diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | 75268-0.txt | 15207 | ||||
| -rw-r--r-- | 75268-h/75268-h.htm | 19851 | ||||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/new-cover.jpg | bin | 0 -> 205886 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p614.jpg | bin | 0 -> 395242 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p624.jpg | bin | 0 -> 438355 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p664.jpg | bin | 0 -> 407651 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p680.jpg | bin | 0 -> 374841 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p704.jpg | bin | 0 -> 436823 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p712.jpg | bin | 0 -> 490673 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/p716.jpg | bin | 0 -> 443218 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 75268-h/images/rbrace4.png | bin | 0 -> 263 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
14 files changed, 35075 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/75268-0.txt b/75268-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5d46407 --- /dev/null +++ b/75268-0.txt @@ -0,0 +1,15207 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 *** + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +EERSTE DEEL. + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector. + John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk. + Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings. + Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings, + naderhand Kardinaal Beaufort. + John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset. + Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van + Cambridge, naderhand Hertog van York. + Richard Beauchamp, Graaf van Warwick. + Thomas Montague, Graaf van Salisbury. + William de la Pole, Graaf van Suffolk. + Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury. + John Talbot, zijn zoon. + Edmund Mortimer, Graaf van March. + Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir + Thomas Gargrave. + Woodville, Commandant van den Tower. + De Mayor van Londen. + Vernon, van de Witte Roos of York-partij. + Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij. + + Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk. + Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels. + De Hertog van Bourgondië. + De Hertog van Alençon. + De Bastaard van Orleans. + De Bevelhebber van Parijs. + De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux. + De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon. + Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van + Jeanne d’Arc. + + Margaretha, dochter van Reignier. + De Gravin van Auvergne. + Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans. + + Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. + Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, + aan de Pucelle verschijnend. + + + +Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Westminster-abdij. + +Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt +binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford, +Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster, +Herauten enz. + +BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht! +Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend, +Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht, +En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren, +Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks, +Die al te roemrijk was om lang te leven! +England verloor geen koning ooit, zoo groot. + +GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning. +Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag; +Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind; +Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht; +Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette, +En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht, +Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat. +Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof? +Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde. + +EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed? +Hendrik is dood om nimmer te herleven; +Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst, +Verheerlijken des doods oneed’le zege, +Met statig begeleiden, als gevang’nen, +Aan eens verwinnaars zegekar geboeid. +Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken, +Die de’ ondergang bewerkten onzes roems? +Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders +En toov’naars houden, die, uit angst voor hem, +Door rijm en staf zijn dood te wege brachten? + +WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning +Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags +Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn, +Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd +Des Heeren der heerscharen. De gebeden +Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen. + +GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden +Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf; +Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon, +Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt. + +WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37 +Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk. +Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht, +Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen. + +GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch, +En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk, +Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden. + +BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede! +Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!— +En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen, +Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf. +Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin +Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt, +Dit land een voedster wordt van zilte tranen, +Een tijd, die niemand in het leven laat +Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!— +Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk +Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre! +Bestrijd daarboven dreigende planeten! +En uwe ziel wordt een roemruchter ster +Dan Julius Cæsar of de heldre— + +(Een bode komt op.) + +BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet! +Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk +Van nederlagen, bloedbad en verlies: +Guienne, Rheims, Champagne en Orleans, +Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren. + +BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk? +Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden +Doet hem zijn lood verbreken en herleven. + +GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd! +Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt, +Die tijding deed nog eens den geest hem geven. + +EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan? + +BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap, +De krijgers fluist’ren dit elkander toe: +Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij, +In plaats dat gij te velde trekt en vecht, +Om ’t kiezen van de legerhoofden twist. +De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken, +Een ander vliegen, maar is vleugelloos, +Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend, +Door list en fraaie woorden vreê te erlangen. +Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap! +Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen! +De leliën uit uw wapen zijn geplukt, +Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81 + +EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken, +Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt. + +BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk. +Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten, +Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad! +Ik dring den Franschen wonden op voor oogen, +Om hun hernieuwde ellende te beschreien. + +(Een tweede Bode komt op.) + +TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil. +Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons, +Op enk’le nietig kleine steden na. +In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond, +De bastaard Orleans met hem vereenigd, +Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde, +De hertog Alençon vlood heen, tot hem. + +EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem! +O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad? + +GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!— +Bedford, indien gij draalt, neem ik het op. + +BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust? +’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd, +Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt. + +(Een derde Bode komt op.) + +DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren, +Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt, +Moet ik bericht doen van een feilen strijd +Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen. + +WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar? + +DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd; +Uitvoerig wil ik heel den loop u melden. +Toen op den tiende’ Augustus deze held +Terugtrok van ’t beleg van Orleans, +Te nauwernood zesduizend strijders sterk, +Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen +Geheel omsingeld en met kracht bestookt. +Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen, +Geen pieken om te planten voor zijn schutters; +Zij staken daarom haastig scherpe palen, +Die ze uit de heggen rukten, in den grond, +Om de’ aanval van de ruiterij te keeren. +Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht, +En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht, +Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans, +Zond honderden ter helle, en niemand stond hem! +Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed. +De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”, +Hun gansche leger staarde ontzet hem aan; +Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend, +En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich +Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129 +En wis waar’ hun de zege vast bezegeld, +Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. +Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu +De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken, +Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot. +Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad. +Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend, +Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug, +Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk +Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien. + +BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf, +Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl +Een held als hij hulp dierf bij zulke daden +En aan zijn lagen vijand werd verraden. + +DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen, +Met hem lord Scales en ook lord Hungerford; +Zóó de andren meest gevangen of gevallen. + +BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders. +’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon, +En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend; +Vier hunner lords geef ik voor één der onze.— +Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak; +Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan, +Om ons Sint George’s feest met glans te vieren. +Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed +Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet. + +DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd, +Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak; +De graaf van Salisbury smeekt om versterking +En houdt het nauwelijks af van muiterij, +Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet. + +EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert, +Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken, +Of wel, hem neer te buigen in uw juk. + +BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid, +Opdat ik mij terstond ten strijde rust. + + (Bedford af.) + +GLOSTER. Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut +En krijgsbehoeften na te gaan, en dan +Roep ik den jongen Hendrik uit als koning, + + (Gloster af.) + +EXETER. Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning, +Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd; +’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert. + + (Exeter af.) + +WINCHESTER. Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen +Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd. +Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven; +De koning is in Eltham; van die plaats +Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats. + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Orleans. + +Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en +Soldaten. + +KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop +Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend. +Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger, +Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe. +Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons? +Tot kortswijl liggen wij voor Orleans; +De hongrige Engelschen, als bleeke geesten, +Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand. + +ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen; +Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten +Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij +Er poover uit, zooals verdronken muizen. + +REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd? +Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen; +Nu is slechts hier die dolkop Salisbury, +En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op; +Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg. + +KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los. +Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen! +’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood, +Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood. + + (Allen af.) + +(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot +verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.) + +KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!— +Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden, +Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan. + +REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury; +Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe. +En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen, +Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi. + +ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29 +Bracht England, in des derden Edwards tijd, +Toen louter Oliviers en Roelands voort. +En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid: +Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het +Ons hier als strijders toe. Één tegen tien! +En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken, +Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had? + +KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels, +En honger drijft hen des te feller aan; +Ik ken hen wel: zij reten met de tanden +De muren liever neer dan dat zij weken. + +REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen +Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan, +Want anders hielden zij het nooit zoo vol. +Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden. + +ALENÇON. Zoo zij het. + +(De Bastaard van Orleans komt op.) + +BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws. + +KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom! + +BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht; +Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt? +Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand; +Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie +De hemel door een droomgezicht gelastte, +Een eind te maken aan dit lang beleg +En de Engelschen te drijven uit dit rijk. +Zij heeft den geest der echte profetie, +Veel meer dan Rome’s negental Sybillen; +Zij kan, wat was en komen zal, onthullen. +Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden, +Want onbedrieglijk zijn zij en gewis. + +KAREL. Ga! roep haar. + + (De Bastaard af.) + + Doch, om eerst haar kunst te toetsen, +Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn; +Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte; +Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag. + + (De Dauphijn treedt op den achtergrond.) + +(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.) + +REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd? + +JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt? +Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren! +Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.— +Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen. +’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.— +Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij. + +REIGNIER. Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. 71 + +JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter; +Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap, +’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd, +Op mij in lagen staat hun licht te stralen. +Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde, +Mijn wangen door de zon verschroeien liet, +Verscheen genadig mij de moeder Gods +En gaf, in een visioen vol majesteit, +Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen, +Mijn vaderland te redden uit den nood. +Zij zeide hulp mij toe en wisse zege, +En toonde zich in al haar hemelglans. +Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd, +Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot, +Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet. +Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt, +Onvoorbereid zal ik u antwoord geven; +Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed, +Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw. +Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard, +Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt. + +KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal; +En deze proef slechts wensch ik van uw moed; +Gij zult in tweegevecht u met mij meten. +Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar; +Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen. + +JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard, +Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik +Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof +Uit veel oud ijzer uitgelezen heb. + +KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst. + +JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man. + +(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.) + +KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone, +En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt. + +JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak. + +KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen. +Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u; +Gij overwont mij tevens hart en hand. +Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt, +Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer; +Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt. + +JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn, +Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn; +Maar heb ik al uw vijanden verdreven, +En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven. + +KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan. + +REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118 + +ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten, +Want anders liep ’t gesprek wel eerder af. + +REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen? + +ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten; +In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong. + +REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag? +Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet? + +JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk! +Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen. + +KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is. + +JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren. +Nog deze nacht ontzet ik wis de stad; +Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen +Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen. +De roem is als een cirkel in het water, +Die immer meer en verder zich verbreidt, +Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit. +Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet, +Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot. +Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens +Te gader Cæsar droeg en zijn geluk. + +KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield, +Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest. +Geen Helena, de moeder Constantijns, +Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters. +Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt, +Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan? + +ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten! + +REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer! +Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk! + +KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw +Niet één profeet, als zij mij leugens spelt! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Londen. Voor den Tower. + +De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op. + +GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen; +Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd. +Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat? +Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept. + +(De Dienaars kloppen aan.) + +EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt? + +DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster. + +TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten. + +DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer? + +EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn; +Wij doen niets anders dan ons is gelast. + +GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne? +Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt +Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning. +Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart? + +(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant +Woodville.) + +WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders? + +GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor? +Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht. + +WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog; +De kardinaal van Winchester verbiedt het; +Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast, +Nòch u, nòch één der uwen, in te laten. + +GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij? +Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd, +Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden? +Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit +De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten. + +DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector! +Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt. + +(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in +bruine kleedij). + +WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog? + +GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last? + +WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver, +En geen beschermer van den troon of ’t rijk. + +GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder, +Die wijlen onzen koning wildet moorden, +En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen! +Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots, +U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37 + +WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier. +Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain; +Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt. + +GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u; +En uw scharlaken mantel zal mij dienen, +Om u, als in een doopkleed, weg te dragen. + +WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen. + +GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!— +Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen, +Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!— +Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen; + +(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.) + +En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe. +Ik treed uw kardinaalshoed met den voet, +Ja, sleur u bij den hals hier op en neer. + +WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord! + +GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!— +Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?— +U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!— +Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar! + +(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden +van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.) + +MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden, +Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt! + +GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet, +Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend, +Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt. + +WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is, +Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit, +Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten, +En immer tracht den godsdienst om te keeren, +Wijl hij protector is van ’t koninkrijk, +En nu hier waap’nen vordert uit den Tower, +Om zich te kronen, Hendrik te verdringen. + +GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel +Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.— +Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72 + +GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des +konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij, +in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en +van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te +voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.” + +GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal, +Maar wel uw trots; wij zien elkander weer. + +WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen; +Uw hartebloed betaalt mij dezen dag. + +MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.— +Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen. + +GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen. + +WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster! +Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn. + + (Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar + verschillenden kant af.) + +MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.— +God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt! +In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt. + + (De Mayor met zijn Dienaren af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Orleans. + +De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op. + +TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt; +De vijand heeft de voorstad reeds bezet. + +ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak +Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs. + +TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden. +Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen, +Wat mij bij deze stad in aanzien brengt. +Spionnen van den prins berichtten mij, +Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand +Door een getralied venster van dien toren +Gewoon is uit te zien naar onze stad, +En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut +Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet. +Om van dit ongerief ons te bevrijden +Heb ik een stuk geschut daarop gericht, +En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd, +Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht, +Wijl ik niet blijven kan. +Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden; +Gij zult mij vinden bij den commandant. 20 + + (De Tuigmeester af.) + +ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust; +Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig. + + (De Zoon af.) + +(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury, +Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.) + +SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug? +Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld? +En hoe gelukte ’t u, u los te koopen? +Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren. + +TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf, +Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles; +’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem. +Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen +Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik; +Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood +Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien, +En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd. +Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart; +Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen, +Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam. + +SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt. + +TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij. +Zij stelden mij op de open markt ten toon, +Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren. +„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik, +Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.” +Toen reet ik mij van mijn bewakers los, +Groef met de nagels steenen uit den grond, +En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad; +En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht. +Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood. +Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd; +Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,— +Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken, +Arduinen posten gruiz’len met den voet; +Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking, +Die telkens bij minuten om mij waarden;— +En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen, +Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed. + +(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.) + +SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan, +Doch volle wraak gewordt ons binnenkort. +’t Is avondetenstijd in Orleans; +Hier, door de traliën, kan ik allen tellen, +En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst. +Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen. +Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale, +Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt, +Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten. + +GARGRAVE. Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. 66 + +GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug. + +TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden, +Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len. + +(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.) + +SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars! + +GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig! + +TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len? +Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,— +Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel? +Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!— +Vervloekte toren! vloekbare onheilshand, +Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd! +’t Was Salisbury, die dertien slagen won, +Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde; +Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk, +Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.— +Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken, +Één oog bleef u tot smeeken om genade, +Met één oog schouwt de zon de wereld aan.— +Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig, +Zoo Salisbury bij U genade derft!” +Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven. +Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven. +Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op! +Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn: +Gij sterft niet zonder— +Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe, +Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood, +Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!” +Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero, +De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden; +Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig. + +(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.) + +Welk een geraas! de hemel is in oproer! +Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch? + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan; +En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle, +Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend, +Komt met een groote macht de stad ontzetten. + +(Salisbury richt zich op en kreunt.) + +TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt; +Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.— +Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn; +Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond, +’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven; +Uw hersens kluts ik samen tot een poel.— +Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent; +Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen. + + (Allen af, met de lijken.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. Voor een der poorten. + +Strijdgedruisch. Schermutselingen. Talbot vervolgt den Dauphijn, drijft +hem op de vlucht en gaat heen; dan komt Jeanne d’Arc, de Pucelle, +Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt Talbot +weder op. + +TALBOT. Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid? +Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden; +Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort. + +(De Pucelle komt weder op.) + +Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten; +Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u; +Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af, +En lever hem uw ziele, wien gij dient. + +PUCELLE. Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet. + +(Zij vechten.) + +TALBOT. Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint? +Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed +Of barsten ook mijn armen van de schouders, +Toch tuchtig ik die overstoute deern! + +PUCELLE. Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar; +’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen. +Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht. +Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk; +Help Salisbury zijn testament te maken; +De dag is ons, als vele nog na dezen. + +(De Pucelle trekt met haar krijgers de stad binnen.) + +TALBOT. Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel; +Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe. +Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal, +Een heks ons hier terug en wint naar lust; +Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven +Weg uit haar korven, van haar tillen voort. +Ons bijten deed ons Englands honden heeten, +Nu loopen we als hondsjongen jankend weg. + +(Een kort strijdgedruisch.) + +Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht, +Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen! +Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen! +Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf, +Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit, +Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten. + +(Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.) + +Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen +De dood van Salisbury komt op uw hoofd, +Want geen van u deed iets om hem te wreken.— +Trots ons, trots alles wat wij konden doen, +Is de Pucelle in Orleans getogen. +O, ware ik saam met Salisbury gestorven! +Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd. + + (Strijdgedruisch. Terugtocht. Talbot met zijn Krijgers af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Aldaar. + +Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier, +Alençon, en Soldaten. + +PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen! +Ontrukt is Orleans aan Englands wolven, +Aldus hield Jeanne la Pucelle woord. + +KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter, +Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe? +Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen, +Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.— +Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!— +Herwonnen is uw stad, uw Orleans; +Nooit wedervoer ons land een grooter heil. + +REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad? +Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren +Ontsteken, juub’len, smullen in de straten, +Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk. + +ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust, +Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken. + +KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij; +Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen; +Wat priester is of monnik in mijn rijk, +Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen. +Een trotscher pyramide bouw ik haar, +Dan die van Rhodope te Memphis was. +Haar ter gedacht’nis worde na haar dood +Haar asch in een veel kostlijker urn +Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius +Bij hooge feest’lijkheden omgedragen +Voor Frankrijks koningen en koninginnen. +Niet meer zij onze leuze: Saint Denis! +Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn. +Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal, +Den gulden dag van deze zegepraal! + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor Orleans. + +Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op. + +SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn! +Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat +Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken +Ons in het wachthuis fluks bericht er van. + +EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men +arme knechten, +Als andren in hun zachte bedden slapen, +Op wacht in regen, koude en duisternis. + +(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun +trommen slaan een gedempten marsch.) + +TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië, +Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois, +Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert, +De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos, +Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd; +Omhelzen wij dus die gelegenheid +Om hun het loos bedrog weer te vergelden, +Dat list en snoode tooverij bedacht. 15 + +BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde! +Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms, +En sloot met hel en heksen een verbond! + +BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders. +Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd, +Wie is zij? + +TALBOT. Men zegt een meisje. + +BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig! + +BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’, +Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard +De wapens draagt, zooals zij nu begon. + +TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan! +Voor ons is God een burg; beklimmen wij +In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk! + +BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen. + +TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter, +Dat we op verscheiden punten binnendringen, +Opdat, zoo het een van ons mislukt, +Een ander van hun macht het winnen kan. + +BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek. + +BOURGONDIË. En ik dien andren. + +TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.— +Nu, Salisbury, voor u en voor het recht +Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen, +Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37 + +(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” +en „Talbot”, en dringen allen in de stad.) + +SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier +storm! + +(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende +kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half +aangekleed, half onaangekleed.) + +ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed? + +BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen. + +REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen; +Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch. + +ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit +Van eenig krijgsplan, eenige’ overval, +Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit. + +BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel. + +REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig. + +ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt? + +BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw. + +(Karel komt op, met de Pucelle.) + +KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone? +Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen, +Een kleine, zoete winst deelachtig worden, +Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’? + +PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard? +Verlangt gij mijne macht steeds even groot? +Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen, +Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij? +Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid +Zou dezen overval voorkomen hebben. + +KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld, +Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht, +Niet beter van dien grooten plicht u kweet. + +ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest +Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was, +Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld. + +BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd. + +REIGNIER. Zoo ook ’t mijne. + +KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht +Heb ik, in haar kwartier en in het mijne, +Besteed om telkens heen en weer te gaan +Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten; +Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen? + +PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72 +Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens +Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen. +Er blijft geen andre raad alsnu dan deze: +’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len, +En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen. + +(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! +Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.) + +DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten. +De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard; +Met rijken buit heb ik mij hier beladen, +En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam. + + (De Soldaat af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Orleans. Binnen de stad. + +Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op. + +BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht, +Die met haar ravenmantel de aard omgaf. +Blaast den terugroep; staakt de heete jacht. + +(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.) + +TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen, +En plaatst de baar hier op het open marktplein, +Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.— +’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten; +Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor, +Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven. +Opdat de verre nazaat nog aanschouw’, +Welk een verwoesting volgde om hem te wreken, +Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op, +Waarin zijn overschot begraven worde, +En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan, +Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len, +’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods, +En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.— +Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad, +Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen, +Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne, +Noch iemand van zijn valsche bondgenooten. + +BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon, +Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt, +En, onder hoopen krijgers, van den wal +Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken. + +BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel +En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,— +Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit; +Zij vloden, arm in arm, met alle macht, +Gelijk een paar verliefde tortelduiven, +Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn. +Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken, +Dan zetten wij met volle macht hen na. 33 + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar +Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd, +Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet? + +TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken? + +BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne, +Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend, +Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen, +Haar te bezoeken op haar armen burg, +Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde, +Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt. + +BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg +Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel, +Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.— +Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad. + +TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen +Met alle redekunst bereiken zou, +Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.— +Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg, +En onderdanig haar bezoeken zal.— +Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen? + +BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar; +’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten +’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan. + +TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen, +Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen. +Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij +begrijpt mij? + +HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Auvergne. Het binnenplein van het kasteel. + +De Gravin en haar Portier komen op. + +GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast, +En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels. + +PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe. + + (De Portier af.) + +GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed, +Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd, +Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood. +Groot is de naam van dien gevreesden ridder, +En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem; +’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten, +Wat waar is van die wond’ren, die men meldt. + +(De Bode komt op, met Talbot.) + +BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap, +Die hem genood heeft, is lord Talbot hier. + +GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man? + +BODE. Zoo is ’t, gravin. + +GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel? +Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest, +Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen? +Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen, +Een tweede Hector, grimmig van gelaat, +Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar; +En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22 +Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen +Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan. + +TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen; +Doch daar u dit niet recht gelegen komt, +Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek. + +GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil. + +BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt +De reden van uw rasch vertrek te weten. + +TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik +’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben. + +(De Portier komt weder terug, met sleutels.) + +GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne. + +TALBOT. Gevangne? wiens? + +GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne; +Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis. +Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien, +Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt; +Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden; +Die armen wil ik keet’nen en die beenen +Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren +Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft, +En onze zoons en mannen weggesleept. + +TALBOT. Ha, ha, ha! + +GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed. + +TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant, +Van Talbot iets te hebben dan de schaduw, +Om daar uw booze strengheid op te koelen. + +GRAVIN. Zijt gij de man dan niet? + +TALBOT. Dat ben ik zeker. + +GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen. + +TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts; +Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier; +Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel, +Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid. +Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier, +Dan is van zoo geweldig grooten wasdom, +Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56 + +GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie; +Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet; +Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden? + +TALBOT. Dit toon ik u terstond. + +(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De +poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.) + +Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans, +Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is? +Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht, +Waarmee hij uw rebellennekken jukt, +Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert, +In minder dan een omzien woest doet zijn. + +GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling; +Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam, +En meer dan uw gestalte deed vermoeden. +Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’; +Het doet mij leed, dat ik u niet ontving +Met zooveel eerbetoon, als gij verdient. + +TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken +Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst +In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet. +Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd, +En andre schadeloosstelling eisch ik niet, +Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn +Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft, +Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk. + +GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer, +Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. De hof van den Tempel. + +De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard +Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op. + +PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen? +Waagt niemand voor de waarheid uit te komen? + +SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal; +Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats. + +PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde, +En of die twister Somerset het mis had. + +SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet, +En kon mijn wil nooit voegen naar het recht; +En plooi daarom het recht naar mijnen wil. + +SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit. + +WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft, +Welk van twee honden schooner, dieper blaft, +Welk van twee klingen van het fijnste staal is, +Welk van twee paarden fraaier houding heeft, +Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt, +Hierin treed ik desnoods als rechter op, +Maar in een rechtszaak vol haarklooverij, +Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij. + +PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19 +De waarheid is aan mijne zij zoo naakt, +Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent. + +SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed; +Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk, +Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen. + +PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt, +Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt. +Wie onder u echt edelman zich rekent, +En de eere van zijn bloed in aanzien houdt, +Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit, +Met mij van dezen struik een witte roos. + +SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is, +Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft, +Plukk’ met me een roode roos van dezen struik. + +WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel, +En zonder lage vleierij pluk ik +De witte roos hier met Plantagenet. + +SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset, +En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht. + +VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer, +Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen +Een kleiner tal van rozen wordt geplukt, +Des andren aanspraak recht en juist zal achten. + +SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken; +Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij. + +PLANTAGENET. En ik. + +VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht, +Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier, +En kies zoo voor de witte roos partij. + +SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt; +Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood, +En stemt gij tegen uwen zin voor mij. + +VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed, +Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts, +En houdt mij aan de zijde, die ik koos. + +SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder? + +RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen. +Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch; +En daarom pluk ook ik een witte roos. 58 + +PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht? + +SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs +Uw witte rozen bloedig rood verkleuren. + +PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na; +Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis +Voor onze waarheid. + +SOMERSET. Neen, Plantagenet, +Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang +Van schaamte bloost en onze rozen nabootst, +En toch uw tong uw dwaling niet erkent. + +PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset? + +SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet. + +PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven, +Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt. + +SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden, +Die mijne bloedig roode rozen dragen +En staven zullen, dat ik waarheid spreek, +Waar geen Plantagenet verschijnen durft. + +PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot +Met u en uwen aanhang, jonge knaap. + +SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren. + +PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u. + +SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot. + +SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole; +Wij doen den boer veel eer met ons gesprek. + +WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset; +Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence, +Den derden zoon des derden konings Edward. +Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren? + +PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats; +Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken. + +SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik +Op iedre plek der christenwereld vol. +Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge, +Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning? +En heeft niet zijn verraad u aangestoken, +Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd? +Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed; +En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer. + +PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97 +Gevonnisd om verraad, maar geen verrader; +Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset, +Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch. +Maar prent u in, gij en uw helper Poole: +Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan, +Dat ik u gees’len zal voor uwen laster; +Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u. + +SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid +En kent den vijand dan aan deze kleur, +Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen. + +PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds, +Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat, +Met deze bleek vertoornde roos ons sieren, +Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt, +Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang. + +SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht; +En nu vaarwel, tot ik u weder tref. + + (Suffolk af.) + +SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard. + + (Somerset af.) + +PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden. + +WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis, +Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement, +Dat Winchester verzoenen moet met Gloster. +Indien gij dan niet hertog wordt van York, +Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten. +’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u, +Den trotschen Somerset en Poole ten trots, +Met deze roos aan uwe zij mij scharen. +En dit voorspel ik: deze twist van heden, +Die in den hof hier tot partijschap wies, +Zendt, met de roode en witte roos als leuze, +Veel duizend zielen in verderf en dood. + +PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank, +Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet. + +VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan. + +RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook. + +PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer. +Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist +Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in den Tower. + +Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders +binnengedragen. + +MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven, +Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.— +Gelijk een man, pas van de folterbank, +Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden; +Die grijze lokken, als des doods herauten, +Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor, +Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer. +Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker +Als lampen, waarvan de olie is verbruikt, +De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last, +En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok, +Die zijn verwelkte loten hangen laat. +En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels, +Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,— +Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf, +Als wetend, dat geen andre troost mij rest.— +Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef? + +GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer. +Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel, +En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou. + +MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.— +Arm man! zijn krenking evenaart de mijne. +Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot +In wapenroem was, hier begon te heerschen, +Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven; +En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd +En van zijn eer en erflijk goed beroofd. +Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden, +De dood, in elke ellend de zachte scheidsman, +Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.— +Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden, +En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat! + +(Richard Plantagenet komt op.) + +GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef. + +MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar? + +PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden, +Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard. + +MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels, +En aan zijn borst mijn laatsten adem snik. +Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert, +Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus. +En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam, +Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet. + +PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm, +En hoor in rust, wat mij onrustig maakt. +’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak +Tot woorden tusschen Somerset en mij, +Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte +En om mijns vaders dood mij grievend smaadde. +Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong; +’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven. +Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil, +En bij uw eer als een Plantagenet, 52 +Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader, +De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest. + +MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij +Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam, +Mij in een duffen kerker deed versmachten, +Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood. + +PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was; +Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden. + +MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt, +De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is. +De grootvader van onzen jongen vorst, +Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef +Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins +Was oudste zoon en wettig erfgenaam +Van Koning Edward, van dien naam den derden. +Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden +De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten, +Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht, +Mij op den troon van England te verheffen. +Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog, +Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was +En hij geen enklen telg had nagelaten,— +Ik door mijn stam en bloed de naaste was. +Van moeders zij toch heb ik Lionel, +Hertog van Clarence, derden zoon van Edward +Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik +Van hertog Jan van Gent was afgestamd, +Die slechts de vierde was dier heldenrij. +Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging, +Om op den troon den rechten vorst te plaatsen, +Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt. +Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik +Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd, +Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd +Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog, +Mijn zuster huwend, die uw moeder werd, +Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger +Geworven in de hoop, mij te bevrijden, +En mij de kroon te plaatsen op het hoofd; +Maar als die andren, viel deze eed’le graaf +En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers, +Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld. + +PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt. + +MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet, +Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood. +Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re, +Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen. + +PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98 +Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader +Niets dan een daad van bloeddorst en geweld. + +MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen; +Het huis van Lancaster is hecht geworteld, +En, evenals een berg, niet weg te schuiven. +Maar thans verhuist uw oom weldra van hier, +Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven +In éénen vasten zetel hen verdriet. + +PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd +Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen! + +MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar, +Die vele wonden slaat, waar één kan dooden. +Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft; +Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg. +En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije! +Uw leven zij vol heil in krijg en vreê! + + (Mortimer sterft.) + +PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel! +In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind, +En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.— +Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt; +Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.— +Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg +Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.— + + (De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.) + +Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer, +Door eerzucht van de laagste soort gedoofd; +En voor dat onrecht, voor die bittere krenking, +Die Somerset mijn huis heeft aangedaan, +Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden; +En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement; +’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed, +Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. + + (Plantagenet af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Het parlementshuis. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en +Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard +Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de +Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het. + +WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels, +Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht, +Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt, +En iets ter wereld mij ten last wilt leggen, +Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist, +Zooals ik voor de vuist en hier terstond +Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert. + +GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging, +Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis. +Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid, +Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,— +Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben, +Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees; +Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid, +Uw listig en verpestend tweedrachtstichten, +Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots. +Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17 +Halsstarrig van natuur, des vredes vijand, +Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is +Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt. +En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder? +Daar gij met list mijn leven hebt belaagd, +Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower? +Ja, werden uw gedachten eens gezift, +Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd, +De boosheid van uw zwellend hart niet vrij. + +WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords, +Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor. +Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was, +Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm? +Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek +Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd? +Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede +Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word? +Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem, +Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt; +Niemand dan hij moet om den koning zijn; +En dit verwekt dien donder in zijn borst, +En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen; +Maar hij zal zien, ik ben zoo goed— + +GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....? + +WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek! +Een man, die op eens andren troon wil heerschen! + +GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap? + +WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46 + +GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet, +En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit. + +WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij! + +GLOSTER. En gij zijt waardig +Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven. + +WINCHESTER. Dit wreke Rome! + +WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome. + +SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken. + +WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking. + +SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn, +En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt. + +WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn; +Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten. + +SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend. + +WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig? +Is zijn genade hier niet rijks-protector? + +PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen, +Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt! +„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?” +’k Had anders gaarne een twist met Winchester. + +KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester, +Gestelde wakers over Englands welzijn, +Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik +In liefde en eendracht uwe harten saam. +O welk een smading is ’t van onze kroon, +Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten. +Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds, +Dat burgertwist een giftige adder is, +Die de ingewanden van den staat doorknaagt. + +(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”) + +Wat is dat voor geraas? + +WARWICK. Een oploop, wed ik, +Boosaardig door des bisschops volk verwekt. + +(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”) + +(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.) + +MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik, +Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer! +Des bisschops volk en dat van hertog Gloster! +Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden, +De zakken nu gevuld met kiezelsteenen. +Zij smijten, in partijen saamgerot, +Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd, +Dat velen reeds het dolle brein verplet werd. +In elke straat zijn vensters ingesmeten: +Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees. + +(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende +binnen, met bebloede koppen.) + +KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht: +Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87 +Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd. + +EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken +we onze tanden. + +TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten, +En staakt terstond dien ongehoorden strijd. + +EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade +Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst +Voor niemand wijkend dan zijn majesteit; +En nimmer dulden wij, dat zulk een prins +En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn, +Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker; +Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren, +Met uw belagers, tot zij ons verslaan. + +DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels +Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld. + +(Zij worden weder handgemeen.) + +GLOSTER. Stil, zeg ik, stil! +En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt, +Zoo geeft gehoor en matigt u een poos. + +KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!— +Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten +En tranen zien, en wordt uw hart niet week? +Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt? +Wie zal met ernst den vrede nog bevordren, +Zoo heil’gen priesters twist een wellust is? + +WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe, +Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren +Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten. +Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord +Door uwe vijandschap reeds is verwekt; +Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed. + +WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe. + +GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen; +’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd, +Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde. + +WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog +Verbande reeds zijn sombre, norsche woede, +Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst; +Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend? + +GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan. + +KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127 +Dat boosheid groote, zware zonde was; +En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen, +Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn? + +WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!— +Schaam u, mylord van Winchester, geef toe! +Hoe! zal een kind u leeren, wat u past? + +WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe, +En bied voor liefde liefde, hand voor hand. + +GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.— +Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten, +Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap +Voor ons en al de dienaars van ons huis. +En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel! + +WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen! + +KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster, +Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!— +Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet; +Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters. + +EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op. + +TWEEDE DIENAAR. Ik ook. + +DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft. + + (De Mayor, de Dienaars, enz. af.) + +WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift; +Het vraagt aan uwe majesteit herstelling +Der rechten van Richard Plantagenet. + +GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst, +Wanneer uw hoogheid alle punten weegt, +Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan, +Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds +In Eltham bij uw majesteit deed gelden. + +KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht; +Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons, +Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen. + +WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend; +Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed. + +WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester. + +KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem +Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit, +Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort, +Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd. + +PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar, +En onderdaan’gen dienst tot in den dood. + +KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169 +En ter belooning van uw huldiging, +Gord ik u met het dapp’re zwaard van York. +Rijs, Richard, als een echt Plantagenet. +Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York. + +PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen, +En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve, +Die aan uw majesteit met afgunst denkt. + +ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York! + +SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York! + +GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid, +Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen. +Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde +Bij onderdanen en getrouwe vrienden, +En rooft aan elk, die vijand is, den moed. + +KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat; +Want menig vijand zwicht door vriendenraad. + +GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê. + + (Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.) + +EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk, +Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal! +De pas ontglommen tweedracht dezer pairs +Brandt onder de asch van valsche liefde voort +En breekt in ’t eind in felle vlammen uit; +Gelijk een ett’rend lid allengskens rot, +Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan, +Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort. +Nu wekt die booze profetie mij vrees, +Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd, +Uit elken zuiglingsmond vernomen werd: +„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint, +„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.” +Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht, +Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde! + + (Exeter af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Rouaan. + +De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met +zakken op den rug. + +PUCELLE. Dit is de poort der veste, van Rouaan, +Waar onze list een bres zich door moet oop’nen. +Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw, +En praat zooals ’t gewone marktvolk doet, +Dat in de stad zijn koren komt verkoopen. +Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen +En vinden wij de trage wacht er zwak, +Dan geef ik onzen vrienden ras een sein, +Opdat de prins dauphijn hen overvall’. + +EERSTE SOLDAAT. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren +En make ons heer en meester van Rouaan. +Komt! aangeklopt! + +WACHT (binnen). Qui est là? + +PUCELLE. Paysans, pauvres gens de France; +Marktgangers, die hun graan verkoopen willen. + +WACHT (de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16 + +PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken. + +(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.) + +(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.) + +KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne! +Dan slapen wij weer veilig in Rouaan. + +BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers; +Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan, +Waar wij het best en veiligst binnendringen? + +ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren; +En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent, +Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is. + +(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel +omhoog.) + +PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel, +Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten, +Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten. + +BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak; +Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren. + +KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake, +En als profeet van onzes vijands val! + +ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos; +Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!” +En slaat de wachters aan de poort ter neer. + +(Zij dringen de stad binnen.) + +(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.) + +TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten, +Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft. +Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle, +Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld, +Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen. + +(Zij trekken stedewaarts op.) + +(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford, +die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de +Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel, +de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.) + +PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41 +Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik, +Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt. +Het was vol dolik; staat de smaak u aan? + +BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel! +’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken, +En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen. + +KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren. + +BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak! + +PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken, +En op den dood een rit doen in een stoel? + +TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len, +Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd, +Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen, +Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen? +Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u, +Of Talbot moge aan deze schande sterven. + +PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil; +Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.— + +(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.) + +God zegen ’t parlement! wie is de spreker? + +TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld? + +PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg +Tot toetsing, of het onze wel het onze is. + +TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks; +Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren; +Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen? + +ALENÇON. Neen, heer. + +TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers! +Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden, +En niet als ridders strijden in het veld. + +PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen, +Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.— +Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts +Om u te zeggen, dat wij hier zijn. + + (De Pucelle met de Anderen af.) + +TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang, +Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad! +Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis, +Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed, +Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft; +En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft, +En hier zijn vader heeft gezegevierd, +Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad +Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt, +Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84 + +BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed. + +TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft, +Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord! +Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats, +Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend. + +BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan; +’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten, +En deelgenoot zijn van uw wel of wee. + +BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden. + +BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen, +Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed +Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg. +’k Verlevendig misschien den moed der strijders, +Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf. + +TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!— +Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!— +En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer; +Maar onze macht verzameld tot den aanval; +Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt! + + (Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven + achter.) + +(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen +op.) + +HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast! + +FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht; +Wij worden zeker weer teruggeslagen. + +HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten? + +FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden. + + (Sir John Fastolfe af.) + +HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel. + + (De Hopman af.) + +(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en +Anderen, die vluchtende heengaan.) + +BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil; +Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd. +Wat is de sterkte en trots des blinden menschen? +Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon, +Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan. + + (Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.) + +(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.) + +TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115 +Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons; +Doch Gode zij de roem van deze zege! + +BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië. +Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden +Als eerzuil voor uw heldenmoed er op. + +TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle? +Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist; +Waar is des Bastaards pochen, Karels spot? +Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd, +Dat zulk een dapp’re bent gevloden is. +Laat thans ons alles reeg’len in de stad, +Er kundige officieren achterlaten, +Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning, +Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet. + +BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne. + +TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden, +Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht. +Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd. +Nooit heeft een braver held de speer gevoerd, +Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht; +Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood; +Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. De vlakte bij Rouaan. + +Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met +troepen. + +PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen, +’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren; +Want smart om dingen, die onheelbaar zijn, +Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif. +De dolle Talbot triumfeere een poos, +En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart, +Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk, +Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren. + +KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden, +En uw beleid werd niet door ons mistrouwd; +Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken. + +BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen, +En heel de wereld melden wij uw roem. + +ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen, +U eerend als een heil’ge patrones; +Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken. + +PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan: +Door zachte toespraak en met honigwoorden +Verlokken wij den hertog van Bourgondië, +Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20 + +KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan +Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer; +Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten, +Maar ras gerooid uit onze landen zijn. + +ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk, +En leenden van geen graafschap hier den naam. + +PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk, +De zaak in de gewenschte haven breng. + +(Getrommel in de verte.) + +Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren, +Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert. + +(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt +voorbij.) + +Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,— +En al het Engelsch krijgsvolk achter hem. + +(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne +troepen.) + +Bourgondië en zijn heer in de achterhoede! +Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!— +Steekt de trompet, wij willen met hem spreken. + +(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.) + +KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië! + +BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër? + +PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman. + +BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier. + +KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden. + +PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk, +Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’. + +BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang. + +PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk, +En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield +Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand. +Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht, +Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit, +Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie +Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden, +Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt. +O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden. +Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt; +Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt, +Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55 +Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen, +En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg. + +BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst, +Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt. + +PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk; +Zij twijflen aan uw echt en edel bloed. +Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk, +Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet. +Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet, +U tot zijn werktuig makend van verderf, +Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik? +U stoot men als een overlooper uit. +Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest: +Was Orleans, de hertog, niet uw vijand, +En was hij niet in England krijgsgevangen? +Nauw was hij als ùw vijand hun bekend, +Of zonder losgeld lieten zij hem vrij, +Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar. +Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten; +Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn. +Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst! +Als Karel, spreiden allen de armen open. + +BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal +Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut, +En bijna knielde ik neer tot overgaaf.— +Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten! +En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen; +Mijn leger, al mijn macht behoort aan u. +Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer. + +PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien! + +KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons. + +BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst. + +ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld, +En een gravinnekroontje er mee verdiend. + +KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend, +En dan getracht den vijand schâ te doen. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis. + +Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon, +Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner +officieren. + +TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs, +Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam, +Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund, +Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen; +Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer +Dan vijftig sterke sloten voor u won, +Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten, +Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,— +Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer; + +(Hij knielt neder.) + +En schrijft met onderdanig trouw gemoed, +Den roem en de eere der bevochten zeges, +Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe. + +KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13 +Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed? + +GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt. + +KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer! +’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,— +’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide, +Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde. +Sinds lange was uwe trouw ons openbaar, +Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren: +Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd, +En viel u zelfs geen woord van dank ten deel, +Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden. +Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten, +Den naam en rang van graaf van Shrewsbury; +Neem zoo uw plaats bij onze kroning in. + + (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af, + behalve Vernon en Basset.) + +VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee +Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet, +Die ik, Mylord van York ter eere, draag; +Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden? + +BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft +Het nijdig keffen van uw drieste tong +Tegen mijn heer, den hertog Somerset. + +VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is. + +BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York. + +VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis. + +(Hij geeft hem een slag.) + +BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht, +Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is; +Die slag onttapte u anders ’t hartebloed. +Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit +En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken; +Daar komt u onze ontmoeting duur te staan. + +VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan +Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is. + + (Beiden af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Parijs. Een troonzaal. + +Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop +van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen +treden op. + +GLOSTER. Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd. + +WINCHESTER. Heil koning Hendrik, zesden van dien naam! + +GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,— + +(De Commandant knielt.) + +Dat gij geen andren koning kiest dan hem, +Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn, +En niemand vijand reek’nen zult, dan hen, +Die zijn gezag met boozen raad belagen; +Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God! + + (De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.) + +(Sir John Fastolfe komt op.) + +FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais +Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest, +Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege +Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid. + +TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13 +’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten, +Dien knieband van uw hazebeen te rijten; + +(Hij rukt hem den kouseband af.) + +En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig +Bekleed werdt met die hooge waardigheid.— +Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren! +Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay, +Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg, +De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,— +Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel, +Liep hij als een getrouwe schildknaap weg! +Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht; +Ikzelf, en menig edelman met mij, +Wij werden overmand en krijgsgevangen. +Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed, +Of zulke lafaards ooit der ridderschap +Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen? + +GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos; +Slecht stond het aan den minsten wapenknecht, +Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider! + +TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren +De ridders van den knieband hooggeboren, +Vol dapperheid en deugd en fieren moed, +Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk; +Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend, +En onverschrokken in den hoogsten nood. 38 +Die deze gaven niet bezit, hij matigt +Zich driest den heil’gen naam van ridder aan, +En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek; +Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten, +Gelijk een in de heg geboren dorper, +Die zich vermeet op edel bloed te pralen. + +KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel. +Pak dus u weg, gij, die een ridder waart; +Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen. + + (Fastolfe af.) + +En nu, mylord protector, lees den brief +Van onzen oom, den hertog van Bourgondië. + +GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl? +Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”. +Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is? +Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin +Verand’ring in gezindheid bij hem aan? +Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan +Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren +Van hen, waar uw geweld’narij op teert, +Uw booze zaak verlaten; en ik sluit +Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!” +O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn, +Dat in verbonden, vriendschap en geloften +Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt? + +KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af? + +GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans. + +KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat? + +GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets. + +KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken, +En hem kastijden voor zijn snood bedrijf. +Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom? + +TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor; +’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt. + +KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los. +Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst, +En dat het zonde is, vrienden te bespotten. + +TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76 +Dat gij welras uws vijands val moogt zien. + + (Talbot af.) + +(Vernon en Basset komen op.) + +VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst! + +BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe! + +YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst! + +SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik! + +KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken. +Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang? +Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien? + +VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt. + +BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt. + +KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft? +Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord. + +BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam, +Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong +Om deze roos beleedigd, die ik draag; +Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren +Een beeld was van mijns meesters schaamteblos, +Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd +Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten, +Dien hij gehad had met den hertog York, +Met verdre lage schimp- en lastertaal; +Ter wederlegging van dit grof verwijt, +En ter verdediging mijns eed’len meesters, +Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet. + +VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst; +Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden, +Zijn driest vermetel doel vernissen moog’, +Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd, +Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken, +En zeide, dat de bleekheid dezer bloem +De lafheid van mijns meesters hart verried. + +YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind? + +SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit, +Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt. + +KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen, +Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden +Zoo vinnige partijschap zich verheft!— +Mijn waarde neven, Somerset en York, +Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u. + +YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116 +Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede. + +SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen, +En zij daarom ook door onszelf beslecht. + +YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op. + +VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon. + +BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst. + +GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil! +En gaat te grond, gij en uw driest gekijf! +Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet, +Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp +Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten? +En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel +Met zulk een dol gekijf van hen te dulden, +Laat staan een grond te delven uit hun taal +Om onderling nu zelve twist te zoeken; +Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg. + +EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede. + +KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert: +’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst: +Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.— +En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn: +In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk! +Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien, +En dat wij in onszelf oneenig zijn, +Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan +In koppige ongehoorzaamheid en oproer! +En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn, +Als vreemden vorsten dit ter oore komt, +Dat om een speelgoed, om een nietig ding, +De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel, +Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren! +O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader, +Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets, +Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds. +Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd. +Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, + +(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.) + +Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden, +Dat Somerset mij liever is dan York; +’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden; +Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon, +Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet. +Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht, +Dan ik u leeren of vermanen kan. +Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen, +Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.— +Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt +Door ons als uw regentschap u vertrouwd; +En, waarde lord van Somerset, vereenig +Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk. +Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen +Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand; +Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168 +Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren, +Na korte rust, dra naar Calais terug, +Van daar naar England, waar ik binnenkort +Karel, Alençon en heel die bent verraders +Door uw triomfen voor mij hoop te zien. + + (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester, + Suffolk en Basset af.) + +WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen, +Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld. + +YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen, +Dat hij de roos van Somerset nu draagt. + +WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard; +De goede vorst bedoelde wis niets kwaads. + +YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg; +Er zijn nu andere zaken, die mij roepen. + + (York, Warwick en Vernon af.) + +EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt; +Want, als uw hartstocht uitgebarsten was, +Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld +Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd, +Dan nu zich denken of vermoeden laat. +Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man, +Die dezen nijd en twist des adels ziet, +’t Wegdringen aan het hof van elk door elk, +En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent, +Voorziet het naad’ren van een boozen tijd. +’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait; +Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt, +Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet. + + (Exeter af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Bordeaux. + +Talbot komt op, met zijn troepen. + +TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux, +En roep den overste op tot een gesprek. + +(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche +troepen en Anderen.) + +Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept, +De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst; +En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten, +En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen, +En huldigt hem als need’rige onderdanen; +Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug. +Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt, +Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen, +’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger, +Die uwe torens, fier de wolken tartend, +Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk, +Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan. + +BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil, +’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt! +Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17 +Tot ons dringt gij niet door dan door den dood; +Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst, +En sterk genoeg tot uitval en gevecht. +En deinst gij af, gereed staat de dauphijn, +Om met des oorlogs strikken u te omslingren; +Aan beide uw zijden houden troepen wacht +En muren u den uitweg toe ter vlucht; +En nergens kunt ge om hulp u henenwenden, +Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt +En u het bleek verderf niet tegentreedt. +Tienduizend Franschen namen ’t sacrament, +Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot +Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen. +Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man +Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest; +Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans, +Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed; +Want eer het glas, welks zand begint te vloeien, +Den afloop meldt van ’t aangevangen uur, +Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood, +Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood. + +(Trommen in de verte.) + +Hoor! hoort +De trom van den dauphijn, een klok, die maant, +Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel; +U zal de mijne een bang verscheiden galmen. + + (De Bevelhebber met de zijnen af.) + +TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.— +Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.— +O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid! +Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid, +Een kleine, schuwe hertenkudde uit England, +Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden; +Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht, +Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet; +Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten +Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot, +Zoodat het laf en blaffend verre blijft; +Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik, +Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.— +God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht +Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een vlakte in Gasconje. + +York komt op, met troepen; een Bode nadert hem. + +YORK. Zijn nog de vlugge ruiters niet terug, +Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden? + +BODE. Zij zijn terug, mylord, en geven op, +Dat hij is aangetrokken op Bordeaux, +Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen, +Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker +Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden, +En verder met hem trokken naar Bordeaux. + +YORK. Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset, +Die den beloofden bijstand zoo vertraagt: +De ruiterij, voor dit beleg verzameld! +De groote Talbot rekent op mijn hulp, +En mij bedriegt een schurk, een laag verrader, +Dat ik den eed’len held niet helpen kan. +God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15 +Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg! + +(Sir William Lucy komt op.) + +LUCY. O vorst en legerhoofd van Englands kracht, +Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was, +IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot, +Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten, +Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld. +Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux! +Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel! + +YORK. O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel +Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats! +Dan wierd een dapper edelman gered, +Door ’t off’ren van een lafaard en verrader. +Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af; +Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf. + +LUCY. Om bijstand roept de held; hij zij verhoord! + +YORK. Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord. +Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered, +Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset. + +LUCY. O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig, +En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden, +Op reis naar zijn krijgshaften vader vond. +In zeven jaar zag hem zijn vader niet; +Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt. + +YORK. Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten, +Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten! +Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot; +Zulk wederzien in de ure van den dood! +Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man, +Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan. +Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd, +Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt! + + (York met zijn troepen af.) + +LUCY. Aldus, terwijl de gier der ijverzucht +Zich in de borst van zulke grooten mest, +Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim +De winst des nauwlijks kouden overwinnaars, +Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op. +Uit loutre zucht tot tegenkanting geven +Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven! + + (Lucy af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een andere vlakte in Gasconje. + +Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van +Talbot. + +SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden. +Die onderneming werd door York en Talbot +Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht +Kan bij een uitval reeds de stad alleen +Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed +Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer +Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk. +York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven, +Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven. + +OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij +’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken. + +(Sir William Lucy komt op.) + +SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending? + +LUCY. Waarheen, mylord? +Van den verraden en verkochten Talbot, +Die, eng door driesten tegenspoed omzet, +Roept om den eed’len York en Somerset, +Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden. +En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden, +Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len, +En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet, +Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer +Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht. +Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp, +Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven, +Terwijl hij, die beroemde en eed’le held, +Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht! +Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard +Van Orleans, Reignier, omsluiten hem, +En Talbot gaat door uwe schuld te grond. + +SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen. + +LUCY. En York laakt even heftig uw genade; +Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt, +Die juist voor dezen tocht verzameld was. + +SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd; +’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig; +’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond. + +LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk, +Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt. +Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven, +Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven. + +SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij; +Zes uren, en zij allen staan hem bij. + +LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood; +Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die; +En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan. + +SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God! + +LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux. + +Talbot en zijn zoon John komen op. + +TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden, +Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht, +En Talbot’s naam in u herleven zou, +Als dorre leden, sloopende ouderdom +Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren. +Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!— +Zijt ge aangekomen voor een feest des doods, +Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar. +Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros; +Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt +Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg! + +JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon? +En vluchten? O, bemint gij mijne moeder, +Onteer haar hoogvereerden naam dan niet, +Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken! +De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af? +Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!” + +TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val. + +JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal! + +TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij. + +JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij! +Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied; +Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet. +Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid, +Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit. +U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont, +Mij wel, die nog geen heldendaad bestond. +’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht; +Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht. +Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk, +Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk? +Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven, +Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven! + +TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven? + +JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven. + +TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt. + +JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet. + +TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond. + +JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39 + +TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden. + +JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden? + +TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij. + +JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij? +Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood. + +TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood? +Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam. + +JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam? +Van u te wijken is mij niet vergund, +Zoo min als gij uzelven splitsen kunt. +Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij, +En leef niet als gij valt, maar sterf als gij. + +TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind, +Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint. +Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd, +En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd! + + (Beiden af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Een Slagveld. + +Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door +Talbot ontzet wordt. + +TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht! +Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard; +Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.— +Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf +U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf. + +JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon; +Het eerstgeschonken leven was ontvloôn, +Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven, +Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven. + +TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen, +Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen +Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm +En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm, +Bourgondië, Alençon en Orleans +In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans. +Den bastaard Orleans, die, wild en ruw, +U bij uw maagdestrijd weerstond, en u +Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras, +En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras +Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon +Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon; +Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed +Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed +Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!” +Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde, +Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu; +Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u? +Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer; +Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer! +Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood; +De hulp van éénen man helpt niet in nood. +Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven +In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33 +Ontziet mij Frankrijks woede heden nog, +Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch; +Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt +Mijn leven slechts een enk’len dag verkort. +In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam, +Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam. +Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt; +Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt. + +JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart, +Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart. +Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer, +Een nietig leven voor een schat van eer, +Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde, +Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde, +En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot, +Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot! +Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon, +Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon. +Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen; +Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen. + +TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu, +Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u; +Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde, +Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde. + + (Beiden af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het slagveld. + +Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar +ondersteund. + +TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood? +O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?— +Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu, +Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.— +Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij +Zijn bloedig zwaard beschermend over mij, +En, als een uitgevaste leeuw, volbracht +Hij daden van geweld en reuzenkracht; +Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong +Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong, +Toen dreef hem blinde woede en razernij +Des harten plotseling heen en ver van mij +In ’s vijands dichten drom; de fiere moed +Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed; +Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem, +Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem. + +(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.) + +DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht. + +TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18 +Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd, +In heerlijkheid vereenigd voor altijd, +Twee Talbots zweven door de weeke lucht, +Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.— +O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan, +Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan! +Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis, +Alsof hij Franschman en uw vijand is.— +Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt: +„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”— +Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart; +Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart. +Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer: +Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer. + + (Hij sterft.) + +(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken +achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard, +de Pucelle, met troepen.) + +KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld, +Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden. + +BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed +Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed! + +PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan: +„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”; +Maar, met een blik vol majesteit en hoon, +Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon +Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!” +Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij +Liet hij daar staan als geen bestrijden waard. + +BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard. +Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven +Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven. + +BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld! +Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held! + +KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt, +Toen hij nog leefde, thans niet in den dood! + +(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen +Heraut.) + +LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn, +Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg. + +KAREL. Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53 + +LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord; +Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn. +Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen, +En wensch te zien, wie er gevallen zijn. + +KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel. +Doch zeg mij, wien gij zoekt. + +LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld, +De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury, +En, om zijn heldendaden, ook betiteld +Graaf van Valence, Wexford, Waterford, +Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield, +Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton, +Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield, +Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge, +Doorluchte ridder van Sint George’s orde, +Sint Michaël waardig en het Gulden vlies, +Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam, +Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk? + +PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl! +De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft, +Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem. +Hij, dien gij zoo verheft met al die titels, +Ligt voor uw voeten als een stinkend aas. + +LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel, +De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis? +O, wierden mijner oogen ballen kogels, +Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot! +Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen! +Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82 +Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef, +De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken! +Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’, +En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’. + +PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest, +Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken. +Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier +Verpesten zij de lucht slechts met hun stank. + +KAREL. Ga, neem de lijken mee. + +LUCY. Ik voer ze weg; +Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch, +Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was. + +KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt. +Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen! +Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Londen. Een zaal in het paleis. + +Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter. + +KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen, +Den keizer en den graaf van Armagnac? + +GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt: +Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan, +Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk +Een christenvrede dra gesloten worde. + +KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade? + +GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg +Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten +En veil’ge rust te gronden aan weerszij. + +KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor, +Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk, +Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten, +Bij hen, die één geloof zijn toegedaan. + +GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken +En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt +Graaf Armagnac, een naverwant van Karel, +Een man van veel en groot gezag in Frankrijk, +Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid +Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat. + +KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd! +O, beter passen mij nog vlijt en boeken, +Dan dartel minnekoozen met een bruid. +Maar toch, roep de afgezanten voor en geef +Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt; +Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts +Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land. + +(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van +Winchester in kardinaalsgewaad.) + +EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd +En met den kardinaalsrang nu bekleed? +Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn, +Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde: +„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden, +Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.” + +KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34 +Zijn grondig overwogen en getoetst. +Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig; +En daarom namen wij alsnu ’t besluit, +Voorwaarden voor een vrede vast te stellen, +Die onverwijld mylord van Winchester +Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal. + +GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer +Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo, +Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden, +Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat, +Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn. + +KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag +Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.— +En nu, mylord protector, laat de heeren +Naar Dover begeleiden tot aan boord; +En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee. + + (Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten + af.) + +WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst +De geldsom in ontvangst, die ik beloofde +In dank te kwijten aan zijn heiligheid +Voor de bekleeding met dit plechtgewaad. + +LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde. + +WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen, +Noch wijken voor den fiersten dezer pairs. +Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu, +Dat evenmin in rang als in geboorte +De bisschop zich door u verduistren laat; +Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen, +Of twist en omkeer zal dit land vernielen! + + (Beiden af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Een vlakte in Anjou. + +Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch. + +KAREL. Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken: +Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand, +En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij. + +ALENÇON. Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs! +En dralen houde uw leger niet terug. + +PUCELLE. Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt, +Of anders slechte de oorlog haar paleizen! + +(Een Bode komt op.) + +BODE. De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer, +En alle heil bij al zijn medestanders! + +KAREL. Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10 + +BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was +In twee gedeelten, is geheel vereend +En is van plan terstond u slag te leev’ren. + +KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding; +Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien. + +BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer; +Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer. + +PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees. +Gebied de zege, Karel, en ze is u, +Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’! + +KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Voor Angers. + +Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op. + +PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.— +Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans, +En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt, +En teek’nen zendt van wat gebeuren zal; + +(Donderslagen.) + +Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar +Des noordpools groote koning over heerscht, +Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk! + +(Booze Geesten verschijnen.) + +Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg +Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt. +En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas +In machtige onderaardsche rijken, helpt mij +Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’! + +(De Geesten waren om en spreken niet.) + +O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen. +Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed, +Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef, +En dat u ’t handgeld zij van verder loon, +Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen. + +(De Geesten laten het hoofd hangen.) + +Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf +Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort. + +(Zij schudden het hoofd.) + +Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed +Tot uw gewone hulp en steun bewegen, +Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles, +Eer England op de Franschen triumfeer’! + + (Zij verdwijnen.) + +Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd, +Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25 +En ’t nederleggen moet in Englands schoot. +Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak; +De hel is mij te sterk om meê te worst’len; +Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof. + + (De Pucelle af.) + +(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; +daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt +gevangen genomen. De Franschen vluchten.) + +YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen; +Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken, +En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.— +Een schoone buit, de gunst des duivels waard! +Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst, +En liefst, als Circe, mij herscheppen zou. + +PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen. + +YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man; +Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen. + +PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil, +En moge een hand des bloeds u beiden plotsling +Bij ’t slapen in uw bedden overvallen! + +YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong! + +PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit. + +YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat. + + (Beiden af.) + +(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand +leidende.) + +SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij. + +(Hij beschouwt haar.) + +O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen, +Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan. +Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers, +En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij. +Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer. + +MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning, +Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,— + +SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam. +Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur, +Dat het uw lot was in mijn hand te vallen; +Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost +En houdt dit met haar vleugels als gevangen. +Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft, +Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan. + +(Zij wendt zich af om heen te gaan.) + +O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten; +Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen. +Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen, +Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend, +Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64 +Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken. +Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag. +Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart; +Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet? +Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw? +Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit; +Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp. + +MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt, +Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan? +Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie. + +SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt, +Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen? + +MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven? + +SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard; +Zij is een vrouw en daarom wel te winnen. + +MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen. + +SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw; +Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn? + +MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren. + +SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest. + +MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek. + +SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen. + +MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft. + +SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien? +Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout! + +MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman. + +SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde, +En deze rijken door een vreêverbond. +Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over: +Al is haar vader Napels’ koning, hertog +Van Maine en van Anjou, toch is hij arm, +En heel onze adel schimpt wis op dien echt. + +MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd? + +SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten; +Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.— +(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen. + +MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een +ridder, +En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102 + +SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken. + +MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog; +En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen. + +SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,— + +MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws! + +SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo? + +MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo. + +SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk, +Wanneer zij u tot koningin verheft? + +MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden, +Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid, +Want vorsten moeten vrij zijn. + +SUFFOLK. O, dat zult gij, +Als Englands machtig koning vrijheid heeft. + +MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan? + +SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken, +Een gouden scepter u ter hand te stellen, +Een rijke kroon te drukken op het hoofd, +Wanneer gij gunstrijk mij— + +MARGARETHA. Wat? + +SUFFOLK. Hèm beminnen wilt. + +MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn. + +SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig +Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,— +En zelf geen deel te hebben in de keus.— +Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in? + +MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe. + +SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!— +Prinses, wij willen voor uws vaders burg +Hem dringend vragen om een mondgesprek. + +(Troepen komen nader.) + +(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.) + +SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne. + +REIGNIER. Van wien? + +SUFFOLK. Van mij? + +REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden? +Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal, +Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134 + +SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden; +Sta toe, en sta het voor uw eere toe, +Dat uwe dochter met mijn koning huwt. +Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen, +En deze hechtnis, licht en zacht genoeg, +Heeft koninginne-vrijheid haar verworven. + +REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt? + +SUFFOLK. De jonkvrouw weet, +Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen. + +REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord, +Om antwoord op uw aanzoek u te geven. + + (Reignier af, van den muur.) + +SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af. + +(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.) + +REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied; +Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt. + +SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk, +Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen. +Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek? + +REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde +Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen, +Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen, +Anjou en Maine in vrede mag bezitten, +Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld, +Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht. + +SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij, +En beide deze landen, ’k neem het op mij, +Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten. + +REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik, +Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst, +Haar hand in de uwe, als teeken van verloving. + +SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank, +Naardien dit hand’len voor een koning is. +(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening +In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.— +(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws +En draag er voor de huwlijksviering zorg. +Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant, +Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen. + +REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier, +Uw vromen koning Hendrik zou omarmen. + +MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên +Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174 + +(Zij wil heengaan.) + +SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha, +Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning? + +MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd, +Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen. + +SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd! +Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,— +Geen liefdepand voor zijne majesteit? + +MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart, +Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning. + +SUFFOLK. En dit daarbij. + +(Hij kust haar.) + +MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning +Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden. + + (Reignier en Margaretha af.) + +SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg! +Begeef u niet in zulk een labyrinth; +Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad! +Win Hendrik door het roemen van dit wonder, +Stel u haar weergalooze deugden voor, +Die gaven der natuur, die kunst verduistren; +Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw, +Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt, +Hem zijn bezinning door verbazing rooft. + + (Suffolk af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Het legerkamp van den hertog van York in Anjou. + +York, Warwick en Anderen komen op. + +YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet. + +(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.) + +HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart! +Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht, +En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind, +Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood? +O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u. + +PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm! +Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten, +Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant. + +HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet; +Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel, +Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan, +En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap. + +WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af? + +YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15 +Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu. + +HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn! +God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed, +En meen’gen traan heb ik om u geschreid: +Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne! + +PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald, +Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren. + +HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester, +Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.— +Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!— +Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur +Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik, +Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt, +In rattengif verkeerd om uwentwille! +Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren, +Een uitgevaste wolf u opgevreten! +Zweert gij uw vader af, vervloekte slet? +Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht. + + (De Herder af.) + +YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd, +Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten. + +PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt: +Geenszins de dochter van een armen scheper, +Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams, +Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren: +En aangeblazen door des hemels gunst, +Om wondren, nooit gezien, op aard te werken. +Met booze geesten had ik nooit te doen; +Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt, +Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen, +Met duizenden van ondeugden besmet,— +Dewijl gij Gods genade, die aan andren +Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk, +Wondren te werken zonder ’s duivels hulp! +Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds, +En van haar prille jeugd, een reine maagd, +Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten; +Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed +Om wrake schreien aan des hemels poorten. + +YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking! + +WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is, +Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg; +Zet tonnen pek rondom den folterpaal, +Opdat gij zoo de martling haar verkort. + +PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59 +Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht, +Die naar de wet een voorrecht u verleent.— +Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger; +Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot, +Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs. + +YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger! + +WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan! +Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit? + +YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld; +Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn. + +PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem; +’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk. + +YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! +Het sterft, al waar het duizend levens rijk. + +PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel, +En ook de hertog, dien ik noemde, niet; +Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won. + +WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst! + +YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht, +Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t. + +WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild. + +YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!— +Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’ +Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch. + +PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek. +Dat nimmermeer de lichte zon haar glans +Doe stralen op het land, door u bewoond; +Dat nacht en schaduwen des doods u steeds +Omgeven, tot u onheil en vertwijfling +Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’! + + (De Pucelle met de Wacht af.) + +YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd, +Vervloekte, vuige dienares der hel! + +(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal +Beaufort, komt op met Gevolg.) + +KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet +Met dezen volmachtsbrief van onzen koning. +Want weet, de staten van de christenheid, +Om dezen woesten strijd vol mededoogen, +Verlangen dringend, dat er tusschen ons +En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’; +En reeds komt de dauphijn hier met gevolg +Om over enkle punten te onderhandlen. + +YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102 +Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs, +Aanvoerders, edellieden en soldaten, +Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf +Voor Englands welzijn fier ten beste gaven, +Ten laatste nu een laffen vrede sluiten? +Verloren wij door trouwbreuk, door verraad +En valschheid niet alreeds schier alle steden, +Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?— +O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart +’t Geheel verliezen van het Fransche rijk! + +WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten, +Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn, +Dat luttel slechts de Franschman er bij wint. + +(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en +Anderen.) + +KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is, +In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen, +Zoo komen wij thans van uzelven hooren, +Aan wat bedingen gij den vrede knoopt, + +YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt +Den hollen gang van mijn gevangen stem, +Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie. + +KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld: +Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis +U koning Hendrik ingewilligd heeft, +Uw land te ontheffen van den druk des krijgs, +Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men, +Moet gij vazallen worden van zijn kroon, +En, Karel, op beding, dat gij bezweert +Hem schatting op te brengen, en hem huldigt, +Zult gij, als vicekoning onder hem, +Voortaan u in uw koningsrang verheugen. + +ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn? +Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren, +En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed, +Alleen het recht eens onderdaans behouden? +Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd. + +KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied +Meer dan de helft alreeds in mijn bezit, +En word er als rechtmatig vorst geëerd; +En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel, +Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan, +Slechts vicekoning heeten van ’t geheel? +Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer +Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend, +De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem. + +YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim +Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven; +En nu het komen zal tot een verdrag, +Treedt gij terug en weegt en meet en rekent? +Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert, +Nu als geschenk van onzen koning aan, +Geen aanspraak er op makend als een recht, +Of reken op een eindeloozen krijg. 154 + +REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig +Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag; +Verzuimen wij dit nu, tien tegen een, +Wij krijgen die gelegenheid nooit weer. + +ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek, +Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden +En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks +Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet; +Neem daarom deze wapenschorsing aan, +Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt. + +WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding? + +KAREL. Het zij; +Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons +In een’ge stad van ons ùw volk te leggen. + +YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit: +Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam +Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan, +Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.— + +(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.) + +En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt, +Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen, +Want heilig is de nu gesloten vreê. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter +volgen.) + +KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring +Der schoone Margaretha, graaf, verstomd; +Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid, +Verwekken mij der liefde drang in ’t hart +En evenals de macht van woeste vlagen +Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom, +Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort, +Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen +Waar ik mij in haar min verheugen mag. + +SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht +Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard; +Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,— +Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken— +Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels, +In staat, den stompsten geest nog te verrukken. +En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’, +Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên, +Toch is zij met gelijken zieledeemoed +Geheel bereid om u ten dienst te zijn, +Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid +U als gemaal te minnen, te vereeren. 21 + +KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen. +Stem daarom, lord protector, toe, en zeg: +„Zij Margaretha Englands koningin!” + +GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien. +Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds +Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien, +Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken, +En niet onze eer ontwijden door een blaam? + +SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden; +Of zoo als een, die toezeide op een steekspel +Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat, +Omdat zijn tegenstander hem te min is. +Eens armen graven dochter is te min; +Haar op te geven is daarom geen oneer. + +GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij? +Haar vader is niet beter dan een graaf, +Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels. + +SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning, +Is vorst van Napels en Jeruzalem, +En bovendien in Frankrijk zoo geacht, +Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert, +De trouw der Franschen aan ons kluistren zal. + +GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder, +Want hij is nauw verwant aan den dauphijn. + +EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift, +Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven. + +SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning, +Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn, +Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde. +Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken; +Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden. +O, lage boeren dingen zoo om vrouwen, +Als marktlui om een rund, een schaap, een paard. +Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig, +Om die door zaakwaarnemers af te doen; +En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht, +Zij de genoote van zijn huwlijksbed. +En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint, +Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest, +Om haar in onze meening uit te lezen. +Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel, +Een gansche leeftijd vol van twist en strijd? +Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt +En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65 +Wie huwen wij met Hendrik, met een koning, +Dan Margaretha, dochter van een koning? +Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga, +Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning; +Haar wakk’re geest en onbezweken moed,— +Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,— +Is ons een borg voor kroost, een koning waardig; +Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars, +Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars, +Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden +Als Margaretha zich verbindt in liefde. +Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in: +Slechts Margaretha zij hier koningin. + +KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht, +Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer +Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd +Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,— +Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit: +Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht, +Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees, +Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben. +Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk; +Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen: +Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee +Naar England oversteke en zich laat kronen +Als Hendriks trouwe gade en koningin. +Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending +Kunt gij een tiende heffen van ons volk. +Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94 +Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.— +En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren; +Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart, +Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt +Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil. +En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen +Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed. + + (Koning Hendrik af.) + +GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde. + + (Gloster en Exeter af.) + +SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij +Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta; +Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden, +Maar met een beter slot dan die Trojaan.— +Beheersche Margaretha nu den koning; +Ik echter haar, den koning en het rijk! + + (Suffolk af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie +deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden, +welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York +schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den +grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van +het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals +gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de +volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II, +Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt. +Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit, +draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd +des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning +Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan +laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan. + +Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K. +Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is +het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet +alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even +natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner +voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch +tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van +Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van +tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en +Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de +jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn +Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in +zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening +zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover +kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo +spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen. + +Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare +en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk +zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van +Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel +getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar +de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem +herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel +zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de +andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het +laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het +eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde +deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn +later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun +nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals +te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter, +of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn +vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door +Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier +in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te +leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden, +omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry +Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in +den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn +opgenomen. + +Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet, +staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van +Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te +bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten +tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de +twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van +Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen, +het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen +zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel +de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze +draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van +het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van +het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der +gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze +wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen +worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van +Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later +plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon +hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft +Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan +had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een +krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den +oorlog. + +Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening +verdedigd, dat het eerste deel niet van Shakespeare is en dat met het +tweede een zelfstandig werk begint. Deze meening moet hier met een +woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in den folio van +1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren +nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht +gegeven, en wel onder den titel: The first part of the contention +betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, with the death of +the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke of +Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester, +with the notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first +claim unto the Crowne. London Printed by Thomas Creed, for Thomas +Millington, and are to be sold at his shop under Saint Peters Church in +Cornwall (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een +octavo-boek, dat het derde deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder +den titel: The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of +the good King Henrie the Sixt, with the whole contention betweene the +two Houses Lancaster and Yorke, as it was sundrie times acted by the +Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. Printed at London +by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe under +Saint Peter’s Church in Cornwal (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken +werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal beide in quarto, +uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band +uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had +overgedragen, onder den titel: The Whole Contention Betweene the Two +famous Houses, Lancaster and Yorke, With the tragicall Ends of the good +Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the sixt. Divided +into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William +Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.—Hier wordt dus voor het +eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering en +vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer +afzonderlijke uitgave nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want +Delius heeft dien met al zijn fouten in zijn bekende +Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en het +derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe +ongelooflijk de echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is +de handeling dezelfde en de gang der samenspraken eveneens, maar soms +is van een lange reden slechts een schets gegeven, verzen zijn vaak als +proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken zijn +weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de +samenspraak, hier en daar vindt men geheele gedeelten, die met den +tekst der folio-uitgave overeenkomen, maar midden daarin onzin of +geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen geheel +verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels, +dus gedeelten, die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed +weergegeven. Kortom de tekst bevat gedeelten, die geen ander dichter +uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; andere, die ook de +grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand van den +tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het +gehoor is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den +schouwburg aan het werk zijn geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad +het ging, op papier brachten en dat daarna de een of andere handlanger +de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog treffende +gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen +zijn, maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de +samenflanser de rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft +gehad, maar de ellendige toestand van den tekst maakt zelfs dit niet +waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van uitgeven was in dien +tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig +gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste +deel van Hendrik VI niet meester worden of zag hij in de uitgave geen +voordeel, zoodat nu het tweede en derde deel van K. Hendrik VI tot het +eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen de huizen van +Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en +onaangenaamheden te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel +wegbleef; trouwens iedereen wist toch wel, dat het dezelfde stukken +waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook bij de eerste +onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten. [1] + +Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als +tooneelspeler behoorde, ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven +werd, is onbekend; het is mogelijk, dat de vermelding van dit +gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste deel, alleen +op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook +mogelijk, dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen +moge, zeker is het, wanneer men den tekst van de door Millington +uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde onrechtmatige wijze +moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen +schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later +beter uitgewerkt is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat +het ontbreken van een afzonderlijke uitgave van het Eerste Deel van K. +Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, om laatstgenoemd stuk +niet aan Sh. toe te kennen. + +Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten, +dat de deelen volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere +voorbereidt, dan vinden wij, dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen +waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig jaren van Hendriks +koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie +stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen, +dan vindt men in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een +kind van negen maanden kon den dichter niet dienen,—komt in het eerste +deel voor als knaap, in het tweede als man, in het derde als grijsaard, +zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het is steeds +dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve +Shakespeare, dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van +anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had +kunnen schilderen en hem zulk een roerende goedheid en zooveel +majesteit had kunnen verleenen, dan moet het antwoord ontkennend +luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier stukken +zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het +eerste oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie +deelen van Koning Hendrik VI en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk +de schepping van één dichter.