summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--75268-0.txt15207
-rw-r--r--75268-h/75268-h.htm19851
-rw-r--r--75268-h/images/new-cover.jpgbin0 -> 205886 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p614.jpgbin0 -> 395242 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p624.jpgbin0 -> 438355 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p664.jpgbin0 -> 407651 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p680.jpgbin0 -> 374841 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p704.jpgbin0 -> 436823 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p712.jpgbin0 -> 490673 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/p716.jpgbin0 -> 443218 bytes
-rw-r--r--75268-h/images/rbrace4.pngbin0 -> 263 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
14 files changed, 35075 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/75268-0.txt b/75268-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5d46407
--- /dev/null
+++ b/75268-0.txt
@@ -0,0 +1,15207 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Humfried, Hertog van Gloster, oom des Konings en Protector.
+ John, Hertog van Bedford, oom des Konings en Regent van Frankrijk.
+ Thomas Beaufort, Hertog van Exeter, oudoom des Konings.
+ Hendrik Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings,
+ naderhand Kardinaal Beaufort.
+ John Beaufort, Graaf, later Hertog van Somerset.
+ Richard Plantagenet, zoon van den terechtgestelden Graaf van
+ Cambridge, naderhand Hertog van York.
+ Richard Beauchamp, Graaf van Warwick.
+ Thomas Montague, Graaf van Salisbury.
+ William de la Pole, Graaf van Suffolk.
+ Lord Talbot, later Graaf van Shrewsbury.
+ John Talbot, zijn zoon.
+ Edmund Mortimer, Graaf van March.
+ Sir John Fastolfe, Sir William Lucy, Sir William Glansdale en Sir
+ Thomas Gargrave.
+ Woodville, Commandant van den Tower.
+ De Mayor van Londen.
+ Vernon, van de Witte Roos of York-partij.
+ Basset, van de Roode Roos of Lancaster-partij.
+
+ Karel, Dauphijn, later Koning van Frankrijk.
+ Reignier, Hertog van Anjou, naam-Koning van Napels.
+ De Hertog van Bourgondië.
+ De Hertog van Alençon.
+ De Bastaard van Orleans.
+ De Bevelhebber van Parijs.
+ De Generaal der Fransche troepen in Bordeaux.
+ De Tuigmeester van Orleans en zijn Zoon.
+ Een Fransch Sergeant. Een Portier. Een oude Herder, vader van
+ Jeanne d’Arc.
+
+ Margaretha, dochter van Reignier.
+ De Gravin van Auvergne.
+ Jeanne d’Arc, genaamd de Pucelle, of de Maagd van Orleans.
+
+ Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten.
+ Boden. Dienaars, zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten,
+ aan de Pucelle verschijnend.
+
+
+
+Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Westminster-abdij.
+
+Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning Hendrik de Vijfde wordt
+binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van Bedford,
+Gloster en Exeter, den Graaf van Warwick, den Bisschop van Westminster,
+Herauten enz.
+
+BEDFORD. Behangt den hemel zwart, dag worde nacht!
+Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend,
+Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht,
+En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren,
+Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks,
+Die al te roemrijk was om lang te leven!
+England verloor geen koning ooit, zoo groot.
+
+GLOSTER. England bezat, vóór hem, nog nooit een koning.
+Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag;
+Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind;
+Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht;
+Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette,
+En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht,
+Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat.
+Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof?
+Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.
+
+EXETER. Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed?
+Hendrik is dood om nimmer te herleven;
+Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst,
+Verheerlijken des doods oneed’le zege,
+Met statig begeleiden, als gevang’nen,
+Aan eens verwinnaars zegekar geboeid.
+Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken,
+Die de’ ondergang bewerkten onzes roems?
+Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders
+En toov’naars houden, die, uit angst voor hem,
+Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?
+
+WINCHESTER. Een koning was hij, dien der vorsten koning
+Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags
+Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn,
+Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd
+Des Heeren der heerscharen. De gebeden
+Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.
+
+GLOSTER. Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden
+Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf;
+Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon,
+Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.
+
+WINCHESTER. Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— 37
+Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk.
+Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht,
+Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.
+
+GLOSTER. Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch,
+En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk,
+Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.
+
+BEDFORD. Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede!
+Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!—
+En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen,
+Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf.
+Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin
+Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt,
+Dit land een voedster wordt van zilte tranen,
+Een tijd, die niemand in het leven laat
+Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!—
+Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk
+Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre!
+Bestrijd daarboven dreigende planeten!
+En uwe ziel wordt een roemruchter ster
+Dan Julius Cæsar of de heldre—
+
+(Een bode komt op.)
+
+BODE. Doorluchte lords, u allen mijnen groet!
+Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk
+Van nederlagen, bloedbad en verlies:
+Guienne, Rheims, Champagne en Orleans,
+Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.
+
+BEDFORD. Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk?
+Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden
+Doet hem zijn lood verbreken en herleven.
+
+GLOSTER. Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd!
+Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt,
+Die tijding deed nog eens den geest hem geven.
+
+EXETER. Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?
+
+BODE. Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap,
+De krijgers fluist’ren dit elkander toe:
+Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij,
+In plaats dat gij te velde trekt en vecht,
+Om ’t kiezen van de legerhoofden twist.
+De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken,
+Een ander vliegen, maar is vleugelloos,
+Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend,
+Door list en fraaie woorden vreê te erlangen.
+Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap!
+Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen!
+De leliën uit uw wapen zijn geplukt,
+Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. 81
+
+EXETER. Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken,
+Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.
+
+BEDFORD. Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk.
+Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten,
+Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad!
+Ik dring den Franschen wonden op voor oogen,
+Om hun hernieuwde ellende te beschreien.
+
+(Een tweede Bode komt op.)
+
+TWEEDE BODE. Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil.
+Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons,
+Op enk’le nietig kleine steden na.
+In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond,
+De bastaard Orleans met hem vereenigd,
+Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde,
+De hertog Alençon vlood heen, tot hem.
+
+EXETER. Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem!
+O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?
+
+GLOSTER. Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!—
+Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.
+
+BEDFORD. Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust?
+’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd,
+Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.
+
+(Een derde Bode komt op.)
+
+DERDE BODE. Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren,
+Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt,
+Moet ik bericht doen van een feilen strijd
+Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.
+
+WINCHESTER. Waar Talbot toch in overwon, niet waar?
+
+DERDE BODE. O neen, waar Talbot in geslagen werd;
+Uitvoerig wil ik heel den loop u melden.
+Toen op den tiende’ Augustus deze held
+Terugtrok van ’t beleg van Orleans,
+Te nauwernood zesduizend strijders sterk,
+Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen
+Geheel omsingeld en met kracht bestookt.
+Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen,
+Geen pieken om te planten voor zijn schutters;
+Zij staken daarom haastig scherpe palen,
+Die ze uit de heggen rukten, in den grond,
+Om de’ aanval van de ruiterij te keeren.
+Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht,
+En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht,
+Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans,
+Zond honderden ter helle, en niemand stond hem!
+Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed.
+De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”,
+Hun gansche leger staarde ontzet hem aan;
+Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend,
+En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich
+Vereend vooruit en in het hart des strijds. 129
+En wis waar’ hun de zege vast bezegeld,
+Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.
+Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu
+De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken,
+Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot.
+Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad.
+Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend,
+Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug,
+Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk
+Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.
+
+BEDFORD. Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf,
+Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl
+Een held als hij hulp dierf bij zulke daden
+En aan zijn lagen vijand werd verraden.
+
+DERDE BODE. O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen,
+Met hem lord Scales en ook lord Hungerford;
+Zóó de andren meest gevangen of gevallen.
+
+BEDFORD. Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders.
+’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon,
+En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend;
+Vier hunner lords geef ik voor één der onze.—
+Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak;
+Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan,
+Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.
+Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed
+Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.
+
+DERDE BODE. ’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd,
+Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak;
+De graaf van Salisbury smeekt om versterking
+En houdt het nauwelijks af van muiterij,
+Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.
+
+EXETER. Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert,
+Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken,
+Of wel, hem neer te buigen in uw juk.
+
+BEDFORD. ’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid,
+Opdat ik mij terstond ten strijde rust.
+
+ (Bedford af.)
+
+GLOSTER. Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut
+En krijgsbehoeften na te gaan, en dan
+Roep ik den jongen Hendrik uit als koning,
+
+ (Gloster af.)
+
+EXETER. Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning,
+Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd;
+’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert.
+
+ (Exeter af.)
+
+WINCHESTER. Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen
+Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd.
+Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven;
+De koning is in Eltham; van die plaats
+Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Orleans.
+
+Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en
+Soldaten.
+
+KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop
+Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend.
+Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger,
+Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe.
+Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons?
+Tot kortswijl liggen wij voor Orleans;
+De hongrige Engelschen, als bleeke geesten,
+Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.
+
+ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen;
+Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten
+Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij
+Er poover uit, zooals verdronken muizen.
+
+REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd?
+Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen;
+Nu is slechts hier die dolkop Salisbury,
+En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op;
+Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.
+
+KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los.
+Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen!
+’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood,
+Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.
+
+ (Allen af.)
+
+(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot
+verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.)
+
+KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!—
+Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden,
+Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.
+
+REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury;
+Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe.
+En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen,
+Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.
+
+ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29
+Bracht England, in des derden Edwards tijd,
+Toen louter Oliviers en Roelands voort.
+En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid:
+Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het
+Ons hier als strijders toe. Één tegen tien!
+En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken,
+Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?
+
+KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels,
+En honger drijft hen des te feller aan;
+Ik ken hen wel: zij reten met de tanden
+De muren liever neer dan dat zij weken.
+
+REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen
+Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan,
+Want anders hielden zij het nooit zoo vol.
+Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.
+
+ALENÇON. Zoo zij het.
+
+(De Bastaard van Orleans komt op.)
+
+BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.
+
+KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!
+
+BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht;
+Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt?
+Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand;
+Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie
+De hemel door een droomgezicht gelastte,
+Een eind te maken aan dit lang beleg
+En de Engelschen te drijven uit dit rijk.
+Zij heeft den geest der echte profetie,
+Veel meer dan Rome’s negental Sybillen;
+Zij kan, wat was en komen zal, onthullen.
+Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden,
+Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.
+
+KAREL. Ga! roep haar.
+
+ (De Bastaard af.)
+
+ Doch, om eerst haar kunst te toetsen,
+Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn;
+Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte;
+Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.
+
+ (De Dauphijn treedt op den achtergrond.)
+
+(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.)
+
+REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?
+
+JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt?
+Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren!
+Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.—
+Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.
+’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.—
+Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.
+
+REIGNIER. Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. 71
+
+JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter;
+Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap,
+’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd,
+Op mij in lagen staat hun licht te stralen.
+Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde,
+Mijn wangen door de zon verschroeien liet,
+Verscheen genadig mij de moeder Gods
+En gaf, in een visioen vol majesteit,
+Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,
+Mijn vaderland te redden uit den nood.
+Zij zeide hulp mij toe en wisse zege,
+En toonde zich in al haar hemelglans.
+Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd,
+Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot,
+Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet.
+Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt,
+Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;
+Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,
+Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.
+Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard,
+Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.
+
+KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;
+En deze proef slechts wensch ik van uw moed;
+Gij zult in tweegevecht u met mij meten.
+Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar;
+Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.
+
+JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard,
+Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik
+Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof
+Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.
+
+KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.
+
+JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.
+
+(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.)
+
+KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone,
+En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.
+
+JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.
+
+KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen.
+Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u;
+Gij overwont mij tevens hart en hand.
+Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt,
+Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer;
+Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.
+
+JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,
+Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn;
+Maar heb ik al uw vijanden verdreven,
+En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.
+
+KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.
+
+REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118
+
+ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten,
+Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.
+
+REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?
+
+ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten;
+In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.
+
+REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag?
+Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?
+
+JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk!
+Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.
+
+KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.
+
+JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren.
+Nog deze nacht ontzet ik wis de stad;
+Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen
+Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen.
+De roem is als een cirkel in het water,
+Die immer meer en verder zich verbreidt,
+Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit.
+Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet,
+Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.
+Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens
+Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.
+
+KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield,
+Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest.
+Geen Helena, de moeder Constantijns,
+Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters.
+Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt,
+Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?
+
+ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!
+
+REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer!
+Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!
+
+KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw
+Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Voor den Tower.
+
+De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op.
+
+GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen;
+Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd.
+Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?
+Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.
+
+(De Dienaars kloppen aan.)
+
+EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?
+
+DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster.
+
+TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.
+
+DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?
+
+EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn;
+Wij doen niets anders dan ons is gelast.
+
+GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne?
+Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt
+Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning.
+Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?
+
+(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant
+Woodville.)
+
+WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?
+
+GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor?
+Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.
+
+WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog;
+De kardinaal van Winchester verbiedt het;
+Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast,
+Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.
+
+GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij?
+Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd,
+Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden?
+Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit
+De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.
+
+DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector!
+Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.
+
+(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in
+bruine kleedij).
+
+WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?
+
+GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?
+
+WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver,
+En geen beschermer van den troon of ’t rijk.
+
+GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder,
+Die wijlen onzen koning wildet moorden,
+En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen!
+Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots,
+U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37
+
+WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier.
+Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain;
+Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.
+
+GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u;
+En uw scharlaken mantel zal mij dienen,
+Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.
+
+WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.
+
+GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!—
+Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen,
+Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!—
+Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;
+
+(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.)
+
+En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe.
+Ik treed uw kardinaalshoed met den voet,
+Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.
+
+WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!
+
+GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!—
+Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?—
+U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!—
+Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!
+
+(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden
+van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.)
+
+MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden,
+Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!
+
+GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet,
+Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend,
+Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.
+
+WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is,
+Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit,
+Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten,
+En immer tracht den godsdienst om te keeren,
+Wijl hij protector is van ’t koninkrijk,
+En nu hier waap’nen vordert uit den Tower,
+Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.
+
+GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel
+Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.—
+Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72
+
+GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des
+konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij,
+in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en
+van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te
+voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”
+
+GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal,
+Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.
+
+WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen;
+Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.
+
+MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.—
+Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.
+
+GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.
+
+WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster!
+Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.
+
+ (Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar
+ verschillenden kant af.)
+
+MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.—
+God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt!
+In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.
+
+ (De Mayor met zijn Dienaren af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Orleans.
+
+De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.
+
+TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt;
+De vijand heeft de voorstad reeds bezet.
+
+ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak
+Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.
+
+TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden.
+Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen,
+Wat mij bij deze stad in aanzien brengt.
+Spionnen van den prins berichtten mij,
+Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand
+Door een getralied venster van dien toren
+Gewoon is uit te zien naar onze stad,
+En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut
+Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet.
+Om van dit ongerief ons te bevrijden
+Heb ik een stuk geschut daarop gericht,
+En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd,
+Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht,
+Wijl ik niet blijven kan.
+Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden;
+Gij zult mij vinden bij den commandant. 20
+
+ (De Tuigmeester af.)
+
+ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust;
+Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.
+
+ (De Zoon af.)
+
+(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury,
+Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.)
+
+SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug?
+Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld?
+En hoe gelukte ’t u, u los te koopen?
+Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.
+
+TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf,
+Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles;
+’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem.
+Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen
+Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik;
+Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood
+Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien,
+En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd.
+Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart;
+Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen,
+Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.
+
+SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.
+
+TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij.
+Zij stelden mij op de open markt ten toon,
+Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren.
+„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik,
+Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.”
+Toen reet ik mij van mijn bewakers los,
+Groef met de nagels steenen uit den grond,
+En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad;
+En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht.
+Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood.
+Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd;
+Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,—
+Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken,
+Arduinen posten gruiz’len met den voet;
+Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking,
+Die telkens bij minuten om mij waarden;—
+En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen,
+Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.
+
+(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.)
+
+SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan,
+Doch volle wraak gewordt ons binnenkort.
+’t Is avondetenstijd in Orleans;
+Hier, door de traliën, kan ik allen tellen,
+En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst.
+Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen.
+Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale,
+Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt,
+Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.
+
+GARGRAVE. Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. 66
+
+GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.
+
+TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden,
+Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.
+
+(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.)
+
+SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars!
+
+GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig!
+
+TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len?
+Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,—
+Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel?
+Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!—
+Vervloekte toren! vloekbare onheilshand,
+Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd!
+’t Was Salisbury, die dertien slagen won,
+Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde;
+Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk,
+Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.—
+Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken,
+Één oog bleef u tot smeeken om genade,
+Met één oog schouwt de zon de wereld aan.—
+Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig,
+Zoo Salisbury bij U genade derft!”
+Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven.
+Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven.
+Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op!
+Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn:
+Gij sterft niet zonder—
+Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,
+Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood,
+Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!”
+Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero,
+De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden;
+Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.
+
+(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.)
+
+Welk een geraas! de hemel is in oproer!
+Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan;
+En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle,
+Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend,
+Komt met een groote macht de stad ontzetten.
+
+(Salisbury richt zich op en kreunt.)
+
+TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt;
+Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.—
+Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn;
+Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond,
+’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven;
+Uw hersens kluts ik samen tot een poel.—
+Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent;
+Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.
+
+ (Allen af, met de lijken.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Voor een der poorten.
+
+Strijdgedruisch. Schermutselingen. Talbot vervolgt den Dauphijn, drijft
+hem op de vlucht en gaat heen; dan komt Jeanne d’Arc, de Pucelle,
+Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt Talbot
+weder op.
+
+TALBOT. Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid?
+Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden;
+Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort.
+
+(De Pucelle komt weder op.)
+
+Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten;
+Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u;
+Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af,
+En lever hem uw ziele, wien gij dient.
+
+PUCELLE. Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet.
+
+(Zij vechten.)
+
+TALBOT. Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint?
+Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed
+Of barsten ook mijn armen van de schouders,
+Toch tuchtig ik die overstoute deern!
+
+PUCELLE. Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar;
+’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen.
+Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht.
+Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk;
+Help Salisbury zijn testament te maken;
+De dag is ons, als vele nog na dezen.
+
+(De Pucelle trekt met haar krijgers de stad binnen.)
+
+TALBOT. Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel;
+Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe.
+Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal,
+Een heks ons hier terug en wint naar lust;
+Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven
+Weg uit haar korven, van haar tillen voort.
+Ons bijten deed ons Englands honden heeten,
+Nu loopen we als hondsjongen jankend weg.
+
+(Een kort strijdgedruisch.)
+
+Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht,
+Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen!
+Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen!
+Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf,
+Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit,
+Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten.
+
+(Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.)
+
+Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen
+De dood van Salisbury komt op uw hoofd,
+Want geen van u deed iets om hem te wreken.—
+Trots ons, trots alles wat wij konden doen,
+Is de Pucelle in Orleans getogen.
+O, ware ik saam met Salisbury gestorven!
+Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd.
+
+ (Strijdgedruisch. Terugtocht. Talbot met zijn Krijgers af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar.
+
+Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier,
+Alençon, en Soldaten.
+
+PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen!
+Ontrukt is Orleans aan Englands wolven,
+Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.
+
+KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter,
+Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe?
+Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen,
+Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.—
+Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!—
+Herwonnen is uw stad, uw Orleans;
+Nooit wedervoer ons land een grooter heil.
+
+REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad?
+Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren
+Ontsteken, juub’len, smullen in de straten,
+Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.
+
+ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust,
+Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.
+
+KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij;
+Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen;
+Wat priester is of monnik in mijn rijk,
+Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen.
+Een trotscher pyramide bouw ik haar,
+Dan die van Rhodope te Memphis was.
+Haar ter gedacht’nis worde na haar dood
+Haar asch in een veel kostlijker urn
+Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius
+Bij hooge feest’lijkheden omgedragen
+Voor Frankrijks koningen en koninginnen.
+Niet meer zij onze leuze: Saint Denis!
+Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn.
+Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal,
+Den gulden dag van deze zegepraal!
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Voor Orleans.
+
+Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.
+
+SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!
+Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat
+Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken
+Ons in het wachthuis fluks bericht er van.
+
+EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men
+arme knechten,
+Als andren in hun zachte bedden slapen,
+Op wacht in regen, koude en duisternis.
+
+(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun
+trommen slaan een gedempten marsch.)
+
+TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,
+Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,
+Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,
+De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,
+Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;
+Omhelzen wij dus die gelegenheid
+Om hun het loos bedrog weer te vergelden,
+Dat list en snoode tooverij bedacht. 15
+
+BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!
+Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,
+En sloot met hel en heksen een verbond!
+
+BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders.
+Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,
+Wie is zij?
+
+TALBOT. Men zegt een meisje.
+
+BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig!
+
+BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,
+Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard
+De wapens draagt, zooals zij nu begon.
+
+TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!
+Voor ons is God een burg; beklimmen wij
+In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!
+
+BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.
+
+TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,
+Dat we op verscheiden punten binnendringen,
+Opdat, zoo het een van ons mislukt,
+Een ander van hun macht het winnen kan.
+
+BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek.
+
+BOURGONDIË. En ik dien andren.
+
+TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—
+Nu, Salisbury, voor u en voor het recht
+Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,
+Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37
+
+(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!”
+en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)
+
+SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier
+storm!
+
+(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende
+kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half
+aangekleed, half onaangekleed.)
+
+ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?
+
+BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.
+
+REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;
+Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.
+
+ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit
+Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,
+Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.
+
+BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.
+
+REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.
+
+ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?
+
+BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.
+
+(Karel komt op, met de Pucelle.)
+
+KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?
+Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,
+Een kleine, zoete winst deelachtig worden,
+Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?
+
+PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?
+Verlangt gij mijne macht steeds even groot?
+Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,
+Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?
+Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid
+Zou dezen overval voorkomen hebben.
+
+KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,
+Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,
+Niet beter van dien grooten plicht u kweet.
+
+ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest
+Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,
+Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.
+
+BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd.
+
+REIGNIER. Zoo ook ’t mijne.
+
+KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht
+Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,
+Besteed om telkens heen en weer te gaan
+Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;
+Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?
+
+PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72
+Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens
+Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.
+Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:
+’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,
+En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.
+
+(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot!
+Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)
+
+DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.
+De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;
+Met rijken buit heb ik mij hier beladen,
+En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.
+
+ (De Soldaat af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Orleans. Binnen de stad.
+
+Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.
+
+BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht,
+Die met haar ravenmantel de aard omgaf.
+Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.
+
+(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)
+
+TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,
+En plaatst de baar hier op het open marktplein,
+Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—
+’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;
+Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,
+Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.
+Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,
+Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,
+Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,
+Waarin zijn overschot begraven worde,
+En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,
+Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,
+’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,
+En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—
+Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,
+Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,
+Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,
+Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.
+
+BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,
+Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,
+En, onder hoopen krijgers, van den wal
+Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.
+
+BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel
+En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—
+Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;
+Zij vloden, arm in arm, met alle macht,
+Gelijk een paar verliefde tortelduiven,
+Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.
+Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,
+Dan zetten wij met volle macht hen na. 33
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar
+Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,
+Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?
+
+TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?
+
+BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne,
+Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,
+Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,
+Haar te bezoeken op haar armen burg,
+Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,
+Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.
+
+BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg
+Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,
+Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—
+Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.
+
+TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen
+Met alle redekunst bereiken zou,
+Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—
+Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,
+En onderdanig haar bezoeken zal.—
+Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?
+
+BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;
+’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten
+’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.
+
+TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,
+Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.
+Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij
+begrijpt mij?
+
+HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.
+
+De Gravin en haar Portier komen op.
+
+GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast,
+En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.
+
+PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe.
+
+ (De Portier af.)
+
+GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed,
+Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,
+Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.
+Groot is de naam van dien gevreesden ridder,
+En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;
+’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,
+Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.
+
+(De Bode komt op, met Talbot.)
+
+BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,
+Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.
+
+GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man?
+
+BODE. Zoo is ’t, gravin.
+
+GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel?
+Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,
+Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?
+Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,
+Een tweede Hector, grimmig van gelaat,
+Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;
+En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22
+Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen
+Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.
+
+TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;
+Doch daar u dit niet recht gelegen komt,
+Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.
+
+GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.
+
+BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt
+De reden van uw rasch vertrek te weten.
+
+TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik
+’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.
+
+(De Portier komt weder terug, met sleutels.)
+
+GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.
+
+TALBOT. Gevangne? wiens?
+
+GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne;
+Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.
+Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,
+Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;
+Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;
+Die armen wil ik keet’nen en die beenen
+Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren
+Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,
+En onze zoons en mannen weggesleept.
+
+TALBOT. Ha, ha, ha!
+
+GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.
+
+TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,
+Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,
+Om daar uw booze strengheid op te koelen.
+
+GRAVIN. Zijt gij de man dan niet?
+
+TALBOT. Dat ben ik zeker.
+
+GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen.
+
+TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;
+Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;
+Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,
+Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.
+Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,
+Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,
+Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56
+
+GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;
+Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;
+Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?
+
+TALBOT. Dit toon ik u terstond.
+
+(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De
+poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)
+
+Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,
+Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?
+Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,
+Waarmee hij uw rebellennekken jukt,
+Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,
+In minder dan een omzien woest doet zijn.
+
+GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;
+Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,
+En meer dan uw gestalte deed vermoeden.
+Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;
+Het doet mij leed, dat ik u niet ontving
+Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.
+
+TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken
+Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst
+In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.
+Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,
+En andre schadeloosstelling eisch ik niet,
+Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn
+Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,
+Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.
+
+GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,
+Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De hof van den Tempel.
+
+De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard
+Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.
+
+PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?
+Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?
+
+SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal;
+Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.
+
+PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,
+En of die twister Somerset het mis had.
+
+SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,
+En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;
+En plooi daarom het recht naar mijnen wil.
+
+SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.
+
+WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft,
+Welk van twee honden schooner, dieper blaft,
+Welk van twee klingen van het fijnste staal is,
+Welk van twee paarden fraaier houding heeft,
+Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,
+Hierin treed ik desnoods als rechter op,
+Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,
+Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.
+
+PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19
+De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,
+Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.
+
+SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;
+Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,
+Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.
+
+PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,
+Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.
+Wie onder u echt edelman zich rekent,
+En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,
+Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,
+Met mij van dezen struik een witte roos.
+
+SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is,
+Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,
+Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.
+
+WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,
+En zonder lage vleierij pluk ik
+De witte roos hier met Plantagenet.
+
+SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset,
+En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.
+
+VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,
+Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen
+Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,
+Des andren aanspraak recht en juist zal achten.
+
+SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;
+Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.
+
+PLANTAGENET. En ik.
+
+VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,
+Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,
+En kies zoo voor de witte roos partij.
+
+SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt;
+Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,
+En stemt gij tegen uwen zin voor mij.
+
+VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,
+Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,
+En houdt mij aan de zijde, die ik koos.
+
+SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder?
+
+RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.
+Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;
+En daarom pluk ook ik een witte roos. 58
+
+PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?
+
+SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs
+Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.
+
+PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na;
+Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis
+Voor onze waarheid.
+
+SOMERSET. Neen, Plantagenet,
+Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang
+Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,
+En toch uw tong uw dwaling niet erkent.
+
+PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?
+
+SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.
+
+PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,
+Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.
+
+SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,
+Die mijne bloedig roode rozen dragen
+En staven zullen, dat ik waarheid spreek,
+Waar geen Plantagenet verschijnen durft.
+
+PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot
+Met u en uwen aanhang, jonge knaap.
+
+SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.
+
+PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.
+
+SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot.
+
+SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole;
+Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.
+
+WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;
+Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,
+Den derden zoon des derden konings Edward.
+Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?
+
+PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;
+Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.
+
+SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik
+Op iedre plek der christenwereld vol.
+Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,
+Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?
+En heeft niet zijn verraad u aangestoken,
+Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?
+Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;
+En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.
+
+PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97
+Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;
+Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,
+Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.
+Maar prent u in, gij en uw helper Poole:
+Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,
+Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;
+Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.
+
+SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid
+En kent den vijand dan aan deze kleur,
+Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.
+
+PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,
+Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,
+Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,
+Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,
+Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.
+
+SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;
+En nu vaarwel, tot ik u weder tref.
+
+ (Suffolk af.)
+
+SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.
+
+ (Somerset af.)
+
+PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.
+
+WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis,
+Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,
+Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.
+Indien gij dan niet hertog wordt van York,
+Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.
+’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,
+Den trotschen Somerset en Poole ten trots,
+Met deze roos aan uwe zij mij scharen.
+En dit voorspel ik: deze twist van heden,
+Die in den hof hier tot partijschap wies,
+Zendt, met de roode en witte roos als leuze,
+Veel duizend zielen in verderf en dood.
+
+PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,
+Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.
+
+VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.
+
+RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook.
+
+PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer.
+Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist
+Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in den Tower.
+
+Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders
+binnengedragen.
+
+MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,
+Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—
+Gelijk een man, pas van de folterbank,
+Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;
+Die grijze lokken, als des doods herauten,
+Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,
+Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.
+Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker
+Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,
+De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,
+En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,
+Die zijn verwelkte loten hangen laat.
+En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,
+Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—
+Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,
+Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—
+Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?
+
+GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer.
+Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,
+En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.
+
+MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—
+Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.
+Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot
+In wapenroem was, hier begon te heerschen,
+Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;
+En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd
+En van zijn eer en erflijk goed beroofd.
+Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,
+De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,
+Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—
+Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,
+En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!
+
+(Richard Plantagenet komt op.)
+
+GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.
+
+MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?
+
+PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,
+Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.
+
+MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,
+En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.
+Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,
+Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.
+En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,
+Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.
+
+PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,
+En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.
+’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak
+Tot woorden tusschen Somerset en mij,
+Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte
+En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.
+Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;
+’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.
+Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,
+En bij uw eer als een Plantagenet, 52
+Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,
+De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.
+
+MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij
+Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,
+Mij in een duffen kerker deed versmachten,
+Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.
+
+PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was;
+Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.
+
+MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,
+De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.
+De grootvader van onzen jongen vorst,
+Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef
+Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins
+Was oudste zoon en wettig erfgenaam
+Van Koning Edward, van dien naam den derden.
+Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden
+De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,
+Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,
+Mij op den troon van England te verheffen.
+Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,
+Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was
+En hij geen enklen telg had nagelaten,—
+Ik door mijn stam en bloed de naaste was.
+Van moeders zij toch heb ik Lionel,
+Hertog van Clarence, derden zoon van Edward
+Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik
+Van hertog Jan van Gent was afgestamd,
+Die slechts de vierde was dier heldenrij.
+Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,
+Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,
+Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.
+Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik
+Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,
+Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd
+Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,
+Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,
+Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger
+Geworven in de hoop, mij te bevrijden,
+En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;
+Maar als die andren, viel deze eed’le graaf
+En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,
+Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.
+
+PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt.
+
+MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,
+Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.
+Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,
+Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.
+
+PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98
+Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader
+Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.
+
+MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;
+Het huis van Lancaster is hecht geworteld,
+En, evenals een berg, niet weg te schuiven.
+Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,
+Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven
+In éénen vasten zetel hen verdriet.
+
+PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd
+Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!
+
+MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,
+Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.
+Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;
+Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.
+En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!
+Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!
+
+ (Mortimer sterft.)
+
+PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!
+In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,
+En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—
+Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;
+Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—
+Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg
+Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—
+
+ (De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)
+
+Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,
+Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;
+En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,
+Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,
+Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;
+En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;
+’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,
+Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.
+
+ (Plantagenet af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Het parlementshuis.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en
+Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard
+Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de
+Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.
+
+WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels,
+Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,
+Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,
+En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,
+Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,
+Zooals ik voor de vuist en hier terstond
+Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.
+
+GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,
+Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.
+Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,
+Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—
+Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,
+Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;
+Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,
+Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,
+Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.
+Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17
+Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,
+Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is
+Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.
+En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?
+Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,
+Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?
+Ja, werden uw gedachten eens gezift,
+Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,
+De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.
+
+WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,
+Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.
+Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,
+Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?
+Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek
+Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?
+Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede
+Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?
+Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,
+Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;
+Niemand dan hij moet om den koning zijn;
+En dit verwekt dien donder in zijn borst,
+En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;
+Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—
+
+GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....?
+
+WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!
+Een man, die op eens andren troon wil heerschen!
+
+GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap?
+
+WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46
+
+GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet,
+En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.
+
+WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij!
+
+GLOSTER. En gij zijt waardig
+Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.
+
+WINCHESTER. Dit wreke Rome!
+
+WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome.
+
+SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.
+
+WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.
+
+SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,
+En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.
+
+WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;
+Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.
+
+SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.
+
+WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?
+Is zijn genade hier niet rijks-protector?
+
+PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,
+Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!
+„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”
+’k Had anders gaarne een twist met Winchester.
+
+KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester,
+Gestelde wakers over Englands welzijn,
+Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik
+In liefde en eendracht uwe harten saam.
+O welk een smading is ’t van onze kroon,
+Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.
+Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,
+Dat burgertwist een giftige adder is,
+Die de ingewanden van den staat doorknaagt.
+
+(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)
+
+Wat is dat voor geraas?
+
+WARWICK. Een oploop, wed ik,
+Boosaardig door des bisschops volk verwekt.
+
+(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)
+
+(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)
+
+MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik,
+Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!
+Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!
+Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,
+De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.
+Zij smijten, in partijen saamgerot,
+Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,
+Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.
+In elke straat zijn vensters ingesmeten:
+Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.
+
+(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende
+binnen, met bebloede koppen.)
+
+KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:
+Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87
+Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.
+
+EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken
+we onze tanden.
+
+TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,
+En staakt terstond dien ongehoorden strijd.
+
+EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade
+Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst
+Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;
+En nimmer dulden wij, dat zulk een prins
+En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,
+Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;
+Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,
+Met uw belagers, tot zij ons verslaan.
+
+DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels
+Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.
+
+(Zij worden weder handgemeen.)
+
+GLOSTER. Stil, zeg ik, stil!
+En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,
+Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.
+
+KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—
+Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten
+En tranen zien, en wordt uw hart niet week?
+Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?
+Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,
+Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?
+
+WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,
+Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren
+Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.
+Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord
+Door uwe vijandschap reeds is verwekt;
+Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.
+
+WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.
+
+GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen;
+’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,
+Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.
+
+WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog
+Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,
+Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;
+Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?
+
+GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.
+
+KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127
+Dat boosheid groote, zware zonde was;
+En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,
+Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?
+
+WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—
+Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!
+Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?
+
+WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,
+En bied voor liefde liefde, hand voor hand.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—
+Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,
+Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap
+Voor ons en al de dienaars van ons huis.
+En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!
+
+WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!
+
+KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster,
+Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—
+Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;
+Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.
+
+EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op.
+
+TWEEDE DIENAAR. Ik ook.
+
+DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.
+
+ (De Mayor, de Dienaars, enz. af.)
+
+WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;
+Het vraagt aan uwe majesteit herstelling
+Der rechten van Richard Plantagenet.
+
+GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,
+Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,
+Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,
+Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds
+In Eltham bij uw majesteit deed gelden.
+
+KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht;
+Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,
+Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.
+
+WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;
+Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.
+
+WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester.
+
+KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem
+Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,
+Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,
+Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.
+
+PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,
+En onderdaan’gen dienst tot in den dood.
+
+KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169
+En ter belooning van uw huldiging,
+Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.
+Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.
+Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.
+
+PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,
+En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,
+Die aan uw majesteit met afgunst denkt.
+
+ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!
+
+SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!
+
+GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,
+Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.
+Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde
+Bij onderdanen en getrouwe vrienden,
+En rooft aan elk, die vijand is, den moed.
+
+KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;
+Want menig vijand zwicht door vriendenraad.
+
+GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)
+
+EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,
+Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!
+De pas ontglommen tweedracht dezer pairs
+Brandt onder de asch van valsche liefde voort
+En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;
+Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,
+Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,
+Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.
+Nu wekt die booze profetie mij vrees,
+Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,
+Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:
+„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,
+„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”
+Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,
+Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!
+
+ (Exeter af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Rouaan.
+
+De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met
+zakken op den rug.
+
+PUCELLE. Dit is de poort der veste, van Rouaan,
+Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.
+Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,
+En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,
+Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.
+Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen
+En vinden wij de trage wacht er zwak,
+Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,
+Opdat de prins dauphijn hen overvall’.
+
+EERSTE SOLDAAT. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren
+En make ons heer en meester van Rouaan.
+Komt! aangeklopt!
+
+WACHT (binnen). Qui est là?
+
+PUCELLE. Paysans, pauvres gens de France;
+Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.
+
+WACHT (de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16
+
+PUCELLE. Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.
+
+(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)
+
+(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)
+
+KAREL. Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!
+Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.
+
+BASTAARD. Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;
+Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,
+Waar wij het best en veiligst binnendringen?
+
+ALENÇON. Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;
+En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,
+Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.
+
+(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel
+omhoog.)
+
+PUCELLE. Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,
+Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,
+Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.
+
+BASTAARD. Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;
+Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.
+
+KAREL. Het lichte daar als een komeet der wrake,
+En als profeet van onzes vijands val!
+
+ALENÇON. Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;
+Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”
+En slaat de wachters aan de poort ter neer.
+
+(Zij dringen de stad binnen.)
+
+(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)
+
+TALBOT. Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,
+Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.
+Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,
+Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,
+Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.
+
+(Zij trekken stedewaarts op.)
+
+(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford,
+die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de
+Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel,
+de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)
+
+PUCELLE. Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41
+Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,
+Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.
+Het was vol dolik; staat de smaak u aan?
+
+BOURGONDIË. Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!
+’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,
+En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.
+
+KAREL. Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.
+
+BEDFORD. Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!
+
+PUCELLE. Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,
+En op den dood een rit doen in een stoel?
+
+TALBOT. Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,
+Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,
+Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,
+Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?
+Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,
+Of Talbot moge aan deze schande sterven.
+
+PUCELLE. Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;
+Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—
+
+(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)
+
+God zegen ’t parlement! wie is de spreker?
+
+TALBOT. Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?
+
+PUCELLE. Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg
+Tot toetsing, of het onze wel het onze is.
+
+TALBOT. Ik spreek niet tot die smalende opperheks;
+Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;
+Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?
+
+ALENÇON. Neen, heer.
+
+TALBOT. Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!
+Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,
+En niet als ridders strijden in het veld.
+
+PUCELLE. Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,
+Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—
+Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts
+Om u te zeggen, dat wij hier zijn.
+
+ (De Pucelle met de Anderen af.)
+
+TALBOT. Wij willen mede daar zijn, en eerlang,
+Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!
+Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,
+Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,
+Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;
+En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,
+En hier zijn vader heeft gezegevierd,
+Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad
+Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,
+Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84
+
+BOURGONDIË. Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.
+
+TALBOT. Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,
+Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!
+Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,
+Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.
+
+BEDFORD. Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;
+’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,
+En deelgenoot zijn van uw wel of wee.
+
+BOURGONDIË. Manhafte Bedford, laat u overreden.
+
+BEDFORD. Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,
+Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed
+Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.
+’k Verlevendig misschien den moed der strijders,
+Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.
+
+TALBOT. Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—
+Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—
+En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;
+Maar onze macht verzameld tot den aanval;
+Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!
+
+ (Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven
+ achter.)
+
+(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen
+op.)
+
+HOPMAN. Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!
+
+FASTOLFE. Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;
+Wij worden zeker weer teruggeslagen.
+
+HOPMAN. Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?
+
+FASTOLFE. Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.
+
+ (Sir John Fastolfe af.)
+
+HOPMAN. Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.
+
+ (De Hopman af.)
+
+(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en
+Anderen, die vluchtende heengaan.)
+
+BEDFORD. Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;
+Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.
+Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?
+Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,
+Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.
+
+ (Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)
+
+(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)
+
+TALBOT. Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115
+Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;
+Doch Gode zij de roem van deze zege!
+
+BOURGONDIË. Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.
+Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden
+Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.
+
+TALBOT. Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?
+Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;
+Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?
+Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,
+Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.
+Laat thans ons alles reeg’len in de stad,
+Er kundige officieren achterlaten,
+Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,
+Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.
+
+BOURGONDIË. Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.
+
+TALBOT. Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,
+Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.
+Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.
+Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,
+Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;
+Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;
+Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De vlakte bij Rouaan.
+
+Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met
+troepen.
+
+PUCELLE. Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,
+’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;
+Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,
+Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.
+De dolle Talbot triumfeere een poos,
+En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,
+Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,
+Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.
+
+KAREL. Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,
+En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;
+Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.
+
+BASTAARD. Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,
+En heel de wereld melden wij uw roem.
+
+ALENÇON. Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,
+U eerend als een heil’ge patrones;
+Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.
+
+PUCELLE. Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:
+Door zachte toespraak en met honigwoorden
+Verlokken wij den hertog van Bourgondië,
+Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20
+
+KAREL. Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan
+Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;
+Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,
+Maar ras gerooid uit onze landen zijn.
+
+ALENÇON. Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,
+En leenden van geen graafschap hier den naam.
+
+PUCELLE. De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,
+De zaak in de gewenschte haven breng.
+
+(Getrommel in de verte.)
+
+Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,
+Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.
+
+(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt
+voorbij.)
+
+Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—
+En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.
+
+(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne
+troepen.)
+
+Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!
+Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—
+Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.
+
+(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)
+
+KAREL. Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!
+
+BOURGONDIË. Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?
+
+PUCELLE. Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.
+
+BOURGONDIË. Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.
+
+KAREL. Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.
+
+PUCELLE. Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,
+Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.
+
+BOURGONDIË. Spreek op, maar wees niet overmatig lang.
+
+PUCELLE. Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,
+En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield
+Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.
+Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,
+Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,
+Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie
+Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,
+Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.
+O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.
+Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;
+Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,
+Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55
+Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,
+En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.
+
+BOURGONDIË. Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,
+Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.
+
+PUCELLE. Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;
+Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.
+Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,
+Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.
+Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,
+U tot zijn werktuig makend van verderf,
+Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?
+U stoot men als een overlooper uit.
+Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:
+Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,
+En was hij niet in England krijgsgevangen?
+Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,
+Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,
+Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.
+Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;
+Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.
+Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!
+Als Karel, spreiden allen de armen open.
+
+BOURGONDIË. ’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal
+Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,
+En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—
+Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!
+En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;
+Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.
+Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.
+
+PUCELLE (ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!
+
+KAREL. Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.
+
+BASTAARD. En wekt ons nieuwen moed in onze borst.
+
+ALENÇON. Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,
+En een gravinnekroontje er mee verdiend.
+
+KAREL. Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,
+En dan getracht den vijand schâ te doen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.
+
+Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon,
+Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner
+officieren.
+
+TALBOT. Doorluchte souverein en eed’le pairs,
+Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,
+Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,
+Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;
+Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer
+Dan vijftig sterke sloten voor u won,
+Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,
+Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—
+Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;
+
+(Hij knielt neder.)
+
+En schrijft met onderdanig trouw gemoed,
+Den roem en de eere der bevochten zeges,
+Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.
+
+KONING HENDRIK. Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13
+Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?
+
+GLOSTER. Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.
+
+KONING HENDRIK. Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!
+’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—
+’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,
+Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.
+Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,
+Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:
+Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,
+En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,
+Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.
+Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,
+Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;
+Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.
+
+ (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af,
+ behalve Vernon en Basset.)
+
+VERNON. Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee
+Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,
+Die ik, Mylord van York ter eere, draag;
+Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?
+
+BASSET. Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft
+Het nijdig keffen van uw drieste tong
+Tegen mijn heer, den hertog Somerset.
+
+VERNON. Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.
+
+BASSET. Nu, en wat is hij? even goed als York.
+
+VERNON. Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.
+
+(Hij geeft hem een slag.)
+
+BASSET. Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,
+Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;
+Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.
+Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit
+En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;
+Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.
+
+VERNON. Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan
+Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Parijs. Een troonzaal.
+
+Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop
+van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen
+treden op.
+
+GLOSTER. Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.
+
+WINCHESTER. Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!
+
+GLOSTER. Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—
+
+(De Commandant knielt.)
+
+Dat gij geen andren koning kiest dan hem,
+Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,
+En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,
+Die zijn gezag met boozen raad belagen;
+Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!
+
+ (De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.)
+
+(Sir John Fastolfe komt op.)
+
+FASTOLFE. Genadig koning, toen ik van Calais
+Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,
+Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege
+Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.
+
+TALBOT. Schande over u en die u zendt, den hertog! 13
+’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,
+Dien knieband van uw hazebeen te rijten;
+
+(Hij rukt hem den kouseband af.)
+
+En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig
+Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—
+Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!
+Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,
+Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,
+De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—
+Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,
+Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!
+Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;
+Ikzelf, en menig edelman met mij,
+Wij werden overmand en krijgsgevangen.
+Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,
+Of zulke lafaards ooit der ridderschap
+Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?
+
+GLOSTER. In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;
+Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,
+Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!
+
+TALBOT. Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren
+De ridders van den knieband hooggeboren,
+Vol dapperheid en deugd en fieren moed,
+Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;
+Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,
+En onverschrokken in den hoogsten nood. 38
+Die deze gaven niet bezit, hij matigt
+Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,
+En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;
+Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,
+Gelijk een in de heg geboren dorper,
+Die zich vermeet op edel bloed te pralen.
+
+KONING HENDRIK. Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.
+Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;
+Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.
+
+ (Fastolfe af.)
+
+En nu, mylord protector, lees den brief
+Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.
+
+GLOSTER. Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?
+Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.
+Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?
+Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin
+Verand’ring in gezindheid bij hem aan?
+Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan
+Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren
+Van hen, waar uw geweld’narij op teert,
+Uw booze zaak verlaten; en ik sluit
+Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”
+O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,
+Dat in verbonden, vriendschap en geloften
+Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?
+
+KONING HENDRIK. Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?
+
+GLOSTER. Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.
+
+KONING HENDRIK. Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?
+
+GLOSTER. ’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.
+
+KONING HENDRIK. Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,
+En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.
+Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?
+
+TALBOT. Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;
+’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.
+
+KONING HENDRIK. Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.
+Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,
+En dat het zonde is, vrienden te bespotten.
+
+TALBOT. Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76
+Dat gij welras uws vijands val moogt zien.
+
+ (Talbot af.)
+
+(Vernon en Basset komen op.)
+
+VERNON. Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!
+
+BASSET. En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!
+
+YORK. Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!
+
+SOMERSET. De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!
+
+KONING HENDRIK. Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.
+Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?
+Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?
+
+VERNON. Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.
+
+BASSET. En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.
+
+KONING HENDRIK. Wat is die krenking, die u beiden grieft?
+Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.
+
+BASSET. Toen ik ter zee van England hierheen kwam,
+Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong
+Om deze roos beleedigd, die ik draag;
+Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren
+Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,
+Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd
+Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,
+Dien hij gehad had met den hertog York,
+Met verdre lage schimp- en lastertaal;
+Ter wederlegging van dit grof verwijt,
+En ter verdediging mijns eed’len meesters,
+Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.
+
+VERNON. Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;
+Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,
+Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,
+Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,
+Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,
+En zeide, dat de bleekheid dezer bloem
+De lafheid van mijns meesters hart verried.
+
+YORK. Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?
+
+SOMERSET. Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,
+Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.
+
+KONING HENDRIK. God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,
+Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden
+Zoo vinnige partijschap zich verheft!—
+Mijn waarde neven, Somerset en York,
+Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.
+
+YORK. Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116
+Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.
+
+SOMERSET. De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,
+En zij daarom ook door onszelf beslecht.
+
+YORK. Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.
+
+VERNON. Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.
+
+BASSET. Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.
+
+GLOSTER. Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!
+En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!
+Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,
+Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp
+Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?
+En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel
+Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,
+Laat staan een grond te delven uit hun taal
+Om onderling nu zelve twist te zoeken;
+Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.
+
+EXETER. Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.
+
+KONING HENDRIK. Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:
+’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:
+Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—
+En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:
+In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!
+Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,
+En dat wij in onszelf oneenig zijn,
+Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan
+In koppige ongehoorzaamheid en oproer!
+En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,
+Als vreemden vorsten dit ter oore komt,
+Dat om een speelgoed, om een nietig ding,
+De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,
+Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!
+O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,
+Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,
+Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.
+Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.
+Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,
+
+(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.)
+
+Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,
+Dat Somerset mij liever is dan York;
+’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;
+Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,
+Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.
+Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,
+Dan ik u leeren of vermanen kan.
+Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,
+Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—
+Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt
+Door ons als uw regentschap u vertrouwd;
+En, waarde lord van Somerset, vereenig
+Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.
+Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen
+Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;
+Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168
+Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,
+Na korte rust, dra naar Calais terug,
+Van daar naar England, waar ik binnenkort
+Karel, Alençon en heel die bent verraders
+Door uw triomfen voor mij hoop te zien.
+
+ (Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester,
+ Suffolk en Basset af.)
+
+WARWICK. Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,
+Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.
+
+YORK. Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,
+Dat hij de roos van Somerset nu draagt.
+
+WARWICK. Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;
+De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.
+
+YORK. Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;
+Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.
+
+ (York, Warwick en Vernon af.)
+
+EXETER. ’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;
+Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,
+Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld
+Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,
+Dan nu zich denken of vermoeden laat.
+Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,
+Die dezen nijd en twist des adels ziet,
+’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,
+En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,
+Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.
+’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;
+Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,
+Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.
+
+ (Exeter af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Bordeaux.
+
+Talbot komt op, met zijn troepen.
+
+TALBOT. Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,
+En roep den overste op tot een gesprek.
+
+(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche
+troepen en Anderen.)
+
+Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,
+De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;
+En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,
+En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,
+En huldigt hem als need’rige onderdanen;
+Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.
+Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,
+Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,
+’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,
+Die uwe torens, fier de wolken tartend,
+Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,
+Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.
+
+BEVELHEBBER. Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,
+’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!
+Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17
+Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;
+Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,
+En sterk genoeg tot uitval en gevecht.
+En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,
+Om met des oorlogs strikken u te omslingren;
+Aan beide uw zijden houden troepen wacht
+En muren u den uitweg toe ter vlucht;
+En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,
+Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt
+En u het bleek verderf niet tegentreedt.
+Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,
+Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot
+Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.
+Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man
+Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;
+Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,
+Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;
+Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,
+Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,
+Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,
+Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.
+
+(Trommen in de verte.)
+
+Hoor! hoort
+De trom van den dauphijn, een klok, die maant,
+Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;
+U zal de mijne een bang verscheiden galmen.
+
+ (De Bevelhebber met de zijnen af.)
+
+TALBOT. Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—
+Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—
+O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!
+Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,
+Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,
+Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;
+Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,
+Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;
+Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten
+Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,
+Zoodat het laf en blaffend verre blijft;
+Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,
+Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—
+God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht
+Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte in Gasconje.
+
+York komt op, met troepen; een Bode nadert hem.
+
+YORK. Zijn nog de vlugge ruiters niet terug,
+Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?
+
+BODE. Zij zijn terug, mylord, en geven op,
+Dat hij is aangetrokken op Bordeaux,
+Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen,
+Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker
+Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden,
+En verder met hem trokken naar Bordeaux.
+
+YORK. Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset,
+Die den beloofden bijstand zoo vertraagt:
+De ruiterij, voor dit beleg verzameld!
+De groote Talbot rekent op mijn hulp,
+En mij bedriegt een schurk, een laag verrader,
+Dat ik den eed’len held niet helpen kan.
+God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15
+Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!
+
+(Sir William Lucy komt op.)
+
+LUCY. O vorst en legerhoofd van Englands kracht,
+Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was,
+IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot,
+Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten,
+Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld.
+Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux!
+Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!
+
+YORK. O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel
+Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats!
+Dan wierd een dapper edelman gered,
+Door ’t off’ren van een lafaard en verrader.
+Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af;
+Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.
+
+LUCY. Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!
+
+YORK. Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord.
+Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered,
+Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.
+
+LUCY. O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig,
+En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden,
+Op reis naar zijn krijgshaften vader vond.
+In zeven jaar zag hem zijn vader niet;
+Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.
+
+YORK. Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten,
+Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten!
+Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot;
+Zulk wederzien in de ure van den dood!
+Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man,
+Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan.
+Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd,
+Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!
+
+ (York met zijn troepen af.)
+
+LUCY. Aldus, terwijl de gier der ijverzucht
+Zich in de borst van zulke grooten mest,
+Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim
+De winst des nauwlijks kouden overwinnaars,
+Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op.
+Uit loutre zucht tot tegenkanting geven
+Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!
+
+ (Lucy af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een andere vlakte in Gasconje.
+
+Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van
+Talbot.
+
+SOMERSET. Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.
+Die onderneming werd door York en Talbot
+Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht
+Kan bij een uitval reeds de stad alleen
+Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed
+Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer
+Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.
+York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,
+Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.
+
+OFFICIER. Daar is Sir William Lucy, die met mij
+’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.
+
+(Sir William Lucy komt op.)
+
+SOMERSET. Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?
+
+LUCY. Waarheen, mylord?
+Van den verraden en verkochten Talbot,
+Die, eng door driesten tegenspoed omzet,
+Roept om den eed’len York en Somerset,
+Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.
+En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,
+Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,
+En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,
+Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer
+Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.
+Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,
+Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,
+Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,
+Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!
+Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard
+Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,
+En Talbot gaat door uwe schuld te grond.
+
+SOMERSET. York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.
+
+LUCY. En York laakt even heftig uw genade;
+Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,
+Die juist voor dezen tocht verzameld was.
+
+SOMERSET. York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;
+’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;
+’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.
+
+LUCY. Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,
+Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.
+Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,
+Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.
+
+SOMERSET. Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;
+Zes uren, en zij allen staan hem bij.
+
+LUCY. Te laat; gevangen is hij dan of dood;
+Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;
+En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.
+
+SOMERSET. En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!
+
+LUCY. Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux.
+
+Talbot en zijn zoon John komen op.
+
+TALBOT. O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,
+Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,
+En Talbot’s naam in u herleven zou,
+Als dorre leden, sloopende ouderdom
+Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.
+Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—
+Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,
+Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.
+Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;
+Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt
+Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!
+
+JOHN. Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?
+En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,
+Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,
+Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!
+De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?
+Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”
+
+TALBOT. Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.
+
+JOHN. Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!
+
+TALBOT. Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.
+
+JOHN. Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!
+Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;
+Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.
+Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,
+Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.
+U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,
+Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.
+’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;
+Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.
+Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,
+Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?
+Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,
+Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!
+
+TALBOT. Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?
+
+JOHN. Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.
+
+TALBOT. Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.
+
+JOHN. ’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.
+
+TALBOT. Een deel uws vaders blijft in u verschoond.
+
+JOHN. Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39
+
+TALBOT. Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.
+
+JOHN. ’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?
+
+TALBOT. Uws vaders last pleit van die smet u vrij.
+
+JOHN. Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?
+Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.
+
+TALBOT. En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?
+Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.
+
+JOHN. En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?
+Van u te wijken is mij niet vergund,
+Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.
+Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,
+En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.
+
+TALBOT. Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,
+Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.
+Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,
+En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Een Slagveld.
+
+Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door
+Talbot ontzet wordt.
+
+TALBOT. Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!
+Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;
+Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—
+Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf
+U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.
+
+JOHN. Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;
+Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,
+Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,
+Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.
+
+TALBOT. ’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,
+Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen
+Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm
+En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,
+Bourgondië, Alençon en Orleans
+In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.
+Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,
+U bij uw maagdestrijd weerstond, en u
+Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,
+En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras
+Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon
+Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;
+Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed
+Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed
+Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”
+Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,
+Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;
+Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?
+Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;
+Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!
+Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;
+De hulp van éénen man helpt niet in nood.
+Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven
+In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33
+Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,
+Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;
+Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt
+Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.
+In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,
+Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.
+Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;
+Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.
+
+JOHN. Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,
+Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.
+Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,
+Een nietig leven voor een schat van eer,
+Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,
+Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,
+En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,
+Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!
+Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,
+Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.
+Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;
+Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.
+
+TALBOT. Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,
+Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;
+Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,
+Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het slagveld.
+
+Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar
+ondersteund.
+
+TALBOT. Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?
+O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—
+Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,
+Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—
+Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij
+Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,
+En, als een uitgevaste leeuw, volbracht
+Hij daden van geweld en reuzenkracht;
+Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong
+Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,
+Toen dreef hem blinde woede en razernij
+Des harten plotseling heen en ver van mij
+In ’s vijands dichten drom; de fiere moed
+Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;
+Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,
+Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.
+
+(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.)
+
+DIENAAR. Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.
+
+TALBOT. Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18
+Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,
+In heerlijkheid vereenigd voor altijd,
+Twee Talbots zweven door de weeke lucht,
+Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—
+O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,
+Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!
+Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,
+Alsof hij Franschman en uw vijand is.—
+Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:
+„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—
+Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;
+Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.
+Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:
+Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.
+
+ (Hij sterft.)
+
+(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken
+achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard,
+de Pucelle, met troepen.)
+
+KAREL. Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,
+Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.
+
+BASTAARD. Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed
+Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!
+
+PUCELLE. Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:
+„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;
+Maar, met een blik vol majesteit en hoon,
+Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon
+Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”
+Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij
+Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.
+
+BOURGONDIË. Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.
+Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven
+Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.
+
+BASTAARD. Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!
+Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!
+
+KAREL. Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,
+Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!
+
+(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen
+Heraut.)
+
+LUCY. Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,
+Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.
+
+KAREL. Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53
+
+LUCY. Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;
+Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.
+Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,
+En wensch te zien, wie er gevallen zijn.
+
+KAREL. Gevang’nen? Onze kerker is de hel.
+Doch zeg mij, wien gij zoekt.
+
+LUCY. Waar is de groote Alcides van het slagveld,
+De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,
+En, om zijn heldendaden, ook betiteld
+Graaf van Valence, Wexford, Waterford,
+Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,
+Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,
+Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,
+Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,
+Doorluchte ridder van Sint George’s orde,
+Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,
+Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,
+Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?
+
+PUCELLE. Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!
+De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,
+Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.
+Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,
+Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.
+
+LUCY. Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,
+De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?
+O, wierden mijner oogen ballen kogels,
+Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!
+Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!
+Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82
+Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,
+De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!
+Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,
+En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’.
+
+PUCELLE. De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,
+Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.
+Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier
+Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.
+
+KAREL. Ga, neem de lijken mee.
+
+LUCY. Ik voer ze weg;
+Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,
+Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.
+
+KAREL. Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.
+Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!
+Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Londen. Een zaal in het paleis.
+
+Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter.
+
+KONING HENDRIK. Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,
+Den keizer en den graaf van Armagnac?
+
+GLOSTER. Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:
+Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,
+Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk
+Een christenvrede dra gesloten worde.
+
+KONING HENDRIK. En hoe behaagt die voorslag uw genade?
+
+GLOSTER. Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg
+Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten
+En veil’ge rust te gronden aan weerszij.
+
+KONING HENDRIK. Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,
+Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,
+Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,
+Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.
+
+GLOSTER. Om zulk verbond des te eerder te bewerken
+En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt
+Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,
+Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,
+Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid
+Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat.
+
+KONING HENDRIK. Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!
+O, beter passen mij nog vlijt en boeken,
+Dan dartel minnekoozen met een bruid.
+Maar toch, roep de afgezanten voor en geef
+Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;
+Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts
+Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.
+
+(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van
+Winchester in kardinaalsgewaad.)
+
+EXETER. Wat! is mylord van Winchester verhoogd
+En met den kardinaalsrang nu bekleed?
+Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,
+Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:
+„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,
+Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”
+
+KONING HENDRIK. Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34
+Zijn grondig overwogen en getoetst.
+Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;
+En daarom namen wij alsnu ’t besluit,
+Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,
+Die onverwijld mylord van Winchester
+Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.
+
+GLOSTER. En wat betreft het aanbod van uw heer
+Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,
+Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,
+Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,
+Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.
+
+KONING HENDRIK. Breng als bewijs en pand voor dit verdrag
+Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—
+En nu, mylord protector, laat de heeren
+Naar Dover begeleiden tot aan boord;
+En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.
+
+ (Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten
+ af.)
+
+WINCHESTER. Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst
+De geldsom in ontvangst, die ik beloofde
+In dank te kwijten aan zijn heiligheid
+Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.
+
+LEGAAT. Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.
+
+WINCHESTER. Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,
+Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.
+Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,
+Dat evenmin in rang als in geboorte
+De bisschop zich door u verduistren laat;
+Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,
+Of twist en omkeer zal dit land vernielen!
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Een vlakte in Anjou.
+
+Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch.
+
+KAREL. Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken:
+Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand,
+En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.
+
+ALENÇON. Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs!
+En dralen houde uw leger niet terug.
+
+PUCELLE. Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt,
+Of anders slechte de oorlog haar paleizen!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer,
+En alle heil bij al zijn medestanders!
+
+KAREL. Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10
+
+BODE. Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was
+In twee gedeelten, is geheel vereend
+En is van plan terstond u slag te leev’ren.
+
+KAREL. Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;
+Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.
+
+BOURGONDIË. ’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;
+Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.
+
+PUCELLE. Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.
+Gebied de zege, Karel, en ze is u,
+Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!
+
+KAREL. Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Voor Angers.
+
+Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op.
+
+PUCELLE. ’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—
+Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,
+En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,
+En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;
+
+(Donderslagen.)
+
+Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar
+Des noordpools groote koning over heerscht,
+Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!
+
+(Booze Geesten verschijnen.)
+
+Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg
+Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.
+En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas
+In machtige onderaardsche rijken, helpt mij
+Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!
+
+(De Geesten waren om en spreken niet.)
+
+O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.
+Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,
+Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,
+En dat u ’t handgeld zij van verder loon,
+Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.
+
+(De Geesten laten het hoofd hangen.)
+
+Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf
+Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.
+
+(Zij schudden het hoofd.)
+
+Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed
+Tot uw gewone hulp en steun bewegen,
+Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,
+Eer England op de Franschen triumfeer’!
+
+ (Zij verdwijnen.)
+
+Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,
+Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25
+En ’t nederleggen moet in Englands schoot.
+Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;
+De hel is mij te sterk om meê te worst’len;
+Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.
+
+ (De Pucelle af.)
+
+(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op;
+daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt
+gevangen genomen. De Franschen vluchten.)
+
+YORK. Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;
+Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,
+En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—
+Een schoone buit, de gunst des duivels waard!
+Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,
+En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.
+
+PUCELLE. Herschepping kan niet erger u misvormen.
+
+YORK. Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;
+Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.
+
+PUCELLE. Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,
+En moge een hand des bloeds u beiden plotsling
+Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!
+
+YORK. Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!
+
+PUCELLE. Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.
+
+YORK. Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.
+
+ (Beiden af.)
+
+(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand
+leidende.)
+
+SUFFOLK. Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.
+
+(Hij beschouwt haar.)
+
+O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,
+Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.
+Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,
+En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.
+Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.
+
+MARGARETHA. ’k Ben Margaretha, dochter van een koning,
+Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—
+
+SUFFOLK. Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.
+Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,
+Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;
+Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost
+En houdt dit met haar vleugels als gevangen.
+Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,
+Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.
+
+(Zij wendt zich af om heen te gaan.)
+
+O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;
+Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.
+Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,
+Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,
+Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64
+Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.
+Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.
+Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;
+Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?
+Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?
+Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;
+Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.
+
+MARGARETHA. Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,
+Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?
+Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,
+Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?
+
+MARGARETHA. Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;
+Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.
+
+MARGARETHA. Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;
+Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?
+
+MARGARETHA. Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.
+
+MARGARETHA. Hij praat maar toe; die man is stapelgek.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.
+
+MARGARETHA. Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?
+Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!
+
+MARGARETHA. Hij praat van hout; hij is een timmerman.
+
+SUFFOLK (ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,
+En deze rijken door een vreêverbond.
+Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:
+Al is haar vader Napels’ koning, hertog
+Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,
+En heel onze adel schimpt wis op dien echt.
+
+MARGARETHA. Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?
+
+SUFFOLK (ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;
+Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—
+(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.
+
+MARGARETHA (ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een
+ridder,
+En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102
+
+SUFFOLK. Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.
+
+MARGARETHA (ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;
+En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.
+
+SUFFOLK. Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—
+
+MARGARETHA (ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!
+
+SUFFOLK. Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?
+
+MARGARETHA. Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo.
+
+SUFFOLK. Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,
+Wanneer zij u tot koningin verheft?
+
+MARGARETHA. ’t Is lager, koningin te zijn in banden,
+Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,
+Want vorsten moeten vrij zijn.
+
+SUFFOLK. O, dat zult gij,
+Als Englands machtig koning vrijheid heeft.
+
+MARGARETHA. Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?
+
+SUFFOLK. ’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,
+Een gouden scepter u ter hand te stellen,
+Een rijke kroon te drukken op het hoofd,
+Wanneer gij gunstrijk mij—
+
+MARGARETHA. Wat?
+
+SUFFOLK. Hèm beminnen wilt.
+
+MARGARETHA. Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.
+
+SUFFOLK. Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig
+Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—
+En zelf geen deel te hebben in de keus.—
+Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?
+
+MARGARETHA. Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.
+
+SUFFOLK. Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—
+Prinses, wij willen voor uws vaders burg
+Hem dringend vragen om een mondgesprek.
+
+(Troepen komen nader.)
+
+(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.)
+
+SUFFOLK. Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.
+
+REIGNIER. Van wien?
+
+SUFFOLK. Van mij?
+
+REIGNIER. Suffolk, wat baat te vinden?
+Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,
+Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134
+
+SUFFOLK. Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;
+Sta toe, en sta het voor uw eere toe,
+Dat uwe dochter met mijn koning huwt.
+Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,
+En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,
+Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.
+
+REIGNIER. Meent Suffolk wat hij zegt?
+
+SUFFOLK. De jonkvrouw weet,
+Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.
+
+REIGNIER. Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,
+Om antwoord op uw aanzoek u te geven.
+
+ (Reignier af, van den muur.)
+
+SUFFOLK. En ik wacht hier uw komst af.
+
+(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.)
+
+REIGNIER. Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;
+Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.
+
+SUFFOLK. Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,
+Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.
+Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?
+
+REIGNIER. Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde
+Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,
+Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,
+Anjou en Maine in vrede mag bezitten,
+Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,
+Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.
+
+SUFFOLK. Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,
+En beide deze landen, ’k neem het op mij,
+Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.
+
+REIGNIER. En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,
+Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,
+Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.
+
+SUFFOLK. Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,
+Naardien dit hand’len voor een koning is.
+(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening
+In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—
+(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws
+En draag er voor de huwlijksviering zorg.
+Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,
+Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.
+
+REIGNIER. Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,
+Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.
+
+MARGARETHA. Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên
+Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174
+
+(Zij wil heengaan.)
+
+SUFFOLK. Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,
+Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?
+
+MARGARETHA. Al zulke groeten, als zij aan een maagd,
+Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.
+
+SUFFOLK. Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!
+Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—
+Geen liefdepand voor zijne majesteit?
+
+MARGARETHA. Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,
+Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.
+
+SUFFOLK. En dit daarbij.
+
+(Hij kust haar.)
+
+MARGARETHA. Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning
+Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.
+
+ (Reignier en Margaretha af.)
+
+SUFFOLK. O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!
+Begeef u niet in zulk een labyrinth;
+Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!
+Win Hendrik door het roemen van dit wonder,
+Stel u haar weergalooze deugden voor,
+Die gaven der natuur, die kunst verduistren;
+Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,
+Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,
+Hem zijn bezinning door verbazing rooft.
+
+ (Suffolk af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Het legerkamp van den hertog van York in Anjou.
+
+York, Warwick en Anderen komen op.
+
+YORK. Brengt nu de tooverheks, die branden moet.
+
+(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.)
+
+HERDER. O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!
+Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,
+En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,
+Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?
+O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.
+
+PUCELLE. Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!
+Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,
+Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.
+
+HERDER. Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;
+Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,
+Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,
+En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.
+
+WARWICK. Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?
+
+YORK. Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15
+Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.
+
+HERDER. O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!
+God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,
+En meen’gen traan heb ik om u geschreid:
+Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!
+
+PUCELLE. Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,
+Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.
+
+HERDER. ’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,
+Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—
+Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—
+Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur
+Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,
+Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,
+In rattengif verkeerd om uwentwille!
+Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,
+Een uitgevaste wolf u opgevreten!
+Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?
+Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.
+
+ (De Herder af.)
+
+YORK. Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,
+Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.
+
+PUCELLE. Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:
+Geenszins de dochter van een armen scheper,
+Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,
+Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:
+En aangeblazen door des hemels gunst,
+Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.
+Met booze geesten had ik nooit te doen;
+Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,
+Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,
+Met duizenden van ondeugden besmet,—
+Dewijl gij Gods genade, die aan andren
+Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,
+Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!
+Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,
+En van haar prille jeugd, een reine maagd,
+Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;
+Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed
+Om wrake schreien aan des hemels poorten.
+
+YORK. Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!
+
+WARWICK. En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,
+Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;
+Zet tonnen pek rondom den folterpaal,
+Opdat gij zoo de martling haar verkort.
+
+PUCELLE. Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59
+Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,
+Die naar de wet een voorrecht u verleent.—
+Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;
+Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,
+Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.
+
+YORK. Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!
+
+WARWICK. Het grootste wonder, ooit door u gedaan!
+Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?
+
+YORK. Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;
+Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.
+
+PUCELLE. Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;
+’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.
+
+YORK. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!
+Het sterft, al waar het duizend levens rijk.
+
+PUCELLE. O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,
+En ook de hertog, dien ik noemde, niet;
+Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.
+
+WARWICK. Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!
+
+YORK. Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,
+Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.
+
+WARWICK. Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.
+
+YORK. En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—
+Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’
+Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.
+
+PUCELLE. Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.
+Dat nimmermeer de lichte zon haar glans
+Doe stralen op het land, door u bewoond;
+Dat nacht en schaduwen des doods u steeds
+Omgeven, tot u onheil en vertwijfling
+Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!
+
+ (De Pucelle met de Wacht af.)
+
+YORK. Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,
+Vervloekte, vuige dienares der hel!
+
+(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal
+Beaufort, komt op met Gevolg.)
+
+KARDINAAL. Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet
+Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.
+Want weet, de staten van de christenheid,
+Om dezen woesten strijd vol mededoogen,
+Verlangen dringend, dat er tusschen ons
+En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;
+En reeds komt de dauphijn hier met gevolg
+Om over enkle punten te onderhandlen.
+
+YORK. Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102
+Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,
+Aanvoerders, edellieden en soldaten,
+Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf
+Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,
+Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?
+Verloren wij door trouwbreuk, door verraad
+En valschheid niet alreeds schier alle steden,
+Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—
+O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart
+’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!
+
+WARWICK. York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,
+Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,
+Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.
+
+(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en
+Anderen.)
+
+KAREL. Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,
+In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,
+Zoo komen wij thans van uzelven hooren,
+Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,
+
+YORK. Spreek, Winchester, want heete gal verstopt
+Den hollen gang van mijn gevangen stem,
+Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.
+
+KARDINAAL. Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:
+Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis
+U koning Hendrik ingewilligd heeft,
+Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,
+Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,
+Moet gij vazallen worden van zijn kroon,
+En, Karel, op beding, dat gij bezweert
+Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,
+Zult gij, als vicekoning onder hem,
+Voortaan u in uw koningsrang verheugen.
+
+ALENÇON. Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?
+Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,
+En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,
+Alleen het recht eens onderdaans behouden?
+Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.
+
+KAREL. Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied
+Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,
+En word er als rechtmatig vorst geëerd;
+En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,
+Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,
+Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?
+Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer
+Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,
+De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.
+
+YORK. Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim
+Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;
+En nu het komen zal tot een verdrag,
+Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?
+Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,
+Nu als geschenk van onzen koning aan,
+Geen aanspraak er op makend als een recht,
+Of reken op een eindeloozen krijg. 154
+
+REIGNIER. Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig
+Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;
+Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,
+Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.
+
+ALENÇON (zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek,
+Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden
+En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks
+Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;
+Neem daarom deze wapenschorsing aan,
+Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.
+
+WARWICK. Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?
+
+KAREL. Het zij;
+Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons
+In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.
+
+YORK. Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:
+Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam
+Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,
+Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—
+
+(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.)
+
+En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,
+Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,
+Want heilig is de nu gesloten vreê.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter
+volgen.)
+
+KONING HENDRIK. ’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring
+Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;
+Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,
+Verwekken mij der liefde drang in ’t hart
+En evenals de macht van woeste vlagen
+Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,
+Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,
+Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen
+Waar ik mij in haar min verheugen mag.
+
+SUFFOLK. Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht
+Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;
+Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—
+Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—
+Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,
+In staat, den stompsten geest nog te verrukken.
+En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,
+Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,
+Toch is zij met gelijken zieledeemoed
+Geheel bereid om u ten dienst te zijn,
+Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid
+U als gemaal te minnen, te vereeren. 21
+
+KONING HENDRIK. Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.
+Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:
+„Zij Margaretha Englands koningin!”
+
+GLOSTER. Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.
+Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds
+Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,
+Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,
+En niet onze eer ontwijden door een blaam?
+
+SUFFOLK. Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;
+Of zoo als een, die toezeide op een steekspel
+Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,
+Omdat zijn tegenstander hem te min is.
+Eens armen graven dochter is te min;
+Haar op te geven is daarom geen oneer.
+
+GLOSTER. En wat is Margaretha meer dan zij?
+Haar vader is niet beter dan een graaf,
+Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.
+
+SUFFOLK. Ja, beste heer, haar vader is een koning,
+Is vorst van Napels en Jeruzalem,
+En bovendien in Frankrijk zoo geacht,
+Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,
+De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.
+
+GLOSTER. Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,
+Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.
+
+EXETER. Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,
+Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.
+
+SUFFOLK. Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,
+Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,
+Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.
+Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;
+Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.
+O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,
+Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.
+Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,
+Om die door zaakwaarnemers af te doen;
+En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,
+Zij de genoote van zijn huwlijksbed.
+En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,
+Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,
+Om haar in onze meening uit te lezen.
+Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,
+Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?
+Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt
+En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65
+Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,
+Dan Margaretha, dochter van een koning?
+Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,
+Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;
+Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—
+Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—
+Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;
+Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,
+Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,
+Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden
+Als Margaretha zich verbindt in liefde.
+Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:
+Slechts Margaretha zij hier koningin.
+
+KONING HENDRIK. Is ’t door de toovermacht van uw bericht,
+Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer
+Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd
+Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—
+Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:
+Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,
+Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,
+Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.
+Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;
+Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:
+Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee
+Naar England oversteke en zich laat kronen
+Als Hendriks trouwe gade en koningin.
+Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending
+Kunt gij een tiende heffen van ons volk.
+Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94
+Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—
+En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;
+Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,
+Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt
+Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.
+En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen
+Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.
+
+ (Koning Hendrik af.)
+
+GLOSTER. Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.
+
+ (Gloster en Exeter af.)
+
+SUFFOLK. Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij
+Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;
+Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,
+Maar met een beter slot dan die Trojaan.—
+Beheersche Margaretha nu den koning;
+Ik echter haar, den koning en het rijk!
+
+ (Suffolk af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie
+deelen van Koning Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden,
+welke den ondergang van de beide koningshuizen van Lancaster en York
+schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de vroegste werken van den
+grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling van
+het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals
+gewoonlijk het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de
+volgorde der vorsten, teleurgesteld wordt, wanneer hij na Richard II,
+Hendrik IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik VI ter hand neemt.
+Zelfs Richard III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik VI aansluit,
+draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd
+des dichters. Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning
+Hendrik V (zie boven blz. 605), medegedeeld, dat Hendrik VI aan
+laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan.
+
+Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K.
+Hendrik VI onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is
+het verschil tusschen deze werken en die van zijn lateren tijd niet
+alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst natuurlijk. Even
+natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner
+voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch
+tooneel bloeide, dat in 1562 reeds het eerste treurspel, Gorboduc, van
+Sackville en Norton, gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van
+tooneeldichters gevolgd is, waaronder Nash, Peele, Kyd, Green en
+Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder, dat de
+jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn
+Titus Andronicus geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in
+zijn Hendrik VI, schoon deze stukken zeker van iets latere dagteekening
+zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers doet denken. Slechts hierover
+kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft nagevolgd en zoo
+spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen.
+
+Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare
+en die van latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk
+zijn, werd reeds vroeg twijfel geopperd, of zij inderdaad van
+Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste deel in twijfel
+getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar
+de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem
+herkomstig zijn, werd naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel
+zelfs kleingeestige onderzoekingen, waarbij de eene onderstelling op de
+andere gestapeld werd, door verscheidenen als bewezen beschouwd. In het
+laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare het
+eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde
+deel slechts naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn
+later, met name door Knight, zoo voldingend wederlegd, en in hun
+nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig is, dit hier nogmaals
+te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen dichter,
+of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn
+vertaling van Hendrik VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door
+Shakespeare in hun geheel ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier
+in het kort zal worden aangetoond, uit hun geheelen aanleg af te
+leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld te worden,
+omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry
+Condell, in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in
+den beroemden folio van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn
+opgenomen.
+
+Geen der drie deelen van K. Hendrik VI, en ook K. Richard III niet,
+staat op zichzelf, alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van
+Hendrik VI komen tooneelen voor, die geen ander doel hebben dan voor te
+bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die in het volgend stuk ten
+tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste stuk: de
+twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van
+Mortimer met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen,
+het aanzoek van Suffolk om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen
+zijn van een zelfstandig stuk. En niet alleen zijn in het eerste deel
+de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede weeft met deze
+draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede van
+het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van
+het eerste deel in het belang van zijn drama de volgorde der
+gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover later meer,—en dat deze
+wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht genomen
+worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van
+Orleans, hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later
+plaats greep, en de dichter heeft het sterven van Talbot en zijn zoon
+hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het tweede stuk is en blijft
+Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen, dan
+had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een
+krachtige en wettige reden van ontevredenheid over de leiding van den
+oorlog.
+
+Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening
+verdedigd, dat het eerste deel niet van Shakespeare is en dat met het
+tweede een zelfstandig werk begint. Deze meening moet hier met een
+woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in den folio van
+1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren
+nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht
+gegeven, en wel onder den titel: The first part of the contention
+betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster, with the death of
+the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke of
+Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester,
+with the notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first
+claim unto the Crowne. London Printed by Thomas Creed, for Thomas
+Millington, and are to be sold at his shop under Saint Peters Church in
+Cornwall (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een
+octavo-boek, dat het derde deel van Koning Hendrik VI bevatte, onder
+den titel: The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of
+the good King Henrie the Sixt, with the whole contention betweene the
+two Houses Lancaster and Yorke, as it was sundrie times acted by the
+Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants. Printed at London
+by P. S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe under
+Saint Peter’s Church in Cornwal (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken
+werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal beide in quarto,
+uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band
+uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had
+overgedragen, onder den titel: The Whole Contention Betweene the Two
+famous Houses, Lancaster and Yorke, With the tragicall Ends of the good
+Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the sixt. Divided
+into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William
+Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.—Hier wordt dus voor het
+eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering en
+vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer
+afzonderlijke uitgave nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want
+Delius heeft dien met al zijn fouten in zijn bekende
+Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en het
+derde deel van den echten Koning Hendrik VI,—dan ziet men, hoe
+ongelooflijk de echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is
+de handeling dezelfde en de gang der samenspraken eveneens, maar soms
+is van een lange reden slechts een schets gegeven, verzen zijn vaak als
+proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken zijn
+weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de
+samenspraak, hier en daar vindt men geheele gedeelten, die met den
+tekst der folio-uitgave overeenkomen, maar midden daarin onzin of
+geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen geheel
+verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels,
+dus gedeelten, die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed
+weergegeven. Kortom de tekst bevat gedeelten, die geen ander dichter
+uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven; andere, die ook de
+grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand van den
+tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het
+gehoor is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den
+schouwburg aan het werk zijn geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad
+het ging, op papier brachten en dat daarna de een of andere handlanger
+de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog treffende
+gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen
+zijn, maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de
+samenflanser de rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft
+gehad, maar de ellendige toestand van den tekst maakt zelfs dit niet
+waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van uitgeven was in dien
+tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig
+gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste
+deel van Hendrik VI niet meester worden of zag hij in de uitgave geen
+voordeel, zoodat nu het tweede en derde deel van K. Hendrik VI tot het
+eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen de huizen van
+Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en
+onaangenaamheden te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel
+wegbleef; trouwens iedereen wist toch wel, dat het dezelfde stukken
+waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook bij de eerste
+onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten. [1]
+
+Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als
+tooneelspeler behoorde, ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven
+werd, is onbekend; het is mogelijk, dat de vermelding van dit
+gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste deel, alleen
+op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook
+mogelijk, dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen
+moge, zeker is het, wanneer men den tekst van de door Millington
+uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde onrechtmatige wijze
+moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen
+schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later
+beter uitgewerkt is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat
+het ontbreken van een afzonderlijke uitgave van het Eerste Deel van K.
+Hendrik VI zelfs geen zweem van grond oplevert, om laatstgenoemd stuk
+niet aan Sh. toe te kennen.
+
+Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten,
+dat de deelen volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere
+voorbereidt, dan vinden wij, dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen
+waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig jaren van Hendriks
+koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie
+stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen,
+dan vindt men in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een
+kind van negen maanden kon den dichter niet dienen,—komt in het eerste
+deel voor als knaap, in het tweede als man, in het derde als grijsaard,
+zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het is steeds
+dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve
+Shakespeare, dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van
+anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had
+kunnen schilderen en hem zulk een roerende goedheid en zooveel
+majesteit had kunnen verleenen, dan moet het antwoord ontkennend
+luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier stukken
+zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard III, is van het
+eerste oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie
+deelen van Koning Hendrik VI en Koning Richard III zijn ontegenzeglijk
+de schepping van één dichter.—En dat die dichter niemand anders dan
+Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één stemming in al
+deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid,
+die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen
+tegenover de Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven,
+waardoor hij al zijn voorgangers en tijdgenooten overtreft.
+
+Dat ook het eerste deel van K. Hendrik VI bij de toeschouwers hoog
+stond aangeschreven, is ons door een uiting van een gelijktijdig
+schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op dit stuk in een geschrift:
+„Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil”; hij verklaart het
+tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen
+der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de
+helden van weleer uit het graf der vergetelheid weer in het leven
+geroepen worden. „Hoe,” zegt hij, „zou de dappere Talbot, de schrik der
+Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat hij, na tweehonderd jaren
+in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert en
+dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en
+verscheidene malen, van wel tienduizend toeschouwers, die in den
+treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld, hem op nieuw meenen te
+zien bloeden!”
+
+Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt
+nog uit een ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook
+het derde deel van K. Hendrik VI reeds in 1592 gegeven werd en grooten
+bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan ellende ter prooi, de
+dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje „A
+Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance”, dat Henry
+Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens
+tooneelspelen de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren,
+zijn wrok gelucht over de nieuwere dichters, die, naar hij meende
+geheel onverdiend, door de tooneelspelers boven de oudere dichters
+werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name Marlowe,
+Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond
+spreken, den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort,
+„want daar is een kraai, een opkomeling, gesierd met onze vederen, die
+met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers huid gehuld” gelooft, dat
+hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen, als de
+beste van u; en omdat hij een volkomen Johannes fac totum is, is hij in
+zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (Shake-scene) in den
+lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon
+brengenden weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere
+voortreffelijkheid nabootsen, en maak hen nimmer weer met uw bewonderde
+dichterlijke vonden bekend!”
+
+Dat met den naam Shake-scene (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is,
+spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart in vrouwenhuid gehuld!”
+roept in het derde deel van „K. Hendrik VI” (I. 4. 137.) de Hertog van
+York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is
+duidelijk geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man,
+niet zooals wij van geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford
+bezocht heeft, een man, die ons, erkende dichters, nabootst en met onze
+schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare, in zijn
+eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij,
+evenals zij, met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen
+zijn werken tooide, was niet zoo geheel onjuist, en zijn „Koning
+Hendrik VI” kan het getuigen; maar dit zal de reden van het verwijt
+niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers in de
+schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van
+af, daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk
+maakte en in veler mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle,
+achtte zich weldra, waarschijnlijk op aandrang van Shakespeare of zijn
+vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen blaam verdiende, en hij
+gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit, „Kind-harts
+dream” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet
+onderdrukt te hebben; „omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn
+gedrag als evenzoo beschaafd wellevend (civil) heb leeren kennen, als
+hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden
+eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel,
+die van zijn rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het
+schrijven, die zijn kunstvaardigheid bewijst”.
+
+Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten.
+
+Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis
+Plantagenet, en daarmede tevens het verschrikkelijkst tijdvak van
+Engelands geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor
+Engeland verloren ging.
+
+Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn
+broeder, de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog
+tegen den Dauphijn van Frankrijk, die zich na zijns vaders dood als
+Karel VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel hij
+aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429
+Orleans ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale
+zaak en het optreden der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan.
+Wel werd nog in December 1431 de toen negenjarige Hendrik VI te Parijs
+plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend jaar begon de
+Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche
+koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen
+zijn oom, den kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder,
+den hertog van Bedford, tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op
+de krijgsverrichtingen der Engelschen in Frankrijk, en toen, na den
+dood van den hertog van Bedford, in September 1435, de hertog van
+Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende,
+gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot
+1447, eer de wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens
+door bemiddeling van Suffolk het huwelijk van koning Hendrik VI met
+Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis, die
+onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn
+koningshuis nog deed toenemen.
+
+Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik VI omvat de gebeurtenissen
+tot aan ’s konings huwelijk. De dichter volgt over het geheel de
+kroniek van Hall of de daaruit grootendeels geputte kroniek van
+Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der
+gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt,
+wijkt hij van deze af. Hij laat Hendrik VI, die bij zijn kroning pas
+negen maanden oud was, als aankomend jongeling optreden, en vat de
+oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die een dertigtal jaren
+duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van Orleans
+door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van
+Hendrik in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening
+van den koning van Frankrijk met den hertog van Bourgondië, de
+tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling van een
+wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van
+Anjou, eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van
+Talbot en zijn zoon. Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische
+volgorde in acht is genomen, kan men afleiden, in hoeverre Shakespeare
+van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming en den dood van de
+Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht,
+hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen;
+het gevecht van Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst
+hij voor het optreden der Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen
+aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij in de eerste jaren, hoewel
+hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde.
+Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen
+als het gevolg van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en
+partijzucht der Engelsche grooten, en van het optreden der Maagd van
+Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed der toeschouwers
+gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd
+van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan
+heldenmoed en dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn
+van hun inwendige verdeeldheid en van Fransche tooverkunsten. Schrijft
+men de laatste niet aan de inwerking des duivels, maar aan de opwekking
+toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen door de
+Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de
+hoofdzaak waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen
+veranderd, al heeft hij de rol, die de mededingers Gloster en kardinaal
+Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet juist teruggegeven en al
+was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer een
+welberaden en voorzichtig krijgsman.
+
+Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans
+zoo, en niet anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit
+Shakespeare’s tijd twijfelde er aan, of zij had met helsche machten in
+verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands groote dichter het
+beeld der Maagd geteekend heeft [2], dat Fransche en Duitsche
+geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis van het
+Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit
+authentieke stukken hebben toegelicht en haar als een der verhevenste
+en reinste personen der wereldgeschiedenis hebben doen kennen [3]. Toch
+heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel
+verloochend; in het geheele stuk is het haar liefde voor land en
+koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar zij de helsche machten ter
+hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf, is het
+alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen.
+
+Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan
+het einde van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke
+rol speelt, zij hier opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste
+en ijverigste aanhangers was van het huis Lancaster, en dat hij
+geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met de hem verstrekte
+instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk trof
+en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het
+oog van het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst
+der bij het volk gehate Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en
+Frankrijk meer en meer voor Engeland verloren ging, werd hij met den
+onverzoenlijken haat van het volk beladen.
+
+Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die
+van groot belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken
+en van K. Richard III, moge het raadplegen der in dit deel voorkomende
+geslachtslijst van het koninklijk huis aanbevolen worden.
+
+
+
+I. 1. De graaf van Warwick. Met den onder de optredende personen
+voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen Richard Beauchamp,
+graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de graaf
+van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard
+Nevil, die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van
+Warwick, Anna Beauchamp, zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer
+de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft; misschien heeft hij beide
+personen voor één gehouden.
+
+I. 1. 1. Behangt den hemel zwart. De hemel was de kunstterm voor de
+zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart bekleed was.
+Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis
+door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand.
+
+I. 1. 65. Rheims door ons ontruimd. De Folio leest Roan, dat steeds bij
+Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan Rheimes (tweelettergrepig)
+moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de maat
+duidelijk.
+
+I. 1. 117. Geen pieken om te planten voor de schutters. Op deze wijze
+werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval
+der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking a pitched battle.
+
+I. 1. 131. Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond. Zoo luidt de
+naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder
+Falstaff van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien,
+evenals aan het publiek, de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn
+dan de ridder Fastolf.
+
+I. 1. 153. Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s
+feest met glans te vieren. De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden
+zullen als vreugdevuren dienen zooals in Engeland op den vooravond van
+Engelands beschermheilige werden aangestoken.
+
+I. 2. 1. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog
+toe onbekend. Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De
+sterrekundigen waren nog niet bij machte geweest, den schijnbaren loop
+der planeet Mars aan den hemel behoorlijk te verklaren. Maar juist
+omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den grooten Kepler
+ontraadseld.
+
+I. 2. 29. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft. Sh. vond deze
+aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver
+(1337–1410), in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de
+bekende helden van Karel den Grooten.
+
+I. 2. 56. Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen. Negen Sibyllen waren
+er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken, die
+aan Tarquinius te koop werden aan geboden.
+
+I. 2. 110. Eed’le Pucelle. Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog
+niet genoemd.
+
+I. 2. 131. Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen. Halcyonendagen waren bij
+de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op een storm
+volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op
+Sint Maarten, vergeleken.
+
+I. 2. 138. Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar
+droeg en zijn geluk. Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden
+schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap, want gij hebt Cæsar en zijn
+geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van Plutarchus door
+North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem
+aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk
+rijk is.
+
+I. 2. 140. Werd eens Mohammed door een duif bezield. Dit werd door Sh.
+zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin
+wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit
+het oor te pikken, zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den
+schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt kwam zoeken; waarna Mohammed
+den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif de Heilige
+Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn,
+van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen
+als heilige vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den
+heiligen Philippus maagden waren en profeteerden, staat in de
+Handelingen der Apostelen te lezen.
+
+I. 3. De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij. De
+blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke
+macht, terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan
+ook de Dienaars van den bisschop van Winchester optreden.
+
+I. 3. 35. Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen. De bisschop van
+Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark, die
+tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles
+geld te slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord
+Winchestergans, reg. 53.
+
+I. 3. 39. Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain. Volgens de
+overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus
+ligt, verslagen hebben.
+
+I. 3. 46. Op de plaats geen acht geslagen. In de city mocht geen wapen
+getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten der koninklijke
+sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen,
+zie reg. 84.
+
+I. 4. 1. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt. Het verhaal van
+dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed.
+
+I. 4. 95. Plantagenet. Talbot noemt Salisbury met den familienaam van
+het koninklijk geslacht, omdat hij een afstammeling was van koning
+Edward III en de schoone gravin van Salisbury.
+
+I. 5. 6. Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af. Als iemand aan
+een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem.
+
+I. 5. 21. Als Hannibal. Toespeling op Hannibals krijgslist, die den
+Romeinen ontkwam, door ossen met brandende struiken aan de horens naar
+hen toe te drijven.
+
+I. 6. 21. Een trotscher pyramide enz. In Plutarchus vindt men vermeld,
+dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis een pyramide stichtte,
+en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in een met
+juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als
+oorlogsbuit veroverd had.
+
+II. 1. 1. Hier, mannen, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt
+door Holinshed van de inneming der stad Mans verhaald.
+
+II. 2. 38. De deugdrijke gravinne van Auvergne enz. Van dit voorval met
+de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding gemaakt.
+
+II. 4. 3. Te luide spraken we in de Tempelzaal. De lords hadden in de
+Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen, Lancaster en
+York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de
+kenteekenen der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze
+gekozen zouden zijn, die hier wordt aangegeven, vindt men nergens
+vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering; dit is te
+meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend
+onderstelt.—De tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een
+geheiligde plaats, waar geen zwaard getrokken mocht worden; hierop
+doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats gesproken wordt.
+
+II. 4. 85. Wapenlooze boeren. In ’t Engelsch: crestless yeomen, de
+vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht
+hebben om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden
+den rang van gentleman. Het woord wapenloos is dus in een bijzonderen
+zin gebruikt.
+
+II. 5. 5. Die grijze lokken enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was
+inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij stierf; hij was door Sh., op
+het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward met zijn oom, den
+ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en
+zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de
+aanteekening op Koning Hendrik IV, in deel II.
+
+II. 5. 123. Door eerzucht van de laagste soort gedoofd. Er staat
+eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder
+ras, gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als
+van een jongeren zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten
+waren.
+
+II. 5. 129. Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed. Als het
+parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht,
+dat hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem
+geluk, d.i. de kroon, zal verschaffen.
+
+III. 1. 42. Gij bastaard van mijn grootvader. Hendrik Beaufort,
+bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina
+Swijnford.
+
+III. 1. 51. Ruim dan ’t land voor Rome. In het oorspronkelijke met een
+woordspeling: „Roam thither then.”
+
+III. 1. 71. Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds. Eigenlijk was Hendrik VI
+slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om de twisten
+tusschen Gloster en Winchester te beslechten.
+
+III. 1. 138. Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap. „Dit
+teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt.
+
+III. 2. 10. Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren. In ’t
+Engelsch: Our sacks shall be a mean to sack the city.
+
+III. 2. 44. Het was vol dolik. Dolik, het bedwelmend Raygras, Lolium
+temulentum, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten
+er van bedwelmen en met name het gezichtsvermogen verzwakken; in
+lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene onderzoekers naar
+aanleiding hunner proeven bevestigd.
+
+III. 2. 94. De stoute Pendragoon. De oud-Engelsche sage verhaalt dit
+zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur, als van zijn
+broeder Aurelius.
+
+III. 3. 41. Dapper Bourgondië. De maagd van Orleans heeft niet
+mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië, schoon te
+vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij
+dezelfde beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond
+legt. In Holinshed wordt dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh.
+bekend was, weten wij niet.
+
+III. 4. 39. Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is. Deze
+bepaling gold voor de verblijfplaats des konings.
+
+IV. 1. 19. Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay. Volgens
+Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn
+orde hebben afgenomen.
+
+IV. 1. 153. Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag, enz. De koning
+wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit
+evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik
+een kroon draag evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid
+voor dezen vijand van Engeland bewijst.
+
+IV. 6. 54. Zoo volg dan uw Cretenser vader nu. Talbot vergelijkt zich
+met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog vliegende
+onderneming in het verderf stortte.
+
+IV. 7. 61. De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury. De lijst der titels
+en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te Rouaan,
+maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek
+te vinden.
+
+V. 1. 28. Wat! is mylord van Winchester verhoogd. En met den
+kardinaalsrang nu bekleed? De dichter heeft er niet opgelet, dat hij
+reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36) den prelaat, met een
+anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend.
+
+V. 3. 5. Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote
+koning over heerscht. De geesten woonden, volgens Reginald Scot’s
+Discoverie of Witchcraft,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in
+het noorden, oosten, zuiden en westen, onder vier koningen. De booze
+geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar; de geestenkoning
+van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen
+Goap.
+
+V. 3. 48. Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers. Suffolk kust zijn
+eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde.
+
+V. 3. 52. Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.—Deze door Delius
+voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan het
+gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de
+interpunctie der folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van
+Napels’ koning, wie gij ook wezen moogt.”
+
+V. 5. 83. Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet. In het Engelsch
+noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw a cooling card; men kan
+hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, Carduus
+(of Cnicus) benedictus, die als afkoelend middel bij koortshitte werd
+aangewend, en schertsenderwijs ook wel eens in geschriften van dien
+tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt aangehaald.—Toen
+Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging
+afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge
+literarische afkomst, een kleindochter van Engelands grooten dichter
+Chaucer.
+
+V. 3. 116. Als Englands machtig koning vrijheid heeft. Als hij vrij is
+in zijn keuze.
+
+V. 4. 74. Wat! Alençon! die booze Macchiavelli! Macchiavelli
+(1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun een
+voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood
+van Malta spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van
+zichzelf.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom.
+ Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings.
+ Richard Plantagenet, Hertog van York.
+ Edward en Richard, zijn zonen.
+ De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord
+ Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings.
+ De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York.
+ Lord Scales, Commandant van den Tower.
+ Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William.
+ Sir John Stanley.—Vaux.
+ Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman,
+ Zeeroovers.
+ Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen.
+ John Hume en John Southwell, Priesters.
+ Bolingbroke, een Geestenbezweerder.
+ Een Geest, door Bolingbroke bezworen.
+ Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht.
+ Emanuël, de klerk van Chatham.
+ De Schout van Sint Albaan.
+ Simpcox, een Bedrieger.
+ Twee Moordenaars.
+ Jack Cade.
+ George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en
+ Michaël, aanhangers van Cade.
+ Alexander Iden, een Edelman uit Kent.
+
+ Margaretha, Koning Hendriks Gemalin.
+ Eleonore, Hertogin van Gloster.
+ Gretha Jordaan, een Heks.
+ De Vrouw van Simpcox.
+
+ Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen.
+ Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen.
+ Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.
+
+
+
+Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een staatsiezaal in het paleis.
+
+Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning
+Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal
+Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door
+Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen.
+
+SUFFOLK. Gelijk mij van uw hooge majesteit
+De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,
+Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid
+Te huwen met prinsesse Margaretha,
+Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn
+Der koningen van Frankrijk en Sicilië,
+Der hertogen van Orleans, Calabrië,
+Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re
+Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,
+Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;
+En leg nu onderdanig, op mijn knie,
+Ten overstaan van England en zijn pairs,
+Mijn recht op de eed’le koningin in handen
+Van uw genade, die het wezen zijt
+Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:
+De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,
+De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.
+
+KONING HENDRIK. Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!
+Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,
+Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,
+Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;
+Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,
+Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,
+Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Genadig koning, mijn verheven gade!
+Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,
+Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,
+In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,
+Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,
+Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten
+Met minder schoone taal, zooals mìjn geest
+Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.
+
+KONING HENDRIK. Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,
+Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos
+Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;
+Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—
+Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!
+
+ALLEN (knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd!
+
+(Trompetgeschal).
+
+KONINGIN MARGARETHA. U allen onzen dank!
+
+SUFFOLK. Mylord protector, zoo het u behaagt,
+Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,
+Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!
+Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42
+
+GLOSTER (leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van
+Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant
+van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen
+zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van
+Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal
+kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het
+hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en
+overgegeven aan den koning haren vader,”—
+
+(Hij laat het papier vallen).
+
+KONING HENDRIK. Wat is er, oom?
+
+GLOSTER. Vergeef mij, hooge vorst,
+Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;
+Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.
+
+KONING HENDRIK. Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.
+
+KARDINAAL (leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het
+graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning
+haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den
+koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.”
+
+KONING HENDRIK. ’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:
+Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,
+En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,
+We ontheffen uw genade van ’t regentschap
+Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden
+Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,
+York, Gloster, Buckingham en Somerset,
+En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,
+Wij danken u voor uwen heuschen groet
+Bij de aankomst van mijn waarde koningin.
+Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,
+Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.
+
+ (De Koning, de Koningin en Suffolk af.)
+
+GLOSTER. O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,
+Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—
+Uw leed, het algemeene leed des lands!
+Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,
+Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;
+Had hij zoo vaak het open veld ter woon
+In winterkoude en dorre zomerhitte,
+Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;
+En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd
+Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;
+Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,
+Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,
+In Normandië en Frankrijk diepe wonden;
+En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,
+Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,
+Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,
+Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,
+Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;
+En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,
+In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;
+En moet die arbeid en die roem vergaan? 95
+Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,
+Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?
+O, pairs van England, smaadvol is die zoen,
+Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!
+Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt
+De letters weg van uwen lof, verminkt
+Elk monument van Frankrijks onderwerping,
+Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!
+
+KARDINAAL. Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,
+Die rede met zoo breede omslachtigheid?
+Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.
+
+GLOSTER. Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,
+Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—
+Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—
+De leenen Maine en Anjou weggeschonken
+Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel
+Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.
+
+SALISBURY. Nu, bij den dood van die voor allen stierf,
+Die landen zijn de poort van Normandië.—
+Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?
+
+WARWICK. Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;
+Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,
+Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.
+Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;
+Met dezen mijnen arm nam ik die in;
+En steden, die ik voor ons won met wonden,
+Die geeft men nu terug met vredeswoorden?
+Mort Dieu!
+
+YORK. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,
+Die de eere van dit heldeneiland schendt!
+Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,
+Dan ik in dezen zoen getreden waar’!
+Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten
+Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;
+En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,
+En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!
+
+GLOSTER. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk
+Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen
+Voor ’t halen en de kosten van den tocht!
+Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,
+Aleer—
+
+KARDINAAL. Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.
+Het was de wil van onzen heer en vorst.
+
+GLOSTER. Mylord van Winchester, ik ken u wel;
+Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,
+’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141
+Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,
+’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,
+Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.
+Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,
+Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.
+
+ (Gloster af.)
+
+KARDINAAL. Daar gaat, van woede blakend, de protector.
+’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,
+Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,
+En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.
+Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte
+Het naaste recht bezit op Englands kroon;
+Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,
+En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,
+Voor Gloster bleef er reden om te morren.
+Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal
+Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!
+Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,
+En hem den goeden hertog Humfried noemt,
+En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:
+„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”
+En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”
+Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn
+Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.
+
+BUCKINGHAM. Waartoe behoeft de koning een protector,
+Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—
+Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,
+En allen samen, met den hertog Suffolk;
+Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.
+
+KARDINAAL. Die wichtige onderneming duldt geen dralen;
+Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.
+
+ (De Kardinaal af.)
+
+SOMERSET. Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons
+De trots en hooge rang van Humfried kwets’,
+Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.
+Zijn overmoed is minder nog te dragen,
+Dan die van al de prinsen van het rijk;
+Als Gloster valt, zal hij protector worden.
+
+BUCKINGHAM. Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,
+Trots hertog Humfried en den kardinaal.
+
+ (Buckingham en Somerset af.)
+
+SALISBURY. De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.
+Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,
+Betaamt het òns voor Englands heil te waken.
+Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders
+Dan als een waardig edelman gedroeg. 184
+Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,
+Meer op soldatenwijs dan als een priester,
+Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,
+Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,
+Een heerscher over land en volk onwaardig.—
+Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,
+Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,
+Verwierf u groote gunst bij al het volk,
+’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,
+En uwe daden, broeder York, in Ierland,
+Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,
+Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,
+Toen gij regent voor onzen koning waart,
+Verwierven u des volks ontzag en liefde.—
+Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,
+En breid’len en verstikken wij den trots
+Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,
+Die Somerset en Buckingham bezielt;
+En laat ons Gloster steunen in zijn doen,
+Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.
+
+WARWICK. God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk
+Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.
+
+YORK (ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.
+
+SALISBURY (tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t
+mijne!
+
+WARWICK. Het mijne? Maine, vader, is verloren;
+Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat
+Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde!
+Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,
+Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.
+
+ (Salisbury en Warwick af.)
+
+YORK. Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;
+Parijs ging over; Normandiës behoud
+Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.
+Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs
+Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne
+Twee hertogdommen voor een hertogskind.
+Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?
+Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.
+Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,
+Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,
+Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;
+Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren
+Er luid om weent, en bang de handen wringt,
+’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,
+Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,
+Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;
+Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,
+Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.
+Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,
+Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,
+Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout
+Voor ’t harte van den prins van Calydon.
+Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236
+Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,
+Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.
+Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;
+Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,
+En geef den trotschen Humfried goede woorden,
+En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;
+Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.
+Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,
+Of in de kindervuist den scepter klemmen,
+Of met den diadeem zijn hoofd versieren,
+Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.
+Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;
+Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,
+En sla des staats geheimen immer gâ,
+Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend
+Met Englands duurgekochte koningin,
+En Humfried met de pairs in strijd geraken;
+Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,
+Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,
+En laat York’s wapen stralen op mijn standaard
+Ter worstling met het huis van Lancaster;
+En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,
+Die England van zijn luister heeft beroofd!
+
+ (York af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster.
+
+Gloster en de Hertogin komen op.
+
+HERTOGIN. Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren
+Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?
+Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,
+Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?
+Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond
+En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?
+Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,
+Omzet met alle heerlijkheid der wereld?
+Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,
+Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.
+Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—
+Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;
+En hebben wij te zaam hem opgeraapt,
+Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,
+En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,
+Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.
+
+GLOSTER. O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,
+Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!
+Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,
+Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,
+Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—
+Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.
+
+HERTOGIN. Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het
+Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.
+
+GLOSTER. Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25
+Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,
+Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;
+En op de stukken werden toen de hoofden
+Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,
+En William de la Pole, nu hertog Suffolk,
+Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.
+
+HERTOGIN. Wel, dit is anders niets dan een bewijs,
+Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,
+Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.
+Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;
+’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—
+En in den trotschen zetel, die ter kroning
+Van koningen en koninginnen dient;
+En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,
+En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.
+
+GLOSTER. Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;
+Hoovaardig wezen! booze Eleonora!
+Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,
+En des protectors welbeminde gade?
+Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,
+Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?
+En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,
+Om uwen man, uzelf ook, van den top
+Der eer te stooten aan den voet der schande?
+Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!
+
+HERTOGIN. Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,
+En dat, omdat zij u haar droom vertelt?
+’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,
+En zal gekijf vermijden.
+
+GLOSTER. Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,
+Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,
+Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.
+
+GLOSTER. Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?
+
+HERTOGIN. Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.
+
+ (Gloster en de Bode af.)
+
+Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;
+Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.
+Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,
+Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,
+En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;
+En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol
+Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—
+Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;
+Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.
+
+(John Hume komt op.)
+
+HUME. Behoede Jezus uwe majesteit!
+
+HERTOGIN. Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.
+
+HUME. Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen
+Voorzeker uw genade in macht en eer. 73
+
+HERTOGIN. Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken
+Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,
+En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?
+Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?
+
+HUME. Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid
+Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,
+Die op de vragen, die uw hoogheid hem
+Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.
+
+HERTOGIN. Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.
+Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,
+Zij alles naar behooren uitgevoerd.
+Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed
+Met uwe helpers in dit groote werk.
+
+ (De Hertogin af.)
+
+HUME. Te goed doen met het goud der hertogin?
+Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?
+Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.... mum!
+De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.
+Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,
+Dat ik de heks nog heden bij haar breng;
+Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.
+Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—
+Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,
+En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;
+Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,
+Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,
+Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,
+En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.
+Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;
+Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.
+Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,
+Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.
+Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind
+Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,
+En hare schuld doet hertog Humfried vallen.
+Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.
+
+ (Hume af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een vertrek in het paleis.
+
+Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften.
+
+EERSTE SMEEKELING. Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt
+hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften
+allen gezamenlijk aan.
+
+TWEEDE SMEEKELING. Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man;
+de Heere Jezus zegene hem!
+
+(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.)
+
+EERSTE SMEEKELING. Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem.
+Ik wil de eerste zijn, ja!
+
+TWEEDE SMEEKELING. Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en
+niet de lord protector.
+
+SUFFOLK. Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?
+
+EERSTE SMEEKELING. Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den
+lord protector.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften
+aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17
+
+EERSTE SMEEKELING. Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John
+Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en
+landerijen en vrouw en alles onthoudt.
+
+SUFFOLK. Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij?
+(Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor
+zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij
+schurk?
+
+TWEEDE SMEEKELING. Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor
+onze geheele buurtschap.
+
+PETER (zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas
+Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van
+de kroon is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de
+wettige erfgenaam der kroon was?
+
+PETER. Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester
+zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was.
+
+SUFFOLK. Is daar iemand?
+
+(Een Dienaar komt op.)
+
+Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om
+zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van
+den koning.
+
+ (De Dienaar met Peter af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat u betreft, gij, die protectie wacht
+Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift
+Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.
+
+(Zij verscheurt de smeekschriften.)
+
+Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.
+
+DE SMEEKELINGEN. Komt, laat ons heengaan!
+
+ (De Smeekelingen af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,
+Is dit de wijs van doen aan Englands hof?
+Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,
+Is dit de macht van Albions beheerschers?
+Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,
+Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?
+Moet ik in rang en titel koningin,
+Maar onderdane van een hertog zijn? 52
+Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours
+Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,
+En onzer Fransche vrouwen harten staalt,
+Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,
+In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,
+Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt
+Ave Maria’s met zijn rozenkrans,
+Apostels en profeten zijn zijn ridders,
+En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,
+Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden
+De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.
+Ik wenschte, dat de raad van kardinalen
+Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,
+Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;
+Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.
+
+SUFFOLK. Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,
+Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook
+In England u geheel tevredenstellen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Behalve Gloster is hier nog die priester,
+Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,
+En Buckingham, en de altijd wreev’le York;
+En wie de minste van die allen is,
+Vermag in England meer dan zelfs de koning.
+
+SUFFOLK. En wie van dezen nog het meest vermag,
+Vermag in England minder dan de Nevils;
+Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,
+Als des protectors vrouw, die trotsche prij;
+Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,
+Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.
+Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;
+Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf
+En op onze armoe schimpt zij in haar hart.
+Zou ik het niet beleven mij te wreken?
+Die trotsche, laaggeboren helleveeg!
+Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?
+De sleep der minste van haar rokken was
+Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk
+Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.
+
+SUFFOLK. Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,
+En daar een koor lokvogels bij geplaatst,
+Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten
+En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:
+Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;
+Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96
+Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten
+Bij hem ons scharen en bij de andere lords,
+Totdat wij hertog Humfried vallen deden.
+Wat hertog York betreft, die laatste klacht
+Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.
+Zoo wieden wij hen allen, een voor een,
+En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.
+
+(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de
+Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham,
+Salisbury en Warwick.)
+
+KONING HENDRIK. ’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;
+’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.
+
+YORK. Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,
+Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.
+
+SOMERSET. Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,
+Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.
+
+WARWICK. Of uw genade ’t waardig is of niet,
+Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.
+
+KARDINAAL. Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.
+
+WARWICK. De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.
+
+BUCKINGHAM. Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.
+
+WARWICK. Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.
+
+SALISBURY. Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,
+Waarom in deze Somerset zou voorgaan.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.
+
+GLOSTER. De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,
+Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft
+Gij dan protector van zijn majesteit?
+
+GLOSTER. Vorstin, ik ben protector van het rijk,
+En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.
+
+SUFFOLK. Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.
+Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—
+Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;
+Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;
+En alle pairs en eed’len van het rijk
+Zijn slaven onder uw bewind geweest.
+
+KARDINAAL. Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid
+Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132
+
+SOMERSET. Op schatten komen uwe prachtgebouwen
+En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.
+
+BUCKINGHAM. De wet werd overtreden door de wreedheid,
+Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;
+Dit levert wis u aan haar strengheid over.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ware uw verkoop van ambten en van steden
+In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,
+Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.
+
+ (Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier
+ vallen.)
+
+Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?
+
+(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.)
+
+Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!
+
+HERTOGIN. Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;
+Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,
+Ik grifte er u mijn tien geboden in.
+
+KONING HENDRIK. Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.
+
+HERTOGIN. Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,
+Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;
+Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,
+Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.
+
+ (De Hertogin af.)
+
+BUCKINGHAM. Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,
+En sla ook Humfried gade, wat hij doet;
+Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor
+Om dol van woede in haar verderf te rennen.
+
+ (Buckingham af.)
+
+(Gloster komt weder op.)
+
+GLOSTER. Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,
+Door hier het binnenhof eens rond te gaan,
+Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.
+Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,
+Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;
+Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,
+Als ik getrouw mijn land en koning min.
+Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—
+Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt
+Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.
+
+SUFFOLK. Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,
+Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,
+Hoe York het minst van allen er voor deugt.
+
+YORK. Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;
+Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;
+En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,
+Mylord van Somerset mij hier zou houden,
+Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,
+Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;
+Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs
+Berend werd, uitgehongerd en verloren.
+
+WARWICK. Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad
+Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177
+
+SUFFOLK. Zwijg, driftkop Warwick!
+
+WARWICK. Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?
+
+(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.)
+
+SUFFOLK. Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;
+God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!
+
+YORK. Beschuldigt iemand York hier van verraad?
+
+KONING HENDRIK. Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?
+
+SUFFOLK. Met uwer majesteits verlof, die man
+Legt aan zijn meester hoogverraad te last.
+Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,
+Naar recht de kroon van England dragen moest,
+En dat uw heerschappij onwettig is.
+
+KONING HENDRIK. Spreek, hebt gij dit gezegd, man?
+
+HORNER. Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of
+zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van
+dien schurk.
+
+PETER (de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren,
+hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren,
+onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.
+
+YORK. Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd
+Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—
+Ik smeek uw koninklijke majesteit,
+Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.
+
+HORNER. Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit
+gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een
+paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat
+hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor
+bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet
+in het verderf op de aanklacht van een booswicht.
+
+KONING HENDRIK. Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?
+
+GLOSTER. Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:
+Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,
+Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;
+En dezen zij een dag en plaats bepaald,
+Dat zij zich meten in een tweegevecht,
+Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.
+Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.
+
+SOMERSET. Recht need’rig dank ik uwe majesteit.
+
+HORNER. En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216
+
+PETER. Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb
+medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk!
+O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te
+vechten. O, lieve God, mijn hart!
+
+GLOSTER. Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.
+
+KONING HENDRIK. Voert hen gevangen weg; de laatste dag
+Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—
+Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster.
+
+Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op.
+
+HUME. Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van
+uw beloften.
+
+BOLINGBROKE. Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade
+onze bezweringen zien en hooren?
+
+HUME. Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.
+
+BOLINGBROKE. Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van
+een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat
+gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij
+daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg
+gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En
+nu, aan den gang.
+
+(De Hertogin verschijnt op het balkon.)
+
+HERTOGIN. Goed, mannen! weest allen welkom!
+Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.
+
+BOLINGBROKE. Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.
+De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,
+De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,
+Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,
+En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,
+Die tijd past voor ons voorgenomen werk.
+Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,
+Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.
+
+(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den
+tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het
+dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.)
+
+GEEST. Adsum.
+
+MARGRIET JORDAAN. Asmath!
+Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht
+U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;
+Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.
+
+GEEST. Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31
+
+BOLINGBROKE (de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot
+wacht hem?”
+
+GEEST. Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;
+Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.
+
+(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.)
+
+BOLINGBROKE. „Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”
+
+GEEST. Door water komt hij om en vindt zijn einde.
+
+BOLINGBROKE. „Wat zal den hertog Somerset weervaren?”
+
+GEEST. Kasteelen moog’ hij mijden;
+Veel veil’ger is hij op een zandig strand,
+Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.
+Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.
+
+BOLINGBROKE. Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.
+Weg, booze geest!
+
+ (Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.)
+
+(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met
+Wachten.)
+
+YORK. Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—
+Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—
+Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze
+Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;
+De lord protector brengt u zonder twijfel
+Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.
+
+HERTOGIN. Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.
+Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!
+
+BUCKINGHAM (ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij
+dit?
+
+(Hij houdt haar een papier voor.)
+
+YORK. Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden
+Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;
+Stafford, voer gij haar met u.—
+
+ (De Hertogin boven af.)
+
+Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;
+Weg met hen allen!
+
+ (De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.)
+
+YORK. Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;
+Een prachtig plan om verder op te bouwen!
+Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.
+Wat staat hier?
+(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;
+Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”
+Nu, ’t is volkomen:
+Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.
+Goed; verder;
+„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—
+Door water komt hij om en vindt zijn einde.—
+Wat zal den hertog Somerset weervaren?
+Kasteelen moog hij mijden;
+Veel veil’ger is hij op een zandig strand,
+Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”
+Wat zegt gij, lords?
+Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,
+En zwaar ook te verstaan.
+De koning is op weg naar Sint-Albaans,
+De man van deze teed’re vrouw is bij hem;
+Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,
+Den lord protector wel een boos ontbijt!
+
+BUCKINGHAM. Dat ik de bode zij, mylord van York;
+Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.
+
+YORK. Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?
+
+(Een Dienaar komt op.)
+
+Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond
+De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Sint-Albaans.
+
+Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk
+komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen.
+
+KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,
+Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;
+En toch, de wind was sterk; tien tegen een,
+Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.
+
+KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar
+boven,
+En steeg ver boven al die andren op!
+Hoe toont zich God in al zijn creaturen!
+Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!
+
+SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,
+Dat des protectors valken zoo goed stijgen;
+Zij weten, dat hun heer liefst boven is,
+En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.
+
+GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest,
+Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.
+
+KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.
+
+GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,
+Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?
+
+KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!
+
+KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19
+Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;
+Gevaarlijke protector, booze pair,
+Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!
+
+GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?
+Tantæne animis cælestibus iræ?
+Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:
+Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?
+
+SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is
+Bij zulk een goede zaak en slechten pair.
+
+GLOSTER. Als wie, mylord?
+
+SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord,
+Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.
+
+GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster.
+
+KONING HENDRIK. Lieve vrouw,
+Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;
+Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.
+
+KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard
+Den vrede aan den protector brengen wil.
+
+GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens
+daartoe komen!
+
+KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft!
+
+GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;
+Houd met uw eigen lijf den laster vol!
+
+KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,
+Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.
+
+KONING HENDRIK. Wat is er, lords?
+
+KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar
+Riep al te vroeg den valk terug; de jacht
+Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw
+tweehands-zwaard.
