somerset en Montague. + +IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze +woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze +wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence +heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan. + +IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter +van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord +Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord +Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht +uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, +en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon +beschouwd. + +IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar +de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning +Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin +Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het +volgend stuk, K. Richard III, voorbereid. + +IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten +onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden. + +V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven +in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de +Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de +volksuitspraak voor Daventry. + +V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het +paleis des Bisschops van Londen. + +V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven +vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de +folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een +kanonschot.” + +V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze +eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest. + +V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt +Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus. + +V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de +beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van +Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche +publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in +de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet, +II. 2. 410. + +V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De +koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen +is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken. + +V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het +volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54. + +V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het +geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste, +Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning +Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst +behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met +Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel +het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar. + + + + + + + + + +VOETNOTEN + + +[1] Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat +omtrent de wijze, waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn +gekomen, en omtrent de echtheid en onechtheid van verschillende +gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. Wie hierin verder +wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes (1896) +pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar +aangehaalde werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal +het een moeilijk werk vinden, tot een zekere uitkomst te geraken. + +[2] Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door +del’ Averdy gegeven en vervat in het derde deel der Notices et extraits +des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790. Dit werk bevindt +zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar. + +[3] Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in Karel Hase, Neue +Propheten. Leipzig 1851 en (2de druk) 1861; sedert is het aantal +geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk vermeerderd, met name in +Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. Fr. Eysell. + +[4] Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt. + +[5] Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander +uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of +Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over +dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken +zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in +afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral +het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn +Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag +gelegd. + + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 *** |