—En dat die dichter niemand anders dan +Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één stemming in al +deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid, +die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen +tegenover de Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven, +waardoor hij al zijn voorgangers en tijdgenooten overtreft. + +Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog +stond aangeschreven, is ons door een uiting van een gelijktijdig +schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op dit stuk in een geschrift: +„Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil”; hij verklaart het +tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen +der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de +helden van weleer uit het graf der vergetelheid weer in het leven +geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, „zou de dappere Talbot, de schrik der +Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat hij, na tweehonderd jaren +in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert en +dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en +verscheidene malen, van wel tienduizend toeschouwers, die in den +treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, hem op nieuw meenen te +zien bloeden!” + +Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt +nog uit een ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook +het derde deel van K. Hendrik VI reeds in 1592 gegeven werd en grooten +bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan ellende ter prooi, de +dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje „A +Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance”, dat Henry +Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens +tooneelspelen de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren, +zijn wrok gelucht over de nieuwere dichters, die, naar hij meende +geheel onverdiend, door de tooneelspelers boven de oudere dichters +werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name Marlowe, +Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond +spreken, den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort, +„want daar is een kraai, een opkomeling, gesierd met onze vederen, die +met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers huid gehuld” gelooft, dat +hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, als de +beste van u; en omdat hij een volkomen Johannes fac totum is, is hij in +zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (Shake-scene) in den +lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon +brengenden weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere +voortreffelijkheid nabootsen, en maak hen nimmer weer met uw bewonderde +dichterlijke vonden bekend!” + +Dat met den naam Shake-scene (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is, +spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart in vrouwenhuid gehuld!” +roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de Hertog van +York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is +duidelijk geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man, +niet zooals wij van geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford +bezocht heeft, een man, die ons, erkende dichters, nabootst en met onze +schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, in zijn +eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij, +evenals zij, met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen +zijn werken tooide, was niet zoo geheel onjuist, en zijn „Koning +Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de reden van het verwijt +niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers in de +schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van +af, daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk +maakte en in veler mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle, +achtte zich weldra, waarschijnlijk op aandrang van Shakespeare of zijn +vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen blaam verdiende, en hij +gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, „Kind-harts +dream” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet +onderdrukt te hebben; „omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn +gedrag als evenzoo beschaafd wellevend (civil) heb leeren kennen, als +hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden +eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel, +die van zijn rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het +schrijven, die zijn kunstvaardigheid bewijst”. + +Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten. + +Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis +Plantagenet, en daarmede tevens het verschrikkelijkst tijdvak van +Engelands geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor +Engeland verloren ging. + +Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn +broeder, de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog +tegen den Dauphijn van Frankrijk, die zich na zijns vaders dood als +Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel hij +aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429 +Orleans ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale +zaak en het optreden der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan. +Wel werd nog in December 1431 de toen negenjarige Hendrik VI te Parijs +plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend jaar begon de +Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche +koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen +zijn oom, den kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder, +den hertog van Bedford, tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op +de krijgsverrichtingen der Engelschen in Frankrijk, en toen, na den +dood van den hertog van Bedford, in September 1435, de hertog van +Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende, +gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot +1447, eer de wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens +door bemiddeling van Suffolk het huwelijk van koning Hendrik VI met +Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, die +onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn +koningshuis nog deed toenemen. + +Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen +tot aan ’s konings huwelijk. De dichter volgt over het geheel de +kroniek van Hall of de daaruit grootendeels geputte kroniek van +Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der +gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt, +wijkt hij van deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas +negen maanden oud was, als aankomend jongeling optreden, en vat de +oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die een dertigtal jaren +duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van Orleans +door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van +Hendrik in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening +van den koning van Frankrijk met den hertog van Bourgondië, de +tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling van een +wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van +Anjou, eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van +Talbot en zijn zoon. Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische +volgorde in acht is genomen, kan men afleiden, in hoeverre Shakespeare +van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming en den dood van de +Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht, +hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen; +het gevecht van Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst +hij voor het optreden der Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen +aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij in de eerste jaren, hoewel +hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde. +Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen +als het gevolg van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en +partijzucht der Engelsche grooten, en van het optreden der Maagd van +Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed der toeschouwers +gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd +van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan +heldenmoed en dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn +van hun inwendige verdeeldheid en van Fransche tooverkunsten. Schrijft +men de laatste niet aan de inwerking des duivels, maar aan de opwekking +toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen door de +Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de +hoofdzaak waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen +veranderd, al heeft hij de rol, die de mededingers Gloster en kardinaal +Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet juist teruggegeven en al +was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer een +welberaden en voorzichtig krijgsman. + +Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans +zoo, en niet anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit +Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, of zij had met helsche machten in +verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands groote dichter het +beeld der Maagd geteekend heeft [2], dat Fransche en Duitsche +geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis van het +Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit +authentieke stukken hebben toegelicht en haar als een der verhevenste +en reinste personen der wereldgeschiedenis hebben doen kennen [3]. Toch +heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel +verloochend; in het geheele stuk is het haar liefde voor land en +koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar zij de helsche machten ter +hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, is het +alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen. + +Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan +het einde van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke +rol speelt, zij hier opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste +en ijverigste aanhangers was van het huis Lancaster, en dat hij +geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met de hem verstrekte +instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk trof +en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het +oog van het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst +der bij het volk gehate Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en +Frankrijk meer en meer voor Engeland verloren ging, werd hij met den +onverzoenlijken haat van het volk beladen. + +Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die +van groot belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken +en van K. Richard III, moge het raadplegen der in dit deel voorkomende +geslachtslijst van het koninklijk huis aanbevolen worden. + + + +I. 1. De graaf van Warwick. Met den onder de optredende personen +voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen Richard Beauchamp, +graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de graaf +van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard +Nevil, die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van +Warwick, Anna Beauchamp, zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer +de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; misschien heeft hij beide +personen voor één gehouden. + +I. 1. 1. Behangt den hemel zwart. De hemel was de kunstterm voor de +zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart bekleed was. +Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis +door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand. + +I. 1. 65. Rheims door ons ontruimd. De Folio leest Roan, dat steeds bij +Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan Rheimes (tweelettergrepig) +moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de maat +duidelijk. + +I. 1. 117. Geen pieken om te planten voor de schutters. Op deze wijze +werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval +der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking a pitched battle. + +I. 1. 131. Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Zoo luidt de +naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder +Falstaff van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien, +evenals aan het publiek, de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn +dan de ridder Fastolf. + +I. 1. 153. Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s +feest met glans te vieren. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden +zullen als vreugdevuren dienen zooals in Engeland op den vooravond van +Engelands beschermheilige werden aangestoken. + +I. 2. 1. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog +toe onbekend. Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De +sterrekundigen waren nog niet bij machte geweest, den schijnbaren loop +der planeet Mars aan den hemel behoorlijk te verklaren. Maar juist +omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den grooten Kepler +ontraadseld. + +I. 2. 29. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft. Sh. vond deze +aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver +(1337–1410), in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de +bekende helden van Karel den Grooten. + +I. 2. 56. Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen. Negen Sibyllen waren +er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, die +aan Tarquinius te koop werden aan geboden. + +I. 2. 110. Eed’le Pucelle. Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog +niet genoemd. + +I. 2. 131. Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen. Halcyonendagen waren bij +de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op een storm +volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op +Sint Maarten, vergeleken. + +I. 2. 138. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar +droeg en zijn geluk. Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden +schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, want gij hebt Cæsar en zijn +geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van Plutarchus door +North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem +aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk +rijk is. + +I. 2. 140. Werd eens Mohammed door een duif bezield. Dit werd door Sh. +zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin +wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit +het oor te pikken, zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den +schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt kwam zoeken; waarna Mohammed +den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif de Heilige +Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn, +van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen +als heilige vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den +heiligen Philippus maagden waren en profeteerden, staat in de +Handelingen der Apostelen te lezen. + +I. 3. De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij. De +blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke +macht, terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan +ook de Dienaars van den bisschop van Winchester optreden. + +I. 3. 35. Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen. De bisschop van +Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, die +tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles +geld te slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord +Winchestergans, reg. 53. + +I. 3. 39. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain. Volgens de +overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus +ligt, verslagen hebben. + +I. 3. 46. Op de plaats geen acht geslagen. In de city mocht geen wapen +getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten der koninklijke +sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen, +zie reg. 84. + +I. 4. 1. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt. Het verhaal van +dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed. + +I. 4. 95. Plantagenet. Talbot noemt Salisbury met den familienaam van +het koninklijk geslacht, omdat hij een afstammeling was van koning +Edward III en de schoone gravin van Salisbury. + +I. 5. 6. Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af. Als iemand aan +een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem. + +I. 5. 21. Als Hannibal. Toespeling op Hannibals krijgslist, die den +Romeinen ontkwam, door ossen met brandende struiken aan de horens naar +hen toe te drijven. + +I. 6. 21. Een trotscher pyramide enz. In Plutarchus vindt men vermeld, +dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis een pyramide stichtte, +en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in een met +juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als +oorlogsbuit veroverd had. + +II. 1. 1. Hier, mannen, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt +door Holinshed van de inneming der stad Mans verhaald. + +II. 2. 38. De deugdrijke gravinne van Auvergne enz. Van dit voorval met +de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding gemaakt. + +II. 4. 3. Te luide spraken we in de Tempelzaal. De lords hadden in de +Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, Lancaster en +York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de +kenteekenen der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze +gekozen zouden zijn, die hier wordt aangegeven, vindt men nergens +vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; dit is te +meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend +onderstelt.—De tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een +geheiligde plaats, waar geen zwaard getrokken mocht worden; hierop +doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats gesproken wordt. + +II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de +vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht +hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden +den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen +zin gebruikt. + +II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was +inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op +het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den +ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en +zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de +aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II. + +II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat +eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder +ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als +van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten +waren. + +II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het +parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht, +dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem +geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen. + +III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort, +bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina +Swijnford. + +III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een +woordspeling: „Roam thither then.” + +III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI +slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten +tusschen Gloster en Winchester te beslechten. + +III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit +teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt. + +III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t +Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city. + +III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium +temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten +er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in +lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar +aanleiding hunner proeven bevestigd. + +III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit +zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn +broeder Aurelius. + +III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet +mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te +vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij +dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond +legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh. +bekend was, weten wij niet. + +III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze +bepaling gold voor de verblijfplaats des konings. + +IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens +Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn +orde hebben afgenomen. + +IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning +wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit +evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik +een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid +voor dezen vijand van Engeland bewijst. + +IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich +met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende +onderneming in het verderf stortte. + +IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels +en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan, +maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek +te vinden. + +V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den +kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij +reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een +anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend. + +V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote +koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s +Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in +het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze +geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning +van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen +Goap. + +V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn +eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde. + +V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius +voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het +gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de +interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van +Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.” + +V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch +noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan +hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus +(of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd +aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien +tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen +Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging +afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge +literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter +Chaucer. + +V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is +in zijn keuze. + +V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli +(1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een +voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood +van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van +zichzelf. + + + + + + + + + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +TWEEDE DEEL. + + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom. + Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings. + Richard Plantagenet, Hertog van York. + Edward en Richard, zijn zonen. + De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord + Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings. + De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York. + Lord Scales, Commandant van den Tower. + Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William. + Sir John Stanley.—Vaux. + Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, + Zeeroovers. + Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen. + John Hume en John Southwell, Priesters. + Bolingbroke, een Geestenbezweerder. + Een Geest, door Bolingbroke bezworen. + Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht. + Emanuël, de klerk van Chatham. + De Schout van Sint Albaan. + Simpcox, een Bedrieger. + Twee Moordenaars. + Jack Cade. + George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en + Michaël, aanhangers van Cade. + Alexander Iden, een Edelman uit Kent. + + Margaretha, Koning Hendriks Gemalin. + Eleonore, Hertogin van Gloster. + Gretha Jordaan, een Heks. + De Vrouw van Simpcox. + + Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. + Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. + Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz. + + + +Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Een staatsiezaal in het paleis. + +Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning +Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal +Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door +Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen. + +SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit +De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk, +Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid +Te huwen met prinsesse Margaretha, +Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn +Der koningen van Frankrijk en Sicilië, +Der hertogen van Orleans, Calabrië, +Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re +Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen, +Volbracht ik uwen last en werd gehuwd; +En leg nu onderdanig, op mijn knie, +Ten overstaan van England en zijn pairs, +Mijn recht op de eed’le koningin in handen +Van uw genade, die het wezen zijt +Der groote schaduw, die ik heb gespeeld: +De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf, +De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving. + +KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne! +Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde, +Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept, +Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid; +Want gij verleendet, in dit schoon gelaat, +Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen, +Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent! + +KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade! +Die innige omgang, die reeds mijn gemoed, +Bij dag en nacht, al wakend en in droomen, +In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer, +Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft, +Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten +Met minder schoone taal, zooals mìjn geest +Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft. + +KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken, +Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos +Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent; +Zóó is de volheid van mijn juichend hart.— +Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde! + +ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd! + +(Trompetgeschal). + +KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank! + +SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt, +Ziehier de artik’len van het vreêverdrag, +Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel! +Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42 + +GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van +Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant +van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen +zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van +Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal +kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het +hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en +overgegeven aan den koning haren vader,”— + +(Hij laat het papier vallen). + +KONING HENDRIK. Wat is er, oom? + +GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst, +Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan; +Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen. + +KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort. + +KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het +graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning +haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den +koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.” + +KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie: +Wij maken u tot eersten hertog Suffolk, +En gorden u het zwaard aan.—Neef van York, +We ontheffen uw genade van ’t regentschap +Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden +Verstreken is.—Dank, oom van Winchester, +York, Gloster, Buckingham en Somerset, +En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick, +Wij danken u voor uwen heuschen groet +Bij de aankomst van mijn waarde koningin. +Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig, +Dat nu haar kroning waardig zij gevierd. + + (De Koning, de Koningin en Suffolk af.) + +GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren, +Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,— +Uw leed, het algemeene leed des lands! +Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd, +Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd; +Had hij zoo vaak het open veld ter woon +In winterkoude en dorre zomerhitte, +Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren; +En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd +Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden; +Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham, +Zeeghafte Warwick, Salisbury en York, +In Normandië en Frankrijk diepe wonden; +En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf, +Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk, +Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten, +Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend, +Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden; +En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen, +In prille jeugd reeds in Parijs gekroond; +En moet die arbeid en die roem vergaan? 95 +Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid, +Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven? +O, pairs van England, smaadvol is die zoen, +Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij! +Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt +De letters weg van uwen lof, verminkt +Elk monument van Frankrijks onderwerping, +Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest! + +KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken, +Die rede met zoo breede omslachtigheid? +Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast. + +GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen, +Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,— +Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,— +De leenen Maine en Anjou weggeschonken +Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel +Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt. + +SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf, +Die landen zijn de poort van Normandië.— +Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon? + +WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren; +Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren, +Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan. +Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide; +Met dezen mijnen arm nam ik die in; +En steden, die ik voor ons won met wonden, +Die geeft men nu terug met vredeswoorden? +Mort Dieu! + +YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog, +Die de eere van dit heldeneiland schendt! +Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten, +Dan ik in dezen zoen getreden waar’! +Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten +Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen; +En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg, +En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt! + +GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk +Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen +Voor ’t halen en de kosten van den tocht! +Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren, +Aleer— + +KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig. +Het was de wil van onzen heer en vorst. + +GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel; +Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen, +’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141 +Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat, +’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef, +Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan. +Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben, +Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde. + + (Gloster af.) + +KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector. +’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is, +Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand, +En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings. +Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte +Het naaste recht bezit op Englands kroon; +Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan, +En van heel ’t westen ’t rijke koningschap, +Voor Gloster bleef er reden om te morren. +Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal +Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede! +Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt, +En hem den goeden hertog Humfried noemt, +En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt: +„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!” +En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!” +Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn +Blijkt hij nog een gevaarlijke protector. + +BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector, +Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?— +Mijn neef van Somerset, vereent u met mij, +En allen samen, met den hertog Suffolk; +Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl. + +KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen; +Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan. + + (De Kardinaal af.) + +SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons +De trots en hooge rang van Humfried kwets’, +Laat ons dien stouten kardinaal bewaken. +Zijn overmoed is minder nog te dragen, +Dan die van al de prinsen van het rijk; +Als Gloster valt, zal hij protector worden. + +BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik, +Trots hertog Humfried en den kardinaal. + + (Buckingham en Somerset af.) + +SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt. +Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid, +Betaamt het òns voor Englands heil te waken. +Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders +Dan als een waardig edelman gedroeg. 184 +Maar vaak zag ik den stouten kardinaal, +Meer op soldatenwijs dan als een priester, +Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer, +Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs, +Een heerscher over land en volk onwaardig.— +Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms, +Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven, +Verwierf u groote gunst bij al het volk, +’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried, +En uwe daden, broeder York, in Ierland, +Waar gij het volk tot orde hebt gebracht, +Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk, +Toen gij regent voor onzen koning waart, +Verwierven u des volks ontzag en liefde.— +Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn, +En breid’len en verstikken wij den trots +Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht, +Die Somerset en Buckingham bezielt; +En laat ons Gloster steunen in zijn doen, +Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt. + +WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk +Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint. + +YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond. + +SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t +mijne! + +WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren; +Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat +Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde! +Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne, +Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne. + + (Salisbury en Warwick af.) + +YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk; +Parijs ging over; Normandiës behoud +Hangt aan een haar, nu die verloren zijn. +Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs +Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne +Twee hertogdommen voor een hertogskind. +Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen? +Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet. +Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven, +Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken, +Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn; +Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren +Er luid om weent, en bang de handen wringt, +’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt, +Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten, +Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht; +Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong, +Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt. +Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland, +Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed, +Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout +Voor ’t harte van den prins van Calydon. +Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236 +Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde, +Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond. +Eens komt de dag, dat York het zijne vordert; +Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan, +En geef den trotschen Humfried goede woorden, +En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon; +Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel. +Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden, +Of in de kindervuist den scepter klemmen, +Of met den diadeem zijn hoofd versieren, +Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt. +Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt; +Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam, +En sla des staats geheimen immer gâ, +Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend +Met Englands duurgekochte koningin, +En Humfried met de pairs in strijd geraken; +Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog, +Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle, +En laat York’s wapen stralen op mijn standaard +Ter worstling met het huis van Lancaster; +En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd, +Die England van zijn luister heeft beroofd! + + (York af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster. + +Gloster en de Hertogin komen op. + +HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren +Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last? +Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd, +Als kwelde hem der wereld lieflijkheid? +Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond +En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten? +Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem, +Omzet met alle heerlijkheid der wereld? +Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat, +Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft. +Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!— +Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer; +En hebben wij te zaam hem opgeraapt, +Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel, +En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen, +Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen. + +GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade, +Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest! +Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning, +Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht, +Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!— +Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij. + +HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het +Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom. + +GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25 +Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien, +Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal; +En op de stukken werden toen de hoofden +Geplaatst van Edmond, hertog Somerset, +En William de la Pole, nu hertog Suffolk, +Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt. + +HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs, +Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof, +Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal. +Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog; +’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,— +En in den trotschen zetel, die ter kroning +Van koningen en koninginnen dient; +En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij, +En plaatsten op mijn hoofd den diadeem. + +GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven; +Hoovaardig wezen! booze Eleonora! +Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk, +En des protectors welbeminde gade? +Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens, +Ver boven al, wat gij ooit denken kondt? +En moet gij immer hoogverraad gaan smeden, +Om uwen man, uzelf ook, van den top +Der eer te stooten aan den voet der schande? +Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer! + +HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore, +En dat, omdat zij u haar droom vertelt? +’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf, +En zal gekijf vermijden. + +GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht, +Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen, +Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen. + +GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan? + +HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond. + + (Gloster en de Bode af.) + +Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet; +Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt. +Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed, +Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg, +En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts; +En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol +Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.— +Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang; +Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik. + +(John Hume komt op.) + +HUME. Behoede Jezus uwe majesteit! + +HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade. + +HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen +Voorzeker uw genade in macht en eer. 73 + +HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken +Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks, +En Roger Bolingbroke, den duivelbanner? +Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn? + +HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid +Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen, +Die op de vragen, die uw hoogheid hem +Gelieven zal te stellen, antwoord geeft. + +HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken. +Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn, +Zij alles naar behooren uitgevoerd. +Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed +Met uwe helpers in dit groote werk. + + (De Hertogin af.) + +HUME. Te goed doen met het goud der hertogin? +Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume? +Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum! +De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen. +Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor, +Dat ik de heks nog heden bij haar breng; +Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas. +Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,— +Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal, +En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk; +Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee, +Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen, +Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’, +En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen. +Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper; +Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper. +Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver, +Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt. +Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind +Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net, +En hare schuld doet hertog Humfried vallen. +Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen. + + (Hume af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een vertrek in het paleis. + +Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften. + +EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt +hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften +allen gezamenlijk aan. + +TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; +de Heere Jezus zegene hem! + +(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.) + +EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. +Ik wil de eerste zijn, ja! + +TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en +niet de lord protector. + +SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij? + +EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den +lord protector. + +KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften +aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17 + +EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John +Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en +landerijen en vrouw en alles onthoudt. + +SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? +(Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor +zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij +schurk? + +TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor +onze geheele buurtschap. + +PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas +Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van +de kroon is. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de +wettige erfgenaam der kroon was? + +PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester +zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was. + +SUFFOLK. Is daar iemand? + +(Een Dienaar komt op.) + +Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om +zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van +den koning. + + (De Dienaar met Peter af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht +Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift +Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem. + +(Zij verscheurt de smeekschriften.) + +Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg. + +DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan! + + (De Smeekelingen af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode, +Is dit de wijs van doen aan Englands hof? +Is dit hier in Brittanje ’t koningschap, +Is dit de macht van Albions beheerschers? +Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig, +Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster? +Moet ik in rang en titel koningin, +Maar onderdane van een hertog zijn? 52 +Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours +Ter eere van mijn liefde een rit bestondt, +En onzer Fransche vrouwen harten staalt, +Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u, +In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken, +Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt +Ave Maria’s met zijn rozenkrans, +Apostels en profeten zijn zijn ridders, +En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens, +Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden +De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen. +Ik wenschte, dat de raad van kardinalen +Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde, +Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf; +Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge. + +SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was, +Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook +In England u geheel tevredenstellen. + +KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester, +Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset, +En Buckingham, en de altijd wreev’le York; +En wie de minste van die allen is, +Vermag in England meer dan zelfs de koning. + +SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag, +Vermag in England minder dan de Nevils; +Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs. + +KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel, +Als des protectors vrouw, die trotsche prij; +Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen, +Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw. +Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin; +Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf +En op onze armoe schimpt zij in haar hart. +Zou ik het niet beleven mij te wreken? +Die trotsche, laaggeboren helleveeg! +Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden? +De sleep der minste van haar rokken was +Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk +Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf. + +SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd, +En daar een koor lokvogels bij geplaatst, +Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten +En nooit meer op zal vliegen, u tot leed: +Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij; +Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96 +Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten +Bij hem ons scharen en bij de andere lords, +Totdat wij hertog Humfried vallen deden. +Wat hertog York betreft, die laatste klacht +Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen. +Zoo wieden wij hen allen, een voor een, +En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan. + +(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de +Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham, +Salisbury en Warwick.) + +KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords; +’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde. + +YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd, +Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd. + +SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is, +Dan worde York regent, ik sta ’t hem af. + +WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet, +Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig. + +KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken. + +WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re. + +BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick. + +WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen. + +SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham, +Waarom in deze Somerset zou voorgaan. + +KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest. + +GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg, +Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken. + +KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft +Gij dan protector van zijn majesteit? + +GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk, +En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer. + +SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af. +Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?— +Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk; +Aan de overzij won de dauphijn steeds veld; +En alle pairs en eed’len van het rijk +Zijn slaven onder uw bewind geweest. + +KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid +Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132 + +SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen +En de opschik van uw vrouw het rijk te staan. + +BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid, +Waarmee gij euveldaders hebt bestraft; +Dit levert wis u aan haar strengheid over. + +KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden +In Frankrijk zoo bewezen als vermoed, +Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd. + + (Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier + vallen.) + +Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet? + +(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.) + +Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis! + +HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche; +Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten, +Ik grifte er u mijn tien geboden in. + +KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet. + +HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig, +Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling; +Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’, +Niet ongestraft zal zij Lenore slaan. + + (De Hertogin af.) + +BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na, +En sla ook Humfried gade, wat hij doet; +Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor +Om dol van woede in haar verderf te rennen. + + (Buckingham af.) + +(Gloster komt weder op.) + +GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld, +Door hier het binnenhof eens rond te gaan, +Kom ik de staatsbelangen weer bespreken. +Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen, +Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af; +Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig, +Als ik getrouw mijn land en koning min. +Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.— +Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt +Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied. + +SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund, +Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon, +Hoe York het minst van allen er voor deugt. + +YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk; +Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan; +En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd, +Mylord van Somerset mij hier zou houden, +Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot, +Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt; +Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs +Berend werd, uitgehongerd en verloren. + +WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad +Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177 + +SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick! + +WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen? + +(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.) + +SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd; +God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’! + +YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad? + +KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden? + +SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man +Legt aan zijn meester hoogverraad te last. +Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York, +Naar recht de kroon van England dragen moest, +En dat uw heerschappij onwettig is. + +KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man? + +HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of +zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van +dien schurk. + +PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren, +hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren, +onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting. + +YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd +Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!— +Ik smeek uw koninklijke majesteit, +Laat hem de strengheid van de wet gevoelen. + +HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit +gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een +paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat +hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor +bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet +in het verderf op de aanklacht van een booswicht. + +KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn? + +GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst: +Laat Somerset regent in Frankrijk zijn, +Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat; +En dezen zij een dag en plaats bepaald, +Dat zij zich meten in een tweegevecht, +Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven. +Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak. + +SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit. + +HORNER. En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216 + +PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb +medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk! +O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te +vechten. O, lieve God, mijn hart! + +GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen. + +KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag +Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.— +Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster. + +Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op. + +HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van +uw beloften. + +BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade +onze bezweringen zien en hooren? + +HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd. + +BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van +een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat +gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij +daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg +gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En +nu, aan den gang. + +(De Hertogin verschijnt op het balkon.) + +HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom! +Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter. + +BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd. +De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht, +De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd, +Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen, +En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen, +Die tijd past voor ons voorgenomen werk. +Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen, +Dien houden we in een heil’gen cirkel vast. + +(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den +tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het +dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.) + +GEEST. Adsum. + +MARGRIET JORDAAN. Asmath! +Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht +U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen; +Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier. + +GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31 + +BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot +wacht hem?” + +GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af; +Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan. + +(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.) + +BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?” + +GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde. + +BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?” + +GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden; +Veel veil’ger is hij op een zandig strand, +Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen. +Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren. + +BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer. +Weg, booze geest! + + (Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.) + +(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met +Wachten.) + +YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!— +Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!— +Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze +Zijn rijk en koning diep bij u in schuld; +De lord protector brengt u zonder twijfel +Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten. + +HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning. +Smaadlustig man, die zonder reden dreigt! + +BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij +dit? + +(Hij houdt haar een papier voor.) + +YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden +Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons; +Stafford, voer gij haar met u.— + + (De Hertogin boven af.) + +Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht; +Weg met hen allen! + + (De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.) + +YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt; +Een prachtig plan om verder op te bouwen! +Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft. +Wat staat hier? +(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af; +Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.” +Nu, ’t is volkomen: +Aio te, Æacida, Romanos vincere posse. +Goed; verder; +„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?— +Door water komt hij om en vindt zijn einde.— +Wat zal den hertog Somerset weervaren? +Kasteelen moog hij mijden; +Veel veil’ger is hij op een zandig strand, +Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.” +Wat zegt gij, lords? +Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen, +En zwaar ook te verstaan. +De koning is op weg naar Sint-Albaans, +De man van deze teed’re vrouw is bij hem; +Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen, +Den lord protector wel een boos ontbijt! + +BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York; +Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon. + +YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand? + +(Een Dienaar komt op.) + +Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond +De lords van Salisbury en Warwick.—Komt! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Sint-Albaans. + +Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk +komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen. + +KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords, +Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar; +En toch, de wind was sterk; tien tegen een, +Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam. + +KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar +boven, +En steeg ver boven al die andren op! +Hoe toont zich God in al zijn creaturen! +Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog! + +SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid, +Dat des protectors valken zoo goed stijgen; +Zij weten, dat hun heer liefst boven is, +En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken. + +GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest, +Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen. + +KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij. + +GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon, +Als ge u verheffen kondt tot in den hemel? + +KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat! + +KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19 +Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat; +Gevaarlijke protector, booze pair, +Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt! + +GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig? +Tantæne animis cælestibus iræ? +Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok: +Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet? + +SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is +Bij zulk een goede zaak en slechten pair. + +GLOSTER. Als wie, mylord? + +SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord, +Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen. + +GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel. + +KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster. + +KONING HENDRIK. Lieve vrouw, +Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan; +Gezegend zij, die vrede op aarde stichten. + +KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard +Den vrede aan den protector brengen wil. + +GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens +daartoe komen! + +KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft! + +GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht; +Houd met uw eigen lijf den laster vol! + +KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft, +Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch. + +KONING HENDRIK. Wat is er, lords? + +KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar +Riep al te vroeg den valk terug; de jacht +Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw +tweehands-zwaard. + +GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom. + +KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch. + +GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal. + +KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster? + +GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders. +(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin; +Of anders is mijn vechtkunst niets. 52 + +KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum— +Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf! + +KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder. +Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet! +Als zulke snaren valsche tonen geven, +Hoe is er dan ooit hoop op harmonie? +Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg. + +(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”) + +GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit? +Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept? + +DE MAN. Mirakel! Mirakel! + +SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel. + +DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even +In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug, +Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft! + +KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen +In ’t duister licht, troost in ellenden geeft! + +(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een +stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop +volks.) + +KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht, +En stelt den man aan uwe hoogheid voor. + +KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde +Door ’t zien de lokking van de zonde meer. + +GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning; +’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken. + +KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg, +Opdat wij God om u verheerlijken. +Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende? + +SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren. + +VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen. + +SUFFOLK. Wie is die vrouw? + +VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw. + +GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis. + +KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan? + +SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade. + +KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan; +Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn; +Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed. + +KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier, +Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88 + +SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal +En meer nog riep de goede Sint Albaan +Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom, +En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!” + +VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen, +Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep. + +KARDINAAL. En zijt ge ook lam? + +SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij! + +SUFFOLK. Hoe werdt gij dat? + +SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen. + +VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom. + +GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind? + +SIMPCOX. O, blindgeboren. + +GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen? + +SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven. + +VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan. + +GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen! + +SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen, +En daarom klauterde ik op lijfsgevaar. + +GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.— +Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;— +Naar mijne meening ziet gij nog niet goed. + +SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan! + +GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel? + +SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed. + +GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed? + +SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git. + +KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus? + +SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien. + +GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik. + +VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet. + +GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam? + +SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet. + +GLOSTER. En zijn naam? + +SIMPCOX. ’k Weet niet. + +GLOSTER. En ook de zijne niet? + +SIMPCOX. Neen, waarlijk niet. + +GLOSTER. Hoe is uw eigen naam? 124 + +SIMPCOX. Sander Simpcox, als het u belieft, heer. + +GLOSTER. Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar +In christenlanden. Werdt gij blind geboren, +Dan kunt gij best al onze namen weten, +Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt. +Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden, +Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.— +Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder; +Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot, +Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf? + +SIMPCOX. O, als de heer dit kon! + +GLOSTER. Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in +uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt? + +MAYOR. O ja, mylord, om uwe genade te dienen. + +GLOSTER. Zend er dan dadelijk om een. + +MAYOR. Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier. + + (Een Dienaar gaat heen.) + +GLOSTER. Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank +gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over +deze zitbank en loop weg. + +SIMPCOX. Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan; +Al pijnigt gij mij ook, het is om niet. + +(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich +heeft.) + +GLOSTER. Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te +komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt. + +STOKKEKNECHT. Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit. + +SIMPCOX. Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan. + + (Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over + de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: + „Mirakel!”) + +KONING HENDRIK. God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig? + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag +loopen. + +GLOSTER. Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê. + +VROUW SIMPCOX. Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan. + +GLOSTER. Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek; +En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn. + + (De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.) + +KARDINAAL. Een wonder heeft heer Humfried daar verricht. + +SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162 + +GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden, +Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden. + +(Buckingham komt op.) + +KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham? + +BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen. +Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind, +Heeft, met de hulp en medeplichtigheid +Van des protectors gade Eleonore, +De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot, +Met schandlijk overleg uw troon bedreigd, +Met heksen en bezweerders in verbond; +Wij hebben hen op heeter daad betrapt, +Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden, +Hun vroegen naar het leven en den dood +Des konings en der leden van zijn raad, +Zooals uw hoogheid nader hooren zal. + +KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade +Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen. +(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af, +En aan uw uur zult gij u wel niet houden. + +GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken. +Gebroken is mijn kracht door zorg en leed, +En overweldigd wijk ik thans voor u, +Ja, voor den laagsten knecht. + +KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen; +Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf! + +KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest; +Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best. + +GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd +Mijn liefde aan land en koning heb gewijd; +Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat, +En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde. +O, edel is zij, maar indien zij deugd +En eer vergat, en omging met gespuis, +Dat, zooals pik, een edel huis besmet, +Verban ik haar van mij, mijn disch en bed; +Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande, +Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande. + +KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten, +En morgen keeren wij naar Londen weer, +Doorgronden daar de zaak met alle zorg, +En dagen de euveldaders ten verhoor, +En wegen alles in de juiste schalen +Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen. + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Londen. De tuin van den Hertog van York. + +York, Salisbury en Warwick komen op. + +YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick, +Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal, +Op deze stille wand’ling mij geruststel, +En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel +Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon. + +SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven. + +WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed, +Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen. + +YORK. Zoo hoort:— +Edward de derde, lords, had zeven zoons: +Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins; +Ten tweede William Hatfield; Lionel, +Hertog van Clarence, was de derde; dan +Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster; +Dan verder Edmond Langley, hertog York; +Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde; +William van Windsor was de laatste en zevende. +Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader, +En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven +Des derden Edwards zat op Englands troon, +Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster, +De zoon en erfgenaam van Jan van Gent, +Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam, +Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong, +Zich meester maakte, de arme koningin +Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret, +Alwaar, zooals u beiden is bekend. +De goede Richard schandlijk werd vermoord. + +WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt; +Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon. + +YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht; +Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen, +Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen. + +SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na. + +YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn +Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na, +Philippa, die met Edmond Mortimer, +Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu +Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon, +Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore. + +SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39 +De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,— +En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower +Hem levenslang in hechtnis had gehouden; +Doch ga nu voort. + +YORK. Zijn oudste zuster, Anna, +Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde +Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was +Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon. +Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde +Roger, den graaf van March, en die was zoon +Van Edmond Mortimer en van Philippa, +Die de een’ge dochter was van Lionel, +Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn +Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning. + +WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn? +Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent, +Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden. +Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen; +Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons, +De schoone spruiten van den eed’len boom. +Dies, vader Salisbury, hier saam geknield! +Laat ons op stille plek hier de eersten zijn, +Die onzen echten souverein begroeten, +Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen. + +BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer! + +YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet, +Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is +Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster; +En dit is geenszins plotsling te volvoeren, +Maar eischt beleid en stille heimlijkheid. +Doet zooals ik in dezen boozen tijd, +Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid, +Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven, +En dat van Buckingham en heel hun bent, +Tot zij den herder van de kudde omstrikken, +Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried. +Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken +Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan. + +SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven. + +WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick +York’s hertog eens tot koning maken zal. + +YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg, +Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick +De grootste man in England na den koning. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een Gerechtszaal. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York, +Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster, +Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht +binnengeleid. + +KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw. +Voor God en ons is uwe misdaad groot; +Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden, +Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.— +Gij and’re vier, terug naar uwen kerker; +En uit den kerker naar de plaats der straf: +Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand; +U drieën wacht de wurging aan de galg.— +Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte +Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer, +Drie dagen openbare boete doen, +Dan in uw eigen land verbannen leven, +Bij Sir John Stanley op het eiland Man. + +HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood. + +GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd, +Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt. + + (De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.) + +Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart. +Ach, deze schande van uw ouderdom +Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.— +Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan; +Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust. + +KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat, +Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen +Protector zijn; en God zij nu mijn hoop, +Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet! +En ga in vrede, mij niet minder dierbaar, +Dan vroeger als protector van uw vorst. + +KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning +Beschermd behoeft te worden als een kind.— +Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!— +Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd. + +GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik; +’k Hergeef u even gaarne dezen staf, +Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf; +’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw, +Als and’rer hand hem gretig vatten zou. +Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden, +Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden. + + (Gloster af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39 +En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf, +Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal: +Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt, +En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand +Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand. + +SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd; +Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd. + +YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid, +Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald; +En klager en beklaagde staan gereed, +De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk, +Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien. + +KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts +Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten. + +KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles; +De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht! + +YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan, +Zoo angstig om te vechten, als de klager, +Die dienaar van den wapensmid, mylords. + +(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó +toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een +zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager. +Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een +stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.) + +EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En +wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan. + +TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman. + +DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en +wees niet bang voor dien gezel! + +HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een +knip voor den neus voor Peter! + +EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang. + +TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de +eer op van de gezellen! + +PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; +want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan +heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem, +gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik +heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den +baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd. + +SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij +knaap, hoe heet gij? + +PETER. Peter, inderdaad. + +SALISBURY. Peter,—hoe nog meer? + +PETER. Stomp. 84 + +SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn. + +HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn +knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk +man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit +kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op +een slag, die neerkomt! + +SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. +Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’! + +(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.) + +HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad. + + (Horner sterft.) + +YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw +meester in den weg kwam. + +PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O +Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht. + +KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog; +Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was; +En de algerechte God heeft ons onthuld +De trouw en onschuld van deze’ armen knaap, +Dien hij met boos geweld vermoorden wilde. +Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Aldaar. Een straat. + +Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad. + +GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk; +En zoo volgt op den zomer steeds de winter, +Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len +Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden. +Hoe laat is ’t, mannen? + +DIENAAR. Bijna tien, mylord. + +GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest +Op ’t komen van mijn boetedoende gade; +Hoe zal haar teedere en verwende voet +Der straten scherpe keien ooit verduren? +Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd, +Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart +En bij uw schande lacht met boozen blik, +Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets, +Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt. +Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen, +Bereid ik voor, om haar ellend te zien. + +(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met +papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de +hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.) + +DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17 + +GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij. + +HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien? +Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren; +Zie, hoe de wufte menigte op u wijst, +Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt! +Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween +Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek +Uw felle haters, beide de uwe en mijne. + +GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed! + +HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet! +Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben, +En gij een vorst, protector van dit land, +Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden, +Bekneld in smaad, behangen met papieren, +Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen +Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort. +Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet; +En krimp ik saam, dan lacht het booze volk +En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan. +O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen? +Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie, +Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien? +Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht, +’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel! +Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw, +En hij een prins en een regent van ’t rijk; +Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst, +Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos, +Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting +Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!” +Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande; +En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd +De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn; +Want Suffolk, hij, die alles is in alles +Bij haar, die ù haat en ons allen haat, +En York, en ook die valsche paap, Beaufort,— +Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels; +En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u; +Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is, +En kom vooral uw vijand nimmer voor. + +GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd; +’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd; +Al waren mijne haters twintigvoud, +En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd, +Zij allen konden mij in ’t minst niet deren, +Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben. +Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64 +Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt, +Maar ik om wetsverkrachting in gevaar. +Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora; +Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak +Van weinig dagen is weldra gedaan. + +(Een Heraut komt op.) + +HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat +op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden. + +GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen! +Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn. + + (De Heraut af.) + +Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff, +Beperk u bij haar boete tot het vonnis. + +SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier; +Aan Sir John Stanley is nu opgedragen +Haar mee te nemen naar het eiland Man. + +GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken? + +STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last. + +GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag, +Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht +De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik +Nog leven om het goede u te vergelden, +Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel. + +HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel? + +GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan. + + (Gloster en zijn Dienaren af.) + +HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u; +Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,— +De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed, +Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.— +Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg; +Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst; +Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast. + +STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94 +Daar zult gij naar uw stand behandeld worden. + +HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad; +Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn? + +STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade; +Naar dezen stand zal uw behandeling zijn. + +HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef, +Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid. + +SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe. + +HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.— +Kom, Stanley, gaan wij? + +STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af; +En gaan we u hullen in een reisgewaad. + +HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af; +Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen, +En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi. +Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF + + +EERSTE TOONEEL. + + +De abdij te Sint Edmund’s Bury. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, +Kardinaal Beaufort, Suffolk, York, +Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting. + +KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt, +Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,— +Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam. + +KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien, +Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd? +Met welk een majesteit hij zich gedraagt, +Hoe overmoedig hij geworden is, +Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach? +Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk; +En blikten wij, van verre zelfs, hem aan, +Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed +Was de bewondring van geheel het hof. +Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend, +Als toch een ieder goeden morgen wenscht, +Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog, +En gaat met ongebogen knie voorbij, +De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend. +Wie let er op, als kleine hondjes keffen? +Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen; +En Humfried is in England geen klein man. +Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed, +En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou. +Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,— +Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt, +En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,— +Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon +Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft. +Door vleien won hij der gemeenten gunst, +En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,— +Dit is te duchten,—allen hem gedwee. +’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels; +Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof +En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33 +Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij +’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren. +Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees; +En moet die vrees voor beter gronden wijken, +Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.” +Mylords van Suffolk, Buckingham en York, +Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb; +Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof. + +SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien; +En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen, +’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld. +De hertogin begon, zoo waar ik leef, +Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten; +En was hij niet in deze schuld betrokken, +Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,— +Als die de naaste staat aan Englands troon, +En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle, +In ’t brein geschokte hertogin wis aan, +Om boos naar onzes vorsten val te streven. +Glad stroomt het water van een diepe beek, +Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud. +Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil? +Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man, +Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog. + +KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde +Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven? + +YORK. En hief hij niet, toen hij protector was, +In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds +Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond, +Wat daag’lijks in die steden oproer wekte? + +BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre +Verborgen feilen van dien gladden hertog, +Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal. + +KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen +Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk; +Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen? +Van onzen oom van Gloster is het denken +Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre, +Als van een zuigend lam of zachte duif. +De hertog is te zacht en welgezind, +Om in den droom zelfs naar mijn val te staan. + +KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen! +Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd, +Want als een booze raaf is hij gezind. +Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend; +Als van een fellen wolf is zijn gemoed; +Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil? +Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn +Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man. + +(Somerset komt op). + +SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning! + +KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk? + +SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied +U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85 + +KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede! + +YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op +Frankrijk, +Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb. +Zoo sterven mijne bloesems in den knop, +En klagen rupsen mijne blaad’ren weg; +Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders +Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht. + +(Gloster komt op.) + +GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil! +Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn. + +SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen, +Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt. +Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis. + +GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken +Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis; +Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt. +Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk, +Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst. +Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig? + +YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht, +En gij ons leger zijn soldij onthieldt, +Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren. + +GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden? +’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd, +Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen. +Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb, +Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend! +Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal, +Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard, +Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij! +Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond, +Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde, +Aan ons bezettingsleger uitgekeerd, +En nooit verlangde ik iets terugbetaald. + +KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren. + +GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God! + +YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector +Vreemde, ongehoorde martelingen uit, +En England werd berucht door zulk een wreedheid. + +GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur +Mijn een’ge feil te groote deernis was, +Want bij eens euveldaders tranen smolt ik, +En liet hem vrij voor woorden van berouw. +Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief, +Die arme reizigers had uitgeschud, 129 +Dan legde ik nooit de volle straf hem op. +Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik, +Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad. + +SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord, +Doch grooter schuld wordt u te last gelegd, +Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt. +In naam des konings neem ik u in hechtnis; +Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u, +Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst. + +KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop, +Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren; +Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt. + +GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk. +Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt, +Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd; +Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert, +En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen. +Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven; +En kon mijn dood dit land gelukkig maken, +Waar’ die het einde van hun dwinglandij, +Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven; +Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk; +Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden, +Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet. +Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid, +Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat; +De scherpe Buckingham geeft met zijn tong +Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht; +De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt +En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok, +Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven; +En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren +Mij zonder reden oneer op het hoofd, +En deedt met alle kracht en vlijt het uwe, +Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd. +Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,— +Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,— +Om naar mijn schuldloos leven mij te staan. +Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel; +Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan; +Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden, +Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt. + +KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk! +Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden +Voor des verraads verborgen, moordziek mes, +Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden, +En de euveldader vrijheid heeft van spreken, +Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld. + +SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet +Gesmaald met booze, slim gekozen woorden, +Als had zij mannen omgekocht tot meineed, +Om hem door valsch getuignis te doen vallen? + +KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen. + +GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies; +Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch! +En dan heeft wie verliest wel recht van spreken. + +BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier. +Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187 + +KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed. + +GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg, +Aleer hij stevig op zijn beenen staat!— +Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd, +En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt! +O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan! +’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan! + + (Gloster door eenige Dienaren weggeleid.) + +KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid +Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren. + +KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten? + +KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart; +Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze; +Mijn lichaam is van jammer gansch omgord; +Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?— +Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat +De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid; +En, goede Humfried, de ure moet nog komen, +Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen. +Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien, +Dat deze groote lords en onze gade +’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven? +Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt, +En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt, +En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil, +En voorttrekt naar het bloedig slagersblok, +Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd; +En evenals de moeder loeiend rondloopt, +En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd, +En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling, +Bejammer ik des goeden Gloster’s val +Met tranen, die niet helpen, blik hem na +Met dofgekreten oog en kan niets doen, +Want zijn gezworen haters zijn te machtig. +’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef +Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet: +„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.” + + (Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin + Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de + laatste blijft afzonderlijk staan.) + +KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon, +Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken, +Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn +Misleidt hem, evenals de krokodil 226 +Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt, +Of als de slang, verscholen onder bloemen, +Met glanzend bonte huid, een kind verwondt, +Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant. +Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,— +En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,— +Dra ware Gloster vrij van aardsche smart, +En wij van alle vrees voor hem bevrijd. + +KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst, +Doch wij behoeven voor zijn dood een reden; +Hij sterve naar den eisch van recht en wet. + +SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst; +Wis zal de koning trachten hem te redden, +En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden; +En beet’re gronden kunnen wij niet geven, +Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient. + +YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer. + +SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer. + +YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.— +(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk, +Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is, +Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen +Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden, +En Humfried, om den koning te beschermen? + +KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens. + +SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin, +Den vos als kuddewachter aan te stellen? +Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd, +Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten, +Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd? +Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is, +Bewezen vijand van natuur der kudde, +Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed, +Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst. +En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden; +Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond, +In slaap of wakend, alles is hetzelfde, +Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog, +Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog. + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk! + +SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied; +Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend; +Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,— +Wijl ik de daad als prijzenswaard erken, +En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,— +Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272 + +KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk, +Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen. +Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt, +En ik bezorg u, die de daad volvoert; +Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte. + +SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk. + +KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik. + +YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten, +Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings +U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven, +En de Engelschen verdelgen met het zwaard. +Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede, +Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt; +Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling. + +KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt. +Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws? + +YORK. Dat Somerset er heenga als regent. +Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles; +’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het. + +SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst, +In mijne plaats regent er was geweest, +Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven. + +YORK. Niet tot het land verloren was, als gij; +’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet, +Dan zulk een last van schande thuis gebracht, +Door tot het land verloren was te blijven. +Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed; +Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt. + +KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit, +Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.— +Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;— +Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht +Had uw geluk nog minder zelfs erlangd. + +YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen! + +SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht. + +KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt. +De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand +En weeken woest hun grond met Engelsch bloed; +Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren, +Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen, +En tegen de Ieren uw geluk beproeven? + +YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht. + +SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord, +En wat wij hier bepalen vindt hij goed; +Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318 + +YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords; +Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken. + +SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten. +Doch nu weer van den valschen hertog Humfried. + +KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen, +Dat hij ons verder nimmer lastig zij; +En nu van hier, de dag is schier voorbij;— +Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij. + +YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers +Te Bristol binnen veertien dagen tijds; +Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen. + +SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York. + + (Allen af, behalve York.) + +YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart, +En worde uw weiflen vastbeslotenheid; +Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt, +Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig. +Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen, +Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart. +Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld, +Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt. +Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin, +Spant rustloos voor mijn haters net op net. +Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht, +Mij weg, van hier te zenden met een heermacht. +Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang, +Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt. +Manschappen miste ik en die geeft gij mij; +Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man +Drukt gij recht scherpe wapens in de hand. +Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik +Een zwarten storm in England op; die blaast +Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts; +En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet, +Aleer de gouden haarband om mijn hoofd, +Gelijk der eed’le zonne held’re stralen, +De woede stilt der dol verwekte vlaag. +En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik +Een stuggen Kentschen dolkop overreed, +John Cade uit Ashford, +Oproer te maken, wat hij goed verstaat, +En voor John Mortimer zich uit te geven. +Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens +Zich weren tegen heel een bende Kernen; +Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen +Geleken op een toornig stekelvarken; 363 +En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem +Een hoogen sprong doen als een moorendanser, +Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes. +Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern +Vermomd, gesprekken met den vijand aan, +Kwam onontdekt tot mij terug en gaf +Mij dan berichten van hun schurkerijen. +Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier; +Want op den pas gestorven Mortimer +Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak; +’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis, +En de aanspraak op den troon, van York behaagt. +En stel, hij werd gegrepen en gefolterd, +Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen, +Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef. +O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is, +Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland, +En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid; +Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn, +En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn. + + (York af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis. + +Eenige Moordenaars komen haastig op. + +EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden, +Dat naar zijn last de hertog afgedaan is. + +TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan? +Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig? + +EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord. + +(Suffolk komt op.) + +SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar? + +EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood. + +SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis; +Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen. +De koning komt daar aan met al zijn pairs. +Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles +Geheel in orde naar mijn last? + +EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord. + +SUFFOLK. Nu goed; van hier! + + (De Moordenaars af.) + +(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal +Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.) + +KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons; +Wij willen heden zijn genade hooren, +Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is. + +SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst. + + (Suffolk af.) + +KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen, +Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe, +Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis +Van mannen, goed ter naam en faam, verdient. + +KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22 +En schuldeloos een pair veroordeeld wierd! +Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’! + +KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer. + +(Suffolk komt weder op.) + +Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij? +Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek! + +SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood. + +KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God! + +KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd, +Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen. + +(De Koning valt in onmacht.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is +’t?—Helpt, lords, de koning sterft! + +SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus. + +KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O +Hendrik, sla toch de oogen op! + +SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe! + +KONING HENDRIK. O eeuw’ge God! + +KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal? + +SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed! + +KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten? +Zong hij niet juist een ravenlied mij toe, +Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde, +En waant hij, dat het tjilpen van een musch, +Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept, +Den eerst vernomen klank verjagen kan? +Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden; +Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik; +’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek! +Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht! +In booze majesteit zit op uw oogen +Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld; +Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken. +Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk; +En dood den man, die u onschuldig aanstaart; +In schaduwen des doods slechts vind ik heil, +In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo? +Ofschoon de hertog hem vijandig was, +Beklaagt hij als een christen toch zijn dood. +Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte, +Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken +En bloedverterend zuchten hem kon wekken, +Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62 +Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten, +Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien. +Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft? +Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren; +Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord; +Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden +En vorstenhoven met mijn smaad vervullen! +Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge! +Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad! + +KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man! + +KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger. +Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat? +Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan! +Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden? +Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw! +Is al uw troost in Gloster’s graf besloten? +O, dan was Margaretha nooit uw vreugd; +Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan: +Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild. +Was ik daarom op zee bijna vergaan? +Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg, +Van Englands kust terug naar ’t vaderland? +Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend, +Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest! +En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?” +Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen, +En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte, +En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust, +Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!” +Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol, +En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over. +Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig +Mij te verdrinken; o, zij wist te wel, +Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken +In tranen, zilter dan het nat der zee; +De scherpe klippen doken in het zand +Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len, +Opdat uw steen en hart, dat harder is, +Uw Margaretha doodde in uw paleis. +Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde, +Toen ons de storm terugsloeg van uw kust, +Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek; +En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht, +Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken, +Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107 +Het was een hart, gevat in diamanten,— +En wierp het naar uw land. De zee ontving het; +En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt; +Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer; +’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde +Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl +De veel gewenschte krijtzoom hun ontging. +Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk, +Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,— +Mij te betoov’ren, evenals Ascanius, +Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend, +Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik +Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij? +Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha, +Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft. + +(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het +volk dringen door de deur naar voren.) + +WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst, +Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad +Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn. +’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm, +Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft +En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt. +Ik bracht hun felle muiterij tot staan, +Tot zij de wijze van zijn dood vernemen. + +KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick; +Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet. +Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam; +Verklaar uzelf de reden van zijn dood. + +WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij, +Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’. + + (Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de + deur.) + +KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken! +Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden, +Dat Humfried door geweld het leven liet. +Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God! +Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe. +Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen +Met twintigduizend kussen en besproeide ik +’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen, +Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet, +En drukte met mijn hand zijn doode hand! +Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar; +En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel, +Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed? + +(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet +Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.) + +WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk. + +KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is; +Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem; +Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood. + +WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153 +Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen +Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden, +Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft +Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog. + +SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken! +Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord? + +WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef! +’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden, +Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed, +Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was, +Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood, +’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren; +Doch met het hart wordt dit daar koud en keert +Nooit weer om aan de wangen gloed te geven. +Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart, +Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde, +Strak, starend als een man, die wordt gewurgd; +Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len, +Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep, +Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd. +En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast; +Zijn netgehouden baard is ruig, verward, +Als koren, dat een storm ter neder sloeg. +Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord; +Het minste dezer teekens waar’ bewijs. + +SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick? +Ik had hem in mijn hoede met Beaufort, +En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars. + +WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij, +En saam bewaaktet gij den goeden hertog; +Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend, +En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond. + +KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords +Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood. + +WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend, +En dicht daarbij den slachter met de bijl, +En argwaant niet, dat hij het dier versloeg? +Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs +En zal niet raden, hoe de vogel stierf, +Al vliegt de valk met onbebloeden snavel? +Niet minder is dit treurspel hier verdacht. + +KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes? +Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen? + +SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197 +Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig, +Dat ik wil schuren in diens giftig hart, +Die met het purp’ren merk van moord mij hoont. +Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick, +Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood. + + (De Kardinaal, Somerset en Anderen af.) + +WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet? + +KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet +boeien, +Geen afstand doen van drieste lastertaal; +Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’. + +WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;— +Want ieder woord, om zijnentwil gesproken, +Brengt smaad op uwen koninklijken naam. + +SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden, +Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog, +Dan nam uw moeder in haar zondig bed +Een kinkel op, en werd op eed’len boom +Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt. +Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils! + +WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord, +En roofde ik aan den beul niet zijn belooning, +Tienduizendvoudige oneer u besparend, +En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht, +Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar, +Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken, +Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet +En gij in bastaardij geboren zijt; +En na die afgedwongen hulde gave ik +U dan uw loon en zond uw ziel ter hel, +Bloedzuiger en belager in den slaap! + +SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten, +Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan! + +WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier. +Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen, +Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen. + + (Suffolk en Warwick af.) + +KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart? +Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt, +En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’, +Wien ongerechtigheid het hart verpest. + +(Gedruisch buiten.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch? + +(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.) + +KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden +Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel? +Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw? + +SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury, +’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241 + +(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.) + +SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning +zeggen.— +(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij, +Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht, +Of buiten Englands schoon gebied verbannen, +Dan wordt hij met geweld van hier gerukt +En sterft een langen, zwaren marteldood. +Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven, +Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem; +En ’t is de drang van liefde en echte trouw, +Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet, +Alsof zij tegen uwen wil zich kantten, +Die hen doet dringen op zijn ballingschap. +Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij, +Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en +Bevolen had, dat niemand u zou storen, +Op straf van ongenade, op straf des doods, +Het toch, ondanks dat streng gebod, indien +Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong, +Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit, +Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken, +Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring, +Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte; +En daarom roepen zij, trots uw verbod, +Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden +Voor zulke slangen als de valsche Suffolk, +Door wiens venijnige’, onheilvollen steek +Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog, +Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam. + +HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury! + +SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop, +Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt; +Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden, +Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt; +Maar de eenige eer, die Salisbury daar won, +Is, dat hij afgezant was van een bende +Van ketellappers aan zijn heer en koning. + +HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen +binnen! + +KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij, +Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank; +En ware ik ook door hen niet zoo vermaand, +Ik had alreeds besloten, wat zij vragen; +Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest +Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand; +En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem, +Wien ik niet waardig ben hier te vervangen: +Niet langer dan drie dagen zal zijn adem +De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288 + + (Salisbury af.) + +KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk! + +KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen! +Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor, +Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen. +Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord; +Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.— +Indien gij na drie dagen wordt gevonden +Op eenig grondgebied, door mij beheerscht, +Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.— +Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij; +’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen. + + (Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.) + +KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet! +U mogen harteleed en bitt’re droefheid +Speelnooten zijn en u gezelschap houden! +Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde; +En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’! + +SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin, +En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen. + +KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij! +Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken? + +SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken? +Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet, +Dan vond ik bitterbooze woorden uit, +Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor, +En stiet ze door de opeengeklemde tanden +Met zooveel blijk van ingevreten haat, +Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd. +Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len, +Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len, +Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan, +Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee. +En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken, +Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank! +Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal! +Hun liefste schaduw een cypressenwoud! +Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken! +Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen! +Afschuwlijk hun muziek als slanggesis, +Door uilen-onheilskreten begeleid! +Al de eis’lijkheden van de diepste hel— + +KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf, +Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel +Of als een overladen donderbus, terug, +En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot. + +SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien? +O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet, +Dóórvloeken konde ik heel een winternacht, +Al moest ik naakt staan op een hoogen berg, +Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat, +En ’k achtte dit een kortswijl van minuten. + +KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339 +Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe; +En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek +Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!— +O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent, +Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht, +Door welke ik duizend zuchten om u slaak. +Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel; +’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat, +Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt, +’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,— +Ik waag het, dat ikzelf verbannen word; +Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen. +Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!— +O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood +Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar, +En scheiden, eindloos kussend, duizend keer, +Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven! +En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven! + +SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen, +Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u. +Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier; +Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk, +Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had; +Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld, +Met elken lust, met elk genot der wereld; +En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid. +Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven; +Ik zonder één genot, dan dat gij leeft. + +(Vaux komt op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek? + +VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden, +Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt; +Hem greep een zware ziekte plotsling aan, +Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht, +God lastrend en de menschenkindren vloekend. +Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest +Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning, +En fluistert tot zijn kussen, als tot hem, +Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel; +En ’t is mijn last, den koning te gaan melden, +Dat hij daar juist geweldig om hem roept. + +KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning. + + (Vaux af.) + +Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding! +Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort, +Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend? +En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383 +In tranen even rijk als zuiderwolken, +Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed? +Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt; +En vond hij u bij mij, gij waart des doods. + +SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven; +En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders +Dan als een zoete slaap in uwen schoot? +Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit, +Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind, +Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft; +Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind, +U roepend, om mij de oogen toe te drukken +En met uw lippen mij den mond te sluiten, +Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug +Of in uw boezem ademde ik haar uit, +Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium. +Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl, +Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven; +O, laat mij blijven, kome wat er wil! + +KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel, +Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat. +Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren; +Want waar gij op het wereldrond ook zijt, +Ik zal een Iris hebben, die u vindt. + +SUFFOLK. Ik ga. + +KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u. + +SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel, +Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft. +Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij; +Naar dezen kant wacht mij de dood. + +KONINGIN MARGARETHA. Hier mij. + + (Beiden af, naar verschillenden kant.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort. + +Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal +Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen. + +KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst. + +KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten; +Genoeg om zulk een eiland u te koopen, +Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn. + +KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven, +Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd! + +WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt. + +KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt. +Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven? +Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10 +O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.— +Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is; +Ik geef wel duizend pond om hem te zien.— +Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.— +Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn +Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.— +Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker, +Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht. + +KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt, +Zie met genadig oog op dezen worm! +O, drijf den rustloos driesten duivel weg, +Die thans met macht zijn arme ziel bestormt! +Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop! + +WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt! + +SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden. + +KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt. +Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade, +Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.— +Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem! + +WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven. + +KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.— +Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht; +En keeren we allen tot onszelven in. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Kent. Het zeestrand bij Dover. + +Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een +Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen; +met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen. + +KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig, +Heeft in den schoot der golven zich verscholen; +Luid huilend wekken wolven nu de knollen, +Die traag de kar der sombre, norsche Nacht +Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken +Langs graven zwevend, uit hun vochten muil +Vuil, giftig duister aad’men in de lucht. +Brengt nu de krijgers der genomen bark; +Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij +Hun losgeld ons voldoen hier op het strand, +Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.— +Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;— +Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;— +Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14 + +EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som. + +SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop. + +BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt. + +KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam, +En noemt en doet ge u voor als edellieden?— +Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja! +Weegt zulk een kleine som de levens op +Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren? + +EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven. + +TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis. + +WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld, +(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven; +En dezen stierven ook, had ik mijn zin. + +KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven. + +SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman; +Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u. + +WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31 +Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood? + +SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood. +Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken, +En toen gezegd: door Water zoude ik sterven. +Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen; +Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier. + +WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit +Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld, +Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt. +Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak, +Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk, +En roep alom mij als een lafaard uit! + +(Hij grijpt Suffolk aan.) + +SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne; +’t Is hertog Suffolk, William de la Pole. + +WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen! + +SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk; +Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik? + +KAPITEIN. Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49 + +SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed, +Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster, +Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten. +Hebt gij weleer de hand mij niet gekust, +Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden, +Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier, +En door mijn knik gelukkig u gevoeld? +Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend, +Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig +Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal +Met koningin Marg’retha was gezeten? +Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed, +Ja, en het knakke uw onberaden trots. +Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal, +En wachttet onderdanig tot ik kwam? +De hand hier schreef wel eens ten uwen bate, +En kluist’re daarom thans uw wilde tong. + +WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen? + +KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij. + +SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf. + +KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep, +En sla hem ’t hoofd af. + +SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan? + +KAPITEIN. Ja, Pole. + +SUFFOLK. Pole? + +KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord? +Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek +De zilvren bron bederft, waar England drinkt. +Nu stop ik u dien opgesperden muil, +Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen, +Die Margaretha kusten, vagen ’t stof; +En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet, +Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs +Nu aan; die fluiten u verachtend uit; +Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd, +Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst, +De dochter van een beed’laar-koning aanzocht, +Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat. +Groot werdt ge alleen door duivels-politiek, +En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla, +Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85 +Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk; +Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers +Driest ons gezag verwerpen, Picardije +Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht, +De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt. +De vorstelijke Warwick, al de Nevils, +Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot, +Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan; +En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen +Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst, +En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,— +Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop, +De halve zon, door wolken brekend, op, +Waaronder staat: „invitis nubibus”. +Het volk in Kent is opgestaan, gewapend; +In één woord, beed’laars-armoê en beschimping +Zijn ingeslopen in des konings slot, +En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen! + +SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot, +Op deze lage, slaafsche, vuile knechten! +’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch; +Hier deze schurk, die op een boot bevel voert, +Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman, +De sterke Bargulus.—De hommel zuigt +Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven +Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf +Door zulk een lagen dienstman als gij zijt. +Uw taal wekt woede, geen berouw in mij. +Ik moet naar Frankrijk voor de koningin; +En zeg u: voer mij veilig over zee. + +KAPITEIN. Walter! + +WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren. + +SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik. + +WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga. +Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen? + +EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe. + +SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong, +Weet te gebieden, niet om gunst te vragen. +Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden +Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd +Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige, +Dan voor den hoogen God en voor mijn koning; +En eer nog danse ’t bloedig op een stang, +Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht. +Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees; +Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen. + +KAPITEIN. Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131 + +SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt, +Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten. +Vaak sterven groote mannen door verworp’nen: +Een vechter en bandiet uit Rome moordde +Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand +Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk +Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers. + + (Whitmore met Suffolk en Anderen af.) + +KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is, +Één hunner moge voor het geld gaan zorgen; +Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan. + + (Allen af, behalve de Eerste Edelman.) + +(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.) + +WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp, +Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’. + + (Whitmore af.) + +EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel! +Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen; +Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij, +Aan wie hij dierbaar was, de koningin. + + (De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Blackheath. + +George Bevis en John Holland komen op. + +GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij +zijn al sinds eergisteren opgestaan. + +JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen. + +GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken +en keeren en er nieuwe wol opbrengen. + +JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik +zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de +edellieden opgekomen zijn. + +GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in +tel. + +JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen. + +GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk. + +JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo +veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom +moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20 + +GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan +een harde hand. + +JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit +Wingham,— + +GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer +van te maken. + +JOHN. En Dick, de slager,— + +GEORGE. Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid +gekeeld als een kalf. + +JOHN. En Smith, de wever,— + +GEORGE. Argo, hun levensdraad is afgesponnen. + +JOHN. Kom, kom, ons bij hen aangesloten! + +(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote +hoop volks komen op.) + +CADE. Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,— + +DICK (ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen +gestolen hebt. + +CADE. Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden +door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij +stil zijn. + +DICK. Stilte! + +CADE. Mijn vader was een Mortimer,— + +DICK (ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar. + +CADE. Mijn moeder een Plantagenet,— + +DICK (ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw. + +CADE. Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;— + +DICK (ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook +wel spencers verkocht hebben. + +SMITH (ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar +mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen. + +CADE. En dus ben ik van hoogen huize. + +DICK (ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en +daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een +huis gehad behalve het landloopershok. + +CADE. Moed heb ik;— + +SMITH (ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen. + +CADE. En ik kan veel verdragen;— + +DICK (ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen +achtereen met de bullepees zien krijgen. + +CADE. Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;— + +SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want +zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65 + +DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor +zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen. + +CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, +dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in +Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog +zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren, +scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, +en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning +ben,—want koning zal ik zijn,— + +ALLEN. God behoede uw majesteit! + +CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen +zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei +kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer +vereeren. + +DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan. + +CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel +van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het +bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij +steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in +mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen +meester. Wat is dat? wien hebt gij daar? + +(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.) + +SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen +opmaken! + +CADE. O, afschuwelijk! + +SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor +zijn jongens. + +CADE. ’t Is een schurk. + +SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in. + +CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder. + +DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als +een advocaat. + +CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem +niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u +verhooren. Hoe is uw naam? + +KLERK. Emanuël. + +DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht +met u afloopen. + +CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt +gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man? + +KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan +schrijven. 113 + +ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een +verrader. + +CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om +zijn hals. + + (Eenigen af met den Klerk.) + +(Michaël komt op.) + +MICHAËL. Waar is onze generaal? + +CADE. Hier ben ik, enkele kerel. + +MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder +zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning. + +CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal +een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet +waar? + +MICHAËL. Juist. + +CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder +maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John +Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los. + +(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande +trommen en met troepen op.) + +STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent, +Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer; +IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht. +De koning is genadig, zoo gij afvalt. + +WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak, +Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft. + +CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven; +Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover +Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker, +Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon. + +STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar; +Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet? + +CADE. En Adam was een spitter. + +WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij? + +CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man +Der dochter van den hertog Clarence, niet? + +STAFFORD. ’t Is waar. + +CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk. + +WILLIAM STAFFORD. Niet waar. + +CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is. +Het oudste van de twee, dat bij een min was, +Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw; +Het kende zijn geboorte en afkomst niet, +En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar. +Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt. + +DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning. + +SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en +de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het +niet. 158 + +STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof, +Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt? + +ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg! + +WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd. + +CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid). +Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders +wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen +speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft +regeeren; maar ik wil protector over hem zijn. + +DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het +hertogdom Maine verkocht heeft. + +CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met +een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij +medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een +gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken +en dus is hij een verrader. + +STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid! + +CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, +dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, +een goed raadsman zijn, ja of neen? + +ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd. + +WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen, +Zoo grijp hen met des konings heermacht aan. + +STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad, +Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn; +Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht, +Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders, +Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.— +En wie des konings vriend is, volge mij! + + (De beide Staffords met hun troepen af.) + +CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!— +’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen. +Wij willen lord noch jonker sparen, niemand, +Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt. +Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen, +Als zij maar durfden, zeker onzen kant. + +DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af. + +CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. +Komt, vooruit! voorwaarts! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van Blackheath. + +Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords +worden gedood. + +CADE. Waar is Dick, de slachter van Ashford? + +DICK. Hier. + +CADE. Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof +gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de +vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning +krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten. + +DICK. Meer verlang ik niet. + +CADE. En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de +wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de +overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot +ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen +laten dragen. + +DICK. Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij +de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten. + +CADE. Weest onbezorgd; daar sta ik voor in. +Komt, allen voorwaarts, naar Londen! + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van +Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha, +treurende over Suffolk’s hoofd. + +KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed +Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt; +Laat daarom af van weenen, denk aan wraak. +Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien? +Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten, +Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou? + +BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen? + +KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar; +Verhoede God, dat zooveel arme zielen +Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog +Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf +Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.— +Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen. + +KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat +Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht, +En kon het hen niet tot erbarmen dwingen, +Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien? + +KONING HENDRIK. Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19 + +SAY. Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn. + +KONING HENDRIK. Hoe is het, vrouwe? +Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood? +Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’, +Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd. + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u. + +(Een Bode komt op.) + +KONING HENDRIK. Wat is er? waartoe komt gij met die haast? + +BODE. De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst! +Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer, +Gesproten uit het hertogshuis van Clarence; +Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst +En zweert, in Westminster zichzelf te kronen. +Zijn leger is een havelooze bende +Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig. +Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood +Gaf hun het hart, den moed om door te gaan. +Geleerden, advocaten, hof en adel, +’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast. + +KONING HENDRIK. Godd’loozen, die niet weten wat zij doen! + +BUCKINGHAM. Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth, +Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is. + +KONINGIN MARGARETHA. O, leefde thans de hertog Suffolk nog, +Die Kentsche muiters waren ras bedwongen. + +KONING HENDRIK. Lord Say, die oproermakers haten u; +Daarom, ga met ons mee naar Killingworth. + +SAY. Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar. +Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede; +Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat; +Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat. + +(Een Tweede Bode komt op.) + +TWEEDE BODE. Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug; +De burgers vluchten angstig uit hun huizen; +En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters, +Uit dorst naar buit; als één man zweren zij +De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren. + +BUCKINGHAM. Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier! + +KONING HENDRIK. Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons. + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is. + +KONING HENDRIK (tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters +niet. + +BUCKINGHAM. Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand. + +SAY. Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld, +En daarom ben ik moedig en gerust. + + (Allen af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Aldaar. De Tower. + +Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen +eenige Burgers beneden op. + +SCALES. Wel, is Jack Cade alreeds gedood? + +EERSTE BURGER. Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij +hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord +mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad +tegen de muiters te verdedigen. + +SCALES. Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst; +Maar ik heb zelf de handen vol met hen; +Zij waagden reeds een aanval op den Tower. +Doch trek naar Smithfield en verzamel volk; +Daarheen zend ik tot u Matthias Gough. +Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens; +En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier. + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Aldaar. De Kanonstraat. + +Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den +Londener steen. + +CADE. Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den +Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het +manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar +van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als +iemand mij anders noemt dan lord Mortimer. + +(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.) + +REBEL. Jack Cade! Jack Cade! + +CADE. Slaat dien kerel dood! + + (De Man wordt gedood.) + +SMITH. Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade +noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen. + +DICK. Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht. + +CADE. Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de +Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den +Tower plat. Komt, vooruit! + + (Allen af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Aldaar. Smithfield. + +Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van +de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door +Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en +Matthias Gough valt. + +CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis +neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond! + +DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid. + +CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben. + +DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen +komen. + +JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij +is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen. + +SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want +hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas. + +CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de +besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen. + +JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem +zijn tanden niet uitgetrokken worden. + +CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden +in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den +vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond +bij de laatste oorlogsschatting. + +(George Bevis komt op, met Lord Say.) + +CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say, +gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke +rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij +Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt +overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord +Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke +vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk +verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl +voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het +keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot +inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen +gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u +heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en +meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. +Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen +over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die +in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen, +terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een +schabrak, is het zoo niet? + +SAY. En wat zou dat? 52 + +CADE. Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui +dan gij in broek en hemdrok rondloopen. + +DICK. En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een +slager ben. + +SAY. Gij mannen van Kent,— + +DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen? + +SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens. + +CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn. + +SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt. +Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren +De liefste streek genoemd van heel dit eiland; +Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen; +Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild, +Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent. +Niet ik gaf Maine en Normandije prijs, +Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr. +Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd, +Mij roerden beden, tranen,—giften nooit. +Wanneer legde ik u lasten op, tenzij +Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven? +Veel giften schonk ik aan geleerde mannen, +Omdat mijn weten bij den koning gold, +En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis +De vleugel is, die ons ten hemel heft. +Zijt gij van hellegeesten niet bezeten, +Dan deinst gij van een moord op mij terug. +Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven +Voor u gepleit,— + +CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd? + +SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen, +Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs. + +GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te +overvallen! + +SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn. + +CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken. + +SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden +Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal. + +CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den +bijstand van een bijl. + +DICK. Wat siddert gij, man? 96 + +SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees. + +CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel +vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. +Voert hem weg en slaat hem het hoofd af. + +SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb; +Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek! +Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers? +Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog? +Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt? +Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten, +In deze borst geen arglist ooit gehuisd; +O, laat mij ’t leven! + +CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, +maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat +hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een +dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van +God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en +breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het +hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier. + +ALLEN. Het zal gebeuren. + +SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden +Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont, +Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan? +Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven. + +CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel. + + (Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.) + +De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders +dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er +uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien +krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en +bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar +wenschen of de tong vertellen kan. + +DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op +te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken? + +CADE. Wel, dadelijk. + +ALLEN. O, heerlijk! + +(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn +Schoonzoon op staken.) + +CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want +zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van +elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg +te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht, +want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee +rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen +zij elkander kussen.—Vooruit! + + (Allen af.) + + + + + + +ACHTSTE TOONEEL. + + +Southwark. + +Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel. + +CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, +velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor +een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand +het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef, +alles dood te slaan? + +(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.) + +BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen. +Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier +Des konings aan ’t door u verleide volk; +Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe, +Die u verlaat en rustig huiswaarts keert. + +CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade, +Die onderwerping nog erlangt, of moet +Een oproerling u voeren in den dood? +Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht, +Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!” +Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert, +Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed, +Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort. + +ALLEN. Den koning heil! den koning heil! + +CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, +laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met +uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen +opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den +steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt +nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen +zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van +den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug +breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor +uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen, +en daarmee,—Gods vloek op u allen! + +ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade! + +CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36 +Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt? +Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren, +U, zelfs den minste, graaf of hertog maken? +Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord, +Hij kan niet leven, dan alleen door roof, +’t Bestelen van uw vrienden en van ons. +Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht +De schuwe Franschman, eerst door u verslagen, +De zeeën overstak en u versloeg? +Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist, +Hoe hij den baas in Londens straten speelt, +„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet. +Laat eer tienduizend laaggeboren Cades +Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt +Voor de genade van een enk’len Franschman. +Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort, +Spaart England, dàt is uw geboortestrand. +Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig; +God helpt ons, twijfelt aan de zege niet. + +ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met +Clifford! + +CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze +volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een +honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie, +dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen, +mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots +hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen +van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en +schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten. + + (Cade af.) + +BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na; +En wie het hoofd diens mans den koning brengt, +Zal duizend kronen ter belooning hebben. + + (Eenigen spoeden zich heen.) + +Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht, +Om allen met den koning te verzoenen. + + (Allen af.) + + + + + + +NEGENDE TOONEEL. + + +Het kasteel Kenilworth. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset +verschijnen op het terras van het kasteel. + +KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning, +Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij? +Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen, +Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning; +Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden, +Als ik verlang een onderdaan te zijn. + +(Buckingham en Clifford komen op, boven.) + +BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid! + +KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade +Gevat, of week hij slechts om macht te gâren? + +(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om +den hals.) + +CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over, +En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig +Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven. + +KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13 +En dat mijn dank en lof u welkom zij!— +Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij; +Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint; +Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd, +Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij, +Hem nimmer liefdeloos bevinden zult. +En zoo, u allen dankend en vergevend, +Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen. + +ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning! + +(Een Bode komt op). + +BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren: +Zoo even komt de hertog York uit Ierland, +En rukt, met groote en sterke legermacht, +Van Galloglassen en van forsche Kernen, +Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend, +Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning, +Dan van het hof den hertog Somerset,— +Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren. + +KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard, +Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt, +Pas rustig, door een kaper wordt geënterd; +Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid, +Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan. +Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet, +Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg, +Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;— +Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf, +Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt. + +SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis, +Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten. + +KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen +barsche taal, +Want heftig is hij en verdraagt dit niet. + +BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid, +Dat alles zich ten uwen beste keert. + +KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer +Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu +Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken. + + (Allen af.) + + + + + + +TIENDE TOONEEL. + + +Kent. Iden’s tuin. + +Cade komt op. + +CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch +op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in +deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het +geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet +langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor +in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te +zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm, +en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag +een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord +helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig +keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten +zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht +deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu +heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen. + +(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.) + +IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren, +Die zulk een rustig wandelplekje heeft? +Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet, +Bevredigt mij, is mij een koninkrijk. +Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen, +Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd; +Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven, +Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven. + +CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een +landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, +gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen +door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een +struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij +tweeën van elkander scheiden. + +IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn, +Ik ken u niet; wat zou ik u verraden? +Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd, +En als een dief hier in mijn hof komt stelen, +Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt, +Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen? + +CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, +en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen +iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u +niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit +meer één grassprietje te eten krijg. 44 + +IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat, +Dat Alexander Iden, Kenter landheer, +Met overmacht een hong’rig man bevocht. +Richt vast uw starend oog nu op het mijne, +En zie, of gij met blikken mij bedwingt; +Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer; +Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist, +Uw been een stok, naast dezen stam gezien, +Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht; +En zoo ik in de lucht mijn arm verhef, +Is u in de aard alreeds uw graf gedolven. +Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt, +Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg. + +CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit +van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien +grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in +uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot +hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben +geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er +tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien +maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor, +gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit +huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70 + +IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader? +Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad; +Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf; +Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt, +Gij zult het dragen als een wapenkleed, +Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won. + +CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van +mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele +wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben +overwonnen door den honger, niet door dapperheid. + + (Hij sterft.) + +IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God! +Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg! +En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet, +Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel. +Thans sleep ik bij uw hielen u van hier +Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn; +Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af, +Dat ik den koning zegevierend breng, +Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten. + + (Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een veld tusschen Dartford en Blackheath. + +Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt +York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen +afstand. + +YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht, +En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks; +Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend, +En groet den echten vorst van ’t machtig England. +Sancta majestas! wie kocht u niet duur? +Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan; +De hand hier werd gevormd om enkel goud, +Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden +Kan zij de volle kracht en klem niet geven, +Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht. +En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben, +Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil. + +(Buckingham komt op.) + +Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen? +De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len. + +BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk. + +YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet. +Komt gij als bode hier, of uit uzelf? + +BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst, +Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning? +Waarom hebt gij, een onderdaan als ik, +Trots uwen eed en uw bezworen trouw, +Zulk leger zonder machtiging gelicht, +En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen? + +YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik. +O, rotsen kon ik kloven, keien werpen, +Zoo toornig word ik bij die snoode taal; +Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius, +Mijn woede op ossen en op schapen koelen. +Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning, +Meer koning in mijn denken, in mijn aard; +Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen, +Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.— +(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede, +Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf; +Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen. +Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,— +Den trotschen Somerset het hof doen ruimen, +Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37 + +BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar! +Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel, +Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd; +De hertog Somerset is in den Tower. + +YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne? + +BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne. + +YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.— +Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans; +Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld, +Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht. +En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik, +Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons, +Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend +Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen; +Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb, +’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft. + +BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York; +Gaan wij te zamen naar des konings tent. + +(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.) + +KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten, +Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm? + +YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping, +Verschijnt hier York voor uwe majesteit. + +KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt? + +YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven, +En de’ aartsverrader Cade een les te geven;— +Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is. + +(Iden komt op, met Cade’s hoofd.) + +IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang, +Voor de oogen van een koning treden mag, +Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd, +Van Cade, in tweegevecht door mij gedood. + +KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!— +O, laat mij het gelaat des dooden zien, +Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft. +Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt? + +IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt. + +KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang? + +IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent, +Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint. + +BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed, +Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan. + +KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78 +Wij geven u tot loon éénduizend mark, +En willen, dat gij voortaan om ons zijt. + +IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig; +Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst. + +(Hij rijst op.) + +KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset! +Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen. + +(Koningin Margaretha en Somerset komen op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks, +Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat. + +YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York, +Ontboei uw langgekerkerde gedachten, +En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart. +Zou ik het zien van Somerset verdragen?— +Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord, +Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld? +Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning; +Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len, +Die geen verrader teug’len durft noch kunt? +Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd, +Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen, +Een echten vorstenscepter siert zij niet. +Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne, +Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer, +Door zijn verand’ring dooden kan of heelen. +Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend, +’t Gezag der wetten klem verleenen kan. +Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn +Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep. + +SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u +Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam; +Kniel, driest verrader; vraag genade, York. + +YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen, +Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’. +Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn; + + (Een van York’s volgers af.) + +Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan, +Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding. + +KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen; +Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York +Huns valschen vaders borgen kunnen zijn. + + (Buckingham af.) + +YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat, +Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê; +York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte, +Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem, +Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121 + +(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op; +van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.) + +Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed. + +KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af. + +CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning! + +(Hij knielt.) + +YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden? +Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken; +Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens; +En deze uw dwaling willen we u vergeven. + +CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet; +Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;— +Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig? + +KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin +Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan. + +CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower, +En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp. + +KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert; +Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem. + +YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar? + +EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt. + +RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard. + +CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders! + +YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam; +Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.— +Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren, +Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds +Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’; +Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen. + +(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.) + +CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood, +En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen, +Als gij hen op de kampplaats brengen durft. + +RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond +Omsprong en beet, omdat men hem weerhield, +Maar losgelaten op den berenklauw, +Met ingetrokken staart begon te janken; +En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op, +Als gij u met lord Warwick waagt te meten. + +CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen, +Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158 + +YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken. + +CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’! + +KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen? +En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar, +Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!— +Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard +En zoekt met uwen bril het onheil op? +O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid? +Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd, +Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?— +Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven, +Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren? +Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft? +Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar? +O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie, +Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd. + +SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf +De aanspraken van den hoogberoemden hertog, +En naar geweten acht ik volgens ’t recht +Hem erfgenaam van Englands koningstroon. + +KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen? + +SALISBURY. Dat heb ik. + +KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan? + +SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen, +Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden. +Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden. +Een moord te doen, diefstal en roof te plegen, +Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen, +Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken, +Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,— +En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht, +Dan dat een plechtige eed er hem toe bond? + +KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste. + +KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne. + +YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op; +Ik ben besloten: dood of ’t koningschap! + +CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn. + +WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen; +Gij waart er veilig voor des slagvelds storm. + +CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten, +Dan uw bezwering heden op kan roepen; +En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven, +Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201 + +WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi, +Den opgerichten beer aan de’ ouden paal, +Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,— +Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt, +Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,— +Om u te ontzetten door ’t gezicht er van. + +CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer +En treed dien vol verachting in het stof; +Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt. + +DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader, +Ter fnuiking van de muiters en hun bent! + +RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal! +U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal. + +DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel! + +RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel. + + (Allen af, naar verschillenden kant.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Sint-Albaans. + +Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op. + +WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep! +Indien gij niet u voor den beer verschuilt, +Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast +En stervenskreten de ijle lucht vervullen, +Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij! +Noordlandsche trotsche lord van Cumberland, +Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u. + +(York komt op.) + +Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet? + +YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros; +Maar leer om leer heb ik het hem vergolden, +En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was, +Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai. + +(Clifford komt op.) + +WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar. + +YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild; +Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood. + +WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.— +Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford, +Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan. + + (Warwick af.) + +CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen? + +YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd. +Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart. + +CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22 +Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette. + +YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard, +Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven. + +CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd! + +YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u! + +(Zij vechten. Clifford valt.) + +CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres! + + (Hij sterft.) + +YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil! +Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil! + + (York af.) + +(De jonge Clifford komt op.) + +DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht. +Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt +Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel, +Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest, +Werp in de ijskoude borsten van ons leger +Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’! +Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht +Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint, +Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval, +Den naam van dapper.— + +(Hij ziet het lijk zijns vaders.) + + Booze ’wereld, eindig! +En gij, vervroegde vlammen des gerichts, +Boeit aarde en hemel saâm! +Weergalme nu des jongsten dags bazuin, +En overstemm’ die elken aardschen klank, +Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader, +In vrede uw jeugd te zien verloren gaan, +Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid, +In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven +In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik +Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is, +Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet, +Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen +Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur; +En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht, +Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie. +Niets wil ik nu voortaan van deernis weten; +Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York, +Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste +Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed; +Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve. +Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords, + +(Hij neemt het lijk op.) + +Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg, +Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders; +Maar hij droeg toen een last, die leven had, +Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed. + + (De jonge Clifford af.) + +(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt +gedood.) + +RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66 +Want onder eener herberg uithangschild, +„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset +Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem. +Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden: +Voor haters bidden priesters, prinsen dooden. + + (Richard af.) + +(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha +en Anderen komen op, terugtrekkende.) + +KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf! + +KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf! + +KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten? +Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand, +Te wijken voor den vijand, ons te bergen +Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht. + +(Strijdgedruisch op een afstand.) + +Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem +Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,— +Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,— +Dan zijn wij dra te Londen, waar men u +Genegen is, en waar wij deze bres +In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten. + +(De jonge Clifford komt weder op.) + +DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil, +Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried; +Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid +Beheerscht het hart al onzer vrienden hier. +Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven +Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven! +Voort, voort, mijn vorst, van hier! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een veld bij Sint-Albaans. + +Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard +Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels. + +YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury? +Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede +Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet, +En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht +Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag +Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen, +Zoo Salisbury ontbreekt. + +RICHARD. Mijn eed’le vader, +Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard, +Stond driemaal over hem, en voerde driemaal +Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd; +Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem; +Als in een arme hut een rijk tapijt, +Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil. +Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14 + +(Salisbury komt op.) + +SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten; +Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard; +God weet, hoe lang ik nog te leven heb; +En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal +Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.— +Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet; +’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood; +Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen. + +YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil, +Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen, +En roept zijn parlement er daad’lijk op. +Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen! +Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na? + +WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor! +Bij God, mylords, dit was een dag van roem; +De slag, door den roemruchten York gewonnen, +Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.— +Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen; +Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar +1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het +huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van +York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele +tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van +Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van +Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit +een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin +van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog +van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de +heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds +in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van +Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den +duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den +kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den +koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het +boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar +het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren +later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg +hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd +in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in +hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood +in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens +verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den +gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de +kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt +onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die +onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na +Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het +staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan +genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en +hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: +„Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?” + +Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog +van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond +den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den +eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van +Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van +wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen. +In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund +van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de +Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook +de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der +Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige +plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen +verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten +beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te +verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het +huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor +vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks +had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of +hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en +gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem +uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen. + +Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort +na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis +Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig +gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen +lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het +huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon +van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer +aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar +Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten +van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij +behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de +verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de +geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke +troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd +neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van +den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, +week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den +aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar +het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade +weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen +persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond. + +Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den +Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord +Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” +in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s +harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn +zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze +stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der +vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen +en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James +Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider +hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op +iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop +volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering, +terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet +verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied +bewees, werd zonder genade onthoofd. + +Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen +naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut +en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in +Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk +gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte +het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van +de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede +zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de +verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu +de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van +John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, +zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een +prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een +boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander +Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood +werd. + +Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De +ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het +hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid +hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in +vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als +haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn +broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen +van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog +des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen; +hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en +een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze +omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, +die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand +had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales, +verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het +wanbestuur van Somerset te doen ophouden. + +Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de +familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, +belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen +namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de +zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede +bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee +graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke +huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil, +zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van +Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst +vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden +troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de +vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote +beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. +Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot, +Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der +vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van +Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks +werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt +geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in +zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of +gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen +kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een +der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de +eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak +van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren +zouden gegaan zijn. + +Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere +invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was +de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog +van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel +bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund +van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te +handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat +hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, +om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings +raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen, +toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen +gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf +voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings +woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even +fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar +Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar +eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een +getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen +zijn, werd hij weder ontslagen. + +Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te +roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land +bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen, +geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst +overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem +voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin +van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze +eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den +loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van +het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in +hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad +schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot +„Protector en Defensor” van het rijk verklaard. + +Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de +voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het +noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der +Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de +regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling +de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst +der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, +reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn +getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf +van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen +en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw +aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op +tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en +Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en +vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens +vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op +het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral +door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York +beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen +vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond, +geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem +naar Londen togen. + +Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel +van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag +van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en +waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op +den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het +eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt +voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde +zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was, +tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der +Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in +onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers; +wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning +schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten +uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden +York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs +gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van +Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij +Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd +andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met +haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest +vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij +Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton +viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen +volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het +parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen +gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten. + +In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn +doel verwerkt heeft. + + + + +I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t +Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke, +may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in +den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de +klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn +hertogdom!” + +I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot +bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den +tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de +vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht +geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning +vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone +belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen +naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, +naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning +moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van +6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden +voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de +buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het +geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het +vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de +ware, dan kan de vertaling der plaats luiden: + + Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk + ’t Vijftiende deel der lasten van het volk + Vraagt voor de kosten van den overtocht. + +I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier +jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder, +omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was. + +I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als +erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik +VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt +Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de +hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine +volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden. + +I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van +den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de +oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn +moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou +blijven. + +I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury +en Warwick. + +I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede. + +I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede +priesters werden aangesproken. + +I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend +verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de +beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een +andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn. + +I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall +opmerkt, for en niet to gelezen worden. + +I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had +in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook +het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel +van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken. + +I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een +hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing +bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth +niet veilig voor een vorstelijke oorveeg. + +I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er +op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K. +Hendrik VI”, IV. 3. + +I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is +dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of +voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en +Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald. +Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel, +dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of +hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan +beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt +overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”. + +I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de +opmerkingen van Marshall, aan York toegekend. + +II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk. + +II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen +zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de +spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk +aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens +luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee +regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much +holiness can you not do it? + +II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten +onrechte, als proza gedrukt. + +II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de +beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie +pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42. + +II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de +beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw +verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een +parlementsbesluit deze waardigheid. + +II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij +Lissabon benoemd. + +III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het +parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen +het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De +hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld +vermocht hem niet meer te redden. + +III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de +Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de +steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan. + +III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van +Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit +den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en +omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den +stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. +Hendrik V”, II. 4. 25. + +III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de +adder doof. + +III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden +de winden in een grot opgesloten hield. + +III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de +plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben +aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en +deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der +koningin voor Æneas aanwakkert. + +III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de +Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden. + +III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de +aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309. + +III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin +wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel +blijkt. + +IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht +genoemd. + +IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het +beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt. + +IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de +woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg +gelijk uitgesproken. + +IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het +zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt +was, werd alleen door personen van rang gebezigd. + +IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord +en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en +beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een +woordspeling op dien naam. + +IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De +Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door +wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt +meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van +Shakespeare’s „Koning Richard III.” + +IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der +oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.), +waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden. + +IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille +schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel +herkomstig is, is onbekend. + +IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het +geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon +van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk +vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een +anderen. + +IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling +met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager +Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring +gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de +tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed). + +IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke +staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters) +kan verkocht hebben. + +IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen +uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven. + +IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien +zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst. + +IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow; +„particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen. + +IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij +men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den +vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te +overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den +tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met +duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald. + +IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de +vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen +en wel voor 99 beesten. + +IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van +den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels +beslagen was. + +IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde +slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden +bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst +Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever +van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen +de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd +en met huizen bezet. + +IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die +eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, +hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk +geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken, +misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van +Brussel.” + +IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het +was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den +oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der +prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door +Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat +Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was +het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland +uit zijn mond zouden komen. + +IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft +laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste +oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal +den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien +een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen. + +IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou +say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge, +en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t +Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen +zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een +Franschman, is verbasterd van baise mon cul. + +IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad. + +IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius +Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle +the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st +place. + +IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken. +In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill +beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard. + +IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie +gevolgd: Or let a rebel etc. + +IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het +Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco +geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, +b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van +dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de +Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft +willen maken. + +IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in +Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen +lichtgewapenden. + +IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men +een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent. + +V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils, +waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal +geketenden beer in hun wapen. + +V. 2. 28. „La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en +oorlogskreet. + +V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden +broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te +houden. + +V. 2. 68. „’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de +voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38. + + + + + + + + + + + +KONING HENDRIK DE ZESDE. + +DERDE DEEL. + + + + + + + + +PERSONEN: + + Koning Hendrik de Zesde. + Edward, Prins van Wales, zijn zoon. + Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk. + De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford, + de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord + Clifford, aanhangers des Konings. + Richard Plantagenet, Hertog van York. + Edward, Graaf van March, later } + Koning Edward de Vierde, } Zoons van den + Edmond, Graaf van Rutland, } Hertog van York. + George, later Hertog van Clarence, } + Richard, later Hertog van Gloster, } + De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van + Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford, + aanhangers van den Hertog van York. + Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van + York. + Hendrik, de jonge Graaf van Richmond. + Lord Rivers, broeder van Lady Grey. + Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville. + De Leermeester van Rutland. + De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman. + Twee Boschwachters en een Jager. + Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft. + Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft. + + Koningin Margaretha. + Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden. + Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk. + + Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, + Boden, Wachten, enz. + +Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, +voor het overige in Engeland. + + + + + + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Het Parlementshuis. + +Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal +binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en +Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van +Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed. + +WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam. + +YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden +Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg, +Waarop de groote lord Northumberland, +Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden, +Het matte leger moed wist in te storten; +Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich, +Stormde in op onze voorste rij, brak door, +Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers. + +EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader, +Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond; +Ik spleet hem met een fellen houw den helm; +Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed. + +(Hij toont zijn bloedig zwaard). + +MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf +Wiltshire, +Met wien ik bij ons treffen heb gekampt. + +(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.) + +RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed. + +(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.) + +YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.— +Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset? + +NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent! + +RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te +schudden. + +WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York, +Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon, +Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd, +Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God! +Dit hier is het paleis des laffen konings, +En dit des konings stoel; bestijg hem, York; +U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven. + +YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het; +Want ingebroken zijn wij met geweld. + +NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven. + +YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;— +En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier. + +WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens, +Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34 + + (De Soldaten trekken zich terug.) + +YORK. De koningin houdt heden parlement hier. +Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren. +Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht. + +RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven. + +WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning, +En die beschroomde Hendrik afgezet, +Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,— +Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten. + +YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal; +Ik denk bezit te nemen van mijn recht. + +WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint, +De stoutste, die voor Lancaster het opneemt, +Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick, +Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat. +Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.— +Beslis nu, Richard; vorder Englands troon. + +(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.) + +(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland +en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.) + +KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling; +Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het, +Op Warwick steunend, op dien valschen pair, +Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.— +Northumberland, uw vader viel door hem, +Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak +Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden. + +NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij! + +CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal. + +WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer! +Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet. + +KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland! + +CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij; +Hij zat daar niet, indien uw vader leefde. +Genadig heer, laat ons in ’t parlement +Hier op den stam van York een aanval doen. + +NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo! + +KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen, +En troepen krijgers wachten op hun wenken! + +EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69 + +KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte, +Dit parlement een slachthuis te doen zijn! +Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging, +Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil. + +(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.) + +Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon, +Kniel om genade en gunst aan mijne voeten; +Ik ben uw heer en vorst. + +YORK. Neen! ik ben de uwe. + +EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York. + +YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March. + +EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad. + +WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad, +Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt. + +CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning? + +WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York. + +KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon? + +YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken. + +WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning. + +WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster; +Dit zal de lord van Westmoreland u staven. + +WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet, +Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden, +Uw vaders doodden, met ontplooide vanen +Door Londens straten trokken naar ’t paleis. + +NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed; +En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis. + +WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen +Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan +Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren. + +CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden, +Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden, +Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken. + +WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen! + +YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen; +Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit. + +KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104 +Uw vader was, als gij, hertog van York; +Uw moeders vader was de graaf van March;— +Mijn vader was de groote vijfde Hendrik, +Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn, +Hun steden en hun landen heeft veroverd. + +WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren. + +KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik; +’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd. + +RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij. +Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd. + +EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd. + +MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief, +Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten. + +RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis. + +YORK. Stil, zoons! + +KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord. + +WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan; +En luistert zwijgend en aandachtig toe; +Wie in de rede valt, hij zal niet leven. + +KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat, +Waarop mijn vader en diens vader zaten? +Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken, +En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend, +Doch nu in England, tot mijn harteleed,— +Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords? +Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne. + +WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst. + +KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring. + +YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst. + +KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak. +(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen? + +YORK. Wat verder? + +KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning, +Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords, +Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan; +Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij. + +YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning, +En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142 + +WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang, +Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong? + +EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen, +Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen. + +KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons? + +EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht. + +YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord? + +EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning. + +KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem. + +NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt, +Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet. + +WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen. + +NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden, +In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,— +Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,— +Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen. + +CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet, +Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden; +Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden, +Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel! + +KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart! + +YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!— +Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords? + +WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe, +Of van gewapend volk vervul ik ’t huis, +En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt, +Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed! + +(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.) + +KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord, +Laat mij mijn leven lang als koning heerschen. + +YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven, +En rustig heerscht gij heel uw leven lang. + +KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet, +Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel. + +CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon! + +WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177 + +WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik! + +CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt! + +WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren. + +NORTHUMBERLAND. Ik evenmin. + +CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld! + +WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst, +In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft! + +NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf +In boeien voor dit man-onteerend doen! + +CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen, +Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht! + + (Northumberland, Clifford en Westmoreland af.) + +WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen! + +EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam. + +KONING HENDRIK. Ach, Exeter! + +WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer? + +KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon, +Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.— +Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik +De kroon voor eeuwig u en uwen erven; +Met dit beding, dat gij den eed hier doet, +Den burgerkrijg te staken en mij steeds, +Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren, +En noch door open krijg, noch door verraad +Te streven naar mijn val om zelf te heerschen. + +YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem +houden. + +WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem! + +KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons! + +YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend. + +EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien! + +(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.) + +YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel. + +WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten. + +NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk. + +MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209 + + (York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg + af.) + +KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof. + +(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.) + +EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn; +’k Wil henensluipen. + +KONING HENDRIK. Exeter, ook ik. + +(Hij wil heengaan.) + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen. + +KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven. + +KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken? +Onzalig man! ware ik als maagd gestorven, +Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard, +Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk! +Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven? +Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik, +Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed, +Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed, +Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven, +Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt, +En dezen uwen een’gen zoon onterfd. + +PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen; +Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op. + +KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;— +Graaf Warwick en de hertog dwongen mij. + +KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen? +Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard! +Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij, +En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht, +Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden. +Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken, +Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven, +Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd? +Warwick is kanselier, beheerscht Calais, +De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee, +De hertog is protector nu van ’t rijk, +En acht ge u veilig? zulk een veiligheid +Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven. +Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest, +Eer had ik door de krijgers op hun pieken +Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit +Tot zulk een onderhand’ling had verstaan; +Maar gij verkiest uw leven boven de eer; +En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik +Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat +Dit parlementsbesluit vernietigd is, +Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd. +De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten, +Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert; +En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad, +En ’t gansche huis van York ten ondergang. +Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier; +Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256 + +KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken. + +KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga! + +KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij? + +KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde! + +PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer, +Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar. + +KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom! + + (Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.) + +KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde +Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen! +God wreke haar op dezen boozen hertog, +Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij +De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar +Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!— +Die afval der drie lords bezwaart mijn hart; +Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.— +Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn. + +EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen. + + (Beiden af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield. + +Edward, Richard en Montague komen op. + +RICHARD. Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,— + +EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen. + +MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht. + +(York komt op.) + +YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen? +Waarover hebt gij twist en hoe begon die? + +EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd. + +YORK. Waarom? + +RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat: +De kroon van England, die aan u behoort. + +YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is. + +RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet. + +EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu; +Laat gij de Lancasters op adem komen, +Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14 + +YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren. + +EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon; +Ik brak er duizend om één jaar te heerschen. + +RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt! + +YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp. + +RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren. + +YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk. + +RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij +Een echte, wettige overheid hem afneemt, +Die over hem, die zweert, gezag bezit; +Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd; +Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,— +En dus, mylord, uw eed is nul en nietig. +Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader, +Hoe schoon het is, een diadeem te dragen, +Hoe in zijn omtrek een Elysium is, +En elk geluk en heil, dat dichters malen. +Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust, +Alvorens ik de witte roos, die ’k draag, +In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur. + +YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.— +(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen; +Spoor Warwick tot deze onderneming aan.— +Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk, +En deel hem heim’lijk onze plannen mee.— +Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden, +Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan; +Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten, +Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed. +Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen, +Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan, +Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan, +Noch iemand van het huis van Lancaster? + +(Een Bode komt op.) + +Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast? + +BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden, +Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren. +Zij rukt met twintigduizend man ginds aan; +Versterk daarom uw veste goed, mylord. + +YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?— +Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;— +Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen, +En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren, +Die bij den koning als protectors bleven, +Met krachtig staatsbeleid zich te versterken, +Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend. + +MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60 +Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid. + + (Montague af.) + +(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.) + +YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer, +Gij komt te goeder ure in Sandal aan; +De macht der koningin wil ons beleeg’ren. + +SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld. + +YORK. Wat! met vijfduizend man? + +RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods; +Een vrouw is generaal, wat is te duchten? + +(Een marsch in de verte.) + +EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend; +Naar buiten dan; den slag hun aangeboden! + +YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht; +Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning. +In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen, +Waarin de vijand tien was tegen één; +Waarom zou ik niet even goed nu slagen? + + (Alarmsignalen.—Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Eene vlakte nabij slot Sandal. + +Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen +op. + +RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen? +Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt! + +(Clifford komt op, met Soldaten). + +CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven; +Maar hier dit jong van den vervloekten hertog, +Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven. + +LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn. + +CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg. + +LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind, +En maak u niet gehaat bij God en menschen. + + (Hij wordt door soldaten weggevoerd.) + +CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees, +Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen. + +RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan, +Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt; +Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi, +Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!— +O, lieve lord, versla mij met uw zwaard, +En niet met zulk een wreeden, fellen blik. +O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf: +Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt; +Neem wraak op mannen, en laat mij het leven! + +CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed +Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22 + +RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen; +Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem. + +CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven +En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg. +Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op, +Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen, +Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan. +Het zien van wien ook van het huis van York +Is als een furie, die het hart mij foltert; +En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb, +Geen leven sparend,—leef ik in de hel. +Daarom,— + +RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;— +Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford! + +CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent. + +RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden? + +CLIFFORD. Uw vader deed het wel. + +RUTLAND. Vóór mijn geboorte. +Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil, +Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake +Verslagen word’, zoo jammervol als ik. +O, laat mij levenslang gevangen zijn, +En geef ik ooit u grond tot ergernis, +Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden. + +CLIFFORD. Geen reden? +Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf. + +(Hij doorsteekt hem.) + +RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ. + + (Hij sterft.) + +CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet! +Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft, +Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed +Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat. + + (Clifford af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte der vlakte. + +Strijdgedruisch. York komt op. + +YORK. De macht der koningin behoudt het veld: +Om mij te redden vielen beî mijn ooms; +Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten +Mijn volgers, snel als schepen voor den wind, +Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf. +Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer; +Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen, +Tot roem geboren, beide in dood en leven. +Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij, +En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!” +En even vaak kwam Edward mij op zijde, +Met purperroode kling, tot aan ’t gevest +Met zijner weerpartijders bloed geverfd; +En toen de meest geharde krijgers weken, +Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!” +Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf! +Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!” +Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach! +Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan +Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20 +Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend. + +(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.) + +Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen; +En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten; +En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden. +Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt; +’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten. + +(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van +Wales en Soldaten komen op.) + +Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland, +Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede +Blaas ik hier aan tot feller razernij. +Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot. + +NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York. + +CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm +Als afbetaling aan mijn vader schonk! +Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld +En deed het avond zijn op ’t middaguur. + +YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel +Verwekken, die mij op u allen wreekt; +En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel, +En ik belach, wat gij mij aandoen kunt. +Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig? + +CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards: +Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw; +Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven +Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht. + +YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug, +En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest, +En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan; +Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt, +Wiens booze blik u rillen deed en vluchten. + +CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven, +Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een. + +(Hij trekt zijn zwaard.) + +KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen +Wil ik een poos des booswichts leven rekken.— + +(Clifford dringt op York steeds aan.) + +(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland! + +NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54 +Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen. +Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt, +De hand te steken tusschen ’t scherp gebit, +Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen? +’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen; +Tien tegen een werpt op den moed geen smet. + +(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.) + +CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik. + +NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net. + +(York wordt gevangen genomen.) + +YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit; +Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers. + +NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen? + +KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland, +Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man, +Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep, +Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.— +Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn, +Die in ons parlement den baas kwaamt spelen, +Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam? +Waar is uw viertal zoons om u te steunen? +De dartele Edward en de lachbek Clarence! +En waar het dapp’re kromme wangedrocht, +Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg +Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten? +En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland? +Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed, +Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards +Liet stroomen uit de borst van uwen knaap; +Indien uw oogen om hem schreien kunnen, +Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen. + +(Zij werpt hem den doek toe.) + +Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat +Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen. +Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York. +Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit, +Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt? +Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu; +Ik hoon u zoo, om razend u te maken; +Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’! +O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt; +York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!— +Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.— +Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op. + +(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.) + +Ja, nu ziet hij er als een koning uit! +Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam; +Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.— +Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99 +Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak? +Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn, +Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had. +En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken, +Zijn slapen van den diadeem berooven, +Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots? +O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.— +Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd! +Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd! + +CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader. + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal. + +YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven, +Wier tong meer gift heeft dan een addertand! +Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus +Te juub’len als een Amazone-snol +Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat! +Ware uw gelaat niet roerloos als een mom, +Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen, +Ik zou beproeven, trotsche koningin, +Een blos u aan te jagen, want te zeggen +Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg +Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet. +Uw vader draagt den koningstooi van Napels, +De twee Siciliën en Jeruzalem, +Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger; +Heeft u die arme vorst uw trots geleerd? +Maar, trotsche koningin, dit baat u niets, +Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar +Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.” +Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig; +Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan. +’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren; +Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel. +’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt; +Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend. +Van al wat goed is zijt gij afgekeerd, +Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons, +Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden. +O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld! +Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len, +Opdat de vader de oogen er mee wischte, +En toch het uitzicht hebben van een vrouw? +Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam, +Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos. +Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch. +Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil. +Want storm, die raast, blaast zware buien saam, +En als het razen luwt, dan komt de regen. +Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland, +En elke druppel schreeuwt om wraak op u, +Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw! + +NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150 +Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud. + +YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig, +Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt; +Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar, +Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië. +Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen! +Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek, +En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg; +Hier, neem dien doek terug en pronk er mee; + +(Hij werpt den doek terug.) + +En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid, +Bij God, uw hoorders zullen tranen storten, +Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten, +En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”— +Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek, + +(Hij werpt de papieren kroon neer.) + +En vind, in uwen nood, denzelfden troost, +Als thans uw al te wreede hand mij biedt!— +Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!— +Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden! + +NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht, +Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen, +Nu ik dien diepen zielejammer zie. + +KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland! +Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed; +Dit zal die weeke tranen ras u drogen. + +CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood! + +(Hij doorsteekt York.) + +KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning! + +(Zij doorsteekt York mede.) + +YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God! +Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u. + + (Hij sterft.) + +KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York; +Zoo overblikke York zijn veste York. + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + +Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire. + +Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen. + +EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn? +En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet, +Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging? +Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend; +Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend; +Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij +De blijde tijding zeker reeds vernomen.— +Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt? + +RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet, +Wat onzen dapp’ren vader is bejegend. +Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf, +Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas. +Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang, +Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren, +Of als een beer, van honden gansch omringd, +Die enk’len met een klauwslag janken doet, +Zoodat de rest uit verre verte keft. +Zoo deed daar onze vader met den vijand; +Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader; +Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.— +Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort +Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt; +Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid +Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt! + +EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25 + +RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon, +Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden, +Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw. +Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar, +Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld; +Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon! +Dit is een voorbeduidsel aan den hemel! + +EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords. +Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld, +Waar wij, de zoons van den krijgshaften York, +Schoon ieder stralend met ons eigen licht, +Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard +Bestralen moeten, als de zon ’t heelal. +Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild +Van dit uur af drie blonde zonnen voeren. + +RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,— +Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon. + +(Een Bode komt op.) + +Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt, +Dat booze tijding op de tong u zweeft? + +BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was, +Hoe de eed’le hertog York verslagen werd, +Uw hooge vader, mijn beminde heer. + +EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord. + +RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49 + +BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden +En wederstond hen, als eens Troje’s schuts +De Grieken, die in Troje wilden dringen. +Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules, +En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen +Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik. +Een tal van handen overmande uw vader; +Doch hem vermoordde alleen de gramme hand +Des fellen Clifford’s, en der koningin. +Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte +Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende, +Gaf hem de deernislooze koningin, +Opdat hij zich de wangen er mee wischte, +Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt +Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford, +En na veel hoon en lagen, fellen spot +Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort +Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet; +De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard! + +EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden! +Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut! +O Clifford, felle Clifford! gij versloegt +De bloem der ridderschap van gansch Europa; +’t Was door verraad, dat gij hem overmocht; +Man tegen man had hij wis u verwonnen. +Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker; +O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam +In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd! +Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken; +Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe! + +RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten +Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart; +Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen, +Want de adem, die tot spreken dienen moest, +Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen +Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen. +Het weenen maakt den weedom minder diep; +Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!— +Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood; +Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel! + +EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u; +Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij. + +RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend, +Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht! +Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel; +Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem. + +(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.) + +WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96 + +RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws +Verhalen moesten en bij ieder woord +Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind, +Der woorden pijn ware erger dan de wonden. +O dapp’re lord, de hertog York is dood. + +EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet, +Die u zoo lief had als zijn eigen ziel, +Is door den wreeden Clifford omgebracht. + +WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds +In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren, +Door ’t melden van wat verder is geschied. +Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader, +De wakk’re held, den laatsten adem uitblies, +Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden, +Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden. +Ik, die in Londen ’s konings hoeder was, +Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam, +En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust, +Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten, +En nam tot zekerheid den koning meê; +Want mijn spionnen hadden mij gemeld, +Dat zij in ’t veld was met het vast besluit +Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht +En Hendriks eed, geheel te niet te doen. +Om kort te gaan, wij werden handgemeen +Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig; +Maar, of het nu des konings koelheid was, +Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte, +Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam; +Of het gerucht misschien van haar geluk; +Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid, +Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert, +Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden, +Hùn vechten was een bliks’men met de wapens, +En onze slagen,—zacht als uilenwieken, +Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen +Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen. +Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht, +Beloften van hoog loon en rijken buit;— +Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten, +En ons de hoop om zoo te zegevieren. +Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade, +Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,— +Spoorslags hierheen, om u thans te versterken, +Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken +Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd. + +EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk? +En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië? + +WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen, +En George, uw broeder, werd door uwe moei, +Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden +Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft. + +RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148 +Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen, +Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week. + +WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort; +Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist +Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks, +Den hoogen scepter uit de hand hem wringt, +Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk, +Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom. + +RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet; +Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken. +Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd? +Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen, +In zwarten rouw ons hullen, en met kralen +De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden? +Of zullen we op der weerpartijders helmen +Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen? +Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit! + +WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord; +En hiertoe komt mijn broeder Montague. +Geeft acht, mylords. De drieste koningin +Heeft reeds, met Clifford en Northumberland +En and’re trotsche vogels van die veêren, +Den weeken koning omgekneed als was. +Bezworen werd door hem uw erfopvolging, +Zijn eed werd bij het parlement geboekt; +En nu is hun geheele troep naar Londen, +Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn, +Wat aan het huis van Lancaster kan schaden. +Hun macht is, meen ik, dertigduizend man; +Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf +Met alle vrienden, wakk’re graaf van March, +Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen, +Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,— +Welaan, naar Londen dan met alle macht, +Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen, +Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!” +Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht! + +RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken. +Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’, +Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt. + +EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen; +Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!— +Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel! + +WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York; +De rang, die volgt, is Englands hooge troon; +Tot Englands koning roepen wij u uit +In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert; +En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt, +Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd, +Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,— +Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem; +Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen! + +RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201 +Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden, +Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn. + +EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George! + +(Een Bode komt op.) + +WARWICK. Wat meldt gij? spreek! + +BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij: +De koningin rukt aan met groote macht; +Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen. + +WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts! + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Voor de stad York. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van +Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten. + +KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York! +Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel, +Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven; +Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart? + +KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht; +Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.— +Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet, +En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed. + +CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid, +Dit schaad’lijk medelijden van u af. +Wien werpen leeuwen zachte blikken toe? +Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen. +Wien likt wel de berin des wouds de hand? +Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft. +Of wie ontgaat den giftbeet van de slang? +Niet hij, die haar den voet zet op den rug. +De kleinste worm verheft, getrapt, den kop; +En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt. +Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon; +Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste. +Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader, +Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien; +Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend, +Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn, +Een vader u getoond, die niet beminde. +Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel; +En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’, +Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen, +Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len, +Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht, +Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31 +Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen? +O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld; +Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap +Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven, +En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:— +„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven, +Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!” +O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap; +Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege +Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart, +Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft! + +KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst +En voerde gronden aan van groot gewicht. +Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord, +Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt? +En is het dien zoon altijd wel gegaan, +Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle? +Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden; +O had ik ook zooveel, niets meer geërfd! +Want al het oov’rige is slechts een bezitting, +Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg, +Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt. +Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten, +Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat! + +KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij; +Die weeke stemming maakt uw volgers zwak. +Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan; +Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.— +Kniel neder, Edward. + +KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder; +En leer: trek voor het recht alleen het zwaard. + +PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof, +Ik wil het als uw troonopvolger trekken, +En in dien strijd het voeren tot den dood. + +CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins! + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid; +Want met een macht van dertigduizend man +Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York, +En roept hem, in de steden, die hij doortrekt, +Tot koning uit, en velen vloeien toe; +Schaart fluks uw leger, want hij is nabij. + +CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet; +De koningin slaagt beter in uw afzijn. + +KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over. + +KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76 + +NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten. + +PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords +En allen aan, die voor uw rechten strijden; +Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!” + +(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen +op, met troepen.) + +EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade, +En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem, +Of moet het bloedig veld uw lot beslissen? + +KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap! +Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren, +Hier voor uw souverein en rechten koning? + +EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen. +Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit, +Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor, +Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen, +Veeleer de koning zijt, hem opgezet, +Bij parlementsbesluit mij uit te vagen, +En te vervangen door zijn eigen zoon. + +CLIFFORD. En dat terecht; wie zou +Opvolger zijn des vaders, dan de zoon? + +RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken. + +CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord, +U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag. + +RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar? + +CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad. + +RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval! + +WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon? + +KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken? +Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden +Uw beenen beter dan uw handen dienst. + +WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe. + +CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch. + +WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford. + +NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet. + +RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.— +Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode +Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen +Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter. + +CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind? + +RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114 +Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;— +Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken. + +KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken. + +KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht. + +KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan; +Ik ben een koning, spreken is mijn recht. + +CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond, +Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil. + +RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem, +Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker. +Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong. + +EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet? +Een duizend man, die nog ontbeten, proeven +Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer. + +WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd? +Want York gespt voor het recht het harnas aan. + +PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan +Bestaat geen onrecht, dan is alles recht. + +RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder; +Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong. + +KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder, +Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen, +Geteekend door het lot, dat men u mijde +Gelijk een giftpad of haag’dissestekels. + +RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt, +Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,— +Alsof een goot ooit zee geheeten werd!— +Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet, +Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen? + +EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard, +Als zij die prij zichzelve kennen leerde! +Veel schooner was de Grieksche Helena, +Al moge uw gade ook Menelaüs zijn; +Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder +Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet. +Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk, +Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen; +En ware hìj naar zijnen rang gehuwd, +Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd; +Maar bedgenoot werd hem een beed’lares, +Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader; +En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam, +Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde, +En op zijn kroon hier oproer samenbracht. +Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots? +Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen; +Uit deernis met den zachten koning hadden +Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162 + +GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente, +En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei; +Dies legden we aan den vreemden stam onze aks; +En schoon de snede onszelf een weinig trof, +Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving, +Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld, +Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid. + +EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde, +En ik versmaad elk verder mondgesprek, +Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.— +Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen! +Dat zij ter zege of dood den weg ons banen! + +KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward! + +EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden! +Tienduizend levens kost dit twisten heden. + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een slagveld bij Towton. + +Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op. + +WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop, +Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen; +De ontvangen slagen, weergegeven houwen +Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht; +En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten. + +(Edward komt in vliegende haast op.) + +EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij! +Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon. + +WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege? + +(George komt op.) + +GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop; +Doorbroken is ons heer en onheil naakt. +Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij? + +EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld; +En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan! + +(Richard komt op.) + +RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug? +Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed, +Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt; +En in den laatsten doodstrijd riep hij nog, +Dof als een onheilspellend ver gedreun: +„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!” +Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die +Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed, +Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22 + +WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed; +Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil. +Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen, +En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast; +En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel +Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak? +Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven, +Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets, +Aleer de dood deze oogen heeft geloken, +Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft. + +EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie, +En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!— +En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat, +Werp ik mijn oog en hart en hand tot U, +U, grooten koningsschepper en verdelger, +En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit, +Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,— +Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’, +Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’! +En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien, +’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde. + +RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick, +’k Omvange u met mijn moegestreden armen! +Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen, +Dat winter onze lentezon doet tanen. + +WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel! + +GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers; +Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden, +Hen noemen we onze pijlers; en aan hen +Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd +Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel. +Dit plant wellicht in lauwe harten moed; +Want hoop op leven is er en op zege.— +Niet meer gedraald; vooruit met alle macht! + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Schermutselingen. Richard en Clifford komen op. + +RICHARD. Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij. +Deze arm, denk dit, is voor den hertog York, +En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd, +Al waart ge omsloten van een bronzen muur. + +CLIFFORD. Nu, Richard, ben ik hier met u alleen. +Ja, deze hand doorstak uw vader York, +En deze hand versloeg uw broeder Rutland, +En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood, +En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder, +Den lust geeft om u evenzoo te rechten. +Dus: weer u! + + (Zij vechten. Warwick komt. Clifford vlucht.) + +RICHARD. Neen, Warwick, lees een ander wild u uit; +Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. 13 + + (Beiden af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op. + +KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd, +Als stervend donker kampt met groeiend licht, +Wanneer de herder, op zijn nagels blazend, +Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht. +Nu zwaait het dien weg, als een groote zee, +Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen, +Dan dezen weg uit, als dezelfde zee, +Teruggedreven door de macht des winds; +Nu wint de vloed den strijd en dan de wind, +Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst; +Beide om de zege worst’lend, borst aan borst, +Geen overwinnaar nog, geen overwonnen; +Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds. +Ik wil me op dezen molshoop nederzetten. +Waar God ze geven wil, daar zij de zege! +Want Margaretha heeft, en Clifford ook, +Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend, +Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt. +O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood! +Want wat is de aard, dan enkel leed en nood? +O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot, +Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder, +Te zitten op een heuvel als ik hier, +En zonnewijzers kunstig uit te snijden, +Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden, +Hoeveel er van te zaam een uur voltooien. +En hoeveel uren voor een dag verloopen, +Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is, +En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft. +En dan, is dit erkend, den tijd te deelen, +Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden, +En zooveel uren moet ik aan mijn rust, +En zooveel uur aan overdenking wijden, +En zooveel uren geven aan vermaak, +En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig, +En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren, +En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren; +Minuten, uren, dagen, maanden, jaren, +Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel, +En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf. +Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk! +Verleent het doornebosch niet aan den herder, +Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw, +Dan op den troon een rijkgestikte hemel +Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht? +O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet. +En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel, +Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch, +Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer, +Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet, +Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51 +Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker, +Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd, +Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren. + +(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het +lijk.) + +ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt! +De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg, +Kan licht een buidel kronen bij zich hebben; +En ik, die bij geluk hem die ontneem, +Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven, +Een ander afstaan, als de doode aan mij. +Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders, +Dien ik onwetend in den strijd versloeg! +O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt! +Men preste mij te Londen voor den koning; +Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick, +Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York; +En ik, die ’t leven eens van hem ontving, +Heb met mijn hand het leven hem benomen!— +Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;— +Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.— +Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg; +En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend! + +KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed! +Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren, +Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist. +Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan; +Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist, +Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer! + +(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn +armen.) + +VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt, +Geef mij uw goud, indien gij goud bezit; +Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen. +Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands? +O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!— +O kind, zoo er nog leven in u is, +Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen, +Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden, +Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!— +Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!— +O welke daden, gruw’lijk en moorddadig, +Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk, +Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!— +O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, +Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat! + +KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed! +O, dat mijn dood die gruw’len einden kon! +Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!— +De roode en witte roos zijn op zijn kaak, +Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98 +Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur, +Op de andere al te wel zijn bleeke wang; +Één roos verwelke, en moge de andre bloeien! +Geen strijd, die duizend levens doet verwelken! + +ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood, +Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd! + +VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon, +Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid! + +KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen, +Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd! + +ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd? + +VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid? + +KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd? +Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn. + +ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit. + + (De Zoon af met het lijk.) + +VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,— +Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht, +Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten. +Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt; +En even diepe rouw bedrijft uw vader +Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind, +Als Priamus om al zijn dapp’re zoons. +Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht +En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht. + + (De Vader af, met het lijk.) + +KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij, +Hier zit een koning, met meer wee dan gij. + +(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van +Wales en Exeter komen op.) + +PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden, +En Warwick raast als een getergde stier. +IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen! + +KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar +Berwick; +Edward en Richard,—als twee hazenwinden, +Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien, +Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len, +Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd, +Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen! + +EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak; +Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed; +Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit. + +KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137 +Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik +De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier! + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + +Aldaar. + +Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond. + +CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij, +Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen. +O Lancaster! nu vrees ik uwen val, +Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel! +Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden, +Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging, +Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York. +Waar vliegen muggen heen, dan in de zon? +En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders? +O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend, +Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende, +Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid! +En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht, +Gelijk uw vader en zijn vader deden, +En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven, +Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen; +Ik en tienduizend in dit arme rijk, +Wij lieten thans geen droeve weeuwen na, +En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon. +Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht? +En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?— +Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden. +Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer! +De vijand kent geen deernis, geen erbarmen, +Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen! +De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in, +En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.— +Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders; +Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders! + +(Hij bezwijmt.) + +(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague, +Warwick en Troepen komen op.) + +EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk +Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd +Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.— +Een deel vervolg’ de felle koningin; +Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning, +Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind, +Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen. +Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood? + +WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is; +Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,— +Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf; +En, waar hij zij, voorzeker is hij dood. + + (Clifford steunt en sterft.) + +EDWARD. Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? 42 + +RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood. + +EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu +’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend. + +RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t; +Die niet tevreden, dat hij zulk een tak +Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef, +Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg, +Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,— +Ik meen, aan onzen hoogen vader York. + +WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af, +Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant; +En neme zijne plaats dit hoofd nu in, +Want maat voor maat moet de vergelding zijn. + +EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis, +Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste; +Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied, +En de onheilstaal van zijne tong verstomde. + +(Het lijk wordt naar voren gedragen.) + +WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.— +Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?— +’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht; +Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen. + +RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet; +Het is misschien een list, zich dood te veinzen, +Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga, +Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed. + +GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden. + +RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis. + +EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs! + +WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld! + +GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken. + +RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York. + +EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u. + +GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde. + +WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht. + +RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford +Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78 +Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God! +Kon ik hem zoo twee uren levens koopen, +Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen, +Ik hakte mij de hand af en verstikte +Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst +Noch York noch jonge Rutland konden lesschen. + +WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af, +En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat. +En nu naar Londen voorwaarts in triomf, +En laat tot Englands koning fluks u kronen. +Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over, +En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin. +Zoo knoopt gij beide landen innig saam, +En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand, +Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan; +Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan, +Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen. +Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek +Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk +Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt. + +EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick; +Want op uw schouders bouw ik mijnen troon, +En nimmer onderneem ik een’ge zaak, +Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.— +Richard, tot hertog maak ik u van Gloster, +George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf, +Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt. + +RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster; +Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil. + +WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet +Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen, +Daar al onze eer nu in bezit genomen! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Een jachtveld in Noord-Engeland. + +Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte, +Want op deze open plek komt steeds het wild; +Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht, +En lezen zoo het schoonste hert ons uit. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog +Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot. +Neen, samen staan wij hier en doen ons best. +En om den tijd van ’t wachten u te korten, +Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats, +Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd. + +(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.) + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij +is. + +KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13 +Om liefdevol mijn eigen land te groeten. +Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u, +Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen, +Die balsem, die u heiligde, afgewischt; +Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen, +Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen, +Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken; +Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan? + +EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont; +De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten. + +KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen; +Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd! + +EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren. + +KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp; +En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik, +Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster +Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo, +Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite; +Want Warwick is een schrander redenaar, +En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk. +Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen; +Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard; +Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst, +Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38 +Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht, +En Nero wordt geroerd van deernis, als hij +Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet. +’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven; +Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen, +Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward. +Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet; +Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond; +Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart, +Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt, +En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind +Den koning overreedt, haar niet te hooren, +Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen, +Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot. +Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme +Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen +En koninginnen praat? 55 + +KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest; +Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn? +En van een koning mag een mensch toch praten? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt. + +KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon? + +KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd, +Met Indische edelsteenen niet bezet, +Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid, +Een kroon zooals een koning zelden draagt. + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan +Nu met uw kroon tevredenheid tevreden +En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij +De koning, afgezet door koning Edward; +En wij, onze’ eed als onderdanen trouw, +Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt. + +KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet. + +KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England? + +TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn. + +KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning, +Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren; +Gezworen onderdanen waart gij mij; +En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken? + +EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen; +Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart. + +KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch? +Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert! +Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas, +En de adem van den wind het mij terugblaast, +En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas, +En ook weer toegeeft, als een ander blaast, +Steeds door de sterker strooming meegevoerd, +Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89 +Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde +Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn. +Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last; +Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen. + +EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward. + +KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn, +Als hij op koning Edward’s troon weer zat. + +EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede; +Gij moet met ons naar zijn beambten gaan. + +KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings +Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond; +En wat God wil, dat moge uw koning doen; +In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken. + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op. + +KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe +Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag +Van Sint-Albaans gevallen en zijn land +Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar. +Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land, +Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen, +Omdat de waardige edelman zijn leven +Verloor bij ’t strijden voor het huis van York. + +GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan; +Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren. + +KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo? +De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan, +Aleer de koning haar verzoek wil toestaan. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed +het spoor! + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu! + +KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw, +Kom dus een andermaal het antwoord hooren. + +LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden; +’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven, +En wat u zal behagen is mij goed. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw +land, +Indien wat hem behaagt, u wel bevalt. +Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij +niet valt. 24 + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor +hem! + +KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg? + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind +van haar. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er +twee. + +LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer. + +GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft. + +KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen. + +LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun. + +KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje +toetsen. + +GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten, +Tot u de jeugd verlaat en krukken laat. + +(Gloster en Clarence treden terug.) + +KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief? + +LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb. + +KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt? + +LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten. + +KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal. + +LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit. + +KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven. + +LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten. + +KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf? + +LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan. + +KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag. + +LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag. + +KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil. + +LADY GREY. Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. 49 + +GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen +holt den steen. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was +wel smelten. + +LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten? + +KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen. + +LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan. + +KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer. + +LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen. + +(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.) + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het +zegel. + +KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten. + +LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst. + +KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin; +Om welke liefde meent gij, dat ik smeek? + +LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden, +Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft. + +KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet. + +LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht. + +KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn. + +LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch +Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta. + +KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats. + +LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker. + +KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet. + +LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed; +Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen. + +KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort. + +LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort. +Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim +Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek; +Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”. + +KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede; +Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch. + +LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81 + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de +wenkbrauw. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo +plomp het hof. + +KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik; +Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord; +Zoo schoone gaven eischen vorstenrang; +Een koning is zij waardig, zus of zoo, +’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.— +(Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam? + +LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen; +Ik deug als onderdaan misschien tot scherts, +Maar nimmer toch om koningin te zijn. + +KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon, +Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent; +Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten. + +LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil. +Ik weet, ik ben te laag voor koningin, +Maar toch te goed voor liefje van een koning. + +KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin. + +LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons +U vader gingen noemen. + +KONING EDWARD. Neen, niet meer, +Dan zoo u mijne dochters moeder noemen. +Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk; +En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel, +Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak, +De vader van een tal van zoons te zijn. +Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht +gehoord. + +CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list +aan ’t woord. + +KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken? + +GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken. + +KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos? + +CLARENCE. Voor wien, mylord? + +KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf. + +GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. + +CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt. + +GLOSTER. Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. 114 + +KONING EDWARD. Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u, +Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt. + +(Een Edelman komt op.) + +EDELMAN. Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat, +En als gevang’ne hier voor uw paleis. + +KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;— + + (De Edelman af.) + +En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft, +Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.— +Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere. + + (Allen af, behalve Gloster.) + +GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.— +Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles, +Opdat geen groene spruit uit zijne lenden +Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag! +Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,— +Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,— +Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward, +En al hun onverhoopte lijflijke erven, +En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is; +Een killende overweging bij mijn plan! +Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk, +Als een, die op een voorgebergte staat +En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht, +En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog, +De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt, +Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen; +Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon, +En kijf op al wat mij van haar terughoudt, +En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen, +En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is. +Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest, +Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren. +Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard, +Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan? +Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot, +In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re +De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;— +Armzalige inval, minder nog bereikbaar, +Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen! +De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf; +En, opdat ik haar zachte wet zou derven, +Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht +Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len +Gelijk een dorre struik, om op mijn rug +Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid +Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt; +Om mij de beenen ongelijk te vormen, +Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden, +Als aan een warklomp of een berenwelp, +Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt. +En ben dan ik een man, die liefde wekt? +O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164 +Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt +Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen, +Die schooner van gestalte zijn dan ik, +Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen, +En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen, +Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd +Omtuind is van een glorierijke kroon. +Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang, +Want vele levens scheiden mij van ’t doel. +Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,— +De dorens scheurend, zelf er door geschramd,— +Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert, +Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt, +Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,— +Zoo martel ik mij af om Englands kroon; +En van die mart’ling wil ik mij bevrijden, +Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks. +Glimlachen kan ik en glimlachend moorden, +En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft, +En kunstig mijn gelaat met tranen vochten, +Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds. +’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf, +Meer kijkers dooden dan de basilisk, +Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen, +Bedriegen, fijner dan Ulysses deed, +Een Sinon zijn en nog een Troje nemen; +Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen, +Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs; +Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;— +En zou een kroon mij onbereikbaar zijn? +Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn! + + (Gloster af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Frankrijk. Een staatsievertrek in het koninklijk paleis. + +Trompetgeschal. Koning Lodewijk en prinses Bona komen op, met Gevolg. +De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin Margaretha, +Prins Edward en de Graaf van Oxford. + +KONING LODEWIJK (opstaande). Doorluchte, schoone koningin van England, +Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst, +Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit. + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, groote koning, Margaretha moet +Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen, +Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte +’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd, +Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden, +Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet +Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu, +En ik mij schikken in mijn lage plaats. + +KONING LODEWIJK. Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis? + +KONINGIN MARGARETHA. Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult, +Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt. + +KONING LODEWIJK. Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, 15 +En zet u naast ons. (Beiden gaan zitten.) Buig den nek toch niet +Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave +Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort; +Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed; +Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed. + +KONINGIN MARGARETHA. Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest +En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken. +Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust, +Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart, +In plaats van koning nu een vlucht’ling is, +In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet, +Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York, +Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd +Van Englands echtgezalfden, rechten koning. +Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha, +Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon, +Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend; +Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop; +Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet; +In England zijn èn pairs èn volk verleid, +De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid; +En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid. + +KONING LODEWIJK. Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm, +Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken. + +KONINGIN MARGARETHA. Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand. + +KONING LODEWIJK. Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp. + +KONINGIN MARGARETHA. O, ongeduld verzelt steeds waren kommer; +En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan. + +(Warwick komt op, met Gevolg.) + +KONING LODEWIJK. Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon? + +KONINGIN MARGARETHA. De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend. + +KONING LODEWIJK. Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons? + +(De Koning komt van den troon af. Koningin Margaretha staat op.) + +KONINGIN MARGARETHA. Wee! nu begint een tweede storm te woeden; +Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht! + +WARWICK. De roemrijke Edward, koning thans van Albion, +Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend, +Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde, +Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten, +Voorts aan te dringen op een vriendschapsband, +En dan nog, om die vriendschap te versterken, +Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen, +Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona, +Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden. + +KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58 + +WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege +Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig +De hand u kussen en u met mijn tong +Den gloed beschrijven van mijns meesters hart, +Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend, +Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd. + +KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan, +Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek +Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde, +Alleen uit arglist, door den nood verwekt; +Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis, +Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt? +Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk, +Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven, +Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon. +Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt, +Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd; +Want een geweld’naar moge een wijle heerschen, +God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit. + +WARWICK. Smaadzieke Margaretha! + +PRINS. Waarom niet koningin? + +WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij +Zoo min een prins, als zij een koningin. + +OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent, +Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet, +En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik, +Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs, +En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik, +Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd; +Van deze reeks stamt onze Hendrik af. + +WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede +Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik +Al wat de vijfde Hendrik won, verloor? +Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier +De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij +Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets +Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten. + +OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij +Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft, +En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen? + +WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98 +Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms? +Laat Hendrik varen en noem Edward koning. + +OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis +Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere, +Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader, +En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds +Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had? +Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft, +Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster. + +WARWICK. En ik aan ’t huis van York. + +KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford, +Op ons verzoek een poos ter zij te treden, +Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek. + +KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’! + +(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.) + +KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af, +Is Edward waarlijk koning, want ik knoop +Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst. + +WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is. + +KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks? + +WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had. + +KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk +De mate van de liefde, die hij voedt +Voor onze zuster. + +WARWICK. Zoo doet die zich voor, +Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt. +Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren; +Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde, +Die in den grond der deugd haar wortels heeft, +Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid. +Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen, +Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’. + +KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren. + +BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn; +(Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds, +Als ik uws konings gaven hoorde roemen, +Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte. + +KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade; +En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen +Omtrent den weduwschat, dien England toekent, +Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.— +Treed nader, koningin, en wees getuige, +Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning. + +PRINS EDWARD. Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. 140 + +KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan, +Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken; +Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend. + +KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha; +Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak, +Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken, +Dan is het billijk, dat ik van de hulp +Ontheven zij, voorheen u toegezegd. +Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst, +Dien gij behoeft en ik verleenen kan. + +WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland, +Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan. +En gij, gewezen koningin van England, +Hebt hier uw vader om voor u te zorgen; +Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen. + +KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg, +Gij trotsche koningsschepper en verdelger! +Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen, +Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon, +Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde; +Want vogels zijt ge beî van eender veeren. + +(Horengeschal.) + +KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij. + +(Een Bode komt op.) + +BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over, +Van uwen broeder, markgraaf Montague;— +(Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;— +(Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien. + +(Allen lezen hun brieven). + +OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres +Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt. + +PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld; +Ik hoop er ’t beste van. + +KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek! +Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin? + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop. + +WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer. + +KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174 +En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen +En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant? +Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt? +En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen? + +KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld; +Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer. + +WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel, +En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik +Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,— +Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert, +Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag. +Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York +Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden? +Gezwegen bij de onteering van mijn nicht? +Zijn hoofd omgeven met de koningskroon? +Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken? +En word ik in het eind met schimp beloond? +Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt, +Die hij mij roofde; en om die weer te winnen, +Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik. +Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok; +Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar. +Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik, +En Hendrik breng ik op zijn ouden troon. + +KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde; +En ik vergeef, vergeet alle oude schuld, +Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt. + +WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend, +Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen +Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan, +Ik op mij neem, op onze kust te landen, +Door krijg den dwing’land van den troon te storten. +Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat; +En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt, +Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken, +Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer, +Dan veiligheid of sterkte van ons land. + +BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden, +Zoo gij deze arme koningin niet steunt? + +KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven, +Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt? + +BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een. + +WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses. + +KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha, +Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste +Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt. + +KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken. + +KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222 +Den valschen Edward, uw vermeenden koning, +Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, +Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len. +Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee. + +BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar +Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans. + +KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd +En sta gereed, het harnas aan te gespen. + +WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, +En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt. +Hier, neem uw loon, en ga! + + (Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.) + +KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij, +En Oxford, en vijfduizend man met u, +Steekt over en bestrijdt den valschen Edward; +En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe, +Alsook de prins, met versche troepen volgen. +Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op: +Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw? + +WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw: +Indien mijn koningin en prins het willen, +Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter, +Terstond met hem door heil’gen echt verbinden. + +KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel. +Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon; +Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick, +En met de hand uw onverbreek’lijk woord, +Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt. + +PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het; +En hiervoor zij mijn hand het onderpand. + +(Hij reikt aan Warwick de hand.) + +KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam, +En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks, +Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.— +Zij nederlaag en dood nu Edwards lot, +Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot! + + (Allen af, behalve Warwick.) + +WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier, +Doch ga terug als zijn gezworen vijand. +Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len, +Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek. +Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen? +Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed. +Ik was de man, die hem ten troon verhief; +Ik wil de man zijn, die hem vallen doet. +Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel, +Doch straffen wil ik Edwards guichelspel. + + (Warwick af.) + + + + + + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op. + +GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u +Van dezen nieuwen echt met lady Grey? +Kon onze broeder beter keuze doen? + +CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk; +Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was? + +SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning. + +GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw. + +CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk. + +(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als +koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.) + +KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus, +Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd? + +CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick, +Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed, +Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden. + +KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond, +Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward, +Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16 + +GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt; +Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best. + +KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel? + +GLOSTER. Neen, neen, ik niet; +Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen, +Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het +Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast. + +KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin, +Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey +Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;— +En gij ook, Somerset en Montague, +Zegt ronduit uwe meening. + +SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk +Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek +Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid. + +GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht, +Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33 + +KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen +Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk? + +MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk, +Ons tegen vreemde stormen meer versterkt, +Dan eenige echt met een landsdochter doet. + +HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England +Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf? + +MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog. + +HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd! +Laat ons door God en van de zee gedekt zijn, +Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk; +Verweren wij ons enkel met hun hulp; +In hen en in onszelf ligt onze kracht. + +CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings, +De erfdochter van lord Hungerford te erlangen. + +KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst; +En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil. + +GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed, +Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw +De erfdochter weg te schenken van lord Scales; +Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe; +Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap. + +CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon +Lord Bonville’s erfgename niet bestemd, +En zoo uw broeders elders laten uitzien. + +KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw, +Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen. + +CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel; +Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund, +Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed; +En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten. + +KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn +En niet gebonden aan zijns broeders wil. + +KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde, +Mij als zijn gade vorstenrang te schenken, +Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,— +Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren +Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt. +Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert, +Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte, +Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed. + +KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75 +Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen, +Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend +En hun monarch is, wien zij moeten dienen? +Zij zullen ’t doen en u beminnen ook, +Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft; +En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds, +En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen. + +GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer. + +(Een Bode komt op.) + +KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten +Uit Frankrijk? + +BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden, +Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen, +Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt. + +KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort, +Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord. +Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven? + +BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid: +„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning, +„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal, +„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.” + +KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik. +Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt? + +BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid: +„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar +„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.” + +KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen; +Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade? +Want naar ik hoorde, was zij mede daar. + +BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af, +„En sta gereed, het harnas aan te gespen.” + +KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen. +Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon? + +BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit +Dan al die and’ren, gaf mij dit in last: +„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt, +„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.” + +KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112 +Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe, +En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots. +Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha? + +BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap, +Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt. + +CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste. +Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast; +Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter, +Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk, +In huwlijksglans voor u niet onderdoe.