+
+GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom.
+
+KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch.
+
+GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal.
+
+KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster?
+
+GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.
+(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;
+Of anders is mijn vechtkunst niets. 52
+
+KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum—
+Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!
+
+KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.
+Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!
+Als zulke snaren valsche tonen geven,
+Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?
+Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.
+
+(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”)
+
+GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit?
+Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?
+
+DE MAN. Mirakel! Mirakel!
+
+SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel.
+
+DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even
+In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,
+Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!
+
+KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen
+In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!
+
+(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een
+stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop
+volks.)
+
+KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,
+En stelt den man aan uwe hoogheid voor.
+
+KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde
+Door ’t zien de lokking van de zonde meer.
+
+GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;
+’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.
+
+KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,
+Opdat wij God om u verheerlijken.
+Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?
+
+SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.
+
+VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.
+
+SUFFOLK. Wie is die vrouw?
+
+VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.
+
+GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.
+
+KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan?
+
+SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.
+
+KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;
+Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;
+Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,
+Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88
+
+SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal
+En meer nog riep de goede Sint Albaan
+Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,
+En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”
+
+VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,
+Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.
+
+KARDINAAL. En zijt ge ook lam?
+
+SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij!
+
+SUFFOLK. Hoe werdt gij dat?
+
+SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen.
+
+VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom.
+
+GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind?
+
+SIMPCOX. O, blindgeboren.
+
+GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen?
+
+SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.
+
+VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.
+
+GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!
+
+SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,
+En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.
+
+GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—
+Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—
+Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.
+
+SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!
+
+GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?
+
+SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed.
+
+GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?
+
+SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.
+
+KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?
+
+SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.
+
+GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.
+
+VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.
+
+GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam?
+
+SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet.
+
+GLOSTER. En zijn naam?
+
+SIMPCOX. ’k Weet niet.
+
+GLOSTER. En ook de zijne niet?
+
+SIMPCOX. Neen, waarlijk niet.
+
+GLOSTER. Hoe is uw eigen naam? 124
+
+SIMPCOX. Sander Simpcox, als het u belieft, heer.
+
+GLOSTER. Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar
+In christenlanden. Werdt gij blind geboren,
+Dan kunt gij best al onze namen weten,
+Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt.
+Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden,
+Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.—
+Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder;
+Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot,
+Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?
+
+SIMPCOX. O, als de heer dit kon!
+
+GLOSTER. Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in
+uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt?
+
+MAYOR. O ja, mylord, om uwe genade te dienen.
+
+GLOSTER. Zend er dan dadelijk om een.
+
+MAYOR. Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.
+
+ (Een Dienaar gaat heen.)
+
+GLOSTER. Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank
+gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over
+deze zitbank en loop weg.
+
+SIMPCOX. Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan;
+Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.
+
+(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich
+heeft.)
+
+GLOSTER. Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te
+komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt.
+
+STOKKEKNECHT. Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.
+
+SIMPCOX. Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.
+
+ (Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over
+ de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep:
+ „Mirakel!”)
+
+KONING HENDRIK. God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag
+loopen.
+
+GLOSTER. Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.
+
+VROUW SIMPCOX. Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.
+
+GLOSTER. Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek;
+En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.
+
+ (De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.)
+
+KARDINAAL. Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.
+
+SUFFOLK. Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162
+
+GLOSTER. Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,
+Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.
+
+(Buckingham komt op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?
+
+BUCKINGHAM. Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.
+Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,
+Heeft, met de hulp en medeplichtigheid
+Van des protectors gade Eleonore,
+De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,
+Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,
+Met heksen en bezweerders in verbond;
+Wij hebben hen op heeter daad betrapt,
+Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,
+Hun vroegen naar het leven en den dood
+Des konings en der leden van zijn raad,
+Zooals uw hoogheid nader hooren zal.
+
+KARDINAAL. En dus, mylord protector, moet uw gade
+Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.
+(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,
+En aan uw uur zult gij u wel niet houden.
+
+GLOSTER. Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.
+Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,
+En overweldigd wijk ik thans voor u,
+Ja, voor den laagsten knecht.
+
+KONING HENDRIK. O God, wat onheil stichten toch de boozen;
+Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;
+Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.
+
+GLOSTER. Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd
+Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;
+Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,
+En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.
+O, edel is zij, maar indien zij deugd
+En eer vergat, en omging met gespuis,
+Dat, zooals pik, een edel huis besmet,
+Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;
+Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,
+Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.
+
+KONING HENDRIK. Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,
+En morgen keeren wij naar Londen weer,
+Doorgronden daar de zaak met alle zorg,
+En dagen de euveldaders ten verhoor,
+En wegen alles in de juiste schalen
+Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De tuin van den Hertog van York.
+
+York, Salisbury en Warwick komen op.
+
+YORK. Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,
+Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,
+Op deze stille wand’ling mij geruststel,
+En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel
+Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.
+
+SALISBURY. Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.
+
+WARWICK. Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,
+Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.
+
+YORK. Zoo hoort:—
+Edward de derde, lords, had zeven zoons:
+Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;
+Ten tweede William Hatfield; Lionel,
+Hertog van Clarence, was de derde; dan
+Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;
+Dan verder Edmond Langley, hertog York;
+Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;
+William van Windsor was de laatste en zevende.
+Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,
+En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven
+Des derden Edwards zat op Englands troon,
+Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,
+De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,
+Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,
+Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,
+Zich meester maakte, de arme koningin
+Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,
+Alwaar, zooals u beiden is bekend.
+De goede Richard schandlijk werd vermoord.
+
+WARWICK. ’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;
+Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.
+
+YORK. Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;
+Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,
+Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.
+
+SALISBURY. Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.
+
+YORK. De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn
+Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,
+Philippa, die met Edmond Mortimer,
+Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu
+Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,
+Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.
+
+SALISBURY. Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39
+De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—
+En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower
+Hem levenslang in hechtnis had gehouden;
+Doch ga nu voort.
+
+YORK. Zijn oudste zuster, Anna,
+Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde
+Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was
+Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.
+Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde
+Roger, den graaf van March, en die was zoon
+Van Edmond Mortimer en van Philippa,
+Die de een’ge dochter was van Lionel,
+Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn
+Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.
+
+WARWICK. ’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?
+Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,
+Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.
+Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;
+Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,
+De schoone spruiten van den eed’len boom.
+Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!
+Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,
+Die onzen echten souverein begroeten,
+Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.
+
+BEIDEN. Lang leve koning Richard, onze heer!
+
+YORK. Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,
+Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is
+Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;
+En dit is geenszins plotsling te volvoeren,
+Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.
+Doet zooals ik in dezen boozen tijd,
+Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,
+Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,
+En dat van Buckingham en heel hun bent,
+Tot zij den herder van de kudde omstrikken,
+Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.
+Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken
+Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.
+
+SALISBURY. Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.
+
+WARWICK. Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick
+York’s hertog eens tot koning maken zal.
+
+YORK. En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,
+Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick
+De grootste man in England na den koning.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een Gerechtszaal.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York,
+Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster,
+Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht
+binnengeleid.
+
+KONING HENDRIK. Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.
+Voor God en ons is uwe misdaad groot;
+Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,
+Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—
+Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;
+En uit den kerker naar de plaats der straf:
+Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;
+U drieën wacht de wurging aan de galg.—
+Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte
+Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,
+Drie dagen openbare boete doen,
+Dan in uw eigen land verbannen leven,
+Bij Sir John Stanley op het eiland Man.
+
+HERTOGIN. Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.
+
+GLOSTER. Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,
+Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.
+
+ (De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.)
+
+Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.
+Ach, deze schande van uw ouderdom
+Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—
+Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;
+Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.
+
+KONING HENDRIK. Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,
+Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen
+Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,
+Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!
+En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,
+Dan vroeger als protector van uw vorst.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik zie niet in, waarom een mondig koning
+Beschermd behoeft te worden als een kind.—
+Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—
+Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.
+
+GLOSTER. Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;
+’k Hergeef u even gaarne dezen staf,
+Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;
+’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,
+Als and’rer hand hem gretig vatten zou.
+Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,
+Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.
+
+ (Gloster af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39
+En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,
+Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:
+Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,
+En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand
+Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.
+
+SUFFOLK. Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;
+Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.
+
+YORK. Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,
+Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;
+En klager en beklaagde staan gereed,
+De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,
+Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts
+Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.
+
+KONING HENDRIK. In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;
+De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!
+
+YORK. Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,
+Zoo angstig om te vechten, als de klager,
+Die dienaar van den wapensmid, mylords.
+
+(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó
+toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een
+zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager.
+Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een
+stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.)
+
+EERSTE BUURMAN. Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En
+wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan.
+
+TWEEDE BUURMAN. En hier is een kroes Charneco, buurman.
+
+DERDE BUURMAN. En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en
+wees niet bang voor dien gezel!
+
+HORNER. Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een
+knip voor den neus voor Peter!
+
+EERSTE GEZEL. Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.
+
+TWEEDE GEZEL. Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de
+eer op van de gezellen!
+
+PETER. Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag;
+want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan
+heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem,
+gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik
+heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den
+baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.
+
+SALISBURY. Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij
+knaap, hoe heet gij?
+
+PETER. Peter, inderdaad.
+
+SALISBURY. Peter,—hoe nog meer?
+
+PETER. Stomp. 84
+
+SALISBURY. Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.
+
+HORNER. Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn
+knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk
+man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit
+kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op
+een slag, die neerkomt!
+
+SALISBURY. Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel.
+Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’!
+
+(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.)
+
+HORNER. Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.
+
+ (Horner sterft.)
+
+YORK. Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw
+meester in den weg kwam.
+
+PETER. O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O
+Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht.
+
+KONING HENDRIK. Breng dien verrader weg en uit ons oog;
+Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;
+En de algerechte God heeft ons onthuld
+De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,
+Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.
+Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Een straat.
+
+Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad.
+
+GLOSTER. Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;
+En zoo volgt op den zomer steeds de winter,
+Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len
+Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.
+Hoe laat is ’t, mannen?
+
+DIENAAR. Bijna tien, mylord.
+
+GLOSTER. Tien was het uur, waarop ik wachten moest
+Op ’t komen van mijn boetedoende gade;
+Hoe zal haar teedere en verwende voet
+Der straten scherpe keien ooit verduren?
+Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,
+Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart
+En bij uw schande lacht met boozen blik,
+Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,
+Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.
+Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,
+Bereid ik voor, om haar ellend te zien.
+
+(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met
+papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de
+hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.)
+
+DIENAAR. Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17
+
+GLOSTER. Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.
+
+HERTOGIN. Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?
+Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;
+Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,
+Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!
+Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween
+Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek
+Uw felle haters, beide de uwe en mijne.
+
+GLOSTER. Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!
+
+HERTOGIN. O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!
+Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,
+En gij een vorst, protector van dit land,
+Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,
+Bekneld in smaad, behangen met papieren,
+Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen
+Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.
+Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;
+En krimp ik saam, dan lacht het booze volk
+En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.
+O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?
+Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,
+Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?
+Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,
+’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!
+Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,
+En hij een prins en een regent van ’t rijk;
+Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,
+Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,
+Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting
+Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”
+Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;
+En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd
+De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;
+Want Suffolk, hij, die alles is in alles
+Bij haar, die ù haat en ons allen haat,
+En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—
+Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;
+En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;
+Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,
+En kom vooral uw vijand nimmer voor.
+
+GLOSTER. O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;
+’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;
+Al waren mijne haters twintigvoud,
+En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,
+Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,
+Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.
+Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64
+Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,
+Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.
+Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;
+Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak
+Van weinig dagen is weldra gedaan.
+
+(Een Heraut komt op.)
+
+HERAUT. Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat
+op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden.
+
+GLOSTER. En zonder om mijn toestemming te vragen!
+Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.
+
+ (De Heraut af.)
+
+Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,
+Beperk u bij haar boete tot het vonnis.
+
+SHERIFF. Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;
+Aan Sir John Stanley is nu opgedragen
+Haar mee te nemen naar het eiland Man.
+
+GLOSTER. Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?
+
+STANLEY. Ja, uw genade, dit heb ik in last.
+
+GLOSTER. Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,
+Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht
+De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik
+Nog leven om het goede u te vergelden,
+Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.
+
+HERTOGIN. Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?
+
+GLOSTER. Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.
+
+ (Gloster en zijn Dienaren af.)
+
+HERTOGIN. Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;
+Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—
+De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,
+Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—
+Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;
+Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;
+Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.
+
+STANLEY. En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94
+Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.
+
+HERTOGIN. Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;
+Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?
+
+STANLEY. Als van een hertogin en Gloster’s gade;
+Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.
+
+HERTOGIN. Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,
+Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.
+
+SHERIFF. Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.
+
+HERTOGIN. ’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—
+Kom, Stanley, gaan wij?
+
+STANLEY. Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;
+En gaan we u hullen in een reisgewaad.
+
+HERTOGIN. ’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;
+Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,
+En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.
+Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+De abdij te Sint Edmund’s Bury.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha,
+Kardinaal Beaufort, Suffolk, York,
+Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting.
+
+KONING HENDRIK. ’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,
+Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—
+Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,
+Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?
+Met welk een majesteit hij zich gedraagt,
+Hoe overmoedig hij geworden is,
+Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?
+Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;
+En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,
+Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed
+Was de bewondring van geheel het hof.
+Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,
+Als toch een ieder goeden morgen wenscht,
+Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,
+En gaat met ongebogen knie voorbij,
+De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.
+Wie let er op, als kleine hondjes keffen?
+Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;
+En Humfried is in England geen klein man.
+Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,
+En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.
+Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—
+Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,
+En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—
+Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon
+Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.
+Door vleien won hij der gemeenten gunst,
+En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—
+Dit is te duchten,—allen hem gedwee.
+’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;
+Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof
+En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33
+Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij
+’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.
+Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;
+En moet die vrees voor beter gronden wijken,
+Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”
+Mylords van Suffolk, Buckingham en York,
+Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;
+Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.
+
+SUFFOLK. Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;
+En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,
+’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.
+De hertogin begon, zoo waar ik leef,
+Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;
+En was hij niet in deze schuld betrokken,
+Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—
+Als die de naaste staat aan Englands troon,
+En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,
+In ’t brein geschokte hertogin wis aan,
+Om boos naar onzes vorsten val te streven.
+Glad stroomt het water van een diepe beek,
+Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.
+Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?
+Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,
+Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.
+
+KARDINAAL. Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde
+Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?
+
+YORK. En hief hij niet, toen hij protector was,
+In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds
+Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,
+Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?
+
+BUCKINGHAM. Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre
+Verborgen feilen van dien gladden hertog,
+Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.
+
+KONING HENDRIK. Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen
+Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;
+Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?
+Van onzen oom van Gloster is het denken
+Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,
+Als van een zuigend lam of zachte duif.
+De hertog is te zacht en welgezind,
+Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!
+Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,
+Want als een booze raaf is hij gezind.
+Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;
+Als van een fellen wolf is zijn gemoed;
+Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?
+Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn
+Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.
+
+(Somerset komt op).
+
+SOMERSET. Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!
+
+KONING HENDRIK. Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?
+
+SOMERSET. Dat ieder aandeel aan dat grondgebied
+U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85
+
+KONING HENDRIK. Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!
+
+YORK (ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op
+Frankrijk,
+Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.
+Zoo sterven mijne bloesems in den knop,
+En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;
+Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders
+Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.
+
+(Gloster komt op.)
+
+GLOSTER. Mijn hoogen heer en koning alle heil!
+Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.
+
+SUFFOLK. Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,
+Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.
+Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.
+
+GLOSTER. Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken
+Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;
+Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.
+Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,
+Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.
+Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?
+
+YORK. Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,
+En gij ons leger zijn soldij onthieldt,
+Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.
+
+GLOSTER. Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?
+’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,
+Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.
+Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,
+Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!
+Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,
+Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,
+Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!
+Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,
+Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,
+Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,
+En nooit verlangde ik iets terugbetaald.
+
+KARDINAAL. ’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.
+
+GLOSTER. Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!
+
+YORK. Voor euveldaden dacht gij als protector
+Vreemde, ongehoorde martelingen uit,
+En England werd berucht door zulk een wreedheid.
+
+GLOSTER. Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur
+Mijn een’ge feil te groote deernis was,
+Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,
+En liet hem vrij voor woorden van berouw.
+Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,
+Die arme reizigers had uitgeschud, 129
+Dan legde ik nooit de volle straf hem op.
+Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,
+Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.
+
+SUFFOLK. Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,
+Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,
+Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.
+In naam des konings neem ik u in hechtnis;
+Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,
+Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.
+
+KONING HENDRIK. Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,
+Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;
+Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.
+
+GLOSTER. O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.
+Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,
+Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;
+Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,
+En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.
+Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;
+En kon mijn dood dit land gelukkig maken,
+Waar’ die het einde van hun dwinglandij,
+Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;
+Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;
+Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,
+Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.
+Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,
+Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;
+De scherpe Buckingham geeft met zijn tong
+Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;
+De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt
+En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,
+Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;
+En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren
+Mij zonder reden oneer op het hoofd,
+En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,
+Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.
+Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—
+Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—
+Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.
+Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;
+Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;
+Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,
+Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.
+
+KARDINAAL. Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!
+Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden
+Voor des verraads verborgen, moordziek mes,
+Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,
+En de euveldader vrijheid heeft van spreken,
+Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.
+
+SUFFOLK. Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet
+Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,
+Als had zij mannen omgekocht tot meineed,
+Om hem door valsch getuignis te doen vallen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.
+
+GLOSTER. ’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;
+Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!
+En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.
+
+BUCKINGHAM. Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.
+Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187
+
+KARDINAAL. Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.
+
+GLOSTER. Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,
+Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—
+Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,
+En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!
+O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!
+’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!
+
+ (Gloster door eenige Dienaren weggeleid.)
+
+KONING HENDRIK. Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid
+Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Uw hoogheid wil het parlement verlaten?
+
+KONING HENDRIK. Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;
+Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;
+Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;
+Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—
+Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat
+De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;
+En, goede Humfried, de ure moet nog komen,
+Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.
+Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,
+Dat deze groote lords en onze gade
+’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?
+Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,
+En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,
+En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,
+En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,
+Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;
+En evenals de moeder loeiend rondloopt,
+En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,
+En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,
+Bejammer ik des goeden Gloster’s val
+Met tranen, die niet helpen, blik hem na
+Met dofgekreten oog en kan niets doen,
+Want zijn gezworen haters zijn te machtig.
+’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef
+Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:
+„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”
+
+ (Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin
+ Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de
+ laatste blijft afzonderlijk staan.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,
+Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,
+Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn
+Misleidt hem, evenals de krokodil 226
+Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,
+Of als de slang, verscholen onder bloemen,
+Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,
+Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.
+Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—
+En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—
+Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,
+En wij van alle vrees voor hem bevrijd.
+
+KARDINAAL. Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,
+Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;
+Hij sterve naar den eisch van recht en wet.
+
+SUFFOLK. Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;
+Wis zal de koning trachten hem te redden,
+En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;
+En beet’re gronden kunnen wij niet geven,
+Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.
+
+YORK. Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.
+
+SUFFOLK. O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.
+
+YORK (ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—
+(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,
+Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,
+Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen
+Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,
+En Humfried, om den koning te beschermen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.
+
+SUFFOLK. Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,
+Den vos als kuddewachter aan te stellen?
+Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,
+Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,
+Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?
+Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,
+Bewezen vijand van natuur der kudde,
+Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,
+Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.
+En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;
+Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,
+In slaap of wakend, alles is hetzelfde,
+Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,
+Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!
+
+SUFFOLK. Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;
+Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;
+Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—
+Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,
+En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—
+Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272
+
+KARDINAAL. Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,
+Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.
+Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,
+En ik bezorg u, die de daad volvoert;
+Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.
+
+SUFFOLK. Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Dit zeg ook ik.
+
+YORK. En ik; en nu wij drieën dit besloten,
+Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings
+U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,
+En de Engelschen verdelgen met het zwaard.
+Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,
+Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;
+Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.
+
+KARDINAAL. Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.
+Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?
+
+YORK. Dat Somerset er heenga als regent.
+Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;
+’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.
+
+SOMERSET. Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,
+In mijne plaats regent er was geweest,
+Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.
+
+YORK. Niet tot het land verloren was, als gij;
+’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,
+Dan zulk een last van schande thuis gebracht,
+Door tot het land verloren was te blijven.
+Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;
+Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,
+Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—
+Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—
+Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht
+Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.
+
+YORK. Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!
+
+SOMERSET. En onder hen op u, die schande wenscht.
+
+KARDINAAL. Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.
+De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand
+En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;
+Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,
+Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,
+En tegen de Ieren uw geluk beproeven?
+
+YORK. Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.
+
+SUFFOLK. Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,
+En wat wij hier bepalen vindt hij goed;
+Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318
+
+YORK. Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;
+Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.
+
+SUFFOLK. Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.
+Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.
+
+KARDINAAL. Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,
+Dat hij ons verder nimmer lastig zij;
+En nu van hier, de dag is schier voorbij;—
+Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.
+
+YORK. Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers
+Te Bristol binnen veertien dagen tijds;
+Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.
+
+SUFFOLK. Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.
+
+ (Allen af, behalve York.)
+
+YORK. York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,
+En worde uw weiflen vastbeslotenheid;
+Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,
+Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.
+Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,
+Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.
+Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,
+Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.
+Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,
+Spant rustloos voor mijn haters net op net.
+Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,
+Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.
+Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,
+Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.
+Manschappen miste ik en die geeft gij mij;
+Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man
+Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.
+Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik
+Een zwarten storm in England op; die blaast
+Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;
+En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,
+Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,
+Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,
+De woede stilt der dol verwekte vlaag.
+En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik
+Een stuggen Kentschen dolkop overreed,
+John Cade uit Ashford,
+Oproer te maken, wat hij goed verstaat,
+En voor John Mortimer zich uit te geven.
+Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens
+Zich weren tegen heel een bende Kernen;
+Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen
+Geleken op een toornig stekelvarken; 363
+En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem
+Een hoogen sprong doen als een moorendanser,
+Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.
+Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern
+Vermomd, gesprekken met den vijand aan,
+Kwam onontdekt tot mij terug en gaf
+Mij dan berichten van hun schurkerijen.
+Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;
+Want op den pas gestorven Mortimer
+Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;
+’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,
+En de aanspraak op den troon, van York behaagt.
+En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,
+Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,
+Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.
+O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,
+Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,
+En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;
+Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,
+En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.
+
+ (York af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis.
+
+Eenige Moordenaars komen haastig op.
+
+EERSTE MOORDENAAR. IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,
+Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.
+
+TWEEDE MOORDENAAR. Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?
+Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Daar komt mylord.
+
+(Suffolk komt op.)
+
+SUFFOLK. Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?
+
+EERSTE MOORDENAAR. Ja, beste hertog, hij is dood.
+
+SUFFOLK. ’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;
+Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.
+De koning komt daar aan met al zijn pairs.
+Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles
+Geheel in orde naar mijn last?
+
+EERSTE MOORDENAAR. In orde, beste lord.
+
+SUFFOLK. Nu goed; van hier!
+
+ (De Moordenaars af.)
+
+(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal
+Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.)
+
+KONING HENDRIK. Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;
+Wij willen heden zijn genade hooren,
+Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.
+
+SUFFOLK. Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.
+
+ (Suffolk af.)
+
+KONING HENDRIK. Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,
+Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,
+Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis
+Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22
+En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!
+Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!
+
+KONING HENDRIK. Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.
+
+(Suffolk komt weder op.)
+
+Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?
+Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!
+
+SUFFOLK. Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, dit verhoede God!
+
+KARDINAAL. Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,
+Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.
+
+(De Koning valt in onmacht.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn vorst, hoe is
+’t?—Helpt, lords, de koning sterft!
+
+SOMERSET. Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Loopt, helpt!—O
+Hendrik, sla toch de oogen op!
+
+SUFFOLK. Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!
+
+KONING HENDRIK. O eeuw’ge God!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoe gaat het mijn gemaal?
+
+SUFFOLK. Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!
+
+KONING HENDRIK. Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?
+Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,
+Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,
+En waant hij, dat het tjilpen van een musch,
+Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,
+Den eerst vernomen klank verjagen kan?
+Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;
+Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;
+’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!
+Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!
+In booze majesteit zit op uw oogen
+Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;
+Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.
+Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;
+En dood den man, die u onschuldig aanstaart;
+In schaduwen des doods slechts vind ik heil,
+In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?
+Ofschoon de hertog hem vijandig was,
+Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.
+Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,
+Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken
+En bloedverterend zuchten hem kon wekken,
+Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62
+Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,
+Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.
+Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?
+Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;
+Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;
+Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden
+En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!
+Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!
+Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!
+
+KONING HENDRIK. Ach, arme Gloster! o rampzalig man!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.
+Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?
+Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!
+Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?
+Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!
+Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?
+O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;
+Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:
+Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.
+Was ik daarom op zee bijna vergaan?
+Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,
+Van Englands kust terug naar ’t vaderland?
+Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,
+Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!
+En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”
+Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,
+En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,
+En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,
+Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”
+Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,
+En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.
+Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig
+Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,
+Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken
+In tranen, zilter dan het nat der zee;
+De scherpe klippen doken in het zand
+Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,
+Opdat uw steen en hart, dat harder is,
+Uw Margaretha doodde in uw paleis.
+Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,
+Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,
+Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;
+En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,
+Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,
+Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107
+Het was een hart, gevat in diamanten,—
+En wierp het naar uw land. De zee ontving het;
+En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;
+Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;
+’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde
+Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl
+De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.
+Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,
+Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—
+Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,
+Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,
+Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik
+Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?
+Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,
+Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.
+
+(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het
+volk dringen door de deur naar voren.)
+
+WARWICK. De goede hertog Humfried, machtig vorst,
+Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad
+Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.
+’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,
+Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft
+En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.
+Ik bracht hun felle muiterij tot staan,
+Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.
+
+KONING HENDRIK. Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;
+Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.
+Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;
+Verklaar uzelf de reden van zijn dood.
+
+WARWICK. Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,
+Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.
+
+ (Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de
+ deur.)
+
+KONING HENDRIK. Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!
+Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,
+Dat Humfried door geweld het leven liet.
+Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!
+Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.
+Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen
+Met twintigduizend kussen en besproeide ik
+’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,
+Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,
+En drukte met mijn hand zijn doode hand!
+Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;
+En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,
+Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?
+
+(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet
+Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.)
+
+WARWICK. Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.
+
+KONING HENDRIK. Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;
+Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;
+Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.
+
+WARWICK. Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153
+Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen
+Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,
+Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft
+Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.
+
+SUFFOLK. Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!
+Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?
+
+WARWICK. Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!
+’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,
+Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,
+Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,
+Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,
+’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;
+Doch met het hart wordt dit daar koud en keert
+Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.
+Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,
+Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,
+Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;
+Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,
+Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,
+Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.
+En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;
+Zijn netgehouden baard is ruig, verward,
+Als koren, dat een storm ter neder sloeg.
+Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;
+Het minste dezer teekens waar’ bewijs.
+
+SUFFOLK. En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?
+Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,
+En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.
+
+WARWICK. Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,
+En saam bewaaktet gij den goeden hertog;
+Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,
+En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords
+Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.
+
+WARWICK. Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,
+En dicht daarbij den slachter met de bijl,
+En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?
+Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs
+En zal niet raden, hoe de vogel stierf,
+Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?
+Niet minder is dit treurspel hier verdacht.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?
+Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?
+
+SUFFOLK. Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197
+Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,
+Dat ik wil schuren in diens giftig hart,
+Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.
+Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,
+Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.
+
+ (De Kardinaal, Somerset en Anderen af.)
+
+WARWICK. Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet
+boeien,
+Geen afstand doen van drieste lastertaal;
+Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.
+
+WARWICK. Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—
+Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,
+Brengt smaad op uwen koninklijken naam.
+
+SUFFOLK. Gij lord met stompen geest en boersche zeden,
+Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,
+Dan nam uw moeder in haar zondig bed
+Een kinkel op, en werd op eed’len boom
+Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.
+Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!
+
+WARWICK. Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,
+En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,
+Tienduizendvoudige oneer u besparend,
+En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,
+Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,
+Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,
+Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet
+En gij in bastaardij geboren zijt;
+En na die afgedwongen hulde gave ik
+U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,
+Bloedzuiger en belager in den slaap!
+
+SUFFOLK. Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,
+Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!
+
+WARWICK. Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.
+Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,
+Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.
+
+ (Suffolk en Warwick af.)
+
+KONING HENDRIK. Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?
+Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,
+En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,
+Wien ongerechtigheid het hart verpest.
+
+(Gedruisch buiten.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat is dat voor gedruisch?
+
+(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden
+Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?
+Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?
+
+SUFFOLK. De valsche Warwick en het volk van Bury,
+’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241
+
+(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.)
+
+SALISBURY (tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning
+zeggen.—
+(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,
+Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,
+Of buiten Englands schoon gebied verbannen,
+Dan wordt hij met geweld van hier gerukt
+En sterft een langen, zwaren marteldood.
+Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,
+Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;
+En ’t is de drang van liefde en echte trouw,
+Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,
+Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,
+Die hen doet dringen op zijn ballingschap.
+Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,
+Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en
+Bevolen had, dat niemand u zou storen,
+Op straf van ongenade, op straf des doods,
+Het toch, ondanks dat streng gebod, indien
+Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,
+Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,
+Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,
+Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,
+Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;
+En daarom roepen zij, trots uw verbod,
+Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden
+Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,
+Door wiens venijnige’, onheilvollen steek
+Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,
+Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.
+
+HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!
+
+SUFFOLK. ’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,
+Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;
+Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,
+Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;
+Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,
+Is, dat hij afgezant was van een bende
+Van ketellappers aan zijn heer en koning.
+
+HET VOLK (buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen
+binnen!
+
+KONING HENDRIK. Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,
+Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;
+En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,
+Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;
+Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest
+Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;
+En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,
+Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:
+Niet langer dan drie dagen zal zijn adem
+De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288
+
+ (Salisbury af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!
+
+KONING HENDRIK. Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!
+Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,
+Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.
+Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;
+Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—
+Indien gij na drie dagen wordt gevonden
+Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,
+Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—
+Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;
+’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.
+
+ (Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Onheil en kommer volge u op den voet!
+U mogen harteleed en bitt’re droefheid
+Speelnooten zijn en u gezelschap houden!
+Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;
+En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!
+
+SUFFOLK. Staak dit verwenschen, lieve koningin,
+En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!
+Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?
+
+SUFFOLK. Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?
+Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,
+Dan vond ik bitterbooze woorden uit,
+Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,
+En stiet ze door de opeengeklemde tanden
+Met zooveel blijk van ingevreten haat,
+Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.
+Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,
+Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,
+Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,
+Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.
+En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,
+Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!
+Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!
+Hun liefste schaduw een cypressenwoud!
+Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!
+Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!
+Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,
+Door uilen-onheilskreten begeleid!
+Al de eis’lijkheden van de diepste hel—
+
+KONINGIN MARGARETHA. Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,
+Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel
+Of als een overladen donderbus, terug,
+En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.
+
+SUFFOLK. ’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?
+O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,
+Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,
+Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,
+Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,
+En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339
+Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;
+En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek
+Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—
+O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,
+Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,
+Door welke ik duizend zuchten om u slaak.
+Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;
+’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,
+Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,
+’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—
+Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;
+Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.
+Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—
+O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood
+Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,
+En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,
+Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!
+En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!
+
+SUFFOLK. Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,
+Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.
+Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;
+Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,
+Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;
+Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,
+Met elken lust, met elk genot der wereld;
+En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.
+Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;
+Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.
+
+(Vaux komt op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?
+
+VAUX. Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,
+Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;
+Hem greep een zware ziekte plotsling aan,
+Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,
+God lastrend en de menschenkindren vloekend.
+Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest
+Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,
+En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,
+Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;
+En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,
+Dat hij daar juist geweldig om hem roept.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ga, breng die booze tijding aan den koning.
+
+ (Vaux af.)
+
+Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!
+Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,
+Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?
+En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383
+In tranen even rijk als zuiderwolken,
+Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?
+Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;
+En vond hij u bij mij, gij waart des doods.
+
+SUFFOLK. Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;
+En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders
+Dan als een zoete slaap in uwen schoot?
+Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,
+Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,
+Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;
+Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,
+U roepend, om mij de oogen toe te drukken
+En met uw lippen mij den mond te sluiten,
+Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug
+Of in uw boezem ademde ik haar uit,
+Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.
+Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,
+Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;
+O, laat mij blijven, kome wat er wil!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,
+Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.
+Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;
+Want waar gij op het wereldrond ook zijt,
+Ik zal een Iris hebben, die u vindt.
+
+SUFFOLK. Ik ga.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En neem mijn hart met u.
+
+SUFFOLK. Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,
+Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.
+Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;
+Naar dezen kant wacht mij de dood.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hier mij.
+
+ (Beiden af, naar verschillenden kant.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort.
+
+Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal
+Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.
+
+KARDINAAL. Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;
+Genoeg om zulk een eiland u te koopen,
+Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.
+
+KONING HENDRIK. O, welk een blijk van een misdadig leven,
+Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!
+
+WARWICK. Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.
+
+KARDINAAL. Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.
+Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?
+Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10
+O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—
+Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;
+Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—
+Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—
+Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn
+Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—
+Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,
+Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.
+
+KONING HENDRIK. Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,
+Zie met genadig oog op dezen worm!
+O, drijf den rustloos driesten duivel weg,
+Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!
+Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!
+
+WARWICK. Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!
+
+SALISBURY. O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.
+
+KONING HENDRIK. Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.
+Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,
+Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—
+Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!
+
+WARWICK. Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.
+
+KONING HENDRIK. O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—
+Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;
+En keeren we allen tot onszelven in.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Kent. Het zeestrand bij Dover.
+
+Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een
+Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen;
+met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen.
+
+KAPITEIN. De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,
+Heeft in den schoot der golven zich verscholen;
+Luid huilend wekken wolven nu de knollen,
+Die traag de kar der sombre, norsche Nacht
+Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken
+Langs graven zwevend, uit hun vochten muil
+Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.
+Brengt nu de krijgers der genomen bark;
+Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij
+Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,
+Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—
+Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—
+Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—
+Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14
+
+EERSTE EDELMAN. Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.
+
+SCHIPPER. Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.
+
+BOOTSMAN. Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.
+
+KAPITEIN. Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,
+En noemt en doet ge u voor als edellieden?—
+Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!
+Weegt zulk een kleine som de levens op
+Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?
+
+EERSTE EDELMAN. Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.
+
+TWEEDE EDELMAN. Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.
+
+WHITMORE. Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,
+(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;
+En dezen stierven ook, had ik mijn zin.
+
+KAPITEIN. Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.
+
+SUFFOLK. Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;
+Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.
+
+WHITMORE. Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31
+Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?
+
+SUFFOLK. Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.
+Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,
+En toen gezegd: door Water zoude ik sterven.
+Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;
+Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier.
+
+WHITMORE. Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit
+Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,
+Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.
+Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,
+Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,
+En roep alom mij als een lafaard uit!
+
+(Hij grijpt Suffolk aan.)
+
+SUFFOLK. Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;
+’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.
+
+WHITSTONE. De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!
+
+SUFFOLK. Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;
+Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?
+
+KAPITEIN. Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49
+
+SUFFOLK (tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,
+Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,
+Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.
+Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,
+Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,
+Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,
+En door mijn knik gelukkig u gevoeld?
+Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,
+Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig
+Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal
+Met koningin Marg’retha was gezeten?
+Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,
+Ja, en het knakke uw onberaden trots.
+Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,
+En wachttet onderdanig tot ik kwam?
+De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,
+En kluist’re daarom thans uw wilde tong.
+
+WHITMORE. Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?
+
+KAPITEIN. Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.
+
+SUFFOLK. Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.
+
+KAPITEIN. Voer hem van hier ter zij van onze sloep,
+En sla hem ’t hoofd af.
+
+SUFFOLK. Waagt gij ’t hoofd er aan?
+
+KAPITEIN. Ja, Pole.
+
+SUFFOLK. Pole?
+
+KAPITEIN. Pool’? Sir Pole? lord?
+Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek
+De zilvren bron bederft, waar England drinkt.
+Nu stop ik u dien opgesperden muil,
+Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,
+Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;
+En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,
+Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs
+Nu aan; die fluiten u verachtend uit;
+Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,
+Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,
+De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,
+Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.
+Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,
+En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,
+Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85
+Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;
+Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers
+Driest ons gezag verwerpen, Picardije
+Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,
+De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.
+De vorstelijke Warwick, al de Nevils,
+Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,
+Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;
+En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen
+Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,
+En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—
+Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,
+De halve zon, door wolken brekend, op,
+Waaronder staat: „invitis nubibus”.
+Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;
+In één woord, beed’laars-armoê en beschimping
+Zijn ingeslopen in des konings slot,
+En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!
+
+SUFFOLK. O ware ik thans een god, die bliksems schoot,
+Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!
+’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;
+Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,
+Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,
+De sterke Bargulus.—De hommel zuigt
+Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven
+Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf
+Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.
+Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.
+Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;
+En zeg u: voer mij veilig over zee.
+
+KAPITEIN. Walter!
+
+WHITMORE. Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.
+
+SUFFOLK. Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik.
+
+WHITMORE. Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.
+Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?
+
+EERSTE EDELMAN. Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.
+
+SUFFOLK. Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,
+Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.
+Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden
+Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd
+Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,
+Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;
+En eer nog danse ’t bloedig op een stang,
+Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.
+Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;
+Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.
+
+KAPITEIN. Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131
+
+SUFFOLK. Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,
+Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.
+Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:
+Een vechter en bandiet uit Rome moordde
+Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand
+Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk
+Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.
+
+ (Whitmore met Suffolk en Anderen af.)
+
+KAPITEIN. Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,
+Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;
+Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.
+
+ (Allen af, behalve de Eerste Edelman.)
+
+(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.)
+
+WHITMORE. Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,
+Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.
+
+ (Whitmore af.)
+
+EERSTE EDELMAN. O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!
+Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;
+Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,
+Aan wie hij dierbaar was, de koningin.
+
+ (De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Blackheath.
+
+George Bevis en John Holland komen op.
+
+GEORGE. Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij
+zijn al sinds eergisteren opgestaan.
+
+JOHN. Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.
+
+GEORGE. Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken
+en keeren en er nieuwe wol opbrengen.
+
+JOHN. Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik
+zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de
+edellieden opgekomen zijn.
+
+GEORGE. O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in
+tel.
+
+JOHN. De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.
+
+GEORGE. Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.
+
+JOHN. Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo
+veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom
+moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20
+
+GEORGE. Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan
+een harde hand.
+
+JOHN. Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit
+Wingham,—
+
+GEORGE. Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer
+van te maken.
+
+JOHN. En Dick, de slager,—
+
+GEORGE. Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid
+gekeeld als een kalf.
+
+JOHN. En Smith, de wever,—
+
+GEORGE. Argo, hun levensdraad is afgesponnen.
+
+JOHN. Kom, kom, ons bij hen aangesloten!
+
+(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote
+hoop volks komen op.)
+
+CADE. Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—
+
+DICK (ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen
+gestolen hebt.
+
+CADE. Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden
+door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij
+stil zijn.
+
+DICK. Stilte!
+
+CADE. Mijn vader was een Mortimer,—
+
+DICK (ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.
+
+CADE. Mijn moeder een Plantagenet,—
+
+DICK (ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.
+
+CADE. Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—
+
+DICK (ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook
+wel spencers verkocht hebben.
+
+SMITH (ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar
+mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen.
+
+CADE. En dus ben ik van hoogen huize.
+
+DICK (ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en
+daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een
+huis gehad behalve het landloopershok.
+
+CADE. Moed heb ik;—
+
+SMITH (ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.
+
+CADE. En ik kan veel verdragen;—
+
+DICK (ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen
+achtereen met de bullepees zien krijgen.
+
+CADE. Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—
+
+SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want
+zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65
+
+DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor
+zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen.
+
+CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u,
+dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in
+Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog
+zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren,
+scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden,
+en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning
+ben,—want koning zal ik zijn,—
+
+ALLEN. God behoede uw majesteit!
+
+CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen
+zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei
+kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer
+vereeren.
+
+DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.
+
+CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel
+van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het
+bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij
+steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in
+mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen
+meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?
+
+(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.)
+
+SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen
+opmaken!
+
+CADE. O, afschuwelijk!
+
+SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor
+zijn jongens.
+
+CADE. ’t Is een schurk.
+
+SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.
+
+CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder.
+
+DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als
+een advocaat.
+
+CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem
+niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u
+verhooren. Hoe is uw naam?
+
+KLERK. Emanuël.
+
+DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht
+met u afloopen.
+
+CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt
+gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man?
+
+KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan
+schrijven. 113
+
+ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een
+verrader.
+
+CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om
+zijn hals.
+
+ (Eenigen af met den Klerk.)
+
+(Michaël komt op.)
+
+MICHAËL. Waar is onze generaal?
+
+CADE. Hier ben ik, enkele kerel.
+
+MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder
+zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning.
+
+CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal
+een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet
+waar?
+
+MICHAËL. Juist.
+
+CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder
+maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John
+Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los.
+
+(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande
+trommen en met troepen op.)
+
+STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent,
+Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;
+IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.
+De koning is genadig, zoo gij afvalt.
+
+WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,
+Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.
+
+CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;
+Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover
+Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,
+Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.
+
+STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar;
+Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?
+
+CADE. En Adam was een spitter.
+
+WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij?
+
+CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man
+Der dochter van den hertog Clarence, niet?
+
+STAFFORD. ’t Is waar.
+
+CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.
+
+WILLIAM STAFFORD. Niet waar.
+
+CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.
+Het oudste van de twee, dat bij een min was,
+Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;
+Het kende zijn geboorte en afkomst niet,
+En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.
+Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.
+
+DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.
+
+SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en
+de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het
+niet. 158
+
+STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,
+Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?
+
+ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!
+
+WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.
+
+CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid).
+Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders
+wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen
+speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft
+regeeren; maar ik wil protector over hem zijn.
+
+DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het
+hertogdom Maine verkocht heeft.
+
+CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met
+een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij
+medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een
+gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken
+en dus is hij een verrader.
+
+STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!
+
+CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu,
+dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt,
+een goed raadsman zijn, ja of neen?
+
+ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.
+
+WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,
+Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.
+
+STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,
+Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;
+Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,
+Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,
+Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—
+En wie des konings vriend is, volge mij!
+
+ (De beide Staffords met hun troepen af.)
+
+CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—
+’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.
+Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,
+Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.
+Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,
+Als zij maar durfden, zeker onzen kant.
+
+DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.
+
+CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn.
+Komt, vooruit! voorwaarts!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van Blackheath.
+
+Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords
+worden gedood.
+
+CADE. Waar is Dick, de slachter van Ashford?
+
+DICK. Hier.
+
+CADE. Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof
+gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de
+vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning
+krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten.
+
+DICK. Meer verlang ik niet.
+
+CADE. En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de
+wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de
+overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot
+ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen
+laten dragen.
+
+DICK. Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij
+de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten.
+
+CADE. Weest onbezorgd; daar sta ik voor in.
+Komt, allen voorwaarts, naar Londen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van
+Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha,
+treurende over Suffolk’s hoofd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed
+Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;
+Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.
+Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?
+Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,
+Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?
+
+BUCKINGHAM. Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?
+
+KONING HENDRIK. Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;
+Verhoede God, dat zooveel arme zielen
+Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog
+Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf
+Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—
+Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat
+Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,
+En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,
+Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?
+
+KONING HENDRIK. Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19
+
+SAY. Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is het, vrouwe?
+Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood?
+Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’,
+Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+KONING HENDRIK. Wat is er? waartoe komt gij met die haast?
+
+BODE. De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst!
+Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer,
+Gesproten uit het hertogshuis van Clarence;
+Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst
+En zweert, in Westminster zichzelf te kronen.
+Zijn leger is een havelooze bende
+Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig.
+Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood
+Gaf hun het hart, den moed om door te gaan.
+Geleerden, advocaten, hof en adel,
+’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.
+
+KONING HENDRIK. Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!
+
+BUCKINGHAM. Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth,
+Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, leefde thans de hertog Suffolk nog,
+Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.
+
+KONING HENDRIK. Lord Say, die oproermakers haten u;
+Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.
+
+SAY. Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar.
+Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede;
+Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat;
+Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.
+
+(Een Tweede Bode komt op.)
+
+TWEEDE BODE. Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug;
+De burgers vluchten angstig uit hun huizen;
+En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters,
+Uit dorst naar buit; als één man zweren zij
+De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.
+
+BUCKINGHAM. Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!
+
+KONING HENDRIK. Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.
+
+KONING HENDRIK (tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters
+niet.
+
+BUCKINGHAM. Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.
+
+SAY. Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld,
+En daarom ben ik moedig en gerust.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De Tower.
+
+Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen
+eenige Burgers beneden op.
+
+SCALES. Wel, is Jack Cade alreeds gedood?
+
+EERSTE BURGER. Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij
+hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord
+mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad
+tegen de muiters te verdedigen.
+
+SCALES. Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst;
+Maar ik heb zelf de handen vol met hen;
+Zij waagden reeds een aanval op den Tower.
+Doch trek naar Smithfield en verzamel volk;
+Daarheen zend ik tot u Matthias Gough.
+Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens;
+En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. De Kanonstraat.
+
+Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den
+Londener steen.
+
+CADE. Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den
+Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het
+manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar
+van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als
+iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.
+
+(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.)
+
+REBEL. Jack Cade! Jack Cade!
+
+CADE. Slaat dien kerel dood!
+
+ (De Man wordt gedood.)
+
+SMITH. Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade
+noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen.
+
+DICK. Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.
+
+CADE. Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de
+Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den
+Tower plat. Komt, vooruit!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Aldaar. Smithfield.
+
+Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van
+de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door
+Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en
+Matthias Gough valt.
+
+CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis
+neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!
+
+DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.
+
+CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.
+
+DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen
+komen.
+
+JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij
+is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.
+
+SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want
+hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.
+
+CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de
+besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.
+
+JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem
+zijn tanden niet uitgetrokken worden.
+
+CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden
+in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den
+vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond
+bij de laatste oorlogsschatting.
+
+(George Bevis komt op, met Lord Say.)
+
+CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say,
+gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke
+rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij
+Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt
+overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord
+Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke
+vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk
+verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl
+voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het
+keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot
+inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen
+gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u
+heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en
+meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan.
+Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen
+over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die
+in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen,
+terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een
+schabrak, is het zoo niet?
+
+SAY. En wat zou dat? 52
+
+CADE. Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui
+dan gij in broek en hemdrok rondloopen.
+
+DICK. En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een
+slager ben.
+
+SAY. Gij mannen van Kent,—
+
+DICK. Wat hebt gij op Kent te zeggen?
+
+SAY. Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens.
+
+CADE. Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.
+
+SAY. Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.
+Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren
+De liefste streek genoemd van heel dit eiland;
+Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;
+Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,
+Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.
+Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,
+Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.
+Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,
+Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.
+Wanneer legde ik u lasten op, tenzij
+Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?
+Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,
+Omdat mijn weten bij den koning gold,
+En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis
+De vleugel is, die ons ten hemel heft.
+Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,
+Dan deinst gij van een moord op mij terug.
+Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven
+Voor u gepleit,—
+
+CADE. Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?
+
+SAY. Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,
+Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.
+
+GEORGE. O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te
+overvallen!
+
+SAY. Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.
+
+CADE. Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.
+
+SAY. ’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden
+Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.
+
+CADE. Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den
+bijstand van een bijl.
+
+DICK. Wat siddert gij, man? 96
+
+SAY. Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.
+
+CADE. Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel
+vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt.
+Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.
+
+SAY. Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;
+Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!
+Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?
+Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?
+Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?
+Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,
+In deze borst geen arglist ooit gehuisd;
+O, laat mij ’t leven!
+
+CADE (ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden,
+maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat
+hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een
+dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van
+God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en
+breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het
+hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier.
+
+ALLEN. Het zal gebeuren.
+
+SAY. Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden
+Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,
+Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?
+Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.
+
+CADE. Weg met hem, doet zooals ik u beveel.
+
+ (Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.)
+
+De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders
+dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er
+uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien
+krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en
+bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar
+wenschen of de tong vertellen kan.
+
+DICK. Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op
+te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?
+
+CADE. Wel, dadelijk.
+
+ALLEN. O, heerlijk!
+
+(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn
+Schoonzoon op staken.)
+
+CADE. Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want
+zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van
+elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg
+te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht,
+want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee
+rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen
+zij elkander kussen.—Vooruit!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE TOONEEL.
+
+
+Southwark.
+
+Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel.
+
+CADE. De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood,
+velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor
+een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand
+het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef,
+alles dood te slaan?
+
+(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.)
+
+BUCKINGHAM. Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.
+Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier
+Des konings aan ’t door u verleide volk;
+Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,
+Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.
+
+CLIFFORD. Wat kiest gij, landgenooten? de genade,
+Die onderwerping nog erlangt, of moet
+Een oproerling u voeren in den dood?
+Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,
+Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”
+Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,
+Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,
+Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.
+
+ALLEN. Den koning heil! den koning heil!
+
+CADE. Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij,
+laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met
+uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen
+opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den
+steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt
+nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen
+zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van
+den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug
+breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor
+uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen,
+en daarmee,—Gods vloek op u allen!
+
+ALLEN. Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!
+
+CLIFFORD. Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36
+Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?
+Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,
+U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?
+Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,
+Hij kan niet leven, dan alleen door roof,
+’t Bestelen van uw vrienden en van ons.
+Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht
+De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,
+De zeeën overstak en u versloeg?
+Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,
+Hoe hij den baas in Londens straten speelt,
+„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.
+Laat eer tienduizend laaggeboren Cades
+Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt
+Voor de genade van een enk’len Franschman.
+Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,
+Spaart England, dàt is uw geboortestrand.
+Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;
+God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.
+
+ALLEN. Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met
+Clifford!
+
+CADE. Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze
+volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een
+honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie,
+dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen,
+mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots
+hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen
+van mij getuigen, dat geen gebrek aan moed, maar alleen het laag en
+schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten.
+
+ (Cade af.)
+
+BUCKINGHAM. Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;
+En wie het hoofd diens mans den koning brengt,
+Zal duizend kronen ter belooning hebben.
+
+ (Eenigen spoeden zich heen.)
+
+Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,
+Om allen met den koning te verzoenen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE TOONEEL.
+
+
+Het kasteel Kenilworth.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset
+verschijnen op het terras van het kasteel.
+
+KONING HENDRIK. Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,
+Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?
+Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,
+Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;
+Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,
+Als ik verlang een onderdaan te zijn.
+
+(Buckingham en Clifford komen op, boven.)
+
+BUCKINGHAM. Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!
+
+KONING HENDRIK. Spreek, Buckingham, is die verrader Cade
+Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?
+
+(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om
+den hals.)
+
+CLIFFORD. Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,
+En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig
+Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.
+
+KONING HENDRIK. Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13
+En dat mijn dank en lof u welkom zij!—
+Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;
+Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;
+Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,
+Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,
+Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.
+En zoo, u allen dankend en vergevend,
+Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.
+
+ALLEN. God behoede den koning! God behoede den koning!
+
+(Een Bode komt op).
+
+BODE. ’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:
+Zoo even komt de hertog York uit Ierland,
+En rukt, met groote en sterke legermacht,
+Van Galloglassen en van forsche Kernen,
+Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,
+Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,
+Dan van het hof den hertog Somerset,—
+Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.
+
+KONING HENDRIK. Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,
+Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,
+Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;
+Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,
+Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.
+Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,
+Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,
+Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—
+Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,
+Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.
+
+SOMERSET. Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,
+Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.
+
+KONING HENDRIK (tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen
+barsche taal,
+Want heftig is hij en verdraagt dit niet.
+
+BUCKINGHAM. ’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,
+Dat alles zich ten uwen beste keert.
+
+KONING HENDRIK. Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer
+Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu
+Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TIENDE TOONEEL.
+
+
+Kent. Iden’s tuin.
+
+Cade komt op.
+
+CADE. O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch
+op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in
+deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het
+geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet
+langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor
+in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te
+zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm,
+en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag
+een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord
+helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig
+keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten
+zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht
+deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu
+heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.
+
+(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.)
+
+IDEN. O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,
+Die zulk een rustig wandelplekje heeft?
+Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,
+Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.
+Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,
+Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;
+Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,
+Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.
+
+CADE. Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een
+landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk,
+gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen
+door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een
+struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij
+tweeën van elkander scheiden.
+
+IDEN. Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,
+Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?
+Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,
+En als een dief hier in mijn hof komt stelen,
+Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,
+Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?
+
+CADE. U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden,
+en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen
+iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u
+niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit
+meer één grassprietje te eten krijg. 44
+
+IDEN. Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,
+Dat Alexander Iden, Kenter landheer,
+Met overmacht een hong’rig man bevocht.
+Richt vast uw starend oog nu op het mijne,
+En zie, of gij met blikken mij bedwingt;
+Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;
+Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,
+Uw been een stok, naast dezen stam gezien,
+Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;
+En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,
+Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.
+Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,
+Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.
+
+CADE. Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit
+van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien
+grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in
+uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot
+hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben
+geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er
+tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien
+maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor,
+gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit
+huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70
+
+IDEN. Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?
+Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;
+Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;
+Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,
+Gij zult het dragen als een wapenkleed,
+Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.
+
+CADE. Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van
+mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele
+wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben
+overwonnen door den honger, niet door dapperheid.
+
+ (Hij sterft.)
+
+IDEN. Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!
+Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!
+En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,
+Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.
+Thans sleep ik bij uw hielen u van hier
+Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;
+Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,
+Dat ik den koning zegevierend breng,
+Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten.
+
+ (Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een veld tusschen Dartford en Blackheath.
+
+Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt
+York op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen
+afstand.
+
+YORK. Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,
+En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;
+Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,
+En groet den echten vorst van ’t machtig England.
+Sancta majestas! wie kocht u niet duur?
+Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;
+De hand hier werd gevormd om enkel goud,
+Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden
+Kan zij de volle kracht en klem niet geven,
+Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.
+En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,
+Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.
+
+(Buckingham komt op.)
+
+Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?
+De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.
+
+BUCKINGHAM. Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.
+
+YORK. Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.
+Komt gij als bode hier, of uit uzelf?
+
+BUCKINGHAM. Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,
+Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?
+Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,
+Trots uwen eed en uw bezworen trouw,
+Zulk leger zonder machtiging gelicht,
+En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?
+
+YORK (ter zijde). Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.
+O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,
+Zoo toornig word ik bij die snoode taal;
+Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,
+Mijn woede op ossen en op schapen koelen.
+Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,
+Meer koning in mijn denken, in mijn aard;
+Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,
+Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—
+(Luid.) O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,
+Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;
+Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.
+Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—
+Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,
+Wijl hij den koning en het rijk verraadt. 37
+
+BUCKINGHAM. Te veel aanmatiging van u, voorwaar!
+Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,
+Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;
+De hertog Somerset is in den Tower.
+
+YORK. Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?
+
+BUCKINGHAM. Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.
+
+YORK. Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—
+Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;
+Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,
+Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.
+En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,
+Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,
+Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend
+Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;
+Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,
+’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.
+
+BUCKINGHAM. Die need’rige onderwerping prijs ik, York;
+Gaan wij te zamen naar des konings tent.
+
+(Koning Hendrik treedt op, met Gevolg.)
+
+KONING HENDRIK. Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,
+Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?
+
+YORK. In alle need’righeid, vol onderwerping,
+Verschijnt hier York voor uwe majesteit.
+
+KONING HENDRIK. En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?
+
+YORK. Den valschen Somerset van hier te drijven,
+En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—
+Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.
+
+(Iden komt op, met Cade’s hoofd.)
+
+IDEN. Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,
+Voor de oogen van een koning treden mag,
+Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,
+Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.
+
+KONING HENDRIK. Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—
+O, laat mij het gelaat des dooden zien,
+Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.
+Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?
+
+IDEN. Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.
+
+KONING HENDRIK. Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?
+
+IDEN. Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,
+Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.
+
+BUCKINGHAM. Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,
+Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.
+
+KONING HENDRIK. Kniel neder, Iden.—(Iden knielt.) Sta als ridder op. 78
+Wij geven u tot loon éénduizend mark,
+En willen, dat gij voortaan om ons zijt.
+
+IDEN. Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;
+Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.
+
+(Hij rijst op.)
+
+KONING HENDRIK. Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!
+Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.
+
+(Koningin Margaretha en Somerset komen op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,
+Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.
+
+YORK. Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,
+Ontboei uw langgekerkerde gedachten,
+En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.
+Zou ik het zien van Somerset verdragen?—
+Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,
+Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?
+Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;
+Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,
+Die geen verrader teug’len durft noch kunt?
+Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,
+Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,
+Een echten vorstenscepter siert zij niet.
+Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,
+Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,
+Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.
+Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,
+’t Gezag der wetten klem verleenen kan.
+Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn
+Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.
+
+SOMERSET. O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u
+Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;
+Kniel, driest verrader; vraag genade, York.
+
+YORK. Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,
+Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.
+Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;
+
+ (Een van York’s volgers af.)
+
+Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,
+Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;
+Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York
+Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.
+
+ (Buckingham af.)
+
+YORK. Napolitaansche, gij, met bloed bespat,
+Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;
+York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,
+Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,
+Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. 121
+
+(Edward en Richard Plantagenet komen van de eene zijde met troepen op;
+van de andere, eveneens met troepen, de oude Clifford en zijn Zoon.)
+
+Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.
+
+CLIFFORD. Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!
+
+(Hij knielt.)
+
+YORK. Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?
+Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;
+Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;
+En deze uw dwaling willen we u vergeven.
+
+CLIFFORD. Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;
+Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—
+Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?
+
+KONING HENDRIK. Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin
+Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.
+
+CLIFFORD. Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,
+En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;
+Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.
+
+YORK. Dat doet gij, zoons, niet waar?
+
+EDWARD. Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.
+
+RICHARD. En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.
+
+CLIFFORD. Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!
+
+YORK. Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;
+Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—
+Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,
+Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds
+Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;
+Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.
+
+(Getrommel. Warwick en Salisbury komen op, met troepen.)
+
+CLIFFORD. Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,
+En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,
+Als gij hen op de kampplaats brengen durft.
+
+RICHARD. Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond
+Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,
+Maar losgelaten op den berenklauw,
+Met ingetrokken staart begon te janken;
+En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,
+Als gij u met lord Warwick waagt te meten.
+
+CLIFFORD. Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,
+Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! 158
+
+YORK. Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.
+
+CLIFFORD. Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!
+
+KONING HENDRIK. Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?
+En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,
+Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—
+Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard
+En zoekt met uwen bril het onheil op?
+O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?
+Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,
+Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—
+Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,
+Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?
+Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?
+Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?
+O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,
+Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.
+
+SALISBURY. Mylord, gewogen heb ik in mijzelf
+De aanspraken van den hoogberoemden hertog,
+En naar geweten acht ik volgens ’t recht
+Hem erfgenaam van Englands koningstroon.
+
+KONING HENDRIK. Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?
+
+SALISBURY. Dat heb ik.
+
+KONING HENDRIK. Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?
+
+SALISBURY. ’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,
+Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.
+Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.
+Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,
+Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,
+Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,
+Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—
+En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,
+Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.
+
+KONING HENDRIK. Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.
+
+YORK. Roep Buckingham en al uw vrienden op;
+Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!
+
+CLIFFORD. Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.
+
+WARWICK. Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;
+Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.
+
+CLIFFORD. Ik ben besloten grooter storm te tarten,
+Dan uw bezwering heden op kan roepen;
+En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,
+Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. 201
+
+WARWICK. Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,
+Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,
+Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—
+Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,
+Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—
+Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.
+
+CLIFFORD. En van uw stormhoed ruk ik u dien beer
+En treed dien vol verachting in het stof;
+Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.
+
+DE JONGE CLIFFORD. En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,
+Ter fnuiking van de muiters en hun bent!
+
+RICHARD. Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!
+U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.
+
+DE JONGE CLIFFORD. Geteekende, wis niet door uw bestel!
+
+RICHARD. Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.
+
+ (Allen af, naar verschillenden kant.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Sint-Albaans.
+
+Krijgsgedruisch; schermutselingen. Warwick komt op.
+
+WARWICK. Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!
+Indien gij niet u voor den beer verschuilt,
+Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast
+En stervenskreten de ijle lucht vervullen,
+Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!
+Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,
+Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.
+
+(York komt op.)
+
+Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?
+
+YORK. Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;
+Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,
+En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,
+Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.
+
+(Clifford komt op.)
+
+WARWICK. Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.
+
+YORK. Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;
+Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.
+
+WARWICK. Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—
+Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,
+Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.
+
+ (Warwick af.)
+
+CLIFFORD. Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?
+
+YORK. Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.
+Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.
+
+CLIFFORD. Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, 22
+Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.
+
+YORK. Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,
+Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.
+
+CLIFFORD. Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!
+
+YORK. Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!
+
+(Zij vechten. Clifford valt.)
+
+CLIFFORD. La fin couronne les oeuvres!
+
+ (Hij sterft.)
+
+YORK. Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!
+Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!
+
+ (York af.)
+
+(De jonge Clifford komt op.)
+
+DE JONGE CLIFFORD. Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.
+Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt
+Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,
+Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,
+Werp in de ijskoude borsten van ons leger
+Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!
+Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht
+Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,
+Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,
+Den naam van dapper.—
+
+(Hij ziet het lijk zijns vaders.)
+
+ Booze ’wereld, eindig!
+En gij, vervroegde vlammen des gerichts,
+Boeit aarde en hemel saâm!
+Weergalme nu des jongsten dags bazuin,
+En overstemm’ die elken aardschen klank,
+Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,
+In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,
+Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,
+In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven
+In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik
+Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,
+Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,
+Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen
+Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;
+En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,
+Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.
+Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;
+Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,
+Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste
+Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;
+Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.
+Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,
+
+(Hij neemt het lijk op.)
+
+Als eens Æneas de’ oude’ Anchises droeg,
+Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;
+Maar hij droeg toen een last, die leven had,
+Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.
+
+ (De jonge Clifford af.)
+
+(Richard Plantagenet en Somerset komen op, vechtende. Somerset wordt
+gedood.)
+
+RICHARD. Zoo, lig gij daar!— 66
+Want onder eener herberg uithangschild,
+„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset
+Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.
+Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:
+Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.
+
+ (Richard af.)
+
+(Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning Hendrik, Koningin Margaretha
+en Anderen komen op, terugtrekkende.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!
+
+KONING HENDRIK. Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?
+Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,
+Te wijken voor den vijand, ons te bergen
+Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.
+
+(Strijdgedruisch op een afstand.)
+
+Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem
+Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—
+Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—
+Dan zijn wij dra te Londen, waar men u
+Genegen is, en waar wij deze bres
+In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.
+
+(De jonge Clifford komt weder op.)
+
+DE JONGE CLIFFORD. Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,
+Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;
+Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid
+Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.
+Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven
+Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!
+Voort, voort, mijn vorst, van hier!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een veld bij Sint-Albaans.
+
+Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen York, Richard
+Plantagenet, Warwick en Troepen op, met trommen en vaandels.
+
+YORK. Wie weet iets van den ouden Salisbury?
+Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede
+Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,
+En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht
+Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag
+Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,
+Zoo Salisbury ontbreekt.
+
+RICHARD. Mijn eed’le vader,
+Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,
+Stond driemaal over hem, en voerde driemaal
+Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;
+Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;
+Als in een arme hut een rijk tapijt,
+Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.
+Doch zie, hij komt, en edel als altoos. 14
+
+(Salisbury komt op.)
+
+SALISBURY. Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;
+Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;
+God weet, hoe lang ik nog te leven heb;
+En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal
+Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—
+Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;
+’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;
+Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.
+
+YORK. Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,
+Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,
+En roept zijn parlement er daad’lijk op.
+Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!
+Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?
+
+WARWICK. Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!
+Bij God, mylords, dit was een dag van roem;
+De slag, door den roemruchten York gewonnen,
+Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—
+Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;
+Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar
+1455 viel de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het
+huis van Lancaster moest zwichten voor de wapens van den hertog van
+York. Het tweede deel van „Koning Hendrik de Zesde” omvat dit geheele
+tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag van
+Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van
+Sint-Albaans vereenzelvigd is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit
+een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk den val van de hertogin
+van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den hertog
+van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de
+heerschzucht der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds
+in 1441 werd Eleonore Cobham, echtgenoote, vroeger minnares van
+Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat zij met den
+duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den
+kanunnik Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den
+koning naar het leven had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het
+boetelingshemd door Londens straten gevoerd te worden, en verder naar
+het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot zes jaren
+later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg
+hij ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd
+in Bury Sint Edmond bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in
+hechtenis genomen, maar vóór zijn zaak in onderzoek was, werd hij dood
+in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht, dat hij onder kussens
+verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin en den
+gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de
+kardinaal Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt
+onbewezen en wordt eerst bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die
+onder Hendrik VIII leefde. Slechts dit is waar, dat de prelaat kort na
+Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren zich van het
+staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan
+genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en
+hebzuchtig schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen:
+„Waarom moet ik sterven, ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”
+
+Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog
+van Suffolk verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond
+den hertog van York als stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den
+eerzuchtigen man van het hof verwijderd te houden. De hertog John van
+Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in een vlaag van
+wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen.
+In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund
+van Somerset moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de
+Franschen bukken; niet alleen de veroveringen van Hendrik V, maar ook
+de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon vereenigde erflanden der
+Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais de eenige
+plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen
+verhief zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten
+beschuldigde hem van hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te
+verdedigen, dat er geen doodvonnis kon uitgesproken worden, maar het
+huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken; hij werd voor
+vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks
+had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of
+hij werd door eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en
+gevangengenomen; het woedend scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem
+uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn lijk op het strand geworpen.
+
+Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort
+na Suffolk’s dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis
+Lancaster gericht was, en waarvan de kroniek van Hall uitvoerig
+gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier, van krachtigen
+lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het
+huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon
+van den laatsten graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer
+aannam. Aan het hoofd van twintigduizend man rukte hij op naar
+Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de gemeenten
+van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij
+behelsden zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de
+verwijdering van den Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de
+geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen met een handvol koninklijke
+troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven, maar werd
+neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van
+den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen,
+week naar het slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den
+aartsbisschop van Canterbury en den hertog Humfried van Buckingham naar
+het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen. John Cade
+weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen
+persoon tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond.
+
+Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den
+Tower alleen een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord
+Scales, brak hij naar Londen op, nam zijn verblijf in „Het witte hert”
+in de voorstad Southwark, en trok den volgenden dag in Stafford’s
+harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met zijn
+zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze
+stad” en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der
+vrienden van Suffolk, schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen
+en werd onthoofd; hetzelfde lot trof den schoonzoon van Say, Sir James
+Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng was geweest. Beider
+hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar op
+iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop
+volgden allerlei verdere gruwelen, brandschatting, plundering,
+terechtstellingen, bij welke laatste Cade ook zijn eigen volk niet
+verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen eerbied
+bewees, werd zonder genade onthoofd.
+
+Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen
+naar de wapens; de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut
+en gaf hun een dapperen aanvoerder, Sir Matthias Gough, die in
+Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een schrikkelijk
+gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte
+het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van
+de Theems en hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede
+zouden laten. Zij trokken af naar Rochester en kregen er twist over de
+verdeeling van den buit; zij begonnen naar huis te verlangen; toen nu
+de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor hen, die van
+John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht,
+zonder hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een
+prijs van duizend mark gesteld was, ontvlood te paard naar een
+boschrijke streek en zwierf eenige dagen rond, tot hij door Alexander
+Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend gedood
+werd.
+
+Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De
+ontevredenheid was ook na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het
+hof, de druk der hovelingen, der groote heeren en der geestelijkheid
+hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich slechts in
+vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als
+haar helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn
+broeder John, hertog van Somerset [4], die pas met de overblijfselen
+van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd en in het oog
+des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen;
+hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en
+een groot deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze
+omstandigheden landde Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland,
+die, naar men beweerde, ook in den opstand van John Cade reeds de hand
+had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts op de kust van Wales,
+verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad om het
+wanbestuur van Somerset te doen ophouden.
+
+Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de
+familie der Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen,
+belangrijke bezittingen door huwelijk in eigendom, de graafschappen
+namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de
+zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede
+bezitting verworven door het huwelijk met de erfdochters der twee
+graafschappen. De vrouwen uit deze familie gingen aanzienlijke
+huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil,
+zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van
+Westmoreland, en van Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst
+vermeld is. Zulke edellieden hadden een groote macht, onderhielden
+troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in een tijd, toen de
+vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote
+beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen.
+Nabij Shakespeare’s geboortestad verhief zich het grootsche slot,
+Warwick-castle, welks bouwvallen nog heden getuigen van de macht der
+vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de huishouding van
+Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks
+werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt
+geslacht; in alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in
+zijn huis slechts eenigszins bekend was, mocht er zooveel gekookt of
+gebraden vleesch uit medenemen, als hij op een langen dolk dragen
+kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland, een
+der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de
+eer van Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak
+van hem had afgehangen, de veroveringen in Frankrijk niet verloren
+zouden gegaan zijn.
+
+Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere
+invloedrijke edelen steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was
+de gang der gebeurtenissen niet. Hij trachtte aanvankelijk den Hertog
+van Somerset door middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel
+bijval hij bij het huis der Gemeenten vinden mocht, de hertog Edmund
+van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich in het bewind te
+handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende dat
+hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok,
+om allen, die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings
+raad te verwijderen, stemde de koning, die ook te velde was getogen,
+toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis zou genomen worden. Toen
+gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde bedrijf
+voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings
+woord, in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even
+fier als altijd; het kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar
+Londen gevoerd; zijn zoon Edward rukte weldra tot ontzet aan, maar
+eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had, levenslang een
+getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen
+zijn, werd hij weder ontslagen.
+
+Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te
+roeren. In 1453 werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land
+bij de Garonne weder onder Engelsch bewind trachtte te brengen,
+geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den herfst
+overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem
+voor de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin
+van een zoon, waardoor voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze
+eenmaal de kroon te erlangen. Hij wist van de ontevredenheid over den
+loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om zich door middel van
+het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd in
+hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad
+schuldig kon verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot
+„Protector en Defensor” van het rijk verklaard.
+
+Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de
+voornaamste ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het
+noorden stonden weldra de Percy’s, die reeds lang op de macht der
+Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens. Terwijl de
+regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling
+de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst
+der koningin weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest,
+reeds uit zucht tot zelfbehoud, zich doen gelden; hij verzamelde zijn
+getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn zwager Henry Nevil, graaf
+van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham en vele anderen
+en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw
+aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op
+tweeduizend gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en
+Buckingham, de graven van Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en
+vele anderen het hof naar Leicester wilden begeleiden. Nog eens
+vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders, en op
+het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral
+door de onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York
+beslist werd. Somerset, Northumberland, Clifford en vele anderen
+vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek verwond,
+geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem
+naar Londen togen.
+
+Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel
+van „K. Hendrik VI” eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag
+van Northampton, die vijf jaren later, 10 Juli 1460, plaats vond en
+waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde. Want op
+den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het
+eerste tooneel van het derde deel van „K. Hendrik VI” wordt
+voorgesteld, het optreden van York als kroonpretendent; hij stelde
+zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige kwaal ter prooi was,
+tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden der
+Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in
+onophoudelijken strijd om het gezag met de koningin en haar aanhangers;
+wel werd er in 1458 op verzoek van den weder herstelden koning
+schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder onlusten
+uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden
+York en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs
+gebracht, maar in het volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van
+Warwick en York’s oudsten zoon Edward een beslissende overwinning bij
+Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham en wel driehonderd
+andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha met
+haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest
+vluchten.—Voor het overige waren de omstandigheden na den slag bij
+Sint-Albaans en dien bij Northampton zeer gelijk; ook bij Northampton
+viel de koning in de macht der overwinnaars en moest hen naar Londen
+volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door het
+parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen
+gerechtigd achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.
+
+In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn
+doel verwerkt heeft.
+
+
+
+
+I. 1. 124. Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog! In ’t
+Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „For Suffolk’s duke,
+may he be suffocate!” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in
+den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil men van het spelen met de
+klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’ hij aan zijn
+hertogdom!”
+
+I. 1. 132. Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot
+bedrag, een vijftiende durft vragen Voor ’t halen en de kosten van den
+tocht. Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de
+vijftiende penning, die tot bestrijding van de kosten van den tocht
+geheven zou worden, in plaats van den tienden penning, waar de koning
+vroeger (I K. Hendrik VI, V, 5. 93.) van gesproken had. De buitengewone
+belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen
+naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende,
+naarmate er van iederen tienden of vijftienden penning een penning
+moest betaald worden. Een vijftiende, dus een inkomsten-belasting van
+6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis niet zelden
+voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de
+buitengewone heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het
+geheele inkomen getroffen werd.—Delius verklaart dit vijftiende als het
+vijftiende deel van de opbrengst der belastingen; is deze opvatting de
+ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:
+
+ Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk
+ ’t Vijftiende deel der lasten van het volk
+ Vraagt voor de kosten van den overtocht.
+
+I. 1. 194. En uwe daden, broeder York, in Ierland. York ging eerst vier
+jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York broeder,
+omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.
+
+I. 1. 207. Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond. Namelijk als
+erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik
+VI, II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt
+Salisbury in het oorspronkelijke: „look into the main”, let op de
+hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende Maine
+volgt; de vertaler moest zich hier met mijne en Maine redden.
+
+I. 1. 234. Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van
+den Prins van Calydon. De prins van Calydon is Meleager, die volgens de
+oud-Grieksche mythe zoo lang leven zou, als een stuk hout, dat zijn
+moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde, onverbrand zou
+blijven.
+
+I. 1. 240. Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan. De Nevils: Salisbury
+en Warwick.
+
+I. 2. 42. Booze Eleonora. Er staat eigenlijk: slecht opgevoede.
+
+I. 2. 68. Waar blijft gij toch, Sir John? Sir was de titel, waarmede
+priesters werden aangesproken.
+
+I. 3. 4. Allen gezamenlijk. In the quill, een zeer verschillend
+verklaarde uitdrukking, zie H. Irving’s Shakespeare II. p. 80, waar de
+beteekenis in a body hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een
+andere verklaring zou „zwart op wit” een juiste vertaling zijn.
+
+I. 3. 15. Voor den lord Protector? Hier moet zeker, zooals Marshall
+opmerkt, for en niet to gelezen worden.
+
+I. 3. 29. Tegen mijnen meester, Thomas Horner. Volgens de kronieken had
+in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld wordt. Ook
+het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel
+van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken.
+
+I. 3. 141. Mijn waaier, vlug! De koningin houdt zich alsof zij een
+hofdame voor zich meent te hebben en eerst later haar vergissing
+bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth
+niet veilig voor een vorstelijke oorveeg.
+
+I. 3. 171. Mylord van Somerset mij hier zou houden. York zinspeelt er
+op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden; zie „K.
+Hendrik VI”, IV. 3.
+
+I. 4. 33. Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af. Het orakel is
+dubbelzinnig, daar Een Hertog, zoowel als Hendrik, onderwerp of
+voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met that en
+Henry het geval. Ook het hij in den volgenden regel is onbepaald.
+Daarom wordt deze uitspraak later door York vergeleken met het orakel,
+dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen hij vroeg of
+hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan
+beteekenen: „Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt
+overwinnen”, als: „dat de Romeinen U kunnen overwinnen”.
+
+I. 4. 53–79. Weg met hen enz. Deze regels zijn hier, volgens de
+opmerkingen van Marshall, aan York toegekend.
+
+II. 1. 4. De oude Hans. Naam van een jachtvalk.
+
+II. 1. 24. Tantæne animis cælestibus iræ? Huist in hemelsche gemoederen
+zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden verder wordt ook de
+spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk
+aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens
+luchten of het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee
+regels verder is vertaald naar Marshall’s verbetering: With so much
+holiness can you not do it?
+
+II. 1. 126. Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten
+onrechte, als proza gedrukt.
+
+II. 2. 64. Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben. Volgens de
+beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie
+pag. 429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.
+
+II. 3. 13. Bij Sir John Stanley op het eiland Man. De Stanleys waren de
+beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze eeuw
+verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een
+parlementsbesluit deze waardigheid.
+
+II. 3. 63. Charneco. Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij
+Lissabon benoemd.
+
+III. 1. 59. Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven. In de bij het
+parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen
+het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De
+hertog, zegt Holinshed, wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld
+vermocht hem niet meer te redden.
+
+III. 1. 63. Wat daag’lijks in die steden oproer wekte. Daar de
+Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de
+steden zich van het Engelsche juk konden ontslaan.
+
+III. 1. 361. Een bende Kernen. De woeste Keltische boeren van
+Ierland.—Met moorendanser, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit
+den oud-Engelschen volksdans, morisco of morrisdance, die in Mei en
+omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den
+stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K.
+Hendrik V”, II. 4. 25.
+
+III. 2. 76. Als de adder doof geworden. Naar het volksgeloof was de
+adder doof.
+
+III. 2. 89. Koop’ren grotten. Toespeling op Æolus, die volgens de ouden
+de winden in een grot opgesloten hield.
+
+III. 2. 116. Mij te betoov’ren, evenals Ascanius. Zinspeling op de
+plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben
+aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en
+deugden van den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der
+koningin voor Æneas aanwakkert.
+
+III. 2. 226. Bloedzuiger en belager in den slaap. Warwick denkt aan de
+Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.
+
+III. 2. 310. Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet. Men zie de
+aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.
+
+III. 2. 344. Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht. De koningin
+wijst bij het woord deze op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel
+blijkt.
+
+IV. 1. 3. De knollen, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht
+genoemd.
+
+IV. 1. 29. Zie mijn Sint George. Suffolk wijst op zijn medaille met het
+beeld van Sint George, die hij als ridder van den Kouseband draagt.
+
+IV. 1. 35. Door Water zoude ik sterven. In het Engelsch is de
+woordspeling beter, want Walter en Water worden eveneens of nagenoeg
+gelijk uitgesproken.
+
+IV. 1. 54. Behangen muildier. Een lang kleed of schabrak, over het
+zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard of muildier bedekt
+was, werd alleen door personen van rang gebezigd.
+
+IV. 1. 70. Ja, Poole. De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel mylord
+en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: Poel,—en
+beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een
+woordspeling op dien naam.
+
+IV. 1. 99. „Invitis nubibus”. Invitis nubibus, trots de wolken. De
+Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward III, een door
+wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt
+meermalen van de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van
+Shakespeare’s „Koning Richard III.”
+
+IV. 1. 108. De sterke Bargulus. Shakespeare kan dezen zeeroover der
+oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek De officiis (II, cap. 11.),
+waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.
+
+IV. 1. 117. Pene gelidus timor occupat artus. Schier bevangt kille
+schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel
+herkomstig is, is onbekend.
+
+IV. 1. 136. Brutus’ bastaardhand. In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het
+geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus een natuurlijke zoon
+van Cæsar zou geweest zijn.—Dat Pompejus door woest eiland volk
+vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord met een
+anderen.
+
+IV. 2. 37. Onze vijanden moeten vallen.—Dit vallen is een woordspeling
+met het latijnsche „cade”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager
+Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij een tonnetje (cade) haring
+gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de
+tegenwoordige Engelsche uitspraak van Cade (keed).
+
+IV. 2. 47. Uit het geslacht van de Spencers. In het oorspronkelijke
+staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel laces (veters)
+kan verkocht hebben.
+
+IV. 2. 62. Drie marktdagen achtereen.—Tuchtigingen werden op marktdagen
+uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.
+
+IV. 2. 106. Emanuël.—Emanuël beteekent: „God zij met u” en werd in dien
+zin meermalen boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.
+
+IV. 2. 119. Enkele kerel.—In ’t Engelsch: thou particular fellow;
+„particular” bijzonder, in tegenstelling van „general”, algemeen.
+
+IV. 2. 166. Duitenwerpen.—In ’t Engelsch spancounter; een spel, waarbij
+men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door den
+vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te
+overspannen, dan wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den
+tijd van Hendrik V, zegt Cade, speelde men dit spel, in plaats van met
+duiten, met goudstukken uit den buit, op de Franschen behaald.
+
+IV. 3. 7. De vastentijd zal enz. In den vastentijd mochten de
+vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er vergunning toe krijgen
+en wel voor 99 beesten.
+
+IV. 3. 11. Dit gedenkteeken van de overwinning enz. De wapenrusting van
+den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden nagels
+beslagen was.
+
+IV. 4. 44. Killingworth. Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde
+slot in Warwickshire.—Tot het juist verstaan van de berichten der boden
+bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden aanrukten en eerst
+Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever
+van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen
+de eenige was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd
+en met huizen bezet.
+
+IV. 6. 2. Londener steen. Een van oude tijden her bekende steen, die
+eeuwen lang in de Cannon street lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen,
+hetzij een Saksische grenssteen was. Hij is later bij een kerk
+geplaatst.—Een oogenblik later wordt van the pissing-conduit gesproken,
+misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van
+Brussel.”
+
+IV. 7. 2. Het Savooische huis. In het Engelsch kortweg the Savoy. Het
+was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den
+oever van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der
+prinsen bewoond. Shakespeare schrijft hier aan Cade toe, wat door
+Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden opstandeling. Wat
+Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was
+het ook, die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland
+uit zijn mond zouden komen.
+
+IV. 7. 24. Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft
+laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste
+oorlogsschatting.—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal
+den vijftienden penning, en bij de laatste oorlogsbelasting bovendien
+een schelling van het pond, dus een twintigsten penning laten betalen.
+
+IV. 7. 27. Zoo, gij Say, gij saai enz. In het Engelsch staat: Ah, thou
+say, thou serge, nay, thou buckram lord! Say is fijner stof dan serge,
+en dit weer beter dan buckram, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t
+Nederlandsch had misschien saai, serge en karsaai kunnen gekozen
+zijn.—Monsieur Baesimeku, dat volgt, een schimpnaam voor een
+Franschman, is verbasterd van baise mon cul.
+
+IV. 7. 61. Bona terra, mala gens. Het land goed, maar het volk kwaad.
+
+IV. 7. 66. De liefste streek. In Arthur Golding’s vertaling van Julius
+Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: Of all the inhabitants of this isle
+the Kentishmen are the civilest. Sh. spreekt hier ook van the civil’st
+place.
+
+IV. 7. 131. Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken.
+In ’t Engelsch staat: take up commodities upon our bills. Bill
+beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard.
+
+IV. 8. 13. Een oproerling. Hier is de blijkbaar juiste emendatie
+gevolgd: Or let a rebel etc.
+
+IV. 8. 48. „Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.—Het
+Italiaansche woord vigliacco (lomperd, ellendeling), dat, viliacco
+geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt,
+b.v. bij Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van
+dien tijd) verklaard wordt met a rascal, a base varlet. In de
+Folio-uitgave, staat villiago, waarvan men ook wel villageois heeft
+willen maken.
+
+IV. 9. 26. Galloglassen. Evenals Kernen woeste Iersche troepen, ook in
+Macbeth, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen
+lichtgewapenden.
+
+IV. 10. 9. Haver in plaats van helm. In ’t oorspronkelijke vindt men
+een woordspeling met sallet, dat zoowel helm als salade beteekent.
+
+V. 1. 144. Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren. De Nevils,
+waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal
+geketenden beer in hun wapen.
+
+V. 2. 28. „La fin couronne les oeuvres.” Cliffords wapenspreuk en
+oorlogskreet.
+
+V. 2. 59. Medea. Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden
+broeder Abyssus in stukken, om haar vader bij zijn vervolging op te
+houden.
+
+V. 2. 68. „’t Kasteel van Sint-Albaans.” Men herinnere zich de
+voorspelling: „Kasteelen moog’ hij mijden!” blz. 661, I. 4. 38.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+KONING HENDRIK DE ZESDE.
+
+DERDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PERSONEN:
+
+ Koning Hendrik de Zesde.
+ Edward, Prins van Wales, zijn zoon.
+ Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk.
+ De Hertog van Somerset, de Hertog van Exeter, de Graaf van Oxford,
+ de Graaf van Northumberland, de Graaf van Westmoreland en Lord
+ Clifford, aanhangers des Konings.
+ Richard Plantagenet, Hertog van York.
+ Edward, Graaf van March, later }
+ Koning Edward de Vierde, } Zoons van den
+ Edmond, Graaf van Rutland, } Hertog van York.
+ George, later Hertog van Clarence, }
+ Richard, later Hertog van Gloster, }
+ De Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van
+ Warwick, de Graaf van Pembroke, Lord Hastings en Lord Stafford,
+ aanhangers van den Hertog van York.
+ Sir John Mortimer en Sir Hugo Mortimer, ooms van den Hertog van
+ York.
+ Hendrik, de jonge Graaf van Richmond.
+ Lord Rivers, broeder van Lady Grey.
+ Sir William Stanley, Sir John Montgomery en Sir John Somerville.
+ De Leermeester van Rutland.
+ De Mayor van York, de Slotvoogd van den Tower en een Edelman.
+ Twee Boschwachters en een Jager.
+ Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft.
+ Een Vader, die zijn Zoon gedood heeft.
+
+ Koningin Margaretha.
+ Lady Grey, later Gemalin van Koning Edward den Vierden.
+ Bona, zuster van de Koningin van Frankrijk.
+
+ Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward,
+ Boden, Wachten, enz.
+
+Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk,
+voor het overige in Engeland.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Het Parlementshuis.
+
+Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal
+binnen. Daarna komen op: de Hertog van York, met zijn zoons Edward en
+Richard, de Hertog van Norfolk, de Markies van Montague, de Graaf van
+Warwick en Anderen, met witte rozen aan den hoed.
+
+WARWICK. ’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.
+
+YORK. Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden
+Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,
+Waarop de groote lord Northumberland,
+Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,
+Het matte leger moed wist in te storten;
+Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,
+Stormde in op onze voorste rij, brak door,
+Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.
+
+EDWARD. De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,
+Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;
+Ik spleet hem met een fellen houw den helm;
+Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.
+
+(Hij toont zijn bloedig zwaard).
+
+MONTAGUE (tot York). En zie het bloed hier, broeder, van graaf
+Wiltshire,
+Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.
+
+(Hij toont mede zijn bloedig zwaard.)
+
+RICHARD. Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.
+
+(Hij werpt het hoofd van Somerset ter aarde.)
+
+YORK. Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—
+Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?
+
+NORFOLK. Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!
+
+RICHARD (het hoofd weer opnemend). Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te
+schudden.
+
+WARWICK. En ik met u.—Zeeghafte prins van York,
+Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,
+Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,
+Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!
+Dit hier is het paleis des laffen konings,
+En dit des konings stoel; bestijg hem, York;
+U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.
+
+YORK. Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;
+Want ingebroken zijn wij met geweld.
+
+NORFOLK. Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.
+
+YORK. Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—
+En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.
+
+WARWICK. En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,
+Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. 34
+
+ (De Soldaten trekken zich terug.)
+
+YORK. De koningin houdt heden parlement hier.
+Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.
+Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.
+
+RICHARD. Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.
+
+WARWICK. Plantagenet, hertog van York, zij koning,
+En die beschroomde Hendrik afgezet,
+Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—
+Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.
+
+YORK. Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;
+Ik denk bezit te nemen van mijn recht.
+
+WARWICK. De koning, noch wie hem het meest bemint,
+De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,
+Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,
+Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.
+Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—
+Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.
+
+(Warwick geleidt York naar den troon; deze zet er zich op neder.)
+
+(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Clifford, Northumberland, Westmoreland
+en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed.)
+
+KONING HENDRIK. Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;
+Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,
+Op Warwick steunend, op dien valschen pair,
+Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—
+Northumberland, uw vader viel door hem,
+Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak
+Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.
+
+NORTHUMBERLAND. Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!
+
+CLIFFORD. ’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.
+
+WESTMORELAND. Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!
+Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.
+
+KONING HENDRIK. Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!
+
+CLIFFORD. Geduld is goed voor lafaards zooals hij;
+Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.
+Genadig heer, laat ons in ’t parlement
+Hier op den stam van York een aanval doen.
+
+NORTHUMBERLAND. Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!
+
+KONING HENDRIK. Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,
+En troepen krijgers wachten op hun wenken!
+
+EXETER. Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. 69
+
+KONING HENDRIK. O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,
+Dit parlement een slachthuis te doen zijn!
+Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,
+Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.
+
+(Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op York toe.)
+
+Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,
+Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;
+Ik ben uw heer en vorst.
+
+YORK. Neen! ik ben de uwe.
+
+EXETER. Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.
+
+YORK. Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.
+
+EXETER. Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.
+
+WARWICK. Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,
+Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.
+
+CLIFFORD. Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?
+
+WARWICK. Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.
+
+KONING HENDRIK. Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?
+
+YORK. Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.
+
+WARWICK. Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.
+
+WESTMORELAND. Hij is dit, en ook hertog Lancaster;
+Dit zal de lord van Westmoreland u staven.
+
+WARWICK. En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,
+Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,
+Uw vaders doodden, met ontplooide vanen
+Door Londens straten trokken naar ’t paleis.
+
+NORTHUMBERLAND. Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;
+En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.
+
+WESTMORELAND. Plantagenet, meer levens zal ik nemen
+Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan
+Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.
+
+CLIFFORD. Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,
+Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,
+Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.
+
+WARWICK. Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!
+
+YORK. Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;
+Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.
+
+KONING HENDRIK. Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? 104
+Uw vader was, als gij, hertog van York;
+Uw moeders vader was de graaf van March;—
+Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,
+Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,
+Hun steden en hun landen heeft veroverd.
+
+WARWICK. Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.
+
+KONING HENDRIK. Dat deed de lord protector, en niet ik;
+’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.
+
+RICHARD. Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.
+Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.
+
+EDWARD. Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.
+
+MONTAGUE (tot York). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,
+Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.
+
+RICHARD. Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.
+
+YORK. Stil, zoons!
+
+KONING HENDRIK. Stil gij, en laat den koning aan het woord.
+
+WARWICK. Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;
+En luistert zwijgend en aandachtig toe;
+Wie in de rede valt, hij zal niet leven.
+
+KONING HENDRIK. Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,
+Waarop mijn vader en diens vader zaten?
+Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,
+En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,
+Doch nu in England, tot mijn harteleed,—
+Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?
+Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.
+
+WARWICK. Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.
+
+KONING HENDRIK. Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.
+
+YORK. Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.
+
+KONING HENDRIK (ter zijde). Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.
+(Luid.) Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?
+
+YORK. Wat verder?
+
+KONING HENDRIK. Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,
+Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,
+Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;
+Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.
+
+YORK. Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,
+En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. 142
+
+WARWICK. Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,
+Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?
+
+EXETER. Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,
+Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.
+
+KONING HENDRIK. Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?
+
+EXETER. Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.
+
+YORK. Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?
+
+EXETER. ’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.
+
+KONING HENDRIK (ter zijde). Nu zullen ze allen overgaan tot hem.
+
+NORTHUMBERLAND. Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,
+Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.
+
+WARWICK. De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.
+
+NORTHUMBERLAND. Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,
+In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—
+Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—
+Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.
+
+CLIFFORD. Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,
+Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;
+Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,
+Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!
+
+KONING HENDRIK. O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!
+
+YORK. Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—
+Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?
+
+WARWICK. Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,
+Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,
+En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,
+Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!
+
+(Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.)
+
+KONING HENDRIK. Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,
+Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.
+
+YORK. Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,
+En rustig heerscht gij heel uw leven lang.
+
+KONING HENDRIK. Ik neem het aan, Richard Plantagenet,
+Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.
+
+CLIFFORD. Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!
+
+WARWICK. Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! 177
+
+WESTMORELAND. Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!
+
+CLIFFORD. Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!
+
+WESTMORELAND. Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.
+
+NORTHUMBERLAND. Ik evenmin.
+
+CLIFFORD. Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!
+
+WESTMORELAND. Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,
+In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!
+
+NORTHUMBERLAND. Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf
+In boeien voor dit man-onteerend doen!
+
+CLIFFORD. Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,
+Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!
+
+ (Northumberland, Clifford en Westmoreland af.)
+
+WARWICK. Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!
+
+EXETER. Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.
+
+KONING HENDRIK. Ach, Exeter!
+
+WARWICK. Waarom dat zuchten, Heer?
+
+KONING HENDRIK. Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,
+Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—
+Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik
+De kroon voor eeuwig u en uwen erven;
+Met dit beding, dat gij den eed hier doet,
+Den burgerkrijg te staken en mij steeds,
+Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,
+En noch door open krijg, noch door verraad
+Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.
+
+YORK (van den troon stijgend). Dien eed doe ik volgaarne en zal hem
+houden.
+
+WARWICK. Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!
+
+KONING HENDRIK. Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!
+
+YORK. Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.
+
+EXETER. Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!
+
+(Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.)
+
+YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.
+
+WARWICK. En ik zal Londen met mijn volk bezetten.
+
+NORFOLK. En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.
+
+MONTAGUE. En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. 209
+
+ (York en zijn Zonen, Warwick, Norfolk, Montague, Soldaten en Gevolg
+ af.)
+
+KONING HENDRIK. En ik, met leed en kommer naar mijn hof.
+
+(Koningin Margaretha en de Prins van Wales komen op.)
+
+EXETER. Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;
+’k Wil henensluipen.
+
+KONING HENDRIK. Exeter, ook ik.
+
+(Hij wil heengaan.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.
+
+KONING HENDRIK. Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?
+Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,
+Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,
+Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!
+Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?
+Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,
+Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,
+Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,
+Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,
+Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,
+En dezen uwen een’gen zoon onterfd.
+
+PRINS. Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;
+Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.
+
+KONING HENDRIK. Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—
+Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?
+Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!
+Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,
+En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,
+Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.
+Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,
+Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,
+Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?
+Warwick is kanselier, beheerscht Calais,
+De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,
+De hertog is protector nu van ’t rijk,
+En acht ge u veilig? zulk een veiligheid
+Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.
+Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,
+Eer had ik door de krijgers op hun pieken
+Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit
+Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;
+Maar gij verkiest uw leven boven de eer;
+En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik
+Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat
+Dit parlementsbesluit vernietigd is,
+Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.
+De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,
+Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;
+En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,
+En ’t gansche huis van York ten ondergang.
+Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;
+Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! 256
+
+KONING HENDRIK. Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!
+
+KONING HENDRIK. Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?
+
+KONINGIN MARGARETHA. O ja! opdat de vijand hem vermoorde!
+
+PRINS. Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,
+Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!
+
+ (Koningin Margaretha en de Prins van Wales af.)
+
+KONING HENDRIK. Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde
+Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!
+God wreke haar op dezen boozen hertog,
+Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij
+De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar
+Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—
+Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;
+Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—
+Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.
+
+EXETER. En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een vertrek in het slot Sandal, nabij Wakefield.
+
+Edward, Richard en Montague komen op.
+
+RICHARD. Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—
+
+EDWARD. Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.
+
+MONTAGUE. Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.
+
+(York komt op.)
+
+YORK. Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?
+Waarover hebt gij twist en hoe begon die?
+
+EDWARD. Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.
+
+YORK. Waarom?
+
+RICHARD. Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:
+De kroon van England, die aan u behoort.
+
+YORK. Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.
+
+RICHARD. Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.
+
+EDWARD. Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;
+Laat gij de Lancasters op adem komen,
+Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. 14
+
+YORK. Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.
+
+EDWARD. Maar eeden mag men breken voor een kroon;
+Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.
+
+RICHARD. Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!
+
+YORK. Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.
+
+RICHARD. ’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.
+
+YORK. Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.
+
+RICHARD. Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij
+Een echte, wettige overheid hem afneemt,
+Die over hem, die zweert, gezag bezit;
+Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;
+Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—
+En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.
+Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,
+Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,
+Hoe in zijn omtrek een Elysium is,
+En elk geluk en heil, dat dichters malen.
+Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,
+Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,
+In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.
+
+YORK. Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—
+(Tot Montague) Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;
+Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—
+Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,
+En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—
+Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,
+Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;
+Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,
+Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.
+Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,
+Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,
+Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,
+Noch iemand van het huis van Lancaster?
+
+(Een Bode komt op.)
+
+Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?
+
+BODE. De koningin, met al de lords van ’t noorden,
+Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.
+Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;
+Versterk daarom uw veste goed, mylord.
+
+YORK. Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—
+Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—
+Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,
+En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,
+Die bij den koning als protectors bleven,
+Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,
+Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.
+
+MONTAGUE. Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; 60
+Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.
+
+ (Montague af.)
+
+(Sir John en Sir Hugo Mortimer komen op.)
+
+YORK. Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,
+Gij komt te goeder ure in Sandal aan;
+De macht der koningin wil ons beleeg’ren.
+
+SIR JOHN MORTIMER. Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.
+
+YORK. Wat! met vijfduizend man?
+
+RICHARD. Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;
+Een vrouw is generaal, wat is te duchten?
+
+(Een marsch in de verte.)
+
+EDWARD. Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;
+Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!
+
+YORK. Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;
+Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.
+In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,
+Waarin de vijand tien was tegen één;
+Waarom zou ik niet even goed nu slagen?
+
+ (Alarmsignalen.—Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Eene vlakte nabij slot Sandal.
+
+Krijgsgedruisch. Schermutselingen. Rutland en zijn Leermeester komen
+op.
+
+RUTLAND. Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?
+Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!
+
+(Clifford komt op, met Soldaten).
+
+CLIFFORD. Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;
+Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,
+Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.
+
+LEERMEESTER. Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.
+
+CLIFFORD. Soldaten, sleept hem weg.
+
+LEERMEESTER. O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,
+En maak u niet gehaat bij God en menschen.
+
+ (Hij wordt door soldaten weggevoerd.)
+
+CLIFFORD. Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,
+Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.
+
+RUTLAND. Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,
+Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;
+Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,
+Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—
+O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,
+En niet met zulk een wreeden, fellen blik.
+O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:
+Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;
+Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!
+
+CLIFFORD. Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed
+Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. 22
+
+RUTLAND. Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;
+Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.
+
+CLIFFORD. Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven
+En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.
+Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,
+Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,
+Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.
+Het zien van wien ook van het huis van York
+Is als een furie, die het hart mij foltert;
+En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,
+Geen leven sparend,—leef ik in de hel.
+Daarom,—
+
+RUTLAND. O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—
+Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!
+
+CLIFFORD. Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.
+
+RUTLAND. Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?
+
+CLIFFORD. Uw vader deed het wel.
+
+RUTLAND. Vóór mijn geboorte.
+Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,
+Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake
+Verslagen word’, zoo jammervol als ik.
+O, laat mij levenslang gevangen zijn,
+En geef ik ooit u grond tot ergernis,
+Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.
+
+CLIFFORD. Geen reden?
+Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+RUTLAND. Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.
+
+ (Hij sterft.)
+
+CLIFFORD. Plantagenet! ik kom, Plantagenet!
+Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,
+Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed
+Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.
+
+ (Clifford af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte der vlakte.
+
+Strijdgedruisch. York komt op.
+
+YORK. De macht der koningin behoudt het veld:
+Om mij te redden vielen beî mijn ooms;
+Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten
+Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,
+Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.
+Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;
+Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,
+Tot roem geboren, beide in dood en leven.
+Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,
+En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”
+En even vaak kwam Edward mij op zijde,
+Met purperroode kling, tot aan ’t gevest
+Met zijner weerpartijders bloed geverfd;
+En toen de meest geharde krijgers weken,
+Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”
+Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!
+Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”
+Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!
+Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan
+Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, 20
+Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.
+
+(Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.)
+
+Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;
+En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;
+En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.
+Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;
+’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.
+
+(Koningin Margaretha, Clifford, Northumberland, de jonge Prins van
+Wales en Soldaten komen op.)
+
+Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,
+Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede
+Blaas ik hier aan tot feller razernij.
+Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.
+
+NORTHUMBERLAND. Geef op genade u over, trotsche York.
+
+CLIFFORD. Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm
+Als afbetaling aan mijn vader schonk!
+Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld
+En deed het avond zijn op ’t middaguur.
+
+YORK. Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel
+Verwekken, die mij op u allen wreekt;
+En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,
+En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.
+Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?
+
+CLIFFORD. Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:
+Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;
+Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven
+Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.
+
+YORK. O Clifford, denk een oogenblik terug,
+En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,
+En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;
+Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,
+Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.
+
+CLIFFORD. Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,
+Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.
+
+(Hij trekt zijn zwaard.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen
+Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—
+
+(Clifford dringt op York steeds aan.)
+
+(Tot Northumberland.) Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!
+
+NORTHUMBERLAND. Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien 54
+Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.
+Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,
+De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,
+Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?
+’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;
+Tien tegen een werpt op den moed geen smet.
+
+(Soldaten grijpen York aan, die zich verzet.)
+
+CLIFFORD. Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.
+
+NORTHUMBERLAND. Zoo trappelt het konijntje in het net.
+
+(York wordt gevangen genomen.)
+
+YORK. Zoo juub’len dieven om een goeden buit;
+Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.
+
+NORTHUMBERLAND. Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,
+Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,
+Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,
+Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—
+Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,
+Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,
+Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?
+Waar is uw viertal zoons om u te steunen?
+De dartele Edward en de lachbek Clarence!
+En waar het dapp’re kromme wangedrocht,
+Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg
+Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?
+En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?
+Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,
+Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards
+Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;
+Indien uw oogen om hem schreien kunnen,
+Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.
+
+(Zij werpt hem den doek toe.)
+
+Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat
+Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.
+Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.
+Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,
+Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?
+Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;
+Ik hoon u zoo, om razend u te maken;
+Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!
+O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;
+York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—
+Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—
+Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.
+
+(Zij zet York een papieren kroon op het hoofd.)
+
+Ja, nu ziet hij er als een koning uit!
+Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;
+Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—
+Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet 99
+Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?
+Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,
+Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.
+En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,
+Zijn slapen van den diadeem berooven,
+Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?
+O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—
+Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!
+Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!
+
+CLIFFORD. Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.
+
+YORK. Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,
+Wier tong meer gift heeft dan een addertand!
+Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus
+Te juub’len als een Amazone-snol
+Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!
+Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,
+Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,
+Ik zou beproeven, trotsche koningin,
+Een blos u aan te jagen, want te zeggen
+Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg
+Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.
+Uw vader draagt den koningstooi van Napels,
+De twee Siciliën en Jeruzalem,
+Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;
+Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?
+Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,
+Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar
+Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”
+Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;
+Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.
+’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;
+Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.
+’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;
+Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.
+Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,
+Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,
+Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.
+O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!
+Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,
+Opdat de vader de oogen er mee wischte,
+En toch het uitzicht hebben van een vrouw?
+Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,
+Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.
+Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.
+Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.
+Want storm, die raast, blaast zware buien saam,
+En als het razen luwt, dan komt de regen.
+Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,
+En elke druppel schreeuwt om wraak op u,
+Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!
+
+NORTHUMBERLAND. Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, 150
+Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.
+
+YORK. Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,
+Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;
+Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,
+Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.
+Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!
+Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,
+En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;
+Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;
+
+(Hij werpt den doek terug.)
+
+En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,
+Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,
+Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,
+En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—
+Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,
+
+(Hij werpt de papieren kroon neer.)
+
+En vind, in uwen nood, denzelfden troost,
+Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—
+Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—
+Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!
+
+NORTHUMBERLAND. Al had hij allen van mijn bloed geslacht,
+Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,
+Nu ik dien diepen zielejammer zie.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!
+Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;
+Dit zal die weeke tranen ras u drogen.
+
+CLIFFORD. Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!
+
+(Hij doorsteekt York.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!
+
+(Zij doorsteekt York mede.)
+
+YORK. Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!
+Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.
+
+ (Hij sterft.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;
+Zoo overblikke York zijn veste York.
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+Een vlakte bij Mortimer’s Kruis in Herefordshire.
+
+Een marsch. Edward en Richard komen op, met hun troepen.
+
+EDWARD. Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn?
+En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet,
+Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging?
+Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend;
+Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend;
+Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij
+De blijde tijding zeker reeds vernomen.—
+Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?
+
+RICHARD. Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet,
+Wat onzen dapp’ren vader is bejegend.
+Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf,
+Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas.
+Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang,
+Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren,
+Of als een beer, van honden gansch omringd,
+Die enk’len met een klauwslag janken doet,
+Zoodat de rest uit verre verte keft.
+Zoo deed daar onze vader met den vijand;
+Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader;
+Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.—
+Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort
+Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt;
+Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid
+Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!
+
+EDWARD. Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? 25
+
+RICHARD. Drie schitterzonnen, elk een gansche zon,
+Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden,
+Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw.
+Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar,
+Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld;
+Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon!
+Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!
+
+EDWARD. Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords.
+Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld,
+Waar wij, de zoons van den krijgshaften York,
+Schoon ieder stralend met ons eigen licht,
+Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard
+Bestralen moeten, als de zon ’t heelal.
+Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild
+Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.
+
+RICHARD. Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,—
+Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt,
+Dat booze tijding op de tong u zweeft?
+
+BODE. Ach, een, die diep ontsteld getuige was,
+Hoe de eed’le hertog York verslagen werd,
+Uw hooge vader, mijn beminde heer.
+
+EDWARD. O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.
+
+RICHARD. Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. 49
+
+BODE. Omsingeld was hij van des vijands benden
+En wederstond hen, als eens Troje’s schuts
+De Grieken, die in Troje wilden dringen.
+Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules,
+En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen
+Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik.
+Een tal van handen overmande uw vader;
+Doch hem vermoordde alleen de gramme hand
+Des fellen Clifford’s, en der koningin.
+Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte
+Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende,
+Gaf hem de deernislooze koningin,
+Opdat hij zich de wangen er mee wischte,
+Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt
+Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford,
+En na veel hoon en lagen, fellen spot
+Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort
+Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet;
+De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!
+
+EDWARD. Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden!
+Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut!
+O Clifford, felle Clifford! gij versloegt
+De bloem der ridderschap van gansch Europa;
+’t Was door verraad, dat gij hem overmocht;
+Man tegen man had hij wis u verwonnen.
+Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker;
+O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam
+In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd!
+Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken;
+Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!
+
+RICHARD. Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten
+Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart;
+Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen,
+Want de adem, die tot spreken dienen moest,
+Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen
+Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen.
+Het weenen maakt den weedom minder diep;
+Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!—
+Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood;
+Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!
+
+EDWARD. De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u;
+Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.
+
+RICHARD. Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend,
+Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht!
+Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel;
+Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.
+
+(Een marsch. Warwick en Montague komen op, met hun troepen.)
+
+WARWICK. Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? 96
+
+RICHARD. O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws
+Verhalen moesten en bij ieder woord
+Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind,
+Der woorden pijn ware erger dan de wonden.
+O dapp’re lord, de hertog York is dood.
+
+EDWARD. O Warwick, Warwick! die Plantagenet,
+Die u zoo lief had als zijn eigen ziel,
+Is door den wreeden Clifford omgebracht.
+
+WARWICK. Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds
+In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren,
+Door ’t melden van wat verder is geschied.
+Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader,
+De wakk’re held, den laatsten adem uitblies,
+Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden,
+Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden.
+Ik, die in Londen ’s konings hoeder was,
+Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam,
+En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust,
+Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten,
+En nam tot zekerheid den koning meê;
+Want mijn spionnen hadden mij gemeld,
+Dat zij in ’t veld was met het vast besluit
+Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht
+En Hendriks eed, geheel te niet te doen.
+Om kort te gaan, wij werden handgemeen
+Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig;
+Maar, of het nu des konings koelheid was,
+Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte,
+Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam;
+Of het gerucht misschien van haar geluk;
+Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid,
+Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert,
+Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden,
+Hùn vechten was een bliks’men met de wapens,
+En onze slagen,—zacht als uilenwieken,
+Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen
+Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen.
+Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht,
+Beloften van hoog loon en rijken buit;—
+Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten,
+En ons de hoop om zoo te zegevieren.
+Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade,
+Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,—
+Spoorslags hierheen, om u thans te versterken,
+Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken
+Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.
+
+EDWARD. Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk?
+En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?
+
+WARWICK. Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen,
+En George, uw broeder, werd door uwe moei,
+Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden
+Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.
+
+RICHARD. Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; 148
+Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen,
+Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.
+
+WARWICK. En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort;
+Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist
+Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks,
+Den hoogen scepter uit de hand hem wringt,
+Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk,
+Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.
+
+RICHARD. Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet;
+Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken.
+Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd?
+Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen,
+In zwarten rouw ons hullen, en met kralen
+De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden?
+Of zullen we op der weerpartijders helmen
+Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen?
+Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!
+
+WARWICK. Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord;
+En hiertoe komt mijn broeder Montague.
+Geeft acht, mylords. De drieste koningin
+Heeft reeds, met Clifford en Northumberland
+En and’re trotsche vogels van die veêren,
+Den weeken koning omgekneed als was.
+Bezworen werd door hem uw erfopvolging,
+Zijn eed werd bij het parlement geboekt;
+En nu is hun geheele troep naar Londen,
+Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn,
+Wat aan het huis van Lancaster kan schaden.
+Hun macht is, meen ik, dertigduizend man;
+Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf
+Met alle vrienden, wakk’re graaf van March,
+Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen,
+Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,—
+Welaan, naar Londen dan met alle macht,
+Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen,
+Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!”
+Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!
+
+RICHARD. Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken.
+Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’,
+Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.
+
+EDWARD. Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen;
+Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!—
+Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!
+
+WARWICK. Niet langer graaf van March, maar hertog York;
+De rang, die volgt, is Englands hooge troon;
+Tot Englands koning roepen wij u uit
+In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert;
+En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt,
+Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd,
+Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,—
+Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem;
+Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!
+
+RICHARD. Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, 201
+Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden,
+Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.
+
+EDWARD. Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+WARWICK. Wat meldt gij? spreek!
+
+BODE. Mylord van Norfolk boodschapt u door mij:
+De koningin rukt aan met groote macht;
+Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.
+
+WARWICK. Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Voor de stad York.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, de Prins van
+Wales, Clifford en Northumberland komen op, met trommen en trompetten.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Heer, welkom voor de goede stad van York!
+Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel,
+Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven;
+Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?
+
+KONING HENDRIK. Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht;
+Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.—
+Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet,
+En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.
+
+CLIFFORD. Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid,
+Dit schaad’lijk medelijden van u af.
+Wien werpen leeuwen zachte blikken toe?
+Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen.
+Wien likt wel de berin des wouds de hand?
+Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft.
+Of wie ontgaat den giftbeet van de slang?
+Niet hij, die haar den voet zet op den rug.
+De kleinste worm verheft, getrapt, den kop;
+En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt.
+Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon;
+Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste.
+Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader,
+Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien;
+Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend,
+Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn,
+Een vader u getoond, die niet beminde.
+Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel;
+En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’,
+Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen,
+Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len,
+Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht,
+Den man bestrijden, die hun nest beklom, 31
+Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen?
+O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld;
+Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap
+Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven,
+En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:—
+„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven,
+Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!”
+O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap;
+Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege
+Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart,
+Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!
+
+KONING HENDRIK. Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst
+En voerde gronden aan van groot gewicht.
+Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord,
+Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt?
+En is het dien zoon altijd wel gegaan,
+Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle?
+Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden;
+O had ik ook zooveel, niets meer geërfd!
+Want al het oov’rige is slechts een bezitting,
+Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg,
+Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt.
+Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten,
+Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Heer, opgeruimd! de vijand is nabij;
+Die weeke stemming maakt uw volgers zwak.
+Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan;
+Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.—
+Kniel neder, Edward.
+
+KONING HENDRIK. Edward Plantagenet, sta op als ridder;
+En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.
+
+PRINS. Mijn vader, met uw koninklijk verlof,
+Ik wil het als uw troonopvolger trekken,
+En in dien strijd het voeren tot den dood.
+
+CLIFFORD. Voorwaar, gesproken als een echte prins!
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Doorluchte legerhoofden, weest bereid;
+Want met een macht van dertigduizend man
+Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York,
+En roept hem, in de steden, die hij doortrekt,
+Tot koning uit, en velen vloeien toe;
+Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.
+
+CLIFFORD. Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet;
+De koningin slaagt beter in uw afzijn.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.
+
+KONING HENDRIK. Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. 76
+
+NORTHUMBERLAND. Dan zij het met het vast besluit tot vechten.
+
+PRINS. Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords
+En allen aan, die voor uw rechten strijden;
+Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”
+
+(Getrommel. Edward, George, Richard, Warwick, Norfolk en Montague komen
+op, met troepen.)
+
+EDWARD. Meineedig koning, knielt gij om genade,
+En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem,
+Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap!
+Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren,
+Hier voor uw souverein en rechten koning?
+
+EDWARD. Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen.
+Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit,
+Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor,
+Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen,
+Veeleer de koning zijt, hem opgezet,
+Bij parlementsbesluit mij uit te vagen,
+En te vervangen door zijn eigen zoon.
+
+CLIFFORD. En dat terecht; wie zou
+Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?
+
+RICHARD. Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.
+
+CLIFFORD. Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord,
+U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.
+
+RICHARD. Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?
+
+CLIFFORD. Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.
+
+RICHARD. Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!
+
+WARWICK. Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken?
+Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden
+Uw beenen beter dan uw handen dienst.
+
+WARWICK. Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.
+
+CLIFFORD. Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.
+
+WARWICK. Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.
+
+NORTHUMBERLAND. En uw manhaftigheid weerhield u niet.
+
+RICHARD. Northumberland, u houd ik gaarne in eere.—
+Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode
+Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen
+Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.
+
+CLIFFORD. Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?
+
+RICHARD. Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; 114
+Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;—
+Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.
+
+KONING HENDRIK. Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.
+
+KONING HENDRIK. Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan;
+Ik ben een koning, spreken is mijn recht.
+
+CLIFFORD. Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond,
+Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.
+
+RICHARD. Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem,
+Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker.
+Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.
+
+EDWARD. Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet?
+Een duizend man, die nog ontbeten, proeven
+Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.
+
+WARWICK. En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd?
+Want York gespt voor het recht het harnas aan.
+
+PRINS. Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan
+Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.
+
+RICHARD. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder;
+Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.
+
+KONINGIN MARGARETHA. En gij gelijkt op vader noch op moeder,
+Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen,
+Geteekend door het lot, dat men u mijde
+Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.
+
+RICHARD. Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt,
+Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,—
+Alsof een goot ooit zee geheeten werd!—
+Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet,
+Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?
+
+EDWARD. Een stroowisch ware een duizend kronen waard,
+Als zij die prij zichzelve kennen leerde!
+Veel schooner was de Grieksche Helena,
+Al moge uw gade ook Menelaüs zijn;
+Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder
+Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet.
+Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk,
+Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen;
+En ware hìj naar zijnen rang gehuwd,
+Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd;
+Maar bedgenoot werd hem een beed’lares,
+Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader;
+En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam,
+Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde,
+En op zijn kroon hier oproer samenbracht.
+Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots?
+Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen;
+Uit deernis met den zachten koning hadden
+Wij onzen eisch tot later uitgesteld. 162
+
+GEORGE. Maar onze zonneschijn schonk u een lente,
+En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei;
+Dies legden we aan den vreemden stam onze aks;
+En schoon de snede onszelf een weinig trof,
+Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving,
+Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld,
+Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.
+
+EDWARD. Aldus besloten, daag ik u ten strijde,
+En ik versmaad elk verder mondgesprek,
+Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.—
+Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen!
+Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoor, Edward!
+
+EDWARD. Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden!
+Tienduizend levens kost dit twisten heden.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een slagveld bij Towton.
+
+Strijdgedruisch. Schermutselingen. Warwick komt op.
+
+WARWICK. Van strijden mat, als renners na den wedloop,
+Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen;
+De ontvangen slagen, weergegeven houwen
+Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht;
+En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.
+
+(Edward komt in vliegende haast op.)
+
+EDWARD. Tref, booze dood, of goede hemel, red mij!
+Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.
+
+WARWICK. Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?
+
+(George komt op.)
+
+GEORGE. De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop;
+Doorbroken is ons heer en onheil naakt.
+Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?
+
+EDWARD. Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld;
+En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!
+
+(Richard komt op.)
+
+RICHARD. O Warwick, waarom trekt gij u terug?
+Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed,
+Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt;
+En in den laatsten doodstrijd riep hij nog,
+Dof als een onheilspellend ver gedreun:
+„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!”
+Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die
+Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed,
+Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. 22
+
+WARWICK. Dan worde de aarde dronken van ons bloed;
+Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil.
+Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen,
+En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast;
+En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel
+Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak?
+Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven,
+Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets,
+Aleer de dood deze oogen heeft geloken,
+Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.
+
+EDWARD. O, Warwick, hier buig ik met u de knie,
+En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!—
+En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat,
+Werp ik mijn oog en hart en hand tot U,
+U, grooten koningsschepper en verdelger,
+En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit,
+Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,—
+Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’,
+Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’!
+En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien,
+’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.
+
+RICHARD. Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick,
+’k Omvange u met mijn moegestreden armen!
+Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen,
+Dat winter onze lentezon doet tanen.
+
+WARWICK. Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!
+
+GEORGE. Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers;
+Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden,
+Hen noemen we onze pijlers; en aan hen
+Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd
+Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel.
+Dit plant wellicht in lauwe harten moed;
+Want hoop op leven is er en op zege.—
+Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Schermutselingen. Richard en Clifford komen op.
+
+RICHARD. Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij.
+Deze arm, denk dit, is voor den hertog York,
+En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd,
+Al waart ge omsloten van een bronzen muur.