— +Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij. + + (Clarence af, gevolgd door Somerset.) + +GLOSTER (ter zijde). Niet ik; +Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik +Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon. + +KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over! +Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend; +Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.— +Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers; +Rust alles duchtig tot den oorlog toe. +Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn; +Ikzelf zal in persoon terstond u volgen. + + (Pembroke en Stafford af.) + +Doch voor ik ga, Hastings en Montague, +Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren, +Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na; +Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij? +Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem; +Een vijand is mij liever dan een schijnvriend; +Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden, +Zoo geve een eed van u mij zekerheid, +Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’! + +MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft! + +HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht. + +KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons? + +GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant. + +KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker. +Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen, +Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen! + + (Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een vlakte in Warwickshire. + +Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen. + +WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed; +In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe. + +(Clarence en Somerset komen op.) + +Doch zie, daar komen Somerset en Clarence! +Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden? + +CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor. + +WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom; +Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid, +Argwaan te koest’ren, als een edel hart +Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt; +’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder, +Is een geveinsde vriend slechts van ons doen; +Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.— +Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld, +Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd, +Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid, +En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft, +Hem te overromp’len en naar wensch te vatten? +’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij, +Gelijk Ulysses en held Diomedes +Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen +En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden, +Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld, +De wacht van Edward onvoorziens verslaan, +Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden, +Want enkel hem verrassen is mijn doel.— +Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt, +Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam! + +ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik! + +WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte! +Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George! + + (Allen af.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Edwards legerkamp bij Warwick. + +Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op. + +EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post; +De koning heeft zich reeds gezet tot slapen. + +TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed? + +EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan, +Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten, +Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is. + +TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn. +Als Warwick zoo nabij is als men zegt. + +DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman, +Die met den koning in zijn tent hier slaapt? + +EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings. + +DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning, +Dat al zijn volk schier in de steden ligt, +Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14 + +TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer. + +DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust; +Die heb ik liever dan gevaar en eer. +Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan, +Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou. + +EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden. + +TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent, +Dan om een overval bij nacht te keeren! + +(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle +stilte.) + +WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht. +Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer! +Volgt mij slechts en terstond is Edward ons. + +EERSTE WACHTER. Wie daar? + +TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft! + +(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de +Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de +Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder +getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in +nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men +Gloster en Hastings vluchten.) + +SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten? + +WARWICK. Richard is ’t, +Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog. + +KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden, +Heette ik uw koning! + +WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders. +Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan, +Toen heb ik u als koning afgezet, +En thans benoem ik u tot hertog York. +Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren, +Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert, +Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt, +Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt, +Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt, +Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt. + +KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij? +Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.— +Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot, +Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen, +Zal Edward steeds als koning zich gedragen; +Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver, +Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad. + +WARWICK. Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48 + +(Hij neemt hem de kroon af.) + +Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen +En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.— +Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg, +Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder, +Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd. +Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden, +Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord +Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.— +En nu vaarwel, mijn waarde hertog York. + +KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad; +En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat. + + (Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.) + +OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords, +Dan met ons heer naar Londen op te rukken? + +WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen, +Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden, +En weer te plaatsen op zijn koningstroon. + + (Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis. + +Koningin Elizabeth en Rivers komen op. + +RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig? + +KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren, +Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof? + +RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick? + +KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon. + +RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood? + +KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen, +Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried, +Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep; +En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede +Des aartsbisschops van York is toevertrouwd, +Die Warwick’s broeder is en dus ons haat. + +RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag; +Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren; +Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren. + +KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren; +Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre, +Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot; +Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len, +Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20 +Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug, +En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou; +Licht ware traan of zuchten ten verderve +Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve! + +RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu? + +KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt, +En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil. +Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt. +Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,— +Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,— +IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats +En red den erfgenaam van Edwards recht; +Daar ben ik veilig voor geweld en list. +Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is; +Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis. + + (Beiden af.) + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een park bij het slot Middleham in Yorkshire. + +Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op. + +GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley, +Verbaast u langer niet, dat ik hierheen +In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde. +Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward +Is als gevang’ne bij den bisschop hier, +Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt, +Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt, +Zich met de jacht vermakend, hierheen komt. +’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd, +Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt, +Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken, +Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt +En zijn gevangenschap verbreken kan. + +(Koning Edward en een Jager komen op.) + +JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild. + +KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.— +Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren, +Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen? + +GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed. +Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed. + +KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu? + +HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren. + +GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan. + +KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden. + +GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd. + +KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan? + +JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen. + +GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud! + +KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak, +En bid, dat God mij weder koning maak’. + + (Allen af). + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Een vertrek in den Tower. + +Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford, +Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op. + +KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden +Edward gebonsd is van den koningstroon, +En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid, +Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek, +Wat loon bij onze slaking u wel toekomt! + +SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren; +Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag, +Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit. + +KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen? +Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen, +Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn; +Ja, een genot, zooals de vogel smaakt, +Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust, +In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied, +’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.— +Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd, +Ontvang daarom, na God, mijn besten dank; +Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;— +Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne, +Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert, +En niet het volk van dit gezegend land +Getuchtigd worde met mijn boos gesternte, +Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’, +Geef ik aan u het landsbestuur hier over, +Want u geleidt geluk bij al uw doen. + +WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd, +Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam, +Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt; +Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren; +Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,— +Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven. + +CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig, +Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte +De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde, +Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt; +En daarom geef ik willig u mijn stem. + +WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector. + +KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38 +Vereent uw handen, en daarmee uw harten, +Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’; +Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk, +Opdat ikzelf, gelijk een burger levend, +Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde, +Mijn Schepper love en booze zonde mijde. + +WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil? + +CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe; +Want op uw goed geluk verlaat ik mij. + +WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen. +Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw +Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen. +’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind, +Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust. +En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig, +Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad +En al zijn land en goed verbeurdverklaren. + +CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len. + +WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat. + +KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht +Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;— +Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward, +Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren; +Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees +De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd. + +CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed. + +KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap, +Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt? + +SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond. + +KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop. + +(Hij legt hem de hand op het hoofd.) + +Indien geheime machten echte waarheid +Inblazen aan mijn verrezienden geest, +Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen. +Zijn blik is vol van kalme majesteit, +Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen, +Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf +Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren. +Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat +Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad. + +(Een Bode komt op.) + +WARWICK. Wat meldt gij, man? + +BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt, +En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië. + +WARWICK. Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80 + +BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings +Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied, +In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud, +En aan des bisschops jagers hem ontrukt; +Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf. + +WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.— +Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen, +Om elke wond, die voorkomt, te genezen. + + (Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.) + +SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp; +Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië, +En dan ontstaat er even wis weer krijg. +Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart +Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond, +Thans is ’t beangst om wat in deze twisten +Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil. +Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen, +Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan, +Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan. + +OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon, +Licht deelde Richmond in der and’ren loon. + +SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed; +Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed. + + (Allen af.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Voor York. + +Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen. + +KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren, +Tot dusver maakt het lot ons alles goed, +En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat +Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon. +Wij staken tweemaal nu de zee goed over, +Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend; +Wij kwamen van de haven Ravensburg +Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig, +Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad? + +(Hastings klopt aan de poort.) + +GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet; +Voor menigeen is struik’len aan den drempel +Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert. + +KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken; +Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij; +’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen. + +HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen. + +(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op +den muur.) + +MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17 +Uit zorg voor onze veiligheid de poort, +Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig. + +KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft +Steeds Edward voor het minst hertog van York. + +MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen. + +KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom, +Waarmede ik gansch en al tevreden ben. + +GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen, +Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt. + +HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor? +Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden. + +MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open. + + (De Mayor en Raadsleden boven af.) + +GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed! + +HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat, +Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij, +Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij +Hem en geheel zijn raad tot rede brengen. + +(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.) + +KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten, +Dan in de nacht of als er oorlog is. +Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af; + +(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.) + +Want Edward is ’t, die u, uw stad en al +Wie mijne zijde kiest, beschutten zal. + +(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.) + +GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery, +Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend. + +KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend? + +MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd, +Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt. + +KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog +Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen +Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt. + +MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug; +Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.— +De trom geroerd en weder afgetrokken! + +(De trommen beginnen een marsch te slaan.) + +KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen, +Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen. + +MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53 +Zoo gij hier niet tot koning u verklaart, +Dan laat ik hier u over aan uw lot, +Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen. +Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt? + +GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden? + +KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn; +Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen. + +HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard! + +GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon. +Wij roepen, broeder, nu terstond u uit; +’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan. + +KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht, +En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan. + +MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf; +En nu ook wil ik Edwards strijder zijn. + +HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.— +Hier kameraad, lees gij de proclamatie. + +(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.) + +SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van +Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.” + +MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht, +Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht. + +(Hij werpt zijn handschoen neder.) + +ALLEN. Lang leve Edward de vierde! + +KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank! +Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde. +Laat ons in York deze eene nacht verwijlen; +En als de morgenzonne weer haar kar +Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet, +Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang, +Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.— +O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan, +Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen! +Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.— +De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet; +En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt! + + (Allen af.) + + + + + + +ACHTSTE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop. + +Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en +Oxford komen op. + +WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward +Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders, +De smalle zee in veiligheid doorkliefd, +En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen +En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe. + +KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan. + +CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden; +Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet. + +WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden, +In vrede rustig, leeuwen in den krijg; +Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u, +En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent +De ridders op, heel de’ adel, u te volgen; +Gij, broeder Montague, in Buckingham, +Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis +Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;— +Gij, dappere Oxford, wondervol bemind +In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.— +Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar +Omgeven, als zijn eiland van de zee, +Of als de kuische jachtgodin van nymfen, +In Londen blijven, tot wij wederkeeren.— +Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet. +Vaarwel, mijn vorst en heer. + +KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop. + +CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand. + +KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig! + +MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer. + +OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw; +vaarwel! + +KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague, +Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel. + +WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats. + + (Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.) + +KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten. +Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij? +Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft, +Is niet in staat, de mijne te weerstaan. + +EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt. + +KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd. +’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten. +Geen beden uitgesteld van dag tot dag; +Mijn deernis was een balsem voor hun wonden, +Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer, +Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed; +Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig, +Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten, +Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft. +Waarom zou Edward hun dus liever zijn? +Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg; +En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd, +Dan loopt het lam hem immer achterna. + +(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”) + +EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw? + +(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.) + +KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg; +En roept ons weder uit tot Englands koning.— +Gij zijt de bron, die kleine beken voedt; +Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op, +En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.— +Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken. + + (Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.) + +En, lords, naar Coventry ons nu gespoed, +Waar de op gezag beluste Warwick staat. +Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi, +’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi. + +GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt +Den grootgeworden landverrader plots’ling; +Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry! + + (Allen af.) + + + + + + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +EERSTE TOONEEL. + + +Voor Coventry. + +Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee +Boden en Anderen. + +WARWICK. Waar is de bode van den dapp’ren Oxford? +Hoe ver is nog uw meester, goede vriend? + +EERSTE BODE. Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen. + +WARWICK. Waar is de man, die Montague ons zond?— +Hoe ver is onze broeder Montague? + +TWEEDE BODE. Nu reeds te Daintry, met een groote macht. + +(Sir John Somerville komt op.) + +WARWICK. Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon? +En hoe nabij is Clarence, naar gij gist? + +SOMERVILLE. ’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam; +Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier. + +(Men hoort getrommel.) + +WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11 + +SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.) +Southam ligt daar; +’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick. + +WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden? + +SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten. + +(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun +troepen.) + +KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud. + +GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten. + +WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier? +Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om, +Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren? + +KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen? +Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie, +Noem Edward koning, vraag van hem genade, +En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad. + +WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan? +Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen; +Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig, +En blijven zult ge en zijn, hertog van York. + +GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen; +Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem? + +WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk? + +GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral; +Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave. + +WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk. + +KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave. + +WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot; +Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug; +Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar. + +KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne; +En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord: +Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt? + +GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42 +Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht, +Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd! +Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops; +Tien tegen een, thans woont hij in den Tower. + +KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick! + +GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel! +Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt. + +WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen +En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat, +Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk. + +KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,— +De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar, +En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd +Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven: +De windhaan Warwick draait nu nimmermeer. + +(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt! + +OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster! + +(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons! + +KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen. +Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig +De poort uit om een slag ons aan te bieden; +Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij +Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten. + +WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp. + +(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster! + +(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad +Betalen met uw dierbaarst hartebloed. + +KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege; +En overwinning, heil spelt mij mijn hart. + +(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster! + +(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.) + +GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij, +Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven, +Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt. + +(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.) + +WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76 +Met macht genoeg om Edward aan te grijpen! +Hem geldt een edele ijver voor het recht +Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.— + +(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met +hem.) + +Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept. + +CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick? + +(Hij neemt de roode roos van den hoed.) + +Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe; +Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot +Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val; +’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick, +Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk, +Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst, +Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren? +Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor? +Het houden van dien eed waar’ goddeloozer +Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte. +Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp, +Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen, +Mij uw gezworen vijand hier verklaar, +En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,— +En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,— +U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen. +Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug, +En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.— +Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen; +Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd; +Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig. + +KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind, +Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend! + +GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin. + +WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig! + +KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij? +Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd? + +WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer! +Ik trek terstond van hier naar Barnet op; +Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft. + +KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.— +Lords, naar het veld! Sint George en overwinning! + + (Getrommel. Allen af.) + + + + + + +TWEEDE TOONEEL. + + +Een slagveld bij Barnet. + +Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar +verwonden Warwick. + +KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u; +Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.— +Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans; +Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm! + + (Koning Edward af.) + +WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom, +En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick? +Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam, +Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont, +Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet, +En door mijn val de zege aan mijnen vijand. +Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen +De koningsarend schutse vond, wiens schaduw +Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin +Neêrzag op Jupiters verkoren boom +En struikjes hoedde voor des winters vlagen. +Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood, +Was eens doordringend als de middagzon, +Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd; +De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed, +Zijn vaak met koningsgraven vergeleken; +Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven? +Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste? +Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed! +Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had, +Begeven mij; van al mijn landbezit +Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam. +O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer? +Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer. + +(Oxford en Somerset komen op.) + +SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij, +O, dan herwonnen we al, wat wij verloren! +Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin +Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten! + +WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague, +Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand, +En houd mijn ziel terug met uwe lippen! +Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen +Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat +Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat. +Kom spoedig, Montague, of ik ben dood. + +SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit, +En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick, +En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.” +Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer, +Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf +En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst +Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte: +„Vaarwel, mijn Warwick!” + +WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords; +Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven! + + (Hij sterft.) + +OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin! + + (Beiden af, met Warwick’s lijk.) + + + + + + +DERDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het slagveld. + +Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence, +Gloster en de Overigen. + +KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen, +En sieren zegekransen ons het hoofd. +Doch in den middagglans van dezen dag +Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt +En strijden wil met onze gouden zon, +Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt; +Mylords, de strijdmacht, die de koningin +In Gallië samenbracht, is reeds geland, +Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd. + +CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk, +En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam; +Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen; +Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui. + +GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend; +Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;— +Kan zij op adem komen, wees verzekerd, +Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze. + +KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht, +Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury. +Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht, +Terstond daarheen, want ijver kort den weg; +En onderweg groeit onze macht wis aan +In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.— +De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit! + + (Trompetgeschal. Allen af.) + + + + + + +VIERDE TOONEEL. + + +Een vlakte bij Tewksbury. + +Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en +Soldaten komen op. + +KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords, +Geen wijze zit en jammert om verliezen; +Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van. +Zij ook de mast ons overboord gewaaid, +De kabel middendoor, het anker weg, +En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden, +Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij +Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje +Met vochtige oogen vocht giet bij de zee, +En dat versterkt, wat al te sterk reeds is, +Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed +En vlijt kon redden, op de klippen stoot? +O welk een schande, welk een schuld waar’ dit! +Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog? +En Montague de bramsteng,—wat dan verder? +Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu? +Is Oxford hier ons niet een ander anker, +En Somerset een and’re goede mast, +En onze Fransche vrienden want en tuig? 18 +Kan ik met Edward niet, schoon onervaren, +Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods? +Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen; +Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip +Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen. +Of gij de baren hoont of prijst, is een. +En wat is Edward dan een booze zee? +En Clarence dan een drijfzand vol bedrog? +En Richard dan een dood’lijk scherpe rots? +Die allen zijn onze arme hulk vijandig. +Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang; +Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in; +Omklem de rots, de vloed spoelt u er af, +Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood. +Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat, +Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten, +Niet meer genade bij de broeders vindt, +Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen. +Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten, +Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees. + +PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest, +Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde, +Zijn borst vervullen van een heldenmoed, +Om naakt een man in waap’nen te verslaan. +Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u; +Want als ik iemand hier van vrees verdacht, +’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan, +Opdat hij in den nood geen ander aansteek’ +En van denzelfden geest doe zijn als hij. +Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!— +Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is. + +OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,— +En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.— +O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde +Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang +En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie! + +SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil, +Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag, +Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing. + +KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank! + +PRINS. Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59 + +(Een Bode komt op.) + +BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij, +Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld! + +OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan; +Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden. + +SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed. + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien. + +OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet. + +(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence +komen op, met troepen). + +KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het +doornenwoud, +Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht, +Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen. +’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen, +Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.— +Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords! + +KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik +zeggen wilde, +Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord, +Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken. +Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne +Zijns vijands, overweldigd is zijn troon, +Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord, +Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd; +En ginder is de wolf, die dit bedreef. +Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords, +Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht! + + (Beide legers af). + + + + + + +VIJFDE TOONEEL. + + +Een ander gedeelte van het veld. + +Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan +komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin +Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen. + +KONING EDWARD. Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde. +Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham; +En Somerset, het schuldig hoofd hem af! +Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren. + +OXFORD. Ik zal u niet met woorden lastig vallen. + +SOMERSET. Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft. + +KONINGIN MARGARETHA. Wij scheiden treurig in dit jammerdal; +Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde. + + (Oxford en Somerset af, met een wacht). + +KONING EDWARD. Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt, +Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven? + +GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11 + +(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.) + +KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.— +Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken? +Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven +Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken, +En al den verd’ren last, dien gij mij deedt? + +PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York, +En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt: +Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta, +Terwijl ik u dezelfde vragen stel, +Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij. + +KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest! + +GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen, +En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt. + +PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len; +Hier passen zulke hondsche raadsels niet. + +GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord. + +KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn. + +GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong! + +PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond. + +KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong. + +CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid. + +PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten; +Wellustige Edward,—eedvergeten George,— +En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen: +Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij, +En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne. + +KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar! + +(Hij doorsteekt hem.) + +GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht! + +(Hij doorsteekt hem.) + +CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht! + +(Hij doorsteekt hem.) + +KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij! + +GLOSTER. Voorwaar, terstond! 42 + +(Hij richt het zwaard op haar). + +KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel. + +GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen? + +KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij. + +GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en +broeder van mij; +Een zaak van groot belang roept mij naar Londen; +Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws. + +CLARENCE. Wat? wat? + +GLOSTER. De Tower! de Tower! + + (Gloster af.) + +KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap! +Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars! +Die Cæsar doodden, deden geenen moord, +Misdreven niets, verdienden geen berisping, +Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld; +Hij was een man en dit een kind bij hem; +Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt. +Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme? +Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek; +En spreken wil ik, dat het hart mij berste.— +Slachters en schurken! wreede kannibalen! +Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid! +Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die, +Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd; +Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan +Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien, +Als, beulen, dezen jongen prins door u! + +KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg! + +KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af! +Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u. +Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het. + +CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken. + +KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het. + +CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen. + +KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken; +Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen. +Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter, +De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij? +Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven; +Een smeekgebed om moord wijst gij niet af. + +KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier! + +KONINGIN MARGARETHA. ’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82 + + (Koningin Margaretha wordt weggevoerd.) + +KONING EDWARD. Waar is nu Richard heen? + +CLARENCE. Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij +Daar in den Tower een bloedig avondmaal. + +KONING EDWARD. Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt. +Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk +Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen, +En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt; +Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij. + + (Allen af.) + + + + + + +ZESDE TOONEEL. + + +Londen. Een vertrek in den Tower. + +Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van +den Tower staat naast hem. Gloster komt op. + +GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept? + +KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”; +Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”; +Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”, +Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”. + +GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken. + + (De Slotvoogd af.) + +KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf; +Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol +En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.— +Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? + +GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om; +De dief vermoedt in elke ruigte een rakker. + +KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd, +Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik; +Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong, +Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling +Gelijmd door werd, gevangen en gedood. + +GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta, +Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde! +Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas. + +KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus, +Uw vader Minos, die den weg ons afsloot, +Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen +De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee, +Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden. +O, dood mij met uw wapen, niet met woorden; +Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits, +Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel. +Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven? + +GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul? + +KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker; +Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk, +Dan, zeker, zijt ge een beul. 33 + +GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal. + +KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood, +Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden. +En zoo voorspel ik: vele duizend zielen, +Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen, +En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten, +En veler weezen óverstroomend oog,— +Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden, +En weezen om der oud’ren vroegen dood,— +Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt. +Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken; +De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend; +Storm loeide en velde boomen; honden huilden; +De raaf streek neder op den schoorsteentop; +En eksters krijschten oordoorborend saâm. +Uw moeder voelde meer dan moederweeën, +Toch bracht zij minder dan een moeders hope, +Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld, +Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam; +En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte, +Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt; +En is het and’re waar, dat ik vernam, +Dan kwaamt gij— + +GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede! + +(Hij doorsteekt hem.) + +Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd. + +KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen. +O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem! + + (Hij sterft.) + +GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster +Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik; +Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent! +O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen +Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!— +Zoo in u nog een sprankje levens huist, +Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond; + +(Hij doorsteekt hem nog eens.) + +Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken. +Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,— +En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,— +Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam. +En had ik dan geen grond tot spoed, om hen, +Die ons ons recht verkortten, te doen vallen? +De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74 +„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!” +Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan, +Dat ik moest snarsen, bijten als een hond. +Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd, +Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid. +Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders; +En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend, +Zij wone in menschen, die elkaar gelijken, +Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.— +O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht; +Pikzwarte dagen zal ik u verwekken; +Want profetieën zal ik gonzen doen, +Die Edward angst inboez’men voor zijn leven; +En dan heel ik zijn angst en ben uw dood. +Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon; +Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort; +Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.— +Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek; +Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’! + + (Gloster af, met het lijk.) + + + + + + +ZEVENDE TOONEEL. + + +Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth +met den kleinen Prins; Clarence, Gloster, +Hastings en Anderen, om hem heen. + +KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon, +Met onzer haat’ren bloed teruggekocht. +Wat dapp’re tegenstanders hebben wij, +Als koren, neergemaaid in al hun trots! +Drie hertogen van Somerset, driewerf +Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders; +Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon; +En twee Northumberlands, de kloekste ridders, +Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden; +En dan dat onversaagde berenpaar, +Warwick en Montague, dat met hun keet’nen +Den koninklijken leeuw gekluisterd hield +En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed. +Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon +En maakten veiligheid tot onze voetbank.— +Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’! +Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms +In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt, +Te voet des zomers middaggloed verduurd, +Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt; +Gij zult de vrucht van onze moeite plukken. + +GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ +oogst; +Want nu ziet mij de wereld nog niet aan. +Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd, +En heffen zal hij lasten, of hij breekt. + +(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.) + +Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25 + +KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade +Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje! + +CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel +Ik op de lippen van dit lieflijk wicht. + +KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank! + +GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin, +Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.— +(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer +En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende. + +KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf +Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde. + +CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha? +Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk +Sicilië en Jeruzalem verpand; +En dit is als haar losgeld hier gezonden. + +KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.— +En wat nu verder, dan den tijd te wijden +Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen, +Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof? +Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen! +Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen. + + (Allen af.) + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de +slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan +toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht +van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen +kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha +van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik +viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar +Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning +verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene, +maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en +laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor +de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der +gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor +oogen gesteld worden. + +Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich +zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en +Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar +Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den +troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten +erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn +rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, +maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te +nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der +aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus +onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden +werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den +twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het +koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds +was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij +zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als +leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was +hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig +troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige +regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed +van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van +den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest +komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en +troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik +moest toestemmen. + +Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een +vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke +graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de +Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden +zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. +Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York +met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok +van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward, +graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de +vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen +om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of +zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot +naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad +van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige +overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een +half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee +bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf +van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag +onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een +zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap +werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te +redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, +nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver, +„nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik +had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat +hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met +groote schande belaadde.” + +Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn +lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo +op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat +zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een +molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd +gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus +gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil +u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en +onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen +overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin +gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van +York geplant”. + +York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer +gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; +George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder +veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en +stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper +van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd +vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; +zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan +als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling +als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen +genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de +bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen +planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze +stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds +dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp +uitkomen. + +De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; +in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den +graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding +de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij +Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had +de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd +geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag +hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het +slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet +duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van +Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, +hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar +woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste +zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire +bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen +Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was +daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten +nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om +den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle +krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den +strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een +voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van +Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met +alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood +te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en +Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten +het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de +koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar +Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de +hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der +graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde +krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle +steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. +Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling +als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem +als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot +hertogen van Clarence en van Gloster benoemd. + +De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele +gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den +dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen +koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de +gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning +Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar +Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het +huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de +kroniek het volgende: + +Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een +geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick +naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen. +Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig +op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van +Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord +Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder +John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij +Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op +haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te +bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het +huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den +koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar +eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen, +haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was, +en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar +zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo +gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken +zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin +te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn +voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, +omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; +de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het +genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader +werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder +Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd; +een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste +zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke +erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis +York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met +klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om +vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de +schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens +aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den +menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag +door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een +vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets +ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en +Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar +weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in +den persoon van den hertog van Milaan. + +Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van +Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de +ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als +door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na +Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel +onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide +broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier +was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en +door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn +plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en +ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge +waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde. +Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij +zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende +op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; +niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning, +maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en +gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De +gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York +toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn +aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem +gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst +nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een +verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het +huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van +dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s +zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna. +Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner +eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn +broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime +onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone +beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven. + +Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar +de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf +van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den +graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon +van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning +Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit +huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, +was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter +tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich +bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel +ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward +aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder +Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door +hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings, +Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag +of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar +Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin +van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar +zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die +dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na +zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd +weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot +rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor +het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van +Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te +halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning +voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap +zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,” +zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling +vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, +bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van +den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15 +jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon +te beklimmen. + +Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een +kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man +sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar +vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze +verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk +erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te +betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en +velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden, +dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York +wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de +koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open +veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man +bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op +zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk +met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij +zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen +ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de +aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in +het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad +bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan. +Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij +Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, +die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April +1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats. +Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als +moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht +veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde +dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague +vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel +uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in +de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege +uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower +teruggebracht. + +Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust +van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze +onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, +maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten; +zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar +Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun +macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 +Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der +koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een +einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige +zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder +Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den +overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen, +die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn +leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den +jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen +Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om +mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn +vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen +stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop +Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem +plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed +hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden +kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.” +Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier +haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar +geboorteland. + +Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn +alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar +het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van +Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward +met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat +hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood, +van verdriet gestorven is.” + +In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken +geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt +heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan +Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe +vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten +worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de +schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet +vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp, +die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de +Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door +verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5]. +Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn +tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput +heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier +handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen, +dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter +waardig is. + + + +I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij +in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand +van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de +kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; +hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het +handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben +en niet terstond kon nageslagen worden. + +I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis +is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de +koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het +parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar +zijn hof wil gaan. + +I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd +voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken. + +I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van +den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te +verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent. + +I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March. +Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet +staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het +graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers, +door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den +troon ontleende. + +I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet +juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V, +wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns +broeders dood op hem was overgegaan. + +I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling +broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, +was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf +Salisbury. + +I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle +in Yorkshire. + +I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van +Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de +opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen +aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken. + +I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een +leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten +geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden. + +I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius +is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit +iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!” + +I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de +woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de +Irving-editie ontleend. + +I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en +werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd. + +II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog +Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier +der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke +uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke +Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren: +„Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd +liever dan de mannetjes.” + +II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch. + +II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het +spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child, +whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door +den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk +geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de +zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de +juistheid van het spreekwoord. + +II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij +de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning +Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later +Menelaus genoemd. + +II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of +liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak +gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden. + +II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in +dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men +nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die +den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury, +Warwick’s vader, viel. + +II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke, +dat de zoon de helmklep van den doode oplicht. + +II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu +van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath +bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is, +omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar +leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven +beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de +uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de +twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt +alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te +vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te +vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, +en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van +heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is +ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen, +enz. niet vrij van verwardheid. + +II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek +van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt +hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters +onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van +Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden +vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood. + +III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een +wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen. + +III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier +op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar +in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s +graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij +zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil +niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward +beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen +dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij +Wakefield. + +III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t +oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname +huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen, +pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers, +waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels +later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De +wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van +ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De +Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is +dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.” + +III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede +of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist +opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste, +zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken. + +IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier +staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de +koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth +met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere +Gloster, Clarence, Somerset en Montague. + +IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze +woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze +wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence +heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan. + +IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter +van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord +Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord +Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht +uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, +en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon +beschouwd. + +IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar +de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning +Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin +Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het +volgend stuk, K. Richard III, voorbereid. + +IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten +onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden. + +V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven +in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de +Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de +volksuitspraak voor Daventry. + +V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het +paleis des Bisschops van Londen. + +V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven +vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de +folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een +kanonschot.” + +V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze +eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest. + +V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt +Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus. + +V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de +beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van +Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche +publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in +de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet, +II. 2. 410. + +V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De +koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen +is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken. + +V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het +volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54. + +V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het +geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste, +Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning +Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst +behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met +Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel +het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar. + + + + + + + + + +VOETNOTEN + + +[1] Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat +omtrent de wijze, waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn +gekomen, en omtrent de echtheid en onechtheid van verschillende +gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. Wie hierin verder +wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes (1896) +pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar +aangehaalde werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal +het een moeilijk werk vinden, tot een zekere uitkomst te geraken. + +[2] Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door +del’ Averdy gegeven en vervat in het derde deel der Notices et extraits +des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790. Dit werk bevindt +zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar. + +[3] Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in Karel Hase, Neue +Propheten. Leipzig 1851 en (2de druk) 1861; sedert is het aantal +geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk vermeerderd, met name in +Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. Fr. Eysell. + +[4] Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt. + +[5] Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander +uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of +Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over +dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken +zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in +afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral +het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn +Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag +gelegd. + + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 *** diff --git a/75268-h/75268-h.htm b/75268-h/75268-h.htm new file mode 100644 index 0000000..5ef9d12 --- /dev/null +++ b/75268-h/75268-h.htm @@ -0,0 +1,19851 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-02-01T09:22:32Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Koning Hendrik VI</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="William Shakespeare (1564–1616)"> +<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> +<link rel="icon" href="images/new-cover.jpg" type="image/x-cover"> +<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/"> +<meta name="DC.Title" content="Koning Hendrik VI"> +<meta name="DC.Creator" content="William Shakespeare (1564–1616)"> +<meta name="DC.Contributor" content="Leendert Alexander Johannes Burgersdijk (1828–1900)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +.lgouter { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display: table; +} +.lg { +text-align: left; +padding: .5em 0; +} +.lg h4, .lgouter h4 { +font-weight: normal; +} +.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { +color: #777; +font-size: 90%; +left: 16%; +margin: 0; +position: absolute; +text-align: center; +text-indent: 0; +top: auto; +width: 1.75em; +} +p.line, .par.line { +margin: 0; +} +span.hemistich { +visibility: hidden; +} +.verseNum { +font-weight: bold; +} +.speaker { +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line { +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +.castlist, .castitem { +list-style-type: none; +} +.castGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.castGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.castGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +div.sp p { +margin-left: 10%; +} +div.sp p.speaker { +margin-left: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { +color: #001FA4; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage { +color: #001FA4; +} +h3 { +font-weight: bold; +} +.speaker { +color: #880000; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:480px; +} +.p614width { +width:539px; +} +.p624width { +width:425px; +} +.p664width { +width:720px; +} +.p680width { +width:463px; +} +.p704width { +width:475px; +} +.p712width { +width:507px; +} +.p716width { +width:468px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 last-child cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb613">[<a href="#pb613">613</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="kh6i" class="div0 play"> +<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2> +<h2 class="sub">EERSTE DEEL.</h2> +<ul class="castlist"> +<li class="casthead"> +<h4>PERSONEN:</h4> +</li> +<li class="castitem">Koning <span class="role"><span class="sc">Hendrik de Zesde</span></span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Humfried</span>, Hertog van <span class="sc">Gloster</span></span>, oom des Konings en Protector.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John</span>, Hertog van <span class="sc">Bedford</span></span>, oom des Konings en Regent van Frankrijk.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Thomas Beaufort</span>, Hertog van <span class="sc">Exeter</span></span>, oudoom des Konings.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Hendrik Beaufort</span>, Bisschop van <span class="sc">Winchester</span></span>, oudoom des Konings, naderhand Kardinaal <span class="sc">Beaufort</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John Beaufort</span></span>, Graaf, later Hertog van <span class="sc">Somerset</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Richard Plantagenet</span></span>, zoon van den terechtgestelden Graaf van Cambridge, naderhand Hertog van <span class="sc">York</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Richard Beauchamp</span></span>, Graaf van <span class="sc">Warwick</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Thomas Montague</span></span>, Graaf van <span class="sc">Salisbury</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">William de la Pole</span></span>, Graaf van <span class="sc">Suffolk</span>.</li> +<li class="castitem">Lord <span class="role"><span class="sc">Talbot</span></span>, later Graaf van Shrewsbury.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John Talbot</span></span>, zijn zoon.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Edmund Mortimer</span></span>, Graaf van March.</li> +<li class="castitem">Sir <span class="role"><span class="sc">John Fastolfe</span></span>, Sir <span class="role"><span class="sc">William Lucy</span></span>, Sir <span class="role"><span class="sc">William Glansdale</span></span> en Sir <span class="role"><span class="sc">Thomas Gargrave</span></span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Woodville</span></span>, Commandant van den Tower.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Mayor</span> van Londen</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Vernon</span></span>, van de Witte Roos of York-partij.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Basset</span></span>, van de Roode Roos of Lancaster-partij.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Karel</span></span>, Dauphijn, later Koning van Frankrijk.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Reignier</span></span>, Hertog van <span class="sc">Anjou</span>, naam-Koning van Napels.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Hertog</span> van <span class="sc">Bourgondië</span></span>.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Hertog</span> van <span class="sc">Alençon</span></span>.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Bastaard</span> van <span class="sc">Orleans</span></span>.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Bevelhebber</span> van Parijs</span>.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Generaal</span> der Fransche troepen</span> in Bordeaux.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Tuigmeester</span> van Orleans</span> en zijn <span class="role">Zoon</span>.</li> +<li class="castitem">Een <span class="role">Fransch Sergeant</span>. Een <span class="role">Portier</span>. Een oude Herder, <span class="role">vader van Jeanne d’Arc</span>.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Margaretha</span></span>, dochter van Reignier.</li> +<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Gravin</span> van <span class="sc">Auvergne</span></span>.</li> +<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Jeanne d’Arc</span></span>, genaamd de <span class="sc">Pucelle</span>, of de Maagd van Orleans.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem">Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. Boden. Dienaars, +zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, aan de Pucelle verschijnend.</li> +</ul> +<p class="first">Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk. </p> +<div id="kh6i.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6i.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage">Westminster-abdij.</p> +<p class="stage"><i>Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning</i> <span class="sc">Hendrik de Vijfde</span> <i>wordt binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van</i> <span class="sc">Bedford</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span>, <i>den Graaf van</i> <span class="sc">Warwick</span>, <i>den Bisschop van</i> <span class="sc">Westminster</span>, <i>Herauten enz</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p id="kh6i.i.1.1" class="line">Behangt den hemel zwart, dag worde nacht!</p> +<p class="line">Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend,</p> +<p class="line">Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht,</p> +<p class="line">En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren,</p> +<p class="line">Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks,</p> +<p class="line">Die al te roemrijk was om lang te leven!</p> +<p class="line">England verloor geen koning ooit, zoo groot.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">England bezat, vóór hem, nog nooit een koning.</p> +<p class="line">Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag;</p> +<p class="line">Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind;</p> +<p class="line">Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht;</p> +<p class="line">Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette,<span class="pageNum" id="pb614">[<a href="#pb614">614</a>]</span></p> +<p class="line">En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht,</p> +<p class="line">Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat.</p> +<p class="line">Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof?</p> +<p class="line">Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed?</p> +<p class="line">Hendrik is dood om nimmer te herleven;</p> +<p class="line">Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst,</p> +<p class="line">Verheerlijken des doods oneed’le zege,</p> +<p class="line">Met statig begeleiden, als gevang’nen,</p> +<p class="line">Aan eens verwinnaars zegekar geboeid.</p> +<p class="line">Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken,</p> +<p class="line">Die de’ ondergang bewerkten onzes roems?</p> +<p class="line">Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders</p> +<p class="line">En toov’naars houden, die, uit angst voor hem,</p> +<p class="line">Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p614width"><img src="images/p614.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel." width="539" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Eerste Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Een koning was hij, dien der vorsten koning</p> +<p class="line">Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags</p> +<p class="line">Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn,</p> +<p class="line">Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd</p> +<p class="line">Des Heeren der heerscharen. De gebeden</p> +<p class="line">Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden</p> +<p class="line">Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf;</p> +<p class="line">Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon,</p> +<p class="line">Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— <span class="lineNum">37</span></p> +<p class="line">Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk.</p> +<p class="line">Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht,</p> +<p class="line">Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch,</p> +<p class="line">En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk,</p> +<p class="line">Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede!</p> +<p class="line">Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!—</p> +<p class="line">En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen,</p> +<p class="line">Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf.</p> +<p class="line">Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin</p> +<p class="line">Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt,</p> +<p class="line">Dit land een voedster wordt van zilte tranen,</p> +<p class="line">Een tijd, die niemand in het leven laat</p> +<p class="line">Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!—</p> +<p class="line">Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk</p> +<p class="line">Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre!</p> +<p class="line">Bestrijd daarboven dreigende planeten!</p> +<p class="line">En uwe ziel wordt een roemruchter ster</p> +<p class="line">Dan Julius Cæsar of de heldre—</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Doorluchte lords, u allen mijnen groet!</p> +<p class="line">Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk</p> +<p class="line">Van nederlagen, bloedbad en verlies:</p> +<p class="line">Guienne, Rheims, Champagne en Orleans,</p> +<p class="line">Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk?</p> +<p class="line">Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden</p> +<p class="line">Doet hem zijn lood verbreken en herleven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p id="kh6i.i.1.65" class="line">Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd!</p> +<p class="line">Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt,</p> +<p class="line">Die tijding deed nog eens den geest hem geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap,</p> +<p class="line">De krijgers fluist’ren dit elkander toe:</p> +<p class="line">Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij,</p> +<p class="line">In plaats dat gij te velde trekt en vecht,</p> +<p class="line">Om ’t kiezen van de legerhoofden twist.</p> +<p class="line">De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken,</p> +<p class="line">Een ander vliegen, maar is vleugelloos,</p> +<p class="line">Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend,</p> +<p class="line">Door list en fraaie woorden vreê te erlangen.</p> +<p class="line">Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap!</p> +<p class="line">Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen!</p> +<p class="line">De leliën uit uw wapen zijn geplukt,</p> +<p class="line">Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. <span class="lineNum">81</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken,</p> +<p class="line">Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk.</p> +<p class="line">Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten,</p> +<p class="line">Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad!</p> +<p class="line">Ik dring den Franschen wonden op voor oogen,</p> +<p class="line">Om hun hernieuwde ellende te beschreien.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een tweede Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Bode.</p> +<p class="line">Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil.</p> +<p class="line">Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons,</p> +<p class="line">Op enk’le nietig kleine steden na.</p> +<p class="line">In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond,</p> +<p class="line">De bastaard Orleans met hem vereenigd,</p> +<p class="line">Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde,</p> +<p class="line">De hertog Alençon vlood heen, tot hem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem!</p> +<p class="line">O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!—</p> +<p class="line">Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust?</p> +<p class="line">’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd,</p> +<p class="line">Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb615">[<a href="#pb615">615</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Een derde Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Bode.</p> +<p class="line">Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren,</p> +<p class="line">Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt,</p> +<p class="line">Moet ik bericht doen van een feilen strijd</p> +<p class="line">Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Waar Talbot toch in overwon, niet waar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Bode.</p> +<p class="line">O neen, waar Talbot in geslagen werd;</p> +<p class="line">Uitvoerig wil ik heel den loop u melden.</p> +<p class="line">Toen op den tiende’ Augustus deze held</p> +<p class="line">Terugtrok van ’t beleg van Orleans,</p> +<p class="line">Te nauwernood zesduizend strijders sterk,</p> +<p class="line">Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen</p> +<p class="line">Geheel omsingeld en met kracht bestookt.</p> +<p class="line">Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen,</p> +<p id="kh6i.i.1.117" class="line">Geen pieken om te planten voor zijn schutters;</p> +<p class="line">Zij staken daarom haastig scherpe palen,</p> +<p class="line">Die ze uit de heggen rukten, in den grond,</p> +<p class="line">Om de’ aanval van de ruiterij te keeren.</p> +<p class="line">Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht,</p> +<p class="line">En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht,</p> +<p class="line">Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans,</p> +<p class="line">Zond honderden ter helle, en niemand stond hem!</p> +<p class="line">Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed.</p> +<p class="line">De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”,</p> +<p class="line">Hun gansche leger staarde ontzet hem aan;</p> +<p class="line">Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend,</p> +<p class="line">En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich</p> +<p class="line">Vereend vooruit en in het hart des strijds. <span class="lineNum">129</span></p> +<p class="line">En wis waar’ hun de zege vast bezegeld,</p> +<p id="kh6i.i.1.131" class="line">Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.</p> +<p class="line">Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu</p> +<p class="line">De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken,</p> +<p class="line">Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot.</p> +<p class="line">Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad.</p> +<p class="line">Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend,</p> +<p class="line">Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug,</p> +<p class="line">Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk</p> +<p class="line">Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf,</p> +<p class="line">Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl</p> +<p class="line">Een held als hij hulp dierf bij zulke daden</p> +<p class="line">En aan zijn lagen vijand werd verraden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Bode.</p> +<p class="line">O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen,</p> +<p class="line">Met hem lord Scales en ook lord Hungerford;</p> +<p class="line">Zóó de andren meest gevangen of gevallen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders.</p> +<p class="line">’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon,</p> +<p class="line">En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend;</p> +<p class="line">Vier hunner lords geef ik voor één der onze.—</p> +<p class="line">Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak;</p> +<p id="kh6i.i.1.153" class="line">Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan,</p> +<p class="line">Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.</p> +<p class="line">Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed</p> +<p class="line">Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Bode.</p> +<p class="line">’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd,</p> +<p class="line">Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak;</p> +<p class="line">De graaf van Salisbury smeekt om versterking</p> +<p class="line">En houdt het nauwelijks af van muiterij,</p> +<p class="line">Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert,</p> +<p class="line">Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken,</p> +<p class="line">Of wel, hem neer te buigen in uw juk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid,</p> +<p class="line">Opdat ik mij terstond ten strijde rust.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Bedford</span> <i>af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut</p> +<p class="line">En krijgsbehoeften na te gaan, en dan</p> +<p class="line">Roep ik den jongen Hendrik uit als koning,</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning,</p> +<p class="line">Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd;</p> +<p class="line">’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen</p> +<p class="line">Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd.</p> +<p class="line">Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven;</p> +<p class="line">De koning is in Eltham; van die plaats</p> +<p class="line">Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal.</i> <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span> <i>en</i> <span class="sc">Reignier</span> <i>komen op met trommen en Soldaten</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p id="kh6i.i.2.1" class="line">Als aan den hemel, is Mars’ ware loop</p> +<p class="line">Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend.</p> +<p class="line">Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger,</p> +<p class="line">Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe.</p> +<p class="line">Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons?</p> +<p class="line">Tot kortswijl liggen wij voor Orleans;</p> +<p class="line">De hongrige Engelschen, als bleeke geesten,</p> +<p class="line">Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen;</p> +<p class="line">Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten</p> +<p class="line">Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij</p> +<p class="line">Er poover uit, zooals verdronken muizen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd?<span class="pageNum" id="pb616">[<a href="#pb616">616</a>]</span></p> +<p class="line">Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen;</p> +<p class="line">Nu is slechts hier die dolkop Salisbury,</p> +<p class="line">En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op;</p> +<p class="line">Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los.</p> +<p class="line">Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen!</p> +<p class="line">’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood,</p> +<p class="line">Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot verlies afgeslagen.</i> <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span> <i>en Anderen komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!—</p> +<p class="line">Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden,</p> +<p class="line">Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Een razend moord’naar is die Salisbury;</p> +<p class="line">Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe.</p> +<p class="line">En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen,</p> +<p class="line">Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p id="kh6i.i.2.29" class="line">Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, <span class="lineNum">29</span></p> +<p class="line">Bracht England, in des derden Edwards tijd,</p> +<p class="line">Toen louter Oliviers en Roelands voort.</p> +<p class="line">En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid:</p> +<p class="line">Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het</p> +<p class="line">Ons hier als strijders toe. <span class="corr" id="xd33e819" title="Bron: Éen">Één</span> tegen tien!</p> +<p class="line">En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken,</p> +<p class="line">Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels,</p> +<p class="line">En honger drijft hen des te feller aan;</p> +<p class="line">Ik ken hen wel: zij reten met de tanden</p> +<p class="line">De muren liever neer dan dat zij weken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Met raderwerk of koord zijn wis hun armen</p> +<p class="line">Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan,</p> +<p class="line">Want anders hielden zij het nooit zoo vol.</p> +<p class="line">Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Zoo zij het.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Bastaard van Orleans komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht;</p> +<p class="line">Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt?</p> +<p class="line">Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand;</p> +<p class="line">Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie</p> +<p class="line">De hemel door een droomgezicht gelastte,</p> +<p class="line">Een eind te maken aan dit lang beleg</p> +<p class="line">En de Engelschen te drijven uit dit rijk.</p> +<p class="line">Zij heeft den geest der echte profetie,</p> +<p id="kh6i.i.2.56" class="line">Veel meer dan Rome’s negental Sybillen;</p> +<p class="line">Zij kan, wat was en komen zal, onthullen.</p> +<p class="line">Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden,</p> +<p class="line">Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Ga! roep haar.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Bastaard af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line"><span class="hemistich">Ga! roep haar. </span>Doch, om eerst haar kunst te toetsen,</p> +<p class="line">Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn;</p> +<p class="line">Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte;</p> +<p class="line">Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Dauphijn treedt op den achtergrond.</i>)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Jeanne d’Arc</span> <i>treedt op, de</i> <span class="sc">Bastaard</span> <i>van Orleans en Anderen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt?</p> +<p class="line">Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren!</p> +<p class="line">Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.—</p> +<p class="line">Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.</p> +<p class="line">’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.—</p> +<p class="line">Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. <span class="lineNum">71</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter;</p> +<p class="line">Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap,</p> +<p class="line">’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd,</p> +<p class="line">Op mij in lagen staat hun licht te stralen.</p> +<p class="line">Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde,</p> +<p class="line">Mijn wangen door de zon verschroeien liet,</p> +<p class="line">Verscheen genadig mij de moeder Gods</p> +<p class="line">En gaf, in een visioen vol majesteit,</p> +<p class="line">Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,</p> +<p class="line">Mijn vaderland te redden uit den nood.</p> +<p class="line">Zij zeide hulp mij toe en wisse zege,</p> +<p class="line">En toonde zich in al haar hemelglans.</p> +<p class="line">Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd,</p> +<p class="line">Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot,</p> +<p class="line">Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet.</p> +<p class="line">Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt,</p> +<p class="line">Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;</p> +<p class="line">Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,</p> +<p class="line">Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.</p> +<p class="line">Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard,</p> +<p class="line">Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;</p> +<p class="line">En deze proef slechts wensch ik van uw moed;</p> +<p class="line">Gij zult in tweegevecht u met mij meten.</p> +<p class="line">Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar;</p> +<p class="line">Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb617">[<a href="#pb617">617</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard,</p> +<p class="line">Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik</p> +<p class="line">Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof</p> +<p class="line">Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij vechten, en</i> <span class="sc">Jeanne d’Arc</span> <i>heeft de overhand</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone,</p> +<p class="line">En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen.</p> +<p class="line">Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u;</p> +<p class="line">Gij overwont mij tevens hart en hand.</p> +<p id="kh6i.i.2.110" class="line">Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt,</p> +<p class="line">Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer;</p> +<p class="line">Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,</p> +<p class="line">Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn;</p> +<p class="line">Maar heb ik al uw vijanden verdreven,</p> +<p class="line">En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. <span class="lineNum">118</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten,</p> +<p class="line">Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten;</p> +<p class="line">In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag?</p> +<p class="line">Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk!</p> +<p class="line">Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p> +<p class="line">Ik ben tot Englands geesel uitverkoren.</p> +<p class="line">Nog deze nacht ontzet ik wis de stad;</p> +<p class="line">Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen</p> +<p id="kh6i.i.2.131" class="line">Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen.</p> +<p class="line">De roem is als een cirkel in het water,</p> +<p class="line">Die immer meer en verder zich verbreidt,</p> +<p class="line">Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit.</p> +<p class="line">Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet,</p> +<p class="line">Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.</p> +<p id="kh6i.i.2.138" class="line">Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens</p> +<p class="line">Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p id="kh6i.i.2.140" class="line">Werd eens Mohammed door een duif bezield,</p> +<p class="line">Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest.</p> +<p class="line">Geen Helena, de moeder Constantijns,</p> +<p class="line">Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters.</p> +<p class="line">Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt,</p> +<p class="line">Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer!</p> +<p class="line">Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw</p> +<p class="line">Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Voor den Tower.</i></p> +<p class="stage"><i>De Hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <i>met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen;</p> +<p class="line">Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd.</p> +<p class="line">Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?</p> +<p class="line">Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Dienaars kloppen aan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaar.</p> +<p class="line">’t Is de eed’le hertog Gloster.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaar.</p> +<p class="line">Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn;</p> +<p class="line">Wij doen niets anders dan ons is gelast.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne?</p> +<p class="line">Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt</p> +<p class="line">Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning.</p> +<p class="line">Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Gloster’s</span> <i>Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant</i> <span class="sc">Woodville</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Woodville</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor?</p> +<p class="line">Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb618">[<a href="#pb618">618</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Woodville</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog;</p> +<p class="line">De kardinaal van Winchester verbiedt het;</p> +<p class="line">Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast,</p> +<p class="line">Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij?</p> +<p class="line">Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd,</p> +<p class="line">Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden?</p> +<p class="line">Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit</p> +<p class="line">De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaren.</p> +<p class="line">Ontsluit de poorten voor den lord protector!</p> +<p class="line">Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>komt op, met een gevolg van Dienaren in bruine kleedij</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver,</p> +<p class="line">En geen beschermer van den troon of ’t rijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Terug, gij welbekende samenzweerder,</p> +<p class="line">Die wijlen onzen koning wildet moorden,</p> +<p id="kh6i.i.3.35" class="line">En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen!</p> +<p class="line">Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots,</p> +<p class="line">U in uw breeden kardinaalshoed wannen. <span class="lineNum">37</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier.</p> +<p id="kh6i.i.3.39" class="line">Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain;</p> +<p class="line">Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Niet dooden, slechts verjagen wil ik u;</p> +<p class="line">En uw scharlaken mantel zal mij dienen,</p> +<p class="line">Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!—</p> +<p id="kh6i.i.3.46" class="line">Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen,</p> +<p class="line">Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!—</p> +<p class="line">Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe.</p> +<p class="line">Ik treed uw kardinaalshoed met den voet,</p> +<p class="line">Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!—</p> +<p class="line">Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?—</p> +<p class="line">U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!—</p> +<p class="line">Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Dienaars van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>drijven de Bisschoppelijken terug; te midden van het rumoer treedt de Mayor van Londen +op met zijn Beambten.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden,</p> +<p class="line">Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet,</p> +<p class="line">Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend,</p> +<p class="line">Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Hier Gloster, die der burg’ren vijand is,</p> +<p class="line">Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit,</p> +<p class="line">Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten,</p> +<p class="line">En immer tracht den godsdienst om te keeren,</p> +<p class="line">Wijl hij protector is van ’t koninkrijk,</p> +<p class="line">En nu hier waap’nen vordert uit den Tower,</p> +<p class="line">Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel</p> +<p class="line">Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.—</p> +<p class="line">Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. <span class="lineNum">72</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gerechtsbode.</p> +<p>„Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des konings vrede in de wapenen +zijn samengekomen, lasten en bevelen wij, in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn +haardstee terug te keeren, en van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd +te dragen, te voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik wil de wet niet breken, kardinaal,</p> +<p class="line">Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen;</p> +<p class="line">Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.—</p> +<p class="line">Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster!</p> +<p class="line">Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>gaan, ieder met zijn Dienaars, naar verschillenden kant af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.—</p> +<p class="line">God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt!</p> +<p class="line">In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Mayor met zijn Dienaren af.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb619">[<a href="#pb619">619</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.i.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p> +<p class="stage"><i>De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tuigmeester.</p> +<p id="kh6i.i.4.1" class="line">Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt;</p> +<p class="line">De vijand heeft de voorstad reeds bezet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Ik weet het, vader, en ik richtte vaak</p> +<p class="line">Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tuigmeester.</p> +<p class="line">’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden.</p> +<p class="line">Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen,</p> +<p class="line">Wat mij bij deze stad in aanzien brengt.</p> +<p class="line">Spionnen van den prins berichtten mij,</p> +<p class="line">Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand</p> +<p class="line">Door een getralied venster van dien toren</p> +<p class="line">Gewoon is uit te zien naar onze stad,</p> +<p class="line">En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut</p> +<p class="line">Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet.</p> +<p class="line">Om van dit ongerief ons te bevrijden</p> +<p class="line">Heb ik een stuk geschut daarop gericht,</p> +<p class="line">En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd,</p> +<p class="line">Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht,</p> +<p class="line">Wijl ik niet blijven kan.</p> +<p class="line">Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden;</p> +<p class="line">Gij zult mij vinden bij den commandant. <span class="lineNum">20</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Tuigmeester af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust;</p> +<p class="line">Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Zoon af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord</i> <span class="sc">Salisbury</span>, <i>Lord</i> <span class="sc">Talbot</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">William Glansdale</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">Thomas Gargrave</span> <i>en Anderen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug?</p> +<p class="line">Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld?</p> +<p class="line">En hoe gelukte ’t u, u los te koopen?</p> +<p class="line">Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">De hertog Bedford had een dappren graaf,</p> +<p class="line">Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles;</p> +<p class="line">’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem.</p> +<p class="line">Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen</p> +<p class="line">Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik;</p> +<p class="line">Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood</p> +<p class="line">Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien,</p> +<p class="line">En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd.</p> +<p class="line">Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart;</p> +<p class="line">Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen,</p> +<p class="line">Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Met schimp en hoon en drieste spotternij.</p> +<p class="line">Zij stelden mij op de open markt ten toon,</p> +<p class="line">Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren.</p> +<p class="line">„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik,</p> +<p class="line">Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.”</p> +<p class="line">Toen reet ik mij van mijn bewakers los,</p> +<p class="line">Groef met de nagels steenen uit den grond,</p> +<p class="line">En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad;</p> +<p class="line">En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht.</p> +<p class="line">Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood.</p> +<p class="line">Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd;</p> +<p class="line">Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,—</p> +<p class="line">Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken,</p> +<p class="line">Arduinen posten gruiz’len met den voet;</p> +<p class="line">Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking,</p> +<p class="line">Die telkens bij minuten om mij waarden;—</p> +<p class="line">En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen,</p> +<p class="line">Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Knaap verschijnt op den wal met een lont.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan,</p> +<p class="line">Doch volle wraak gewordt ons binnenkort.</p> +<p class="line">’t Is avondetenstijd in Orleans;</p> +<p class="line">Hier, door de traliën, kan ik allen tellen,</p> +<p class="line">En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst.</p> +<p class="line">Komt, laat ons uitzien; <span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Talbot</span>.)</span> u zal ’t wis verheugen.</p> +<p class="line">Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale,</p> +<p class="line">Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt,</p> +<p class="line">Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gargrave.</p> +<p class="line">Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. <span class="lineNum">66</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Glansdale.</p> +<p class="line">Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden,</p> +<p class="line">Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een schot van den wal.</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Gargrave</span> <i>vallen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">God, wees genadig voor ons arme zondaars!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gargrave.</p> +<p class="line">God, wees voor mij, verloren man, genadig!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len?</p> +<p class="line">Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,—</p> +<p class="line">Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel?</p> +<p class="line">Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!—</p> +<p class="line">Vervloekte toren! vloekbare onheilshand,</p> +<p class="line">Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd!</p> +<p class="line">’t Was Salisbury, die dertien slagen won,</p> +<p class="line">Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde;</p> +<p class="line">Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk,</p> +<p class="line"><span class="corr" id="xd33e1524" title="Bron: Eén">Één</span> trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.—</p> +<p class="line">Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken,</p> +<p class="line">Één oog bleef u tot smeeken om genade,</p> +<p class="line">Met één oog schouwt de zon de wereld aan.—</p> +<p class="line">Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig,</p> +<p class="line">Zoo Salisbury bij U genade derft!”<span class="pageNum" id="pb620">[<a href="#pb620">620</a>]</span></p> +<p class="line">Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven.</p> +<p class="line">Sir Thomas <span class="corr" id="xd33e1538" title="Bron: Gangrave">Gargrave</span>, hebt gij nog iets leven.</p> +<p class="line">Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op!</p> +<p class="line">Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn:</p> +<p class="line">Gij sterft niet zonder—</p> +<p class="line">Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,</p> +<p class="line">Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood,</p> +<p class="line">Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!”</p> +<p id="kh6i.i.4.95" class="line">Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero,</p> +<p class="line">De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden;</p> +<p class="line">Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Welk een geraas! de hemel is in oproer!</p> +<p class="line">Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Mylord, mylord! de Franschen vallen aan;</p> +<p class="line">En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle,</p> +<p class="line">Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend,</p> +<p class="line">Komt met een groote macht de stad ontzetten.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>richt zich op en kreunt</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt;</p> +<p class="line">Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.—</p> +<p class="line">Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn;</p> +<p class="line">Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond,</p> +<p class="line">’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven;</p> +<p class="line">Uw hersens kluts ik samen tot een poel.—</p> +<p class="line">Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent;</p> +<p class="line">Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, met de lijken.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.i.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Voor een der poorten.</i></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>vervolgt den Dauphijn, drijft hem op de vlucht en gaat heen; dan komt</i> <span class="sc">Jeanne d’Arc</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>weder op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid?</p> +<p class="line">Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden;</p> +<p class="line">Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten;</p> +<p class="line">Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u;</p> +<p id="kh6i.i.5.6" class="line">Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af,</p> +<p class="line">En lever hem uw ziele, wien gij dient.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij vechten.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint?</p> +<p class="line">Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed</p> +<p class="line">Of barsten ook mijn armen van de schouders,</p> +<p class="line">Toch tuchtig ik die overstoute deern!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar;</p> +<p class="line">’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen.</p> +<p class="line">Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht.</p> +<p class="line">Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk;</p> +<p class="line">Help Salisbury zijn testament te maken;</p> +<p class="line">De dag is ons, als vele nog na dezen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>trekt met haar krijgers de stad binnen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel;</p> +<p class="line">Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe.</p> +<p id="kh6i.i.5.21" class="line">Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal,</p> +<p class="line">Een heks ons hier terug en wint naar lust;</p> +<p class="line">Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven</p> +<p class="line">Weg uit haar korven, van haar tillen voort.</p> +<p class="line">Ons bijten deed ons Englands honden heeten,</p> +<p class="line">Nu loopen we als hondsjongen jankend weg.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een kort strijdgedruisch.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht,</p> +<p class="line">Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen!</p> +<p class="line">Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen!</p> +<p class="line">Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf,</p> +<p class="line">Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit,</p> +<p class="line">Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen</p> +<p class="line">De dood van Salisbury komt op uw hoofd,</p> +<p class="line">Want geen van u deed iets om hem te wreken.—</p> +<p class="line">Trots ons, trots alles wat wij konden doen,</p> +<p class="line">Is de Pucelle in Orleans getogen.</p> +<p class="line">O, ware ik saam met Salisbury gestorven!</p> +<p class="line">Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Strijdgedruisch. Terugtocht.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>met zijn Krijgers af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.i.6" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>en Soldaten</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Laat onze vanen wapp’ren op de wallen!</p> +<p class="line">Ontrukt is Orleans aan Englands wolven,</p> +<p class="line">Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter,</p> +<p class="line">Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe?</p> +<p class="line">Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen,</p> +<p class="line">Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.—</p> +<p class="line">Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!—</p> +<p class="line">Herwonnen is uw stad, uw Orleans;</p> +<p class="line">Nooit wedervoer ons land een grooter heil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad?</p> +<p class="line">Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren</p> +<p class="line">Ontsteken, juub’len, smullen in de straten,</p> +<p class="line">Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust,</p> +<p class="line">Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb621">[<a href="#pb621">621</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel</p> +<p class="line">’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij;</p> +<p class="line">Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen;</p> +<p class="line">Wat priester is of monnik in mijn rijk,</p> +<p class="line">Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen.</p> +<p id="kh6i.i.6.21" class="line">Een trotscher pyramide bouw ik haar,</p> +<p class="line">Dan die van Rhodope te Memphis was.</p> +<p class="line">Haar ter gedacht’nis worde na haar dood</p> +<p class="line">Haar asch in een veel kostlijker urn</p> +<p class="line">Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius</p> +<p class="line">Bij hooge feest’lijkheden omgedragen</p> +<p class="line">Voor Frankrijks koningen en koninginnen.</p> +<p class="line">Niet meer zij onze leuze: Saint Denis!</p> +<p class="line">Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn.</p> +<p class="line">Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal,</p> +<p class="line">Den gulden dag van deze zegepraal!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6i.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6i.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p> +<p class="stage"><i>Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Sergeant.</p> +<p id="kh6i.ii.1.1" class="line">Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!</p> +<p class="line">Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat</p> +<p class="line">Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken</p> +<p class="line">Ons in het wachthuis fluks bericht er van.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Schildwacht.</p> +<p class="line">Zeer wel, sergeant. <span class="stage">(<i>De Sergeant af.</i>)</span> Zoo zet men arme knechten,</p> +<p class="line">Als andren in hun zachte bedden slapen,</p> +<p class="line">Op wacht in regen, koude en duisternis.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc"><span class="corr" id="xd33e1821" title="Bron: Bedfort">Bedford</span></span>, <span class="sc">Bourgondië</span> <i>komen op, met troepen en stormladders; hun trommen slaan een gedempten marsch</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,</p> +<p class="line">Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,</p> +<p class="line">Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,</p> +<p class="line">De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,</p> +<p class="line">Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;</p> +<p class="line">Omhelzen wij dus die gelegenheid</p> +<p class="line">Om hun het loos bedrog weer te vergelden,</p> +<p class="line">Dat list en snoode tooverij bedacht. <span class="lineNum">15</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!</p> +<p class="line">Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,</p> +<p class="line">En sloot met hel en heksen een verbond!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Geen andren omgang hebben ooit verraders.</p> +<p class="line">Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,</p> +<p class="line">Wie is zij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Men zegt een meisje.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Men zegt een meisje. </span>Een meisje, en zoo strijdhaftig!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,</p> +<p class="line">Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard</p> +<p class="line">De wapens draagt, zooals zij nu begon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!</p> +<p class="line">Voor ons is God een burg; beklimmen wij</p> +<p class="line">In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,</p> +<p class="line">Dat we op verscheiden punten binnendringen,</p> +<p class="line">Opdat, zoo het een van ons mislukt,</p> +<p class="line">Een ander van hun macht het winnen kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Goed. Ik kies gindschen hoek.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Goed. Ik kies gindschen hoek. </span>En ik dien andren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—</p> +<p class="line">Nu, Salisbury, voor u en voor het recht</p> +<p class="line">Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,</p> +<p class="line">Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. <span class="lineNum">37</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” en „Talbot”, +en dringen allen in de stad.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Schildwacht</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>achter het tooneel</i>).</span> Te wapen! op! de vijand loopt hier storm!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende kanten komen +op: de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <i>half aangekleed, half onaangekleed</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;</p> +<p class="line">Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit</p> +<p class="line">Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,</p> +<p class="line">Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb622">[<a href="#pb622">622</a>]</span></p> +<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>komt op, met de</i> <span class="sc">Pucelle</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?</p> +<p class="line">Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,</p> +<p class="line">Een kleine, zoete winst deelachtig worden,</p> +<p class="line">Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?</p> +<p class="line">Verlangt gij mijne macht steeds even groot?</p> +<p class="line">Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,</p> +<p class="line">Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?</p> +<p class="line">Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid</p> +<p class="line">Zou dezen overval voorkomen hebben.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,</p> +<p class="line">Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,</p> +<p class="line">Niet beter van dien grooten plicht u kweet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest</p> +<p class="line">Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,</p> +<p class="line">Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Het mijn’ was goed verzekerd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Het mijn’ was goed verzekerd. </span>Zoo ook ’t mijne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Wat mij betreft, het grootste deel der nacht</p> +<p class="line">Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,</p> +<p class="line">Besteed om telkens heen en weer te gaan</p> +<p class="line">Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;</p> +<p class="line">Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na <span class="lineNum">72</span></p> +<p class="line">Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens</p> +<p class="line">Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.</p> +<p class="line">Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:</p> +<p class="line">’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,</p> +<p class="line">En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! Talbot!” Zij vluchten +met achterlating hunner kleederen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De Soldaat.</p> +<p class="line">’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.</p> +<p class="line">De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;</p> +<p class="line">Met rijken buit heb ik mij hier beladen,</p> +<p class="line">En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Soldaat af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Orleans.</span> <i>Binnen de stad.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bedford</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>een Hopman en Anderen komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">De dag breekt aan, gevloden is de nacht,</p> +<p class="line">Die met haar ravenmantel de aard omgaf.</p> +<p class="line">Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Het sein tot terugroeping wordt geblazen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,</p> +<p class="line">En plaatst de baar hier op het open marktplein,</p> +<p class="line">Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—</p> +<p class="line">’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;</p> +<p class="line">Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,</p> +<p class="line">Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.</p> +<p class="line">Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,</p> +<p class="line">Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,</p> +<p class="line">Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,</p> +<p class="line">Waarin zijn overschot begraven worde,</p> +<p class="line">En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,</p> +<p class="line">Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,</p> +<p class="line">’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,</p> +<p class="line">En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—</p> +<p class="line">Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,</p> +<p class="line">Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,</p> +<p class="line">Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,</p> +<p class="line">Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,</p> +<p class="line">Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,</p> +<p class="line">En, onder hoopen krijgers, van den wal</p> +<p class="line">Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel</p> +<p class="line">En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—</p> +<p class="line">Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;</p> +<p class="line">Zij vloden, arm in arm, met alle macht,</p> +<p class="line">Gelijk een paar verliefde tortelduiven,</p> +<p class="line">Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.</p> +<p class="line">Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,</p> +<p class="line">Dan zetten wij met volle macht hen na. <span class="lineNum">33</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar</p> +<p class="line">Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,</p> +<p class="line">Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p id="kh6i.ii.2.38" class="line">De deugdrijke gravinne van Auvergne,</p> +<p class="line">Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,</p> +<p class="line">Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,</p> +<p class="line">Haar te bezoeken op haar armen burg,</p> +<p class="line">Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,</p> +<p class="line">Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg</p> +<p class="line">Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,</p> +<p class="line">Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—</p> +<p class="line">Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen</p> +<p class="line">Met alle redekunst bereiken zou,</p> +<p class="line">Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—</p> +<p class="line">Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,</p> +<p class="line">En onderdanig haar bezoeken zal.—</p> +<p class="line">Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb623">[<a href="#pb623">623</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;</p> +<p class="line">’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten</p> +<p class="line">’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,</p> +<p class="line">Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.</p> +<p class="line">Treedt nader, hopman, luister. <span class="stage">(<i>Hij fluistert hem iets in.</i>)</span>—Gij begrijpt mij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hopman.</p> +<p class="line">Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Auvergne.</span> <i>Het binnenplein van het kasteel.</i></p> +<p class="stage"><i>De Gravin en haar Portier komen op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Portier, onthoud wat ik u heb gelast,</p> +<p class="line">En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Portier.</p> +<p class="line">Ik zal het doen, geëerde vrouwe.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Portier af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">De val is nu gesteld; gaat alles goed,</p> +<p class="line">Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,</p> +<p class="line">Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.</p> +<p class="line">Groot is de naam van dien gevreesden ridder,</p> +<p class="line">En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;</p> +<p class="line">’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,</p> +<p class="line">Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Bode komt op, met</i> <span class="sc">Talbot</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,</p> +<p class="line">Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">En hij is welkom. Wat! is dit de man?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Zoo is ’t, gravin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Is dit dus Frankrijks geesel?</p> +<p class="line">Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,</p> +<p class="line">Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?</p> +<p class="line">Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,</p> +<p class="line">Een tweede Hector, grimmig van gelaat,</p> +<p class="line">Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;</p> +<p class="line">En zie, dit is een kind, een arme dwerg! <span class="lineNum">22</span></p> +<p class="line">Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen</p> +<p class="line">Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;</p> +<p class="line">Doch daar u dit niet recht gelegen komt,</p> +<p class="line">Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt</p> +<p class="line">De reden van uw rasch vertrek te weten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik</p> +<p class="line">’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Portier komt weder terug, met sleutels.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gevangne? wiens?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Bloedgierig lord, de mijne;</p> +<p class="line">Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.</p> +<p class="line">Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,</p> +<p class="line">Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;</p> +<p class="line">Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;</p> +<p class="line">Die armen wil ik keet’nen en die beenen</p> +<p class="line">Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren</p> +<p class="line">Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,</p> +<p class="line">En onze zoons en mannen weggesleept.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ha, ha, ha!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,</p> +<p class="line">Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,</p> +<p class="line">Om daar uw booze strengheid op te koelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Zijt gij de man dan niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Zijt gij de man dan niet? </span>Dat ben ik zeker.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Dan heb ik ook uw wezen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;</p> +<p class="line">Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;</p> +<p class="line">Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,</p> +<p class="line">Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.</p> +<p class="line">Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,</p> +<p class="line">Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,</p> +<p class="line">Dat heel uw huis het niet omvatten kan. <span class="lineNum">56</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;</p> +<p class="line">Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;</p> +<p class="line">Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Dit toon ik u terstond.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De poorten worden +opengeramd en Soldaten dringen binnen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,</p> +<p class="line">Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?</p> +<p class="line">Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,</p> +<p class="line">Waarmee hij uw rebellennekken jukt,</p> +<p class="line">Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,</p> +<p class="line">In minder dan een omzien woest doet zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;</p> +<p class="line">Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,</p> +<p class="line">En meer dan uw gestalte deed vermoeden.</p> +<p class="line">Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;</p> +<p class="line">Het doet mij leed, dat ik u niet ontving</p> +<p class="line">Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken</p> +<p class="line">Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst</p> +<p class="line">In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.</p> +<p class="line">Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,</p> +<p class="line">En andre schadeloosstelling eisch ik niet,</p> +<p class="line">Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn</p> +<p class="line">Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,</p> +<p class="line">Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb624">[<a href="#pb624">624</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gravin.</p> +<p class="line">Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,</p> +<p class="line">Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.ii.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De hof van den Tempel.</i></p> +<p class="stage"><i>De Graven van</i> <span class="sc">Somerset</span>, <i>van</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>en van</i> <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span>, <span class="sc">Vernon</span> <i>en een Rechtsgeleerde komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?</p> +<p class="line">Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p id="kh6i.ii.4.3" class="line">Te luide spraken we in de Tempelzaal;</p> +<p class="line">Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,</p> +<p class="line">En of die twister Somerset het mis had.</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p624width"><img src="images/p624.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel." width="425" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,</p> +<p class="line">En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;</p> +<p class="line">En plooi daarom het recht naar mijnen wil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Welk van twee valken zich het steilst verheft,</p> +<p class="line">Welk van twee honden schooner, dieper blaft,</p> +<p class="line">Welk van twee klingen van het fijnste staal is,</p> +<p class="line">Welk van twee paarden fraaier houding heeft,</p> +<p class="line">Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,</p> +<p class="line">Hierin treed ik desnoods als rechter op,</p> +<p class="line">Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,</p> +<p class="line">Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; <span class="lineNum">19</span></p> +<p class="line">De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,</p> +<p class="line">Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;</p> +<p class="line">Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,</p> +<p class="line">Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,</p> +<p class="line">Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.</p> +<p class="line">Wie onder u echt edelman zich rekent,</p> +<p class="line">En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,</p> +<p class="line">Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,</p> +<p class="line">Met mij van dezen struik een witte roos.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">En wie geen lafaard of geen vleier is,</p> +<p class="line">Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,</p> +<p class="line">Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,</p> +<p class="line">En zonder lage vleierij pluk ik</p> +<p class="line">De witte roos hier met Plantagenet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">En ik deez’ roode roos met Somerset,</p> +<p class="line">En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,</p> +<p class="line">Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen</p> +<p class="line">Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,</p> +<p class="line">Des andren aanspraak recht en juist zal achten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;</p> +<p class="line">Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">En ik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,</p> +<p class="line">Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,</p> +<p class="line">En kies zoo voor de witte roos partij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Prik u niet in den vinger, als gij plukt;</p> +<p class="line">Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,</p> +<p class="line">En stemt gij tegen uwen zin voor mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,</p> +<p class="line">Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,</p> +<p class="line">En houdt mij aan de zijde, die ik koos.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Goed, goed; komaan, wie verder?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rechtsgeleerde.</p> +<p class="line">Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.</p> +<p class="line">Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;</p> +<p class="line">En daarom pluk ook ik een witte roos. <span class="lineNum">58</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">In deze scheê; desnoods zal dit bewijs</p> +<p class="line">Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Toch bootst uw wang thans onze rozen na;</p> +<p class="line">Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis</p> +<p class="line">Voor onze waarheid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Voor onze waarheid. </span>Neen, Plantagenet,</p> +<p class="line">Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang</p> +<p class="line">Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,</p> +<p class="line">En toch uw tong uw dwaling niet erkent.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,</p> +<p class="line">Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,</p> +<p class="line">Die mijne bloedig roode rozen dragen</p> +<p class="line">En staven zullen, dat ik waarheid spreek,</p> +<p class="line">Waar geen Plantagenet verschijnen durft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot</p> +<p class="line">Met u en uwen aanhang, jonge knaap.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb625">[<a href="#pb625">625</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik slinger u mijn deel weer in den strot.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">O zwijg, mijn beste William de la Poole;</p> +<p class="line">Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;</p> +<p class="line">Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,</p> +<p class="line">Den derden zoon des derden konings Edward.</p> +<p id="kh6i.ii.4.85" class="line">Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;</p> +<p class="line">Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik</p> +<p class="line">Op iedre plek der christenwereld vol.</p> +<p class="line">Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,</p> +<p class="line">Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?</p> +<p class="line">En heeft niet zijn verraad u aangestoken,</p> +<p class="line">Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?</p> +<p class="line">Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;</p> +<p class="line">En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, <span class="lineNum">97</span></p> +<p class="line">Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;</p> +<p class="line">Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,</p> +<p class="line">Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.</p> +<p class="line">Maar prent u in, gij en uw helper Poole:</p> +<p class="line">Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,</p> +<p class="line">Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;</p> +<p class="line">Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid</p> +<p class="line">En kent den vijand dan aan deze kleur,</p> +<p class="line">Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,</p> +<p class="line">Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,</p> +<p class="line">Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,</p> +<p class="line">Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,</p> +<p class="line">Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;</p> +<p class="line">En nu vaarwel, tot ik u weder tref.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Somerset</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De smet, die zij daar werpen op uw huis,</p> +<p class="line">Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,</p> +<p class="line">Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.</p> +<p class="line">Indien gij dan niet hertog wordt van York,</p> +<p class="line">Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.</p> +<p class="line">’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,</p> +<p class="line">Den trotschen Somerset en Poole ten trots,</p> +<p class="line">Met deze roos aan uwe zij mij scharen.</p> +<p class="line">En dit voorspel ik: deze twist van heden,</p> +<p class="line">Die in den hof hier tot partijschap wies,</p> +<p class="line">Zendt, met de roode en witte roos als leuze,</p> +<p class="line">Veel duizend zielen in verderf en dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,</p> +<p class="line">Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rechtsgeleerde.</p> +<p class="line">Zoo doe ik ook.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Ik dank u, waarde heer.</p> +<p class="line">Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist</p> +<p class="line">Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.ii.5" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in den Tower.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Mortimer</span> <i>wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders binnengedragen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,</p> +<p class="line">Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—</p> +<p class="line">Gelijk een man, pas van de folterbank,</p> +<p class="line">Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;</p> +<p id="kh6i.ii.5.5" class="line">Die grijze lokken, als des doods herauten,</p> +<p class="line">Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,</p> +<p class="line">Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.</p> +<p class="line">Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker</p> +<p class="line">Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,</p> +<p class="line">De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,</p> +<p class="line">En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,</p> +<p class="line">Die zijn verwelkte loten hangen laat.</p> +<p class="line">En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,</p> +<p class="line">Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—</p> +<p class="line">Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,</p> +<p class="line">Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—</p> +<p class="line">Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gevangenbewaarder.</p> +<p class="line">Richard Plantagenet zal komen, heer.</p> +<p class="line">Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,</p> +<p class="line">En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—</p> +<p class="line">Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.</p> +<p class="line">Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot</p> +<p class="line">In wapenroem was, hier begon te heerschen,</p> +<p class="line">Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;</p> +<p class="line">En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd</p> +<p class="line">En van zijn eer en erflijk goed beroofd.</p> +<p class="line">Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,</p> +<p class="line">De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,<span class="pageNum" id="pb626">[<a href="#pb626">626</a>]</span></p> +<p class="line">Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—</p> +<p class="line">Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,</p> +<p class="line">En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gevangenbewaarder.</p> +<p class="line">Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,</p> +<p class="line">Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,</p> +<p class="line">En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.</p> +<p class="line">Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,</p> +<p class="line">Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.</p> +<p class="line">En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,</p> +<p class="line">Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,</p> +<p class="line">En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.</p> +<p class="line">’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak</p> +<p class="line">Tot woorden tusschen Somerset en mij,</p> +<p class="line">Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte</p> +<p class="line">En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.</p> +<p class="line">Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;</p> +<p class="line">’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.</p> +<p class="line">Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,</p> +<p class="line">En bij uw eer als een Plantagenet, <span class="lineNum">52</span></p> +<p class="line">Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,</p> +<p class="line">De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij</p> +<p class="line">Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,</p> +<p class="line">Mij in een duffen kerker deed versmachten,</p> +<p class="line">Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Onthul mij breeder, welke grond dit was;</p> +<p class="line">Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,</p> +<p class="line">De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.</p> +<p class="line">De grootvader van onzen jongen vorst,</p> +<p class="line">Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef</p> +<p class="line">Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins</p> +<p class="line">Was oudste zoon en wettig erfgenaam</p> +<p class="line">Van Koning Edward, van dien naam den derden.</p> +<p class="line">Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden</p> +<p class="line">De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,</p> +<p class="line">Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,</p> +<p class="line">Mij op den troon van England te verheffen.