+
+CLIFFORD. Nu, Richard, ben ik hier met u alleen.
+Ja, deze hand doorstak uw vader York,
+En deze hand versloeg uw broeder Rutland,
+En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood,
+En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder,
+Den lust geeft om u evenzoo te rechten.
+Dus: weer u!
+
+ (Zij vechten. Warwick komt. Clifford vlucht.)
+
+RICHARD. Neen, Warwick, lees een ander wild u uit;
+Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. 13
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Krijgsrumoer. Koning Hendrik komt op.
+
+KONING HENDRIK. Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd,
+Als stervend donker kampt met groeiend licht,
+Wanneer de herder, op zijn nagels blazend,
+Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht.
+Nu zwaait het dien weg, als een groote zee,
+Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen,
+Dan dezen weg uit, als dezelfde zee,
+Teruggedreven door de macht des winds;
+Nu wint de vloed den strijd en dan de wind,
+Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst;
+Beide om de zege worst’lend, borst aan borst,
+Geen overwinnaar nog, geen overwonnen;
+Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds.
+Ik wil me op dezen molshoop nederzetten.
+Waar God ze geven wil, daar zij de zege!
+Want Margaretha heeft, en Clifford ook,
+Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend,
+Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt.
+O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood!
+Want wat is de aard, dan enkel leed en nood?
+O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot,
+Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder,
+Te zitten op een heuvel als ik hier,
+En zonnewijzers kunstig uit te snijden,
+Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden,
+Hoeveel er van te zaam een uur voltooien.
+En hoeveel uren voor een dag verloopen,
+Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is,
+En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft.
+En dan, is dit erkend, den tijd te deelen,
+Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden,
+En zooveel uren moet ik aan mijn rust,
+En zooveel uur aan overdenking wijden,
+En zooveel uren geven aan vermaak,
+En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig,
+En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren,
+En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren;
+Minuten, uren, dagen, maanden, jaren,
+Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel,
+En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf.
+Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk!
+Verleent het doornebosch niet aan den herder,
+Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw,
+Dan op den troon een rijkgestikte hemel
+Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht?
+O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet.
+En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel,
+Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch,
+Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer,
+Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet,
+Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, 51
+Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker,
+Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd,
+Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.
+
+(Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het
+lijk.)
+
+ZOON. Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt!
+De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg,
+Kan licht een buidel kronen bij zich hebben;
+En ik, die bij geluk hem die ontneem,
+Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven,
+Een ander afstaan, als de doode aan mij.
+Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders,
+Dien ik onwetend in den strijd versloeg!
+O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt!
+Men preste mij te Londen voor den koning;
+Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick,
+Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York;
+En ik, die ’t leven eens van hem ontving,
+Heb met mijn hand het leven hem benomen!—
+Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;—
+Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.—
+Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg;
+En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!
+
+KONING HENDRIK. O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed!
+Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren,
+Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist.
+Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan;
+Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist,
+Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!
+
+(Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn
+armen.)
+
+VADER. Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt,
+Geef mij uw goud, indien gij goud bezit;
+Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen.
+Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands?
+O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!—
+O kind, zoo er nog leven in u is,
+Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen,
+Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden,
+Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!—
+Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!—
+O welke daden, gruw’lijk en moorddadig,
+Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk,
+Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!—
+O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven,
+Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!
+
+KONING HENDRIK. Wee boven wee! leed boven ander leed!
+O, dat mijn dood die gruw’len einden kon!
+Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!—
+De roode en witte roos zijn op zijn kaak,
+Die onheilskleuren onzer booze huizen; 98
+Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur,
+Op de andere al te wel zijn bleeke wang;
+Één roos verwelke, en moge de andre bloeien!
+Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!
+
+ZOON. Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood,
+Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!
+
+VADER. Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon,
+Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!
+
+KONING HENDRIK. Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen,
+Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!
+
+ZOON. Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?
+
+VADER. Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?
+
+KONING HENDRIK. Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd?
+Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.
+
+ZOON. Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.
+
+ (De Zoon af met het lijk.)
+
+VADER. Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,—
+Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht,
+Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten.
+Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt;
+En even diepe rouw bedrijft uw vader
+Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind,
+Als Priamus om al zijn dapp’re zoons.
+Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht
+En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.
+
+ (De Vader af, met het lijk.)
+
+KONING HENDRIK. Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij,
+Hier zit een koning, met meer wee dan gij.
+
+(Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin Margaretha, de Prins van
+Wales en Exeter komen op.)
+
+PRINS. Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden,
+En Warwick raast als een getergde stier.
+IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar
+Berwick;
+Edward en Richard,—als twee hazenwinden,
+Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien,
+Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len,
+Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd,
+Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!
+
+EXETER. Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak;
+Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed;
+Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.
+
+KONING HENDRIK. Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt 137
+Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik
+De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+Aldaar.
+
+Heftig krijgsrumoer. Clifford komt op, gewond.
+
+CLIFFORD. Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij,
+Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen.
+O Lancaster! nu vrees ik uwen val,
+Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel!
+Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden,
+Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging,
+Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York.
+Waar vliegen muggen heen, dan in de zon?
+En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders?
+O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend,
+Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende,
+Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid!
+En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht,
+Gelijk uw vader en zijn vader deden,
+En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven,
+Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen;
+Ik en tienduizend in dit arme rijk,
+Wij lieten thans geen droeve weeuwen na,
+En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon.
+Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht?
+En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?—
+Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden.
+Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer!
+De vijand kent geen deernis, geen erbarmen,
+Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen!
+De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in,
+En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.—
+Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders;
+Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!
+
+(Hij bezwijmt.)
+
+(Strijdgedruisch en terugtocht. Edward, George, Richard, Montague,
+Warwick en Troepen komen op.)
+
+EDWARD. Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk
+Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd
+Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.—
+Een deel vervolg’ de felle koningin;
+Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning,
+Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind,
+Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen.
+Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?
+
+WARWICK. Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is;
+Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,—
+Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf;
+En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.
+
+ (Clifford steunt en sterft.)
+
+EDWARD. Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? 42
+
+RICHARD. Een snik, als vlood het leven voor den dood.
+
+EDWARD. Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu
+’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.
+
+RICHARD. Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t;
+Die niet tevreden, dat hij zulk een tak
+Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef,
+Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg,
+Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,—
+Ik meen, aan onzen hoogen vader York.
+
+WARWICK. Neem van de poort van York dat hoofd nu af,
+Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant;
+En neme zijne plaats dit hoofd nu in,
+Want maat voor maat moet de vergelding zijn.
+
+EDWARD. Brengt hier die booze nachtuil van ons huis,
+Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste;
+Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied,
+En de onheilstaal van zijne tong verstomde.
+
+(Het lijk wordt naar voren gedragen.)
+
+WARWICK. Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.—
+Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?—
+’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht;
+Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.
+
+RICHARD. O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet;
+Het is misschien een list, zich dood te veinzen,
+Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga,
+Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.
+
+GEORGE. Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.
+
+RICHARD. Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.
+
+EDWARD. Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!
+
+WARWICK. Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!
+
+GEORGE. Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.
+
+RICHARD. York was u lief, en ik ben zoon van York.
+
+EDWARD. Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.
+
+GEORGE. Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.
+
+WARWICK. Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.
+
+RICHARD. Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford
+Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— 78
+Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God!
+Kon ik hem zoo twee uren levens koopen,
+Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen,
+Ik hakte mij de hand af en verstikte
+Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst
+Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.
+
+WARWICK. Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af,
+En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat.
+En nu naar Londen voorwaarts in triomf,
+En laat tot Englands koning fluks u kronen.
+Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over,
+En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin.
+Zoo knoopt gij beide landen innig saam,
+En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand,
+Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan;
+Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan,
+Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen.
+Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek
+Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk
+Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.
+
+EDWARD. Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick;
+Want op uw schouders bouw ik mijnen troon,
+En nimmer onderneem ik een’ge zaak,
+Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.—
+Richard, tot hertog maak ik u van Gloster,
+George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf,
+Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.
+
+RICHARD. Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster;
+Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.
+
+WARWICK. O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet
+Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen,
+Daar al onze eer nu in bezit genomen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Een jachtveld in Noord-Engeland.
+
+Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte,
+Want op deze open plek komt steeds het wild;
+Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht,
+En lezen zoo het schoonste hert ons uit.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog
+Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot.
+Neen, samen staan wij hier en doen ons best.
+En om den tijd van ’t wachten u te korten,
+Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats,
+Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.
+
+(Koning Hendrik komt op, vermomd, met een gebedenboek.)
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij
+is.
+
+KONING HENDRIK. Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, 13
+Om liefdevol mijn eigen land te groeten.
+Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u,
+Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen,
+Die balsem, die u heiligde, afgewischt;
+Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen,
+Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen,
+Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken;
+Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Ziedaar een hert, welks huid den jager loont;
+De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.
+
+KONING HENDRIK. ’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen;
+Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.
+
+KONING HENDRIK. Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp;
+En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik,
+Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster
+Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo,
+Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite;
+Want Warwick is een schrander redenaar,
+En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk.
+Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen;
+Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard;
+Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst,
+Met tranen dringt zij in een steenen hart; 38
+Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht,
+En Nero wordt geroerd van deernis, als hij
+Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet.
+’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven;
+Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen,
+Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward.
+Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet;
+Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond;
+Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart,
+Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt,
+En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind
+Den koning overreedt, haar niet te hooren,
+Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen,
+Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot.
+Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme
+Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen
+En koninginnen praat? 55
+
+KONING HENDRIK. Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest;
+Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn?
+En van een koning mag een mensch toch praten?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.
+
+KONING HENDRIK. Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?
+
+KONING HENDRIK. Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd,
+Met Indische edelsteenen niet bezet,
+Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid,
+Een kroon zooals een koning zelden draagt.
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Goed, koning van tevredenheid, wees dan
+Nu met uw kroon tevredenheid tevreden
+En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij
+De koning, afgezet door koning Edward;
+En wij, onze’ eed als onderdanen trouw,
+Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.
+
+KONING HENDRIK. En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.
+
+KONING HENDRIK. Waar waart gij, toen ik koning was van England?
+
+TWEEDE BOSCHWACHTER. Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.
+
+KONING HENDRIK. Als kind van negen maanden werd ik koning,
+Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren;
+Gezworen onderdanen waart gij mij;
+En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Neen, zeker niet; wij waren onderdanen;
+Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.
+
+KONING HENDRIK. Wat! ben ik dood? En adem als een mensch?
+Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert!
+Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas,
+En de adem van den wind het mij terugblaast,
+En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas,
+En ook weer toegeeft, als een ander blaast,
+Steeds door de sterker strooming meegevoerd,
+Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— 89
+Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde
+Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn.
+Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last;
+Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.
+
+KONING HENDRIK. Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn,
+Als hij op koning Edward’s troon weer zat.
+
+EERSTE BOSCHWACHTER. In naam van God, en ’s konings naam, kom mede;
+Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.
+
+KONING HENDRIK. In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings
+Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond;
+En wat God wil, dat moge uw koning doen;
+In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koning Edward, Gloster, Clarence en Lady Grey komen op.
+
+KONING EDWARD. Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe
+Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag
+Van Sint-Albaans gevallen en zijn land
+Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar.
+Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land,
+Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen,
+Omdat de waardige edelman zijn leven
+Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.
+
+GLOSTER. Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan;
+Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.
+
+KONING EDWARD. ’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Ei, staat het zoo?
+De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan,
+Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij kent de jacht; wat volgt hij goed
+het spoor!
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Stil nu!
+
+KONING EDWARD. ’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw,
+Kom dus een andermaal het antwoord hooren.
+
+LADY GREY. Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden;
+’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven,
+En wat u zal behagen is mij goed.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw
+land,
+Indien wat hem behaagt, u wel bevalt.
+Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Voor haar ben ik niet bang, als zij
+niet valt. 24
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Verhoede God, dat ware een kans voor
+hem!
+
+KONING EDWARD. Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind
+van haar.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Mijn kop af, liever geeft hij haar er
+twee.
+
+LADY GREY. Drie, mijn doorluchte heer.
+
+GLOSTER (ter zijde). Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.
+
+KONING EDWARD. Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.
+
+LADY GREY. Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.
+
+KONING HENDRIK. Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje
+toetsen.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten,
+Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.
+
+(Gloster en Clarence treden terug.)
+
+KONING EDWARD. En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?
+
+LADY GREY. Ja, even lief als ik mijzelve heb.
+
+KONING EDWARD. En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?
+
+LADY GREY. Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.
+
+KONING EDWARD. Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.
+
+LADY GREY. Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.
+
+KONING EDWARD. Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.
+
+LADY GREY. Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.
+
+KONING EDWARD. Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?
+
+LADY GREY. Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.
+
+KONING EDWARD. Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.
+
+LADY GREY. Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.
+
+KONING EDWARD. ’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.
+
+LADY GREY. Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. 49
+
+GLOSTER (tot Clarence ter zijde). Hij dringt haar sterk; veel regen
+holt den steen.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Zoo rood als vuur! zoo moet haar was
+wel smelten.
+
+LADY GREY. Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?
+
+KONING EDWARD. Een lichten dienst, een koning te beminnen.
+
+LADY GREY. Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.
+
+KONING EDWARD. Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.
+
+LADY GREY. Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.
+
+(Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.)
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Beklonken! zie, die buiging is het
+zegel.
+
+KONING EDWARD. Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.
+
+LADY GREY. Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.
+
+KONING EDWARD. Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin;
+Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?
+
+LADY GREY. Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden,
+Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.
+
+KONING EDWARD. Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.
+
+LADY GREY. Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.
+
+KONING EDWARD. Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.
+
+LADY GREY. Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch
+Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.
+
+KONING EDWARD. Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.
+
+LADY GREY. Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.
+
+KONING EDWARD. Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.
+
+LADY GREY. Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed;
+Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.
+
+KONING EDWARD. Aldus doet gij uw kindren veel te kort.
+
+LADY GREY. Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort.
+Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim
+Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek;
+Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.
+
+KONING EDWARD. Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede;
+Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.
+
+LADY GREY. Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. 81
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De weduw wil hem niet; zij fronst de
+wenkbrauw.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Geen christenmensch maakte ooit zoo
+plomp het hof.
+
+KONING EDWARD (ter zijde). Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik;
+Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord;
+Zoo schoone gaven eischen vorstenrang;
+Een koning is zij waardig, zus of zoo,
+’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.—
+(Tot Lady Grey.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?
+
+LADY GREY. ’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen;
+Ik deug als onderdaan misschien tot scherts,
+Maar nimmer toch om koningin te zijn.
+
+KONING EDWARD. Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon,
+Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent;
+Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.
+
+LADY GREY. En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil.
+Ik weet, ik ben te laag voor koningin,
+Maar toch te goed voor liefje van een koning.
+
+KONING EDWARD. Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.
+
+LADY GREY. ’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons
+U vader gingen noemen.
+
+KONING EDWARD. Neen, niet meer,
+Dan zoo u mijne dochters moeder noemen.
+Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk;
+En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel,
+Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak,
+De vader van een tal van zoons te zijn.
+Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). De vrome heer is klaar, de biecht
+gehoord.
+
+CLARENCE (ter zijde tot Gloster). Toen hij biechtvader werd, was list
+aan ’t woord.
+
+KONING EDWARD. Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?
+
+GLOSTER. Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.
+
+KONING EDWARD. Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?
+
+CLARENCE. Voor wien, mylord?
+
+KONING EDWARD. Wel, Clarence, voor mijzelf.
+
+GLOSTER. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.
+
+CLARENCE. Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.
+
+GLOSTER. Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. 114
+
+KONING EDWARD. Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u,
+Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt.
+
+(Een Edelman komt op.)
+
+EDELMAN. Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat,
+En als gevang’ne hier voor uw paleis.
+
+KONING EDWARD. Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—
+
+ (De Edelman af.)
+
+En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft,
+Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.—
+Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.
+
+ (Allen af, behalve Gloster.)
+
+GLOSTER. Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.—
+Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles,
+Opdat geen groene spruit uit zijne lenden
+Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag!
+Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,—
+Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,—
+Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward,
+En al hun onverhoopte lijflijke erven,
+En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is;
+Een killende overweging bij mijn plan!
+Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk,
+Als een, die op een voorgebergte staat
+En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht,
+En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog,
+De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt,
+Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen;
+Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon,
+En kijf op al wat mij van haar terughoudt,
+En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen,
+En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is.
+Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest,
+Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren.
+Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard,
+Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan?
+Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot,
+In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re
+De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;—
+Armzalige inval, minder nog bereikbaar,
+Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen!
+De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf;
+En, opdat ik haar zachte wet zou derven,
+Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht
+Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len
+Gelijk een dorre struik, om op mijn rug
+Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid
+Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt;
+Om mij de beenen ongelijk te vormen,
+Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden,
+Als aan een warklomp of een berenwelp,
+Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt.
+En ben dan ik een man, die liefde wekt?
+O razernij, ooit zulk een waan te voeden! 164
+Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt
+Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen,
+Die schooner van gestalte zijn dan ik,
+Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen,
+En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen,
+Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd
+Omtuind is van een glorierijke kroon.
+Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang,
+Want vele levens scheiden mij van ’t doel.
+Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,—
+De dorens scheurend, zelf er door geschramd,—
+Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert,
+Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt,
+Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,—
+Zoo martel ik mij af om Englands kroon;
+En van die mart’ling wil ik mij bevrijden,
+Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks.
+Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,
+En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft,
+En kunstig mijn gelaat met tranen vochten,
+Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds.
+’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf,
+Meer kijkers dooden dan de basilisk,
+Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen,
+Bedriegen, fijner dan Ulysses deed,
+Een Sinon zijn en nog een Troje nemen;
+Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen,
+Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs;
+Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;—
+En zou een kroon mij onbereikbaar zijn?
+Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!
+
+ (Gloster af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Frankrijk. Een staatsievertrek in het koninklijk paleis.
+
+Trompetgeschal. Koning Lodewijk en prinses Bona komen op, met Gevolg.
+De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin Margaretha,
+Prins Edward en de Graaf van Oxford.
+
+KONING LODEWIJK (opstaande). Doorluchte, schoone koningin van England,
+Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst,
+Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, groote koning, Margaretha moet
+Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen,
+Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte
+’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd,
+Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden,
+Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet
+Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu,
+En ik mij schikken in mijn lage plaats.
+
+KONING LODEWIJK. Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult,
+Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt.
+
+KONING LODEWIJK. Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, 15
+En zet u naast ons. (Beiden gaan zitten.) Buig den nek toch niet
+Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave
+Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort;
+Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed;
+Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest
+En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken.
+Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust,
+Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart,
+In plaats van koning nu een vlucht’ling is,
+In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet,
+Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York,
+Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd
+Van Englands echtgezalfden, rechten koning.
+Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha,
+Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon,
+Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend;
+Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop;
+Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet;
+In England zijn èn pairs èn volk verleid,
+De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid;
+En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid.
+
+KONING LODEWIJK. Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm,
+Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand.
+
+KONING LODEWIJK. Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, ongeduld verzelt steeds waren kommer;
+En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan.
+
+(Warwick komt op, met Gevolg.)
+
+KONING LODEWIJK. Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon?
+
+KONINGIN MARGARETHA. De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend.
+
+KONING LODEWIJK. Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons?
+
+(De Koning komt van den troon af. Koningin Margaretha staat op.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wee! nu begint een tweede storm te woeden;
+Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht!
+
+WARWICK. De roemrijke Edward, koning thans van Albion,
+Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend,
+Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde,
+Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten,
+Voorts aan te dringen op een vriendschapsband,
+En dan nog, om die vriendschap te versterken,
+Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen,
+Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona,
+Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58
+
+WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege
+Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig
+De hand u kussen en u met mijn tong
+Den gloed beschrijven van mijns meesters hart,
+Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend,
+Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan,
+Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek
+Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde,
+Alleen uit arglist, door den nood verwekt;
+Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis,
+Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt?
+Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk,
+Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven,
+Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon.
+Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt,
+Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd;
+Want een geweld’naar moge een wijle heerschen,
+God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.
+
+WARWICK. Smaadzieke Margaretha!
+
+PRINS. Waarom niet koningin?
+
+WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij
+Zoo min een prins, als zij een koningin.
+
+OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent,
+Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet,
+En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik,
+Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs,
+En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik,
+Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd;
+Van deze reeks stamt onze Hendrik af.
+
+WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede
+Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik
+Al wat de vijfde Hendrik won, verloor?
+Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier
+De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij
+Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets
+Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.
+
+OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij
+Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft,
+En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?
+
+WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98
+Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms?
+Laat Hendrik varen en noem Edward koning.
+
+OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis
+Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere,
+Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader,
+En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds
+Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had?
+Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft,
+Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.
+
+WARWICK. En ik aan ’t huis van York.
+
+KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford,
+Op ons verzoek een poos ter zij te treden,
+Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.
+
+KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’!
+
+(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.)
+
+KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af,
+Is Edward waarlijk koning, want ik knoop
+Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.
+
+WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.
+
+KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks?
+
+WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.
+
+KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk
+De mate van de liefde, die hij voedt
+Voor onze zuster.
+
+WARWICK. Zoo doet die zich voor,
+Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt.
+Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren;
+Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde,
+Die in den grond der deugd haar wortels heeft,
+Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid.
+Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen,
+Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.
+
+KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.
+
+BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn;
+(Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds,
+Als ik uws konings gaven hoorde roemen,
+Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.
+
+KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade;
+En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen
+Omtrent den weduwschat, dien England toekent,
+Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.—
+Treed nader, koningin, en wees getuige,
+Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.
+
+PRINS EDWARD. Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. 140
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan,
+Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken;
+Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.
+
+KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha;
+Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak,
+Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken,
+Dan is het billijk, dat ik van de hulp
+Ontheven zij, voorheen u toegezegd.
+Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst,
+Dien gij behoeft en ik verleenen kan.
+
+WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland,
+Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan.
+En gij, gewezen koningin van England,
+Hebt hier uw vader om voor u te zorgen;
+Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg,
+Gij trotsche koningsschepper en verdelger!
+Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen,
+Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon,
+Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde;
+Want vogels zijt ge beî van eender veeren.
+
+(Horengeschal.)
+
+KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over,
+Van uwen broeder, markgraaf Montague;—
+(Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;—
+(Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.
+
+(Allen lezen hun brieven).
+
+OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres
+Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.
+
+PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld;
+Ik hoop er ’t beste van.
+
+KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek!
+Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.
+
+WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.
+
+KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174
+En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen
+En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant?
+Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt?
+En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld;
+Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.
+
+WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel,
+En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik
+Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,—
+Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert,
+Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag.
+Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York
+Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden?
+Gezwegen bij de onteering van mijn nicht?
+Zijn hoofd omgeven met de koningskroon?
+Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken?
+En word ik in het eind met schimp beloond?
+Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt,
+Die hij mij roofde; en om die weer te winnen,
+Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik.
+Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok;
+Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar.
+Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik,
+En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde;
+En ik vergeef, vergeet alle oude schuld,
+Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.
+
+WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend,
+Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen
+Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan,
+Ik op mij neem, op onze kust te landen,
+Door krijg den dwing’land van den troon te storten.
+Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat;
+En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt,
+Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken,
+Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer,
+Dan veiligheid of sterkte van ons land.
+
+BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden,
+Zoo gij deze arme koningin niet steunt?
+
+KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven,
+Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?
+
+BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een.
+
+WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses.
+
+KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha,
+Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste
+Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken.
+
+KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222
+Den valschen Edward, uw vermeenden koning,
+Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
+Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.
+Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.
+
+BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar
+Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd
+En sta gereed, het harnas aan te gespen.
+
+WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
+En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.
+Hier, neem uw loon, en ga!
+
+ (Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.)
+
+KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij,
+En Oxford, en vijfduizend man met u,
+Steekt over en bestrijdt den valschen Edward;
+En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe,
+Alsook de prins, met versche troepen volgen.
+Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op:
+Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?
+
+WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw:
+Indien mijn koningin en prins het willen,
+Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter,
+Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel.
+Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon;
+Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick,
+En met de hand uw onverbreek’lijk woord,
+Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.
+
+PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het;
+En hiervoor zij mijn hand het onderpand.
+
+(Hij reikt aan Warwick de hand.)
+
+KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam,
+En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks,
+Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.—
+Zij nederlaag en dood nu Edwards lot,
+Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!
+
+ (Allen af, behalve Warwick.)
+
+WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier,
+Doch ga terug als zijn gezworen vijand.
+Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len,
+Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek.
+Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen?
+Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed.
+Ik was de man, die hem ten troon verhief;
+Ik wil de man zijn, die hem vallen doet.
+Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel,
+Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.
+
+ (Warwick af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Gloster, Clarence, Somerset en Montague komen op.
+
+GLOSTER. Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u
+Van dezen nieuwen echt met lady Grey?
+Kon onze broeder beter keuze doen?
+
+CLARENCE. Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;
+Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?
+
+SOMERSET. Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.
+
+GLOSTER. Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.
+
+CLARENCE. Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.
+
+(Trompetgeschal. Koning Edward komt op met gevolg, Lady Grey als
+koningin, Pembroke, Stafford en Hastings.)
+
+KONING EDWARD. Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,
+Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?
+
+CLARENCE. Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,
+Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,
+Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.
+
+KONING EDWARD. En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,
+Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,
+Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. 16
+
+GLOSTER. Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;
+Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.
+
+KONING EDWARD. Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?
+
+GLOSTER. Neen, neen, ik niet;
+Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,
+Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het
+Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.
+
+KONING EDWARD. Nu, afgezien van spot of tegenzin,
+Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey
+Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—
+En gij ook, Somerset en Montague,
+Zegt ronduit uwe meening.
+
+SOMERSET. Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk
+Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek
+Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.
+
+GLOSTER. En Warwick, die daar uwen last volbracht,
+Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. 33
+
+KONING EDWARD. En als ik beide’ eens kon tevredenstellen
+Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?
+
+MONTAGUE. Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,
+Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,
+Dan eenige echt met een landsdochter doet.
+
+HASTINGS. Weet Montague dan niet, hoe veilig England
+Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?
+
+MONTAGUE. Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.
+
+HASTINGS. Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!
+Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,
+Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;
+Verweren wij ons enkel met hun hulp;
+In hen en in onszelf ligt onze kracht.
+
+CLARENCE. Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,
+De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.
+
+KONING EDWARD. Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;
+En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.
+
+GLOSTER. Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,
+Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw
+De erfdochter weg te schenken van lord Scales;
+Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;
+Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.
+
+CLARENCE. Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon
+Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,
+En zoo uw broeders elders laten uitzien.
+
+KONING EDWARD. Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,
+Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.
+
+CLARENCE. Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;
+Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,
+Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;
+En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.
+
+KONING EDWARD. Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn
+En niet gebonden aan zijns broeders wil.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,
+Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,
+Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—
+Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren
+Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.
+Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,
+Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,
+Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.
+
+KONING EDWARD. Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. 75
+Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,
+Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend
+En hun monarch is, wien zij moeten dienen?
+Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,
+Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;
+En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,
+En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.
+
+GLOSTER (ter zijde). Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+KONING EDWARD. Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten
+Uit Frankrijk?
+
+BODE. Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,
+Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,
+Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.
+
+KONING EDWARD. Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,
+Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.
+Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?
+
+BODE. Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:
+„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,
+„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
+„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”
+
+KONING EDWARD. Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.
+Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?
+
+BODE. Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:
+„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar
+„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”
+
+KONING EDWARD. Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;
+Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?
+Want naar ik hoorde, was zij mede daar.
+
+BODE. Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,
+„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”
+
+KONING EDWARD. Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.
+Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?
+
+BODE. Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit
+Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:
+„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
+„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”
+
+KONING EDWARD. Wat! waagde de verrader zulk een taal? 112
+Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,
+En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.
+Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?
+
+BODE. Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,
+Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.
+
+CLARENCE. Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.
+Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;
+Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,
+Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,
+In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—
+Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.
+
+ (Clarence af, gevolgd door Somerset.)
+
+GLOSTER (ter zijde). Niet ik;
+Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik
+Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.
+
+KONING EDWARD. Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!
+Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;
+Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—
+Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;
+Rust alles duchtig tot den oorlog toe.
+Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;
+Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.
+
+ (Pembroke en Stafford af.)
+
+Doch voor ik ga, Hastings en Montague,
+Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,
+Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;
+Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?
+Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;
+Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;
+Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,
+Zoo geve een eed van u mij zekerheid,
+Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!
+
+MONTAGUE. Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!
+
+HASTINGS. En Hastings, als hij u te dienen wenscht.
+
+KONING EDWARD. En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?
+
+GLOSTER. Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.
+
+KONING EDWARD. Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.
+Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,
+Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte in Warwickshire.
+
+Warwick en Oxford komen op met Fransche en Engelsche troepen.
+
+WARWICK. Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;
+In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.
+
+(Clarence en Somerset komen op.)
+
+Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!
+Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?
+
+CLARENCE. Heb daar, mylord, geen zorg voor.
+
+WARWICK. Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;
+Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,
+Argwaan te koest’ren, als een edel hart
+Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;
+’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,
+Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;
+Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—
+Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,
+Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,
+Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,
+En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,
+Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?
+’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,
+Gelijk Ulysses en held Diomedes
+Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen
+En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,
+Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,
+De wacht van Edward onvoorziens verslaan,
+Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,
+Want enkel hem verrassen is mijn doel.—
+Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,
+Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!
+
+ALLEN. Ho! Hendrik! Hendrik!
+
+WARWICK. En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!
+Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Edwards legerkamp bij Warwick.
+
+Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.
+
+EERSTE WACHTER. Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;
+De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.
+
+TWEEDE WACHTER. Wat, gaat hij niet te bed?
+
+EERSTE WACHTER. Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,
+Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,
+Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.
+
+TWEEDE WACHTER. Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.
+Als Warwick zoo nabij is als men zegt.
+
+DERDE WACHTER. Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,
+Die met den koning in zijn tent hier slaapt?
+
+EERSTE WACHTER. Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.
+
+DERDE WACHTER. O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,
+Dat al zijn volk schier in de steden ligt,
+Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? 14
+
+TWEEDE WACHTER. ’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.
+
+DERDE WACHTER. Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;
+Die heb ik liever dan gevaar en eer.
+Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,
+Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.
+
+EERSTE WACHTER. Als onze hellebaarden hem niet hoedden.
+
+TWEEDE WACHTER. Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,
+Dan om een overval bij nacht te keeren!
+
+(Warwick, Clarence, Oxford, Somerset, komen op met Troepen, in alle
+stilte.)
+
+WARWICK. Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.
+Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!
+Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.
+
+EERSTE WACHTER. Wie daar?
+
+TWEEDE WACHTER. Blijft staan, of sterft!
+
+(Warwick en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de
+Wacht aan, die vlucht onder het geroep „Te wapen!” Warwick en de
+Anderen vervolgen hen.—Daarna komen Warwick en de Anderen onder
+getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in
+nachtgewaad, op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men
+Gloster en Hastings vluchten.)
+
+SOMERSET. Wie zijn het, die daar vluchten?
+
+WARWICK. Richard is ’t,
+Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.
+
+KONING EDWARD. Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,
+Heette ik uw koning!
+
+WARWICK. Ja, maar ’t is nu anders.
+Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,
+Toen heb ik u als koning afgezet,
+En thans benoem ik u tot hertog York.
+Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,
+Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,
+Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,
+Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,
+Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,
+Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.
+
+KONING EDWARD. Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?
+Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—
+Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,
+Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,
+Zal Edward steeds als koning zich gedragen;
+Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,
+Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.
+
+WARWICK. Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, 48
+
+(Hij neemt hem de kroon af.)
+
+Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen
+En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—
+Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,
+Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,
+Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.
+Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,
+Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord
+Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—
+En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.
+
+KONING EDWARD. De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;
+En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.
+
+ (Koning Edward wordt weggevoerd, begeleid door Somerset.)
+
+OXFORD. En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,
+Dan met ons heer naar Londen op te rukken?
+
+WARWICK. Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,
+Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,
+En weer te plaatsen op zijn koningstroon.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis.
+
+Koningin Elizabeth en Rivers komen op.
+
+RIVERS. Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,
+Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?
+
+RIVERS. Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.
+
+RIVERS. Is dus mijn heer en vorst gedood?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,
+Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,
+Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;
+En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede
+Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,
+Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.
+
+RIVERS. Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;
+Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;
+Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Die hoop belet de smart, mij te verteren;
+Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,
+Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;
+Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,
+Gelaten mij dit onheil dragen doet; 20
+Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,
+En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;
+Licht ware traan of zuchten ten verderve
+Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!
+
+RIVERS. En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?
+
+KONINGIN ELIZABETH. Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,
+En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.
+Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.
+Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—
+Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—
+IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats
+En red den erfgenaam van Edwards recht;
+Daar ben ik veilig voor geweld en list.
+Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;
+Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.
+
+ (Beiden af.)
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een park bij het slot Middleham in Yorkshire.
+
+Gloster, Hastings, Sir William Stanley en Anderen komen op.
+
+GLOSTER. Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,
+Verbaast u langer niet, dat ik hierheen
+In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.
+Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward
+Is als gevang’ne bij den bisschop hier,
+Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,
+Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,
+Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.
+’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,
+Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,
+Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,
+Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt
+En zijn gevangenschap verbreken kan.
+
+(Koning Edward en een Jager komen op.)
+
+JAGER. Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.
+
+KONING EDWARD. Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—
+Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,
+Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?
+
+GLOSTER. De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.
+Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.
+
+KONING EDWARD. Maar waarheen wilt gij nu?
+
+HASTINGS. Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.
+
+GLOSTER. Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.
+
+KONING EDWARD. Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.
+
+GLOSTER. Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.
+
+KONING EDWARD. Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?
+
+JAGER. Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.
+
+GLOSTER. Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!
+
+KONING EDWARD. Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,
+En bid, dat God mij weder koning maak’.
+
+ (Allen af).
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Een vertrek in den Tower.
+
+Koning Hendrik, Clarence, Warwick, Somerset, de jonge Richmond, Oxford,
+Montague, de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op.
+
+KONING HENDRIK. Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden
+Edward gebonsd is van den koningstroon,
+En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,
+Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,
+Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!
+
+SLOTVOOGD. Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;
+Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,
+Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.
+
+KONING HENDRIK. Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?
+Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,
+Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;
+Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,
+Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,
+In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,
+’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—
+Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,
+Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;
+Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—
+Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,
+Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,
+En niet het volk van dit gezegend land
+Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,
+Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,
+Geef ik aan u het landsbestuur hier over,
+Want u geleidt geluk bij al uw doen.
+
+WARWICK. Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,
+Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,
+Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;
+Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;
+Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—
+Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.
+
+CLARENCE. Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,
+Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte
+De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,
+Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;
+En daarom geef ik willig u mijn stem.
+
+WARWICK. En ik kies Clarence enkel voor protector.
+
+KONING HENDRIK. Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. 38
+Vereent uw handen, en daarmee uw harten,
+Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;
+Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,
+Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,
+Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,
+Mijn Schepper love en booze zonde mijde.
+
+WARWICK. Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?
+
+CLARENCE. Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;
+Want op uw goed geluk verlaat ik mij.
+
+WARWICK. Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.
+Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw
+Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.
+’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,
+Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.
+En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,
+Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad
+En al zijn land en goed verbeurdverklaren.
+
+CLARENCE. Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.
+
+WARWICK. Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.
+
+KONING HENDRIK. Doch bij uw eerste zaken van gewicht
+Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—
+Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,
+Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;
+Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees
+De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.
+
+CLARENCE. Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.
+
+KONING HENDRIK. Mylord van Somerset, wie is die knaap,
+Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?
+
+SOMERSET. Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.
+
+KONING HENDRIK. Treed nader, Englands hoop.
+
+(Hij legt hem de hand op het hoofd.)
+
+Indien geheime machten echte waarheid
+Inblazen aan mijn verrezienden geest,
+Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.
+Zijn blik is vol van kalme majesteit,
+Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,
+Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf
+Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.
+Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat
+Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.
+
+(Een Bode komt op.)
+
+WARWICK. Wat meldt gij, man?
+
+BODE. Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,
+En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.
+
+WARWICK. Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? 80
+
+BODE. Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings
+Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,
+In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,
+En aan des bisschops jagers hem ontrukt;
+Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.
+
+WARWICK. Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—
+Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,
+Om elke wond, die voorkomt, te genezen.
+
+ (Allen af, behalve Somerset, Richmond en Oxford.)
+
+SOMERSET. Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;
+Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,
+En dan ontstaat er even wis weer krijg.
+Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart
+Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,
+Thans is ’t beangst om wat in deze twisten
+Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.
+Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,
+Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,
+Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.
+
+OXFORD. Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,
+Licht deelde Richmond in der and’ren loon.
+
+SOMERSET. Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;
+Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Voor York.
+
+Koning Edward, Gloster en Hastings komen op, met troepen.
+
+KONING EDWARD. Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,
+Tot dusver maakt het lot ons alles goed,
+En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat
+Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.
+Wij staken tweemaal nu de zee goed over,
+Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;
+Wij kwamen van de haven Ravensburg
+Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,
+Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?
+
+(Hastings klopt aan de poort.)
+
+GLOSTER. De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;
+Voor menigeen is struik’len aan den drempel
+Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.
+
+KONING EDWARD. Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;
+Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;
+’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.
+
+HASTINGS. Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.
+
+(Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van York verschijnen op
+den muur.)
+
+MAYOR. Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, 17
+Uit zorg voor onze veiligheid de poort,
+Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.
+
+KONING EDWARD. Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft
+Steeds Edward voor het minst hertog van York.
+
+MAYOR. Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.
+
+KONING EDWARD. Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,
+Waarmede ik gansch en al tevreden ben.
+
+GLOSTER (ter zijde). Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,
+Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.
+
+HASTINGS. Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?
+Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.
+
+MAYOR. Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.
+
+ (De Mayor en Raadsleden boven af.)
+
+GLOSTER. Een wijs, recht wakker man, ras overreed!
+
+HASTINGS. Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,
+Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,
+Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij
+Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.
+
+(De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.)
+
+KONING EDWARD. Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,
+Dan in de nacht of als er oorlog is.
+Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;
+
+(Hij neemt hem de sleutels uit de hand.)
+
+Want Edward is ’t, die u, uw stad en al
+Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.
+
+(Een marsch. Montgomery komt op, met troepen.)
+
+GLOSTER. Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,
+Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.
+
+KONING EDWARD. Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?
+
+MONTGOMERY. Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,
+Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.
+
+KONING EDWARD. Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog
+Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen
+Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.
+
+MONTGOMERY. Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;
+Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—
+De trom geroerd en weder afgetrokken!
+
+(De trommen beginnen een marsch te slaan.)
+
+KONING EDWARD. Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,
+Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.
+
+MONTGOMERY. Wat wilt gij overwegen? kort en goed, 53
+Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,
+Dan laat ik hier u over aan uw lot,
+Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.
+Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?
+
+GLOSTER. Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?
+
+KONING EDWARD. Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;
+Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.
+
+HASTINGS. Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!
+
+GLOSTER. Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.
+Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;
+’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.
+
+KONING EDWARD. Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,
+En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.
+
+MONTGOMERY. O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;
+En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.
+
+HASTINGS. Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—
+Hier kameraad, lees gij de proclamatie.
+
+(Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.)
+
+SOLDAAT (leest). „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van
+Engeland en Frankrijk, en heer van Ierland, enz.”
+
+MONTGOMERY. En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,
+Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.
+
+(Hij werpt zijn handschoen neder.)
+
+ALLEN. Lang leve Edward de vierde!
+
+KONING EDWARD. Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!
+Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.
+Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;
+En als de morgenzonne weer haar kar
+Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,
+Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,
+Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—
+O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,
+Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!
+Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—
+De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;
+En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in het paleis van den Bisschop.
+
+Trompetgeschal. Koning Hendrik, Warwick, Clarence, Montague, Exeter en
+Oxford komen op.
+
+WARWICK. Lords, wat te doen? Van België uit heeft Edward
+Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,
+De smalle zee in veiligheid doorkliefd,
+En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen
+En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.
+
+KONING HENDRIK. Men lichte krijgers om hem af te slaan.
+
+CLARENCE. Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;
+Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.
+
+WARWICK. In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,
+In vrede rustig, leeuwen in den krijg;
+Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,
+En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent
+De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;
+Gij, broeder Montague, in Buckingham,
+Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis
+Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—
+Gij, dappere Oxford, wondervol bemind
+In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—
+Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar
+Omgeven, als zijn eiland van de zee,
+Of als de kuische jachtgodin van nymfen,
+In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—
+Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.
+Vaarwel, mijn vorst en heer.
+
+KONING HENDRIK. Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.
+
+CLARENCE. Als pand van trouwe kus ik u de hand.
+
+KONING HENDRIK. Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!
+
+MONTAGUE. Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.
+
+OXFORD (den Koning de hand kussend). En zoo bezegel ik mijn trouw;
+vaarwel!
+
+KONING HENDRIK. Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,
+Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.
+
+WARWICK. Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.
+
+ (Warwick, Clarence, Oxford en Montague af.)
+
+KONING HENDRIK. Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.
+Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?
+Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,
+Is niet in staat, de mijne te weerstaan.
+
+EXETER. Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.
+
+KONING HENDRIK. Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.
+’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.
+Geen beden uitgesteld van dag tot dag;
+Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,
+Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,
+Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;
+Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,
+Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,
+Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.
+Waarom zou Edward hun dus liever zijn?
+Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;
+En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,
+Dan loopt het lam hem immer achterna.
+
+(Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”)
+
+EXETER. Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?
+
+(Koning Edward, Gloster en Krijgslieden komen op.)
+
+KONING EDWARD. Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;
+En roept ons weder uit tot Englands koning.—
+Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;
+Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,
+En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—
+Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.
+
+ (Koning Hendrik wordt door eenigen weggevoerd.)
+
+En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,
+Waar de op gezag beluste Warwick staat.
+Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,
+’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.
+
+GLOSTER. Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt
+Den grootgeworden landverrader plots’ling;
+Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+
+Voor Coventry.
+
+Op den stadsmuur verschijnen: Warwick, de Mayor van Coventry, twee
+Boden en Anderen.
+
+WARWICK. Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?
+Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?
+
+EERSTE BODE. Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.
+
+WARWICK. Waar is de man, die Montague ons zond?—
+Hoe ver is onze broeder Montague?
+
+TWEEDE BODE. Nu reeds te Daintry, met een groote macht.
+
+(Sir John Somerville komt op.)
+
+WARWICK. Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?
+En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?
+
+SOMERVILLE. ’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;
+Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.
+
+(Men hoort getrommel.)
+
+WARWICK. Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. 11
+
+SOMERVILLE. Dat is hij niet, mylord; (Hij wijst naar het zuidwesten.)
+Southam ligt daar;
+’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.
+
+WARWICK. Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?
+
+SOMERVILLE. Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.
+
+(Een marsch. Trompetgeschal. Koning Edward en Gloster komen op met hun
+troepen.)
+
+KONING EDWARD. Trompetter, ga en vraag een onderhoud.
+
+GLOSTER. Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.
+
+WARWICK. Verwenschte streek! de dartele Edward hier?
+Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,
+Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?
+
+KONING EDWARD. Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?
+Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,
+Noem Edward koning, vraag van hem genade,
+En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.
+
+WARWICK. Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?
+Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;
+Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,
+En blijven zult ge en zijn, hertog van York.
+
+GLOSTER. Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;
+Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?
+
+WARWICK. Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?
+
+GLOSTER. Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;
+Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.
+
+WARWICK. Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.
+
+KONING EDWARD. Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.
+
+WARWICK. Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;
+Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;
+Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.
+
+KONING EDWARD. Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;
+En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:
+Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?
+
+GLOSTER. Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, 42
+Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,
+Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!
+Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;
+Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.
+
+KONING EDWARD. Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!
+
+GLOSTER. Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!
+Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.
+
+WARWICK. Veel liever zoude ik deze hand mij kappen
+En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,
+Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.
+
+KONING EDWARD. Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—
+De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,
+En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd
+Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:
+De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.
+
+(Oxford komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+WARWICK. O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!
+
+OXFORD. Oxford, Oxford, voor Lancaster!
+
+(Oxford trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. De poort is open; open ook voor ons!
+
+KONING EDWARD. Dan konden and’ren in den rug ons vallen.
+Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig
+De poort uit om een slag ons aan te bieden;
+Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij
+Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.
+
+WARWICK. Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.
+
+(Montague komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+MONTAGUE. Montague, Montague, voor Lancaster!
+
+(Montague trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. Gij en uw broeder zullen dit verraad
+Betalen met uw dierbaarst hartebloed.
+
+KONING EDWARD. Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;
+En overwinning, heil spelt mij mijn hart.
+
+(Somerset komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+SOMERSET. Somerset, Somerset, voor Lancaster!
+
+(Somerset trekt met zijn troepen de stad binnen.)
+
+GLOSTER. Twee hertogen van Somerset, als gij,
+Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,
+Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.
+
+(Clarence komt op, met slaande trom en vliegende vaandels.)
+
+WARWICK. En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; 76
+Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!
+Hem geldt een edele ijver voor het recht
+Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—
+
+(Clarence staakt den marsch. Gloster treedt nader en fluistert met
+hem.)
+
+Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.
+
+CLARENCE. Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?
+
+(Hij neemt de roode roos van den hoed.)
+
+Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;
+Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot
+Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;
+’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,
+Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,
+Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,
+Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?
+Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?
+Het houden van dien eed waar’ goddeloozer
+Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.
+Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,
+Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,
+Mij uw gezworen vijand hier verklaar,
+En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—
+En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—
+U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.
+Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,
+En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—
+Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;
+Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;
+Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.
+
+KONING EDWARD. Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,
+Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!
+
+GLOSTER. Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.
+
+WARWICK. O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!
+
+KONING EDWARD. Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?
+Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?
+
+WARWICK. Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!
+Ik trek terstond van hier naar Barnet op;
+Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.
+
+KONING EDWARD. Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—
+Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!
+
+ (Getrommel. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+
+Een slagveld bij Barnet.
+
+Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning Edward komt op, met den zwaar
+verwonden Warwick.
+
+KONING EDWARD. Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;
+Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—
+Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;
+Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!
+
+ (Koning Edward af.)
+
+WARWICK. Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,
+En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?
+Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,
+Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,
+Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,
+En door mijn val de zege aan mijnen vijand.
+Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen
+De koningsarend schutse vond, wiens schaduw
+Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin
+Neêrzag op Jupiters verkoren boom
+En struikjes hoedde voor des winters vlagen.
+Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,
+Was eens doordringend als de middagzon,
+Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;
+De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,
+Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;
+Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?
+Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?
+Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!
+Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,
+Begeven mij; van al mijn landbezit
+Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.
+O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?
+Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.
+
+(Oxford en Somerset komen op.)
+
+SOMERSET. Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,
+O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!
+Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin
+Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!
+
+WARWICK. Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,
+Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,
+En houd mijn ziel terug met uwe lippen!
+Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen
+Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat
+Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.
+Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.
+
+SOMERSET. O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,
+En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,
+En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”
+Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,
+Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf
+En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst
+Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:
+„Vaarwel, mijn Warwick!”
+
+WARWICK. Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;
+Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!
+
+ (Hij sterft.)
+
+OXFORD. Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!
+
+ (Beiden af, met Warwick’s lijk.)
+
+
+
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het slagveld.
+
+Trompetgeschal. Koning Edward komt zegepralend op, met Clarence,
+Gloster en de Overigen.
+
+KONING EDWARD. Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,
+En sieren zegekransen ons het hoofd.
+Doch in den middagglans van dezen dag
+Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt
+En strijden wil met onze gouden zon,
+Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;
+Mylords, de strijdmacht, die de koningin
+In Gallië samenbracht, is reeds geland,
+Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.
+
+CLARENCE. Een stijve bries verstrooit welras die wolk,
+En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;
+Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;
+Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.
+
+GLOSTER. Men schat de koningin op dertigduizend;
+Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—
+Kan zij op adem komen, wees verzekerd,
+Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.
+
+KONING EDWARD. Van trouwe vrienden kregen wij bericht,
+Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.
+Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,
+Terstond daarheen, want ijver kort den weg;
+En onderweg groeit onze macht wis aan
+In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—
+De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!
+
+ (Trompetgeschal. Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+
+Een vlakte bij Tewksbury.
+
+Een marsch. Koningin Margaretha, Prins Edward, Somerset, Oxford en
+Soldaten komen op.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Verheven lords,
+Geen wijze zit en jammert om verliezen;
+Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.
+Zij ook de mast ons overboord gewaaid,
+De kabel middendoor, het anker weg,
+En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,
+Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij
+Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje
+Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,
+En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,
+Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed
+En vlijt kon redden, op de klippen stoot?
+O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!
+Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?
+En Montague de bramsteng,—wat dan verder?
+Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?
+Is Oxford hier ons niet een ander anker,
+En Somerset een and’re goede mast,
+En onze Fransche vrienden want en tuig? 18
+Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,
+Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?
+Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;
+Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip
+Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.
+Of gij de baren hoont of prijst, is een.
+En wat is Edward dan een booze zee?
+En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?
+En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?
+Die allen zijn onze arme hulk vijandig.
+Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;
+Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;
+Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,
+Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.
+Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,
+Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,
+Niet meer genade bij de broeders vindt,
+Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.
+Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,
+Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.
+
+PRINS. Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,
+Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,
+Zijn borst vervullen van een heldenmoed,
+Om naakt een man in waap’nen te verslaan.
+Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;
+Want als ik iemand hier van vrees verdacht,
+’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,
+Opdat hij in den nood geen ander aansteek’
+En van denzelfden geest doe zijn als hij.
+Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—
+Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.
+
+OXFORD. Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—
+En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—
+O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde
+Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang
+En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!
+
+SOMERSET. En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,
+Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,
+Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!
+
+PRINS. Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! 59
+
+(Een Bode komt op.)
+
+BODE. Bereidt u, lords, want Edward is nabij,
+Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!
+
+OXFORD. Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;
+Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.
+
+SOMERSET. Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.
+
+OXFORD. Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.
+
+(Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning Edward, Gloster en Clarence
+komen op, met troepen).
+
+KONING EDWARD (tot de zijnen). Ginds, dapp’re vrienden, staat het
+doornenwoud,
+Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,
+Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.
+’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,
+Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—
+Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!
+
+KONINGIN MARGARETHA (tot de haren). Lords, ridders, eed’len! wat ik
+zeggen wilde,
+Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,
+Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.
+Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne
+Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,
+Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,
+Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;
+En ginder is de wolf, die dit bedreef.
+Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,
+Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!
+
+ (Beide legers af).
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+
+Een ander gedeelte van het veld.
+
+Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan
+komen op: Koning Edward, Clarence, Gloster en Troepen, met Koningin
+Margaretha, Oxford en Somerset als gevangenen.
+
+KONING EDWARD. Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.
+Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;
+En Somerset, het schuldig hoofd hem af!
+Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.
+
+OXFORD. Ik zal u niet met woorden lastig vallen.
+
+SOMERSET. Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Wij scheiden treurig in dit jammerdal;
+Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.
+
+ (Oxford en Somerset af, met een wacht).
+
+KONING EDWARD. Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,
+Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?
+
+GLOSTER. Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! 11
+
+(Krijgslieden komen op, met Prins Edward.)
+
+KONING EDWARD. Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—
+Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?
+Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven
+Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,
+En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?
+
+PRINS. Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,
+En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:
+Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,
+Terwijl ik u dezelfde vragen stel,
+Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!
+
+GLOSTER. Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,
+En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.
+
+PRINS. Æsopus moge in winternachten faab’len;
+Hier passen zulke hondsche raadsels niet.
+
+GLOSTER. Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.
+
+GLOSTER. Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!
+
+PRINS. Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.
+
+KONING EDWARD. Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.
+
+CLARENCE. Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.
+
+PRINS. Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;
+Wellustige Edward,—eedvergeten George,—
+En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:
+Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,
+En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.
+
+KONING EDWARD. Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+GLOSTER. Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+CLARENCE. En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. O, doodt ook mij!
+
+GLOSTER. Voorwaar, terstond! 42
+
+(Hij richt het zwaard op haar).
+
+KONING EDWARD. Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.
+
+GLOSTER. Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?
+
+KONING EDWARD. Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.
+
+GLOSTER (ter zijde tot Clarence). Gij, Clarence, groet mijn vorst en
+broeder van mij;
+Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;
+Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.
+
+CLARENCE. Wat? wat?
+
+GLOSTER. De Tower! de Tower!
+
+ (Gloster af.)
+
+KONINGIN MARGARETHA. Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!
+Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!
+Die Cæsar doodden, deden geenen moord,
+Misdreven niets, verdienden geen berisping,
+Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;
+Hij was een man en dit een kind bij hem;
+Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.
+Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?
+Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;
+En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—
+Slachters en schurken! wreede kannibalen!
+Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!
+Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,
+Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;
+Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan
+Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,
+Als, beulen, dezen jongen prins door u!
+
+KONING EDWARD. Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!
+
+KONINGIN MARGARETHA. Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!
+Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.
+Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.
+
+CLARENCE. Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.
+
+CLARENCE. Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.
+
+KONINGIN MARGARETHA. Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;
+Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.
+Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,
+De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?
+Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;
+Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.
+
+KONING EDWARD. Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!
+
+KONINGIN MARGARETHA. ’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. 82
+
+ (Koningin Margaretha wordt weggevoerd.)
+
+KONING EDWARD. Waar is nu Richard heen?
+
+CLARENCE. Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij
+Daar in den Tower een bloedig avondmaal.
+
+KONING EDWARD. Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.
+Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk
+Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,
+En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;
+Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+
+Londen. Een vertrek in den Tower.
+
+Koning Hendrik zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van
+den Tower staat naast hem. Gloster komt op.
+
+GLOSTER. Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?
+
+KONING HENDRIK. Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;
+Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;
+Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,
+Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.
+
+GLOSTER. Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.
+
+ (De Slotvoogd af.)
+
+KONING HENDRIK. Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;
+Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol
+En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—
+Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?
+
+GLOSTER. Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;
+De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.
+
+KONING HENDRIK. De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,
+Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;
+Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,
+Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling
+Gelijmd door werd, gevangen en gedood.
+
+GLOSTER. Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,
+Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!
+Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.
+
+KONING HENDRIK. ’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,
+Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,
+Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen
+De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,
+Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.
+O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;
+Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,
+Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.
+Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?
+
+GLOSTER. Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?
+
+KONING HENDRIK. Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;
+Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,
+Dan, zeker, zijt ge een beul. 33
+
+GLOSTER. Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.
+
+KONING HENDRIK. Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,
+Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.
+En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,
+Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,
+En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,
+En veler weezen óverstroomend oog,—
+Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,
+En weezen om der oud’ren vroegen dood,—
+Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.
+Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;
+De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;
+Storm loeide en velde boomen; honden huilden;
+De raaf streek neder op den schoorsteentop;
+En eksters krijschten oordoorborend saâm.
+Uw moeder voelde meer dan moederweeën,
+Toch bracht zij minder dan een moeders hope,
+Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,
+Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;
+En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,
+Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;
+En is het and’re waar, dat ik vernam,
+Dan kwaamt gij—
+
+GLOSTER. Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!
+
+(Hij doorsteekt hem.)
+
+Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.
+
+KONING HENDRIK. Ja, en tot vele moorden nog na dezen.
+O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!
+
+ (Hij sterft.)
+
+GLOSTER. Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster
+Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;
+Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!
+O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen
+Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—
+Zoo in u nog een sprankje levens huist,
+Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;
+
+(Hij doorsteekt hem nog eens.)
+
+Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.
+Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—
+En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—
+Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.
+En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,
+Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?
+De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: 74
+„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”
+Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,
+Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.
+Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,
+Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.
+Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;
+En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,
+Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,
+Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—
+O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;
+Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;
+Want profetieën zal ik gonzen doen,
+Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;
+En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.
+Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;
+Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;
+Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—
+Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;
+Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!
+
+ (Gloster af, met het lijk.)
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+
+Koning Edward op den troon. Koningin Elizabeth
+met den kleinen Prins; Clarence, Gloster,
+Hastings en Anderen, om hem heen.
+
+KONING EDWARD. Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,
+Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.
+Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,
+Als koren, neergemaaid in al hun trots!
+Drie hertogen van Somerset, driewerf
+Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;
+Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;
+En twee Northumberlands, de kloekste ridders,
+Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;
+En dan dat onversaagde berenpaar,
+Warwick en Montague, dat met hun keet’nen
+Den koninklijken leeuw gekluisterd hield
+En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.
+Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon
+En maakten veiligheid tot onze voetbank.—
+Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!
+Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms
+In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,
+Te voet des zomers middaggloed verduurd,
+Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;
+Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.
+
+GLOSTER (ter zijde). Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’
+oogst;
+Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.
+Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,
+En heffen zal hij lasten, of hij breekt.
+
+(Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.)
+
+Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! 25
+
+KONING EDWARD. Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade
+Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!
+
+CLARENCE. De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel
+Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.
+
+KONINGIN ELIZABETH. Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!
+
+GLOSTER. Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,
+Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—
+(Ter zijde.) Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer
+En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.
+
+KONING EDWARD. Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf
+Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.
+
+CLARENCE. Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?
+Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk
+Sicilië en Jeruzalem verpand;
+En dit is als haar losgeld hier gezonden.
+
+KONING EDWARD. Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—
+En wat nu verder, dan den tijd te wijden
+Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,
+Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?
+Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!
+Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.
+
+ (Allen af.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de
+slag van Sint-Albaans niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan
+toekent; eerst vijf jaren later, in 1460, werd bij Northampton de macht
+van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog van York het wagen
+kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha
+van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik
+viel in de macht der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar
+Westminster gevoerd, waar York van het parlement als wettig koning
+verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik niet als gevangene,
+maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven en
+laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor
+de levendigheid van voorstelling zeer wint en het beloop der
+gebeurtenissen en de hartstochten, die werkzaam waren, duidelijk voor
+oogen gesteld worden.
+
+Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich
+zeer getrouw aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en
+Warwick onder het geschal der trompetten door Londens straten naar
+Westminster en begaven zich naar de zaal der Pairs, waar de Hertog den
+troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat hem als rechten
+erfgenaam van Richard II de kroon toekwam, terwijl Hendrik VI zijn
+rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen,
+maar York’s bewijsgronden werden door zijn zegevierende wapenen al te
+nadrukkelijk ondersteund, dan dat men een ernstig overwegen der
+aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus
+onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden
+werden gebezigd, die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den
+twee mededingers in den mond legt. York vestigde zich intusschen in het
+koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel, alsof hem de kroon reeds
+was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud bij
+zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als
+leenheer had te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was
+hem nog niet gegeven, het beoogde doel te bereiken. Het langjarig
+troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks bijna veertigjarige
+regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen eed
+van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van
+den Hertog van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest
+komen. Hendrik VI zou levenslang koning blijven, York regent en
+troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen sprake. Hendrik
+moest toestemmen.
+
+Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een
+vernedering te getroosten. Zij verzamelde in de noordelijke
+graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster om zich heen; de
+Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden
+zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts.
+Toen men in Londen van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York
+met den graaf van Salisbury naar zijn slot Sandal in Yorkshire en trok
+van alle kanten versterkingen tot zich; zijn oudsten zoon, Edward,
+graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar de
+vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen
+om den koning en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of
+zesduizend man bij zich, toen de koningin met haar leger zijn slot
+naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet hij, tegen den raad
+van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige
+overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een
+half uur waren zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee
+bastaardooms, Sir John en Sir Hugo Mortimer, werden gedood; de graaf
+van Salisbury viel den overwinnaars in handen en werd den volgenden dag
+onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland, een
+zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap
+werd, toen zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te
+redden, door lord Clifford ingehaald en, schoon hij voor hem knielde,
+nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”, zegt de kroniekschrijver,
+„nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want de schrik
+had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat
+hij wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met
+groote schande belaadde.”
+
+Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn
+lijk het hoofd afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo
+op een staak naar de koningin brengen. Enkelen echter schrijven, dat
+zij den Hertog levend in handen gekregen en hem tot smaad op een
+molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op het hoofd
+gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus
+gedaan hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil
+u, koning, zonder erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en
+onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem aldus met smaadredenen
+overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin
+gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van
+York geplant”.
+
+York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer
+gruwelen. Edward was in Herefordshire en hield zich daar goed staande;
+George en Richard waren nog kinderen en vertoefden met hun moeder
+veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel vroeger optreden en
+stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig helper
+van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd
+vrij te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe;
+zijn kronieken maken eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan
+als trouw helper van zijn broeder, zoodat hij na diens dood plotseling
+als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter kon hier geen
+genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens de
+bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen
+planten zijner latere misdaden; en wie Richards optreden in deze
+stukken nagaat, bevindt, dat de grondtrekken van zijn karakter reeds
+dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning Richard III, zoo scherp
+uitkomen.
+
+De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad;
+in het begin van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den
+graaf van Warwick. Deze trok na het ontvangen der noodlottige tijding
+de koningin tegen; Koning Hendrik moest hem begeleiden. Bij
+Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden, had
+de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd
+geslagen, koning Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag
+hij zijn gemalin en zijn zoon weder; den laatste sloeg hij op het
+slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal der Lancasters niet
+duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van
+Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist,
+hoe het zuiden van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar
+woeste scharen weder naar het noorden. Middelerwijl had York’s oudste
+zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari 1461, in Herefordshire
+bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood van Owen
+Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was
+daarna, met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten
+nu, met alle macht, die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om
+den beslissenden slag te leveren. Ook het huis Lancaster had alle
+krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen om aan den
+strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een
+voorpostengevecht Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van
+Towton, niet verre van York, op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met
+alle inspanning en verbittering gevochten werd, want ieder had den dood
+te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden Warwick en
+Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten
+het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de
+koning en Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar
+Frankrijk moesten wijken; van de poorten der stad York werden de
+hoofden van York en Salisbury afgenomen om plaats te maken voor die der
+graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde
+krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle
+steden onderweg tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen.
+Onder het gejubel des volks werd de schoone en levenslustige jongeling
+als Edward IV te Westminster plechtig gekroond; het parlement had hem
+als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden tot
+hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.
+
+De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele
+gevechten in het noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den
+dichter; dat de koningin Margaretha in 1461 hulp bij den Franschen
+koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt. Van de
+gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning
+Hendrik over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar
+Londen gebracht en in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het
+huwelijk aan van Edward VI met Elizabeth Grey. Hiervan bericht de
+kroniek het volgende:
+
+Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een
+geschikte gemalin om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick
+naar Frankrijk om daar de zuster der koningin ten huwelijk te vragen.
+Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk XI, namen het aanzoek gunstig
+op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin van
+Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord
+Woodeville, diens dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder
+John Grey, die in den strijd voor het huis van Lancaster bij
+Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk op
+haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te
+bezitten. De goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het
+huis van York verbeurdverklaard; en nu smeekte de jonge weduwe den
+koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug te geven. „Haar
+eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar bevallig voorkomen,
+haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd was,
+en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar
+zij echter bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo
+gepaste wijs en met zoo welgekozen woorden, als er maar te bedenken
+zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen, haar tot zijn gemalin
+te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn
+voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk,
+omdat hij reeds met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs;
+de arme riddersweduwe werd koningin van Engeland. Weldra regende het
+genadebewijzen, eereposten en rijkdommen op haar verwanten. Haar vader
+werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar oudste broeder
+Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd;
+een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste
+zoon uit haar eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke
+erfgename van Lord Bonville tot vrouw. De oude aanhangers van het huis
+York zagen dit opkomen eener tot dusverre onbeteekenende familie met
+klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden te hebben om
+vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de
+schepper van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens
+aanzien in het rijk zoo groot was, „dat, als hij afwezig was, het den
+menschen voorkwam, alsof de zon van den hemel verdwenen was”, hij zag
+door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer ten opzichte van een
+vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets
+ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk XI daarentegen en
+Bona namen de zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar
+weldra voor de prinses een ander aannemelijk gemaal gevonden werd in
+den persoon van den hertog van Milaan.
+
+Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van
+Warwick’s afval; maar inderdaad werd Warwick zoowel door de
+ontevredenheid over de verheffing van het geslacht der koningin als
+door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf jaren na
+Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel
+onverwacht kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide
+broeders, George Nevil, den aartsbisschop van York, die rijkskanselier
+was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven had en
+door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn
+plannen ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en
+ondankbaren vorst te doen vallen, die mindere lieden tot hooge
+waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige wijs behandelde.
+Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij
+zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende
+op den troon. Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe;
+niet alleen behaalden zij in een gevecht bij Banbury de overwinning,
+maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn legerkamp te overvallen en
+gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere wending. De
+gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York
+toevertrouwd, maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn
+aanhangers bevrijd, en van dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem
+gunstig. Warwick en Clarence moesten naar Frankrijk vluchten, en eerst
+nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van Anjou een
+verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk XI, tot doel had het
+huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van
+dit verbond werd een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s
+zoon, den jongen prins van Wales, en Warwick’s tweede dochter Anna.
+Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze vernietiging zijner
+eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn
+broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime
+onderhandelingen aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone
+beloften te doen, als hij zijn vereeniging met Warwick wilde opgeven.
+
+Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar
+de kust van Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf
+van Oxford, een getrouw vriend van het huis Lancaster, had hij ook den
+graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder van Hendrik VI, een zoon
+van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe van koning
+Hendrik V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit
+huwelijk, de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset,
+was reeds gestorven, maar had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter
+tijd een knaap van tien jaren, nagelaten, die op een slot in Wales zich
+bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met gejubel
+ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward
+aan geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder
+Richard van Gloster, met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door
+hem aan de erfdochter der Scales uitgehuwd, en met lord Hastings,
+Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en zijn rijk zonder slag
+of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich naar
+Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin
+van Edward IV in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, waar
+zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die
+dertien jaar later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na
+zesjarige gevangenschap Hendrik VI te voorschijn gehaald. Hij werd
+weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en Clarence tot
+rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor
+het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van
+Pembroke haastte zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te
+halen en naar Londen te brengen, waar hij hem aan den vromen koning
+voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik uit: „Dezen knaap
+zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,”
+zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling
+vervuld was”. Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg,
+bracht de graaf van Pembroke zijn neef in veiligheid aan het hof van
+den hertog van Bretagne. Van daar keerde de jeugdige Richmond eerst 15
+jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik VII den troon
+te beklimmen.
+
+Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een
+kleine, in Bourgondië geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man
+sterk, te Ravensburg aan de Humber, in het noorden van Engeland, waar
+vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen was. Evenals deze
+verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk
+erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te
+betwisten. Toen echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en
+velen zijner vrienden, met name Sir Francis Montgomery, verklaarden,
+dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor den hertog van York
+wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham de
+koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open
+veld en bleef in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man
+bijeengebracht had, en trachtte zich te versterken, waartoe hij ook op
+zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte hem tot een vergelijk
+met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat hij
+zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen
+ging Clarence tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de
+aartsbisschop van York, volgde zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in
+het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague op afval en verraad
+bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te slaan.
+Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij
+Barnet, bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward,
+die in Londen met gejubel ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April
+1471, in den nevel van den vroegen morgen, de beslissende slag plaats.
+Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid zich als
+moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht
+veel tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde
+dapperheid. De zege was volkomen; de beide broeders Warwick en Montague
+vielen in den slag; het lijk van den machtigen graaf vond men geheel
+uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon Edward in
+de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege
+uitstorten.—Koning Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower
+teruggebracht.
+
+Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust
+van Engeland bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze
+onherstelbare nederlaag vernam. Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren,
+maar de hertog van Somerset bewoog haar, den strijd voort te zetten;
+zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar
+Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun
+macht reeds daarheen gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4
+Mei de bloedige slag geleverd, die, hoe dapper de aanhangers der
+koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele onderneming een
+einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige
+zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder
+Somerset, die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den
+overwinnaars in handen. De prins was door een ridder gevangengenomen,
+die hem tegen een rente van honderd pond en op de belofte, dat zijn
+leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde. Edward vroeg den
+jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen
+Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om
+mijns vaders rijk te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn
+vader geërfd heeft en mij eens zal nalaten.” Zonder een woord te zeggen
+stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met den handschoen, waarop
+Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden, hem
+plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed
+hier op, „moest het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden
+kelk drinken, naar Gods rechtvaardige vergelding en verdiende straf.”
+Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar vader Reignier
+haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar
+geboorteland.
+
+Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn
+alleen Hendrik VI nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar
+het standhoudend gerucht,” zegt Holinshed, „heeft Richard, hertog van
+Gloster, hem met zijn dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward
+met grootere veiligheid zou regeeren”; enkelen echter schrijven, „dat
+hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag en zijns zoons dood,
+van verdriet gestorven is.”
+
+In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken
+geput en tot zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt
+heeft. De lezer bedenke, dat bij deze voorstelling de bronnen, waarvan
+Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn, en niet de uitkomsten, waartoe
+vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn, medegedeeld moesten
+worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije, de
+schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet
+vermeld zijn, en evenmin de oplichting van Edward IV in zijn legerkamp,
+die een romantische voorstelling is van de afhankelijkheid van de
+Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick, waarin door
+verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was [5].
+Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn
+tafereel van dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput
+heeft, en hoe zijn geest leven heeft ingeblazen aan de personen, wier
+handelingen door de kronieken verhaald worden. Men zal moeten erkennen,
+dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten dichter
+waardig is.
+
+
+
+I. 1. 9. Door ’t zwaard van mind’re krijgers. Sh. vergeet hier, dat hij
+in het Tweede Deel van K. Hendrik VI, V. 2. 19, Clifford door de hand
+van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de
+kronieken. Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor;
+hier behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, daar het
+handschrift van het vorige stuk wel in den schouwburg zal berust hebben
+en niet terstond kon nageslagen worden.
+
+I. 1. 25. Dit hier is het paleis des laffen konings. Het woord paleis
+is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de
+koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het
+parlementshuis en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar
+zijn hof wil gaan.
+
+I. 1. 47. Uw edelvalk. Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd
+voor ieder begrijpelijk beeld terstond duidelijk te maken.
+
+I. 1. 72. Neef Exeter. De Hertog van Exeter was een afstammeling van
+den stiefbroeder van Richard II. Hij is niet met Thomas van Exeter te
+verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan van Gent.
+
+I. 1. 78. Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March.
+Duidelijkheidshalve is de naam March, die in het oorspronkelijke niet
+staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk antwoord, want het
+graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers,
+door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den
+troon ontleende.
+
+I. 1. 105. Uw vader was, als gij, hertog van York. Eigenlijk niet
+juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik V,
+wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns
+broeders dood op hem was overgegaan.
+
+I. 1. 116. Mijn broeder. Montague en Warwick noemen York bij herhaling
+broeder. York was wel met een Nevil getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil,
+was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster van hun vader, graaf
+Salisbury.
+
+I. 1. 207. Ik ga naar mijn kasteel. Hij bedoelt zijn slot Sandal Castle
+in Yorkshire.
+
+I. 1. 239. De onbuigb’re Falconbridge Thomas Nevil, een bastaard van
+Lord Falconbridge, was door Warwick tot vice-admiraal benoemd, met de
+opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden, dat geen
+aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.
+
+I. 3. 12. De onthokte leeuw. Er staat the pent-up lion. Bedoeld is: een
+leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten
+geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.
+
+I. 3. 48. „Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.” Dit vers van Ovidius
+is te vinden in de Heroides, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit
+iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”
+
+I. 4. 16. Edward: „Een kroon!” De naam „Edward” is verkieslijk boven de
+woorden And cried, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de
+Irving-editie ontleend.
+
+I. 4. 76. Met zijn knorstem. Richard voerde een ever op zijn helm en
+werd door zijn tijdgenooten meermalen ever genoemd.
+
+II. 1. 40. Drie blonde zonnen. Werkelijk voerde het huis York na Hertog
+Richards dood drie zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier
+der kroniek naverteld.—Naar aanleiding van de nagenoeg gelijke
+uitspraak van sun, zon, en son, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke
+Richard op Edwards zeggen, dat hij drie suns in zijn wapen zal voeren:
+„Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters altijd
+liever dan de mannetjes.”
+
+II. 1. 145. En George, uw broeder enz. Dit is niet historisch.
+
+II. 2. 48. Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle. Het
+spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: Happy the child,
+whose father went to the devil; „Gelukkig het kind, welks vader door
+den duivel is gehaald!” Als een vader, die op zondige wijze rijk
+geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor de
+zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de
+juistheid van het spreekwoord.
+
+II. 2. 133. Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder. Dadelijk bij
+de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning
+Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later
+Menelaus genoemd.
+
+II. 2. 144. Een stroowisch ware een duizend kronen waard. Kijfzieke of
+liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak
+gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.
+
+II. 3. 15. Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed. Dat in
+dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men
+nergens vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die
+den slag voorafgingen, een bastaard van den graaf van Salisbury,
+Warwick’s vader, viel.
+
+II. 5. 61. Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders! Men denke,
+dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.
+
+II. 5. 92. O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu
+van ’t leven;—o te laat! In ’t Engelsch luidt de tweede regel: And hath
+bereft thee of thy life too late. Dat de zoon te vroeg geboren is,
+omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is duidelijk genoeg; maar
+leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven
+beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de
+uitgevers er van trachten te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de
+twee laatste woorden, too late, van de vorige gescheiden en dit schijnt
+alle bezwaren op te lossen; de vader heeft geklaagd, dat zijn zoon te
+vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft; de woorden te
+vroeg doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft,
+en deze gedachte spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van
+heftige gemoedsbeweging spreekt men niet met afgeronde zinnen.—Zoo is
+ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77, 78: Gij, hart en oogen,
+enz. niet vrij van verwardheid.
+
+II. 6. 107. Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils. In de kroniek
+van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt
+hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters
+onheilvol geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van
+Edward III, als Humfried van Gloster, de zoon van Hendrik IV, werden
+vermoord, en ook Richard van Gloster vond een bloedigen dood.
+
+III. 2. 113. Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten. Een
+wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.
+
+III. 3. 188. Gezwegen bij de onteering van mijn nicht. Sh. doelt hier
+op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar
+in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s
+graven huis iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij
+zijn dochter of zijn nicht trachtte te defloreeren, werd om beider wil
+niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd door koning Edward
+beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen
+dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij
+Wakefield.
+
+III. 3. 224. Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal. In ’t
+oorspronkelijke staat masquers, want in Oud-Engeland werden voorname
+huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische voorstellingen,
+pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers,
+waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels
+later zegt Prinses Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De
+wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie vaak voor als het symbool van
+ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes. Vergelijk De
+Koopman van Venetië, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is
+dus: „om hem als trouweloozen minnaar treuren.”
+
+III. 3. 242. Mijn oudste dochter. Prins Edward huwde Warwick’s tweede
+of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard III” wordt dit juist
+opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste,
+zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.
+
+IV. 1. Bij het opkomen van Koning Edward zegt de Folio-uitgave: „Vier
+staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit wil zeggen: de
+koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth
+met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan zijn andere
+Gloster, Clarence, Somerset en Montague.
+
+IV. 1. 29. Welnu mijn meening is enz. De Folio-uitgave kent deze
+woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset ze spreken, want deze
+wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en Clarence
+heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.
+
+IV. 1. 47. Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter
+van Lord Hungerford te erlangen. Volgens de kroniek werd niet aan Lord
+Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de erfdochter van Lord
+Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht
+uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter,
+en in verscheiden staten werd dit als een prerogatief der kroon
+beschouwd.
+
+IV. 6. 67. De jonge Hendrik, graaf van Richmond. Hier wordt blijkbaar
+de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later koning
+Hendrik VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin
+Elizabeth, opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het
+volgend stuk, K. Richard III, voorbereid.
+
+IV. 8. 50. In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten
+onrechte den uitroep A Lancaster; blijkbaar moet A York gelezen worden.
+
+V. 1. 4 en 5. Waar is de man enz. Deze twee regels staan in de uitgaven
+in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting, zooals die in de
+Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam Daintry in regel 6 is de
+volksuitspraak voor Daventry.
+
+V. 1. 45. Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops. In het
+paleis des Bisschops van Londen.
+
+V. 2. 44. ’t Klonk zooals een roep in een gewelf. In de quarto-uitgaven
+vindt men: like a clamour in a vault, dat hier gekozen is; de
+folio-uitgave heeft like a cannon: „Maar ’t klonk als in gewelven een
+kanonschot.”
+
+V. 5. 2. Naar het slot Ham. Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze
+eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft gehuisvest.
+
+V. 5. 25. Æsopus moge in winternachten faab’len. De Prins vergelijkt
+Richard met den mismaakten fabeldichter Æsopus.
+
+V. 6. 10. Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen? Roscius, de
+beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van
+Cicero, bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche
+publiek van Sh.’s tijd bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in
+de stukken van dien tijd meermalen genoemd, door Shakespeare in Hamlet,
+II. 2. 410.
+
+V. 6. 55. En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij—De
+koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen
+is, maar Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
+
+V. 6. 86. Want profetieën zal ik gonzen doen. Men vergelijke het
+volgende stuk, K. Richard III. I. 1. 39 en 54.
+
+V. 7. 15. Dat ik nu mijn jongen kusse. Koningin Elizabeth heeft in het
+geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke hier de oudste,
+Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning
+Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst
+behoefde van deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met
+Hendrik VII Tudor huwde.—Dat de dichter in dit en het vorige tooneel
+het volgende stuk, Koning Richard III, voorbereidt, is onmiskenbaar.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOETNOTEN
+
+
+[1] Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat
+omtrent de wijze, waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn
+gekomen, en omtrent de echtheid en onechtheid van verschillende
+gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik VI”. Wie hierin verder
+wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes (1896)
+pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar
+aangehaalde werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal
+het een moeilijk werk vinden, tot een zekere uitkomst te geraken.
+
+[2] Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door
+del’ Averdy gegeven en vervat in het derde deel der Notices et extraits
+des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790. Dit werk bevindt
+zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar.
+
+[3] Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in Karel Hase, Neue
+Propheten. Leipzig 1851 en (2de druk) 1861; sedert is het aantal
+geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk vermeerderd, met name in
+Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G. Fr. Eysell.
+
+[4] Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt.
+
+[5] Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander
+uitgebreid werk over algemeene geschiedenis, zooals dat van Weber of
+Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn, of bijzondere werken over
+dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit de kronieken
+zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in
+afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral
+het uitmuntend overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn
+Hoogduitsche vertaling van „K. Hendrik VI” gevoegd, ten grondslag
+gelegd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***
diff --git a/75268-h/75268-h.htm b/75268-h/75268-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..5ef9d12
--- /dev/null
+++ b/75268-h/75268-h.htm
@@ -0,0 +1,19851 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-02-01T09:22:32Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Koning Hendrik VI</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="William Shakespeare (1564–1616)">
+<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
+<link rel="icon" href="images/new-cover.jpg" type="image/x-cover">
+<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
+<meta name="DC.Title" content="Koning Hendrik VI">
+<meta name="DC.Creator" content="William Shakespeare (1564–1616)">
+<meta name="DC.Contributor" content="Leendert Alexander Johannes Burgersdijk (1828–1900)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+.lgouter {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display: table;
+}
+.lg {
+text-align: left;
+padding: .5em 0;
+}
+.lg h4, .lgouter h4 {
+font-weight: normal;
+}
+.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
+color: #777;
+font-size: 90%;
+left: 16%;
+margin: 0;
+position: absolute;
+text-align: center;
+text-indent: 0;
+top: auto;
+width: 1.75em;
+}
+p.line, .par.line {
+margin: 0;
+}
+span.hemistich {
+visibility: hidden;
+}
+.verseNum {
+font-weight: bold;
+}
+.speaker {
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line {
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+.castlist, .castitem {
+list-style-type: none;
+}
+.castGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.castGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.castGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+div.sp p {
+margin-left: 10%;
+}
+div.sp p.speaker {
+margin-left: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
+color: #001FA4;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage {
+color: #001FA4;
+}
+h3 {
+font-weight: bold;
+}
+.speaker {
+color: #880000;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:480px;
+}
+.p614width {
+width:539px;
+}
+.p624width {
+width:425px;
+}
+.p664width {
+width:720px;
+}
+.p680width {
+width:463px;
+}
+.p704width {
+width:475px;
+}
+.p712width {
+width:507px;
+}
+.p716width {
+width:468px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 last-child cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb613">[<a href="#pb613">613</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="kh6i" class="div0 play">
+<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2>
+<h2 class="sub">EERSTE DEEL.</h2>
+<ul class="castlist">
+<li class="casthead">
+<h4>PERSONEN:</h4>
+</li>
+<li class="castitem">Koning <span class="role"><span class="sc">Hendrik de Zesde</span></span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Humfried</span>, Hertog van <span class="sc">Gloster</span></span>, oom des Konings en Protector.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John</span>, Hertog van <span class="sc">Bedford</span></span>, oom des Konings en Regent van Frankrijk.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Thomas Beaufort</span>, Hertog van <span class="sc">Exeter</span></span>, oudoom des Konings.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Hendrik Beaufort</span>, Bisschop van <span class="sc">Winchester</span></span>, oudoom des Konings, naderhand Kardinaal <span class="sc">Beaufort</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John Beaufort</span></span>, Graaf, later Hertog van <span class="sc">Somerset</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Richard Plantagenet</span></span>, zoon van den terechtgestelden Graaf van Cambridge, naderhand Hertog van <span class="sc">York</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Richard Beauchamp</span></span>, Graaf van <span class="sc">Warwick</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Thomas Montague</span></span>, Graaf van <span class="sc">Salisbury</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">William de la Pole</span></span>, Graaf van <span class="sc">Suffolk</span>.</li>
+<li class="castitem">Lord <span class="role"><span class="sc">Talbot</span></span>, later Graaf van Shrewsbury.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">John Talbot</span></span>, zijn zoon.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Edmund Mortimer</span></span>, Graaf van March.</li>
+<li class="castitem">Sir <span class="role"><span class="sc">John Fastolfe</span></span>, Sir <span class="role"><span class="sc">William Lucy</span></span>, Sir <span class="role"><span class="sc">William Glansdale</span></span> en Sir <span class="role"><span class="sc">Thomas Gargrave</span></span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Woodville</span></span>, Commandant van den Tower.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Mayor</span> van Londen</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Vernon</span></span>, van de Witte Roos of York-partij.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Basset</span></span>, van de Roode Roos of Lancaster-partij.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Karel</span></span>, Dauphijn, later Koning van Frankrijk.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Reignier</span></span>, Hertog van <span class="sc">Anjou</span>, naam-Koning van Napels.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Hertog</span> van <span class="sc">Bourgondië</span></span>.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Hertog</span> van <span class="sc">Alençon</span></span>.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Bastaard</span> van <span class="sc">Orleans</span></span>.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Bevelhebber</span> van Parijs</span>.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Generaal</span> der Fransche troepen</span> in Bordeaux.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Tuigmeester</span> van Orleans</span> en zijn <span class="role">Zoon</span>.</li>
+<li class="castitem">Een <span class="role">Fransch Sergeant</span>. Een <span class="role">Portier</span>. Een oude Herder, <span class="role">vader van Jeanne d’Arc</span>.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Margaretha</span></span>, dochter van Reignier.</li>
+<li class="castitem">De <span class="role"><span class="sc">Gravin</span> van <span class="sc">Auvergne</span></span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="role"><span class="sc">Jeanne d’Arc</span></span>, genaamd de <span class="sc">Pucelle</span>, of de Maagd van Orleans.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem">Edellieden. Wachten van den Tower. Herauten. Officieren. Soldaten. Boden. Dienaars,
+zoowel Engelsche als Fransche.—Booze Geesten, aan de Pucelle verschijnend.</li>
+</ul>
+<p class="first">Het Tooneel is deels in Engeland, deels in Frankrijk. </p>
+<div id="kh6i.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6i.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage">Westminster-abdij.</p>
+<p class="stage"><i>Een doodenmarsch.—De lijkbaar van Koning</i> <span class="sc">Hendrik de Vijfde</span> <i>wordt binnengebracht en nedergezet, omringd door de hertogen van</i> <span class="sc">Bedford</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span>, <i>den Graaf van</i> <span class="sc">Warwick</span>, <i>den Bisschop van</i> <span class="sc">Westminster</span>, <i>Herauten enz</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p id="kh6i.i.1.1" class="line">Behangt den hemel zwart, dag worde nacht!</p>
+<p class="line">Kometen, staats- en tijdenwiss’ling spellend,</p>
+<p class="line">Zwaait uw glasheldre tressen door de lucht,</p>
+<p class="line">En geeselt zoo de booze, oproer’ge sterren,</p>
+<p class="line">Tot Hendriks dood vereend, des vijfden Hendriks,</p>
+<p class="line">Die al te roemrijk was om lang te leven!</p>
+<p class="line">England verloor geen koning ooit, zoo groot.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">England bezat, vóór hem, nog nooit een koning.</p>
+<p class="line">Zijn heldendeugd gaf hem terecht gezag;</p>
+<p class="line">Zijn bliks’mend krijgszwaard straalde een ieder blind;</p>
+<p class="line">Zijn armen hadden meer dan drakenvlucht;</p>
+<p class="line">Zijn fonk’lend oog, vol vuur’gen toorn, ontzette,<span class="pageNum" id="pb614">[<a href="#pb614">614</a>]</span></p>
+<p class="line">En dreef zijn tegenstanders meer ter vlucht,</p>
+<p class="line">Dan ’s middags zon, hun vlammende in ’t gelaat.</p>
+<p class="line">Wat zeg ik? Welke tong schetst ooit zijn lof?</p>
+<p class="line">Hij hief de hand nooit op, of zegepraalde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Wij rouwen zwart; doch waarom niet in bloed?</p>
+<p class="line">Hendrik is dood om nimmer te herleven;</p>
+<p class="line">Wij doen hier bij een houten lijkkist dienst,</p>
+<p class="line">Verheerlijken des doods oneed’le zege,</p>
+<p class="line">Met statig begeleiden, als gevang’nen,</p>
+<p class="line">Aan eens verwinnaars zegekar geboeid.</p>
+<p class="line">Hoe? Zullen wij die onheilssterren vloeken,</p>
+<p class="line">Die de’ ondergang bewerkten onzes roems?</p>
+<p class="line">Of wel, de sluwe Franschen voor bezweerders</p>
+<p class="line">En toov’naars houden, die, uit angst voor hem,</p>
+<p class="line">Door rijm en staf zijn dood te wege brachten?</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p614width"><img src="images/p614.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel." width="539" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Eerste Gedeelte, Eerste Bedrijf, Eerste Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Een koning was hij, dien der vorsten koning</p>
+<p class="line">Gezegend heeft. De schrik des oordeelsdags</p>
+<p class="line">Zal wis den Franschen niet zoo schrikk’lijk zijn,</p>
+<p class="line">Als de aanblik was van hem. Hij streed den strijd</p>
+<p class="line">Des Heeren der heerscharen. De gebeden</p>
+<p class="line">Der kerk verleenden voorspoed aan zijn doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Der kerk? waar is zij? zonder de gebeden</p>
+<p class="line">Der papen waar’ zijn levensdraad nog gaaf;</p>
+<p class="line">Alleen een zwakk’ling wenscht gij op den troon,</p>
+<p class="line">Dien ge als een schoolknaap om den vinger windt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Wat wij ook wenschen, als protector Gloster,— <span class="lineNum">37</span></p>
+<p class="line">Dat zijt gij toch—beheert gij prins en rijk.</p>
+<p class="line">Uw vrouw is trotsch en zij houdt u in tucht,</p>
+<p class="line">Meer dan God zelf of vrome priesters ’t kunnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Spreek niet van vroomheid, gij bemint het vleesch,</p>
+<p class="line">En nooit in ’t gansche jaar gaat gij ter kerk,</p>
+<p class="line">Tenzij ge uw’ haters onheil toe wilt bidden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Staakt dit getwist en gunt uw harten vrede!</p>
+<p class="line">Komt, naar ’t altaar!—Herauten, gaat ons voor!—</p>
+<p class="line">En off’ren wij, voor goud, daar onze waap’nen,</p>
+<p class="line">Want waap’nen helpen niet, nu Hendrik stierf.</p>
+<p class="line">Nakroost, verwacht een boozen tijd, waarin</p>
+<p class="line">Het wicht aan moeders vochtige oogen zuigt,</p>
+<p class="line">Dit land een voedster wordt van zilte tranen,</p>
+<p class="line">Een tijd, die niemand in het leven laat</p>
+<p class="line">Dan vrouwen, om de dooden te beschreien!—</p>
+<p class="line">Hendrik de vijfde! uw geest bezweer ik: schenk</p>
+<p class="line">Dit rijk geluk, houd burgertweedracht verre!</p>
+<p class="line">Bestrijd daarboven dreigende planeten!</p>
+<p class="line">En uwe ziel wordt een roemruchter ster</p>
+<p class="line">Dan Julius Cæsar of de heldre—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Doorluchte lords, u allen mijnen groet!</p>
+<p class="line">Recht booze tijding breng ik u uit Frankrijk</p>
+<p class="line">Van nederlagen, bloedbad en verlies:</p>
+<p class="line">Guienne, Rheims, Champagne en Orleans,</p>
+<p class="line">Parijs, Rouaan, Poitiers, ’t is al verloren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Wat meldt gij, man, bij koning Hendriks lijk?</p>
+<p class="line">Spreek fluist’rend, of ’t verlies dier groote steden</p>
+<p class="line">Doet hem zijn lood verbreken en herleven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p id="kh6i.i.1.65" class="line">Parijs verloren! Rheims door ons ontruimd!</p>
+<p class="line">Werd Hendrik nu ten leven weer gewekt,</p>
+<p class="line">Die tijding deed nog eens den geest hem geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Wat,—welk verraad deed dit verloren gaan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Verraad niet, maar gebrek aan geld en manschap,</p>
+<p class="line">De krijgers fluist’ren dit elkander toe:</p>
+<p class="line">Dat onder u verdeeldheid heerscht, en gij,</p>
+<p class="line">In plaats dat gij te velde trekt en vecht,</p>
+<p class="line">Om ’t kiezen van de legerhoofden twist.</p>
+<p class="line">De een wil met weinig kosten de’ oorlog rekken,</p>
+<p class="line">Een ander vliegen, maar is vleugelloos,</p>
+<p class="line">Een derde hoopt, geen enkele uitgaaf doend,</p>
+<p class="line">Door list en fraaie woorden vreê te erlangen.</p>
+<p class="line">Ontwaakt, ontwaakt, gij Englands ridderschap!</p>
+<p class="line">Dat traagheid niet uw jongen roem doe tanen!</p>
+<p class="line">De leliën uit uw wapen zijn geplukt,</p>
+<p class="line">Uw wapenrok ter helfte weggehouwen. <span class="lineNum">81</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Zoo onze tranen bij dit lijk ontbraken,</p>
+<p class="line">Hun vloed wierd door uw nieuws weer opgewekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Mij gaat dit aan, ik ben regent van Frankrijk.</p>
+<p class="line">Mijn pantser hier! Ik wil om Frankrijk vechten,</p>
+<p class="line">Weg met dit oneerbrengend rouwgewaad!</p>
+<p class="line">Ik dring den Franschen wonden op voor oogen,</p>
+<p class="line">Om hun hernieuwde ellende te beschreien.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een tweede Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Bode.</p>
+<p class="line">Leest deze brieven, lords, vol bitter onheil.</p>
+<p class="line">Gansch Frankrijk is in opstand tegen ons,</p>
+<p class="line">Op enk’le nietig kleine steden na.</p>
+<p class="line">In Rheims is Karel, de dauphijn, gekroond,</p>
+<p class="line">De bastaard Orleans met hem vereenigd,</p>
+<p class="line">Reignier, hertog van Anjou, koos zijn zijde,</p>
+<p class="line">De hertog Alençon vlood heen, tot hem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Wat! de dauphijn gekroond! en allen bij hem!</p>
+<p class="line">O, waarheen vlieden wij bij zulk een smaad?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Vlieden? Neen, vliegen we aan des vijands strot!—</p>
+<p class="line">Bedford, indien gij draalt, neem ik het op.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Gloster, waarom betwijfelt gij mijn strijdlust?</p>
+<p class="line">’k Heb in mijn geest een leger reeds gemonsterd,</p>
+<p class="line">Dat als een stortvloed Frankrijk overdekt.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb615">[<a href="#pb615">615</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Een derde Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Bode.</p>
+<p class="line">Om, eed’le lords, uw rouw nog te vermeerd’ren,</p>
+<p class="line">Waarmee gij koning Hendriks baar bedauwt,</p>
+<p class="line">Moet ik bericht doen van een feilen strijd</p>
+<p class="line">Van de’ onverschrokken Talbot met de Franschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Waar Talbot toch in overwon, niet waar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Bode.</p>
+<p class="line">O neen, waar Talbot in geslagen werd;</p>
+<p class="line">Uitvoerig wil ik heel den loop u melden.</p>
+<p class="line">Toen op den tiende’ Augustus deze held</p>
+<p class="line">Terugtrok van ’t beleg van Orleans,</p>
+<p class="line">Te nauwernood zesduizend strijders sterk,</p>
+<p class="line">Werd hij door drie-en-twintigduizend Franschen</p>
+<p class="line">Geheel omsingeld en met kracht bestookt.</p>
+<p class="line">Hij had den tijd niet om zijn volk te scharen,</p>
+<p id="kh6i.i.1.117" class="line">Geen pieken om te planten voor zijn schutters;</p>
+<p class="line">Zij staken daarom haastig scherpe palen,</p>
+<p class="line">Die ze uit de heggen rukten, in den grond,</p>
+<p class="line">Om de’ aanval van de ruiterij te keeren.</p>
+<p class="line">Meer dan drie uren duurde zoo ’t gevecht,</p>
+<p class="line">En Talbot, dapper boven ’s menschen denkkracht,</p>
+<p class="line">Verrichtte wond’ren met zijn zwaard en lans,</p>
+<p class="line">Zond honderden ter helle, en niemand stond hem!</p>
+<p class="line">Hier, daar, en overal sloeg hij verwoed.</p>
+<p class="line">De Franschen riepen uit: „de duivel vecht hier”,</p>
+<p class="line">Hun gansche leger staarde ontzet hem aan;</p>
+<p class="line">Zijn krijgers, dien ondoofb’ren moed ontwarend,</p>
+<p class="line">En „Talbot! Talbot” roepend, stortten zich</p>
+<p class="line">Vereend vooruit en in het hart des strijds. <span class="lineNum">129</span></p>
+<p class="line">En wis waar’ hun de zege vast bezegeld,</p>
+<p id="kh6i.i.1.131" class="line">Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.</p>
+<p class="line">Hij, voorhoede eerst, zou met zijn krijgers nu</p>
+<p class="line">De hoofdmacht volgen en den rug haar dekken,</p>
+<p class="line">Maar vluchtte laf en zonder slag of stoot.</p>
+<p class="line">Hieruit ontsproot de nederlaag en ’t bloedbad.</p>
+<p class="line">Een Waal, den bijval des dauphijns bejagend,</p>
+<p class="line">Stiet valsch zijn speer held Talbot in den rug,</p>
+<p class="line">Hem, wien de gansche legermacht van Frankrijk</p>
+<p class="line">Nooit had gewaagd in ’t aangezicht te zien.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Is Talbot dood? dan dood ik ook mijzelf,</p>
+<p class="line">Daar ik hier leefde in praal en rust, terwijl</p>
+<p class="line">Een held als hij hulp dierf bij zulke daden</p>
+<p class="line">En aan zijn lagen vijand werd verraden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Bode.</p>
+<p class="line">O neen, hij leeft, maar toch, hij is gevangen,</p>
+<p class="line">Met hem lord Scales en ook lord Hungerford;</p>
+<p class="line">Zóó de andren meest gevangen of gevallen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Ik kwijt zijn losgeld, ik, en niemand anders.</p>
+<p class="line">’k Rijt den dauphijn nu rugg’lings van zijn troon,</p>
+<p class="line">En zijne kroon zij ’t losgeld van mijn vriend;</p>
+<p class="line">Vier hunner lords geef ik voor één der onze.—</p>
+<p class="line">Vaartwel, mijn vrienden, ’k spoed mij aan mijn taak;</p>
+<p id="kh6i.i.1.153" class="line">Ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan,</p>
+<p class="line">Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.</p>
+<p class="line">Tienduizend krijgers neem ik mee, wier spoed</p>
+<p class="line">Bij ’t bloedig werk Europa sidd’ren doet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Bode.</p>
+<p class="line">’t Is dringend, Orleans wordt wel belegerd,</p>
+<p class="line">Doch ’t Engelsch heer is uitgeput en zwak;</p>
+<p class="line">De graaf van Salisbury smeekt om versterking</p>
+<p class="line">En houdt het nauwelijks af van muiterij,</p>
+<p class="line">Wijl ’t, luttel, zulk een macht bewaken moet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Lord, denkt aan de eeden, die gij Hendrik zwoert,</p>
+<p class="line">Van den dauphijn geheel, voor goed, te fnuiken,</p>
+<p class="line">Of wel, hem neer te buigen in uw juk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">’k Gedenk die eeden en ik neem thans afscheid,</p>
+<p class="line">Opdat ik mij terstond ten strijde rust.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Bedford</span> <i>af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik spoed mij naar den Tower om er ’t geschut</p>
+<p class="line">En krijgsbehoeften na te gaan, en dan</p>
+<p class="line">Roep ik den jongen Hendrik uit als koning,</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Ik ga naar Eltham, tot den jongen koning,</p>
+<p class="line">Wiens hoede mij bijzonder is vertrouwd;</p>
+<p class="line">’k Beraam daar, wat zijn veiligheid verzekert.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Elk heeft zijn ambt en taak hier; ik alleen</p>
+<p class="line">Bleef over; mij werd geen beheer vertrouwd.</p>
+<p class="line">Maar langer wil ik geen Hans Doeniet blijven;</p>
+<p class="line">De koning is in Eltham; van die plaats</p>
+<p class="line">Steel ik hem weg en zet me aan ’t roer des staats.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal.</i> <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span> <i>en</i> <span class="sc">Reignier</span> <i>komen op met trommen en Soldaten</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p id="kh6i.i.2.1" class="line">Als aan den hemel, is Mars’ ware loop</p>
+<p class="line">Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend.</p>
+<p class="line">Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger,</p>
+<p class="line">Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe.</p>
+<p class="line">Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons?</p>
+<p class="line">Tot kortswijl liggen wij voor Orleans;</p>
+<p class="line">De hongrige Engelschen, als bleeke geesten,</p>
+<p class="line">Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen;</p>
+<p class="line">Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten</p>
+<p class="line">Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij</p>
+<p class="line">Er poover uit, zooals verdronken muizen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd?<span class="pageNum" id="pb616">[<a href="#pb616">616</a>]</span></p>
+<p class="line">Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen;</p>
+<p class="line">Nu is slechts hier die dolkop Salisbury,</p>
+<p class="line">En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op;</p>
+<p class="line">Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los.</p>
+<p class="line">Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen!</p>
+<p class="line">’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood,</p>
+<p class="line">Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot verlies afgeslagen.</i> <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span> <i>en Anderen komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!—</p>
+<p class="line">Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden,</p>
+<p class="line">Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Een razend moord’naar is die Salisbury;</p>
+<p class="line">Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe.</p>
+<p class="line">En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen,</p>
+<p class="line">Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p id="kh6i.i.2.29" class="line">Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, <span class="lineNum">29</span></p>
+<p class="line">Bracht England, in des derden Edwards tijd,</p>
+<p class="line">Toen louter Oliviers en Roelands voort.</p>
+<p class="line">En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid:</p>
+<p class="line">Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het</p>
+<p class="line">Ons hier als strijders toe. <span class="corr" id="xd33e819" title="Bron: Éen">Één</span> tegen tien!</p>
+<p class="line">En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken,</p>
+<p class="line">Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels,</p>
+<p class="line">En honger drijft hen des te feller aan;</p>
+<p class="line">Ik ken hen wel: zij reten met de tanden</p>
+<p class="line">De muren liever neer dan dat zij weken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Met raderwerk of koord zijn wis hun armen</p>
+<p class="line">Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan,</p>
+<p class="line">Want anders hielden zij het nooit zoo vol.</p>
+<p class="line">Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Zoo zij het.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Bastaard van Orleans komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht;</p>
+<p class="line">Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt?</p>
+<p class="line">Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand;</p>
+<p class="line">Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie</p>
+<p class="line">De hemel door een droomgezicht gelastte,</p>
+<p class="line">Een eind te maken aan dit lang beleg</p>
+<p class="line">En de Engelschen te drijven uit dit rijk.</p>
+<p class="line">Zij heeft den geest der echte profetie,</p>
+<p id="kh6i.i.2.56" class="line">Veel meer dan Rome’s negental Sybillen;</p>
+<p class="line">Zij kan, wat was en komen zal, onthullen.</p>
+<p class="line">Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden,</p>
+<p class="line">Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Ga! roep haar.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Bastaard af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line"><span class="hemistich">Ga! roep haar. </span>Doch, om eerst haar kunst te toetsen,</p>
+<p class="line">Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn;</p>
+<p class="line">Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte;</p>
+<p class="line">Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Dauphijn treedt op den achtergrond.</i>)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Jeanne d’Arc</span> <i>treedt op, de</i> <span class="sc">Bastaard</span> <i>van Orleans en Anderen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt?</p>
+<p class="line">Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren!</p>
+<p class="line">Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.—</p>
+<p class="line">Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.</p>
+<p class="line">’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.—</p>
+<p class="line">Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Die eerste storm gaat haar voortreff’lijk af. <span class="lineNum">71</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter;</p>
+<p class="line">Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap,</p>
+<p class="line">’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd,</p>
+<p class="line">Op mij in lagen staat hun licht te stralen.</p>
+<p class="line">Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde,</p>
+<p class="line">Mijn wangen door de zon verschroeien liet,</p>
+<p class="line">Verscheen genadig mij de moeder Gods</p>
+<p class="line">En gaf, in een visioen vol majesteit,</p>
+<p class="line">Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,</p>
+<p class="line">Mijn vaderland te redden uit den nood.</p>
+<p class="line">Zij zeide hulp mij toe en wisse zege,</p>
+<p class="line">En toonde zich in al haar hemelglans.</p>
+<p class="line">Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd,</p>
+<p class="line">Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot,</p>
+<p class="line">Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet.</p>
+<p class="line">Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt,</p>
+<p class="line">Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;</p>
+<p class="line">Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,</p>
+<p class="line">Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.</p>
+<p class="line">Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard,</p>
+<p class="line">Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;</p>
+<p class="line">En deze proef slechts wensch ik van uw moed;</p>
+<p class="line">Gij zult in tweegevecht u met mij meten.</p>
+<p class="line">Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar;</p>
+<p class="line">Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb617">[<a href="#pb617">617</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard,</p>
+<p class="line">Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik</p>
+<p class="line">Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof</p>
+<p class="line">Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij vechten, en</i> <span class="sc">Jeanne d’Arc</span> <i>heeft de overhand</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone,</p>
+<p class="line">En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen.</p>
+<p class="line">Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u;</p>
+<p class="line">Gij overwont mij tevens hart en hand.</p>
+<p id="kh6i.i.2.110" class="line">Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt,</p>
+<p class="line">Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer;</p>
+<p class="line">Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,</p>
+<p class="line">Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn;</p>
+<p class="line">Maar heb ik al uw vijanden verdreven,</p>
+<p class="line">En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. <span class="lineNum">118</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten,</p>
+<p class="line">Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten;</p>
+<p class="line">In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag?</p>
+<p class="line">Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk!</p>
+<p class="line">Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jeanne d’Arc.</p>
+<p class="line">Ik ben tot Englands geesel uitverkoren.</p>
+<p class="line">Nog deze nacht ontzet ik wis de stad;</p>
+<p class="line">Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen</p>
+<p id="kh6i.i.2.131" class="line">Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen.</p>
+<p class="line">De roem is als een cirkel in het water,</p>
+<p class="line">Die immer meer en verder zich verbreidt,</p>
+<p class="line">Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit.</p>
+<p class="line">Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet,</p>
+<p class="line">Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.</p>
+<p id="kh6i.i.2.138" class="line">Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens</p>
+<p class="line">Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p id="kh6i.i.2.140" class="line">Werd eens Mohammed door een duif bezield,</p>
+<p class="line">Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest.</p>
+<p class="line">Geen Helena, de moeder Constantijns,</p>
+<p class="line">Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters.</p>
+<p class="line">Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt,</p>
+<p class="line">Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer!</p>
+<p class="line">Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw</p>
+<p class="line">Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Voor den Tower.</i></p>
+<p class="stage"><i>De Hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <i>met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen;</p>
+<p class="line">Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd.</p>
+<p class="line">Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?</p>
+<p class="line">Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Dienaars kloppen aan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaar.</p>
+<p class="line">’t Is de eed’le hertog Gloster.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaar.</p>
+<p class="line">Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn;</p>
+<p class="line">Wij doen niets anders dan ons is gelast.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne?</p>
+<p class="line">Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt</p>
+<p class="line">Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning.</p>
+<p class="line">Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Gloster’s</span> <i>Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant</i> <span class="sc">Woodville</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Woodville</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor?</p>
+<p class="line">Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb618">[<a href="#pb618">618</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Woodville</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog;</p>
+<p class="line">De kardinaal van Winchester verbiedt het;</p>
+<p class="line">Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast,</p>
+<p class="line">Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij?</p>
+<p class="line">Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd,</p>
+<p class="line">Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden?</p>
+<p class="line">Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit</p>
+<p class="line">De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaren.</p>
+<p class="line">Ontsluit de poorten voor den lord protector!</p>
+<p class="line">Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>komt op, met een gevolg van Dienaren in bruine kleedij</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver,</p>
+<p class="line">En geen beschermer van den troon of ’t rijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Terug, gij welbekende samenzweerder,</p>
+<p class="line">Die wijlen onzen koning wildet moorden,</p>
+<p id="kh6i.i.3.35" class="line">En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen!</p>
+<p class="line">Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots,</p>
+<p class="line">U in uw breeden kardinaalshoed wannen. <span class="lineNum">37</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier.</p>
+<p id="kh6i.i.3.39" class="line">Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain;</p>
+<p class="line">Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Niet dooden, slechts verjagen wil ik u;</p>
+<p class="line">En uw scharlaken mantel zal mij dienen,</p>
+<p class="line">Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!—</p>
+<p id="kh6i.i.3.46" class="line">Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen,</p>
+<p class="line">Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!—</p>
+<p class="line">Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe.</p>
+<p class="line">Ik treed uw kardinaalshoed met den voet,</p>
+<p class="line">Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!—</p>
+<p class="line">Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?—</p>
+<p class="line">U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!—</p>
+<p class="line">Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Dienaars van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>drijven de Bisschoppelijken terug; te midden van het rumoer treedt de Mayor van Londen
+op met zijn Beambten.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden,</p>
+<p class="line">Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet,</p>
+<p class="line">Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend,</p>
+<p class="line">Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Hier Gloster, die der burg’ren vijand is,</p>
+<p class="line">Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit,</p>
+<p class="line">Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten,</p>
+<p class="line">En immer tracht den godsdienst om te keeren,</p>
+<p class="line">Wijl hij protector is van ’t koninkrijk,</p>
+<p class="line">En nu hier waap’nen vordert uit den Tower,</p>
+<p class="line">Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel</p>
+<p class="line">Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.—</p>
+<p class="line">Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. <span class="lineNum">72</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gerechtsbode.</p>
+<p>„Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des konings vrede in de wapenen
+zijn samengekomen, lasten en bevelen wij, in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn
+haardstee terug te keeren, en van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd
+te dragen, te voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik wil de wet niet breken, kardinaal,</p>
+<p class="line">Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen;</p>
+<p class="line">Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.—</p>
+<p class="line">Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster!</p>
+<p class="line">Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>gaan, ieder met zijn Dienaars, naar verschillenden kant af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.—</p>
+<p class="line">God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt!</p>
+<p class="line">In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Mayor met zijn Dienaren af.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb619">[<a href="#pb619">619</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.i.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p>
+<p class="stage"><i>De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tuigmeester.</p>
+<p id="kh6i.i.4.1" class="line">Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt;</p>
+<p class="line">De vijand heeft de voorstad reeds bezet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Ik weet het, vader, en ik richtte vaak</p>
+<p class="line">Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tuigmeester.</p>
+<p class="line">’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden.</p>
+<p class="line">Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen,</p>
+<p class="line">Wat mij bij deze stad in aanzien brengt.</p>
+<p class="line">Spionnen van den prins berichtten mij,</p>
+<p class="line">Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand</p>
+<p class="line">Door een getralied venster van dien toren</p>
+<p class="line">Gewoon is uit te zien naar onze stad,</p>
+<p class="line">En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut</p>
+<p class="line">Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet.</p>
+<p class="line">Om van dit ongerief ons te bevrijden</p>
+<p class="line">Heb ik een stuk geschut daarop gericht,</p>
+<p class="line">En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd,</p>
+<p class="line">Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht,</p>
+<p class="line">Wijl ik niet blijven kan.</p>
+<p class="line">Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden;</p>
+<p class="line">Gij zult mij vinden bij den commandant. <span class="lineNum">20</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Tuigmeester af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust;</p>