</p> +<p class="line">Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,</p> +<p class="line">Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was</p> +<p class="line">En hij geen enklen telg had nagelaten,—</p> +<p class="line">Ik door mijn stam en bloed de naaste was.</p> +<p class="line">Van moeders zij toch heb ik Lionel,</p> +<p class="line">Hertog van Clarence, derden zoon van Edward</p> +<p class="line">Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik</p> +<p class="line">Van hertog Jan van Gent was afgestamd,</p> +<p class="line">Die slechts de vierde was dier heldenrij.</p> +<p class="line">Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,</p> +<p class="line">Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,</p> +<p class="line">Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.</p> +<p class="line">Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik</p> +<p class="line">Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,</p> +<p class="line">Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd</p> +<p class="line">Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,</p> +<p class="line">Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,</p> +<p class="line">Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger</p> +<p class="line">Geworven in de hoop, mij te bevrijden,</p> +<p class="line">En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;</p> +<p class="line">Maar als die andren, viel deze eed’le graaf</p> +<p class="line">En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,</p> +<p class="line">Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Van welke gij, mylord, de laatste zijt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,</p> +<p class="line">Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.</p> +<p class="line">Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,</p> +<p class="line">Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; <span class="lineNum">98</span></p> +<p class="line">Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader</p> +<p class="line">Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;</p> +<p class="line">Het huis van Lancaster is hecht geworteld,</p> +<p class="line">En, evenals een berg, niet weg te schuiven.</p> +<p class="line">Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,</p> +<p class="line">Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven</p> +<p class="line">In éénen vasten zetel hen verdriet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">O oom, vermocht een deel van mijne jeugd</p> +<p class="line">Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mortimer.</p> +<p class="line">Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,</p> +<p class="line">Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.</p> +<p class="line">Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;</p> +<p class="line">Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.</p> +<p class="line">En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!</p> +<p class="line">Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Mortimer</span> <i>sterft</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!</p> +<p class="line">In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,</p> +<p class="line">En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—</p> +<p class="line">Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;</p> +<p class="line">Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—</p> +<p class="line">Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg</p> +<p class="line">Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb627">[<a href="#pb627">627</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,</p> +<p id="kh6i.ii.5.123" class="line">Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;</p> +<p class="line">En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,</p> +<p class="line">Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,</p> +<p class="line">Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;</p> +<p class="line">En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;</p> +<p class="line">’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,</p> +<p id="kh6i.ii.5.129" class="line">Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Plantagenet</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DERDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6i.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Het parlementshuis.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Exeter</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komen op; verder de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>en Anderen</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>wil een geschrift overreiken; de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>ontrukt het hem en verscheurt het</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Komt gij met lang- en welgewikte regels,</p> +<p class="line">Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,</p> +<p class="line">Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,</p> +<p class="line">En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,</p> +<p class="line">Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,</p> +<p class="line">Zooals ik voor de vuist en hier terstond</p> +<p class="line">Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,</p> +<p class="line">Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.</p> +<p class="line">Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,</p> +<p class="line">Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—</p> +<p class="line">Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,</p> +<p class="line">Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;</p> +<p class="line">Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,</p> +<p class="line">Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,</p> +<p class="line">Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.</p> +<p class="line">Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, <span class="lineNum">17</span></p> +<p class="line">Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,</p> +<p class="line">Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is</p> +<p class="line">Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.</p> +<p class="line">En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?</p> +<p class="line">Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,</p> +<p class="line">Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?</p> +<p class="line">Ja, werden uw gedachten eens gezift,</p> +<p class="line">Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,</p> +<p class="line">De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,</p> +<p class="line">Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.</p> +<p class="line">Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,</p> +<p class="line">Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?</p> +<p class="line">Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek</p> +<p class="line">Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?</p> +<p class="line">Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede</p> +<p class="line">Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?</p> +<p class="line">Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,</p> +<p class="line">Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;</p> +<p class="line">Niemand dan hij moet om den koning zijn;</p> +<p class="line">En dit verwekt dien donder in zijn borst,</p> +<p class="line">En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;</p> +<p class="line">Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p id="kh6i.iii.1.42" class="line">Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed.…?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!</p> +<p class="line">Een man, die op eens andren troon wil heerschen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat! ben ik geen protector, drieste paap?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? <span class="lineNum">46</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, zooals een bandiet een slot bezet,</p> +<p class="line">En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Onwaardig spotter, gij!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Onwaardig spotter, gij! </span>En gij zijt waardig</p> +<p class="line">Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Dit wreke Rome!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p id="kh6i.iii.1.51" class="line"><span class="hemistich">Dit wreke Rome! </span>Ruim dan ’t land voor Rome.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,</p> +<p class="line">En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;</p> +<p class="line">Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?</p> +<p class="line">Is zijn genade hier niet rijks-protector?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,</p> +<p class="line">Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!</p> +<p class="line">„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”</p> +<p class="line">’k Had anders gaarne een twist met Winchester.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mijn ooms van Gloster en van Winchester,</p> +<p class="line">Gestelde wakers over Englands welzijn,</p> +<p class="line">Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik</p> +<p class="line">In liefde en eendracht uwe harten saam.</p> +<p class="line">O welk een smading is ’t van onze kroon,</p> +<p class="line">Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.<span class="pageNum" id="pb628">[<a href="#pb628">628</a>]</span></p> +<p id="kh6i.iii.1.71" class="line">Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,</p> +<p class="line">Dat burgertwist een giftige adder is,</p> +<p class="line">Die de ingewanden van den staat doorknaagt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Wat is dat voor geraas?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Wat is dat voor geraas? </span>Een oploop, wed ik,</p> +<p class="line">Boosaardig door des bisschops volk verwekt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”</i>)</p> +<p class="stage">(<i>De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">O goede lords en deugdenrijke Hendrik,</p> +<p class="line">Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!</p> +<p class="line">Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!</p> +<p class="line">Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,</p> +<p class="line">De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.</p> +<p class="line">Zij smijten, in partijen saamgerot,</p> +<p class="line">Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,</p> +<p class="line">Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.</p> +<p class="line">In elke straat zijn vensters ingesmeten:</p> +<p class="line">Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Dienaars van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en die van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>dringen al vechtende binnen, met bebloede koppen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:</p> +<p class="line">Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— <span class="lineNum">87</span></p> +<p class="line">Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p> +<p>Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken we onze tanden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Dienaar.</p> +<p>Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,</p> +<p class="line">En staakt terstond dien ongehoorden strijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p> +<p class="line">Mylord, wij weten ’t allen, uw genade</p> +<p class="line">Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst</p> +<p class="line">Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;</p> +<p class="line">En nimmer dulden wij, dat zulk een prins</p> +<p class="line">En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,</p> +<p class="line">Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;</p> +<p class="line">Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,</p> +<p class="line">Met uw belagers, tot zij ons verslaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Dienaar.</p> +<p class="line">Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels</p> +<p class="line">Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Stil, zeg ik, stil!</p> +<p class="line">En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,</p> +<p class="line">Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—</p> +<p class="line">Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten</p> +<p class="line">En tranen zien, en wordt uw hart niet week?</p> +<p class="line">Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?</p> +<p class="line">Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,</p> +<p class="line">Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,</p> +<p class="line">Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren</p> +<p class="line">Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.</p> +<p class="line">Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord</p> +<p class="line">Door uwe vijandschap reeds is verwekt;</p> +<p class="line">Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Uit deernis voor den koning moet ik buigen;</p> +<p class="line">’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,</p> +<p class="line">Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zie nu, mylord van Winchester, de hertog</p> +<p class="line">Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,</p> +<p class="line">Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;</p> +<p class="line">Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, <span class="lineNum">127</span></p> +<p class="line">Dat boosheid groote, zware zonde was;</p> +<p class="line">En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,</p> +<p class="line">Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—</p> +<p class="line">Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!</p> +<p class="line">Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,</p> +<p class="line">En bied voor liefde liefde, hand voor hand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—</p> +<p class="line">Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,</p> +<p id="kh6i.iii.1.138" class="line">Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap</p> +<p class="line">Voor ons en al de dienaars van ons huis.</p> +<p class="line">En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O waardige oom, en beste hertog Gloster,</p> +<p class="line">Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—</p> +<p class="line">Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;</p> +<p class="line">Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p> +<p class="line">’t Is wel; ik zoek een wondarts op.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Dienaar.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">’t Is wel; ik zoek een wondarts op. </span>Ik ook.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Dienaar.</p> +<p class="line">En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Mayor, de Dienaars, enz. af.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb629">[<a href="#pb629">629</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;</p> +<p class="line">Het vraagt aan uwe majesteit herstelling</p> +<p class="line">Der rechten van Richard Plantagenet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,</p> +<p class="line">Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,</p> +<p class="line">Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,</p> +<p class="line">Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds</p> +<p class="line">In Eltham bij uw majesteit deed gelden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En, oom, het waren reed’nen van gewicht;</p> +<p class="line">Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,</p> +<p class="line">Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;</p> +<p class="line">Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Wat allen willen, wil ook Winchester.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem</p> +<p class="line">Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,</p> +<p class="line">Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,</p> +<p class="line">Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,</p> +<p class="line">En onderdaan’gen dienst tot in den dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, <span class="lineNum">169</span></p> +<p class="line">En ter belooning van uw huldiging,</p> +<p class="line">Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.</p> +<p class="line">Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.</p> +<p class="line">Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Plantagenet.</p> +<p class="line">Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,</p> +<p class="line">En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,</p> +<p class="line">Die aan uw majesteit met afgunst denkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,</p> +<p class="line">Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.</p> +<p class="line">Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde</p> +<p class="line">Bij onderdanen en getrouwe vrienden,</p> +<p class="line">En rooft aan elk, die vijand is, den moed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;</p> +<p class="line">Want menig vijand zwicht door vriendenraad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Uw schepen zijn reeds zeilreê.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af, behalve</i> <span class="sc">Exeter</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,</p> +<p class="line">Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!</p> +<p class="line">De pas ontglommen tweedracht dezer pairs</p> +<p class="line">Brandt onder de asch van valsche liefde voort</p> +<p class="line">En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;</p> +<p class="line">Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,</p> +<p class="line">Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,</p> +<p class="line">Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.</p> +<p class="line">Nu wekt die booze profetie mij vrees,</p> +<p class="line">Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,</p> +<p class="line">Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:</p> +<p class="line">„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,</p> +<p class="line">„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”</p> +<p class="line">Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,</p> +<p class="line">Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Rouaan</span>.</p> +<p class="stage"><i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met zakken op den rug</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Dit is de poort der veste, van Rouaan,</p> +<p class="line">Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.</p> +<p class="line">Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,</p> +<p class="line">En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,</p> +<p class="line">Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.</p> +<p class="line">Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen</p> +<p class="line">En vinden wij de trage wacht er zwak,</p> +<p class="line">Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,</p> +<p class="line">Opdat de prins dauphijn hen overvall’.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Soldaat.</p> +<p id="kh6i.iii.2.10" class="line">Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren</p> +<p class="line">En make ons heer en meester van Rouaan.</p> +<p class="line">Komt! aangeklopt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Wacht</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> <span class="ex" lang="fr">Qui est là?</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line"><span class="ex" lang="fr">Paysans, pauvres gens de France</span>;</p> +<p class="line">Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Wacht</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>de poort openend</i>).</span> Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. <span class="lineNum">16</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>en de Anderen gaan de stad binnen</i>.)</p> +<p class="stage"><span class="corr" id="xd33e3427" title="Niet in bron">(</span><span class="sc">Karel</span> <i>komt op, de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span> <i>en Troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!</p> +<p class="line">Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;</p> +<p class="line">Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,</p> +<p class="line">Waar wij het best en veiligst binnendringen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;</p> +<p class="line">En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,</p> +<p class="line">Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel omhoog</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,</p> +<p class="line">Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,</p> +<p class="line">Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb630">[<a href="#pb630">630</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;</p> +<p class="line">Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Het lichte daar als een komeet der wrake,</p> +<p class="line">En als profeet van onzes vijands val!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;</p> +<p class="line">Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”</p> +<p class="line">En slaat de wachters aan de poort ter neer.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij dringen de stad binnen.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op met Engelsche Soldaten</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,</p> +<p class="line">Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.</p> +<p class="line">Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,</p> +<p class="line">Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,</p> +<p class="line">Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij trekken stedewaarts op.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op</i>: <span class="sc">Bedford</span>, <i>die ziek in een stoel gedragen wordt</i>, <span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>en de Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur</i>: <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Karel</span>, <i>de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <i>en Anderen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? <span class="lineNum">41</span></p> +<p class="line">Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,</p> +<p class="line">Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.</p> +<p id="kh6i.iii.2.44" class="line">Het was vol dolik; staat de smaak u aan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!</p> +<p class="line">’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,</p> +<p class="line">En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,</p> +<p class="line">En op den dood een rit doen in een stoel?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,</p> +<p class="line">Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,</p> +<p class="line">Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,</p> +<p class="line">Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?</p> +<p class="line">Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,</p> +<p class="line">Of Talbot moge aan deze schande sterven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;</p> +<p class="line">Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Talbot</span> <i>en de zijnen raadplegen onderling</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">God zegen ’t parlement! wie is de spreker?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg</p> +<p class="line">Tot toetsing, of het onze wel het onze is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ik spreek niet tot die smalende opperheks;</p> +<p class="line">Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;</p> +<p class="line">Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Neen, heer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!</p> +<p class="line">Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,</p> +<p class="line">En niet als ridders strijden in het veld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,</p> +<p class="line">Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—</p> +<p class="line">Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts</p> +<p class="line">Om u te zeggen, dat wij hier zijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>met de Anderen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Wij willen mede daar zijn, en eerlang,</p> +<p class="line">Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!</p> +<p class="line">Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,</p> +<p class="line">Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,</p> +<p class="line">Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;</p> +<p class="line">En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,</p> +<p class="line">En hier zijn vader heeft gezegevierd,</p> +<p class="line">Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad</p> +<p class="line">Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,</p> +<p class="line">Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. <span class="lineNum">84</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,</p> +<p class="line">Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!</p> +<p class="line">Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,</p> +<p class="line">Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;</p> +<p class="line">’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,</p> +<p class="line">En deelgenoot zijn van uw wel of wee.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Manhafte Bedford, laat u overreden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,</p> +<p id="kh6i.iii.2.94" class="line">Hoe ook de stoute <span class="corr" id="xd33e3669" title="Bron: Pendragon">Pendragoon</span> op ’t draagbed</p> +<p class="line">Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.</p> +<p class="line">’k Verlevendig misschien den moed der strijders,</p> +<p class="line">Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—</p> +<p class="line">Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—</p> +<p class="line">En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;</p> +<p class="line">Maar onze macht verzameld tot den aanval;</p> +<p class="line">Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Bourgondië</span>, <span class="sc">Talbot</span>, <i>met hun troepen af</i>; <span class="sc">Bedford</span> <i>en Anderen blijven achter</i>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb631">[<a href="#pb631">631</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch en aanvallen. Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>en een Hopman komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hopman.</p> +<p class="line">Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Fastolfe.</p> +<p class="line">Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;</p> +<p class="line">Wij worden zeker weer teruggeslagen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hopman.</p> +<p class="line">Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Fastolfe.</p> +<p class="line">Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hopman.</p> +<p class="line">Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Hopman af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Karel</span> <i>en Anderen, die vluchtende heengaan</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bedford.</p> +<p class="line">Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;</p> +<p class="line">Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.</p> +<p class="line">Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?</p> +<p class="line">Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,</p> +<p class="line">Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bourgondië</span> <i>en Anderen komen weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! <span class="lineNum">115</span></p> +<p class="line">Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;</p> +<p class="line">Doch Gode zij de roem van deze zege!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.</p> +<p class="line">Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden</p> +<p class="line">Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?</p> +<p class="line">Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;</p> +<p class="line">Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?</p> +<p class="line">Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,</p> +<p class="line">Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.</p> +<p class="line">Laat thans ons alles reeg’len in de stad,</p> +<p class="line">Er kundige officieren achterlaten,</p> +<p class="line">Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,</p> +<p class="line">Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,</p> +<p class="line">Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.</p> +<p class="line">Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.</p> +<p class="line">Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,</p> +<p class="line">Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;</p> +<p class="line">Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;</p> +<p class="line">Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De vlakte bij</i> <span class="ex">Rouaan</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Karel</span>, <i>de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>komen op, met troepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,</p> +<p class="line">’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;</p> +<p class="line">Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,</p> +<p class="line">Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.</p> +<p class="line">De dolle Talbot triumfeere een poos,</p> +<p class="line">En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,</p> +<p class="line">Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,</p> +<p class="line">Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,</p> +<p class="line">En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;</p> +<p class="line">Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,</p> +<p class="line">En heel de wereld melden wij uw roem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,</p> +<p class="line">U eerend als een heil’ge patrones;</p> +<p class="line">Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:</p> +<p class="line">Door zachte toespraak en met honigwoorden</p> +<p class="line">Verlokken wij den hertog van Bourgondië,</p> +<p class="line">Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. <span class="lineNum">20</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan</p> +<p class="line">Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;</p> +<p class="line">Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,</p> +<p class="line">Maar ras gerooid uit onze landen zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,</p> +<p class="line">En leenden van geen graafschap hier den naam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,</p> +<p class="line">De zaak in de gewenschte haven breng.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Getrommel in de verte.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,</p> +<p class="line">Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Engelsche marsch.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op met zijn troepen, en trekt voorbij</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—</p> +<p class="line">En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Fransche marsch. De Hertog van</i> <span class="sc">Bourgondië</span> <i>komt op met zijne troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!</p> +<p class="line">Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—</p> +<p class="line">Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een trompetsignaal voor een mondgesprek.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Wie wil een mondgesprek <span class="corr" id="xd33e3938" title="Bron: me">met</span> den Bourgondiër?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb632">[<a href="#pb632">632</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p id="kh6i.iii.3.41" class="line">Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,</p> +<p class="line">Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Spreek op, maar wees niet overmatig lang.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,</p> +<p class="line">En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield</p> +<p class="line">Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.</p> +<p class="line">Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,</p> +<p class="line">Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,</p> +<p class="line">Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie</p> +<p class="line">Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,</p> +<p class="line">Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.</p> +<p class="line">O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.</p> +<p class="line">Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;</p> +<p class="line">Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,</p> +<p class="line">Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. <span class="lineNum">55</span></p> +<p class="line">Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,</p> +<p class="line">En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,</p> +<p class="line">Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;</p> +<p class="line">Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.</p> +<p class="line">Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,</p> +<p class="line">Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.</p> +<p class="line">Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,</p> +<p class="line">U tot zijn werktuig makend van verderf,</p> +<p class="line">Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?</p> +<p class="line">U stoot men als een overlooper uit.</p> +<p class="line">Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:</p> +<p class="line">Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,</p> +<p class="line">En was hij niet in England krijgsgevangen?</p> +<p class="line">Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,</p> +<p class="line">Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,</p> +<p class="line">Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.</p> +<p class="line">Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;</p> +<p class="line">Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.</p> +<p class="line">Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!</p> +<p class="line">Als Karel, spreiden allen de armen open.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal</p> +<p class="line">Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,</p> +<p class="line">En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—</p> +<p class="line">Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!</p> +<p class="line">En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;</p> +<p class="line">Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.</p> +<p class="line">Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">En wekt ons nieuwen moed in onze borst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,</p> +<p class="line">En een gravinnekroontje er mee verdiend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,</p> +<p class="line">En dan getracht den vijand schâ te doen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iii.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Parijs.</span> <i>Een zaal in het koninklijk paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en andere Lords; verder</i> <span class="sc">Vernon</span>, <span class="sc">Basset</span> <i>en Anderen. Daarna verschijnt</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>met eenigen zijner officieren</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Doorluchte souverein en eed’le pairs,</p> +<p class="line">Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,</p> +<p class="line">Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,</p> +<p class="line">Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;</p> +<p class="line">Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer</p> +<p class="line">Dan vijftig sterke sloten voor u won,</p> +<p class="line">Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,</p> +<p class="line">Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—</p> +<p class="line">Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij knielt neder.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En schrijft met onderdanig trouw gemoed,</p> +<p class="line">Den roem en de eere der bevochten zeges,</p> +<p class="line">Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, <span class="lineNum">13</span></p> +<p class="line">Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!</p> +<p class="line">’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—</p> +<p class="line">’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,</p> +<p class="line">Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.</p> +<p class="line">Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,</p> +<p class="line">Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:</p> +<p class="line">Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,</p> +<p class="line">En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,</p> +<p class="line">Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.</p> +<p class="line">Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,</p> +<p class="line">Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;</p> +<p class="line">Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Talbot</span> <i>en de overigen af, behalve</i> <span class="sc">Vernon</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb633">[<a href="#pb633">633</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee</p> +<p class="line">Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,</p> +<p class="line">Die ik, Mylord van York ter eere, draag;</p> +<p class="line">Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft</p> +<p class="line">Het nijdig keffen van uw drieste tong</p> +<p class="line">Tegen mijn heer, den hertog Somerset.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">Nu, en wat is hij? even goed als York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij geeft hem een slag.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,</p> +<p id="kh6i.iii.4.39" class="line">Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;</p> +<p class="line">Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.</p> +<p class="line">Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit</p> +<p class="line">En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;</p> +<p class="line">Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan</p> +<p class="line">Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6i.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Parijs.</span> <i>Een troonzaal.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Exeter</span>, <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Talbot</span>, <i>de</i> <span class="sc">Commandant</span> <i>van Parijs en Anderen treden op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Commandant knielt.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Dat gij geen andren koning kiest dan hem,</p> +<p class="line">Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,</p> +<p class="line">En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,</p> +<p class="line">Die zijn gezag met boozen raad belagen;</p> +<p class="line">Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Fastolfe.</p> +<p class="line">Genadig koning, toen ik van Calais</p> +<p class="line">Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,</p> +<p class="line">Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege</p> +<p class="line">Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Schande over u en die u zendt, den hertog! <span class="lineNum">13</span></p> +<p class="line">’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,</p> +<p class="line">Dien knieband van uw hazebeen te rijten;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij rukt hem den kouseband af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig</p> +<p class="line">Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—</p> +<p class="line">Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!</p> +<p id="kh6i.iv.1.19" class="line">Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,</p> +<p class="line">Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,</p> +<p class="line">De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—</p> +<p class="line">Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,</p> +<p class="line">Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!</p> +<p class="line">Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;</p> +<p class="line">Ikzelf, en menig edelman met mij,</p> +<p class="line">Wij werden overmand en krijgsgevangen.</p> +<p class="line">Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,</p> +<p class="line">Of zulke lafaards ooit der ridderschap</p> +<p class="line">Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;</p> +<p class="line">Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,</p> +<p class="line">Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren</p> +<p class="line">De ridders van den knieband hooggeboren,</p> +<p class="line">Vol dapperheid en deugd en fieren moed,</p> +<p class="line">Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;</p> +<p class="line">Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,</p> +<p class="line">En onverschrokken in den hoogsten nood. <span class="lineNum">38</span></p> +<p class="line">Die deze gaven niet bezit, hij matigt</p> +<p class="line">Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,</p> +<p class="line">En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;</p> +<p class="line">Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,</p> +<p class="line">Gelijk een in de heg geboren dorper,</p> +<p class="line">Die zich vermeet op edel bloed te pralen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.</p> +<p class="line">Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;</p> +<p class="line">Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Fastolfe</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En nu, mylord protector, lees den brief</p> +<p class="line">Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?</p> +<p class="line">Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.</p> +<p class="line">Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?</p> +<p class="line">Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin</p> +<p class="line">Verand’ring in gezindheid bij hem aan?</p> +<p class="line">Wat staat hier? <span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span> „’k Heb na rijp beraad, begaan</p> +<p class="line">Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren<span class="pageNum" id="pb634">[<a href="#pb634">634</a>]</span></p> +<p class="line">Van hen, waar uw geweld’narij op teert,</p> +<p class="line">Uw booze zaak verlaten; en ik sluit</p> +<p class="line">Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”</p> +<p class="line">O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,</p> +<p class="line">Dat in verbonden, vriendschap en geloften</p> +<p class="line">Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,</p> +<p class="line">En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.</p> +<p class="line">Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;</p> +<p class="line">’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.</p> +<p class="line">Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,</p> +<p class="line">En dat het zonde is, vrienden te bespotten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, <span class="lineNum">76</span></p> +<p class="line">Dat gij welras uws vijands val moogt zien.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Talbot</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Vernon</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.</p> +<p class="line">Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?</p> +<p class="line">Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat is die krenking, die u beiden grieft?</p> +<p class="line">Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">Toen ik ter zee van England hierheen kwam,</p> +<p class="line">Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong</p> +<p class="line">Om deze roos beleedigd, die ik draag;</p> +<p class="line">Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren</p> +<p class="line">Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,</p> +<p class="line">Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd</p> +<p class="line">Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,</p> +<p class="line">Dien hij gehad had met den hertog York,</p> +<p class="line">Met verdre lage schimp- en lastertaal;</p> +<p class="line">Ter wederlegging van dit grof verwijt,</p> +<p class="line">En ter verdediging mijns eed’len meesters,</p> +<p class="line">Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;</p> +<p class="line">Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,</p> +<p class="line">Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,</p> +<p class="line">Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,</p> +<p class="line">Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,</p> +<p class="line">En zeide, dat de bleekheid dezer bloem</p> +<p class="line">De lafheid van mijns meesters hart verried.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,</p> +<p class="line">Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,</p> +<p class="line">Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden</p> +<p class="line">Zoo vinnige partijschap zich verheft!—</p> +<p class="line">Mijn waarde neven, Somerset en York,</p> +<p class="line">Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; <span class="lineNum">116</span></p> +<p class="line">Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,</p> +<p class="line">En zij daarom ook door onszelf beslecht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vernon.</p> +<p class="line">Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Basset.</p> +<p class="line">Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!</p> +<p class="line">En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!</p> +<p class="line">Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,</p> +<p class="line">Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp</p> +<p class="line">Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?</p> +<p class="line">En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel</p> +<p class="line">Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,</p> +<p class="line">Laat staan een grond te delven uit hun taal</p> +<p class="line">Om onderling nu zelve twist te zoeken;</p> +<p class="line">Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:</p> +<p class="line">’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:</p> +<p class="line">Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—</p> +<p class="line">En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:</p> +<p class="line">In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!</p> +<p class="line">Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,<span class="pageNum" id="pb635">[<a href="#pb635">635</a>]</span></p> +<p class="line">En dat wij in onszelf oneenig zijn,</p> +<p class="line">Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan</p> +<p class="line">In koppige ongehoorzaamheid en oproer!</p> +<p class="line">En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,</p> +<p class="line">Als vreemden vorsten dit ter oore komt,</p> +<p class="line">Dat om een speelgoed, om een nietig ding,</p> +<p class="line">De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,</p> +<p class="line">Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!</p> +<p class="line">O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,</p> +<p class="line">Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,</p> +<p class="line">Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.</p> +<p class="line">Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.</p> +<p id="kh6i.iv.1.153" class="line">Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij neemt de roos van</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>en steekt die op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,</p> +<p class="line">Dat Somerset mij liever is dan York;</p> +<p class="line">’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;</p> +<p class="line">Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,</p> +<p class="line">Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.</p> +<p class="line">Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,</p> +<p class="line">Dan ik u leeren of vermanen kan.</p> +<p class="line">Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,</p> +<p class="line">Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—</p> +<p class="line">Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt</p> +<p class="line">Door ons als uw regentschap u vertrouwd;</p> +<p class="line">En, waarde lord van Somerset, vereenig</p> +<p class="line">Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.</p> +<p class="line">Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen</p> +<p class="line">Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;</p> +<p class="line">Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— <span class="lineNum">168</span></p> +<p class="line">Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,</p> +<p class="line">Na korte rust, dra naar Calais terug,</p> +<p class="line">Van daar naar England, waar ik binnenkort</p> +<p class="line">Karel, Alençon en heel die bent verraders</p> +<p class="line">Door uw triomfen voor mij hoop te zien.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,</p> +<p class="line">Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,</p> +<p class="line">Dat hij de roos van Somerset nu draagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;</p> +<p class="line">De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;</p> +<p class="line">Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Vernon</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;</p> +<p class="line">Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,</p> +<p class="line">Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld</p> +<p class="line">Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,</p> +<p class="line">Dan nu zich denken of vermoeden laat.</p> +<p class="line">Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,</p> +<p class="line">Die dezen nijd en twist des adels ziet,</p> +<p class="line">’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,</p> +<p class="line">En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,</p> +<p class="line">Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.</p> +<p class="line">’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;</p> +<p class="line">Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,</p> +<p class="line">Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Bordeaux</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span> <i>komt op, met zijn troepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,</p> +<p class="line">En roep den overste op tot een gesprek.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche troepen en Anderen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,</p> +<p class="line">De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;</p> +<p class="line">En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,</p> +<p class="line">En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,</p> +<p class="line">En huldigt hem als need’rige onderdanen;</p> +<p class="line">Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.</p> +<p class="line">Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,</p> +<p class="line">Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,</p> +<p class="line">’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,</p> +<p class="line">Die uwe torens, fier de wolken tartend,</p> +<p class="line">Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,</p> +<p class="line">Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bevelhebber.</p> +<p class="line">Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,</p> +<p class="line">’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!</p> +<p class="line">Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. <span class="lineNum">17</span></p> +<p class="line">Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;</p> +<p class="line">Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,</p> +<p class="line">En sterk genoeg tot uitval en gevecht.</p> +<p class="line">En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,</p> +<p class="line">Om met des oorlogs strikken u te omslingren;</p> +<p class="line">Aan beide uw zijden houden troepen wacht</p> +<p class="line">En muren u den uitweg toe ter vlucht;</p> +<p class="line">En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,</p> +<p class="line">Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt</p> +<p class="line">En u het bleek verderf niet tegentreedt.</p> +<p class="line">Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,</p> +<p class="line">Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot</p> +<p class="line">Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.</p> +<p class="line">Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man</p> +<p class="line">Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;</p> +<p class="line">Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,</p> +<p class="line">Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;</p> +<p class="line">Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,</p> +<p class="line">Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,</p> +<p class="line">Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,</p> +<p class="line">Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trommen in de verte.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hoor! hoort</p> +<p class="line">De trom van den dauphijn, een klok, die maant,<span class="pageNum" id="pb636">[<a href="#pb636">636</a>]</span></p> +<p class="line">Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;</p> +<p class="line">U zal de mijne een bang verscheiden galmen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Bevelhebber met de zijnen af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—</p> +<p class="line">Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—</p> +<p class="line">O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!</p> +<p class="line">Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,</p> +<p class="line">Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,</p> +<p class="line">Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;</p> +<p class="line">Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,</p> +<p class="line">Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;</p> +<p class="line">Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten</p> +<p class="line">Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,</p> +<p class="line">Zoodat het laf en blaffend verre blijft;</p> +<p class="line">Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,</p> +<p class="line">Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—</p> +<p class="line">God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht</p> +<p class="line">Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Gasconje</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">York</span> <i>komt op, met troepen; een Bode nadert hem</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zijn nog de vlugge ruiters niet terug,</p> +<p class="line">Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Zij zijn terug, mylord, en geven op,</p> +<p class="line">Dat hij is aangetrokken op Bordeaux,</p> +<p class="line">Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen,</p> +<p class="line">Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker</p> +<p class="line">Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden,</p> +<p class="line">En verder met hem trokken naar Bordeaux.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset,</p> +<p class="line">Die den beloofden bijstand zoo vertraagt:</p> +<p class="line">De ruiterij, voor dit beleg verzameld!</p> +<p class="line">De groote Talbot rekent op mijn hulp,</p> +<p class="line">En mij bedriegt een schurk, een laag verrader,</p> +<p class="line">Dat ik den eed’len held niet helpen kan.</p> +<p class="line">God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! <span class="lineNum">15</span></p> +<p class="line">Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">O vorst en legerhoofd van Englands kracht,</p> +<p class="line">Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was,</p> +<p class="line">IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot,</p> +<p class="line">Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten,</p> +<p class="line">Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld.</p> +<p class="line">Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux!</p> +<p class="line">Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel</p> +<p class="line">Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats!</p> +<p class="line">Dan wierd een dapper edelman gered,</p> +<p class="line">Door ’t off’ren van een lafaard en verrader.</p> +<p class="line">Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af;</p> +<p class="line">Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord.</p> +<p class="line">Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered,</p> +<p class="line">Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig,</p> +<p class="line">En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden,</p> +<p class="line">Op reis naar zijn krijgshaften vader vond.</p> +<p class="line">In zeven jaar zag hem zijn vader niet;</p> +<p class="line">Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten,</p> +<p class="line">Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten!</p> +<p class="line">Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot;</p> +<p class="line">Zulk wederzien in de ure van den dood!</p> +<p class="line">Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man,</p> +<p class="line">Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan.</p> +<p class="line">Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd,</p> +<p class="line">Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>met zijn troepen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Aldus, terwijl de gier der ijverzucht</p> +<p class="line">Zich in de borst van zulke grooten mest,</p> +<p class="line">Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim</p> +<p class="line">De winst des nauwlijks kouden overwinnaars,</p> +<p class="line">Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op.</p> +<p class="line">Uit loutre zucht tot tegenkanting geven</p> +<p class="line">Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Lucy</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een andere vlakte in</i> <span class="ex">Gasconje</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Somerset</span> <i>komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van</i> <span class="sc">Talbot</span>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.</p> +<p class="line">Die onderneming werd door York en Talbot</p> +<p class="line">Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht</p> +<p class="line">Kan bij een uitval reeds de stad alleen</p> +<p class="line">Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed</p> +<p class="line">Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer</p> +<p class="line">Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.</p> +<p class="line">York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,</p> +<p class="line">Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Officier.</p> +<p class="line">Daar is Sir William Lucy, die met mij</p> +<p class="line">’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Waarheen, mylord?</p> +<p class="line">Van den verraden en verkochten Talbot,</p> +<p class="line">Die, eng door driesten tegenspoed omzet,</p> +<p class="line">Roept om den eed’len York en Somerset,</p> +<p class="line">Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.</p> +<p class="line">En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,</p> +<p class="line">Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,</p> +<p class="line">En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,</p> +<p class="line">Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer</p> +<p class="line">Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.<span class="pageNum" id="pb637">[<a href="#pb637">637</a>]</span></p> +<p class="line">Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,</p> +<p class="line">Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,</p> +<p class="line">Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,</p> +<p class="line">Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!</p> +<p class="line">Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard</p> +<p class="line">Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,</p> +<p class="line">En Talbot gaat door uwe schuld te grond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">En York laakt even heftig uw genade;</p> +<p class="line">Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,</p> +<p class="line">Die juist voor dezen tocht verzameld was.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;</p> +<p class="line">’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;</p> +<p class="line">’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,</p> +<p class="line">Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.</p> +<p class="line">Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,</p> +<p class="line">Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;</p> +<p class="line">Zes uren, en zij allen staan hem bij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Te laat; gevangen is hij dan of dood;</p> +<p class="line">Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;</p> +<p class="line">En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Het Engelsche legerkamp nabij</i> <span class="ex">Bordeaux</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span> <i>en zijn zoon</i> <span class="sc">John</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,</p> +<p class="line">Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,</p> +<p class="line">En Talbot’s naam in u herleven zou,</p> +<p class="line">Als dorre leden, sloopende ouderdom</p> +<p class="line">Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.</p> +<p class="line">Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—</p> +<p class="line">Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,</p> +<p class="line">Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.</p> +<p class="line">Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;</p> +<p class="line">Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt</p> +<p class="line">Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?</p> +<p class="line">En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,</p> +<p class="line">Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,</p> +<p class="line">Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!</p> +<p class="line">De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?</p> +<p class="line">Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!</p> +<p class="line">Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;</p> +<p class="line">Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.</p> +<p class="line">Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,</p> +<p class="line">Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.</p> +<p class="line">U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,</p> +<p class="line">Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.</p> +<p class="line">’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;</p> +<p class="line">Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.</p> +<p class="line">Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,</p> +<p class="line">Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?</p> +<p class="line">Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,</p> +<p class="line">Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Een deel uws vaders blijft in u verschoond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. <span class="lineNum">39</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Uws vaders last pleit van die smet u vrij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?</p> +<p class="line">Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?</p> +<p class="line">Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?</p> +<p class="line">Van u te wijken is mij niet vergund,</p> +<p class="line">Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.</p> +<p class="line">Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,</p> +<p class="line">En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,</p> +<p class="line">Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.</p> +<p class="line">Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,</p> +<p class="line">En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een Slagveld.</i></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Gevechten, waarin</i> <span class="sc">Talbot’s</span> <i>zoon omsingeld en door</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>ontzet wordt</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!</p> +<p class="line">Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;</p> +<p class="line">Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—<span class="pageNum" id="pb638">[<a href="#pb638">638</a>]</span></p> +<p class="line">Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf</p> +<p class="line">U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;</p> +<p class="line">Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,</p> +<p class="line">Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,</p> +<p class="line">Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,</p> +<p class="line">Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen</p> +<p class="line">Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm</p> +<p class="line">En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,</p> +<p class="line">Bourgondië, Alençon en Orleans</p> +<p class="line">In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.</p> +<p class="line">Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,</p> +<p class="line">U bij uw maagdestrijd weerstond, en u</p> +<p class="line">Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,</p> +<p class="line">En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras</p> +<p class="line">Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon</p> +<p class="line">Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;</p> +<p class="line">Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed</p> +<p class="line">Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed</p> +<p class="line">Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”</p> +<p class="line">Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,</p> +<p class="line">Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;</p> +<p class="line">Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?</p> +<p class="line">Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;</p> +<p class="line">Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!</p> +<p class="line">Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;</p> +<p class="line">De hulp van éénen man helpt niet in nood.</p> +<p class="line">Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven</p> +<p class="line">In ééne kleine boot nu prijs te geven. <span class="lineNum">33</span></p> +<p class="line">Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,</p> +<p class="line">Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;</p> +<p class="line">Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt</p> +<p class="line">Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.</p> +<p class="line">In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,</p> +<p class="line">Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.</p> +<p class="line">Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;</p> +<p class="line">Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p class="line">Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,</p> +<p class="line">Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.</p> +<p class="line">Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,</p> +<p class="line">Een nietig leven voor een schat van eer,</p> +<p class="line">Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,</p> +<p class="line">Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,</p> +<p class="line">En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,</p> +<p class="line">Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!</p> +<p class="line">Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,</p> +<p class="line">Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.</p> +<p class="line">Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;</p> +<p class="line">Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p id="kh6i.iv.6.54" class="line">Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,</p> +<p class="line">Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;</p> +<p class="line">Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,</p> +<p class="line">Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.iv.7" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het slagveld.</i></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; gevechten.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op, gewond, door een Dienaar ondersteund</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?</p> +<p class="line">O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—</p> +<p class="line">Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,</p> +<p class="line">Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—</p> +<p class="line">Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij</p> +<p class="line">Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,</p> +<p class="line">En, als een uitgevaste leeuw, volbracht</p> +<p class="line">Hij daden van geweld en reuzenkracht;</p> +<p class="line">Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong</p> +<p class="line">Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,</p> +<p class="line">Toen dreef hem blinde woede en razernij</p> +<p class="line">Des harten plotseling heen en ver van mij</p> +<p class="line">In ’s vijands dichten drom; de fiere moed</p> +<p class="line">Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;</p> +<p class="line">Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,</p> +<p class="line">Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Soldaten komen op, met het lijk van</i> <span class="sc">John Talbot</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaar.</p> +<p class="line">Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Talbot.</p> +<p class="line">Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, <span class="lineNum">18</span></p> +<p class="line">Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,</p> +<p class="line">In heerlijkheid vereenigd voor altijd,</p> +<p class="line">Twee Talbots zweven door de weeke lucht,</p> +<p class="line">Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—</p> +<p class="line">O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,</p> +<p class="line">Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!</p> +<p class="line">Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,</p> +<p class="line">Alsof hij Franschman en uw vijand is.—</p> +<p class="line">Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:</p> +<p class="line">„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—</p> +<p class="line">Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;</p> +<p class="line">Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.</p> +<p class="line">Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:</p> +<p class="line">Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken achterlatend. +Daarna komen op</i>: <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>de Bastaard, de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>met troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,</p> +<p class="line">Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed</p> +<p class="line">Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:</p> +<p class="line">„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;</p> +<p class="line">Maar, met een blik vol majesteit en hoon,<span class="pageNum" id="pb639">[<a href="#pb639">639</a>]</span></p> +<p class="line">Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon</p> +<p class="line">Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”</p> +<p class="line">Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij</p> +<p class="line">Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.</p> +<p class="line">Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven</p> +<p class="line">Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bastaard.</p> +<p class="line">Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!</p> +<p class="line">Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,</p> +<p class="line">Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen Heraut</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,</p> +<p class="line">Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Welk een submissie houdt uw boodschap in? <span class="lineNum">53</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;</p> +<p class="line">Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.</p> +<p class="line">Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,</p> +<p class="line">En wensch te zien, wie er gevallen zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Gevang’nen? Onze kerker is de hel.</p> +<p class="line">Doch zeg mij, wien gij zoekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Waar is de groote Alcides van het slagveld,</p> +<p id="kh6i.iv.7.61" class="line">De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,</p> +<p class="line">En, om zijn heldendaden, ook betiteld</p> +<p class="line">Graaf van Valence, Wexford, Waterford,</p> +<p class="line">Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,</p> +<p class="line">Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,</p> +<p class="line">Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,</p> +<p class="line">Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,</p> +<p class="line">Doorluchte ridder van Sint George’s orde,</p> +<p class="line">Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,</p> +<p class="line">Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,</p> +<p class="line">Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!</p> +<p class="line">De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,</p> +<p class="line">Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.</p> +<p class="line">Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,</p> +<p class="line">Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line">Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,</p> +<p class="line">De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?</p> +<p class="line">O, wierden mijner oogen ballen kogels,</p> +<p class="line">Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!</p> +<p class="line">Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!</p> +<p class="line">Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken <span class="lineNum">82</span></p> +<p class="line">Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,</p> +<p class="line">De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!</p> +<p class="line">Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,</p> +<p class="line">En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’<span class="corr" id="xd33e5399" title="Niet in bron">.</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,</p> +<p class="line">Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.</p> +<p class="line">Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier</p> +<p class="line">Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Ga, neem de lijken mee.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lucy.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Ik voer ze weg;</p> +<p class="line">Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,</p> +<p class="line">Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.</p> +<p class="line">Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!</p> +<p class="line">Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6i.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6i.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een zaal in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,</p> +<p class="line">Den keizer en den graaf van Armagnac?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:</p> +<p class="line">Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,</p> +<p class="line">Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk</p> +<p class="line">Een christenvrede dra gesloten worde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En hoe behaagt die voorslag uw genade?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg</p> +<p class="line">Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten</p> +<p class="line">En veil’ge rust te gronden aan weerszij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,</p> +<p class="line">Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,</p> +<p class="line">Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,</p> +<p class="line">Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Om zulk verbond des te eerder te bewerken</p> +<p class="line">En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt<span class="pageNum" id="pb640">[<a href="#pb640">640</a>]</span></p> +<p class="line">Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,</p> +<p class="line">Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,</p> +<p class="line">Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid</p> +<p class="line">Ten echt aan, met een grooten, rijken <span class="corr" id="xd33e5485" title="Bron: bruidschat">bruidsschat</span>.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!</p> +<p class="line">O, beter passen mij nog vlijt en boeken,</p> +<p class="line">Dan dartel minnekoozen met een bruid.</p> +<p class="line">Maar toch, roep de afgezanten voor en geef</p> +<p class="line">Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;</p> +<p class="line">Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts</p> +<p class="line">Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>in kardinaalsgewaad</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p id="kh6i.v.1.28" class="line">Wat! is mylord van Winchester verhoogd</p> +<p class="line">En met den kardinaalsrang nu bekleed?</p> +<p class="line">Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,</p> +<p class="line">Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:</p> +<p class="line">„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,</p> +<p class="line">Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij heeren afgezanten, uwe wenschen <span class="lineNum">34</span></p> +<p class="line">Zijn grondig overwogen en getoetst.</p> +<p class="line">Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;</p> +<p class="line">En daarom namen wij alsnu ’t besluit,</p> +<p class="line">Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,</p> +<p class="line">Die onverwijld mylord van Winchester</p> +<p class="line">Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En wat betreft het aanbod van uw heer</p> +<p class="line">Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,</p> +<p class="line">Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,</p> +<p class="line">Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,</p> +<p class="line">Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Breng als bewijs en pand voor dit verdrag</p> +<p class="line">Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—</p> +<p class="line">En nu, mylord protector, laat de heeren</p> +<p class="line">Naar Dover begeleiden tot aan boord;</p> +<p class="line">En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>met zijn Gevolg</i>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Exeter</span> <i>en de Gezanten af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst</p> +<p class="line">De geldsom in ontvangst, die ik beloofde</p> +<p class="line">In dank te kwijten aan zijn heiligheid</p> +<p class="line">Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Legaat.</p> +<p class="line">Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Winchester.</p> +<p class="line">Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,</p> +<p class="line">Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.</p> +<p class="line">Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,</p> +<p class="line">Dat evenmin in rang als in geboorte</p> +<p class="line">De <span class="corr" id="xd33e5577" title="Bron: bischop">bisschop</span> zich door u verduistren laat;</p> +<p class="line">Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,</p> +<p class="line">Of twist en omkeer zal dit land vernielen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Anjou</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komen op, met troepen op marsch</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken:</p> +<p class="line">Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand,</p> +<p class="line">En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs!</p> +<p class="line">En dralen houde uw leger niet terug.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt,</p> +<p class="line">Of anders slechte de oorlog haar paleizen!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer,</p> +<p class="line">En alle heil bij al zijn medestanders!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. <span class="lineNum">10</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was</p> +<p class="line">In twee gedeelten, is geheel vereend</p> +<p class="line">En is van plan terstond u slag te leev’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;</p> +<p class="line">Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bourgondië.</p> +<p class="line">’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;</p> +<p class="line">Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.</p> +<p class="line">Gebied de zege, Karel, en ze is u,</p> +<p class="line">Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.v.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Angers</span>.</p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; schermutselingen. De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—</p> +<p class="line">Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,</p> +<p class="line">En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,</p> +<p class="line">En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Donderslagen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p id="kh6i.v.3.5" class="line">Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar</p> +<p class="line">Des noordpools groote koning over heerscht,</p> +<p class="line">Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb641">[<a href="#pb641">641</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Booze Geesten verschijnen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg</p> +<p class="line">Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.</p> +<p class="line">En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas</p> +<p class="line">In machtige onderaardsche rijken, helpt mij</p> +<p class="line">Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Geesten waren om en spreken niet.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.</p> +<p class="line">Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,</p> +<p class="line">Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,</p> +<p class="line">En dat u ’t handgeld zij van verder loon,</p> +<p class="line">Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Geesten laten het hoofd hangen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf</p> +<p class="line">Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij schudden het hoofd.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed</p> +<p class="line">Tot uw gewone hulp en steun bewegen,</p> +<p class="line">Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,</p> +<p class="line">Eer England op de Franschen triumfeer’!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Zij verdwijnen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,</p> +<p class="line">Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, <span class="lineNum">25</span></p> +<p class="line">En ’t nederleggen moet in Englands schoot.</p> +<p class="line">Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;</p> +<p class="line">De hel is mij te sterk om meê te worst’len;</p> +<p class="line">Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; daaronder de</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>en</i> <span class="sc">York</span>, <i>die handgemeen worden. De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>wordt gevangen genomen. De Franschen vluchten.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;</p> +<p class="line">Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,</p> +<p class="line">En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—</p> +<p class="line">Een schoone buit, de gunst des duivels waard!</p> +<p class="line">Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,</p> +<p class="line">En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Herschepping kan niet erger u misvormen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;</p> +<p class="line">Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,</p> +<p class="line">En moge een hand des bloeds u beiden plotsling</p> +<p class="line">Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komt op, prinses</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>bij de hand leidende</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij beschouwt haar.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,</p> +<p class="line">Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.</p> +<p id="kh6i.v.3.48" class="line">Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,</p> +<p class="line">En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.</p> +<p class="line">Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">’k Ben Margaretha, dochter van een koning,</p> +<p id="kh6i.v.3.52" class="line">Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.</p> +<p class="line">Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,</p> +<p class="line">Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;</p> +<p class="line">Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost</p> +<p class="line">En houdt dit met haar vleugels als gevangen.</p> +<p class="line">Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,</p> +<p class="line">Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij wendt zich af om heen te gaan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">O blijf!—<span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;</p> +<p class="line">Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.</p> +<p class="line">Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,</p> +<p class="line">Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,</p> +<p class="line">Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. <span class="lineNum">64</span></p> +<p class="line">Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.</p> +<p class="line">Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.</p> +<p class="line">Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;</p> +<p class="line">Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?</p> +<p class="line">Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?</p> +<p class="line">Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;</p> +<p class="line">Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,</p> +<p class="line">Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?</p> +<p class="line">Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,</p> +<p class="line">Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;</p> +<p class="line">Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;</p> +<p class="line">Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p id="kh6i.v.5.83" class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb642">[<a href="#pb642">642</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Hij praat maar toe; die man is stapelgek.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?</p> +<p class="line">Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Hij praat van hout; hij is een timmerman.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,</p> +<p class="line">En deze rijken door een vreêverbond.</p> +<p class="line">Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:</p> +<p class="line">Al is haar vader Napels’ koning, hertog</p> +<p class="line">Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,</p> +<p class="line">En heel onze adel schimpt wis op dien echt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde.</i>)</span> Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;</p> +<p class="line">Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een ridder,</p> +<p class="line">En doet gewis mij niets onwaardigs aan. <span class="lineNum">102</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;</p> +<p class="line">En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Verschoon mij, heer, het is slechts <i lang="la">quid pro quo</i>.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,</p> +<p class="line">Wanneer zij u tot koningin verheft?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">’t Is lager, koningin te zijn in banden,</p> +<p class="line">Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,</p> +<p class="line">Want vorsten moeten vrij zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Want vorsten moeten vrij zijn. </span>O, dat zult gij,</p> +<p id="kh6i.v.3.116" class="line">Als Englands machtig koning vrijheid heeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,</p> +<p class="line">Een gouden scepter u ter hand te stellen,</p> +<p class="line">Een rijke kroon te drukken op het hoofd,</p> +<p class="line">Wanneer gij gunstrijk mij—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Wanneer gij gunstrijk mij— </span>Wat?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Wanneer gij gunstrijk mij— Wat? </span>Hèm beminnen wilt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig</p> +<p class="line">Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—</p> +<p class="line">En zelf geen deel te hebben in de keus.—</p> +<p class="line">Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—</p> +<p class="line">Prinses, wij willen voor uws vaders burg</p> +<p class="line">Hem dringend vragen om een mondgesprek.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Troepen komen nader.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt</i> <span class="sc">Reignier</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Van wien?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Van wien? </span>Van mij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Van wien? Van mij? </span>Suffolk, wat baat te vinden?</p> +<p class="line">Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,</p> +<p class="line">Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. <span class="lineNum">134</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;</p> +<p class="line">Sta toe, en sta het voor uw eere toe,</p> +<p class="line">Dat uwe dochter met mijn koning huwt.</p> +<p class="line">Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,</p> +<p class="line">En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,</p> +<p class="line">Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Meent Suffolk wat hij zegt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Meent Suffolk wat hij zegt? </span>De jonkvrouw weet,</p> +<p class="line">Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,</p> +<p class="line">Om antwoord op uw aanzoek u te geven.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Reignier</span> <i>af, van den muur</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">En ik wacht hier uw komst af.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal.</i> <span class="sc">Reignier</span> <i>komt op, beneden</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;</p> +<p class="line">Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,</p> +<p class="line">Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.</p> +<p class="line">Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde</p> +<p class="line">Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,<span class="pageNum" id="pb643">[<a href="#pb643">643</a>]</span></p> +<p class="line">Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,</p> +<p class="line">Anjou en Maine in vrede mag bezitten,</p> +<p class="line">Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,</p> +<p class="line">Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,</p> +<p class="line">En beide deze landen, ’k neem het op mij,</p> +<p class="line">Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,</p> +<p class="line">Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,</p> +<p class="line">Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,</p> +<p class="line">Naardien dit hand’len voor een koning is.</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening</p> +<p class="line">In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws</p> +<p class="line">En draag er voor de huwlijksviering zorg.</p> +<p class="line">Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,</p> +<p class="line">Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,</p> +<p class="line">Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên</p> +<p class="line">Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. <span class="lineNum">174</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij wil heengaan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,</p> +<p class="line">Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Al zulke groeten, als zij aan een maagd,</p> +<p class="line">Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk<span class="corr" id="xd33e6236" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="line">Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!</p> +<p class="line">Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—</p> +<p class="line">Geen liefdepand voor zijne majesteit?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,</p> +<p class="line">Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">En dit daarbij.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij kust haar.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margaretha.</p> +<p class="line">Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning</p> +<p class="line">Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Reignier</span> <i>en</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!</p> +<p class="line">Begeef u niet in zulk een labyrinth;</p> +<p class="line">Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!</p> +<p class="line">Win Hendrik door het roemen van dit wonder,</p> +<p class="line">Stel u haar weergalooze deugden voor,</p> +<p class="line">Die gaven der natuur, die kunst verduistren;</p> +<p class="line">Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,</p> +<p class="line">Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,</p> +<p class="line">Hem zijn bezinning door verbazing rooft.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.v.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Het legerkamp van den hertog van</i> <span class="sc">York</span> <i>in</i> <span class="ex">Anjou</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">York</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Brengt nu de tooverheks, die branden moet.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Herder.</p> +<p class="line">O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!</p> +<p class="line">Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,</p> +<p class="line">En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,</p> +<p class="line">Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?</p> +<p class="line">O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!</p> +<p class="line">Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,</p> +<p class="line">Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Herder.</p> +<p class="line">Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;</p> +<p class="line">Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,</p> +<p class="line">Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,</p> +<p class="line">En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: <span class="lineNum">15</span></p> +<p class="line">Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Herder.</p> +<p class="line">O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!</p> +<p class="line">God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,</p> +<p class="line">En meen’gen traan heb ik om u geschreid:</p> +<p class="line">Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,</p> +<p class="line">Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Herder.</p> +<p class="line">’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,</p> +<p class="line">Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—</p> +<p class="line">Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—</p> +<p class="line">Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur</p> +<p class="line">Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,</p> +<p class="line">Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,</p> +<p class="line">In rattengif verkeerd om uwentwille!</p> +<p class="line">Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,</p> +<p class="line">Een uitgevaste wolf u opgevreten!</p> +<p class="line">Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?</p> +<p class="line">Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Herder af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,</p> +<p class="line">Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:</p> +<p class="line">Geenszins de dochter van een armen scheper,<span class="pageNum" id="pb644">[<a href="#pb644">644</a>]</span></p> +<p class="line">Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,</p> +<p class="line">Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:</p> +<p class="line">En aangeblazen door des hemels gunst,</p> +<p class="line">Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.</p> +<p class="line">Met booze geesten had ik nooit te doen;</p> +<p class="line">Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,</p> +<p class="line">Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,</p> +<p class="line">Met duizenden van ondeugden besmet,—</p> +<p class="line">Dewijl gij Gods genade, die aan andren</p> +<p class="line">Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,</p> +<p class="line">Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!</p> +<p class="line">Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,</p> +<p class="line">En van haar prille jeugd, een reine maagd,</p> +<p class="line">Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;</p> +<p class="line">Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed</p> +<p class="line">Om wrake schreien aan des hemels poorten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,</p> +<p class="line">Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;</p> +<p class="line">Zet tonnen pek rondom den folterpaal,</p> +<p class="line">Opdat gij zoo de martling haar verkort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— <span class="lineNum">59</span></p> +<p class="line">Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,</p> +<p class="line">Die naar de wet een voorrecht u verleent.—</p> +<p class="line">Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;</p> +<p class="line">Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,</p> +<p class="line">Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Het grootste wonder, ooit door u gedaan!</p> +<p class="line">Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;</p> +<p class="line">Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;</p> +<p id="kh6i.v.4.74" class="line">’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!</p> +<p class="line">Het sterft, al waar het duizend levens rijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,</p> +<p class="line">En ook de hertog, dien ik noemde, niet;</p> +<p class="line">Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,</p> +<p class="line">Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—</p> +<p class="line">Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’</p> +<p class="line">Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Pucelle.</p> +<p class="line">Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.</p> +<p class="line">Dat nimmermeer de lichte zon haar glans</p> +<p class="line">Doe stralen op het land, door u bewoond;</p> +<p class="line">Dat nacht en schaduwen des doods u steeds</p> +<p class="line">Omgeven, tot u onheil en vertwijfling</p> +<p class="line">Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>met de Wacht af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,</p> +<p class="line">Vervloekte, vuige dienares der hel!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <i>thans Kardinaal</i> +<span class="sc">Beaufort</span>, <i>komt op met Gevolg</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet</p> +<p class="line">Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.</p> +<p class="line">Want weet, de staten van de christenheid,</p> +<p class="line">Om dezen woesten strijd vol mededoogen,</p> +<p class="line">Verlangen dringend, dat er tusschen ons</p> +<p class="line">En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;</p> +<p class="line">En reeds komt de dauphijn hier met gevolg</p> +<p class="line">Om over enkle punten te onderhandlen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? <span class="lineNum">102</span></p> +<p class="line">Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,</p> +<p class="line">Aanvoerders, edellieden en soldaten,</p> +<p class="line">Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf</p> +<p class="line">Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,</p> +<p class="line">Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?</p> +<p class="line">Verloren wij door trouwbreuk, door verraad</p> +<p class="line">En valschheid niet alreeds schier alle steden,</p> +<p class="line">Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—</p> +<p class="line">O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart</p> +<p class="line">’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,</p> +<p class="line">Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,</p> +<p class="line">Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>komt op met Gevolg, verder</i> <span class="sc">Alençon</span>, <i>de Bastaard</i>, <span class="sc">Reignier</span> <i>en Anderen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,</p> +<p class="line">In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,</p> +<p class="line">Zoo komen wij thans van uzelven hooren,</p> +<p class="line">Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Spreek, Winchester, want heete gal verstopt</p> +<p class="line">Den hollen gang van mijn gevangen stem,</p> +<p class="line">Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:</p> +<p class="line">Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis</p> +<p class="line">U koning Hendrik ingewilligd heeft,</p> +<p class="line">Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,</p> +<p class="line">Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,<span class="pageNum" id="pb645">[<a href="#pb645">645</a>]</span></p> +<p class="line">Moet gij vazallen worden van zijn kroon,</p> +<p class="line">En, Karel, op beding, dat gij bezweert</p> +<p class="line">Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,</p> +<p class="line">Zult gij, als vicekoning onder hem,</p> +<p class="line">Voortaan u in uw koningsrang verheugen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon.</p> +<p class="line">Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?</p> +<p class="line">Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,</p> +<p class="line">En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,</p> +<p class="line">Alleen het recht eens onderdaans behouden?</p> +<p class="line">Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied</p> +<p class="line">Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,</p> +<p class="line">En word er als rechtmatig vorst geëerd;</p> +<p class="line">En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,</p> +<p class="line">Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,</p> +<p class="line">Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?</p> +<p class="line">Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer</p> +<p class="line">Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,</p> +<p class="line">De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim</p> +<p class="line">Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;</p> +<p class="line">En nu het komen zal tot een verdrag,</p> +<p class="line">Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?</p> +<p class="line">Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,</p> +<p class="line">Nu als geschenk van onzen koning aan,</p> +<p class="line">Geen aanspraak er op makend als een recht,</p> +<p class="line">Of reken op een eindeloozen krijg. <span class="lineNum">154</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Reignier.</p> +<p class="line">Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig</p> +<p class="line">Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;</p> +<p class="line">Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,</p> +<p class="line">Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Alençon</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>zacht tot</i> <span class="sc">Karel</span>).</span> ’t Is inderdaad uw beste politiek,</p> +<p class="line">Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden</p> +<p class="line">En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks</p> +<p class="line">Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;</p> +<p class="line">Neem daarom deze wapenschorsing aan,</p> +<p class="line">Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Karel.</p> +<p class="line">Het zij;</p> +<p class="line">Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons</p> +<p class="line">In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:</p> +<p class="line">Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam</p> +<p class="line">Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,</p> +<p class="line">Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,</p> +<p class="line">Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,</p> +<p class="line">Want heilig is de nu gesloten vreê.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6i.v.5" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, in gesprek met</i> <span class="sc">Suffolk</span>. <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>volgen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring</p> +<p class="line">Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;</p> +<p class="line">Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,</p> +<p class="line">Verwekken mij der liefde drang in ’t hart</p> +<p class="line">En evenals de macht van woeste vlagen</p> +<p class="line">Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,</p> +<p class="line">Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,</p> +<p class="line">Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen</p> +<p class="line">Waar ik mij in haar min verheugen mag.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht</p> +<p class="line">Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;</p> +<p class="line">Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—</p> +<p class="line">Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—</p> +<p class="line">Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,</p> +<p class="line">In staat, den stompsten geest nog te verrukken.</p> +<p class="line">En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,</p> +<p class="line">Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,</p> +<p class="line">Toch is zij met gelijken zieledeemoed</p> +<p class="line">Geheel bereid om u ten dienst te zijn,</p> +<p class="line">Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid</p> +<p class="line">U als gemaal te minnen, te vereeren. <span class="lineNum">21</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.</p> +<p class="line">Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:</p> +<p class="line">„Zij Margaretha Englands koningin!”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.</p> +<p class="line">Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds</p> +<p class="line">Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,</p> +<p class="line">Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,</p> +<p class="line">En niet onze eer ontwijden door een blaam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;</p> +<p class="line">Of zoo als een, die toezeide op een steekspel</p> +<p class="line">Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,</p> +<p class="line">Omdat zijn tegenstander hem te min is.</p> +<p class="line">Eens armen graven dochter is te min;</p> +<p class="line">Haar op te geven is daarom geen oneer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En wat is Margaretha meer dan zij?</p> +<p class="line">Haar vader is niet beter dan een graaf,</p> +<p class="line">Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ja, beste heer, haar vader is een koning,</p> +<p class="line">Is vorst van Napels en <span class="corr" id="xd33e6748" title="Bron: Jerusalem">Jeruzalem</span>,</p> +<p class="line">En bovendien in Frankrijk zoo geacht,</p> +<p class="line">Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,</p> +<p class="line">De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,</p> +<p class="line">Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb646">[<a href="#pb646">646</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,</p> +<p class="line">Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,</p> +<p class="line">Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,</p> +<p class="line">Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.</p> +<p class="line">Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;</p> +<p class="line">Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.</p> +<p class="line">O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,</p> +<p class="line">Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.</p> +<p class="line">Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,</p> +<p class="line">Om die door zaakwaarnemers af te doen;</p> +<p class="line">En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,</p> +<p class="line">Zij de genoote van zijn huwlijksbed.</p> +<p class="line">En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,</p> +<p class="line">Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,</p> +<p class="line">Om haar in onze meening uit te lezen.</p> +<p class="line">Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,</p> +<p class="line">Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?</p> +<p class="line">Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt</p> +<p class="line">En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. <span class="lineNum">65</span></p> +<p class="line">Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,</p> +<p class="line">Dan Margaretha, dochter van een koning?</p> +<p class="line">Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,</p> +<p class="line">Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;</p> +<p class="line">Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—</p> +<p class="line">Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—</p> +<p class="line">Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;</p> +<p class="line">Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,</p> +<p class="line">Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,</p> +<p class="line">Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden</p> +<p class="line">Als Margaretha zich verbindt in liefde.</p> +<p class="line">Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:</p> +<p class="line">Slechts Margaretha zij hier koningin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Is ’t door de toovermacht<span id="xd33e6806"></span> van uw bericht,</p> +<p class="line">Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer</p> +<p class="line">Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd</p> +<p class="line">Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—</p> +<p class="line">Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:</p> +<p class="line">Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,</p> +<p class="line">Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,</p> +<p class="line">Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.</p> +<p class="line">Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;</p> +<p class="line">Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:</p> +<p class="line">Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee</p> +<p class="line">Naar England oversteke en zich laat kronen</p> +<p class="line">Als Hendriks trouwe gade en koningin.</p> +<p class="line">Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending</p> +<p class="line">Kunt gij een tiende heffen van ons volk.</p> +<p class="line">Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, <span class="lineNum">94</span></p> +<p class="line">Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—</p> +<p class="line">En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;</p> +<p class="line">Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,</p> +<p class="line">Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt</p> +<p class="line">Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.</p> +<p class="line">En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen</p> +<p class="line">Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij</p> +<p class="line">Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;</p> +<p class="line">Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,</p> +<p class="line">Maar met een beter slot dan die Trojaan.—</p> +<p class="line">Beheersche Margaretha nu den koning;</p> +<p class="line">Ik echter haar, den koning en het rijk!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6i.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">AANTEEKENINGEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie deelen van Koning +Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden, welke den ondergang van de beide +koningshuizen van Lancaster en York schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de +vroegste werken van den grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling +van het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals gewoonlijk +het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de volgorde der vorsten, teleurgesteld +wordt, wanneer hij na Richard II, Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI +ter hand neemt. Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit, +draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd des dichters. +Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning Hendrik V (zie boven blz. 605), +medegedeeld, dat Hendrik VI aan laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan. +</p> +<p>Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K. Hendrik VI +onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is het verschil tusschen deze +werken en die van zijn lateren tijd niet alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst +natuurlijk. Even natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner +voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch tooneel bloeide, +dat in 1562 reeds het eerste treurspel, <i>Gorboduc</i>, van Sackville en Norton, <span class="pageNum" id="pb647">[<a href="#pb647">647</a>]</span>gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van tooneeldichters gevolgd is, waaronder +Nash, Peele, Kyd, Green en Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, +dat de jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn Titus Andronicus +geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in zijn Hendrik VI, schoon deze +stukken zeker van iets latere dagteekening zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers +doet denken. Slechts hierover kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft +nagevolgd en zoo spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen. +</p> +<p>Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare en die van +latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk zijn, werd reeds vroeg twijfel +geopperd, of zij inderdaad van Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste +deel in twijfel getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar +de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem herkomstig zijn, werd +naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel zelfs kleingeestige onderzoekingen, +waarbij de eene onderstelling op de andere gestapeld werd, door verscheidenen als +bewezen beschouwd. In het laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare +het eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde deel slechts +naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn later, met name door Knight, +zoo voldingend wederlegd, en in hun nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig +is, dit hier nogmaals te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen +dichter, of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn vertaling +van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door Shakespeare in hun geheel +ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier in het kort zal worden aangetoond, uit +hun geheelen aanleg af te leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld +te worden, omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry Condell, +in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in den beroemden folio +van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn opgenomen. +</p> +<p>Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet, staat op zichzelf, +alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van Hendrik VI komen tooneelen voor, +die geen ander doel hebben dan voor te bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die +in het volgend stuk ten tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste +stuk: de twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van Mortimer +met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen, het aanzoek van Suffolk +om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen zijn van een zelfstandig stuk. En niet +alleen zijn in het eerste deel de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede +weeft met deze draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede +van het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van het eerste +deel in het belang van zijn drama de volgorde der gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover +later meer,—en dat deze wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht +genomen worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van Orleans, +hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later plaats greep, en de dichter +heeft het sterven van Talbot en zijn zoon hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het +tweede stuk is en blijft Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, +dan had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een krachtige en wettige +reden van ontevredenheid over de leiding van den oorlog. +</p> +<p>Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening verdedigd, dat het eerste +deel niet van Shakespeare is en dat met het tweede een zelfstandig werk begint. Deze +meening moet hier met een woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in +den folio van 1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren +nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht gegeven, en wel +onder den titel: <i lang="en">The first part of the contention betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, +with the death of the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke +of Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester, with the +notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first claim unto the Crowne. +London Printed by Thomas Creed, for Thomas Millington, and are to be sold at his shop +under Saint Peters Church in Cornwall</i> (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een octavo-boek, dat het derde +deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder den titel: <i lang="en">The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of the good King Henrie the +Sixt, with the whole contention betweene the two Houses Lancaster and Yorke, as it +was sundrie times acted by the Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. +Printed at London by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe +under Saint Peter’s Church in Cornwal</i> (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal +beide in quarto, uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band +uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had overgedragen, onder +den titel: <span class="pageNum" id="pb648">[<a href="#pb648">648</a>]</span><i lang="en">The Whole Contention Betweene the Two famous Houses, Lancaster and Yorke, With the +tragicall Ends of the good Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the +sixt. Divided into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William +Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.</i>—Hier wordt dus voor het eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering +en vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer afzonderlijke uitgave +nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want Delius heeft dien met al zijn fouten +in zijn bekende Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en +het derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe ongelooflijk de +echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is de handeling dezelfde en de +gang der samenspraken eveneens, maar soms is van een lange reden slechts een schets +gegeven, verzen zijn vaak als proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken +zijn weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de samenspraak, hier +en daar vindt men geheele gedeelten, die met den tekst der folio-uitgave overeenkomen, +maar midden daarin onzin of geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen +geheel verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels, dus gedeelten, +die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed weergegeven. Kortom de tekst bevat +gedeelten, die geen ander dichter uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; +andere, die ook de grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand +van den tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het gehoor +is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den schouwburg aan het werk zijn +geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad het ging, op papier brachten en dat daarna +de een of andere handlanger de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog +treffende gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen zijn, +maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de samenflanser de +rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft gehad, maar de ellendige toestand +van den tekst maakt zelfs dit niet waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van +uitgeven was in dien tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig +gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste deel van Hendrik VI +niet meester worden of zag hij in de uitgave geen voordeel, zoodat nu het tweede en +derde deel van K. Hendrik VI tot het eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen +de huizen van Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en onaangenaamheden +te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel wegbleef; trouwens iedereen wist +toch wel, dat het dezelfde stukken waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook +bij de eerste onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten.<a class="noteRef" id="xd33e6897src" href="#xd33e6897" title="Ga naar noot 1.">1</a> +</p> +<p>Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als tooneelspeler behoorde, +ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven werd, is onbekend; het is mogelijk, +dat de vermelding van dit gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste +deel, alleen op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook mogelijk, +dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen moge, zeker is het, wanneer +men den tekst van de door Millington uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde +onrechtmatige wijze moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen +schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later beter uitgewerkt +is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat het ontbreken van een afzonderlijke +uitgave van het Eerste Deel van K. Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, +om laatstgenoemd stuk niet aan Sh. toe te kennen. +</p> +<p>Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten, dat de deelen +volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere voorbereidt, dan vinden wij, +dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig +jaren van Hendriks koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie +stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen, dan vindt men +in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een kind van negen maanden kon den +dichter niet dienen,—komt in het eerste deel voor als knaap, in het tweede als man, +in het derde als grijsaard, zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het +is steeds dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve Shakespeare, +dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van <span class="pageNum" id="pb649">[<a href="#pb649">649</a>]</span>anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had kunnen schilderen +en hem zulk een roerende goedheid en zooveel majesteit had kunnen verleenen, dan moet +het antwoord ontkennend luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier +stukken zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het eerste +oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie deelen van Koning Hendrik VI +en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk de schepping van één dichter.—En dat die +dichter niemand anders dan Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één +stemming in al deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid, +die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen tegenover de +Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven, waardoor hij al zijn voorgangers +en tijdgenooten overtreft. +</p> +<p>Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog stond aangeschreven, +is ons door een uiting van een gelijktijdig schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op +dit stuk in een geschrift: „<i lang="en">Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil</i>”; hij verklaart het tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen +der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de helden van weleer +uit het graf der vergetelheid weer in het leven geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, +„zou de dappere Talbot, de schrik der Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat +hij, na tweehonderd jaren in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert +en dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en verscheidene malen, +van wel tienduizend toeschouwers, die in den treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, +hem op nieuw meenen te zien bloeden!” +</p> +<p>Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt nog uit een +ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook het derde deel van K. Hendrik VI +reeds in 1592 gegeven werd en grooten bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan +ellende ter prooi, de dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje +„<i lang="en">A Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance</i>”, dat Henry Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens tooneelspelen +de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren, zijn wrok gelucht over de +nieuwere dichters, die, naar hij meende geheel onverdiend, door de tooneelspelers +boven de oudere dichters werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name +Marlowe, Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond spreken, +den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort, „want daar is een kraai, +een opkomeling, gesierd met onze vederen, die met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers +huid gehuld” gelooft, dat hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, +als de beste van u; en omdat hij een volkomen <i lang="la">Johannes fac totum</i> is, is hij in zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (<i>Shake-scene</i>) in den lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon brengenden +weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere voortreffelijkheid nabootsen, en maak +hen nimmer weer met uw bewonderde dichterlijke vonden bekend!<span class="corr" id="xd33e6921" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>Dat met den naam <i>Shake-scene</i> (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is, spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart +in vrouwenhuid gehuld!” roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de +Hertog van York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is duidelijk +geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man, niet zooals wij van +geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford bezocht heeft, een man, die ons, erkende +dichters, nabootst en met onze schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, +in zijn eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij, evenals zij, +met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen zijn werken tooide, was niet +zoo geheel onjuist, en zijn „Koning Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de +reden van het verwijt niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers +in de schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van af, +daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk maakte en in veler +mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle, achtte zich weldra, waarschijnlijk +op aandrang van Shakespeare of zijn vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen +blaam verdiende, en hij gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, +„<i lang="en">Kind-harts dream</i>” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet onderdrukt te hebben; +„omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn gedrag als evenzoo beschaafd wellevend +(<i lang="en">civil</i>) heb leeren kennen, als hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden +eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel, die van zijn +rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het schrijven, die zijn kunstvaardigheid +bewijst”. +</p> +<p>Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis Plantagenet, en daarmede +tevens het verschrikkelijkst tijdvak van Engelands <span class="pageNum" id="pb650">[<a href="#pb650">650</a>]</span>geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor Engeland verloren ging. +</p> +<p>Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn broeder, de +Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog tegen den Dauphijn van Frankrijk, +die zich na zijns vaders dood als Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel +hij aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429 Orleans +ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale zaak en het optreden +der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan. Wel werd nog in December 1431 de +toen negenjarige Hendrik VI te Parijs plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend +jaar begon de Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche +koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen zijn oom, den +kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder, den hertog van Bedford, +tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op de krijgsverrichtingen der Engelschen +in Frankrijk, en toen, na den dood van den hertog van Bedford, in September 1435, +de hertog van Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende, +gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot 1447, eer de +wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens door bemiddeling van Suffolk +het huwelijk van koning Hendrik VI met Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, +die onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn koningshuis nog +deed toenemen. +</p> +<p>Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen tot aan ’s konings +huwelijk. De dichter volgt over het geheel de kroniek van Hall of de daaruit grootendeels +geputte kroniek van Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der +gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt, wijkt hij van +deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas negen maanden oud was, als +aankomend jongeling optreden, en vat de oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die +een dertigtal jaren duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van +Orleans door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van Hendrik +in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening van den koning van Frankrijk +met den hertog van Bourgondië, de tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling +van een wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van Anjou, +eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van Talbot en zijn zoon. +Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische volgorde in acht is genomen, kan men +afleiden, in hoeverre Shakespeare van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming +en den dood van de Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht, +hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen; het gevecht van +Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst hij voor het optreden der +Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij +in de eerste jaren, hoewel hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde. +Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen als het gevolg +van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en partijzucht der Engelsche grooten, +en van het optreden der Maagd van Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed +der toeschouwers gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd +van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan heldenmoed en +dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn van hun inwendige verdeeldheid +en van Fransche tooverkunsten. Schrijft men de laatste niet aan de inwerking des duivels, +maar aan de opwekking toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen +door de Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de hoofdzaak +waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen veranderd, al heeft hij de rol, +die de mededingers Gloster en kardinaal Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet +juist teruggegeven en al was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer +een welberaden en voorzichtig krijgsman. +</p> +<p>Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans zoo, en niet +anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, +of zij had met helsche machten in verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands +groote dichter het beeld der Maagd geteekend heeft<a class="noteRef" id="xd33e6946src" href="#xd33e6946" title="Ga naar noot 2.">2</a>, dat Fransche en Duitsche geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis +van het Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit authentieke stukken +hebben toegelicht en haar als een der verhevenste en reinste personen der wereldgeschiedenis +hebben doen kennen<a class="noteRef" id="xd33e6955src" href="#xd33e6955" title="Ga naar noot 3.">3</a>. Toch <span class="pageNum" id="pb651">[<a href="#pb651">651</a>]</span>heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel verloochend; in het geheele +stuk is het haar liefde voor land en koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar +zij de helsche machten ter hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, +is het alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen. +</p> +<p>Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan het einde +van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke rol speelt, zij hier +opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste en ijverigste aanhangers was van +het huis Lancaster, en dat hij geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met +de hem verstrekte instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk +trof en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het oog van +het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst der bij het volk gehate +Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en Frankrijk meer en meer voor Engeland +verloren ging, werd hij met den onverzoenlijken haat van het volk beladen. +</p> +<p>Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die van groot +belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken en van K. Richard III, +moge het raadplegen der in dit deel voorkomende geslachtslijst van het koninklijk +huis aanbevolen worden. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1">I. 1.</a> <span class="ex">De graaf van Warwick.</span> Met den onder de optredende personen voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen +Richard Beauchamp, graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de +graaf van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard Nevil, +die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van Warwick, Anna Beauchamp, +zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; +misschien heeft hij beide personen voor één gehouden. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1.1">I. 1. 1.</a> <span class="ex">Behangt den hemel zwart.</span> De <i>hemel</i> was de kunstterm voor de zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart +bekleed was. Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis +door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1.65">I. 1. 65.</a> <span class="ex">Rheims door ons ontruimd.</span> De Folio leest <i>Roan</i>, dat steeds bij Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan <i>Rheimes</i> (tweelettergrepig) moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de +maat duidelijk. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1.117">I. 1. 117.</a> <span class="ex">Geen pieken om te planten voor de schutters.</span> Op deze wijze werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval +der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking <i lang="en">a pitched battle</i>. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1.131">I. 1. 131.</a> <span class="ex">Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.</span> Zoo luidt de naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder Falstaff +van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien, evenals aan het publiek, +de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn dan de ridder Fastolf. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.1.153">I. 1. 153.</a> <span class="ex">Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.</span> De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden zullen als vreugdevuren dienen zooals +in Engeland op den vooravond van Engelands beschermheilige werden aangestoken. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.1">I. 2. 1.</a> <span class="ex">Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog toe onbekend.</span> Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De sterrekundigen waren nog niet +bij machte geweest, den schijnbaren loop der planeet Mars aan den hemel behoorlijk +te verklaren. Maar juist omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den +grooten Kepler ontraadseld. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.29">I. 2. 29.</a> <span class="ex">Naar onze landgenoot Froissart beschrijft.</span> Sh. vond deze aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver (1337–1410), +in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de bekende helden van Karel +den Grooten. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.56">I. 2. 56.</a> <span class="ex">Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen.</span> Negen Sibyllen waren er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, +die aan Tarquinius te koop werden aan geboden. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.110">I. 2. 110.</a> <span class="ex">Eed’le Pucelle.</span> Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog niet genoemd. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.131">I. 2. 131.</a> <span class="ex">Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen.</span> Halcyonendagen waren bij de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op +een storm volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op Sint +Maarten, vergeleken. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.138">I. 2. 138.</a> <span class="ex">Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar droeg en zijn geluk.</span> Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, +want gij hebt Cæsar en zijn geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van +Plutarchus door North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem +aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk rijk is. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.2.140">I. 2. 140.</a> <span class="ex">Werd eens Mohammed door <span class="pageNum" id="pb652">[<a href="#pb652">652</a>]</span>een duif bezield.</span> Dit werd door Sh. zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin +wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit het oor te pikken, +zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt +kwam zoeken; waarna Mohammed den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif +de Heilige Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn, +van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen als heilige +vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den heiligen Philippus maagden +waren en profeteerden, staat in de Handelingen der Apostelen te lezen. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.3">I. 3.</a> <span class="ex">De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij.</span> De blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke macht, +terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan ook de Dienaars van +den bisschop van Winchester optreden. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.3.35">I. 3. 35.</a> <span class="ex">Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen.</span> De bisschop van Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, +die tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles geld te +slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord <i>Winchestergans</i>, reg. 53. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.3.39">I. 3. 39.</a> <span class="ex">Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain.</span> Volgens de overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus +ligt, verslagen hebben. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.3.46">I. 3. 46.</a> <span class="ex">Op de plaats geen acht geslagen.</span> In de city mocht geen wapen getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten +der koninklijke sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen, +zie reg. 84. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.4.1">I. 4. 1.</a> <span class="ex">Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt.</span> Het verhaal van dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.4.95">I. 4. 95.</a> <span class="ex">Plantagenet.</span> Talbot noemt Salisbury met den familienaam van het koninklijk geslacht, omdat hij +een afstammeling was van koning Edward III en de schoone gravin van Salisbury. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.5.6">I. 5. 6.</a> <span class="ex">Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af.</span> Als iemand aan een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.5.21">I. 5. 21.</a> <span class="ex">Als Hannibal.</span> Toespeling op Hannibals krijgslist, die den Romeinen ontkwam, door ossen met brandende +struiken aan de horens naar hen toe te drijven. +</p> +<p><a href="#kh6i.i.6.21">I. 6. 21.</a> <span class="ex">Een trotscher pyramide</span> enz. In Plutarchus vindt men vermeld, dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis +een pyramide stichtte, en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in +een met juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als oorlogsbuit +veroverd had. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.1.1">II. 1. 1.</a> <span class="ex">Hier, mannen</span>, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt door Holinshed van de inneming der +stad Mans verhaald. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.2.38">II. 2. 38.</a> <span class="ex">De deugdrijke gravinne van Auvergne</span> enz. Van dit voorval met de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding +gemaakt. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.4.3">II. 4. 3.</a> <span class="ex">Te luide spraken we in de Tempelzaal.</span> De lords hadden in de Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, +Lancaster en York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de kenteekenen +der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze gekozen zouden zijn, die hier +wordt aangegeven, vindt men nergens vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; +dit is te meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend onderstelt.—De +tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een geheiligde plaats, waar geen zwaard +getrokken mocht worden; hierop doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats +gesproken wordt. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.4.85">II. 4. 85.</a> <span class="ex">Wapenlooze boeren.</span> In ’t Engelsch: <i lang="en">crestless yeomen</i>, de vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht hebben +om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden den rang van <i lang="en">gentleman</i>. Het woord <i>wapenloos</i> is dus in een bijzonderen zin gebruikt. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.5.5">II. 5. 5.</a> <span class="ex">Die grijze lokken</span> enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij +stierf; hij was door Sh., op het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward +met zijn oom, den ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en +zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de aanteekening op Koning +Hendrik IV, in deel II. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.5.123">II. 5. 123.</a> <span class="ex">Door eerzucht van de laagste soort gedoofd.</span> Er staat eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder ras, +gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als van een jongeren +zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten waren. +</p> +<p><a href="#kh6i.ii.5.129">II. 5. 129.</a> <span class="ex">Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.</span> Als het parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht, dat +hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem geluk, d.i. de kroon, +zal verschaffen. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.1.42">III. 1. 42.</a> <span class="ex">Gij bastaard van mijn grootvader.</span> Hendrik Beaufort, bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina +Swijnford. +<span class="pageNum" id="pb653">[<a href="#pb653">653</a>]</span></p> +<p><a href="#kh6i.iii.1.51">III. 1. 51.</a> <span class="ex">Ruim dan ’t land voor Rome.</span> In het oorspronkelijke met een woordspeling: „<i lang="en">Roam thither then</i>.” +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.1.71">III. 1. 71.</a> <span class="ex">Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds.</span> Eigenlijk was Hendrik VI slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om +de twisten tusschen Gloster en Winchester te beslechten. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.1.138">III. 1. 138.</a> <span class="ex">Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap.</span> „Dit teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.2.10">III. 2. 10.</a> <span class="ex">Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren.</span> In ’t Engelsch: <i lang="en">Our sacks shall be a mean to sack the city</i>. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.2.44">III. 2. 44.</a> <span class="ex">Het was vol dolik.</span> Dolik, het bedwelmend Raygras, <i lang="la">Lolium temulentum</i>, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten er van bedwelmen en met +name het gezichtsvermogen verzwakken; in lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene +onderzoekers naar aanleiding hunner proeven bevestigd. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.2.94">III. 2. 94.</a> <span class="ex">De stoute Pendragoon.</span> De oud-Engelsche sage verhaalt dit zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, +als van zijn broeder Aurelius. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.3.41">III. 3. 41.</a> <span class="ex">Dapper Bourgondië.</span> De maagd van Orleans heeft niet mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, +schoon te vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij dezelfde +beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond legt. In Holinshed wordt +dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh. bekend was, weten wij niet. +</p> +<p><a href="#kh6i.iii.4.39">III. 4. 39.</a> <span class="ex">Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is.</span> Deze bepaling gold voor de verblijfplaats des konings. +</p> +<p><a href="#kh6i.iv.1.19">IV. 1. 19.</a> <span class="ex">Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay.</span> Volgens Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn orde +hebben afgenomen. +</p> +<p><a href="#kh6i.iv.1.153">IV. 1. 153.</a> <span class="ex">Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag</span>, enz. De koning wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit +evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik een kroon draag +evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid voor dezen vijand van Engeland +bewijst. +</p> +<p><a href="#kh6i.iv.6.54">IV. 6. 54.</a> <span class="ex">Zoo volg dan uw Cretenser vader nu.</span> Talbot vergelijkt zich met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog +vliegende onderneming in het verderf stortte. +</p> +<p><a href="#kh6i.iv.7.61">IV. 7. 61.</a> <span class="ex">De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury.</span> De lijst der titels en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te +Rouaan, maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek te vinden. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.1.28">V. 1. 28.</a> <span class="ex">Wat! is mylord van Winchester verhoogd<span class="corr" id="xd33e7308" title="Niet in bron">.</span> En met den kardinaalsrang nu bekleed?</span> De dichter heeft er niet opgelet, dat hij reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) +den prelaat, met een anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.3.5">V. 3. 5.</a> <span class="ex">Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote koning over heerscht.</span> De geesten woonden, volgens <i>Reginald Scot’s</i> <i lang="en">Discoverie of Witchcraft</i>,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in het noorden, oosten, zuiden en westen, +onder vier koningen. De booze geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; +de geestenkoning van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen +Goap. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.3.48">V. 3. 48.</a> <span class="ex">Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers.</span> Suffolk kust zijn eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.3.52">V. 3. 52.</a> <span class="ex">Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.</span>—Deze door Delius voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan +het gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de interpunctie der +folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van Napels’ koning, wie gij ook +wezen moogt.” +</p> +<p><a href="#kh6i.v.5.83">V. 5. 83.</a> <span class="ex">Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet.</span> In het Engelsch noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw <i lang="en">a cooling card</i>; men kan hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, <i>Carduus</i> (of <i>Cnicus</i>) <i>benedictus</i>, die als afkoelend middel bij koortshitte werd aangewend, en schertsenderwijs ook +wel eens in geschriften van dien tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt +aangehaald.—Toen Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging +afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge literarische afkomst, +een kleindochter van Engelands grooten dichter Chaucer. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.3.116">V. 3. 116.</a> <span class="ex">Als Englands machtig koning vrijheid heeft.</span> Als hij vrij is in zijn keuze. +</p> +<p><a href="#kh6i.v.4.74">V. 4. 74.</a> <span class="ex">Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!</span> Macchiavelli (1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun +een voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood van Malta +spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van zichzelf. +<span class="pageNum" id="pb654">[<a href="#pb654">654</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<div class="footnote-body"> +<div class="fndiv" id="xd33e6897"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6897src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat omtrent de wijze, +waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn gekomen, en omtrent de echtheid +en onechtheid van verschillende gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. +Wie hierin verder wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes +(1896) pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar aangehaalde +werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal het een moeilijk werk vinden, +tot een zekere uitkomst te geraken<span class="corr" id="xd33e6899" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd33e6897src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> +</div> +<div class="fndiv" id="xd33e6946"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6946src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">2</a></span> Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door <span class="sc">del’ Averdy</span> gegeven en vervat in het derde deel der <i lang="fr">Notices et extraits des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790</i>. Dit werk bevindt zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar. <a class="fnarrow" href="#xd33e6946src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> +</div> +<div class="fndiv" id="xd33e6955"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">3</a></span> Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in <span class="sc">Karel Hase</span>, <i lang="de">Neue Propheten</i>. Leipzig 1851 en <span class="pageNum" id="pb651n">[<a href="#pb651n">651</a>]</span>(2de druk) 1861; sedert is het aantal geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk +vermeerderd, met name in Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. +Fr. Eysell. <a class="fnarrow" href="#xd33e6955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii" class="div0 play"> +<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2> +<h2 class="sub">TWEEDE DEEL.</h2> +<ul class="castlist"> +<li class="casthead"> +<h4>PERSONEN:</h4> +</li> +<li class="castitem">Koning <span class="sc">Hendrik de Zesde.</span></li> +<li class="castitem"><span class="sc">Humfried</span>, Hertog van <span class="sc">Gloster</span>, zijn oom.</li> +<li class="castitem">Kardinaal <span class="sc">Beaufort</span>, Bisschop van <span class="sc">Winchester</span>, oudoom des Konings.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Richard Plantagenet</span>, Hertog van <span class="sc">York</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Edward</span> en <span class="sc">Richard</span>, zijn zonen.</li> +<li class="castitem">De Hertogen van <span class="sc">Somerset</span>, van <span class="sc">Suffolk</span>, van <span class="sc">Buckingham</span>, Lord <span class="sc">Clifford</span> en de jonge <span class="sc">Clifford</span>, zijn zoon, aanhangers des Konings.</li> +<li class="castitem">De Graven van <span class="sc">Salisbury</span> en van <span class="sc">Warwick</span>, aanhangers van <span class="sc">York</span>.</li> +<li class="castitem">Lord <span class="sc">Scales</span>, Commandant van den Tower.</li> +<li class="castitem">Lord <span class="sc">Say</span>, Sir <span class="sc">Humfried Stafford</span> en zijn broeder <span class="sc">William</span>.</li> +<li class="castitem">Sir <span class="sc">John Stanley</span>.—<span class="sc">Vaux.</span></li> +<li class="castitem"><span class="sc">Walter Whitmore</span>, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, Zeeroovers.</li> +<li class="castitem">Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">John Hume</span> en <span class="sc">John Southwell</span>, Priesters.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Bolingbroke</span>, een Geestenbezweerder<span class="corr" id="xd33e7477" title="Bron: ,">.</span></li> +<li class="castitem">Een <span class="sc">Geest</span>, door Bolingbroke bezworen.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Thomas Horner</span>, een Wapensmid, en <span class="sc">Peter</span>, zijn Knecht.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Emanuël</span>, de klerk van Chatham.</li> +<li class="castitem">De <span class="sc">Schout</span> van Sint Albaan.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Simpcox</span>, een Bedrieger.</li> +<li class="castitem">Twee <span class="sc">Moordenaars</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Jack Cade.</span></li> +<li class="castitem"><span class="sc">George Bevis</span>, <span class="sc">John Holland</span>, <span class="sc">Dick</span> de Slager, <span class="sc">Smith</span> de Wever en <span class="sc">Michaël</span>, aanhangers van Cade.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Alexander Iden</span>, een Edelman uit Kent.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem"><span class="sc">Margaretha</span>, Koning Hendriks Gemalin.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Eleonore</span>, Hertogin van Gloster.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Gretha Jordaan</span>, een Heks.</li> +<li class="castitem">De Vrouw van Simpcox.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem">Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. Aldermannen. Een Sheriff +en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.</li> +</ul> +<p class="first">Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland. </p> +<div id="kh6ii.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6ii.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een staatsiezaal in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>de Hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Salisbury</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>; <i>van de andere: Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>binnengeleid door</i> <span class="sc">Suffolk</span>, <i>gevolgd door</i> <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Buckingham</span> <i>en Anderen.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Gelijk mij van uw hooge majesteit</p> +<p class="line">De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,</p> +<p class="line">Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid</p> +<p class="line">Te huwen met prinsesse Margaretha,</p> +<p class="line">Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn</p> +<p class="line">Der koningen van Frankrijk en Sicilië,</p> +<p class="line">Der hertogen van Orleans, Calabrië,</p> +<p class="line">Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re</p> +<p class="line">Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,</p> +<p class="line">Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;</p> +<p class="line">En leg nu onderdanig, op mijn knie,</p> +<p class="line">Ten overstaan van England en zijn pairs,</p> +<p class="line">Mijn recht op de eed’le koningin in handen</p> +<p class="line">Van uw genade, die het wezen zijt</p> +<p class="line">Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:</p> +<p class="line">De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,</p> +<p class="line">De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!</p> +<p class="line">Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,</p> +<p class="line">Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,<span class="pageNum" id="pb655">[<a href="#pb655">655</a>]</span></p> +<p class="line">Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;</p> +<p class="line">Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,</p> +<p class="line">Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,</p> +<p class="line">Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Genadig koning, mijn verheven gade!</p> +<p class="line">Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,</p> +<p class="line">Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,</p> +<p class="line">In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,</p> +<p class="line">Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,</p> +<p class="line">Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten</p> +<p class="line">Met minder schoone taal, zooals mìjn geest</p> +<p class="line">Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,</p> +<p class="line">Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos</p> +<p class="line">Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;</p> +<p class="line">Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—</p> +<p class="line">Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>knielend</i>).</span> Lang leve Margaretha, Englands vreugd!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">U allen onzen dank!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Mylord protector, zoo het u behaagt,</p> +<p class="line">Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,</p> +<p class="line">Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!</p> +<p class="line">Voor achttien maanden hebben aangegaan. <span class="lineNum">42</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van Frankrijk, Karel en William de la Pole, +markgraaf van Suffolk, afgezant van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde +Hendrik huwen zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van Napels, +Sicilië en <span class="corr" id="xd33e7689" title="Bron: Jerusalem">Jeruzalem</span>, en haar tot koningin van Engeland zal kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten +anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en +overgegeven aan den koning haren vader,”—</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij laat het papier vallen</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat is er, oom?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Wat is er, oom? </span>Vergeef mij, hooge vorst,</p> +<p class="line">Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;</p> +<p class="line">Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal</p> +<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden +en overgegeven aan den koning haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen +kosten van den koning van Engeland en zonder eenigen <span class="corr" id="xd33e7716" title="Bron: bruidschat">bruidsschat</span> aan te brengen.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:</p> +<p class="line">Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,</p> +<p class="line">En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,</p> +<p class="line">We ontheffen uw genade van ’t regentschap</p> +<p class="line">Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden</p> +<p class="line">Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,</p> +<p class="line">York, Gloster, Buckingham en Somerset,</p> +<p class="line">En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,</p> +<p class="line">Wij danken u voor uwen heuschen groet</p> +<p class="line">Bij de aankomst van mijn waarde koningin.</p> +<p class="line">Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,</p> +<p class="line">Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Koning</span>, <i>de</i> <span class="sc">Koningin</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,</p> +<p class="line">Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—</p> +<p class="line">Uw leed, het algemeene leed des lands!