+<p class="line">Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Zoon af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord</i> <span class="sc">Salisbury</span>, <i>Lord</i> <span class="sc">Talbot</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">William Glansdale</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">Thomas Gargrave</span> <i>en Anderen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug?</p>
+<p class="line">Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld?</p>
+<p class="line">En hoe gelukte ’t u, u los te koopen?</p>
+<p class="line">Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">De hertog Bedford had een dappren graaf,</p>
+<p class="line">Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles;</p>
+<p class="line">’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem.</p>
+<p class="line">Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen</p>
+<p class="line">Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik;</p>
+<p class="line">Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood</p>
+<p class="line">Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien,</p>
+<p class="line">En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd.</p>
+<p class="line">Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart;</p>
+<p class="line">Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen,</p>
+<p class="line">Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Met schimp en hoon en drieste spotternij.</p>
+<p class="line">Zij stelden mij op de open markt ten toon,</p>
+<p class="line">Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren.</p>
+<p class="line">„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik,</p>
+<p class="line">Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.”</p>
+<p class="line">Toen reet ik mij van mijn bewakers los,</p>
+<p class="line">Groef met de nagels steenen uit den grond,</p>
+<p class="line">En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad;</p>
+<p class="line">En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht.</p>
+<p class="line">Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood.</p>
+<p class="line">Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd;</p>
+<p class="line">Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,—</p>
+<p class="line">Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken,</p>
+<p class="line">Arduinen posten gruiz’len met den voet;</p>
+<p class="line">Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking,</p>
+<p class="line">Die telkens bij minuten om mij waarden;—</p>
+<p class="line">En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen,</p>
+<p class="line">Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Knaap verschijnt op den wal met een lont.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan,</p>
+<p class="line">Doch volle wraak gewordt ons binnenkort.</p>
+<p class="line">’t Is avondetenstijd in Orleans;</p>
+<p class="line">Hier, door de traliën, kan ik allen tellen,</p>
+<p class="line">En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst.</p>
+<p class="line">Komt, laat ons uitzien; <span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Talbot</span>.)</span> u zal ’t wis verheugen.</p>
+<p class="line">Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale,</p>
+<p class="line">Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt,</p>
+<p class="line">Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gargrave.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, de noorderpoort, waar de adel staat. <span class="lineNum">66</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Glansdale.</p>
+<p class="line">Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden,</p>
+<p class="line">Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een schot van den wal.</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Gargrave</span> <i>vallen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">God, wees genadig voor ons arme zondaars!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gargrave.</p>
+<p class="line">God, wees voor mij, verloren man, genadig!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len?</p>
+<p class="line">Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,—</p>
+<p class="line">Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel?</p>
+<p class="line">Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!—</p>
+<p class="line">Vervloekte toren! vloekbare onheilshand,</p>
+<p class="line">Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd!</p>
+<p class="line">’t Was Salisbury, die dertien slagen won,</p>
+<p class="line">Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde;</p>
+<p class="line">Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk,</p>
+<p class="line"><span class="corr" id="xd33e1524" title="Bron: Eén">Één</span> trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.—</p>
+<p class="line">Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken,</p>
+<p class="line">Één oog bleef u tot smeeken om genade,</p>
+<p class="line">Met één oog schouwt de zon de wereld aan.—</p>
+<p class="line">Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig,</p>
+<p class="line">Zoo Salisbury bij U genade derft!”<span class="pageNum" id="pb620">[<a href="#pb620">620</a>]</span></p>
+<p class="line">Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven.</p>
+<p class="line">Sir Thomas <span class="corr" id="xd33e1538" title="Bron: Gangrave">Gargrave</span>, hebt gij nog iets leven.</p>
+<p class="line">Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op!</p>
+<p class="line">Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn:</p>
+<p class="line">Gij sterft niet zonder—</p>
+<p class="line">Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,</p>
+<p class="line">Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood,</p>
+<p class="line">Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!”</p>
+<p id="kh6i.i.4.95" class="line">Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero,</p>
+<p class="line">De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden;</p>
+<p class="line">Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Welk een geraas! de hemel is in oproer!</p>
+<p class="line">Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Mylord, mylord! de Franschen vallen aan;</p>
+<p class="line">En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle,</p>
+<p class="line">Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend,</p>
+<p class="line">Komt met een groote macht de stad ontzetten.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>richt zich op en kreunt</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt;</p>
+<p class="line">Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.—</p>
+<p class="line">Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn;</p>
+<p class="line">Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond,</p>
+<p class="line">’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven;</p>
+<p class="line">Uw hersens kluts ik samen tot een poel.—</p>
+<p class="line">Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent;</p>
+<p class="line">Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, met de lijken.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.i.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Voor een der poorten.</i></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>vervolgt den Dauphijn, drijft hem op de vlucht en gaat heen; dan komt</i> <span class="sc">Jeanne d’Arc</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>Engelschen voor zich uitdrijvend, en gaat heen; daarna komt</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>weder op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Waar is mijn kracht, mijn moed en dapperheid?</p>
+<p class="line">Ons leger wijkt, en ik kan het niet weerhouden;</p>
+<p class="line">Een vrouw in wapenrusting jaagt het voort.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Daar komt zij, zie—Ik wil mij met u meten;</p>
+<p class="line">Duiv’lin of ’s duivels moeder, ik bezweer u;</p>
+<p id="kh6i.i.5.6" class="line">Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af,</p>
+<p class="line">En lever hem uw ziele, wien gij dient.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Kom dan, ik ben ’t, die u verneed’ren moet.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij vechten.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gij hemel, duldt gij, dat de hel dus wint?</p>
+<p class="line">Spring’ mij de borst door ’t zwellen van mijn moed</p>
+<p class="line">Of barsten ook mijn armen van de schouders,</p>
+<p class="line">Toch tuchtig ik die overstoute deern!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Talbot, vaarwel; uw ure is nog niet daar;</p>
+<p class="line">’k Moet fluks in Orleans mondvoorraad brengen.</p>
+<p class="line">Vervolg mij vrij; ik spot met uwe kracht.</p>
+<p class="line">Ga, ga, bemoedig uw verhongerd volk;</p>
+<p class="line">Help Salisbury zijn testament te maken;</p>
+<p class="line">De dag is ons, als vele nog na dezen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>trekt met haar krijgers de stad binnen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Mijn brein draait als een pottenbakkerswiel;</p>
+<p class="line">Ik weet niet, wat ik ben, noch wat ik doe.</p>
+<p id="kh6i.i.5.21" class="line">Door vrees, door kracht niet, drijft, als Hannibal,</p>
+<p class="line">Een heks ons hier terug en wint naar lust;</p>
+<p class="line">Zoo jagen rook de bijen, stank de duiven</p>
+<p class="line">Weg uit haar korven, van haar tillen voort.</p>
+<p class="line">Ons bijten deed ons Englands honden heeten,</p>
+<p class="line">Nu loopen we als hondsjongen jankend weg.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een kort strijdgedruisch.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Landslieden, hoort! hervat op nieuw ’t gevecht,</p>
+<p class="line">Of rukt de leeuwen uit het Engelsch wapen!</p>
+<p class="line">Verzaakt uw land, en zet voor leeuwen schapen!</p>
+<p class="line">Zoo trouwloos vlucht geen schaapstroep voor den wolf,</p>
+<p class="line">Geen paarden, rund’ren voor den luipaard ooit,</p>
+<p class="line">Als gij voor uw zoo vaak bedwongen knechten.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. Een nieuwe Schermutseling.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Het mag niet zijn!—Terug dan in uw schansen</p>
+<p class="line">De dood van Salisbury komt op uw hoofd,</p>
+<p class="line">Want geen van u deed iets om hem te wreken.—</p>
+<p class="line">Trots ons, trots alles wat wij konden doen,</p>
+<p class="line">Is de Pucelle in Orleans getogen.</p>
+<p class="line">O, ware ik saam met Salisbury gestorven!</p>
+<p class="line">Voortaan berg ik om deze schande ’t hoofd.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Strijdgedruisch. Terugtocht.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>met zijn Krijgers af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.i.6" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.i.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>en Soldaten</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Laat onze vanen wapp’ren op de wallen!</p>
+<p class="line">Ontrukt is Orleans aan Englands wolven,</p>
+<p class="line">Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter,</p>
+<p class="line">Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe?</p>
+<p class="line">Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen,</p>
+<p class="line">Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.—</p>
+<p class="line">Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!—</p>
+<p class="line">Herwonnen is uw stad, uw Orleans;</p>
+<p class="line">Nooit wedervoer ons land een grooter heil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad?</p>
+<p class="line">Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren</p>
+<p class="line">Ontsteken, juub’len, smullen in de straten,</p>
+<p class="line">Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust,</p>
+<p class="line">Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb621">[<a href="#pb621">621</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel</p>
+<p class="line">’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij;</p>
+<p class="line">Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen;</p>
+<p class="line">Wat priester is of monnik in mijn rijk,</p>
+<p class="line">Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen.</p>
+<p id="kh6i.i.6.21" class="line">Een trotscher pyramide bouw ik haar,</p>
+<p class="line">Dan die van Rhodope te Memphis was.</p>
+<p class="line">Haar ter gedacht’nis worde na haar dood</p>
+<p class="line">Haar asch in een veel kostlijker urn</p>
+<p class="line">Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius</p>
+<p class="line">Bij hooge feest’lijkheden omgedragen</p>
+<p class="line">Voor Frankrijks koningen en koninginnen.</p>
+<p class="line">Niet meer zij onze leuze: Saint Denis!</p>
+<p class="line">Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn.</p>
+<p class="line">Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal,</p>
+<p class="line">Den gulden dag van deze zegepraal!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6i.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">Orleans</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Sergeant.</p>
+<p id="kh6i.ii.1.1" class="line">Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!</p>
+<p class="line">Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat</p>
+<p class="line">Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken</p>
+<p class="line">Ons in het wachthuis fluks bericht er van.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Schildwacht.</p>
+<p class="line">Zeer wel, sergeant. <span class="stage">(<i>De Sergeant af.</i>)</span> Zoo zet men arme knechten,</p>
+<p class="line">Als andren in hun zachte bedden slapen,</p>
+<p class="line">Op wacht in regen, koude en duisternis.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc"><span class="corr" id="xd33e1821" title="Bron: Bedfort">Bedford</span></span>, <span class="sc">Bourgondië</span> <i>komen op, met troepen en stormladders; hun trommen slaan een gedempten marsch</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,</p>
+<p class="line">Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,</p>
+<p class="line">Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,</p>
+<p class="line">De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,</p>
+<p class="line">Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;</p>
+<p class="line">Omhelzen wij dus die gelegenheid</p>
+<p class="line">Om hun het loos bedrog weer te vergelden,</p>
+<p class="line">Dat list en snoode tooverij bedacht. <span class="lineNum">15</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!</p>
+<p class="line">Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,</p>
+<p class="line">En sloot met hel en heksen een verbond!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Geen andren omgang hebben ooit verraders.</p>
+<p class="line">Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,</p>
+<p class="line">Wie is zij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Men zegt een meisje.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Men zegt een meisje. </span>Een meisje, en zoo strijdhaftig!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,</p>
+<p class="line">Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard</p>
+<p class="line">De wapens draagt, zooals zij nu begon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!</p>
+<p class="line">Voor ons is God een burg; beklimmen wij</p>
+<p class="line">In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,</p>
+<p class="line">Dat we op verscheiden punten binnendringen,</p>
+<p class="line">Opdat, zoo het een van ons mislukt,</p>
+<p class="line">Een ander van hun macht het winnen kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Goed. Ik kies gindschen hoek.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Goed. Ik kies gindschen hoek. </span>En ik dien andren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—</p>
+<p class="line">Nu, Salisbury, voor u en voor het recht</p>
+<p class="line">Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,</p>
+<p class="line">Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. <span class="lineNum">37</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” en „Talbot”,
+en dringen allen in de stad.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Schildwacht</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>achter het tooneel</i>).</span> Te wapen! op! de vijand loopt hier storm!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende kanten komen
+op: de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <i>half aangekleed, half onaangekleed</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;</p>
+<p class="line">Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit</p>
+<p class="line">Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,</p>
+<p class="line">Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb622">[<a href="#pb622">622</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>komt op, met de</i> <span class="sc">Pucelle</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?</p>
+<p class="line">Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,</p>
+<p class="line">Een kleine, zoete winst deelachtig worden,</p>
+<p class="line">Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?</p>
+<p class="line">Verlangt gij mijne macht steeds even groot?</p>
+<p class="line">Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,</p>
+<p class="line">Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?</p>
+<p class="line">Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid</p>
+<p class="line">Zou dezen overval voorkomen hebben.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,</p>
+<p class="line">Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,</p>
+<p class="line">Niet beter van dien grooten plicht u kweet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest</p>
+<p class="line">Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,</p>
+<p class="line">Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Het mijn’ was goed verzekerd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Het mijn’ was goed verzekerd. </span>Zoo ook ’t mijne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Wat mij betreft, het grootste deel der nacht</p>
+<p class="line">Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,</p>
+<p class="line">Besteed om telkens heen en weer te gaan</p>
+<p class="line">Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;</p>
+<p class="line">Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na <span class="lineNum">72</span></p>
+<p class="line">Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens</p>
+<p class="line">Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.</p>
+<p class="line">Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:</p>
+<p class="line">’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,</p>
+<p class="line">En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! Talbot!” Zij vluchten
+met achterlating hunner kleederen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De Soldaat.</p>
+<p class="line">’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.</p>
+<p class="line">De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;</p>
+<p class="line">Met rijken buit heb ik mij hier beladen,</p>
+<p class="line">En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Soldaat af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Orleans.</span> <i>Binnen de stad.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bedford</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>een Hopman en Anderen komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">De dag breekt aan, gevloden is de nacht,</p>
+<p class="line">Die met haar ravenmantel de aard omgaf.</p>
+<p class="line">Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Het sein tot terugroeping wordt geblazen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,</p>
+<p class="line">En plaatst de baar hier op het open marktplein,</p>
+<p class="line">Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—</p>
+<p class="line">’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;</p>
+<p class="line">Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,</p>
+<p class="line">Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.</p>
+<p class="line">Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,</p>
+<p class="line">Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,</p>
+<p class="line">Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,</p>
+<p class="line">Waarin zijn overschot begraven worde,</p>
+<p class="line">En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,</p>
+<p class="line">Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,</p>
+<p class="line">’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,</p>
+<p class="line">En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—</p>
+<p class="line">Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,</p>
+<p class="line">Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,</p>
+<p class="line">Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,</p>
+<p class="line">Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,</p>
+<p class="line">Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,</p>
+<p class="line">En, onder hoopen krijgers, van den wal</p>
+<p class="line">Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel</p>
+<p class="line">En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—</p>
+<p class="line">Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;</p>
+<p class="line">Zij vloden, arm in arm, met alle macht,</p>
+<p class="line">Gelijk een paar verliefde tortelduiven,</p>
+<p class="line">Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.</p>
+<p class="line">Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,</p>
+<p class="line">Dan zetten wij met volle macht hen na. <span class="lineNum">33</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar</p>
+<p class="line">Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,</p>
+<p class="line">Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p id="kh6i.ii.2.38" class="line">De deugdrijke gravinne van Auvergne,</p>
+<p class="line">Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,</p>
+<p class="line">Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,</p>
+<p class="line">Haar te bezoeken op haar armen burg,</p>
+<p class="line">Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,</p>
+<p class="line">Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg</p>
+<p class="line">Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,</p>
+<p class="line">Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—</p>
+<p class="line">Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen</p>
+<p class="line">Met alle redekunst bereiken zou,</p>
+<p class="line">Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—</p>
+<p class="line">Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,</p>
+<p class="line">En onderdanig haar bezoeken zal.—</p>
+<p class="line">Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb623">[<a href="#pb623">623</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;</p>
+<p class="line">’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten</p>
+<p class="line">’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,</p>
+<p class="line">Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.</p>
+<p class="line">Treedt nader, hopman, luister. <span class="stage">(<i>Hij fluistert hem iets in.</i>)</span>—Gij begrijpt mij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hopman.</p>
+<p class="line">Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Auvergne.</span> <i>Het binnenplein van het kasteel.</i></p>
+<p class="stage"><i>De Gravin en haar Portier komen op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Portier, onthoud wat ik u heb gelast,</p>
+<p class="line">En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Portier.</p>
+<p class="line">Ik zal het doen, geëerde vrouwe.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Portier af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">De val is nu gesteld; gaat alles goed,</p>
+<p class="line">Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,</p>
+<p class="line">Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.</p>
+<p class="line">Groot is de naam van dien gevreesden ridder,</p>
+<p class="line">En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;</p>
+<p class="line">’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,</p>
+<p class="line">Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Bode komt op, met</i> <span class="sc">Talbot</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,</p>
+<p class="line">Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">En hij is welkom. Wat! is dit de man?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Zoo is ’t, gravin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Is dit dus Frankrijks geesel?</p>
+<p class="line">Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,</p>
+<p class="line">Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?</p>
+<p class="line">Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,</p>
+<p class="line">Een tweede Hector, grimmig van gelaat,</p>
+<p class="line">Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;</p>
+<p class="line">En zie, dit is een kind, een arme dwerg! <span class="lineNum">22</span></p>
+<p class="line">Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen</p>
+<p class="line">Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;</p>
+<p class="line">Doch daar u dit niet recht gelegen komt,</p>
+<p class="line">Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt</p>
+<p class="line">De reden van uw rasch vertrek te weten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik</p>
+<p class="line">’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Portier komt weder terug, met sleutels.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gevangne? wiens?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Bloedgierig lord, de mijne;</p>
+<p class="line">Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.</p>
+<p class="line">Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,</p>
+<p class="line">Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;</p>
+<p class="line">Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;</p>
+<p class="line">Die armen wil ik keet’nen en die beenen</p>
+<p class="line">Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren</p>
+<p class="line">Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,</p>
+<p class="line">En onze zoons en mannen weggesleept.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ha, ha, ha!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,</p>
+<p class="line">Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,</p>
+<p class="line">Om daar uw booze strengheid op te koelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Zijt gij de man dan niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Zijt gij de man dan niet? </span>Dat ben ik zeker.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Dan heb ik ook uw wezen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;</p>
+<p class="line">Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;</p>
+<p class="line">Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,</p>
+<p class="line">Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.</p>
+<p class="line">Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,</p>
+<p class="line">Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,</p>
+<p class="line">Dat heel uw huis het niet omvatten kan. <span class="lineNum">56</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;</p>
+<p class="line">Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;</p>
+<p class="line">Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Dit toon ik u terstond.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De poorten worden
+opengeramd en Soldaten dringen binnen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,</p>
+<p class="line">Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?</p>
+<p class="line">Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,</p>
+<p class="line">Waarmee hij uw rebellennekken jukt,</p>
+<p class="line">Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,</p>
+<p class="line">In minder dan een omzien woest doet zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;</p>
+<p class="line">Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,</p>
+<p class="line">En meer dan uw gestalte deed vermoeden.</p>
+<p class="line">Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;</p>
+<p class="line">Het doet mij leed, dat ik u niet ontving</p>
+<p class="line">Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken</p>
+<p class="line">Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst</p>
+<p class="line">In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.</p>
+<p class="line">Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,</p>
+<p class="line">En andre schadeloosstelling eisch ik niet,</p>
+<p class="line">Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn</p>
+<p class="line">Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,</p>
+<p class="line">Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb624">[<a href="#pb624">624</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gravin.</p>
+<p class="line">Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,</p>
+<p class="line">Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.ii.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De hof van den Tempel.</i></p>
+<p class="stage"><i>De Graven van</i> <span class="sc">Somerset</span>, <i>van</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>en van</i> <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span>, <span class="sc">Vernon</span> <i>en een Rechtsgeleerde komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?</p>
+<p class="line">Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p id="kh6i.ii.4.3" class="line">Te luide spraken we in de Tempelzaal;</p>
+<p class="line">Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,</p>
+<p class="line">En of die twister Somerset het mis had.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p624width"><img src="images/p624.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel." width="425" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,</p>
+<p class="line">En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;</p>
+<p class="line">En plooi daarom het recht naar mijnen wil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Welk van twee valken zich het steilst verheft,</p>
+<p class="line">Welk van twee honden schooner, dieper blaft,</p>
+<p class="line">Welk van twee klingen van het fijnste staal is,</p>
+<p class="line">Welk van twee paarden fraaier houding heeft,</p>
+<p class="line">Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,</p>
+<p class="line">Hierin treed ik desnoods als rechter op,</p>
+<p class="line">Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,</p>
+<p class="line">Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; <span class="lineNum">19</span></p>
+<p class="line">De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,</p>
+<p class="line">Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;</p>
+<p class="line">Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,</p>
+<p class="line">Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,</p>
+<p class="line">Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.</p>
+<p class="line">Wie onder u echt edelman zich rekent,</p>
+<p class="line">En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,</p>
+<p class="line">Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,</p>
+<p class="line">Met mij van dezen struik een witte roos.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">En wie geen lafaard of geen vleier is,</p>
+<p class="line">Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,</p>
+<p class="line">Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,</p>
+<p class="line">En zonder lage vleierij pluk ik</p>
+<p class="line">De witte roos hier met Plantagenet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">En ik deez’ roode roos met Somerset,</p>
+<p class="line">En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,</p>
+<p class="line">Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen</p>
+<p class="line">Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,</p>
+<p class="line">Des andren aanspraak recht en juist zal achten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;</p>
+<p class="line">Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">En ik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,</p>
+<p class="line">Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,</p>
+<p class="line">En kies zoo voor de witte roos partij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Prik u niet in den vinger, als gij plukt;</p>
+<p class="line">Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,</p>
+<p class="line">En stemt gij tegen uwen zin voor mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,</p>
+<p class="line">Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,</p>
+<p class="line">En houdt mij aan de zijde, die ik koos.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Goed, goed; komaan, wie verder?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rechtsgeleerde.</p>
+<p class="line">Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.</p>
+<p class="line">Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;</p>
+<p class="line">En daarom pluk ook ik een witte roos. <span class="lineNum">58</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">In deze scheê; desnoods zal dit bewijs</p>
+<p class="line">Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Toch bootst uw wang thans onze rozen na;</p>
+<p class="line">Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis</p>
+<p class="line">Voor onze waarheid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Voor onze waarheid. </span>Neen, Plantagenet,</p>
+<p class="line">Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang</p>
+<p class="line">Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,</p>
+<p class="line">En toch uw tong uw dwaling niet erkent.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,</p>
+<p class="line">Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,</p>
+<p class="line">Die mijne bloedig roode rozen dragen</p>
+<p class="line">En staven zullen, dat ik waarheid spreek,</p>
+<p class="line">Waar geen Plantagenet verschijnen durft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot</p>
+<p class="line">Met u en uwen aanhang, jonge knaap.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb625">[<a href="#pb625">625</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik slinger u mijn deel weer in den strot.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">O zwijg, mijn beste William de la Poole;</p>
+<p class="line">Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;</p>
+<p class="line">Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,</p>
+<p class="line">Den derden zoon des derden konings Edward.</p>
+<p id="kh6i.ii.4.85" class="line">Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;</p>
+<p class="line">Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik</p>
+<p class="line">Op iedre plek der christenwereld vol.</p>
+<p class="line">Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,</p>
+<p class="line">Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?</p>
+<p class="line">En heeft niet zijn verraad u aangestoken,</p>
+<p class="line">Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?</p>
+<p class="line">Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;</p>
+<p class="line">En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, <span class="lineNum">97</span></p>
+<p class="line">Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;</p>
+<p class="line">Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,</p>
+<p class="line">Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.</p>
+<p class="line">Maar prent u in, gij en uw helper Poole:</p>
+<p class="line">Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,</p>
+<p class="line">Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;</p>
+<p class="line">Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid</p>
+<p class="line">En kent den vijand dan aan deze kleur,</p>
+<p class="line">Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,</p>
+<p class="line">Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,</p>
+<p class="line">Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,</p>
+<p class="line">Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,</p>
+<p class="line">Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;</p>
+<p class="line">En nu vaarwel, tot ik u weder tref.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Somerset</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De smet, die zij daar werpen op uw huis,</p>
+<p class="line">Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,</p>
+<p class="line">Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.</p>
+<p class="line">Indien gij dan niet hertog wordt van York,</p>
+<p class="line">Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.</p>
+<p class="line">’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,</p>
+<p class="line">Den trotschen Somerset en Poole ten trots,</p>
+<p class="line">Met deze roos aan uwe zij mij scharen.</p>
+<p class="line">En dit voorspel ik: deze twist van heden,</p>
+<p class="line">Die in den hof hier tot partijschap wies,</p>
+<p class="line">Zendt, met de roode en witte roos als leuze,</p>
+<p class="line">Veel duizend zielen in verderf en dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,</p>
+<p class="line">Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rechtsgeleerde.</p>
+<p class="line">Zoo doe ik ook.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Ik dank u, waarde heer.</p>
+<p class="line">Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist</p>
+<p class="line">Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.ii.5" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.ii.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in den Tower.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Mortimer</span> <i>wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders binnengedragen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,</p>
+<p class="line">Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—</p>
+<p class="line">Gelijk een man, pas van de folterbank,</p>
+<p class="line">Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;</p>
+<p id="kh6i.ii.5.5" class="line">Die grijze lokken, als des doods herauten,</p>
+<p class="line">Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,</p>
+<p class="line">Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.</p>
+<p class="line">Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker</p>
+<p class="line">Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,</p>
+<p class="line">De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,</p>
+<p class="line">En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,</p>
+<p class="line">Die zijn verwelkte loten hangen laat.</p>
+<p class="line">En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,</p>
+<p class="line">Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—</p>
+<p class="line">Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,</p>
+<p class="line">Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—</p>
+<p class="line">Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gevangenbewaarder.</p>
+<p class="line">Richard Plantagenet zal komen, heer.</p>
+<p class="line">Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,</p>
+<p class="line">En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—</p>
+<p class="line">Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.</p>
+<p class="line">Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot</p>
+<p class="line">In wapenroem was, hier begon te heerschen,</p>
+<p class="line">Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;</p>
+<p class="line">En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd</p>
+<p class="line">En van zijn eer en erflijk goed beroofd.</p>
+<p class="line">Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,</p>
+<p class="line">De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,<span class="pageNum" id="pb626">[<a href="#pb626">626</a>]</span></p>
+<p class="line">Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—</p>
+<p class="line">Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,</p>
+<p class="line">En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gevangenbewaarder.</p>
+<p class="line">Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,</p>
+<p class="line">Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,</p>
+<p class="line">En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.</p>
+<p class="line">Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,</p>
+<p class="line">Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.</p>
+<p class="line">En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,</p>
+<p class="line">Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,</p>
+<p class="line">En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.</p>
+<p class="line">’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak</p>
+<p class="line">Tot woorden tusschen Somerset en mij,</p>
+<p class="line">Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte</p>
+<p class="line">En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.</p>
+<p class="line">Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;</p>
+<p class="line">’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.</p>
+<p class="line">Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,</p>
+<p class="line">En bij uw eer als een Plantagenet, <span class="lineNum">52</span></p>
+<p class="line">Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,</p>
+<p class="line">De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij</p>
+<p class="line">Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,</p>
+<p class="line">Mij in een duffen kerker deed versmachten,</p>
+<p class="line">Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Onthul mij breeder, welke grond dit was;</p>
+<p class="line">Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,</p>
+<p class="line">De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.</p>
+<p class="line">De grootvader van onzen jongen vorst,</p>
+<p class="line">Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef</p>
+<p class="line">Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins</p>
+<p class="line">Was oudste zoon en wettig erfgenaam</p>
+<p class="line">Van Koning Edward, van dien naam den derden.</p>
+<p class="line">Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden</p>
+<p class="line">De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,</p>
+<p class="line">Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,</p>
+<p class="line">Mij op den troon van England te verheffen.</p>
+<p class="line">Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,</p>
+<p class="line">Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was</p>
+<p class="line">En hij geen enklen telg had nagelaten,—</p>
+<p class="line">Ik door mijn stam en bloed de naaste was.</p>
+<p class="line">Van moeders zij toch heb ik Lionel,</p>
+<p class="line">Hertog van Clarence, derden zoon van Edward</p>
+<p class="line">Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik</p>
+<p class="line">Van hertog Jan van Gent was afgestamd,</p>
+<p class="line">Die slechts de vierde was dier heldenrij.</p>
+<p class="line">Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,</p>
+<p class="line">Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,</p>
+<p class="line">Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.</p>
+<p class="line">Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik</p>
+<p class="line">Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,</p>
+<p class="line">Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd</p>
+<p class="line">Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,</p>
+<p class="line">Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,</p>
+<p class="line">Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger</p>
+<p class="line">Geworven in de hoop, mij te bevrijden,</p>
+<p class="line">En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;</p>
+<p class="line">Maar als die andren, viel deze eed’le graaf</p>
+<p class="line">En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,</p>
+<p class="line">Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Van welke gij, mylord, de laatste zijt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,</p>
+<p class="line">Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.</p>
+<p class="line">Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,</p>
+<p class="line">Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; <span class="lineNum">98</span></p>
+<p class="line">Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader</p>
+<p class="line">Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;</p>
+<p class="line">Het huis van Lancaster is hecht geworteld,</p>
+<p class="line">En, evenals een berg, niet weg te schuiven.</p>
+<p class="line">Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,</p>
+<p class="line">Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven</p>
+<p class="line">In éénen vasten zetel hen verdriet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">O oom, vermocht een deel van mijne jeugd</p>
+<p class="line">Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mortimer.</p>
+<p class="line">Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,</p>
+<p class="line">Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.</p>
+<p class="line">Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;</p>
+<p class="line">Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.</p>
+<p class="line">En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!</p>
+<p class="line">Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Mortimer</span> <i>sterft</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!</p>
+<p class="line">In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,</p>
+<p class="line">En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—</p>
+<p class="line">Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;</p>
+<p class="line">Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—</p>
+<p class="line">Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg</p>
+<p class="line">Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb627">[<a href="#pb627">627</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,</p>
+<p id="kh6i.ii.5.123" class="line">Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;</p>
+<p class="line">En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,</p>
+<p class="line">Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,</p>
+<p class="line">Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;</p>
+<p class="line">En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;</p>
+<p class="line">’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,</p>
+<p id="kh6i.ii.5.129" class="line">Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Plantagenet</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DERDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6i.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Het parlementshuis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Exeter</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komen op; verder de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>en Anderen</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>wil een geschrift overreiken; de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>ontrukt het hem en verscheurt het</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Komt gij met lang- en welgewikte regels,</p>
+<p class="line">Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,</p>
+<p class="line">Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,</p>
+<p class="line">En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,</p>
+<p class="line">Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,</p>
+<p class="line">Zooals ik voor de vuist en hier terstond</p>
+<p class="line">Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,</p>
+<p class="line">Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.</p>
+<p class="line">Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,</p>
+<p class="line">Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—</p>
+<p class="line">Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,</p>
+<p class="line">Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;</p>
+<p class="line">Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,</p>
+<p class="line">Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,</p>
+<p class="line">Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.</p>
+<p class="line">Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, <span class="lineNum">17</span></p>
+<p class="line">Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,</p>
+<p class="line">Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is</p>
+<p class="line">Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.</p>
+<p class="line">En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?</p>
+<p class="line">Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,</p>
+<p class="line">Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?</p>
+<p class="line">Ja, werden uw gedachten eens gezift,</p>
+<p class="line">Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,</p>
+<p class="line">De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,</p>
+<p class="line">Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.</p>
+<p class="line">Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,</p>
+<p class="line">Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?</p>
+<p class="line">Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek</p>
+<p class="line">Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?</p>
+<p class="line">Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede</p>
+<p class="line">Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?</p>
+<p class="line">Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,</p>
+<p class="line">Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;</p>
+<p class="line">Niemand dan hij moet om den koning zijn;</p>
+<p class="line">En dit verwekt dien donder in zijn borst,</p>
+<p class="line">En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;</p>
+<p class="line">Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p id="kh6i.iii.1.42" class="line">Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed.…?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!</p>
+<p class="line">Een man, die op eens andren troon wil heerschen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat! ben ik geen protector, drieste paap?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? <span class="lineNum">46</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, zooals een bandiet een slot bezet,</p>
+<p class="line">En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Onwaardig spotter, gij!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Onwaardig spotter, gij! </span>En gij zijt waardig</p>
+<p class="line">Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Dit wreke Rome!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p id="kh6i.iii.1.51" class="line"><span class="hemistich">Dit wreke Rome! </span>Ruim dan ’t land voor Rome.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,</p>
+<p class="line">En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;</p>
+<p class="line">Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?</p>
+<p class="line">Is zijn genade hier niet rijks-protector?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,</p>
+<p class="line">Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!</p>
+<p class="line">„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”</p>
+<p class="line">’k Had anders gaarne een twist met Winchester.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mijn ooms van Gloster en van Winchester,</p>
+<p class="line">Gestelde wakers over Englands welzijn,</p>
+<p class="line">Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik</p>
+<p class="line">In liefde en eendracht uwe harten saam.</p>
+<p class="line">O welk een smading is ’t van onze kroon,</p>
+<p class="line">Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.<span class="pageNum" id="pb628">[<a href="#pb628">628</a>]</span></p>
+<p id="kh6i.iii.1.71" class="line">Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,</p>
+<p class="line">Dat burgertwist een giftige adder is,</p>
+<p class="line">Die de ingewanden van den staat doorknaagt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Wat is dat voor geraas?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Wat is dat voor geraas? </span>Een oploop, wed ik,</p>
+<p class="line">Boosaardig door des bisschops volk verwekt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">O goede lords en deugdenrijke Hendrik,</p>
+<p class="line">Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!</p>
+<p class="line">Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!</p>
+<p class="line">Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,</p>
+<p class="line">De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.</p>
+<p class="line">Zij smijten, in partijen saamgerot,</p>
+<p class="line">Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,</p>
+<p class="line">Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.</p>
+<p class="line">In elke straat zijn vensters ingesmeten:</p>
+<p class="line">Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Dienaars van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en die van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>dringen al vechtende binnen, met bebloede koppen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:</p>
+<p class="line">Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— <span class="lineNum">87</span></p>
+<p class="line">Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p>
+<p>Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken we onze tanden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Dienaar.</p>
+<p>Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,</p>
+<p class="line">En staakt terstond dien ongehoorden strijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p>
+<p class="line">Mylord, wij weten ’t allen, uw genade</p>
+<p class="line">Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst</p>
+<p class="line">Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;</p>
+<p class="line">En nimmer dulden wij, dat zulk een prins</p>
+<p class="line">En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,</p>
+<p class="line">Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;</p>
+<p class="line">Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,</p>
+<p class="line">Met uw belagers, tot zij ons verslaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Dienaar.</p>
+<p class="line">Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels</p>
+<p class="line">Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij worden weder handgemeen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Stil, zeg ik, stil!</p>
+<p class="line">En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,</p>
+<p class="line">Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—</p>
+<p class="line">Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten</p>
+<p class="line">En tranen zien, en wordt uw hart niet week?</p>
+<p class="line">Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?</p>
+<p class="line">Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,</p>
+<p class="line">Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,</p>
+<p class="line">Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren</p>
+<p class="line">Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.</p>
+<p class="line">Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord</p>
+<p class="line">Door uwe vijandschap reeds is verwekt;</p>
+<p class="line">Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Uit deernis voor den koning moet ik buigen;</p>
+<p class="line">’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,</p>
+<p class="line">Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zie nu, mylord van Winchester, de hertog</p>
+<p class="line">Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,</p>
+<p class="line">Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;</p>
+<p class="line">Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, <span class="lineNum">127</span></p>
+<p class="line">Dat boosheid groote, zware zonde was;</p>
+<p class="line">En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,</p>
+<p class="line">Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—</p>
+<p class="line">Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!</p>
+<p class="line">Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,</p>
+<p class="line">En bied voor liefde liefde, hand voor hand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—</p>
+<p class="line">Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,</p>
+<p id="kh6i.iii.1.138" class="line">Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap</p>
+<p class="line">Voor ons en al de dienaars van ons huis.</p>
+<p class="line">En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O waardige oom, en beste hertog Gloster,</p>
+<p class="line">Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—</p>
+<p class="line">Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;</p>
+<p class="line">Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Dienaar.</p>
+<p class="line">’t Is wel; ik zoek een wondarts op.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Dienaar.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">’t Is wel; ik zoek een wondarts op. </span>Ik ook.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Dienaar.</p>
+<p class="line">En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Mayor, de Dienaars, enz. af.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb629">[<a href="#pb629">629</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;</p>
+<p class="line">Het vraagt aan uwe majesteit herstelling</p>
+<p class="line">Der rechten van Richard Plantagenet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,</p>
+<p class="line">Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,</p>
+<p class="line">Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,</p>
+<p class="line">Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds</p>
+<p class="line">In Eltham bij uw majesteit deed gelden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En, oom, het waren reed’nen van gewicht;</p>
+<p class="line">Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,</p>
+<p class="line">Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;</p>
+<p class="line">Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Wat allen willen, wil ook Winchester.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem</p>
+<p class="line">Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,</p>
+<p class="line">Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,</p>
+<p class="line">Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,</p>
+<p class="line">En onderdaan’gen dienst tot in den dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, <span class="lineNum">169</span></p>
+<p class="line">En ter belooning van uw huldiging,</p>
+<p class="line">Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.</p>
+<p class="line">Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.</p>
+<p class="line">Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Plantagenet.</p>
+<p class="line">Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,</p>
+<p class="line">En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,</p>
+<p class="line">Die aan uw majesteit met afgunst denkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,</p>
+<p class="line">Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.</p>
+<p class="line">Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde</p>
+<p class="line">Bij onderdanen en getrouwe vrienden,</p>
+<p class="line">En rooft aan elk, die vijand is, den moed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;</p>
+<p class="line">Want menig vijand zwicht door vriendenraad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Uw schepen zijn reeds zeilreê.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af, behalve</i> <span class="sc">Exeter</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,</p>
+<p class="line">Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!</p>
+<p class="line">De pas ontglommen tweedracht dezer pairs</p>
+<p class="line">Brandt onder de asch van valsche liefde voort</p>
+<p class="line">En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;</p>
+<p class="line">Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,</p>
+<p class="line">Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,</p>
+<p class="line">Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.</p>
+<p class="line">Nu wekt die booze profetie mij vrees,</p>
+<p class="line">Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,</p>
+<p class="line">Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:</p>
+<p class="line">„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,</p>
+<p class="line">„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”</p>
+<p class="line">Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,</p>
+<p class="line">Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Rouaan</span>.</p>
+<p class="stage"><i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met zakken op den rug</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Dit is de poort der veste, van Rouaan,</p>
+<p class="line">Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.</p>
+<p class="line">Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,</p>
+<p class="line">En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,</p>
+<p class="line">Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.</p>
+<p class="line">Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen</p>
+<p class="line">En vinden wij de trage wacht er zwak,</p>
+<p class="line">Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,</p>
+<p class="line">Opdat de prins dauphijn hen overvall’.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Soldaat.</p>
+<p id="kh6i.iii.2.10" class="line">Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren</p>
+<p class="line">En make ons heer en meester van Rouaan.</p>
+<p class="line">Komt! aangeklopt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Wacht</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>binnen</i>).</span> <span class="ex" lang="fr">Qui est là?</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line"><span class="ex" lang="fr">Paysans, pauvres gens de France</span>;</p>
+<p class="line">Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Wacht</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>de poort openend</i>).</span> Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. <span class="lineNum">16</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>en de Anderen gaan de stad binnen</i>.)</p>
+<p class="stage"><span class="corr" id="xd33e3427" title="Niet in bron">(</span><span class="sc">Karel</span> <i>komt op, de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span> <i>en Troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!</p>
+<p class="line">Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;</p>
+<p class="line">Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,</p>
+<p class="line">Waar wij het best en veiligst binnendringen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;</p>
+<p class="line">En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,</p>
+<p class="line">Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel omhoog</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,</p>
+<p class="line">Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,</p>
+<p class="line">Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb630">[<a href="#pb630">630</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;</p>
+<p class="line">Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Het lichte daar als een komeet der wrake,</p>
+<p class="line">En als profeet van onzes vijands val!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;</p>
+<p class="line">Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”</p>
+<p class="line">En slaat de wachters aan de poort ter neer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij dringen de stad binnen.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op met Engelsche Soldaten</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,</p>
+<p class="line">Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.</p>
+<p class="line">Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,</p>
+<p class="line">Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,</p>
+<p class="line">Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij trekken stedewaarts op.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op</i>: <span class="sc">Bedford</span>, <i>die ziek in een stoel gedragen wordt</i>, <span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>en de Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur</i>: <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Karel</span>, <i>de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Reignier</span>, <i>en Anderen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? <span class="lineNum">41</span></p>
+<p class="line">Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,</p>
+<p class="line">Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.</p>
+<p id="kh6i.iii.2.44" class="line">Het was vol dolik; staat de smaak u aan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!</p>
+<p class="line">’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,</p>
+<p class="line">En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,</p>
+<p class="line">En op den dood een rit doen in een stoel?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,</p>
+<p class="line">Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,</p>
+<p class="line">Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,</p>
+<p class="line">Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?</p>
+<p class="line">Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,</p>
+<p class="line">Of Talbot moge aan deze schande sterven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;</p>
+<p class="line">Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Talbot</span> <i>en de zijnen raadplegen onderling</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">God zegen ’t parlement! wie is de spreker?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg</p>
+<p class="line">Tot toetsing, of het onze wel het onze is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ik spreek niet tot die smalende opperheks;</p>
+<p class="line">Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;</p>
+<p class="line">Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Neen, heer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!</p>
+<p class="line">Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,</p>
+<p class="line">En niet als ridders strijden in het veld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,</p>
+<p class="line">Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—</p>
+<p class="line">Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts</p>
+<p class="line">Om u te zeggen, dat wij hier zijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>met de Anderen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Wij willen mede daar zijn, en eerlang,</p>
+<p class="line">Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!</p>
+<p class="line">Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,</p>
+<p class="line">Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,</p>
+<p class="line">Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;</p>
+<p class="line">En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,</p>
+<p class="line">En hier zijn vader heeft gezegevierd,</p>
+<p class="line">Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad</p>
+<p class="line">Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,</p>
+<p class="line">Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. <span class="lineNum">84</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,</p>
+<p class="line">Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!</p>
+<p class="line">Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,</p>
+<p class="line">Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;</p>
+<p class="line">’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,</p>
+<p class="line">En deelgenoot zijn van uw wel of wee.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Manhafte Bedford, laat u overreden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,</p>
+<p id="kh6i.iii.2.94" class="line">Hoe ook de stoute <span class="corr" id="xd33e3669" title="Bron: Pendragon">Pendragoon</span> op ’t draagbed</p>
+<p class="line">Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.</p>
+<p class="line">’k Verlevendig misschien den moed der strijders,</p>
+<p class="line">Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—</p>
+<p class="line">Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—</p>
+<p class="line">En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;</p>
+<p class="line">Maar onze macht verzameld tot den aanval;</p>
+<p class="line">Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Bourgondië</span>, <span class="sc">Talbot</span>, <i>met hun troepen af</i>; <span class="sc">Bedford</span> <i>en Anderen blijven achter</i>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb631">[<a href="#pb631">631</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch en aanvallen. Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>en een Hopman komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hopman.</p>
+<p class="line">Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Fastolfe.</p>
+<p class="line">Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;</p>
+<p class="line">Wij worden zeker weer teruggeslagen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hopman.</p>
+<p class="line">Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Fastolfe.</p>
+<p class="line">Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hopman.</p>
+<p class="line">Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Hopman af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Karel</span> <i>en Anderen, die vluchtende heengaan</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bedford.</p>
+<p class="line">Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;</p>
+<p class="line">Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.</p>
+<p class="line">Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?</p>
+<p class="line">Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,</p>
+<p class="line">Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Talbot</span>, <span class="sc">Bourgondië</span> <i>en Anderen komen weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! <span class="lineNum">115</span></p>
+<p class="line">Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;</p>
+<p class="line">Doch Gode zij de roem van deze zege!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.</p>
+<p class="line">Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden</p>
+<p class="line">Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?</p>
+<p class="line">Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;</p>
+<p class="line">Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?</p>
+<p class="line">Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,</p>
+<p class="line">Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.</p>
+<p class="line">Laat thans ons alles reeg’len in de stad,</p>
+<p class="line">Er kundige officieren achterlaten,</p>
+<p class="line">Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,</p>
+<p class="line">Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,</p>
+<p class="line">Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.</p>
+<p class="line">Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.</p>
+<p class="line">Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,</p>
+<p class="line">Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;</p>
+<p class="line">Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;</p>
+<p class="line">Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De vlakte bij</i> <span class="ex">Rouaan</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Karel</span>, <i>de Bastaard van</i> <span class="sc">Orleans</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>komen op, met troepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,</p>
+<p class="line">’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;</p>
+<p class="line">Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,</p>
+<p class="line">Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.</p>
+<p class="line">De dolle Talbot triumfeere een poos,</p>
+<p class="line">En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,</p>
+<p class="line">Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,</p>
+<p class="line">Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,</p>
+<p class="line">En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;</p>
+<p class="line">Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,</p>
+<p class="line">En heel de wereld melden wij uw roem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,</p>
+<p class="line">U eerend als een heil’ge patrones;</p>
+<p class="line">Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:</p>
+<p class="line">Door zachte toespraak en met honigwoorden</p>
+<p class="line">Verlokken wij den hertog van Bourgondië,</p>
+<p class="line">Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. <span class="lineNum">20</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan</p>
+<p class="line">Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;</p>
+<p class="line">Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,</p>
+<p class="line">Maar ras gerooid uit onze landen zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,</p>
+<p class="line">En leenden van geen graafschap hier den naam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,</p>
+<p class="line">De zaak in de gewenschte haven breng.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Getrommel in de verte.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,</p>
+<p class="line">Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Engelsche marsch.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op met zijn troepen, en trekt voorbij</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—</p>
+<p class="line">En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Fransche marsch. De Hertog van</i> <span class="sc">Bourgondië</span> <i>komt op met zijne troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!</p>
+<p class="line">Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—</p>
+<p class="line">Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een trompetsignaal voor een mondgesprek.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Wie wil een mondgesprek <span class="corr" id="xd33e3938" title="Bron: me">met</span> den Bourgondiër?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb632">[<a href="#pb632">632</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p id="kh6i.iii.3.41" class="line">Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,</p>
+<p class="line">Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Spreek op, maar wees niet overmatig lang.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,</p>
+<p class="line">En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield</p>
+<p class="line">Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.</p>
+<p class="line">Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,</p>
+<p class="line">Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,</p>
+<p class="line">Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie</p>
+<p class="line">Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,</p>
+<p class="line">Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.</p>
+<p class="line">O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.</p>
+<p class="line">Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;</p>
+<p class="line">Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,</p>
+<p class="line">Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. <span class="lineNum">55</span></p>
+<p class="line">Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,</p>
+<p class="line">En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,</p>
+<p class="line">Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;</p>
+<p class="line">Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.</p>
+<p class="line">Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,</p>
+<p class="line">Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.</p>
+<p class="line">Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,</p>
+<p class="line">U tot zijn werktuig makend van verderf,</p>
+<p class="line">Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?</p>
+<p class="line">U stoot men als een overlooper uit.</p>
+<p class="line">Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:</p>
+<p class="line">Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,</p>
+<p class="line">En was hij niet in England krijgsgevangen?</p>
+<p class="line">Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,</p>
+<p class="line">Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,</p>
+<p class="line">Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.</p>
+<p class="line">Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;</p>
+<p class="line">Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.</p>
+<p class="line">Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!</p>
+<p class="line">Als Karel, spreiden allen de armen open.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal</p>
+<p class="line">Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,</p>
+<p class="line">En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—</p>
+<p class="line">Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!</p>
+<p class="line">En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;</p>
+<p class="line">Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.</p>
+<p class="line">Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">En wekt ons nieuwen moed in onze borst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,</p>
+<p class="line">En een gravinnekroontje er mee verdiend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,</p>
+<p class="line">En dan getracht den vijand schâ te doen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iii.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Parijs.</span> <i>Een zaal in het koninklijk paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en andere Lords; verder</i> <span class="sc">Vernon</span>, <span class="sc">Basset</span> <i>en Anderen. Daarna verschijnt</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>met eenigen zijner officieren</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Doorluchte souverein en eed’le pairs,</p>
+<p class="line">Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,</p>
+<p class="line">Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,</p>
+<p class="line">Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;</p>
+<p class="line">Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer</p>
+<p class="line">Dan vijftig sterke sloten voor u won,</p>
+<p class="line">Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,</p>
+<p class="line">Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—</p>
+<p class="line">Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij knielt neder.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En schrijft met onderdanig trouw gemoed,</p>
+<p class="line">Den roem en de eere der bevochten zeges,</p>
+<p class="line">Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, <span class="lineNum">13</span></p>
+<p class="line">Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!</p>
+<p class="line">’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—</p>
+<p class="line">’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,</p>
+<p class="line">Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.</p>
+<p class="line">Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,</p>
+<p class="line">Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:</p>
+<p class="line">Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,</p>
+<p class="line">En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,</p>
+<p class="line">Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.</p>
+<p class="line">Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,</p>
+<p class="line">Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;</p>
+<p class="line">Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Talbot</span> <i>en de overigen af, behalve</i> <span class="sc">Vernon</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb633">[<a href="#pb633">633</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee</p>
+<p class="line">Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,</p>
+<p class="line">Die ik, Mylord van York ter eere, draag;</p>
+<p class="line">Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft</p>
+<p class="line">Het nijdig keffen van uw drieste tong</p>
+<p class="line">Tegen mijn heer, den hertog Somerset.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">Nu, en wat is hij? even goed als York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij geeft hem een slag.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,</p>
+<p id="kh6i.iii.4.39" class="line">Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;</p>
+<p class="line">Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.</p>
+<p class="line">Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit</p>
+<p class="line">En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;</p>
+<p class="line">Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan</p>
+<p class="line">Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6i.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Parijs.</span> <i>Een troonzaal.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Exeter</span>, <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Talbot</span>, <i>de</i> <span class="sc">Commandant</span> <i>van Parijs en Anderen treden op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Commandant knielt.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Dat gij geen andren koning kiest dan hem,</p>
+<p class="line">Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,</p>
+<p class="line">En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,</p>
+<p class="line">Die zijn gezag met boozen raad belagen;</p>
+<p class="line">Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Fastolfe</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Fastolfe.</p>
+<p class="line">Genadig koning, toen ik van Calais</p>
+<p class="line">Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,</p>
+<p class="line">Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege</p>
+<p class="line">Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Schande over u en die u zendt, den hertog! <span class="lineNum">13</span></p>
+<p class="line">’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,</p>
+<p class="line">Dien knieband van uw hazebeen te rijten;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij rukt hem den kouseband af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig</p>
+<p class="line">Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—</p>
+<p class="line">Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!</p>
+<p id="kh6i.iv.1.19" class="line">Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,</p>
+<p class="line">Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,</p>
+<p class="line">De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—</p>
+<p class="line">Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,</p>
+<p class="line">Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!</p>
+<p class="line">Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;</p>
+<p class="line">Ikzelf, en menig edelman met mij,</p>
+<p class="line">Wij werden overmand en krijgsgevangen.</p>
+<p class="line">Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,</p>
+<p class="line">Of zulke lafaards ooit der ridderschap</p>
+<p class="line">Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;</p>
+<p class="line">Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,</p>
+<p class="line">Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren</p>
+<p class="line">De ridders van den knieband hooggeboren,</p>
+<p class="line">Vol dapperheid en deugd en fieren moed,</p>
+<p class="line">Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;</p>
+<p class="line">Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,</p>
+<p class="line">En onverschrokken in den hoogsten nood. <span class="lineNum">38</span></p>
+<p class="line">Die deze gaven niet bezit, hij matigt</p>
+<p class="line">Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,</p>
+<p class="line">En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;</p>
+<p class="line">Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,</p>
+<p class="line">Gelijk een in de heg geboren dorper,</p>
+<p class="line">Die zich vermeet op edel bloed te pralen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.</p>
+<p class="line">Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;</p>
+<p class="line">Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Fastolfe</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En nu, mylord protector, lees den brief</p>
+<p class="line">Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?</p>
+<p class="line">Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.</p>
+<p class="line">Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?</p>
+<p class="line">Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin</p>
+<p class="line">Verand’ring in gezindheid bij hem aan?</p>
+<p class="line">Wat staat hier? <span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span> „’k Heb na rijp beraad, begaan</p>
+<p class="line">Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren<span class="pageNum" id="pb634">[<a href="#pb634">634</a>]</span></p>
+<p class="line">Van hen, waar uw geweld’narij op teert,</p>
+<p class="line">Uw booze zaak verlaten; en ik sluit</p>
+<p class="line">Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”</p>
+<p class="line">O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,</p>
+<p class="line">Dat in verbonden, vriendschap en geloften</p>
+<p class="line">Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,</p>
+<p class="line">En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.</p>
+<p class="line">Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;</p>
+<p class="line">’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.</p>
+<p class="line">Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,</p>
+<p class="line">En dat het zonde is, vrienden te bespotten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, <span class="lineNum">76</span></p>
+<p class="line">Dat gij welras uws vijands val moogt zien.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Talbot</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Vernon</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.</p>
+<p class="line">Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?</p>
+<p class="line">Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat is die krenking, die u beiden grieft?</p>
+<p class="line">Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">Toen ik ter zee van England hierheen kwam,</p>
+<p class="line">Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong</p>
+<p class="line">Om deze roos beleedigd, die ik draag;</p>
+<p class="line">Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren</p>
+<p class="line">Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,</p>
+<p class="line">Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd</p>
+<p class="line">Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,</p>
+<p class="line">Dien hij gehad had met den hertog York,</p>
+<p class="line">Met verdre lage schimp- en lastertaal;</p>
+<p class="line">Ter wederlegging van dit grof verwijt,</p>
+<p class="line">En ter verdediging mijns eed’len meesters,</p>
+<p class="line">Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;</p>
+<p class="line">Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,</p>
+<p class="line">Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,</p>
+<p class="line">Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,</p>
+<p class="line">Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,</p>
+<p class="line">En zeide, dat de bleekheid dezer bloem</p>
+<p class="line">De lafheid van mijns meesters hart verried.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,</p>
+<p class="line">Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,</p>
+<p class="line">Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden</p>
+<p class="line">Zoo vinnige partijschap zich verheft!—</p>
+<p class="line">Mijn waarde neven, Somerset en York,</p>
+<p class="line">Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; <span class="lineNum">116</span></p>
+<p class="line">Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,</p>
+<p class="line">En zij daarom ook door onszelf beslecht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vernon.</p>
+<p class="line">Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Basset.</p>
+<p class="line">Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!</p>
+<p class="line">En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!</p>
+<p class="line">Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,</p>
+<p class="line">Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp</p>
+<p class="line">Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?</p>
+<p class="line">En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel</p>
+<p class="line">Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,</p>
+<p class="line">Laat staan een grond te delven uit hun taal</p>
+<p class="line">Om onderling nu zelve twist te zoeken;</p>
+<p class="line">Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:</p>
+<p class="line">’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:</p>
+<p class="line">Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—</p>
+<p class="line">En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:</p>
+<p class="line">In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!</p>
+<p class="line">Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,<span class="pageNum" id="pb635">[<a href="#pb635">635</a>]</span></p>
+<p class="line">En dat wij in onszelf oneenig zijn,</p>
+<p class="line">Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan</p>
+<p class="line">In koppige ongehoorzaamheid en oproer!</p>
+<p class="line">En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,</p>
+<p class="line">Als vreemden vorsten dit ter oore komt,</p>
+<p class="line">Dat om een speelgoed, om een nietig ding,</p>
+<p class="line">De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,</p>
+<p class="line">Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!</p>
+<p class="line">O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,</p>
+<p class="line">Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,</p>
+<p class="line">Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.</p>
+<p class="line">Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.</p>
+<p id="kh6i.iv.1.153" class="line">Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij neemt de roos van</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>en steekt die op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,</p>
+<p class="line">Dat Somerset mij liever is dan York;</p>
+<p class="line">’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;</p>
+<p class="line">Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,</p>
+<p class="line">Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.</p>
+<p class="line">Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,</p>
+<p class="line">Dan ik u leeren of vermanen kan.</p>
+<p class="line">Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,</p>
+<p class="line">Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—</p>
+<p class="line">Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt</p>
+<p class="line">Door ons als uw regentschap u vertrouwd;</p>
+<p class="line">En, waarde lord van Somerset, vereenig</p>
+<p class="line">Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.</p>
+<p class="line">Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen</p>
+<p class="line">Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;</p>
+<p class="line">Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— <span class="lineNum">168</span></p>
+<p class="line">Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,</p>
+<p class="line">Na korte rust, dra naar Calais terug,</p>
+<p class="line">Van daar naar England, waar ik binnenkort</p>
+<p class="line">Karel, Alençon en heel die bent verraders</p>
+<p class="line">Door uw triomfen voor mij hoop te zien.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Winchester</span>, <span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Basset</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,</p>
+<p class="line">Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,</p>
+<p class="line">Dat hij de roos van Somerset nu draagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;</p>
+<p class="line">De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;</p>
+<p class="line">Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Vernon</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;</p>
+<p class="line">Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,</p>
+<p class="line">Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld</p>
+<p class="line">Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,</p>
+<p class="line">Dan nu zich denken of vermoeden laat.</p>
+<p class="line">Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,</p>
+<p class="line">Die dezen nijd en twist des adels ziet,</p>
+<p class="line">’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,</p>
+<p class="line">En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,</p>
+<p class="line">Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.</p>
+<p class="line">’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;</p>
+<p class="line">Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,</p>
+<p class="line">Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Bordeaux</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span> <i>komt op, met zijn troepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,</p>
+<p class="line">En roep den overste op tot een gesprek.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche troepen en Anderen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,</p>
+<p class="line">De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;</p>
+<p class="line">En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,</p>
+<p class="line">En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,</p>
+<p class="line">En huldigt hem als need’rige onderdanen;</p>
+<p class="line">Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.</p>
+<p class="line">Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,</p>
+<p class="line">Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,</p>
+<p class="line">’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,</p>
+<p class="line">Die uwe torens, fier de wolken tartend,</p>
+<p class="line">Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,</p>
+<p class="line">Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bevelhebber.</p>
+<p class="line">Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,</p>
+<p class="line">’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!</p>
+<p class="line">Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. <span class="lineNum">17</span></p>
+<p class="line">Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;</p>
+<p class="line">Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,</p>
+<p class="line">En sterk genoeg tot uitval en gevecht.</p>
+<p class="line">En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,</p>
+<p class="line">Om met des oorlogs strikken u te omslingren;</p>
+<p class="line">Aan beide uw zijden houden troepen wacht</p>
+<p class="line">En muren u den uitweg toe ter vlucht;</p>
+<p class="line">En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,</p>
+<p class="line">Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt</p>
+<p class="line">En u het bleek verderf niet tegentreedt.</p>
+<p class="line">Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,</p>
+<p class="line">Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot</p>
+<p class="line">Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.</p>
+<p class="line">Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man</p>
+<p class="line">Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;</p>
+<p class="line">Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,</p>
+<p class="line">Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;</p>
+<p class="line">Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,</p>
+<p class="line">Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,</p>
+<p class="line">Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,</p>
+<p class="line">Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trommen in de verte.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hoor! hoort</p>
+<p class="line">De trom van den dauphijn, een klok, die maant,<span class="pageNum" id="pb636">[<a href="#pb636">636</a>]</span></p>
+<p class="line">Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;</p>
+<p class="line">U zal de mijne een bang verscheiden galmen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Bevelhebber met de zijnen af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—</p>
+<p class="line">Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—</p>
+<p class="line">O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!</p>
+<p class="line">Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,</p>
+<p class="line">Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,</p>
+<p class="line">Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;</p>
+<p class="line">Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,</p>
+<p class="line">Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;</p>
+<p class="line">Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten</p>
+<p class="line">Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,</p>
+<p class="line">Zoodat het laf en blaffend verre blijft;</p>
+<p class="line">Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,</p>
+<p class="line">Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—</p>
+<p class="line">God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht</p>
+<p class="line">Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Gasconje</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">York</span> <i>komt op, met troepen; een Bode nadert hem</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zijn nog de vlugge ruiters niet terug,</p>
+<p class="line">Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Zij zijn terug, mylord, en geven op,</p>
+<p class="line">Dat hij is aangetrokken op Bordeaux,</p>
+<p class="line">Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen,</p>
+<p class="line">Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker</p>
+<p class="line">Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden,</p>
+<p class="line">En verder met hem trokken naar Bordeaux.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset,</p>
+<p class="line">Die den beloofden bijstand zoo vertraagt:</p>
+<p class="line">De ruiterij, voor dit beleg verzameld!</p>
+<p class="line">De groote Talbot rekent op mijn hulp,</p>
+<p class="line">En mij bedriegt een schurk, een laag verrader,</p>
+<p class="line">Dat ik den eed’len held niet helpen kan.</p>
+<p class="line">God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! <span class="lineNum">15</span></p>
+<p class="line">Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">O vorst en legerhoofd van Englands kracht,</p>
+<p class="line">Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was,</p>
+<p class="line">IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot,</p>
+<p class="line">Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten,</p>
+<p class="line">Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld.</p>
+<p class="line">Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux!</p>
+<p class="line">Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel</p>
+<p class="line">Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats!</p>
+<p class="line">Dan wierd een dapper edelman gered,</p>
+<p class="line">Door ’t off’ren van een lafaard en verrader.</p>
+<p class="line">Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af;</p>
+<p class="line">Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord.</p>
+<p class="line">Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered,</p>
+<p class="line">Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig,</p>
+<p class="line">En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden,</p>
+<p class="line">Op reis naar zijn krijgshaften vader vond.</p>
+<p class="line">In zeven jaar zag hem zijn vader niet;</p>
+<p class="line">Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten,</p>
+<p class="line">Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten!</p>
+<p class="line">Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot;</p>
+<p class="line">Zulk wederzien in de ure van den dood!</p>
+<p class="line">Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man,</p>
+<p class="line">Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan.</p>
+<p class="line">Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd,</p>
+<p class="line">Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>met zijn troepen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Aldus, terwijl de gier der ijverzucht</p>
+<p class="line">Zich in de borst van zulke grooten mest,</p>
+<p class="line">Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim</p>
+<p class="line">De winst des nauwlijks kouden overwinnaars,</p>
+<p class="line">Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op.</p>
+<p class="line">Uit loutre zucht tot tegenkanting geven</p>
+<p class="line">Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Lucy</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een andere vlakte in</i> <span class="ex">Gasconje</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Somerset</span> <i>komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van</i> <span class="sc">Talbot</span>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.</p>
+<p class="line">Die onderneming werd door York en Talbot</p>
+<p class="line">Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht</p>
+<p class="line">Kan bij een uitval reeds de stad alleen</p>
+<p class="line">Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed</p>
+<p class="line">Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer</p>
+<p class="line">Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.</p>
+<p class="line">York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,</p>
+<p class="line">Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Officier.</p>
+<p class="line">Daar is Sir William Lucy, die met mij</p>
+<p class="line">’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Waarheen, mylord?</p>
+<p class="line">Van den verraden en verkochten Talbot,</p>
+<p class="line">Die, eng door driesten tegenspoed omzet,</p>
+<p class="line">Roept om den eed’len York en Somerset,</p>
+<p class="line">Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.</p>
+<p class="line">En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,</p>
+<p class="line">Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,</p>
+<p class="line">En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,</p>
+<p class="line">Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer</p>
+<p class="line">Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.<span class="pageNum" id="pb637">[<a href="#pb637">637</a>]</span></p>
+<p class="line">Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,</p>
+<p class="line">Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,</p>
+<p class="line">Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,</p>
+<p class="line">Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!</p>
+<p class="line">Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard</p>
+<p class="line">Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,</p>
+<p class="line">En Talbot gaat door uwe schuld te grond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">En York laakt even heftig uw genade;</p>
+<p class="line">Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,</p>
+<p class="line">Die juist voor dezen tocht verzameld was.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;</p>
+<p class="line">’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;</p>
+<p class="line">’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,</p>
+<p class="line">Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.</p>
+<p class="line">Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,</p>
+<p class="line">Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;</p>
+<p class="line">Zes uren, en zij allen staan hem bij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Te laat; gevangen is hij dan of dood;</p>
+<p class="line">Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;</p>
+<p class="line">En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Het Engelsche legerkamp nabij</i> <span class="ex">Bordeaux</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Talbot</span> <i>en zijn zoon</i> <span class="sc">John</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,</p>
+<p class="line">Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,</p>
+<p class="line">En Talbot’s naam in u herleven zou,</p>
+<p class="line">Als dorre leden, sloopende ouderdom</p>
+<p class="line">Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.</p>
+<p class="line">Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—</p>
+<p class="line">Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,</p>
+<p class="line">Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.</p>
+<p class="line">Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;</p>
+<p class="line">Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt</p>
+<p class="line">Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?</p>
+<p class="line">En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,</p>
+<p class="line">Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,</p>
+<p class="line">Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!</p>
+<p class="line">De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?</p>
+<p class="line">Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!</p>
+<p class="line">Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;</p>
+<p class="line">Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.</p>
+<p class="line">Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,</p>
+<p class="line">Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.</p>
+<p class="line">U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,</p>
+<p class="line">Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.</p>
+<p class="line">’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;</p>
+<p class="line">Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.</p>
+<p class="line">Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,</p>
+<p class="line">Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?</p>
+<p class="line">Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,</p>
+<p class="line">Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Een deel uws vaders blijft in u verschoond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. <span class="lineNum">39</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Uws vaders last pleit van die smet u vrij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?</p>
+<p class="line">Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?</p>
+<p class="line">Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?</p>
+<p class="line">Van u te wijken is mij niet vergund,</p>
+<p class="line">Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.</p>
+<p class="line">Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,</p>
+<p class="line">En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,</p>
+<p class="line">Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.</p>
+<p class="line">Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,</p>
+<p class="line">En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een Slagveld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Gevechten, waarin</i> <span class="sc">Talbot’s</span> <i>zoon omsingeld en door</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>ontzet wordt</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!</p>
+<p class="line">Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;</p>
+<p class="line">Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—<span class="pageNum" id="pb638">[<a href="#pb638">638</a>]</span></p>
+<p class="line">Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf</p>
+<p class="line">U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;</p>
+<p class="line">Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,</p>
+<p class="line">Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,</p>
+<p class="line">Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,</p>
+<p class="line">Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen</p>
+<p class="line">Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm</p>
+<p class="line">En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,</p>
+<p class="line">Bourgondië, Alençon en Orleans</p>
+<p class="line">In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.</p>
+<p class="line">Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,</p>
+<p class="line">U bij uw maagdestrijd weerstond, en u</p>
+<p class="line">Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,</p>
+<p class="line">En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras</p>
+<p class="line">Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon</p>
+<p class="line">Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;</p>
+<p class="line">Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed</p>
+<p class="line">Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed</p>
+<p class="line">Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”</p>
+<p class="line">Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,</p>
+<p class="line">Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;</p>
+<p class="line">Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?</p>
+<p class="line">Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;</p>
+<p class="line">Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!</p>
+<p class="line">Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;</p>
+<p class="line">De hulp van éénen man helpt niet in nood.</p>
+<p class="line">Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven</p>
+<p class="line">In ééne kleine boot nu prijs te geven. <span class="lineNum">33</span></p>
+<p class="line">Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,</p>
+<p class="line">Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;</p>
+<p class="line">Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt</p>
+<p class="line">Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.</p>
+<p class="line">In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,</p>
+<p class="line">Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.</p>
+<p class="line">Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;</p>
+<p class="line">Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p class="line">Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,</p>
+<p class="line">Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.</p>
+<p class="line">Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,</p>
+<p class="line">Een nietig leven voor een schat van eer,</p>
+<p class="line">Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,</p>
+<p class="line">Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,</p>
+<p class="line">En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,</p>
+<p class="line">Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!</p>
+<p class="line">Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,</p>
+<p class="line">Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.</p>
+<p class="line">Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;</p>
+<p class="line">Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p id="kh6i.iv.6.54" class="line">Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,</p>
+<p class="line">Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;</p>
+<p class="line">Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,</p>
+<p class="line">Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.iv.7" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het slagveld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; gevechten.</i> <span class="sc">Talbot</span> <i>komt op, gewond, door een Dienaar ondersteund</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?</p>
+<p class="line">O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—</p>
+<p class="line">Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,</p>
+<p class="line">Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—</p>
+<p class="line">Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij</p>
+<p class="line">Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,</p>
+<p class="line">En, als een uitgevaste leeuw, volbracht</p>
+<p class="line">Hij daden van geweld en reuzenkracht;</p>
+<p class="line">Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong</p>
+<p class="line">Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,</p>
+<p class="line">Toen dreef hem blinde woede en razernij</p>
+<p class="line">Des harten plotseling heen en ver van mij</p>
+<p class="line">In ’s vijands dichten drom; de fiere moed</p>
+<p class="line">Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;</p>
+<p class="line">Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,</p>
+<p class="line">Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Soldaten komen op, met het lijk van</i> <span class="sc">John Talbot</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaar.</p>
+<p class="line">Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Talbot.</p>
+<p class="line">Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, <span class="lineNum">18</span></p>
+<p class="line">Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,</p>
+<p class="line">In heerlijkheid vereenigd voor altijd,</p>
+<p class="line">Twee Talbots zweven door de weeke lucht,</p>
+<p class="line">Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—</p>
+<p class="line">O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,</p>
+<p class="line">Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!</p>
+<p class="line">Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,</p>
+<p class="line">Alsof hij Franschman en uw vijand is.—</p>
+<p class="line">Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:</p>
+<p class="line">„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—</p>
+<p class="line">Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;</p>
+<p class="line">Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.</p>
+<p class="line">Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:</p>
+<p class="line">Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken achterlatend.
+Daarna komen op</i>: <span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <i>de Bastaard, de</i> <span class="sc">Pucelle</span>, <i>met troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,</p>
+<p class="line">Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed</p>
+<p class="line">Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:</p>
+<p class="line">„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;</p>
+<p class="line">Maar, met een blik vol majesteit en hoon,<span class="pageNum" id="pb639">[<a href="#pb639">639</a>]</span></p>
+<p class="line">Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon</p>
+<p class="line">Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”</p>
+<p class="line">Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij</p>
+<p class="line">Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.</p>
+<p class="line">Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven</p>
+<p class="line">Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bastaard.</p>
+<p class="line">Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!</p>
+<p class="line">Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,</p>
+<p class="line">Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">William Lucy</span> <i>komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen Heraut</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,</p>
+<p class="line">Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Welk een submissie houdt uw boodschap in? <span class="lineNum">53</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;</p>
+<p class="line">Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.</p>
+<p class="line">Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,</p>
+<p class="line">En wensch te zien, wie er gevallen zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Gevang’nen? Onze kerker is de hel.</p>
+<p class="line">Doch zeg mij, wien gij zoekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Waar is de groote Alcides van het slagveld,</p>
+<p id="kh6i.iv.7.61" class="line">De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,</p>
+<p class="line">En, om zijn heldendaden, ook betiteld</p>
+<p class="line">Graaf van Valence, Wexford, Waterford,</p>
+<p class="line">Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,</p>
+<p class="line">Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,</p>
+<p class="line">Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,</p>
+<p class="line">Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,</p>
+<p class="line">Doorluchte ridder van Sint George’s orde,</p>
+<p class="line">Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,</p>
+<p class="line">Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,</p>
+<p class="line">Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!</p>
+<p class="line">De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,</p>
+<p class="line">Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.</p>
+<p class="line">Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,</p>
+<p class="line">Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line">Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,</p>
+<p class="line">De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?</p>
+<p class="line">O, wierden mijner oogen ballen kogels,</p>
+<p class="line">Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!</p>
+<p class="line">Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!</p>
+<p class="line">Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken <span class="lineNum">82</span></p>
+<p class="line">Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,</p>
+<p class="line">De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!</p>
+<p class="line">Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,</p>
+<p class="line">En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’<span class="corr" id="xd33e5399" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,</p>
+<p class="line">Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.</p>
+<p class="line">Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier</p>
+<p class="line">Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Ga, neem de lijken mee.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lucy.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Ik voer ze weg;</p>
+<p class="line">Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,</p>
+<p class="line">Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.</p>
+<p class="line">Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!</p>
+<p class="line">Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6i.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een zaal in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,</p>
+<p class="line">Den keizer en den graaf van Armagnac?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:</p>
+<p class="line">Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,</p>
+<p class="line">Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk</p>
+<p class="line">Een christenvrede dra gesloten worde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En hoe behaagt die voorslag uw genade?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg</p>
+<p class="line">Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten</p>
+<p class="line">En veil’ge rust te gronden aan weerszij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,</p>
+<p class="line">Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,</p>
+<p class="line">Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,</p>
+<p class="line">Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Om zulk verbond des te eerder te bewerken</p>
+<p class="line">En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt<span class="pageNum" id="pb640">[<a href="#pb640">640</a>]</span></p>
+<p class="line">Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,</p>
+<p class="line">Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,</p>
+<p class="line">Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid</p>
+<p class="line">Ten echt aan, met een grooten, rijken <span class="corr" id="xd33e5485" title="Bron: bruidschat">bruidsschat</span>.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!</p>
+<p class="line">O, beter passen mij nog vlijt en boeken,</p>
+<p class="line">Dan dartel minnekoozen met een bruid.</p>
+<p class="line">Maar toch, roep de afgezanten voor en geef</p>
+<p class="line">Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;</p>
+<p class="line">Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts</p>
+<p class="line">Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span> <i>in kardinaalsgewaad</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p id="kh6i.v.1.28" class="line">Wat! is mylord van Winchester verhoogd</p>
+<p class="line">En met den kardinaalsrang nu bekleed?</p>
+<p class="line">Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,</p>
+<p class="line">Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:</p>
+<p class="line">„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,</p>
+<p class="line">Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij heeren afgezanten, uwe wenschen <span class="lineNum">34</span></p>
+<p class="line">Zijn grondig overwogen en getoetst.</p>
+<p class="line">Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;</p>
+<p class="line">En daarom namen wij alsnu ’t besluit,</p>
+<p class="line">Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,</p>
+<p class="line">Die onverwijld mylord van Winchester</p>
+<p class="line">Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En wat betreft het aanbod van uw heer</p>
+<p class="line">Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,</p>
+<p class="line">Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,</p>
+<p class="line">Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,</p>
+<p class="line">Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Breng als bewijs en pand voor dit verdrag</p>
+<p class="line">Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—</p>
+<p class="line">En nu, mylord protector, laat de heeren</p>
+<p class="line">Naar Dover begeleiden tot aan boord;</p>
+<p class="line">En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>met zijn Gevolg</i>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Exeter</span> <i>en de Gezanten af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst</p>
+<p class="line">De geldsom in ontvangst, die ik beloofde</p>
+<p class="line">In dank te kwijten aan zijn heiligheid</p>
+<p class="line">Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Legaat.</p>
+<p class="line">Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Winchester.</p>
+<p class="line">Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,</p>
+<p class="line">Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.</p>
+<p class="line">Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,</p>
+<p class="line">Dat evenmin in rang als in geboorte</p>
+<p class="line">De <span class="corr" id="xd33e5577" title="Bron: bischop">bisschop</span> zich door u verduistren laat;</p>
+<p class="line">Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,</p>
+<p class="line">Of twist en omkeer zal dit land vernielen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Anjou</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Karel</span>, <span class="sc">Bourgondië</span>, <span class="sc">Alençon</span>, <i>de</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komen op, met troepen op marsch</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken:</p>
+<p class="line">Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand,</p>
+<p class="line">En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs!</p>
+<p class="line">En dralen houde uw leger niet terug.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt,</p>
+<p class="line">Of anders slechte de oorlog haar paleizen!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer,</p>
+<p class="line">En alle heil bij al zijn medestanders!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. <span class="lineNum">10</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was</p>
+<p class="line">In twee gedeelten, is geheel vereend</p>
+<p class="line">En is van plan terstond u slag te leev’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;</p>
+<p class="line">Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bourgondië.</p>
+<p class="line">’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;</p>
+<p class="line">Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.</p>
+<p class="line">Gebied de zege, Karel, en ze is u,</p>
+<p class="line">Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.v.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Voor</i> <span class="ex">Angers</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; schermutselingen. De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—</p>
+<p class="line">Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,</p>
+<p class="line">En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,</p>
+<p class="line">En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Donderslagen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p id="kh6i.v.3.5" class="line">Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar</p>
+<p class="line">Des noordpools groote koning over heerscht,</p>
+<p class="line">Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb641">[<a href="#pb641">641</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Booze Geesten verschijnen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg</p>
+<p class="line">Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.</p>
+<p class="line">En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas</p>
+<p class="line">In machtige onderaardsche rijken, helpt mij</p>
+<p class="line">Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Geesten waren om en spreken niet.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.</p>
+<p class="line">Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,</p>
+<p class="line">Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,</p>
+<p class="line">En dat u ’t handgeld zij van verder loon,</p>
+<p class="line">Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Geesten laten het hoofd hangen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf</p>
+<p class="line">Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij schudden het hoofd.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed</p>
+<p class="line">Tot uw gewone hulp en steun bewegen,</p>
+<p class="line">Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,</p>
+<p class="line">Eer England op de Franschen triumfeer’!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Zij verdwijnen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,</p>
+<p class="line">Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, <span class="lineNum">25</span></p>
+<p class="line">En ’t nederleggen moet in Englands schoot.</p>
+<p class="line">Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;</p>
+<p class="line">De hel is mij te sterk om meê te worst’len;</p>
+<p class="line">Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; daaronder de</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>en</i> <span class="sc">York</span>, <i>die handgemeen worden. De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>wordt gevangen genomen. De Franschen vluchten.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;</p>
+<p class="line">Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,</p>
+<p class="line">En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—</p>
+<p class="line">Een schoone buit, de gunst des duivels waard!</p>
+<p class="line">Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,</p>
+<p class="line">En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Herschepping kan niet erger u misvormen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;</p>
+<p class="line">Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,</p>
+<p class="line">En moge een hand des bloeds u beiden plotsling</p>
+<p class="line">Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komt op, prinses</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>bij de hand leidende</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij beschouwt haar.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,</p>
+<p class="line">Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.</p>
+<p id="kh6i.v.3.48" class="line">Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,</p>
+<p class="line">En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.</p>
+<p class="line">Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">’k Ben Margaretha, dochter van een koning,</p>
+<p id="kh6i.v.3.52" class="line">Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.</p>
+<p class="line">Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,</p>
+<p class="line">Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;</p>
+<p class="line">Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost</p>
+<p class="line">En houdt dit met haar vleugels als gevangen.</p>
+<p class="line">Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,</p>
+<p class="line">Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij wendt zich af om heen te gaan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">O blijf!—<span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;</p>
+<p class="line">Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.</p>
+<p class="line">Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,</p>
+<p class="line">Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,</p>
+<p class="line">Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. <span class="lineNum">64</span></p>
+<p class="line">Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.</p>
+<p class="line">Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.</p>
+<p class="line">Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;</p>
+<p class="line">Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?</p>
+<p class="line">Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?</p>
+<p class="line">Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;</p>
+<p class="line">Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,</p>
+<p class="line">Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?</p>
+<p class="line">Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,</p>
+<p class="line">Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;</p>
+<p class="line">Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;</p>
+<p class="line">Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p id="kh6i.v.5.83" class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb642">[<a href="#pb642">642</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Hij praat maar toe; die man is stapelgek.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?</p>
+<p class="line">Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Hij praat van hout; hij is een timmerman.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,</p>
+<p class="line">En deze rijken door een vreêverbond.</p>
+<p class="line">Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:</p>
+<p class="line">Al is haar vader Napels’ koning, hertog</p>
+<p class="line">Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,</p>
+<p class="line">En heel onze adel schimpt wis op dien echt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde.</i>)</span> Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;</p>
+<p class="line">Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een ridder,</p>
+<p class="line">En doet gewis mij niets onwaardigs aan. <span class="lineNum">102</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;</p>
+<p class="line">En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Verschoon mij, heer, het is slechts <i lang="la">quid pro quo</i>.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,</p>
+<p class="line">Wanneer zij u tot koningin verheft?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">’t Is lager, koningin te zijn in banden,</p>
+<p class="line">Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,</p>
+<p class="line">Want vorsten moeten vrij zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Want vorsten moeten vrij zijn. </span>O, dat zult gij,</p>
+<p id="kh6i.v.3.116" class="line">Als Englands machtig koning vrijheid heeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,</p>
+<p class="line">Een gouden scepter u ter hand te stellen,</p>
+<p class="line">Een rijke kroon te drukken op het hoofd,</p>
+<p class="line">Wanneer gij gunstrijk mij—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Wanneer gij gunstrijk mij— </span>Wat?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Wanneer gij gunstrijk mij— Wat? </span>Hèm beminnen wilt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig</p>
+<p class="line">Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—</p>
+<p class="line">En zelf geen deel te hebben in de keus.—</p>
+<p class="line">Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—</p>
+<p class="line">Prinses, wij willen voor uws vaders burg</p>
+<p class="line">Hem dringend vragen om een mondgesprek.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Troepen komen nader.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt</i> <span class="sc">Reignier</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Van wien?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Van wien? </span>Van mij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Van wien? Van mij? </span>Suffolk, wat baat te vinden?</p>
+<p class="line">Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,</p>
+<p class="line">Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. <span class="lineNum">134</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;</p>
+<p class="line">Sta toe, en sta het voor uw eere toe,</p>
+<p class="line">Dat uwe dochter met mijn koning huwt.</p>
+<p class="line">Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,</p>
+<p class="line">En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,</p>
+<p class="line">Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Meent Suffolk wat hij zegt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Meent Suffolk wat hij zegt? </span>De jonkvrouw weet,</p>
+<p class="line">Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,</p>
+<p class="line">Om antwoord op uw aanzoek u te geven.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Reignier</span> <i>af, van den muur</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">En ik wacht hier uw komst af.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal.</i> <span class="sc">Reignier</span> <i>komt op, beneden</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;</p>
+<p class="line">Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,</p>
+<p class="line">Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.</p>
+<p class="line">Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde</p>
+<p class="line">Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,<span class="pageNum" id="pb643">[<a href="#pb643">643</a>]</span></p>
+<p class="line">Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,</p>
+<p class="line">Anjou en Maine in vrede mag bezitten,</p>
+<p class="line">Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,</p>
+<p class="line">Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,</p>
+<p class="line">En beide deze landen, ’k neem het op mij,</p>
+<p class="line">Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,</p>
+<p class="line">Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,</p>
+<p class="line">Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,</p>
+<p class="line">Naardien dit hand’len voor een koning is.</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening</p>
+<p class="line">In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws</p>
+<p class="line">En draag er voor de huwlijksviering zorg.</p>
+<p class="line">Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,</p>
+<p class="line">Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,</p>
+<p class="line">Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên</p>
+<p class="line">Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. <span class="lineNum">174</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij wil heengaan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,</p>
+<p class="line">Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Al zulke groeten, als zij aan een maagd,</p>
+<p class="line">Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk<span class="corr" id="xd33e6236" title="Niet in bron">.</span></p>
+<p class="line">Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!</p>
+<p class="line">Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—</p>
+<p class="line">Geen liefdepand voor zijne majesteit?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,</p>
+<p class="line">Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">En dit daarbij.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij kust haar.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margaretha.</p>
+<p class="line">Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning</p>
+<p class="line">Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Reignier</span> <i>en</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!</p>
+<p class="line">Begeef u niet in zulk een labyrinth;</p>
+<p class="line">Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!</p>
+<p class="line">Win Hendrik door het roemen van dit wonder,</p>
+<p class="line">Stel u haar weergalooze deugden voor,</p>
+<p class="line">Die gaven der natuur, die kunst verduistren;</p>
+<p class="line">Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,</p>
+<p class="line">Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,</p>
+<p class="line">Hem zijn bezinning door verbazing rooft.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.v.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Het legerkamp van den hertog van</i> <span class="sc">York</span> <i>in</i> <span class="ex">Anjou</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">York</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Brengt nu de tooverheks, die branden moet.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Herder.</p>
+<p class="line">O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!</p>
+<p class="line">Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,</p>
+<p class="line">En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,</p>
+<p class="line">Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?</p>
+<p class="line">O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!</p>
+<p class="line">Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,</p>
+<p class="line">Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Herder.</p>
+<p class="line">Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;</p>
+<p class="line">Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,</p>
+<p class="line">Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,</p>
+<p class="line">En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: <span class="lineNum">15</span></p>
+<p class="line">Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Herder.</p>
+<p class="line">O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!</p>
+<p class="line">God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,</p>
+<p class="line">En meen’gen traan heb ik om u geschreid:</p>
+<p class="line">Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,</p>
+<p class="line">Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Herder.</p>
+<p class="line">’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,</p>
+<p class="line">Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—</p>
+<p class="line">Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—</p>
+<p class="line">Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur</p>
+<p class="line">Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,</p>
+<p class="line">Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,</p>
+<p class="line">In rattengif verkeerd om uwentwille!</p>
+<p class="line">Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,</p>
+<p class="line">Een uitgevaste wolf u opgevreten!</p>
+<p class="line">Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?</p>
+<p class="line">Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Herder af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,</p>
+<p class="line">Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:</p>
+<p class="line">Geenszins de dochter van een armen scheper,<span class="pageNum" id="pb644">[<a href="#pb644">644</a>]</span></p>
+<p class="line">Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,</p>
+<p class="line">Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:</p>
+<p class="line">En aangeblazen door des hemels gunst,</p>
+<p class="line">Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.</p>
+<p class="line">Met booze geesten had ik nooit te doen;</p>
+<p class="line">Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,</p>
+<p class="line">Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,</p>
+<p class="line">Met duizenden van ondeugden besmet,—</p>
+<p class="line">Dewijl gij Gods genade, die aan andren</p>
+<p class="line">Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,</p>
+<p class="line">Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!</p>
+<p class="line">Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,</p>
+<p class="line">En van haar prille jeugd, een reine maagd,</p>
+<p class="line">Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;</p>
+<p class="line">Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed</p>
+<p class="line">Om wrake schreien aan des hemels poorten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,</p>
+<p class="line">Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;</p>
+<p class="line">Zet tonnen pek rondom den folterpaal,</p>
+<p class="line">Opdat gij zoo de martling haar verkort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— <span class="lineNum">59</span></p>
+<p class="line">Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,</p>
+<p class="line">Die naar de wet een voorrecht u verleent.—</p>
+<p class="line">Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;</p>
+<p class="line">Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,</p>
+<p class="line">Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Het grootste wonder, ooit door u gedaan!</p>
+<p class="line">Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;</p>
+<p class="line">Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;</p>
+<p id="kh6i.v.4.74" class="line">’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!</p>
+<p class="line">Het sterft, al waar het duizend levens rijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,</p>
+<p class="line">En ook de hertog, dien ik noemde, niet;</p>
+<p class="line">Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,</p>
+<p class="line">Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—</p>
+<p class="line">Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’</p>
+<p class="line">Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Pucelle.</p>
+<p class="line">Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.</p>
+<p class="line">Dat nimmermeer de lichte zon haar glans</p>
+<p class="line">Doe stralen op het land, door u bewoond;</p>
+<p class="line">Dat nacht en schaduwen des doods u steeds</p>
+<p class="line">Omgeven, tot u onheil en vertwijfling</p>
+<p class="line">Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Pucelle</span> <i>met de Wacht af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,</p>
+<p class="line">Vervloekte, vuige dienares der hel!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Bisschop van</i> <span class="sc">Winchester</span>, <i>thans Kardinaal</i>
+<span class="sc">Beaufort</span>, <i>komt op met Gevolg</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet</p>
+<p class="line">Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.</p>
+<p class="line">Want weet, de staten van de christenheid,</p>
+<p class="line">Om dezen woesten strijd vol mededoogen,</p>
+<p class="line">Verlangen dringend, dat er tusschen ons</p>
+<p class="line">En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;</p>
+<p class="line">En reeds komt de dauphijn hier met gevolg</p>
+<p class="line">Om over enkle punten te onderhandlen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? <span class="lineNum">102</span></p>
+<p class="line">Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,</p>
+<p class="line">Aanvoerders, edellieden en soldaten,</p>
+<p class="line">Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf</p>
+<p class="line">Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,</p>
+<p class="line">Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?</p>
+<p class="line">Verloren wij door trouwbreuk, door verraad</p>
+<p class="line">En valschheid niet alreeds schier alle steden,</p>
+<p class="line">Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—</p>
+<p class="line">O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart</p>
+<p class="line">’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,</p>
+<p class="line">Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,</p>
+<p class="line">Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>komt op met Gevolg, verder</i> <span class="sc">Alençon</span>, <i>de Bastaard</i>, <span class="sc">Reignier</span> <i>en Anderen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,</p>
+<p class="line">In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,</p>
+<p class="line">Zoo komen wij thans van uzelven hooren,</p>
+<p class="line">Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Spreek, Winchester, want heete gal verstopt</p>
+<p class="line">Den hollen gang van mijn gevangen stem,</p>
+<p class="line">Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:</p>
+<p class="line">Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis</p>
+<p class="line">U koning Hendrik ingewilligd heeft,</p>
+<p class="line">Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,</p>
+<p class="line">Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,<span class="pageNum" id="pb645">[<a href="#pb645">645</a>]</span></p>
+<p class="line">Moet gij vazallen worden van zijn kroon,</p>
+<p class="line">En, Karel, op beding, dat gij bezweert</p>
+<p class="line">Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,</p>
+<p class="line">Zult gij, als vicekoning onder hem,</p>
+<p class="line">Voortaan u in uw koningsrang verheugen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon.</p>
+<p class="line">Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?</p>
+<p class="line">Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,</p>
+<p class="line">En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,</p>
+<p class="line">Alleen het recht eens onderdaans behouden?</p>
+<p class="line">Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied</p>
+<p class="line">Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,</p>
+<p class="line">En word er als rechtmatig vorst geëerd;</p>
+<p class="line">En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,</p>
+<p class="line">Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,</p>
+<p class="line">Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?</p>
+<p class="line">Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer</p>
+<p class="line">Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,</p>
+<p class="line">De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim</p>
+<p class="line">Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;</p>
+<p class="line">En nu het komen zal tot een verdrag,</p>
+<p class="line">Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?</p>
+<p class="line">Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,</p>
+<p class="line">Nu als geschenk van onzen koning aan,</p>
+<p class="line">Geen aanspraak er op makend als een recht,</p>
+<p class="line">Of reken op een eindeloozen krijg. <span class="lineNum">154</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Reignier.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig</p>
+<p class="line">Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;</p>
+<p class="line">Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,</p>
+<p class="line">Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Alençon</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>zacht tot</i> <span class="sc">Karel</span>).</span> ’t Is inderdaad uw beste politiek,</p>
+<p class="line">Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden</p>
+<p class="line">En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks</p>
+<p class="line">Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;</p>
+<p class="line">Neem daarom deze wapenschorsing aan,</p>
+<p class="line">Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Karel.</p>
+<p class="line">Het zij;</p>
+<p class="line">Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons</p>
+<p class="line">In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:</p>
+<p class="line">Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam</p>
+<p class="line">Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,</p>
+<p class="line">Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Karel</span> <i>en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,</p>
+<p class="line">Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,</p>
+<p class="line">Want heilig is de nu gesloten vreê.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.v.5" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.v.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, in gesprek met</i> <span class="sc">Suffolk</span>. <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>volgen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring</p>
+<p class="line">Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;</p>
+<p class="line">Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,</p>
+<p class="line">Verwekken mij der liefde drang in ’t hart</p>
+<p class="line">En evenals de macht van woeste vlagen</p>
+<p class="line">Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,</p>
+<p class="line">Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,</p>
+<p class="line">Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen</p>
+<p class="line">Waar ik mij in haar min verheugen mag.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht</p>
+<p class="line">Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;</p>
+<p class="line">Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—</p>
+<p class="line">Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—</p>
+<p class="line">Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,</p>
+<p class="line">In staat, den stompsten geest nog te verrukken.</p>
+<p class="line">En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,</p>
+<p class="line">Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,</p>
+<p class="line">Toch is zij met gelijken zieledeemoed</p>
+<p class="line">Geheel bereid om u ten dienst te zijn,</p>
+<p class="line">Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid</p>
+<p class="line">U als gemaal te minnen, te vereeren. <span class="lineNum">21</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.</p>
+<p class="line">Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:</p>
+<p class="line">„Zij Margaretha Englands koningin!”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.</p>
+<p class="line">Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds</p>
+<p class="line">Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,</p>
+<p class="line">Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,</p>
+<p class="line">En niet onze eer ontwijden door een blaam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;</p>
+<p class="line">Of zoo als een, die toezeide op een steekspel</p>
+<p class="line">Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,</p>
+<p class="line">Omdat zijn tegenstander hem te min is.</p>
+<p class="line">Eens armen graven dochter is te min;</p>
+<p class="line">Haar op te geven is daarom geen oneer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En wat is Margaretha meer dan zij?</p>
+<p class="line">Haar vader is niet beter dan een graaf,</p>
+<p class="line">Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ja, beste heer, haar vader is een koning,</p>
+<p class="line">Is vorst van Napels en <span class="corr" id="xd33e6748" title="Bron: Jerusalem">Jeruzalem</span>,</p>
+<p class="line">En bovendien in Frankrijk zoo geacht,</p>
+<p class="line">Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,</p>
+<p class="line">De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,</p>
+<p class="line">Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb646">[<a href="#pb646">646</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,</p>
+<p class="line">Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,</p>
+<p class="line">Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,</p>
+<p class="line">Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.</p>
+<p class="line">Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;</p>
+<p class="line">Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.</p>
+<p class="line">O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,</p>
+<p class="line">Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.</p>
+<p class="line">Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,</p>
+<p class="line">Om die door zaakwaarnemers af te doen;</p>
+<p class="line">En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,</p>
+<p class="line">Zij de genoote van zijn huwlijksbed.</p>
+<p class="line">En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,</p>
+<p class="line">Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,</p>
+<p class="line">Om haar in onze meening uit te lezen.</p>
+<p class="line">Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,</p>
+<p class="line">Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?</p>
+<p class="line">Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt</p>
+<p class="line">En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. <span class="lineNum">65</span></p>
+<p class="line">Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,</p>
+<p class="line">Dan Margaretha, dochter van een koning?</p>
+<p class="line">Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,</p>
+<p class="line">Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;</p>
+<p class="line">Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—</p>
+<p class="line">Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—</p>
+<p class="line">Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;</p>
+<p class="line">Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,</p>
+<p class="line">Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,</p>
+<p class="line">Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden</p>
+<p class="line">Als Margaretha zich verbindt in liefde.</p>
+<p class="line">Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:</p>
+<p class="line">Slechts Margaretha zij hier koningin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Is ’t door de toovermacht<span id="xd33e6806"></span> van uw bericht,</p>
+<p class="line">Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer</p>
+<p class="line">Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd</p>
+<p class="line">Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—</p>
+<p class="line">Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:</p>
+<p class="line">Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,</p>
+<p class="line">Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,</p>
+<p class="line">Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.</p>
+<p class="line">Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;</p>
+<p class="line">Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:</p>
+<p class="line">Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee</p>
+<p class="line">Naar England oversteke en zich laat kronen</p>
+<p class="line">Als Hendriks trouwe gade en koningin.</p>
+<p class="line">Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending</p>
+<p class="line">Kunt gij een tiende heffen van ons volk.</p>
+<p class="line">Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, <span class="lineNum">94</span></p>
+<p class="line">Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—</p>
+<p class="line">En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;</p>
+<p class="line">Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,</p>
+<p class="line">Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt</p>
+<p class="line">Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.</p>
+<p class="line">En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen</p>
+<p class="line">Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij</p>
+<p class="line">Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;</p>
+<p class="line">Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,</p>
+<p class="line">Maar met een beter slot dan die Trojaan.—</p>
+<p class="line">Beheersche Margaretha nu den koning;</p>
+<p class="line">Ik echter haar, den koning en het rijk!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6i.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6i.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">AANTEEKENINGEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Onder de historiestukken van Shakespeare zijn ongetwijfeld de drie deelen van Koning
+Hendrik den Zesden, en Koning Richard den Derden, welke den ondergang van de beide
+koningshuizen van Lancaster en York schilderen, de oudste; zij behooren alle tot de
+vroegste werken van den grooten dichter en verraden dit ten duidelijkste in de behandeling
+van het onderwerp, in hun zin- en versbouw, zoodat de lezer, die, zooals gewoonlijk
+het geval zal zijn, de historiestukken leert kennen in de volgorde der vorsten, teleurgesteld
+wordt, wanneer hij na Richard&nbsp;II, Hendrik&nbsp;IV en V, de drie deelen van Koning Hendrik&nbsp;VI
+ter hand neemt. Zelfs Richard&nbsp;III, welk stuk zich onmiddellijk aan Hendrik&nbsp;VI aansluit,
+draagt, hoe grootsch het ook wezen moge, nog den stempel van de jeugd des dichters.
+Shakespeare zelf heeft in den epiloog van zijn Koning Hendrik&nbsp;V (zie boven blz. 605),
+medegedeeld, dat Hendrik&nbsp;VI aan laatstgenoemd stuk geruimen tijd was voorafgegaan.
+</p>
+<p>Zijn alzoo,—wat niet te loochenen valt,—de verschillende deelen van K. Hendrik&nbsp;VI
+onder de eerstelingen des dichters te rangschikken, dan is het verschil tusschen deze
+werken en die van zijn lateren tijd niet alleen gemakkelijk te verklaren, maar hoogst
+natuurlijk. Even natuurlijk is het, dat zij overeenkomst vertoonen met de werken zijner
+voorgangers. Want men bedenke, dat reeds vóór Shakespeare het Engelsch tooneel bloeide,
+dat in 1562 reeds het eerste treurspel, <i>Gorboduc</i>, van Sackville en Norton, <span class="pageNum" id="pb647">[<a href="#pb647">647</a>]</span>gespeeld werd, en dat op dezen een reeks van tooneeldichters gevolgd is, waaronder
+Nash, Peele, Kyd, Green en Marlowe, vooral de laatste, te noemen zijn. Geen wonder,
+dat de jeugdige Shakespeare aanvankelijk in hun voetstappen trad, dat zijn Titus Andronicus
+geheel in hun manier geschreven was, en dat hij ook in zijn Hendrik&nbsp;VI, schoon deze
+stukken zeker van iets latere dagteekening zijn, herhaaldelijk aan zijn voorgangers
+doet denken. Slechts hierover kan men verbaasd staan, dat hij hen zoo weinig heeft
+nagevolgd en zoo spoedig geheel en al zijn eigen weg is ingeslagen.
+</p>
+<p>Niettegenstaande de verschillen, tusschen deze stukken van Shakespeare en die van
+latere dagteekening, alleszins verklaarbaar en natuurlijk zijn, werd reeds vroeg twijfel
+geopperd, of zij inderdaad van Shakespeare’s hand zijn; vooral werd dit van het eerste
+deel in twijfel getrokken. En het bleef niet bij het uitspreken van een twijfel, maar
+de stelling, dat zij niet, of ten minste niet geheel, van hem herkomstig zijn, werd
+naar aanleiding van uitvoerige en voor een deel zelfs kleingeestige onderzoekingen,
+waarbij de eene onderstelling op de andere gestapeld werd, door verscheidenen als
+bewezen beschouwd. In het laatst der vorige eeuw kwam Malone tot de slotsom, dat Shakespeare
+het eerste deel in het geheel niet geschreven heeft en het tweede en derde deel slechts
+naar een ouder stuk bewerkt. De bewijzen van Malone zijn later, met name door Knight,
+zoo voldingend wederlegd, en in hun nietigheid ten toon gesteld, dat het niet noodig
+is, dit hier nogmaals te doen; men kan hierover Knight’s grootere uitgaven van onzen
+dichter, of de bekende uitgave van Delius, of Gildemeister’s inleiding voor zijn vertaling
+van Hendrik&nbsp;VI raadplegen. Dat deze stukken inderdaad door Shakespeare in hun geheel
+ontworpen en geschreven zijn, is, zooals hier in het kort zal worden aangetoond, uit
+hun geheelen aanleg af te leiden. Dat zij echt zijn, behoeft te minder betwijfeld
+te worden, omdat zij door de twee vrienden des dichters, John Heminge en Henry Condell,
+in de eerste gezamenlijke uitgave van Shakespeare’s werken, in den beroemden folio
+van 1623, zeven jaren na zijn dood uitgegeven, zijn opgenomen.
+</p>
+<p>Geen der drie deelen van K. Hendrik&nbsp;VI, en ook K. Richard&nbsp;III niet, staat op zichzelf,
+alle te zamen maken één geheel uit. In elk deel van Hendrik&nbsp;VI komen tooneelen voor,
+die geen ander doel hebben dan voor te bereiden op gebeurtenissen of toestanden, die
+in het volgend stuk ten tooneele worden gevoerd. Van dien aard zijn in het eerste
+stuk: de twist tusschen Gloster en den bisschop van Winchester, het gesprek van Mortimer
+met Richard Plantagenet, het plukken der roode en witte rozen, het aanzoek van Suffolk
+om Margaretha, dat zeker geen slot zou kunnen zijn van een zelfstandig stuk. En niet
+alleen zijn in het eerste deel de draden gewerkt voor het tweede, maar het tweede
+weeft met deze draden onmiddellijk voort; er kan geen sprake van zijn, het tweede
+van het eerste los te maken. Men merke hierbij nog op, dat de dichter van het eerste
+deel in het belang van zijn drama de volgorde der gebeurtenissen gewijzigd heeft,—hierover
+later meer,—en dat deze wijzigingen alle in het tweede deel geëerbiedigd en in acht
+genomen worden. Zoo sterft in het eerste deel de held Talbot vóór de maagd van Orleans,
+hoewel zijn dood werkelijk eerst twee-en-twintig jaren later plaats greep, en de dichter
+heeft het sterven van Talbot en zijn zoon hoogst indrukwekkend voorgesteld; in het
+tweede stuk is en blijft Talbot dood; ware dit stuk onafhankelijk van het eerste ontworpen,
+dan had de dichter ongetwijfeld daar Talbot’s dood gebezigd als een krachtige en wettige
+reden van ontevredenheid over de leiding van den oorlog.
+</p>
+<p>Toch heeft Malone,—verscheidenen zijn hem gevolgd,—de meening verdedigd, dat het eerste
+deel niet van Shakespeare is en dat met het tweede een zelfstandig werk begint. Deze
+meening moet hier met een woord worden toegelicht. Het eerste deel is het eerst in
+den folio van 1623 verschenen; het tweede daarentegen was reeds in 1594, enkele jaren
+nadat het gespeeld was, door zekeren Thomas Millington in het licht gegeven, en wel
+onder den titel: <i lang="en">The first part of the contention betwixt the two famous houses of Yorke and Lancaster,
+with the death of the good duke Humphrey: And the banishment and death of the Duke
+of Suffolke, and the Tragicall end of the proud Cardinall of Winchester, with the
+notable rebellion of Jack Cade: And the Duke of Yorke’s first claim unto the Crowne.
+London Printed by Thomas Creed, for Thomas Millington, and are to be sold at his shop
+under Saint Peters Church in Cornwall</i> (d.i. Cornhill) 1594. Op dit quarto-boek volgde weldra een octavo-boek, dat het derde
+deel van Koning Hendrik&nbsp;VI bevatte, onder den titel: <i lang="en">The true Tragedie of Richard Duke of York, and the death of the good King Henrie the
+Sixt, with the whole contention betweene the two Houses Lancaster and Yorke, as it
+was sundrie times acted by the Right Honourable the Earle of Pembrooke his seruants.
+Printed at London by P.&nbsp;S. for Thomas Millington, and are to be sold at his shoppe
+under Saint Peter’s Church in Cornwal</i> (d.i. Cornhill) 1595.—Beide stukken werden door Millington in 1600 nog eens, ditmaal
+beide in quarto, uitgegeven.—In 1619 werden beide stukken samen in een quarto band
+uitgegeven door Thomas Pavier, aan wien Millington zijn recht had overgedragen, onder
+den titel: <span class="pageNum" id="pb648">[<a href="#pb648">648</a>]</span><i lang="en">The Whole Contention Betweene the Two famous Houses, Lancaster and Yorke, With the
+tragicall Ends of the good Duke Humfrey, Richard Duke of Yorke, and King Henrie the
+sixt. Divided into two Parts: And newly corrected and enlarged. Written by William
+Shakespeare, Gent. Printed at London for T. P.</i>—Hier wordt dus voor het eerst Shakespeare’s naam op den titel vermeld; de verbetering
+en vermeerdering was een grove leugen.—Als men nu den tekst dezer afzonderlijke uitgave
+nagaat,—deze is gemakkelijk toegankelijk, want Delius heeft dien met al zijn fouten
+in zijn bekende Shakespeare-uitgave afgedrukt in de inleidingen tot het tweede en
+het derde deel van den echten Koning Hendrik&nbsp;VI,—dan ziet men, hoe ongelooflijk de
+echte stukken er in verminkt en bedorven zijn. Wel is de handeling dezelfde en de
+gang der samenspraken eveneens, maar soms is van een lange reden slechts een schets
+gegeven, verzen zijn vaak als proza, proza is dikwijls als vers gedrukt, geheele brokken
+zijn weggelaten, gezegden staan vaak op een verkeerde plaats in de samenspraak, hier
+en daar vindt men geheele gedeelten, die met den tekst der folio-uitgave overeenkomen,
+maar midden daarin onzin of geheel bedorven regels, en soms is de volgorde der tooneelen
+geheel verkeerd. Met dat al zijn treffende vergelijkingen, berijmde regels, dus gedeelten,
+die gemakkelijk in het geheugen blijven, vaak goed weergegeven. Kortom de tekst bevat
+gedeelten, die geen ander dichter uit dien tijd dan Shakespeare zoo kon schrijven;
+andere, die ook de grootste pruldichter niet zoo had kunnen ontwerpen. De toestand
+van den tekst kan doen vermoeden, dat hij grootendeels, zoo niet geheel, op het gehoor
+is neergeschreven; neemt men aan, dat schrijvers in den schouwburg aan het werk zijn
+geweest, die het stuk, zoo goed en kwaad het ging, op papier brachten en dat daarna
+de een of andere handlanger de aanteekeningen heeft samengeflanst, waarbij dan nog
+treffende gezegden of gerijmde regels, die onthouden waren, er ingevoegd kunnen zijn,
+maar dan niet altijd op de juiste plaats. Het is mogelijk, dat de samenflanser de
+rollen van enkele spelers tot zijn beschikking heeft gehad, maar de ellendige toestand
+van den tekst maakt zelfs dit niet waarschijnlijk. Zulk een schaamtelooze wijze van
+uitgeven was in dien tijd niets ongehoords en Millington heeft er zich meer aan schuldig
+gemaakt. Waarschijnlijk kon hij op deze wijze den tekst van het eerste deel van Hendrik&nbsp;VI
+niet meester worden of zag hij in de uitgave geen voordeel, zoodat nu het tweede en
+derde deel van K. Hendrik&nbsp;VI tot het eerste en tweede deel werd van den strijd tusschen
+de huizen van Lancaster en York. Misschien was het om moeilijkheid en onaangenaamheden
+te ontgaan, dat de naam van Shakespeare op den titel wegbleef; trouwens iedereen wist
+toch wel, dat het dezelfde stukken waren, die met toejuiching gegeven werden. Ook
+bij de eerste onrechtmatige uitgaven van andere stukken is Sh.’s naam weggelaten.<a class="noteRef" id="xd33e6897src" href="#xd33e6897" title="Ga naar noot 1.">1</a>
+</p>
+<p>Of het stuk, behalve door het gezelschap, waartoe Shakespeare als tooneelspeler behoorde,
+ook door dat van den graaf van Pembroke gegeven werd, is onbekend; het is mogelijk,
+dat de vermelding van dit gezelschap, die niet op den titel van Millington’s eerste
+deel, alleen op dien van het tweede voorkomt, met opzet is geschied; het is ook mogelijk,
+dat zij op een vergissing steunt.—Hoe dit laatste ook wezen moge, zeker is het, wanneer
+men den tekst van de door Millington uitgegeven stukken nagaat, dat hij op de genoemde
+onrechtmatige wijze moet verkregen zijn, dat geen dichter dien ooit aldus had kunnen
+schrijven, en dat hij nooit een eerst onvolkomen ontwerp, dat later beter uitgewerkt
+is, kan geweest zijn. Verder is het ook duidelijk, dat het ontbreken van een afzonderlijke
+uitgave van het Eerste Deel van K. Hendrik&nbsp;VI zelfs geen zweem van grond oplevert,
+om laatstgenoemd stuk niet aan Sh. toe te kennen.
+</p>
+<p>Beschouwen wij thans nog eens het geheel, waarvan wij reeds opmerkten, dat de deelen
+volkomen aan elkander sluiten en het eene het andere voorbereidt, dan vinden wij,
+dat dit den jeugdigen Shakespeare volkomen waardig is. Met hooge kunst zijn de vijftig
+jaren van Hendriks koningschap,—regeering kan men het eigenlijk niet noemen,—in drie
+stukken saamgedrongen. En let men op de karakters der hoofdpersonen, dan vindt men
+in hooge mate de eenheid bewaard. Koning Hendrik,—een kind van negen maanden kon den
+dichter niet dienen,—komt in het eerste deel voor als knaap, in het tweede als man,
+in het derde als grijsaard, zoo niet in jaren, dan toch in levenszatheid. Maar het
+is steeds dezelfde persoonlijkheid; en vraagt men, of eenig dichter, behalve Shakespeare,
+dien man zonder eenige wilskracht, dien speelbal van <span class="pageNum" id="pb649">[<a href="#pb649">649</a>]</span>anderen, ooit, zonder zijn zwakheid te vergoêlijken, zoo fijn had kunnen schilderen
+en hem zulk een roerende goedheid en zooveel majesteit had kunnen verleenen, dan moet
+het antwoord ontkennend luiden. Evenzoo blijft Margaretha van Anjou in al de vier
+stukken zichzelf gelijk; Richard van Gloster, de latere Richard&nbsp;III, is van het eerste
+oogenblik, dat hij optreedt, één karakter; kortom, de drie deelen van Koning Hendrik&nbsp;VI
+en Koning Richard&nbsp;III zijn ontegenzeglijk de schepping van één dichter.—En dat die
+dichter niemand anders dan Shakespeare is, blijkt uit zijn gave om één geest, één
+stemming in al deze stukken te doen heerschen, uit zijn weergâlooze onpartijdigheid,
+die allen hun zaak met alle welsprekendheid doet bepleiten en alleen tegenover de
+Franschen zich verloochent, uit de dichterlijke gaven, waardoor hij al zijn voorgangers
+en tijdgenooten overtreft.
+</p>
+<p>Dat ook het eerste deel van K. Hendrik&nbsp;VI bij de toeschouwers hoog stond aangeschreven,
+is ons door een uiting van een gelijktijdig schrijver bekend. Thomas Nashe wijst op
+dit stuk in een geschrift: „<i lang="en">Pierce Pennilesse his Supplication to the Devil</i>”; hij verklaart het tooneel voor een nuttige inrichting, vooreerst vanwege de onderwerpen
+der spelen, daar die meest uit de Engelsche kronieken geput en de helden van weleer
+uit het graf der vergetelheid weer in het leven geroepen worden. „Hoe,” zegt hij,
+„zou de dappere Talbot, de schrik der Franschen, zich verheugen, als hij wist, dat
+hij, na tweehonderd jaren in het graf te hebben gelegen, nog eens op het tooneel triumfeert
+en dat zijn gebeente nog onlangs besproeid is met de tranen, en verscheidene malen,
+van wel tienduizend toeschouwers, die in den treurspeler, door wien hij wordt voorgesteld,
+hem op nieuw meenen te zien bloeden!”
+</p>
+<p>Hoezeer Shakespeare zijn voorgangers toen reeds overvleugelde, blijkt nog uit een
+ander getuigenis, waardoor tevens bewezen wordt, dat ook het derde deel van K. Hendrik&nbsp;VI
+reeds in 1592 gegeven werd en grooten bijval inoogstte. In genoemd jaar stierf, aan
+ellende ter prooi, de dichter Robert Greene. In zijn nalatenschap vond men een werkje
+„<i lang="en">A Groat’s worth of Wit bought with a million of Repentance</i>”, dat Henry Chettle liet drukken. Daarin had de ongelukkige man, wiens tooneelspelen
+de gunst van het publiek reeds bij zijn leven verloren, zijn wrok gelucht over de
+nieuwere dichters, die, naar hij meende geheel onverdiend, door de tooneelspelers
+boven de oudere dichters werden verkozen. Hij bezweert daarom zijn vrienden, met name
+Marlowe, Lodge en Peele, aan de tooneelspelers, die met der dichters mond spreken,
+den rug toe te keeren. „Vertrouwt hen niet”, gaat hij voort, „want daar is een kraai,
+een opkomeling, gesierd met onze vederen, die met zijn „Tijgerhart, in een tooneelspelers
+huid gehuld” gelooft, dat hij even goed in staat is, een rijmloos vers uit te bulderen,
+als de beste van u; en omdat hij een volkomen <i lang="la">Johannes fac totum</i> is, is hij in zijn eigen meening de eenige tooneelschokker (<i>Shake-scene</i>) in den lande. O dat ik uw uitstekende vernuften bewegen kon een meer loon brengenden
+weg in te slaan! En laat die apen uw vroegere voortreffelijkheid nabootsen, en maak
+hen nimmer weer met uw bewonderde dichterlijke vonden bekend!<span class="corr" id="xd33e6921" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>Dat met den naam <i>Shake-scene</i> (tooneelschokker) Shakespeare bedoeld is, spreekt vanzelf. En bovendien „O tijgerhart
+in vrouwenhuid gehuld!” roept in het derde deel van „K. Hendrik&nbsp;VI” (I. 4. 137.) de
+Hertog van York aan de koningin Margaretha toe. De beteekenis van het verwijt is duidelijk
+geen andere, dan deze: „Een nieuweling is opgestaan, een man, niet zooals wij van
+geleerde opleiding, die Cambridge noch Oxford bezocht heeft, een man, die ons, erkende
+dichters, nabootst en met onze schoonheden zijn verzen opsiert.” Dat Shakespeare,
+in zijn eerstelingen, in het voetspoor zijner voorgangers trad, dat hij, evenals zij,
+met geleerde aanhalingen, met mythologische toespelingen zijn werken tooide, was niet
+zoo geheel onjuist, en zijn „Koning Hendrik&nbsp;VI” kan het getuigen; maar dit zal de
+reden van het verwijt niet geweest zijn, veeleer dat hij reeds nu zijn voorgangers
+in de schaduw dreigde te stellen. Robert Greene zelf legt hier getuigenis van af,
+daar de regel, waar hij op zinspeelt, zeker een geweldigen indruk maakte en in veler
+mond zal geweest zijn.—De uitgever Henry Kettle, achtte zich weldra, waarschijnlijk
+op aandrang van Shakespeare of zijn vrienden, verplicht te erkennen, dat Sh. geen
+blaam verdiende, en hij gaf nog in hetzelfde jaar, 1592, een klein geschrift uit,
+„<i lang="en">Kind-harts dream</i>” geheeten, waarin hij betreurt, het boven vermeld gezegde niet onderdrukt te hebben;
+„omdat ik”, zegt hij, „sedert dien tijd zijn gedrag als evenzoo beschaafd wellevend
+(<i lang="en">civil</i>) heb leeren kennen, als hij in zijn beroep voortreffelijk is. Bovendien hebben verscheiden
+eerzame mannen mij bericht gegeven van de oprechtheid van zijn handel, die van zijn
+rechtschapenheid getuigt, en van zijn bevalligheid in het schrijven, die zijn kunstvaardigheid
+bewijst”.
+</p>
+<p>Dit is het oudste getuigenis, dat wij aangaande Shakespeare bezitten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Het eerste der vier stukken, die den ondergang van het huis Plantagenet, en daarmede
+tevens het verschrikkelijkst tijdvak van Engelands <span class="pageNum" id="pb650">[<a href="#pb650">650</a>]</span>geschiedenis schilderen, doet zien, hoe Frankrijk voor Engeland verloren ging.
+</p>
+<p>Met hoeveel beleid, na den dood van den overwinnaar van Agincourt, zijn broeder, de
+Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk, den oorlog tegen den Dauphijn van Frankrijk,
+die zich na zijns vaders dood als Karel&nbsp;VII te Poitiers liet kronen, ook voeren mocht,—hoewel
+hij aanvankelijk voordeel behaalde en in 1428 en de eerste maanden van 1429 Orleans
+ernstig bedreigde, de zaak van den Dauphijn was de nationale zaak en het optreden
+der maagd van Orleans wakkerde den volksgeest aan. Wel werd nog in December 1431 de
+toen negenjarige Hendrik&nbsp;VI te Parijs plechtstatig ontvangen, maar reeds in het volgend
+jaar begon de Engelsche macht in Frankrijk te tanen; de partijschap in de Engelsche
+koningsfamilie, waar de eerzuchtige Humfried van Gloster niet alleen zijn oom, den
+kardinaal Beaufort van Winchester, maar ook zijn broeder, den hertog van Bedford,
+tegenwerkte, hadden een ongunstigen invloed op de krijgsverrichtingen der Engelschen
+in Frankrijk, en toen, na den dood van den hertog van Bedford, in September 1435,
+de hertog van Bourgondië, Philips de Goede, zich met den Franschen koning verzoende,
+gingen de zaken der Engelschen nog meer achteruit. Toch duurde het tot 1447, eer de
+wapenstilstand van Tours gesloten werd, bij welken tevens door bemiddeling van Suffolk
+het huwelijk van koning Hendrik&nbsp;VI met Margaretha van Anjou tot stand kwam, een echtverbintenis,
+die onheilvolle gevolgen voor Engeland had en de partijschap in zijn koningshuis nog
+deed toenemen.
+</p>
+<p>Het eerste deel van Shakespeare’s Hendrik&nbsp;VI omvat de gebeurtenissen tot aan ’s konings
+huwelijk. De dichter volgt over het geheel de kroniek van Hall of de daaruit grootendeels
+geputte kroniek van Holinshed, maar houdt zich geenszins angstig aan de volgorde der
+gebeurtenissen; integendeel, zoodra het tooneel zijn eischen stelt, wijkt hij van
+deze af. Hij laat Hendrik&nbsp;VI, die bij zijn kroning pas negen maanden oud was, als
+aankomend jongeling optreden, en vat de oorlogen en gebeurtenissen in Frankrijk, die
+een dertigtal jaren duurden, in weinige hoofdzaken samen, namelijk: het ontzet van
+Orleans door de Pucelle, haar gevangenneming en terechtstelling, de kroning van Hendrik
+in Parijs, de dood van den hertog van Bedford, de verzoening van den koning van Frankrijk
+met den hertog van Bourgondië, de tweespalt der Engelsche grooten, Suffolk’s bemiddeling
+van een wapenstilstand, het huwelijk van den jongen koning met Margaretha van Anjou,
+eindelijk het verlies van de stad Bordeaux en het sneuvelen van Talbot en zijn zoon.
+Uit deze opnoeming, bij welke de chronologische volgorde in acht is genomen, kan men
+afleiden, in hoeverre Shakespeare van de geschiedenis is afgeweken. De gevangenneming
+en den dood van de Maagd van Orleans heeft hij naar het eind van het stuk overgebracht,
+hoewel deze gebeurtenissen in de eerste jaren van den oorlog vallen; het gevecht van
+Patay, waarbij Talbot gevangen werd genomen, verplaatst hij voor het optreden der
+Pucelle, hoewel zijzelf daar de Franschen aanvoerde; den val van Talbot plaatst hij
+in de eerste jaren, hoewel hij eerst 22 jaren na den dood der Maagd van Orleans sneuvelde.
+Blijkbaar is het doel, het verliezen van Frankrijk te doen voorkomen als het gevolg
+van een zwak en verdeeld rijksbestuur, van naijver en partijzucht der Engelsche grooten,
+en van het optreden der Maagd van Orleans. Te gelijk werd het vaderlandsch gemoed
+der toeschouwers gestreeld door Talbot’s heldenmoed en den smaadvollen dood der Maagd
+van Orleans. Engelands nederlaag kon niet voortvloeien uit gemis aan heldenmoed en
+dapperheid bij de Engelschen, maar moest het gevolg zijn van hun inwendige verdeeldheid
+en van Fransche tooverkunsten. Schrijft men de laatste niet aan de inwerking des duivels,
+maar aan de opwekking toe van den strijdlust en de vaderlandsliefde der Franschen
+door de Maagd van Orleans, dan is de voorstelling van Shakespeare in de hoofdzaak
+waar, al heeft hij ook de volgorde der gebeurtenissen veranderd, al heeft hij de rol,
+die de mededingers Gloster en kardinaal Beaufort aan het Engelsche hof speelden, niet
+juist teruggegeven en al was de als verrader geschetste Fastolf waarschijnlijk eer
+een welberaden en voorzichtig krijgsman.
+</p>
+<p>Men make er Shakespeare geen verwijt van, dat hij de Maagd van Orleans zoo, en niet
+anders, geschilderd heeft. Geen Engelschman uit Shakespeare’s tijd twijfelde er aan,
+of zij had met helsche machten in verband gestaan. Het was eerst nadat Duitschlands
+groote dichter het beeld der Maagd geteekend heeft<a class="noteRef" id="xd33e6946src" href="#xd33e6946" title="Ga naar noot 2.">2</a>, dat Fransche en Duitsche geschiedschrijvers recht hebben gedaan aan de nagedachtenis
+van het Fransche heldenmeisje, haar beweegredenen en handelingen uit authentieke stukken
+hebben toegelicht en haar als een der verhevenste en reinste personen der wereldgeschiedenis
+hebben doen kennen<a class="noteRef" id="xd33e6955src" href="#xd33e6955" title="Ga naar noot 3.">3</a>. Toch <span class="pageNum" id="pb651">[<a href="#pb651">651</a>]</span>heeft ook hier Shakespeare zijn onpartijdigheid niet geheel verloochend; in het geheele
+stuk is het haar liefde voor land en koning, die haar drijft, en zelfs daar, waar
+zij de helsche machten ter hulpe oproept, in het derde tooneel van het vijfde bedrijf,
+is het alleen de zucht om Frankrijk te redden, die haar zoo doet handelen.
+</p>
+<p>Aangaande William de la Pole, graaf, later hertog, van Suffolk, die aan het einde
+van dit stuk optreedt en in het volgende een zoo belangrijke rol speelt, zij hier
+opgemerkt, dat hij ongetwijfeld een der bekwaamste en ijverigste aanhangers was van
+het huis Lancaster, en dat hij geenszins eigenmachtig, maar in overeenstemming met
+de hem verstrekte instructies van den geheelen geheimen raad, den zoen met Frankrijk
+trof en den koning Margaretha van Anjou als gemalin toevoerde. Maar in het oog van
+het volk was hij een verrader, en toen hij later, door de gunst der bij het volk gehate
+Fransche koningin in aanzien en macht steeg, en Frankrijk meer en meer voor Engeland
+verloren ging, werd hij met den onverzoenlijken haat van het volk beladen.
+</p>
+<p>Voor de kennis van de familiebetrekkingen der vorstelijke personen, die van groot
+belang is voor het gemakkelijk volgen van deze drie stukken en van K. Richard&nbsp;III,
+moge het raadplegen der in dit deel voorkomende geslachtslijst van het koninklijk
+huis aanbevolen worden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1">I. 1.</a> <span class="ex">De graaf van Warwick.</span> Met den onder de optredende personen voorkomenden graaf van Warwick moet streng genomen
+Richard Beauchamp, graaf van Warwick bedoeld zijn, en deze is niet dezelfde als de
+graaf van Warwick, die later in het stuk voorkomt; deze laatste was Richard Nevil,
+die eerst door zijn huwelijk met de erfdochter des graven van Warwick, Anna Beauchamp,
+zijn titel erlangde. Het is ondertusschen zeer de vraag, of Sh. hieraan gedacht heeft;
+misschien heeft hij beide personen voor één gehouden.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1.1">I. 1. 1.</a> <span class="ex">Behangt den hemel zwart.</span> De <i>hemel</i> was de kunstterm voor de zoldering boven het tooneel, die bij treurspelen met zwart
+bekleed was. Dat bij de algemeene beteekenis van het woord hemel ook deze beteekenis
+door Sh. bedoeld is, ligt voor de hand.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1.65">I. 1. 65.</a> <span class="ex">Rheims door ons ontruimd.</span> De Folio leest <i>Roan</i>, dat steeds bij Sh. éénlettergrepig is. Dat hier voor Roan <i>Rheimes</i> (tweelettergrepig) moet gelezen worden, is zoowel uit het voorgaande, als uit de
+maat duidelijk.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1.117">I. 1. 117.</a> <span class="ex">Geen pieken om te planten voor de schutters.</span> Op deze wijze werden de boogschutters toentertijd steeds beschermd tegen den aanval
+der vijandelijke ruiterij. Vandaar ook de uitdrukking <i lang="en">a pitched battle</i>.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1.131">I. 1. 131.</a> <span class="ex">Had Sir John Fastolf zich niet laf betoond.</span> Zoo luidt de naam in Holinshed’s kroniek; de Folio-uitgave maakt er hier verder Falstaff
+van, waarschijnlijk door een fout van den zetter, aan wien, evenals aan het publiek,
+de dikke ridder meer bekend zal geweest zijn dan de ridder Fastolf.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.1.153">I. 1. 153.</a> <span class="ex">Ik leg in Frankrijk vreugdevuren aan, Om ons Sint George’s feest met glans te vieren.</span> De in Frankrijk aangestoken dorpen en steden zullen als vreugdevuren dienen zooals
+in Engeland op den vooravond van Engelands beschermheilige werden aangestoken.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.1">I. 2. 1.</a> <span class="ex">Als aan den hemel, is Mars’ ware loop Zoo ook op aard tot nog toe onbekend.</span> Mars is hier zoowel de planeet als de krijgsgod. De sterrekundigen waren nog niet
+bij machte geweest, den schijnbaren loop der planeet Mars aan den hemel behoorlijk
+te verklaren. Maar juist omstreeks dezen tijd werd hij door de volharding van den
+grooten Kepler ontraadseld.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.29">I. 2. 29.</a> <span class="ex">Naar onze landgenoot Froissart beschrijft.</span> Sh. vond deze aanhaling van Froissart, den ouden Franschen geschiedschrijver (1337–1410),
+in Holinshed. De hier genoemde Olivier en Roeland zijn de bekende helden van Karel
+den Grooten.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.56">I. 2. 56.</a> <span class="ex">Veel meer dan Rome’s negental Sibyllen.</span> Negen Sibyllen waren er niet; de dichter denkt aan de negen Sibyllijnsche orakelboeken,
+die aan Tarquinius te koop werden aan geboden.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.110">I. 2. 110.</a> <span class="ex">Eed’le Pucelle.</span> Deze naam is eigenlijk aan den dauphijn nog niet genoemd.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.131">I. 2. 131.</a> <span class="ex">Sint-Maartenszomer, Halcyonendagen.</span> Halcyonendagen waren bij de ouden schoone, stormlooze dagen. Het schoone weder, op
+een storm volgend, wordt hier met een schoonen zomerschen dag in November, op Sint
+Maarten, vergeleken.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.138">I. 2. 138.</a> <span class="ex">Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens Te gader Caesar droeg en zijn geluk.</span> Het verhaal, dat Cæsar eens zijn bezorgden schipper toeriep: „Wees goedsmoeds, knaap,
+want gij hebt Cæsar en zijn geluk aan boord”, vond Shakespeare in de vertaling van
+Plutarchus door North, een werk, dat zeker vlijtig door hem beoefend werd en dat hem
+aanleiding gaf tot de meeste geleerde toespelingen, waaraan dit stuk rijk is.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.2.140">I. 2. 140.</a> <span class="ex">Werd eens Mohammed door <span class="pageNum" id="pb652">[<a href="#pb652">652</a>]</span>een duif bezield.</span> Dit werd door Sh. zeker ontleend aan Sir Walter Raleigh’s Wereldgeschiedenis. Daarin
+wordt verhaald, dat Mohammed een duif had gewend hem tarwekorrels uit het oor te pikken,
+zoodat deze, als zij hongerig was, hem op den schouder vloog en in zijn oor haar ontbijt
+kwam zoeken; waarna Mohammed den onnoozelen Arabieren had doen gelooven, dat die duif
+de Heilige Geest was, die hem raad gaf.—Helena, de moeder van keizer Constantijn,
+van wie in de volgende regels gesproken wordt, stond in de middeleeuwen als heilige
+vrouw en profetes in groot aanzien.—Dat de dochters van den heiligen Philippus maagden
+waren en profeteerden, staat in de Handelingen der Apostelen te lezen.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.3">I. 3.</a> <span class="ex">De hertog van Gloster met zijn Dienaars in blauwe kleedij.</span> De blauwe kleedij droegen zij als dienaars van de wereldlijke rechterlijke macht,
+terwijl die der geestelijke bruin gekleed waren, gelijk hier dan ook de Dienaars van
+den bisschop van Winchester optreden.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.3.35">I. 3. 35.</a> <span class="ex">Die deernen vrijheid geeft tot zondeplegen.</span> De bisschop van Winchester hief van de publieke huizen in de voorstad Southwark,
+die tot zijn gebied behoorden, een schatting. Trouwens, hij wist uit alles geld te
+slaan en was schatrijk.—Hierop doelt ook het woord <i>Winchestergans</i>, reg. 53.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.3.39">I. 3. 39.</a> <span class="ex">Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain.</span> Volgens de overlevering zou Kain zijn broeder omstreeks de plaats, waar Damascus
+ligt, verslagen hebben.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.3.46">I. 3. 46.</a> <span class="ex">Op de plaats geen acht geslagen.</span> In de city mocht geen wapen getrokken worden en wel het allerminst voor de poorten
+der koninklijke sterkte.—Bij verzet bediende de politie zich van knuppels of knotsen,
+zie reg. 84.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.4.1">I. 4. 1.</a> <span class="ex">Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt.</span> Het verhaal van dit schot door den zoon van den tuigmeester vond Sh. in Holinshed.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.4.95">I. 4. 95.</a> <span class="ex">Plantagenet.</span> Talbot noemt Salisbury met den familienaam van het koninklijk geslacht, omdat hij
+een afstammeling was van koning Edward&nbsp;III en de schoone gravin van Salisbury.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.5.6">I. 5. 6.</a> <span class="ex">Ik tap, zoo waar ge een heks zijt, bloed u af.</span> Als iemand aan een heks bloed aftapt, heeft zij geen macht over hem.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.5.21">I. 5. 21.</a> <span class="ex">Als Hannibal.</span> Toespeling op Hannibals krijgslist, die den Romeinen ontkwam, door ossen met brandende
+struiken aan de horens naar hen toe te drijven.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.i.6.21">I. 6. 21.</a> <span class="ex">Een trotscher pyramide</span> enz. In Plutarchus vindt men vermeld, dat Rhodope, een lichtzinnige vrouw, bij Memphis
+een pyramide stichtte, en ook, dat Alexander de Groote de gedichten van Homerus in
+een met juweelen bezet kistje bewaarde, dat hij op den koning van Perzië als oorlogsbuit
+veroverd had.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.1.1">II. 1. 1.</a> <span class="ex">Hier, mannen</span>, enz. Wat Sh. hier van Orleans vermeldt, wordt door Holinshed van de inneming der
+stad Mans verhaald.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.2.38">II. 2. 38.</a> <span class="ex">De deugdrijke gravinne van Auvergne</span> enz. Van dit voorval met de gravin van Auvergne wordt door de kronieken geen melding
+gemaakt.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.4.3">II. 4. 3.</a> <span class="ex">Te luide spraken we in de Tempelzaal.</span> De lords hadden in de Tempelzaal getwist over de aanspraken van de beide huizen,
+Lancaster en York, op den troon, en zetten hun strijd in den hof voort. Dat de kenteekenen
+der beide partijen, de roode en witte roos, op de wijze gekozen zouden zijn, die hier
+wordt aangegeven, vindt men nergens vermeld; misschien volgde Shakespeare een volksoverlevering;
+dit is te meer waarschijnlijk, omdat hij het onderwerp van den redetwist bekend onderstelt.—De
+tempel was, als oud eigendom der tempelridders, een geheiligde plaats, waar geen zwaard
+getrokken mocht worden; hierop doelt reg. 86, waar van de onschendbaarheid der plaats
+gesproken wordt.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.4.85">II. 4. 85.</a> <span class="ex">Wapenlooze boeren.</span> In ’t Engelsch: <i lang="en">crestless yeomen</i>, de vrijgeborenen (zooals bezitters van een landhoeve), die niet het recht hebben
+om een wapen, een familiewapen, te voeren; zij zijn dus beneden den rang van <i lang="en">gentleman</i>. Het woord <i>wapenloos</i> is dus in een bijzonderen zin gebruikt.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.5.5">II. 5. 5.</a> <span class="ex">Die grijze lokken</span> enz. Edmund Mortimer, graaf van March, was inderdaad slechts 33 jaar oud, toen hij
+stierf; hij was door Sh., op het voorbeeld van Holinshed, vereenzelvigd of verward
+met zijn oom, den ouderen Sir Edmund Mortimer, den schoonzoon van Owen Glendower en
+zwager van Hendrik Heetspoor. Men zie de geslachtslijst en de aanteekening op Koning
+Hendrik&nbsp;IV, in deel II.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.5.123">II. 5. 123.</a> <span class="ex">Door eerzucht van de laagste soort gedoofd.</span> Er staat eigenlijk: „door eerzucht van de mindere of lagere soort, het minder ras,
+gedoofd”; met het minder ras zijn de Lancasters bedoeld, die als van een jongeren
+zoon dan de Mortimers afstamden, minder edel te achten waren.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.ii.5.129">II. 5. 129.</a> <span class="ex">Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.</span> Als het parlement hem geen recht verschaft, zal hij uit het leed of onrecht, dat
+hij ondervindt, een gelegenheid trachten op te sporen, die hem geluk, d.i. de kroon,
+zal verschaffen.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.1.42">III. 1. 42.</a> <span class="ex">Gij bastaard van mijn grootvader.</span> Hendrik Beaufort, bisschop van Winchester, was de zoon van Jan van Gent en Catharina
+Swijnford.
+<span class="pageNum" id="pb653">[<a href="#pb653">653</a>]</span></p>
+<p><a href="#kh6i.iii.1.51">III. 1. 51.</a> <span class="ex">Ruim dan ’t land voor Rome.</span> In het oorspronkelijke met een woordspeling: „<i lang="en">Roam thither then</i>.”
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.1.71">III. 1. 71.</a> <span class="ex">Mijn teed’re jeugd bevroedt reeds.</span> Eigenlijk was Hendrik&nbsp;VI slechts vijf jaar oud, toen het parlement bijeenkwam om
+de twisten tusschen Gloster en Winchester te beslechten.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.1.138">III. 1. 138.</a> <span class="ex">Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap.</span> „Dit teeken” moet zijn, dat Gloster aan den bisschop de hand reikt.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.2.10">III. 2. 10.</a> <span class="ex">Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren.</span> In ’t Engelsch: <i lang="en">Our sacks shall be a mean to sack the city</i>.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.2.44">III. 2. 44.</a> <span class="ex">Het was vol dolik.</span> Dolik, het bedwelmend Raygras, <i lang="la">Lolium temulentum</i>, geldt als giftig; reeds de ouden meenden, dat de vruchten er van bedwelmen en met
+name het gezichtsvermogen verzwakken; in lateren tijd is dit ontkend, maar door verscheidene
+onderzoekers naar aanleiding hunner proeven bevestigd.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.2.94">III. 2. 94.</a> <span class="ex">De stoute Pendragoon.</span> De oud-Engelsche sage verhaalt dit zoowel van Pendragoon, den vader van koning Arthur,
+als van zijn broeder Aurelius.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.3.41">III. 3. 41.</a> <span class="ex">Dapper Bourgondië.</span> De maagd van Orleans heeft niet mondeling, maar door een brief den hertog van Bourgondië,
+schoon te vergeefs, tot afval van Engeland trachten te bewegen en daarbij dezelfde
+beweeggronden gebezigd, die Shakespeare haar hier in den mond legt. In Holinshed wordt
+dit echter niet vermeld; en hoe het aan Sh. bekend was, weten wij niet.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iii.4.39">III. 4. 39.</a> <span class="ex">Dat, wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is.</span> Deze bepaling gold voor de verblijfplaats des konings.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iv.1.19">IV. 1. 19.</a> <span class="ex">Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay.</span> Volgens Holinshed zou de hertog van Bedford aan Fastolf na genoemd gevecht zijn orde
+hebben afgenomen.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iv.1.153">IV. 1. 153.</a> <span class="ex">Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag</span>, enz. De koning wil zeggen: al draag ik de roode roos van Somerset, dan bewijst dit
+evenmin mijn partijdigheid voor Somerset, als de omstandigheid, dat ik een kroon draag
+evenals de Koning van Schotland, mijn partijdigheid voor dezen vijand van Engeland
+bewijst.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iv.6.54">IV. 6. 54.</a> <span class="ex">Zoo volg dan uw Cretenser vader nu.</span> Talbot vergelijkt zich met Dædalus, die, evenals hij, zijn zoon door een al te hoog
+vliegende onderneming in het verderf stortte.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.iv.7.61">IV. 7. 61.</a> <span class="ex">De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury.</span> De lijst der titels en waardigheden van Talbot stond op zijn voormalig eeregraf te
+Rouaan, maar was, zoo het schijnt, in Shakespeare’s tijd in geen gedrukt boek te vinden.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.1.28">V. 1. 28.</a> <span class="ex">Wat! is mylord van Winchester verhoogd<span class="corr" id="xd33e7308" title="Niet in bron">.</span> En met den kardinaalsrang nu bekleed?</span> De dichter heeft er niet opgelet, dat hij reeds in het eerste bedrijf (I. 3. 36)
+den prelaat, met een anachronismus, een kardinaalshoed heeft toegekend.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.3.5">V. 3. 5.</a> <span class="ex">Gij rappe helpers, trouwe knechten, waar Des Noordpools groote koning over heerscht.</span> De geesten woonden, volgens <i>Reginald Scot’s</i> <i lang="en">Discoverie of Witchcraft</i>,—een boek, dat Sh. kende—in vier rijken, in het noorden, oosten, zuiden en westen,
+onder vier koningen. De booze geesten wonen in het noorden, hun koning heet Zimimar;
+de geestenkoning van het oosten heet Amaimon, van het zuiden Gorson, van het westen
+Goap.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.3.48">V. 3. 48.</a> <span class="ex">Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers.</span> Suffolk kust zijn eigen vingers, als teeken van eerbiedige hulde.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.3.52">V. 3. 52.</a> <span class="ex">Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt.</span>—Deze door Delius voorgestelde interpunctie geeft een natuurlijke levendigheid aan
+het gesprek; Suffolk valt hier Margaretha in de rede. Volgens de interpunctie der
+folio-uitgave zegt Margaretha: „Ik ben de dochter van Napels’ koning, wie gij ook
+wezen moogt.”
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.5.83">V. 5. 83.</a> <span class="ex">Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moet.</span> In het Engelsch noemt Suffolk de herinnering aan zijn vrouw <i lang="en">a cooling card</i>; men kan hier denken aan de als geneesmiddel geschatte Gezegende distel, <i>Carduus</i> (of <i>Cnicus</i>) <i>benedictus</i>, die als afkoelend middel bij koortshitte werd aangewend, en schertsenderwijs ook
+wel eens in geschriften van dien tijd als remedie tegen al te vurige liefde wordt
+aangehaald.—Toen Suffolk later de koningin Margaretha van Anjou uit Frankrijk ging
+afhalen, werd hij door zijn vrouw vergezeld; deze was van hooge literarische afkomst,
+een kleindochter van Engelands grooten dichter Chaucer.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.3.116">V. 3. 116.</a> <span class="ex">Als Englands machtig koning vrijheid heeft.</span> Als hij vrij is in zijn keuze.
+</p>
+<p><a href="#kh6i.v.4.74">V. 4. 74.</a> <span class="ex">Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!</span> Macchiavelli (1469–1527) was den tijdgenooten van Shakespeare zeer bekend en hun
+een voorbeeld van een listig en gewetenloos staatsman. In Marlowe’s Jood van Malta
+spreekt hij den proloog en geeft hij een karakterschets van zichzelf.
+<span class="pageNum" id="pb654">[<a href="#pb654">654</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<div class="footnote-body">
+<div class="fndiv" id="xd33e6897">
+<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6897src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Inderdaad moet erkend worden, dat er nog groote onzekerheid bestaat omtrent de wijze,
+waarop de twee bovengenoemde stukken tot stand zijn gekomen, en omtrent de echtheid
+en onechtheid van verschillende gedeelten in de drie deelen van „Koning Hendrik&nbsp;VI”.
+Wie hierin verder wil doordringen, moge het werk „William Shakespeare” van Brandes
+(1896) pag. 29–37, de Henry-Irving-editie van Sh.’s werken, alsook de daar aangehaalde
+werken raadplegen en de stukken zelf vergelijken. Hij zal het een moeilijk werk vinden,
+tot een zekere uitkomst te geraken<span class="corr" id="xd33e6899" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd33e6897src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
+</div>
+<div class="fndiv" id="xd33e6946">
+<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6946src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">2</a></span> Schiller had tot zijn dienst het overzicht der processtukken, door <span class="sc">del’ Averdy</span> gegeven en vervat in het derde deel der <i lang="fr">Notices et extraits des manuscrits de la Bibliothèque du Roi. Paris 1790</i>. Dit werk bevindt zich o. a. in de Groothertog. bibliotheek te Weimar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd33e6946src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
+</div>
+<div class="fndiv" id="xd33e6955">
+<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e6955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">3</a></span> Men vindt de oudere bronnen opgenoemd in <span class="sc">Karel Hase</span>, <i lang="de">Neue Propheten</i>. Leipzig 1851 en <span class="pageNum" id="pb651n">[<a href="#pb651n">651</a>]</span>(2de druk) 1861; sedert is het aantal geschriften over Jeanne d’Arc nog aanmerkelijk
+vermeerderd, met name in Frankrijk door Wallon en O’Reilly, in Duitschland door G.
+Fr. Eysell.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd33e6955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii" class="div0 play">
+<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2>
+<h2 class="sub">TWEEDE DEEL.</h2>
+<ul class="castlist">
+<li class="casthead">
+<h4>PERSONEN:</h4>
+</li>
+<li class="castitem">Koning <span class="sc">Hendrik de Zesde.</span></li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Humfried</span>, Hertog van <span class="sc">Gloster</span>, zijn oom.</li>
+<li class="castitem">Kardinaal <span class="sc">Beaufort</span>, Bisschop van <span class="sc">Winchester</span>, oudoom des Konings.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Richard Plantagenet</span>, Hertog van <span class="sc">York</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Edward</span> en <span class="sc">Richard</span>, zijn zonen.</li>
+<li class="castitem">De Hertogen van <span class="sc">Somerset</span>, van <span class="sc">Suffolk</span>, van <span class="sc">Buckingham</span>, Lord <span class="sc">Clifford</span> en de jonge <span class="sc">Clifford</span>, zijn zoon, aanhangers des Konings.</li>
+<li class="castitem">De Graven van <span class="sc">Salisbury</span> en van <span class="sc">Warwick</span>, aanhangers van <span class="sc">York</span>.</li>
+<li class="castitem">Lord <span class="sc">Scales</span>, Commandant van den Tower.</li>
+<li class="castitem">Lord <span class="sc">Say</span>, Sir <span class="sc">Humfried Stafford</span> en zijn broeder <span class="sc">William</span>.</li>
+<li class="castitem">Sir <span class="sc">John Stanley</span>.—<span class="sc">Vaux.</span></li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Walter Whitmore</span>, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, Zeeroovers.</li>
+<li class="castitem">Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">John Hume</span> en <span class="sc">John Southwell</span>, Priesters.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Bolingbroke</span>, een Geestenbezweerder<span class="corr" id="xd33e7477" title="Bron: ,">.</span></li>
+<li class="castitem">Een <span class="sc">Geest</span>, door Bolingbroke bezworen.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Thomas Horner</span>, een Wapensmid, en <span class="sc">Peter</span>, zijn Knecht.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Emanuël</span>, de klerk van Chatham.</li>
+<li class="castitem">De <span class="sc">Schout</span> van Sint Albaan.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Simpcox</span>, een Bedrieger.</li>
+<li class="castitem">Twee <span class="sc">Moordenaars</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Jack Cade.</span></li>
+<li class="castitem"><span class="sc">George Bevis</span>, <span class="sc">John Holland</span>, <span class="sc">Dick</span> de Slager, <span class="sc">Smith</span> de Wever en <span class="sc">Michaël</span>, aanhangers van Cade.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Alexander Iden</span>, een Edelman uit Kent.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Margaretha</span>, Koning Hendriks Gemalin.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Eleonore</span>, Hertogin van Gloster.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Gretha Jordaan</span>, een Heks.</li>
+<li class="castitem">De Vrouw van Simpcox.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem">Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. Aldermannen. Een Sheriff
+en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.</li>
+</ul>
+<p class="first">Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland. </p>
+<div id="kh6ii.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6ii.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een staatsiezaal in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>de Hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Salisbury</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>; <i>van de andere: Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>binnengeleid door</i> <span class="sc">Suffolk</span>, <i>gevolgd door</i> <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Buckingham</span> <i>en Anderen.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Gelijk mij van uw hooge majesteit</p>
+<p class="line">De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,</p>
+<p class="line">Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid</p>
+<p class="line">Te huwen met prinsesse Margaretha,</p>
+<p class="line">Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn</p>
+<p class="line">Der koningen van Frankrijk en Sicilië,</p>
+<p class="line">Der hertogen van Orleans, Calabrië,</p>
+<p class="line">Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re</p>
+<p class="line">Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,</p>
+<p class="line">Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;</p>
+<p class="line">En leg nu onderdanig, op mijn knie,</p>
+<p class="line">Ten overstaan van England en zijn pairs,</p>
+<p class="line">Mijn recht op de eed’le koningin in handen</p>
+<p class="line">Van uw genade, die het wezen zijt</p>
+<p class="line">Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:</p>
+<p class="line">De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,</p>
+<p class="line">De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!</p>
+<p class="line">Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,</p>
+<p class="line">Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,<span class="pageNum" id="pb655">[<a href="#pb655">655</a>]</span></p>
+<p class="line">Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;</p>
+<p class="line">Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,</p>
+<p class="line">Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,</p>
+<p class="line">Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Genadig koning, mijn verheven gade!</p>
+<p class="line">Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,</p>
+<p class="line">Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,</p>
+<p class="line">In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,</p>
+<p class="line">Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,</p>
+<p class="line">Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten</p>
+<p class="line">Met minder schoone taal, zooals mìjn geest</p>
+<p class="line">Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,</p>
+<p class="line">Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos</p>
+<p class="line">Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;</p>
+<p class="line">Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—</p>
+<p class="line">Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>knielend</i>).</span> Lang leve Margaretha, Englands vreugd!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">U allen onzen dank!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Mylord protector, zoo het u behaagt,</p>
+<p class="line">Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,</p>
+<p class="line">Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!</p>
+<p class="line">Voor achttien maanden hebben aangegaan. <span class="lineNum">42</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van Frankrijk, Karel en William de la Pole,
+markgraaf van Suffolk, afgezant van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde
+Hendrik huwen zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van Napels,
+Sicilië en <span class="corr" id="xd33e7689" title="Bron: Jerusalem">Jeruzalem</span>, en haar tot koningin van Engeland zal kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten
+anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en
+overgegeven aan den koning haren vader,”—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij laat het papier vallen</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat is er, oom?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Wat is er, oom? </span>Vergeef mij, hooge vorst,</p>
+<p class="line">Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;</p>
+<p class="line">Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal</p>
+<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden
+en overgegeven aan den koning haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen
+kosten van den koning van Engeland en zonder eenigen <span class="corr" id="xd33e7716" title="Bron: bruidschat">bruidsschat</span> aan te brengen.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:</p>
+<p class="line">Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,</p>
+<p class="line">En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,</p>
+<p class="line">We ontheffen uw genade van ’t regentschap</p>
+<p class="line">Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden</p>
+<p class="line">Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,</p>
+<p class="line">York, Gloster, Buckingham en Somerset,</p>
+<p class="line">En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,</p>
+<p class="line">Wij danken u voor uwen heuschen groet</p>
+<p class="line">Bij de aankomst van mijn waarde koningin.</p>
+<p class="line">Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,</p>
+<p class="line">Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Koning</span>, <i>de</i> <span class="sc">Koningin</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,</p>
+<p class="line">Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—</p>
+<p class="line">Uw leed, het algemeene leed des lands!</p>
+<p class="line">Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,</p>
+<p class="line">Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;</p>
+<p class="line">Had hij zoo vaak het open veld ter woon</p>
+<p class="line">In winterkoude en dorre zomerhitte,</p>
+<p class="line">Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;</p>
+<p class="line">En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd</p>
+<p class="line">Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;</p>
+<p class="line">Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,</p>
+<p class="line">Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,</p>
+<p class="line">In Normandië en Frankrijk diepe wonden;</p>
+<p class="line">En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,</p>
+<p class="line">Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,</p>
+<p class="line">Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,</p>
+<p class="line">Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,</p>
+<p class="line">Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;</p>
+<p class="line">En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,</p>
+<p class="line">In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;</p>
+<p class="line">En moet die arbeid en die roem vergaan? <span class="lineNum">95</span></p>
+<p class="line">Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,</p>
+<p class="line">Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?</p>
+<p class="line">O, pairs van England, smaadvol is die zoen,</p>
+<p class="line">Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!</p>
+<p class="line">Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt</p>
+<p class="line">De letters weg van uwen lof, verminkt</p>
+<p class="line">Elk monument van Frankrijks onderwerping,</p>
+<p class="line">Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,</p>
+<p class="line">Die rede met zoo breede omslachtigheid?</p>
+<p class="line">Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,</p>
+<p class="line">Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—</p>
+<p class="line">Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—</p>
+<p class="line">De leenen Maine en Anjou weggeschonken</p>
+<p class="line">Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel</p>
+<p class="line">Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Nu, bij den dood van die voor allen stierf,</p>
+<p class="line">Die landen zijn de poort van Normandië.—</p>
+<p class="line">Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;<span class="pageNum" id="pb656">[<a href="#pb656">656</a>]</span></p>
+<p class="line">Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,</p>
+<p class="line">Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.</p>
+<p class="line">Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;</p>
+<p class="line">Met dezen mijnen arm nam ik die in;</p>
+<p class="line">En steden, die ik voor ons won met wonden,</p>
+<p class="line">Die geeft men nu terug met vredeswoorden?</p>
+<p class="line"><span lang="fr">Mort Dieu!</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p id="kh6ii.i.1.124" class="line">Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,</p>
+<p class="line">Die de eere van dit heldeneiland schendt!</p>
+<p class="line">Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,</p>
+<p class="line">Dan ik in dezen zoen getreden waar’!</p>
+<p class="line">Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten</p>
+<p class="line">Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;</p>
+<p class="line">En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,</p>
+<p class="line">En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p id="kh6ii.i.1.132" class="line">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk</p>
+<p class="line">Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen</p>
+<p class="line">Voor ’t halen en de kosten van den tocht!</p>
+<p class="line">Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,</p>
+<p class="line">Aleer—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.</p>
+<p class="line">Het was de wil van onzen heer en vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mylord van Winchester, ik ken u wel;</p>
+<p class="line">Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,</p>
+<p class="line">’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. <span class="lineNum">141</span></p>
+<p class="line">Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,</p>
+<p class="line">’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,</p>
+<p class="line">Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.</p>
+<p class="line">Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,</p>
+<p class="line">Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Daar gaat, van woede blakend, de protector.</p>
+<p class="line">’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,</p>
+<p class="line">Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,</p>
+<p class="line">En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.</p>
+<p class="line">Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte</p>
+<p class="line">Het naaste recht bezit op Englands kroon;</p>
+<p class="line">Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,</p>
+<p class="line">En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,</p>
+<p class="line">Voor Gloster bleef er reden om te morren.</p>
+<p class="line">Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal</p>
+<p class="line">Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!</p>
+<p class="line">Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,</p>
+<p class="line">En hem den goeden hertog Humfried noemt,</p>
+<p class="line">En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:</p>
+<p class="line">„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”</p>
+<p class="line">En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”</p>
+<p class="line">Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn</p>
+<p class="line">Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Waartoe behoeft de koning een protector,</p>
+<p class="line">Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—</p>
+<p class="line">Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,</p>
+<p class="line">En allen samen, met den hertog Suffolk;</p>
+<p class="line">Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Die wichtige onderneming duldt geen dralen;</p>
+<p class="line">Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Kardinaal af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons</p>
+<p class="line">De trots en hooge rang van Humfried kwets’,</p>
+<p class="line">Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.</p>
+<p class="line">Zijn overmoed is minder nog te dragen,</p>
+<p class="line">Dan die van al de prinsen van het rijk;</p>
+<p class="line">Als Gloster valt, zal hij protector worden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,</p>
+<p class="line">Trots hertog Humfried en den kardinaal.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.</p>
+<p class="line">Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,</p>
+<p class="line">Betaamt het òns voor Englands heil te waken.</p>
+<p class="line">Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders</p>
+<p class="line">Dan als een waardig edelman gedroeg. <span class="lineNum">184</span></p>
+<p class="line">Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,</p>
+<p class="line">Meer op soldatenwijs dan als een priester,</p>
+<p class="line">Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,</p>
+<p class="line">Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,</p>
+<p class="line">Een heerscher over land en volk onwaardig.—</p>
+<p class="line">Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,</p>
+<p class="line">Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,</p>
+<p class="line">Verwierf u groote gunst bij al het volk,</p>
+<p class="line">’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,</p>
+<p id="kh6ii.i.1.194" class="line">En uwe daden, broeder York, in Ierland,</p>
+<p class="line">Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,</p>
+<p class="line">Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,</p>
+<p class="line">Toen gij regent voor onzen koning waart,</p>
+<p class="line">Verwierven u des volks ontzag en liefde.—</p>
+<p class="line">Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,</p>
+<p class="line">En breid’len en verstikken wij den trots</p>
+<p class="line">Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,</p>
+<p class="line">Die Somerset en Buckingham bezielt;</p>
+<p class="line">En laat ons Gloster steunen in zijn doen,</p>
+<p class="line">Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk</p>
+<p class="line">Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York</p>
+<p id="kh6ii.i.1.207" class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Warwick</span>).</span> Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t mijne!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Het mijne? Maine, vader, is verloren;</p>
+<p class="line">Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat</p>
+<p class="line">Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde!<span class="pageNum" id="pb657">[<a href="#pb657">657</a>]</span></p>
+<p class="line">Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,</p>
+<p class="line">Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;</p>
+<p class="line">Parijs ging over; Normandiës behoud</p>
+<p class="line">Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.</p>
+<p class="line">Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs</p>
+<p class="line">Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne</p>
+<p class="line">Twee hertogdommen voor een hertogskind.</p>
+<p class="line">Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?</p>
+<p class="line">Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.</p>
+<p class="line">Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,</p>
+<p class="line">Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,</p>
+<p class="line">Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;</p>
+<p class="line">Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren</p>
+<p class="line">Er luid om weent, en bang de handen wringt,</p>
+<p class="line">’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,</p>
+<p class="line">Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,</p>
+<p class="line">Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;</p>
+<p class="line">Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,</p>
+<p class="line">Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,</p>
+<p class="line">Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,</p>
+<p id="kh6ii.i.1.234" class="line">Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout</p>
+<p class="line">Voor ’t harte van den prins van Calydon.</p>
+<p class="line">Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! <span class="lineNum">236</span></p>
+<p class="line">Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,</p>
+<p class="line">Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.</p>
+<p class="line">Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;</p>
+<p id="kh6ii.i.1.240" class="line">Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,</p>
+<p class="line">En geef den trotschen Humfried goede woorden,</p>
+<p class="line">En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;</p>
+<p class="line">Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.</p>
+<p class="line">Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,</p>
+<p class="line">Of in de kindervuist den scepter klemmen,</p>
+<p class="line">Of met den diadeem zijn hoofd versieren,</p>
+<p class="line">Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.</p>
+<p class="line">Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;</p>
+<p class="line">Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,</p>
+<p class="line">En sla des staats geheimen immer gâ,</p>
+<p class="line">Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend</p>
+<p class="line">Met Englands duurgekochte koningin,</p>
+<p class="line">En Humfried met de pairs in strijd geraken;</p>
+<p class="line">Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,</p>
+<p class="line">Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,</p>
+<p class="line">En laat York’s wapen stralen op mijn standaard</p>
+<p class="line">Ter worstling met het huis van Lancaster;</p>
+<p class="line">En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,</p>
+<p class="line">Die England van zijn luister heeft beroofd!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in het huis van den hertog van</i> <span class="sc">Gloster</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span> <i>en de Hertogin komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren</p>
+<p class="line">Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?</p>
+<p class="line">Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,</p>
+<p class="line">Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?</p>
+<p class="line">Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond</p>
+<p class="line">En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?</p>
+<p class="line">Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,</p>
+<p class="line">Omzet met alle heerlijkheid der wereld?</p>
+<p class="line">Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,</p>
+<p class="line">Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.</p>
+<p class="line">Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—</p>
+<p class="line">Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;</p>
+<p class="line">En hebben wij te zaam hem opgeraapt,</p>
+<p class="line">Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,</p>
+<p class="line">En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,</p>
+<p class="line">Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,</p>
+<p class="line">Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!</p>
+<p class="line">Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,</p>
+<p class="line">Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,</p>
+<p class="line">Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—</p>
+<p class="line">Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het</p>
+<p class="line">Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor <span class="lineNum">25</span></p>
+<p class="line">Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,</p>
+<p class="line">Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;</p>
+<p class="line">En op de stukken werden toen de hoofden</p>
+<p class="line">Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,</p>
+<p class="line">En William de la Pole, nu hertog Suffolk,</p>
+<p class="line">Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wel, dit is anders niets dan een bewijs,</p>
+<p class="line">Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,</p>
+<p class="line">Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.</p>
+<p class="line">Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;</p>
+<p class="line">’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—</p>
+<p class="line">En in den trotschen zetel, die ter kroning</p>
+<p class="line">Van koningen en koninginnen dient;</p>
+<p class="line">En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,</p>
+<p class="line">En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;</p>
+<p id="kh6ii.i.2.42" class="line">Hoovaardig wezen! booze Eleonora!</p>
+<p class="line">Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,</p>
+<p class="line">En des protectors welbeminde gade?</p>
+<p class="line">Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,</p>
+<p class="line">Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?</p>
+<p class="line">En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,</p>
+<p class="line">Om uwen man, uzelf ook, van den top</p>
+<p class="line">Der eer te stooten aan den voet der schande?</p>
+<p class="line">Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,</p>
+<p class="line">En dat, omdat zij u haar droom vertelt?</p>
+<p class="line">’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,</p>
+<p class="line">En zal gekijf vermijden.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb658">[<a href="#pb658">658</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,</p>
+<p class="line">Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,</p>
+<p class="line">Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en de</i> <span class="sc">Bode</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;</p>
+<p class="line">Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.</p>
+<p class="line">Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,</p>
+<p class="line">Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,</p>
+<p class="line">En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;</p>
+<p class="line">En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol</p>
+<p class="line">Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—</p>
+<p id="kh6ii.i.2.68" class="line">Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;</p>
+<p class="line">Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">John Hume</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p class="line">Behoede Jezus uwe majesteit!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p class="line">Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen</p>
+<p class="line">Voorzeker uw genade in macht en eer. <span class="lineNum">73</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken</p>
+<p class="line">Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,</p>
+<p class="line">En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?</p>
+<p class="line">Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p class="line">Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid</p>
+<p class="line">Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,</p>
+<p class="line">Die op de vragen, die uw hoogheid hem</p>
+<p class="line">Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.</p>
+<p class="line">Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,</p>
+<p class="line">Zij alles naar behooren uitgevoerd.</p>
+<p class="line">Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed</p>
+<p class="line">Met uwe helpers in dit groote werk.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p class="line">Te goed doen met het goud der hertogin?</p>
+<p class="line">Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?</p>
+<p class="line">Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.… mum!</p>
+<p class="line">De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.</p>
+<p class="line">Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,</p>
+<p class="line">Dat ik de heks nog heden bij haar breng;</p>
+<p class="line">Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.</p>
+<p class="line">Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—</p>
+<p class="line">Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,</p>
+<p class="line">En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;</p>
+<p class="line">Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,</p>
+<p class="line">Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,</p>
+<p class="line">Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,</p>
+<p class="line">En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.</p>
+<p class="line">Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;</p>
+<p class="line">Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.</p>
+<p class="line">Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,</p>
+<p class="line">Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.</p>
+<p class="line">Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind</p>
+<p class="line">Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,</p>
+<p class="line">En hare schuld doet hertog Humfried vallen.</p>
+<p class="line">Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Hume</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Peter</span> <i>komt op en Anderen, met smeekgeschriften</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p>
+<p>Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt hier zoo dadelijk langs; en dan
+bieden wij hem onze smeekschriften <span id="kh6ii.i.3.4">allen gezamenlijk</span> aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p>
+<p>Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; de Heere Jezus zegene hem!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p>
+<p>Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. Ik wil de eerste zijn, ja!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p>
+<p>Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en niet de lord protector.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p>Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p>
+<p>Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u <span id="kh6ii.i.3.15">voor den lord protector</span>.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p>Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften aan zijn lordschap gericht? Laat ze
+mij zien.—Waarover loopt het uwe? <span class="lineNum">17</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Smeekeling.</p>
+<p>Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John Goodman, den lord kardinaal zijn
+dienaar, omdat hij mij mijn huis en landerijen en vrouw en alles onthoudt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p>Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? <span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span>—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor zich afpalen van de gemeenteweiden
+van Melford.”—Wat moet dat, gij schurk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Smeekeling.</p>
+<p>Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor onze geheele buurtschap.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter</p>
+<p><span class="stage">(<i>zijn smeekschrift overreikend</i>).</span> <span id="kh6ii.i.3.29">Tegen mijn meester, Thomas Horner</span>, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van de kroon is.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb659">[<a href="#pb659">659</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p>Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de wettige erfgenaam der kroon was?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester zeide, dat hij het was;
+en dat de koning een onrechtmatig bezitter was<span class="corr" id="xd33e8370" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p>Is daar iemand?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Dienaar komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="first">Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om zijn meester.—Wij
+willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van den koning.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Dienaar met</i> <span class="sc">Peter</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat u betreft, gij, die protectie wacht</p>
+<p class="line">Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift</p>
+<p class="line">Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij verscheurt de smeekschriften.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De Smeekelingen.</p>
+<p class="line">Komt, laat ons heengaan!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Smeekelingen af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,</p>
+<p class="line">Is dit de wijs van doen aan Englands hof?</p>
+<p class="line">Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,</p>
+<p class="line">Is dit de macht van Albions beheerschers?</p>
+<p class="line">Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,</p>
+<p class="line">Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?</p>
+<p class="line">Moet ik in rang en titel koningin,</p>
+<p class="line">Maar onderdane van een hertog zijn? <span class="lineNum">52</span></p>
+<p class="line">Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours</p>
+<p class="line">Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,</p>
+<p class="line">En onzer Fransche vrouwen harten staalt,</p>
+<p class="line">Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,</p>
+<p class="line">In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,</p>
+<p class="line">Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt</p>
+<p class="line">Ave Maria’s met zijn rozenkrans,</p>
+<p class="line">Apostels en profeten zijn zijn ridders,</p>
+<p class="line">En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,</p>
+<p class="line">Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden</p>
+<p class="line">De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.</p>
+<p class="line">Ik wenschte, dat de raad van kardinalen</p>
+<p class="line">Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,</p>
+<p class="line">Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;</p>
+<p class="line">Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,</p>
+<p class="line">Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook</p>
+<p class="line">In England u geheel tevredenstellen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Behalve Gloster is hier nog die priester,</p>
+<p class="line">Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,</p>
+<p class="line">En Buckingham, en de altijd wreev’le York;</p>
+<p class="line">En wie de minste van die allen is,</p>
+<p class="line">Vermag in England meer dan zelfs de koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">En wie van dezen nog het meest vermag,</p>
+<p class="line">Vermag in England minder dan de Nevils;</p>
+<p class="line">Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,</p>
+<p class="line">Als des protectors vrouw, die trotsche prij;</p>
+<p class="line">Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,</p>
+<p class="line">Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.</p>
+<p class="line">Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;</p>
+<p class="line">Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf</p>
+<p class="line">En op onze armoe schimpt zij in haar hart.</p>
+<p class="line">Zou ik het niet beleven mij te wreken?</p>
+<p class="line">Die trotsche, laaggeboren helleveeg!</p>
+<p class="line">Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?</p>
+<p class="line">De sleep der minste van haar rokken was</p>
+<p class="line">Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk</p>
+<p class="line">Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,</p>
+<p class="line">En daar een koor lokvogels bij geplaatst,</p>
+<p class="line">Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten</p>
+<p class="line">En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:</p>
+<p class="line">Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;</p>
+<p class="line">Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. <span class="lineNum">96</span></p>
+<p class="line">Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten</p>
+<p class="line">Bij hem ons scharen en bij de andere lords,</p>
+<p class="line">Totdat wij hertog Humfried vallen deden.</p>
+<p class="line">Wat hertog York betreft, die laatste klacht</p>
+<p class="line">Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.</p>
+<p class="line">Zoo wieden wij hen allen, een voor een,</p>
+<p class="line">En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>in gesprek; verder de Hertog en de Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Buckingham</span>, <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;</p>
+<p class="line">’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,</p>
+<p class="line">Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,</p>
+<p class="line">Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Of uw genade ’t waardig is of niet,</p>
+<p class="line">Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb660">[<a href="#pb660">660</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,</p>
+<p class="line">Waarom in deze Somerset zou voorgaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,</p>
+<p class="line">Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft</p>
+<p class="line">Gij dan protector van zijn majesteit?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Vorstin, ik ben protector van het rijk,</p>
+<p class="line">En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.</p>
+<p class="line">Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—</p>
+<p class="line">Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;</p>
+<p class="line">Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;</p>
+<p class="line">En alle pairs en eed’len van het rijk</p>
+<p class="line">Zijn slaven onder uw bewind geweest.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid</p>
+<p class="line">Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. <span class="lineNum">132</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Op schatten komen uwe prachtgebouwen</p>
+<p class="line">En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">De wet werd overtreden door de wreedheid,</p>
+<p class="line">Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;</p>
+<p class="line">Dit levert wis u aan haar strengheid over.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ware uw verkoop van ambten en van steden</p>
+<p class="line">In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,</p>
+<p class="line">Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>gaat plotseling heen.—De</i> <span class="sc">Koningin</span> <i>laat haar waaier vallen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p id="kh6ii.i.3.141" class="line">Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij geeft aan de</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>een oorveeg</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;</p>
+<p class="line">Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,</p>
+<p class="line">Ik grifte er u mijn tien geboden in.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,</p>
+<p class="line">Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;</p>
+<p class="line">Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,</p>
+<p class="line">Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,</p>
+<p class="line">En sla ook Humfried gade, wat hij doet;</p>
+<p class="line">Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor</p>
+<p class="line">Om dol van woede in haar verderf te rennen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>komt weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,</p>
+<p class="line">Door hier het binnenhof eens rond te gaan,</p>
+<p class="line">Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.</p>
+<p class="line">Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,</p>
+<p class="line">Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;</p>
+<p class="line">Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,</p>
+<p class="line">Als ik getrouw mijn land en koning min.</p>
+<p class="line">Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—</p>
+<p class="line">Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt</p>
+<p class="line">Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,</p>
+<p class="line">Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,</p>
+<p class="line">Hoe York het minst van allen er voor deugt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;</p>
+<p class="line">Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;</p>
+<p class="line">En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,</p>
+<p id="kh6ii.i.3.171" class="line">Mylord van Somerset mij hier zou houden,</p>
+<p class="line">Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,</p>
+<p class="line">Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;</p>
+<p class="line">Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs</p>
+<p class="line">Berend werd, uitgehongerd en verloren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad</p>
+<p class="line">Heeft geen verrader ooit alhier begaan. <span class="lineNum">177</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Zwijg, driftkop Warwick!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk’s</span> <i>dienaars komen met</i> <span class="sc">Horner</span> <i>en</i> <span class="sc">Peter</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;</p>
+<p class="line">God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Beschuldigt iemand York hier van verraad?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Met uwer majesteits verlof, die man</p>
+<p class="line">Legt aan zijn meester hoogverraad te last.</p>
+<p class="line">Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,</p>
+<p class="line">Naar recht de kroon van England dragen moest,</p>
+<p class="line">En dat uw heerschappij onwettig is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Spreek, hebt gij dit gezegd, man?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p>Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of zelfs gedacht. God is
+mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van dien schurk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter</p>
+<p><span class="stage">(<i>de vingers omhoogstekend</i>).</span> Bij deze tien knoken, edele heeren, hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij
+op zijn vliering waren, onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd</p>
+<p class="line">Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—<span class="pageNum" id="pb661">[<a href="#pb661">661</a>]</span></p>
+<p class="line">Ik smeek uw koninklijke majesteit,</p>
+<p class="line">Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p>Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit gesproken heb. Mijn
+beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een paar dagen tuchtigde voor zijn
+vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede
+getuigen hiervoor bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man
+niet in het verderf op de aanklacht van een booswicht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:</p>
+<p class="line">Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,</p>
+<p class="line">Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;</p>
+<p class="line">En dezen zij een dag en plaats bepaald,</p>
+<p class="line">Dat zij zich meten in een tweegevecht,</p>
+<p class="line">Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.</p>
+<p class="line">Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Recht need’rig dank ik uwe majesteit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p class="line">En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. <span class="lineNum">216</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb medelijden met mij! de boosaardigheid
+van de menschen is mij te sterk! O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om
+een enkelen slag te vechten. O, lieve God, mijn hart!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Voert hen gevangen weg; de laatste dag</p>
+<p class="line">Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—</p>
+<p class="line">Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.i.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De tuin van den Hertog van Gloster.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Margriet Jordaan</span>, <span class="sc">Hume</span>, <span class="sc">Southwell</span> <i>en</i> <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p>Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van uw beloften.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p>Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade onze bezweringen zien en hooren?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hume.</p>
+<p>Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p>Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van een onwrikbaren geest. Maar
+het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier
+beneden werkzaam zijn. Ga gij daarom in Gods naam en laat ons alleen. <span class="stage">(<span class="sc">Hume</span> <i>af</i>.)</span>—Moeder Jordaan, leg gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet
+lezen.—En nu, aan den gang.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De</i> <span class="sc">Hertogin</span> <i>verschijnt op het balkon</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Goed, mannen! weest allen welkom!</p>
+<p class="line">Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p class="line">Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.</p>
+<p class="line">De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,</p>
+<p class="line">De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,</p>
+<p class="line">Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,</p>
+<p class="line">En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,</p>
+<p class="line">Die tijd past voor ons voorgenomen werk.</p>
+<p class="line">Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,</p>
+<p class="line">Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den tooverkring</i>; <span class="sc">Bolingbroke</span>, <i>of</i> <span class="sc">Southwell</span>, <i>leest</i>: Conjuro te, <i>enz. Het dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Geest.</p>
+<p class="line"><span class="ex">Adsum.</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Margriet Jordaan.</p>
+<p class="line">Asmath!</p>
+<p class="line">Bij de’ <span class="corr" id="xd33e8911" title="Bron: eeuwgen">eeuw’gen</span> God, wiens groote naam en macht</p>
+<p class="line">U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;</p>
+<p class="line">Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Geest.</p>
+<p class="line">Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! <span class="lineNum">31</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>de vragen oplezend</i>).</span> „Eerst van den koning. Welk een lot wacht hem?”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Geest.</p>
+<p id="kh6ii.i.4.33" class="line">Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;</p>
+<p class="line">Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Terwijl de Geest spreekt, schrijft</i> <span class="sc">Southwell</span> <i>het antwoord op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p class="line">„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Geest.</p>
+<p class="line">Door water komt hij om en vindt zijn einde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p class="line">„Wat zal den hertog Somerset weervaren?”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Geest.</p>
+<p class="line">Kasteelen moog’ hij mijden;</p>
+<p class="line">Veel veil’ger is hij op een zandig strand,</p>
+<p class="line">Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.</p>
+<p class="line">Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bolingbroke.</p>
+<p class="line">Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.</p>
+<p class="line">Weg, booze geest!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.</i>)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Buckingham</span>, <span class="sc">William Stafford</span> <i>en Anderen komen haastig op, met Wachten</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—</p>
+<p class="line">Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—</p>
+<p class="line">Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze</p>
+<p class="line">Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;</p>
+<p class="line">De lord protector brengt u zonder twijfel</p>
+<p class="line">Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.</p>
+<p class="line">Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb662">[<a href="#pb662">662</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ziet de papieren in</i>).</span> Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij dit?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij houdt haar een papier voor.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p id="kh6ii.i.4.53" class="line">Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden</p>
+<p class="line">Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;</p>
+<p class="line">Stafford, voer gij haar met u.—</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin boven af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;</p>
+<p class="line">Weg met hen allen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Wacht met</i> <span class="sc">Southwell</span>, <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>enz. af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;</p>
+<p class="line">Een prachtig plan om verder op te bouwen!</p>
+<p class="line">Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.</p>
+<p class="line">Wat staat hier?</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Hij leest.</i>)</span> „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;</p>
+<p class="line">Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”</p>
+<p class="line">Nu, ’t is volkomen:</p>
+<p class="line"><i lang="la">Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.</i></p>
+<p class="line">Goed; verder;</p>
+<p class="line">„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—</p>
+<p class="line">Door water komt hij om en vindt zijn einde.—</p>
+<p class="line">Wat zal den hertog Somerset weervaren?</p>
+<p class="line">Kasteelen moog hij mijden;</p>
+<p class="line">Veel veil’ger is hij op een zandig strand,</p>
+<p class="line">Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”</p>
+<p class="line">Wat zegt gij, lords?</p>
+<p class="line">Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,</p>
+<p class="line">En zwaar ook te verstaan.</p>
+<p class="line">De koning is op weg naar Sint-Albaans,</p>
+<p class="line">De man van deze teed’re vrouw is bij hem;</p>
+<p class="line">Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,</p>
+<p class="line">Den lord protector wel een boos ontbijt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Dat ik de bode zij, mylord van York;</p>
+<p class="line">Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Dienaar komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond</p>
+<p class="line">De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6ii.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Sint-Albaans.</span></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <i>de</i> <span class="sc">Kardinaal</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Maria.</p>
+<p class="line">Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,</p>
+<p class="line">Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;</p>
+<p class="line">En toch, de wind was sterk; tien tegen een,</p>
+<p id="kh6ii.ii.1.4" class="line">Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar boven,</p>
+<p class="line">En steeg ver boven al die andren op!</p>
+<p class="line">Hoe toont zich God in al zijn creaturen!</p>
+<p class="line">Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,</p>
+<p class="line">Dat des protectors valken zoo goed stijgen;</p>
+<p class="line">Zij weten, dat hun heer liefst boven is,</p>
+<p class="line">En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mylord, het is een lage, logge geest,</p>
+<p class="line">Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,</p>
+<p class="line">Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Uw hemel is op aard; uw oog en zin <span class="lineNum">19</span></p>
+<p class="line">Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;</p>
+<p class="line">Gevaarlijke protector, booze pair,</p>
+<p class="line">Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?</p>
+<p id="kh6ii.ii.1.24" class="line"><i lang="la">Tantæne animis <span class="corr" id="xd33e9176" title="Bron: coelestibus">cælestibus</span> iræ?</i></p>
+<p class="line">Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:</p>
+<p class="line">Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is</p>
+<p class="line">Bij zulk een goede zaak en slechten pair.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Als wie, mylord?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Als wie, mylord? </span>Voorwaar als gij, mylord,</p>
+<p class="line">Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Veel meer uw eerzucht, Gloster.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Lieve vrouw,</p>
+<p class="line">Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;</p>
+<p class="line">Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Gezegend zij dan ik, die met het zwaard</p>
+<p class="line">Den vrede aan den protector brengen wil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot den Kardinaal</i>).</span> Nu, heilige oom, mocht het eens daartoe komen!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb663">[<a href="#pb663">663</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Goed, als gij durft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;</p>
+<p class="line">Houd met uw eigen lijf den laster vol!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,</p>
+<p class="line">Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat is er, lords?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Neef Gloster, neen, uw dienaar</p>
+<p class="line">Riep al te vroeg den valk terug; de jacht</p>
+<p class="line">Was lang niet uit.—<span class="stage">(<i>Ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</span> Kom met uw tweehands-zwaard.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij hebt gelijk, oom.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch<span class="corr" id="xd33e9275" title="Bron: ,">.</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> ’k Ontmoet u, kardinaal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat hebt ge, oom Gloster?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;</p>
+<p class="line">Of anders is mijn vechtkunst niets. <span class="lineNum">52</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> <i lang="la">Medice te ipsum</i>—</p>
+<p class="line">Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.</p>
+<p class="line">Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!</p>
+<p class="line">Als zulke snaren valsche tonen geven,</p>
+<p class="line">Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?</p>
+<p class="line">Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat voor geschreeuw is dit?</p>
+<p class="line">Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De Man.</p>
+<p class="line">Mirakel! Mirakel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Kom hier, vertel den koning uw mirakel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De Man.</p>
+<p class="line">Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even</p>
+<p class="line">In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,</p>
+<p class="line">Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen</p>
+<p class="line">In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op</i>; <span class="sc">Simpcox</span> <i>wordt op een stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop
+volks</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,</p>
+<p class="line">En stelt den man aan uwe hoogheid voor.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde</p>
+<p class="line">Door ’t zien de lokking van de zonde meer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;</p>
+<p class="line">’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,</p>
+<p class="line">Opdat wij God om u verheerlijken.</p>
+<p class="line">Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Wie is die vrouw?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En waar zijt gij van daan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;</p>
+<p class="line">Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;</p>
+<p class="line">Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,</p>
+<p class="line">Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? <span class="lineNum">88</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">God weet het, louter vroomheid; honderdmaal</p>
+<p class="line">En meer nog riep de goede Sint Albaan</p>
+<p class="line">Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,</p>
+<p class="line">En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,</p>
+<p class="line">Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">En zijt ge ook lam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">En zijt ge ook lam? </span>Ja, God almachtig help’ mij!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Hoe werdt gij dat?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Hoe werdt gij dat? </span>’k Ben uit een boom gevallen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Een pruimeboom.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Een pruimeboom. </span>En hoe lang zijt gij blind?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">O, blindgeboren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">O, blindgeboren. </span>Zoo, en klomt ge op boomen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,</p>
+<p class="line">En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—</p>
+<p class="line">Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—</p>
+<p class="line">Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb664">[<a href="#pb664">664</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Rood, heer, zoo rood als bloed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p664width"><img src="images/p664.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel." width="720" height="489"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En kerel, zeg, hoe is mijn naam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Ach, heer, ik weet het niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En zijn naam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">’k Weet niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En ook de zijne niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Neen, waarlijk niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Hoe is uw eigen naam? <span class="lineNum">124</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Sander Simpcox, als het u belieft, heer.</p>
+</div>
+<div id="kh6ii.ii.1.126" class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar</p>
+<p class="line">In christenlanden. Werdt gij blind geboren,</p>
+<p class="line">Dan kunt gij best al onze namen weten,</p>
+<p class="line">Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt.</p>
+<p class="line">Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden,</p>
+<p class="line">Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.—</p>
+<p class="line">Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder;</p>
+<p class="line">Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot,</p>
+<p class="line">Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">O, als de heer dit kon!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p>Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in uwe stad, en dingen, die
+men zweepen noemt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">O ja, mylord, om uwe genade te dienen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zend er dan dadelijk om een.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p>Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Een Dienaar gaat heen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p>Breng mij terstond een zitbank. <span class="stage">(<i>Er wordt een zitbank gebracht.</i>)</span> Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over deze zitbank en loop weg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p class="line">Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan;</p>
+<p class="line">Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich heeft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p>Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij
+over die zitbank springt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stokkeknecht.</p>
+<p>Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Simpcox.</p>
+<p>Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt</i> <span class="sc">Simpcox</span> <i>over de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: „Mirakel!”</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag loopen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vrouw Simpcox.</p>
+<p class="line">Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek;</p>
+<p class="line">En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Mayor, de Stokkeknecht</i>, <span class="sc">Simpcox’</span> <i>Vrouw en de Anderen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. <span class="lineNum">162</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,</p>
+<p class="line">Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.</p>
+<p class="line">Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,</p>
+<p class="line">Heeft, met de hulp en medeplichtigheid</p>
+<p class="line">Van des protectors gade Eleonore,</p>
+<p class="line">De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,</p>
+<p class="line">Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,</p>
+<p class="line">Met heksen en bezweerders in verbond;</p>
+<p class="line">Wij hebben hen op heeter daad betrapt,</p>
+<p class="line">Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,</p>
+<p class="line">Hun vroegen naar het leven en den dood</p>
+<p class="line">Des konings en der leden van zijn raad,</p>
+<p class="line">Zooals uw hoogheid nader hooren zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">En dus, mylord protector, moet uw gade</p>
+<p class="line">Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</span> Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,</p>
+<p class="line">En aan uw uur zult gij u wel niet houden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.</p>
+<p class="line">Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,</p>
+<p class="line">En overweldigd wijk ik thans voor u,</p>
+<p class="line">Ja, voor den laagsten knecht.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb665">[<a href="#pb665">665</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O God, wat onheil stichten toch de boozen;</p>
+<p class="line">Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;</p>
+<p class="line">Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd</p>
+<p class="line">Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;</p>
+<p class="line">Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,</p>
+<p class="line">En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.</p>
+<p class="line">O, edel is zij, maar indien zij deugd</p>
+<p class="line">En eer vergat, en omging met gespuis,</p>
+<p class="line">Dat, zooals pik, een edel huis besmet,</p>
+<p class="line">Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;</p>
+<p class="line">Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,</p>
+<p class="line">Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,</p>
+<p class="line">En morgen keeren wij naar Londen weer,</p>
+<p class="line">Doorgronden daar de zaak met alle zorg,</p>
+<p class="line">En dagen de euveldaders ten verhoor,</p>
+<p class="line">En wegen alles in de juiste schalen</p>
+<p class="line">Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De tuin van den Hertog van</i> <span class="sc">York</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">York</span>, <span class="sc">Salisbury</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,</p>
+<p class="line">Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,</p>
+<p class="line">Op deze stille wand’ling mij geruststel,</p>
+<p class="line">En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel</p>
+<p class="line">Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,</p>
+<p class="line">Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo hoort:—</p>
+<p class="line">Edward de derde, lords, had zeven zoons:</p>
+<p class="line">Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;</p>
+<p class="line">Ten tweede William Hatfield; Lionel,</p>
+<p class="line">Hertog van Clarence, was de derde; dan</p>
+<p class="line">Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;</p>
+<p class="line">Dan verder Edmond Langley, hertog York;</p>
+<p class="line">Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;</p>
+<p class="line">William van Windsor was de laatste en zevende.</p>
+<p class="line">Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,</p>
+<p class="line">En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven</p>
+<p class="line">Des derden Edwards zat op Englands troon,</p>
+<p class="line">Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,</p>
+<p class="line">De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,</p>
+<p class="line">Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,</p>
+<p class="line">Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,</p>
+<p class="line">Zich meester maakte, de arme koningin</p>
+<p class="line">Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,</p>
+<p class="line">Alwaar, zooals u beiden is bekend.</p>
+<p class="line">De goede Richard schandlijk werd vermoord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;</p>
+<p class="line">Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;</p>
+<p class="line">Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,</p>
+<p class="line">Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn</p>
+<p class="line">Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,</p>
+<p class="line">Philippa, die met Edmond Mortimer,</p>
+<p class="line">Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu</p>
+<p class="line">Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,</p>
+<p class="line">Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke <span class="lineNum">39</span></p>
+<p class="line">De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—</p>
+<p class="line">En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower</p>
+<p class="line">Hem levenslang in hechtnis had gehouden;</p>
+<p class="line">Doch ga nu voort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Doch ga nu voort. </span>Zijn oudste zuster, Anna,</p>
+<p class="line">Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde</p>
+<p class="line">Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was</p>
+<p class="line">Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.</p>
+<p class="line">Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde</p>
+<p class="line">Roger, den graaf van March, en die was zoon</p>
+<p class="line">Van Edmond Mortimer en van Philippa,</p>
+<p class="line">Die de een’ge dochter was van Lionel,</p>
+<p class="line">Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn</p>
+<p class="line">Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?</p>
+<p class="line">Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,</p>
+<p class="line">Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.</p>
+<p class="line">Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;</p>
+<p class="line">Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,</p>
+<p class="line">De schoone spruiten van den eed’len boom.</p>
+<p class="line">Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!</p>
+<p class="line">Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,</p>
+<p class="line">Die onzen echten souverein begroeten,</p>
+<p class="line">Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Beiden.</p>
+<p class="line">Lang leve koning Richard, onze heer!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p id="kh6ii.ii.2.64" class="line">Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,</p>
+<p class="line">Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is<span class="pageNum" id="pb666">[<a href="#pb666">666</a>]</span></p>
+<p class="line">Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;</p>
+<p class="line">En dit is geenszins plotsling te volvoeren,</p>
+<p class="line">Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.</p>
+<p class="line">Doet zooals ik in dezen boozen tijd,</p>
+<p class="line">Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,</p>
+<p class="line">Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,</p>
+<p class="line">En dat van Buckingham en heel hun bent,</p>
+<p class="line">Tot zij den herder van de kudde omstrikken,</p>
+<p class="line">Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.</p>
+<p class="line">Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken</p>
+<p class="line">Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick</p>
+<p class="line">York’s hertog eens tot koning maken zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,</p>
+<p class="line">Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick</p>
+<p class="line">De grootste man in England na den koning.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een Gerechtszaal.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>en Gevolg komen op; de Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Margriet Jordaan</span>, <span class="sc">Southwell</span>, <span class="sc">Hume</span> <i>en</i> <span class="sc">Bolingbroke</span> <i>worden door de wacht binnengeleid</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.</p>
+<p class="line">Voor God en ons is uwe misdaad groot;</p>
+<p class="line">Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,</p>
+<p class="line">Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—</p>
+<p class="line">Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;</p>
+<p class="line">En uit den kerker naar de plaats der straf:</p>
+<p class="line">Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;</p>
+<p class="line">U drieën wacht de wurging aan de galg.—</p>
+<p class="line">Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte</p>
+<p class="line">Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,</p>
+<p class="line">Drie dagen openbare boete doen,</p>
+<p class="line">Dan in uw eigen land verbannen leven,</p>
+<p id="kh6ii.ii.3.13" class="line">Bij Sir John Stanley op het eiland Man.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,</p>
+<p class="line">Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.</p>
+<p class="line">Ach, deze schande van uw ouderdom</p>
+<p class="line">Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—</p>
+<p class="line">Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;</p>
+<p class="line">Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,</p>
+<p class="line">Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen</p>
+<p class="line">Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,</p>
+<p class="line">Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!</p>
+<p class="line">En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,</p>
+<p class="line">Dan vroeger als protector van uw vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ik zie niet in, waarom een mondig koning</p>
+<p class="line">Beschermd behoeft te worden als een kind.—</p>
+<p class="line">Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—</p>
+<p class="line">Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;</p>
+<p class="line">’k Hergeef u even gaarne dezen staf,</p>
+<p class="line">Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;</p>
+<p class="line">’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,</p>
+<p class="line">Als and’rer hand hem gretig vatten zou.</p>
+<p class="line">Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,</p>
+<p class="line">Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Nu zijt gij koning, ik nu koningin, <span class="lineNum">39</span></p>
+<p class="line">En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,</p>
+<p class="line">Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:</p>
+<p class="line">Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,</p>
+<p class="line">En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand</p>
+<p class="line">Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;</p>
+<p class="line">Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,</p>
+<p class="line">Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;</p>
+<p class="line">En klager en beklaagde staan gereed,</p>
+<p class="line">De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,</p>
+<p class="line">Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts</p>
+<p class="line">Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;</p>
+<p class="line">De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,</p>
+<p class="line">Zoo angstig om te vechten, als de klager,</p>
+<p class="line">Die dienaar van den wapensmid, mylords.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Van de eene zijde komt</i> <span class="sc">Horner</span> <i>op met zijn Buren, die hem zóó toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een
+stang met een zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager.
+Van de andere zijde komt</i> <span class="sc">Peter</span> <i>evenzoo op, met een Trommelslager en een stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Buurman.</p>
+<p>Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En wees maar niet bang, buurman;
+het zal wel goed gaan.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb667">[<a href="#pb667">667</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Buurman.</p>
+<p>En hier is een kroes <span id="kh6ii.ii.3.63">Charneco</span>, buurman.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Buurman.</p>
+<p>En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en wees niet bang voor dien gezel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p>Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een knip voor den neus voor
+Peter!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Gezel.</p>
+<p>Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Gezel.</p>
+<p>Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de eer op van de gezellen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; want ik geloof, dat
+ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik
+u mijn schootsvel; en Willem, gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het
+geld, dat ik heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den
+baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p>Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij knaap, hoe heet gij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>Peter, inderdaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p>Peter,—hoe nog meer?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>Stomp. <span class="lineNum">84</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p>Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p>Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn knecht, om te bewijzen,
+dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk man; en van den hertog van York, ik wil
+er op sterven, dat ik hem nooit kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom,
+Peter, reken op een slag, die neerkomt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p>Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. Trompetter, blaas het sein;
+de strijd beginn’!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Zij vechten en</i> <span class="sc">Peter</span> <i>slaat zijn meester neder</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Horner.</p>
+<p>Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Horner</span> <i>sterft</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p>Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw meester in den weg
+kwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Peter.</p>
+<p>O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O Peter, gij hebt de
+overhand gekregen door uw goed recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Breng dien verrader weg en uit ons oog;</p>
+<p class="line">Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;</p>
+<p class="line">En de algerechte God heeft ons onthuld</p>
+<p class="line">De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,</p>
+<p class="line">Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.</p>
+<p class="line">Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.ii.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Een straat.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;</p>
+<p class="line">En zoo volgt op den zomer steeds de winter,</p>
+<p class="line">Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len</p>
+<p class="line">Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.</p>
+<p class="line">Hoe laat is ’t, mannen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaar.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Hoe laat is ’t, mannen? </span>Bijna tien, mylord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Tien was het uur, waarop ik wachten moest</p>
+<p class="line">Op ’t komen van mijn boetedoende gade;</p>
+<p class="line">Hoe zal haar teedere en verwende voet</p>
+<p class="line">Der straten scherpe keien ooit verduren?</p>
+<p class="line">Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,</p>
+<p class="line">Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart</p>
+<p class="line">En bij uw schande lacht met boozen blik,</p>
+<p class="line">Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,</p>
+<p class="line">Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.</p>
+<p class="line">Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,</p>
+<p class="line">Bereid ik voor, om haar ellend te zien.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Hertogin van</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>komt op, barrevoets en in een wit hemd, met papieren op den rug bevestigd; zij draagt
+een brandende kaars in de hand; verder: Sir</i> <span class="sc">John Stanley</span>, <i>een Sheriff en Beambten</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dienaar.</p>
+<p class="line">Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. <span class="lineNum">17</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?</p>
+<p class="line">Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;</p>
+<p class="line">Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,</p>
+<p class="line">Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!</p>
+<p class="line">Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween</p>
+<p class="line">Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek</p>
+<p class="line">Uw felle haters, beide de uwe en mijne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!</p>
+<p class="line">Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,</p>
+<p class="line">En gij een vorst, protector van dit land,</p>
+<p class="line">Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,</p>
+<p class="line">Bekneld in smaad, behangen met papieren,</p>
+<p class="line">Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen</p>
+<p class="line">Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.</p>
+<p class="line">Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;</p>
+<p class="line">En krimp ik saam, dan lacht het booze volk</p>
+<p class="line">En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.</p>
+<p class="line">O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?</p>
+<p class="line">Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,</p>
+<p class="line">Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?</p>
+<p class="line">Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,</p>
+<p class="line">’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!</p>
+<p class="line">Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,<span class="pageNum" id="pb668">[<a href="#pb668">668</a>]</span></p>
+<p class="line">En hij een prins en een regent van ’t rijk;</p>
+<p class="line">Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,</p>
+<p class="line">Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,</p>
+<p class="line">Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting</p>
+<p class="line">Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”</p>
+<p class="line">Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;</p>
+<p class="line">En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd</p>
+<p class="line">De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;</p>
+<p class="line">Want Suffolk, hij, die alles is in alles</p>
+<p class="line">Bij haar, die ù haat en ons allen haat,</p>
+<p class="line">En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—</p>
+<p class="line">Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;</p>
+<p class="line">En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;</p>
+<p class="line">Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,</p>
+<p class="line">En kom vooral uw vijand nimmer voor.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;</p>
+<p class="line">’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;</p>
+<p class="line">Al waren mijne haters twintigvoud,</p>
+<p class="line">En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,</p>
+<p class="line">Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,</p>
+<p class="line">Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.</p>
+<p class="line">Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? <span class="lineNum">64</span></p>
+<p class="line">Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,</p>
+<p class="line">Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.</p>
+<p class="line">Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;</p>
+<p class="line">Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak</p>
+<p class="line">Van weinig dagen is weldra gedaan.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Heraut komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Heraut.</p>
+<p>Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat op den eersten dag der
+volgende maand te Bury zal gehouden worden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En zonder om mijn toestemming te vragen!</p>
+<p class="line">Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Heraut af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,</p>
+<p class="line">Beperk u bij haar boete tot het vonnis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Sheriff.</p>
+<p class="line">Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;</p>
+<p class="line">Aan Sir John Stanley is nu opgedragen</p>
+<p class="line">Haar mee te nemen naar het eiland Man.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stanley.</p>
+<p class="line">Ja, uw genade, dit heb ik in last.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,</p>
+<p class="line">Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht</p>
+<p class="line">De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik</p>
+<p class="line">Nog leven om het goede u te vergelden,</p>
+<p class="line">Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en zijn Dienaren af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;</p>
+<p class="line">Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—</p>
+<p class="line">De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,</p>
+<p class="line">Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—</p>
+<p class="line">Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;</p>
+<p class="line">Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;</p>
+<p class="line">Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stanley.</p>
+<p class="line">En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; <span class="lineNum">94</span></p>
+<p class="line">Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;</p>
+<p class="line">Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stanley.</p>
+<p class="line">Als van een hertogin en Gloster’s gade;</p>
+<p class="line">Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,</p>
+<p class="line">Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Sheriff.</p>
+<p class="line">Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—</p>
+<p class="line">Kom, Stanley, gaan wij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stanley.</p>
+<p class="line">Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;</p>
+<p class="line">En gaan we u hullen in een reisgewaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hertogin.</p>
+<p class="line">’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;</p>
+<p class="line">Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,</p>
+<p class="line">En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.</p>
+<p class="line">Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn <span class="corr" id="xd33e10349" title="Bron: gevangnis">gevang’nis</span>.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DERDE BEDRIJF</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6ii.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>De abdij te</i> <span class="ex">Sint Edmund’s Bury</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>,
+<i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">York</span>,
+<span class="sc">Buckingham</span> <i>en Anderen komen op ter parlementszitting</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,</p>
+<p class="line">Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—</p>
+<p class="line">Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,</p>
+<p class="line">Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?</p>
+<p class="line">Met welk een majesteit hij zich gedraagt,</p>
+<p class="line">Hoe overmoedig hij geworden is,</p>
+<p class="line">Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?</p>
+<p class="line">Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;</p>
+<p class="line">En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,</p>
+<p class="line">Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed</p>
+<p class="line">Was de bewondring van geheel het hof.<span class="pageNum" id="pb669">[<a href="#pb669">669</a>]</span></p>
+<p class="line">Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,</p>
+<p class="line">Als toch een ieder goeden morgen wenscht,</p>
+<p class="line">Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,</p>
+<p class="line">En gaat met ongebogen knie voorbij,</p>
+<p class="line">De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.</p>
+<p class="line">Wie let er op, als kleine hondjes keffen?</p>
+<p class="line">Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;</p>
+<p class="line">En Humfried is in England geen klein man.</p>
+<p class="line">Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,</p>
+<p class="line">En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.</p>
+<p class="line">Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—</p>
+<p class="line">Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,</p>
+<p class="line">En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—</p>
+<p class="line">Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon</p>
+<p class="line">Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.</p>
+<p class="line">Door vleien won hij der gemeenten gunst,</p>
+<p class="line">En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—</p>
+<p class="line">Dit is te duchten,—allen hem gedwee.</p>
+<p class="line">’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;</p>
+<p class="line">Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof</p>
+<p class="line">En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. <span class="lineNum">33</span></p>
+<p class="line">Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij</p>
+<p class="line">’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.</p>
+<p class="line">Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;</p>
+<p class="line">En moet die vrees voor beter gronden wijken,</p>
+<p class="line">Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”</p>
+<p class="line">Mylords van Suffolk, Buckingham en York,</p>
+<p class="line">Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;</p>
+<p class="line">Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;</p>
+<p class="line">En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,</p>
+<p class="line">’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.</p>
+<p class="line">De hertogin begon, zoo waar ik leef,</p>
+<p class="line">Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;</p>
+<p class="line">En was hij niet in deze schuld betrokken,</p>
+<p class="line">Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—</p>
+<p class="line">Als die de naaste staat aan Englands troon,</p>
+<p class="line">En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,</p>
+<p class="line">In ’t brein geschokte hertogin wis aan,</p>
+<p class="line">Om boos naar onzes vorsten val te streven.</p>
+<p class="line">Glad stroomt het water van een diepe beek,</p>
+<p class="line">Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.</p>
+<p class="line">Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?</p>
+<p class="line">Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,</p>
+<p class="line">Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde</p>
+<p id="kh6ii.iii.1.59" class="line">Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">En hief hij niet, toen hij protector was,</p>
+<p class="line">In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds</p>
+<p class="line">Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,</p>
+<p id="kh6ii.iii.1.63" class="line">Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre</p>
+<p class="line">Verborgen feilen van dien gladden hertog,</p>
+<p class="line">Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen</p>
+<p class="line">Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;</p>
+<p class="line">Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?</p>
+<p class="line">Van onzen oom van Gloster is het denken</p>
+<p class="line">Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,</p>
+<p class="line">Als van een zuigend lam of zachte duif.</p>
+<p class="line">De hertog is te zacht en welgezind,</p>
+<p class="line">Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!</p>
+<p class="line">Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,</p>
+<p class="line">Want als een booze raaf is hij gezind.</p>
+<p class="line">Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;</p>
+<p class="line">Als van een fellen wolf is zijn gemoed;</p>
+<p class="line">Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?</p>
+<p class="line">Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn</p>
+<p class="line">Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>komt op</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p>Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Dat ieder aandeel aan dat grondgebied</p>
+<p class="line">U ginds ontroofd is; alles is verloren. <span class="lineNum">85</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op Frankrijk,</p>
+<p class="line">Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.</p>
+<p class="line">Zoo sterven mijne bloesems in den knop,</p>
+<p class="line">En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;</p>
+<p class="line">Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders</p>
+<p class="line">Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Mijn hoogen heer en koning alle heil!</p>
+<p class="line">Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,</p>
+<p class="line">Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.</p>
+<p class="line">Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken</p>
+<p class="line">Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;</p>
+<p class="line">Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.</p>
+<p class="line">Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,</p>
+<p class="line">Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.</p>
+<p class="line">Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,</p>
+<p class="line">En gij ons leger zijn soldij onthieldt,</p>
+<p class="line">Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?</p>
+<p class="line">’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,<span class="pageNum" id="pb670">[<a href="#pb670">670</a>]</span></p>
+<p class="line">Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.</p>
+<p class="line">Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,</p>
+<p class="line">Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!</p>
+<p class="line">Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,</p>
+<p class="line">Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,</p>
+<p class="line">Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!</p>
+<p class="line">Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,</p>
+<p class="line">Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,</p>
+<p class="line">Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,</p>
+<p class="line">En nooit verlangde ik iets terugbetaald.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Voor euveldaden dacht gij als protector</p>
+<p class="line">Vreemde, ongehoorde martelingen uit,</p>
+<p class="line">En England werd berucht door zulk een wreedheid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur</p>
+<p class="line">Mijn een’ge feil te groote deernis was,</p>
+<p class="line">Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,</p>
+<p class="line">En liet hem vrij voor woorden van berouw.</p>
+<p class="line">Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,</p>
+<p class="line">Die arme reizigers had uitgeschud, <span class="lineNum">129</span></p>
+<p class="line">Dan legde ik nooit de volle straf hem op.</p>
+<p class="line">Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,</p>
+<p class="line">Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,</p>
+<p class="line">Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,</p>
+<p class="line">Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.</p>
+<p class="line">In naam des konings neem ik u in hechtnis;</p>
+<p class="line">Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,</p>
+<p class="line">Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,</p>
+<p class="line">Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;</p>
+<p class="line">Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.</p>
+<p class="line">Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,</p>
+<p class="line">Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;</p>
+<p class="line">Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,</p>
+<p class="line">En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.</p>
+<p class="line">Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;</p>
+<p class="line">En kon mijn dood dit land gelukkig maken,</p>
+<p class="line">Waar’ die het einde van hun dwinglandij,</p>
+<p class="line">Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;</p>
+<p class="line">Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;</p>
+<p class="line">Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,</p>
+<p class="line">Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.</p>
+<p class="line">Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,</p>
+<p class="line">Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;</p>
+<p class="line">De scherpe Buckingham geeft met zijn tong</p>
+<p class="line">Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;</p>
+<p class="line">De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt</p>
+<p class="line">En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,</p>
+<p class="line">Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;</p>
+<p class="line">En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren</p>
+<p class="line">Mij zonder reden oneer op het hoofd,</p>
+<p class="line">En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,</p>
+<p class="line">Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.</p>
+<p class="line">Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—</p>
+<p class="line">Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—</p>
+<p class="line">Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.</p>
+<p class="line">Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;</p>
+<p class="line">Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;</p>
+<p class="line">Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,</p>
+<p class="line">Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!</p>
+<p class="line">Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden</p>
+<p class="line">Voor des verraads verborgen, moordziek mes,</p>
+<p class="line">Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,</p>
+<p class="line">En de euveldader vrijheid heeft van spreken,</p>
+<p class="line">Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet</p>
+<p class="line">Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,</p>
+<p class="line">Als had zij mannen omgekocht tot meineed,</p>
+<p class="line">Om hem door valsch getuignis te doen vallen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;</p>
+<p class="line">Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!</p>
+<p class="line">En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.</p>
+<p class="line">Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. <span class="lineNum">187</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,</p>
+<p class="line">Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—</p>
+<p class="line">Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,</p>
+<p class="line">En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!</p>
+<p class="line">O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!</p>
+<p class="line">’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>door eenige Dienaren weggeleid</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid</p>
+<p class="line">Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Uw hoogheid wil het parlement verlaten?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;</p>
+<p class="line">Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;</p>
+<p class="line">Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;</p>
+<p class="line">Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—</p>
+<p class="line">Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat</p>
+<p class="line">De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;</p>
+<p class="line">En, goede Humfried, de ure moet nog komen,</p>
+<p class="line">Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.</p>
+<p class="line">Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,<span class="pageNum" id="pb671">[<a href="#pb671">671</a>]</span></p>
+<p class="line">Dat deze groote lords en onze gade</p>
+<p class="line">’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?</p>
+<p class="line">Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,</p>
+<p class="line">En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,</p>
+<p class="line">En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,</p>
+<p class="line">En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,</p>
+<p class="line">Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;</p>
+<p class="line">En evenals de moeder loeiend rondloopt,</p>
+<p class="line">En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,</p>
+<p class="line">En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,</p>
+<p class="line">Bejammer ik des goeden Gloster’s val</p>
+<p class="line">Met tranen, die niet helpen, blik hem na</p>
+<p class="line">Met dofgekreten oog en kan niets doen,</p>
+<p class="line">Want zijn gezworen haters zijn te machtig.</p>
+<p class="line">’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef</p>
+<p class="line">Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:</p>
+<p class="line">„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>af, gevolgd door allen, behalve Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Suffolk</span>, <span class="sc">York</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span>; <i>de laatste blijft afzonderlijk staan</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,</p>
+<p class="line">Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,</p>
+<p class="line">Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn</p>
+<p class="line">Misleidt hem, evenals de krokodil <span class="lineNum">226</span></p>
+<p class="line">Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,</p>
+<p class="line">Of als de slang, verscholen onder bloemen,</p>
+<p class="line">Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,</p>
+<p class="line">Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.</p>
+<p class="line">Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—</p>
+<p class="line">En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—</p>
+<p class="line">Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,</p>
+<p class="line">En wij van alle vrees voor hem bevrijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,</p>
+<p class="line">Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;</p>
+<p class="line">Hij sterve naar den eisch van recht en wet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;</p>
+<p class="line">Wis zal de koning trachten hem te redden,</p>
+<p class="line">En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;</p>
+<p class="line">En beet’re gronden kunnen wij niet geven,</p>
+<p class="line">Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde.</i>)</span> York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,</p>
+<p class="line">Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,</p>
+<p class="line">Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen</p>
+<p class="line">Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,</p>
+<p class="line">En Humfried, om den koning te beschermen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,</p>
+<p class="line">Den vos als kuddewachter aan te stellen?</p>
+<p class="line">Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,</p>
+<p class="line">Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,</p>
+<p class="line">Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?</p>
+<p class="line">Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,</p>
+<p class="line">Bewezen vijand van natuur der kudde,</p>
+<p class="line">Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,</p>
+<p class="line">Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.</p>
+<p class="line">En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;</p>
+<p class="line">Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,</p>
+<p class="line">In slaap of wakend, alles is hetzelfde,</p>
+<p class="line">Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,</p>
+<p class="line">Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;</p>
+<p class="line">Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;</p>
+<p class="line">Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—</p>
+<p class="line">Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,</p>
+<p class="line">En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—</p>
+<p class="line">Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. <span class="lineNum">272</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,</p>
+<p class="line">Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.</p>
+<p class="line">Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,</p>
+<p class="line">En ik bezorg u, die de daad volvoert;</p>
+<p class="line">Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Dit zeg ook ik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">En ik; en nu wij drieën dit besloten,</p>
+<p class="line">Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings</p>
+<p class="line">U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,</p>
+<p class="line">En de Engelschen verdelgen met het zwaard.</p>
+<p class="line">Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,</p>
+<p class="line">Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;</p>
+<p class="line">Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.</p>
+<p class="line">Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dat Somerset er heenga als regent.</p>
+<p class="line">Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;</p>
+<p class="line">’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,</p>
+<p class="line">In mijne plaats regent er was geweest,</p>
+<p class="line">Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Niet tot het land verloren was, als gij;</p>
+<p class="line">’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,</p>
+<p class="line">Dan zulk een last van schande thuis gebracht,</p>
+<p class="line">Door tot het land verloren was te blijven.<span class="pageNum" id="pb672">[<a href="#pb672">672</a>]</span></p>
+<p class="line">Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;</p>
+<p class="line">Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,</p>
+<p class="line">Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—</p>
+<p class="line">Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—</p>
+<p class="line">Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht</p>
+<p class="line">Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">En onder hen op u, die schande wenscht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.</p>
+<p class="line">De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand</p>
+<p class="line">En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;</p>
+<p class="line">Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,</p>
+<p class="line">Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,</p>
+<p class="line">En tegen de Ieren uw geluk beproeven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,</p>
+<p class="line">En wat wij hier bepalen vindt hij goed;</p>
+<p class="line">Dus, eed’le York, belast u met die taak. <span class="lineNum">318</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;</p>
+<p class="line">Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.</p>
+<p class="line">Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,</p>
+<p class="line">Dat hij ons verder nimmer lastig zij;</p>
+<p class="line">En nu van hier, de dag is schier voorbij;—</p>
+<p class="line">Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers</p>
+<p class="line">Te Bristol binnen veertien dagen tijds;</p>
+<p class="line">Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">York</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,</p>
+<p class="line">En worde uw weiflen vastbeslotenheid;</p>
+<p class="line">Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,</p>
+<p class="line">Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.</p>
+<p class="line">Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,</p>
+<p class="line">Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.</p>
+<p class="line">Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,</p>
+<p class="line">Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.</p>
+<p class="line">Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,</p>
+<p class="line">Spant rustloos voor mijn haters net op net.</p>
+<p class="line">Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,</p>
+<p class="line">Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.</p>
+<p class="line">Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,</p>
+<p class="line">Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.</p>
+<p class="line">Manschappen miste ik en die geeft gij mij;</p>
+<p class="line">Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man</p>
+<p class="line">Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.</p>
+<p class="line">Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik</p>
+<p class="line">Een zwarten storm in England op; die blaast</p>
+<p class="line">Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;</p>
+<p class="line">En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,</p>
+<p class="line">Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,</p>
+<p class="line">Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,</p>
+<p class="line">De woede stilt der dol verwekte vlaag.</p>
+<p class="line">En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik</p>
+<p class="line">Een stuggen Kentschen dolkop overreed,</p>
+<p class="line">John Cade uit Ashford,</p>
+<p class="line">Oproer te maken, wat hij goed verstaat,</p>
+<p class="line">En voor John Mortimer zich uit te geven.</p>
+<p class="line">Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens</p>
+<p id="kh6ii.iii.1.361" class="line">Zich weren tegen heel een bende Kernen;</p>
+<p class="line">Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen</p>
+<p class="line">Geleken op een toornig stekelvarken; <span class="lineNum">363</span></p>
+<p class="line">En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem</p>
+<p class="line">Een hoogen sprong doen als een moorendanser,</p>
+<p class="line">Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.</p>
+<p class="line">Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern</p>
+<p class="line">Vermomd, gesprekken met den vijand aan,</p>
+<p class="line">Kwam onontdekt tot mij terug en gaf</p>
+<p class="line">Mij dan berichten van hun schurkerijen.</p>
+<p class="line">Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;</p>
+<p class="line">Want op den pas gestorven Mortimer</p>
+<p class="line">Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;</p>
+<p class="line">’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,</p>
+<p class="line">En de aanspraak op den troon, van York behaagt.</p>
+<p class="line">En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,</p>
+<p class="line">Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,</p>
+<p class="line">Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.</p>
+<p class="line">O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,</p>
+<p class="line">Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,</p>
+<p class="line">En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;</p>
+<p class="line">Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,</p>
+<p class="line">En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Sint Edmund’s Bury.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Eenige Moordenaars komen haastig op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p>
+<p class="line">IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,</p>
+<p class="line">Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Moordenaar.</p>
+<p class="line">Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?</p>
+<p class="line">Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p>
+<p class="line">Daar komt mylord.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb673">[<a href="#pb673">673</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p>
+<p class="line">Ja, beste hertog, hij is dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;</p>
+<p class="line">Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.</p>
+<p class="line">De koning komt daar aan met al zijn pairs.</p>
+<p class="line">Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles</p>
+<p class="line">Geheel in orde naar mijn last?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Moordenaar.</p>
+<p class="line">In orde, beste lord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">In orde, beste lord. </span>Nu goed; van hier!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Moordenaars af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>Lords en Anderen komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;</p>
+<p class="line">Wij willen heden zijn genade hooren,</p>
+<p class="line">Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,</p>
+<p class="line">Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,</p>
+<p class="line">Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis</p>
+<p class="line">Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, <span class="lineNum">22</span></p>
+<p class="line">En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!</p>
+<p class="line">Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>komt weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?</p>
+<p class="line">Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O, dit verhoede God!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,</p>
+<p class="line">Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Koning valt in onmacht.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, hoe is</p>
+<p class="line">’t?—Helpt, lords, de koning sterft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Loopt, helpt!—O</p>
+<p class="line">Hendrik, sla toch de oogen op!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O eeuw’ge God!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hoe gaat het mijn gemaal?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?</p>
+<p class="line">Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,</p>
+<p class="line">Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,</p>
+<p class="line">En waant hij, dat het tjilpen van een musch,</p>
+<p class="line">Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,</p>
+<p class="line">Den eerst vernomen klank verjagen kan?</p>
+<p class="line">Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;</p>
+<p class="line">Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;</p>
+<p class="line">’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!</p>
+<p class="line">Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!</p>
+<p class="line">In booze majesteit zit op uw oogen</p>
+<p class="line">Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;</p>
+<p class="line">Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.</p>
+<p class="line">Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;</p>
+<p class="line">En dood den man, die u onschuldig aanstaart;</p>
+<p class="line">In schaduwen des doods slechts vind ik heil,</p>
+<p class="line">In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?</p>
+<p class="line">Ofschoon de hertog hem vijandig was,</p>
+<p class="line">Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.</p>
+<p class="line">Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,</p>
+<p class="line">Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken</p>
+<p class="line">En bloedverterend zuchten hem kon wekken,</p>
+<p class="line">Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, <span class="lineNum">62</span></p>
+<p class="line">Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,</p>
+<p class="line">Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.</p>
+<p class="line">Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?</p>
+<p class="line">Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;</p>
+<p class="line">Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;</p>
+<p class="line">Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden</p>
+<p class="line">En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!</p>
+<p class="line">Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!</p>
+<p class="line">Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ach, arme Gloster! o rampzalig man!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.</p>
+<p class="line">Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?</p>
+<p class="line">Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.76" class="line">Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?</p>
+<p class="line">Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!</p>
+<p class="line">Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?</p>
+<p class="line">O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;</p>
+<p class="line">Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:</p>
+<p class="line">Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.</p>
+<p class="line">Was ik daarom op zee bijna vergaan?</p>
+<p class="line">Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,</p>
+<p class="line">Van Englands kust terug naar ’t vaderland?</p>
+<p class="line">Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,<span class="pageNum" id="pb674">[<a href="#pb674">674</a>]</span></p>
+<p class="line">Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!</p>
+<p class="line">En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”</p>
+<p class="line">Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.89" class="line">En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,</p>
+<p class="line">En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,</p>
+<p class="line">Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”</p>
+<p class="line">Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,</p>
+<p class="line">En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.</p>
+<p class="line">Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig</p>
+<p class="line">Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,</p>
+<p class="line">Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken</p>
+<p class="line">In tranen, zilter dan het nat der zee;</p>
+<p class="line">De scherpe klippen doken in het zand</p>
+<p class="line">Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,</p>
+<p class="line">Opdat uw steen en hart, dat harder is,</p>
+<p class="line">Uw Margaretha doodde in uw paleis.</p>
+<p class="line">Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,</p>
+<p class="line">Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,</p>
+<p class="line">Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;</p>
+<p class="line">En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,</p>
+<p class="line">Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,</p>
+<p class="line">Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— <span class="lineNum">107</span></p>
+<p class="line">Het was een hart, gevat in diamanten,—</p>
+<p class="line">En wierp het naar uw land. De zee ontving het;</p>
+<p class="line">En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;</p>
+<p class="line">Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;</p>
+<p class="line">’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde</p>
+<p class="line">Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl</p>
+<p class="line">De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.</p>
+<p class="line">Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,</p>
+<p class="line">Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.116" class="line">Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,</p>
+<p class="line">Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,</p>
+<p class="line">Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik</p>
+<p class="line">Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?</p>
+<p class="line">Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,</p>
+<p class="line">Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sterk gedruisch buiten.</i> <span class="sc">Warwick</span> en <span class="sc">Salisbury</span> <i>komen op. Eenigen van het volk dringen door de deur naar voren.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De goede hertog Humfried, machtig vorst,</p>
+<p class="line">Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad</p>
+<p class="line">Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.</p>
+<p class="line">’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,</p>
+<p class="line">Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft</p>
+<p class="line">En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.</p>
+<p class="line">Ik bracht hun felle muiterij tot staan,</p>
+<p class="line">Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;</p>
+<p class="line">Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.</p>
+<p class="line">Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;</p>
+<p class="line">Verklaar uzelf de reden van zijn dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,</p>
+<p class="line">Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>gaat naar een binnenkamer</i>. <span class="sc">Salisbury</span> <i>gaat terug door de deur</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!</p>
+<p class="line">Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,</p>
+<p class="line">Dat Humfried door geweld het leven liet.</p>
+<p class="line">Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!</p>
+<p class="line">Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.</p>
+<p class="line">Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen</p>
+<p class="line">Met twintigduizend kussen en besproeide ik</p>
+<p class="line">’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,</p>
+<p class="line">Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,</p>
+<p class="line">En drukte met mijn hand zijn doode hand!</p>
+<p class="line">Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;</p>
+<p class="line">En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,</p>
+<p class="line">Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>dood in zijn bed</i>. <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen staan er omheen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;</p>
+<p class="line">Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;</p>
+<p class="line">Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning <span class="lineNum">153</span></p>
+<p class="line">Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen</p>
+<p class="line">Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,</p>
+<p class="line">Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft</p>
+<p class="line">Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!</p>
+<p class="line">Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!</p>
+<p class="line">’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,</p>
+<p class="line">Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,</p>
+<p class="line">Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,</p>
+<p class="line">Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,</p>
+<p class="line">’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;</p>
+<p class="line">Doch met het hart wordt dit daar koud en keert</p>
+<p class="line">Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.</p>
+<p class="line">Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,</p>
+<p class="line">Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,</p>
+<p class="line">Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;</p>
+<p class="line">Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,</p>
+<p class="line">Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,</p>
+<p class="line">Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.</p>
+<p class="line">En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;</p>
+<p class="line">Zijn netgehouden baard is ruig, verward,</p>
+<p class="line">Als koren, dat een storm ter neder sloeg.</p>
+<p class="line">Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;</p>
+<p class="line">Het minste dezer teekens waar’ bewijs.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb675">[<a href="#pb675">675</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?</p>
+<p class="line">Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,</p>
+<p class="line">En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,</p>
+<p class="line">En saam bewaaktet gij den goeden hertog;</p>
+<p class="line">Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,</p>
+<p class="line">En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords</p>
+<p class="line">Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,</p>
+<p class="line">En dicht daarbij den slachter met de bijl,</p>
+<p class="line">En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?</p>
+<p class="line">Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs</p>
+<p class="line">En zal niet raden, hoe de vogel stierf,</p>
+<p class="line">Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?</p>
+<p class="line">Niet minder is dit treurspel hier verdacht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?</p>
+<p class="line">Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik draag geen mes om slapenden te slachten; <span class="lineNum">197</span></p>
+<p class="line">Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,</p>
+<p class="line">Dat ik wil schuren in diens giftig hart,</p>
+<p class="line">Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.</p>
+<p class="line">Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,</p>
+<p class="line">Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Kardinaal</i>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en Anderen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet boeien,</p>
+<p class="line">Geen afstand doen van drieste lastertaal;</p>
+<p class="line">Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—</p>
+<p class="line">Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,</p>
+<p class="line">Brengt smaad op uwen koninklijken naam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Gij lord met stompen geest en boersche zeden,</p>
+<p class="line">Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,</p>
+<p class="line">Dan nam uw moeder in haar zondig bed</p>
+<p class="line">Een kinkel op, en werd op eed’len boom</p>
+<p class="line">Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.</p>
+<p class="line">Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,</p>
+<p class="line">En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,</p>
+<p class="line">Tienduizendvoudige oneer u besparend,</p>
+<p class="line">En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,</p>
+<p class="line">Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,</p>
+<p class="line">Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,</p>
+<p class="line">Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet</p>
+<p class="line">En gij in bastaardij geboren zijt;</p>
+<p class="line">En na die afgedwongen hulde gave ik</p>
+<p class="line">U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.226" class="line">Bloedzuiger en belager in den slaap!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,</p>
+<p class="line">Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.</p>
+<p class="line">Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,</p>
+<p class="line">Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?</p>
+<p class="line">Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,</p>
+<p class="line">En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,</p>
+<p class="line">Wien ongerechtigheid het hart verpest.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Gedruisch buiten.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat is dat voor gedruisch?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Suffolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komen, met getrokken zwaarden, weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden</p>
+<p class="line">Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?</p>
+<p class="line">Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">De valsche Warwick en het volk van Bury,</p>
+<p class="line">’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. <span class="lineNum">241</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Geraas van een volksoploop buiten.</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>komt weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot het volk buiten</i>).</span> Terug, gij daar; ik zal ’t den koning zeggen.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot den Koning.</i>)</span> Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,</p>
+<p class="line">Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,</p>
+<p class="line">Of buiten Englands schoon gebied verbannen,</p>
+<p class="line">Dan wordt hij met geweld van hier gerukt</p>
+<p class="line">En sterft een langen, zwaren marteldood.</p>
+<p class="line">Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,</p>
+<p class="line">Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;</p>
+<p class="line">En ’t is de drang van liefde en echte trouw,</p>
+<p class="line">Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,</p>
+<p class="line">Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,</p>
+<p class="line">Die hen doet dringen op zijn ballingschap.</p>
+<p class="line">Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,</p>
+<p class="line">Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en</p>
+<p class="line">Bevolen had, dat niemand u zou storen,</p>
+<p class="line">Op straf van ongenade, op straf des doods,</p>
+<p class="line">Het toch, ondanks dat streng gebod, indien</p>
+<p class="line">Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,</p>
+<p class="line">Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,</p>
+<p class="line">Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,</p>
+<p class="line">Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,</p>
+<p class="line">Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;</p>
+<p class="line">En daarom roepen zij, trots uw verbod,<span class="pageNum" id="pb676">[<a href="#pb676">676</a>]</span></p>
+<p class="line">Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden</p>
+<p class="line">Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,</p>
+<p class="line">Door wiens venijnige’, onheilvollen steek</p>
+<p class="line">Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,</p>
+<p class="line">Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Het Volk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>buiten</i>).</span> Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,</p>
+<p class="line">Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;</p>
+<p class="line">Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,</p>
+<p class="line">Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;</p>
+<p class="line">Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,</p>
+<p class="line">Is, dat hij afgezant was van een bende</p>
+<p class="line">Van ketellappers aan zijn heer en koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Het Volk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>buiten</i>).</span> Breng antwoord van den koning, of wij stormen binnen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,</p>
+<p class="line">Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;</p>
+<p class="line">En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,</p>
+<p class="line">Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;</p>
+<p class="line">Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest</p>
+<p class="line">Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;</p>
+<p class="line">En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,</p>
+<p class="line">Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:</p>
+<p class="line">Niet langer dan drie dagen zal zijn adem</p>
+<p class="line">De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. <span class="lineNum">288</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!</p>
+<p class="line">Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,</p>
+<p class="line">Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.</p>
+<p class="line">Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;</p>
+<p class="line">Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—</p>
+<p class="line">Indien gij na drie dagen wordt gevonden</p>
+<p class="line">Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,</p>
+<p class="line">Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—</p>
+<p class="line">Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;</p>
+<p class="line">’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Suffolk</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Onheil en kommer volge u op den voet!</p>
+<p class="line">U mogen harteleed en bitt’re droefheid</p>
+<p class="line">Speelnooten zijn en u gezelschap houden!</p>
+<p class="line">Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;</p>
+<p class="line">En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Staak dit verwenschen, lieve koningin,</p>
+<p class="line">En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!</p>
+<p class="line">Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.310" class="line">Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,</p>
+<p class="line">Dan vond ik bitterbooze woorden uit,</p>
+<p class="line">Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,</p>
+<p class="line">En stiet ze door de opeengeklemde tanden</p>
+<p class="line">Met zooveel blijk van ingevreten haat,</p>
+<p class="line">Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.</p>
+<p class="line">Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,</p>
+<p class="line">Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,</p>
+<p class="line">Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,</p>
+<p class="line">Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.</p>
+<p class="line">En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,</p>
+<p class="line">Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!</p>
+<p class="line">Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!</p>
+<p class="line">Hun liefste schaduw een cypressenwoud!</p>
+<p class="line">Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!</p>
+<p class="line">Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!</p>
+<p class="line">Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,</p>
+<p class="line">Door uilen-onheilskreten begeleid!</p>
+<p class="line">Al de eis’lijkheden van de diepste hel—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,</p>
+<p class="line">Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel</p>
+<p class="line">Of als een overladen donderbus, terug,</p>
+<p class="line">En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?</p>
+<p class="line">O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,</p>
+<p class="line">Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,</p>
+<p class="line">Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,</p>
+<p class="line">Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,</p>
+<p class="line">En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, <span class="lineNum">339</span></p>
+<p class="line">Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;</p>
+<p class="line">En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek</p>
+<p class="line">Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—</p>
+<p class="line">O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,</p>
+<p id="kh6ii.iii.2.344" class="line">Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,</p>
+<p class="line">Door welke ik duizend zuchten om u slaak.</p>
+<p class="line">Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;</p>
+<p class="line">’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,</p>
+<p class="line">Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,</p>
+<p class="line">’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—</p>
+<p class="line">Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;</p>
+<p class="line">Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.</p>
+<p class="line">Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—</p>
+<p class="line">O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood</p>
+<p class="line">Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,</p>
+<p class="line">En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,</p>
+<p class="line">Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!</p>
+<p class="line">En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,</p>
+<p class="line">Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.</p>
+<p class="line">Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;</p>
+<p class="line">Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,</p>
+<p class="line">Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;<span class="pageNum" id="pb677">[<a href="#pb677">677</a>]</span></p>
+<p class="line">Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,</p>
+<p class="line">Met elken lust, met elk genot der wereld;</p>
+<p class="line">En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.</p>
+<p class="line">Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;</p>
+<p class="line">Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Vaux</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vaux.</p>
+<p class="line">Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,</p>
+<p class="line">Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;</p>
+<p class="line">Hem greep een zware ziekte plotsling aan,</p>
+<p class="line">Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,</p>
+<p class="line">God lastrend en de menschenkindren vloekend.</p>
+<p class="line">Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest</p>
+<p class="line">Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,</p>
+<p class="line">En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,</p>
+<p class="line">Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;</p>
+<p class="line">En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,</p>
+<p class="line">Dat hij daar juist geweldig om hem roept.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ga, breng die booze tijding aan den koning.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Vaux</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!</p>
+<p class="line">Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,</p>
+<p class="line">Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?</p>
+<p class="line">En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, <span class="lineNum">383</span></p>
+<p class="line">In tranen even rijk als zuiderwolken,</p>
+<p class="line">Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?</p>
+<p class="line">Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;</p>
+<p class="line">En vond hij u bij mij, gij waart des doods.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;</p>
+<p class="line">En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders</p>
+<p class="line">Dan als een zoete slaap in uwen schoot?</p>
+<p class="line">Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,</p>
+<p class="line">Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,</p>
+<p class="line">Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;</p>
+<p class="line">Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,</p>
+<p class="line">U roepend, om mij de oogen toe te drukken</p>
+<p class="line">En met uw lippen mij den mond te sluiten,</p>
+<p class="line">Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug</p>
+<p class="line">Of in uw boezem ademde ik haar uit,</p>
+<p class="line">Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.</p>
+<p class="line">Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,</p>
+<p class="line">Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;</p>
+<p class="line">O, laat mij blijven, kome wat er wil!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,</p>
+<p class="line">Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.</p>
+<p class="line">Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;</p>
+<p class="line">Want waar gij op het wereldrond ook zijt,</p>
+<p class="line">Ik zal een Iris hebben, die u vindt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Ik ga.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">En neem mijn hart met u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,</p>
+<p class="line">Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.</p>
+<p class="line">Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;</p>
+<p class="line">Naar dezen kant wacht mij de dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Naar dezen kant wacht mij de dood. </span>Hier mij.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af, naar verschillenden kant.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iii.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>De slaapkamer van Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Salisbury</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen komen op. Kardinaal</i> <span class="sc">Beaufort</span> <i>ligt te bed, Dienaars staan om hem heen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;</p>
+<p class="line">Genoeg om zulk een eiland u te koopen,</p>
+<p class="line">Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O, welk een blijk van een misdadig leven,</p>
+<p class="line">Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kardinaal.</p>
+<p class="line">Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.</p>
+<p class="line">Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?</p>
+<p class="line">Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— <span class="lineNum">10</span></p>
+<p class="line">O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—</p>
+<p class="line">Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;</p>
+<p class="line">Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—</p>
+<p class="line">Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—</p>
+<p class="line">Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn</p>
+<p class="line">Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—</p>
+<p class="line">Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,</p>
+<p class="line">Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,</p>
+<p class="line">Zie met genadig oog op dezen worm!</p>
+<p class="line">O, drijf den rustloos driesten duivel weg,</p>
+<p class="line">Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!</p>
+<p class="line">Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.</p>
+<p class="line">Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,<span class="pageNum" id="pb678">[<a href="#pb678">678</a>]</span></p>
+<p class="line">Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—</p>
+<p class="line">Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—</p>
+<p class="line">Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;</p>
+<p class="line">En keeren we allen tot onszelven in.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6ii.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Kent.</span> <i>Het zeestrand bij</i> <span class="ex">Dover</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een Kaperkapitein, een Schipper,
+een Bootsman</i>, <span class="sc">Walter Whitmore</span> <i>en Anderen; met hen</i> <span class="sc">Suffolk</span>, <i>die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,</p>
+<p class="line">Heeft in den schoot der golven zich verscholen;</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.3" class="line">Luid huilend wekken wolven nu de knollen,</p>
+<p class="line">Die traag de kar der sombre, norsche Nacht</p>
+<p class="line">Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken</p>
+<p class="line">Langs graven zwevend, uit hun vochten muil</p>
+<p class="line">Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.</p>
+<p class="line">Brengt nu de krijgers der genomen bark;</p>
+<p class="line">Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij</p>
+<p class="line">Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,</p>
+<p class="line">Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—</p>
+<p class="line">Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—</p>
+<p class="line">Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—</p>
+<p class="line">Die andre, <span class="stage">(<i>op</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>wijzend</i>.)</span> Walter Whitmore, is uw deel. <span class="lineNum">14</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Edelman.</p>
+<p class="line">Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Schipper.</p>
+<p class="line">Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bootsman.</p>
+<p class="line">Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,</p>
+<p class="line">En noemt en doet ge u voor als edellieden?—</p>
+<p class="line">Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!</p>
+<p class="line">Weegt zulk een kleine som de levens op</p>
+<p class="line">Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Edelman.</p>
+<p class="line">Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Edelman.</p>
+<p class="line">Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Suffolk</span>.)</span> En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;</p>
+<p class="line">En dezen stierven ook, had ik mijn zin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.29" class="line">Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;</p>
+<p class="line">Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. <span class="lineNum">31</span></p>
+<p class="line">Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.</p>
+<p class="line">Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.35" class="line">En toen gezegd: door <span class="ex">Water</span> zoude ik sterven.</p>
+<p class="line">Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;</p>
+<p class="line">Goed uitgesproken, is uw naam <span class="ex">Gaultier</span>.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line"><span class="ex">Gaultier</span> of <span class="ex">Walter</span>, ’t is mij een. Maar nooit</p>
+<p class="line">Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,</p>
+<p class="line">Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.</p>
+<p class="line">Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,</p>
+<p class="line">Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,</p>
+<p class="line">En roep alom mij als een lafaard uit!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij grijpt</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>aan</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;</p>
+<p class="line">’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitstone.</p>
+<p class="line">De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;</p>
+<p class="line">Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. <span class="lineNum">49</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot den Kapitein</i>).</span> Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,</p>
+<p class="line">Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,</p>
+<p class="line">Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.</p>
+<p class="line">Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,</p>
+<p class="line">Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.54" class="line">Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,</p>
+<p class="line">En door mijn knik gelukkig u gevoeld?</p>
+<p class="line">Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,</p>
+<p class="line">Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig</p>
+<p class="line">Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal</p>
+<p class="line">Met koningin Marg’retha was gezeten?</p>
+<p class="line">Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,</p>
+<p class="line">Ja, en het knakke uw onberaden trots.</p>
+<p class="line">Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,</p>
+<p class="line">En wachttet onderdanig tot ik kwam?<span class="pageNum" id="pb679">[<a href="#pb679">679</a>]</span></p>
+<p class="line">De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,</p>
+<p class="line">En kluist’re daarom thans uw wilde tong.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Voer hem van hier ter zij van onze sloep,</p>
+<p class="line">En sla hem ’t hoofd af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">En sla hem ’t hoofd af. </span>Waagt gij ’t hoofd er aan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Ja, Pole.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Ja, Pole. </span>Pole?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Pool’? Sir Pole? lord?</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.70" class="line">Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek</p>
+<p class="line">De zilvren bron bederft, waar England drinkt.</p>
+<p class="line">Nu stop ik u dien opgesperden muil,</p>
+<p class="line">Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,</p>
+<p class="line">Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;</p>
+<p class="line">En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,</p>
+<p class="line">Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs</p>
+<p class="line">Nu aan; die fluiten u verachtend uit;</p>
+<p class="line">Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,</p>
+<p class="line">Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,</p>
+<p class="line">De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,</p>
+<p class="line">Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.</p>
+<p class="line">Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,</p>
+<p class="line">En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,</p>
+<p class="line">Aan uwer eigen moeder bloedend hart. <span class="lineNum">85</span></p>
+<p class="line">Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;</p>
+<p class="line">Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers</p>
+<p class="line">Driest ons gezag verwerpen, Picardije</p>
+<p class="line">Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,</p>
+<p class="line">De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.</p>
+<p class="line">De vorstelijke Warwick, al de Nevils,</p>
+<p class="line">Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,</p>
+<p class="line">Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;</p>
+<p class="line">En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen</p>
+<p class="line">Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,</p>
+<p class="line">En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—</p>
+<p class="line">Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,</p>
+<p class="line">De halve zon, door wolken brekend, op,</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.99" class="line">Waaronder staat: „<span class="ex" lang="la">invitis nubibus</span>”.</p>
+<p class="line">Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;</p>
+<p class="line">In één woord, beed’laars-armoê en beschimping</p>
+<p class="line">Zijn ingeslopen in des konings slot,</p>
+<p class="line">En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">O ware ik thans een god, die bliksems schoot,</p>
+<p class="line">Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!</p>
+<p class="line">’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;</p>
+<p class="line">Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,</p>
+<p class="line">Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.108" class="line">De sterke Bargulus.—De hommel zuigt</p>
+<p class="line">Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven</p>
+<p class="line">Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf</p>
+<p class="line">Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.</p>
+<p class="line">Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.</p>
+<p class="line">Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;</p>
+<p class="line">En zeg u: voer mij veilig over zee.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Walter!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.117" class="line"><span class="ex" lang="la">Pene gelidus timor occupat artus.</span> U vrees ik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.</p>
+<p class="line">Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Edelman.</p>
+<p class="line">Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,</p>
+<p class="line">Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.</p>
+<p class="line">Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden</p>
+<p class="line">Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd</p>
+<p class="line">Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,</p>
+<p class="line">Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;</p>
+<p class="line">En eer nog danse ’t bloedig op een stang,</p>
+<p class="line">Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.</p>
+<p class="line">Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;</p>
+<p class="line">Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. <span class="lineNum">131</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Suffolk.</p>
+<p class="line">Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,</p>
+<p class="line">Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.</p>
+<p class="line">Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:</p>
+<p class="line">Een vechter en bandiet uit Rome moordde</p>
+<p id="kh6ii.iv.1.136" class="line">Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand</p>
+<p class="line">Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk</p>
+<p class="line">Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>met</i> <span class="sc">Suffolk</span> <i>en Anderen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Kapitein.</p>
+<p class="line">Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,</p>
+<p class="line">Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;</p>
+<p class="line">Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve de Eerste Edelman.</i>)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>komt terug, met</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>hoofdloos lijk en hoofd</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Whitmore.</p>
+<p class="line">Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,</p>
+<p class="line">Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Whitmore</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Edelman.</p>
+<p class="line">O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!</p>
+<p class="line">Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;</p>
+<p class="line">Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,</p>
+<p class="line">Aan wie hij dierbaar was, de koningin.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Eerste Edelman af met</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>lijk</i>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb680">[<a href="#pb680">680</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Blackheath.</span></p>
+<p class="stage"><span class="sc">George Bevis</span> <i>en</i> <span class="sc">John Holland</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij zijn al sinds eergisteren
+opgestaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken en keeren en er nieuwe
+wol opbrengen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik zeg maar, met het
+vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de edellieden opgekomen zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in tel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p680width"><img src="images/p680.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel." width="463" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Tweede Gedeelte, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo veel wil zeggen als:
+„laat de overheden werklieden zijn”; en daarom moesten wij eigenlijk overheden zijn.
+<span class="lineNum">20</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan een harde hand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit Wingham,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer van te maken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>En Dick, de slager,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid gekeeld als een kalf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>En Smith, de wever,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p><span class="ex">Argo</span>, hun levensdraad is afgesponnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John.</p>
+<p>Kom, kom, ons bij hen aangesloten!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Jack Cade</span>, <span class="sc">Dick</span> <i>de slager</i>, <span class="sc">Smith</span> <i>de Wever en een groote hoop volks komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen gestolen hebt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p id="kh6ii.iv.2.37">Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden door den geest om koningen
+en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij stil zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Stilte!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Mijn vader was een Mortimer,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Mijn moeder een Plantagenet,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p id="kh6ii.iv.2.47">Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook wel spencers verkocht hebben.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar mars het land af te reizen,
+wascht ze te huis voor de menschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>En dus ben ik van hoogen huize.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en daar is hij geboren, achter
+een heg; want zijn vader heeft nooit een huis gehad behalve het landloopershok.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Moed heb ik;—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>En ik kan veel verdragen;—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Buiten twijfel; want ik heb hem <span id="kh6ii.iv.2.62">drie marktdagen achtereen</span> met de bullepees zien krijgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want zijn plunje is beproefd, door
+langen dienst. <span class="lineNum">65</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor zijn, want hij is in de hand gebrand
+voor het stelen van schapen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, dat hij alles hervormen
+zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan
+van drie hoepels hoog zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren,
+scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, en op Cheapside
+zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning ben,—want koning zal ik zijn,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p>God behoede uw majesteit!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen zullen op mijn kosten
+eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei kleeden, opdat zij overeenstemmen
+als broeders en mij als hun heer vereeren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel van een onnoozel
+lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het bekrabbeld is, een mensch kan
+te niet doen? Men zegt, dat de bij steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want
+ik heb maar eens in mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn
+eigen meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb681">[<a href="#pb681">681</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith.</p>
+<p>De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen opmaken!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>O, afschuwelijk!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith.</p>
+<p>Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor zijn jongens.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>’t Is een schurk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith.</p>
+<p>Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Wel, dan is hij een duivelbezweerder.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als een advocaat.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem niet schuldig vind,
+zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u verhooren. Hoe is uw naam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Klerk.</p>
+<p id="kh6ii.iv.2.106">Emanuël.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht met u afloopen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt gij een handmerk, zooals
+een eerlijk en eenvoudig man?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Klerk.</p>
+<p>Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan schrijven. <span class="lineNum">113</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p>Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een verrader.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om zijn hals.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Eenigen af met den Klerk.</i>)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Michaël</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Michaël.</p>
+<p>Waar is onze generaal?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p id="kh6ii.iv.2.119">Hier ben ik, enkele kerel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Michaël.</p>
+<p>Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder zijn hier vlak bij,
+met het krijgsvolk van den koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal een man vinden zoo
+goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet waar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Michaël.</p>
+<p>Juist.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder maken. Kniel neder,
+Mortimer. <span class="stage">(<i>Hij knielt.</i>)</span>—Sta op, Sir John Mortimer.—<span class="stage">(<i>Hij rijst op.</i>)</span> Nu op hem los.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">Humfried Stafford</span> <i>en zijn broeder</i> <span class="sc">William</span> <i>komen met slaande trommen en met troepen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p class="line">Oproerig vee, afval en schuim van Kent,</p>
+<p class="line">Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;</p>
+<p class="line">IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.</p>
+<p class="line">De koning is genadig, zoo gij afvalt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">William Stafford.</p>
+<p class="line">Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,</p>
+<p class="line">Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;</p>
+<p class="line">Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover</p>
+<p class="line">Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,</p>
+<p class="line">Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p class="line">Hondsvot, uw vader was een metselaar;</p>
+<p class="line">Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">En Adam was een spitter.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">William Stafford.</p>
+<p class="line">Nu, wat wilt gij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man</p>
+<p class="line">Der dochter van den hertog Clarence, niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p class="line">’t Is waar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">William Stafford.</p>
+<p class="line">Niet waar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.</p>
+<p class="line">Het oudste van de twee, dat bij een min was,</p>
+<p class="line">Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;</p>
+<p class="line">Het kende zijn geboorte en afkomst niet,</p>
+<p class="line">En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.</p>
+<p class="line">Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p class="line">Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith.</p>
+<p>Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en de baksteenen zijn
+nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het niet.