</p> +<p class="line">Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,</p> +<p class="line">Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;</p> +<p class="line">Had hij zoo vaak het open veld ter woon</p> +<p class="line">In winterkoude en dorre zomerhitte,</p> +<p class="line">Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;</p> +<p class="line">En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd</p> +<p class="line">Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;</p> +<p class="line">Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,</p> +<p class="line">Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,</p> +<p class="line">In Normandië en Frankrijk diepe wonden;</p> +<p class="line">En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,</p> +<p class="line">Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,</p> +<p class="line">Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,</p> +<p class="line">Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,</p> +<p class="line">Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;</p> +<p class="line">En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,</p> +<p class="line">In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;</p> +<p class="line">En moet die arbeid en die roem vergaan? <span class="lineNum">95</span></p> +<p class="line">Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,</p> +<p class="line">Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?</p> +<p class="line">O, pairs van England, smaadvol is die zoen,</p> +<p class="line">Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!</p> +<p class="line">Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt</p> +<p class="line">De letters weg van uwen lof, verminkt</p> +<p class="line">Elk monument van Frankrijks onderwerping,</p> +<p class="line">Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,</p> +<p class="line">Die rede met zoo breede omslachtigheid?</p> +<p class="line">Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,</p> +<p class="line">Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—</p> +<p class="line">Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—</p> +<p class="line">De leenen Maine en Anjou weggeschonken</p> +<p class="line">Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel</p> +<p class="line">Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Nu, bij den dood van die voor allen stierf,</p> +<p class="line">Die landen zijn de poort van Normandië.—</p> +<p class="line">Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;<span class="pageNum" id="pb656">[<a href="#pb656">656</a>]</span></p> +<p class="line">Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,</p> +<p class="line">Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.</p> +<p class="line">Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;</p> +<p class="line">Met dezen mijnen arm nam ik die in;</p> +<p class="line">En steden, die ik voor ons won met wonden,</p> +<p class="line">Die geeft men nu terug met vredeswoorden?</p> +<p class="line"><span lang="fr">Mort Dieu!</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p id="kh6ii.i.1.124" class="line">Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,</p> +<p class="line">Die de eere van dit heldeneiland schendt!</p> +<p class="line">Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,</p> +<p class="line">Dan ik in dezen zoen getreden waar’!</p> +<p class="line">Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten</p> +<p class="line">Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;</p> +<p class="line">En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,</p> +<p class="line">En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p id="kh6ii.i.1.132" class="line">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk</p> +<p class="line">Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen</p> +<p class="line">Voor ’t halen en de kosten van den tocht!</p> +<p class="line">Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,</p> +<p class="line">Aleer—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.</p> +<p class="line">Het was de wil van onzen heer en vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mylord van Winchester, ik ken u wel;</p> +<p class="line">Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,</p> +<p class="line">’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. <span class="lineNum">141</span></p> +<p class="line">Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,</p> +<p class="line">’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,</p> +<p class="line">Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.</p> +<p class="line">Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,</p> +<p class="line">Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Daar gaat, van woede blakend, de protector.</p> +<p class="line">’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,</p> +<p class="line">Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,</p> +<p class="line">En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.</p> +<p class="line">Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte</p> +<p class="line">Het naaste recht bezit op Englands kroon;</p> +<p class="line">Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,</p> +<p class="line">En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,</p> +<p class="line">Voor Gloster bleef er reden om te morren.</p> +<p class="line">Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal</p> +<p class="line">Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!</p> +<p class="line">Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,</p> +<p class="line">En hem den goeden hertog Humfried noemt,</p> +<p class="line">En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:</p> +<p class="line">„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”</p> +<p class="line">En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”</p> +<p class="line">Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn</p> +<p class="line">Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Waartoe behoeft de koning een protector,</p> +<p class="line">Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—</p> +<p class="line">Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,</p> +<p class="line">En allen samen, met den hertog Suffolk;</p> +<p class="line">Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Die wichtige onderneming duldt geen dralen;</p> +<p class="line">Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Kardinaal af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons</p> +<p class="line">De trots en hooge rang van Humfried kwets’,</p> +<p class="line">Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.</p> +<p class="line">Zijn overmoed is minder nog te dragen,</p> +<p class="line">Dan die van al de prinsen van het rijk;</p> +<p class="line">Als Gloster valt, zal hij protector worden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,</p> +<p class="line">Trots hertog Humfried en den kardinaal.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.</p> +<p class="line">Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,</p> +<p class="line">Betaamt het òns voor Englands heil te waken.</p> +<p class="line">Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders</p> +<p class="line">Dan als een waardig edelman gedroeg. <span class="lineNum">184</span></p> +<p class="line">Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,</p> +<p class="line">Meer op soldatenwijs dan als een priester,</p> +<p class="line">Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,</p> +<p class="line">Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,</p> +<p class="line">Een heerscher over land en volk onwaardig.—</p> +<p class="line">Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,</p> +<p class="line">Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,</p> +<p class="line">Verwierf u groote gunst bij al het volk,</p> +<p class="line">’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,</p> +<p id="kh6ii.i.1.194" class="line">En uwe daden, broeder York, in Ierland,</p> +<p class="line">Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,</p> +<p class="line">Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,</p> +<p class="line">Toen gij regent voor onzen koning waart,</p> +<p class="line">Verwierven u des volks ontzag en liefde.—</p> +<p class="line">Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,</p> +<p class="line">En breid’len en verstikken wij den trots</p> +<p class="line">Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,</p> +<p class="line">Die Somerset en Buckingham bezielt;</p> +<p class="line">En laat ons Gloster steunen in zijn doen,</p> +<p class="line">Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk</p> +<p class="line">Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York</p> +<p id="kh6ii.i.1.207" class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Warwick</span>).</span> Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t mijne!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Het mijne? Maine, vader, is verloren;</p> +<p class="line">Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat</p> +<p class="line">Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde!<span class="pageNum" id="pb657">[<a href="#pb657">657</a>]</span></p> +<p class="line">Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,</p> +<p class="line">Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;</p> +<p class="line">Parijs ging over; Normandiës behoud</p> +<p class="line">Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.</p> +<p class="line">Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs</p> +<p class="line">Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne</p> +<p class="line">Twee hertogdommen voor een hertogskind.</p> +<p class="line">Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?</p> +<p class="line">Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.</p> +<p class="line">Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,</p> +<p class="line">Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,</p> +<p class="line">Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;</p> +<p class="line">Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren</p> +<p class="line">Er luid om weent, en bang de handen wringt,</p> +<p class="line">’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,</p> +<p class="line">Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,</p> +<p class="line">Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;</p> +<p class="line">Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,</p> +<p class="line">Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.</p> +<p class="line">Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,</p> +<p class="line">Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,</p> +<p id="kh6ii.i.1.234" class="line">Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout</p> +<p class="line">Voor ’t harte van den prins van Calydon.</p> +<p class="line">Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! <span class="lineNum">236</span></p> +<p class="line">Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,</p> +<p class="line">Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.</p> +<p class="line">Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;</p> +<p id="kh6ii.i.1.240" class="line">Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,</p> +<p class="line">En geef den trotschen Humfried goede woorden,</p> +<p class="line">En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;</p> +<p class="line">Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.</p> +<p class="line">Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,</p> +<p class="line">Of in de kindervuist den scepter klemmen,</p> +<p class="line">Of met den diadeem zijn hoofd versieren,</p> +<p class="line">Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.</p> +<p class="line">Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;</p> +<p class="line">Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,</p> +<p class="line">En sla des staats geheimen immer gâ,</p> +<p class="line">Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend</p> +<p class="line">Met Englands duurgekochte koningin,</p> +<p class="line">En Humfried met de pairs in strijd geraken;</p> +<p class="line">Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,</p> +<p class="line">Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,</p> +<p class="line">En laat York’s wapen stralen op mijn standaard</p> +<p class="line">Ter worstling met het huis van Lancaster;</p> +<p class="line">En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,</p> +<p class="line">Die England van zijn luister heeft beroofd!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in het huis van den hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span> <i>en de Hertogin komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren</p> +<p class="line">Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?</p> +<p class="line">Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,</p> +<p class="line">Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?</p> +<p class="line">Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond</p> +<p class="line">En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?</p> +<p class="line">Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,</p> +<p class="line">Omzet met alle heerlijkheid der wereld?</p> +<p class="line">Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,</p> +<p class="line">Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.</p> +<p class="line">Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—</p> +<p class="line">Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;</p> +<p class="line">En hebben wij te zaam hem opgeraapt,</p> +<p class="line">Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,</p> +<p class="line">En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,</p> +<p class="line">Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,</p> +<p class="line">Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!</p> +<p class="line">Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,</p> +<p class="line">Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,</p> +<p class="line">Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—</p> +<p class="line">Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het</p> +<p class="line">Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor <span class="lineNum">25</span></p> +<p class="line">Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,</p> +<p class="line">Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;</p> +<p class="line">En op de stukken werden toen de hoofden</p> +<p class="line">Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,</p> +<p class="line">En William de la Pole, nu hertog Suffolk,</p> +<p class="line">Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wel, dit is anders niets dan een bewijs,</p> +<p class="line">Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,</p> +<p class="line">Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.</p> +<p class="line">Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;</p> +<p class="line">’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—</p> +<p class="line">En in den trotschen zetel, die ter kroning</p> +<p class="line">Van koningen en koninginnen dient;</p> +<p class="line">En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,</p> +<p class="line">En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;</p> +<p id="kh6ii.i.2.42" class="line">Hoovaardig wezen! booze Eleonora!</p> +<p class="line">Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,</p> +<p class="line">En des protectors welbeminde gade?</p> +<p class="line">Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,</p> +<p class="line">Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?</p> +<p class="line">En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,</p> +<p class="line">Om uwen man, uzelf ook, van den top</p> +<p class="line">Der eer te stooten aan den voet der schande?</p> +<p class="line">Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,</p> +<p class="line">En dat, omdat zij u haar droom vertelt?</p> +<p class="line">’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,</p> +<p class="line">En zal gekijf vermijden.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb658">[<a href="#pb658">658</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,</p> +<p class="line">Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,</p> +<p class="line">Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en de</i> <span class="sc">Bode</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;</p> +<p class="line">Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.</p> +<p class="line">Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,</p> +<p class="line">Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,</p> +<p class="line">En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;</p> +<p class="line">En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol</p> +<p class="line">Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—</p> +<p id="kh6ii.i.2.68" class="line">Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;</p> +<p class="line">Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">John Hume</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p class="line">Behoede Jezus uwe majesteit!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p class="line">Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen</p> +<p class="line">Voorzeker uw genade in macht en eer. <span class="lineNum">73</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken</p> +<p class="line">Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,</p> +<p class="line">En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?</p> +<p class="line">Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p class="line">Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid</p> +<p class="line">Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,</p> +<p class="line">Die op de vragen, die uw hoogheid hem</p> +<p class="line">Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.</p> +<p class="line">Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,</p> +<p class="line">Zij alles naar behooren uitgevoerd.</p> +<p class="line">Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed</p> +<p class="line">Met uwe helpers in dit groote werk.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p class="line">Te goed doen met het goud der hertogin?</p> +<p class="line">Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?</p> +<p class="line">Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.… mum!</p> +<p class="line">De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.</p> +<p class="line">Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,</p> +<p class="line">Dat ik de heks nog heden bij haar breng;</p> +<p class="line">Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.</p> +<p class="line">Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—</p> +<p class="line">Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,</p> +<p class="line">En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;</p> +<p class="line">Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,</p> +<p class="line">Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,</p> +<p class="line">Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,</p> +<p class="line">En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.</p> +<p class="line">Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;</p> +<p class="line">Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.</p> +<p class="line">Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,</p> +<p class="line">Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.</p> +<p class="line">Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind</p> +<p class="line">Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,</p> +<p class="line">En hare schuld doet hertog Humfried vallen.</p> +<p class="line">Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Hume</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Peter</span> <i>komt op en Anderen, met smeekgeschriften</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p> +<p>Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt hier zoo dadelijk langs; en dan +bieden wij hem onze smeekschriften <span id="kh6ii.i.3.4">allen gezamenlijk</span> aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p> +<p>Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; de Heere Jezus zegene hem!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p> +<p>Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. Ik wil de eerste zijn, ja!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p> +<p>Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en niet de lord protector.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p>Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p> +<p>Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u <span id="kh6ii.i.3.15">voor den lord protector</span>.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p>Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften aan zijn lordschap gericht? Laat ze +mij zien.—Waarover loopt het uwe? <span class="lineNum">17</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p> +<p>Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John Goodman, den lord kardinaal zijn +dienaar, omdat hij mij mijn huis en landerijen en vrouw en alles onthoudt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p>Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? <span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span>—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor zich afpalen van de gemeenteweiden +van Melford.”—Wat moet dat, gij schurk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p> +<p>Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor onze geheele buurtschap.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter</p> +<p><span class="stage">(<i>zijn smeekschrift overreikend</i>).</span> <span id="kh6ii.i.3.29">Tegen mijn meester, Thomas Horner</span>, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van de kroon is.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb659">[<a href="#pb659">659</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p>Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de wettige erfgenaam der kroon was?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester zeide, dat hij het was; +en dat de koning een onrechtmatig bezitter was<span class="corr" id="xd33e8370" title="Niet in bron">.</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p>Is daar iemand?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Dienaar komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="first">Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om zijn meester.—Wij +willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van den koning.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Dienaar met</i> <span class="sc">Peter</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat u betreft, gij, die protectie wacht</p> +<p class="line">Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift</p> +<p class="line">Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij verscheurt de smeekschriften.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De Smeekelingen.</p> +<p class="line">Komt, laat ons heengaan!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Smeekelingen af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,</p> +<p class="line">Is dit de wijs van doen aan Englands hof?</p> +<p class="line">Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,</p> +<p class="line">Is dit de macht van Albions beheerschers?</p> +<p class="line">Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,</p> +<p class="line">Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?</p> +<p class="line">Moet ik in rang en titel koningin,</p> +<p class="line">Maar onderdane van een hertog zijn? <span class="lineNum">52</span></p> +<p class="line">Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours</p> +<p class="line">Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,</p> +<p class="line">En onzer Fransche vrouwen harten staalt,</p> +<p class="line">Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,</p> +<p class="line">In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,</p> +<p class="line">Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt</p> +<p class="line">Ave Maria’s met zijn rozenkrans,</p> +<p class="line">Apostels en profeten zijn zijn ridders,</p> +<p class="line">En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,</p> +<p class="line">Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden</p> +<p class="line">De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.</p> +<p class="line">Ik wenschte, dat de raad van kardinalen</p> +<p class="line">Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,</p> +<p class="line">Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;</p> +<p class="line">Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,</p> +<p class="line">Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook</p> +<p class="line">In England u geheel tevredenstellen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Behalve Gloster is hier nog die priester,</p> +<p class="line">Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,</p> +<p class="line">En Buckingham, en de altijd wreev’le York;</p> +<p class="line">En wie de minste van die allen is,</p> +<p class="line">Vermag in England meer dan zelfs de koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">En wie van dezen nog het meest vermag,</p> +<p class="line">Vermag in England minder dan de Nevils;</p> +<p class="line">Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,</p> +<p class="line">Als des protectors vrouw, die trotsche prij;</p> +<p class="line">Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,</p> +<p class="line">Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.</p> +<p class="line">Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;</p> +<p class="line">Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf</p> +<p class="line">En op onze armoe schimpt zij in haar hart.</p> +<p class="line">Zou ik het niet beleven mij te wreken?</p> +<p class="line">Die trotsche, laaggeboren helleveeg!</p> +<p class="line">Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?</p> +<p class="line">De sleep der minste van haar rokken was</p> +<p class="line">Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk</p> +<p class="line">Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,</p> +<p class="line">En daar een koor lokvogels bij geplaatst,</p> +<p class="line">Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten</p> +<p class="line">En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:</p> +<p class="line">Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;</p> +<p class="line">Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. <span class="lineNum">96</span></p> +<p class="line">Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten</p> +<p class="line">Bij hem ons scharen en bij de andere lords,</p> +<p class="line">Totdat wij hertog Humfried vallen deden.</p> +<p class="line">Wat hertog York betreft, die laatste klacht</p> +<p class="line">Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.</p> +<p class="line">Zoo wieden wij hen allen, een voor een,</p> +<p class="line">En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>in gesprek; verder de Hertog en de Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Buckingham</span>, <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;</p> +<p class="line">’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,</p> +<p class="line">Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,</p> +<p class="line">Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Of uw genade ’t waardig is of niet,</p> +<p class="line">Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb660">[<a href="#pb660">660</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,</p> +<p class="line">Waarom in deze Somerset zou voorgaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,</p> +<p class="line">Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft</p> +<p class="line">Gij dan protector van zijn majesteit?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Vorstin, ik ben protector van het rijk,</p> +<p class="line">En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.</p> +<p class="line">Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—</p> +<p class="line">Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;</p> +<p class="line">Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;</p> +<p class="line">En alle pairs en eed’len van het rijk</p> +<p class="line">Zijn slaven onder uw bewind geweest.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid</p> +<p class="line">Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. <span class="lineNum">132</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Op schatten komen uwe prachtgebouwen</p> +<p class="line">En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">De wet werd overtreden door de wreedheid,</p> +<p class="line">Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;</p> +<p class="line">Dit levert wis u aan haar strengheid over.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ware uw verkoop van ambten en van steden</p> +<p class="line">In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,</p> +<p class="line">Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>gaat plotseling heen.—De</i> <span class="sc">Koningin</span> <i>laat haar waaier vallen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p id="kh6ii.i.3.141" class="line">Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij geeft aan de</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>een oorveeg</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;</p> +<p class="line">Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,</p> +<p class="line">Ik grifte er u mijn tien geboden in.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,</p> +<p class="line">Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;</p> +<p class="line">Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,</p> +<p class="line">Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,</p> +<p class="line">En sla ook Humfried gade, wat hij doet;</p> +<p class="line">Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor</p> +<p class="line">Om dol van woede in haar verderf te rennen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>komt weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,</p> +<p class="line">Door hier het binnenhof eens rond te gaan,</p> +<p class="line">Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.</p> +<p class="line">Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,</p> +<p class="line">Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;</p> +<p class="line">Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,</p> +<p class="line">Als ik getrouw mijn land en koning min.</p> +<p class="line">Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—</p> +<p class="line">Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt</p> +<p class="line">Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,</p> +<p class="line">Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,</p> +<p class="line">Hoe York het minst van allen er voor deugt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;</p> +<p class="line">Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;</p> +<p class="line">En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,</p> +<p id="kh6ii.i.3.171" class="line">Mylord van Somerset mij hier zou houden,</p> +<p class="line">Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,</p> +<p class="line">Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;</p> +<p class="line">Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs</p> +<p class="line">Berend werd, uitgehongerd en verloren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad</p> +<p class="line">Heeft geen verrader ooit alhier begaan. <span class="lineNum">177</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Zwijg, driftkop Warwick!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk’s</span> <i>dienaars komen met</i> <span class="sc">Horner</span> <i>en</i> <span class="sc">Peter</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;</p> +<p class="line">God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Beschuldigt iemand York hier van verraad?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Met uwer majesteits verlof, die man</p> +<p class="line">Legt aan zijn meester hoogverraad te last.</p> +<p class="line">Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,</p> +<p class="line">Naar recht de kroon van England dragen moest,</p> +<p class="line">En dat uw heerschappij onwettig is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Spreek, hebt gij dit gezegd, man?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p>Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of zelfs gedacht. God is +mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van dien schurk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter</p> +<p><span class="stage">(<i>de vingers omhoogstekend</i>).</span> Bij deze tien knoken, edele heeren, hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij +op zijn vliering waren, onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd</p> +<p class="line">Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—<span class="pageNum" id="pb661">[<a href="#pb661">661</a>]</span></p> +<p class="line">Ik smeek uw koninklijke majesteit,</p> +<p class="line">Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p>Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit gesproken heb. Mijn +beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een paar dagen tuchtigde voor zijn +vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede +getuigen hiervoor bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man +niet in het verderf op de aanklacht van een booswicht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:</p> +<p class="line">Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,</p> +<p class="line">Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;</p> +<p class="line">En dezen zij een dag en plaats bepaald,</p> +<p class="line">Dat zij zich meten in een tweegevecht,</p> +<p class="line">Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.</p> +<p class="line">Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Recht need’rig dank ik uwe majesteit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p class="line">En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. <span class="lineNum">216</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb medelijden met mij! de boosaardigheid +van de menschen is mij te sterk! O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om +een enkelen slag te vechten. O, lieve God, mijn hart!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Voert hen gevangen weg; de laatste dag</p> +<p class="line">Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—</p> +<p class="line">Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.i.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De tuin van den Hertog van Gloster.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Margriet Jordaan</span>, <span class="sc">Hume</span>, <span class="sc">Southwell</span> <i>en</i> <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p>Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van uw beloften.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p>Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade onze bezweringen zien en hooren?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hume.</p> +<p>Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p>Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van een onwrikbaren geest. Maar +het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier +beneden werkzaam zijn. Ga gij daarom in Gods naam en laat ons alleen. <span class="stage">(<span class="sc">Hume</span> <i>af</i>.)</span>—Moeder Jordaan, leg gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet +lezen.—En nu, aan den gang.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>verschijnt op het balkon</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Goed, mannen! weest allen welkom!</p> +<p class="line">Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p class="line">Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.</p> +<p class="line">De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,</p> +<p class="line">De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,</p> +<p class="line">Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,</p> +<p class="line">En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,</p> +<p class="line">Die tijd past voor ons voorgenomen werk.</p> +<p class="line">Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,</p> +<p class="line">Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den tooverkring</i>; <span class="sc">Bolingbroke</span>, <i>of</i> <span class="sc">Southwell</span>, <i>leest</i>: Conjuro te, <i>enz. Het dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Geest.</p> +<p class="line"><span class="ex">Adsum.</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Margriet Jordaan.</p> +<p class="line">Asmath!</p> +<p class="line">Bij de’ <span class="corr" id="xd33e8911" title="Bron: eeuwgen">eeuw’gen</span> God, wiens groote naam en macht</p> +<p class="line">U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;</p> +<p class="line">Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Geest.</p> +<p class="line">Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! <span class="lineNum">31</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>de vragen oplezend</i>).</span> „Eerst van den koning. Welk een lot wacht hem?”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Geest.</p> +<p id="kh6ii.i.4.33" class="line">Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;</p> +<p class="line">Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Terwijl de Geest spreekt, schrijft</i> <span class="sc">Southwell</span> <i>het antwoord op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p class="line">„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Geest.</p> +<p class="line">Door water komt hij om en vindt zijn einde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p class="line">„Wat zal den hertog Somerset weervaren?”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Geest.</p> +<p class="line">Kasteelen moog’ hij mijden;</p> +<p class="line">Veel veil’ger is hij op een zandig strand,</p> +<p class="line">Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.</p> +<p class="line">Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bolingbroke.</p> +<p class="line">Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.</p> +<p class="line">Weg, booze geest!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.</i>)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Buckingham</span>, <span class="sc">William Stafford</span> <i>en Anderen komen haastig op, met Wachten</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—</p> +<p class="line">Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—</p> +<p class="line">Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze</p> +<p class="line">Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;</p> +<p class="line">De lord protector brengt u zonder twijfel</p> +<p class="line">Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.</p> +<p class="line">Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb662">[<a href="#pb662">662</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ziet de papieren in</i>).</span> Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij dit?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij houdt haar een papier voor.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p id="kh6ii.i.4.53" class="line">Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden</p> +<p class="line">Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;</p> +<p class="line">Stafford, voer gij haar met u.—</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin boven af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;</p> +<p class="line">Weg met hen allen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Wacht met</i> <span class="sc">Southwell</span>, <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>enz. af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;</p> +<p class="line">Een prachtig plan om verder op te bouwen!</p> +<p class="line">Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.</p> +<p class="line">Wat staat hier?</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span> „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;</p> +<p class="line">Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”</p> +<p class="line">Nu, ’t is volkomen:</p> +<p class="line"><i lang="la">Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.</i></p> +<p class="line">Goed; verder;</p> +<p class="line">„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—</p> +<p class="line">Door water komt hij om en vindt zijn einde.—</p> +<p class="line">Wat zal den hertog Somerset weervaren?</p> +<p class="line">Kasteelen moog hij mijden;</p> +<p class="line">Veel veil’ger is hij op een zandig strand,</p> +<p class="line">Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”</p> +<p class="line">Wat zegt gij, lords?</p> +<p class="line">Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,</p> +<p class="line">En zwaar ook te verstaan.</p> +<p class="line">De koning is op weg naar Sint-Albaans,</p> +<p class="line">De man van deze teed’re vrouw is bij hem;</p> +<p class="line">Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,</p> +<p class="line">Den lord protector wel een boos ontbijt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Dat ik de bode zij, mylord van York;</p> +<p class="line">Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Dienaar komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond</p> +<p class="line">De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6ii.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Sint-Albaans.</span></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <i>de</i> <span class="sc">Kardinaal</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Maria.</p> +<p class="line">Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,</p> +<p class="line">Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;</p> +<p class="line">En toch, de wind was sterk; tien tegen een,</p> +<p id="kh6ii.ii.1.4" class="line">Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar boven,</p> +<p class="line">En steeg ver boven al die andren op!</p> +<p class="line">Hoe toont zich God in al zijn creaturen!</p> +<p class="line">Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,</p> +<p class="line">Dat des protectors valken zoo goed stijgen;</p> +<p class="line">Zij weten, dat hun heer liefst boven is,</p> +<p class="line">En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mylord, het is een lage, logge geest,</p> +<p class="line">Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,</p> +<p class="line">Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Uw hemel is op aard; uw oog en zin <span class="lineNum">19</span></p> +<p class="line">Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;</p> +<p class="line">Gevaarlijke protector, booze pair,</p> +<p class="line">Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?</p> +<p id="kh6ii.ii.1.24" class="line"><i lang="la">Tantæne animis <span class="corr" id="xd33e9176" title="Bron: coelestibus">cælestibus</span> iræ?</i></p> +<p class="line">Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:</p> +<p class="line">Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is</p> +<p class="line">Bij zulk een goede zaak en slechten pair.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Als wie, mylord?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Als wie, mylord? </span>Voorwaar als gij, mylord,</p> +<p class="line">Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Veel meer uw eerzucht, Gloster.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Lieve vrouw,</p> +<p class="line">Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;</p> +<p class="line">Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Gezegend zij dan ik, die met het zwaard</p> +<p class="line">Den vrede aan den protector brengen wil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot den Kardinaal</i>).</span> Nu, heilige oom, mocht het eens daartoe komen!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb663">[<a href="#pb663">663</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Goed, als gij durft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;</p> +<p class="line">Houd met uw eigen lijf den laster vol!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,</p> +<p class="line">Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat is er, lords?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Neef Gloster, neen, uw dienaar</p> +<p class="line">Riep al te vroeg den valk terug; de jacht</p> +<p class="line">Was lang niet uit.—<span class="stage">(<i>Ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</span> Kom met uw tweehands-zwaard.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij hebt gelijk, oom.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch<span class="corr" id="xd33e9275" title="Bron: ,">.</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> ’k Ontmoet u, kardinaal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat hebt ge, oom Gloster?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;</p> +<p class="line">Of anders is mijn vechtkunst niets. <span class="lineNum">52</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> <i lang="la">Medice te ipsum</i>—</p> +<p class="line">Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.</p> +<p class="line">Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!</p> +<p class="line">Als zulke snaren valsche tonen geven,</p> +<p class="line">Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?</p> +<p class="line">Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat voor geschreeuw is dit?</p> +<p class="line">Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De Man.</p> +<p class="line">Mirakel! Mirakel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Kom hier, vertel den koning uw mirakel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De Man.</p> +<p class="line">Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even</p> +<p class="line">In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,</p> +<p class="line">Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen</p> +<p class="line">In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op</i>; <span class="sc">Simpcox</span> <i>wordt op een stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop +volks</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,</p> +<p class="line">En stelt den man aan uwe hoogheid voor.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde</p> +<p class="line">Door ’t zien de lokking van de zonde meer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;</p> +<p class="line">’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,</p> +<p class="line">Opdat wij God om u verheerlijken.</p> +<p class="line">Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Wie is die vrouw?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En waar zijt gij van daan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;</p> +<p class="line">Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;</p> +<p class="line">Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,</p> +<p class="line">Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? <span class="lineNum">88</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">God weet het, louter vroomheid; honderdmaal</p> +<p class="line">En meer nog riep de goede Sint Albaan</p> +<p class="line">Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,</p> +<p class="line">En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,</p> +<p class="line">Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">En zijt ge ook lam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">En zijt ge ook lam? </span>Ja, God almachtig help’ mij!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Hoe werdt gij dat?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Hoe werdt gij dat? </span>’k Ben uit een boom gevallen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Een pruimeboom.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Een pruimeboom. </span>En hoe lang zijt gij blind?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">O, blindgeboren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">O, blindgeboren. </span>Zoo, en klomt ge op boomen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,</p> +<p class="line">En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—</p> +<p class="line">Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—</p> +<p class="line">Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb664">[<a href="#pb664">664</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Rood, heer, zoo rood als bloed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p664width"><img src="images/p664.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel." width="720" height="489"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En kerel, zeg, hoe is mijn naam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Ach, heer, ik weet het niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En zijn naam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">’k Weet niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En ook de zijne niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Neen, waarlijk niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Hoe is uw eigen naam? <span class="lineNum">124</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Sander Simpcox, als het u belieft, heer.</p> +</div> +<div id="kh6ii.ii.1.126" class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar</p> +<p class="line">In christenlanden. Werdt gij blind geboren,</p> +<p class="line">Dan kunt gij best al onze namen weten,</p> +<p class="line">Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt.</p> +<p class="line">Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden,</p> +<p class="line">Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.—</p> +<p class="line">Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder;</p> +<p class="line">Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot,</p> +<p class="line">Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">O, als de heer dit kon!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p>Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in uwe stad, en dingen, die +men zweepen noemt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">O ja, mylord, om uwe genade te dienen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zend er dan dadelijk om een.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p>Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Een Dienaar gaat heen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p>Breng mij terstond een zitbank. <span class="stage">(<i>Er wordt een zitbank gebracht.</i>)</span> Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over deze zitbank en loop weg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p class="line">Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan;</p> +<p class="line">Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich heeft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p>Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij +over die zitbank springt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stokkeknecht.</p> +<p>Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Simpcox.</p> +<p>Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt</i> <span class="sc">Simpcox</span> <i>over de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: „Mirakel!”</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag loopen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p> +<p class="line">Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek;</p> +<p class="line">En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Mayor, de Stokkeknecht</i>, <span class="sc">Simpcox’</span> <i>Vrouw en de Anderen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. <span class="lineNum">162</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,</p> +<p class="line">Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.</p> +<p class="line">Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,</p> +<p class="line">Heeft, met de hulp en medeplichtigheid</p> +<p class="line">Van des protectors gade Eleonore,</p> +<p class="line">De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,</p> +<p class="line">Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,</p> +<p class="line">Met heksen en bezweerders in verbond;</p> +<p class="line">Wij hebben hen op heeter daad betrapt,</p> +<p class="line">Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,</p> +<p class="line">Hun vroegen naar het leven en den dood</p> +<p class="line">Des konings en der leden van zijn raad,</p> +<p class="line">Zooals uw hoogheid nader hooren zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">En dus, mylord protector, moet uw gade</p> +<p class="line">Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</span> Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,</p> +<p class="line">En aan uw uur zult gij u wel niet houden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.</p> +<p class="line">Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,</p> +<p class="line">En overweldigd wijk ik thans voor u,</p> +<p class="line">Ja, voor den laagsten knecht.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb665">[<a href="#pb665">665</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O God, wat onheil stichten toch de boozen;</p> +<p class="line">Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;</p> +<p class="line">Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd</p> +<p class="line">Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;</p> +<p class="line">Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,</p> +<p class="line">En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.</p> +<p class="line">O, edel is zij, maar indien zij deugd</p> +<p class="line">En eer vergat, en omging met gespuis,</p> +<p class="line">Dat, zooals pik, een edel huis besmet,</p> +<p class="line">Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;</p> +<p class="line">Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,</p> +<p class="line">Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,</p> +<p class="line">En morgen keeren wij naar Londen weer,</p> +<p class="line">Doorgronden daar de zaak met alle zorg,</p> +<p class="line">En dagen de euveldaders ten verhoor,</p> +<p class="line">En wegen alles in de juiste schalen</p> +<p class="line">Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De tuin van den Hertog van</i> <span class="sc">York</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">York</span>, <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,</p> +<p class="line">Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,</p> +<p class="line">Op deze stille wand’ling mij geruststel,</p> +<p class="line">En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel</p> +<p class="line">Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,</p> +<p class="line">Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo hoort:—</p> +<p class="line">Edward de derde, lords, had zeven zoons:</p> +<p class="line">Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;</p> +<p class="line">Ten tweede William Hatfield; Lionel,</p> +<p class="line">Hertog van Clarence, was de derde; dan</p> +<p class="line">Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;</p> +<p class="line">Dan verder Edmond Langley, hertog York;</p> +<p class="line">Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;</p> +<p class="line">William van Windsor was de laatste en zevende.</p> +<p class="line">Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,</p> +<p class="line">En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven</p> +<p class="line">Des derden Edwards zat op Englands troon,</p> +<p class="line">Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,</p> +<p class="line">De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,</p> +<p class="line">Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,</p> +<p class="line">Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,</p> +<p class="line">Zich meester maakte, de arme koningin</p> +<p class="line">Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,</p> +<p class="line">Alwaar, zooals u beiden is bekend.</p> +<p class="line">De goede Richard schandlijk werd vermoord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;</p> +<p class="line">Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;</p> +<p class="line">Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,</p> +<p class="line">Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn</p> +<p class="line">Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,</p> +<p class="line">Philippa, die met Edmond Mortimer,</p> +<p class="line">Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu</p> +<p class="line">Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,</p> +<p class="line">Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke <span class="lineNum">39</span></p> +<p class="line">De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—</p> +<p class="line">En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower</p> +<p class="line">Hem levenslang in hechtnis had gehouden;</p> +<p class="line">Doch ga nu voort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Doch ga nu voort. </span>Zijn oudste zuster, Anna,</p> +<p class="line">Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde</p> +<p class="line">Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was</p> +<p class="line">Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.</p> +<p class="line">Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde</p> +<p class="line">Roger, den graaf van March, en die was zoon</p> +<p class="line">Van Edmond Mortimer en van Philippa,</p> +<p class="line">Die de een’ge dochter was van Lionel,</p> +<p class="line">Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn</p> +<p class="line">Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?</p> +<p class="line">Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,</p> +<p class="line">Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.</p> +<p class="line">Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;</p> +<p class="line">Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,</p> +<p class="line">De schoone spruiten van den eed’len boom.</p> +<p class="line">Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!</p> +<p class="line">Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,</p> +<p class="line">Die onzen echten souverein begroeten,</p> +<p class="line">Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Beiden.</p> +<p class="line">Lang leve koning Richard, onze heer!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p id="kh6ii.ii.2.64" class="line">Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,</p> +<p class="line">Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is<span class="pageNum" id="pb666">[<a href="#pb666">666</a>]</span></p> +<p class="line">Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;</p> +<p class="line">En dit is geenszins plotsling te volvoeren,</p> +<p class="line">Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.</p> +<p class="line">Doet zooals ik in dezen boozen tijd,</p> +<p class="line">Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,</p> +<p class="line">Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,</p> +<p class="line">En dat van Buckingham en heel hun bent,</p> +<p class="line">Tot zij den herder van de kudde omstrikken,</p> +<p class="line">Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.</p> +<p class="line">Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken</p> +<p class="line">Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick</p> +<p class="line">York’s hertog eens tot koning maken zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,</p> +<p class="line">Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick</p> +<p class="line">De grootste man in England na den koning.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een Gerechtszaal.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>en Gevolg komen op; de Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Margriet Jordaan</span>, <span class="sc">Southwell</span>, <span class="sc">Hume</span> <i>en</i> <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>worden door de wacht binnengeleid</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.</p> +<p class="line">Voor God en ons is uwe misdaad groot;</p> +<p class="line">Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,</p> +<p class="line">Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—</p> +<p class="line">Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;</p> +<p class="line">En uit den kerker naar de plaats der straf:</p> +<p class="line">Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;</p> +<p class="line">U drieën wacht de wurging aan de galg.—</p> +<p class="line">Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte</p> +<p class="line">Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,</p> +<p class="line">Drie dagen openbare boete doen,</p> +<p class="line">Dan in uw eigen land verbannen leven,</p> +<p id="kh6ii.ii.3.13" class="line">Bij Sir John Stanley op het eiland Man.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,</p> +<p class="line">Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.</p> +<p class="line">Ach, deze schande van uw ouderdom</p> +<p class="line">Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—</p> +<p class="line">Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;</p> +<p class="line">Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,</p> +<p class="line">Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen</p> +<p class="line">Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,</p> +<p class="line">Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!</p> +<p class="line">En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,</p> +<p class="line">Dan vroeger als protector van uw vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ik zie niet in, waarom een mondig koning</p> +<p class="line">Beschermd behoeft te worden als een kind.—</p> +<p class="line">Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—</p> +<p class="line">Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;</p> +<p class="line">’k Hergeef u even gaarne dezen staf,</p> +<p class="line">Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;</p> +<p class="line">’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,</p> +<p class="line">Als and’rer hand hem gretig vatten zou.</p> +<p class="line">Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,</p> +<p class="line">Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Nu zijt gij koning, ik nu koningin, <span class="lineNum">39</span></p> +<p class="line">En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,</p> +<p class="line">Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:</p> +<p class="line">Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,</p> +<p class="line">En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand</p> +<p class="line">Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;</p> +<p class="line">Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,</p> +<p class="line">Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;</p> +<p class="line">En klager en beklaagde staan gereed,</p> +<p class="line">De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,</p> +<p class="line">Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts</p> +<p class="line">Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;</p> +<p class="line">De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,</p> +<p class="line">Zoo angstig om te vechten, als de klager,</p> +<p class="line">Die dienaar van den wapensmid, mylords.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Van de eene zijde komt</i> <span class="sc">Horner</span> <i>op met zijn Buren, die hem zóó toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een +stang met een zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager. +Van de andere zijde komt</i> <span class="sc">Peter</span> <i>evenzoo op, met een Trommelslager en een stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Buurman.</p> +<p>Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En wees maar niet bang, buurman; +het zal wel goed gaan.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb667">[<a href="#pb667">667</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Buurman.</p> +<p>En hier is een kroes <span id="kh6ii.ii.3.63">Charneco</span>, buurman.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Buurman.</p> +<p>En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en wees niet bang voor dien gezel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p>Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een knip voor den neus voor +Peter!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Gezel.</p> +<p>Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Gezel.</p> +<p>Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de eer op van de gezellen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; want ik geloof, dat +ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik +u mijn schootsvel; en Willem, gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het +geld, dat ik heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den +baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p>Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij knaap, hoe heet gij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>Peter, inderdaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p>Peter,—hoe nog meer?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>Stomp. <span class="lineNum">84</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p>Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p>Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn knecht, om te bewijzen, +dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk man; en van den hertog van York, ik wil +er op sterven, dat ik hem nooit kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, +Peter, reken op een slag, die neerkomt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p>Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. Trompetter, blaas het sein; +de strijd beginn’!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Zij vechten en</i> <span class="sc">Peter</span> <i>slaat zijn meester neder</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Horner.</p> +<p>Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Horner</span> <i>sterft</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p>Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw meester in den weg +kwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Peter.</p> +<p>O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O Peter, gij hebt de +overhand gekregen door uw goed recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Breng dien verrader weg en uit ons oog;</p> +<p class="line">Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;</p> +<p class="line">En de algerechte God heeft ons onthuld</p> +<p class="line">De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,</p> +<p class="line">Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.</p> +<p class="line">Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.ii.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een straat.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;</p> +<p class="line">En zoo volgt op den zomer steeds de winter,</p> +<p class="line">Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len</p> +<p class="line">Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.</p> +<p class="line">Hoe laat is ’t, mannen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaar.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Hoe laat is ’t, mannen? </span>Bijna tien, mylord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Tien was het uur, waarop ik wachten moest</p> +<p class="line">Op ’t komen van mijn boetedoende gade;</p> +<p class="line">Hoe zal haar teedere en verwende voet</p> +<p class="line">Der straten scherpe keien ooit verduren?</p> +<p class="line">Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,</p> +<p class="line">Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart</p> +<p class="line">En bij uw schande lacht met boozen blik,</p> +<p class="line">Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,</p> +<p class="line">Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.</p> +<p class="line">Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,</p> +<p class="line">Bereid ik voor, om haar ellend te zien.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>komt op, barrevoets en in een wit hemd, met papieren op den rug bevestigd; zij draagt +een brandende kaars in de hand; verder: Sir</i> <span class="sc">John Stanley</span>, <i>een Sheriff en Beambten</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dienaar.</p> +<p class="line">Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. <span class="lineNum">17</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?</p> +<p class="line">Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;</p> +<p class="line">Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,</p> +<p class="line">Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!</p> +<p class="line">Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween</p> +<p class="line">Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek</p> +<p class="line">Uw felle haters, beide de uwe en mijne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!</p> +<p class="line">Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,</p> +<p class="line">En gij een vorst, protector van dit land,</p> +<p class="line">Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,</p> +<p class="line">Bekneld in smaad, behangen met papieren,</p> +<p class="line">Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen</p> +<p class="line">Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.</p> +<p class="line">Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;</p> +<p class="line">En krimp ik saam, dan lacht het booze volk</p> +<p class="line">En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.</p> +<p class="line">O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?</p> +<p class="line">Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,</p> +<p class="line">Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?</p> +<p class="line">Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,</p> +<p class="line">’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!</p> +<p class="line">Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,<span class="pageNum" id="pb668">[<a href="#pb668">668</a>]</span></p> +<p class="line">En hij een prins en een regent van ’t rijk;</p> +<p class="line">Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,</p> +<p class="line">Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,</p> +<p class="line">Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting</p> +<p class="line">Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”</p> +<p class="line">Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;</p> +<p class="line">En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd</p> +<p class="line">De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;</p> +<p class="line">Want Suffolk, hij, die alles is in alles</p> +<p class="line">Bij haar, die ù haat en ons allen haat,</p> +<p class="line">En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—</p> +<p class="line">Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;</p> +<p class="line">En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;</p> +<p class="line">Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,</p> +<p class="line">En kom vooral uw vijand nimmer voor.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;</p> +<p class="line">’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;</p> +<p class="line">Al waren mijne haters twintigvoud,</p> +<p class="line">En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,</p> +<p class="line">Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,</p> +<p class="line">Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.</p> +<p class="line">Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? <span class="lineNum">64</span></p> +<p class="line">Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,</p> +<p class="line">Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.</p> +<p class="line">Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;</p> +<p class="line">Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak</p> +<p class="line">Van weinig dagen is weldra gedaan.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Heraut komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Heraut.</p> +<p>Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat op den eersten dag der +volgende maand te Bury zal gehouden worden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En zonder om mijn toestemming te vragen!</p> +<p class="line">Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Heraut af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,</p> +<p class="line">Beperk u bij haar boete tot het vonnis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Sheriff.</p> +<p class="line">Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;</p> +<p class="line">Aan Sir John Stanley is nu opgedragen</p> +<p class="line">Haar mee te nemen naar het eiland Man.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stanley.</p> +<p class="line">Ja, uw genade, dit heb ik in last.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,</p> +<p class="line">Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht</p> +<p class="line">De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik</p> +<p class="line">Nog leven om het goede u te vergelden,</p> +<p class="line">Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaren af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;</p> +<p class="line">Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—</p> +<p class="line">De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,</p> +<p class="line">Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—</p> +<p class="line">Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;</p> +<p class="line">Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;</p> +<p class="line">Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stanley.</p> +<p class="line">En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; <span class="lineNum">94</span></p> +<p class="line">Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;</p> +<p class="line">Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stanley.</p> +<p class="line">Als van een hertogin en Gloster’s gade;</p> +<p class="line">Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,</p> +<p class="line">Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Sheriff.</p> +<p class="line">Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—</p> +<p class="line">Kom, Stanley, gaan wij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stanley.</p> +<p class="line">Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;</p> +<p class="line">En gaan we u hullen in een reisgewaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hertogin.</p> +<p class="line">’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;</p> +<p class="line">Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,</p> +<p class="line">En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.</p> +<p class="line">Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn <span class="corr" id="xd33e10349" title="Bron: gevangnis">gevang’nis</span>.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DERDE BEDRIJF</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6ii.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>De abdij te</i> <span class="ex">Sint Edmund’s Bury</span>.</p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, +<i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">York</span>, +<span class="sc">Buckingham</span> <i>en Anderen komen op ter parlementszitting</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,</p> +<p class="line">Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—</p> +<p class="line">Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,</p> +<p class="line">Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?</p> +<p class="line">Met welk een majesteit hij zich gedraagt,</p> +<p class="line">Hoe overmoedig hij geworden is,</p> +<p class="line">Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?</p> +<p class="line">Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;</p> +<p class="line">En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,</p> +<p class="line">Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed</p> +<p class="line">Was de bewondring van geheel het hof.<span class="pageNum" id="pb669">[<a href="#pb669">669</a>]</span></p> +<p class="line">Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,</p> +<p class="line">Als toch een ieder goeden morgen wenscht,</p> +<p class="line">Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,</p> +<p class="line">En gaat met ongebogen knie voorbij,</p> +<p class="line">De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.</p> +<p class="line">Wie let er op, als kleine hondjes keffen?</p> +<p class="line">Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;</p> +<p class="line">En Humfried is in England geen klein man.</p> +<p class="line">Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,</p> +<p class="line">En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.</p> +<p class="line">Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—</p> +<p class="line">Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,</p> +<p class="line">En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—</p> +<p class="line">Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon</p> +<p class="line">Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.</p> +<p class="line">Door vleien won hij der gemeenten gunst,</p> +<p class="line">En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—</p> +<p class="line">Dit is te duchten,—allen hem gedwee.</p> +<p class="line">’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;</p> +<p class="line">Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof</p> +<p class="line">En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. <span class="lineNum">33</span></p> +<p class="line">Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij</p> +<p class="line">’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.</p> +<p class="line">Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;</p> +<p class="line">En moet die vrees voor beter gronden wijken,</p> +<p class="line">Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”</p> +<p class="line">Mylords van Suffolk, Buckingham en York,</p> +<p class="line">Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;</p> +<p class="line">Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;</p> +<p class="line">En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,</p> +<p class="line">’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.</p> +<p class="line">De hertogin begon, zoo waar ik leef,</p> +<p class="line">Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;</p> +<p class="line">En was hij niet in deze schuld betrokken,</p> +<p class="line">Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—</p> +<p class="line">Als die de naaste staat aan Englands troon,</p> +<p class="line">En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,</p> +<p class="line">In ’t brein geschokte hertogin wis aan,</p> +<p class="line">Om boos naar onzes vorsten val te streven.</p> +<p class="line">Glad stroomt het water van een diepe beek,</p> +<p class="line">Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.</p> +<p class="line">Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?</p> +<p class="line">Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,</p> +<p class="line">Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde</p> +<p id="kh6ii.iii.1.59" class="line">Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">En hief hij niet, toen hij protector was,</p> +<p class="line">In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds</p> +<p class="line">Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,</p> +<p id="kh6ii.iii.1.63" class="line">Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre</p> +<p class="line">Verborgen feilen van dien gladden hertog,</p> +<p class="line">Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen</p> +<p class="line">Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;</p> +<p class="line">Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?</p> +<p class="line">Van onzen oom van Gloster is het denken</p> +<p class="line">Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,</p> +<p class="line">Als van een zuigend lam of zachte duif.</p> +<p class="line">De hertog is te zacht en welgezind,</p> +<p class="line">Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!</p> +<p class="line">Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,</p> +<p class="line">Want als een booze raaf is hij gezind.</p> +<p class="line">Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;</p> +<p class="line">Als van een fellen wolf is zijn gemoed;</p> +<p class="line">Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?</p> +<p class="line">Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn</p> +<p class="line">Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>komt op</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p>Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Dat ieder aandeel aan dat grondgebied</p> +<p class="line">U ginds ontroofd is; alles is verloren. <span class="lineNum">85</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op Frankrijk,</p> +<p class="line">Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.</p> +<p class="line">Zoo sterven mijne bloesems in den knop,</p> +<p class="line">En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;</p> +<p class="line">Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders</p> +<p class="line">Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Mijn hoogen heer en koning alle heil!</p> +<p class="line">Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,</p> +<p class="line">Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.</p> +<p class="line">Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken</p> +<p class="line">Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;</p> +<p class="line">Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.</p> +<p class="line">Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,</p> +<p class="line">Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.</p> +<p class="line">Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,</p> +<p class="line">En gij ons leger zijn soldij onthieldt,</p> +<p class="line">Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?</p> +<p class="line">’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,<span class="pageNum" id="pb670">[<a href="#pb670">670</a>]</span></p> +<p class="line">Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.</p> +<p class="line">Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,</p> +<p class="line">Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!</p> +<p class="line">Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,</p> +<p class="line">Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,</p> +<p class="line">Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!</p> +<p class="line">Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,</p> +<p class="line">Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,</p> +<p class="line">Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,</p> +<p class="line">En nooit verlangde ik iets terugbetaald.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Voor euveldaden dacht gij als protector</p> +<p class="line">Vreemde, ongehoorde martelingen uit,</p> +<p class="line">En England werd berucht door zulk een wreedheid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur</p> +<p class="line">Mijn een’ge feil te groote deernis was,</p> +<p class="line">Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,</p> +<p class="line">En liet hem vrij voor woorden van berouw.</p> +<p class="line">Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,</p> +<p class="line">Die arme reizigers had uitgeschud, <span class="lineNum">129</span></p> +<p class="line">Dan legde ik nooit de volle straf hem op.</p> +<p class="line">Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,</p> +<p class="line">Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,</p> +<p class="line">Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,</p> +<p class="line">Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.</p> +<p class="line">In naam des konings neem ik u in hechtnis;</p> +<p class="line">Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,</p> +<p class="line">Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,</p> +<p class="line">Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;</p> +<p class="line">Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.</p> +<p class="line">Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,</p> +<p class="line">Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;</p> +<p class="line">Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,</p> +<p class="line">En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.</p> +<p class="line">Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;</p> +<p class="line">En kon mijn dood dit land gelukkig maken,</p> +<p class="line">Waar’ die het einde van hun dwinglandij,</p> +<p class="line">Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;</p> +<p class="line">Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;</p> +<p class="line">Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,</p> +<p class="line">Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.</p> +<p class="line">Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,</p> +<p class="line">Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;</p> +<p class="line">De scherpe Buckingham geeft met zijn tong</p> +<p class="line">Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;</p> +<p class="line">De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt</p> +<p class="line">En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,</p> +<p class="line">Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;</p> +<p class="line">En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren</p> +<p class="line">Mij zonder reden oneer op het hoofd,</p> +<p class="line">En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,</p> +<p class="line">Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.</p> +<p class="line">Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—</p> +<p class="line">Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—</p> +<p class="line">Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.</p> +<p class="line">Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;</p> +<p class="line">Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;</p> +<p class="line">Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,</p> +<p class="line">Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!</p> +<p class="line">Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden</p> +<p class="line">Voor des verraads verborgen, moordziek mes,</p> +<p class="line">Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,</p> +<p class="line">En de euveldader vrijheid heeft van spreken,</p> +<p class="line">Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet</p> +<p class="line">Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,</p> +<p class="line">Als had zij mannen omgekocht tot meineed,</p> +<p class="line">Om hem door valsch getuignis te doen vallen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;</p> +<p class="line">Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!</p> +<p class="line">En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.</p> +<p class="line">Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. <span class="lineNum">187</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,</p> +<p class="line">Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—</p> +<p class="line">Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,</p> +<p class="line">En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!</p> +<p class="line">O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!</p> +<p class="line">’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>door eenige Dienaren weggeleid</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid</p> +<p class="line">Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Uw hoogheid wil het parlement verlaten?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;</p> +<p class="line">Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;</p> +<p class="line">Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;</p> +<p class="line">Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—</p> +<p class="line">Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat</p> +<p class="line">De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;</p> +<p class="line">En, goede Humfried, de ure moet nog komen,</p> +<p class="line">Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.</p> +<p class="line">Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,<span class="pageNum" id="pb671">[<a href="#pb671">671</a>]</span></p> +<p class="line">Dat deze groote lords en onze gade</p> +<p class="line">’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?</p> +<p class="line">Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,</p> +<p class="line">En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,</p> +<p class="line">En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,</p> +<p class="line">En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,</p> +<p class="line">Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;</p> +<p class="line">En evenals de moeder loeiend rondloopt,</p> +<p class="line">En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,</p> +<p class="line">En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,</p> +<p class="line">Bejammer ik des goeden Gloster’s val</p> +<p class="line">Met tranen, die niet helpen, blik hem na</p> +<p class="line">Met dofgekreten oog en kan niets doen,</p> +<p class="line">Want zijn gezworen haters zijn te machtig.</p> +<p class="line">’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef</p> +<p class="line">Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:</p> +<p class="line">„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>af, gevolgd door allen, behalve Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span>; <i>de laatste blijft afzonderlijk staan</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,</p> +<p class="line">Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,</p> +<p class="line">Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn</p> +<p class="line">Misleidt hem, evenals de krokodil <span class="lineNum">226</span></p> +<p class="line">Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,</p> +<p class="line">Of als de slang, verscholen onder bloemen,</p> +<p class="line">Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,</p> +<p class="line">Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.</p> +<p class="line">Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—</p> +<p class="line">En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—</p> +<p class="line">Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,</p> +<p class="line">En wij van alle vrees voor hem bevrijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,</p> +<p class="line">Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;</p> +<p class="line">Hij sterve naar den eisch van recht en wet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;</p> +<p class="line">Wis zal de koning trachten hem te redden,</p> +<p class="line">En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;</p> +<p class="line">En beet’re gronden kunnen wij niet geven,</p> +<p class="line">Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde.</i>)</span> York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,</p> +<p class="line">Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,</p> +<p class="line">Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen</p> +<p class="line">Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,</p> +<p class="line">En Humfried, om den koning te beschermen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,</p> +<p class="line">Den vos als kuddewachter aan te stellen?</p> +<p class="line">Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,</p> +<p class="line">Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,</p> +<p class="line">Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?</p> +<p class="line">Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,</p> +<p class="line">Bewezen vijand van natuur der kudde,</p> +<p class="line">Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,</p> +<p class="line">Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.</p> +<p class="line">En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;</p> +<p class="line">Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,</p> +<p class="line">In slaap of wakend, alles is hetzelfde,</p> +<p class="line">Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,</p> +<p class="line">Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;</p> +<p class="line">Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;</p> +<p class="line">Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—</p> +<p class="line">Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,</p> +<p class="line">En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—</p> +<p class="line">Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. <span class="lineNum">272</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,</p> +<p class="line">Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.</p> +<p class="line">Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,</p> +<p class="line">En ik bezorg u, die de daad volvoert;</p> +<p class="line">Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Dit zeg ook ik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">En ik; en nu wij drieën dit besloten,</p> +<p class="line">Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings</p> +<p class="line">U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,</p> +<p class="line">En de Engelschen verdelgen met het zwaard.</p> +<p class="line">Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,</p> +<p class="line">Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;</p> +<p class="line">Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.</p> +<p class="line">Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dat Somerset er heenga als regent.</p> +<p class="line">Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;</p> +<p class="line">’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,</p> +<p class="line">In mijne plaats regent er was geweest,</p> +<p class="line">Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Niet tot het land verloren was, als gij;</p> +<p class="line">’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,</p> +<p class="line">Dan zulk een last van schande thuis gebracht,</p> +<p class="line">Door tot het land verloren was te blijven.<span class="pageNum" id="pb672">[<a href="#pb672">672</a>]</span></p> +<p class="line">Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;</p> +<p class="line">Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,</p> +<p class="line">Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—</p> +<p class="line">Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—</p> +<p class="line">Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht</p> +<p class="line">Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">En onder hen op u, die schande wenscht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.</p> +<p class="line">De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand</p> +<p class="line">En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;</p> +<p class="line">Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,</p> +<p class="line">Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,</p> +<p class="line">En tegen de Ieren uw geluk beproeven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,</p> +<p class="line">En wat wij hier bepalen vindt hij goed;</p> +<p class="line">Dus, eed’le York, belast u met die taak. <span class="lineNum">318</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;</p> +<p class="line">Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.</p> +<p class="line">Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,</p> +<p class="line">Dat hij ons verder nimmer lastig zij;</p> +<p class="line">En nu van hier, de dag is schier voorbij;—</p> +<p class="line">Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers</p> +<p class="line">Te Bristol binnen veertien dagen tijds;</p> +<p class="line">Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">York</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,</p> +<p class="line">En worde uw weiflen vastbeslotenheid;</p> +<p class="line">Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,</p> +<p class="line">Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.</p> +<p class="line">Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,</p> +<p class="line">Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.</p> +<p class="line">Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,</p> +<p class="line">Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.</p> +<p class="line">Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,</p> +<p class="line">Spant rustloos voor mijn haters net op net.</p> +<p class="line">Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,</p> +<p class="line">Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.</p> +<p class="line">Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,</p> +<p class="line">Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.</p> +<p class="line">Manschappen miste ik en die geeft gij mij;</p> +<p class="line">Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man</p> +<p class="line">Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.</p> +<p class="line">Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik</p> +<p class="line">Een zwarten storm in England op; die blaast</p> +<p class="line">Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;</p> +<p class="line">En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,</p> +<p class="line">Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,</p> +<p class="line">Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,</p> +<p class="line">De woede stilt der dol verwekte vlaag.</p> +<p class="line">En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik</p> +<p class="line">Een stuggen Kentschen dolkop overreed,</p> +<p class="line">John Cade uit Ashford,</p> +<p class="line">Oproer te maken, wat hij goed verstaat,</p> +<p class="line">En voor John Mortimer zich uit te geven.</p> +<p class="line">Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens</p> +<p id="kh6ii.iii.1.361" class="line">Zich weren tegen heel een bende Kernen;</p> +<p class="line">Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen</p> +<p class="line">Geleken op een toornig stekelvarken; <span class="lineNum">363</span></p> +<p class="line">En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem</p> +<p class="line">Een hoogen sprong doen als een moorendanser,</p> +<p class="line">Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.</p> +<p class="line">Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern</p> +<p class="line">Vermomd, gesprekken met den vijand aan,</p> +<p class="line">Kwam onontdekt tot mij terug en gaf</p> +<p class="line">Mij dan berichten van hun schurkerijen.</p> +<p class="line">Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;</p> +<p class="line">Want op den pas gestorven Mortimer</p> +<p class="line">Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;</p> +<p class="line">’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,</p> +<p class="line">En de aanspraak op den troon, van York behaagt.</p> +<p class="line">En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,</p> +<p class="line">Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,</p> +<p class="line">Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.</p> +<p class="line">O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,</p> +<p class="line">Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,</p> +<p class="line">En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;</p> +<p class="line">Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,</p> +<p class="line">En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Sint Edmund’s Bury.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Eenige Moordenaars komen haastig op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p> +<p class="line">IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,</p> +<p class="line">Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Moordenaar.</p> +<p class="line">Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?</p> +<p class="line">Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p> +<p class="line">Daar komt mylord.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb673">[<a href="#pb673">673</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p> +<p class="line">Ja, beste hertog, hij is dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;</p> +<p class="line">Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.</p> +<p class="line">De koning komt daar aan met al zijn pairs.</p> +<p class="line">Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles</p> +<p class="line">Geheel in orde naar mijn last?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p> +<p class="line">In orde, beste lord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">In orde, beste lord. </span>Nu goed; van hier!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Moordenaars af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>Lords en Anderen komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;</p> +<p class="line">Wij willen heden zijn genade hooren,</p> +<p class="line">Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,</p> +<p class="line">Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,</p> +<p class="line">Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis</p> +<p class="line">Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, <span class="lineNum">22</span></p> +<p class="line">En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!</p> +<p class="line">Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>komt weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?</p> +<p class="line">Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O, dit verhoede God!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,</p> +<p class="line">Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Koning valt in onmacht.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mijn vorst, hoe is</p> +<p class="line">’t?—Helpt, lords, de koning sterft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Loopt, helpt!—O</p> +<p class="line">Hendrik, sla toch de oogen op!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O eeuw’ge God!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hoe gaat het mijn gemaal?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?</p> +<p class="line">Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,</p> +<p class="line">Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,</p> +<p class="line">En waant hij, dat het tjilpen van een musch,</p> +<p class="line">Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,</p> +<p class="line">Den eerst vernomen klank verjagen kan?</p> +<p class="line">Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;</p> +<p class="line">Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;</p> +<p class="line">’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!</p> +<p class="line">Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!</p> +<p class="line">In booze majesteit zit op uw oogen</p> +<p class="line">Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;</p> +<p class="line">Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.</p> +<p class="line">Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;</p> +<p class="line">En dood den man, die u onschuldig aanstaart;</p> +<p class="line">In schaduwen des doods slechts vind ik heil,</p> +<p class="line">In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?</p> +<p class="line">Ofschoon de hertog hem vijandig was,</p> +<p class="line">Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.</p> +<p class="line">Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,</p> +<p class="line">Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken</p> +<p class="line">En bloedverterend zuchten hem kon wekken,</p> +<p class="line">Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, <span class="lineNum">62</span></p> +<p class="line">Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,</p> +<p class="line">Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.</p> +<p class="line">Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?</p> +<p class="line">Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;</p> +<p class="line">Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;</p> +<p class="line">Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden</p> +<p class="line">En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!</p> +<p class="line">Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!</p> +<p class="line">Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ach, arme Gloster! o rampzalig man!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.</p> +<p class="line">Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?</p> +<p class="line">Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!</p> +<p id="kh6ii.iii.2.76" class="line">Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?</p> +<p class="line">Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!</p> +<p class="line">Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?</p> +<p class="line">O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;</p> +<p class="line">Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:</p> +<p class="line">Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.</p> +<p class="line">Was ik daarom op zee bijna vergaan?</p> +<p class="line">Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,</p> +<p class="line">Van Englands kust terug naar ’t vaderland?</p> +<p class="line">Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,<span class="pageNum" id="pb674">[<a href="#pb674">674</a>]</span></p> +<p class="line">Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!</p> +<p class="line">En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”</p> +<p class="line">Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,</p> +<p id="kh6ii.iii.2.89" class="line">En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,</p> +<p class="line">En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,</p> +<p class="line">Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”</p> +<p class="line">Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,</p> +<p class="line">En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.</p> +<p class="line">Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig</p> +<p class="line">Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,</p> +<p class="line">Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken</p> +<p class="line">In tranen, zilter dan het nat der zee;</p> +<p class="line">De scherpe klippen doken in het zand</p> +<p class="line">Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,</p> +<p class="line">Opdat uw steen en hart, dat harder is,</p> +<p class="line">Uw Margaretha doodde in uw paleis.</p> +<p class="line">Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,</p> +<p class="line">Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,</p> +<p class="line">Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;</p> +<p class="line">En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,</p> +<p class="line">Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,</p> +<p class="line">Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— <span class="lineNum">107</span></p> +<p class="line">Het was een hart, gevat in diamanten,—</p> +<p class="line">En wierp het naar uw land. De zee ontving het;</p> +<p class="line">En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;</p> +<p class="line">Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;</p> +<p class="line">’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde</p> +<p class="line">Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl</p> +<p class="line">De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.</p> +<p class="line">Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,</p> +<p class="line">Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—</p> +<p id="kh6ii.iii.2.116" class="line">Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,</p> +<p class="line">Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,</p> +<p class="line">Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik</p> +<p class="line">Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?</p> +<p class="line">Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,</p> +<p class="line">Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sterk gedruisch buiten.</i> <span class="sc">Warwick</span> en <span class="sc">Salisbury</span> <i>komen op. Eenigen van het volk dringen door de deur naar voren.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De goede hertog Humfried, machtig vorst,</p> +<p class="line">Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad</p> +<p class="line">Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.</p> +<p class="line">’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,</p> +<p class="line">Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft</p> +<p class="line">En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.</p> +<p class="line">Ik bracht hun felle muiterij tot staan,</p> +<p class="line">Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;</p> +<p class="line">Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.</p> +<p class="line">Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;</p> +<p class="line">Verklaar uzelf de reden van zijn dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,</p> +<p class="line">Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>gaat naar een binnenkamer</i>. <span class="sc">Salisbury</span> <i>gaat terug door de deur</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!</p> +<p class="line">Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,</p> +<p class="line">Dat Humfried door geweld het leven liet.</p> +<p class="line">Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!</p> +<p class="line">Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.</p> +<p class="line">Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen</p> +<p class="line">Met twintigduizend kussen en besproeide ik</p> +<p class="line">’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,</p> +<p class="line">Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,</p> +<p class="line">En drukte met mijn hand zijn doode hand!</p> +<p class="line">Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;</p> +<p class="line">En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,</p> +<p class="line">Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>dood in zijn bed</i>. <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen staan er omheen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;</p> +<p class="line">Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;</p> +<p class="line">Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning <span class="lineNum">153</span></p> +<p class="line">Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen</p> +<p class="line">Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,</p> +<p class="line">Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft</p> +<p class="line">Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!</p> +<p class="line">Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!</p> +<p class="line">’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,</p> +<p class="line">Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,</p> +<p class="line">Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,</p> +<p class="line">Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,</p> +<p class="line">’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;</p> +<p class="line">Doch met het hart wordt dit daar koud en keert</p> +<p class="line">Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.</p> +<p class="line">Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,</p> +<p class="line">Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,</p> +<p class="line">Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;</p> +<p class="line">Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,</p> +<p class="line">Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,</p> +<p class="line">Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.</p> +<p class="line">En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;</p> +<p class="line">Zijn netgehouden baard is ruig, verward,</p> +<p class="line">Als koren, dat een storm ter neder sloeg.</p> +<p class="line">Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;</p> +<p class="line">Het minste dezer teekens waar’ bewijs.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb675">[<a href="#pb675">675</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?</p> +<p class="line">Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,</p> +<p class="line">En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,</p> +<p class="line">En saam bewaaktet gij den goeden hertog;</p> +<p class="line">Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,</p> +<p class="line">En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords</p> +<p class="line">Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,</p> +<p class="line">En dicht daarbij den slachter met de bijl,</p> +<p class="line">En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?</p> +<p class="line">Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs</p> +<p class="line">En zal niet raden, hoe de vogel stierf,</p> +<p class="line">Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?</p> +<p class="line">Niet minder is dit treurspel hier verdacht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?</p> +<p class="line">Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik draag geen mes om slapenden te slachten; <span class="lineNum">197</span></p> +<p class="line">Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,</p> +<p class="line">Dat ik wil schuren in diens giftig hart,</p> +<p class="line">Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.</p> +<p class="line">Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,</p> +<p class="line">Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Kardinaal</i>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en Anderen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet boeien,</p> +<p class="line">Geen afstand doen van drieste lastertaal;</p> +<p class="line">Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—</p> +<p class="line">Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,</p> +<p class="line">Brengt smaad op uwen koninklijken naam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Gij lord met stompen geest en boersche zeden,</p> +<p class="line">Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,</p> +<p class="line">Dan nam uw moeder in haar zondig bed</p> +<p class="line">Een kinkel op, en werd op eed’len boom</p> +<p class="line">Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.</p> +<p class="line">Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,</p> +<p class="line">En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,</p> +<p class="line">Tienduizendvoudige oneer u besparend,</p> +<p class="line">En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,</p> +<p class="line">Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,</p> +<p class="line">Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,</p> +<p class="line">Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet</p> +<p class="line">En gij in bastaardij geboren zijt;</p> +<p class="line">En na die afgedwongen hulde gave ik</p> +<p class="line">U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,</p> +<p id="kh6ii.iii.2.226" class="line">Bloedzuiger en belager in den slaap!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,</p> +<p class="line">Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.</p> +<p class="line">Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,</p> +<p class="line">Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?</p> +<p class="line">Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,</p> +<p class="line">En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,</p> +<p class="line">Wien ongerechtigheid het hart verpest.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Gedruisch buiten.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat is dat voor gedruisch?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komen, met getrokken zwaarden, weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden</p> +<p class="line">Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?</p> +<p class="line">Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">De valsche Warwick en het volk van Bury,</p> +<p class="line">’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. <span class="lineNum">241</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Geraas van een volksoploop buiten.</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>komt weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot het volk buiten</i>).</span> Terug, gij daar; ik zal ’t den koning zeggen.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot den Koning.</i>)</span> Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,</p> +<p class="line">Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,</p> +<p class="line">Of buiten Englands schoon gebied verbannen,</p> +<p class="line">Dan wordt hij met geweld van hier gerukt</p> +<p class="line">En sterft een langen, zwaren marteldood.</p> +<p class="line">Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,</p> +<p class="line">Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;</p> +<p class="line">En ’t is de drang van liefde en echte trouw,</p> +<p class="line">Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,</p> +<p class="line">Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,</p> +<p class="line">Die hen doet dringen op zijn ballingschap.</p> +<p class="line">Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,</p> +<p class="line">Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en</p> +<p class="line">Bevolen had, dat niemand u zou storen,</p> +<p class="line">Op straf van ongenade, op straf des doods,</p> +<p class="line">Het toch, ondanks dat streng gebod, indien</p> +<p class="line">Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,</p> +<p class="line">Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,</p> +<p class="line">Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,</p> +<p class="line">Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,</p> +<p class="line">Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;</p> +<p class="line">En daarom roepen zij, trots uw verbod,<span class="pageNum" id="pb676">[<a href="#pb676">676</a>]</span></p> +<p class="line">Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden</p> +<p class="line">Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,</p> +<p class="line">Door wiens venijnige’, onheilvollen steek</p> +<p class="line">Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,</p> +<p class="line">Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Het Volk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>buiten</i>).</span> Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,</p> +<p class="line">Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;</p> +<p class="line">Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,</p> +<p class="line">Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;</p> +<p class="line">Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,</p> +<p class="line">Is, dat hij afgezant was van een bende</p> +<p class="line">Van ketellappers aan zijn heer en koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Het Volk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>buiten</i>).</span> Breng antwoord van den koning, of wij stormen binnen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,</p> +<p class="line">Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;</p> +<p class="line">En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,</p> +<p class="line">Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;</p> +<p class="line">Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest</p> +<p class="line">Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;</p> +<p class="line">En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,</p> +<p class="line">Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:</p> +<p class="line">Niet langer dan drie dagen zal zijn adem</p> +<p class="line">De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. <span class="lineNum">288</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!</p> +<p class="line">Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,</p> +<p class="line">Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.</p> +<p class="line">Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;</p> +<p class="line">Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—</p> +<p class="line">Indien gij na drie dagen wordt gevonden</p> +<p class="line">Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,</p> +<p class="line">Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—</p> +<p class="line">Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;</p> +<p class="line">’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Onheil en kommer volge u op den voet!</p> +<p class="line">U mogen harteleed en bitt’re droefheid</p> +<p class="line">Speelnooten zijn en u gezelschap houden!</p> +<p class="line">Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;</p> +<p class="line">En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Staak dit verwenschen, lieve koningin,</p> +<p class="line">En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!</p> +<p class="line">Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?</p> +<p id="kh6ii.iii.2.310" class="line">Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,</p> +<p class="line">Dan vond ik bitterbooze woorden uit,</p> +<p class="line">Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,</p> +<p class="line">En stiet ze door de opeengeklemde tanden</p> +<p class="line">Met zooveel blijk van ingevreten haat,</p> +<p class="line">Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.</p> +<p class="line">Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,</p> +<p class="line">Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,</p> +<p class="line">Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,</p> +<p class="line">Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.</p> +<p class="line">En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,</p> +<p class="line">Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!</p> +<p class="line">Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!</p> +<p class="line">Hun liefste schaduw een cypressenwoud!</p> +<p class="line">Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!</p> +<p class="line">Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!</p> +<p class="line">Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,</p> +<p class="line">Door uilen-onheilskreten begeleid!</p> +<p class="line">Al de eis’lijkheden van de diepste hel—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,</p> +<p class="line">Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel</p> +<p class="line">Of als een overladen donderbus, terug,</p> +<p class="line">En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?</p> +<p class="line">O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,</p> +<p class="line">Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,</p> +<p class="line">Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,</p> +<p class="line">Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,</p> +<p class="line">En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, <span class="lineNum">339</span></p> +<p class="line">Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;</p> +<p class="line">En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek</p> +<p class="line">Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—</p> +<p class="line">O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,</p> +<p id="kh6ii.iii.2.344" class="line">Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,</p> +<p class="line">Door welke ik duizend zuchten om u slaak.</p> +<p class="line">Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;</p> +<p class="line">’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,</p> +<p class="line">Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,</p> +<p class="line">’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—</p> +<p class="line">Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;</p> +<p class="line">Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.</p> +<p class="line">Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—</p> +<p class="line">O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood</p> +<p class="line">Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,</p> +<p class="line">En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,</p> +<p class="line">Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!</p> +<p class="line">En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,</p> +<p class="line">Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.</p> +<p class="line">Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;</p> +<p class="line">Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,</p> +<p class="line">Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;<span class="pageNum" id="pb677">[<a href="#pb677">677</a>]</span></p> +<p class="line">Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,</p> +<p class="line">Met elken lust, met elk genot der wereld;</p> +<p class="line">En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.</p> +<p class="line">Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;</p> +<p class="line">Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Vaux</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vaux.</p> +<p class="line">Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,</p> +<p class="line">Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;</p> +<p class="line">Hem greep een zware ziekte plotsling aan,</p> +<p class="line">Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,</p> +<p class="line">God lastrend en de menschenkindren vloekend.</p> +<p class="line">Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest</p> +<p class="line">Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,</p> +<p class="line">En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,</p> +<p class="line">Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;</p> +<p class="line">En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,</p> +<p class="line">Dat hij daar juist geweldig om hem roept.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ga, breng die booze tijding aan den koning.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Vaux</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!</p> +<p class="line">Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,</p> +<p class="line">Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?</p> +<p class="line">En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, <span class="lineNum">383</span></p> +<p class="line">In tranen even rijk als zuiderwolken,</p> +<p class="line">Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?</p> +<p class="line">Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;</p> +<p class="line">En vond hij u bij mij, gij waart des doods.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;</p> +<p class="line">En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders</p> +<p class="line">Dan als een zoete slaap in uwen schoot?</p> +<p class="line">Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,</p> +<p class="line">Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,</p> +<p class="line">Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;</p> +<p class="line">Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,</p> +<p class="line">U roepend, om mij de oogen toe te drukken</p> +<p class="line">En met uw lippen mij den mond te sluiten,</p> +<p class="line">Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug</p> +<p class="line">Of in uw boezem ademde ik haar uit,</p> +<p class="line">Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.</p> +<p class="line">Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,</p> +<p class="line">Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;</p> +<p class="line">O, laat mij blijven, kome wat er wil!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,</p> +<p class="line">Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.</p> +<p class="line">Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;</p> +<p class="line">Want waar gij op het wereldrond ook zijt,</p> +<p class="line">Ik zal een Iris hebben, die u vindt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Ik ga.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">En neem mijn hart met u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,</p> +<p class="line">Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.</p> +<p class="line">Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;</p> +<p class="line">Naar dezen kant wacht mij de dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Naar dezen kant wacht mij de dood. </span>Hier mij.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af, naar verschillenden kant.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iii.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De slaapkamer van Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>.</p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Salisbury</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen komen op. Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span> <i>ligt te bed, Dienaars staan om hem heen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;</p> +<p class="line">Genoeg om zulk een eiland u te koopen,</p> +<p class="line">Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O, welk een blijk van een misdadig leven,</p> +<p class="line">Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kardinaal.</p> +<p class="line">Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.</p> +<p class="line">Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?</p> +<p class="line">Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— <span class="lineNum">10</span></p> +<p class="line">O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—</p> +<p class="line">Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;</p> +<p class="line">Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—</p> +<p class="line">Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—</p> +<p class="line">Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn</p> +<p class="line">Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—</p> +<p class="line">Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,</p> +<p class="line">Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,</p> +<p class="line">Zie met genadig oog op dezen worm!</p> +<p class="line">O, drijf den rustloos driesten duivel weg,</p> +<p class="line">Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!</p> +<p class="line">Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.</p> +<p class="line">Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,<span class="pageNum" id="pb678">[<a href="#pb678">678</a>]</span></p> +<p class="line">Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—</p> +<p class="line">Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—</p> +<p class="line">Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;</p> +<p class="line">En keeren we allen tot onszelven in.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6ii.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Kent.</span> <i>Het zeestrand bij</i> <span class="ex">Dover</span>.</p> +<p class="stage"><i>Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een Kaperkapitein, een Schipper, +een Bootsman</i>, <span class="sc">Walter Whitmore</span> <i>en Anderen; met hen</i> <span class="sc">Suffolk</span>, <i>die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,</p> +<p class="line">Heeft in den schoot der golven zich verscholen;</p> +<p id="kh6ii.iv.1.3" class="line">Luid huilend wekken wolven nu de knollen,</p> +<p class="line">Die traag de kar der sombre, norsche Nacht</p> +<p class="line">Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken</p> +<p class="line">Langs graven zwevend, uit hun vochten muil</p> +<p class="line">Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.</p> +<p class="line">Brengt nu de krijgers der genomen bark;</p> +<p class="line">Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij</p> +<p class="line">Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,</p> +<p class="line">Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—</p> +<p class="line">Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—</p> +<p class="line">Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—</p> +<p class="line">Die andre, <span class="stage">(<i>op</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>wijzend</i>.)</span> Walter Whitmore, is uw deel. <span class="lineNum">14</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Edelman.</p> +<p class="line">Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Schipper.</p> +<p class="line">Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bootsman.</p> +<p class="line">Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,</p> +<p class="line">En noemt en doet ge u voor als edellieden?—</p> +<p class="line">Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!</p> +<p class="line">Weegt zulk een kleine som de levens op</p> +<p class="line">Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Edelman.</p> +<p class="line">Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Edelman.</p> +<p class="line">Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Suffolk</span>.)</span> En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;</p> +<p class="line">En dezen stierven ook, had ik mijn zin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p id="kh6ii.iv.1.29" class="line">Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;</p> +<p class="line">Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. <span class="lineNum">31</span></p> +<p class="line">Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.</p> +<p class="line">Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,</p> +<p id="kh6ii.iv.1.35" class="line">En toen gezegd: door <span class="ex">Water</span> zoude ik sterven.</p> +<p class="line">Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;</p> +<p class="line">Goed uitgesproken, is uw naam <span class="ex">Gaultier</span>.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line"><span class="ex">Gaultier</span> of <span class="ex">Walter</span>, ’t is mij een. Maar nooit</p> +<p class="line">Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,</p> +<p class="line">Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.</p> +<p class="line">Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,</p> +<p class="line">Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,</p> +<p class="line">En roep alom mij als een lafaard uit!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij grijpt</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>aan</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;</p> +<p class="line">’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitstone.</p> +<p class="line">De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;</p> +<p class="line">Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. <span class="lineNum">49</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot den Kapitein</i>).</span> Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,</p> +<p class="line">Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,</p> +<p class="line">Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.</p> +<p class="line">Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,</p> +<p class="line">Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,</p> +<p id="kh6ii.iv.1.54" class="line">Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,</p> +<p class="line">En door mijn knik gelukkig u gevoeld?</p> +<p class="line">Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,</p> +<p class="line">Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig</p> +<p class="line">Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal</p> +<p class="line">Met koningin Marg’retha was gezeten?</p> +<p class="line">Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,</p> +<p class="line">Ja, en het knakke uw onberaden trots.</p> +<p class="line">Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,</p> +<p class="line">En wachttet onderdanig tot ik kwam?<span class="pageNum" id="pb679">[<a href="#pb679">679</a>]</span></p> +<p class="line">De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,</p> +<p class="line">En kluist’re daarom thans uw wilde tong.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Voer hem van hier ter zij van onze sloep,</p> +<p class="line">En sla hem ’t hoofd af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">En sla hem ’t hoofd af. </span>Waagt gij ’t hoofd er aan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Ja, Pole.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Ja, Pole. </span>Pole?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Pool’? Sir Pole? lord?</p> +<p id="kh6ii.iv.1.70" class="line">Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek</p> +<p class="line">De zilvren bron bederft, waar England drinkt.</p> +<p class="line">Nu stop ik u dien opgesperden muil,</p> +<p class="line">Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,</p> +<p class="line">Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;</p> +<p class="line">En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,</p> +<p class="line">Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs</p> +<p class="line">Nu aan; die fluiten u verachtend uit;</p> +<p class="line">Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,</p> +<p class="line">Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,</p> +<p class="line">De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,</p> +<p class="line">Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.</p> +<p class="line">Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,</p> +<p class="line">En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,</p> +<p class="line">Aan uwer eigen moeder bloedend hart. <span class="lineNum">85</span></p> +<p class="line">Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;</p> +<p class="line">Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers</p> +<p class="line">Driest ons gezag verwerpen, Picardije</p> +<p class="line">Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,</p> +<p class="line">De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.</p> +<p class="line">De vorstelijke Warwick, al de Nevils,</p> +<p class="line">Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,</p> +<p class="line">Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;</p> +<p class="line">En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen</p> +<p class="line">Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,</p> +<p class="line">En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—</p> +<p class="line">Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,</p> +<p class="line">De halve zon, door wolken brekend, op,</p> +<p id="kh6ii.iv.1.99" class="line">Waaronder staat: „<span class="ex" lang="la">invitis nubibus</span>”.</p> +<p class="line">Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;</p> +<p class="line">In één woord, beed’laars-armoê en beschimping</p> +<p class="line">Zijn ingeslopen in des konings slot,</p> +<p class="line">En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">O ware ik thans een god, die bliksems schoot,</p> +<p class="line">Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!</p> +<p class="line">’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;</p> +<p class="line">Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,</p> +<p class="line">Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,</p> +<p id="kh6ii.iv.1.108" class="line">De sterke Bargulus.—De hommel zuigt</p> +<p class="line">Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven</p> +<p class="line">Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf</p> +<p class="line">Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.</p> +<p class="line">Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.</p> +<p class="line">Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;</p> +<p class="line">En zeg u: voer mij veilig over zee.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Walter!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p id="kh6ii.iv.1.117" class="line"><span class="ex" lang="la">Pene gelidus timor occupat artus.</span> U vrees ik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.</p> +<p class="line">Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Edelman.</p> +<p class="line">Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,</p> +<p class="line">Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.</p> +<p class="line">Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden</p> +<p class="line">Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd</p> +<p class="line">Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,</p> +<p class="line">Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;</p> +<p class="line">En eer nog danse ’t bloedig op een stang,</p> +<p class="line">Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.</p> +<p class="line">Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;</p> +<p class="line">Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. <span class="lineNum">131</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Suffolk.</p> +<p class="line">Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,</p> +<p class="line">Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.</p> +<p class="line">Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:</p> +<p class="line">Een vechter en bandiet uit Rome moordde</p> +<p id="kh6ii.iv.1.136" class="line">Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand</p> +<p class="line">Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk</p> +<p class="line">Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>met</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>en Anderen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Kapitein.</p> +<p class="line">Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,</p> +<p class="line">Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;</p> +<p class="line">Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve de Eerste Edelman.</i>)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>komt terug, met</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>hoofdloos lijk en hoofd</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Whitmore.</p> +<p class="line">Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,</p> +<p class="line">Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Edelman.</p> +<p class="line">O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!</p> +<p class="line">Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;</p> +<p class="line">Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,</p> +<p class="line">Aan wie hij dierbaar was, de koningin.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Eerste Edelman af met</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>lijk</i>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb680">[<a href="#pb680">680</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Blackheath.</span></p> +<p class="stage"><span class="sc">George Bevis</span> <i>en</i> <span class="sc">John Holland</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij zijn al sinds eergisteren +opgestaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken en keeren en er nieuwe +wol opbrengen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik zeg maar, met het +vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de edellieden opgekomen zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in tel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p680width"><img src="images/p680.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel." width="463" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Tweede Gedeelte, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo veel wil zeggen als: +„laat de overheden werklieden zijn”; en daarom moesten wij eigenlijk overheden zijn. +<span class="lineNum">20</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan een harde hand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit Wingham,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer van te maken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>En Dick, de slager,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid gekeeld als een kalf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>En Smith, de wever,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p><span class="ex">Argo</span>, hun levensdraad is afgesponnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John.</p> +<p>Kom, kom, ons bij hen aangesloten!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Jack Cade</span>, <span class="sc">Dick</span> <i>de slager</i>, <span class="sc">Smith</span> <i>de Wever en een groote hoop volks komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen gestolen hebt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p id="kh6ii.iv.2.37">Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden door den geest om koningen +en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij stil zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Stilte!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Mijn vader was een Mortimer,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Mijn moeder een Plantagenet,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p id="kh6ii.iv.2.47">Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook wel spencers verkocht hebben.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar mars het land af te reizen, +wascht ze te huis voor de menschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>En dus ben ik van hoogen huize.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en daar is hij geboren, achter +een heg; want zijn vader heeft nooit een huis gehad behalve het landloopershok.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Moed heb ik;—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>En ik kan veel verdragen;—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Buiten twijfel; want ik heb hem <span id="kh6ii.iv.2.62">drie marktdagen achtereen</span> met de bullepees zien krijgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want zijn plunje is beproefd, door +langen dienst. <span class="lineNum">65</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor zijn, want hij is in de hand gebrand +voor het stelen van schapen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, dat hij alles hervormen +zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan +van drie hoepels hoog zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren, +scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, en op Cheapside +zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning ben,—want koning zal ik zijn,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p>God behoede uw majesteit!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen zullen op mijn kosten +eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei kleeden, opdat zij overeenstemmen +als broeders en mij als hun heer vereeren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel van een onnoozel +lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het bekrabbeld is, een mensch kan +te niet doen? Men zegt, dat de bij steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want +ik heb maar eens in mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn +eigen meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb681">[<a href="#pb681">681</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith.</p> +<p>De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen opmaken!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>O, afschuwelijk!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith.</p> +<p>Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor zijn jongens.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>’t Is een schurk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith.</p> +<p>Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Wel, dan is hij een duivelbezweerder.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als een advocaat.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem niet schuldig vind, +zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u verhooren. Hoe is uw naam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Klerk.</p> +<p id="kh6ii.iv.2.106">Emanuël.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht met u afloopen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt gij een handmerk, zooals +een eerlijk en eenvoudig man?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Klerk.</p> +<p>Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan schrijven. <span class="lineNum">113</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p>Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een verrader.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om zijn hals.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Eenigen af met den Klerk.</i>)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Michaël</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Michaël.</p> +<p>Waar is onze generaal?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p id="kh6ii.iv.2.119">Hier ben ik, enkele kerel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Michaël.</p> +<p>Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder zijn hier vlak bij, +met het krijgsvolk van den koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal een man vinden zoo +goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet waar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Michaël.</p> +<p>Juist.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder maken. Kniel neder, +Mortimer. <span class="stage">(<i>Hij knielt.</i>)</span>—Sta op, Sir John Mortimer.—<span class="stage">(<i>Hij rijst op.</i>)</span> Nu op hem los.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">Humfried Stafford</span> <i>en zijn broeder</i> <span class="sc">William</span> <i>komen met slaande trommen en met troepen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p class="line">Oproerig vee, afval en schuim van Kent,</p> +<p class="line">Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;</p> +<p class="line">IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.</p> +<p class="line">De koning is genadig, zoo gij afvalt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">William Stafford.</p> +<p class="line">Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,</p> +<p class="line">Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;</p> +<p class="line">Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover</p> +<p class="line">Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,</p> +<p class="line">Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p class="line">Hondsvot, uw vader was een metselaar;</p> +<p class="line">Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">En Adam was een spitter.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">William Stafford.</p> +<p class="line">Nu, wat wilt gij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man</p> +<p class="line">Der dochter van den hertog Clarence, niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p class="line">’t Is waar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">William Stafford.</p> +<p class="line">Niet waar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.</p> +<p class="line">Het oudste van de twee, dat bij een min was,</p> +<p class="line">Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;</p> +<p class="line">Het kende zijn geboorte en afkomst niet,</p> +<p class="line">En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.</p> +<p class="line">Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p class="line">Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith.</p> +<p>Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en de baksteenen zijn +nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het niet. +<span class="lineNum">158</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p class="line">En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,</p> +<p class="line">Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">William Stafford.</p> +<p class="line">Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—<span class="stage">(<i>Luid</i>).</span> Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders wil, Hendrik +den Vijfden, in wiens tijd de jongens <span id="kh6ii.iv.2.166">duitenwerpen</span> speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft regeeren; maar +ik wil protector over hem zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het hertogdom Maine verkocht +heeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met een kruk moeten loopen, +als mijn macht het niet op de been hield. Gij medekoningen, ik zeg u, dat die lord +Say den staat ontmand en tot een gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij +kan Fransch spreken en dus is hij een verrader.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p>O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, dan vraag ik <span class="pageNum" id="pb682">[<a href="#pb682">682</a>]</span>alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, een goed raadsman zijn, ja +of neen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">William Stafford.</p> +<p class="line">Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,</p> +<p class="line">Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Stafford.</p> +<p class="line">Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,</p> +<p class="line">Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;</p> +<p class="line">Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,</p> +<p class="line">Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,</p> +<p class="line">Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—</p> +<p class="line">En wie des konings vriend is, volge mij!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De beide</i> <span class="sc">Staffords</span> <i>met hun troepen af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—</p> +<p class="line">’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.</p> +<p class="line">Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,</p> +<p class="line">Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.</p> +<p class="line">Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,</p> +<p class="line">Als zij maar durfden, zeker onzen kant.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. Komt, vooruit! voorwaarts!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van</i> <span class="ex">Blackheath</span>.</p> +<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide</i> <span class="sc">Staffords</span> <i>worden gedood</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Waar is Dick, de slachter van Ashford?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Hier.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof gij in uw eigen +slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: <span id="kh6ii.iv.3.7">de vastentijd zal</span> nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning krijgen om een honderdtal +beesten min één te slachten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Meer verlang ik niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>En in waarheid, gij verdient niet minder.—<span class="stage">(<i>Hij doet de wapenrusting van Sir</i> <span class="sc">Humfried Stafford</span> <i>aan</i>.)</span> <span id="kh6ii.iv.3.11">Dit gedenkteeken van de overwinning</span> wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot ik in Londen kom, waar +wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen laten dragen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij de tuchthuizen openbreken +en de gevangenen vrijlaten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">Weest onbezorgd; daar sta ik voor in.</p> +<p class="line">Komt, allen voorwaarts, naar Londen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van</i> <span class="sc">Buckingham</span> <i>en Lord</i> <span class="sc">Say</span>; <i>op den achtergrond is Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>treurende over</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>hoofd</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed</p> +<p class="line">Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;</p> +<p class="line">Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.</p> +<p class="line">Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?</p> +<p class="line">Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,</p> +<p class="line">Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;</p> +<p class="line">Verhoede God, dat zooveel arme zielen</p> +<p class="line">Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog</p> +<p class="line">Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf</p> +<p class="line">Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—</p> +<p class="line">Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat</p> +<p class="line">Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,</p> +<p class="line">En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,</p> +<p class="line">Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. <span class="lineNum">19</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hoe is het, vrouwe?</p> +<p class="line">Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood?</p> +<p class="line">Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’,</p> +<p class="line">Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat is er? waartoe komt gij met die haast?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst!</p> +<p class="line">Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer,</p> +<p class="line">Gesproten uit het hertogshuis van Clarence;</p> +<p class="line">Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst</p> +<p class="line">En zweert, in Westminster zichzelf te kronen.</p> +<p class="line">Zijn leger is een havelooze bende</p> +<p class="line">Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig.</p> +<p class="line">Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood</p> +<p class="line">Gaf hun het hart, den moed om door te gaan.</p> +<p class="line">Geleerden, advocaten, hof en adel,</p> +<p class="line">’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb683">[<a href="#pb683">683</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p id="kh6ii.iv.4.44" class="line">Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth,</p> +<p class="line">Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O, leefde thans de hertog Suffolk nog,</p> +<p class="line">Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Lord Say, die oproermakers haten u;</p> +<p class="line">Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar.</p> +<p class="line">Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede;</p> +<p class="line">Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat;</p> +<p class="line">Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Tweede Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Bode.</p> +<p class="line">Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug;</p> +<p class="line">De burgers vluchten angstig uit hun huizen;</p> +<p class="line">En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters,</p> +<p class="line">Uit dorst naar buit; als één man zweren zij</p> +<p class="line">De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot lord</i> <span class="sc">Say</span>).</span> Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld,</p> +<p class="line">En daarom ben ik moedig en gerust.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De Tower.</i></p> +<p class="stage"><i>Lord</i> <span class="sc">Scales</span> <i>en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen eenige Burgers beneden +op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Scales.</p> +<p class="line">Wel, is Jack Cade alreeds gedood?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Burger.</p> +<p>Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij hebben de brug genomen, en dooden +alles, wat weerstand biedt. De lord mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, +ten einde de stad tegen de muiters te verdedigen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Scales.</p> +<p class="line">Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst;</p> +<p class="line">Maar ik heb zelf de handen vol met hen;</p> +<p class="line">Zij waagden reeds een aanval op den Tower.</p> +<p class="line">Doch trek naar Smithfield en verzamel volk;</p> +<p class="line">Daarheen zend ik tot u Matthias Gough.</p> +<p class="line">Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens;</p> +<p class="line">En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De Kanonstraat.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Jack Cade</span> <i>komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den Londener steen.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den <span id="kh6ii.iv.6.2">Londener steen</span>, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het manneke-pis niets anders dan +rooden wijn zal geven in het eerste jaar van onze regeering. En verder, voortaan zal +het hoogverraad zijn, als iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rebel.</p> +<p>Jack Cade! Jack Cade!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Slaat dien kerel dood!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Man wordt gedood.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith.</p> +<p>Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade noemen; mij dunkt, hij +heeft een mooie waarschuwing gekregen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de Londener brug in brand +steken, en als gij kunt, brandt dan ook den Tower plat. Komt, vooruit!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.7" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Smithfield.</i></p> +<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op</i> <span class="sc">Jack Cade</span> <i>met zijn volk; van de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door</i> <span class="sc">Matthias Gough</span>. <i>Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en</i> <span class="sc">Matthias Gough</span> <i>valt</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en <span id="kh6ii.iv.7.2">het Savooische huis</span> neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen komen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij is in den mond gestoken met +een speer en nog niet genezen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Smith</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want hij stinkt uit den mond naar +gerooste kaas.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de besluiten van het +rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">John</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem zijn tanden niet uitgetrokken +worden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb684">[<a href="#pb684">684</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p>Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden in Frankrijk verkocht +heeft, <span id="kh6ii.iv.7.24">die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling +van het pond bij de laatste oorlogsschatting</span>.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">George Bevis</span> <i>komt op, met Lord</i> <span class="sc">Say</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—<span id="kh6ii.iv.7.27">Zoo, gij Say, gij saai</span>, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke rechtspraak. Wat kunt +gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij Normandije aan Monsieur Baesimeku, +den dauphijn van Frankrijk, hebt overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, +dat is door dezen lord Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen +van zulke vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk +verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl voordezen onze +voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het keepmes en den kerfstok, hebt +gij het drukken in zwang gebracht en, tot inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, +een papiermolen gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om +u heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en meer zulke +afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. Gij hebt vrederechters benoemd, +om arme drommels voor zich te roepen over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. +Bovendien hebt gij die in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden +lezen, terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een schabrak, +is het zoo niet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p>En wat zou dat? <span class="lineNum">52</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui dan gij in broek en +hemdrok rondloopen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een slager ben.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p>Gij mannen van Kent,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Wat hebt gij op Kent te zeggen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p>Slechts dit: ’t is <span class="ex" id="kh6ii.iv.7.61" lang="la">bona terra, mala gens</span>.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.</p> +<p class="line">Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren</p> +<p id="kh6ii.iv.7.66" class="line">De liefste streek genoemd van heel dit eiland;</p> +<p class="line">Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;</p> +<p class="line">Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,</p> +<p class="line">Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.