+<span class="lineNum">158</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p class="line">En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,</p>
+<p class="line">Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">William Stafford.</p>
+<p class="line">Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—<span class="stage">(<i>Luid</i>).</span> Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders wil, Hendrik
+den Vijfden, in wiens tijd de jongens <span id="kh6ii.iv.2.166">duitenwerpen</span> speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft regeeren; maar
+ik wil protector over hem zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het hertogdom Maine verkocht
+heeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met een kruk moeten loopen,
+als mijn macht het niet op de been hield. Gij medekoningen, ik zeg u, dat die lord
+Say den staat ontmand en tot een gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij
+kan Fransch spreken en dus is hij een verrader.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p>O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, dan vraag ik <span class="pageNum" id="pb682">[<a href="#pb682">682</a>]</span>alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, een goed raadsman zijn, ja
+of neen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">William Stafford.</p>
+<p class="line">Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,</p>
+<p class="line">Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Stafford.</p>
+<p class="line">Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,</p>
+<p class="line">Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;</p>
+<p class="line">Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,</p>
+<p class="line">Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,</p>
+<p class="line">Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—</p>
+<p class="line">En wie des konings vriend is, volge mij!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De beide</i> <span class="sc">Staffords</span> <i>met hun troepen af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—</p>
+<p class="line">’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.</p>
+<p class="line">Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,</p>
+<p class="line">Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.</p>
+<p class="line">Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,</p>
+<p class="line">Als zij maar durfden, zeker onzen kant.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. Komt, vooruit! voorwaarts!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van</i> <span class="ex">Blackheath</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide</i> <span class="sc">Staffords</span> <i>worden gedood</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Waar is Dick, de slachter van Ashford?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Hier.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof gij in uw eigen
+slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: <span id="kh6ii.iv.3.7">de vastentijd zal</span> nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning krijgen om een honderdtal
+beesten min één te slachten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Meer verlang ik niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>En in waarheid, gij verdient niet minder.—<span class="stage">(<i>Hij doet de wapenrusting van Sir</i> <span class="sc">Humfried Stafford</span> <i>aan</i>.)</span> <span id="kh6ii.iv.3.11">Dit gedenkteeken van de overwinning</span> wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot ik in Londen kom, waar
+wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen laten dragen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij de tuchthuizen openbreken
+en de gevangenen vrijlaten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">Weest onbezorgd; daar sta ik voor in.</p>
+<p class="line">Komt, allen voorwaarts, naar Londen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van</i> <span class="sc">Buckingham</span> <i>en Lord</i> <span class="sc">Say</span>; <i>op den achtergrond is Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>treurende over</i> <span class="sc">Suffolk’s</span> <i>hoofd</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed</p>
+<p class="line">Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;</p>
+<p class="line">Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.</p>
+<p class="line">Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?</p>
+<p class="line">Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,</p>
+<p class="line">Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;</p>
+<p class="line">Verhoede God, dat zooveel arme zielen</p>
+<p class="line">Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog</p>
+<p class="line">Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf</p>
+<p class="line">Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—</p>
+<p class="line">Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat</p>
+<p class="line">Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,</p>
+<p class="line">En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,</p>
+<p class="line">Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. <span class="lineNum">19</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hoe is het, vrouwe?</p>
+<p class="line">Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood?</p>
+<p class="line">Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’,</p>
+<p class="line">Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat is er? waartoe komt gij met die haast?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst!</p>
+<p class="line">Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer,</p>
+<p class="line">Gesproten uit het hertogshuis van Clarence;</p>
+<p class="line">Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst</p>
+<p class="line">En zweert, in Westminster zichzelf te kronen.</p>
+<p class="line">Zijn leger is een havelooze bende</p>
+<p class="line">Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig.</p>
+<p class="line">Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood</p>
+<p class="line">Gaf hun het hart, den moed om door te gaan.</p>
+<p class="line">Geleerden, advocaten, hof en adel,</p>
+<p class="line">’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb683">[<a href="#pb683">683</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p id="kh6ii.iv.4.44" class="line">Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth,</p>
+<p class="line">Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O, leefde thans de hertog Suffolk nog,</p>
+<p class="line">Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Lord Say, die oproermakers haten u;</p>
+<p class="line">Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar.</p>
+<p class="line">Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede;</p>
+<p class="line">Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat;</p>
+<p class="line">Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Tweede Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Bode.</p>
+<p class="line">Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug;</p>
+<p class="line">De burgers vluchten angstig uit hun huizen;</p>
+<p class="line">En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters,</p>
+<p class="line">Uit dorst naar buit; als één man zweren zij</p>
+<p class="line">De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot lord</i> <span class="sc">Say</span>).</span> Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld,</p>
+<p class="line">En daarom ben ik moedig en gerust.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De Tower.</i></p>
+<p class="stage"><i>Lord</i> <span class="sc">Scales</span> <i>en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen eenige Burgers beneden
+op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Scales.</p>
+<p class="line">Wel, is Jack Cade alreeds gedood?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Burger.</p>
+<p>Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij hebben de brug genomen, en dooden
+alles, wat weerstand biedt. De lord mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower,
+ten einde de stad tegen de muiters te verdedigen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Scales.</p>
+<p class="line">Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst;</p>
+<p class="line">Maar ik heb zelf de handen vol met hen;</p>
+<p class="line">Zij waagden reeds een aanval op den Tower.</p>
+<p class="line">Doch trek naar Smithfield en verzamel volk;</p>
+<p class="line">Daarheen zend ik tot u Matthias Gough.</p>
+<p class="line">Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens;</p>
+<p class="line">En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>De Kanonstraat.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Jack Cade</span> <i>komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den Londener steen.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den <span id="kh6ii.iv.6.2">Londener steen</span>, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het manneke-pis niets anders dan
+rooden wijn zal geven in het eerste jaar van onze regeering. En verder, voortaan zal
+het hoogverraad zijn, als iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rebel.</p>
+<p>Jack Cade! Jack Cade!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Slaat dien kerel dood!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Man wordt gedood.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith.</p>
+<p>Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade noemen; mij dunkt, hij
+heeft een mooie waarschuwing gekregen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de Londener brug in brand
+steken, en als gij kunt, brandt dan ook den Tower plat. Komt, vooruit!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.7" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span> <i>Smithfield.</i></p>
+<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op</i> <span class="sc">Jack Cade</span> <i>met zijn volk; van de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door</i> <span class="sc">Matthias Gough</span>. <i>Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en</i> <span class="sc">Matthias Gough</span> <i>valt</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en <span id="kh6ii.iv.7.2">het Savooische huis</span> neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen komen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij is in den mond gestoken met
+een speer en nog niet genezen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Smith</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want hij stinkt uit den mond naar
+gerooste kaas.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de besluiten van het
+rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">John</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem zijn tanden niet uitgetrokken
+worden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb684">[<a href="#pb684">684</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p>Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden in Frankrijk verkocht
+heeft, <span id="kh6ii.iv.7.24">die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling
+van het pond bij de laatste oorlogsschatting</span>.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">George Bevis</span> <i>komt op, met Lord</i> <span class="sc">Say</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—<span id="kh6ii.iv.7.27">Zoo, gij Say, gij saai</span>, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke rechtspraak. Wat kunt
+gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij Normandije aan Monsieur Baesimeku,
+den dauphijn van Frankrijk, hebt overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen,
+dat is door dezen lord Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen
+van zulke vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk
+verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl voordezen onze
+voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het keepmes en den kerfstok, hebt
+gij het drukken in zwang gebracht en, tot inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid,
+een papiermolen gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om
+u heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en meer zulke
+afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. Gij hebt vrederechters benoemd,
+om arme drommels voor zich te roepen over dingen, waar zij niet op konden antwoorden.
+Bovendien hebt gij die in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden
+lezen, terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een schabrak,
+is het zoo niet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p>En wat zou dat? <span class="lineNum">52</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui dan gij in broek en
+hemdrok rondloopen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een slager ben.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p>Gij mannen van Kent,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Wat hebt gij op Kent te zeggen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p>Slechts dit: ’t is <span class="ex" id="kh6ii.iv.7.61" lang="la">bona terra, mala gens</span>.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.</p>
+<p class="line">Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren</p>
+<p id="kh6ii.iv.7.66" class="line">De liefste streek genoemd van heel dit eiland;</p>
+<p class="line">Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;</p>
+<p class="line">Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,</p>
+<p class="line">Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.</p>
+<p class="line">Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,</p>
+<p class="line">Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.</p>
+<p class="line">Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,</p>
+<p class="line">Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.</p>
+<p class="line">Wanneer legde ik u lasten op, tenzij</p>
+<p class="line">Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?</p>
+<p class="line">Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,</p>
+<p class="line">Omdat mijn weten bij den koning gold,</p>
+<p class="line">En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis</p>
+<p class="line">De vleugel is, die ons ten hemel heft.</p>
+<p class="line">Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,</p>
+<p class="line">Dan deinst gij van een moord op mij terug.</p>
+<p class="line">Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven</p>
+<p class="line">Voor u gepleit,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,</p>
+<p class="line">Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p>O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te overvallen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p>Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden</p>
+<p class="line">Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den bijstand van een bijl.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Wat siddert gij, man? <span class="lineNum">96</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p>Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel vinden. Ik wil eens zien,
+of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;</p>
+<p class="line">Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!</p>
+<p class="line">Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?</p>
+<p class="line">Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?</p>
+<p class="line">Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?</p>
+<p class="line">Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,</p>
+<p class="line">In deze borst geen arglist ooit gehuisd;</p>
+<p class="line">O, laat mij ’t leven!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade</p>
+<p><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, maar ik wil die beteugelen;
+sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met
+hem! hij heeft een dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam
+van God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en breekt
+dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het hoofd af, en brengt
+die alle twee op twee staken hier.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb685">[<a href="#pb685">685</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Het zal gebeuren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Say.</p>
+<p class="line">Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden</p>
+<p class="line">Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,</p>
+<p class="line">Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?</p>
+<p class="line">Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p class="line">Weg met hem, doet zooals ik u beveel.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Eenigen zijner aanhangers met Lord</i> <span class="sc">Say</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="first">De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders dragen, als hij
+mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er uitgehuwd worden, zonder dat zij mij
+haar maagdom betaalt, eer zìj dien krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen,
+en wij gelasten en bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar
+wenschen of de tong vertellen kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Dick.</p>
+<p>Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om <span id="kh6ii.iv.7.131">koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Wel, dadelijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p>O, heerlijk!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord</i> <span class="sc">Say</span> <i>en zijn Schoonzoon op staken</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want zij hadden elkander
+lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van elkaar, opdat zij niet samen raadplegen
+om nog meer Fransche steden weg te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad
+uit tot van nacht, want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee rijksappels,
+en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen zij elkander kussen.—Vooruit!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.8" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ACHTSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Southwark.</span></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">Cade</span> <i>komt op, met al zijn gepeupel</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, velt ze neer! smijt
+ze in de Theems!—<span class="stage">(<i>Er wordt een sein geblazen voor een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.</i>)</span> Heeft daar iemand het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last
+geef, alles dood te slaan?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en de oude</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.</p>
+<p class="line">Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier</p>
+<p class="line">Des konings aan ’t door u verleide volk;</p>
+<p class="line">Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,</p>
+<p class="line">Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Wat kiest gij, landgenooten? de genade,</p>
+<p class="line">Die onderwerping nog erlangt, of moet</p>
+<p id="kh6ii.iv.8.13" class="line">Een oproerling u voeren in den dood?</p>
+<p class="line">Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,</p>
+<p class="line">Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”</p>
+<p class="line">Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,</p>
+<p class="line">Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,</p>
+<p class="line">Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Den koning heil! den koning heil!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, laffe boeren, gelooft
+gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met uw pardon om den hals? Heeft mijn
+zwaard daarom de poort van Londen opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in
+Southwark in den steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt nederleggen,
+aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen zijt afvalligen en lafaards
+en ’t is u een genot, in de slavernij van den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten
+zij u met lasten den rug breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en
+dochters voor uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen,
+en daarmee,—Gods vloek op u allen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, <span class="lineNum">36</span></p>
+<p class="line">Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?</p>
+<p class="line">Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,</p>
+<p class="line">U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?</p>
+<p class="line">Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,</p>
+<p class="line">Hij kan niet leven, dan alleen door roof,</p>
+<p class="line">’t Bestelen van uw vrienden en van ons.</p>
+<p class="line">Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht</p>
+<p class="line">De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,</p>
+<p class="line">De zeeën overstak en u versloeg?</p>
+<p class="line">Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,</p>
+<p class="line">Hoe hij den baas in Londens straten speelt,</p>
+<p id="kh6ii.iv.8.48" class="line">„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.</p>
+<p class="line">Laat eer tienduizend laaggeboren Cades</p>
+<p class="line">Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt</p>
+<p class="line">Voor de genade van een enk’len Franschman.</p>
+<p class="line">Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,</p>
+<p class="line">Spaart England, dàt is uw geboortestrand.</p>
+<p class="line">Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;</p>
+<p class="line">God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p>Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met Clifford!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze volkshoop? De naam
+van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een honderd boosheden en maakt, dat zij
+mij in den nood verlaten. Ik zie, dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij
+te overrompelen, mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots
+hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen van mij getuigen,
+dat geen gebrek <span class="pageNum" id="pb686">[<a href="#pb686">686</a>]</span>aan moed, maar alleen het laag en schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen
+doet lichten.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Cade</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;</p>
+<p class="line">En wie het hoofd diens mans den koning brengt,</p>
+<p class="line">Zal duizend kronen ter belooning hebben.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Eenigen spoeden zich heen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,</p>
+<p class="line">Om allen met den koning te verzoenen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.9" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">NEGENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Het kasteel</i> <span class="ex">Kenilworth</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>verschijnen op het terras van het kasteel</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,</p>
+<p class="line">Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?</p>
+<p class="line">Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,</p>
+<p class="line">Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;</p>
+<p class="line">Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,</p>
+<p class="line">Als ik verlang een onderdaan te zijn.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>en</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op, boven</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Spreek, Buckingham, is die verrader Cade</p>
+<p class="line">Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Beneden komt een aantal aanhangers van</i> <span class="sc">Cade</span> <i>op, allen met stroppen om den hals</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,</p>
+<p class="line">En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig</p>
+<p class="line">Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, <span class="lineNum">13</span></p>
+<p class="line">En dat mijn dank en lof u welkom zij!—</p>
+<p class="line">Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;</p>
+<p class="line">Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;</p>
+<p class="line">Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,</p>
+<p class="line">Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,</p>
+<p class="line">Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.</p>
+<p class="line">En zoo, u allen dankend en vergevend,</p>
+<p class="line">Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">God behoede den koning! God behoede den koning!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:</p>
+<p class="line">Zoo even komt de hertog York uit Ierland,</p>
+<p class="line">En rukt, met groote en sterke legermacht,</p>
+<p id="kh6ii.iv.9.26" class="line">Van Galloglassen en van forsche Kernen,</p>
+<p class="line">Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,</p>
+<p class="line">Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,</p>
+<p class="line">Dan van het hof den hertog Somerset,—</p>
+<p class="line">Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,</p>
+<p class="line">Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,</p>
+<p class="line">Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;</p>
+<p class="line">Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,</p>
+<p class="line">Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.</p>
+<p class="line">Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,</p>
+<p class="line">Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,</p>
+<p class="line">Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—</p>
+<p class="line">Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,</p>
+<p class="line">Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,</p>
+<p class="line">Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Buckingham</span>).</span> Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen barsche taal,</p>
+<p class="line">Want heftig is hij en verdraagt dit niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,</p>
+<p class="line">Dat alles zich ten uwen beste keert.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer</p>
+<p class="line">Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu</p>
+<p class="line">Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.iv.10" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.iv.10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TIENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Kent.</span> <span class="sc">Iden’s</span> <i>tuin</i>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Cade</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch op het punt sta om
+van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in deze bosschen schuil gehouden
+en durfde niet uitkijken, want het geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig,
+dat ik het niet langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar
+voor in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te zien, of
+ik er wat malsch gras kan eten, of <span id="kh6ii.iv.10.9">haver in plaats van helm</span>, en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag een weinigje
+kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord helm in de wereld is gekomen,
+om mij in het leven te houden; want menig keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan
+door een hellebaard gespleten zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en
+een stevigen tocht deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken,
+en nu heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,</p>
+<p class="line">Die zulk een rustig wandelplekje heeft?<span class="pageNum" id="pb687">[<a href="#pb687">687</a>]</span></p>
+<p class="line">Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,</p>
+<p class="line">Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.</p>
+<p class="line">Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,</p>
+<p class="line">Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;</p>
+<p class="line">Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,</p>
+<p class="line">Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een landlooper, omdat ik zonder
+verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, gij wilt mij verraden en een duizend kronen
+van den koning verdienen door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren
+eten als een struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij tweeën
+van elkander scheiden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,</p>
+<p class="line">Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?</p>
+<p class="line">Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,</p>
+<p class="line">En als een dief hier in mijn hof komt stelen,</p>
+<p class="line">Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,</p>
+<p class="line">Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, en u trotsen bovendien.
+Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen iets gegeten; maar toch, kom eens op met
+uw vijf kerels, en als ik u niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven,
+dat ik nooit meer één grassprietje te eten krijg. <span class="lineNum">44</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,</p>
+<p class="line">Dat Alexander Iden, Kenter landheer,</p>
+<p class="line">Met overmacht een hong’rig man bevocht.</p>
+<p class="line">Richt vast uw starend oog nu op het mijne,</p>
+<p class="line">En zie, of gij met blikken mij bedwingt;</p>
+<p class="line">Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;</p>
+<p class="line">Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,</p>
+<p class="line">Uw been een stok, naast dezen stam gezien,</p>
+<p class="line">Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;</p>
+<p class="line">En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,</p>
+<p class="line">Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.</p>
+<p class="line">Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,</p>
+<p class="line">Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit van gehoord heb!—Nu
+gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien grofgeschonkten pochhans niet in
+stukken ossenvleesch kapt, eer gij in uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn
+knieën, dat gij tot hoefnagels moogt versmeed worden. <span class="stage">(<i>Zij vechten</i>; <span class="sc">Cade</span> <i>valt</i>.)</span> O, ik ben geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er tienduizend
+duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien maaltijden, die ik gemist heb,
+en ik neem het tegen allen op. Verdor, gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats
+van allen, die in dit huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden
+is. <span class="lineNum">70</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?</p>
+<p class="line">Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;</p>
+<p class="line">Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;</p>
+<p class="line">Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,</p>
+<p class="line">Gij zult het dragen als een wapenkleed,</p>
+<p class="line">Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Cade.</p>
+<p>Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van mij, dat het zijn
+besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele wereld aan om lafaards te zijn, want
+ik, die nooit iemand vreesde, ben overwonnen door den honger, niet door dapperheid.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!</p>
+<p class="line">Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!</p>
+<p class="line">En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,</p>
+<p class="line">Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.</p>
+<p class="line">Thans sleep ik bij uw hielen u van hier</p>
+<p class="line">Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;</p>
+<p class="line">Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,</p>
+<p class="line">Dat ik den koning zegevierend breng,</p>
+<p class="line">Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten<span class="corr" id="xd33e13816" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Iden</span>, <i>het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6ii.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een veld tusschen</i> <span class="ex">Dartford</span> <i>en</i> <span class="ex">Blackheath</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Aan de eene zijde het legerkamp des Konings. Van de andere zijde komt</i> <span class="sc">York</span> <i>op met Gevolg, met trommen en vaandels; zijn Troepen op eenigen afstand</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo komt uit Ierland York en eischt zijn recht,</p>
+<p class="line">En rukt de kroon van ’t hoofd des zwakken Hendriks;</p>
+<p class="line">Galmt, klokken, luid; brandt, vreugdevuren, schitt’rend,</p>
+<p class="line">En groet den echten vorst van ’t machtig England.</p>
+<p class="line"><span class="ex" lang="la">Sancta majestas!</span> wie kocht u niet duur?</p>
+<p class="line">Dat hij gehoorzaam’, die niet heerschen kan;</p>
+<p class="line">De hand hier werd gevormd om enkel goud,</p>
+<p class="line">Niets anders, te hanteeren; aan mijn woorden</p>
+<p class="line">Kan zij de volle kracht en klem niet geven,</p>
+<p class="line">Geeft niet een zwaard of scepter ’t juist gewicht.</p>
+<p class="line">En bij mijn ziel, een scepter zal zij hebben,</p>
+<p class="line">Waarop ik Frankrijks leliën hechten wil.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb688">[<a href="#pb688">688</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Wie komt daar,—Buckingham?—om mij te storen?</p>
+<p class="line">De koning zendt hem wis; ik moet nu huich’len.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Zoo gij als vriend komt, York, dan groet ik vriendlijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Humfried van Buckingham, dank voor uw groet.</p>
+<p class="line">Komt gij als bode hier, of uit uzelf?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Vanwege Hendrik, onzen heer en vorst,</p>
+<p class="line">Vraag ik: waartoe in vrede deze waap’ning?</p>
+<p class="line">Waarom hebt gij, een onderdaan als ik,</p>
+<p class="line">Trots uwen eed en uw bezworen trouw,</p>
+<p class="line">Zulk leger zonder machtiging gelicht,</p>
+<p class="line">En waagt gij, ’t zoo nabij het hof te brengen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik spreek met moeite, zoo vergramd ben ik.</p>
+<p class="line">O, rotsen kon ik kloven, keien werpen,</p>
+<p class="line">Zoo toornig word ik bij die snoode taal;</p>
+<p class="line">Ja, ’k zou nu, zooals Ajax Telamonius,</p>
+<p class="line">Mijn woede op ossen en op schapen koelen.</p>
+<p class="line">Ik ben veel hooggeboor’ner dan de koning,</p>
+<p class="line">Meer koning in mijn denken, in mijn aard;</p>
+<p class="line">Doch ik moet nog een wijl mooi weder spelen,</p>
+<p class="line">Tot Hendrik zwakker is en sterker ik.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> O, Buckingham, houd, bid ik, mij ten goede,</p>
+<p class="line">Dat ik u al dien tijd geen antwoord gaf;</p>
+<p class="line">Mijn geest was van zwaarmoedigheid bevangen.</p>
+<p class="line">Ik wil,—dit is mijn doel met deze heermacht,—</p>
+<p class="line">Den trotschen Somerset het hof doen ruimen,</p>
+<p class="line">Wijl hij den koning en het rijk verraadt. <span class="lineNum">37</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Te veel aanmatiging van u, voorwaar!</p>
+<p class="line">Intusschen, heeft uw tocht geen ander doel,</p>
+<p class="line">Dan heeft de koning uw verzoek bewilligd;</p>
+<p class="line">De hertog Somerset is in den Tower.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dus is hij, op uw eer, een staatsgevang’ne?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Ja, op mijn eer, hij is een staatsgevang’ne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dan, Buckingham, dank ik mijn leger af.—</p>
+<p class="line">Hebt, mannen, allen dank; verstrooit u thans;</p>
+<p class="line">Komt morgen tot mij, op ’t Sint George’s veld,</p>
+<p class="line">Dan krijgt gij uw soldij, al wat gij wenscht.</p>
+<p class="line">En zoo mijn vorst, de deugdenrijke Hendrik,</p>
+<p class="line">Mijn oudsten zoon begeert, ja, al mijn zoons,</p>
+<p class="line">Als panden van mijn liefde en trouw, ik zend</p>
+<p class="line">Hem, zoo gewillig als ik leef, die allen;</p>
+<p class="line">Land, goedren, paarden, waap’nen,—wat ik heb,</p>
+<p class="line">’t Is tot zijn dienst, zoo Somerset maar sterft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Die need’rige onderwerping prijs ik, York;</p>
+<p class="line">Gaan wij te zamen naar des konings tent.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>treedt op, met Gevolg</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Is, Buckingham, van York niets kwaads te duchten,</p>
+<p class="line">Dat gij zoo met hem aankomt, arm in arm?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">In alle need’righeid, vol onderwerping,</p>
+<p class="line">Verschijnt hier York voor uwe majesteit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En wat bedoelt de krijgsmacht, die gij meebrengt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Den valschen Somerset van hier te drijven,</p>
+<p class="line">En de’ aartsverrader Cade een les te geven;—</p>
+<p class="line">Ik hoor eerst nu, dat hij verslagen is.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>komt op, met</i> <span class="sc">Cade’s</span> <i>hoofd</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Als een eenvoudig man, zoo laag van rang,</p>
+<p class="line">Voor de oogen van een koning treden mag,</p>
+<p class="line">Breng ik uw hoogheid eens verraders hoofd,</p>
+<p class="line">Van Cade, in tweegevecht door mij gedood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Het hoofd van Cade?—O God, gij zijt rechtvaardig!—</p>
+<p class="line">O, laat mij het gelaat des dooden zien,</p>
+<p class="line">Die levend zooveel onrust mij gewrocht heeft.</p>
+<p class="line">Zeg, vriend, zijt gij de man, die hem versloegt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Ik was ’t, indien ’t uw majesteit behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hoe is uw naam, en hebt gij een’gen rang?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Alexander Iden is mijn naam, uit Kent,</p>
+<p class="line">Een need’rig grondheer, die zijn vorst bemint.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Buckingham.</p>
+<p class="line">Zoo ’t u behaagt, mijn vorst, het ware goed,</p>
+<p class="line">Voor zulk een dienst tot ridder hem te slaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kniel neder, Iden.—<span class="stage">(<span class="sc">Iden</span> <i>knielt</i>.)</span> Sta als ridder op. <span class="lineNum">78</span></p>
+<p class="line">Wij geven u tot loon éénduizend mark,</p>
+<p class="line">En willen, dat gij voortaan om ons zijt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Iden.</p>
+<p class="line">Moge Iden leven, zulk een goedheid waardig;</p>
+<p class="line">Hij leve niet, dan trouw aan zijnen vorst.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij rijst op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zie, Buckingham! mijn vrouw met Somerset!</p>
+<p class="line">Ga, zeg haar, ras voor York hem te verbergen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Zijn hoofd verberg’ hij voor geen duizend Yorks,</p>
+<p class="line">Maar zie met fieren blik hem in ’t gelaat.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wat, Somerset in vrijheid? Nu dan York,</p>
+<p class="line">Ontboei uw langgekerkerde gedachten,</p>
+<p class="line">En zij uw tong de trouwe tolk van ’t hart.</p>
+<p class="line">Zou ik het zien van Somerset verdragen?—</p>
+<p class="line">Gij, valsche koning, braakt gij mij uw woord,</p>
+<p class="line">Ofschoon gij weet, hoe noode ik krenking duld?</p>
+<p class="line">Noemde ik u koning? neen, gij zijt geen koning;</p>
+<p class="line">Zoudt gij ooit menigten besturen, teug’len,</p>
+<p class="line">Die geen verrader teug’len durft noch kunt?</p>
+<p class="line">Uw hoofd daar is niet voor een kroon gevormd,</p>
+<p class="line">Uw hand slechts om een pelgrimsstaf te grijpen,</p>
+<p class="line">Een echten vorstenscepter siert zij niet.</p>
+<p class="line">Dat goud omspann’ geen voorhoofd dan het mijne,</p>
+<p class="line">Welks lach of dreiging, als Achilles’ speer,<span class="pageNum" id="pb689">[<a href="#pb689">689</a>]</span></p>
+<p class="line">Door zijn verand’ring dooden kan of heelen.</p>
+<p class="line">Hier is een hand, die, hoog den scepter houdend,</p>
+<p class="line">’t Gezag der wetten klem verleenen kan.</p>
+<p class="line">Maak plaats; bij God! gij zult geen heerscher zijn</p>
+<p class="line">Van hem, dien God tot uwen heerscher schiep.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">O aartsrebel!—In hecht’nis neem ik u</p>
+<p class="line">Om hoogverraad aan vorst en kroon! Gehoorzaam;</p>
+<p class="line">Kniel, driest verrader; vraag genade, York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik knielen? laat mij eerst aan dezen vragen,</p>
+<p class="line">Of ’t hun behaagt, dat York voor iemand kniel’.</p>
+<p class="line">Vriend, roep gij hier mijn zoons om borg te zijn;</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Een van</i> <span class="sc">York’s</span> <i>volgers af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ik weet, eer zij me in hecht’nis laten gaan,</p>
+<p class="line">Verpanden zij hun zwaard voor mijn bevrijding.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Roep Clifford hier; zeg hem terstond te komen;</p>
+<p class="line">Hij zegge ons, of de bastaardzoons van York</p>
+<p class="line">Huns valschen vaders borgen kunnen zijn.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Buckingham</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Napolitaansche, gij, met bloed bespat,</p>
+<p class="line">Napels’ verstoot’ling, Englands doornenroê;</p>
+<p class="line">York’s zonen, uwe beet’ren in geboorte,</p>
+<p class="line">Zij zullen ’s vaders borgen zijn; wee hem,</p>
+<p class="line">Die mijner zonen borgtocht weig’ren durft. <span class="lineNum">121</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>komen van de eene zijde met troepen op; van de andere, eveneens met troepen, de oude</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>en zijn Zoon</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Daar zijn zij, ziet; ik zweer, hun pand is goed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">En Clifford hier wijst hunnen borgtocht af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Geluk en welvaart aan mijn heer en koning!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij knielt.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik dank u, Clifford; spreek, wat komt gij melden?</p>
+<p class="line">Neen, maak ons niet verschrikt door booze blikken;</p>
+<p class="line">Wìj zijn uw koning, Clifford; kniel nog eens;</p>
+<p class="line">En deze uw dwaling willen we u vergeven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Daar staat mijn koning, York; ik dwaal hier niet;</p>
+<p class="line">Maar gij dwaalt zeer, zoo gij mij dwalend acht;—</p>
+<p class="line">Brengt hem naar ’t dolhuis! is de man waanzinnig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ja, Clifford, eerzucht en een vlaag van waanzin</p>
+<p class="line">Drijft hem tot weêrstand aan zijn koning aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Een aartsverrader; zend hem naar den Tower,</p>
+<p class="line">En sla zijn muitziek hoofd hem van den romp.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hij is er toe verwezen, maar hij weigert;</p>
+<p class="line">Zijn zonen, zegt hij, spreken goed voor hem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dat doet gij, zoons, niet waar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward<span class="corr" id="xd33e14190" title="Niet in bron">.</span></p>
+<p class="line">Ja, eed’le vader, zoo ons woord iets geldt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">En gelden woorden niet, dan geldt ons zwaard.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ziet, welk een broedsel is dit van verraders!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zie in den spiegel, geef uw beeld dien naam;</p>
+<p class="line">Ik ben uw koning, gij een valsch verrader.—</p>
+<p id="kh6ii.v.1.144" class="line">Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren,</p>
+<p class="line">Opdat het ramm’len hunner keet’nen reeds</p>
+<p class="line">Dien kwaden honden schrik in ’t harte jaag’;</p>
+<p class="line">Zegt Salisbury en Warwick, hier te komen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Salisbury</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Is dat uw berenpaar? wij hitsen ’t dood,</p>
+<p class="line">En leggen dan hun hoeder in hun keet’nen,</p>
+<p class="line">Als gij hen op de kampplaats brengen durft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Vaak zag ik, hoe een felle, heete hond</p>
+<p class="line">Omsprong en beet, omdat men hem weerhield,</p>
+<p class="line">Maar losgelaten op den berenklauw,</p>
+<p class="line">Met ingetrokken staart begon te janken;</p>
+<p class="line">En zulk een stuk voert gij waarschijnlijk op,</p>
+<p class="line">Als gij u met lord Warwick waagt te meten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Weg, aardkluit van Gods toorn, onmooglijk wezen,</p>
+<p class="line">Van ziel en lichaam evenzeer verdraaid! <span class="lineNum">158</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Geduld, gij krijgt het warm, als we u bestoken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Pas op, dat niet uw hitte uzelf verbrand’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Nu, Warwick, heeft uw knie verleerd te buigen?</p>
+<p class="line">En Salisbury, schande op uw zilv’ren haar,</p>
+<p class="line">Gij dwaas misleider van uw dollen zoon!—</p>
+<p class="line">Wat! op uw doodsbed speelt gij nog den woestaard</p>
+<p class="line">En zoekt met uwen bril het onheil op?</p>
+<p class="line">O, waar is trouw, waar is aanhank’lijkheid?</p>
+<p class="line">Is zij verbannen van ’t besneeuwde hoofd,</p>
+<p class="line">Waar zal zij dan op aarde herberg vinden?—</p>
+<p class="line">Wilt gij een graf, om krijg te vinden, delven,</p>
+<p class="line">Met bloed uw eerlijke’ ouderdom onteeren?</p>
+<p class="line">Waartoe werdt ge oud, zoo gij ervaring derft?</p>
+<p class="line">Of hebt gij die, waarom misbruikt gij haar?</p>
+<p class="line">O, schaam u, buig naar plicht voor mij uw knie,</p>
+<p class="line">Die reeds naar ’t graf zich buigt door hoogen leeftijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Mylord, gewogen heb ik in mijzelf</p>
+<p class="line">De aanspraken van den hoogberoemden hertog,</p>
+<p class="line">En naar geweten acht ik volgens ’t recht</p>
+<p class="line">Hem erfgenaam van Englands koningstroon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hebt gij mij niet als leenman trouw gezworen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Dat heb ik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Kunt gij voor God u van deze’ eed ontslaan?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb690">[<a href="#pb690">690</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">’t Is groote zonde, op zonde een eed te doen,</p>
+<p class="line">Doch grooter zonde, een zondige’ eed te houden.</p>
+<p class="line">Wie kan zich door een heil’gen eed verbinden.</p>
+<p class="line">Een moord te doen, diefstal en roof te plegen,</p>
+<p class="line">Een kuische maagd der reinheid bloem te ontwringen,</p>
+<p class="line">Een wees van ’s vaders erfdeel te versteken,</p>
+<p class="line">Een weduw haar gerechtlijk deel te ontrooven,—</p>
+<p class="line">En zonder een’gen and’ren grond voor ’t onrecht,</p>
+<p class="line">Dan dat een plechtige eed er hem toe bond?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Drogreed’nen staan verraders steeds ten dienste.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Roep Buckingham en zeg, dat hij zich waap’ne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Roep Buckingham en al uw vrienden op;</p>
+<p class="line">Ik ben besloten: dood of ’t koningschap!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ik sta voor ’t eerste u in, zoo droomen waar zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Best gingt gij naar uw bed om weer te droomen;</p>
+<p class="line">Gij waart er veilig voor des slagvelds storm.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ik ben besloten grooter storm te tarten,</p>
+<p class="line">Dan uw bezwering heden op kan roepen;</p>
+<p class="line">En dit zal ik u op uw stormhoed schrijven,</p>
+<p class="line">Zoo ik aan ’t teeken van uw huis u ken. <span class="lineNum">201</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Nu, bij mijns vaders Nevil’s helmtooi,</p>
+<p class="line">Den opgerichten beer aan de’ ouden paal,</p>
+<p class="line">Hoog wil ik heden mijnen stormhoed dragen,—</p>
+<p class="line">Zooals de ceder op een bergtop uitsteekt,</p>
+<p class="line">Maar, hoe de storm ook loei’, haar kroon bewaart,—</p>
+<p class="line">Om u te ontzetten door ’t gezicht er van.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">En van uw stormhoed ruk ik u dien beer</p>
+<p class="line">En treed dien vol verachting in het stof;</p>
+<p class="line">Ja, trots den hoeder, die den beer beschermt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De jonge Clifford.</p>
+<p class="line">En, nu ten strijd, mijn zegerijke vader,</p>
+<p class="line">Ter fnuiking van de muiters en hun bent!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Foei, christ’lijk! schaam u! niet die felle taal!</p>
+<p class="line">U wacht bij Jezus Christus ’t avondmaal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De jonge Clifford.</p>
+<p class="line">Geteekende, wis niet door uw bestel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Gij vaart, zoo niet ten hemel, wis ter hel.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, naar verschillenden kant.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Sint-Albaans.</span></p>
+<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch; schermutselingen.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Clifford van Cumberland, hoor Warwick’s roep!</p>
+<p class="line">Indien gij niet u voor den beer verschuilt,</p>
+<p class="line">Nu de verbolgen krijgstrompet alarm blaast</p>
+<p class="line">En stervenskreten de ijle lucht vervullen,</p>
+<p class="line">Dan zeg ik, Clifford, kom en vecht met mij!</p>
+<p class="line">Noordlandsche trotsche lord van Cumberland,</p>
+<p class="line">Kom, Clifford! Warwick riep zich heesch om u.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hoe is het, eed’le lord, waarom te voet?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Clifford’s verdelgershand versloeg mijn ros;</p>
+<p class="line">Maar leer om leer heb ik het hem vergolden,</p>
+<p class="line">En ’t wakker dier, dat steeds zijn liev’ling was,</p>
+<p class="line">Werd door mijn hand een buit van raaf en kraai.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Voor een van ons, of beide’, is ’t uur nu daar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Neen, Warwick, neen, zoek gij u ander wild;</p>
+<p class="line">Dit hert zij mijn; dit jage ikzelf ter dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dan vorstlijk, York, uw strijd is om een kroon.—</p>
+<p class="line">Zoo waar ik heden hoop op zege, Clifford,</p>
+<p class="line">Is ’t hard, den strijd met u niet aan te gaan.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Wat ziet gij, York, in mij? waartoe dit talmen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik wierd op uwe dapperheid verliefd.</p>
+<p class="line">Indien gij niet zoo fel mijn vijand waart.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ook uwen moed ontbrak het niet aan lof, <span class="lineNum">22</span></p>
+<p class="line">Indien hem niet de blaam van trouwbreuk smette.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo help’ hij mij bij ’t kampen met uw zwaard,</p>
+<p class="line">Zoo waar ik hem voor mijn goed recht wil staven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Mijn lijf en ziele beide op dezen strijd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Een schrikk’lijke inzet! Sta gereed en weer u!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij vechten.</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>valt</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line"><span class="ex" id="kh6ii.v.2.28" lang="fr">La fin couronne les oeuvres!</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo gaf de krijg u vrede; gij zijt stil!</p>
+<p class="line">Zij vrede ook met uw ziel, zoo God het wil!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De jonge Clifford.</p>
+<p class="line">Schande en verwarring! Alles wijkt en vlucht.</p>
+<p class="line">Door vrees wordt orde wanorde, en verwondt</p>
+<p class="line">Wat zij moest hoeden. Krijg, gij zoon der hel,</p>
+<p class="line">Dien ’s hemels gramschap zich tot dienaar kiest,</p>
+<p class="line">Werp in de ijskoude borsten van ons leger</p>
+<p class="line">Der wrake kolen!—Dat geen krijger vlied’!</p>
+<p class="line">Wie waarlijk zich den krijg wijdt, kent geen zucht</p>
+<p class="line">Tot zelfbehoud; en die zichzelf bemint,</p>
+<p class="line">Erlangt niet naar zijn wezen, slechts door toeval,</p>
+<p class="line">Den naam van dapper.—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij ziet het lijk zijns vaders.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line"><span class="hemistich">Den naam van dapper.— </span>Booze ’wereld, eindig!</p>
+<p class="line">En gij, vervroegde vlammen des gerichts,<span class="pageNum" id="pb691">[<a href="#pb691">691</a>]</span></p>
+<p class="line">Boeit aarde en hemel saâm!</p>
+<p class="line">Weergalme nu des jongsten dags bazuin,</p>
+<p class="line">En overstemm’ die elken aardschen klank,</p>
+<p class="line">Elk klein geraas!—Was ’t u beschoren, vader,</p>
+<p class="line">In vrede uw jeugd te zien verloren gaan,</p>
+<p class="line">Om in de’ eerwaarden tooi der wijze grijsheid,</p>
+<p class="line">In uwe leunstoeldagen, zoo te sterven</p>
+<p class="line">In ’t wilde slaggewoel?—O, bij deze’ aanblik</p>
+<p class="line">Versteent mijn hart, en zal, zoolang het mijn is,</p>
+<p class="line">Steen blijven. York spaart onze grijsaards niet,</p>
+<p class="line">Zoo ik hun wichtjes niet; mij zullen tranen</p>
+<p class="line">Van maagden zijn, wat dauw is voor het vuur;</p>
+<p class="line">En schoonheid, die een woestaard vaak verzacht,</p>
+<p class="line">Voor ’t blaken van mijn toorn als vlas en olie.</p>
+<p class="line">Niets wil ik nu voortaan van deernis weten;</p>
+<p class="line">Zoo ik een zuigling vind van ’t huis van York,</p>
+<p class="line">Ik houw dien zoo in hapjes, als de woeste</p>
+<p id="kh6ii.v.2.59" class="line">Medea ’t eens den jonge’ Abyssus deed;</p>
+<p class="line">Mijn wreedheid zij het, die mij roem verwerve.</p>
+<p class="line">Kom, gij, nieuw puin van ’t huis des ouden Cliffords,</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij neemt het lijk op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Als eens <span class="corr" id="xd33e14529" title="Bron: Aeneas">Æneas</span> de’ oude’ Anchises droeg,</p>
+<p class="line">Zoo draag ik u thans op mijn manneschouders;</p>
+<p class="line">Maar hij droeg toen een last, die leven had,</p>
+<p class="line">Niet half zoo zwaar als dit mijn harteleed.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<span class="sc">Richard Plantagenet</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op, vechtende</i>. <span class="sc">Somerset</span> <i>wordt gedood</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Zoo, lig gij daar!— <span class="lineNum">66</span></p>
+<p class="line">Want onder eener herberg uithangschild,</p>
+<p id="kh6ii.v.2.68" class="line">„’t Kasteel van Sint-Albaans”, schonk Somerset</p>
+<p class="line">Dien geestbezweerder in zijn dood nog roem.</p>
+<p class="line">Zwaard, blijf gestaald; u, hart, zij wrok geboden:</p>
+<p class="line">Voor haters bidden priesters, prinsen dooden.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Richard</span> <i>af.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch; schermutselingen. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en Anderen komen op, terugtrekkende</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Voort, mijn gemaal! wat draalt gij? berg het lijf!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Is Gods wil ooit te ontgaan? mijn gade, blijf!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat zijt gij toch, die vechten wilt noch vluchten?</p>
+<p class="line">Nu is het kloekheid, wijsheid, tegenstand,</p>
+<p class="line">Te wijken voor den vijand, ons te bergen</p>
+<p class="line">Door wat wat wij kunnen, en dit is—slechts vlucht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch op een afstand.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Zoo men u vangt, dan zien wij ook den bodem</p>
+<p class="line">Van al ons heil; maar als de vlucht gelukt,—</p>
+<p class="line">Wat licht, tenzij gij sammelt, ons gebeurt,—</p>
+<p class="line">Dan zijn wij dra te Londen, waar men u</p>
+<p class="line">Genegen is, en waar wij deze bres</p>
+<p class="line">In ons geluk gemakk’lijk kunnen dichten.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De jonge</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt weder op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">De jonge Clifford.</p>
+<p class="line">Wanneer mijn hart niet zon op verder onheil,</p>
+<p class="line">Dan vloekte ik God, eer ik tot vluchten ried;</p>
+<p class="line">Maar vluchten moet ge; onheelb’re moedeloosheid</p>
+<p class="line">Beheerscht het hart al onzer vrienden hier.</p>
+<p class="line">Voort, redt u; opdat we eens een dag beleven</p>
+<p class="line">Als zij nu, wij ons lot hun wedergeven!</p>
+<p class="line">Voort, voort, mijn vorst, van hier!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.v.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een veld bij</i> <span class="ex">Sint-Albaans</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; terugtocht. Trompetgeschal; daarop komen</i> <span class="sc">York</span>, <span class="sc">Richard Plantagenet</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Troepen op, met trommen en vaandels</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wie weet iets van den ouden Salisbury?</p>
+<p class="line">Dien winterleeuw, die in zijn fiere woede</p>
+<p class="line">Al ’t kneuzen, schuren van den tijd vergeet,</p>
+<p class="line">En, als een held in ’s levens vaag, zijn kracht</p>
+<p class="line">Hernieuwt door ’t strijden? Deze blijde dag</p>
+<p class="line">Verloor zijn glans, geen voetbreed is gewonnen,</p>
+<p class="line">Zoo Salisbury ontbreekt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Zoo Salisbury ontbreekt. </span>Mijn eed’le vader,</p>
+<p class="line">Ik hielp hem heden driemaal op zijn paard,</p>
+<p class="line">Stond driemaal over hem, en voerde driemaal</p>
+<p class="line">Hem weg, ontried hem telkens verd’ren strijd;</p>
+<p class="line">Maar telkens, waar gevaar was, vond ik hem;</p>
+<p class="line">Als in een arme hut een rijk tapijt,</p>
+<p class="line">Zoo was in ’t oude, zwakke lijf zijn wil.</p>
+<p class="line">Doch zie, hij komt, en edel als altoos. <span class="lineNum">14</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Salisbury</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Salisbury.</p>
+<p class="line">Nu, bij mijn zwaard, gij hebt u braaf gekweten;</p>
+<p class="line">Dat deden we allen, ja!—Ik dank u, Richard;</p>
+<p class="line">God weet, hoe lang ik nog te leven heb;</p>
+<p class="line">En ’t was zijn wil, dat gij op heden driemaal</p>
+<p class="line">Mij redden zoudt uit dreigend doodsgevaar.—</p>
+<p class="line">Doch, lords, nog is het onze ’t onze niet;</p>
+<p class="line">’t Is niet genoeg, dat onze vijand vlood;</p>
+<p class="line">Hij kan,—het is zijn aard,—zich ras herstellen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik weet het, in ’t vervolgen ligt ons heil,</p>
+<p class="line">Want Hendrik, naar ik hoorde, vlood naar Londen,</p>
+<p class="line">En roept zijn parlement er daad’lijk op.</p>
+<p class="line">Vervolgt hem dus, eer hij het op kan roepen!</p>
+<p class="line">Wat dunkt lord Warwick? zetten wij hem na?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Hem na? Neen, komen we, als het kan, hem voor!</p>
+<p class="line">Bij God, mylords, dit was een dag van roem;</p>
+<p class="line">De slag, door den roemruchten York gewonnen,</p>
+<p class="line">Van Sint-Albaans, blijft eeuwig wijd vermaard.—</p>
+<p class="line">Klinkt, trom en krijgsklaroen!—Naar Londen allen;</p>
+<p class="line">Moog’ zulk een dag ons meer ten deele vallen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb692">[<a href="#pb692">692</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6ii.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6ii.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">AANTEEKENINGEN</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het jaar 1445 kwam Margaretha van Anjou in Engeland aan; in het jaar 1455 viel
+de slag van Sint-Albaans voor, waarin voor de eerste maal het huis van Lancaster moest
+zwichten voor de wapens van den hertog van York. Het tweede deel van „Koning Hendrik
+de Zesde” omvat dit geheele tijdperk, of eigenlijk nog vijf jaar meer, daar de slag
+van Northampton, die in 1460 plaats vond, door Sh. met dien van Sint-Albaans vereenzelvigd
+is. Één gebeurtenis heeft Shakespeare uit een vroegeren tijd hier overgebracht, namelijk
+<span class="corr" id="xd33e14727" title="Bron: deu">den</span> val van de hertogin van Gloster, blijkbaar om alles, wat op den ondergang van den
+hertog van Gloster betrekking heeft, bijeen te brengen, en tevens de heerschzucht
+der jonge koningin in een helder licht te stellen. Reeds in 1441 werd Eleonore Cobham,
+echtgenoote, vroeger minnares van Gloster, aangeklaagd en schuldig verklaard, dat
+zij met den duivelbanner Roger Bolingbroke, de heks Margory Jourdain en den kanunnik
+Thomas Southwell de zwarte kunst had beoefend en daarmede den koning naar het leven
+had gestaan. Zij werd veroordeeld om in het boetelingshemd door Londens straten gevoerd
+te worden, en verder naar het eiland Man verbannen. Haar gemaal werd door zijn noodlot
+zes jaren later achterhaald, naar het schijnt niet geheel onverdiend, al droeg hij
+ook bij het volk den naam van den goeden hertog Humfried. Hij werd in Bury Sint Edmond
+bij het parlement van hoogverraad beschuldigd en in hechtenis genomen, maar vóór zijn
+zaak in onderzoek was, werd hij dood in zijn bed gevonden. Weldra liep het gerucht,
+dat hij onder kussens verstikt was, en het volk ontzag zich niet, de vreemde koningin
+en den gehaten markies van Suffolk van de wandaad te beschuldigen.—Dat de kardinaal
+Beaufort de hand in het spel zou gehad hebben, is volstrekt onbewezen en wordt eerst
+bij den kroniekschrijver Hall gevonden, die onder Hendrik&nbsp;VIII leefde. Slechts dit
+is waar, dat de prelaat kort na Gloster stierf, maar hij had toen reeds zes jaren
+zich van het staatstooneel geheel teruggetrokken. Zijn karakterschets heeft Sh. aan
+genoemden kroniekschrijver ontleend, die den kardinaal als eergierig en hebzuchtig
+schildert en hem ook op zijn sterfbed o. a. laat uitroepen: „Waarom moet ik sterven,
+ik, die zoo vele rijkdommen bezit?”
+</p>
+<p>Na den dood van Gloster was William de la Pole, die in 1448 tot hertog van Suffolk
+verheven werd, de eigenlijke regent van Engeland. Hij zond den hertog van York als
+stadhouder naar Ierland, ongetwijfeld om den eerzuchtigen man van het hof verwijderd
+te houden. De hertog John van Somerset, die op dezen post gerekend had, doodde in
+een vlaag van wanhoop zichzelf. Slag op slag werd Engeland door onheilen getroffen.
+In Frankrijk liep de Engelsche heerschappij te niet; Talbot en Edmund van Somerset
+moesten, van alle hulp uit Engeland verstoken, voor de Franschen bukken; niet alleen
+de veroveringen van Hendrik&nbsp;V, maar ook de sinds drie eeuwen met de Engelsche kroon
+vereenigde erflanden der Plantagenets gingen verloren en omstreeks 1450 was Calais
+de eenige plaats op het vasteland, die nog in de macht der Engelschen was. Toen verhief
+zich een geweldige storm tegen Suffolk; het huis der Gemeenten beschuldigde hem van
+hoogverraad; hij wist zich met zooveel klem te verdedigen, dat er geen doodvonnis
+kon uitgesproken worden, maar het huis der Lords kon het niet wagen hem vrij te spreken;
+hij werd voor vijf jaren verbannen en onderwierp zich aan het vonnis. Maar nauwelijks
+had hij de haven van Dover verlaten om het kanaal over te steken, of hij werd door
+eenige schepen, die op hem geloerd hadden, overvallen en gevangengenomen; het woedend
+scheepsvolk sprak het doodvonnis over hem uit; hij werd in een boot onthoofd en zijn
+lijk op het strand geworpen.
+</p>
+<p>Op de kust van Kent, waar dit gebeurde, was het volk in gisting. Kort na Suffolk’s
+dood in 1450, brak er een opstand uit, die tegen het huis Lancaster gericht was, en
+waarvan de kroniek van Hall uitvoerig gewaagt. Aan het hoofd stond een jonge Ier,
+van krachtigen lichaamsbouw, John Cade, die, zeker om de talrijke aanhangers van het
+huis Mortimer op zijn zijde te krijgen, zich voor een natuurlijken zoon van den laatsten
+graaf van March uitgaf en den naam van John Mortimer aannam. Aan het hoofd van twintigduizend
+man rukte hij op naar Blackheath, zoo het heette om den koning de bezwaren van de
+gemeenten van Kent mede te deelen, die ook schriftelijk verspreid werden; zij behelsden
+zware beschuldigingen tegen de regeering en klaagden over de verwijdering van den
+Hertog van York. Sir Humfried Stafford,—men zie de geslachtslijst,—trachtte de oproerlingen
+met een handvol koninklijke troepen van den rechter Theemsoever terug te drijven,
+maar werd neergehouwen en John Cade tooide zich met de wapenrusting en sporen van
+den gevallen ridder. Het hof rekende zich niet meer veilig in Londen, week naar het
+slot Kenilworth in Warwickshire, en zond den aartsbisschop van Canterbury en den hertog
+Humfried van Buckingham naar het leger der opstandelingen om met hen te onderhandelen.
+John Cade weigerde echter zijn leger te ontbinden, tenzij de koning in eigen persoon
+tot hem kwam en al zijn vorderingen toestond.
+<span class="pageNum" id="pb693">[<a href="#pb693">693</a>]</span></p>
+<p>Toen hij vernam, dat de koning naar Kenilworth geweken was en in den Tower alleen
+een bezetting had achtergelaten onder bevel van Lord Scales, brak hij naar Londen
+op, nam zijn verblijf in „Het witte hert” in de voorstad Southwark, en trok den volgenden
+dag in Stafford’s harnas over de brug en de city binnen. Op de grens sloeg hij met
+zijn zwaard op den „Londener steen”, riep: „Nu is Mortimer meester van deze stad”
+en reed met vorstelijke praal door de straten. Lord Say, een der vrienden van Suffolk,
+schatbewaarder van het rijk, viel in zijn handen en werd onthoofd; hetzelfde lot trof
+den schoonzoon van Say, Sir James Cromer, die als Sheriff van Kent bijzonder streng
+was geweest. Beider hoofden werden op twee lange palen door de straten gedragen, maar
+op iederen hoek bij elkaar gehouden om „elkander te kussen.” Hierop volgden allerlei
+verdere gruwelen, brandschatting, plundering, terechtstellingen, bij welke laatste
+Cade ook zijn eigen volk niet verschoonde, want wie ongehoorzaam was of hem geen genoegzamen
+eerbied bewees, werd zonder genade onthoofd.
+</p>
+<p>Eindelijk vermanden zich de burgers om tegenweer te bieden en grepen naar de wapens;
+de bevelhebber van den Tower stond hen bij met geschut en gaf hun een dapperen aanvoerder,
+Sir Matthias Gough, die in Normandië wakker tegen de Franschen gestreden had. Na een
+schrikkelijk gevecht bij nacht op de Londener brug, waarin Gough sneuvelde, gelukte
+het, de opstandelingen terug te drijven naar den zuidelijken oever van de Theems en
+hun de belofte af te persen, dat zij de city met vrede zouden laten. Zij trokken af
+naar Rochester en kregen er twist over de verdeeling van den buit; zij begonnen naar
+huis te verlangen; toen nu de koning een algemeene vergiffenis af liet kondigen voor
+hen, die van John Cade afvielen, verliep het geheele leger in een enkele nacht, zonder
+hun aanvoerder vaarwel te zeggen. John Cade, op wiens hoofd een prijs van duizend
+mark gesteld was, ontvlood te paard naar een boschrijke streek en zwierf eenige dagen
+rond, tot hij door Alexander Iden, Sheriff van Kent, in een tuin aangetroffen en strijdend
+gedood werd.
+</p>
+<p>Weldra werd de troon door een nog feller gevaar bedreigd. De ontevredenheid was ook
+na Suffolk’s val algemeen; de weelde van het hof, de druk der hovelingen, der groote
+heeren en der geestelijkheid hield steeds aan; de koning deed niets en verdiepte zich
+slechts in vrome mijmeringen; de koningin voerde voor hem het bewind en koos als haar
+helper ’s konings neef, Edmund Beaufort, na den dood van zijn broeder John, hertog
+van Somerset<a class="noteRef" id="xd33e14738src" href="#xd33e14738" title="Ga naar noot 1.">1</a>, die pas met de overblijfselen van het Engelsche leger uit Normandië terug was gekeerd
+en in het oog des volks de schuld droeg van de in Frankrijk ondervonden nederlagen;
+hij werd tot groot-connetabel van het rijk benoemd, wat bij het volk en een groot
+deel van den adel het misnoegen nog deed stijgen.—Onder deze omstandigheden landde
+Richard, hertog van York, stadhouder van Ierland, die, naar men beweerde, ook in den
+opstand van John Cade reeds de hand had gehad, in den herfst van 1450 onverwachts
+op de kust van Wales, verzamelde een vierduizend mannen en trok naar de hoofdstad
+om het wanbestuur van Somerset te doen ophouden.
+</p>
+<p>Hij had vele der machtigste edellieden op zijn zijde en wel met name de familie der
+Nevils. Deze had, behalve haar oude erfgoederen, belangrijke bezittingen door huwelijk
+in eigendom, de graafschappen namelijk van Salisbury en Warwick; de vader had de eerstgenoemde,—de
+zoon, de later als koningmaker beroemde Warwick, had de tweede bezitting verworven
+door het huwelijk met de erfdochters der twee graafschappen. De vrouwen uit deze familie
+gingen aanzienlijke huwelijken aan; de gemalin van Richard van York zelf was een Nevil,
+zuster van Lord Salisbury, dochter van Ralf Nevil, graaf van Westmoreland, en van
+Johanna Beaufort, zooals in de geslachtslijst vermeld is. Zulke edellieden hadden
+een groote macht, onderhielden troepen, bezaten kanonnen en krijgsschepen, wat in
+een tijd, toen de vorsten slechts over weinige troepen konden beschikken, van groote
+beteekenis was; de steden en kasteelen der edelen waren vestingen. Nabij Shakespeare’s
+geboortestad verhief zich het grootsche slot, Warwick-castle, welks bouwvallen nog
+heden getuigen van de macht der vroegere bezitters. En inderdaad, vorstelijk was de
+huishouding van Richard, graaf van Warwick, den zoon van Lord Salisbury. Dagelijks
+werden er,—zoo verhaalt een oude kroniek,—zes ossen voor zijn ontbijt geslacht; in
+alle taveernen was van dit vleesch voorhanden, want wie in zijn huis slechts eenigszins
+bekend was, mocht er zooveel gekookt of gebraden vleesch uit medenemen, als hij op
+een langen dolk dragen kon.—De graaf van Warwick was de meest beminde edelman in Engeland,
+een der weinige, van wie het volk geloofde, dat zij voor de welvaart en de eer van
+Engeland hart hadden; ja, het was overtuigd, dat, zoo de zaak van hem had afgehangen,
+de veroveringen in Frankrijk niet verloren zouden gegaan zijn.
+</p>
+<p>Maar, al mocht Richard van York ook op Salisbury, Warwick en andere invloedrijke edelen
+steunen, zoo snel als de dichter het voorstelt, was de gang der gebeurtenissen niet.
+Hij trachtte aanvankelijk den Hertog van Somerset door <span class="pageNum" id="pb694">[<a href="#pb694">694</a>]</span>middel van het parlement te verdrijven, maar hoeveel bijval hij bij het huis der Gemeenten
+vinden mocht, de hertog Edmund van Somerset, door de koningin ondersteund, wist zich
+in het bewind te handhaven. Eerst toen in 1452 de Hertog van York, steeds betuigende
+dat hij den koning trouw was, met een groote legermacht naar Londen optrok, om allen,
+die naar ’s volks oordeel verraders waren, uit ’s konings raad te verwijderen, stemde
+de koning, die ook te velde was getogen, toe, en beloofde, dat Somerset in hechtenis
+zou genomen worden. Toen gebeurde, wat Shakespeare in het eerste tooneel van het vijfde
+bedrijf voorstelt. York ontsloeg zijn leger en trad, vertrouwend op ’s konings woord,
+in diens tent. Daar echter vond hij Somerset in vrijheid, even fier als altijd; het
+kwam tot heftige woorden. York werd gevangen naar Londen gevoerd; zijn zoon Edward
+rukte weldra tot ontzet aan, maar eerst toen York in de Sint-Paulskerk gezworen had,
+levenslang een getrouw vazal en onderdaan van zijn genadigen heer en koning te zullen
+zijn, werd hij weder ontslagen.
+</p>
+<p>Doch reeds in het volgende jaar vond hij weder aanleiding om zich te roeren. In 1453
+werd de tachtigjarige held Talbot, toen hij het land bij de Garonne weder onder Engelsch
+bewind trachtte te brengen, geslagen en met zijn zoon en vele anderen gedood; in den
+herfst overviel den koning een zwakte zijner verstandelijke vermogens, die hem voor
+de regeering ongeschikt maakte; terzelfder tijd beviel de koningin van een zoon, waardoor
+voor York de hoop vervloog om op vreedzame wijze eenmaal de kroon te erlangen. Hij
+wist van de ontevredenheid over den loop der zaken in Frankrijk gebruik te maken om
+zich door middel van het parlement van het regentschap te verzekeren; Somerset werd
+in hechtenis genomen en, schoon men hem gerechtelijk niet aan verraad schuldig kon
+verklaren, in den Tower opgesloten; York werd tot „Protector en Defensor” van het
+rijk verklaard.
+</p>
+<p>Maar York had ook vele tegenstanders, wier aantal vermeerderde, toen de voornaamste
+ambten in handen der vrienden van York kwamen. In het noorden stonden weldra de Percy’s,
+die reeds lang op de macht der Nevils naijverig waren, met vele anderen in de wapens.
+Terwijl de regent zelf tegen hen te velde toog, herstelde in Febr. 1455 plotseling
+de koning, stelde Somerset in vrijheid en deze herkreeg door de gunst der koningin
+weldra zijn vroegeren invloed. De Hertog van York moest, reeds uit zucht tot zelfbehoud,
+zich doen gelden; hij verzamelde zijn getrouwen, waaronder in de eerste plaats zijn
+zwager Henry Nevil, graaf van Salisbury en diens zoon Warwick, verder Lord Cobham
+en vele anderen en trok met drieduizend man op de hoofdstad aan, nog steeds zijn trouw
+aan den koning betuigend. Bij Sint-Albaans stieten zij, 21 Mei 1455, op tweeduizend
+gewapenden, met welke macht de hertogen van Somerset en Buckingham, de graven van
+Northumberland en Pembroke, Lord Clifford en vele anderen het hof naar Leicester wilden
+begeleiden. Nog eens vorderde York de afzetting en bestraffing zijner tegenstanders,
+en op het streng en weigerend antwoord volgde een hevig gevecht, dat vooral door de
+onstuimige dapperheid van Warwick ten voordeele van York beslist werd. Somerset, Northumberland,
+Clifford en vele anderen vielen; Koning Hendrik zelf, door een pijlschot in den nek
+verwond, geraakte in de macht der overwinnaars, die den volgenden dag met hem naar
+Londen togen.
+</p>
+<p>Shakespeare heeft den slag van Sint-Albaans, waarmede het tweede deel van „K. Hendrik&nbsp;VI”
+eindigt, als het ware vereenzelvigd met den slag van Northampton, die vijf jaren later,
+10 Juli 1460, plaats vond en waarin Warwick de strijdmacht der koningin geheel vernietigde.
+Want op den slag van Sint-Albaans volgde niet onmiddellijk, zooals het in het eerste
+tooneel van het derde deel van „K. Hendrik&nbsp;VI” wordt voorgesteld, het optreden van
+York als kroonpretendent; hij stelde zich, toen de koning weldra weder aan zijn vorige
+kwaal ter prooi was, tevreden met de waardigheid van protector en moest de vrienden
+der Lancasters nog steeds ontzien. Van 1455 tot 1459 was hij in onophoudelijken strijd
+om het gezag met de koningin en haar aanhangers; wel werd er in 1458 op verzoek van
+den weder herstelden koning schijnbaar een zoen getroffen, maar weldra braken er weder
+onlusten uit; er werd opnieuw naar de wapens gegrepen, in October 1459 werden York
+en de zijnen bij Ludlow geslagen en op den rand des ondergangs gebracht, maar in het
+volgend jaar werd op 10 Juli door den graaf van Warwick en York’s oudsten zoon Edward
+een beslissende overwinning bij Northampton behaald, waarin de Hertog van Buckingham
+en wel driehonderd andere koningsgezinde edelen vielen, zoodat de koningin Margaretha
+met haar zevenjarigen zoon hulpeloos en verlaten naar Schotland moest vluchten.—Voor
+het overige waren de omstandigheden na den slag bij Sint-Albaans en dien bij Northampton
+zeer gelijk; ook bij Northampton viel de koning in de macht der overwinnaars en moest
+hen naar Londen volgen, waar zij zich haastten de vruchten hunner overwinning door
+het parlement te laten bekrachtigen.—De dichter mocht zich dus volkomen gerechtigd
+achten om beide gebeurtenissen samen te smelten.
+</p>
+<p>In het bovenstaande is bevat, wat de dichter in zijn bronnen voor zijn doel verwerkt
+heeft.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<span class="pageNum" id="pb695">[<a href="#pb695">695</a>]</span></p>
+<p><a href="#kh6ii.i.1.124">I. 1. 124.</a> <span class="ex">Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog!</span> In ’t Engelsch is het spelen met de klanken duidelijker: „<i lang="en">For Suffolk’s duke, may he be suffocate!</i>” Zulke woordspelingen met namen zijn, vooral in den mond van het volk, zeer gewoon.—Wil
+men van het spelen met de klanken afzien, dan kan men vertalen: „Die Suffolk! stikk’
+hij aan zijn hertogdom!”
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.1.132">I. 1. 132.</a> <span class="ex">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk Zoo groot bedrag, een vijftiende durft
+vragen Voor ’t halen en de kosten van den tocht.</span> Het vijftiende, dat Suffolk vraagt, is hoogstwaarschijnlijk de vijftiende penning,
+die tot bestrijding van de kosten van den tocht geheven zou worden, in plaats van
+den tienden penning, waar de koning vroeger (I K. Hendrik&nbsp;VI, V, 5. 93.) van gesproken
+had. De buitengewone belastingen, die het parlement toestond, werden over de ingezetenen
+naar hun geschat inkomen omgeslagen en heetten tiende of vijftiende, naarmate er van
+iederen tienden of vijftienden penning een penning moest betaald worden. Een vijftiende,
+dus een inkomsten-belasting van 6⅔ ten honderd, komt in de oudere Engelsche geschiedenis
+niet zelden voor. Men bedenke bij de beoordeeling, dat zulke belastingen tot de buitengewone
+heffingen behoorden, en dat het geschatte, niet het geheele inkomen getroffen werd.—Delius
+verklaart dit vijftiende als het vijftiende deel van de opbrengst der belastingen;
+is deze opvatting de ware, dan kan de vertaling der plaats luiden:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk
+</p>
+<p class="line">’t Vijftiende deel der lasten van het volk
+</p>
+<p class="line">Vraagt voor de kosten van den overtocht.</p>
+</div>
+<p class="first"><a href="#kh6ii.i.1.194">I. 1. 194.</a> <span class="ex">En uwe daden, broeder York, in Ierland.</span> York ging eerst vier jaar later als onderkoning naar Ierland. Salisbury noemt York
+broeder, omdat deze met zijn zuster, Cecilia Nevil, gehuwd was.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.1.207">I. 1. 207.</a> <span class="ex">Dit zegt ook York, hij heeft den meesten grond.</span> Namelijk als erfgenaam van ’t rijk; de stervende Mortimer had York,—zie 1 K. Hendrik&nbsp;VI,
+II, 5,—met zijn rechten bekendgemaakt. In den volgenden regel zegt Salisbury in het
+oorspronkelijke: „<i lang="en">look into the main</i>”, let op de hoofdzaak, waarop dan de woordspeling met het eveneens klinkende <i>Maine</i> volgt; de vertaler moest zich hier met <i>mijne</i> en Maine redden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.1.234">I. 1. 234.</a> <span class="ex">Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout Voor ’t harte van den Prins van Calydon.</span> De prins van Calydon is Meleager, die volgens de oud-Grieksche mythe zoo lang leven
+zou, als een stuk hout, dat zijn moeder Althæa uit de vlammen gered had en bewaarde,
+onverbrand zou blijven.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.1.240">I. 1. 240.</a> <span class="ex">Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan.</span> De Nevils: Salisbury en Warwick.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.2.42">I. 2. 42.</a> <span class="ex">Booze Eleonora.</span> Er staat eigenlijk: slecht opgevoede.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.2.68">I. 2. 68.</a> <span class="ex">Waar blijft gij toch, Sir John?</span> <i>Sir</i> was de titel, waarmede priesters werden aangesproken.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.3.4">I. 3. 4.</a> <span class="ex">Allen gezamenlijk.</span> <i lang="en">In the quill</i>, een zeer verschillend verklaarde uitdrukking, zie <i>H. Irving’s</i> Shakespeare II. p. 80, waar de beteekenis <i lang="en">in a body</i> hoogstwaarschijnlijk gemaakt wordt. Volgens een andere verklaring zou „zwart op wit”
+een juiste vertaling zijn.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.3.15">I. 3. 15.</a> <span class="ex">Voor den lord Protector?</span> Hier moet zeker, zooals Marshall opmerkt, <i lang="en">for</i> en niet <i lang="en">to</i> gelezen worden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.3.29">I. 3. 29.</a> <span class="ex">Tegen mijnen meester, Thomas Horner.</span> Volgens de kronieken had in 1446 met een wapensmid inderdaad plaats, wat hier vermeld
+wordt. Ook het voorval met den blinde, die ziende werd, dat in het eerste tooneel
+van het volgend bedrijf voorkomt, steunt op een verhaal der kronieken.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.3.141">I. 3. 141.</a> <span class="ex">Mijn waaier, vlug!</span> De koningin houdt zich alsof zij een hofdame voor zich meent te hebben en eerst later
+haar vergissing bespeurt. Zulke eeredames waren nog aan het hof van koningin Elizabeth
+niet veilig voor een vorstelijke oorveeg.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.3.171">I. 3. 171.</a> <span class="ex">Mylord van Somerset mij hier zou houden.</span> York zinspeelt er op, dat Somerset hem niet heeft bijgestaan om Talbot te redden;
+zie „K. Hendrik&nbsp;VI”, IV. 3.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.4.33">I. 4. 33.</a> <span class="ex">Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af.</span> Het orakel is dubbelzinnig, daar <i>Een Hertog</i>, zoowel als <i>Hendrik</i>, onderwerp of voorwerp zijn kan; in ’t oorspronkelijke is het evenzoo met <i lang="en">that</i> en <i lang="en">Henry</i> het geval. Ook het <i>hij</i> in den volgenden regel is onbepaald. Daarom wordt deze uitspraak later door York
+vergeleken met het orakel, dat Pyrrhus, koning van Epirus, van Delphi ontving, toen
+hij vroeg of hij de Romeinen zou overwinnen, dat op dezelfde wijze zoo wel kan beteekenen:
+„Ik zeg, afstammeling van Æacus, dat gij de Romeinen kunt overwinnen”, als: „dat de
+Romeinen U kunnen overwinnen”.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.i.4.53">I. 4. 53–79.</a> <span class="ex">Weg met hen</span> enz. Deze regels zijn hier, volgens de opmerkingen van Marshall, aan York toegekend.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.1.4">II. 1. 4.</a> <span class="ex">De oude Hans.</span> Naam van een jachtvalk.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.1.24">II. 1. 24.</a> <span class="ex" lang="la">Tantæne animis <span class="corr" id="xd33e14917" title="Bron: coelestibus">cælestibus</span> iræ?</span> Huist in hemelsche gemoederen zulk een gramschap? Uit Vergilius.—Twee bladzijden
+verder wordt ook de spreuk: „Geneesheer, genees uzelven”, in het Latijn gedeeltelijk
+aangehaald. De jeugdige Shakespeare wil zijne schoolherinneringen eens luchten of
+het geleerdheids-vertoon zijner voorgangers navolgen. Twee regels verder <span class="pageNum" id="pb696">[<a href="#pb696">696</a>]</span>is vertaald naar Marshall’s verbetering: <i lang="en">With so much holiness can you not do it?</i>
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.1.126">II. 1. 126.</a> Deze toespraak van Gloster wordt vaak, misschien niet ten onrechte, als proza gedrukt.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.2.64">II. 2. 64.</a> <span class="ex">Koning ben ik niet, Voor ik gekroond ben.</span> Volgens de beschouwing der middeleeuwen maakte eerst de kroning tot koning. Zie pag.
+429 de aanteekening op „Koning Jan”, IV. 2. 42.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.3.13">II. 3. 13.</a> <span class="ex">Bij Sir John Stanley op het eiland Man.</span> De Stanleys waren de beheerders van het eiland Man en bleven dit lang; eerst in deze
+eeuw verloor het huis Stanley, welks hoofd graaf van Derby is, door een parlementsbesluit
+deze waardigheid.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.ii.3.63">II. 3. 63.</a> <span class="ex">Charneco.</span> Een zoete Portugeesche wijn, naar een dorp bij Lissabon benoemd.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.1.59">III. 1. 59.</a> <span class="ex">Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven.</span> In de bij het parlement te Bury ingediende aanklacht tegen Gloster werd onder anderen
+het invoeren van onwettige wijzen van doodstraf hem verweten. De hertog, zegt Holinshed,
+wist zich te rechtvaardigen, maar zijn onschuld vermocht hem niet meer te redden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.1.63">III. 1. 63.</a> <span class="ex">Wat daag’lijks in die steden oproer wekte.</span> Daar de Engelsche bezettingen geen soldij bekwamen en verliepen, zoodat de steden
+zich van het Engelsche juk konden ontslaan.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.1.361">III. 1. 361.</a> <span class="ex">Een bende Kernen.</span> De woeste Keltische boeren van Ierland.—Met <span class="ex">moorendanser</span>, 4 regels lager, wordt een danser bedoeld uit den oud-Engelschen volksdans, <i>morisco</i> of <i>morrisdance</i>, die in Mei en omstreeks Pinksteren op de straten werd uitgevoerd; de nar uit den
+stoet droeg schelletjes. Men vergelijke blz. 610 de aanteekening op „K. Hendrik&nbsp;V”,
+II. 4. 25.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.76">III. 2. 76.</a> <span class="ex">Als de adder doof geworden.</span> Naar het volksgeloof was de adder doof.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.89">III. 2. 89.</a> <span class="ex">Koop’ren grotten.</span> Toespeling op Æolus, die volgens de ouden de winden in een grot opgesloten hield.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.116">III. 2. 116.</a> <span class="ex">Mij te betoov’ren, evenals Ascanius.</span> Zinspeling op de plaats in Vergilius’ Æneis, waar Amor, na de gedaante te hebben
+aangenomen van Æneas’ zoon Ascanius, bij de koningin Dido de daden en deugden van
+den Trojaanschen held roemt en daardoor de liefde der koningin voor Æneas aanwakkert.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.226">III. 2. 226.</a> <span class="ex">Bloedzuiger en belager in den slaap.</span> Warwick denkt aan de Vampyrs, die slapenden bloed afzuigen en hen daardoor dooden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.310">III. 2. 310.</a> <span class="ex">Zoo vloeken dood bracht als de alruinenkreet.</span> Men zie de aanteekening op „Romeo en Julia”, blz. 309.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iii.2.344">III. 2. 344.</a> <span class="ex">Dat gij bij ’t zeeg’len steeds aan deze dacht.</span> De koningin wijst bij het woord <i>deze</i> op haar lippen, gelijk uit den volgenden regel blijkt.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.3">IV. 1. 3.</a> <span class="ex">De knollen</span>, elders door Sh. ook wel het drakenspan der Nacht genoemd.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.29">IV. 1. 29.</a> <span class="ex">Zie mijn Sint George.</span> Suffolk wijst op zijn medaille met het beeld van Sint George, die hij als ridder
+van den Kouseband draagt.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.35">IV. 1. 35.</a> <span class="ex">Door Water zoude ik sterven.</span> In het Engelsch is de woordspeling beter, want <i>Walter</i> en <i>Water</i> worden eveneens of nagenoeg gelijk uitgesproken.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.54">IV. 1. 54.</a> <span class="ex">Behangen muildier.</span> Een lang kleed of schabrak, over het zadel geworpen, waardoor bijna het geheele paard
+of muildier bedekt was, werd alleen door personen van rang gebezigd.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.70">IV. 1. 70.</a> <span class="ex">Ja, Poole.</span> De kapitein onthoudt aan Suffolk den titel <i>mylord</i> en noemt hem eenvoudig met zijn familienaam Poole,—spreek uit: <i>Poel</i>,—en beleedigt, als Suffolk hierover verontwaardigd is, nog verder door een woordspeling
+op dien naam.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.99">IV. 1. 99.</a> „<span class="ex" lang="la">Invitis nubibus</span>”. <i lang="la">Invitis nubibus</i>, trots de wolken. De Hertog van York nam het embleem aan van koning Edward&nbsp;III, een
+door wolken heenbrekende zon, met genoemd onderschrift. Vandaar wordt meermalen van
+de zon van York gesproken; men zie de eerste regels van Shakespeare’s „Koning Richard&nbsp;III.”
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.108">IV. 1. 108.</a> <span class="ex">De sterke Bargulus.</span> Shakespeare kan dezen zeeroover der oudheid hebben gekend uit Cicero’s boek <i lang="la">De officiis</i> (II, cap. 11.), waarvan er in zijn tijd reeds twee Engelsche vertalingen bestonden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.117">IV. 1. 117.</a> <span class="ex" lang="la">Pene gelidus timor occupat artus.</span> Schier bevangt kille schrik mijn leden. Van waar dit stuk van een Latijnschen versregel
+herkomstig is, is onbekend.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.1.136">IV. 1. 136.</a> <span class="ex">Brutus’ bastaardhand.</span> In Sh.’s „Julius Cæsar” wordt in het geheel niet gezinspeeld op de meening, dat Brutus
+een natuurlijke zoon van Cæsar zou geweest zijn.—Dat <i>Pompejus</i> door woest eiland volk vermoord is, is niet juist; misschien verwarde Sh. den moord
+met een anderen.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.37">IV. 2. 37.</a> <span class="ex">Onze vijanden moeten vallen.</span>—Dit vallen is een woordspeling met het latijnsche „<i lang="la">cade</i>”, „val!” In het oorspronkelijke zegt de slager Dick ter zijde: „Of liever, wijl hij
+een tonnetje (<i lang="en">cade</i>) haring gestolen heeft.”—Bij het hier gebezigde „keet” denke men aan de tegenwoordige
+Engelsche uitspraak van Cade (<i>keed</i>).
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.47">IV. 2. 47.</a> <span class="ex">Uit het geslacht van de Spencers.</span> In het oorspronkelijke staat: „van de Lacies”, waarop Dick meent, dat zij wel <i lang="en">laces</i> (veters) kan verkocht hebben.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.62">IV. 2. 62.</a> <span class="ex">Drie marktdagen achtereen.</span>—Tuchtigingen werden op marktdagen uitgedeeld, om haar meer openbaarheid te geven.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.106">IV. 2. 106.</a> <span class="ex"><span class="corr" id="xd33e15142" title="Bron: Emanuel">Emanuël</span>.</span>—<span class="corr" id="xd33e15146" title="Bron: Emanuel">Emanuël</span> beteekent: „God zij met u” en werd in dien zin meermalen <span class="pageNum" id="pb697">[<a href="#pb697">697</a>]</span>boven officieele bekendmakingen en brieven geplaatst.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.119">IV. 2. 119.</a> <span class="ex">Enkele kerel.</span>—In ’t Engelsch: <i lang="en">thou particular fellow</i>; „<span lang="en">particular</span>” bijzonder, in tegenstelling van „<span lang="en">general</span>”, algemeen.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.2.166">IV. 2. 166.</a> <span class="ex">Duitenwerpen.</span>—In ’t Engelsch <i lang="en">spancounter</i>; een spel, waarbij men een munt zoo dicht mogelijk tracht te werpen bij het door
+den vorigen speler geworpen geldstuk; is de afstand met de hand te overspannen, dan
+wint men den inzet of het eerstgeworpen stuk. In den tijd van Hendrik&nbsp;V, zegt Cade,
+speelde men dit spel, in plaats van met duiten, met goudstukken uit den buit, op de
+Franschen behaald.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.3.7">IV. 3. 7.</a> <span class="ex">De vastentijd zal</span> enz. In den vastentijd mochten de vleeschhouwers niet slachten, maar Dick zal er
+vergunning toe krijgen en wel voor 99 beesten.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.3.11">IV. 3. 11.</a> <span class="ex">Dit gedenkteeken van de overwinning</span> enz. De wapenrusting van den verslagen Stafford, die volgens Holinshed met gouden
+nagels beslagen was.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.4.44">IV. 4. 44.</a> <span class="ex">Killingworth.</span> Een oudere naam voor Kenilworth, het beroemde slot in Warwickshire.—Tot het juist
+verstaan van de berichten der boden bedenke men, dat de opstandelingen van het zuiden
+aanrukten en eerst Southwark namen, de zuidelijke voorstad van Londen, op den rechteroever
+van de Theems tegenover de City gelegen, daarna de Londenbrug, die toen de eenige
+was, welke de beide oevers verbond. Zij was van hout gebouwd en met huizen bezet.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.6.2">IV. 6. 2.</a> <span class="ex">Londener steen.</span> Een van oude tijden her bekende steen, die eeuwen lang in de <i lang="en">Cannon street</i> lag en hetzij een Romeinsche mijlsteen, hetzij een Saksische grenssteen was. Hij
+is later bij een kerk geplaatst.—Een oogenblik later wordt van <i lang="en">the pissing-conduit</i> gesproken, misschien een fontein in den trant van „den oudsten burger van Brussel.”
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.2">IV. 7. 2.</a> <span class="ex">Het Savooische huis.</span> In het Engelsch kortweg <i lang="en">the Savoy</i>. Het was een paleis, in 1245 door Peter, graaf van Savoye, gebouwd, aan den oever
+van de Theems. Het werd soms door den koning, soms door een der prinsen bewoond. Shakespeare
+schrijft hier aan Cade toe, wat door Holinshed bericht wordt van den vroegeren bekenden
+opstandeling<span class="corr" id="xd33e15221" title="Niet in bron">.</span> Wat Tyler, bij wiens opstand het Savooische huis vernield werd.—Deze was het ook,
+die gezegd heeft, dat binnen vier dagen de wetten van Engeland uit zijn mond zouden
+komen.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.24">IV. 7. 24.</a> <span class="ex">Die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling
+van het pond bij de laatste oorlogsschatting.</span>—Say had alzoo tijdens zijn beheer een-en-twintig maal den vijftienden penning, en
+bij de laatste oorlogsbelasting bovendien een schelling van het pond, dus een twintigsten
+penning laten betalen.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.27">IV. 7. 27.</a> <span class="ex">Zoo, gij Say, gij saai</span> enz. In het Engelsch staat: <i lang="en">Ah, thou say, thou serge, nay, thou buckram lord!</i> <i>Say</i> is fijner stof dan <i>serge</i>, en dit weer beter dan <i>buckram</i>, zoodat Say gedegradeerd wordt. In ’t Nederlandsch had misschien <i>saai</i>, <i>serge</i> en <i>karsaai</i> kunnen gekozen zijn.—<i>Monsieur <span class="corr" id="xd33e15255" title="Bron: baesimecu">Baesimeku</span></i>, dat volgt, een schimpnaam voor een Franschman, is verbasterd van <i lang="fr">baise mon cul</i>.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.61">IV. 7. 61.</a> <span class="ex">Bona terra, mala gens.</span> Het land goed, maar het volk kwaad.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.66">IV. 7. 66.</a> <span class="ex">De liefste streek.</span> In Arthur Golding’s vertaling van Julius Cæsar (1565) kon Shakespeare lezen: <i lang="en">Of all the inhabitants of this isle the Kentishmen are the civilest.</i> Sh. spreekt hier ook van <i lang="en">the civil’st place</i>.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.7.131">IV. 7. 131.</a> <span class="ex">Koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken.</span> In ’t Engelsch staat: <i lang="en">take up commodities upon our bills</i>. <i lang="en">Bill</i> beteekent zoowel wissel of schuldbekentenis, als hellebaard.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.8.13">IV. 8. 13.</a> <span class="ex">Een oproerling.</span> Hier is de blijkbaar juiste emendatie gevolgd: <i lang="en">Or let a rebel</i> etc.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.8.48">IV. 8. 48.</a> <span class="ex">„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.</span>—Het Italiaansche woord <i lang="it">vigliacco</i> (lomperd, ellendeling), dat, <i>viliacco</i> geschreven, bij Engelsche schrijvers van Sh.’s tijd meermalen voorkomt, b.v. bij
+Ben Jonson, en dat in Florio’s Italiaansch woordenboek (van dien tijd) verklaard wordt
+met <i lang="la">a rascal, a base varlet</i>. In de Folio-uitgave, staat <i>villiago</i>, waarvan men ook wel <i>villageois</i> heeft willen maken.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.9.26">IV. 9. 26.</a> <span class="ex">Galloglassen.</span> Evenals <i>Kernen</i> woeste Iersche troepen, ook in <i>Macbeth</i>, I. 2. 13. vermeld. Galloglassen zijn zwaar-, Kernen lichtgewapenden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.iv.10.9">IV. 10. 9.</a> <span class="ex">Haver in plaats van helm.</span> In ’t oorspronkelijke vindt men een woordspeling met <i>sallet</i>, dat zoowel helm als salade beteekent.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.v.1.144">V. 1. 144.</a> <span class="ex">Roept aan den paal hier mijn twee wakk’re beren.</span> De Nevils, waartoe Salisbury en Warwick behoorden, voerden een aan een paal geketenden
+beer in hun wapen.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.v.2.28">V. 2. 28.</a> „<span class="ex" lang="fr">La fin couronne les oeuvres.</span>” Cliffords wapenspreuk en oorlogskreet.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.v.2.59">V. 2. 59.</a> <span class="ex">Medea.</span> Medea deelde bij haar vlucht met Jason haar gedooden broeder Abyssus in stukken,
+om haar vader bij zijn vervolging op te houden.
+</p>
+<p><a href="#kh6ii.v.2.68">V. 2. 68.</a> „<span class="ex">’t Kasteel van Sint-Albaans.</span>” Men herinnere zich de voorspelling: „<i>Kasteelen moog’ hij mijden!</i>” blz. 661, I. 4. 38.