</p> +<p class="line">Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,</p> +<p class="line">Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.</p> +<p class="line">Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,</p> +<p class="line">Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.</p> +<p class="line">Wanneer legde ik u lasten op, tenzij</p> +<p class="line">Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?</p> +<p class="line">Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,</p> +<p class="line">Omdat mijn weten bij den koning gold,</p> +<p class="line">En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis</p> +<p class="line">De vleugel is, die ons ten hemel heft.</p> +<p class="line">Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,</p> +<p class="line">Dan deinst gij van een moord op mij terug.</p> +<p class="line">Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven</p> +<p class="line">Voor u gepleit,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,</p> +<p class="line">Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p>O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te overvallen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p>Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden</p> +<p class="line">Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den bijstand van een bijl.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Wat siddert gij, man? <span class="lineNum">96</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p>Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel vinden. Ik wil eens zien, +of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;</p> +<p class="line">Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!</p> +<p class="line">Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?</p> +<p class="line">Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?</p> +<p class="line">Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?</p> +<p class="line">Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,</p> +<p class="line">In deze borst geen arglist ooit gehuisd;</p> +<p class="line">O, laat mij ’t leven!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade</p> +<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, maar ik wil die beteugelen; +sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met +hem! hij heeft een dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam +van God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en breekt +dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het hoofd af, en brengt +die alle twee op twee staken hier.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb685">[<a href="#pb685">685</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Het zal gebeuren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Say.</p> +<p class="line">Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden</p> +<p class="line">Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,</p> +<p class="line">Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?</p> +<p class="line">Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p class="line">Weg met hem, doet zooals ik u beveel.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Eenigen zijner aanhangers met Lord</i> <span class="sc">Say</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="first">De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders dragen, als hij +mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er uitgehuwd worden, zonder dat zij mij +haar maagdom betaalt, eer zìj dien krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, +en wij gelasten en bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar +wenschen of de tong vertellen kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Dick.</p> +<p>Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om <span id="kh6ii.iv.7.131">koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Wel, dadelijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p>O, heerlijk!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord</i> <span class="sc">Say</span> <i>en zijn Schoonzoon op staken</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want zij hadden elkander +lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van elkaar, opdat zij niet samen raadplegen +om nog meer Fransche steden weg te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad +uit tot van nacht, want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee rijksappels, +en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen zij elkander kussen.—Vooruit!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.8" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ACHTSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Southwark.</span></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Cade</span> <i>komt op, met al zijn gepeupel</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, velt ze neer! smijt +ze in de Theems!—<span class="stage">(<i>Er wordt een sein geblazen voor een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.</i>)</span> Heeft daar iemand het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last +geef, alles dood te slaan?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en de oude</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.</p> +<p class="line">Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier</p> +<p class="line">Des konings aan ’t door u verleide volk;</p> +<p class="line">Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,</p> +<p class="line">Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Wat kiest gij, landgenooten? de genade,</p> +<p class="line">Die onderwerping nog erlangt, of moet</p> +<p id="kh6ii.iv.8.13" class="line">Een oproerling u voeren in den dood?</p> +<p class="line">Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,</p> +<p class="line">Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”</p> +<p class="line">Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,</p> +<p class="line">Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,</p> +<p class="line">Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Den koning heil! den koning heil!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, laffe boeren, gelooft +gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met uw pardon om den hals? Heeft mijn +zwaard daarom de poort van Londen opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in +Southwark in den steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt nederleggen, +aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen zijt afvalligen en lafaards +en ’t is u een genot, in de slavernij van den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten +zij u met lasten den rug breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en +dochters voor uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen, +en daarmee,—Gods vloek op u allen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, <span class="lineNum">36</span></p> +<p class="line">Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?</p> +<p class="line">Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,</p> +<p class="line">U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?</p> +<p class="line">Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,</p> +<p class="line">Hij kan niet leven, dan alleen door roof,</p> +<p class="line">’t Bestelen van uw vrienden en van ons.</p> +<p class="line">Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht</p> +<p class="line">De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,</p> +<p class="line">De zeeën overstak en u versloeg?</p> +<p class="line">Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,</p> +<p class="line">Hoe hij den baas in Londens straten speelt,</p> +<p id="kh6ii.iv.8.48" class="line">„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.</p> +<p class="line">Laat eer tienduizend laaggeboren Cades</p> +<p class="line">Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt</p> +<p class="line">Voor de genade van een enk’len Franschman.</p> +<p class="line">Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,</p> +<p class="line">Spaart England, dàt is uw geboortestrand.</p> +<p class="line">Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;</p> +<p class="line">God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p>Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met Clifford!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze volkshoop? De naam +van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een honderd boosheden en maakt, dat zij +mij in den nood verlaten. Ik zie, dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij +te overrompelen, mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots +hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen van mij getuigen, +dat geen gebrek <span class="pageNum" id="pb686">[<a href="#pb686">686</a>]</span>aan moed, maar alleen het laag en schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen +doet lichten.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Cade</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;</p> +<p class="line">En wie het hoofd diens mans den koning brengt,</p> +<p class="line">Zal duizend kronen ter belooning hebben.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Eenigen spoeden zich heen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,</p> +<p class="line">Om allen met den koning te verzoenen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.9" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">NEGENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Het kasteel</i> <span class="ex">Kenilworth</span>.</p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>verschijnen op het terras van het kasteel</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,</p> +<p class="line">Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?</p> +<p class="line">Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,</p> +<p class="line">Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;</p> +<p class="line">Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,</p> +<p class="line">Als ik verlang een onderdaan te zijn.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op, boven</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Spreek, Buckingham, is die verrader Cade</p> +<p class="line">Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Beneden komt een aantal aanhangers van</i> <span class="sc">Cade</span> <i>op, allen met stroppen om den hals</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,</p> +<p class="line">En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig</p> +<p class="line">Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, <span class="lineNum">13</span></p> +<p class="line">En dat mijn dank en lof u welkom zij!—</p> +<p class="line">Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;</p> +<p class="line">Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;</p> +<p class="line">Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,</p> +<p class="line">Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,</p> +<p class="line">Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.</p> +<p class="line">En zoo, u allen dankend en vergevend,</p> +<p class="line">Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">God behoede den koning! God behoede den koning!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:</p> +<p class="line">Zoo even komt de hertog York uit Ierland,</p> +<p class="line">En rukt, met groote en sterke legermacht,</p> +<p id="kh6ii.iv.9.26" class="line">Van Galloglassen en van forsche Kernen,</p> +<p class="line">Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,</p> +<p class="line">Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,</p> +<p class="line">Dan van het hof den hertog Somerset,—</p> +<p class="line">Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,</p> +<p class="line">Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,</p> +<p class="line">Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;</p> +<p class="line">Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,</p> +<p class="line">Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.</p> +<p class="line">Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,</p> +<p class="line">Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,</p> +<p class="line">Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—</p> +<p class="line">Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,</p> +<p class="line">Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,</p> +<p class="line">Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Buckingham</span>).</span> Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen barsche taal,</p> +<p class="line">Want heftig is hij en verdraagt dit niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,</p> +<p class="line">Dat alles zich ten uwen beste keert.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer</p> +<p class="line">Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu</p> +<p class="line">Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.iv.10" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TIENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Kent.</span> <span class="sc">Iden’s</span> <i>tuin</i>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Cade</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch op het punt sta om +van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in deze bosschen schuil gehouden +en durfde niet uitkijken, want het geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, +dat ik het niet langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar +voor in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te zien, of +ik er wat malsch gras kan eten, of <span id="kh6ii.iv.10.9">haver in plaats van helm</span>, en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag een weinigje +kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord helm in de wereld is gekomen, +om mij in het leven te houden; want menig keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan +door een hellebaard gespleten zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en +een stevigen tocht deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, +en nu heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,</p> +<p class="line">Die zulk een rustig wandelplekje heeft?<span class="pageNum" id="pb687">[<a href="#pb687">687</a>]</span></p> +<p class="line">Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,</p> +<p class="line">Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.</p> +<p class="line">Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,</p> +<p class="line">Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;</p> +<p class="line">Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,</p> +<p class="line">Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een landlooper, omdat ik zonder +verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, gij wilt mij verraden en een duizend kronen +van den koning verdienen door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren +eten als een struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij tweeën +van elkander scheiden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,</p> +<p class="line">Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?</p> +<p class="line">Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,</p> +<p class="line">En als een dief hier in mijn hof komt stelen,</p> +<p class="line">Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,</p> +<p class="line">Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, en u trotsen bovendien. +Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen iets gegeten; maar toch, kom eens op met +uw vijf kerels, en als ik u niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, +dat ik nooit meer één grassprietje te eten krijg. <span class="lineNum">44</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,</p> +<p class="line">Dat Alexander Iden, Kenter landheer,</p> +<p class="line">Met overmacht een hong’rig man bevocht.</p> +<p class="line">Richt vast uw starend oog nu op het mijne,</p> +<p class="line">En zie, of gij met blikken mij bedwingt;</p> +<p class="line">Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;</p> +<p class="line">Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,</p> +<p class="line">Uw been een stok, naast dezen stam gezien,</p> +<p class="line">Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;</p> +<p class="line">En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,</p> +<p class="line">Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.</p> +<p class="line">Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,</p> +<p class="line">Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit van gehoord heb!—Nu +gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien grofgeschonkten pochhans niet in +stukken ossenvleesch kapt, eer gij in uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn +knieën, dat gij tot hoefnagels moogt versmeed worden. <span class="stage">(<i>Zij vechten</i>; <span class="sc">Cade</span> <i>valt</i>.)</span> O, ik ben geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er tienduizend +duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien maaltijden, die ik gemist heb, +en ik neem het tegen allen op. Verdor, gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats +van allen, die in dit huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden +is. <span class="lineNum">70</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?</p> +<p class="line">Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;</p> +<p class="line">Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;</p> +<p class="line">Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,</p> +<p class="line">Gij zult het dragen als een wapenkleed,</p> +<p class="line">Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Cade.</p> +<p>Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van mij, dat het zijn +besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele wereld aan om lafaards te zijn, want +ik, die nooit iemand vreesde, ben overwonnen door den honger, niet door dapperheid.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!</p> +<p class="line">Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!</p> +<p class="line">En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,</p> +<p class="line">Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.</p> +<p class="line">Thans sleep ik bij uw hielen u van hier</p> +<p class="line">Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;</p> +<p class="line">Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,</p> +<p class="line">Dat ik den koning zegevierend breng,</p> +<p class="line">Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten<span class="corr" id="xd33e13816" title="Niet in bron">.</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Iden</span>, <i>het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af</i>.)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6ii.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een veld tusschen</i> <span class="ex">Dartford</span> <i>en</i> <span class="ex">Blackheath</span>.</p> +<p class="stage"><i>Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt</i> <span class="sc">York</span> <i>op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen afstand</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,</p> +<p class="line">En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;</p> +<p class="line">Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,</p> +<p class="line">En groet den echten vorst van ’t machtig England.</p> +<p class="line"><span class="ex" lang="la">Sancta majestas!</span> wie kocht u niet duur?</p> +<p class="line">Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;</p> +<p class="line">De hand hier werd gevormd om enkel goud,</p> +<p class="line">Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden</p> +<p class="line">Kan zij de volle kracht en klem niet geven,</p> +<p class="line">Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.</p> +<p class="line">En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,</p> +<p class="line">Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb688">[<a href="#pb688">688</a>]</span></p> +<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?</p> +<p class="line">De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.</p> +<p class="line">Komt gij als bode hier, of uit uzelf?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,</p> +<p class="line">Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?</p> +<p class="line">Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,</p> +<p class="line">Trots uwen eed en uw bezworen trouw,</p> +<p class="line">Zulk leger zonder machtiging gelicht,</p> +<p class="line">En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.</p> +<p class="line">O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,</p> +<p class="line">Zoo toornig word ik bij die snoode taal;</p> +<p class="line">Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,</p> +<p class="line">Mijn woede op ossen en op schapen koelen.</p> +<p class="line">Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,</p> +<p class="line">Meer koning in mijn denken, in mijn aard;</p> +<p class="line">Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,</p> +<p class="line">Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,</p> +<p class="line">Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;</p> +<p class="line">Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.</p> +<p class="line">Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—</p> +<p class="line">Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,</p> +<p class="line">Wijl hij den koning en het rijk verraadt. <span class="lineNum">37</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Te veel aanmatiging van u, voorwaar!</p> +<p class="line">Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,</p> +<p class="line">Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;</p> +<p class="line">De hertog Somerset is in den Tower.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—</p> +<p class="line">Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;</p> +<p class="line">Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,</p> +<p class="line">Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.</p> +<p class="line">En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,</p> +<p class="line">Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,</p> +<p class="line">Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend</p> +<p class="line">Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;</p> +<p class="line">Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,</p> +<p class="line">’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Die need’rige onderwerping prijs ik, York;</p> +<p class="line">Gaan wij te zamen naar des konings tent.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>treedt op, met Gevolg</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,</p> +<p class="line">Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">In alle need’righeid, vol onderwerping,</p> +<p class="line">Verschijnt hier York voor uwe majesteit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Den valschen Somerset van hier te drijven,</p> +<p class="line">En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—</p> +<p class="line">Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Cade’s</span> <i>hoofd</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,</p> +<p class="line">Voor de oogen van een koning treden mag,</p> +<p class="line">Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,</p> +<p class="line">Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—</p> +<p class="line">O, laat mij het gelaat des dooden zien,</p> +<p class="line">Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.</p> +<p class="line">Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,</p> +<p class="line">Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Buckingham.</p> +<p class="line">Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,</p> +<p class="line">Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kniel neder, Iden.—<span class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>knielt</i>.)</span> Sta als ridder op. <span class="lineNum">78</span></p> +<p class="line">Wij geven u tot loon éénduizend mark,</p> +<p class="line">En willen, dat gij voortaan om ons zijt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Iden.</p> +<p class="line">Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;</p> +<p class="line">Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij rijst op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!</p> +<p class="line">Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,</p> +<p class="line">Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,</p> +<p class="line">Ontboei uw langgekerkerde gedachten,</p> +<p class="line">En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.</p> +<p class="line">Zou ik het zien van Somerset verdragen?—</p> +<p class="line">Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,</p> +<p class="line">Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?</p> +<p class="line">Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;</p> +<p class="line">Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,</p> +<p class="line">Die geen verrader teug’len durft noch kunt?</p> +<p class="line">Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,</p> +<p class="line">Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,</p> +<p class="line">Een echten vorstenscepter siert zij niet.</p> +<p class="line">Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,</p> +<p class="line">Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,<span class="pageNum" id="pb689">[<a href="#pb689">689</a>]</span></p> +<p class="line">Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.</p> +<p class="line">Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,</p> +<p class="line">’t Gezag der wetten klem verleenen kan.</p> +<p class="line">Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn</p> +<p class="line">Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u</p> +<p class="line">Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;</p> +<p class="line">Kniel, driest verrader; vraag genade, York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,</p> +<p class="line">Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.</p> +<p class="line">Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Een van</i> <span class="sc">York’s</span> <i>volgers af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,</p> +<p class="line">Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;</p> +<p class="line">Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York</p> +<p class="line">Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Napolitaansche, gij, met bloed bespat,</p> +<p class="line">Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;</p> +<p class="line">York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,</p> +<p class="line">Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,</p> +<p class="line">Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. <span class="lineNum">121</span></p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>komen van de eene zijde met troepen op; van de andere, eveneens met troepen, de oude</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>en zijn Zoon</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij knielt.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?</p> +<p class="line">Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;</p> +<p class="line">Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;</p> +<p class="line">En deze uw dwaling willen we u vergeven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;</p> +<p class="line">Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—</p> +<p class="line">Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin</p> +<p class="line">Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,</p> +<p class="line">En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;</p> +<p class="line">Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dat doet gij, zoons, niet waar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward<span class="corr" id="xd33e14190" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="line">Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;</p> +<p class="line">Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—</p> +<p id="kh6ii.v.1.144" class="line">Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,</p> +<p class="line">Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds</p> +<p class="line">Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;</p> +<p class="line">Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,</p> +<p class="line">En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,</p> +<p class="line">Als gij hen op de kampplaats brengen durft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond</p> +<p class="line">Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,</p> +<p class="line">Maar losgelaten op den berenklauw,</p> +<p class="line">Met ingetrokken staart begon te janken;</p> +<p class="line">En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,</p> +<p class="line">Als gij u met lord Warwick waagt te meten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,</p> +<p class="line">Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! <span class="lineNum">158</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?</p> +<p class="line">En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,</p> +<p class="line">Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—</p> +<p class="line">Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard</p> +<p class="line">En zoekt met uwen bril het onheil op?</p> +<p class="line">O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?</p> +<p class="line">Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,</p> +<p class="line">Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—</p> +<p class="line">Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,</p> +<p class="line">Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?</p> +<p class="line">Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?</p> +<p class="line">Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?</p> +<p class="line">O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,</p> +<p class="line">Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Mylord, gewogen heb ik in mijzelf</p> +<p class="line">De aanspraken van den hoogberoemden hertog,</p> +<p class="line">En naar geweten acht ik volgens ’t recht</p> +<p class="line">Hem erfgenaam van Englands koningstroon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Dat heb ik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb690">[<a href="#pb690">690</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,</p> +<p class="line">Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.</p> +<p class="line">Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.</p> +<p class="line">Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,</p> +<p class="line">Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,</p> +<p class="line">Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,</p> +<p class="line">Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—</p> +<p class="line">En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,</p> +<p class="line">Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Roep Buckingham en al uw vrienden op;</p> +<p class="line">Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;</p> +<p class="line">Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ik ben besloten grooter storm te tarten,</p> +<p class="line">Dan uw bezwering heden op kan roepen;</p> +<p class="line">En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,</p> +<p class="line">Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. <span class="lineNum">201</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,</p> +<p class="line">Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,</p> +<p class="line">Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—</p> +<p class="line">Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,</p> +<p class="line">Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—</p> +<p class="line">Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">En van uw stormhoed ruk ik u dien beer</p> +<p class="line">En treed dien vol verachting in het stof;</p> +<p class="line">Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De jonge Clifford.</p> +<p class="line">En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,</p> +<p class="line">Ter fnuiking van de muiters en hun bent!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!</p> +<p class="line">U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De jonge Clifford.</p> +<p class="line">Geteekende, wis niet door uw bestel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, naar verschillenden kant.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Sint-Albaans.</span></p> +<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch; schermutselingen.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!</p> +<p class="line">Indien gij niet u voor den beer verschuilt,</p> +<p class="line">Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast</p> +<p class="line">En stervenskreten de ijle lucht vervullen,</p> +<p class="line">Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!</p> +<p class="line">Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,</p> +<p class="line">Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;</p> +<p class="line">Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,</p> +<p class="line">En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,</p> +<p class="line">Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;</p> +<p class="line">Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—</p> +<p class="line">Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,</p> +<p class="line">Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.</p> +<p class="line">Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, <span class="lineNum">22</span></p> +<p class="line">Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,</p> +<p class="line">Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij vechten.</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>valt</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line"><span class="ex" id="kh6ii.v.2.28" lang="fr">La fin couronne les oeuvres!</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!</p> +<p class="line">Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De jonge Clifford.</p> +<p class="line">Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.</p> +<p class="line">Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt</p> +<p class="line">Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,</p> +<p class="line">Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,</p> +<p class="line">Werp in de ijskoude borsten van ons leger</p> +<p class="line">Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!</p> +<p class="line">Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht</p> +<p class="line">Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,</p> +<p class="line">Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,</p> +<p class="line">Den naam van dapper.—</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij ziet het lijk zijns vaders.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line"><span class="hemistich">Den naam van dapper.— </span>Booze ’wereld, eindig!</p> +<p class="line">En gij, vervroegde vlammen des gerichts,<span class="pageNum" id="pb691">[<a href="#pb691">691</a>]</span></p> +<p class="line">Boeit aarde en hemel saâm!</p> +<p class="line">Weergalme nu des jongsten dags bazuin,</p> +<p class="line">En overstemm’ die elken aardschen klank,</p> +<p class="line">Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,</p> +<p class="line">In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,</p> +<p class="line">Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,</p> +<p class="line">In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven</p> +<p class="line">In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik</p> +<p class="line">Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,</p> +<p class="line">Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,</p> +<p class="line">Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen</p> +<p class="line">Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;</p> +<p class="line">En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,</p> +<p class="line">Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.</p> +<p class="line">Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;</p> +<p class="line">Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,</p> +<p class="line">Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste</p> +<p id="kh6ii.v.2.59" class="line">Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;</p> +<p class="line">Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.</p> +<p class="line">Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij neemt het lijk op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Als eens <span class="corr" id="xd33e14529" title="Bron: Aeneas">Æneas</span> de’ oude’ Anchises droeg,</p> +<p class="line">Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;</p> +<p class="line">Maar hij droeg toen een last, die leven had,</p> +<p class="line">Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op, vechtende</i>. <span class="sc">Somerset</span> <i>wordt gedood</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Zoo, lig gij daar!— <span class="lineNum">66</span></p> +<p class="line">Want onder eener herberg uithangschild,</p> +<p id="kh6ii.v.2.68" class="line">„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset</p> +<p class="line">Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.</p> +<p class="line">Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:</p> +<p class="line">Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Richard</span> <i>af.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en Anderen komen op, terugtrekkende</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?</p> +<p class="line">Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,</p> +<p class="line">Te wijken voor den vijand, ons te bergen</p> +<p class="line">Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch op een afstand.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem</p> +<p class="line">Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—</p> +<p class="line">Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—</p> +<p class="line">Dan zijn wij dra te Londen, waar men u</p> +<p class="line">Genegen is, en waar wij deze bres</p> +<p class="line">In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt weder op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">De jonge Clifford.</p> +<p class="line">Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,</p> +<p class="line">Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;</p> +<p class="line">Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid</p> +<p class="line">Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.</p> +<p class="line">Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven</p> +<p class="line">Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!</p> +<p class="line">Voort, voort, mijn vorst, van hier!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.v.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een veld bij</i> <span class="ex">Sint-Albaans</span>.</p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen</i> <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Troepen op, met trommen en vaandels</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wie weet iets van den ouden Salisbury?</p> +<p class="line">Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede</p> +<p class="line">Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,</p> +<p class="line">En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht</p> +<p class="line">Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag</p> +<p class="line">Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,</p> +<p class="line">Zoo Salisbury ontbreekt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Zoo Salisbury ontbreekt. </span>Mijn eed’le vader,</p> +<p class="line">Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,</p> +<p class="line">Stond driemaal over hem, en voerde driemaal</p> +<p class="line">Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;</p> +<p class="line">Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;</p> +<p class="line">Als in een arme hut een rijk tapijt,</p> +<p class="line">Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.</p> +<p class="line">Doch zie, hij komt, en edel als altoos. <span class="lineNum">14</span></p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Salisbury.</p> +<p class="line">Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;</p> +<p class="line">Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;</p> +<p class="line">God weet, hoe lang ik nog te leven heb;</p> +<p class="line">En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal</p> +<p class="line">Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—</p> +<p class="line">Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;</p> +<p class="line">’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;</p> +<p class="line">Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,</p> +<p class="line">Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,</p> +<p class="line">En roept zijn parlement er daad’lijk op.</p> +<p class="line">Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!</p> +<p class="line">Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!</p> +<p class="line">Bij God, mylords, dit was een dag van roem;</p> +<p class="line">De slag, door den roemruchten York gewonnen,</p> +<p class="line">Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—</p> +<p class="line">Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;</p> +<p class="line">Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb692">[<a href="#pb692">692</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6ii.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">AANTEEKENINGEN</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar 1455 viel +de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het huis van Lancaster moest +zwichten voor de wapens van den hertog van York. Het tweede deel van „Koning Hendrik +de Zesde” omvat dit geheele tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag +van Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van Sint-Albaans vereenzelvigd +is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk +<span class="corr" id="xd33e14727" title="Bron: deu">den</span> val van de hertogin van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den +hertog van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de heerschzucht +der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds in 1441 werd Eleonore Cobham, +echtgenoote, vroeger minnares van Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat +zij met den duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den kanunnik +Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den koning naar het leven +had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het boetelingshemd door Londens straten gevoerd +te worden, en verder naar het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot +zes jaren later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg hij +ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd in Bury Sint Edmond +bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in hechtenis genomen, maar vóór zijn +zaak in onderzoek was, werd hij dood in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, +dat hij onder kussens verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin +en den gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de kardinaal +Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt onbewezen en wordt eerst +bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit +is waar, dat de prelaat kort na Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren +zich van het staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan +genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en hebzuchtig +schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: „Waarom moet ik sterven, +ik, die zoo vele rijkdommen bezit?” +</p> +<p>Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog van Suffolk +verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond den hertog van York als +stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den eerzuchtigen man van het hof verwijderd +te houden. De hertog John van Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in +een vlaag van wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen. +In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund van Somerset +moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de Franschen bukken; niet alleen +de veroveringen van Hendrik V, maar ook de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon +vereenigde erflanden der Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais +de eenige plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen verhief +zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten beschuldigde hem van +hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te verdedigen, dat er geen doodvonnis +kon uitgesproken worden, maar het huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; +hij werd voor vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks +had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of hij werd door +eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en gevangengenomen; het woedend +scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn +lijk op het strand geworpen. +</p> +<p>Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort na Suffolk’s +dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis Lancaster gericht was, en +waarvan de kroniek van Hall uitvoerig gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, +van krachtigen lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het +huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon van den laatsten +graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer aannam. Aan het hoofd van twintigduizend +man rukte hij op naar Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de +gemeenten van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij behelsden +zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de verwijdering van den +Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen +met een handvol koninklijke troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, +maar werd neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van +den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, week naar het +slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den aartsbisschop van Canterbury en den hertog +Humfried van Buckingham naar het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. +John Cade weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen persoon +tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond. +<span class="pageNum" id="pb693">[<a href="#pb693">693</a>]</span></p> +<p>Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den Tower alleen +een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord Scales, brak hij naar Londen +op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” in de voorstad Southwark, en trok den volgenden +dag in Stafford’s harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met +zijn zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze stad” +en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der vrienden van Suffolk, +schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen en werd onthoofd; hetzelfde lot trof +den schoonzoon van Say, Sir James Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng +was geweest. Beider hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar +op iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop volgden allerlei +verdere gruwelen, brandschatting, plundering, terechtstellingen, bij welke laatste +Cade ook zijn eigen volk niet verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen +eerbied bewees, werd zonder genade onthoofd. +</p> +<p>Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen naar de wapens; +de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut en gaf hun een dapperen aanvoerder, +Sir Matthias Gough, die in Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een +schrikkelijk gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte +het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van de Theems en +hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede zouden laten. Zij trokken af +naar Rochester en kregen er twist over de verdeeling van den buit; zij begonnen naar +huis te verlangen; toen nu de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor +hen, die van John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, zonder +hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een prijs van duizend +mark gesteld was, ontvlood te paard naar een boschrijke streek en zwierf eenige dagen +rond, tot hij door Alexander Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend +gedood werd. +</p> +<p>Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De ontevredenheid was ook +na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het hof, de druk der hovelingen, der groote +heeren en der geestelijkheid hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich +slechts in vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als haar +helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn broeder John, hertog +van Somerset<a class="noteRef" id="xd33e14738src" href="#xd33e14738" title="Ga naar noot 1.">1</a>, die pas met de overblijfselen van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd +en in het oog des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen; +hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en een groot +deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze omstandigheden landde +Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, die, naar men beweerde, ook in den +opstand van John Cade reeds de hand had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts +op de kust van Wales, verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad +om het wanbestuur van Somerset te doen ophouden. +</p> +<p>Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de familie der +Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, belangrijke bezittingen door huwelijk +in eigendom, de graafschappen namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de +zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede bezitting verworven +door het huwelijk met de erfdochters der twee graafschappen. De vrouwen uit deze familie +gingen aanzienlijke huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil, +zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van Westmoreland, en van +Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst vermeld is. Zulke edellieden hadden +een groote macht, onderhielden troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in +een tijd, toen de vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote +beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. Nabij Shakespeare’s +geboortestad verhief zich het grootsche slot, Warwick-castle, welks bouwvallen nog +heden getuigen van de macht der vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de +huishouding van Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks +werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt geslacht; in +alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in zijn huis slechts eenigszins +bekend was, mocht er zooveel gekookt of gebraden vleesch uit medenemen, als hij op +een langen dolk dragen kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, +een der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de eer van +Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak van hem had afgehangen, +de veroveringen in Frankrijk niet verloren zouden gegaan zijn. +</p> +<p>Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere invloedrijke edelen +steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was de gang der gebeurtenissen niet. +Hij trachtte aanvankelijk den Hertog van Somerset door <span class="pageNum" id="pb694">[<a href="#pb694">694</a>]</span>middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel bijval hij bij het huis der Gemeenten +vinden mocht, de hertog Edmund van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich +in het bewind te handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende +dat hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, om allen, +die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings raad te verwijderen, stemde +de koning, die ook te velde was getogen, toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis +zou genomen worden. Toen gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde +bedrijf voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings woord, +in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even fier als altijd; het +kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar Londen gevoerd; zijn zoon Edward +rukte weldra tot ontzet aan, maar eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, +levenslang een getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen +zijn, werd hij weder ontslagen. +</p> +<p>Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te roeren. In 1453 +werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land bij de Garonne weder onder Engelsch +bewind trachtte te brengen, geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den +herfst overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem voor +de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin van een zoon, waardoor +voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze eenmaal de kroon te erlangen. Hij +wist van de ontevredenheid over den loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om +zich door middel van het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd +in hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad schuldig kon +verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot „Protector en Defensor” van het +rijk verklaard. +</p> +<p>Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de voornaamste +ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het noorden stonden weldra de Percy’s, +die reeds lang op de macht der Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. +Terwijl de regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling +de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst der koningin +weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, reeds uit zucht tot zelfbehoud, +zich doen gelden; hij verzamelde zijn getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn +zwager Henry Nevil, graaf van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham +en vele anderen en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw +aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op tweeduizend +gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en Buckingham, de graven van +Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en vele anderen het hof naar Leicester wilden +begeleiden. Nog eens vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, +en op het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral door de +onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York beslist werd. Somerset, Northumberland, +Clifford en vele anderen vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek +verwond, geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem naar +Londen togen. +</p> +<p>Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel van „K. Hendrik VI” +eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag van Northampton, die vijf jaren later, +10 Juli 1460, plaats vond en waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. +Want op den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het eerste +tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt voorgesteld, het optreden van +York als kroonpretendent; hij stelde zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige +kwaal ter prooi was, tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden +der Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in onophoudelijken strijd +om het gezag met de koningin en haar aanhangers; wel werd er in 1458 op verzoek van +den weder herstelden koning schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder +onlusten uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden York +en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs gebracht, maar in het +volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van Warwick en York’s oudsten zoon Edward +een beslissende overwinning bij Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham +en wel driehonderd andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha +met haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest vluchten.—Voor +het overige waren de omstandigheden na den slag bij Sint-Albaans en dien bij Northampton +zeer gelijk; ook bij Northampton viel de koning in de macht der overwinnaars en moest +hen naar Londen volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door +het parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen gerechtigd +achten om beide gebeurtenissen samen te smelten. +</p> +<p>In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn doel verwerkt +heeft. +</p> +<hr class="tb"><p> +<span class="pageNum" id="pb695">[<a href="#pb695">695</a>]</span></p> +<p><a href="#kh6ii.i.1.124">I. 1. 124.</a> <span class="ex">Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog!</span> In ’t Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „<i lang="en">For Suffolk’s duke, may he be suffocate!</i>” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil +men van het spelen met de klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ +hij aan zijn hertogdom!” +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.1.132">I. 1. 132.</a> <span class="ex">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot bedrag, een vijftiende durft +vragen Voor ’t halen en de kosten van den tocht.</span> Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de vijftiende penning, +die tot bestrijding van de kosten van den tocht geheven zou worden, in plaats van +den tienden penning, waar de koning vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken +had. De buitengewone belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen +naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, naarmate er van +iederen tienden of vijftienden penning een penning moest betaald worden. Een vijftiende, +dus een inkomsten-belasting van 6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis +niet zelden voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de buitengewone +heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het geheele inkomen getroffen werd.—Delius +verklaart dit vijftiende als het vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; +is deze opvatting de ware, dan kan de vertaling der plaats luiden: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk +</p> +<p class="line">’t Vijftiende deel der lasten van het volk +</p> +<p class="line">Vraagt voor de kosten van den overtocht.</p> +</div> +<p class="first"><a href="#kh6ii.i.1.194">I. 1. 194.</a> <span class="ex">En uwe daden, broeder York, in Ierland.</span> York ging eerst vier jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York +broeder, omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.1.207">I. 1. 207.</a> <span class="ex">Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond.</span> Namelijk als erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik VI, +II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt Salisbury in het +oorspronkelijke: „<i lang="en">look into the main</i>”, let op de hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende <i>Maine</i> volgt; de vertaler moest zich hier met <i>mijne</i> en Maine redden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.1.234">I. 1. 234.</a> <span class="ex">Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van den Prins van Calydon.</span> De prins van Calydon is Meleager, die volgens de oud-Grieksche mythe zoo lang leven +zou, als een stuk hout, dat zijn moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, +onverbrand zou blijven. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.1.240">I. 1. 240.</a> <span class="ex">Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan.</span> De Nevils: Salisbury en Warwick. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.2.42">I. 2. 42.</a> <span class="ex">Booze Eleonora.</span> Er staat eigenlijk: slecht opgevoede. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.2.68">I. 2. 68.</a> <span class="ex">Waar blijft gij toch, Sir John?</span> <i>Sir</i> was de titel, waarmede priesters werden aangesproken. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.3.4">I. 3. 4.</a> <span class="ex">Allen gezamenlijk.</span> <i lang="en">In the quill</i>, een zeer verschillend verklaarde uitdrukking, zie <i>H. Irving’s</i> Shakespeare II. p. 80, waar de beteekenis <i lang="en">in a body</i> hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een andere verklaring zou „zwart op wit” +een juiste vertaling zijn. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.3.15">I. 3. 15.</a> <span class="ex">Voor den lord Protector?</span> Hier moet zeker, zooals Marshall opmerkt, <i lang="en">for</i> en niet <i lang="en">to</i> gelezen worden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.3.29">I. 3. 29.</a> <span class="ex">Tegen mijnen meester, Thomas Horner.</span> Volgens de kronieken had in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld +wordt. Ook het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel +van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.3.141">I. 3. 141.</a> <span class="ex">Mijn waaier, vlug!</span> De koningin houdt zich alsof zij een hofdame voor zich meent te hebben en eerst later +haar vergissing bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth +niet veilig voor een vorstelijke oorveeg. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.3.171">I. 3. 171.</a> <span class="ex">Mylord van Somerset mij hier zou houden.</span> York zinspeelt er op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; +zie „K. Hendrik VI”, IV. 3. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.4.33">I. 4. 33.</a> <span class="ex">Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af.</span> Het orakel is dubbelzinnig, daar <i>Een Hertog</i>, zoowel als <i>Hendrik</i>, onderwerp of voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met <i lang="en">that</i> en <i lang="en">Henry</i> het geval. Ook het <i>hij</i> in den volgenden regel is onbepaald. Daarom wordt deze uitspraak later door York +vergeleken met het orakel, dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen +hij vroeg of hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan beteekenen: +„Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt overwinnen”, als: „dat de +Romeinen U kunnen overwinnen”. +</p> +<p><a href="#kh6ii.i.4.53">I. 4. 53–79.</a> <span class="ex">Weg met hen</span> enz. Deze regels zijn hier, volgens de opmerkingen van Marshall, aan York toegekend. +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.1.4">II. 1. 4.</a> <span class="ex">De oude Hans.</span> Naam van een jachtvalk. +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.1.24">II. 1. 24.</a> <span class="ex" lang="la">Tantæne animis <span class="corr" id="xd33e14917" title="Bron: coelestibus">cælestibus</span> iræ?</span> Huist in hemelsche gemoederen zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden +verder wordt ook de spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk +aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens luchten of +het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee regels verder <span class="pageNum" id="pb696">[<a href="#pb696">696</a>]</span>is vertaald naar Marshall’s verbetering: <i lang="en">With so much holiness can you not do it?</i> +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.1.126">II. 1. 126.</a> Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten onrechte, als proza gedrukt. +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.2.64">II. 2. 64.</a> <span class="ex">Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben.</span> Volgens de beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie pag. +429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42. +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.3.13">II. 3. 13.</a> <span class="ex">Bij Sir John Stanley op het eiland Man.</span> De Stanleys waren de beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze +eeuw verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een parlementsbesluit +deze waardigheid. +</p> +<p><a href="#kh6ii.ii.3.63">II. 3. 63.</a> <span class="ex">Charneco.</span> Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij Lissabon benoemd. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.1.59">III. 1. 59.</a> <span class="ex">Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven.</span> In de bij het parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen +het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De hertog, zegt Holinshed, +wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld vermocht hem niet meer te redden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.1.63">III. 1. 63.</a> <span class="ex">Wat daag’lijks in die steden oproer wekte.</span> Daar de Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de steden +zich van het Engelsche juk konden ontslaan. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.1.361">III. 1. 361.</a> <span class="ex">Een bende Kernen.</span> De woeste Keltische boeren van Ierland.—Met <span class="ex">moorendanser</span>, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit den oud-Engelschen volksdans, <i>morisco</i> of <i>morrisdance</i>, die in Mei en omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den +stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. Hendrik V”, +II. 4. 25. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.76">III. 2. 76.</a> <span class="ex">Als de adder doof geworden.</span> Naar het volksgeloof was de adder doof. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.89">III. 2. 89.</a> <span class="ex">Koop’ren grotten.</span> Toespeling op Æolus, die volgens de ouden de winden in een grot opgesloten hield. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.116">III. 2. 116.</a> <span class="ex">Mij te betoov’ren, evenals Ascanius.</span> Zinspeling op de plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben +aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en deugden van +den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der koningin voor Æneas aanwakkert. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.226">III. 2. 226.</a> <span class="ex">Bloedzuiger en belager in den slaap.</span> Warwick denkt aan de Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.310">III. 2. 310.</a> <span class="ex">Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet.</span> Men zie de aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iii.2.344">III. 2. 344.</a> <span class="ex">Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht.</span> De koningin wijst bij het woord <i>deze</i> op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel blijkt. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.3">IV. 1. 3.</a> <span class="ex">De knollen</span>, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht genoemd. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.29">IV. 1. 29.</a> <span class="ex">Zie mijn Sint George.</span> Suffolk wijst op zijn medaille met het beeld van Sint George, die hij als ridder +van den Kouseband draagt. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.35">IV. 1. 35.</a> <span class="ex">Door Water zoude ik sterven.</span> In het Engelsch is de woordspeling beter, want <i>Walter</i> en <i>Water</i> worden eveneens of nagenoeg gelijk uitgesproken. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.54">IV. 1. 54.</a> <span class="ex">Behangen muildier.</span> Een lang kleed of schabrak, over het zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard +of muildier bedekt was, werd alleen door personen van rang gebezigd. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.70">IV. 1. 70.</a> <span class="ex">Ja, Poole.</span> De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel <i>mylord</i> en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: <i>Poel</i>,—en beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een woordspeling +op dien naam. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.99">IV. 1. 99.</a> „<span class="ex" lang="la">Invitis nubibus</span>”. <i lang="la">Invitis nubibus</i>, trots de wolken. De Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een +door wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt meermalen van +de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van Shakespeare’s „Koning Richard III.” +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.108">IV. 1. 108.</a> <span class="ex">De sterke Bargulus.</span> Shakespeare kan dezen zeeroover der oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek <i lang="la">De officiis</i> (II, cap. 11.), waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.117">IV. 1. 117.</a> <span class="ex" lang="la">Pene gelidus timor occupat artus.</span> Schier bevangt kille schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel +herkomstig is, is onbekend. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.1.136">IV. 1. 136.</a> <span class="ex">Brutus’ bastaardhand.</span> In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus +een natuurlijke zoon van Cæsar zou geweest zijn.—Dat <i>Pompejus</i> door woest eiland volk vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord +met een anderen. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.37">IV. 2. 37.</a> <span class="ex">Onze vijanden moeten vallen.</span>—Dit vallen is een woordspeling met het latijnsche „<i lang="la">cade</i>”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij +een tonnetje (<i lang="en">cade</i>) haring gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de tegenwoordige +Engelsche uitspraak van Cade (<i>keed</i>). +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.47">IV. 2. 47.</a> <span class="ex">Uit het geslacht van de Spencers.</span> In het oorspronkelijke staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel <i lang="en">laces</i> (veters) kan verkocht hebben. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.62">IV. 2. 62.</a> <span class="ex">Drie marktdagen achtereen.</span>—Tuchtigingen werden op marktdagen uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.106">IV. 2. 106.</a> <span class="ex"><span class="corr" id="xd33e15142" title="Bron: Emanuel">Emanuël</span>.</span>—<span class="corr" id="xd33e15146" title="Bron: Emanuel">Emanuël</span> beteekent: „God zij met u” en werd in dien zin meermalen <span class="pageNum" id="pb697">[<a href="#pb697">697</a>]</span>boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.119">IV. 2. 119.</a> <span class="ex">Enkele kerel.</span>—In ’t Engelsch: <i lang="en">thou particular fellow</i>; „<span lang="en">particular</span>” bijzonder, in tegenstelling van „<span lang="en">general</span>”, algemeen. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.2.166">IV. 2. 166.</a> <span class="ex">Duitenwerpen.</span>—In ’t Engelsch <i lang="en">spancounter</i>; een spel, waarbij men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door +den vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te overspannen, dan +wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den tijd van Hendrik V, zegt Cade, +speelde men dit spel, in plaats van met duiten, met goudstukken uit den buit, op de +Franschen behaald. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.3.7">IV. 3. 7.</a> <span class="ex">De vastentijd zal</span> enz. In den vastentijd mochten de vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er +vergunning toe krijgen en wel voor 99 beesten. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.3.11">IV. 3. 11.</a> <span class="ex">Dit gedenkteeken van de overwinning</span> enz. De wapenrusting van den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden +nagels beslagen was. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.4.44">IV. 4. 44.</a> <span class="ex">Killingworth.</span> Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde slot in Warwickshire.—Tot het juist +verstaan van de berichten der boden bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden +aanrukten en eerst Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever +van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen de eenige +was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd en met huizen bezet. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.6.2">IV. 6. 2.</a> <span class="ex">Londener steen.</span> Een van oude tijden her bekende steen, die eeuwen lang in de <i lang="en">Cannon street</i> lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, hetzij een Saksische grenssteen was. Hij +is later bij een kerk geplaatst.—Een oogenblik later wordt van <i lang="en">the pissing-conduit</i> gesproken, misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van Brussel.” +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.2">IV. 7. 2.</a> <span class="ex">Het Savooische huis.</span> In het Engelsch kortweg <i lang="en">the Savoy</i>. Het was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den oever +van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der prinsen bewoond. Shakespeare +schrijft hier aan Cade toe, wat door Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden +opstandeling<span class="corr" id="xd33e15221" title="Niet in bron">.</span> Wat Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was het ook, +die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland uit zijn mond zouden +komen. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.24">IV. 7. 24.</a> <span class="ex">Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling +van het pond bij de laatste oorlogsschatting.</span>—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal den vijftienden penning, en +bij de laatste oorlogsbelasting bovendien een schelling van het pond, dus een twintigsten +penning laten betalen. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.27">IV. 7. 27.</a> <span class="ex">Zoo, gij Say, gij saai</span> enz. In het Engelsch staat: <i lang="en">Ah, thou say, thou serge, nay, thou buckram lord!</i> <i>Say</i> is fijner stof dan <i>serge</i>, en dit weer beter dan <i>buckram</i>, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t Nederlandsch had misschien <i>saai</i>, <i>serge</i> en <i>karsaai</i> kunnen gekozen zijn.—<i>Monsieur <span class="corr" id="xd33e15255" title="Bron: baesimecu">Baesimeku</span></i>, dat volgt, een schimpnaam voor een Franschman, is verbasterd van <i lang="fr">baise mon cul</i>. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.61">IV. 7. 61.</a> <span class="ex">Bona terra, mala gens.</span> Het land goed, maar het volk kwaad. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.66">IV. 7. 66.</a> <span class="ex">De liefste streek.</span> In Arthur Golding’s vertaling van Julius Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: <i lang="en">Of all the inhabitants of this isle the Kentishmen are the civilest.</i> Sh. spreekt hier ook van <i lang="en">the civil’st place</i>. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.7.131">IV. 7. 131.</a> <span class="ex">Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken.</span> In ’t Engelsch staat: <i lang="en">take up commodities upon our bills</i>. <i lang="en">Bill</i> beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.8.13">IV. 8. 13.</a> <span class="ex">Een oproerling.</span> Hier is de blijkbaar juiste emendatie gevolgd: <i lang="en">Or let a rebel</i> etc. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.8.48">IV. 8. 48.</a> <span class="ex">„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.</span>—Het Italiaansche woord <i lang="it">vigliacco</i> (lomperd, ellendeling), dat, <i>viliacco</i> geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, b.v. bij +Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van dien tijd) verklaard wordt +met <i lang="la">a rascal, a base varlet</i>. In de Folio-uitgave, staat <i>villiago</i>, waarvan men ook wel <i>villageois</i> heeft willen maken. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.9.26">IV. 9. 26.</a> <span class="ex">Galloglassen.</span> Evenals <i>Kernen</i> woeste Iersche troepen, ook in <i>Macbeth</i>, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen lichtgewapenden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.iv.10.9">IV. 10. 9.</a> <span class="ex">Haver in plaats van helm.</span> In ’t oorspronkelijke vindt men een woordspeling met <i>sallet</i>, dat zoowel helm als salade beteekent. +</p> +<p><a href="#kh6ii.v.1.144">V. 1. 144.</a> <span class="ex">Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren.</span> De Nevils, waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal geketenden +beer in hun wapen. +</p> +<p><a href="#kh6ii.v.2.28">V. 2. 28.</a> „<span class="ex" lang="fr">La fin couronne les oeuvres.</span>” Cliffords wapenspreuk en oorlogskreet. +</p> +<p><a href="#kh6ii.v.2.59">V. 2. 59.</a> <span class="ex">Medea.</span> Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden broeder Abyssus in stukken, +om haar vader bij zijn vervolging op te houden. +</p> +<p><a href="#kh6ii.v.2.68">V. 2. 68.</a> „<span class="ex">’t Kasteel van Sint-Albaans.</span>” Men herinnere zich de voorspelling: „<i>Kasteelen moog’ hij mijden!</i>” blz. 661, I. 4. 38. +<span class="pageNum" id="pb698">[<a href="#pb698">698</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<div class="footnote-body"> +<div class="fndiv" id="xd33e14738"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e14738src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt. <a class="fnarrow" href="#xd33e14738src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii" class="div0 last-child play"> +<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2> +<h2 class="sub">DERDE DEEL.</h2> +<ul class="castlist"> +<li class="casthead"> +<h4>PERSONEN:</h4> +</li> +<li class="castitem">Koning <span class="sc">Hendrik de Zesde</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Edward</span>, Prins van <span class="sc">Wales</span>, zijn zoon.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Lodewijk de Elfde</span>, koning van Frankrijk.</li> +<li class="castitem">De Hertog van <span class="sc">Somerset</span>, de Hertog van <span class="sc">Exeter</span>, de Graaf van <span class="sc">Oxford</span>, de Graaf van <span class="sc">Northumberland</span>, de Graaf van <span class="sc">Westmoreland</span> en Lord <span class="sc">Clifford</span>, aanhangers des Konings.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Richard Plantagenet</span>, Hertog van <span class="sc">York</span>.</li> +<li class="castlist"> +<table class="castGroupTable"> +<tr> +<td><span class="sc">Edward</span>, Graaf van <span class="sc">March</span>, later Koning <span class="sc">Edward de Vierde</span>,</td> +<td rowspan="4" class="castGroupBrace"><img src="images/rbrace4.png" alt="}" width="12" height="80"></td> +<td rowspan="4"><span>zoons van den Hertog van York.</span></td> +</tr> +<tr> +<td><span class="sc">Edmond</span>, Graaf van <span class="sc">Rutland</span>,</td> +</tr> +<tr> +<td><span class="sc">George</span>, later Hertog van <span class="sc">Clarence</span>,</td> +</tr> +<tr> +<td><span class="sc">Richard</span>, later Hertog van <span class="sc">Gloster</span>,</td> +</tr> +</table> +</li> +<li class="castitem">De Hertog van <span class="sc">Norfolk</span>, de Markies van <span class="sc">Montague</span>, de Graaf van <span class="sc">Warwick</span>, de Graaf van <span class="sc">Pembroke</span>, Lord <span class="sc">Hastings</span> en Lord <span class="sc">Stafford</span>, aanhangers van den Hertog van York.</li> +<li class="castitem">Sir <span class="sc">John Mortimer</span> en Sir <span class="sc">Hugo Mortimer</span>, ooms van den Hertog van York.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Hendrik</span>, de jonge Graaf van <span class="sc">Richmond</span>.</li> +<li class="castitem">Lord <span class="sc">Rivers</span>, broeder van Lady Grey.</li> +<li class="castitem">Sir <span class="sc">William Stanley</span>, Sir <span class="sc">John Montgomery</span> en Sir <span class="sc">John Somerville</span>.</li> +<li class="castitem">De <span class="sc">Leermeester</span> van Rutland.</li> +<li class="castitem">De <span class="sc">Mayor</span> van York, de <span class="sc">Slotvoogd</span> van den <span class="sc">Tower</span> en een <span class="sc">Edelman</span>.</li> +<li class="castitem">Twee <span class="sc">Boschwachters</span> en een <span class="sc">Jager</span>.</li> +<li class="castitem">Een <span class="sc">Zoon</span>, die zijn Vader gedood heeft.</li> +<li class="castitem">Een <span class="sc">Vader</span>, die zijn Zoon gedood heeft.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem">Koningin <span class="sc">Margaretha</span>.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Lady Grey</span>, later Gemalin van Koning Edward den Vierden.</li> +<li class="castitem"><span class="sc">Bona</span>, zuster van de Koningin van Frankrijk.</li> +<li class="tb"></li> +<li class="castitem">Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, Boden, Wachten, +enz.</li> +</ul> +<p class="first">Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, voor het overige +in Engeland. </p> +<div id="kh6iii.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6iii.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Het Parlementshuis.</i></p> +<p class="stage"><i>Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal binnen. Daarna komen +op: de Hertog van</i> <span class="sc">York</span>, <i>met zijn zoons</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard</span>, <i>de Hertog van</i> <span class="sc">Norfolk</span>, <i>de Markies van</i> <span class="sc">Montague</span>, <i>de Graaf van</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen, met witte rozen aan den hoed</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden</p> +<p class="line">Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,</p> +<p class="line">Waarop de groote lord Northumberland,</p> +<p class="line">Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,</p> +<p class="line">Het matte leger moed wist in te storten;</p> +<p class="line">Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,</p> +<p class="line">Stormde in op onze voorste rij, brak door,</p> +<p id="kh6iii.i.1.9" class="line">Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,</p> +<p class="line">Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;</p> +<p class="line">Ik spleet hem met een fellen houw den helm;</p> +<p class="line">Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij toont zijn bloedig zwaard</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague</p> +<p class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">York</span>). En zie het bloed hier, broeder, van graaf Wiltshire,</p> +<p class="line">Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij toont mede zijn bloedig zwaard.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij werpt het hoofd van</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>ter aarde</i>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb699">[<a href="#pb699">699</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—</p> +<p class="line">Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Norfolk.</p> +<p class="line">Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>het hoofd weer opnemend</i>).</span> Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te schudden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ik met u.—Zeeghafte prins van York,</p> +<p class="line">Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,</p> +<p class="line">Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,</p> +<p class="line">Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!</p> +<p id="kh6iii.i.1.25" class="line">Dit hier is het paleis des laffen konings,</p> +<p class="line">En dit des konings stoel; bestijg hem, York;</p> +<p class="line">U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;</p> +<p class="line">Want ingebroken zijn wij met geweld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Norfolk.</p> +<p class="line">Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—</p> +<p class="line">En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,</p> +<p class="line">Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. <span class="lineNum">34</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Soldaten trekken zich terug.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">De koningin houdt heden parlement hier.</p> +<p class="line">Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.</p> +<p class="line">Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Plantagenet, hertog van York, zij koning,</p> +<p class="line">En die beschroomde Hendrik afgezet,</p> +<p class="line">Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—</p> +<p class="line">Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;</p> +<p class="line">Ik denk bezit te nemen van mijn recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De koning, noch wie hem het meest bemint,</p> +<p class="line">De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,</p> +<p class="line">Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,</p> +<p id="kh6iii.i.1.47" class="line">Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.</p> +<p class="line">Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—</p> +<p class="line">Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>geleidt</i> <span class="sc">York</span> <i>naar den troon; deze zet er zich op neder</i>.)</p> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Clifford</span>, <span class="sc">Northumberland</span>, <span class="sc">Westmoreland</span> <i>en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;</p> +<p class="line">Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,</p> +<p class="line">Op Warwick steunend, op dien valschen pair,</p> +<p class="line">Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—</p> +<p class="line">Northumberland, uw vader viel door hem,</p> +<p class="line">Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak</p> +<p class="line">Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!</p> +<p class="line">Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Geduld is goed voor lafaards zooals hij;</p> +<p class="line">Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.</p> +<p class="line">Genadig heer, laat ons in ’t parlement</p> +<p class="line">Hier op den stam van York een aanval doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,</p> +<p class="line">En troepen krijgers wachten op hun wenken!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. <span class="lineNum">69</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,</p> +<p class="line">Dit parlement een slachthuis te doen zijn!</p> +<p id="kh6iii.i.1.72" class="line">Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,</p> +<p class="line">Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op</i> <span class="sc">York</span> <i>toe</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,</p> +<p class="line">Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;</p> +<p class="line">Ik ben uw heer en vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Ik ben uw heer en vorst. </span>Neen! ik ben de uwe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p id="kh6iii.i.1.78" class="line">Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,</p> +<p class="line">Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb700">[<a href="#pb700">700</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Hij is dit, en ook hertog Lancaster;</p> +<p class="line">Dit zal de lord van Westmoreland u staven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,</p> +<p class="line">Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,</p> +<p class="line">Uw vaders doodden, met ontplooide vanen</p> +<p class="line">Door Londens straten trokken naar ’t paleis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;</p> +<p class="line">En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Plantagenet, meer levens zal ik nemen</p> +<p class="line">Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan</p> +<p class="line">Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,</p> +<p class="line">Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,</p> +<p class="line">Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;</p> +<p class="line">Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? <span class="lineNum">104</span></p> +<p id="kh6iii.i.1.105" class="line">Uw vader was, als gij, hertog van York;</p> +<p class="line">Uw moeders vader was de graaf van March;—</p> +<p class="line">Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,</p> +<p class="line">Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,</p> +<p class="line">Hun steden en hun landen heeft veroverd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Dat deed de lord protector, en niet ik;</p> +<p class="line">’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.</p> +<p class="line">Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague</p> +<p id="kh6iii.i.1.116" class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">York</span>). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,</p> +<p class="line">Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Stil, zoons!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Stil gij, en laat den koning aan het woord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;</p> +<p class="line">En luistert zwijgend en aandachtig toe;</p> +<p class="line">Wie in de rede valt, hij zal niet leven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,</p> +<p class="line">Waarop mijn vader en diens vader zaten?</p> +<p class="line">Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,</p> +<p class="line">En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,</p> +<p class="line">Doch nu in England, tot mijn harteleed,—</p> +<p class="line">Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?</p> +<p class="line">Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wat verder?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,</p> +<p class="line">Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,</p> +<p class="line">Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;</p> +<p class="line">Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,</p> +<p class="line">En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. <span class="lineNum">142</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,</p> +<p class="line">Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,</p> +<p class="line">Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu zullen ze allen overgaan tot hem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,</p> +<p class="line">Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,</p> +<p class="line">In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—</p> +<p class="line">Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—</p> +<p class="line">Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,</p> +<p class="line">Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;<span class="pageNum" id="pb701">[<a href="#pb701">701</a>]</span></p> +<p class="line">Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,</p> +<p class="line">Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—</p> +<p class="line">Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,</p> +<p class="line">Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,</p> +<p class="line">En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,</p> +<p class="line">Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,</p> +<p class="line">Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,</p> +<p class="line">En rustig heerscht gij heel uw leven lang.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ik neem het aan, Richard Plantagenet,</p> +<p class="line">Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! <span class="lineNum">177</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Ik evenmin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Westmoreland.</p> +<p class="line">Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,</p> +<p class="line">In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf</p> +<p class="line">In boeien voor dit man-onteerend doen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,</p> +<p class="line">Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Northumberland</span>, <span class="sc">Clifford</span> <i>en</i> <span class="sc">Westmoreland</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ach, Exeter!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Ach, Exeter! </span>Waarom dat zuchten, Heer?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,</p> +<p class="line">Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—</p> +<p class="line">Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik</p> +<p class="line">De kroon voor eeuwig u en uwen erven;</p> +<p class="line">Met dit beding, dat gij den eed hier doet,</p> +<p class="line">Den burgerkrijg te staken en mij steeds,</p> +<p class="line">Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,</p> +<p class="line">En noch door open krijg, noch door verraad</p> +<p class="line">Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>van den troon stijgend</i>).</span> Dien eed doe ik volgaarne en zal hem houden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p id="kh6iii.i.1.207" class="line">Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ik zal Londen met mijn volk bezetten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Norfolk.</p> +<p class="line">En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. <span class="lineNum">209</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>en zijn Zonen</i>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Norfolk</span>, <span class="sc">Montague</span>, <i>Soldaten en Gevolg af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En ik, met leed en kommer naar mijn hof.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;</p> +<p class="line">’k Wil henensluipen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Exeter, ook ik.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij wil heengaan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?</p> +<p class="line">Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,</p> +<p class="line">Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,</p> +<p class="line">Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!</p> +<p class="line">Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?</p> +<p class="line">Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,</p> +<p class="line">Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,</p> +<p class="line">Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,</p> +<p class="line">Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,</p> +<p class="line">Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,</p> +<p class="line">En dezen uwen een’gen zoon onterfd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;</p> +<p class="line">Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb702">[<a href="#pb702">702</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—</p> +<p class="line">Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?</p> +<p class="line">Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!</p> +<p class="line">Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,</p> +<p class="line">En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,</p> +<p class="line">Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.</p> +<p class="line">Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,</p> +<p class="line">Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,</p> +<p class="line">Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?</p> +<p class="line">Warwick is kanselier, beheerscht Calais,</p> +<p id="kh6iii.i.1.239" class="line">De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,</p> +<p class="line">De hertog is protector nu van ’t rijk,</p> +<p class="line">En acht ge u veilig? zulk een veiligheid</p> +<p class="line">Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.</p> +<p class="line">Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,</p> +<p class="line">Eer had ik door de krijgers op hun pieken</p> +<p class="line">Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit</p> +<p class="line">Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;</p> +<p class="line">Maar gij verkiest uw leven boven de eer;</p> +<p class="line">En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik</p> +<p class="line">Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat</p> +<p class="line">Dit parlementsbesluit vernietigd is,</p> +<p class="line">Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.</p> +<p class="line">De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,</p> +<p class="line">Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;</p> +<p class="line">En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,</p> +<p class="line">En ’t gansche huis van York ten ondergang.</p> +<p class="line">Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;</p> +<p class="line">Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! <span class="lineNum">256</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O ja! opdat de vijand hem vermoorde!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,</p> +<p class="line">Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde</p> +<p class="line">Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!</p> +<p class="line">God wreke haar op dezen boozen hertog,</p> +<p class="line">Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij</p> +<p class="line">De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar</p> +<p class="line">Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—</p> +<p class="line">Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;</p> +<p class="line">Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—</p> +<p class="line">Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vertrek in het slot</i> <span class="ex">Sandal</span>, <i>nabij</i> <span class="ex">Wakefield</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Richard</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?</p> +<p class="line">Waarover hebt gij twist en hoe begon die?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Waarom?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:</p> +<p class="line">De kroon van England, die aan u behoort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;</p> +<p class="line">Laat gij de Lancasters op adem komen,</p> +<p class="line">Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. <span class="lineNum">14</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Maar eeden mag men breken voor een kroon;</p> +<p class="line">Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij</p> +<p class="line">Een echte, wettige overheid hem afneemt,</p> +<p class="line">Die over hem, die zweert, gezag bezit;</p> +<p class="line">Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;</p> +<p class="line">Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—</p> +<p class="line">En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.</p> +<p class="line">Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,</p> +<p class="line">Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,</p> +<p class="line">Hoe in zijn omtrek een Elysium is,</p> +<p class="line">En elk geluk en heil, dat dichters malen.</p> +<p class="line">Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,</p> +<p class="line">Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,</p> +<p class="line">In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Montague</span>)</span> Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;<span class="pageNum" id="pb703">[<a href="#pb703">703</a>]</span></p> +<p class="line">Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—</p> +<p class="line">Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,</p> +<p class="line">En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—</p> +<p class="line">Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,</p> +<p class="line">Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;</p> +<p class="line">Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,</p> +<p class="line">Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.</p> +<p class="line">Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,</p> +<p class="line">Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,</p> +<p class="line">Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,</p> +<p class="line">Noch iemand van het huis van Lancaster?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">De koningin, met al de lords van ’t noorden,</p> +<p class="line">Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.</p> +<p class="line">Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;</p> +<p class="line">Versterk daarom uw veste goed, mylord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—</p> +<p class="line">Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—</p> +<p class="line">Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,</p> +<p class="line">En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,</p> +<p class="line">Die bij den koning als protectors bleven,</p> +<p class="line">Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,</p> +<p class="line">Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; <span class="lineNum">60</span></p> +<p class="line">Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Montague</span> <i>af</i>.)</p> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John</span> <i>en Sir</i> <span class="sc">Hugo Mortimer</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,</p> +<p class="line">Gij komt te goeder ure in Sandal aan;</p> +<p class="line">De macht der koningin wil ons beleeg’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Sir John Mortimer.</p> +<p class="line">Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wat! met vijfduizend man?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;</p> +<p class="line">Een vrouw is generaal, wat is te duchten?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een marsch in de verte.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;</p> +<p class="line">Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;</p> +<p class="line">Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.</p> +<p class="line">In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,</p> +<p class="line">Waarin de vijand tien was tegen één;</p> +<p class="line">Waarom zou ik niet even goed nu slagen?</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Alarmsignalen.—Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Eene vlakte nabij slot</i> <span class="ex">Sandal</span>.</p> +<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Rutland</span> <i>en zijn Leermeester komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p class="line">Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?</p> +<p class="line">Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>komt op, met Soldaten</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;</p> +<p class="line">Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,</p> +<p class="line">Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Leermeester.</p> +<p class="line">Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Soldaten, sleept hem weg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Leermeester.</p> +<p class="line">O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,</p> +<p class="line">En maak u niet gehaat bij God en menschen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij wordt door soldaten weggevoerd.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,</p> +<p class="line">Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p id="kh6iii.i.3.12" class="line">Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,</p> +<p class="line">Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;</p> +<p class="line">Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,</p> +<p class="line">Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—</p> +<p class="line">O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,</p> +<p class="line">En niet met zulk een wreeden, fellen blik.</p> +<p class="line">O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:</p> +<p class="line">Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;</p> +<p class="line">Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed</p> +<p class="line">Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. <span class="lineNum">22</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p class="line">Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;</p> +<p class="line">Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven</p> +<p class="line">En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.</p> +<p class="line">Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,</p> +<p class="line">Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,</p> +<p class="line">Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.</p> +<p class="line">Het zien van wien ook van het huis van York</p> +<p class="line">Is als een furie, die het hart mij foltert;</p> +<p class="line">En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,</p> +<p class="line">Geen leven sparend,—leef ik in de hel.</p> +<p class="line">Daarom,—</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p class="line">O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—</p> +<p class="line">Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p class="line">Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Uw vader deed het wel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p class="line"> </p> +<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Vóór mijn geboorte.</p> +<p class="line">Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,</p> +<p class="line">Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake</p> +<p class="line">Verslagen word’, zoo jammervol als ik.</p> +<p class="line">O, laat mij levenslang gevangen zijn,<span class="pageNum" id="pb704">[<a href="#pb704">704</a>]</span></p> +<p class="line">En geef ik ooit u grond tot ergernis,</p> +<p class="line">Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Geen reden?</p> +<p class="line">Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rutland.</p> +<p id="kh6iii.i.3.48" class="line"><span class="ex" lang="la">Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Plantagenet! ik kom, Plantagenet!</p> +<p class="line">Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,</p> +<p class="line">Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed</p> +<p class="line">Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clifford</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.i.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte der vlakte.</i></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">De macht der koningin behoudt het veld:</p> +<p class="line">Om mij te redden vielen beî mijn ooms;</p> +<p class="line">Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten</p> +<p class="line">Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,</p> +<p class="line">Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.</p> +<p class="line">Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;</p> +<p class="line">Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,</p> +<p class="line">Tot roem geboren, beide in dood en leven.</p> +<p class="line">Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,</p> +<p class="line">En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”</p> +<p class="line">En even vaak kwam Edward mij op zijde,</p> +<p class="line">Met purperroode kling, tot aan ’t gevest</p> +<p class="line">Met zijner weerpartijders bloed geverfd;</p> +<p class="line">En toen de meest geharde krijgers weken,</p> +<p class="line">Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”</p> +<p id="kh6iii.i.4.16" class="line">Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!</p> +<p class="line">Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”</p> +<p class="line">Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!</p> +<p class="line">Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan</p> +<p class="line">Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, <span class="lineNum">20</span></p> +<p class="line">Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;</p> +<p class="line">En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;</p> +<p class="line">En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.</p> +<p class="line">Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;</p> +<p class="line">’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p704width"><img src="images/p704.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Eerste Bedrijf, Vierde Tooneel." width="475" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Eerste Bedrijf, Vierde Tooneel.</p> +</div><p></p> +<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Clifford</span>, <span class="sc">Northumberland</span>, <i>de jonge Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>en Soldaten komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,</p> +<p class="line">Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede</p> +<p class="line">Blaas ik hier aan tot feller razernij.</p> +<p class="line">Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Geef op genade u over, trotsche York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm</p> +<p class="line">Als afbetaling aan mijn vader schonk!</p> +<p class="line">Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld</p> +<p class="line">En deed het avond zijn op ’t middaguur.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel</p> +<p class="line">Verwekken, die mij op u allen wreekt;</p> +<p class="line">En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,</p> +<p class="line">En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.</p> +<p class="line">Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:</p> +<p class="line">Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;</p> +<p class="line">Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven</p> +<p class="line">Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">O Clifford, denk een oogenblik terug,</p> +<p class="line">En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,</p> +<p class="line">En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;</p> +<p class="line">Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,</p> +<p class="line">Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,</p> +<p class="line">Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij trekt zijn zwaard.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen</p> +<p class="line">Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>dringt op</i> <span class="sc">York</span> <i>steeds aan</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Northumberland</span>.)</span> </p> +<p class="line">Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien <span class="lineNum">54</span></p> +<p class="line">Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.</p> +<p class="line">Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,</p> +<p class="line">De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,</p> +<p class="line">Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?</p> +<p class="line">’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;</p> +<p class="line">Tien tegen een werpt op den moed geen smet.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Soldaten grijpen</i> <span class="sc">York</span> <i>aan, die zich verzet</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Zoo trappelt het konijntje in het net.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>wordt gevangen genomen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Zoo juub’len dieven om een goeden buit;</p> +<p class="line">Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,</p> +<p class="line">Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,</p> +<p class="line">Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,</p> +<p class="line">Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—</p> +<p class="line">Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,</p> +<p class="line">Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,</p> +<p class="line">Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?</p> +<p class="line">Waar is uw viertal zoons om u te steunen?</p> +<p class="line">De dartele Edward en de lachbek Clarence!</p> +<p class="line">En waar het dapp’re kromme wangedrocht,</p> +<p id="kh6iii.i.4.76" class="line">Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg</p> +<p class="line">Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?<span class="pageNum" id="pb705">[<a href="#pb705">705</a>]</span></p> +<p class="line">En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?</p> +<p class="line">Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,</p> +<p class="line">Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards</p> +<p class="line">Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;</p> +<p class="line">Indien uw oogen om hem schreien kunnen,</p> +<p class="line">Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij werpt hem den doek toe.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat</p> +<p class="line">Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.</p> +<p class="line">Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.</p> +<p class="line">Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,</p> +<p class="line">Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?</p> +<p class="line">Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;</p> +<p class="line">Ik hoon u zoo, om razend u te maken;</p> +<p class="line">Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!</p> +<p class="line">O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;</p> +<p class="line">York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—</p> +<p class="line">Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—</p> +<p class="line">Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij zet</i> <span class="sc">York</span> <i>een papieren kroon op het hoofd</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ja, nu ziet hij er als een koning uit!</p> +<p class="line">Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;</p> +<p class="line">Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—</p> +<p class="line">Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet <span class="lineNum">99</span></p> +<p class="line">Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?</p> +<p class="line">Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,</p> +<p class="line">Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.</p> +<p class="line">En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,</p> +<p class="line">Zijn slapen van den diadeem berooven,</p> +<p class="line">Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?</p> +<p class="line">O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—</p> +<p class="line">Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!</p> +<p class="line">Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,</p> +<p class="line">Wier tong meer gift heeft dan een addertand!</p> +<p class="line">Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus</p> +<p class="line">Te juub’len als een Amazone-snol</p> +<p class="line">Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!</p> +<p class="line">Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,</p> +<p class="line">Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,</p> +<p class="line">Ik zou beproeven, trotsche koningin,</p> +<p class="line">Een blos u aan te jagen, want te zeggen</p> +<p class="line">Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg</p> +<p class="line">Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.</p> +<p class="line">Uw vader draagt den koningstooi van Napels,</p> +<p class="line">De twee Siciliën en Jeruzalem,</p> +<p class="line">Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;</p> +<p class="line">Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?</p> +<p class="line">Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,</p> +<p class="line">Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar</p> +<p class="line">Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”</p> +<p class="line">Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;</p> +<p class="line">Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.</p> +<p class="line">’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;</p> +<p class="line">Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.</p> +<p class="line">’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;</p> +<p class="line">Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.</p> +<p class="line">Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,</p> +<p class="line">Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,</p> +<p class="line">Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.</p> +<p class="line">O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!</p> +<p class="line">Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,</p> +<p class="line">Opdat de vader de oogen er mee wischte,</p> +<p class="line">En toch het uitzicht hebben van een vrouw?</p> +<p class="line">Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,</p> +<p class="line">Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.</p> +<p class="line">Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.</p> +<p class="line">Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.</p> +<p class="line">Want storm, die raast, blaast zware buien saam,</p> +<p class="line">En als het razen luwt, dan komt de regen.</p> +<p class="line">Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,</p> +<p class="line">En elke druppel schreeuwt om wraak op u,</p> +<p class="line">Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, <span class="lineNum">150</span></p> +<p class="line">Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,</p> +<p class="line">Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;</p> +<p class="line">Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,</p> +<p class="line">Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.</p> +<p class="line">Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!</p> +<p class="line">Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,</p> +<p class="line">En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;</p> +<p class="line">Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij werpt den doek terug.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,</p> +<p class="line">Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,</p> +<p class="line">Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,</p> +<p class="line">En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—</p> +<p class="line">Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij werpt de papieren kroon neer.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En vind, in uwen nood, denzelfden troost,</p> +<p class="line">Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—</p> +<p class="line">Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—</p> +<p class="line">Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Al had hij allen van mijn bloed geslacht,</p> +<p class="line">Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,</p> +<p class="line">Nu ik dien diepen zielejammer zie.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!</p> +<p class="line">Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;</p> +<p class="line">Dit zal die weeke tranen ras u drogen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt</i> <span class="sc">York</span>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb706">[<a href="#pb706">706</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij doorsteekt</i> <span class="sc">York</span> <i>mede</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">York.</p> +<p class="line">Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!</p> +<p class="line">Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;</p> +<p class="line">Zoo overblikke York zijn veste York.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6iii.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vlakte bij</i> <span class="ex">Mortimer’s Kruis</span> <i>in</i> <span class="ex">Herefordshire</span>.</p> +<p class="stage"><i>Een marsch.</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard</span> <i>komen op, met hun troepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn?</p> +<p class="line">En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet,</p> +<p class="line">Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging?</p> +<p class="line">Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend;</p> +<p class="line">Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend;</p> +<p class="line">Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij</p> +<p class="line">De blijde tijding zeker reeds vernomen.—</p> +<p class="line">Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet,</p> +<p class="line">Wat onzen dapp’ren vader is bejegend.</p> +<p class="line">Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf,</p> +<p class="line">Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas.</p> +<p class="line">Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang,</p> +<p class="line">Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren,</p> +<p class="line">Of als een beer, van honden gansch omringd,</p> +<p class="line">Die enk’len met een klauwslag janken doet,</p> +<p class="line">Zoodat de rest uit verre verte keft.</p> +<p class="line">Zoo deed daar onze vader met den vijand;</p> +<p class="line">Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader;</p> +<p class="line">Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.—</p> +<p class="line">Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort</p> +<p class="line">Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt;</p> +<p class="line">Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid</p> +<p class="line">Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? <span class="lineNum">25</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Drie schitterzonnen, elk een gansche zon,</p> +<p class="line">Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden,</p> +<p class="line">Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw.</p> +<p class="line">Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar,</p> +<p class="line">Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld;</p> +<p class="line">Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon!</p> +<p class="line">Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords.</p> +<p class="line">Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld,</p> +<p class="line">Waar wij, de zoons van den krijgshaften York,</p> +<p class="line">Schoon ieder stralend met ons eigen licht,</p> +<p class="line">Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard</p> +<p class="line">Bestralen moeten, als de zon ’t heelal.</p> +<p class="line">Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild</p> +<p id="kh6iii.ii.1.40" class="line">Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,—</p> +<p class="line">Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt,</p> +<p class="line">Dat booze tijding op de tong u zweeft?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Ach, een, die diep ontsteld getuige was,</p> +<p class="line">Hoe de eed’le hertog York verslagen werd,</p> +<p class="line">Uw hooge vader, mijn beminde heer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. <span class="lineNum">49</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Omsingeld was hij van des vijands benden</p> +<p class="line">En wederstond hen, als eens Troje’s schuts</p> +<p class="line">De Grieken, die in Troje wilden dringen.</p> +<p class="line">Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules,</p> +<p class="line">En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen</p> +<p class="line">Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik.</p> +<p class="line">Een tal van handen overmande uw vader;</p> +<p class="line">Doch hem vermoordde alleen de gramme hand</p> +<p class="line">Des fellen Clifford’s, en der koningin.</p> +<p class="line">Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte</p> +<p class="line">Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende,</p> +<p class="line">Gaf hem de deernislooze koningin,</p> +<p class="line">Opdat hij zich de wangen er mee wischte,</p> +<p class="line">Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt</p> +<p class="line">Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford,</p> +<p class="line">En na veel hoon en lagen, fellen spot</p> +<p class="line">Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort</p> +<p class="line">Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet;</p> +<p class="line">De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden!</p> +<p class="line">Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut!</p> +<p class="line">O Clifford, felle Clifford! gij versloegt</p> +<p class="line">De bloem der ridderschap van gansch Europa;</p> +<p class="line">’t Was door verraad, dat gij hem overmocht;</p> +<p class="line">Man tegen man had hij wis u verwonnen.</p> +<p class="line">Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker;</p> +<p class="line">O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam</p> +<p class="line">In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd!</p> +<p class="line">Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken;</p> +<p class="line">Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb707">[<a href="#pb707">707</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten</p> +<p class="line">Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart;</p> +<p class="line">Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen,</p> +<p class="line">Want de adem, die tot spreken dienen moest,</p> +<p class="line">Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen</p> +<p class="line">Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen.</p> +<p class="line">Het weenen maakt den weedom minder diep;</p> +<p class="line">Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!—</p> +<p class="line">Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood;</p> +<p class="line">Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u;</p> +<p class="line">Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend,</p> +<p class="line">Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht!</p> +<p class="line">Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel;</p> +<p class="line">Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een marsch.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op, met hun troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? <span class="lineNum">96</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws</p> +<p class="line">Verhalen moesten en bij ieder woord</p> +<p class="line">Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind,</p> +<p class="line">Der woorden pijn ware erger dan de wonden.</p> +<p class="line">O dapp’re lord, de hertog York is dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">O Warwick, Warwick! die Plantagenet,</p> +<p class="line">Die u zoo lief had als zijn eigen ziel,</p> +<p class="line">Is door den wreeden Clifford omgebracht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds</p> +<p class="line">In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren,</p> +<p class="line">Door ’t melden van wat verder is geschied.</p> +<p class="line">Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader,</p> +<p class="line">De wakk’re held, den laatsten adem uitblies,</p> +<p class="line">Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden,</p> +<p class="line">Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden.</p> +<p class="line">Ik, die in Londen ’s konings hoeder was,</p> +<p class="line">Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam,</p> +<p class="line">En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust,</p> +<p class="line">Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten,</p> +<p class="line">En nam tot zekerheid den koning meê;</p> +<p class="line">Want mijn spionnen hadden mij gemeld,</p> +<p class="line">Dat zij in ’t veld was met het vast besluit</p> +<p class="line">Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht</p> +<p class="line">En Hendriks eed, geheel te niet te doen.</p> +<p class="line">Om kort te gaan, wij werden handgemeen</p> +<p class="line">Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig;</p> +<p class="line">Maar, of het nu des konings koelheid was,</p> +<p class="line">Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte,</p> +<p class="line">Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam;</p> +<p class="line">Of het gerucht misschien van haar geluk;</p> +<p class="line">Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid,</p> +<p class="line">Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert,</p> +<p class="line">Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden,</p> +<p class="line">Hùn vechten was een bliks’men met de wapens,</p> +<p class="line">En onze slagen,—zacht als uilenwieken,</p> +<p class="line">Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen</p> +<p class="line">Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen.</p> +<p class="line">Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht,</p> +<p class="line">Beloften van hoog loon en rijken buit;—</p> +<p class="line">Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten,</p> +<p class="line">En ons de hoop om zoo te zegevieren.</p> +<p class="line">Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade,</p> +<p class="line">Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,—</p> +<p class="line">Spoorslags hierheen, om u thans te versterken,</p> +<p class="line">Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken</p> +<p class="line">Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk?</p> +<p class="line">En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen,</p> +<p id="kh6iii.ii.1.145" class="line">En George, uw broeder, werd door uwe moei,</p> +<p class="line">Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden</p> +<p class="line">Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; <span class="lineNum">148</span></p> +<p class="line">Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen,</p> +<p class="line">Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort;</p> +<p class="line">Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist</p> +<p class="line">Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks,</p> +<p class="line">Den hoogen scepter uit de hand hem wringt,</p> +<p class="line">Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk,</p> +<p class="line">Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet;</p> +<p class="line">Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken.</p> +<p class="line">Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd?</p> +<p class="line">Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen,</p> +<p class="line">In zwarten rouw ons hullen, en met kralen</p> +<p class="line">De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden?</p> +<p class="line">Of zullen we op der weerpartijders helmen</p> +<p class="line">Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen?</p> +<p class="line">Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord;</p> +<p class="line">En hiertoe komt mijn broeder Montague.</p> +<p class="line">Geeft acht, mylords. De drieste koningin</p> +<p class="line">Heeft reeds, met Clifford en Northumberland</p> +<p class="line">En and’re trotsche vogels van die veêren,</p> +<p class="line">Den weeken koning omgekneed als was.</p> +<p class="line">Bezworen werd door hem uw erfopvolging,</p> +<p class="line">Zijn eed werd bij het parlement geboekt;</p> +<p class="line">En nu is hun geheele troep naar Londen,<span class="pageNum" id="pb708">[<a href="#pb708">708</a>]</span></p> +<p class="line">Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn,</p> +<p class="line">Wat aan het huis van Lancaster kan schaden.</p> +<p class="line">Hun macht is, meen ik, dertigduizend man;</p> +<p class="line">Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf</p> +<p class="line">Met alle vrienden, wakk’re graaf van March,</p> +<p class="line">Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen,</p> +<p class="line">Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,—</p> +<p class="line">Welaan, naar Londen dan met alle macht,</p> +<p class="line">Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen,</p> +<p class="line">Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!”</p> +<p class="line">Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken.</p> +<p class="line">Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’,</p> +<p class="line">Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen;</p> +<p class="line">Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!—</p> +<p class="line">Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Niet langer graaf van March, maar hertog York;</p> +<p class="line">De rang, die volgt, is Englands hooge troon;</p> +<p class="line">Tot Englands koning roepen wij u uit</p> +<p class="line">In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert;</p> +<p class="line">En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt,</p> +<p class="line">Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd,</p> +<p class="line">Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,—</p> +<p class="line">Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem;</p> +<p class="line">Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, <span class="lineNum">201</span></p> +<p class="line">Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden,</p> +<p class="line">Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wat meldt gij? spreek!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Mylord van Norfolk boodschapt u door mij:</p> +<p class="line">De koningin rukt aan met groote macht;</p> +<p class="line">Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Voor de stad</i> <span class="ex">York</span>.</p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span>, <span class="sc">Clifford</span> <i>en</i> <span class="sc">Northumberland</span> <i>komen op, met trommen en trompetten</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Heer, welkom voor de goede stad van York!</p> +<p class="line">Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel,</p> +<p class="line">Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven;</p> +<p class="line">Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht;</p> +<p class="line">Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.—</p> +<p class="line">Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet,</p> +<p class="line">En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid,</p> +<p class="line">Dit schaad’lijk medelijden van u af.</p> +<p class="line">Wien werpen leeuwen zachte blikken toe?</p> +<p class="line">Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen.</p> +<p class="line">Wien likt wel de berin des wouds de hand?</p> +<p class="line">Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft.</p> +<p class="line">Of wie ontgaat den giftbeet van de slang?</p> +<p class="line">Niet hij, die haar den voet zet op den rug.</p> +<p class="line">De kleinste worm verheft, getrapt, den kop;</p> +<p class="line">En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt.</p> +<p class="line">Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon;</p> +<p class="line">Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste.</p> +<p class="line">Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader,</p> +<p class="line">Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien;</p> +<p class="line">Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend,</p> +<p class="line">Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn,</p> +<p class="line">Een vader u getoond, die niet beminde.</p> +<p class="line">Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel;</p> +<p class="line">En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’,</p> +<p class="line">Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen,</p> +<p class="line">Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len,</p> +<p class="line">Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht,</p> +<p class="line">Den man bestrijden, die hun nest beklom, <span class="lineNum">31</span></p> +<p class="line">Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen?</p> +<p class="line">O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld;</p> +<p class="line">Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap</p> +<p class="line">Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven,</p> +<p class="line">En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:—</p> +<p class="line">„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven,</p> +<p class="line">Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!”</p> +<p class="line">O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap;</p> +<p class="line">Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege</p> +<p class="line">Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart,</p> +<p class="line">Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst</p> +<p class="line">En voerde gronden aan van groot gewicht.</p> +<p class="line">Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord,</p> +<p class="line">Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt?</p> +<p class="line">En is het dien zoon altijd wel gegaan,</p> +<p id="kh6iii.ii.2.48" class="line">Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle?</p> +<p class="line">Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden;</p> +<p class="line">O had ik ook zooveel, niets meer geërfd!</p> +<p class="line">Want al het oov’rige is slechts een bezitting,</p> +<p class="line">Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg,</p> +<p class="line">Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt.</p> +<p class="line">Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten,</p> +<p class="line">Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Heer, opgeruimd! de vijand is nabij;</p> +<p class="line">Die weeke stemming maakt uw volgers zwak.</p> +<p class="line">Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan;<span class="pageNum" id="pb709">[<a href="#pb709">709</a>]</span></p> +<p class="line">Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.—</p> +<p class="line">Kniel neder, Edward.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Edward Plantagenet, sta op als ridder;</p> +<p class="line">En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Mijn vader, met uw koninklijk verlof,</p> +<p class="line">Ik wil het als uw troonopvolger trekken,</p> +<p class="line">En in dien strijd het voeren tot den dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Voorwaar, gesproken als een echte prins!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Doorluchte legerhoofden, weest bereid;</p> +<p class="line">Want met een macht van dertigduizend man</p> +<p class="line">Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York,</p> +<p class="line">En roept hem, in de steden, die hij doortrekt,</p> +<p class="line">Tot koning uit, en velen vloeien toe;</p> +<p class="line">Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet;</p> +<p class="line">De koningin slaagt beter in uw afzijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. <span class="lineNum">76</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">Dan zij het met het vast besluit tot vechten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords</p> +<p class="line">En allen aan, die voor uw rechten strijden;</p> +<p class="line">Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">George</span>, <span class="sc">Richard</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Norfolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Meineedig koning, knielt gij om genade,</p> +<p class="line">En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem,</p> +<p class="line">Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap!</p> +<p class="line">Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren,</p> +<p class="line">Hier voor uw souverein en rechten koning?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen.</p> +<p class="line">Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit,</p> +<p class="line">Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor,</p> +<p class="line">Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen,</p> +<p class="line">Veeleer de koning zijt, hem opgezet,</p> +<p class="line">Bij parlementsbesluit mij uit te vagen,</p> +<p class="line">En te vervangen door zijn eigen zoon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">En dat terecht; wie zou</p> +<p class="line">Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord,</p> +<p class="line">U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken?</p> +<p class="line">Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden</p> +<p class="line">Uw beenen beter dan uw handen dienst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Northumberland.</p> +<p class="line">En uw manhaftigheid weerhield u niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Northumberland, u houd ik gaarne in eere.—</p> +<p class="line">Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode</p> +<p class="line">Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen</p> +<p class="line">Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; <span class="lineNum">114</span></p> +<p class="line">Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;—</p> +<p class="line">Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan;</p> +<p class="line">Ik ben een koning, spreken is mijn recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond,</p> +<p class="line">Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem,</p> +<p class="line">Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker.</p> +<p class="line">Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet?</p> +<p class="line">Een duizend man, die nog ontbeten, proeven</p> +<p class="line">Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd?</p> +<p class="line">Want York gespt voor het recht het harnas aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan</p> +<p class="line">Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p id="kh6iii.ii.2.133" class="line">Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder;</p> +<p class="line">Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb710">[<a href="#pb710">710</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">En gij gelijkt op vader noch op moeder,</p> +<p class="line">Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen,</p> +<p class="line">Geteekend door het lot, dat men u mijde</p> +<p class="line">Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt,</p> +<p class="line">Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,—</p> +<p class="line">Alsof een goot ooit zee geheeten werd!—</p> +<p class="line">Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet,</p> +<p class="line">Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p id="kh6iii.ii.2.144" class="line">Een stroowisch ware een duizend kronen waard,</p> +<p class="line">Als zij die prij zichzelve kennen leerde!</p> +<p class="line">Veel schooner was de Grieksche Helena,</p> +<p class="line">Al moge uw gade ook Menelaüs zijn;</p> +<p class="line">Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder</p> +<p class="line">Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet.</p> +<p class="line">Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk,</p> +<p class="line">Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen;</p> +<p class="line">En ware hìj naar zijnen rang gehuwd,</p> +<p class="line">Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd;</p> +<p class="line">Maar bedgenoot werd hem een beed’lares,</p> +<p class="line">Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader;</p> +<p class="line">En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam,</p> +<p class="line">Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde,</p> +<p class="line">En op zijn kroon hier oproer samenbracht.</p> +<p class="line">Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots?</p> +<p class="line">Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen;</p> +<p class="line">Uit deernis met den zachten koning hadden</p> +<p class="line">Wij onzen eisch tot later uitgesteld. <span class="lineNum">162</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">Maar onze zonneschijn schonk u een lente,</p> +<p class="line">En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei;</p> +<p class="line">Dies legden we aan den vreemden stam onze aks;</p> +<p class="line">En schoon de snede onszelf een weinig trof,</p> +<p class="line">Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving,</p> +<p class="line">Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld,</p> +<p class="line">Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Aldus besloten, daag ik u ten strijde,</p> +<p class="line">En ik versmaad elk verder mondgesprek,</p> +<p class="line">Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.—</p> +<p class="line">Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen!</p> +<p class="line">Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hoor, Edward!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden!</p> +<p class="line">Tienduizend levens kost dit twisten heden.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een slagveld bij</i> <span class="ex">Towton</span>.</p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Van strijden mat, als renners na den wedloop,</p> +<p class="line">Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen;</p> +<p class="line">De ontvangen slagen, weergegeven houwen</p> +<p class="line">Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht;</p> +<p class="line">En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Edward</span> <i>komt in vliegende haast op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Tref, booze dood, of goede hemel, red mij!</p> +<p class="line">Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">George</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop;</p> +<p class="line">Doorbroken is ons heer en onheil naakt.</p> +<p class="line">Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld;</p> +<p class="line">En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Richard</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">O Warwick, waarom trekt gij u terug?</p> +<p id="kh6iii.ii.3.15" class="line">Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed,</p> +<p class="line">Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt;</p> +<p class="line">En in den laatsten doodstrijd riep hij nog,</p> +<p class="line">Dof als een onheilspellend ver gedreun:</p> +<p class="line">„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!”</p> +<p class="line">Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die</p> +<p class="line">Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed,</p> +<p class="line">Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. <span class="lineNum">22</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dan worde de aarde dronken van ons bloed;</p> +<p class="line">Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil.</p> +<p class="line">Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen,</p> +<p class="line">En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast;</p> +<p class="line">En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel</p> +<p class="line">Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak?</p> +<p class="line">Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven,</p> +<p class="line">Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets,</p> +<p class="line">Aleer de dood deze oogen heeft geloken,</p> +<p class="line">Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">O, Warwick, hier buig ik met u de knie,</p> +<p class="line">En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!—</p> +<p class="line">En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat,</p> +<p class="line">Werp ik mijn oog en hart en hand tot U,</p> +<p class="line">U, grooten koningsschepper en verdelger,</p> +<p class="line">En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit,</p> +<p class="line">Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,—</p> +<p class="line">Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’,</p> +<p class="line">Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’!</p> +<p class="line">En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien,</p> +<p class="line">’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick,</p> +<p class="line">’k Omvange u met mijn moegestreden armen!</p> +<p class="line">Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen,</p> +<p class="line">Dat winter onze lentezon doet tanen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb711">[<a href="#pb711">711</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers;</p> +<p class="line">Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden,</p> +<p class="line">Hen noemen we onze pijlers; en aan hen</p> +<p class="line">Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd</p> +<p class="line">Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel.</p> +<p class="line">Dit plant wellicht in lauwe harten moed;</p> +<p class="line">Want hoop op leven is er en op zege.—</p> +<p class="line">Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p> +<p class="stage"><i>Schermutselingen.</i> <span class="sc">Richard</span> <i>en</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij.</p> +<p class="line">Deze arm, denk dit, is voor den hertog York,</p> +<p class="line">En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd,</p> +<p class="line">Al waart ge omsloten van een bronzen muur.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Nu, Richard, ben ik hier met u alleen.</p> +<p class="line">Ja, deze hand doorstak uw vader York,</p> +<p class="line">En deze hand versloeg uw broeder Rutland,</p> +<p class="line">En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood,</p> +<p class="line">En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder,</p> +<p class="line">Den lust geeft om u evenzoo te rechten.</p> +<p class="line">Dus: weer u!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Zij vechten.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt</i>. <span class="sc">Clifford</span> <i>vlucht</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Neen, Warwick, lees een ander wild u uit;</p> +<p class="line">Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. <span class="lineNum">13</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p> +<p class="stage"><i>Krijgsrumoer. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd,</p> +<p class="line">Als stervend donker kampt met groeiend licht,</p> +<p class="line">Wanneer de herder, op zijn nagels blazend,</p> +<p class="line">Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht.</p> +<p class="line">Nu zwaait het dien weg, als een groote zee,</p> +<p class="line">Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen,</p> +<p class="line">Dan dezen weg uit, als dezelfde zee,</p> +<p class="line">Teruggedreven door de macht des winds;</p> +<p class="line">Nu wint de vloed den strijd en dan de wind,</p> +<p class="line">Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst;</p> +<p class="line">Beide om de zege worst’lend, borst aan borst,</p> +<p class="line">Geen overwinnaar nog, geen overwonnen;</p> +<p class="line">Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds.</p> +<p class="line">Ik wil me op dezen molshoop nederzetten.</p> +<p class="line">Waar God ze geven wil, daar zij de zege!</p> +<p class="line">Want Margaretha heeft, en Clifford ook,</p> +<p class="line">Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend,</p> +<p class="line">Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt.</p> +<p class="line">O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood!</p> +<p class="line">Want wat is de aard, dan enkel leed en nood?</p> +<p class="line">O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot,</p> +<p class="line">Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder,</p> +<p class="line">Te zitten op een heuvel als ik hier,</p> +<p class="line">En zonnewijzers kunstig uit te snijden,</p> +<p class="line">Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden,</p> +<p class="line">Hoeveel er van te zaam een uur voltooien.</p> +<p class="line">En hoeveel uren voor een dag verloopen,</p> +<p class="line">Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is,</p> +<p class="line">En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft.</p> +<p class="line">En dan, is dit erkend, den tijd te deelen,</p> +<p class="line">Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden,</p> +<p class="line">En zooveel uren moet ik aan mijn rust,</p> +<p class="line">En zooveel uur aan overdenking wijden,</p> +<p class="line">En zooveel uren geven aan vermaak,</p> +<p class="line">En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig,</p> +<p class="line">En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren,</p> +<p class="line">En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren;</p> +<p class="line">Minuten, uren, dagen, maanden, jaren,</p> +<p class="line">Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel,</p> +<p class="line">En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf.</p> +<p class="line">Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk!</p> +<p class="line">Verleent het doornebosch niet aan den herder,</p> +<p class="line">Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw,</p> +<p class="line">Dan op den troon een rijkgestikte hemel</p> +<p class="line">Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht?</p> +<p class="line">O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet.</p> +<p class="line">En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel,</p> +<p class="line">Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch,</p> +<p class="line">Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer,</p> +<p class="line">Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet,</p> +<p class="line">Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, <span class="lineNum">51</span></p> +<p class="line">Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker,</p> +<p class="line">Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd,</p> +<p class="line">Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het lijk.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt!</p> +<p class="line">De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg,</p> +<p class="line">Kan licht een buidel kronen bij zich hebben;</p> +<p class="line">En ik, die bij geluk hem die ontneem,</p> +<p class="line">Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven,</p> +<p class="line">Een ander afstaan, als de doode aan mij.</p> +<p id="kh6iii.ii.5.61" class="line">Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders,</p> +<p class="line">Dien ik onwetend in den strijd versloeg!</p> +<p class="line">O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt!</p> +<p class="line">Men preste mij te Londen voor den koning;</p> +<p class="line">Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick,</p> +<p class="line">Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York;</p> +<p class="line">En ik, die ’t leven eens van hem ontving,</p> +<p class="line">Heb met mijn hand het leven hem benomen!—</p> +<p class="line">Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;—</p> +<p class="line">Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.—</p> +<p class="line">Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg;</p> +<p class="line">En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed!</p> +<p class="line">Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren,</p> +<p class="line">Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist.</p> +<p class="line">Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan;<span class="pageNum" id="pb712">[<a href="#pb712">712</a>]</span></p> +<p class="line">Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist,</p> +<p class="line">Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn armen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vader.</p> +<p class="line">Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt,</p> +<p class="line">Geef mij uw goud, indien gij goud bezit;</p> +<p class="line">Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen.</p> +<p class="line">Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands?</p> +<p class="line">O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!—</p> +<p class="line">O kind, zoo er nog leven in u is,</p> +<p class="line">Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen,</p> +<p class="line">Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden,</p> +<p class="line">Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!—</p> +<p class="line">Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!—</p> +<p class="line">O welke daden, gruw’lijk en moorddadig,</p> +<p class="line">Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk,</p> +<p class="line">Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!—</p> +<p id="kh6iii.ii.5.92" class="line">O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven,</p> +<p class="line">Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p712width"><img src="images/p712.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vijfde Tooneel." width="507" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vijfde Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wee boven wee! leed boven ander leed!</p> +<p class="line">O, dat mijn dood die gruw’len einden kon!</p> +<p class="line">Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!—</p> +<p class="line">De roode en witte roos zijn op zijn kaak,</p> +<p class="line">Die onheilskleuren onzer booze huizen; <span class="lineNum">98</span></p> +<p class="line">Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur,</p> +<p class="line">Op de andere al te wel zijn bleeke wang;</p> +<p class="line">Één roos verwelke, en moge de andre bloeien!</p> +<p class="line">Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood,</p> +<p class="line">Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vader.</p> +<p class="line">Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon,</p> +<p class="line">Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen,</p> +<p class="line">Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vader.</p> +<p class="line">Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd?</p> +<p class="line">Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Zoon.</p> +<p class="line">Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Zoon af met het lijk.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Vader.</p> +<p class="line">Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,—</p> +<p class="line">Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht,</p> +<p class="line">Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten.</p> +<p class="line">Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt;</p> +<p class="line">En even diepe rouw bedrijft uw vader</p> +<p class="line">Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind,</p> +<p class="line">Als Priamus om al zijn dapp’re zoons.</p> +<p class="line">Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht</p> +<p class="line">En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Vader af, met het lijk.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij,</p> +<p class="line">Hier zit een koning, met meer wee dan gij.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden,</p> +<p class="line">En Warwick raast als een getergde stier.</p> +<p class="line">IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar Berwick;</p> +<p class="line">Edward en Richard,—als twee hazenwinden,</p> +<p class="line">Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien,</p> +<p class="line">Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len,</p> +<p class="line">Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd,</p> +<p class="line">Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak;</p> +<p class="line">Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed;</p> +<p class="line">Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt <span class="lineNum">137</span></p> +<p class="line">Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik</p> +<p class="line">De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.ii.6" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span></p> +<p class="stage"><i>Heftig krijgsrumoer.</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt op, gewond</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clifford.</p> +<p class="line">Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij,</p> +<p class="line">Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen.</p> +<p class="line">O Lancaster! nu vrees ik uwen val,</p> +<p class="line">Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel!</p> +<p class="line">Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden,</p> +<p class="line">Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging,</p> +<p class="line">Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York.</p> +<p class="line">Waar vliegen muggen heen, dan in de zon?</p> +<p class="line">En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders?</p> +<p class="line">O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend,</p> +<p class="line">Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende,</p> +<p class="line">Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid!</p> +<p class="line">En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht,</p> +<p class="line">Gelijk uw vader en zijn vader deden,</p> +<p class="line">En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven,</p> +<p class="line">Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen;</p> +<p class="line">Ik en tienduizend in dit arme rijk,</p> +<p class="line">Wij lieten thans geen droeve weeuwen na,</p> +<p class="line">En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon.</p> +<p class="line">Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht?</p> +<p class="line">En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?—<span class="pageNum" id="pb713">[<a href="#pb713">713</a>]</span></p> +<p class="line">Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden.</p> +<p class="line">Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer!</p> +<p class="line">De vijand kent geen deernis, geen erbarmen,</p> +<p class="line">Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen!</p> +<p class="line">De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in,</p> +<p class="line">En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.—</p> +<p class="line">Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders;</p> +<p class="line">Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij bezwijmt.</i>)</p> +<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch en terugtocht.</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">George</span>, <span class="sc">Richard</span>, <span class="sc">Montague</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Troepen komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk</p> +<p class="line">Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd</p> +<p class="line">Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.—</p> +<p class="line">Een deel vervolg’ de felle koningin;</p> +<p class="line">Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning,</p> +<p class="line">Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind,</p> +<p class="line">Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen.</p> +<p class="line">Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is;</p> +<p class="line">Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,—</p> +<p class="line">Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf;</p> +<p class="line">En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clifford</span> <i>steunt en sterft</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? <span class="lineNum">42</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Een snik, als vlood het leven voor den dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu</p> +<p class="line">’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t;</p> +<p class="line">Die niet tevreden, dat hij zulk een tak</p> +<p class="line">Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef,</p> +<p class="line">Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg,</p> +<p class="line">Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,—</p> +<p class="line">Ik meen, aan onzen hoogen vader York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Neem van de poort van York dat hoofd nu af,</p> +<p class="line">Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant;</p> +<p class="line">En neme zijne plaats dit hoofd nu in,</p> +<p class="line">Want maat voor maat moet de vergelding zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Brengt hier die booze nachtuil van ons huis,</p> +<p class="line">Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste;</p> +<p class="line">Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied,</p> +<p class="line">En de onheilstaal van zijne tong verstomde.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Het lijk wordt naar voren gedragen.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.—</p> +<p class="line">Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?—</p> +<p class="line">’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht;</p> +<p class="line">Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet;</p> +<p class="line">Het is misschien een list, zich dood te veinzen,</p> +<p class="line">Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga,</p> +<p class="line">Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">York was u lief, en ik ben zoon van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">George.</p> +<p class="line">Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford</p> +<p class="line">Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— <span class="lineNum">78</span></p> +<p class="line">Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God!</p> +<p class="line">Kon ik hem zoo twee uren levens koopen,</p> +<p class="line">Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen,</p> +<p class="line">Ik hakte mij de hand af en verstikte</p> +<p class="line">Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst</p> +<p class="line">Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af,</p> +<p class="line">En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat.</p> +<p class="line">En nu naar Londen voorwaarts in triomf,</p> +<p class="line">En laat tot Englands koning fluks u kronen.</p> +<p class="line">Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over,</p> +<p class="line">En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin.</p> +<p class="line">Zoo knoopt gij beide landen innig saam,</p> +<p class="line">En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand,</p> +<p class="line">Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan;</p> +<p class="line">Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan,</p> +<p class="line">Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen.</p> +<p class="line">Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek</p> +<p class="line">Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk</p> +<p class="line">Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edward.</p> +<p class="line">Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick;</p> +<p class="line">Want op uw schouders bouw ik mijnen troon,</p> +<p class="line">En nimmer onderneem ik een’ge zaak,</p> +<p class="line">Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.—</p> +<p class="line">Richard, tot hertog maak ik u van Gloster,<span class="pageNum" id="pb714">[<a href="#pb714">714</a>]</span></p> +<p class="line">George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf,</p> +<p class="line">Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Richard.</p> +<p class="line">Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster;</p> +<p id="kh6iii.ii.6.107" class="line">Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet</p> +<p class="line">Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen,</p> +<p class="line">Daar al onze eer nu in bezit genomen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DERDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6iii.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een jachtveld in</i> <span class="ex">Noord-Engeland</span>.</p> +<p class="stage"><i>Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte,</p> +<p class="line">Want op deze open plek komt steeds het wild;</p> +<p class="line">Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht,</p> +<p class="line">En lezen zoo het schoonste hert ons uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog</p> +<p class="line">Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot.</p> +<p class="line">Neen, samen staan wij hier en doen ons best.</p> +<p class="line">En om den tijd van ’t wachten u te korten,</p> +<p class="line">Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats,</p> +<p class="line">Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, vermomd, met een gebedenboek</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, <span class="lineNum">13</span></p> +<p class="line">Om liefdevol mijn eigen land te groeten.</p> +<p class="line">Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u,</p> +<p class="line">Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen,</p> +<p class="line">Die balsem, die u heiligde, afgewischt;</p> +<p class="line">Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen,</p> +<p class="line">Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen,</p> +<p class="line">Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken;</p> +<p class="line">Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Ziedaar een hert, welks huid den jager loont;</p> +<p class="line">De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen;</p> +<p class="line">Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp;</p> +<p class="line">En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik,</p> +<p class="line">Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster</p> +<p class="line">Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo,</p> +<p class="line">Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite;</p> +<p class="line">Want Warwick is een schrander redenaar,</p> +<p class="line">En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk.</p> +<p class="line">Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen;</p> +<p class="line">Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard;</p> +<p class="line">Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst,</p> +<p class="line">Met tranen dringt zij in een steenen hart; <span class="lineNum">38</span></p> +<p class="line">Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht,</p> +<p class="line">En Nero wordt geroerd van deernis, als hij</p> +<p class="line">Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet.</p> +<p class="line">’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven;</p> +<p class="line">Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen,</p> +<p class="line">Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward.</p> +<p class="line">Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet;</p> +<p class="line">Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond;</p> +<p class="line">Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart,</p> +<p class="line">Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt,</p> +<p class="line">En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind</p> +<p class="line">Den koning overreedt, haar niet te hooren,</p> +<p class="line">Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen,</p> +<p class="line">Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot.</p> +<p class="line">Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme</p> +<p class="line">Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen</p> +<p class="line">En koninginnen praat? <span class="lineNum">55</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest;</p> +<p class="line">Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn?</p> +<p class="line">En van een koning mag een mensch toch praten?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd,</p> +<p class="line">Met Indische edelsteenen niet bezet,</p> +<p class="line">Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid,</p> +<p class="line">Een kroon zooals een koning zelden draagt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Goed, koning van tevredenheid, wees dan</p> +<p class="line">Nu met uw kroon tevredenheid tevreden</p> +<p class="line">En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij<span class="pageNum" id="pb715">[<a href="#pb715">715</a>]</span></p> +<p class="line">De koning, afgezet door koning Edward;</p> +<p class="line">En wij, onze’ eed als onderdanen trouw,</p> +<p class="line">Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Waar waart gij, toen ik koning was van England?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p> +<p class="line">Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Als kind van negen maanden werd ik koning,</p> +<p class="line">Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren;</p> +<p class="line">Gezworen onderdanen waart gij mij;</p> +<p class="line">En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Neen, zeker niet; wij waren onderdanen;</p> +<p class="line">Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Wat! ben ik dood? En adem als een mensch?</p> +<p class="line">Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert!</p> +<p class="line">Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas,</p> +<p class="line">En de adem van den wind het mij terugblaast,</p> +<p class="line">En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas,</p> +<p class="line">En ook weer toegeeft, als een ander blaast,</p> +<p class="line">Steeds door de sterker strooming meegevoerd,</p> +<p class="line">Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— <span class="lineNum">89</span></p> +<p class="line">Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde</p> +<p class="line">Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn.</p> +<p class="line">Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last;</p> +<p class="line">Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn,</p> +<p class="line">Als hij op koning Edward’s troon weer zat.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p> +<p class="line">In naam van God, en ’s konings naam, kom mede;</p> +<p class="line">Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings</p> +<p class="line">Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond;</p> +<p class="line">En wat God wil, dat moge uw koning doen;</p> +<p class="line">In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Clarence</span> <i>en Lady</i> <span class="sc">Grey</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe</p> +<p class="line">Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag</p> +<p class="line">Van Sint-Albaans gevallen en zijn land</p> +<p class="line">Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar.</p> +<p class="line">Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land,</p> +<p class="line">Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen,</p> +<p class="line">Omdat de waardige edelman zijn leven</p> +<p class="line">Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan;</p> +<p class="line">Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Ei, staat het zoo?</p> +<p class="line">De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan,</p> +<p class="line">Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Hij kent de jacht; wat volgt hij goed het spoor!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Stil nu!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw,</p> +<p class="line">Kom dus een andermaal het antwoord hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden;</p> +<p class="line">’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven,</p> +<p class="line">En wat u zal behagen is mij goed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw land,</p> +<p class="line">Indien wat hem behaagt, u wel bevalt.</p> +<p class="line">Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Voor haar ben ik niet bang, als zij niet valt. <span class="lineNum">24</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Verhoede God, dat ware een kans voor hem!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind van haar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Mijn kop af, liever geeft hij haar er twee.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Drie, mijn doorluchte heer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje toetsen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten,</p> +<p class="line">Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>treden terug</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Ja, even lief als ik mijzelve heb.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb716">[<a href="#pb716">716</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.</p> +</div> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p716width"><img src="images/p716.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel." width="468" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.</p> +</div><p> +</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. <span class="lineNum">49</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>ter zijde</i>).</span> Hij dringt haar sterk; veel regen holt den steen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Zoo rood als vuur! zoo moet haar was wel smelten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Een lichten dienst, een koning te beminnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Beklonken! zie, die buiging is het zegel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin;</p> +<p class="line">Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden,</p> +<p class="line">Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch</p> +<p class="line">Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed;</p> +<p class="line">Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Aldus doet gij uw kindren veel te kort.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort.</p> +<p class="line">Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim</p> +<p class="line">Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek;</p> +<p class="line">Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede;</p> +<p class="line">Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. <span class="lineNum">81</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> De weduw wil hem niet; zij fronst de wenkbrauw.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Geen christenmensch maakte ooit zoo plomp het hof.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik;</p> +<p class="line">Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord;</p> +<p class="line">Zoo schoone gaven eischen vorstenrang;</p> +<p class="line">Een koning is zij waardig, zus of zoo,</p> +<p class="line">’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.—</p> +<p class="line">(<i>Tot Lady</i> <span class="sc">Grey</span>.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen;</p> +<p class="line">Ik deug als onderdaan misschien tot scherts,</p> +<p class="line">Maar nimmer toch om koningin te zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon,</p> +<p class="line">Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent;</p> +<p class="line">Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil.</p> +<p class="line">Ik weet, ik ben te laag voor koningin,</p> +<p class="line">Maar toch te goed voor liefje van een koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Lady Grey.</p> +<p class="line">’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons</p> +<p class="line">U vader gingen noemen.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb717">[<a href="#pb717">717</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">U vader gingen noemen. </span>Neen, niet meer,</p> +<p class="line">Dan zoo u mijne dochters moeder noemen.</p> +<p class="line">Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk;</p> +<p class="line">En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel,</p> +<p class="line">Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak,</p> +<p class="line">De vader van een tal van zoons te zijn.</p> +<p class="line">Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> De vrome heer is klaar, de biecht gehoord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Toen hij biechtvader werd, was list aan ’t woord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Voor wien, mylord?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wel, Clarence, voor mijzelf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p id="kh6iii.iii.2.113" class="line">Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. <span class="lineNum">114</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u,</p> +<p class="line">Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Edelman komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Edelman.</p> +<p class="line">Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat,</p> +<p class="line">En als gevang’ne hier voor uw paleis.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Edelman af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft,</p> +<p class="line">Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.—</p> +<p class="line">Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.—</p> +<p class="line">Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles,</p> +<p class="line">Opdat geen groene spruit uit zijne lenden</p> +<p class="line">Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag!</p> +<p class="line">Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,—</p> +<p class="line">Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,—</p> +<p class="line">Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward,</p> +<p class="line">En al hun onverhoopte lijflijke erven,</p> +<p class="line">En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is;</p> +<p class="line">Een killende overweging bij mijn plan!</p> +<p class="line">Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk,</p> +<p class="line">Als een, die op een voorgebergte staat</p> +<p class="line">En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht,</p> +<p class="line">En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog,</p> +<p class="line">De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt,</p> +<p class="line">Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen;</p> +<p class="line">Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon,</p> +<p class="line">En kijf op al wat mij van haar terughoudt,</p> +<p class="line">En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen,</p> +<p class="line">En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is.</p> +<p class="line">Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest,</p> +<p class="line">Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren.</p> +<p class="line">Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard,</p> +<p class="line">Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan?</p> +<p class="line">Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot,</p> +<p class="line">In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re</p> +<p class="line">De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;—</p> +<p class="line">Armzalige inval, minder nog bereikbaar,</p> +<p class="line">Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen!</p> +<p class="line">De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf;</p> +<p class="line">En, opdat ik haar zachte wet zou derven,</p> +<p class="line">Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht</p> +<p class="line">Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len</p> +<p class="line">Gelijk een dorre struik, om op mijn rug</p> +<p class="line">Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid</p> +<p class="line">Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt;</p> +<p class="line">Om mij de beenen ongelijk te vormen,</p> +<p class="line">Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden,</p> +<p class="line">Als aan een warklomp of een berenwelp,</p> +<p class="line">Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt.</p> +<p class="line">En ben dan ik een man, die liefde wekt?</p> +<p class="line">O razernij, ooit zulk een waan te voeden! <span class="lineNum">164</span></p> +<p class="line">Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt</p> +<p class="line">Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen,</p> +<p class="line">Die schooner van gestalte zijn dan ik,</p> +<p class="line">Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen,</p> +<p class="line">En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen,</p> +<p class="line">Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd</p> +<p class="line">Omtuind is van een glorierijke kroon.</p> +<p class="line">Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang,</p> +<p class="line">Want vele levens scheiden mij van ’t doel.</p> +<p class="line">Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,—</p> +<p class="line">De dorens scheurend, zelf er door geschramd,—</p> +<p class="line">Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert,</p> +<p class="line">Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt,</p> +<p class="line">Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,—</p> +<p class="line">Zoo martel ik mij af om Englands kroon;</p> +<p class="line">En van die mart’ling wil ik mij bevrijden,</p> +<p class="line">Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks.</p> +<p class="line">Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,</p> +<p class="line">En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft,</p> +<p class="line">En kunstig mijn gelaat met tranen vochten,</p> +<p class="line">Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds.</p> +<p class="line">’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf,</p> +<p class="line">Meer kijkers dooden dan de basilisk,</p> +<p class="line">Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen,</p> +<p class="line">Bedriegen, fijner dan Ulysses deed,</p> +<p class="line">Een Sinon zijn en nog een Troje nemen;</p> +<p class="line">Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen,</p> +<p class="line">Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs;</p> +<p class="line">Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;—<span class="pageNum" id="pb718">[<a href="#pb718">718</a>]</span></p> +<p class="line">En zou een kroon mij onbereikbaar zijn?</p> +<p class="line">Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iii.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Een staatsievertrek in het koninklijk paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Lodewijk</span> <i>en prinses</i> <span class="sc">Bona</span> <i>komen op, met Gevolg. De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Prins</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en de Graaf van</i> <span class="sc">Oxford</span>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>opstaande</i>).</span> Doorluchte, schoone koningin van England,</p> +<p class="line">Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst,</p> +<p class="line">Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Neen, groote koning, Margaretha moet</p> +<p class="line">Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen,</p> +<p class="line">Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte</p> +<p class="line">’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd,</p> +<p class="line">Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden,</p> +<p class="line">Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet</p> +<p class="line">Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu,</p> +<p class="line">En ik mij schikken in mijn lage plaats.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult,</p> +<p class="line">Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, <span class="lineNum">15</span></p> +<p class="line">En zet u naast ons. <span class="stage">(<i>Beiden gaan zitten.</i>)</span> Buig den nek toch niet</p> +<p class="line">Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave</p> +<p class="line">Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort;</p> +<p class="line">Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed;</p> +<p class="line">Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest</p> +<p class="line">En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken.</p> +<p class="line">Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust,</p> +<p class="line">Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart,</p> +<p class="line">In plaats van koning nu een vlucht’ling is,</p> +<p class="line">In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet,</p> +<p class="line">Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York,</p> +<p class="line">Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd</p> +<p class="line">Van Englands echtgezalfden, rechten koning.</p> +<p class="line">Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha,</p> +<p class="line">Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon,</p> +<p class="line">Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend;</p> +<p class="line">Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop;</p> +<p class="line">Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet;</p> +<p class="line">In England zijn èn pairs èn volk verleid,</p> +<p class="line">De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid;</p> +<p class="line">En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm,</p> +<p class="line">Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O, ongeduld verzelt steeds waren kommer;</p> +<p class="line">En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>komt op, met Gevolg</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De Koning komt van den troon af. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>staat op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wee! nu begint een tweede storm te woeden;</p> +<p class="line">Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De roemrijke Edward, koning thans van Albion,</p> +<p class="line">Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend,</p> +<p class="line">Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde,</p> +<p class="line">Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten,</p> +<p class="line">Voorts aan te dringen op een vriendschapsband,</p> +<p class="line">En dan nog, om die vriendschap te versterken,</p> +<p class="line">Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen,</p> +<p class="line">Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona,</p> +<p class="line">Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. <span class="lineNum">58</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick</p> +<p class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">Bona</span>). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege</p> +<p class="line">Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig</p> +<p class="line">De hand u kussen en u met mijn tong</p> +<p class="line">Den gloed beschrijven van mijns meesters hart,</p> +<p class="line">Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend,</p> +<p class="line">Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan,</p> +<p class="line">Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek</p> +<p class="line">Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde,</p> +<p class="line">Alleen uit arglist, door den nood verwekt;</p> +<p class="line">Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis,</p> +<p class="line">Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt?</p> +<p class="line">Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk,</p> +<p class="line">Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven,</p> +<p class="line">Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon.</p> +<p class="line">Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt,</p> +<p class="line">Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd;</p> +<p class="line">Want een geweld’naar moge een wijle heerschen,</p> +<p class="line">God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Smaadzieke Margaretha!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Waarom niet koningin?</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb719">[<a href="#pb719">719</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Uws vaders rang is aangematigd, gij</p> +<p class="line">Zoo min een prins, als zij een koningin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent,</p> +<p class="line">Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet,</p> +<p class="line">En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik,</p> +<p class="line">Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs,</p> +<p class="line">En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik,</p> +<p class="line">Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd;</p> +<p class="line">Van deze reeks stamt onze Hendrik af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede</p> +<p class="line">Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik</p> +<p class="line">Al wat de vijfde Hendrik won, verloor?</p> +<p class="line">Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier</p> +<p class="line">De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij</p> +<p class="line">Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets</p> +<p class="line">Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij</p> +<p class="line">Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft,</p> +<p class="line">En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, <span class="lineNum">98</span></p> +<p class="line">Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms?</p> +<p class="line">Laat Hendrik varen en noem Edward koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis</p> +<p class="line">Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere,</p> +<p class="line">Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader,</p> +<p class="line">En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds</p> +<p class="line">Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had?</p> +<p class="line">Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft,</p> +<p class="line">Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ik aan ’t huis van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford,</p> +<p class="line">Op ons verzoek een poos ter zij te treden,</p> +<p class="line">Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">God geve, dat diens taal hem niet beheks’!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Zij treedt met Prins</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>ter zijde</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af,</p> +<p class="line">Is Edward waarlijk koning, want ik knoop</p> +<p class="line">Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Maar heeft hij wijding in het oog des volks?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk</p> +<p class="line">De mate van de liefde, die hij voedt</p> +<p class="line">Voor onze zuster.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Voor onze zuster. </span>Zoo doet die zich voor,</p> +<p class="line">Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt.</p> +<p class="line">Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren;</p> +<p class="line">Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde,</p> +<p class="line">Die in den grond der deugd haar wortels heeft,</p> +<p class="line">Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid.</p> +<p class="line">Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen,</p> +<p class="line">Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bona.</p> +<p class="line">Uw ja of neen zal ook het mijne zijn;</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</span> Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds,</p> +<p class="line">Als ik uws konings gaven hoorde roemen,</p> +<p class="line">Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade;</p> +<p class="line">En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen</p> +<p class="line">Omtrent den weduwschat, dien England toekent,</p> +<p class="line">Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.—</p> +<p class="line">Treed nader, koningin, en wees getuige,</p> +<p class="line">Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins Edward.</p> +<p class="line">Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. <span class="lineNum">140</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan,</p> +<p class="line">Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken;</p> +<p class="line">Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">En blijft dit steeds voor hem en Margaretha;</p> +<p class="line">Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak,</p> +<p class="line">Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken,</p> +<p class="line">Dan is het billijk, dat ik van de hulp</p> +<p class="line">Ontheven zij, voorheen u toegezegd.</p> +<p class="line">Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst,</p> +<p class="line">Dien gij behoeft en ik verleenen kan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland,</p> +<p class="line">Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan.</p> +<p class="line">En gij, gewezen koningin van England,</p> +<p class="line">Hebt hier uw vader om voor u te zorgen;</p> +<p class="line">Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg,</p> +<p class="line">Gij trotsche koningsschepper en verdelger!</p> +<p class="line">Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen,</p> +<p class="line">Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon,</p> +<p class="line">Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde;</p> +<p class="line">Want vogels zijt ge beî van eender veeren.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Horengeschal.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb720">[<a href="#pb720">720</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</span> Ik breng, heer afgezant, een brief u over,</p> +<p class="line">Van uwen broeder, markgraaf Montague;—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Lodewijk</span>.)</span> Aan uwe majesteit van onzen koning;—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Margaretha</span>.)</span> Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Allen lezen hun brieven</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Recht goed, dat onze schoone meesteres</p> +<p class="line">Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins Edward.</p> +<p class="line">En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld;</p> +<p class="line">Ik hoop er ’t beste van.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Ik hoop er ’t beste van. </span>Nu, Warwick, spreek!</p> +<p class="line">Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? <span class="lineNum">174</span></p> +<p class="line">En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen</p> +<p class="line">En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant?</p> +<p class="line">Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt?</p> +<p class="line">En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ik heb het aan uw majesteit voorspeld;</p> +<p class="line">Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel,</p> +<p class="line">En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik</p> +<p class="line">Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,—</p> +<p class="line">Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert,</p> +<p class="line">Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag.</p> +<p class="line">Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York</p> +<p class="line">Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden?</p> +<p id="kh6iii.iii.3.188" class="line">Gezwegen bij de onteering van mijn nicht?</p> +<p class="line">Zijn hoofd omgeven met de koningskroon?</p> +<p class="line">Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken?</p> +<p class="line">En word ik in het eind met schimp beloond?</p> +<p class="line">Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt,</p> +<p class="line">Die hij mij roofde; en om die weer te winnen,</p> +<p class="line">Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik.</p> +<p class="line">Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok;</p> +<p class="line">Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar.</p> +<p class="line">Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik,</p> +<p class="line">En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde;</p> +<p class="line">En ik vergeef, vergeet alle oude schuld,</p> +<p class="line">Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend,</p> +<p class="line">Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen</p> +<p class="line">Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan,</p> +<p class="line">Ik op mij neem, op onze kust te landen,</p> +<p class="line">Door krijg den dwing’land van den troon te storten.</p> +<p class="line">Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat;</p> +<p class="line">En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt,</p> +<p class="line">Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken,</p> +<p class="line">Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer,</p> +<p class="line">Dan veiligheid of sterkte van ons land.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bona.</p> +<p class="line">Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden,</p> +<p class="line">Zoo gij deze arme koningin niet steunt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven,</p> +<p class="line">Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bona.</p> +<p class="line">Mijn strijd en die der koningin zijn een.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ook de mijne is een er mee, prinses.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Bij dien van u, van haar, van Margaretha,</p> +<p class="line">Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste</p> +<p class="line">Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Laat mij voor allen u eerbiedig danken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg <span class="lineNum">222</span></p> +<p class="line">Den valschen Edward, uw vermeenden koning,</p> +<p id="kh6iii.iii.3.224" class="line">Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,</p> +<p class="line">Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.</p> +<p class="line">Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bona.</p> +<p class="line">Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar</p> +<p class="line">Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd</p> +<p class="line">En sta gereed, het harnas aan te gespen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,</p> +<p class="line">En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.</p> +<p class="line">Hier, neem uw loon, en ga!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Hier, neem uw loon, en ga! </span>Ja, Warwick, gij,</p> +<p class="line">En Oxford, en vijfduizend man met u,</p> +<p class="line">Steekt over en bestrijdt den valschen Edward;</p> +<p class="line">En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe,</p> +<p class="line">Alsook de prins, met versche troepen volgen.</p> +<p class="line">Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op:</p> +<p class="line">Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw:</p> +<p class="line">Indien mijn koningin en prins het willen,</p> +<p id="kh6iii.iii.3.242" class="line">Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter,</p> +<p class="line">Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel.</p> +<p class="line">Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon;</p> +<p class="line">Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick,<span class="pageNum" id="pb721">[<a href="#pb721">721</a>]</span></p> +<p class="line">En met de hand uw onverbreek’lijk woord,</p> +<p class="line">Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins Edward.</p> +<p class="line">Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het;</p> +<p class="line">En hiervoor zij mijn hand het onderpand.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij reikt aan</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>de hand</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p> +<p class="line">Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam,</p> +<p class="line">En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks,</p> +<p class="line">Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.—</p> +<p class="line">Zij nederlaag en dood nu Edwards lot,</p> +<p class="line">Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Als afgezant van Edward kwam ik hier,</p> +<p class="line">Doch ga terug als zijn gezworen vijand.</p> +<p class="line">Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len,</p> +<p class="line">Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek.</p> +<p class="line">Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen?</p> +<p class="line">Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed.</p> +<p class="line">Ik was de man, die hem ten troon verhief;</p> +<p class="line">Ik wil de man zijn, die hem vallen doet.</p> +<p class="line">Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel,</p> +<p class="line">Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6iii.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u</p> +<p class="line">Van dezen nieuwen echt met lady Grey?</p> +<p class="line">Kon onze broeder beter keuze doen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;</p> +<p class="line">Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt op met gevolg, Lady</i> <span class="sc">Grey</span> <i>als koningin</i>, <span class="sc">Pembroke</span>, <span class="sc">Stafford</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,</p> +<p class="line">Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,</p> +<p class="line">Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,</p> +<p class="line">Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,</p> +<p class="line">Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,</p> +<p class="line">Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. <span class="lineNum">16</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;</p> +<p class="line">Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Neen, neen, ik niet;</p> +<p class="line">Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,</p> +<p class="line">Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het</p> +<p class="line">Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, afgezien van spot of tegenzin,</p> +<p class="line">Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey</p> +<p class="line">Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—</p> +<p class="line">En gij ook, Somerset en Montague,</p> +<p class="line">Zegt ronduit uwe meening.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p id="kh6iii.iv.1.29" class="line">Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk</p> +<p class="line">Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek</p> +<p class="line">Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">En Warwick, die daar uwen last volbracht,</p> +<p class="line">Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. <span class="lineNum">33</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">En als ik beide’ eens kon tevredenstellen</p> +<p class="line">Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,</p> +<p class="line">Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,</p> +<p class="line">Dan eenige echt met een landsdochter doet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Weet Montague dan niet, hoe veilig England</p> +<p class="line">Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!</p> +<p class="line">Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,</p> +<p class="line">Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;</p> +<p class="line">Verweren wij ons enkel met hun hulp;</p> +<p class="line">In hen en in onszelf ligt onze kracht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p id="kh6iii.iv.1.47" class="line">Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,</p> +<p class="line">De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;</p> +<p class="line">En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb722">[<a href="#pb722">722</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,</p> +<p class="line">Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw</p> +<p class="line">De erfdochter weg te schenken van lord Scales;</p> +<p class="line">Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;</p> +<p class="line">Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon</p> +<p class="line">Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,</p> +<p class="line">En zoo uw broeders elders laten uitzien.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,</p> +<p class="line">Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;</p> +<p class="line">Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,</p> +<p class="line">Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;</p> +<p class="line">En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn</p> +<p class="line">En niet gebonden aan zijns broeders wil.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,</p> +<p class="line">Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,</p> +<p class="line">Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—</p> +<p class="line">Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren</p> +<p class="line">Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.</p> +<p class="line">Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,</p> +<p class="line">Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,</p> +<p class="line">Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. <span class="lineNum">75</span></p> +<p class="line">Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,</p> +<p class="line">Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend</p> +<p class="line">En hun monarch is, wien zij moeten dienen?</p> +<p class="line">Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,</p> +<p class="line">Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;</p> +<p class="line">En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,</p> +<p class="line">En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten</p> +<p class="line">Uit Frankrijk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,</p> +<p class="line">Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,</p> +<p class="line">Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,</p> +<p class="line">Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.</p> +<p class="line">Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:</p> +<p class="line">„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,</p> +<p class="line">„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,</p> +<p class="line">„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.</p> +<p class="line">Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:</p> +<p class="line">„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar</p> +<p class="line">„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;</p> +<p class="line">Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?</p> +<p class="line">Want naar ik hoorde, was zij mede daar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line"><span id="xd33e20185"></span>Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,</p> +<p class="line">„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.</p> +<p class="line">Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit</p> +<p class="line">Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:</p> +<p class="line">„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,</p> +<p class="line">„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wat! waagde de verrader zulk een taal? <span class="lineNum">112</span></p> +<p class="line">Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,</p> +<p class="line">En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.</p> +<p class="line">Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,</p> +<p class="line">Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.</p> +<p class="line">Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;</p> +<p class="line">Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,</p> +<p class="line">Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,</p> +<p class="line">In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—</p> +<p class="line">Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clarence</span> <i>af, gevolgd door</i> <span class="sc">Somerset</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Niet ik;</p> +<p class="line">Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik</p> +<p class="line">Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!</p> +<p class="line">Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;</p> +<p class="line">Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—</p> +<p class="line">Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;</p> +<p class="line">Rust alles duchtig tot den oorlog toe.</p> +<p class="line">Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;</p> +<p class="line">Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Pembroke</span> <i>en</i> <span class="sc">Stafford</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Doch voor ik ga, Hastings en Montague,</p> +<p class="line">Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,</p> +<p class="line">Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;</p> +<p class="line">Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?<span class="pageNum" id="pb723">[<a href="#pb723">723</a>]</span></p> +<p class="line">Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;</p> +<p class="line">Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;</p> +<p class="line">Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,</p> +<p class="line">Zoo geve een eed van u mij zekerheid,</p> +<p class="line">Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">En Hastings, als hij u te dienen wenscht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.</p> +<p class="line">Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,</p> +<p class="line">Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Warwickshire</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>komen op met Fransche en Engelsche troepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;</p> +<p class="line">In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!</p> +<p class="line">Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Heb daar, mylord, geen zorg voor.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;</p> +<p class="line">Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,</p> +<p class="line">Argwaan te koest’ren, als een edel hart</p> +<p class="line">Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;</p> +<p class="line">’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,</p> +<p class="line">Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;</p> +<p class="line">Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—</p> +<p class="line">Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,</p> +<p class="line">Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,</p> +<p class="line">Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,</p> +<p class="line">En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,</p> +<p class="line">Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?</p> +<p class="line">’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,</p> +<p class="line">Gelijk Ulysses en held Diomedes</p> +<p class="line">Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen</p> +<p class="line">En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,</p> +<p class="line">Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,</p> +<p class="line">De wacht van Edward onvoorziens verslaan,</p> +<p class="line">Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,</p> +<p class="line">Want enkel hem verrassen is mijn doel.—</p> +<p class="line">Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,</p> +<p class="line">Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Ho! Hendrik! Hendrik!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!</p> +<p class="line">Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="sc">Edwards</span> <i>legerkamp bij</i> <span class="ex">Warwick</span>.</p> +<p class="stage"><i>Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter.</p> +<p class="line">Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;</p> +<p class="line">De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter.</p> +<p class="line">Wat, gaat hij niet te bed?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter.</p> +<p class="line">Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,</p> +<p class="line">Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,</p> +<p class="line">Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter.</p> +<p class="line">Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.</p> +<p class="line">Als Warwick zoo nabij is als men zegt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Wachter.</p> +<p class="line">Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,</p> +<p class="line">Die met den koning in zijn tent hier slaapt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter.</p> +<p class="line">Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Wachter.</p> +<p class="line">O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,</p> +<p class="line">Dat al zijn volk schier in de steden ligt,</p> +<p class="line">Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? <span class="lineNum">14</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter.</p> +<p class="line">’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Derde Wachter.</p> +<p class="line">Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;</p> +<p class="line">Die heb ik liever dan gevaar en eer.</p> +<p class="line">Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,</p> +<p class="line">Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter.</p> +<p class="line">Als onze hellebaarden hem niet hoedden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter.</p> +<p class="line">Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,</p> +<p class="line">Dan om een overval bij nacht te keeren!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Oxford</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>komen op met Troepen, in alle stilte</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.</p> +<p class="line">Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!</p> +<p class="line">Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Wachter.</p> +<p class="line">Wie daar?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Wachter.</p> +<p class="line">Blijft staan, of sterft!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de Wacht aan, die vlucht +onder het geroep „Te wapen!”</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en de Anderen vervolgen hen.—Daarna komen</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en de Anderen onder getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in nachtgewaad, +op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span> <i>vluchten</i>.)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb724">[<a href="#pb724">724</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Wie zijn het, die daar vluchten?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Wie zijn het, die daar vluchten? </span>Richard is ’t,</p> +<p class="line">Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,</p> +<p class="line">Heette ik uw koning!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line"><span class="hemistich">Heette ik uw koning! </span>Ja, maar ’t is nu anders.</p> +<p class="line">Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,</p> +<p class="line">Toen heb ik u als koning afgezet,</p> +<p class="line">En thans benoem ik u tot hertog York.</p> +<p class="line">Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,</p> +<p class="line">Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,</p> +<p class="line">Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,</p> +<p class="line">Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,</p> +<p class="line">Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,</p> +<p class="line">Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?</p> +<p class="line">Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—</p> +<p class="line">Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,</p> +<p class="line">Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,</p> +<p class="line">Zal Edward steeds als koning zich gedragen;</p> +<p class="line">Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,</p> +<p class="line">Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, <span class="lineNum">48</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij neemt hem de kroon af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen</p> +<p class="line">En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—</p> +<p class="line">Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,</p> +<p class="line">Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,</p> +<p class="line">Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.</p> +<p class="line">Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,</p> +<p class="line">Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord</p> +<p class="line">Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—</p> +<p class="line">En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;</p> +<p class="line">En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>wordt weggevoerd, begeleid door</i> <span class="sc">Somerset</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,</p> +<p class="line">Dan met ons heer naar Londen op te rukken?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,</p> +<p class="line">Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,</p> +<p class="line">En weer te plaatsen op zijn koningstroon.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p> +<p class="stage"><i>Koningin</i> <span class="sc">Elizabeth</span> <i>en</i> <span class="sc">Rivers</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rivers.</p> +<p class="line">Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,</p> +<p class="line">Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rivers.</p> +<p class="line">Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rivers.</p> +<p class="line">Is dus mijn heer en vorst gedood?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,</p> +<p class="line">Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,</p> +<p class="line">Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;</p> +<p class="line">En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede</p> +<p class="line">Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,</p> +<p class="line">Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rivers.</p> +<p class="line">Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;</p> +<p class="line">Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;</p> +<p class="line">Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Die hoop belet de smart, mij te verteren;</p> +<p class="line">Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,</p> +<p class="line">Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;</p> +<p class="line">Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,</p> +<p class="line">Gelaten mij dit onheil dragen doet; <span class="lineNum">20</span></p> +<p class="line">Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,</p> +<p class="line">En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;</p> +<p class="line">Licht ware traan of zuchten ten verderve</p> +<p class="line">Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Rivers.</p> +<p class="line">En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,</p> +<p class="line">En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.</p> +<p class="line">Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.</p> +<p class="line">Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—</p> +<p class="line">Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—</p> +<p class="line">IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats</p> +<p class="line">En red den erfgenaam van Edwards recht;</p> +<p class="line">Daar ben ik veilig voor geweld en list.</p> +<p class="line">Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;</p> +<p class="line">Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een park bij het slot</i> <span class="ex">Middleham</span> <i>in</i> <span class="ex">Yorkshire</span>.</p> +<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Hastings</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">William Stanley</span> <i>en Anderen komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster<span class="corr" id="xd33e20687" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="line">Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,</p> +<p class="line">Verbaast u langer niet, dat ik hierheen</p> +<p class="line">In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.</p> +<p class="line">Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward</p> +<p class="line">Is als gevang’ne bij den bisschop hier,</p> +<p class="line">Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,</p> +<p class="line">Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,</p> +<p class="line">Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.</p> +<p class="line">’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,</p> +<p class="line">Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,</p> +<p class="line">Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,</p> +<p class="line">Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt</p> +<p class="line">En zijn gevangenschap verbreken kan.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb725">[<a href="#pb725">725</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en een Jager komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jager.</p> +<p class="line">Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—</p> +<p class="line">Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,</p> +<p class="line">Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.</p> +<p class="line">Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Maar waarheen wilt gij nu?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Jager.</p> +<p class="line">Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,</p> +<p class="line">En bid, dat God mij weder koning maak’.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af</i>).</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vertrek in den Tower.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>de jonge</i> <span class="sc">Richmond</span>, <span class="sc">Oxford</span>, <span class="sc">Montague</span>, <i>de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden</p> +<p class="line">Edward gebonsd is van den koningstroon,</p> +<p class="line">En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,</p> +<p class="line">Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,</p> +<p class="line">Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Slotvoogd.</p> +<p class="line">Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;</p> +<p class="line">Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,</p> +<p class="line">Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?</p> +<p class="line">Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,</p> +<p class="line">Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;</p> +<p class="line">Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,</p> +<p class="line">Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,</p> +<p class="line">In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,</p> +<p class="line">’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—</p> +<p class="line">Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,</p> +<p class="line">Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;</p> +<p class="line">Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—</p> +<p class="line">Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,</p> +<p class="line">Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,</p> +<p class="line">En niet het volk van dit gezegend land</p> +<p class="line">Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,</p> +<p class="line">Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,</p> +<p class="line">Geef ik aan u het landsbestuur hier over,</p> +<p class="line">Want u geleidt geluk bij al uw doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,</p> +<p class="line">Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,</p> +<p class="line">Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;</p> +<p class="line">Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;</p> +<p class="line">Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—</p> +<p class="line">Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,</p> +<p class="line">Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte</p> +<p class="line">De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,</p> +<p class="line">Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;</p> +<p class="line">En daarom geef ik willig u mijn stem.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ik kies Clarence enkel voor protector.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. <span class="lineNum">38</span></p> +<p class="line">Vereent uw handen, en daarmee uw harten,</p> +<p class="line">Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;</p> +<p class="line">Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,</p> +<p class="line">Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,</p> +<p class="line">Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,</p> +<p class="line">Mijn Schepper love en booze zonde mijde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;</p> +<p class="line">Want op uw goed geluk verlaat ik mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.</p> +<p class="line">Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw</p> +<p class="line">Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.</p> +<p class="line">’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,</p> +<p class="line">Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.</p> +<p class="line">En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,</p> +<p class="line">Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad</p> +<p class="line">En al zijn land en goed verbeurdverklaren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Doch bij uw eerste zaken van gewicht</p> +<p class="line">Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—</p> +<p class="line">Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,</p> +<p class="line">Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;</p> +<p class="line">Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees</p> +<p class="line">De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb726">[<a href="#pb726">726</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mylord van Somerset, wie is die knaap,</p> +<p class="line">Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p id="kh6iii.iv.6.67" class="line">Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Treed nader, Englands hoop.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij legt hem de hand op het hoofd.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Indien geheime machten echte waarheid</p> +<p class="line">Inblazen aan mijn verrezienden geest,</p> +<p class="line">Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.</p> +<p class="line">Zijn blik is vol van kalme majesteit,</p> +<p class="line">Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,</p> +<p class="line">Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf</p> +<p class="line">Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.</p> +<p class="line">Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat</p> +<p class="line">Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wat meldt gij, man?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,</p> +<p class="line">En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? <span class="lineNum">80</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings</p> +<p class="line">Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,</p> +<p class="line">In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,</p> +<p class="line">En aan des bisschops jagers hem ontrukt;</p> +<p class="line">Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—</p> +<p class="line">Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,</p> +<p class="line">Om elke wond, die voorkomt, te genezen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Richmond</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;</p> +<p class="line">Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,</p> +<p class="line">En dan ontstaat er even wis weer krijg.</p> +<p class="line">Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart</p> +<p class="line">Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,</p> +<p class="line">Thans is ’t beangst om wat in deze twisten</p> +<p class="line">Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.</p> +<p class="line">Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,</p> +<p class="line">Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,</p> +<p class="line">Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,</p> +<p class="line">Licht deelde Richmond in der and’ren loon.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;</p> +<p class="line">Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.7" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">York</span>.</p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span> <i>komen op, met troepen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,</p> +<p class="line">Tot dusver maakt het lot ons alles goed,</p> +<p class="line">En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat</p> +<p class="line">Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.</p> +<p class="line">Wij staken tweemaal nu de zee goed over,</p> +<p class="line">Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;</p> +<p class="line">Wij kwamen van de haven Ravensburg</p> +<p class="line">Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,</p> +<p class="line">Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Hastings</span> <i>klopt aan de poort</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;</p> +<p class="line">Voor menigeen is struik’len aan den drempel</p> +<p class="line">Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;</p> +<p class="line">Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;</p> +<p class="line">’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van</i> <span class="sc">York</span> <i>verschijnen op den muur</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, <span class="lineNum">17</span></p> +<p class="line">Uit zorg voor onze veiligheid de poort,</p> +<p class="line">Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft</p> +<p class="line">Steeds Edward voor het minst hertog van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,</p> +<p class="line">Waarmede ik gansch en al tevreden ben.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,</p> +<p class="line">Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?</p> +<p class="line">Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Mayor.</p> +<p class="line">Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Mayor en Raadsleden boven af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Een wijs, recht wakker man, ras overreed!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,</p> +<p class="line">Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,</p> +<p class="line">Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij</p> +<p class="line">Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb727">[<a href="#pb727">727</a>]</span></p> +<p class="stage">(<i>De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,</p> +<p class="line">Dan in de nacht of als er oorlog is.</p> +<p class="line">Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij neemt hem de sleutels uit de hand.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Want Edward is ’t, die u, uw stad en al</p> +<p class="line">Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een marsch.</i> <span class="sc">Montgomery</span> <i>komt op, met troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,</p> +<p class="line">Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montgomery.</p> +<p class="line">Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,</p> +<p class="line">Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog</p> +<p class="line">Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen</p> +<p class="line">Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montgomery.</p> +<p class="line">Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;</p> +<p class="line">Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—</p> +<p class="line">De trom geroerd en weder afgetrokken!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>De trommen beginnen een marsch te slaan.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,</p> +<p class="line">Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montgomery.</p> +<p class="line">Wat wilt gij overwegen? kort en goed, <span class="lineNum">53</span></p> +<p class="line">Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,</p> +<p class="line">Dan laat ik hier u over aan uw lot,</p> +<p class="line">Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.</p> +<p class="line">Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;</p> +<p class="line">Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.</p> +<p class="line">Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;</p> +<p class="line">’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,</p> +<p class="line">En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montgomery.</p> +<p class="line">O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;</p> +<p class="line">En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Hastings.</p> +<p class="line">Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—</p> +<p class="line">Hier kameraad, lees gij de proclamatie.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Soldaat</p> +<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van Engeland en Frankrijk, en heer van +Ierland, enz.”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montgomery.</p> +<p class="line">En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,</p> +<p class="line">Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij werpt zijn handschoen neder.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Allen.</p> +<p class="line">Lang leve Edward de vierde!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!</p> +<p class="line">Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.</p> +<p class="line">Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;</p> +<p class="line">En als de morgenzonne weer haar kar</p> +<p class="line">Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,</p> +<p class="line">Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,</p> +<p class="line">Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—</p> +<p class="line">O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,</p> +<p class="line">Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!</p> +<p class="line">Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—</p> +<p class="line">De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;</p> +<p class="line">En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.iv.8" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ACHTSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis van den Bisschop.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Montague</span>, <span class="sc">Exeter</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Lords, wat te doen? Van <span class="corr" id="xd33e21270" title="Bron: Belgi">België</span> uit heeft Edward</p> +<p class="line">Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,</p> +<p class="line">De smalle zee in veiligheid doorkliefd,</p> +<p class="line">En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen</p> +<p class="line">En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Men lichte krijgers om hem af te slaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;</p> +<p class="line">Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,</p> +<p class="line">In vrede rustig, leeuwen in den krijg;</p> +<p class="line">Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,</p> +<p class="line">En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent</p> +<p class="line">De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;</p> +<p class="line">Gij, broeder Montague, in Buckingham,</p> +<p class="line">Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis</p> +<p class="line">Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—</p> +<p class="line">Gij, dappere Oxford, wondervol bemind</p> +<p class="line">In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—</p> +<p class="line">Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar</p> +<p class="line">Omgeven, als zijn eiland van de zee,</p> +<p class="line">Of als de kuische jachtgodin van nymfen,</p> +<p class="line">In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—</p> +<p class="line">Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.</p> +<p class="line">Vaarwel, mijn vorst en heer.</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb728">[<a href="#pb728">728</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Als pand van trouwe kus ik u de hand.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>den Koning de hand kussend</i>).</span> En zoo bezegel ik mijn trouw; vaarwel!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,</p> +<p class="line">Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.</p> +<p class="line">Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?</p> +<p class="line">Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,</p> +<p class="line">Is niet in staat, de mijne te weerstaan.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.</p> +<p class="line">’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.</p> +<p class="line">Geen beden uitgesteld van dag tot dag;</p> +<p class="line">Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,</p> +<p class="line">Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,</p> +<p class="line">Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;</p> +<p class="line">Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,</p> +<p class="line">Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,</p> +<p class="line">Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.</p> +<p class="line">Waarom zou Edward hun dus liever zijn?</p> +<p class="line">Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;</p> +<p class="line">En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,</p> +<p class="line">Dan loopt het lam hem immer achterna.</p> +</div> +<p id="kh6iii.iv.8.50" class="stage">(<i>Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Exeter.</p> +<p class="line">Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en Krijgslieden komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;</p> +<p class="line">En roept ons weder uit tot Englands koning.—</p> +<p class="line">Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;</p> +<p class="line">Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,</p> +<p class="line">En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—</p> +<p class="line">Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>wordt door eenigen weggevoerd</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,</p> +<p class="line">Waar de op gezag beluste Warwick staat.</p> +<p class="line">Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,</p> +<p class="line">’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt</p> +<p class="line">Den grootgeworden landverrader plots’ling;</p> +<p class="line">Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<div id="kh6iii.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">Coventry</span>.</p> +<p class="stage"><i>Op den stadsmuur verschijnen</i>: <span class="sc">Warwick</span>, <i>de Mayor van Coventry, twee Boden en Anderen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?</p> +<p class="line">Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Eerste Bode.</p> +<p class="line">Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p id="kh6iii.v.1.4" class="line">Waar is de man, die Montague ons zond?—</p> +<p class="line">Hoe ver is onze broeder Montague?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Tweede Bode.</p> +<p class="line">Nu reeds te Daintry, met een groote macht.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Somerville</span> <i>komt op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?</p> +<p class="line">En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerville.</p> +<p class="line">’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;</p> +<p class="line">Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Men hoort getrommel.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. <span class="lineNum">11</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerville.</p> +<p class="line">Dat is hij niet, mylord; <span class="stage">(<i>Hij wijst naar het zuidwesten.</i>)</span> Southam ligt daar;</p> +<p class="line">’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerville.</p> +<p class="line">Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een marsch. Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>komen op met hun troepen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Trompetter, ga en vraag een onderhoud.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Verwenschte streek! de dartele Edward hier?</p> +<p class="line">Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,</p> +<p class="line">Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?</p> +<p class="line">Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,<span class="pageNum" id="pb729">[<a href="#pb729">729</a>]</span></p> +<p class="line">Noem Edward koning, vraag van hem genade,</p> +<p class="line">En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?</p> +<p class="line">Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;</p> +<p class="line">Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,</p> +<p class="line">En blijven zult ge en zijn, hertog van York.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;</p> +<p class="line">Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;</p> +<p class="line">Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;</p> +<p class="line">Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;</p> +<p class="line">Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;</p> +<p class="line">En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:</p> +<p class="line">Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, <span class="lineNum">42</span></p> +<p class="line">Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,</p> +<p class="line">Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!</p> +<p id="kh6iii.v.1.45" class="line">Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;</p> +<p class="line">Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!</p> +<p class="line">Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Veel liever zoude ik deze hand mij kappen</p> +<p class="line">En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,</p> +<p class="line">Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—</p> +<p class="line">De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,</p> +<p class="line">En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd</p> +<p class="line">Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:</p> +<p class="line">De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Oxford, Oxford, voor Lancaster!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">De poort is open; open ook voor ons!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Dan konden and’ren in den rug ons vallen.</p> +<p class="line">Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig</p> +<p class="line">De poort uit om een slag ons aan te bieden;</p> +<p class="line">Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij</p> +<p class="line">Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Montague</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Montague.</p> +<p class="line">Montague, Montague, voor Lancaster!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Montague</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij en uw broeder zullen dit verraad</p> +<p class="line">Betalen met uw dierbaarst hartebloed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;</p> +<p class="line">En overwinning, heil spelt mij mijn hart.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Somerset, Somerset, voor Lancaster!</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Twee hertogen van Somerset, als gij,</p> +<p class="line">Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,</p> +<p class="line">Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; <span class="lineNum">76</span></p> +<p class="line">Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!</p> +<p class="line">Hem geldt een edele ijver voor het recht</p> +<p class="line">Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>staakt den marsch</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>treedt nader en fluistert met hem</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij neemt de roode roos van den hoed.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;</p> +<p class="line">Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot</p> +<p class="line">Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;</p> +<p class="line">’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,</p> +<p class="line">Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,</p> +<p class="line">Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,</p> +<p class="line">Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?</p> +<p class="line">Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?</p> +<p class="line">Het houden van dien eed waar’ goddeloozer</p> +<p class="line">Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.</p> +<p class="line">Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,</p> +<p class="line">Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,</p> +<p class="line">Mij uw gezworen vijand hier verklaar,</p> +<p class="line">En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—<span class="pageNum" id="pb730">[<a href="#pb730">730</a>]</span></p> +<p class="line">En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—</p> +<p class="line">U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.</p> +<p class="line">Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,</p> +<p class="line">En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—</p> +<p class="line">Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;</p> +<p class="line">Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;</p> +<p class="line">Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,</p> +<p class="line">Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?</p> +<p class="line">Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!</p> +<p class="line">Ik trek terstond van hier naar Barnet op;</p> +<p class="line">Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—</p> +<p class="line">Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Getrommel. Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een slagveld bij</i> <span class="ex">Barnet</span>.</p> +<p class="stage"><i>Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt op, met den zwaar verwonden</i> <span class="sc">Warwick</span>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;</p> +<p class="line">Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—</p> +<p class="line">Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;</p> +<p class="line">Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,</p> +<p class="line">En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?</p> +<p class="line">Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,</p> +<p class="line">Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,</p> +<p class="line">Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,</p> +<p class="line">En door mijn val de zege aan mijnen vijand.</p> +<p class="line">Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen</p> +<p class="line">De koningsarend schutse vond, wiens schaduw</p> +<p class="line">Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin</p> +<p class="line">Neêrzag op Jupiters verkoren boom</p> +<p class="line">En struikjes hoedde voor des winters vlagen.</p> +<p class="line">Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,</p> +<p class="line">Was eens doordringend als de middagzon,</p> +<p class="line">Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;</p> +<p class="line">De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,</p> +<p class="line">Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;</p> +<p class="line">Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?</p> +<p class="line">Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?</p> +<p class="line">Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!</p> +<p class="line">Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,</p> +<p class="line">Begeven mij; van al mijn landbezit</p> +<p class="line">Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.</p> +<p class="line">O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?</p> +<p class="line">Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.</p> +</div> +<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,</p> +<p class="line">O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!</p> +<p class="line">Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin</p> +<p class="line">Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,</p> +<p class="line">Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,</p> +<p class="line">En houd mijn ziel terug met uwe lippen!</p> +<p class="line">Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen</p> +<p class="line">Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat</p> +<p class="line">Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.</p> +<p class="line">Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,</p> +<p class="line">En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,</p> +<p class="line">En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”</p> +<p class="line">Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,</p> +<p id="kh6iii.v.2.44" class="line">Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf</p> +<p class="line">En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst</p> +<p class="line">Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:</p> +<p class="line">„Vaarwel, mijn Warwick!”</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Warwick.</p> +<p class="line">Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;</p> +<p class="line">Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beiden af, met</i> <span class="sc">Warwick’s</span> <i>lijk</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het slagveld.</i></p> +<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt zegepralend op, met</i> <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en de Overigen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,</p> +<p class="line">En sieren zegekransen ons het hoofd.</p> +<p class="line">Doch in den middagglans van dezen dag</p> +<p class="line">Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt</p> +<p class="line">En strijden wil met onze gouden zon,</p> +<p class="line">Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;</p> +<p class="line">Mylords, de strijdmacht, die de koningin</p> +<p class="line">In Gallië samenbracht, is reeds geland,</p> +<p class="line">Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Een stijve bries verstrooit welras die wolk,</p> +<p class="line">En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;</p> +<p class="line">Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;</p> +<p class="line">Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Men schat de koningin op dertigduizend;<span class="pageNum" id="pb731">[<a href="#pb731">731</a>]</span></p> +<p class="line">Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—</p> +<p class="line">Kan zij op adem komen, wees verzekerd,</p> +<p class="line">Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Van trouwe vrienden kregen wij bericht,</p> +<p class="line">Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.</p> +<p class="line">Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,</p> +<p class="line">Terstond daarheen, want ijver kort den weg;</p> +<p class="line">En onderweg groeit onze macht wis aan</p> +<p class="line">In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—</p> +<p class="line">De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een vlakte bij</i> <span class="ex">Tewksbury</span>.</p> +<p class="stage"><i>Een marsch. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Prins</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en Soldaten komen op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Verheven lords,</p> +<p class="line">Geen wijze zit en jammert om verliezen;</p> +<p class="line">Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.</p> +<p class="line">Zij ook de mast ons overboord gewaaid,</p> +<p class="line">De kabel middendoor, het anker weg,</p> +<p class="line">En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,</p> +<p class="line">Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij</p> +<p class="line">Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje</p> +<p class="line">Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,</p> +<p class="line">En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,</p> +<p class="line">Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed</p> +<p class="line">En vlijt kon redden, op de klippen stoot?</p> +<p class="line">O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!</p> +<p class="line">Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?</p> +<p class="line">En Montague de bramsteng,—wat dan verder?</p> +<p class="line">Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?</p> +<p class="line">Is Oxford hier ons niet een ander anker,</p> +<p class="line">En Somerset een and’re goede mast,</p> +<p class="line">En onze Fransche vrienden want en tuig? <span class="lineNum">18</span></p> +<p class="line">Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,</p> +<p class="line">Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?</p> +<p class="line">Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;</p> +<p class="line">Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip</p> +<p class="line">Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.</p> +<p class="line">Of gij de baren hoont of prijst, is een.</p> +<p class="line">En wat is Edward dan een booze zee?</p> +<p class="line">En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?</p> +<p class="line">En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?</p> +<p class="line">Die allen zijn onze arme hulk vijandig.</p> +<p class="line">Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;</p> +<p class="line">Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;</p> +<p class="line">Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,</p> +<p class="line">Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.</p> +<p class="line">Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,</p> +<p class="line">Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,</p> +<p class="line">Niet meer genade bij de broeders vindt,</p> +<p class="line">Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.</p> +<p class="line">Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,</p> +<p class="line">Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,</p> +<p class="line">Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,</p> +<p class="line">Zijn borst vervullen van een heldenmoed,</p> +<p class="line">Om naakt een man in waap’nen te verslaan.</p> +<p class="line">Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;</p> +<p class="line">Want als ik iemand hier van vrees verdacht,</p> +<p class="line">’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,</p> +<p class="line">Opdat hij in den nood geen ander aansteek’</p> +<p class="line">En van denzelfden geest doe zijn als hij.</p> +<p class="line">Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—</p> +<p class="line">Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—</p> +<p class="line">En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—</p> +<p class="line">O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde</p> +<p class="line">Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang</p> +<p class="line">En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,</p> +<p class="line">Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,</p> +<p class="line">Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! <span class="lineNum">59</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Bode.</p> +<p class="line">Bereidt u, lords, want Edward is nabij,</p> +<p class="line">Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;</p> +<p class="line">Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>komen op, met troepen</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot de zijnen</i>).</span> Ginds, dapp’re vrienden, staat het doornenwoud,</p> +<p class="line">Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,</p> +<p class="line">Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.</p> +<p class="line">’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,</p> +<p class="line">Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—</p> +<p class="line">Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>tot de haren</i>).</span> Lords, ridders, eed’len! wat ik zeggen wilde,</p> +<p class="line">Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,</p> +<p class="line">Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.</p> +<p class="line">Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne</p> +<p class="line">Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,</p> +<p class="line">Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,</p> +<p class="line">Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;</p> +<p class="line">En ginder is de wolf, die dit bedreef.<span class="pageNum" id="pb732">[<a href="#pb732">732</a>]</span></p> +<p class="line">Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,</p> +<p class="line">Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Beide legers af</i>).</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p> +<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan komen op: Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en Troepen, met Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>als gevangenen</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.</p> +<p id="kh6iii.v.5.2" class="line">Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;</p> +<p class="line">En Somerset, het schuldig hoofd hem af!</p> +<p class="line">Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Oxford.</p> +<p class="line">Ik zal u niet met woorden lastig vallen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Somerset.</p> +<p class="line">Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Wij scheiden treurig in dit jammerdal;</p> +<p class="line">Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>af, met een wacht</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,</p> +<p class="line">Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! <span class="lineNum">11</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Krijgslieden komen op, met Prins</i> <span class="sc">Edward</span>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—</p> +<p class="line">Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?</p> +<p class="line">Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven</p> +<p class="line">Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,</p> +<p class="line">En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,</p> +<p class="line">En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:</p> +<p class="line">Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,</p> +<p class="line">Terwijl ik u dezelfde vragen stel,</p> +<p class="line">Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,</p> +<p class="line">En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p id="kh6iii.v.5.25" class="line">Æsopus moge in winternachten faab’len;</p> +<p class="line">Hier passen zulke hondsche raadsels niet.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Prins.</p> +<p class="line">Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;</p> +<p class="line">Wellustige Edward,—eedvergeten George,—</p> +<p class="line">En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:</p> +<p class="line">Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,</p> +<p class="line">En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">O, doodt ook mij!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Voorwaar, terstond! <span class="lineNum">42</span></p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij richt het zwaard op haar</i>).</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Gij, Clarence, groet mijn vorst en broeder van mij;</p> +<p class="line">Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;</p> +<p class="line">Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Wat? wat?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">De Tower! de Tower!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!</p> +<p class="line">Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!</p> +<p class="line">Die Cæsar doodden, deden geenen moord,</p> +<p class="line">Misdreven niets, verdienden geen berisping,</p> +<p class="line">Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;</p> +<p class="line">Hij was een man en dit een kind bij hem;</p> +<p class="line">Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.</p> +<p class="line">Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?</p> +<p class="line">Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;</p> +<p class="line">En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—</p> +<p class="line">Slachters en schurken! wreede kannibalen!</p> +<p class="line">Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!</p> +<p class="line">Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,</p> +<p class="line">Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;</p> +<p class="line">Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan</p> +<p class="line">Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,</p> +<p class="line">Als, beulen, dezen jongen prins door u!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb733">[<a href="#pb733">733</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!</p> +<p class="line">Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.</p> +<p class="line">Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;</p> +<p class="line">Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.</p> +<p class="line">Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,</p> +<p class="line">De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?</p> +<p class="line">Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;</p> +<p class="line">Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p> +<p class="line">’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. <span class="lineNum">82</span></p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>wordt weggevoerd</i>.)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Waar is nu Richard heen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij</p> +<p class="line">Daar in den Tower een bloedig avondmaal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.</p> +<p class="line">Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk</p> +<p class="line">Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,</p> +<p class="line">En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;</p> +<p class="line">Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in den Tower.</i></p> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van den Tower staat naast hem</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>komt op</i>.</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;</p> +<p class="line">Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;</p> +<p class="line">Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,</p> +<p class="line">Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>De Slotvoogd af.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;</p> +<p class="line">Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol</p> +<p class="line">En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—</p> +<p id="kh6iii.v.6.10" class="line">Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;</p> +<p class="line">De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,</p> +<p class="line">Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;</p> +<p class="line">Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,</p> +<p class="line">Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling</p> +<p class="line">Gelijmd door werd, gevangen en gedood.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,</p> +<p class="line">Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!</p> +<p class="line">Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,</p> +<p class="line">Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,</p> +<p class="line">Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen</p> +<p class="line">De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,</p> +<p class="line">Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.</p> +<p class="line">O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;</p> +<p class="line">Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,</p> +<p class="line">Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.</p> +<p class="line">Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;</p> +<p class="line">Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,</p> +<p class="line">Dan, zeker, zijt ge een beul. <span class="lineNum">33</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,</p> +<p class="line">Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.</p> +<p class="line">En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,</p> +<p class="line">Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,</p> +<p class="line">En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,</p> +<p class="line">En veler weezen óverstroomend oog,—</p> +<p class="line">Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,</p> +<p class="line">En weezen om der oud’ren vroegen dood,—</p> +<p class="line">Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.</p> +<p class="line">Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;</p> +<p class="line">De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;</p> +<p class="line">Storm loeide en velde boomen; honden huilden;</p> +<p class="line">De raaf streek neder op den schoorsteentop;</p> +<p class="line">En eksters krijschten oordoorborend saâm.</p> +<p class="line">Uw moeder voelde meer dan moederweeën,</p> +<p class="line">Toch bracht zij minder dan een moeders hope,</p> +<p class="line">Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,</p> +<p class="line">Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;</p> +<p class="line">En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,</p> +<p class="line">Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;</p> +<p id="kh6iii.v.6.55" class="line">En is het and’re waar, dat ik vernam,</p> +<p class="line">Dan kwaamt gij—</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb734">[<a href="#pb734">734</a>]</span></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Hendrik.</p> +<p class="line">Ja, en tot vele moorden nog na dezen.</p> +<p class="line">O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster</p> +<p class="line">Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;</p> +<p class="line">Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!</p> +<p class="line">O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen</p> +<p class="line">Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—</p> +<p class="line">Zoo in u nog een sprankje levens huist,</p> +<p class="line">Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem nog eens.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.</p> +<p class="line">Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—</p> +<p class="line">En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—</p> +<p class="line">Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.</p> +<p class="line">En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,</p> +<p class="line">Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?</p> +<p class="line">De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: <span class="lineNum">74</span></p> +<p class="line">„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”</p> +<p class="line">Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,</p> +<p class="line">Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.</p> +<p class="line">Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,</p> +<p class="line">Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.</p> +<p class="line">Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;</p> +<p class="line">En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,</p> +<p class="line">Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,</p> +<p class="line">Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—</p> +<p class="line">O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;</p> +<p class="line">Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;</p> +<p id="kh6iii.v.6.86" class="line">Want profetieën zal ik gonzen doen,</p> +<p class="line">Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;</p> +<p class="line">En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.</p> +<p class="line">Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;</p> +<p class="line">Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;</p> +<p class="line">Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—</p> +<p class="line">Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;</p> +<p class="line">Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af, met het lijk</i>.)</p> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.v.7" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3> +<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>op den troon. Koningin</i> <span class="sc">Elizabeth</span> +<i>met den kleinen Prins</i>; <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span>, +<span class="sc">Hastings</span> <i>en Anderen, om hem heen.</i></p> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,</p> +<p class="line">Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.</p> +<p class="line">Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,</p> +<p class="line">Als koren, neergemaaid in al hun trots!</p> +<p class="line">Drie hertogen van Somerset, driewerf</p> +<p class="line">Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;</p> +<p class="line">Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;</p> +<p class="line">En twee Northumberlands, de kloekste ridders,</p> +<p class="line">Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;</p> +<p class="line">En dan dat onversaagde berenpaar,</p> +<p class="line">Warwick en Montague, dat met hun keet’nen</p> +<p class="line">Den koninklijken leeuw gekluisterd hield</p> +<p class="line">En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.</p> +<p class="line">Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon</p> +<p class="line">En maakten veiligheid tot onze voetbank.—</p> +<p id="kh6iii.v.7.15" class="line">Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!</p> +<p class="line">Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms</p> +<p class="line">In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,</p> +<p class="line">Te voet des zomers middaggloed verduurd,</p> +<p class="line">Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;</p> +<p class="line">Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ oogst;</p> +<p class="line">Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.</p> +<p class="line">Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,</p> +<p class="line">En heffen zal hij lasten, of hij breekt.</p> +</div> +<p class="stage">(<i>Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.</i>)</p> +<div class="sp"> +<p class="line">Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! <span class="lineNum">25</span></p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade</p> +<p class="line">Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel</p> +<p class="line">Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p> +<p class="line">Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Gloster.</p> +<p class="line">Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,</p> +<p class="line">Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—</p> +<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer</p> +<p class="line">En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf</p> +<p class="line">Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Clarence.</p> +<p class="line">Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?</p> +<p class="line">Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk</p> +<p class="line">Sicilië en Jeruzalem verpand;</p> +<p class="line">En dit is als haar losgeld hier gezonden.</p> +</div> +<div class="sp"> +<p class="speaker">Koning Edward.</p> +<p class="line">Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—</p> +<p class="line">En wat nu verder, dan den tijd te wijden</p> +<p class="line">Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,</p> +<p class="line">Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?</p> +<p class="line">Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!</p> +<p class="line">Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.</p> +</div> +<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p> +<p><span class="pageNum" id="pb735">[<a href="#pb735">735</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="kh6iii.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">AANTEEKENINGEN</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de slag van Sint-Albaans +niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan toekent; eerst vijf jaren later, in +1460, werd bij Northampton de macht van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog +van York het wagen kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha +van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik viel in de macht +der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar Westminster gevoerd, waar York +van het parlement als wettig koning verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik +niet als gevangene, maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven +en laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor de levendigheid +van voorstelling zeer wint en het beloop der gebeurtenissen en de hartstochten, die +werkzaam waren, duidelijk voor oogen gesteld worden. +</p> +<p>Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich zeer getrouw +aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en Warwick onder het geschal +der trompetten door Londens straten naar Westminster en begaven zich naar de zaal +der Pairs, waar de Hertog den troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat +hem als rechten erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn +rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, maar York’s bewijsgronden +werden door zijn zegevierende wapenen al te nadrukkelijk ondersteund, dan dat men +een ernstig overwegen der aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus +onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden werden gebezigd, +die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den twee mededingers in den mond +legt. York vestigde zich intusschen in het koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, +alsof hem de kroon reeds was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud +bij zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als leenheer had +te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was hem nog niet gegeven, het +beoogde doel te bereiken. Het langjarig troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks +bijna veertigjarige regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen +eed van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van den Hertog +van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest komen. Hendrik VI zou levenslang +koning blijven, York regent en troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen +sprake. Hendrik moest toestemmen. +</p> +<p>Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een vernedering te getroosten. +Zij verzamelde in de noordelijke graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster +om zich heen; de Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden +zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. Toen men in Londen +van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York met den graaf van Salisbury naar +zijn slot Sandal in Yorkshire en trok van alle kanten versterkingen tot zich; zijn +oudsten zoon, Edward, graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar +de vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen om den koning +en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of zesduizend man bij zich, toen +de koningin met haar leger zijn slot naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet +hij, tegen den raad van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige +overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een half uur waren +zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee bastaardooms, Sir John en Sir Hugo +Mortimer, werden gedood; de graaf van Salisbury viel den overwinnaars in handen en +werd den volgenden dag onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, +een zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap werd, toen +zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te redden, door lord Clifford +ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, +zegt de kroniekschrijver, „nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want +de schrik had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat hij +wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met groote schande belaadde.” +</p> +<p>Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn lijk het hoofd +afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo op een staak naar de koningin +brengen. Enkelen echter schrijven, dat zij den Hertog levend in handen gekregen en +hem tot smaad op een molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op +het hoofd gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus gedaan +hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil u, koning, zonder +erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem +aldus met <span class="pageNum" id="pb736">[<a href="#pb736">736</a>]</span>smaadredenen overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin +gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van York geplant”. +</p> +<p>York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer gruwelen. Edward +was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; George en Richard waren nog +kinderen en vertoefden met hun moeder veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel +vroeger optreden en stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig +helper van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd vrij +te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; zijn kronieken maken +eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan als trouw helper van zijn broeder, +zoodat hij na diens dood plotseling als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter +kon hier geen genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens +de bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen planten zijner +latere misdaden; en wie Richards optreden in deze stukken nagaat, bevindt, dat de +grondtrekken van zijn karakter reeds dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning +Richard III, zoo scherp uitkomen. +</p> +<p>De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; in het begin +van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den graaf van Warwick. Deze +trok na het ontvangen der noodlottige tijding de koningin tegen; Koning Hendrik moest +hem begeleiden. Bij Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, +had de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd geslagen, koning +Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag hij zijn gemalin en zijn zoon +weder; den laatste sloeg hij op het slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal +der Lancasters niet duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van +Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, hoe het zuiden +van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar woeste scharen weder naar het +noorden. Middelerwijl had York’s oudste zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari +1461, in Herefordshire bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood +van Owen Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was daarna, +met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten nu, met alle macht, +die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om den beslissenden slag te leveren. +Ook het huis Lancaster had alle krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen +om aan den strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een voorpostengevecht +Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van Towton, niet verre van York, +op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met alle inspanning en verbittering gevochten +werd, want ieder had den dood te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden +Warwick en Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten +het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de koning en +Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar Frankrijk moesten wijken; +van de poorten der stad York werden de hoofden van York en Salisbury afgenomen om +plaats te maken voor die der graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde +krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle steden onderweg +tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. Onder het gejubel des volks werd +de schoone en levenslustige jongeling als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; +het parlement had hem als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden +tot hertogen van Clarence en van Gloster benoemd. +</p> +<p>De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele gevechten in het +noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den dichter; dat de koningin Margaretha +in 1461 hulp bij den Franschen koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. +Van de gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning Hendrik +over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar Londen gebracht en +in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het huwelijk aan van Edward VI met +Elizabeth Grey. Hiervan bericht de kroniek het volgende: +</p> +<p>Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een geschikte gemalin +om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick naar Frankrijk om daar de zuster +der koningin ten huwelijk te vragen. Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, +namen het aanzoek gunstig op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin +van Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord Woodeville, diens +dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder John Grey, die in den strijd voor +het huis van Lancaster bij Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk +op haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te bezitten. De +goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het huis van York verbeurdverklaard; +en nu smeekte de jonge weduwe den koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug +te geven. „Haar eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar <span class="pageNum" id="pb737">[<a href="#pb737">737</a>]</span>bevallig voorkomen, haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd +was, en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar zij echter +bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo gepaste wijs en met zoo welgekozen +woorden, als er maar te bedenken zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, +haar tot zijn gemalin te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn +voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, omdat hij reeds +met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; de arme riddersweduwe werd +koningin van Engeland. Weldra regende het genadebewijzen, eereposten en rijkdommen +op haar verwanten. Haar vader werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar +oudste broeder Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd; +een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste zoon uit haar +eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke erfgename van Lord Bonville +tot vrouw. De oude aanhangers van het huis York zagen dit opkomen eener tot dusverre +onbeteekenende familie met klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden +te hebben om vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de schepper +van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens aanzien in het rijk zoo +groot was, „dat, als hij afwezig was, het den menschen voorkwam, alsof de zon van +den hemel verdwenen was”, hij zag door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer +ten opzichte van een vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets +ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en Bona namen de +zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar weldra voor de prinses een +ander aannemelijk gemaal gevonden werd in den persoon van den hertog van Milaan. +</p> +<p>Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van Warwick’s afval; +maar inderdaad werd Warwick zoowel door de ontevredenheid over de verheffing van het +geslacht der koningin als door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf +jaren na Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel onverwacht +kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide broeders, George Nevil, den aartsbisschop +van York, die rijkskanselier was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven +had en door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn plannen +ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en ondankbaren vorst te doen +vallen, die mindere lieden tot hooge waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige +wijs behandelde. Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij +zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende op den troon. +Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; niet alleen behaalden zij +in een gevecht bij Banbury de overwinning, maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn +legerkamp te overvallen en gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere +wending. De gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York toevertrouwd, +maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn aanhangers bevrijd, en van +dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem gunstig. Warwick en Clarence moesten naar +Frankrijk vluchten, en eerst nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van +Anjou een verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het +huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van dit verbond werd +een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s zoon, den jongen prins van Wales, +en Warwick’s tweede dochter Anna. Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze +vernietiging zijner eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn +broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime onderhandelingen +aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone beloften te doen, als hij zijn +vereeniging met Warwick wilde opgeven. +</p> +<p>Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar de kust van +Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf van Oxford, een getrouw +vriend van het huis Lancaster, had hij ook den graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder +van Hendrik VI, een zoon van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe +van koning Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit huwelijk, +de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, was reeds gestorven, maar +had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, +die op een slot in Wales zich bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met +gejubel ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward aan +geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder Richard van Gloster, +met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door hem aan de erfdochter der Scales +uitgehuwd, en met lord Hastings, Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en +zijn rijk zonder slag of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich +naar Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin van Edward IV +in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, <span class="pageNum" id="pb738">[<a href="#pb738">738</a>]</span>waar zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die dertien jaar +later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na zesjarige gevangenschap Hendrik VI +te voorschijn gehaald. Hij werd weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en +Clarence tot rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor +het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van Pembroke haastte +zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te halen en naar Londen te brengen, +waar hij hem aan den vromen koning voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik +uit: „Dezen knaap zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,” +zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling vervuld was”. +Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, bracht de graaf van Pembroke +zijn neef in veiligheid aan het hof van den hertog van Bretagne. Van daar keerde de +jeugdige Richmond eerst 15 jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII +den troon te beklimmen. +</p> +<p>Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een kleine, in Bourgondië +geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man sterk, te Ravensburg aan de Humber, +in het noorden van Engeland, waar vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen +was. Evenals deze verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk +erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te betwisten. Toen +echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en velen zijner vrienden, met name +Sir Francis Montgomery, verklaarden, dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor +den hertog van York wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham +de koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open veld en bleef +in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man bijeengebracht had, en trachtte zich +te versterken, waartoe hij ook op zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte +hem tot een vergelijk met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat +hij zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen ging Clarence +tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de aartsbisschop van York, volgde +zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague +op afval en verraad bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te +slaan. Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij Barnet, +bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, die in Londen met gejubel +ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April 1471, in den nevel van den vroegen morgen, +de beslissende slag plaats. Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid +zich als moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht veel +tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde dapperheid. De zege was volkomen; +de beide broeders Warwick en Montague vielen in den slag; het lijk van den machtigen +graaf vond men geheel uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon +Edward in de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege uitstorten.—Koning +Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower teruggebracht. +</p> +<p>Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust van Engeland +bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze onherstelbare nederlaag vernam. +Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, maar de hertog van Somerset bewoog haar, den +strijd voort te zetten; zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar +Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun macht reeds daarheen +gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 Mei de bloedige slag geleverd, die, +hoe dapper de aanhangers der koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele +onderneming een einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige +zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder Somerset, +die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den overwinnaars in handen. De +prins was door een ridder gevangengenomen, die hem tegen een rente van honderd pond +en op de belofte, dat zijn leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. +Edward vroeg den jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen +Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om mijns vaders rijk +te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn vader geërfd heeft en mij eens zal +nalaten.” Zonder een woord te zeggen stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met +den handschoen, waarop Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, +hem plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed hier op, „moest +het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden kelk drinken, naar Gods rechtvaardige +vergelding en verdiende straf.” Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar +vader Reignier haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar +geboorteland. +</p> +<p>Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn alleen Hendrik VI +nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar het standhoudend gerucht,” zegt +Holinshed, „heeft Richard, hertog van Gloster, hem met zijn <span class="pageNum" id="pb739">[<a href="#pb739">739</a>]</span>dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward met grootere veiligheid zou regeeren”; +enkelen echter schrijven, „dat hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag +en zijns zoons dood, van verdriet gestorven is.” +</p> +<p>In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken geput en tot +zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt heeft. De lezer bedenke, dat +bij deze voorstelling de bronnen, waarvan Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, +en niet de uitkomsten, waartoe vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, +medegedeeld moesten worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, +de schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet vermeld zijn, +en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp, die een romantische voorstelling +is van de afhankelijkheid van de Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, +waarin door verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was<a class="noteRef" id="xd33e22753src" href="#xd33e22753" title="Ga naar noot 1.">1</a>. Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn tafereel van +dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput heeft, en hoe zijn geest leven +heeft ingeblazen aan de personen, wier handelingen door de kronieken verhaald worden. +Men zal moeten erkennen, dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten +dichter waardig is. +</p> +<p class="tb"></p><p> +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.9">I. 1. 9.</a> <span class="ex">Door ’t zwaard van mind’re krijgers.</span> Sh. vergeet hier, dat hij in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford +door de hand van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de kronieken. +Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; hier behoeft men er zich +volstrekt niet over te verwonderen, daar het handschrift van het vorige stuk wel in +den schouwburg zal berust hebben en niet terstond kon nageslagen worden. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.25">I. 1. 25.</a> <span class="ex">Dit hier is het paleis des laffen konings.</span> Het woord paleis is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de +koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het parlementshuis +en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar zijn hof wil gaan. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.47">I. 1. 47.</a> <span class="ex">Uw edelvalk.</span> Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd voor ieder begrijpelijk beeld terstond +duidelijk te maken. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.72">I. 1. 72.</a> <span class="ex">Neef Exeter.</span> De Hertog van Exeter was een afstammeling van den stiefbroeder van Richard II. Hij +is niet met Thomas van Exeter te verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan +van Gent. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.78">I. 1. 78.</a> <span class="ex">Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March.</span> Duidelijkheidshalve is de naam <i>March</i>, die in het oorspronkelijke niet staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk +antwoord, want het graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers, +door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den troon ontleende. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.105">I. 1. 105.</a> <span class="ex">Uw vader was, als gij, hertog van York.</span> Eigenlijk niet juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V, +wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns broeders dood op +hem was overgegaan. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.116">I. 1. 116.</a> <span class="ex">Mijn broeder.</span> Montague en Warwick noemen York bij herhaling broeder. York was wel met een Nevil +getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster +van hun vader, graaf Salisbury. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.207">I. 1. 207.</a> <span class="ex">Ik ga naar mijn kasteel.</span> Hij bedoelt zijn slot <span lang="en">Sandal Castle</span> in Yorkshire. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.1.239">I. 1. 239.</a> <span class="ex">De onbuigb’re Falconbridge</span> Thomas Nevil, een bastaard van Lord Falconbridge, was door Warwick <span class="corr" id="xd33e22827" title="Bron: tet">tot</span> vice-admiraal benoemd, met de opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, +dat geen aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.3.12">I. 3. 12.</a> <span class="ex">De onthokte leeuw.</span> Er staat <i lang="en">the pent-up lion</i>. Bedoeld is: een leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten +geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.3.48">I. 3. 48.</a> <span class="ex" lang="la">„Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.</span><span class="corr" id="xd33e22846" title="Niet in bron">”</span> Dit vers van Ovidius is te vinden in de <i>Heroides</i>, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!” +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.4.16">I. 4. 16.</a> <span class="ex">Edward: „Een kroon!”</span> De naam „Edward” is verkieslijk boven de woorden <i lang="en">And cried</i>, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de Irving-editie ontleend. +</p> +<p><a href="#kh6iii.i.4.76">I. 4. 76.</a> <span class="ex">Met zijn knorstem.</span> Richard voerde een ever op zijn helm en werd door zijn tijdgenooten meermalen <i>ever</i> genoemd. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.1.40">II. 1. 40.</a> <span class="ex">Drie blonde zonnen.</span> Werkelijk voerde het huis York na Hertog Richards dood drie <span class="pageNum" id="pb740">[<a href="#pb740">740</a>]</span>zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier der kroniek naverteld.—Naar aanleiding +van de nagenoeg gelijke uitspraak van <i lang="en">sun</i>, zon, en <i lang="en">son</i>, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke Richard op Edwards zeggen, dat hij drie <i lang="en">suns</i> in zijn wapen zal voeren: „Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters +altijd liever dan de mannetjes.” +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.1.145">II. 1. 145.</a> <span class="ex">En George, uw broeder</span> enz. Dit is niet historisch. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.2.48">II. 2. 48.</a> <span class="ex">Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle.</span> Het spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: <i lang="en">Happy the child, whose father went to the devil</i>; „Gelukkig het kind, welks vader door den duivel is gehaald!” Als een vader, die +op zondige wijze rijk geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor +de zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de juistheid van +het spreekwoord. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.2.133">II. 2. 133.</a> <span class="ex">Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder.</span> Dadelijk bij de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning +Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later Menelaus genoemd. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.2.144">II. 2. 144.</a> <span class="ex">Een stroowisch ware een duizend kronen waard.</span> Kijfzieke of liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak +gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.3.15">II. 3. 15.</a> <span class="ex">Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed.</span> Dat in dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men nergens +vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die den slag voorafgingen, +een bastaard van den graaf van Salisbury, Warwick’s vader, viel. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.5.61">II. 5. 61.</a> <span class="ex">Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders!</span> Men denke, dat de zoon de helmklep van den doode oplicht. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.5.92">II. 5. 92.</a> <span class="ex">O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu van ’t leven;—o te laat!</span> In ’t Engelsch luidt de tweede regel: <i lang="en">And hath bereft thee of thy life too late</i>. Dat de zoon te vroeg geboren is, omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is +duidelijk genoeg; maar leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven +beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de uitgevers er van trachten +te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de twee laatste woorden, <i lang="en">too late</i>, van de vorige gescheiden en dit schijnt alle bezwaren op te lossen; de vader heeft +geklaagd, dat zijn zoon te vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; +de woorden <i>te vroeg</i> doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, en deze gedachte +spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van heftige gemoedsbeweging spreekt men +niet met afgeronde zinnen.—Zoo is ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, +78: <i>Gij, hart en oogen</i>, enz. niet vrij van verwardheid. +</p> +<p><a href="#kh6iii.ii.6.107">II. 6. 107.</a> <span class="ex">Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils.</span> In de kroniek van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt +hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters onheilvol +geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van Edward III, als Humfried +van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden vermoord, en ook Richard van Gloster vond +een bloedigen dood. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iii.2.113">III. 2. 113.</a> <span class="ex">Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.</span> Een wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iii.3.188">III. 3. 188.</a> <span class="ex">Gezwegen bij de onteering van mijn nicht.</span> Sh. doelt hier op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar +in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s graven huis +iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij zijn dochter of zijn nicht +trachtte te defloreeren, werd om beider wil niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd +door koning Edward beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen +dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij Wakefield. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iii.3.224">III. 3. 224.</a> <span class="ex">Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal.</span> In ’t oorspronkelijke staat <i>masquers</i>, want in Oud-Engeland werden voorname huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische +voorstellingen, pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers, +waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels later zegt Prinses +Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie +vaak voor als het symbool van ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. +Vergelijk <i>De Koopman van Venetië</i>, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is dus: „om hem als trouweloozen minnaar +treuren.<span class="corr" id="xd33e22982" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p><a href="#kh6iii.iii.3.242">III. 3. 242.</a> <span class="ex">Mijn oudste dochter.</span> Prins Edward huwde Warwick’s tweede of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” +wordt dit juist opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste, +zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iv.1">IV. 1.</a> <span class="ex">Bij het opkomen van Koning Edward</span> zegt de Folio-uitgave: „Vier staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit +wil zeggen: de koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth +met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan <span class="pageNum" id="pb741">[<a href="#pb741">741</a>]</span>zijn andere Gloster, Clarence, Somerset en Montague. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iv.1.29">IV. 1. 29.</a> <span class="ex">Welnu mijn meening is</span> enz. De Folio-uitgave kent deze woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset +ze spreken, want deze wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en +Clarence heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iv.1.47">IV. 1. 47.</a> <span class="ex">Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter van Lord Hungerford te +erlangen.</span> Volgens de kroniek werd niet aan Lord Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de +erfdochter van Lord Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht +uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, en in verscheiden +staten werd dit als een prerogatief der kroon beschouwd. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iv.6.67">IV. 6. 67.</a> <span class="ex">De jonge Hendrik, graaf van Richmond.</span> Hier wordt blijkbaar de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later +koning Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin Elizabeth, +opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het volgend stuk, K. Richard III, +voorbereid. +</p> +<p><a href="#kh6iii.iv.8.50">IV. 8. 50.</a> In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten onrechte den uitroep +<i>A Lancaster</i>; blijkbaar moet <i>A York</i> gelezen worden. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.1.4">V. 1. 4 en 5.</a> <span class="ex">Waar is de man</span> enz. Deze twee regels staan in de uitgaven in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, +zooals die in de Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam <i>Daintry</i> in regel 6 is de volksuitspraak voor <i>Daventry</i>. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.1.45">V. 1. 45.</a> <span class="ex">Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops.</span> In het paleis des Bisschops van Londen. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.2.44">V. 2. 44.</a> <span class="ex">’t Klonk zooals een roep in een gewelf.</span> In de quarto-uitgaven vindt men: <i lang="en">like a clamour in a vault</i>, dat hier gekozen is; de folio-uitgave heeft <i lang="en">like a cannon</i>: „Maar ’t klonk als in gewelven een kanonschot.” +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.5.2">V. 5. 2.</a> <span class="ex">Naar het slot Ham.</span> Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft +gehuisvest. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.5.25">V. 5. 25.</a> <span class="ex"><span class="corr" id="xd33e23073" title="Bron: Aesopus">Æsopus</span> moge in winternachten faab’len.</span> De Prins vergelijkt Richard met den mismaakten fabeldichter <span class="corr" id="xd33e23077" title="Bron: Aesopus">Æsopus</span>. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.6.10">V. 6. 10.</a> <span class="ex">Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?</span> Roscius, de beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van Cicero, +bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche publiek van Sh.’s tijd +bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in de stukken van dien tijd meermalen +genoemd, door Shakespeare in Hamlet, II. 2. 410. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.6.55">V. 6. 55.</a> <span class="ex">En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij</span>—De koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen is, maar +Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.6.86">V. 6. 86.</a> <span class="ex">Want profetieën zal ik gonzen doen.</span> Men vergelijke het volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54. +</p> +<p><a href="#kh6iii.v.7.15">V. 7. 15.</a> <span class="ex">Dat ik nu mijn jongen kusse.</span> Koningin Elizabeth heeft in het geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke +hier de oudste, Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning +Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst behoefde van +deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met Hendrik VII Tudor huwde.—Dat +de dichter in dit en het vorige tooneel het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, +is onmiskenbaar. +</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<div class="footnote-body"> +<div class="fndiv" id="xd33e22753"> +<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e22753src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander uitgebreid werk over algemeene +geschiedenis, zooals dat van Weber of Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, +of bijzondere werken over dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit +de kronieken zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in +afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral het uitmuntend +overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn Hoogduitsche vertaling van „K. +Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag gelegd. <a class="fnarrow" href="#xd33e22753src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6i">KONING HENDRIK DE ZESDE. EERSTE DEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i">613</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i">613</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.1">613</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.2">615</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.3">617</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.4">619</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.5">620</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.i.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.6">620</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii">621</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.1">621</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.2">622</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.3">623</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.4">624</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.ii.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.5">625</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.iii">DERDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii">627</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.1">627</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.2">629</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.3">631</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iii.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.4">632</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv">633</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.1">633</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.2">635</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.3">636</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.4">636</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.5">637</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.6">637</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.iv.7.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">7. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.7">638</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v">639</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.1">639</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.2">640</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.3">640</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.4">643</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.v.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.5">645</a></td> +</tr> +<tr id="kh6i.aant.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.aant">AANTEEKENINGEN.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.aant">646</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6ii">KONING HENDRIK DE ZESDE. TWEEDE DEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii">654</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.i.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i">654</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.i.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.1">654</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.i.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.2">657</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.i.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.3">658</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.i.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.4">661</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.ii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii">662</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.ii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.1">662</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.ii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.2">665</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.ii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.3">666</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.ii.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.4">667</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.iii">DERDE BEDRIJF</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii">668</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.1">668</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.2">672</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.3">677</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv">678</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.1">678</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.2">680</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.3">682</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.4">682</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.5">683</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.6">683</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.7.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">7. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.7">683</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.8.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">8. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.8">ACHTSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.8">685</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.9.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">9. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.9">NEGENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.9">686</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.iv.10.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">10. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.10">TIENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.10">686</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.v.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v">687</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.v.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.1">687</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.v.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.2">690</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.v.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.3">691</a></td> +</tr> +<tr id="kh6ii.aant.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.aant">AANTEEKENINGEN</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.aant">692</a></td> +</tr> +<tr class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6iii">KONING HENDRIK DE ZESDE. DERDE DEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii">698</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.i.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i">698</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.i.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.1">698</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.i.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.2">702</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.i.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.3">703</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.i.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.4">704</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii">706</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.1">706</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.2">708</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.3">710</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.4">711</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.5">711</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.ii.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.6">712</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iii.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.iii">DERDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii">714</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iii.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.1">714</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iii.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.2">715</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iii.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.3">718</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv">721</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.1">721</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.2">723</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.3">723</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.4">724</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.5">724</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.6">725</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.7.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">7. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.7">726</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.iv.8.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">8. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.8">ACHTSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.8">727</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v">728</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.1.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.1">728</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.2.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.2">730</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.3.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.3">730</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.4.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.4">VIERDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.4">731</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.5.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.5">732</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.6.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.6">ZESDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.6">733</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.v.7.toc" class="tocLevel2"> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">7. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.7">734</a></td> +</tr> +<tr id="kh6iii.aant.toc" class="tocLevel1"> +<td></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.aant">AANTEEKENINGEN</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.aant">735</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<p>De nieuwe omslagillustratie van dit eBoek is hiermee aan het publieke domein verleend.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2025-01-11 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 41 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e819">616</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Éen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Één</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1524">619</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Eén</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Één</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1538">620</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Gangrave</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Gargrave</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1821">621</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Bedfort</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Bedford</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3427">629</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">(</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3669">630</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Pendragon</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Pendragoon</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3938">631</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">me</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">met</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5399">639</a>, <a class="pageref" href="#xd33e6236">643</a>, <a class="pageref" href="#xd33e6899">648</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7308">653</a>, <a class="pageref" href="#xd33e8370">659</a>, <a class="pageref" href="#xd33e13816">687</a>, <a class="pageref" href="#xd33e14190">689</a>, <a class="pageref" href="#xd33e15221">697</a>, <a class="pageref" href="#xd33e20687">724</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5485">640</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7716">655</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bruidschat</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bruidsschat</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5577">640</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bischop</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bisschop</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6748">645</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7689">655</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Jerusalem</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Jeruzalem</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6806">646</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6921">649</a>, <a class="pageref" href="#xd33e22846">739</a>, <a class="pageref" href="#xd33e22982">740</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e7477">654</a>, <a class="pageref" href="#xd33e9275">663</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e8911">661</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">eeuwgen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">eeuw’gen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e9176">662</a>, <a class="pageref" href="#xd33e14917">695</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="la">coelestibus</td> +<td class="width40 bottom" lang="la">cælestibus</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e10349">668</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">gevangnis</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">gevang’nis</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e14529">691</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Aeneas</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Æneas</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e14727">692</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">deu</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">den</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e15142">696</a>, <a class="pageref" href="#xd33e15146">696</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Emanuel</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Emanuël</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e15255">697</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">baesimecu</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Baesimeku</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e20185">722</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e21270">727</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Belgi</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">België</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e22827">739</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">tet</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">tot</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e23073">741</a>, <a class="pageref" href="#xd33e23077">741</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Aesopus</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Æsopus</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/75268-h/images/new-cover.jpg b/75268-h/images/new-cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7c9d4cc --- /dev/null +++ b/75268-h/images/new-cover.jpg diff --git a/75268-h/images/p614.jpg b/75268-h/images/p614.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..888a41a --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p614.jpg diff --git a/75268-h/images/p624.jpg b/75268-h/images/p624.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..128091f --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p624.jpg diff --git a/75268-h/images/p664.jpg b/75268-h/images/p664.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2372662 --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p664.jpg diff --git a/75268-h/images/p680.jpg b/75268-h/images/p680.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9d63ca4 --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p680.jpg diff --git a/75268-h/images/p704.jpg b/75268-h/images/p704.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8526331 --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p704.jpg diff --git a/75268-h/images/p712.jpg b/75268-h/images/p712.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0687d1c --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p712.jpg diff --git a/75268-h/images/p716.jpg b/75268-h/images/p716.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..de829f2 --- /dev/null +++ b/75268-h/images/p716.jpg diff --git a/75268-h/images/rbrace4.png b/75268-h/images/rbrace4.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..94d6ef7 --- /dev/null +++ b/75268-h/images/rbrace4.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..cbe03cb --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #75268 (https://www.gutenberg.org/ebooks/75268) |