+<span class="pageNum" id="pb698">[<a href="#pb698">698</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<div class="footnote-body">
+<div class="fndiv" id="xd33e14738">
+<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e14738src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Shakespeare heeft van de beide broeders één persoon gemaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd33e14738src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii" class="div0 last-child play">
+<h2 class="main">KONING HENDRIK DE ZESDE.</h2>
+<h2 class="sub">DERDE DEEL.</h2>
+<ul class="castlist">
+<li class="casthead">
+<h4>PERSONEN:</h4>
+</li>
+<li class="castitem">Koning <span class="sc">Hendrik de Zesde</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Edward</span>, Prins van <span class="sc">Wales</span>, zijn zoon.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Lodewijk de Elfde</span>, koning van Frankrijk.</li>
+<li class="castitem">De Hertog van <span class="sc">Somerset</span>, de Hertog van <span class="sc">Exeter</span>, de Graaf van <span class="sc">Oxford</span>, de Graaf van <span class="sc">Northumberland</span>, de Graaf van <span class="sc">Westmoreland</span> en Lord <span class="sc">Clifford</span>, aanhangers des Konings.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Richard Plantagenet</span>, Hertog van <span class="sc">York</span>.</li>
+<li class="castlist">
+<table class="castGroupTable">
+<tr>
+<td><span class="sc">Edward</span>, Graaf van <span class="sc">March</span>, later Koning <span class="sc">Edward de Vierde</span>,</td>
+<td rowspan="4" class="castGroupBrace"><img src="images/rbrace4.png" alt="}" width="12" height="80"></td>
+<td rowspan="4"><span>zoons van den Hertog van York.</span></td>
+</tr>
+<tr>
+<td><span class="sc">Edmond</span>, Graaf van <span class="sc">Rutland</span>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td><span class="sc">George</span>, later Hertog van <span class="sc">Clarence</span>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td><span class="sc">Richard</span>, later Hertog van <span class="sc">Gloster</span>,</td>
+</tr>
+</table>
+</li>
+<li class="castitem">De Hertog van <span class="sc">Norfolk</span>, de Markies van <span class="sc">Montague</span>, de Graaf van <span class="sc">Warwick</span>, de Graaf van <span class="sc">Pembroke</span>, Lord <span class="sc">Hastings</span> en Lord <span class="sc">Stafford</span>, aanhangers van den Hertog van York.</li>
+<li class="castitem">Sir <span class="sc">John Mortimer</span> en Sir <span class="sc">Hugo Mortimer</span>, ooms van den Hertog van York.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Hendrik</span>, de jonge Graaf van <span class="sc">Richmond</span>.</li>
+<li class="castitem">Lord <span class="sc">Rivers</span>, broeder van Lady Grey.</li>
+<li class="castitem">Sir <span class="sc">William Stanley</span>, Sir <span class="sc">John Montgomery</span> en Sir <span class="sc">John Somerville</span>.</li>
+<li class="castitem">De <span class="sc">Leermeester</span> van Rutland.</li>
+<li class="castitem">De <span class="sc">Mayor</span> van York, de <span class="sc">Slotvoogd</span> van den <span class="sc">Tower</span> en een <span class="sc">Edelman</span>.</li>
+<li class="castitem">Twee <span class="sc">Boschwachters</span> en een <span class="sc">Jager</span>.</li>
+<li class="castitem">Een <span class="sc">Zoon</span>, die zijn Vader gedood heeft.</li>
+<li class="castitem">Een <span class="sc">Vader</span>, die zijn Zoon gedood heeft.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem">Koningin <span class="sc">Margaretha</span>.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Lady Grey</span>, later Gemalin van Koning Edward den Vierden.</li>
+<li class="castitem"><span class="sc">Bona</span>, zuster van de Koningin van Frankrijk.</li>
+<li class="tb"></li>
+<li class="castitem">Soldaten en verder Gevolg van Koning Hendrik en van Koning Edward, Boden, Wachten,
+enz.</li>
+</ul>
+<p class="first">Het Tooneel is gedurende een deel van het Derde Bedrijf in Frankrijk, voor het overige
+in Engeland. </p>
+<div id="kh6iii.i" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">EERSTE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6iii.i.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Het Parlementshuis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Getrommel. Eenige Soldaten van de partij van York dringen de zaal binnen. Daarna komen
+op: de Hertog van</i> <span class="sc">York</span>, <i>met zijn zoons</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard</span>, <i>de Hertog van</i> <span class="sc">Norfolk</span>, <i>de Markies van</i> <span class="sc">Montague</span>, <i>de Graaf van</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en Anderen, met witte rozen aan den hoed</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">’t Verbaast mij, dat de koning ons ontkwam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Terwijl wij fel zijn ruiters uit het noorden</p>
+<p class="line">Vervolgden, sloop hij van zijn leger weg,</p>
+<p class="line">Waarop de groote lord Northumberland,</p>
+<p class="line">Wiens krijgersooren nooit terugtocht duldden,</p>
+<p class="line">Het matte leger moed wist in te storten;</p>
+<p class="line">Hijzelf, lord Clifford en lord Stafford naast zich,</p>
+<p class="line">Stormde in op onze voorste rij, brak door,</p>
+<p id="kh6iii.i.1.9" class="line">Maar viel, met hen, door ’t zwaard van mind’re krijgers.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">De hertog Buckingham, lord Stafford’s vader,</p>
+<p class="line">Moet of gesneuveld zijn of zwaar gewond;</p>
+<p class="line">Ik spleet hem met een fellen houw den helm;</p>
+<p class="line">Zie, vader, als getuig’nis hier zijn bloed.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij toont zijn bloedig zwaard</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague</p>
+<p class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">York</span>). En zie het bloed hier, broeder, van graaf Wiltshire,</p>
+<p class="line">Met wien ik bij ons treffen heb gekampt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij toont mede zijn bloedig zwaard.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Spreek gij voor mij en zeg hun, wat ik deed.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij werpt het hoofd van</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>ter aarde</i>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb699">[<a href="#pb699">699</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Richard verdient den prijs vóór al mijn zoons.—</p>
+<p class="line">Wat, heer, gij dood, mylord van Somerset?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Norfolk.</p>
+<p class="line">Dit wachte heel den stam van Jan van Gent!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>het hoofd weer opnemend</i>).</span> Zoo hoop ik koning Hendriks hoofd te schudden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ik met u.—Zeeghafte prins van York,</p>
+<p class="line">Tot ik ù zeet’len zie op dezen troon,</p>
+<p class="line">Door ’t huis van Lancaster zich aangematigd,</p>
+<p class="line">Sluit ik deze oogen nimmer, neen, bij God!</p>
+<p id="kh6iii.i.1.25" class="line">Dit hier is het paleis des laffen konings,</p>
+<p class="line">En dit des konings stoel; bestijg hem, York;</p>
+<p class="line">U komt hij toe, niet Koning Hendriks erven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Help dan, mijn beste Warwick, en ik wil het;</p>
+<p class="line">Want ingebroken zijn wij met geweld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Norfolk.</p>
+<p class="line">Wij allen staan u bij; wie vlucht, zal sterven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dank, waarde Norfolk.—Blijf mij bij, mylords;—</p>
+<p class="line">En gij, soldaten, neemt hier nachtkwartier.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En komt de koning, grijpt niet naar de wapens,</p>
+<p class="line">Tenzij hij met geweld u wil verdrijven. <span class="lineNum">34</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Soldaten trekken zich terug.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">De koningin houdt heden parlement hier.</p>
+<p class="line">Wis niet vermoedend, dat wij meê vergaad’ren.</p>
+<p class="line">Of woord of zwaard verschaffe ons hier ons recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Laat ons hier allen, zoo gewapend, blijven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Plantagenet, hertog van York, zij koning,</p>
+<p class="line">En die beschroomde Hendrik afgezet,</p>
+<p class="line">Wiens lafheid ons ten spot des vijands maakt,—</p>
+<p class="line">Of ’t bloedig parlement zij dit geheeten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Nu dan, mylords, verlaat mij niet; staat pal;</p>
+<p class="line">Ik denk bezit te nemen van mijn recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De koning, noch wie hem het meest bemint,</p>
+<p class="line">De stoutste, die voor Lancaster het opneemt,</p>
+<p class="line">Waagt zelfs geen vleugelslag, indien lord Warwick,</p>
+<p id="kh6iii.i.1.47" class="line">Uw edelvalk, zijn bellen rink’len laat.</p>
+<p class="line">Ik plant Plantagenet; wied’ hem, wie ’t waagt.—</p>
+<p class="line">Beslis nu, Richard; vorder Englands troon.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>geleidt</i> <span class="sc">York</span> <i>naar den troon; deze zet er zich op neder</i>.)</p>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Clifford</span>, <span class="sc">Northumberland</span>, <span class="sc">Westmoreland</span> <i>en Anderen komen op, met roode rozen op den hoed</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ziet, lords, ziet dien vermeet’len oproerling;</p>
+<p class="line">Hij zit daar op ’s rijks stoel; hij streeft, zoo schijnt het,</p>
+<p class="line">Op Warwick steunend, op dien valschen pair,</p>
+<p class="line">Naar onze kroon, en wil als koning heerschen.—</p>
+<p class="line">Northumberland, uw vader viel door hem,</p>
+<p class="line">Ook de uwe, Clifford; beiden zwoert gij wraak</p>
+<p class="line">Aan hem, zijn zoons, zijn gunst’lingen en vrienden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Wreek ik mij niet, dan wreek’ zich God aan mij!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">’t Is om die hoop, dat Clifford rouwt in ’t staal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Wat! zouden wij dit dulden? Sleurt hem neer!</p>
+<p class="line">Van woede vlamt mijn hart; ik lijd dit niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Geduld, mijn beste graaf van Westmoreland!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Geduld is goed voor lafaards zooals hij;</p>
+<p class="line">Hij zat daar niet, indien uw vader leefde.</p>
+<p class="line">Genadig heer, laat ons in ’t parlement</p>
+<p class="line">Hier op den stam van York een aanval doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Zeer goed gesproken, neef, ja, zij het zoo!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ach! weet gij ’t niet? De stad begunstigt hen,</p>
+<p class="line">En troepen krijgers wachten op hun wenken!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Die vluchten wis, zoodra de hertog valt. <span class="lineNum">69</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O ver van Hendriks hart steeds de gedachte,</p>
+<p class="line">Dit parlement een slachthuis te doen zijn!</p>
+<p id="kh6iii.i.1.72" class="line">Neef Exeter, neen, woorden, blikken, dreiging,</p>
+<p class="line">Dat is de krijg, dien Hendrik voeren wil.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij treedt, door zijn Lords gevolgd, op</i> <span class="sc">York</span> <i>toe</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Oproer’ge hertog York, verlaat mijn troon,</p>
+<p class="line">Kniel om genade en gunst aan mijne voeten;</p>
+<p class="line">Ik ben uw heer en vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Ik ben uw heer en vorst. </span>Neen! ik ben de uwe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Kom af, gij dankt hem ’t hertogdom van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p id="kh6iii.i.1.78" class="line">Mijn erfdeel was dat, zooals ’t graafschap March.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Uw vader pleegde aan kroon en vorst verraad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Gij, Exeter, pleegt aan de kroon verraad,</p>
+<p class="line">Wanneer gij de’ usurpator Hendrik volgt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Wien zou hij volgen, dan zijn echten koning?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Juist, Clifford; dat is Richard, hertog York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat! moet ìk staan? gij zitten op mijn troon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo moet en zal het zijn; dus, leer u schikken.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb700">[<a href="#pb700">700</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wees hertog Lancaster, en hij zij koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Hij is dit, en ook hertog Lancaster;</p>
+<p class="line">Dit zal de lord van Westmoreland u staven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En Warwick zal ’t u looch’nen. Gij vergeet,</p>
+<p class="line">Dat wij het zijn, die u van ’t veld verjaagden,</p>
+<p class="line">Uw vaders doodden, met ontplooide vanen</p>
+<p class="line">Door Londens straten trokken naar ’t paleis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Ja, Warwick, dit herdenk ik tot mijn leed;</p>
+<p class="line">En bij zìjn ziel, u rouwt dit en uw huis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Plantagenet, meer levens zal ik nemen</p>
+<p class="line">Van u, uw zoons, uw magen, vrienden, dan</p>
+<p class="line">Er drupp’len bloeds in mijnen vader waren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Terg ons niet verder, of, in plaats van woorden,</p>
+<p class="line">Zal ik u, Warwick, zulk een bode zenden,</p>
+<p class="line">Dat die, eer ik mij roer, zijn dood zal wreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Hoort Clifford! hoe belach ik ijdel dreigen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Laat ons onze aanspraak op de kroon bewijzen;</p>
+<p class="line">Zoo niet, dan wijze in ’t veld ons zwaard het uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat recht hebt gij, verrader, op de kroon? <span class="lineNum">104</span></p>
+<p id="kh6iii.i.1.105" class="line">Uw vader was, als gij, hertog van York;</p>
+<p class="line">Uw moeders vader was de graaf van March;—</p>
+<p class="line">Mijn vader was de groote vijfde Hendrik,</p>
+<p class="line">Die Frankrijk buigen deed en den dauphijn,</p>
+<p class="line">Hun steden en hun landen heeft veroverd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Spreek niet van Frankrijk; ’t werd door u verloren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Dat deed de lord protector, en niet ik;</p>
+<p class="line">’k Was negen maanden oud, toen ik gekroond werd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Thans zijt gij oud genoeg, en toch verliest gij.</p>
+<p class="line">Ontruk die kroon hem, vader, u ontroofd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Ja, vader, juist, druk die uzelf op ’t hoofd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague</p>
+<p id="kh6iii.i.1.116" class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">York</span>). Mijn broeder, eert gij waap’nen, zijn ze u lief,</p>
+<p class="line">Zoo win uw zaak door strijd en niet door twisten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Blaast! roert de trom! dan vlucht de koning wis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Stil, zoons!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Stil gij, en laat den koning aan het woord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Plantagenet, spreek eerst; lords, hoort hem aan;</p>
+<p class="line">En luistert zwijgend en aandachtig toe;</p>
+<p class="line">Wie in de rede valt, hij zal niet leven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Waant gij, dat ik mijn koningstroon verlaat,</p>
+<p class="line">Waarop mijn vader en diens vader zaten?</p>
+<p class="line">Neen, eer moge oorlog dit mijn rijk ontvolken,</p>
+<p class="line">En hunne vanen,—vaak in Frankrijk wapp’rend,</p>
+<p class="line">Doch nu in England, tot mijn harteleed,—</p>
+<p class="line">Mijn lijkwâ zijn!—Wat blikt gij weiflend, lords?</p>
+<p class="line">Mijn recht is goed, veel beter dan het zijne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Toon ’t, Hendrik, aan, en draag de kroon als vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hendrik de vierde won haar door veroov’ring.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Neen, neen, door opstand tegen zijnen vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Wat nu te zeggen? want mijn recht is zwak.</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Luid.</i>)</span> Een vorst kan toch een erfgenaam benoemen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wat verder?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Indien hij ’t kan, dan ben ik wettig koning,</p>
+<p class="line">Want Richard heeft, in ’t bijzijn veler lords,</p>
+<p class="line">Zijn kroon den vierden Hendrik afgestaan;</p>
+<p class="line">Die liet haar aan mijn vader, deze aan mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Hij was in opstand tegen hem, zijn koning,</p>
+<p class="line">En dwong hem door geweld, zijn troon te ontruimen. <span class="lineNum">142</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Doch stelt, mylords, hij deed het zonder dwang,</p>
+<p class="line">Gelooft, dat dit zoo het kroonrecht dwong?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Dat niet; want zoo kon hij geen afstand doen,</p>
+<p class="line">Dat niet de naaste in ’t bloed de kroon zou dragen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij, hertog Exeter, gij tegen ons?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Vergeef mij, maar aan zijne zijde is ’t recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wat fluistert gij, mylords, en geeft geen antwoord?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">’t Geweten zegt mij, hij is wettig koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Nu zullen ze allen overgaan tot hem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Plantagenet, wat gronden gij ook noemt,</p>
+<p class="line">Waan niet, dat Hendrik zoo wordt afgezet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De afzetting zal, trots heel de wereld, volgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Voorwaar, gij dwaalt; al uwe macht in ’t zuiden,</p>
+<p class="line">In Essex, Norfolk, Suffolk of in Kent,—</p>
+<p class="line">Die u zoo trotsch en overmoedig maakt,—</p>
+<p class="line">Kan niet, trots mij, den hertog ooit verhoogen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Zij ’t recht van koning Hendrik goed of niet,</p>
+<p class="line">Lord Clifford zweert u, Heer, voor u te strijden;<span class="pageNum" id="pb701">[<a href="#pb701">701</a>]</span></p>
+<p class="line">Die plek moog’ gapen, levend mij verslinden,</p>
+<p class="line">Waar ik ooit voor mijns vaders moord’naar kniel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O Clifford, hoe versterkt uw taal mijn hart!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Hendrik van Lancaster, leg neer de kroon!—</p>
+<p class="line">Wat mompelt gij, wat hebt gij voor, mylords?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Kent dezen hoogen hertog York zijn recht toe,</p>
+<p class="line">Of van gewapend volk vervul ik ’t huis,</p>
+<p class="line">En boven dezen praalstoel, waar hij zetelt,</p>
+<p class="line">Schrijf ik zijn recht met usurpatorsbloed!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij stampvoet, de Soldaten verschijnen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mylord van Warwick; hoor een enkel woord,</p>
+<p class="line">Laat mij mijn leven lang als koning heerschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Bekrachtig mij de kroon en aan mijn erven,</p>
+<p class="line">En rustig heerscht gij heel uw leven lang.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ik neem het aan, Richard Plantagenet,</p>
+<p class="line">Na mijn verscheiden zij de kroon uw deel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Welk onrecht pleegt gij aan den prins, uw zoon!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wat winst verwerft hij voor zichzelf en England! <span class="lineNum">177</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Versaagde, moedelooze, laffe Hendrik!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Wat hebt gij daar uzelf en ons gekrenkt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Ik blijf niet om dit vreêverdrag te hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Ik evenmin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Kom, neef, dit plan de koningin gemeld!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Westmoreland.</p>
+<p class="line">Vaarwel, kleinmoedige en ontaarde vorst,</p>
+<p class="line">In wiens koud bloed geen vonkje eere leeft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Wees gij een buit voor ’t huis van York, en sterf</p>
+<p class="line">In boeien voor dit man-onteerend doen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Word gij in schrikb’ren krijg steeds overwonnen,</p>
+<p class="line">Of leef in vreê steeds eenzaam en veracht!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Northumberland</span>, <span class="sc">Clifford</span> <i>en</i> <span class="sc">Westmoreland</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Blik hierheen, Hendrik, sla geen acht op hen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Zij zoeken wraak, en daarom zijn ze onbuigzaam.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ach, Exeter!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Ach, Exeter! </span>Waarom dat zuchten, Heer?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Niet om mijzelf, lord Warwick, om mijn zoon,</p>
+<p class="line">Dien ik zoo onnatuurlijk moet onterven.—</p>
+<p class="line">Doch zij dit hoe het wil, hiermeê vermaak ik</p>
+<p class="line">De kroon voor eeuwig u en uwen erven;</p>
+<p class="line">Met dit beding, dat gij den eed hier doet,</p>
+<p class="line">Den burgerkrijg te staken en mij steeds,</p>
+<p class="line">Zoolang ik leef, als heer en koning te eeren,</p>
+<p class="line">En noch door open krijg, noch door verraad</p>
+<p class="line">Te streven naar mijn val om zelf te heerschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>van den troon stijgend</i>).</span> Dien eed doe ik volgaarne en zal hem houden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Leef, Hendrik, lang!—Plantagenet, omarm hem!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Leef lang ook gij, en deze uw kloeke zoons!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo zijn dan York en Lancaster verzoend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Vervloekt zij hij, die vijandschap wil zaaien!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. De Lords treden vooruit.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p id="kh6iii.i.1.207" class="line">Vaarwel, mijn vorst, ik ga naar mijn kasteel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ik zal Londen met mijn volk bezetten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Norfolk.</p>
+<p class="line">En ik ga met mijn volgers weer naar Norfolk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">En ik weer naar de kust, van waar ik kwam. <span class="lineNum">209</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">York</span> <i>en zijn Zonen</i>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Norfolk</span>, <span class="sc">Montague</span>, <i>Soldaten en Gevolg af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En ik, met leed en kommer naar mijn hof.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Daar komt de koningin: haar blik spelt toorn;</p>
+<p class="line">’k Wil henensluipen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Exeter, ook ik.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij wil heengaan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Neen, ga niet van mij weg; ik zal u volgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wees kalm, mijn lieve gade, en ik zal blijven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wie kan bij ’t uiterst leed aan kalmte denken?</p>
+<p class="line">Onzalig man! ware ik als maagd gestorven,</p>
+<p class="line">Hadde ik u nooit gezien, geen zoon gebaard,</p>
+<p class="line">Die zulk een vader had, zoo onnatuurlijk!</p>
+<p class="line">Heeft hij ’t verdiend, zijn erfrecht zoo te derven?</p>
+<p class="line">Hadt gij hem half zoo veel bemind als ik,</p>
+<p class="line">Hadt gij voor hem geleden, wat ik leed,</p>
+<p class="line">Hadt gij, als ik, hem met uw bloed gevoed,</p>
+<p class="line">Eer hadt ge uw dierbaarst hartebloed gegeven,</p>
+<p class="line">Dan ooit dien woestaard erfgenaam gemaakt,</p>
+<p class="line">En dezen uwen een’gen zoon onterfd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Mijn erfdeel, vader, kunt gij mij niet nemen;</p>
+<p class="line">Zijt gij hier Koning, dan volg ik u op.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb702">[<a href="#pb702">702</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Vergeef, Marg’retha,—lieve zoon, vergeef mij;—</p>
+<p class="line">Graaf Warwick en de hertog dwongen mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Zij dwongen u! gij, koning, laat ge u dwingen?</p>
+<p class="line">Ik schaam mij u te hooren spreken! Lafaard!</p>
+<p class="line">Gij bracht uzelf ten val, uw zoon en mij,</p>
+<p class="line">En gaaft aan ’t huis van York zoo groot een macht,</p>
+<p class="line">Dat gij slechts heerschen zult, als zij het dulden.</p>
+<p class="line">Uw kroon aan hem, zijn erven, te vermaken,</p>
+<p class="line">Wat anders is ’t, dan zelf uw graf te delven,</p>
+<p class="line">Er in te sluipen, lang vóór uwen tijd?</p>
+<p class="line">Warwick is kanselier, beheerscht Calais,</p>
+<p id="kh6iii.i.1.239" class="line">De onbuigb’re Faulconbridge de nauwe zee,</p>
+<p class="line">De hertog is protector nu van ’t rijk,</p>
+<p class="line">En acht ge u veilig? zulk een veiligheid</p>
+<p class="line">Geniet een sidd’rend lam, omringd van wolven.</p>
+<p class="line">Ware ik, een zwakke vrouw, slechts hier geweest,</p>
+<p class="line">Eer had ik door de krijgers op hun pieken</p>
+<p class="line">Mij laten rijgen, dan dat ik mij ooit</p>
+<p class="line">Tot zulk een onderhand’ling had verstaan;</p>
+<p class="line">Maar gij verkiest uw leven boven de eer;</p>
+<p class="line">En wijl ik zie, dat gij dit doet, zoo scheide ik</p>
+<p class="line">Mij, Hendrik, van uw disch en bed, totdat</p>
+<p class="line">Dit parlementsbesluit vernietigd is,</p>
+<p class="line">Waarbij mijn’ zoon zijn erfdeel is ontroofd.</p>
+<p class="line">De lords van ’t noorden, die uw vaan verzaakten,</p>
+<p class="line">Zij volgen wis de mijne, waar zij wappert;</p>
+<p class="line">En wapp’ren zal zij, u tot bitt’ren smaad,</p>
+<p class="line">En ’t gansche huis van York ten ondergang.</p>
+<p class="line">Aldus verlaat ik u.—Kom, zoon, van hier;</p>
+<p class="line">Ons leger staat bereid; kom dus, hen na! <span class="lineNum">256</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Blijf, lieve Margaretha, laat mij spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Te veel hebt gij alreeds gesproken; ga!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Edward, mijn lieve zoon, blijft gij niet bij mij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O ja! opdat de vijand hem vermoorde!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Als ik van de’ oorlog zegevierend keer,</p>
+<p class="line">Kom ik tot u; tot zoolang volg ik haar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Kom, zoon, wij mogen zoo niet dralen; kom!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>en de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Die arme vrouw! haar drijft haar teed’re liefde</p>
+<p class="line">Voor mij en voor haar zoon tot woeste vlagen!</p>
+<p class="line">God wreke haar op dezen boozen hertog,</p>
+<p class="line">Wiens eerzucht, van begeert’ bevleugeld, mij</p>
+<p class="line">De kroon zal kosten, als een hong’rige aad’laar</p>
+<p class="line">Mijn vleesch verscheuren zal en dat mijns zoons!—</p>
+<p class="line">Die afval der drie lords bezwaart mijn hart;</p>
+<p class="line">Ik zal hun schrijven, vleiend tot hen smeeken.—</p>
+<p class="line">Kom, waardige oom, gij moet mijn bode zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">En ik, ik hoop hen allen te verzoenen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.i.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vertrek in het slot</i> <span class="ex">Sandal</span>, <i>nabij</i> <span class="ex">Wakefield</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Richard</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Vergun mij, broeder, schoon ik jonger zij,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Neen, neen, ik kan voor reed’naar beter spelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Maar ik heb gronden van gewicht en kracht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Hoe is het, zoons en broeder? aan ’t krakeelen?</p>
+<p class="line">Waarover hebt gij twist en hoe begon die?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Geen twist, alleen een kleinen woordenstrijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Waarom?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Om iets wat u, en ook ons allen aangaat:</p>
+<p class="line">De kroon van England, die aan u behoort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Aan mij, knaap? niet vóór koning Hendrik dood is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Uw recht hangt aan zijn dood en leven niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Het erfrecht hebt gij; neem haar daarom nu;</p>
+<p class="line">Laat gij de Lancasters op adem komen,</p>
+<p class="line">Dan schieten zij ten laatste u nog vooruit. <span class="lineNum">14</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ik zwoer, dat hij in vrede zou regeeren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Maar eeden mag men breken voor een kroon;</p>
+<p class="line">Ik brak er duizend om één jaar te heerschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Verhoede God, dat gij meineedig wierdt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dit word ik, zoo ik naar de waap’nen grijp.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">’k Bewijs het tegendeel, als gij wilt hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Dit kunt gij niet, mijn zoon, het is onmoog’lijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Een eed is zonder een’ge kracht, tenzij</p>
+<p class="line">Een echte, wettige overheid hem afneemt,</p>
+<p class="line">Die over hem, die zweert, gezag bezit;</p>
+<p class="line">Gezag had Hendrik niet, dan aangematigd;</p>
+<p class="line">Merk op, dat hij het was, die de’ eed u afnam,—</p>
+<p class="line">En dus, mylord, uw eed is nul en nietig.</p>
+<p class="line">Daarom, te wapen! En bedenk eens, vader,</p>
+<p class="line">Hoe schoon het is, een diadeem te dragen,</p>
+<p class="line">Hoe in zijn omtrek een Elysium is,</p>
+<p class="line">En elk geluk en heil, dat dichters malen.</p>
+<p class="line">Waarom zoo lang gedraald? Ik heb geen rust,</p>
+<p class="line">Alvorens ik de witte roos, die ’k draag,</p>
+<p class="line">In ’t lauwe hartebloed van Hendrik kleur.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Richard, genoeg: ’k wil koning zijn, of sterven.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Montague</span>)</span> Gij, broeder, zult terstond naar Londen ijlen;<span class="pageNum" id="pb703">[<a href="#pb703">703</a>]</span></p>
+<p class="line">Spoor Warwick tot deze onderneming aan.—</p>
+<p class="line">Gij, Richard, haast u naar den hertog Norfolk,</p>
+<p class="line">En deel hem heim’lijk onze plannen mee.—</p>
+<p class="line">Gij, Edward, zult u naar lord Cobham spoeden,</p>
+<p class="line">Met wien de Kenters gaarne zullen opstaan;</p>
+<p class="line">Op hen vertrouw ik, want zij zijn soldaten,</p>
+<p class="line">Kloek, wakker, welgezind, vol geest en moed.</p>
+<p class="line">Wat blijft, terwijl gij dit bezorgt, te doen,</p>
+<p class="line">Dan dat ik uitdenk, hoe wij zullen opstaan,</p>
+<p class="line">Zóó, dat de koning niets vermoedt van ’t plan,</p>
+<p class="line">Noch iemand van het huis van Lancaster?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Maar stil,—wat is er? waartoe zulk een haast?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">De koningin, met al de lords van ’t noorden,</p>
+<p class="line">Heeft plan, u in uw slot hier te beleeg’ren.</p>
+<p class="line">Zij rukt met twintigduizend man ginds aan;</p>
+<p class="line">Versterk daarom uw veste goed, mylord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ja, met mijn zwaard. Gij waant, dat wij hen vreezen?—</p>
+<p class="line">Edward en Richard, gij zult bij mij blijven;—</p>
+<p class="line">Mijn broeder Montague, ga snel naar Londen,</p>
+<p class="line">En zeg Graaf Warwick, Cobham en al de and’ren,</p>
+<p class="line">Die bij den koning als protectors bleven,</p>
+<p class="line">Met krachtig staatsbeleid zich te versterken,</p>
+<p class="line">Den zwakhoofd Hendrik noch zijn eeden achtend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Ducht, broeder, niets; ik win hen voor uw plan; <span class="lineNum">60</span></p>
+<p class="line">Ik spoed mij heen en neem dienstwillig afscheid.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Montague</span> <i>af</i>.)</p>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John</span> <i>en Sir</i> <span class="sc">Hugo Mortimer</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Mijn ooms, Sir John en Hugo Mortimer,</p>
+<p class="line">Gij komt te goeder ure in Sandal aan;</p>
+<p class="line">De macht der koningin wil ons beleeg’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Sir John Mortimer.</p>
+<p class="line">Niet noodig; wij ontmoeten haar in ’t veld.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wat! met vijfduizend man?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Ja, vader, met vijfhonderd man des noods;</p>
+<p class="line">Een vrouw is generaal, wat is te duchten?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een marsch in de verte.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Ik hoor hun trommen; fluks ons volk geordend;</p>
+<p class="line">Naar buiten dan; den slag hun aangeboden!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Vijf tegen twintig! Groot is de overmacht;</p>
+<p class="line">Maar, oom, ik twijfel niet aan de overwinning.</p>
+<p class="line">In Frankrijk heb ik meen’gen slag gewonnen,</p>
+<p class="line">Waarin de vijand tien was tegen één;</p>
+<p class="line">Waarom zou ik niet even goed nu slagen?</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Alarmsignalen.—Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.i.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Eene vlakte nabij slot</i> <span class="ex">Sandal</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Krijgsgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Rutland</span> <i>en zijn Leermeester komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p class="line">Ach, waarheen vlucht, ontkom ik aan hun handen?</p>
+<p class="line">Zie, meester, de bloedgier’ge Clifford komt!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>komt op, met Soldaten</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Weg, priester, weg; uw stand redt u het leven;</p>
+<p class="line">Maar hier dit jong van den vervloekten hertog,</p>
+<p class="line">Den moord’naar van mijn vader, hij moet sterven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Leermeester.</p>
+<p class="line">Ik wil, mylord, daarin zijn makker zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Soldaten, sleept hem weg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Leermeester.</p>
+<p class="line">O Clifford, pleeg geen moord op ’t schuldloos kind,</p>
+<p class="line">En maak u niet gehaat bij God en menschen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij wordt door soldaten weggevoerd.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Wat, is hij nu reeds dood? Of is het vrees,</p>
+<p class="line">Die de oogen hem doet sluiten? Ik wil ze oop’nen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p id="kh6iii.i.3.12" class="line">Zoo blikt de onthokte leeuw zijn offer aan,</p>
+<p class="line">Dat onder zijn vraatgier’ge klauwen rilt;</p>
+<p class="line">Zoo schrijdt hij voort, trotsch juublend om zijn prooi,</p>
+<p class="line">Zoo komt hij nader om ze uiteen te rijten!—</p>
+<p class="line">O, lieve lord, versla mij met uw zwaard,</p>
+<p class="line">En niet met zulk een wreeden, fellen blik.</p>
+<p class="line">O beste Clifford, hoor mij, eer ik sterf:</p>
+<p class="line">Te nietig ben ik, dat ge op mij u wreekt;</p>
+<p class="line">Neem wraak op mannen, en laat mij het leven!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Gij spreekt vergeefs, arm kind; mijn vaders bloed</p>
+<p class="line">Stopt de’ ingang toe, waardoor uw woord moest dringen. <span class="lineNum">22</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p class="line">Laat dan mijns vaders bloed dien weder oop’nen;</p>
+<p class="line">Hij is een man, en, Clifford, kamp met hem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Al had ik ook uw broeders hier, hùn leven</p>
+<p class="line">En ’t uwe waar’ mijn wrake niet genoeg.</p>
+<p class="line">Neen, dolf ik ’t graf van uw voorvaad’ren op,</p>
+<p class="line">Hing ik hun rotte kisten op in keet’nen,</p>
+<p class="line">Mijn wrok waar’ niet gestild, noch ’t hart voldaan.</p>
+<p class="line">Het zien van wien ook van het huis van York</p>
+<p class="line">Is als een furie, die het hart mij foltert;</p>
+<p class="line">En tot ik hun vervloekt geslacht verdelgd heb,</p>
+<p class="line">Geen leven sparend,—leef ik in de hel.</p>
+<p class="line">Daarom,—</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p class="line">O laat mij bidden, eer de dood mij treft;—</p>
+<p class="line">Ik smeek tot ù: heb deernis, lieve Clifford!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Die deernis, die de punt van ’t staal verleent.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p class="line">Ik griefde u nooit, waarom wilt gij mij dooden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Uw vader deed het wel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p class="line"> </p>
+<p class="line"><span class="hemistich"> </span>Vóór mijn geboorte.</p>
+<p class="line">Gij hebt één zoon,—spaar mij om zijnentwil,</p>
+<p class="line">Opdat hij niet,—God is gerecht!—uit wrake</p>
+<p class="line">Verslagen word’, zoo jammervol als ik.</p>
+<p class="line">O, laat mij levenslang gevangen zijn,<span class="pageNum" id="pb704">[<a href="#pb704">704</a>]</span></p>
+<p class="line">En geef ik ooit u grond tot ergernis,</p>
+<p class="line">Zoo dood mij dan, want nu hebt gij geen reden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Geen reden?</p>
+<p class="line">Uw vader sloeg den mijnen dood; dus—sterf.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rutland.</p>
+<p id="kh6iii.i.3.48" class="line"><span class="ex" lang="la">Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Plantagenet! ik kom, Plantagenet!</p>
+<p class="line">Dit bloed uws zoons, dat aan mijn kling hier kleeft,</p>
+<p class="line">Zal op mijn wapen roesten, tot uw bloed</p>
+<p class="line">Gestold met dit, mij ’t saam afwisschen laat.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clifford</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.i.4" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.i.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte der vlakte.</i></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch.</i> <span class="sc">York</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">De macht der koningin behoudt het veld:</p>
+<p class="line">Om mij te redden vielen beî mijn ooms;</p>
+<p class="line">Voor ’s vijands fellen aanval deinzend, vluchten</p>
+<p class="line">Mijn volgers, snel als schepen voor den wind,</p>
+<p class="line">Of lamm’ren voor den uitgevasten wolf.</p>
+<p class="line">Mijn zoons,—God weet, wat lot hun wedervoer;</p>
+<p class="line">Dit weet ik slechts; zij hielden zich als mannen,</p>
+<p class="line">Tot roem geboren, beide in dood en leven.</p>
+<p class="line">Driemaal hieuw Richard zich een baan tot mij,</p>
+<p class="line">En riep driemaal: „Moed, vader, vecht het uit!”</p>
+<p class="line">En even vaak kwam Edward mij op zijde,</p>
+<p class="line">Met purperroode kling, tot aan ’t gevest</p>
+<p class="line">Met zijner weerpartijders bloed geverfd;</p>
+<p class="line">En toen de meest geharde krijgers weken,</p>
+<p class="line">Riep Richard steeds: „Valt aan! geen stap terug!”</p>
+<p id="kh6iii.i.4.16" class="line">Edward: „Een kroon!—zoo niet, een roemvol graf!</p>
+<p class="line">Een scepter, of een kleinen kuil in de aarde!”</p>
+<p class="line">Toen grepen wij opnieuw hen aan, maar ach!</p>
+<p class="line">Wij deinsden weer, zooals ik vaak een zwaan</p>
+<p class="line">Vergeefs den springvloed tegenroeien zag, <span class="lineNum">20</span></p>
+<p class="line">Zijn kracht in de onweerstaanb’re golven spillend.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een kort strijdgedruisch achter het tooneel.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Daar naad’ren, hoor, die mij ter dood vervolgen;</p>
+<p class="line">En ik ben mat, kan voor hun wrok niet vluchten;</p>
+<p class="line">En ware ik sterk, ik zou hun wrok niet mijden.</p>
+<p class="line">Geteld is ’t zand, waarmee mijn leven eindt;</p>
+<p class="line">’k Moet toeven hier, mijn leven hier besluiten.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p704width"><img src="images/p704.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Eerste Bedrijf, Vierde Tooneel." width="475" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Eerste Bedrijf, Vierde Tooneel.</p>
+</div><p></p>
+<p class="stage">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Clifford</span>, <span class="sc">Northumberland</span>, <i>de jonge Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>en Soldaten komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Komt, Clifford, man des bloeds,—Northumberland,</p>
+<p class="line">Gij woestaard,—nadert! uw onleschb’re woede</p>
+<p class="line">Blaas ik hier aan tot feller razernij.</p>
+<p class="line">Ik ben uw doelwit en ik wacht uw schot.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Geef op genade u over, trotsche York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ja, een genade, als eens zijn moordnaarsarm</p>
+<p class="line">Als afbetaling aan mijn vader schonk!</p>
+<p class="line">Ziet, uit zijn kar is Phaëton getuimeld</p>
+<p class="line">En deed het avond zijn op ’t middaguur.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Mijn asch kan, als de Feniks doet, een vogel</p>
+<p class="line">Verwekken, die mij op u allen wreekt;</p>
+<p class="line">En in die hoop sla ik mijn oog ten hemel,</p>
+<p class="line">En ik belach, wat gij mij aandoen kunt.</p>
+<p class="line">Wat! komt gij niet?—Zoo velen, en lafhartig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Zoo vechten, als het vluchten uit is, lafaards:</p>
+<p class="line">Zoo pikt de duif naar ’s haviks scherpen klauw;</p>
+<p class="line">Zoo braken, met de galg voor oogen, dieven</p>
+<p class="line">Schimpreed’nen op de dienaars van ’t gerecht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">O Clifford, denk een oogenblik terug,</p>
+<p class="line">En roep mijn vroeg’ren tijd u voor den geest,</p>
+<p class="line">En blik, vergunt de schaamte u dit, mij aan;</p>
+<p class="line">Bijt stuk uw tong, die hèm een lafaard noemt,</p>
+<p class="line">Wiens booze blik u rillen deed en vluchten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ik wil niet woord voor woord u wedergeven,</p>
+<p class="line">Maar slagen wiss’len tweemaal twee voor een.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij trekt zijn zwaard.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Halt, dappre Clifford, want om duizend reed’nen</p>
+<p class="line">Wil ik een poos des booswichts leven rekken.—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clifford</span> <i>dringt op</i> <span class="sc">York</span> <i>steeds aan</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Northumberland</span>.)</span> </p>
+<p class="line">Drift maakt hem doof; spreek gij, Northumberland!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Halt, Clifford; te veel eer waar’ ’t hem, indien <span class="lineNum">54</span></p>
+<p class="line">Ge uw vingers prikt, zelfs om zijn hart te treffen.</p>
+<p class="line">Noemt gij het dapper, bij een hond, die grimbrekt,</p>
+<p class="line">De hand te steken tusschen ’t scherp gebit,</p>
+<p class="line">Wanneer gij met den voet hem weg kunt schoppen?</p>
+<p class="line">’t Is oorlogsrecht, zijn voordeel waar te nemen;</p>
+<p class="line">Tien tegen een werpt op den moed geen smet.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Soldaten grijpen</i> <span class="sc">York</span> <i>aan, die zich verzet</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ja, ja, zoo strijdt de houtsnip met den strik.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Zoo trappelt het konijntje in het net.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">York</span> <i>wordt gevangen genomen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Zoo juub’len dieven om een goeden buit;</p>
+<p class="line">Zoo geeft een eerlijk man zich prijs aan roovers.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Wat wenscht uw hoogheid, dat wij met hem doen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij dapp’ren, Clifford en Northumberland,</p>
+<p class="line">Komt, plaatst mij op dien molshoop nu den man,</p>
+<p class="line">Wiens arm, ver uitgestrekt, naar bergen greep,</p>
+<p class="line">Maar met zijn hand alleen hun schaduw deelde.—</p>
+<p class="line">Waart gij het, spreek, die Englands vorst moest zijn,</p>
+<p class="line">Die in ons parlement den baas kwaamt spelen,</p>
+<p class="line">Zoo prachtig roemdet van uw hoogen stam?</p>
+<p class="line">Waar is uw viertal zoons om u te steunen?</p>
+<p class="line">De dartele Edward en de lachbek Clarence!</p>
+<p class="line">En waar het dapp’re kromme wangedrocht,</p>
+<p id="kh6iii.i.4.76" class="line">Uw lieve Dick, die met zijn knorstem staâg</p>
+<p class="line">Zijn oudjen aan te wakk’ren wist tot muiten?<span class="pageNum" id="pb705">[<a href="#pb705">705</a>]</span></p>
+<p class="line">En waar, met de and’ren, is uw liev’ling Rutland?</p>
+<p class="line">Zie, York, ik doopte dezen doek in ’t bloed,</p>
+<p class="line">Dat dapp’re Clifford met de punt des zwaards</p>
+<p class="line">Liet stroomen uit de borst van uwen knaap;</p>
+<p class="line">Indien uw oogen om hem schreien kunnen,</p>
+<p class="line">Zoo neem dien om uw wangen mee te drogen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij werpt hem den doek toe.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ach, arme York! ik zou, indien mijn haat</p>
+<p class="line">Min dood’lijk ware, uw jammerlot beklagen.</p>
+<p class="line">Ik bid u, schrei, en maak mij vroolijk, York.</p>
+<p class="line">Wat! droogde uw vurig hart u zoo gansch uit,</p>
+<p class="line">Dat gij voor Rutland’s dood geen enk’len traan hebt?</p>
+<p class="line">Blijft gij zoo kalm nog? razen moest gij nu;</p>
+<p class="line">Ik hoon u zoo, om razend u te maken;</p>
+<p class="line">Stamp, scheld, word dol, opdat ik zinge en dans’!</p>
+<p class="line">O, gij wilt loon, ja, eer gij grappig wordt;</p>
+<p class="line">York spreekt geen woord, aleer een kroon hem siert!—</p>
+<p class="line">Een kroon voor York!—en, lords, buigt diep voor hem.—</p>
+<p class="line">Houdt gij hem vast; ik zet de kroon hem op.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij zet</i> <span class="sc">York</span> <i>een papieren kroon op het hoofd</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ja, nu ziet hij er als een koning uit!</p>
+<p class="line">Die man was ’t, ja, die Hendriks zetel innam;</p>
+<p class="line">Die man was ’t, die zijn erfgenaam zou zijn.—</p>
+<p class="line">Maar hoe komt dit, dat vorst Plantagenet <span class="lineNum">99</span></p>
+<p class="line">Zoo vroeg gekroond werd, en zijn eed verbrak?</p>
+<p class="line">Heb ik het wel, dan zoudt ge eerst koning zijn,</p>
+<p class="line">Als Hendrik aan den dood de hand gereikt had.</p>
+<p class="line">En wilt ge uw hoofd in Hendriks glorie steken,</p>
+<p class="line">Zijn slapen van den diadeem berooven,</p>
+<p class="line">Nu hij nog leeft, uw heil’gen eed ten trots?</p>
+<p class="line">O, dit vergrijp is zwaar, is onvergeeflijk.—</p>
+<p class="line">Neemt weg die kroon, en, met de kroon, zijn hoofd!</p>
+<p class="line">Telt één, en fluks zij hem de hals gekloofd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Mìjn ambt zij dit, ter wille van mijn vader.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Neen, wacht; wij hooren, hoe hij bidden zal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Wolvin van Frankrijk, wolfscher dan zijn wolven,</p>
+<p class="line">Wier tong meer gift heeft dan een addertand!</p>
+<p class="line">Hoe kwalijk staat het aan uw kunne, aldus</p>
+<p class="line">Te juub’len als een Amazone-snol</p>
+<p class="line">Bij ’t wee van hen, die ’t lot in boeien slaat!</p>
+<p class="line">Ware uw gelaat niet roerloos als een mom,</p>
+<p class="line">Niet schaamteloos door ’t stadig onrechtplegen,</p>
+<p class="line">Ik zou beproeven, trotsche koningin,</p>
+<p class="line">Een blos u aan te jagen, want te zeggen</p>
+<p class="line">Van waar gij kwaamt en afstamt, waar’ genoeg</p>
+<p class="line">Tot uw beschaming, zoo gij schaamte kendet.</p>
+<p class="line">Uw vader draagt den koningstooi van Napels,</p>
+<p class="line">De twee Siciliën en Jeruzalem,</p>
+<p class="line">Maar is zoo rijk niet als een Engelsch burger;</p>
+<p class="line">Heeft u die arme vorst uw trots geleerd?</p>
+<p class="line">Maar, trotsche koningin, dit baat u niets,</p>
+<p class="line">Dan dat het spreekwoord waar blijkt: „Als een beed’laar</p>
+<p class="line">Te paard ooit komt, hij jaagt zijn rijdier dood.”</p>
+<p class="line">Ja, schoonheid maakt de vrouwen vaak hoovaardig;</p>
+<p class="line">Maar klein, God weet het, is uw deel hiervan.</p>
+<p class="line">’t Is deugd, die meer dan iets haar doet bewondren;</p>
+<p class="line">Bij u staat elk verbaasd om ’t tegendeel.</p>
+<p class="line">’t Is zelfbeheersching, die haar godd’lijk maakt;</p>
+<p class="line">Gij zijt, door die te missen, afschuwwekkend.</p>
+<p class="line">Van al wat goed is zijt gij afgekeerd,</p>
+<p class="line">Zoozeer als de Antipoden ’t zijn van ons,</p>
+<p class="line">Of evenals het noorden ’t is van ’t zuiden.</p>
+<p class="line">O tijgerhart, in vrouwehuid gehuld!</p>
+<p class="line">Hoe kondt gij ’t levensbloed des kinds verzaam’len,</p>
+<p class="line">Opdat de vader de oogen er mee wischte,</p>
+<p class="line">En toch het uitzicht hebben van een vrouw?</p>
+<p class="line">Zacht zijn de vrouwen, week, meedoogend, plooizaam,</p>
+<p class="line">Gij stug, verstokt, steenhard, ruw, deernisloos.</p>
+<p class="line">Ik moest hier razen? nu, gij hebt uw wensch.</p>
+<p class="line">Ik moest hier weenen? nu, gij hebt uw wil.</p>
+<p class="line">Want storm, die raast, blaast zware buien saam,</p>
+<p class="line">En als het razen luwt, dan komt de regen.</p>
+<p class="line">Mijn tranen pleng ik aan mijn lieven Rutland,</p>
+<p class="line">En elke druppel schreeuwt om wraak op u,</p>
+<p class="line">Ontmenschte Clifford, valsche Fransche vrouw!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Vervloekt, zijn woest gejammer roert mij zoo, <span class="lineNum">150</span></p>
+<p class="line">Dat ik met moeite een tranenvloed weerhoud.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Geen bende kannibalen had, hoe hong’rig,</p>
+<p class="line">Ooit zijn gelaat gedeerd, met bloed bevlekt;</p>
+<p class="line">Maar gij zijt meer onmenschlijk, onvermurwbaar,</p>
+<p class="line">Ja, tienmaal meer, dan tijgers van Hyrcanië.</p>
+<p class="line">Zie, furie, eens rampzaal’gen vaders tranen!</p>
+<p class="line">Gij dooptet in mijns jongens bloed dien doek,</p>
+<p class="line">En ’t bloed wasch ik hier met mijn tranen weg;</p>
+<p class="line">Hier, neem dien doek terug en pronk er mee;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij werpt den doek terug.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En doet gij ’t jammervol verhaal naar waarheid,</p>
+<p class="line">Bij God, uw hoorders zullen tranen storten,</p>
+<p class="line">Ja, zelfs mijn haters bitt’re tranen storten,</p>
+<p class="line">En zeggen: „Ach, dit was een gruweldaad!”—</p>
+<p class="line">Daar, neem de kroon, en met de kroon mijn vloek,</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij werpt de papieren kroon neer.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En vind, in uwen nood, denzelfden troost,</p>
+<p class="line">Als thans uw al te wreede hand mij biedt!—</p>
+<p class="line">Kom, felle Clifford, maai mij weg van de aard!—</p>
+<p class="line">Mijn ziel aan God, mijn bloed op uwe hoofden!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Al had hij allen van mijn bloed geslacht,</p>
+<p class="line">Toch moest ik, bij mijn leven, met hem weenen,</p>
+<p class="line">Nu ik dien diepen zielejammer zie.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat! rijp tot weenen, lord Northumberland!</p>
+<p class="line">Herdenk het kwaad, dat hij ons allen deed;</p>
+<p class="line">Dit zal die weeke tranen ras u drogen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Dit voor mijn eed, dit voor mijns vaders dood!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt</i> <span class="sc">York</span>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb706">[<a href="#pb706">706</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">En dit voor ’t recht van onzen zachten koning!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij doorsteekt</i> <span class="sc">York</span> <i>mede</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">York.</p>
+<p class="line">Ontsluit uw hemelpoort, genadig God!</p>
+<p class="line">Door deze wonden vliedt mijn ziel tot u.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hem ’t hoofd af! steekt dat op de poort van York;</p>
+<p class="line">Zoo overblikke York zijn veste York.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">TWEEDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6iii.ii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vlakte bij</i> <span class="ex">Mortimer’s Kruis</span> <i>in</i> <span class="ex">Herefordshire</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Een marsch.</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Richard</span> <i>komen op, met hun troepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Hoe onze hooge vader mag ontsnapt zijn?</p>
+<p class="line">En of hij werk’lijk is ontsnapt of niet,</p>
+<p class="line">Aan Clifford’s en Northumberland’s vervolging?</p>
+<p class="line">Waar’ hij gevangen, dan waar ’t ons bekend;</p>
+<p class="line">Waar’ hij verslagen, dan waar ’t ons bekend;</p>
+<p class="line">Waar’ hij ontsnapt, mij dunkt, dan hadden wij</p>
+<p class="line">De blijde tijding zeker reeds vernomen.—</p>
+<p class="line">Hoe is ’t, mijn broeder? waarom zoo bedrukt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Ik kan niet opgeruimd zijn, eer ik weet,</p>
+<p class="line">Wat onzen dapp’ren vader is bejegend.</p>
+<p class="line">Ik zag hem, hoe hij ’t bloedig veld doorzwierf,</p>
+<p class="line">Gaf acht, hoe hij uit allen Clifford uitlas.</p>
+<p class="line">Het was me, als hield hij huis in ’t dichtst gedrang,</p>
+<p class="line">Gelijk een leeuw doet in een kudde rund’ren,</p>
+<p class="line">Of als een beer, van honden gansch omringd,</p>
+<p class="line">Die enk’len met een klauwslag janken doet,</p>
+<p class="line">Zoodat de rest uit verre verte keft.</p>
+<p class="line">Zoo deed daar onze vader met den vijand;</p>
+<p class="line">Zoo vlood de vijand voor mijn dapp’ren vader;</p>
+<p class="line">Ik acht het roems genoeg zijn zoon te zijn.—</p>
+<p class="line">Zie, hoe de morgen ginds haar gouden poort</p>
+<p class="line">Ontsluit, den lichten zonnegod vaarwel zegt;</p>
+<p class="line">Hoe rijst hij als de glans der jeugd, getooid</p>
+<p class="line">Gelijk een knaap, die naar zijn liefste huppelt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Is ’t zinsbedrog, of zie ik daar drie zonnen? <span class="lineNum">25</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Drie schitterzonnen, elk een gansche zon,</p>
+<p class="line">Niet door een woelend zwerk vaneen gescheiden,</p>
+<p class="line">Maar ieder vrij op ’t bleeke, lichte blauw.</p>
+<p class="line">Daar naad’ren, zie, daar kussen zij elkaar,</p>
+<p class="line">Als werd een eed van eeuw’ge trouw bezegeld;</p>
+<p class="line">Nu zijn zij, één, één lamp, één licht, één zon!</p>
+<p class="line">Dit is een voorbeduidsel aan den hemel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Het is iets wondervreemds, iets nooit gehoords.</p>
+<p class="line">Ik denk, het roept ons, broeder, naar het veld,</p>
+<p class="line">Waar wij, de zoons van den krijgshaften York,</p>
+<p class="line">Schoon ieder stralend met ons eigen licht,</p>
+<p class="line">Tot één gloed saamgevloeid, vereenigd de aard</p>
+<p class="line">Bestralen moeten, als de zon ’t heelal.</p>
+<p class="line">Maar wat dit spellen moog’, ’k wil op mijn schild</p>
+<p id="kh6iii.ii.1.40" class="line">Van dit uur af drie blonde zonnen voeren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Met meisjestrekken wis; want,—gun de scherts mij,—</p>
+<p class="line">Ver boven mann’lijk gaat u vrouw’lijk schoon.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Maar wie zijt gij, wiens sombre blik verraadt,</p>
+<p class="line">Dat booze tijding op de tong u zweeft?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Ach, een, die diep ontsteld getuige was,</p>
+<p class="line">Hoe de eed’le hertog York verslagen werd,</p>
+<p class="line">Uw hooge vader, mijn beminde heer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">O zwijg! ik heb reeds al te veel gehoord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Zeg, hoe hij stierf, want ik wil alle hooren. <span class="lineNum">49</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Omsingeld was hij van des vijands benden</p>
+<p class="line">En wederstond hen, als eens Troje’s schuts</p>
+<p class="line">De Grieken, die in Troje wilden dringen.</p>
+<p class="line">Doch overmacht bedwingt zelfs Hercules,</p>
+<p class="line">En, zij de bijl ook klein, een tal van slagen</p>
+<p class="line">Houwt om en velt den sterksten, hardsten eik.</p>
+<p class="line">Een tal van handen overmande uw vader;</p>
+<p class="line">Doch hem vermoordde alleen de gramme hand</p>
+<p class="line">Des fellen Clifford’s, en der koningin.</p>
+<p class="line">Zij kroonde smaad’lijk de’ eedlen hertog, lachte</p>
+<p class="line">Hem uit in zijn gelaat, en toen hij weende,</p>
+<p class="line">Gaf hem de deernislooze koningin,</p>
+<p class="line">Opdat hij zich de wangen er mee wischte,</p>
+<p class="line">Een zakdoek, in het schuldloos bloed gedoopt</p>
+<p class="line">Des lieven Rutland’s, omgebracht door Clifford,</p>
+<p class="line">En na veel hoon en lagen, fellen spot</p>
+<p class="line">Nam men zijn hoofd, en heeft het op de poort</p>
+<p class="line">Van York gestoken, waar ’t nu blijven moet;</p>
+<p class="line">De grievendste aanblik, ooit door mij ontwaard!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Geliefde York, gij staf, waarop wij leunden!</p>
+<p class="line">Nu gij bezweekt, ontviel ons steun en stut!</p>
+<p class="line">O Clifford, felle Clifford! gij versloegt</p>
+<p class="line">De bloem der ridderschap van gansch Europa;</p>
+<p class="line">’t Was door verraad, dat gij hem overmocht;</p>
+<p class="line">Man tegen man had hij wis u verwonnen.</p>
+<p class="line">Nu is ’t paleis van mijne ziel een kerker;</p>
+<p class="line">O, brak zij uit en wierd zoo dit mijn lichaam</p>
+<p class="line">In de aarde nu ter eeuw’ge rust gelegd!</p>
+<p class="line">Want nimmer zal ik thans weer vreugde smaken;</p>
+<p class="line">Neen, nimmer, nimmermeer lacht vreugd mij toe!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb707">[<a href="#pb707">707</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Ik kan niet weenen; al mijns lichaams vochten</p>
+<p class="line">Bedwingen nauw den vuurgloed van mijn hart;</p>
+<p class="line">Mijn tong kan ’t harte niet van last ontheffen,</p>
+<p class="line">Want de adem, die tot spreken dienen moest,</p>
+<p class="line">Blaast kolen aan, die ’t hart mij blaken doen</p>
+<p class="line">Van vuur, dat tranen zouden willen blusschen.</p>
+<p class="line">Het weenen maakt den weedom minder diep;</p>
+<p class="line">Gunt kindren tranen; wraak en bloed wil ik!—</p>
+<p class="line">Richard, ik draag uw naam; ik wreek uw dood;</p>
+<p class="line">Of sterf, beroemd door ’t jagen naar dit doel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">De naam des dapp’ren hertogs bleef aan u;</p>
+<p class="line">Zijn hertogdom en stoel liet hij aan mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Nu, zijt gij ’t jong van dezen koningsarend,</p>
+<p class="line">Zoo toon uw bloed, en zie de zon in ’t aanzicht!</p>
+<p class="line">Zeg rijk en troon voor hertogdom en stoel;</p>
+<p class="line">Die twee zijn u, of gij waart nooit van hem.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een marsch.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op, met hun troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Nu, beste lords, hoe gaat het? en wat nieuws? <span class="lineNum">96</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">O groote Warwick, zoo we ons rampvol nieuws</p>
+<p class="line">Verhalen moesten en bij ieder woord</p>
+<p class="line">Een dolk in ’t vleesch ons boren, tot aan ’t eind,</p>
+<p class="line">Der woorden pijn ware erger dan de wonden.</p>
+<p class="line">O dapp’re lord, de hertog York is dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">O Warwick, Warwick! die Plantagenet,</p>
+<p class="line">Die u zoo lief had als zijn eigen ziel,</p>
+<p class="line">Is door den wreeden Clifford omgebracht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Die tijding smoorde ik voor tien dagen reeds</p>
+<p class="line">In tranen, en kom thans uw wee vermeerd’ren,</p>
+<p class="line">Door ’t melden van wat verder is geschied.</p>
+<p class="line">Na ’t fel gevecht bij Wakefield, waar uw vader,</p>
+<p class="line">De wakk’re held, den laatsten adem uitblies,</p>
+<p class="line">Werd mij, zoo snel als boden ijlen konden,</p>
+<p class="line">Uw nederlaag bericht en zijn verscheiden.</p>
+<p class="line">Ik, die in Londen ’s konings hoeder was,</p>
+<p class="line">Hield monst’ring, bracht mij scharen vrienden saam,</p>
+<p class="line">En trok naar Sint-Albaans, ruim toegerust,</p>
+<p class="line">Zoo ’k meende, om daar de koningin te stuiten,</p>
+<p class="line">En nam tot zekerheid den koning meê;</p>
+<p class="line">Want mijn spionnen hadden mij gemeld,</p>
+<p class="line">Dat zij in ’t veld was met het vast besluit</p>
+<p class="line">Om ’t parlementsbesluit, aangaande uw erfrecht</p>
+<p class="line">En Hendriks eed, geheel te niet te doen.</p>
+<p class="line">Om kort te gaan, wij werden handgemeen</p>
+<p class="line">Te Sint-Albaans, en beiden vochten heftig;</p>
+<p class="line">Maar, of het nu des konings koelheid was,</p>
+<p class="line">Die zacht op zijn krijgshafte gade blikte,</p>
+<p class="line">Dat aan mijn volk zijn fellen moed ontnam;</p>
+<p class="line">Of het gerucht misschien van haar geluk;</p>
+<p class="line">Of ongewone vrees voor Clifford’s wreedheid,</p>
+<p class="line">Die „bloed en dood” tot zijn gevang’nen dondert,</p>
+<p class="line">Ik weet het niet;—maar, om met waarheid te einden,</p>
+<p class="line">Hùn vechten was een bliks’men met de wapens,</p>
+<p class="line">En onze slagen,—zacht als uilenwieken,</p>
+<p class="line">Of als eens luien dorschers vlegel, kwamen</p>
+<p class="line">Zij neer, als waren ’t vrienden, die zij troffen.</p>
+<p class="line">Ik vuurde de onzen aan met ons goed recht,</p>
+<p class="line">Beloften van hoog loon en rijken buit;—</p>
+<p class="line">Vergeefs, de moed ontbrak hun om te vechten,</p>
+<p class="line">En ons de hoop om zoo te zegevieren.</p>
+<p class="line">Zoo vloden wij, de koning tot zijn gade,</p>
+<p class="line">Wij,—George uw broeder, Norfolk en ikzelf,—</p>
+<p class="line">Spoorslags hierheen, om u thans te versterken,</p>
+<p class="line">Wijl ons bericht werd, dat ge in deze marken</p>
+<p class="line">Weer volk bijeenbracht voor een nieuwen strijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Waar, beste Warwick, is de hertog Norfolk?</p>
+<p class="line">En George, wanneer kwam hij uit Bourgondië?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zes mijlen ver ligt Norfolk met de zijnen,</p>
+<p id="kh6iii.ii.1.145" class="line">En George, uw broeder, werd door uwe moei,</p>
+<p class="line">Bourgondiës hertogin, hierheen gezonden</p>
+<p class="line">Met krijgers, die onze oorlog zeer behoeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Dat was wel overmacht, toen Warwick vlood; <span class="lineNum">148</span></p>
+<p class="line">Ik hoorde vaak hem prijzen voor ’t vervolgen,</p>
+<p class="line">Doch nooit voor nu zijn schande, dat hij week.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En nu ook is ’t geen schande, wat gij hoort;</p>
+<p class="line">Want gij zult zien, hoe deze sterke vuist</p>
+<p class="line">Den haarband rukt van ’t hoofd des zwakken Hendriks,</p>
+<p class="line">Den hoogen scepter uit de hand hem wringt,</p>
+<p class="line">Al waar’ hij in den krijg zoo kloek en roemrijk,</p>
+<p class="line">Als hij nu zacht en vreedzaam heet en vroom.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Ik weet het wel, lord Warwick; gisp mij niet;</p>
+<p class="line">Mijn ijver voor uw krijgsroem doet mij spreken.</p>
+<p class="line">Maar wat, wat doen we in dezen boozen tijd?</p>
+<p class="line">Naar huis gaan, onze maliënkolders uitdoen,</p>
+<p class="line">In zwarten rouw ons hullen, en met kralen</p>
+<p class="line">De Ave-Maria’s tellen, die wij bidden?</p>
+<p class="line">Of zullen we op der weerpartijders helmen</p>
+<p class="line">Onze’ eerdienst galmen doen met wrekersarmen?</p>
+<p class="line">Is dit uw keus, zegt „Ja”, lords, en vooruit!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Juist hiertoe heeft u Warwick opgespoord;</p>
+<p class="line">En hiertoe komt mijn broeder Montague.</p>
+<p class="line">Geeft acht, mylords. De drieste koningin</p>
+<p class="line">Heeft reeds, met Clifford en Northumberland</p>
+<p class="line">En and’re trotsche vogels van die veêren,</p>
+<p class="line">Den weeken koning omgekneed als was.</p>
+<p class="line">Bezworen werd door hem uw erfopvolging,</p>
+<p class="line">Zijn eed werd bij het parlement geboekt;</p>
+<p class="line">En nu is hun geheele troep naar Londen,<span class="pageNum" id="pb708">[<a href="#pb708">708</a>]</span></p>
+<p class="line">Om de’ eed en alles krachtloos te doen zijn,</p>
+<p class="line">Wat aan het huis van Lancaster kan schaden.</p>
+<p class="line">Hun macht is, meen ik, dertigduizend man;</p>
+<p class="line">Als nu de hulp van Norfolk en mijzelf</p>
+<p class="line">Met alle vrienden, wakk’re graaf van March,</p>
+<p class="line">Die gij in ’t trouwe Wales u kunt verschaffen,</p>
+<p class="line">Slechts vijfentwintig duizend man bedraagt,—</p>
+<p class="line">Welaan, naar Londen dan met alle macht,</p>
+<p class="line">Nog eens op nieuw het schuimend ros bestegen,</p>
+<p class="line">Nog eens den roep: „Vooruit, valt moedig aan!”</p>
+<p class="line">Maar nimmer weder omgekeerd ter vlucht!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Ja, nu hoor ik den grooten Warwick spreken.</p>
+<p class="line">Dat hèm de zon en ’s hemels licht ontvlied’,</p>
+<p class="line">Die „Wijken!” roept, als Warwick „Staat!” gebiedt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Lord Warwick, op uw schouders wil ik leunen;</p>
+<p class="line">Als gij bezwijkt,—wat God verhoeden moog’!—</p>
+<p class="line">Moet Edward vallen;—keer dit af, gij Hemel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Niet langer graaf van March, maar hertog York;</p>
+<p class="line">De rang, die volgt, is Englands hooge troon;</p>
+<p class="line">Tot Englands koning roepen wij u uit</p>
+<p class="line">In ieder marktvlek, waar de tocht ons heenvoert;</p>
+<p class="line">En wie zijn muts van vreugde niet omhoogwerpt,</p>
+<p class="line">Hij hebbe voor ’t vergrijp zijn hoofd verbeurd,</p>
+<p class="line">Vorst Edward, dapp’re Richard,—Montague,—</p>
+<p class="line">Op! thans niet langer slechts gedroomd van roem;</p>
+<p class="line">Steekt de trompetten, fluks ons werk begonnen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Nu, Clifford, ware uw hart zoo hard als staal, <span class="lineNum">201</span></p>
+<p class="line">Gelijk ’t een steenen hart bleek door uw daden,</p>
+<p class="line">Ik zal ’t doorboren, of geef u het mijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Zoo roert de trommen! God nu en Sint George!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wat meldt gij? spreek!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Mylord van Norfolk boodschapt u door mij:</p>
+<p class="line">De koningin rukt aan met groote macht;</p>
+<p class="line">Hij wenscht met u recht spoedig raad te plegen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Een welkom nieuws; op, wakk’re krijgers, voorwaarts!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Voor de stad</i> <span class="ex">York</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span>, <span class="sc">Clifford</span> <i>en</i> <span class="sc">Northumberland</span> <i>komen op, met trommen en trompetten</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Heer, welkom voor de goede stad van York!</p>
+<p class="line">Zie, ginder steekt het hoofd van de’ aartsrebel,</p>
+<p class="line">Die met uw kroon zijn slapen wilde omgeven;</p>
+<p class="line">Verheugt die aanblik, heer, u niet het hart?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ja, als de klippen hem, die schipbreuk ducht;</p>
+<p class="line">Die aanblik smart me in ’t diepst van mijne ziel.—</p>
+<p class="line">Weerhoud, mijn God! uw wraak; ’t is mijn schuld niet,</p>
+<p class="line">En ik brak bij mijn weten nooit mijn eed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Mijn hooge vorst, schud die te groote zachtheid,</p>
+<p class="line">Dit schaad’lijk medelijden van u af.</p>
+<p class="line">Wien werpen leeuwen zachte blikken toe?</p>
+<p class="line">Toch niet aan ’t beest, dat in hun hol wil dringen.</p>
+<p class="line">Wien likt wel de berin des wouds de hand?</p>
+<p class="line">Niet hem, die voor haar oog haar jongen rooft.</p>
+<p class="line">Of wie ontgaat den giftbeet van de slang?</p>
+<p class="line">Niet hij, die haar den voet zet op den rug.</p>
+<p class="line">De kleinste worm verheft, getrapt, den kop;</p>
+<p class="line">En duiven pikken, als ’t haar broedsel geldt.</p>
+<p class="line">Eerzuchtig streefde York naar uwe kroon;</p>
+<p class="line">Gij lachtet vriendlijk, toen hij ’t voorhoofd fronste.</p>
+<p class="line">Hij, hertog slechts, wilde als beminnend vader,</p>
+<p class="line">Zijn zoon verhoogen, hem een koning zien;</p>
+<p class="line">Gij, koning, met een wakk’ren zoon gezegend,</p>
+<p class="line">Hebt toegestemd, dat die onterfd zou zijn,</p>
+<p class="line">Een vader u getoond, die niet beminde.</p>
+<p class="line">Elk reed’loos schepsel geeft zijn jongen voedsel;</p>
+<p class="line">En hoe ’t gelaat des menschen hen verschrikk’,</p>
+<p class="line">Toch, ter bescherming van hun teed’re kleinen,</p>
+<p class="line">Wie zag niet vaak hen met dezelfde vleug’len,</p>
+<p class="line">Die soms hun dienden voor een schuwe vlucht,</p>
+<p class="line">Den man bestrijden, die hun nest beklom, <span class="lineNum">31</span></p>
+<p class="line">Voor ’t hoeden van hun kroost hun leven wagen?</p>
+<p class="line">O schaam u, heer, en neem u die ten voorbeeld;</p>
+<p class="line">Waar’ ’t niet een jammer, dat die wakk’re knaap</p>
+<p class="line">Zijn erfdeel door zijns vaders schuld zou derven,</p>
+<p class="line">En tot zijn zoon in later tijd moest zeggen:—</p>
+<p class="line">„Wat groot- en oudgrootvader eens verwierven,</p>
+<p class="line">Dat gaf mijn zwakke vader zorgloos weg!”</p>
+<p class="line">O welk een smaad waar’ dit! O zie dien knaap;</p>
+<p class="line">Zijn mann’lijk uitzicht, voor geluk en zege</p>
+<p class="line">Zoo veel belovend, stale uw smeltend hart,</p>
+<p class="line">Dat gij voor u en hem uw rechten handhaaft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Schoon toonde Clifford daar zijn redekunst</p>
+<p class="line">En voerde gronden aan van groot gewicht.</p>
+<p class="line">Maar, Clifford, zeg mij, hebt gij nooit gehoord,</p>
+<p class="line">Dat slecht verworven goed steeds slecht gedijt?</p>
+<p class="line">En is het dien zoon altijd wel gegaan,</p>
+<p id="kh6iii.ii.2.48" class="line">Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle?</p>
+<p class="line">Eens erft mijn zoon mijn vrome, goede daden;</p>
+<p class="line">O had ik ook zooveel, niets meer geërfd!</p>
+<p class="line">Want al het oov’rige is slechts een bezitting,</p>
+<p class="line">Waarvan ’t bewaren duizendmaal meer zorg,</p>
+<p class="line">Dan ’t hebben ooit een sprankje vreugde schenkt.</p>
+<p class="line">Ach, ach, neef York! indien uw vrienden wisten,</p>
+<p class="line">Hoe ik bejammer, dat uw hoofd daar staat!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Heer, opgeruimd! de vijand is nabij;</p>
+<p class="line">Die weeke stemming maakt uw volgers zwak.</p>
+<p class="line">Gij zoudt uw kloeken zoon tot ridder slaan;<span class="pageNum" id="pb709">[<a href="#pb709">709</a>]</span></p>
+<p class="line">Ontbloot uw zwaard dus nu, en doe het hier.—</p>
+<p class="line">Kniel neder, Edward.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Edward Plantagenet, sta op als ridder;</p>
+<p class="line">En leer: trek voor het recht alleen het zwaard.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Mijn vader, met uw koninklijk verlof,</p>
+<p class="line">Ik wil het als uw troonopvolger trekken,</p>
+<p class="line">En in dien strijd het voeren tot den dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Voorwaar, gesproken als een echte prins!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Doorluchte legerhoofden, weest bereid;</p>
+<p class="line">Want met een macht van dertigduizend man</p>
+<p class="line">Komt Warwick daar; hij steunt den hertog York,</p>
+<p class="line">En roept hem, in de steden, die hij doortrekt,</p>
+<p class="line">Tot koning uit, en velen vloeien toe;</p>
+<p class="line">Schaart fluks uw leger, want hij is nabij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ik wenschte, dat mijn vorst het veld verliet;</p>
+<p class="line">De koningin slaagt beter in uw afzijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ja, heer, en laat ons aan de krijgskans over.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Die kans is ook de mijne; dus, ik blijf. <span class="lineNum">76</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">Dan zij het met het vast besluit tot vechten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Mijn hooge vader, vuur deze eed’le lords</p>
+<p class="line">En allen aan, die voor uw rechten strijden;</p>
+<p class="line">Ontbloot uw zwaard, mijn vader; roep: „Sint George!”</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Getrommel.</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">George</span>, <span class="sc">Richard</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Norfolk</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op, met troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Meineedig koning, knielt gij om genade,</p>
+<p class="line">En plaatst gij op mijn hoofd den diadeem,</p>
+<p class="line">Of moet het bloedig veld uw lot beslissen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Kijf op uw deernen, drieste, trotsche knaap!</p>
+<p class="line">Betaamt het u, zoo stoute taal te voeren,</p>
+<p class="line">Hier voor uw souverein en rechten koning?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Ik ben zijn koning; ’t is aan hèm te knielen.</p>
+<p class="line">Ik ben verkoren erfgenaam; hij zwoer dit,</p>
+<p class="line">Doch brak daarna zijn eed; want, naar ik hoor,</p>
+<p class="line">Hebt gij, die hier, schoon hij de kroon moog’ dragen,</p>
+<p class="line">Veeleer de koning zijt, hem opgezet,</p>
+<p class="line">Bij parlementsbesluit mij uit te vagen,</p>
+<p class="line">En te vervangen door zijn eigen zoon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">En dat terecht; wie zou</p>
+<p class="line">Opvolger zijn des vaders, dan de zoon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Zijt gij daar, slachter?—O, ik kan niet spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ja, kromrug, ja, ik sta u hier te woord,</p>
+<p class="line">U en een elk, hoe trotsch ook, van uw slag.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Gij staakt den jongen Rutland dood, niet waar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ja, en den ouden York,—nog onverzaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Om Gods wil, lords, het teeken tot den aanval!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Nu, Hendrik, spreek, doet ge afstand van de kroon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wat, Warwick’s lange tong! durft die nog spreken?</p>
+<p class="line">Te Sint-Albaans, bij ’t laatst ontmoeten, deden</p>
+<p class="line">Uw beenen beter dan uw handen dienst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Toen was ’t mijn beurt te vluchten, nu is ’t de uwe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Zoo spraakt gij toenmaals ook, en vluchttet toch.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Niet uwe dapperheid verdreef mij, Clifford.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Northumberland.</p>
+<p class="line">En uw manhaftigheid weerhield u niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Northumberland, u houd ik gaarne in eere.—</p>
+<p class="line">Staakt dit gepraat, want ik bedwing slechts noode</p>
+<p class="line">Den lust om ’t hooggezwollen hart te koelen</p>
+<p class="line">Op Clifford daar, dien wreeden kinderslachter.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Ik doodde uw vader; noemt gij dien een kind?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Gij deedt het als een vuige, een valsche lafaard; <span class="lineNum">114</span></p>
+<p class="line">Zoo deedt gij ’t onzen lieven Rutland ook;—</p>
+<p class="line">Maar ’k doe u vóór de nacht die daad vervloeken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Geen woorden meer, mylords, laat mij nu spreken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Trotseer hen dan, of klem uw lippen dicht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ik bid u, leg mijn tong geen teugel aan;</p>
+<p class="line">Ik ben een koning, spreken is mijn recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, geen woorden heelen ooit de wond,</p>
+<p class="line">Die deze ontmoeting teelde; zwijg dus stil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Welnu dan, beul, ontbloot uw zwaard. Bij hem,</p>
+<p class="line">Die mij, ons allen schiep, dit weet ik zeker.</p>
+<p class="line">Clifford’s manhaftigheid ligt op zijn tong.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Gewordt,—spreek, Hendrik!—mij mijn recht of niet?</p>
+<p class="line">Een duizend man, die nog ontbeten, proeven</p>
+<p class="line">Geen middagmaal, legt gij de kroon niet neer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En weigert gij,—hun bloed dan op uw hoofd?</p>
+<p class="line">Want York gespt voor het recht het harnas aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Is dat nu recht, wat Warwick recht noemt? Dan</p>
+<p class="line">Bestaat geen onrecht, dan is alles recht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p id="kh6iii.ii.2.133" class="line">Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder;</p>
+<p class="line">Want, waarlijk, gij bezit uw moeders tong.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb710">[<a href="#pb710">710</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">En gij gelijkt op vader noch op moeder,</p>
+<p class="line">Gij, een gebrandmerkt en wanstaltig wezen,</p>
+<p class="line">Geteekend door het lot, dat men u mijde</p>
+<p class="line">Gelijk een giftpad of haag’dissestekels.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Gij Napels’ blik, met Engelsch goud bedekt,</p>
+<p class="line">Gij kind eens vaders, die zich koning noemt,—</p>
+<p class="line">Alsof een goot ooit zee geheeten werd!—</p>
+<p class="line">Gij, die uw afkomst kent, gij schaamt u niet,</p>
+<p class="line">Uw laag gemoed door uwe tong te onthullen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p id="kh6iii.ii.2.144" class="line">Een stroowisch ware een duizend kronen waard,</p>
+<p class="line">Als zij die prij zichzelve kennen leerde!</p>
+<p class="line">Veel schooner was de Grieksche Helena,</p>
+<p class="line">Al moge uw gade ook Menelaüs zijn;</p>
+<p class="line">Maar ’t valsche wijf heeft Agamemnon’s broeder</p>
+<p class="line">Nooit zoo gekrenkt, als gij ’t dien koning doet.</p>
+<p class="line">Zijn vader vierde feest in ’t hart van Frankrijk,</p>
+<p class="line">Deed koning en dauphijn er mak zijn, buigen;</p>
+<p class="line">En ware hìj naar zijnen rang gehuwd,</p>
+<p class="line">Dan had hij wis tot nù dien glans gehandhaafd;</p>
+<p class="line">Maar bedgenoot werd hem een beed’lares,</p>
+<p class="line">Zijn huwlijksdag verhoogde uw armen vader;</p>
+<p class="line">En zoo bracht hèm die zon een stortbui saam,</p>
+<p class="line">Die al zijns vaders buit uit Frankrijk spoelde,</p>
+<p class="line">En op zijn kroon hier oproer samenbracht.</p>
+<p class="line">Want wat verwekt deze onrust, dan uw trots?</p>
+<p class="line">Bij zachtheid ware onze aanspraak blijven slapen;</p>
+<p class="line">Uit deernis met den zachten koning hadden</p>
+<p class="line">Wij onzen eisch tot later uitgesteld. <span class="lineNum">162</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">Maar onze zonneschijn schonk u een lente,</p>
+<p class="line">En nooit bracht ons uw zomer een’gen groei;</p>
+<p class="line">Dies legden we aan den vreemden stam onze aks;</p>
+<p class="line">En schoon de snede onszelf een weinig trof,</p>
+<p class="line">Zoo weet toch: nu het houwen eenmaal aanving,</p>
+<p class="line">Nu rust het niet, aleer gij zijt geveld,</p>
+<p class="line">Of ons warm bloed uw wasdom heeft besproeid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Aldus besloten, daag ik u ten strijde,</p>
+<p class="line">En ik versmaad elk verder mondgesprek,</p>
+<p class="line">Daar gij den zachten koning ’t woord niet gunt.—</p>
+<p class="line">Trompetters, blaast!—Ontpluikt de roode vanen!</p>
+<p class="line">Dat zij ter zege of dood den weg ons banen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hoor, Edward!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Neen, kijfster, neen! De strijd zij nu gestreden!</p>
+<p class="line">Tienduizend levens kost dit twisten heden.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een slagveld bij</i> <span class="ex">Towton</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch. Schermutselingen.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Van strijden mat, als renners na den wedloop,</p>
+<p class="line">Leg ik een wijl mij neer om uit te hijgen;</p>
+<p class="line">De ontvangen slagen, weergegeven houwen</p>
+<p class="line">Beroofden de ijz’ren spieren van haar kracht;</p>
+<p class="line">En hoe ’t mij griev’, een oogwenk moet ik rusten.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Edward</span> <i>komt in vliegende haast op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Tref, booze dood, of goede hemel, red mij!</p>
+<p class="line">Want de aarde dreigt, omwolkt is Edwards zon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Hoe staat de kans, mylord? wat hoop op zege?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">George</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">De kans verlies, de hoop is doffe wanhoop;</p>
+<p class="line">Doorbroken is ons heer en onheil naakt.</p>
+<p class="line">Wat raadt gij aan? waarhenen vluchten wij?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Hier helpt geen vlucht; zij volgen ons gevleugeld;</p>
+<p class="line">En wij zijn mat; ontkomen? ijd’le waan!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Richard</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">O Warwick, waarom trekt gij u terug?</p>
+<p id="kh6iii.ii.3.15" class="line">Reeds dronk de dorstige aarde uws broeders bloed,</p>
+<p class="line">Door Clifford’s stalen speerpunt hem onttapt;</p>
+<p class="line">En in den laatsten doodstrijd riep hij nog,</p>
+<p class="line">Dof als een onheilspellend ver gedreun:</p>
+<p class="line">„Warwick, ter wrake! broeder, wreek mijn dood!”</p>
+<p class="line">Zoo, liggend onder ’s vijands rossen, die</p>
+<p class="line">Hun vetlok kleurden in zijn dampend bloed,</p>
+<p class="line">Blies de eed’le ridder ziel en adem uit. <span class="lineNum">22</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dan worde de aarde dronken van ons bloed;</p>
+<p class="line">Ik dood mijn ros, wijl ik niet vluchten wil.</p>
+<p class="line">Wat staan wij hier als zwakke, weeke vrouwen,</p>
+<p class="line">En jamm’ren laf, terwijl de vijand raast;</p>
+<p class="line">En schouwen toe, als voerden hier dit treurspel</p>
+<p class="line">Schouwspelers op, nabootsend, tot vermaak?</p>
+<p class="line">Hier op mijn knie zweer ik tot God daarboven,</p>
+<p class="line">Ik weet voortaan van rust noch stilstand iets,</p>
+<p class="line">Aleer de dood deze oogen heeft geloken,</p>
+<p class="line">Of ’t krijgsgeluk mij volle wraak verschaft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">O, Warwick, hier buig ik met u de knie,</p>
+<p class="line">En keten met dien eed mijn ziel aan de uwe!—</p>
+<p class="line">En eer ik rijs van ’s aardrijks koud gelaat,</p>
+<p class="line">Werp ik mijn oog en hart en hand tot U,</p>
+<p class="line">U, grooten koningsschepper en verdelger,</p>
+<p class="line">En smeek tot U, dat—is ’t Uw raadsbesluit,</p>
+<p class="line">Den vijand dit mijn lijf ten buit te geven,—</p>
+<p class="line">Uws hemels bronzen poort zich oop’nen moog’,</p>
+<p class="line">Mijn ziel, hoe zondig, zoeten doorgang gunn’!</p>
+<p class="line">En nu, vaartwel, mylords, tot wederzien,</p>
+<p class="line">’t Zij in den hemel ginds, hetzij op aarde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Reik, broeder, mij de hand;—en, eed’le Warwick,</p>
+<p class="line">’k Omvange u met mijn moegestreden armen!</p>
+<p class="line">Nooit weende ik nog, thans smelt ik weg in tranen,</p>
+<p class="line">Dat winter onze lentezon doet tanen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Weg, heen! nog eenmaal, waarde lords, vaartwel!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb711">[<a href="#pb711">711</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">Ja, gaan wij allen saam tot onze krijgers;</p>
+<p class="line">Wie vluchten wil, hij ga; maar wie volharden,</p>
+<p class="line">Hen noemen we onze pijlers; en aan hen</p>
+<p class="line">Zij, zoo wij slagen, ’t heerlijk loon beloofd</p>
+<p class="line">Der overwinnaars bij ’t Olympisch kampspel.</p>
+<p class="line">Dit plant wellicht in lauwe harten moed;</p>
+<p class="line">Want hoop op leven is er en op zege.—</p>
+<p class="line">Niet meer gedraald; vooruit met alle macht!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Schermutselingen.</i> <span class="sc">Richard</span> <i>en</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Nu, Clifford, heb ik u alleen voor mij.</p>
+<p class="line">Deze arm, denk dit, is voor den hertog York,</p>
+<p class="line">En die voor Rutland, beide aan wraak gewijd,</p>
+<p class="line">Al waart ge omsloten van een bronzen muur.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Nu, Richard, ben ik hier met u alleen.</p>
+<p class="line">Ja, deze hand doorstak uw vader York,</p>
+<p class="line">En deze hand versloeg uw broeder Rutland,</p>
+<p class="line">En dit is ’t hart, dat jubelde om hun dood,</p>
+<p class="line">En de’ arm, die uwen vader doodde en broeder,</p>
+<p class="line">Den lust geeft om u evenzoo te rechten.</p>
+<p class="line">Dus: weer u!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Zij vechten.</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>komt</i>. <span class="sc">Clifford</span> <i>vlucht</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Neen, Warwick, lees een ander wild u uit;</p>
+<p class="line">Die wolf zij mijn; dien jaag ikzelf ter dood. <span class="lineNum">13</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Krijgsrumoer. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Dit treffen loopt zooals de morgenstrijd,</p>
+<p class="line">Als stervend donker kampt met groeiend licht,</p>
+<p class="line">Wanneer de herder, op zijn nagels blazend,</p>
+<p class="line">Het nog geen dag kan noemen, niet meer nacht.</p>
+<p class="line">Nu zwaait het dien weg, als een groote zee,</p>
+<p class="line">Door ’t wassend tij genoopt den wind te trotsen,</p>
+<p class="line">Dan dezen weg uit, als dezelfde zee,</p>
+<p class="line">Teruggedreven door de macht des winds;</p>
+<p class="line">Nu wint de vloed den strijd en dan de wind,</p>
+<p class="line">Nu deze sterker, dan weer de andre ’t sterkst;</p>
+<p class="line">Beide om de zege worst’lend, borst aan borst,</p>
+<p class="line">Geen overwinnaar nog, geen overwonnen;</p>
+<p class="line">Zoo zweeft nog de eev’naar hier des fellen strijds.</p>
+<p class="line">Ik wil me op dezen molshoop nederzetten.</p>
+<p class="line">Waar God ze geven wil, daar zij de zege!</p>
+<p class="line">Want Margaretha heeft, en Clifford ook,</p>
+<p class="line">Mij uit den strijd gekeven, beiden zwerend,</p>
+<p class="line">Dat die, ben ik afwezig, beter slaagt.</p>
+<p class="line">O, waar’ ’t Gods wil, dan wenschte ik, ware ik dood!</p>
+<p class="line">Want wat is de aard, dan enkel leed en nood?</p>
+<p class="line">O God, mij dunkt, het ware een heilrijk lot,</p>
+<p class="line">Niets meer te zijn dan een eenvoudig herder,</p>
+<p class="line">Te zitten op een heuvel als ik hier,</p>
+<p class="line">En zonnewijzers kunstig uit te snijden,</p>
+<p class="line">Daarbij te zien, hoe zich minuten spoeden,</p>
+<p class="line">Hoeveel er van te zaam een uur voltooien.</p>
+<p class="line">En hoeveel uren voor een dag verloopen,</p>
+<p class="line">Met hoeveel dagen ’t jaar voleindigd is,</p>
+<p class="line">En hoeveel jaar een mensch op aarde leeft.</p>
+<p class="line">En dan, is dit erkend, den tijd te deelen,</p>
+<p class="line">Als: zooveel uren moet ik schapen hoeden,</p>
+<p class="line">En zooveel uren moet ik aan mijn rust,</p>
+<p class="line">En zooveel uur aan overdenking wijden,</p>
+<p class="line">En zooveel uren geven aan vermaak,</p>
+<p class="line">En zooveel dagen zijn mijn ooien drachtig,</p>
+<p class="line">En zooveel weken, eer de bloeden lamm’ren,</p>
+<p class="line">En zooveel jaar, eer ik de wol kan scheren;</p>
+<p class="line">Minuten, uren, dagen, maanden, jaren,</p>
+<p class="line">Vervloten zoo naar ’t hun bepaalde doel,</p>
+<p class="line">En brachten ’t grijze haar naar ’t stille graf.</p>
+<p class="line">Welk leven ware dit! hoe zoet, hoe lieflijk!</p>
+<p class="line">Verleent het doornebosch niet aan den herder,</p>
+<p class="line">Die kalm zijn schapen hoedt, een zoeter schaduw,</p>
+<p class="line">Dan op den troon een rijkgestikte hemel</p>
+<p class="line">Den koning, die ’t verraad der zijnen ducht?</p>
+<p class="line">O ja, dit doet het, duizendmaal zoo zoet.</p>
+<p class="line">En eindlijk nog, des herders maag’re wrongel,</p>
+<p class="line">Zijn frissche, dunne drank uit leed’ren flesch,</p>
+<p class="line">Zijn rustig slapen onder ’t koele lommer,</p>
+<p class="line">Dit alles, dat hij veilig, kalm geniet,</p>
+<p class="line">Gaat verre boven ’s konings rijk festijn, <span class="lineNum">51</span></p>
+<p class="line">Zijn fonk’lend druivennat in gouden beker,</p>
+<p class="line">Zijn lichaam op een keurig bed gevlijd,</p>
+<p class="line">Als argwaan, zorg en eedbreuk om hem waren.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Strijdrumoer. Een Zoon, die zijn Vader gedood heeft, komt op met het lijk.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Een kwade wind, die niemand voordeel aanbrengt!</p>
+<p class="line">De man hier, dien ik, lijf aan lijf, versloeg,</p>
+<p class="line">Kan licht een buidel kronen bij zich hebben;</p>
+<p class="line">En ik, die bij geluk hem die ontneem,</p>
+<p class="line">Moet vóór de nacht wellicht ze, met mijn leven,</p>
+<p class="line">Een ander afstaan, als de doode aan mij.</p>
+<p id="kh6iii.ii.5.61" class="line">Wie is ’t?—O God! het is ’t gelaat mijns vaders,</p>
+<p class="line">Dien ik onwetend in den strijd versloeg!</p>
+<p class="line">O, booze tijd, die zulke gruw’len teelt!</p>
+<p class="line">Men preste mij te Londen voor den koning;</p>
+<p class="line">Mijn vader, dienstman van den graaf van Warwick,</p>
+<p class="line">Kwam, door zijn heer geprest, hier op voor York;</p>
+<p class="line">En ik, die ’t leven eens van hem ontving,</p>
+<p class="line">Heb met mijn hand het leven hem benomen!—</p>
+<p class="line">Vergeef mij, God, ik wist niet, wat ik deed;—</p>
+<p class="line">Vergeef mij, vader, want ik kende u niet.—</p>
+<p class="line">Dit bloed, met bitt’re tranen wisch ik ’t weg;</p>
+<p class="line">En nu geen woord, tot ik heb uitgeweend!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">O jammerschouwspel! welk een tijd van bloed!</p>
+<p class="line">Nu leeuwen krijg om hunne legers voeren,</p>
+<p class="line">Ontgelden arme lamm’ren hunnen twist.</p>
+<p class="line">Schrei, arme man! ik help u, traan voor traan;<span class="pageNum" id="pb712">[<a href="#pb712">712</a>]</span></p>
+<p class="line">Gij, hart en oogen,—wordt, als burgertwist,</p>
+<p class="line">Van tranen blind,—breekt, overstelpt van jammer!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Vader, die zijn zoon gedood heeft, komt op, met het lijk in zijn armen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vader.</p>
+<p class="line">Gij, die zoo kloeken wederstand mij boodt,</p>
+<p class="line">Geef mij uw goud, indien gij goud bezit;</p>
+<p class="line">Ik kocht het duur, voor wel een honderd slagen.</p>
+<p class="line">Doch laat ik zien;—is zoo ’t gelaat mijns vijands?</p>
+<p class="line">O neen, neen, neen, het is mijn een’ge zoon!—</p>
+<p class="line">O kind, zoo er nog leven in u is,</p>
+<p class="line">Sla ’t oog dan op, en zie een stortbui reeg’nen,</p>
+<p class="line">Ach, door mijns harten stormwind op uw wonden,</p>
+<p class="line">Die oog en hart mij dooden, saamgewaaid!—</p>
+<p class="line">Heb deernis, God, met deez’ rampzaal’gen tijd!—</p>
+<p class="line">O welke daden, gruw’lijk en moorddadig,</p>
+<p class="line">Vol blinde dwaling, muitziek, onnatuurlijk,</p>
+<p class="line">Teelt dag op dag de onzaal’ge vorstentwist!—</p>
+<p id="kh6iii.ii.5.92" class="line">O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven,</p>
+<p class="line">Beroofde u nu van ’t leven;—o, te laat!</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p712width"><img src="images/p712.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vijfde Tooneel." width="507" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vijfde Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wee boven wee! leed boven ander leed!</p>
+<p class="line">O, dat mijn dood die gruw’len einden kon!</p>
+<p class="line">Erbarm, erbarm u, lieve God, erbarm u!—</p>
+<p class="line">De roode en witte roos zijn op zijn kaak,</p>
+<p class="line">Die onheilskleuren onzer booze huizen; <span class="lineNum">98</span></p>
+<p class="line">Zijn purp’ren bloed gelijkt op de eene strijdkleur,</p>
+<p class="line">Op de andere al te wel zijn bleeke wang;</p>
+<p class="line">Één roos verwelke, en moge de andre bloeien!</p>
+<p class="line">Geen strijd, die duizend levens doet verwelken!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Hoe zal mijn moeder, om mijns vaders dood,</p>
+<p class="line">Weeklagen tegen mij, nooit uitgeklaagd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vader.</p>
+<p class="line">Hoe zal mijn vrouw, om ’t moorden van mijn zoon,</p>
+<p class="line">Traanzeeën weenen, ach, nooit uitgeschreid!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hoe zal het land, om zulke schriktooneelen,</p>
+<p class="line">Zijn vorst verklagen, ach, nooit uitgeklaagd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Heeft ooit een zoon zijn vader zoo betreurd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vader.</p>
+<p class="line">Heeft ooit een vader zoo zijn kind beschreid?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Heeft ooit een koning zoo zijn volk bejammerd?</p>
+<p class="line">Groot is uw leed, maar tienmaal grooter ’t mijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Zoon.</p>
+<p class="line">Ik draag u weg, en ween dan bij u uit.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Zoon af met het lijk.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Vader.</p>
+<p class="line">Uw lijkwa zullen u mijn armen zijn,—</p>
+<p class="line">Mijn hart, o lieve knaap, uw grafgesticht,</p>
+<p class="line">Want nimmer zal uw beeld mijn hart verlaten.</p>
+<p class="line">Uw doodsklok zij mijn borst, die zuchten slaakt;</p>
+<p class="line">En even diepe rouw bedrijft uw vader</p>
+<p class="line">Om u, mijn zoon, mijn eenig, eenig kind,</p>
+<p class="line">Als Priamus om al zijn dapp’re zoons.</p>
+<p class="line">Ik draag u weg; vecht’ nu wie wil! ik vocht</p>
+<p class="line">En heb vermoord, waar ik niet dooden mocht.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Vader af, met het lijk.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Rouwdragers, ach! hoe zwaar uw leed ook zij,</p>
+<p class="line">Hier zit een koning, met meer wee dan gij.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Strijdrumoer. Schermutselingen. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>de Prins van</i> <span class="sc">Wales</span> <i>en</i> <span class="sc">Exeter</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Vlucht, vader, vlucht! want al uw vrienden vloden,</p>
+<p class="line">En Warwick raast als een getergde stier.</p>
+<p class="line">IJl heen, ons zit de dood hier op de hielen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Te paard, mijn vorst, en spoed u heen naar Berwick;</p>
+<p class="line">Edward en Richard,—als twee hazenwinden,</p>
+<p class="line">Die ’t schuwe, vluchtend wild voor oogen zien,</p>
+<p class="line">Met vurige oogen, die van moordlust fonk’len,</p>
+<p class="line">Het bloedig staal in de ijz’ren vuist geklemd,</p>
+<p class="line">Zoo zetten zij ons na;—dies, ijlings heen!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Van hier! want hun ter zijde schrijdt de wraak;</p>
+<p class="line">Neen, toef niet, opper geen bezwaar; maak spoed;</p>
+<p class="line">Of kom mij na, want dan ijl ik vooruit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Neen, neem mij mee, vriend Exeter! Wel brengt <span class="lineNum">137</span></p>
+<p class="line">Het blijven mij geen schrik, doch gaarne volg ik</p>
+<p class="line">De koningin, waarheen zij ’t wenscht. Van hier!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.ii.6" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.ii.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Aldaar.</span></p>
+<p class="stage"><i>Heftig krijgsrumoer.</i> <span class="sc">Clifford</span> <i>komt op, gewond</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clifford.</p>
+<p class="line">Hier brandt mijn kaars ten einde, ja, hier sterft zij,</p>
+<p class="line">Wier licht, zoolang het scheen, voor Hendrik scheen.</p>
+<p class="line">O Lancaster! nu vrees ik uwen val,</p>
+<p class="line">Meer dan mijns lichaams scheiding van de ziel!</p>
+<p class="line">Door liefde en haat kleefde ik aan u veel vrienden,</p>
+<p class="line">Maar nu ik val, nu smelt die taaie menging,</p>
+<p class="line">Maakt Hendrik zwak, versterkt den driesten York.</p>
+<p class="line">Waar vliegen muggen heen, dan in de zon?</p>
+<p class="line">En wie schijnt thans, dan Hendriks tegenstanders?</p>
+<p class="line">O Phoebus, hadt gij nooit verlof verleend,</p>
+<p class="line">Dat Phaëton uw vuur’ge rossen mende,</p>
+<p class="line">Dan had uw gloedkar de aarde nooit verschroeid!</p>
+<p class="line">En hadt gij, Hendrik, als een vorst geheerscht,</p>
+<p class="line">Gelijk uw vader en zijn vader deden,</p>
+<p class="line">En hùn van ’t huis van York geen voet gegeven,</p>
+<p class="line">Nooit hadden zij gezwermd als zomervliegen;</p>
+<p class="line">Ik en tienduizend in dit arme rijk,</p>
+<p class="line">Wij lieten thans geen droeve weeuwen na,</p>
+<p class="line">En vreedzaam zoudt gij zeet’len op uw troon.</p>
+<p class="line">Maar wat geeft onkruid groei dan lauwe lucht?</p>
+<p class="line">En wat maakt roovers stout dan te veel zachtheid?—<span class="pageNum" id="pb713">[<a href="#pb713">713</a>]</span></p>
+<p class="line">Vruchtloos zijn klachten, zonder baat mijn wonden.</p>
+<p class="line">Geen weg ter vlucht, geen kracht tot vluchten meer!</p>
+<p class="line">De vijand kent geen deernis, geen erbarmen,</p>
+<p class="line">Want van zijn hand verdien ik geen erbarmen!</p>
+<p class="line">De lucht dringt reeds mijn stervenswonden in,</p>
+<p class="line">En sterke bloeduitstorting doet mij zwijmen.—</p>
+<p class="line">Komt, Richard, Warwick, York, ja, komt, verraders;</p>
+<p class="line">Doorboort mijn borst, want ik doorboorde uw vaders!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij bezwijmt.</i>)</p>
+<p class="stage">(<i>Strijdgedruisch en terugtocht.</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">George</span>, <span class="sc">Richard</span>, <span class="sc">Montague</span>, <span class="sc">Warwick</span> <i>en Troepen komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Nu, lords, heraad’men wij; ons goed geluk</p>
+<p class="line">Gebiedt verpoozing, doet het dreigend voorhoofd</p>
+<p class="line">Des krijgs voor zachte vredeblikken eff’nen.—</p>
+<p class="line">Een deel vervolg’ de felle koningin;</p>
+<p class="line">Zij dreef den stillen Hendrik, schoon een koning,</p>
+<p class="line">Steeds voort, gelijk een zeil, vol boozen wind,</p>
+<p class="line">Een koopvaardijschip dwingt den stroom te trotsen.</p>
+<p class="line">Maar denkt gij, lords, dat Clifford mede ontvlood?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Onmooglijk is ’t, dat hij ontkomen is;</p>
+<p class="line">Want,—schoon ik in ’t gelaat den lof hem geve,—</p>
+<p class="line">Uw broeder Richard merkte hem voor ’t graf;</p>
+<p class="line">En, waar hij zij, voorzeker is hij dood.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clifford</span> <i>steunt en sterft</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Wiens ziel is ’t, die zoo moeilijk afscheid neemt? <span class="lineNum">42</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Een snik, als vlood het leven voor den dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Zie gij, wie ’t is; en,—vriend of vijand,—nu</p>
+<p class="line">’t Gevecht voorbij is, zij genâ geoefend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Herroep vrij die genâ, want Clifford is ’t;</p>
+<p class="line">Die niet tevreden, dat hij zulk een tak</p>
+<p class="line">Als Rutland afhieuw, toen die blaad’ren dreef,</p>
+<p class="line">Zijn bijl moorddadig aan den wortel sloeg,</p>
+<p class="line">Waaruit die teed’re twijg zoo lieflijk sproot,—</p>
+<p class="line">Ik meen, aan onzen hoogen vader York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Neem van de poort van York dat hoofd nu af,</p>
+<p class="line">Uws vaders hoofd, door Clifford daar geplant;</p>
+<p class="line">En neme zijne plaats dit hoofd nu in,</p>
+<p class="line">Want maat voor maat moet de vergelding zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Brengt hier die booze nachtuil van ons huis,</p>
+<p class="line">Die niets dan dood voor ons en de onzen kraste;</p>
+<p class="line">Nu stuit de dood zijn aak’lig, dreigend lied,</p>
+<p class="line">En de onheilstaal van zijne tong verstomde.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Het lijk wordt naar voren gedragen.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Het schijnt mij toe, dat hij bewustloos is.—</p>
+<p class="line">Spreek, Clifford, kent gij hem, die tot u spreekt?—</p>
+<p class="line">’s Doods zwarte wolk omhult zijn levenslicht;</p>
+<p class="line">Hij ziet ons niet, en hoort niet wat wij zeggen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">O deed hij ’t nog!—en moog’lijk, dat hij ’t doet;</p>
+<p class="line">Het is misschien een list, zich dood te veinzen,</p>
+<p class="line">Opdat hij zulk een bitt’ren hoon ontga,</p>
+<p class="line">Als hij in ’t doodsuur onzen vader aandeed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">Terg, denkt gij dit, hem eens met scherpe woorden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Clifford! smeek om genade en vind geen deernis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Clifford! toon uw berouw, maar boet vergeefs!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Clifford! bedenk verschooning voor uw schuld!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">Terwijl wij folterstraf er voor bedenken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">York was u lief, en ik ben zoon van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Gij spaardet Rutland, juist zoo spaar ik u.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">George.</p>
+<p class="line">Roep veldheer Margaretha, dat ze u redde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Men tergt u, Clifford, vloek zooals gij placht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Wat, zelfs geen vloek? dan is het erg, als Clifford</p>
+<p class="line">Geen enk’len vloek meer voor zijn vrienden heeft.— <span class="lineNum">78</span></p>
+<p class="line">Dit toont mij, dat hij dood is; en, bij God!</p>
+<p class="line">Kon ik hem zoo twee uren levens koopen,</p>
+<p class="line">Om al dien tijd met hoon hem te overstelpen,</p>
+<p class="line">Ik hakte mij de hand af en verstikte</p>
+<p class="line">Door ’t stroomend bloed den schurk, wiens heeten dorst</p>
+<p class="line">Noch York noch jonge Rutland konden lesschen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ja, hij is dood. Sla den verrader ’t hoofd af,</p>
+<p class="line">En plant het waar nu ’t hoofd uws vaders staat.</p>
+<p class="line">En nu naar Londen voorwaarts in triomf,</p>
+<p class="line">En laat tot Englands koning fluks u kronen.</p>
+<p class="line">Van daar steekt Warwick dan naar Frankrijk over,</p>
+<p class="line">En vraagt u jonkvrouw Bona tot vorstin.</p>
+<p class="line">Zoo knoopt gij beide landen innig saam,</p>
+<p class="line">En lacht, als Frankrijks vriend, dan met den vijand,</p>
+<p class="line">Die, hoe verstrooid, wis weer hoopt op te staan;</p>
+<p class="line">Want, schoon hun zwerm niet ernstig steken kan,</p>
+<p class="line">Licht gonst hij toch genoeg, om ’t oor te kwellen.</p>
+<p class="line">Zoo woon ik eerst uw kroning bij, en steek</p>
+<p class="line">Dan over naar Bretagne, om ginds het huw’lijk</p>
+<p class="line">Tot stand te brengen, zoo ’t mijn vorst behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edward.</p>
+<p class="line">Het zij geheel zooals gij ’t wenscht, mijn Warwick;</p>
+<p class="line">Want op uw schouders bouw ik mijnen troon,</p>
+<p class="line">En nimmer onderneem ik een’ge zaak,</p>
+<p class="line">Waaraan ge uw raad en bijval mocht onthouden.—</p>
+<p class="line">Richard, tot hertog maak ik u van Gloster,<span class="pageNum" id="pb714">[<a href="#pb714">714</a>]</span></p>
+<p class="line">George, u van Clarence.—Warwick, als wijzelf,</p>
+<p class="line">Zal doen of hind’ren, naar het hem behaagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Richard.</p>
+<p class="line">Maak mij hertog van Clarence, George van Gloster;</p>
+<p id="kh6iii.ii.6.107" class="line">Want Gloster’s hertogdom spelt luttel heil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">O foei, wat dwaas bezwaar! Gij, Richard, moet</p>
+<p class="line">Hertog van Gloster zijn. En nu naar Londen,</p>
+<p class="line">Daar al onze eer nu in bezit genomen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iii" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DERDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6iii.iii.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een jachtveld in</i> <span class="ex">Noord-Engeland</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Twee boschwachters komen op, met kruisbogen in de hand.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Verbergen wij ons hier in ’t dicht geboomte,</p>
+<p class="line">Want op deze open plek komt steeds het wild;</p>
+<p class="line">Wij plaatsen hier ons in de ruigte op wacht,</p>
+<p class="line">En lezen zoo het schoonste hert ons uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Ik ga bergop, dan kunnen beiden schieten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Dat gaat niet, want het ruischen van uw kruisboog</p>
+<p class="line">Verschrikt de kudde en dan krijg ik geen schot.</p>
+<p class="line">Neen, samen staan wij hier en doen ons best.</p>
+<p class="line">En om den tijd van ’t wachten u te korten,</p>
+<p class="line">Vertel ik, wat mij op dezelfde plaats,</p>
+<p class="line">Waar wij nu zullen staan, eens is gebeurd.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>komt op, vermomd, met een gebedenboek</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Daar komt een man, wacht eerst, tot hij voorbij is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Uit Schotland sloop ik weg, uit groot verlangen, <span class="lineNum">13</span></p>
+<p class="line">Om liefdevol mijn eigen land te groeten.</p>
+<p class="line">Neen, Hendrik, Hendrik, ’t land is niet meer u,</p>
+<p class="line">Uw plaats bezet, uw scepter u ontwrongen,</p>
+<p class="line">Die balsem, die u heiligde, afgewischt;</p>
+<p class="line">Geen knie zal thans u, buigend, Cæsar noemen,</p>
+<p class="line">Geen need’rig smeek’ling dringt, om recht te vragen,</p>
+<p class="line">Neen, niemand komt, om steun bij u te zoeken;</p>
+<p class="line">Hoe zou ik helpen, die ’t mijzelf niet kan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Ziedaar een hert, welks huid den jager loont;</p>
+<p class="line">De voor’ge koning is ’t; laat ons hem vatten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’k Wil ’t bitter lot, dat mij bezoekt, omhelzen;</p>
+<p class="line">Dit, zeggen wijzen, is de wijste keus.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Wat dralen wij? de hand op hem gelegd!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Neen, wacht nog; laat ons eerst wat verder hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mijn vrouw en zoon zijn naar Parijs om hulp;</p>
+<p class="line">En de albestuurder, groote Warwick, hoor ik,</p>
+<p class="line">Is daar, en vraagt des Franschen konings zuster</p>
+<p class="line">Ten echt voor Edward. Is dit waarlijk zoo,</p>
+<p class="line">Dan, arme vrouw en zoon, doet ge ijd’le moeite;</p>
+<p class="line">Want Warwick is een schrander redenaar,</p>
+<p class="line">En Lood’wijk voor een roerend woord toegank’lijk.</p>
+<p class="line">Maar ja, dan kan hem Margaretha winnen;</p>
+<p class="line">Zij is een vrouw, met recht beklagenswaard;</p>
+<p class="line">Met zuchten schiet zij bressen in zijn borst,</p>
+<p class="line">Met tranen dringt zij in een steenen hart; <span class="lineNum">38</span></p>
+<p class="line">Wanneer zij jammert, wordt een tijger zacht,</p>
+<p class="line">En Nero wordt geroerd van deernis, als hij</p>
+<p class="line">Haar klachten hoort, haar zilte tranen ziet.</p>
+<p class="line">’t Is zoo, maar zij komt smeeken, Warwick geven;</p>
+<p class="line">Zij, aan zijn slinke, hulp voor Hendrik vragen,</p>
+<p class="line">Hij, aan zijn rechterhand, een vrouw voor Edward.</p>
+<p class="line">Zij weent en noemt haar Hendrik afgezet;</p>
+<p class="line">Hij lacht en roemt zijn Edward als gekroond;</p>
+<p class="line">Zoodat zij, arme, spraakloos is van smart,</p>
+<p class="line">Warwick zijn recht bespreekt, zijn schuld verbloemt,</p>
+<p class="line">En, met zijn gronden van gewicht, in ’t eind</p>
+<p class="line">Den koning overreedt, haar niet te hooren,</p>
+<p class="line">Maar, met zijn zusters hand, hem toe te zeggen,</p>
+<p class="line">Wat koning Edward steunt, zijn macht vergroot.</p>
+<p class="line">Ach, Margaretha, zoo zal ’t gaan; gij arme</p>
+<p class="line">Vindt steun noch hulp, gelijk gij hulploos gingt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Spreek, wie zijt gij, die daar van koningen</p>
+<p class="line">En koninginnen praat? <span class="lineNum">55</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Meer dan ik schijn en minder dan ik zijn moest;</p>
+<p class="line">Ten minste een mensch,—hoe kon ik minder zijn?</p>
+<p class="line">En van een koning mag een mensch toch praten?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Ja, maar gij praat alsof ge een koning zijt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Dat ben ik naar den geest; dit zij genoeg.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Maar zijt gij koning, waar is dan uw kroon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mijn kroon is in mijn hart, niet op mijn hoofd,</p>
+<p class="line">Met Indische edelsteenen niet bezet,</p>
+<p class="line">Niet zichtbaar zelfs; zij heet tevredenheid,</p>
+<p class="line">Een kroon zooals een koning zelden draagt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Goed, koning van tevredenheid, wees dan</p>
+<p class="line">Nu met uw kroon tevredenheid tevreden</p>
+<p class="line">En ga met ons, want, naar ’t ons schijnt, zijt gij<span class="pageNum" id="pb715">[<a href="#pb715">715</a>]</span></p>
+<p class="line">De koning, afgezet door koning Edward;</p>
+<p class="line">En wij, onze’ eed als onderdanen trouw,</p>
+<p class="line">Wij vatten u, wijl gij zijn vijand zijt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">En braakt gij nooit, wanneer gij zwoert, uw eed?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Nooit zulk een eed, en thans ook doen wij ’t niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Waar waart gij, toen ik koning was van England?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Boschwachter.</p>
+<p class="line">Hier in dit land, waar wij nog altijd zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Als kind van negen maanden werd ik koning,</p>
+<p class="line">Gelijk mijn vader en zijn vader ’t waren;</p>
+<p class="line">Gezworen onderdanen waart gij mij;</p>
+<p class="line">En hebt gij, spreekt! uw eeden niet gebroken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Neen, zeker niet; wij waren onderdanen;</p>
+<p class="line">Doch waren ’t slechts, zoolang gij koning waart.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Wat! ben ik dood? En adem als een mensch?</p>
+<p class="line">Onnoozel volk! gij weet niet, wat gij zweert!</p>
+<p class="line">Zooals ik, zie! dit veêrtje van mij blaas,</p>
+<p class="line">En de adem van den wind het mij terugblaast,</p>
+<p class="line">En ’t mijnen adem volgt, wanneer ik blaas,</p>
+<p class="line">En ook weer toegeeft, als een ander blaast,</p>
+<p class="line">Steeds door de sterker strooming meegevoerd,</p>
+<p class="line">Zoo licht bewogen is het mind’re volk.— <span class="lineNum">89</span></p>
+<p class="line">Doch breekt uwe eeden niet; aan zulk een zonde</p>
+<p class="line">Doe mijne smeeking u niet schuldig zijn.</p>
+<p class="line">Gaat waar gij wilt; de koning volgt uw last;</p>
+<p class="line">Weest vorsten, gij; beveelt, en ik zal volgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">Den koning zijn wij trouw, den koning Edward.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Datzelfde zoudt gij koning Hendrik zijn,</p>
+<p class="line">Als hij op koning Edward’s troon weer zat.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Boschwachter.</p>
+<p class="line">In naam van God, en ’s konings naam, kom mede;</p>
+<p class="line">Gij moet met ons naar zijn beambten gaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">In Gods naam, leidt mij heen; den naam uws konings</p>
+<p class="line">Zij thans door mij gehoorzaamheid getoond;</p>
+<p class="line">En wat God wil, dat moge uw koning doen;</p>
+<p class="line">In wat hij wil, zal ik mij need’rig schikken.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iii.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Clarence</span> <i>en Lady</i> <span class="sc">Grey</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Mijn broeder Gloster, dezer edelvrouwe</p>
+<p class="line">Gemaal, Sir Richard Grey, is in den slag</p>
+<p class="line">Van Sint-Albaans gevallen en zijn land</p>
+<p class="line">Daarop verbeurdverklaard door de’ overwinnaar.</p>
+<p class="line">Zij smeekt nu om teruggaaf van dit land,</p>
+<p class="line">Wat wij in billijkheid niet weig’ren kunnen,</p>
+<p class="line">Omdat de waardige edelman zijn leven</p>
+<p class="line">Verloor bij ’t strijden voor het huis van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dan doet uw hoogheid goed door toe te staan;</p>
+<p class="line">Ja, ’t ware schand’lijk, haar verzoek te weig’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">’t Is zoo; maar toch, ik wil mij nog bedenken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Ei, staat het zoo?</p>
+<p class="line">De weduw, zie ik, heeft iets toe te staan,</p>
+<p class="line">Aleer de koning haar verzoek wil toestaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Hij kent de jacht; wat volgt hij goed het spoor!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Stil nu!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">’t Verzoek eischt overweging, schoone weduw,</p>
+<p class="line">Kom dus een andermaal het antwoord hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Genadig vorst, ik kan geen uitstel lijden;</p>
+<p class="line">’t Behage uw hoogheid thans bescheid te geven,</p>
+<p class="line">En wat u zal behagen is mij goed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Dan, weeuwtje, sta ik borg voor al uw land,</p>
+<p class="line">Indien wat hem behaagt, u wel bevalt.</p>
+<p class="line">Val aan, of op mijn eer, gij krijgt een stoot.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Voor haar ben ik niet bang, als zij niet valt. <span class="lineNum">24</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Verhoede God, dat ware een kans voor hem!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Hoe vele kindren hebt gij, weeuwtje, zeg?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Hij vraagt, geloof ik, fluks een kind van haar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Mijn kop af, liever geeft hij haar er twee.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Drie, mijn doorluchte heer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Gij krijgt er vier, wanneer gij hem gehoor geeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Voor hen waar’ ’t hard, huns vaders land te missen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Toon deernis dan, mijn vorst en geef het hun.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Lords, laat ons; ’k wil den geest van ’t weeuwtje toetsen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ja, laat hem; dart’len jok zult gij niet laten,</p>
+<p class="line">Tot u de jeugd verlaat en krukken laat.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>treden terug</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">En zeg nu, weeuwtje, hebt ge uw kindren lief?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Ja, even lief als ik mijzelve heb.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">En wat zoudt gij wel doen, zoo ’t hun bevoordeelt?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb716">[<a href="#pb716">716</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Voor hen zou ik mij eigen schâ getroosten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Verwerf voor hen dan ’t land van uw gemaal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Juist daarvoor kom ik bij uw majesteit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ik wil u zeggen, hoe gij ’t kunt verwerven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Dit zou mij diep tot dank en dienst verplichten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wat dienst wilt gij mij doen, zoo ik ’t u gaf?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Wat gij beveelt, zoo ik ’t volbrengen kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ik vrees, gij zult mij weig’ren, wat ik vraag.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p716width"><img src="images/p716.jpg" alt="Koning Hendrik VI, Derde Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel." width="468" height="720"><p class="figureHead"><span class="ex">Koning Hendrik VI</span>, Derde Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.</p>
+</div><p>
+</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Neen, hooge vorst, tenzij ik ’t niet vermag.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">’t Is in uw macht, wat ik u vragen wil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Dan zal ik doen, wat uwe hoogheid eischt. <span class="lineNum">49</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>ter zijde</i>).</span> Hij dringt haar sterk; veel regen holt den steen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Zoo rood als vuur! zoo moet haar was wel smelten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Wat draalt mijn vorst? mag ik mijn dienst niet weten?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Een lichten dienst, een koning te beminnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Dit valt mij licht, ja, als uw onderdaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu dan, ik geef het land uws mans u weer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Zoo dank ik u bij ’t gaan veel duizendmalen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij buigt tot afscheid en wil heengaan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Beklonken! zie, die buiging is het zegel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Neen, blijf nog; ik verlang der liefde vruchten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Der liefde vruchten, ja, liefd’rijke vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Gij meent dit, vrees ik, in een and’ren zin;</p>
+<p class="line">Om welke liefde meent gij, dat ik smeek?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Om liefde tot mijn dood, om dank, gebeden,</p>
+<p class="line">Om liefde, zooals deugd die vraagt en geeft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Neen, op mijn woord, die liefde meen ik niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Dan meent gij niet, wat ik uw meening acht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Maar nu zal u mijn wensch verduid’lijkt zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Voorwaar, ik zal tot uwer hoogheid wensch</p>
+<p class="line">Mij nooit verstaan, zoo ik dien juist versta.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ronduit dan; gun mij in uw bed een plaats.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Ronduit dan, liever lig ik in den kerker.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, dan erlangt gij ’t land uws mans ook niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Nu, dan zij eerbaarheid mijn weduwgoed;</p>
+<p class="line">Want voor mijn eer wil ik het land niet koopen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Aldus doet gij uw kindren veel te kort.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Zoo doet uw hoogheid hun en mij te kort.</p>
+<p class="line">Doch, heer en vorst, dit schertsen van uw luim</p>
+<p class="line">Strookt kwalijk met den ernst van mijn verzoek;</p>
+<p class="line">Ik bid u, laat mij gaan met „ja” of „neen”.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ja, zoo gij „ja” wilt zeggen op mijn bede;</p>
+<p class="line">Neen, zoo gij „neen” blijft zeggen op mijn wensch.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">Dan „neen”, mijn vorst; mijn smeeken is ten einde. <span class="lineNum">81</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> De weduw wil hem niet; zij fronst de wenkbrauw.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Geen christenmensch maakte ooit zoo plomp het hof.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Zij is gansch zedigheid, toont iedre blik;</p>
+<p class="line">Haar geest is weergâloos, tuigt ieder woord;</p>
+<p class="line">Zoo schoone gaven eischen vorstenrang;</p>
+<p class="line">Een koning is zij waardig, zus of zoo,</p>
+<p class="line">’k Wil haar tot liefjen of tot koningin.—</p>
+<p class="line">(<i>Tot Lady</i> <span class="sc">Grey</span>.) Stel eens, dat koning Edward u tot vrouw nam?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">’t Laat zich eer zeggen, hooge vorst, dan doen;</p>
+<p class="line">Ik deug als onderdaan misschien tot scherts,</p>
+<p class="line">Maar nimmer toch om koningin te zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ik zweer u, schoone weduw, bij mijn troon,</p>
+<p class="line">Dat ik hier spreek, zooals mijn hart het meent;</p>
+<p class="line">Mijn wensch is, als geliefde u te bezitten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">En dit is meer, dan ik ooit toestaan wil.</p>
+<p class="line">Ik weet, ik ben te laag voor koningin,</p>
+<p class="line">Maar toch te goed voor liefje van een koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Spitsvondig weeuwtje, ik meende als koningin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Lady Grey.</p>
+<p class="line">’t Zou uw genade krenken, zoo mijn zoons</p>
+<p class="line">U vader gingen noemen.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb717">[<a href="#pb717">717</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">U vader gingen noemen. </span>Neen, niet meer,</p>
+<p class="line">Dan zoo u mijne dochters moeder noemen.</p>
+<p class="line">Gij zijt een weduw, enk’le kind’ren rijk;</p>
+<p class="line">En, bij de moeder Gods, schoon jonggezel,</p>
+<p class="line">Ik heb er ook; nu, ’t is een schoone zaak,</p>
+<p class="line">De vader van een tal van zoons te zijn.</p>
+<p class="line">Geen woord meer, want gij wordt mijn koningin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> De vrome heer is klaar, de biecht gehoord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Gloster</span>).</span> Toen hij biechtvader werd, was list aan ’t woord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Gij zijt benieuwd, wat wij daar saam bespraken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ze is zeer bedrukt, dus niets wat haar mocht smaken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Bevreemdde ’t u, zoo ik tot vrouw haar koos?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Voor wien, mylord?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wel, Clarence, voor mijzelf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p id="kh6iii.iii.2.113" class="line">Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Dus één dag meer dan ooit een wonder duurt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dus zooveel ware ’t wonder bovenmatig. <span class="lineNum">114</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, broeders, schertst maar door; dit zeg ik u,</p>
+<p class="line">Dat zij het land van haar gemaal herkrijgt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Edelman komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Edelman.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, uw vijand Hendrik is gevat,</p>
+<p class="line">En als gevang’ne hier voor uw paleis.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Draag zorg, dat hij geleid wordt naar den Tower;—</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Edelman af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En, broeders, gaan wij zien, wie hem gevat heeft,</p>
+<p class="line">Dat die de toedracht van de zaak ons meld’.—</p>
+<p class="line">Ga, vrouwe, mede.—Lords, houdt haar in eere.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Gloster</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, Edward houdt de vrouwen steeds in eere.—</p>
+<p class="line">Dat hij verteerd wierd, merg en been en alles,</p>
+<p class="line">Opdat geen groene spruit uit zijne lenden</p>
+<p class="line">Den gulden tijd, waar ik naar haak, vertraag!</p>
+<p class="line">Doch tusschen mij en wat mijn ziel begeert,—</p>
+<p class="line">Al wierd des wulpschen Edwards recht begraven,—</p>
+<p class="line">Staan Clarence, Hendrik, en zijn zoon, prins Edward,</p>
+<p class="line">En al hun onverhoopte lijflijke erven,</p>
+<p class="line">En vallen in, eer ’t mijne beurt nog is;</p>
+<p class="line">Een killende overweging bij mijn plan!</p>
+<p class="line">Ja, ja, zoo is ’t, ik droom van kroon en rijk,</p>
+<p class="line">Als een, die op een voorgebergte staat</p>
+<p class="line">En naar een verre kust tuurt, waar hij zijn mocht,</p>
+<p class="line">En voor zijn voet den spoed wenscht van zijn oog,</p>
+<p class="line">De zee bekijft, die van zijn wensch hem scheidt,</p>
+<p class="line">Haar uit wil hoozen om een weg te erlangen;</p>
+<p class="line">Zoo wensch ik naar die verre, verre kroon,</p>
+<p class="line">En kijf op al wat mij van haar terughoudt,</p>
+<p class="line">En neem mij voor, wat hindert weg te ruimen,</p>
+<p class="line">En vlei mij steeds met wat onmoog’lijk is.</p>
+<p class="line">Mijn oog is al te rasch, mijn hart te driest,</p>
+<p class="line">Tenzij mijn hand en kracht hen evenaren.</p>
+<p class="line">Want stel, er is geen koninkrijk voor Richard,</p>
+<p class="line">Wat and’re vreugd biedt hem de wereld aan?</p>
+<p class="line">Mijn hemel zij in eener jonkvrouw schoot,</p>
+<p class="line">In rijke kleedren hulle ik ’t lijf, betoov’re</p>
+<p class="line">De schoonste vrouwen met mijn woord en blik;—</p>
+<p class="line">Armzalige inval, minder nog bereikbaar,</p>
+<p class="line">Dan ’t winnen van een twintig gouden kronen!</p>
+<p class="line">De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf;</p>
+<p class="line">En, opdat ik haar zachte wet zou derven,</p>
+<p class="line">Heeft zij natuur, die zwak is, omgekocht</p>
+<p class="line">Met een geschenk, om de’ arm mij te verschromp’len</p>
+<p class="line">Gelijk een dorre struik, om op mijn rug</p>
+<p class="line">Een boozen berg te plaatsen, waar misvormdheid</p>
+<p class="line">Op troont en om mijn lichaam mij beschimpt;</p>
+<p class="line">Om mij de beenen ongelijk te vormen,</p>
+<p class="line">Alom mijn lichaam evenmaat te onthouden,</p>
+<p class="line">Als aan een warklomp of een berenwelp,</p>
+<p class="line">Die, ongelikt, niet naar de moeder zweemt.</p>
+<p class="line">En ben dan ik een man, die liefde wekt?</p>
+<p class="line">O razernij, ooit zulk een waan te voeden! <span class="lineNum">164</span></p>
+<p class="line">Nu, wijl mij de aarde dus geen vreugde biedt</p>
+<p class="line">Dan heerschen, teug’len, and’ren onderwerpen,</p>
+<p class="line">Die schooner van gestalte zijn dan ik,</p>
+<p class="line">Zoo zij ’t mijn hemel van een troon te droomen,</p>
+<p class="line">En de aard, terwijl ik leef, een hel te reek’nen,</p>
+<p class="line">Totdat op mijn misvormden romp dit hoofd</p>
+<p class="line">Omtuind is van een glorierijke kroon.</p>
+<p class="line">Maar ’k weet nog niet, hoe ik die kroon erlang,</p>
+<p class="line">Want vele levens scheiden mij van ’t doel.</p>
+<p class="line">Als een, die, in een doornig bosch verdwaald,—</p>
+<p class="line">De dorens scheurend, zelf er door geschramd,—</p>
+<p class="line">Een weg zoekt, maar zich van den weg verwijdert,</p>
+<p class="line">Niet weet, hoe hij het vrije veld bereikt,</p>
+<p class="line">Doch steeds wanhopig worstelt en het zoekt,—</p>
+<p class="line">Zoo martel ik mij af om Englands kroon;</p>
+<p class="line">En van die mart’ling wil ik mij bevrijden,</p>
+<p class="line">Of ’t pad mij houwen met een bloedige aks.</p>
+<p class="line">Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,</p>
+<p class="line">En roepen: „mooi!” bij wat mijn ziele grieft,</p>
+<p class="line">En kunstig mijn gelaat met tranen vochten,</p>
+<p class="line">Mijn trekken plooien naar den eisch des tijds.</p>
+<p class="line">’k Wil zeelui doen verdrinken, meer dan ’t zeewijf,</p>
+<p class="line">Meer kijkers dooden dan de basilisk,</p>
+<p class="line">Voor reed’naar beter nog dan Nestor spelen,</p>
+<p class="line">Bedriegen, fijner dan Ulysses deed,</p>
+<p class="line">Een Sinon zijn en nog een Troje nemen;</p>
+<p class="line">Ik kan ’t kameleon zelfs kleuren leenen,</p>
+<p class="line">Als Proteus mij verand’ren, beter zelfs;</p>
+<p class="line">Den wreeden Macchiavelli lesjes geven;—<span class="pageNum" id="pb718">[<a href="#pb718">718</a>]</span></p>
+<p class="line">En zou een kroon mij onbereikbaar zijn?</p>
+<p class="line">Al waar’ zij verder weg nog, zij wordt mijn!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iii.3" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iii.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Frankrijk.</span> <i>Een staatsievertrek in het koninklijk paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Lodewijk</span> <i>en prinses</i> <span class="sc">Bona</span> <i>komen op, met Gevolg. De Koning zet zich op den troon. Daarna komen op: Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Prins</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en de Graaf van</i> <span class="sc">Oxford</span>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>opstaande</i>).</span> Doorluchte, schoone koningin van England,</p>
+<p class="line">Zet u bij ons; het past nòch aan uw afkomst,</p>
+<p class="line">Nòch aan uw rang, te staan als Lood’wijk zit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Neen, groote koning, Margaretha moet</p>
+<p class="line">Haar zeil nu strijken en moet leeren dienen,</p>
+<p class="line">Waar koningen bevelen. Ja, ’k beheerschte</p>
+<p class="line">’t Groot Albion in vroeg’ren, gulden tijd,</p>
+<p class="line">Doch nu heeft ongeluk mijn recht vertreden,</p>
+<p class="line">Mij smaad’lijk neergedrukt in ’t stof; dààr moet</p>
+<p class="line">Mijn zitplaats zijn, zoo need’rig als mijn lot nu,</p>
+<p class="line">En ik mij schikken in mijn lage plaats.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Wat oorsprong heeft, vorstin, die diepe droef’nis?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Een oorzaak, die mijn oog met tranen vult,</p>
+<p class="line">Mijn tong verlamt, mijn hart in zorg verdrinkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Nu, wat dit zij, blijf gij gelijk uzelf, <span class="lineNum">15</span></p>
+<p class="line">En zet u naast ons. <span class="stage">(<i>Beiden gaan zitten.</i>)</span> Buig den nek toch niet</p>
+<p class="line">Voor ’t juk van ’t noodlot; zegevierend drave</p>
+<p class="line">Uw kloeke geest, den nood vertrappend, voort;</p>
+<p class="line">Spreek, koningin, ronduit, en meld uw leed;</p>
+<p class="line">Kan Frankrijk helpen, ’t staat tot hulp gereed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Uw gunstig woord versterkt mijn matten geest</p>
+<p class="line">En geeft mijn stommen kommer kracht tot spreken.</p>
+<p class="line">Zoo zij het de’ eed’len Lood’wijk nu bewust,</p>
+<p class="line">Dat Hendrik, de een’ge meester van mijn hart,</p>
+<p class="line">In plaats van koning nu een vlucht’ling is,</p>
+<p class="line">In Schotland, als verlaat’ne zwerven moet,</p>
+<p class="line">Terwijl de eerzuchtige Edward, hertog York,</p>
+<p class="line">Èn waardigheid èn troon heeft overweldigd</p>
+<p class="line">Van Englands echtgezalfden, rechten koning.</p>
+<p class="line">Ziedaar, waarom ik, arme Margaretha,</p>
+<p class="line">Met dit mijn kind, Prins Edward, Hendriks erfzoon,</p>
+<p class="line">Hier tot u kom, gerechte hulpe vragend;</p>
+<p class="line">Zoo gij niet helpt, is ’t uit met onze hoop;</p>
+<p class="line">Schotland wil bijstaan, doch vermag het niet;</p>
+<p class="line">In England zijn èn pairs èn volk verleid,</p>
+<p class="line">De schatkist ons ontrukt, ons heer verstrooid;</p>
+<p class="line">En als gij ziet, wijzelf zijn diep berooid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Doorluchte vrouw, stil door geduld den storm,</p>
+<p class="line">Terwijl wij midd’len zoeken, die hem breken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Hoe meer men draalt, te sterker wordt de vijand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Hoe meer ik draal, te grooter wordt mijn hulp.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O, ongeduld verzelt steeds waren kommer;</p>
+<p class="line">En zie, daar komt mijns kommers kweeker aan.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>komt op, met Gevolg</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Wie nadert daar zoo stout tot onzen troon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">De graaf van Warwick, Edwards grootste vriend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Wees welkom, dapp’re graaf! wat voert u tot ons?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De Koning komt van den troon af. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>staat op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wee! nu begint een tweede storm te woeden;</p>
+<p class="line">Want die man is ’t, die wind en tij beheerscht!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De roemrijke Edward, koning thans van Albion,</p>
+<p class="line">Mijn heer en vorst, en uw getrouwe vriend,</p>
+<p class="line">Zendt mij, in zachte en ongeveinsde liefde,</p>
+<p class="line">Om, eerst, uw vorstlijken persoon te groeten,</p>
+<p class="line">Voorts aan te dringen op een vriendschapsband,</p>
+<p class="line">En dan nog, om die vriendschap te versterken,</p>
+<p class="line">Ook op een echtknoop, zoo ’t u mocht behagen,</p>
+<p class="line">Uw schoone zuster, de eed’le jonkvrouw Bona,</p>
+<p class="line">Met Englands vorst door ’t huw’lijk te verbinden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. <span class="lineNum">58</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick</p>
+<p class="line">(<i>tot</i> <span class="sc">Bona</span>). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege</p>
+<p class="line">Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig</p>
+<p class="line">De hand u kussen en u met mijn tong</p>
+<p class="line">Den gloed beschrijven van mijns meesters hart,</p>
+<p class="line">Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend,</p>
+<p class="line">Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan,</p>
+<p class="line">Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek</p>
+<p class="line">Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde,</p>
+<p class="line">Alleen uit arglist, door den nood verwekt;</p>
+<p class="line">Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis,</p>
+<p class="line">Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt?</p>
+<p class="line">Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk,</p>
+<p class="line">Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven,</p>
+<p class="line">Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon.</p>
+<p class="line">Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt,</p>
+<p class="line">Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd;</p>
+<p class="line">Want een geweld’naar moge een wijle heerschen,</p>
+<p class="line">God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Smaadzieke Margaretha!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Waarom niet koningin?</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb719">[<a href="#pb719">719</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Uws vaders rang is aangematigd, gij</p>
+<p class="line">Zoo min een prins, als zij een koningin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent,</p>
+<p class="line">Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet,</p>
+<p class="line">En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik,</p>
+<p class="line">Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs,</p>
+<p class="line">En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik,</p>
+<p class="line">Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd;</p>
+<p class="line">Van deze reeks stamt onze Hendrik af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede</p>
+<p class="line">Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik</p>
+<p class="line">Al wat de vijfde Hendrik won, verloor?</p>
+<p class="line">Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier</p>
+<p class="line">De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij</p>
+<p class="line">Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets</p>
+<p class="line">Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij</p>
+<p class="line">Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft,</p>
+<p class="line">En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, <span class="lineNum">98</span></p>
+<p class="line">Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms?</p>
+<p class="line">Laat Hendrik varen en noem Edward koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis</p>
+<p class="line">Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere,</p>
+<p class="line">Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader,</p>
+<p class="line">En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds</p>
+<p class="line">Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had?</p>
+<p class="line">Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft,</p>
+<p class="line">Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ik aan ’t huis van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford,</p>
+<p class="line">Op ons verzoek een poos ter zij te treden,</p>
+<p class="line">Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">God geve, dat diens taal hem niet beheks’!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Zij treedt met Prins</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>ter zijde</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af,</p>
+<p class="line">Is Edward waarlijk koning, want ik knoop</p>
+<p class="line">Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Maar heeft hij wijding in het oog des volks?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk</p>
+<p class="line">De mate van de liefde, die hij voedt</p>
+<p class="line">Voor onze zuster.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Voor onze zuster. </span>Zoo doet die zich voor,</p>
+<p class="line">Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt.</p>
+<p class="line">Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren;</p>
+<p class="line">Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde,</p>
+<p class="line">Die in den grond der deugd haar wortels heeft,</p>
+<p class="line">Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid.</p>
+<p class="line">Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen,</p>
+<p class="line">Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bona.</p>
+<p class="line">Uw ja of neen zal ook het mijne zijn;</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</span> Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds,</p>
+<p class="line">Als ik uws konings gaven hoorde roemen,</p>
+<p class="line">Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade;</p>
+<p class="line">En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen</p>
+<p class="line">Omtrent den weduwschat, dien England toekent,</p>
+<p class="line">Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.—</p>
+<p class="line">Treed nader, koningin, en wees getuige,</p>
+<p class="line">Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins Edward.</p>
+<p class="line">Aan Edward, ja, maar niet aan Englands koning. <span class="lineNum">140</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan,</p>
+<p class="line">Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken;</p>
+<p class="line">Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">En blijft dit steeds voor hem en Margaretha;</p>
+<p class="line">Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak,</p>
+<p class="line">Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken,</p>
+<p class="line">Dan is het billijk, dat ik van de hulp</p>
+<p class="line">Ontheven zij, voorheen u toegezegd.</p>
+<p class="line">Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst,</p>
+<p class="line">Dien gij behoeft en ik verleenen kan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland,</p>
+<p class="line">Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan.</p>
+<p class="line">En gij, gewezen koningin van England,</p>
+<p class="line">Hebt hier uw vader om voor u te zorgen;</p>
+<p class="line">Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg,</p>
+<p class="line">Gij trotsche koningsschepper en verdelger!</p>
+<p class="line">Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen,</p>
+<p class="line">Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon,</p>
+<p class="line">Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde;</p>
+<p class="line">Want vogels zijt ge beî van eender veeren.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Horengeschal.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb720">[<a href="#pb720">720</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</span> Ik breng, heer afgezant, een brief u over,</p>
+<p class="line">Van uwen broeder, markgraaf Montague;—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Lodewijk</span>.)</span> Aan uwe majesteit van onzen koning;—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Tot</i> <span class="sc">Margaretha</span>.)</span> Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Allen lezen hun brieven</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Recht goed, dat onze schoone meesteres</p>
+<p class="line">Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins Edward.</p>
+<p class="line">En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld;</p>
+<p class="line">Ik hoop er ’t beste van.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Ik hoop er ’t beste van. </span>Nu, Warwick, spreek!</p>
+<p class="line">Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? <span class="lineNum">174</span></p>
+<p class="line">En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen</p>
+<p class="line">En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant?</p>
+<p class="line">Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt?</p>
+<p class="line">En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ik heb het aan uw majesteit voorspeld;</p>
+<p class="line">Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel,</p>
+<p class="line">En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik</p>
+<p class="line">Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,—</p>
+<p class="line">Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert,</p>
+<p class="line">Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag.</p>
+<p class="line">Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York</p>
+<p class="line">Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden?</p>
+<p id="kh6iii.iii.3.188" class="line">Gezwegen bij de onteering van mijn nicht?</p>
+<p class="line">Zijn hoofd omgeven met de koningskroon?</p>
+<p class="line">Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken?</p>
+<p class="line">En word ik in het eind met schimp beloond?</p>
+<p class="line">Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt,</p>
+<p class="line">Die hij mij roofde; en om die weer te winnen,</p>
+<p class="line">Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik.</p>
+<p class="line">Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok;</p>
+<p class="line">Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar.</p>
+<p class="line">Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik,</p>
+<p class="line">En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde;</p>
+<p class="line">En ik vergeef, vergeet alle oude schuld,</p>
+<p class="line">Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend,</p>
+<p class="line">Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen</p>
+<p class="line">Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan,</p>
+<p class="line">Ik op mij neem, op onze kust te landen,</p>
+<p class="line">Door krijg den dwing’land van den troon te storten.</p>
+<p class="line">Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat;</p>
+<p class="line">En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt,</p>
+<p class="line">Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken,</p>
+<p class="line">Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer,</p>
+<p class="line">Dan veiligheid of sterkte van ons land.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bona.</p>
+<p class="line">Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden,</p>
+<p class="line">Zoo gij deze arme koningin niet steunt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven,</p>
+<p class="line">Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bona.</p>
+<p class="line">Mijn strijd en die der koningin zijn een.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ook de mijne is een er mee, prinses.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Bij dien van u, van haar, van Margaretha,</p>
+<p class="line">Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste</p>
+<p class="line">Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Laat mij voor allen u eerbiedig danken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg <span class="lineNum">222</span></p>
+<p class="line">Den valschen Edward, uw vermeenden koning,</p>
+<p id="kh6iii.iii.3.224" class="line">Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,</p>
+<p class="line">Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.</p>
+<p class="line">Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bona.</p>
+<p class="line">Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar</p>
+<p class="line">Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd</p>
+<p class="line">En sta gereed, het harnas aan te gespen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,</p>
+<p class="line">En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.</p>
+<p class="line">Hier, neem uw loon, en ga!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Hier, neem uw loon, en ga! </span>Ja, Warwick, gij,</p>
+<p class="line">En Oxford, en vijfduizend man met u,</p>
+<p class="line">Steekt over en bestrijdt den valschen Edward;</p>
+<p class="line">En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe,</p>
+<p class="line">Alsook de prins, met versche troepen volgen.</p>
+<p class="line">Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op:</p>
+<p class="line">Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw:</p>
+<p class="line">Indien mijn koningin en prins het willen,</p>
+<p id="kh6iii.iii.3.242" class="line">Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter,</p>
+<p class="line">Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel.</p>
+<p class="line">Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon;</p>
+<p class="line">Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick,<span class="pageNum" id="pb721">[<a href="#pb721">721</a>]</span></p>
+<p class="line">En met de hand uw onverbreek’lijk woord,</p>
+<p class="line">Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins Edward.</p>
+<p class="line">Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het;</p>
+<p class="line">En hiervoor zij mijn hand het onderpand.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij reikt aan</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>de hand</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Lodewijk.</p>
+<p class="line">Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam,</p>
+<p class="line">En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks,</p>
+<p class="line">Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.—</p>
+<p class="line">Zij nederlaag en dood nu Edwards lot,</p>
+<p class="line">Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Warwick</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Als afgezant van Edward kwam ik hier,</p>
+<p class="line">Doch ga terug als zijn gezworen vijand.</p>
+<p class="line">Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len,</p>
+<p class="line">Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek.</p>
+<p class="line">Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen?</p>
+<p class="line">Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed.</p>
+<p class="line">Ik was de man, die hem ten troon verhief;</p>
+<p class="line">Ik wil de man zijn, die hem vallen doet.</p>
+<p class="line">Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel,</p>
+<p class="line">Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span> <i>af</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIERDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6iii.iv.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Somerset</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, zeg mij, broeder Clarence, wat dunkt u</p>
+<p class="line">Van dezen nieuwen echt met lady Grey?</p>
+<p class="line">Kon onze broeder beter keuze doen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Helaas, gij weet, ’t is ver van hier naar Frankrijk;</p>
+<p class="line">Hoe kon hij wachten, tot de graaf terug was?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mylords, staakt dit gesprek, daar komt de koning.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Met hem zijn jonge, welgekozen vrouw.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Ik wil hem ronduit zeggen, hoe ik denk.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt op met gevolg, Lady</i> <span class="sc">Grey</span> <i>als koningin</i>, <span class="sc">Pembroke</span>, <span class="sc">Stafford</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, Clarence, wat dunkt u van onze keus,</p>
+<p class="line">Dat gij zoo peinzend staart, als half misnoegd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Hetzelfde als koning Lood’wijk of graaf Warwick,</p>
+<p class="line">Die wis zoo zwak van oordeel zijn en moed,</p>
+<p class="line">Dat ze onzen smaad niet euvel zullen duiden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">En duiden zij ’t ook euvel zonder grond,</p>
+<p class="line">Zij zijn slechts Lood’wijk, Warwick; ik ben Edward,</p>
+<p class="line">Uw en graaf Warwick’s heer; mijn wil drijft boven. <span class="lineNum">16</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dit doet hij, wijl gij onze koning zijt;</p>
+<p class="line">Maar toch, een haastige echt blijkt zelden best.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo, broeder Richard, duidt ook gij het euvel?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Neen, neen, ik niet;</p>
+<p class="line">Verhoede God, dat ik verdeeld zou wenschen,</p>
+<p class="line">Wat God heeft saamgevoegd; ja, zonde waar’ het</p>
+<p class="line">Te scheiden, wat zoo heerlijk samenpast.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, afgezien van spot of tegenzin,</p>
+<p class="line">Noemt éénen grond, waarom niet Lady Grey</p>
+<p class="line">Mijn vrouw zou zijn en Engelands koningin;—</p>
+<p class="line">En gij ook, Somerset en Montague,</p>
+<p class="line">Zegt ronduit uwe meening.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p id="kh6iii.iv.1.29" class="line">Welnu, mijn meening is, dat koning Lood’wijk</p>
+<p class="line">Uw vijand wordt, omdat gij hem bij ’t aanzoek</p>
+<p class="line">Om jonkvrouw Bona hoonend hebt misleid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">En Warwick, die daar uwen last volbracht,</p>
+<p class="line">Is door dit nieuwe huw’lijk nu onteerd. <span class="lineNum">33</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">En als ik beide’ eens kon tevredenstellen</p>
+<p class="line">Door ’t een of ander middel, dat ik uitdenk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Dan nog had een verbond als dit met Frankrijk,</p>
+<p class="line">Ons tegen vreemde stormen meer versterkt,</p>
+<p class="line">Dan eenige echt met een landsdochter doet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Weet Montague dan niet, hoe veilig England</p>
+<p class="line">Is in zichzelf, zoo ’t trouw blijft in zichzelf?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Ja, maar gedekt door Frankrijk veil’ger nog.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Frankrijk veeleer gebezigd, dan vertrouwd!</p>
+<p class="line">Laat ons door God en van de zee gedekt zijn,</p>
+<p class="line">Die hij ons als onneembaar bolwerk schonk;</p>
+<p class="line">Verweren wij ons enkel met hun hulp;</p>
+<p class="line">In hen en in onszelf ligt onze kracht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p id="kh6iii.iv.1.47" class="line">Voor dit gezegde alleen verdient lord Hastings,</p>
+<p class="line">De erfdochter van lord Hungerford te erlangen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Welnu, wat zou dit? ’t is mijn wil en gunst;</p>
+<p class="line">En ditmaal zal het wet zijn, wat ik wil.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb722">[<a href="#pb722">722</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Toch, dunkt mij, deed uw hoogheid lang niet goed,</p>
+<p class="line">Fluks aan den broeder van uw jonge vrouw</p>
+<p class="line">De erfdochter weg te schenken van lord Scales;</p>
+<p class="line">Aan mij of Clarence kwam zij eerder toe;</p>
+<p class="line">Maar in uw vrouw begraaft gij broederschap.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Ja, anders hadt gij zeker voor haar zoon</p>
+<p class="line">Lord Bonville’s erfgename niet bestemd,</p>
+<p class="line">En zoo uw broeders elders laten uitzien.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ach, arme Clarence! ’t is dus om een vrouw,</p>
+<p class="line">Dat gij verstoord zijt? ’k Zal ook u verzorgen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Uw eigen keus getuigde van uw oordeel;</p>
+<p class="line">Daar dit niet diep gaat, zij het mij vergund,</p>
+<p class="line">Dat ik als maak’laar van mijzelven optreed;</p>
+<p class="line">En daartoe ga ik eerstdaags u verlaten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Verlaat me, of blijf; Edward wil koning zijn</p>
+<p class="line">En niet gebonden aan zijns broeders wil.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Mylords, aleer ’t zijn majesteit behaagde,</p>
+<p class="line">Mij als zijn gade vorstenrang te schenken,</p>
+<p class="line">Was ik,—weest billijk en erkent wat waar is,—</p>
+<p class="line">Van afkomst niet onedel; en aan mind’ren</p>
+<p class="line">Dan ik, viel vroeger ’tzelfde heil te beurt.</p>
+<p class="line">Doch nu mijn rang mij en de mijnen eert,</p>
+<p class="line">Dreigt tegenzin van u, wier liefde ik wenschte,</p>
+<p class="line">Mijn vreugd te omwolken met gevaar en leed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Geliefde, vlei hun booze luim niet verder. <span class="lineNum">75</span></p>
+<p class="line">Wat leed of wat gevaar zou ooit u treffen,</p>
+<p class="line">Zoolang slechts Edward uw getrouwe vriend</p>
+<p class="line">En hun monarch is, wien zij moeten dienen?</p>
+<p class="line">Zij zullen ’t doen en u beminnen ook,</p>
+<p class="line">Als zij niet willen, dat mijn haat hen treft;</p>
+<p class="line">En doen zij dit, nu, ik behoed u steeds,</p>
+<p class="line">En hun doe ik mijn felle wraak gevoelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Ik hoor, doch zeg niet veel; maar denk te meer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo, bode; nu, wat brieven of berichten</p>
+<p class="line">Uit Frankrijk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Mijn heer en vorst, geen brieven, weinig woorden,</p>
+<p class="line">Maar zoo, dat ik niet waag die te herhalen,</p>
+<p class="line">Dan zoo uw hoogheid mij vergiff’nis schenkt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ga voort; vergiff’nis hebt ge; zeg dus kort,</p>
+<p class="line">Zoo woordlijk als gij ’t melden kunt, hun antwoord.</p>
+<p class="line">Wat zeide koning Lood’wijk op mijn schrijven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Zijn eigen woorden waren bij mijn afscheid:</p>
+<p class="line">„Zeg valschen Edward, uw vermeenden koning,</p>
+<p class="line">„Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,</p>
+<p class="line">„Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo dapper, ei! Hij houdt mij wis voor Hendrik.</p>
+<p class="line">Doch wat zegt jonkvrouw Bona van mijn echt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Haar woorden waren smaadlijk in hun zachtheid:</p>
+<p class="line">„Zeg hem, ik draag, wijl ik ras weduwnaar</p>
+<p class="line">„Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Verschoonlijk; weinig minder kon zij zeggen;</p>
+<p class="line">Zij werd gekrenkt. Doch hoe sprak Hendriks gade?</p>
+<p class="line">Want naar ik hoorde, was zij mede daar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line"><span id="xd33e20185"></span>Zij sprak: „zeg hem: mijn treurkleed dank ik af,</p>
+<p class="line">„En sta gereed, het harnas aan te gespen.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Het schijnt, zij wil voor amazone spelen.</p>
+<p class="line">Doch Warwick, wat sprak hij bij al dien hoon?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Hij, veel gramstoor’ger op uw majesteit</p>
+<p class="line">Dan al die and’ren, gaf mij dit in last:</p>
+<p class="line">„Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,</p>
+<p class="line">„En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wat! waagde de verrader zulk een taal? <span class="lineNum">112</span></p>
+<p class="line">Ik rust, vooruit gewaarschuwd, fluks mij toe,</p>
+<p class="line">En breng hun krijg; zij boeten voor hun trots.</p>
+<p class="line">Is Warwick, spreek, bevriend met Margaretha?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Ja, heer en vorst; zoo innig is hun vriendschap,</p>
+<p class="line">Dat haar prins Edward Warwick’s dochter huwt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Dan de oudste wis, want Clarence wil de jongste.</p>
+<p class="line">Vaarwel nu, broeder koning, zetel vast;</p>
+<p class="line">Ik ga van hier tot Warwick’s and’re dochter,</p>
+<p class="line">Opdat ik, schoon ook zonder koninkrijk,</p>
+<p class="line">In huwlijksglans voor u niet onderdoe.—</p>
+<p class="line">Wie mij en Warwick liefheeft, volge mij.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Clarence</span> <i>af, gevolgd door</i> <span class="sc">Somerset</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Niet ik;</p>
+<p class="line">Mijn streven is naar hoog’re dingen. Ik</p>
+<p class="line">Blijf hier, om Edward niet, maar om de kroon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wat Clarence, Somerset naar Warwick over!</p>
+<p class="line">Toch ben ik tegen ’t ergste zelfs gewapend;</p>
+<p class="line">Maar dreigend is ’t gevaar en spoed is noodig.—</p>
+<p class="line">Pembroke en Stafford, gaat en licht ons krijgers;</p>
+<p class="line">Rust alles duchtig tot den oorlog toe.</p>
+<p class="line">Zij zijn geland of zullen ’t spoedig zijn;</p>
+<p class="line">Ikzelf zal in persoon terstond u volgen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Pembroke</span> <i>en</i> <span class="sc">Stafford</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Doch voor ik ga, Hastings en Montague,</p>
+<p class="line">Heft gij mijn twijfel op. Gij, voor alle andren,</p>
+<p class="line">Bestaat door bloed en huw’lijk Warwick na;</p>
+<p class="line">Spreekt dus, bemint gij Warwick meer dan mij?<span class="pageNum" id="pb723">[<a href="#pb723">723</a>]</span></p>
+<p class="line">Mocht dit zoo zijn, gaat beiden dan tot hem;</p>
+<p class="line">Een vijand is mij liever dan een schijnvriend;</p>
+<p class="line">Maar denkt gij jegens mij uw trouw te houden,</p>
+<p class="line">Zoo geve een eed van u mij zekerheid,</p>
+<p class="line">Opdat ik nimmer u wantrouwen moog’!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Zoo help’ God Montague, als hij u trouw blijft!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">En Hastings, als hij u te dienen wenscht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">En, broeder Gloster, houdt gij u aan ons?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, trots wien ook, die tegen u zich kant.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Goed, dan ben ik van de overwinning zeker.</p>
+<p class="line">Van hier, geen uur verspild, geen rust genomen,</p>
+<p class="line">Tot Warwick en zijn vreemde krijgers komen!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vlakte in</i> <span class="ex">Warwickshire</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Warwick</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>komen op met Fransche en Engelsche troepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mylord, geloof mij, alles gaat zeer goed;</p>
+<p class="line">In zwermen stroomt het mind’re volk ons toe.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Doch zie, daar komen Somerset en Clarence!</p>
+<p class="line">Zegt ons terstond, mylords, zijn we allen vrienden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Heb daar, mylord, geen zorg voor.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wees, waarde Clarence, dan aan Warwick welkom;</p>
+<p class="line">Wees welkom, Somerset!—Ik acht het lafheid,</p>
+<p class="line">Argwaan te koest’ren, als een edel hart</p>
+<p class="line">Tot vriendschapsblijk zijn open hand verpandt;</p>
+<p class="line">’k Mocht anders denken: Clarence, Edwards broeder,</p>
+<p class="line">Is een geveinsde vriend slechts van ons doen;</p>
+<p class="line">Doch welkom, vriend! mijn dochter geef ik u.—</p>
+<p class="line">Wat thans te doen, dan, door de nacht omhuld,</p>
+<p class="line">Terwijl uw broeder zorgloos is gelegerd,</p>
+<p class="line">Zijn volk in ’t rond in steden is verspreid,</p>
+<p class="line">En slechts een kleine wacht zijn tent omgeeft,</p>
+<p class="line">Hem te overromp’len en naar wensch te vatten?</p>
+<p class="line">’t Scheen den verspieders licht te doen, dat wij,</p>
+<p class="line">Gelijk Ulysses en held Diomedes</p>
+<p class="line">Met list en moed naar Rhesus’ tenten slopen</p>
+<p class="line">En Thraciës rossen, noodlots tolken, roofden,</p>
+<p class="line">Zoo, door het zwart gewaad der nacht omhuld,</p>
+<p class="line">De wacht van Edward onvoorziens verslaan,</p>
+<p class="line">Hemzelven grijpen; ik zeg niet, hem dooden,</p>
+<p class="line">Want enkel hem verrassen is mijn doel.—</p>
+<p class="line">Gij, die mij bij dit pogen volgen wilt,</p>
+<p class="line">Begroet met mij dan juub’lend Hendriks naam!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Ho! Hendrik! Hendrik!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En nu, den tocht aanvaard in alle stilte!</p>
+<p class="line">Voor Warwick’s krijgerschaar, God en Sint George!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="sc">Edwards</span> <i>legerkamp bij</i> <span class="ex">Warwick</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Eenige Wachten bij ’s Konings tent komen op.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter.</p>
+<p class="line">Komt, makkers, ieder man nu op zijn post;</p>
+<p class="line">De koning heeft zich reeds gezet tot slapen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter.</p>
+<p class="line">Wat, gaat hij niet te bed?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter.</p>
+<p class="line">Wel neen; hij heeft een plechtige’ eed gedaan,</p>
+<p class="line">Dat hij de rust van ’t bed niet zou genieten,</p>
+<p class="line">Eer Warwick, of hijzelf, vernietigd is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter.</p>
+<p class="line">Die dag, zoo denk ik, zal wel morgen zijn.</p>
+<p class="line">Als Warwick zoo nabij is als men zegt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Wachter.</p>
+<p class="line">Maar zeg mij eens, wie is toch de edelman,</p>
+<p class="line">Die met den koning in zijn tent hier slaapt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter.</p>
+<p class="line">Dat is lord Hastings, de eerste vriend des konings.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Wachter.</p>
+<p class="line">O, die? Maar zeg, waarom beveelt de koning,</p>
+<p class="line">Dat al zijn volk schier in de steden ligt,</p>
+<p class="line">Terwijl hijzelf het koude veld verkiest? <span class="lineNum">14</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter.</p>
+<p class="line">’t Biedt meer gevaar en brengt dus grooter eer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Derde Wachter.</p>
+<p class="line">Nu, ik verkies eer achtbaarheid en rust;</p>
+<p class="line">Die heb ik liever dan gevaar en eer.</p>
+<p class="line">Als Warwick wist, hoe hier de zaken staan,</p>
+<p class="line">Dan vrees ik zeer, dat die hem wekken zou.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter.</p>
+<p class="line">Als onze hellebaarden hem niet hoedden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter.</p>
+<p class="line">Juist, waartoe zijn wij wachters bij zijn tent,</p>
+<p class="line">Dan om een overval bij nacht te keeren!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Oxford</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>komen op met Troepen, in alle stilte</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dit is zijn tent; ziet slechts, daar staat zijn wacht.</p>
+<p class="line">Moed, vrienden! Nu of nimmer, roem en eer!</p>
+<p class="line">Volgt mij slechts en terstond is Edward ons.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Wachter.</p>
+<p class="line">Wie daar?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Wachter.</p>
+<p class="line">Blijft staan, of sterft!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Warwick</span> <i>en de Overigen roepen allen: „Warwick! Warwick!” en vallen de Wacht aan, die vlucht
+onder het geroep „Te wapen!”</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en de Anderen vervolgen hen.—Daarna komen</i> <span class="sc">Warwick</span> <i>en de Anderen onder getrommel en trompetgeschal terug en brengen den Koning, in nachtgewaad,
+op zijn stoel gezeten, uit zijn tent. In de verte ziet men</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span> <i>vluchten</i>.)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb724">[<a href="#pb724">724</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Wie zijn het, die daar vluchten?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Wie zijn het, die daar vluchten? </span>Richard is ’t,</p>
+<p class="line">Met Hastings; laat hen maar; hier is de hertog.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Hertog! Ei, Warwick, toen wij onlangs scheidden,</p>
+<p class="line">Heette ik uw koning!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line"><span class="hemistich">Heette ik uw koning! </span>Ja, maar ’t is nu anders.</p>
+<p class="line">Toen gij mij als gezant beschaamd deedt staan,</p>
+<p class="line">Toen heb ik u als koning afgezet,</p>
+<p class="line">En thans benoem ik u tot hertog York.</p>
+<p class="line">Ach, hoe zoudt gij een koninkrijk regeeren,</p>
+<p class="line">Gij, die niet weet, hoe men gezanten eert,</p>
+<p class="line">Noch, hoe men zich met ééne vrouw vernoegt,</p>
+<p class="line">Noch, hoe men broeders broederlijk behandelt,</p>
+<p class="line">Noch, hoe men ’t welzijn van het volk behartigt,</p>
+<p class="line">Noch, hoe men voor een vijand zich behoedt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo, broeder Clarence, zijt gij ook hierbij?</p>
+<p class="line">Dan zie ik, nu is Edwards val beslist.—</p>
+<p class="line">Toch, Warwick, trots alle ongunst van het lot,</p>
+<p class="line">Trots u en al uw medesaamgezwoor’nen,</p>
+<p class="line">Zal Edward steeds als koning zich gedragen;</p>
+<p class="line">Stoote ook Fortuin vergramd mijn troon omver,</p>
+<p class="line">Mijn geest zweeft boven ’t went’len van haar rad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zij Edward in zijn geest dan Englands koning, <span class="lineNum">48</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij neemt hem de kroon af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Maar Hendrik is ’t, die Englands kroon zal dragen</p>
+<p class="line">En waarlijk koning zijn, gij slechts de schim.—</p>
+<p class="line">Mylord van Somerset, draag, bid ik, zorg,</p>
+<p class="line">Dat hertog Edward daad’lijk naar mijn broeder,</p>
+<p class="line">Den aartsbisschop van York, word’ heengevoerd.</p>
+<p class="line">Heb ik met Pembroke en zijn volk gestreden,</p>
+<p class="line">Dan volg ik u en deel hem mee, welk antwoord</p>
+<p class="line">Hem Lood’wijk en de jonkvrouw Bona zenden.—</p>
+<p class="line">En nu vaarwel, mijn waarde hertog York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">De mensch verduur’ zijn noodlot, goed of kwaad;</p>
+<p class="line">En wind èn tij te trotsen, geeft geen baat.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>wordt weggevoerd, begeleid door</i> <span class="sc">Somerset</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">En wat blijft ons nu nog te doen, mylords,</p>
+<p class="line">Dan met ons heer naar Londen op te rukken?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Daarheen, ja; ’t eerste, wat ons staat te doen,</p>
+<p class="line">Is, Hendrik uit zijn hecht’nis te bevrijden,</p>
+<p class="line">En weer te plaatsen op zijn koningstroon.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koningin</i> <span class="sc">Elizabeth</span> <i>en</i> <span class="sc">Rivers</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rivers.</p>
+<p class="line">Wat, zuster, maakt u plots’ling zoo neerslachtig?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Hoe, broeder Rivers, moet gij thans eerst hooren,</p>
+<p class="line">Wat schrikk’lijk onheil koning Edward trof?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rivers.</p>
+<p class="line">Verloor hij, spreek, een veldslag tegen Warwick?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Neen, maar zijn eigen vorstlijke persoon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rivers.</p>
+<p class="line">Is dus mijn heer en vorst gedood?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Ja, schier gedood, want hij is krijgsgevangen,</p>
+<p class="line">Hetzij zijn valsche lijfwacht hem verried,</p>
+<p class="line">Hetzij de vijand onverwachts hem aangreep;</p>
+<p class="line">En verder hoorde ik, dat hij aan de hoede</p>
+<p class="line">Des aartsbisschops van York is toevertrouwd,</p>
+<p class="line">Die Warwick’s broeder is en dus ons haat.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rivers.</p>
+<p class="line">Ik moet erkennen, ’t is een zware slag;</p>
+<p class="line">Maar draag dien, tracht u tegen ’t leed te weren;</p>
+<p class="line">Wint Warwick heden, morgen kan ’t verkeeren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Die hoop belet de smart, mij te verteren;</p>
+<p class="line">Te meer nog houd ik mij van wanhoop verre,</p>
+<p class="line">Uit zorg voor Edwards telg in mijnen schoot;</p>
+<p class="line">Dit is het, wat mij dwingt, mijn smart te teug’len,</p>
+<p class="line">Gelaten mij dit onheil dragen doet; <span class="lineNum">20</span></p>
+<p class="line">Ja, daarom houd ik meen’gen traan terug,</p>
+<p class="line">En meen’gen zucht, die ’t bloed verteren zou;</p>
+<p class="line">Licht ware traan of zuchten ten verderve</p>
+<p class="line">Van Edwards telg, die Englands kroon eens erve!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Rivers.</p>
+<p class="line">En, eed’le vrouwe, waar is Warwick nu?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Mij werd gemeld, dat hij op Londen aantrekt,</p>
+<p class="line">En Hendriks hoofd nog eenmaal kronen wil.</p>
+<p class="line">Gis zelf wat volgt; elk valt, die Edward aanhangt.</p>
+<p class="line">Maar om de wraak des woest’lings te voorkomen,—</p>
+<p class="line">Want die eens trouwe brak, zij nooit vertrouwd,—</p>
+<p class="line">IJl ik terstond nu naar de heil’ge vrijplaats</p>
+<p class="line">En red den erfgenaam van Edwards recht;</p>
+<p class="line">Daar ben ik veilig voor geweld en list.</p>
+<p class="line">Kom dus; gevlucht, nu vlucht nog moog’lijk is;</p>
+<p class="line">Grijpt Warwick ons, de dood is ons gewis.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een park bij het slot</i> <span class="ex">Middleham</span> <i>in</i> <span class="ex">Yorkshire</span>.</p>
+<p class="stage"><span class="sc">Gloster</span>, <span class="sc">Hastings</span>, <i>Sir</i> <span class="sc">William Stanley</span> <i>en Anderen komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster<span class="corr" id="xd33e20687" title="Niet in bron">.</span></p>
+<p class="line">Nu, Mylord Hastings en Sir William Stanley,</p>
+<p class="line">Verbaast u langer niet, dat ik hierheen</p>
+<p class="line">In ’t dichtst van dit geboomte u medetroonde.</p>
+<p class="line">Ziethier de zaak. Gij weet, mijn broeder Edward</p>
+<p class="line">Is als gevang’ne bij den bisschop hier,</p>
+<p class="line">Die hem veel vrijheid laat en goed behandelt,</p>
+<p class="line">Zoodat hij vaak, door wein’gen slechts bewaakt,</p>
+<p class="line">Zich met de jacht vermakend, hierheen komt.</p>
+<p class="line">’k Heb door geheime midd’len hem verwittigd,</p>
+<p class="line">Dat, zoo hij op dit uur zich herwaarts wendt,</p>
+<p class="line">Voorgevend zijn gewoon vermaak te zoeken,</p>
+<p class="line">Hij hier zijn vrienden, paarden, manschap vindt</p>
+<p class="line">En zijn gevangenschap verbreken kan.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb725">[<a href="#pb725">725</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en een Jager komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jager.</p>
+<p class="line">Hierheen, mylord, op dit veld ligt het wild.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Neen, hierheen, man; gij ziet, daar staan de jagers.—</p>
+<p class="line">Zoo, broeder Gloster, Hastings, en gij and’ren,</p>
+<p class="line">Verscholen om in ’s bisschops park te stroopen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">De tijd, mijn broeder, dringt; de zaak wil spoed.</p>
+<p class="line">Uw paard staat aan den hoek van ’t bosch gereed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Maar waarheen wilt gij nu?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Naar Lynn, mijn vorst; daar gaan wij scheep naar Vlaand’ren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Voorwaar, uitmuntend; zoo was ook mìjn plan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Stanley, ik zal uw ijver u vergelden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Waartoe getalmd? ’t is nu geen pratenstijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wat zegt gij, jager, wilt gij met ons gaan?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Jager.</p>
+<p class="line">Ja, eer dan blijven om de galg te kussen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Kom dan, van hier! geen verder oponthoud!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Bisschop, vaarwel! hoed u voor Warwick’s wraak,</p>
+<p class="line">En bid, dat God mij weder koning maak’.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af</i>).</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vertrek in den Tower.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <i>de jonge</i> <span class="sc">Richmond</span>, <span class="sc">Oxford</span>, <span class="sc">Montague</span>, <i>de Slotvoogd van den Tower, en Gevolg komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Heer slotvoogd, nu door God en trouwe vrienden</p>
+<p class="line">Edward gebonsd is van den koningstroon,</p>
+<p class="line">En mijn gevangen staat verkeerd in vrijheid,</p>
+<p class="line">Mijn vrees in hoop, mijn leed in vreugd, zoo spreek,</p>
+<p class="line">Wat loon bij onze slaking u wel toekomt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Slotvoogd.</p>
+<p class="line">Geen onderdaan mag iets van vorsten vord’ren;</p>
+<p class="line">Maar zoo een bede in ootmoed iets vermag,</p>
+<p class="line">Smeek ik vergiff’nis van uw majesteit.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Waarvoor dan, slotvoogd? voor uw goed bejeeg’nen?</p>
+<p class="line">Neen, neen; voorwaar, ik wil uw goedheid loonen,</p>
+<p class="line">Die mij mijn hecht’nis een genot deed zijn;</p>
+<p class="line">Ja, een genot, zooals de vogel smaakt,</p>
+<p class="line">Die in zijn kooi, na veel droefgeestige onrust,</p>
+<p class="line">In ’t eind, bij ’t zingen van zijn huis’lijk lied,</p>
+<p class="line">’t Verlies der vrijheid gansch en al vergeet.—</p>
+<p class="line">Gij Warwick, hebt, na God, mij nu bevrijd,</p>
+<p class="line">Ontvang daarom, na God, mijn besten dank;</p>
+<p class="line">Hij was hiervan de ontwerper, gij het werktuig;—</p>
+<p class="line">Opdat ik ’s noodlots nijd nu overwinne,</p>
+<p class="line">Door needrig leven waar mij ’t lot niet deert,</p>
+<p class="line">En niet het volk van dit gezegend land</p>
+<p class="line">Getuchtigd worde met mijn boos gesternte,</p>
+<p class="line">Zoo, Warwick, schoon mijn hoofd de kroon steeds draag’,</p>
+<p class="line">Geef ik aan u het landsbestuur hier over,</p>
+<p class="line">Want u geleidt geluk bij al uw doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, als deugdzaam werdt gij steeds geroemd,</p>
+<p class="line">Maar nu betoont ge u even wijs als deugdzaam,</p>
+<p class="line">Daar gij des noodlots wrok bespiedt en mijdt;</p>
+<p class="line">Want zelden volgt de mensch den wenk der sterren;</p>
+<p class="line">Slechts hierin faalt ge,—en dit moet ik weerstreven,—</p>
+<p class="line">Schoon Clarence hier is, mij uw stem te geven.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Neen, Warwick, neen! ’t bewind zijt gij volwaardig,</p>
+<p class="line">Gij, wien ’t gesternte in ’t uur van uw geboorte</p>
+<p class="line">De’ olijftak en de lauwerkroon bestemde,</p>
+<p class="line">Als die in vrede en oorlog schitt’ren zoudt;</p>
+<p class="line">En daarom geef ik willig u mijn stem.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ik kies Clarence enkel voor protector.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Warwick en Clarence, reikt mij beide’ uw hand. <span class="lineNum">38</span></p>
+<p class="line">Vereent uw handen, en daarmee uw harten,</p>
+<p class="line">Opdat geen tweedracht nu ’t regeeren stoor’;</p>
+<p class="line">Weest beiden,—’k wil ’t,—protectors van dit rijk,</p>
+<p class="line">Opdat ikzelf, gelijk een burger levend,</p>
+<p class="line">Mijn verd’re dagen aan bespieg’ling wijde,</p>
+<p class="line">Mijn Schepper love en booze zonde mijde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wat antwoordt Clarence op zijns konings wil?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Zegt Warwick ja, dan stem ik mede toe;</p>
+<p class="line">Want op uw goed geluk verlaat ik mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dan geef ik, schoon ongaarne, mij gewonnen.</p>
+<p class="line">Dat wij in één gareel, als dubb’le schaduw</p>
+<p class="line">Van Hendrik zelf, getrouw zijn plaats vervangen.</p>
+<p class="line">’k Bedoel, den last hem dragen van ’t bewind,</p>
+<p class="line">Want de eere hebb’ hijzelf, en kalme rust.</p>
+<p class="line">En Clarence, nu terstond is ’t meer dan noodig,</p>
+<p class="line">Dat we Edwards handelwijs voor hoogverraad</p>
+<p class="line">En al zijn land en goed verbeurdverklaren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Gewis;—en dat wij de erfopvolging reeg’len.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Waarbij zijn deel aan Clarence niet ontgaat.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Doch bij uw eerste zaken van gewicht</p>
+<p class="line">Bid ik u dit:—want ik beveel niet meer;—</p>
+<p class="line">Zendt naar uw koningin en naar mijn Edward,</p>
+<p class="line">Dat zij terstond uit Frankrijk wederkeeren;</p>
+<p class="line">Tot ik hen hier zie, wordt door bange vrees</p>
+<p class="line">De vreugde van mijn vrijheid half verduisterd.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb726">[<a href="#pb726">726</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Dit zal geschieden, Heer, met allen spoed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mylord van Somerset, wie is die knaap,</p>
+<p class="line">Voor wien gij, naar het schijnt, zoo teeder zorgt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p id="kh6iii.iv.6.67" class="line">Mijn vorst, de jonge Hendrik, graaf van Richmond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Treed nader, Englands hoop.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij legt hem de hand op het hoofd.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Indien geheime machten echte waarheid</p>
+<p class="line">Inblazen aan mijn verrezienden geest,</p>
+<p class="line">Wordt deze schoone knaap eens Englands zegen.</p>
+<p class="line">Zijn blik is vol van kalme majesteit,</p>
+<p class="line">Zijn hoofd geschapen om een kroon te dragen,</p>
+<p class="line">Zijn hand tot scepterzwaaien, en hijzelf</p>
+<p class="line">Om zeeg’nend eens een koningstroon te sieren.</p>
+<p class="line">Houdt hem in eere, lords; hij brengt uw staat</p>
+<p class="line">Meer heil en hulp, dan ik ooit heb geschaad.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wat meldt gij, man?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Dat Edward aan uw broeder is ontsnapt,</p>
+<p class="line">En, naar hij hoorde, vluchtte naar Bourgondië.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dit is een bitt’re tijding! hoe ontkwam hij? <span class="lineNum">80</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Richard, hertog van Gloster, en lord Hastings</p>
+<p class="line">Bevrijdden hem; zij hebben hem bespied,</p>
+<p class="line">In ’t groen verscholen aan den rand van ’t woud,</p>
+<p class="line">En aan des bisschops jagers hem ontrukt;</p>
+<p class="line">Want daag’lijks was de jacht zijn tijdverdrijf.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Mijn broeder was te zorgloos in die zaak.—</p>
+<p class="line">Doch kom, mijn vorst, opdat wij kruiden lezen,</p>
+<p class="line">Om elke wond, die voorkomt, te genezen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af, behalve</i> <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Richmond</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Mylord, die vlucht van Edward is een ramp;</p>
+<p class="line">Want zeker vindt hij bijstand in Bourgondië,</p>
+<p class="line">En dan ontstaat er even wis weer krijg.</p>
+<p class="line">Heeft Hendriks heilvoorspelling daar mijn hart</p>
+<p class="line">Van hoop vervuld voor dezen jongen Richmond,</p>
+<p class="line">Thans is ’t beangst om wat in deze twisten</p>
+<p class="line">Hem kan weervaren, hem en ons ten onheil.</p>
+<p class="line">Dus, Oxford, om het ergste te voorkomen,</p>
+<p class="line">Gehandeld! Naar Bretagne moog’ hij gaan,</p>
+<p class="line">Tot hier de tweedrachtsstormen zijn gedaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Ja, want ik vrees, stijgt Edward weer ten troon,</p>
+<p class="line">Licht deelde Richmond in der and’ren loon.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Bretagne zij zijn toevluchtsoord, ja goed;</p>
+<p class="line">Maar dan ook daad’lijk, want de tijd wil spoed.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.7" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">York</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Hastings</span> <i>komen op, met troepen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, broeder Gloster, Hastings en gij and’ren,</p>
+<p class="line">Tot dusver maakt het lot ons alles goed,</p>
+<p class="line">En spelt ons, dat ik mijn vervallen staat</p>
+<p class="line">Nog eens weer ruil voor Hendriks koningskroon.</p>
+<p class="line">Wij staken tweemaal nu de zee goed over,</p>
+<p class="line">Bourgondië heeft naar wensch ons hulp verleend;</p>
+<p class="line">Wij kwamen van de haven Ravensburg</p>
+<p class="line">Reeds voor de poort van York; wat blijft dus oov’rig,</p>
+<p class="line">Dan ’t binnentrekken onzer hertogsstad?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Hastings</span> <i>klopt aan de poort</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">De poort gesloten!—Dit bevalt mij niet;</p>
+<p class="line">Voor menigeen is struik’len aan den drempel</p>
+<p class="line">Een teeken van ’t gevaar, dat binnen loert.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Stil, man, geen teekens mogen ons verschrikken;</p>
+<p class="line">Want goed- of kwaadschiks, binnen moeten wij;</p>
+<p class="line">’t Is hier, dat onze vrienden tot ons komen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Ik klop nog eens, heer, dat zij opendoen.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij klopt nog eens. De Mayor en de Raadsleden van</i> <span class="sc">York</span> <i>verschijnen op den muur</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Mylords, wij sloten, van uw komst verwittigd, <span class="lineNum">17</span></p>
+<p class="line">Uit zorg voor onze veiligheid de poort,</p>
+<p class="line">Want thans zijn wij aan Hendrik trouwe schuldig.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Moog’ Hendrik, heer, uw koning zijn, toch blijft</p>
+<p class="line">Steeds Edward voor het minst hertog van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Ja, waarde lord, dit wil ik u niet looch’nen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Welnu, ik vorder slechts mijn hertogdom,</p>
+<p class="line">Waarmede ik gansch en al tevreden ben.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Doch heeft de vos maar eerst zijn neus er binnen,</p>
+<p class="line">Dan zorgt hij ras, dat ook het lichaam volgt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Wat staat gij nog en aarzelt, beste mayor?</p>
+<p class="line">Doe open, wij zijn koning Hendriks vrienden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Mayor.</p>
+<p class="line">Verklaart gij dit? Nu, dan doen wij u open.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Mayor en Raadsleden boven af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Een wijs, recht wakker man, ras overreed!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Die oude heer ziet liefst, dat alles goed gaat,</p>
+<p class="line">Zoo hij slechts buiten spel blijft; doch hoe ’t zij,</p>
+<p class="line">Zijn wij eens binnen, weldra zullen wij</p>
+<p class="line">Hem en geheel zijn raad tot rede brengen.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb727">[<a href="#pb727">727</a>]</span></p>
+<p class="stage">(<i>De Mayor en twee Raadsleden treden de poort uit.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo, waarde heer, de poort zij niet gesloten,</p>
+<p class="line">Dan in de nacht of als er oorlog is.</p>
+<p class="line">Neen, man, ducht niets en geef de sleutels af;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij neemt hem de sleutels uit de hand.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Want Edward is ’t, die u, uw stad en al</p>
+<p class="line">Wie mijne zijde kiest, beschutten zal.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een marsch.</i> <span class="sc">Montgomery</span> <i>komt op, met troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zie, broeder, zie, Sir John Montgomery,</p>
+<p class="line">Zoo ik niet dwaal, een echte, trouwe vriend.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Welkom, Sir John, doch waarom zoo gewapend?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montgomery.</p>
+<p class="line">Tot koning Edwards hulp in dezen stormtijd,</p>
+<p class="line">Gelijk ’t een trouwen onderdaan betaamt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Dank, wakk’re vriend; doch ik vergeet alsnog</p>
+<p class="line">Mijn aanspraak op de kroon, en eisch alleen</p>
+<p class="line">Mijn hertogdom, tot God het meerd’re zendt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montgomery.</p>
+<p class="line">Vaar gij dan wel, want dan ga ik terug;</p>
+<p class="line">Een koning kwam ik dienen, niet een hertog.—</p>
+<p class="line">De trom geroerd en weder afgetrokken!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>De trommen beginnen een marsch te slaan.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Blijf nog, Sir John; wij kunnen overwegen,</p>
+<p class="line">Hoe wij op veil’ge wijs de kroon herwinnen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montgomery.</p>
+<p class="line">Wat wilt gij overwegen? kort en goed, <span class="lineNum">53</span></p>
+<p class="line">Zoo gij hier niet tot koning u verklaart,</p>
+<p class="line">Dan laat ik hier u over aan uw lot,</p>
+<p class="line">Ook hen weerhoudend, die tot bijstand komen.</p>
+<p class="line">Waartoe te vechten, als ge uw recht niet eischt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Waarom toch, broeder, al die zwarigheden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wij doen onze eischen, als wij sterker zijn;</p>
+<p class="line">Nu doen wij wijs, zoo wij ons doel verhelen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Weg met bezwaren, nu regeere ’t zwaard!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wie moedig klimt, bereikt het eerst de kroon.</p>
+<p class="line">Wij roepen, broeder, nu terstond u uit;</p>
+<p class="line">’t Gerucht er van brengt u veel vrienden aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Het zij zooals gij wilt; ’t is toch mijn recht,</p>
+<p class="line">En Hendrik matigt zich de kroon slechts aan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montgomery.</p>
+<p class="line">O, nu spreekt weer mijn koning als hijzelf;</p>
+<p class="line">En nu ook wil ik Edwards strijder zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Hastings.</p>
+<p class="line">Trompetters, blaast! Wij roepen Edward uit.—</p>
+<p class="line">Hier kameraad, lees gij de proclamatie.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij geeft aan een der krijgslieden een papier.—Trompetgeschal.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Soldaat</p>
+<p><span class="stage">(<i>leest</i>).</span> „Edward de vierde, bij de gratie Gods koning van Engeland en Frankrijk, en heer van
+Ierland, enz.”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montgomery.</p>
+<p class="line">En wie er twijf’le aan koning Edwards recht,</p>
+<p class="line">Hij kome, ik daag hem tot een tweegevecht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij werpt zijn handschoen neder.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Allen.</p>
+<p class="line">Lang leve Edward de vierde!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Dank, vriend Montgomery! en u allen dank!</p>
+<p class="line">Helpt mij ’t geluk, dan loon ik uwe liefde.</p>
+<p class="line">Laat ons in York deze eene nacht verwijlen;</p>
+<p class="line">En als de morgenzonne weer haar kar</p>
+<p class="line">Aan de oosterkimme ginds verrijzen doet,</p>
+<p class="line">Dan opgerukt naar Warwick en zijn aanhang,</p>
+<p class="line">Want Hendrik, weet een ieder, is geen krijgsman.—</p>
+<p class="line">O wreev’le Clarence, welk een boos bestaan,</p>
+<p class="line">Als Hendriks knecht uw broeder te verlooch’nen!</p>
+<p class="line">Doch naar vermogen straf ik u en Warwick.—</p>
+<p class="line">De zege wacht ons, dapp’ren, twijfelt niet;</p>
+<p class="line">En groot zal ’t loon zijn, dat de zege u biedt!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.iv.8" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.iv.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ACHTSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in het paleis van den Bisschop.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span>, <span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Montague</span>, <span class="sc">Exeter</span> <i>en</i> <span class="sc">Oxford</span> <i>komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Lords, wat te doen? Van <span class="corr" id="xd33e21270" title="Bron: Belgi">België</span> uit heeft Edward</p>
+<p class="line">Met rappe Duitschers, plompe Nederlanders,</p>
+<p class="line">De smalle zee in veiligheid doorkliefd,</p>
+<p class="line">En rukt reeds met zijn troepenmacht naar Londen</p>
+<p class="line">En ’t wufte volk vloeit hem bij scharen toe.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Men lichte krijgers om hem af te slaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Een kleine vlam is schielijk uitgetreden;</p>
+<p class="line">Maar woelt zij voort, dan bluscht een stroom haar niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">In Warwickshire heb ik betrouw’bre vrienden,</p>
+<p class="line">In vrede rustig, leeuwen in den krijg;</p>
+<p class="line">Die roep ik op;—en schoonzoon Clarence, rep u,</p>
+<p class="line">En wek in Suffolk, Norfolk en in Kent</p>
+<p class="line">De ridders op, heel de’ adel, u te volgen;</p>
+<p class="line">Gij, broeder Montague, in Buckingham,</p>
+<p class="line">Northampton, Leicestershire, daar vindt gij wis</p>
+<p class="line">Veel mannen, welbereid uw roep te volgen;—</p>
+<p class="line">Gij, dappere Oxford, wondervol bemind</p>
+<p class="line">In Oxfordshire, zult daar uw vrienden monst’ren.—</p>
+<p class="line">Mijn vorst zal, van zijn trouwe burgerschaar</p>
+<p class="line">Omgeven, als zijn eiland van de zee,</p>
+<p class="line">Of als de kuische jachtgodin van nymfen,</p>
+<p class="line">In Londen blijven, tot wij wederkeeren.—</p>
+<p class="line">Neemt afscheid, lords, en spoedt u, antwoordt niet.</p>
+<p class="line">Vaarwel, mijn vorst en heer.</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb728">[<a href="#pb728">728</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Vaarwel, mijn Hector, gij mijn Troje’s hoop.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Als pand van trouwe kus ik u de hand.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ga, welgezinde Clarence, wees gelukkig!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Houd moed, mijn vorst;—dus neem ik afscheid, heer.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>den Koning de hand kussend</i>).</span> En zoo bezegel ik mijn trouw; vaarwel!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Mijn wakkere Oxford, waarde Montague,</p>
+<p class="line">Gij allen, hart’lijk zeg ik u vaarwel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Vaartwel, lords; Coventry zij zamelplaats.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Warwick</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Montague</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Hier in ’t paleis wil ik een wijl nu rusten.</p>
+<p class="line">Mijn oom van Exeter, wat oordeelt gij?</p>
+<p class="line">Mij dunkt, de macht, die Edward in het veld heeft,</p>
+<p class="line">Is niet in staat, de mijne te weerstaan.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Ja, zoo hij maar die and’ren niet verleidt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Dit vrees ik niet! mijn doen wordt hooggeroemd.</p>
+<p class="line">’k Heb voor hun vragen nooit mijn oor gesloten.</p>
+<p class="line">Geen beden uitgesteld van dag tot dag;</p>
+<p class="line">Mijn deernis was een balsem voor hun wonden,</p>
+<p class="line">Mijn zachtheid was een heulsap voor hun kommer,</p>
+<p class="line">Mijn goedheid stilde hunner tranen vloed;</p>
+<p class="line">Naar hunnen rijkdom was ik nooit begeerig,</p>
+<p class="line">Nooit heb ik hen gedrukt door zware lasten,</p>
+<p class="line">Nooit heb ik, hoe ze ook dwaalden, fel gestraft.</p>
+<p class="line">Waarom zou Edward hun dus liever zijn?</p>
+<p class="line">Neen, zulk een goedheid, oom, brengt goeds te weeg;</p>
+<p class="line">En heeft de leeuw eenmaal het lam geliefkoosd,</p>
+<p class="line">Dan loopt het lam hem immer achterna.</p>
+</div>
+<p id="kh6iii.iv.8.50" class="stage">(<i>Men hoort buiten geschreeuw: „voor York! voor York!”</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Exeter.</p>
+<p class="line">Hoor, hoor, mijn vorst! wat is dat voor geschreeuw?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en Krijgslieden komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Vat, grijpt den blooden Hendrik, voert hem weg;</p>
+<p class="line">En roept ons weder uit tot Englands koning.—</p>
+<p class="line">Gij zijt de bron, die kleine beken voedt;</p>
+<p class="line">Uw spreng verdroogt, mijn zee slokt alles op,</p>
+<p class="line">En rijst, wijl zìj thans ebben, des te hooger.—</p>
+<p class="line">Weg met hem naar den Tower; laat hem niet spreken.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>wordt door eenigen weggevoerd</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">En, lords, naar Coventry ons nu gespoed,</p>
+<p class="line">Waar de op gezag beluste Warwick staat.</p>
+<p class="line">Heet schijnt de zon, verzuim gaav’ licht het hooi,</p>
+<p class="line">’t Gehoopte, aan snerpend winterweer ter prooi.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Van hier, eer hij zijn macht vereent; bestookt</p>
+<p class="line">Den grootgeworden landverrader plots’ling;</p>
+<p class="line">Op, wakk’re krijgers, recht naar Coventry!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v" class="div1 act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">VIJFDE BEDRIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<div id="kh6iii.v.1" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">EERSTE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Voor</i> <span class="ex">Coventry</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Op den stadsmuur verschijnen</i>: <span class="sc">Warwick</span>, <i>de Mayor van Coventry, twee Boden en Anderen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Waar is de bode van den dapp’ren Oxford?</p>
+<p class="line">Hoe ver is nog uw meester, goede vriend?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Eerste Bode.</p>
+<p class="line">Nu wis te Dunsmore en op marsch hierheen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p id="kh6iii.v.1.4" class="line">Waar is de man, die Montague ons zond?—</p>
+<p class="line">Hoe ver is onze broeder Montague?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Tweede Bode.</p>
+<p class="line">Nu reeds te Daintry, met een groote macht.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Sir</i> <span class="sc">John Somerville</span> <i>komt op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Nu, Somerville, wat zegt mijn waarde schoonzoon?</p>
+<p class="line">En hoe nabij is Clarence, naar gij gist?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerville.</p>
+<p class="line">’k Vertrok van hem en van zijn macht te Southam;</p>
+<p class="line">Twee uur kan ’t duren, maar dan is hij hier.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Men hoort getrommel.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Dan is nu Clarence daar; ik hoor zijn trommen. <span class="lineNum">11</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerville.</p>
+<p class="line">Dat is hij niet, mylord; <span class="stage">(<i>Hij wijst naar het zuidwesten.</i>)</span> Southam ligt daar;</p>
+<p class="line">’t Getrommel, dat gij hoort, rukt aan van Warwick.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wie zou daar komen? onverhoopte vrienden?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerville.</p>
+<p class="line">Daar zijn zij reeds; gij zult het daad’lijk weten.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een marsch. Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>en</i> <span class="sc">Gloster</span> <i>komen op met hun troepen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Trompetter, ga en vraag een onderhoud.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Zie wreev’len Warwick daar den wal bezetten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Verwenschte streek! de dartele Edward hier?</p>
+<p class="line">Waar sliepen onze spieders, wie kocht ze om,</p>
+<p class="line">Dat wij geen tijding kregen van zijn naad’ren?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, Warwick, wilt gij ons de stadspoort oop’nen?</p>
+<p class="line">Spreek nog deemoedig, buig, vol rouw, uw knie,<span class="pageNum" id="pb729">[<a href="#pb729">729</a>]</span></p>
+<p class="line">Noem Edward koning, vraag van hem genade,</p>
+<p class="line">En hij vergeeft u de’ ondervonden smaad.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ik vraag: wilt gij uw macht terug doen gaan?</p>
+<p class="line">Erken, wie u verhoogd heeft en deed vallen;</p>
+<p class="line">Kies Warwick u ten schutsheer, wees boetvaardig,</p>
+<p class="line">En blijven zult ge en zijn, hertog van York.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ik dacht, hij zou ten minste „Koning” zeggen;</p>
+<p class="line">Of was ’t een onwill’keur’ge scherts van hem?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Is dan een hertogdom geen fraai geschenk?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja zeker, van een schaam’len graaf vooral;</p>
+<p class="line">Ik wil u leendienst doen voor zulk een gave.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ik was ’t, die ’t koninkrijk uw broeder schonk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Dan is ’t ook mijn, schoon slechts door Warwick’s gave.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Gij zijt geen Atlas voor een last, zoo groot;</p>
+<p class="line">Weet, week’ling, Warwick nam zijn gift terug;</p>
+<p class="line">Hendrik is koning, Warwick is zijn dienaar.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Maar Warwick’s koning is Edwards gevang’ne;</p>
+<p class="line">En, dapp’re Warwick, geef eens hierop antwoord:</p>
+<p class="line">Wat is het lichaam, zoo het hoofd ontbreekt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wel spijtig, dat het Warwick moest ontgaan, <span class="lineNum">42</span></p>
+<p class="line">Hoe sluw, toen hij de tien te nemen dacht,</p>
+<p class="line">Hem uit zijn spel zijn heer ontfutseld werd!</p>
+<p id="kh6iii.v.1.45" class="line">Den armen vorst liet ge in ’t paleis des bisschops;</p>
+<p class="line">Tien tegen een, thans woont hij in den Tower.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo is ’t; maar toch, gij zijt nog altijd Warwick!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Kom, Warwick, neem uw tijd waar; kniel, ja kniel!</p>
+<p class="line">Nog niet? Smeed thans het ijzer, eer ’t bekoelt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Veel liever zoude ik deze hand mij kappen</p>
+<p class="line">En die met de and’re u sling’ren in ’t gelaat,</p>
+<p class="line">Dan dat ik ooit voor u de zeilen strijk.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zeil hoe ge wilt, heb wind en tij te vriend,—</p>
+<p class="line">De hand hier grijpt u dra in ’t koolzwart haar,</p>
+<p class="line">En zal, terwijl uw afgehouwen hoofd</p>
+<p class="line">Nog warm is, met uw bloed in ’t stof hier schrijven:</p>
+<p class="line">De windhaan Warwick draait nu nimmermeer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">O, troostrijk vaangewapper! Oxford komt!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Oxford, Oxford, voor Lancaster!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">De poort is open; open ook voor ons!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Dan konden and’ren in den rug ons vallen.</p>
+<p class="line">Neen, blijven wij geschaard; zij stroomen spoedig</p>
+<p class="line">De poort uit om een slag ons aan te bieden;</p>
+<p class="line">Zoo niet, de stad is zwak, dan vallen wij</p>
+<p class="line">Hen aan en dwingen ’t muit’renrot tot vechten.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wees welkom, Oxford; noodig is uw hulp.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Montague</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Montague.</p>
+<p class="line">Montague, Montague, voor Lancaster!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Montague</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij en uw broeder zullen dit verraad</p>
+<p class="line">Betalen met uw dierbaarst hartebloed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Hoe sterker weerpartij, te grootscher zege;</p>
+<p class="line">En overwinning, heil spelt mij mijn hart.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Somerset, Somerset, voor Lancaster!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Somerset</span> <i>trekt met zijn troepen de stad binnen</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Twee hertogen van Somerset, als gij,</p>
+<p class="line">Verkochten reeds aan ’t huis van York hun leven,</p>
+<p class="line">Gij wordt de derde, zoo dit zwaard niet breekt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>komt op, met slaande trom en vliegende vaandels</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">En ziet, hoe George Clarence tot ons ijlt; <span class="lineNum">76</span></p>
+<p class="line">Met macht genoeg om Edward aan te grijpen!</p>
+<p class="line">Hem geldt een edele ijver voor het recht</p>
+<p class="line">Meer dan natuur, meer dan eens broeders liefde.—</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Clarence</span> <i>staakt den marsch</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>treedt nader en fluistert met hem</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Kom, Clarence, kom; gij komt, als Warwick roept.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Weet gij, wat dit beteekent, vader Warwick?</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij neemt de roode roos van den hoed.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Zie hier: wat mij onteert, werp ik u toe;</p>
+<p class="line">Het huis mijns vaders, die zijn bloed vergoot</p>
+<p class="line">Om ’t saam te voegen, breng ik niet ten val;</p>
+<p class="line">’k Richt Lancaster niet op. Wat! waant gij, Warwick,</p>
+<p class="line">Clarence zoo stomp, zoo hard, zoo onnatuurlijk,</p>
+<p class="line">Van tegen zijnen broeder, zijnen vorst,</p>
+<p class="line">Des oorlogs dood’lijk wapentuig te keeren?</p>
+<p class="line">Gij houdt wellicht mijn heil’gen eed mij voor?</p>
+<p class="line">Het houden van dien eed waar’ goddeloozer</p>
+<p class="line">Dan Jeptha’s doen, toen hij zijn dochter slachtte.</p>
+<p class="line">Zoozeer heb ik berouw van mijn vergrijp,</p>
+<p class="line">Dat ik, om van mijn broeder dank te erlangen,</p>
+<p class="line">Mij uw gezworen vijand hier verklaar,</p>
+<p class="line">En vast besluit, waar ik u ook moog’ treffen,—<span class="pageNum" id="pb730">[<a href="#pb730">730</a>]</span></p>
+<p class="line">En treffen zal ik u, zoodra ge u roert,—</p>
+<p class="line">U, die mij boos verleid hebt, fel te straffen.</p>
+<p class="line">Zoo keer ik, trotsche Warwick, u den rug,</p>
+<p class="line">En naar mijn broeder mijn beschaamde wang.—</p>
+<p class="line">Vergeef mij, Edward, ik wil boete doen;</p>
+<p class="line">Wees, Richard, om mijn feilen niet vergramd;</p>
+<p class="line">Van nu af ben ik nimmer wankelmoedig.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Wees welkom thans, en tienmaal meer bemind,</p>
+<p class="line">Dan zoo gij onzen haat nooit hadt verdiend!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wees welkom, Clarence; dit is broederzin.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">O aartsverrader, trouw’loos en meineedig!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu, Warwick, komt gij voor den dag en vecht gij?</p>
+<p class="line">Of wacht gij daar de steenen om uw hoofd?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ach, ’k ben hier niet gekooid tot tegenweer!</p>
+<p class="line">Ik trek terstond van hier naar Barnet op;</p>
+<p class="line">Daar bied ik u een slag aan, zoo gij durft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Ja, Warwick, Edward durft en trekt u voor.—</p>
+<p class="line">Lords, naar het veld! Sint George en overwinning!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Getrommel. Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.2" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">TWEEDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een slagveld bij</i> <span class="ex">Barnet</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Krijgsrumoer en strijdgewoel. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt op, met den zwaar verwonden</i> <span class="sc">Warwick</span>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Lig daar; sterf gij, en onze vrees met u;</p>
+<p class="line">Gij waart een bietebauw, dien we allen duchtten.—</p>
+<p class="line">Nu, Montague, zit vast; ik zoek u thans;</p>
+<p class="line">Warwick’s gebeente en ’t uwe ruste saâm!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Wie is nabij? Ach, vriend of vijand, kom,</p>
+<p class="line">En zeg, wie heeft de zege, York of Warwick?</p>
+<p class="line">Maar ach, wat vraag ik? Dit verminkte lichaam,</p>
+<p class="line">Dit bloed, mijn lillend hart, mijn onmacht toont,</p>
+<p class="line">Dat ik aan de aard dit lichaam geven moet,</p>
+<p class="line">En door mijn val de zege aan mijnen vijand.</p>
+<p class="line">Zoo valt voor de aks de ceder, in wiens armen</p>
+<p class="line">De koningsarend schutse vond, wiens schaduw</p>
+<p class="line">Den woesten leeuw in slaap zag, en wiens kruin</p>
+<p class="line">Neêrzag op Jupiters verkoren boom</p>
+<p class="line">En struikjes hoedde voor des winters vlagen.</p>
+<p class="line">Dit oog, nu zwart omsluierd door den dood,</p>
+<p class="line">Was eens doordringend als de middagzon,</p>
+<p class="line">Heeft eens der wereld sluipverraad doorschouwd;</p>
+<p class="line">De rimpels van mijn voorhoofd, nu vol bloed,</p>
+<p class="line">Zijn vaak met koningsgraven vergeleken;</p>
+<p class="line">Waar was de vorst, wiens graf ik niet kon delven?</p>
+<p class="line">Of een die lachte, als Warwick ’t voorhoofd fronste?</p>
+<p class="line">Nu is mijn glans besmeerd met stof en bloed!</p>
+<p class="line">Mijn gaarden, bosschen, hoeven, die ik had,</p>
+<p class="line">Begeven mij; van al mijn landbezit</p>
+<p class="line">Rest niets mij, dan de lengte van mijn lichaam.</p>
+<p class="line">O! wat dan aard en stof is praal, macht, eer?</p>
+<p class="line">Leeft hoe gij wilt, eens velt de dood u neer.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>komen op</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Ach, Warwick, Warwick! waart gij zooals wij,</p>
+<p class="line">O, dan herwonnen we al, wat wij verloren!</p>
+<p class="line">Uit Frankrijk, hoorden we, is de koningin</p>
+<p class="line">Met groote macht geland; o, kondt gij vluchten!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Ook dan zelfs vluchtte ik niet.—O Montague,</p>
+<p class="line">Mijn broeder, zoo gij hier zijt, vat mijn hand,</p>
+<p class="line">En houd mijn ziel terug met uwe lippen!</p>
+<p class="line">Bemint gij mij? neen, broeder, want dan wieschen</p>
+<p class="line">Uw tranen ’t koude dikke bloed af, dat</p>
+<p class="line">Mijn lippen toekleeft, mij niet spreken laat.</p>
+<p class="line">Kom spoedig, Montague, of ik ben dood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">O, Warwick! Montague blies de’ adem uit,</p>
+<p class="line">En riep tot aan zijn laatsten snik om Warwick,</p>
+<p class="line">En zeide: „groet van mij mijn dapp’ren broeder.”</p>
+<p class="line">Hij wilde meer nog zeggen, sprak ook meer,</p>
+<p id="kh6iii.v.2.44" class="line">Maar ’t klonk zooals een roep in een gewelf</p>
+<p class="line">En was niet te verstaan; maar toch, op ’t laatst</p>
+<p class="line">Vernam ik nog, hoe hij al roch’lend uitte:</p>
+<p class="line">„Vaarwel, mijn Warwick!”</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Warwick.</p>
+<p class="line">Zacht ruste zijne ziel!—Redt u, mylords;</p>
+<p class="line">Warwick zegt u vaarwel, tot weerziens boven!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Voort, voort! naar ’t groote heer der koningin!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beiden af, met</i> <span class="sc">Warwick’s</span> <i>lijk</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.3" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">DERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het slagveld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Trompetgeschal. Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>komt zegepralend op, met</i> <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en de Overigen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Tot dusver is ons krijgsgeluk aan ’t stijgen,</p>
+<p class="line">En sieren zegekransen ons het hoofd.</p>
+<p class="line">Doch in den middagglans van dezen dag</p>
+<p class="line">Ontwaar ik nog een zwarte wolk, die dreigt</p>
+<p class="line">En strijden wil met onze gouden zon,</p>
+<p class="line">Eer die in ’t west haar rustig bed bereikt;</p>
+<p class="line">Mylords, de strijdmacht, die de koningin</p>
+<p class="line">In Gallië samenbracht, is reeds geland,</p>
+<p class="line">Rukt, naar wij hooren, aan, en zoekt den strijd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Een stijve bries verstrooit welras die wolk,</p>
+<p class="line">En blaast haar naar de bron, vanwaar zij kwam;</p>
+<p class="line">Uw stralen zelfs verdrogen ras die dampen;</p>
+<p class="line">Niet ied’re wolk verwekt een onweersbui.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Men schat de koningin op dertigduizend;<span class="pageNum" id="pb731">[<a href="#pb731">731</a>]</span></p>
+<p class="line">Tot haar vlood Somerset, en Oxford ook;—</p>
+<p class="line">Kan zij op adem komen, wees verzekerd,</p>
+<p class="line">Dan wordt haar aanhang even sterk als de onze.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Van trouwe vrienden kregen wij bericht,</p>
+<p class="line">Dat zij op marsch nu zijn naar Tewksbury.</p>
+<p class="line">Gaan wij, nu Barnet ons in ’t voordeel bracht,</p>
+<p class="line">Terstond daarheen, want ijver kort den weg;</p>
+<p class="line">En onderweg groeit onze macht wis aan</p>
+<p class="line">In ieder graafschap, waar wij ons vertoonen.—</p>
+<p class="line">De trom geroerd! roept: „Moedig!” en vooruit!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Trompetgeschal. Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.4" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIERDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een vlakte bij</i> <span class="ex">Tewksbury</span>.</p>
+<p class="stage"><i>Een marsch. Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <i>Prins</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Somerset</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en Soldaten komen op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Verheven lords,</p>
+<p class="line">Geen wijze zit en jammert om verliezen;</p>
+<p class="line">Neen, moedig streeft hij naar ’t herstel er van.</p>
+<p class="line">Zij ook de mast ons overboord gewaaid,</p>
+<p class="line">De kabel middendoor, het anker weg,</p>
+<p class="line">En ’t halve scheepsvolk door de zee verslonden,</p>
+<p class="line">Toch leeft de stuurman; geeft het pas, dat hij</p>
+<p class="line">Het roer verlaat, en als een schuchter knaapje</p>
+<p class="line">Met vochtige oogen vocht giet bij de zee,</p>
+<p class="line">En dat versterkt, wat al te sterk reeds is,</p>
+<p class="line">Terwijl bij zijn gejammer ’t schip, dat moed</p>
+<p class="line">En vlijt kon redden, op de klippen stoot?</p>
+<p class="line">O welk een schande, welk een schuld waar’ dit!</p>
+<p class="line">Was Warwick ook ons anker,—wat dan nog?</p>
+<p class="line">En Montague de bramsteng,—wat dan verder?</p>
+<p class="line">Onze andre dooden ’t touwwerk,—wat dan nu?</p>
+<p class="line">Is Oxford hier ons niet een ander anker,</p>
+<p class="line">En Somerset een and’re goede mast,</p>
+<p class="line">En onze Fransche vrienden want en tuig? <span class="lineNum">18</span></p>
+<p class="line">Kan ik met Edward niet, schoon onervaren,</p>
+<p class="line">Voor eens den plicht doen van de’ ervaren loods?</p>
+<p class="line">Wij laten ’t roer niet los om uit te weenen;</p>
+<p class="line">Al zegg’ de storm ook neen, wij sturen ’t schip</p>
+<p class="line">Van zand en klippen weg, die schipbreuk dreigen.</p>
+<p class="line">Of gij de baren hoont of prijst, is een.</p>
+<p class="line">En wat is Edward dan een booze zee?</p>
+<p class="line">En Clarence dan een drijfzand vol bedrog?</p>
+<p class="line">En Richard dan een dood’lijk scherpe rots?</p>
+<p class="line">Die allen zijn onze arme hulk vijandig.</p>
+<p class="line">Zegt ge: „ik kan zwemmen”, ach, dit duurt niet lang;</p>
+<p class="line">Tracht op het zand te staan, dra zinkt ge er in;</p>
+<p class="line">Omklem de rots, de vloed spoelt u er af,</p>
+<p class="line">Of gij verhongert;—’t is driedubb’le dood.</p>
+<p class="line">Dit zeg ik, lords, opdat gij wel verstaat,</p>
+<p class="line">Dat gij, zoo een van u mocht willen vluchten,</p>
+<p class="line">Niet meer genade bij de broeders vindt,</p>
+<p class="line">Dan bij de woeste baren, ’t zand, de klippen.</p>
+<p class="line">Dus, moed! Om dat te jamm’ren, dat te duchten,</p>
+<p class="line">Wat onvermijd’lijk is, waar’ kindervrees.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Mij dunkt, een vrouw van zulk een dapp’ren geest,</p>
+<p class="line">Zou, als een lafaard dit haar zeggen hoorde,</p>
+<p class="line">Zijn borst vervullen van een heldenmoed,</p>
+<p class="line">Om naakt een man in waap’nen te verslaan.</p>
+<p class="line">Ik zeg dit niet, als twijfelde ik aan u;</p>
+<p class="line">Want als ik iemand hier van vrees verdacht,</p>
+<p class="line">’k Gaav’ hem verlof bijtijds van hier te gaan,</p>
+<p class="line">Opdat hij in den nood geen ander aansteek’</p>
+<p class="line">En van denzelfden geest doe zijn als hij.</p>
+<p class="line">Doch is zoo iemand hier,—wat God verhoede!—</p>
+<p class="line">Dan ga hij vrij, eer hij ons noodig is.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Een vrouw, een knaap, zoo fier en groot van moed,—</p>
+<p class="line">En krijgers laf! dit ware een eeuw’ge schande.—</p>
+<p class="line">O wakk’re prins! in u treedt uw beroemde</p>
+<p class="line">Grootvader weer in ’t leven; leef gij lang</p>
+<p class="line">En word zijn evenbeeld, vernieuw zijn glorie!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">En wie voor zulk een hoop niet vechten wil,</p>
+<p class="line">Ga stil naar bed, en wekke, als de uil bij dag,</p>
+<p class="line">Zoodra hij opstaat, spot op en verbazing.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Dank, beste Somerset;—waarde Oxford, dank!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Ook dank van hem, die nog niets anders heeft! <span class="lineNum">59</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Een Bode komt op.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Bode.</p>
+<p class="line">Bereidt u, lords, want Edward is nabij,</p>
+<p class="line">Geheel slagvaardig; daarom, snel gehandeld!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Ik dacht wel, dat hij snel te werk zou gaan;</p>
+<p class="line">Hij hoopt ons nog onvoorbereid te vinden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Doch komt bedrogen uit; wij zijn gereed.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’t Verheugt mijn hart, volijv’rig u te zien.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Hier scharen we ons ten strijd en deinzen niet.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Trompetgeschal en tromgeroffel. Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en</i> <span class="sc">Clarence</span> <i>komen op, met troepen</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot de zijnen</i>).</span> Ginds, dapp’re vrienden, staat het doornenwoud,</p>
+<p class="line">Dat wij, door ’s hemels hulp en uwe kracht,</p>
+<p class="line">Voor de’ avond bij den wortel moeten kappen.</p>
+<p class="line">’k Behoef geen brandstof bij uw vuur te voegen,</p>
+<p class="line">Ik weet, gij gloeit reeds om hen neer te branden.—</p>
+<p class="line">Het teeken tot den strijd! Valt aan, mylords!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>tot de haren</i>).</span> Lords, ridders, eed’len! wat ik zeggen wilde,</p>
+<p class="line">Ontzeggen tranen mij; bij ieder woord,</p>
+<p class="line">Ziet! moet ik ’t water van mijn oogen drinken.</p>
+<p class="line">Dies enkel dit: uw koning is gevang’ne</p>
+<p class="line">Zijns vijands, overweldigd is zijn troon,</p>
+<p class="line">Zijn rijk een slachthuis en zijn volk vermoord,</p>
+<p class="line">Zijn schatkist leêg geroofd, zijn wet verscheurd;</p>
+<p class="line">En ginder is de wolf, die dit bedreef.<span class="pageNum" id="pb732">[<a href="#pb732">732</a>]</span></p>
+<p class="line">Gij strijdt voor ’t recht; in Gods naam dus, mylords,</p>
+<p class="line">Weest kloek en geeft het teeken voor ’t gevecht!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Beide legers af</i>).</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.5" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">VIJFDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Een ander gedeelte van het veld.</i></p>
+<p class="stage"><i>Strijdgedruisch; krijgsgewoel; daarna seinen ter terugroeping. Dan komen op: Koning</i> <span class="sc">Edward</span>, <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span> <i>en Troepen, met Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span>, <span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>als gevangenen</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zoo heeft dit muitziek twisten nu een einde.</p>
+<p id="kh6iii.v.5.2" class="line">Wat Oxford aangaat, voert hem naar ’t slot Ham;</p>
+<p class="line">En Somerset, het schuldig hoofd hem af!</p>
+<p class="line">Gaat, voert hen weg; niets wil ik van hen hooren.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Oxford.</p>
+<p class="line">Ik zal u niet met woorden lastig vallen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Somerset.</p>
+<p class="line">Noch ik; gelaten draag ik wat mij treft.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Wij scheiden treurig in dit jammerdal;</p>
+<p class="line">Het schoon Jeruzalem vereene ons blijde.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Oxford</span> <i>en</i> <span class="sc">Somerset</span> <i>af, met een wacht</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Is ’t omgeroepen, dat wie Edward vindt,</p>
+<p class="line">Een vorstlijk loon erlangt, en hij zijn leven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Ja, ’t is geschied; en zie, daar komt de knaap! <span class="lineNum">11</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Krijgslieden komen op, met Prins</i> <span class="sc">Edward</span>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Brengt hier den jonker; ’k wil eens met hem spreken.—</p>
+<p class="line">Ei, ei, begint een doorn zoo jong te steken?</p>
+<p class="line">Edward, hoe kunt gij mij voldoening geven</p>
+<p class="line">Voor ’t grijpen naar de wapens, ’t oproerstoken,</p>
+<p class="line">En al den verd’ren last, dien gij mij deedt?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Spreek als een onderdaan, eergier’ge York,</p>
+<p class="line">En denk, dat hier mijn vader tot u spreekt:</p>
+<p class="line">Ontruim uw troon en kniel gij, waar ik sta,</p>
+<p class="line">Terwijl ik u dezelfde vragen stel,</p>
+<p class="line">Waarop gij, muiter, antwoord eischt van mij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O, ware uw vader ook zoo kloek geweest!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Dan hadt gij steeds den vrouwerok gedragen,</p>
+<p class="line">En nooit aan Lancaster de broek ontkaapt.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p id="kh6iii.v.5.25" class="line">Æsopus moge in winternachten faab’len;</p>
+<p class="line">Hier passen zulke hondsche raadsels niet.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Bij God, gij strang, ik straf u voor dit woord.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Gij kwaamt op aard om ieders straf te zijn.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Om Gods wil, weg met die gevangen scheldtong!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Neen, snoer dien bultrug eer den grooten mond.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Stil, drieste knaap, of ik bezweer uw tong.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Gij onbeschofte knaap, gij schreeuwt te luid.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Prins.</p>
+<p class="line">Ik ken mijn plicht en gij verzaakt uw plichten;</p>
+<p class="line">Wellustige Edward,—eedvergeten George,—</p>
+<p class="line">En gij wanschapen Dick,—ik zeg u allen:</p>
+<p class="line">Ik ben uw meerdere, oproerlingen gij,</p>
+<p class="line">En roovers van mijns vaders recht en ’t mijne.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Neem dit, gij evenbeeld der smaalster daar!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij trilt? neem dit; het make uw doodstrijd licht!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">En dit, wijl gij van eedbreuk mij beticht!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">O, doodt ook mij!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Voorwaar, terstond! <span class="lineNum">42</span></p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij richt het zwaard op haar</i>).</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Neen, Richard, neen! wij deden reeds te veel.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Wat! zou zij met haar woorden de aard vervullen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Zij valt in onmacht? brengt haar weder bij.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde tot</i> <span class="sc">Clarence</span>).</span> Gij, Clarence, groet mijn vorst en broeder van mij;</p>
+<p class="line">Een zaak van groot belang roept mij naar Londen;</p>
+<p class="line">Gij hoort, eer gij er komt, gewichtig nieuws.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Wat? wat?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">De Tower! de Tower!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Mijn kind! lief kind! spreek tot uw moeder, knaap!</p>
+<p class="line">Kunt gij niet spreken?—O, verraders! moord’naars!</p>
+<p class="line">Die Cæsar doodden, deden geenen moord,</p>
+<p class="line">Misdreven niets, verdienden geen berisping,</p>
+<p class="line">Wordt deze wandaad naast hun doen gesteld;</p>
+<p class="line">Hij was een man en dit een kind bij hem;</p>
+<p class="line">Geen mensch is hij, die woede op kindren koelt.</p>
+<p class="line">Moord’naars! wat is er erger, dat ik ’t noeme?</p>
+<p class="line">Neen, neen, mijn hart zal bersten, als ik spreek;</p>
+<p class="line">En spreken wil ik, dat het hart mij berste.—</p>
+<p class="line">Slachters en schurken! wreede kannibalen!</p>
+<p class="line">Wat zoete plant hebt gij te vroeg gemaaid!</p>
+<p class="line">Gij hebt geen kind’ren, slachters! hadt gij die,</p>
+<p class="line">Dan hadde u de gedachte aan hen geroerd;</p>
+<p class="line">Maar valt u ooit een kind ten deel, wacht dan</p>
+<p class="line">Dit in zijn jeugd zoo weggerukt te zien,</p>
+<p class="line">Als, beulen, dezen jongen prins door u!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb733">[<a href="#pb733">733</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Weg met haar! gaat, voert met geweld haar weg!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Neen, voert mij niet van hier! maakt hier mij af!</p>
+<p class="line">Bergt hier uw zwaard, mijn dood vergeef ik u.</p>
+<p class="line">Wat! wilt gij niet?—dan, Clarence, volbreng gij het.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Bij God, ik wil u zulk een troost niet schenken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Kom, goede Clarence, beste Clarence, doe het.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Gij hebt gehoord, ik zwoer het niet te doen.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">Ja, maar gij zijt gewoon uw eed te breken;</p>
+<p class="line">Toen was dit zonde, nu een christ’lijk doen.</p>
+<p class="line">Wat! wilt gij niet? Waar is des duivels slachter,</p>
+<p class="line">De somb’re Richard? Richard, waar zijt gij?</p>
+<p class="line">Gij zijt niet hier; moord is uw aalmoes-geven;</p>
+<p class="line">Een smeekgebed om moord wijst gij niet af.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Weg, zeg ik; ik beveel ’t, brengt haar van hier!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Margaretha.</p>
+<p class="line">’t Ga u en de uwen, als dien jongen prins. <span class="lineNum">82</span></p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Koningin</i> <span class="sc">Margaretha</span> <i>wordt weggevoerd</i>.)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Waar is nu Richard heen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Spoorslags naar Londen; gis ik wel, dan houdt hij</p>
+<p class="line">Daar in den Tower een bloedig avondmaal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Hij is zeer haastig, als hem iets in ’t hoofd komt.</p>
+<p class="line">Nu snel van hier; ontslaat het mind’re volk</p>
+<p class="line">Met geld en dank; dan trekken wij naar Londen,</p>
+<p class="line">En zien, hoe onze lieve gade ’t maakt;</p>
+<p class="line">Zij heeft, zoo hoop ik, nu een zoon voor mij.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.6" class="div2 scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZESDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><span class="ex">Londen.</span> <i>Een vertrek in den Tower.</i></p>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Hendrik</span> <i>zit aandachtig in een boek te lezen; de Slotvoogd van den Tower staat naast hem</i>. <span class="sc">Gloster</span> <i>komt op</i>.</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gegroet, mylord!—Zoo in uw boek verdiept?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ja, goede lord, of liever enkel: „lord”;</p>
+<p class="line">Vleitaal is zonde, en vleien waar’ dit „goede”;</p>
+<p class="line">Want „goede Gloster” ware als „goede duivel”,</p>
+<p class="line">Niet min verkeerd; daarom niet „goede lord”.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Laat ons alleen; wij moeten iets bespreken.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>De Slotvoogd af.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Zoo vlucht de slechte herder voor den wolf;</p>
+<p class="line">Zoo levert eerst het zachte schaap zijn wol</p>
+<p class="line">En dan zijn gorgel aan het mes des slachters.—</p>
+<p id="kh6iii.v.6.10" class="line">Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Argwaan waart in het schuldig hart steeds om;</p>
+<p class="line">De dief vermoedt in elke ruigte een rakker.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">De vogel, eens in ’t kreupelhout gelijmd,</p>
+<p class="line">Wantrouwt met schuwe vleug’len elke’ struik;</p>
+<p class="line">Ik, troost’looze oude van één lieflijk jong,</p>
+<p class="line">Zie nu het schrikbeeld voor mij, waar mijn liev’ling</p>
+<p class="line">Gelijmd door werd, gevangen en gedood.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Nu, ’t was een lompe dwaas, die man uit Creta,</p>
+<p class="line">Die aan zijn zoon de vlucht des vogels leerde!</p>
+<p class="line">Trots al zijn vleugels, zie, verdronk de dwaas.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">’k Ben Dædalus, mijn knaap was Icarus,</p>
+<p class="line">Uw vader Minos, die den weg ons afsloot,</p>
+<p class="line">Edward de zon, wiens gloed mijn lieven jongen</p>
+<p class="line">De vleugels afsmolt, en gijzelf de zee,</p>
+<p class="line">Wier booze kolk zijn leven heeft verslonden.</p>
+<p class="line">O, dood mij met uw wapen, niet met woorden;</p>
+<p class="line">Mijn borst verduurt eer uwer dagge spits,</p>
+<p class="line">Dan ooit mijn oor den gruwel van dit treurspel.</p>
+<p class="line">Doch wat komt gij hier doen? zoekt gij mijn leven?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Gij houdt mij dus, zoo schijnt het, voor een beul?</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Gij zijt een man des bloeds, dit weet ik zeker;</p>
+<p class="line">Is ’t moorden van onnooz’len beulenwerk,</p>
+<p class="line">Dan, zeker, zijt ge een beul. <span class="lineNum">33</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Uw zoon versloeg ik om zijn drieste taal.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Waart gìj bij ’t eerste drieste woord gedood,</p>
+<p class="line">Dan stierft gij, lang eer gij mijn zoon kondt dooden.</p>
+<p class="line">En zoo voorspel ik: vele duizend zielen,</p>
+<p class="line">Die nog geen zweem van mijnen afschuw voelen,</p>
+<p class="line">En veler grijsaards, veler weeuwen zuchten,</p>
+<p class="line">En veler weezen óverstroomend oog,—</p>
+<p class="line">Grijsaards om zonen, vrouwen om haar gaden,</p>
+<p class="line">En weezen om der oud’ren vroegen dood,—</p>
+<p class="line">Bejamm’ren ’t uur, dat gij geboren werdt.</p>
+<p class="line">Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teeken;</p>
+<p class="line">De nachtraaf kraste, een boozen tijd verkondend;</p>
+<p class="line">Storm loeide en velde boomen; honden huilden;</p>
+<p class="line">De raaf streek neder op den schoorsteentop;</p>
+<p class="line">En eksters krijschten oordoorborend saâm.</p>
+<p class="line">Uw moeder voelde meer dan moederweeën,</p>
+<p class="line">Toch bracht zij minder dan een moeders hope,</p>
+<p class="line">Maar slechts een ruw, onrijp gedrocht ter wereld,</p>
+<p class="line">Niet als de vrucht van zulk een eed’len stam;</p>
+<p class="line">En tanden hadt gij reeds bij uw geboorte,</p>
+<p class="line">Ten blijk, dat gij de wereld bijten kwaamt;</p>
+<p id="kh6iii.v.6.55" class="line">En is het and’re waar, dat ik vernam,</p>
+<p class="line">Dan kwaamt gij—</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb734">[<a href="#pb734">734</a>]</span></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Niet verder;—sterf, profeet, in uwe rede!</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Hiertoe, bij voorbeeld, werd ik ook bestemd.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Hendrik.</p>
+<p class="line">Ja, en tot vele moorden nog na dezen.</p>
+<p class="line">O God, vergeef mijn zonden,—en ook hem!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Hij sterft.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Hoe! ’t hooge strevend bloed van Lancaster</p>
+<p class="line">Zinkt in den grond? Opstijgen zou het, dacht ik;</p>
+<p class="line">Zie, hoe mijn zwaard om de’ armen koning weent!</p>
+<p class="line">O, steeds vergiete ’t zulke purp’ren tranen</p>
+<p class="line">Om elk, die van ons huis den omkeer wenscht!—</p>
+<p class="line">Zoo in u nog een sprankje levens huist,</p>
+<p class="line">Voort, voort ter hel,—en zeg, dat ik u zond;</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Hij doorsteekt hem nog eens.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Ik, die geen deernis, vrees noch liefde ken.</p>
+<p class="line">Ja, ja, ’t is waar, wat Hendrik daar vermeldde,—</p>
+<p class="line">En vaak heb ik ’t mijn moeder hooren zeggen,—</p>
+<p class="line">Dat ik, de voeten voor, ter wereld kwam.</p>
+<p class="line">En had ik dan geen grond tot spoed, om hen,</p>
+<p class="line">Die ons ons recht verkortten, te doen vallen?</p>
+<p class="line">De vroedvrouw stond verbaasd; de wijven schreeuwden: <span class="lineNum">74</span></p>
+<p class="line">„Help, Jezus, help! dit wicht brengt tanden mee!”</p>
+<p class="line">Die had ik ook, en blijkbaar wijst dit aan,</p>
+<p class="line">Dat ik moest snarsen, bijten als een hond.</p>
+<p class="line">Nu, heeft de hemel zoo mijn lijf gevormd,</p>
+<p class="line">Dan maak’ de hel mijn geest niet min verdraaid.</p>
+<p class="line">Ik heb geen broeder, ben niet als mijn broeders;</p>
+<p class="line">En liefde, aan oude mannen godd’lijk schijnend,</p>
+<p class="line">Zij wone in menschen, die elkaar gelijken,</p>
+<p class="line">Maar niet in mij; ik ben mijzelf alleen.—</p>
+<p class="line">O, hoed u, Clarence, gij staat mij in ’t licht;</p>
+<p class="line">Pikzwarte dagen zal ik u verwekken;</p>
+<p id="kh6iii.v.6.86" class="line">Want profetieën zal ik gonzen doen,</p>
+<p class="line">Die Edward angst inboez’men voor zijn leven;</p>
+<p class="line">En dan heel ik zijn angst en ben uw dood.</p>
+<p class="line">Hendrik ging onder, met den prins zijn zoon;</p>
+<p class="line">Clarence, gij volgt, en de and’ren binnenkort;</p>
+<p class="line">Ik acht mij niets, totdat ik de eerste word.—</p>
+<p class="line">Ik sleep zijn lichaam in het naast vertrek;</p>
+<p class="line">Dat Hendriks dood tot mijn verheffing strekk’!</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<span class="sc">Gloster</span> <i>af, met het lijk</i>.)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.v.7" class="div2 last-child scene"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.v.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h3 class="main">ZEVENDE TOONEEL.</h3>
+<p class="stage"><i>Koning</i> <span class="sc">Edward</span> <i>op den troon. Koningin</i> <span class="sc">Elizabeth</span>
+<i>met den kleinen Prins</i>; <span class="sc">Clarence</span>, <span class="sc">Gloster</span>,
+<span class="sc">Hastings</span> <i>en Anderen, om hem heen.</i></p>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Op nieuw bezetten we Englands koningstroon,</p>
+<p class="line">Met onzer haat’ren bloed teruggekocht.</p>
+<p class="line">Wat dapp’re tegenstanders hebben wij,</p>
+<p class="line">Als koren, neergemaaid in al hun trots!</p>
+<p class="line">Drie hertogen van Somerset, driewerf</p>
+<p class="line">Beroemd als stoute, nooit verschrokken strijders;</p>
+<p class="line">Twee Cliffords, zoo den vader als den zoon;</p>
+<p class="line">En twee Northumberlands, de kloekste ridders,</p>
+<p class="line">Die bij trompetgeschal ooit rossen spoorden;</p>
+<p class="line">En dan dat onversaagde berenpaar,</p>
+<p class="line">Warwick en Montague, dat met hun keet’nen</p>
+<p class="line">Den koninklijken leeuw gekluisterd hield</p>
+<p class="line">En ’t woud, wanneer zij brulden, sidd’ren deed.</p>
+<p class="line">Zoo vaagden we argwaan weg van onzen troon</p>
+<p class="line">En maakten veiligheid tot onze voetbank.—</p>
+<p id="kh6iii.v.7.15" class="line">Kom, Betty, dat ik nu mijn jongen kuss’!</p>
+<p class="line">Voor u, mijn kind, heb ik met beide uw ooms</p>
+<p class="line">In ’t harnas vaak de winternacht doorwaakt,</p>
+<p class="line">Te voet des zomers middaggloed verduurd,</p>
+<p class="line">Opdat gij eens uw kroon in vrede draagt;</p>
+<p class="line">Gij zult de vrucht van onze moeite plukken.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>ter zijde</i>).</span> Legt gij het hoofd eens neer, dan stoor ik de’ oogst;</p>
+<p class="line">Want nu ziet mij de wereld nog niet aan.</p>
+<p class="line">Tot heffen werd mijn rug zoo hoog gevormd,</p>
+<p class="line">En heffen zal hij lasten, of hij breekt.</p>
+</div>
+<p class="stage">(<i>Op zijn hoofd wijzend en daarna de hand uitstrekkend.</i>)</p>
+<div class="sp">
+<p class="line">Gij, effen mij den weg, en gij, voer uit! <span class="lineNum">25</span></p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Clarence en Gloster, schenkt mijn lieve gade</p>
+<p class="line">Uw liefde,—en, broeders, kust uw vorstlijk neefje!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">De trouw, uw majesteit gewijd, bezegel</p>
+<p class="line">Ik op de lippen van dit lieflijk wicht.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koningin Elizabeth.</p>
+<p class="line">Dank, eed’le Clarence; waarde broeder, dank!</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Gloster.</p>
+<p class="line">Hoe ik den boom, waar gij uit sproot, bemin,</p>
+<p class="line">Getuig’ de teed’re kus, der vrucht gegeven.—</p>
+<p class="line"><span class="stage">(<i>Ter zijde.</i>)</span> Voorwaar, zoo kuste Judas zijnen heer</p>
+<p class="line">En zeide: „Heil!” terwijl hij onheil meende.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Nu troon ik naar mijns harten wensch; ’k verwierf</p>
+<p class="line">Den vreê mijns lands en mijner broed’ren liefde.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Clarence.</p>
+<p class="line">Mijn vorst, hoe nu te doen met Margaretha?</p>
+<p class="line">Reignier, haar vader, heeft aan koning Lood’wijk</p>
+<p class="line">Sicilië en Jeruzalem verpand;</p>
+<p class="line">En dit is als haar losgeld hier gezonden.</p>
+</div>
+<div class="sp">
+<p class="speaker">Koning Edward.</p>
+<p class="line">Dan weg met haar! voert haar naar Frankrijk over.—</p>
+<p class="line">En wat nu verder, dan den tijd te wijden</p>
+<p class="line">Aan grootsche feesten, luim’ge zinnespelen,</p>
+<p class="line">Zooals dit aan de vreugde past van ’t hof?</p>
+<p class="line">Schalt, pauken en trompetten! Leed, vaar heen!</p>
+<p class="line">Want nu, zoo hoop ik, wacht ons lust alleen.</p>
+</div>
+<p class="stage alignright">(<i>Allen af.</i>)</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb735">[<a href="#pb735">735</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="kh6iii.aant" class="div1 last-child act"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#kh6iii.aant.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">AANTEEKENINGEN</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Reeds in de aanteekeningen bij het vorige stuk is er op gewezen, dat de slag van Sint-Albaans
+niet die gevolgen had, welke Shakespeare er aan toekent; eerst vijf jaren later, in
+1460, werd bij Northampton de macht van het huis Lancaster zoo gebroken, dat de Hertog
+van York het wagen kon, met zijn aanspraken op den troon openlijk op te treden. Margaretha
+van Anjou vlood met haar jongen zoon naar Schotland, koning Hendrik viel in de macht
+der overwinnaars en werd als gevangene door hen naar Westminster gevoerd, waar York
+van het parlement als wettig koning verlangde erkend te worden. De dichter laat Hendrik
+niet als gevangene, maar, hoezeer verslagen, toch als vrij man in Westminster vertoeven
+en laat ook Margaretha met den Prins van Wales er aanwezig zijn, waardoor de levendigheid
+van voorstelling zeer wint en het beloop der gebeurtenissen en de hartstochten, die
+werkzaam waren, duidelijk voor oogen gesteld worden.
+</p>
+<p>Want, afgezien van deze dichterlijke vrijheid, houdt Shakespeare zich zeer getrouw
+aan zijn bron. Volgens de kroniek van Hall reden York en Warwick onder het geschal
+der trompetten door Londens straten naar Westminster en begaven zich naar de zaal
+der Pairs, waar de Hertog den troon besteeg en in een uitvoerige rede ontvouwde, dat
+hem als rechten erfgenaam van Richard&nbsp;II de kroon toekwam, terwijl Hendrik&nbsp;VI zijn
+rechten aan den overweldiger Bolingbroke ontleende. De Lords zwegen, maar York’s bewijsgronden
+werden door zijn zegevierende wapenen al te nadrukkelijk ondersteund, dan dat men
+een ernstig overwegen der aangevoerde gronden had kunnen ontwijken. Er hadden dus
+onderhandelingen plaats, waarbij aan weerszijden dezelfde gronden werden gebezigd,
+die Shakespeare in het eerste tooneel van dit stuk den twee mededingers in den mond
+legt. York vestigde zich intusschen in het koninklijk verblijf en gedroeg zich geheel,
+alsof hem de kroon reeds was toegezegd. Toen Hendrik hem eens voor een mondeling onderhoud
+bij zich ontbood, was zijn antwoord, dat Hendrik van Lancaster hem als leenheer had
+te beschouwen en daarom tot hem moest komen. Maar het was hem nog niet gegeven, het
+beoogde doel te bereiken. Het langjarig troonsbezit van het huis van Lancaster, Hendriks
+bijna veertigjarige regeering, de ook door York en zijn aanhangers aan Hendrik gezworen
+eed van trouw, dit alles woog zoozeer op tegen het nader geboorterecht van den Hertog
+van York, dat ook deze eindelijk tot een vergelijk moest komen. Hendrik&nbsp;VI zou levenslang
+koning blijven, York regent en troonopvolger zijn; van Hendriks zoon Edward was geen
+sprake. Hendrik moest toestemmen.
+</p>
+<p>Margaretha was ondertusschen de vrouw niet, om zich zulk een vernedering te getroosten.
+Zij verzamelde in de noordelijke graafschappen de vrienden van het huis van Lancaster
+om zich heen; de Hertogen van Somerset en van Exeter, alsmede Lord Clifford spoedden
+zich tot haar, en weldra trok zij met twintigduizend man zuidwaarts. Toen men in Londen
+van haar krijgstoerustingen hoorde, begaf zich York met den graaf van Salisbury naar
+zijn slot Sandal in Yorkshire en trok van alle kanten versterkingen tot zich; zijn
+oudsten zoon, Edward, graaf van March, zond hij naar Wales en Herefordshire om daar
+de vazallen der Mortimers op de been te brengen; Warwick bleef in Londen om den koning
+en de hoofdstad te bewaken. York had slechts vijf- of zesduizend man bij zich, toen
+de koningin met haar leger zijn slot naderde; onstuimig en vol zelfvertrouwen verliet
+hij, tegen den raad van meer bedachtzame vrienden in, zijn sterkten en trok de drievoudige
+overmacht te gemoet. Bij Wakefield kwam het tot een gevecht, en in een half uur waren
+zijn troepen uiteengespat; hijzelf en zijn twee bastaardooms, Sir John en Sir Hugo
+Mortimer, werden gedood; de graaf van Salisbury viel den overwinnaars in handen en
+werd den volgenden dag onthoofd. York’s jeugdige zoon, Edmond, graaf van Rutland,
+een zeventienjarige, of, zooals Holinshed schrijft, twaalfjarige knaap werd, toen
+zijns vaders kapelaan hem uit het bloedbad trachtte te redden, door lord Clifford
+ingehaald en, schoon hij voor hem knielde, nedergestooten. „Nòch zijn teedere leeftijd”,
+zegt de kroniekschrijver, „nòch zijn droevig gelaat, nòch zijn opgeheven handen,—want
+de schrik had hem zijn stem benomen,—roerden lord Clifford’s wreed hart, zoodat hij
+wegens dezen onbarmhartigen moord aan den jongen edelman zich met groote schande belaadde.”
+</p>
+<p>Van York’s uiteinde bericht Holinshed: „Lord Clifford liet aan zijn lijk het hoofd
+afhouwen, er een papieren kroon op plaatsen en het zoo op een staak naar de koningin
+brengen. Enkelen echter schrijven, dat zij den Hertog levend in handen gekregen en
+hem tot smaad op een molshoop hebben gezet en hem een kroon van biezen of gras op
+het hoofd gedrukt, en voor hem nederknielden, zooals de Joden het voor Christus gedaan
+hebben, uit hoon, en zeiden: „Heil u, koning, zonder rijk! Heil u, koning, zonder
+erfgenaam! Heil u, hertog, zonder land en onderdanen!” en dat zij hem, nadat zij hem
+aldus met <span class="pageNum" id="pb736">[<a href="#pb736">736</a>]</span>smaadredenen overladen hadden, het hoofd hebben afgeslagen en dit aan de koningin
+gebracht. De hoofden van York en van Salisbury werden op de poort van York geplant”.
+</p>
+<p>York’s zonen waren, behalve Rutland, verre van het tooneel dezer gruwelen. Edward
+was in Herefordshire en hield zich daar goed staande; George en Richard waren nog
+kinderen en vertoefden met hun moeder veilig in Bourgondië. Shakespeare laat hen veel
+vroeger optreden en stelt met name Richard als ijverig, vastberaden en krachtdadig
+helper van zijn broeder voor; hij handelt hier als dichter, die met den tijd vrij
+te werk gaat, want zijn bronnen gaven er hem geen aanleiding toe; zijn kronieken maken
+eerst later gewag van Richard en schetsen hem dan als trouw helper van zijn broeder,
+zoodat hij na diens dood plotseling als een koelbloedig moordenaar optreedt. De dichter
+kon hier geen genoegen mede nemen; de indrukken, die Richard in zijn jeugd tijdens
+de bloedige burgeroorlogen ontvangen had, moesten in zijn ziel de kiemen planten zijner
+latere misdaden; en wie Richards optreden in deze stukken nagaat, bevindt, dat de
+grondtrekken van zijn karakter reeds dezelfde zijn, die in het volgend stuk, Koning
+Richard&nbsp;III, zoo scherp uitkomen.
+</p>
+<p>De slag bij Wakefield had op den dertigsten December 1460 plaats gehad; in het begin
+van het volgende jaar volgde hierop een nederlaag van den graaf van Warwick. Deze
+trok na het ontvangen der noodlottige tijding de koningin tegen; Koning Hendrik moest
+hem begeleiden. Bij Sint-Albaans, waar de beide Rozen reeds eenmaal gestreden hadden,
+had de ontmoeting plaats; de anders steeds zegevierende graaf werd geslagen, koning
+Hendrik door de zijnen bevrijd. In Clifford’s tent zag hij zijn gemalin en zijn zoon
+weder; den laatste sloeg hij op het slagveld tot ridder. Maar lang zou de zegepraal
+der Lancasters niet duren. De benden der koningin stroopten tot in de voorsteden van
+Londen; maar de koningin waagde zich niet in de hoofdstad; zij wist, hoe het zuiden
+van Engeland haar ongunstig gezind was, en voerde haar woeste scharen weder naar het
+noorden. Middelerwijl had York’s oudste zoon, de negentienjarige Edward, op 2 Februari
+1461, in Herefordshire bij Mortimer’s Kruis een overwinning behaald; door den dood
+van Owen Tudor en vele andere edelen had hij zijns vaders dood gewroken. Hij was daarna,
+met Warwick vereenigd, Londen binnengetrokken, en beiden rukten nu, met alle macht,
+die zij bijeen konden brengen, naar Yorkshire op om den beslissenden slag te leveren.
+Ook het huis Lancaster had alle krachten ingespannen on half Engeland was in de wapenen
+om aan den strijd der beide Rozen een einde te maken. Nadat in een voorpostengevecht
+Lord Clifford gevallen was, kwam het op de vlakte van Towton, niet verre van York,
+op 28 Maart 1461 tot een slag, waarin met alle inspanning en verbittering gevochten
+werd, want ieder had den dood te wreken van dierbare bloedverwanten. Eindelijk behaalden
+Warwick en Edward van York de overwinning; meer dan dertigduizend dooden bedekten
+het slagveld; het leger der Lancasters stoof in wilde vlucht uiteen; de koning en
+Margaretha vloden naar Schotland, van waar zij weldra naar Frankrijk moesten wijken;
+van de poorten der stad York werden de hoofden van York en Salisbury afgenomen om
+plaats te maken voor die der graven van Devonshire en Wiltshire en andere terechtgestelde
+krijgsgevangenen. Warwick voerde den erfgenaam van York, die in alle steden onderweg
+tot koning werd uitgeroepen, in triumf naar Londen. Onder het gejubel des volks werd
+de schoone en levenslustige jongeling als Edward&nbsp;IV te Westminster plechtig gekroond;
+het parlement had hem als wettig koning erkend. Zijn broeders George en Richard werden
+tot hertogen van Clarence en van Gloster benoemd.
+</p>
+<p>De eerste regeeringsjaren van den jongen koning leverden wel vele gevechten in het
+noorden van Engeland op, maar geen onderwerp voor den dichter; dat de koningin Margaretha
+in 1461 hulp bij den Franschen koning zocht, heeft hij in een anderen samenhang verwerkt.
+Van de gebeurtenissen in het jaar 1464 heeft hij de komst gebezigd van koning Hendrik
+over de grenzen; deze werd na eenigen tijd herkend, gevat, naar Londen gebracht en
+in den Tower opgesloten; verder ontleent hij er het huwelijk aan van Edward&nbsp;VI met
+Elizabeth Grey. Hiervan bericht de kroniek het volgende:
+</p>
+<p>Toen Koning Edward vast gezeteld was op zijn troon, begon hij naar een geschikte gemalin
+om te zien. Hij zond daarom den Graaf van Warwick naar Frankrijk om daar de zuster
+der koningin ten huwelijk te vragen. Zoowel de prinses als de koning, Lodewijk&nbsp;XI,
+namen het aanzoek gunstig op. Ongelukkiger wijze had Edward ondertusschen bij de hertogin
+van Bedford, die toen voor de tweede maal gehuwd was en wel met Lord Woodeville, diens
+dochter Elizabeth Woodeville, weduwe van den Ridder John Grey, die in den strijd voor
+het huis van Lancaster bij Sint-Albaans gevallen was, leeren kennen, en was zoo hartstochtelijk
+op haar verliefd geworden, dat hij haar tegen elken prijs wenschte te bezitten. De
+goederen van Sir John Grey waren na de zegepraal van het huis van York verbeurdverklaard;
+en nu smeekte de jonge weduwe den koning, haar ten minste haar weduwgoed weder terug
+te geven. „Haar eerbaar gedrag”, zegt de kroniekschrijver, „haar <span class="pageNum" id="pb737">[<a href="#pb737">737</a>]</span>bevallig voorkomen, haar bekoorlijk lachje, dat niet te stoutmoedig en niet te bedeesd
+was, en daarbij haar aangename tong en geest” betooverden den koning; daar zij echter
+bepaald weigerde zijn minnares te worden, en dit „op zoo gepaste wijs en met zoo welgekozen
+woorden, als er maar te bedenken zijn”, besloot hij, zonder iemand raad te vragen,
+haar tot zijn gemalin te verheffen. Zijn moeder deed al het mogelijke om hem van zijn
+voornemen te doen afzien; zij verklaarde dezen echt voor onmogelijk, omdat hij reeds
+met Elizabeth Lucy verloofd was, maar alles tevergeefs; de arme riddersweduwe werd
+koningin van Engeland. Weldra regende het genadebewijzen, eereposten en rijkdommen
+op haar verwanten. Haar vader werd graaf Rivers en tot rijksconnetabel benoemd; haar
+oudste broeder Anton werd door den koning aan de erfdochter van Lord Scales uitgehuwd;
+een van haar zusters huwde met den hertog van Buckingham; haar oudste zoon uit haar
+eerste huwelijk werd Markies van Dorset en kreeg de rijke erfgename van Lord Bonville
+tot vrouw. De oude aanhangers van het huis York zagen dit opkomen eener tot dusverre
+onbeteekenende familie met klimmend misnoegen; meer dan allen meende Warwick reden
+te hebben om vergramd te zijn. Hij, de machtigste man des lands, die zich als de schepper
+van het nieuwe vorstenhuis meende te mogen beschouwen, wiens aanzien in het rijk zoo
+groot was, „dat, als hij afwezig was, het den menschen voorkwam, alsof de zon van
+den hemel verdwenen was”, hij zag door dezen stap des konings zijn persoonlijke eer
+ten opzichte van een vreemd hof bezoedeld, en hij zwoer, van stonden aan, den niets
+ontzienden vorst een onverzoenlijken haat. Lodewijk&nbsp;XI daarentegen en Bona namen de
+zaak kalmer op en spoedig troostten zij zich, vooral daar weldra voor de prinses een
+ander aannemelijk gemaal gevonden werd in den persoon van den hertog van Milaan.
+</p>
+<p>Aldus geven, zooals gezegd is, Shakespeare’s bronnen rekenschap van Warwick’s afval;
+maar inderdaad werd Warwick zoowel door de ontevredenheid over de verheffing van het
+geslacht der koningin als door staatkundige beweegredenen gedreven, want eerst vijf
+jaren na Edwards huwelijk, in 1469, brak de opstand der Nevils, die hem geheel onverwacht
+kwam, uit. Eerst had de graaf van Warwick zijn beide broeders, George Nevil, den aartsbisschop
+van York, die rijkskanselier was, en John Nevil, die de bezittingen der Percy’s verworven
+had en door Edward tot markies van Montacute of Montague verheven was, in zijn plannen
+ingewijd; hij zeide, besloten te zijn om den valschen en ondankbaren vorst te doen
+vallen, die mindere lieden tot hooge waardigheden bevorderde en oude vrienden op onwaardige
+wijs behandelde. Vervolgens wist hij ook den hertog van Clarence te winnen, wien hij
+zijn oudste dochter ten huwelijk gaf en waarschijnlijk uitzicht opende op den troon.
+Aanvankelijk lachte de krijgskans den opstandelingen toe; niet alleen behaalden zij
+in een gevecht bij Banbury de overwinning, maar het gelukte hun zelfs, Edward in zijn
+legerkamp te overvallen en gevangen te nemen. Maar weldra nam hun zaak een andere
+wending. De gevangen koning was aan de hoede van den aartsbisschop van York toevertrouwd,
+maar werd, toen hij in diens wildpark jaagde, door zijn aanhangers bevrijd, en van
+dit oogenblik af was het krijgsgeluk hem gunstig. Warwick en Clarence moesten naar
+Frankrijk vluchten, en eerst nu sloot Warwick met zijn doodvijandin Margaretha van
+Anjou een verbond, dat, met den bijstand van koning Lodewijk&nbsp;XI, tot doel had het
+huis van Lancaster weder ten troon te verheffen. Ter bevestiging van dit verbond werd
+een huwelijk tot stand gebracht tusschen Margaretha’s zoon, den jongen prins van Wales,
+en Warwick’s tweede dochter Anna. Clarence ondertusschen was weinig gediend met deze
+vernietiging zijner eerzuchtige verwachtingen en begon te betreuren, dat hij van zijn
+broeder was afgevallen; hij knoopte, nog in Frankrijk zijnde, geheime onderhandelingen
+aan met Edward, die niet in gebreke bleef, hem schoone beloften te doen, als hij zijn
+vereeniging met Warwick wilde opgeven.
+</p>
+<p>Ondersteund door een Fransche zeemacht, deed Warwick den overtocht naar de kust van
+Devonshire in September 1470. Behalve Clarence en den graaf van Oxford, een getrouw
+vriend van het huis Lancaster, had hij ook den graaf van Pembroke bij zich, een stiefbroeder
+van Hendrik&nbsp;VI, een zoon van Owen Tudor, met wien Catharina van Frankrijk, de weduwe
+van koning Hendrik&nbsp;V, een tweede huwelijk had aangegaan. De oudste zoon uit dit huwelijk,
+de graaf van Richmond, gehuwd met Margaretha van Somerset, was reeds gestorven, maar
+had een zoon, Hendrik van Richmond toen ter tijd een knaap van tien jaren, nagelaten,
+die op een slot in Wales zich bevond. Warwick werd in Engeland door de bevolking met
+gejubel ontvangen; en zoo snel en onverwacht was zijn inval, dat koning Edward aan
+geen weerstand kon denken, maar in allerijl met zijn broeder Richard van Gloster,
+met lord Scales, den broeder zijner gemalin, door hem aan de erfdochter der Scales
+uitgehuwd, en met lord Hastings, Warwick’s zwager, naar Holland moest vluchten en
+zijn rijk zonder slag of stoot aan zijn tegenstanders overliet. Warwick spoedde zich
+naar Londen en kwam er op denzelfden dag aan, dat de hoogzwangere gemalin van Edward&nbsp;IV
+in de heilige vrijplaats van Westminster vluchtte, <span class="pageNum" id="pb738">[<a href="#pb738">738</a>]</span>waar zij aan een zoon het leven schonk, Edward, den prins van Wales, die dertien jaar
+later in den Tower omkwam. Uit den Tower werd nu na zesjarige gevangenschap Hendrik&nbsp;VI
+te voorschijn gehaald. Hij werd weder op den troon geplaatst, maar moest Warwick en
+Clarence tot rijksbestuurders benoemen, en Clarence als troonopvolger erkennen voor
+het geval, dat hijzelf geen nakomelingschap achterliet. De graaf van Pembroke haastte
+zich, den jongen Hendrik van Richmond uit Wales te halen en naar Londen te brengen,
+waar hij hem aan den vromen koning voorstelde. Toen, luidt het verhaal, riep Hendrik
+uit: „Dezen knaap zullen wij en onze tegenstanders alles nalaten!” „Zoodat het schijnt,”
+zegt Holinshed, „dat de heilige vorst van den geest der voorspelling vervuld was”.
+Toen kort daarna het huis York weder de overhand kreeg, bracht de graaf van Pembroke
+zijn neef in veiligheid aan het hof van den hertog van Bretagne. Van daar keerde de
+jeugdige Richmond eerst 15 jaar later naar Engeland terug, om er weldra als Hendrik&nbsp;VII
+den troon te beklimmen.
+</p>
+<p>Reeds in Maart 1471 landden Edward en Richard met hun vrienden en een kleine, in Bourgondië
+geworven krijgersschaar, ongeveer tweeduizend man sterk, te Ravensburg aan de Humber,
+in het noorden van Engeland, waar vroeger ook Bolingbroke zijn zegetocht begonnen
+was. Evenals deze verklaarde hij aanvankelijk, dat hij slechts kwam om zijn vaderlijk
+erfdeel in bezit te nemen en niet om aan den koning zijn troon te betwisten. Toen
+echter zijn aanhang weldra verbazend aangroeide en velen zijner vrienden, met name
+Sir Francis Montgomery, verklaarden, dat zij wel voor koning Edward, maar niet voor
+den hertog van York wilden vechten, wierp hij het masker af en ontplooide te Nottingham
+de koninklijke banier. Warwick vermeed voorzichtig een slag in het open veld en bleef
+in Coventry, waar hij ongeveer zevenduizend man bijeengebracht had, en trachtte zich
+te versterken, waartoe hij ook op zijn schoonzoon Clarence rekende. Deze trachtte
+hem tot een vergelijk met Edward te overreden. Maar het toornig antwoord luidde: „dat
+hij zijn ondergang verkoos boven het breken van zijn bezworen woord”. Toen ging Clarence
+tot de tegenpartij over, en Warwick’s eigen broeder, de aartsbisschop van York, volgde
+zijn voorbeeld. Ja, den graaf werd in het oor gefluisterd, dat ook zijn broeder Montague
+op afval en verraad bedacht was, maar Warwick weigerde hooghartig hieraan geloof te
+slaan. Toen hij zijn macht bijeen had, rukte hij te velde en ontmoette bij Barnet,
+bijna in het gezicht van de hoofdstad, het leger van Edward, die in Londen met gejubel
+ontvangen was. Daar had op Paaschdag 14 April 1471, in den nevel van den vroegen morgen,
+de beslissende slag plaats. Hier was Richard van Gloster voor het eerst in de gelegenheid
+zich als moedig krijgsman te doen kennen; hij voerde de voorhoede aan en bracht veel
+tot de overwinning bij; ook Edward streed met ongehoorde dapperheid. De zege was volkomen;
+de beide broeders Warwick en Montague vielen in den slag; het lijk van den machtigen
+graaf vond men geheel uitgeplunderd in het kreupelhout liggen. Nog op Paaschdag kon
+Edward in de hoofdkerk van Londen zijn dankgebed voor de behaalde zege uitstorten.—Koning
+Hendrik werd weder naar zijn kerker in den Tower teruggebracht.
+</p>
+<p>Margaretha van Anjou was juist met Fransche hulptroepen op de zuidkust van Engeland
+bij Weymouth geland, toen zij het bericht van deze onherstelbare nederlaag vernam.
+Zij gaf de hoop op en wilde omkeeren, maar de hertog van Somerset bewoog haar, den
+strijd voort te zetten; zij rukte op, onderweg door vele aanhangers versterkt, naar
+Glostershire. Maar de broeders Edward en Richard hadden zich met hun macht reeds daarheen
+gespoed en bij de abdij van Tewksbury werd op 4 Mei de bloedige slag geleverd, die,
+hoe dapper de aanhangers der koningin ook streden, in weinige uren aan haar geheele
+onderneming een einde maakte. Vele edelen sneuvelden; zijzelve, haar nu zeventienjarige
+zoon, die dapper gestreden had, en haar voornaamste vrienden,—waaronder Somerset,
+die terechtgesteld werd, de laatste Beaufort!—vielen den overwinnaars in handen. De
+prins was door een ridder gevangengenomen, die hem tegen een rente van honderd pond
+en op de belofte, dat zijn leven gespaard zou blijven, aan den koning uitleverde.
+Edward vroeg den jongeling, hoe hij zoo driest geweest was om met vliegende vanen
+Engeland binnen te dringen, waarop de prins moedig antwoordde: „Om mijns vaders rijk
+te herwinnen, dat hij van zijn grootvader en zijn vader geërfd heeft en mij eens zal
+nalaten.” Zonder een woord te zeggen stiet de koning hem van zich, of sloeg hem met
+den handschoen, waarop Clarence, Gloster, Hastings en Dorset, die er bij stonden,
+hem plotseling vermoordden. „En voor deze wreede daad,” merkt Holinshed hier op, „moest
+het meerendeel der daders in lateren tijd denzelfden kelk drinken, naar Gods rechtvaardige
+vergelding en verdiende straf.” Margaretha van Anjou werd gevangen gehouden, tot haar
+vader Reignier haar voor vijftigduizend kronen vrijkocht. Zij stierf in 1482 in haar
+geboorteland.
+</p>
+<p>Nu leefde van alle afstammelingen van Jan van Gent in mannelijke lijn alleen Hendrik&nbsp;VI
+nog; op 19 Mei vond men hem dood in zijn cel. „Naar het standhoudend gerucht,” zegt
+Holinshed, „heeft Richard, hertog van Gloster, hem met zijn <span class="pageNum" id="pb739">[<a href="#pb739">739</a>]</span>dolk nedergestooten, opdat zijn broeder Edward met grootere veiligheid zou regeeren”;
+enkelen echter schrijven, „dat hij, op het vernemen van zijner vrienden nederlaag
+en zijns zoons dood, van verdriet gestorven is.”
+</p>
+<p>In het voorgaande is alles bevat, wat Shakespeare uit zijn kronieken geput en tot
+zijn voorstelling van dezen rampzaligen tijd verwekt heeft. De lezer bedenke, dat
+bij deze voorstelling de bronnen, waarvan Shakespeare zich bediende, gevolgd zijn,
+en niet de uitkomsten, waartoe vroegere en latere geschiedvorschers geraakt zijn,
+medegedeeld moesten worden. Dan toch zou de zending van Warwick om Bona van Savoije,
+de schoone zuster des Franschen konings, die een verzinsel is, hier niet vermeld zijn,
+en evenmin de oplichting van Edward&nbsp;IV in zijn legerkamp, die een romantische voorstelling
+is van de afhankelijkheid van de Nevils en meer bepaald van den koningmaker Warwick,
+waarin door verschillende opstanden Koning Edward omstreeks 1469 geraakt was<a class="noteRef" id="xd33e22753src" href="#xd33e22753" title="Ga naar noot 1.">1</a>. Hier was het doel, te doen zien, uit welke gegevens de dichter zijn tafereel van
+dit gruwelijk gedeelte der Engelsche geschiedenis geput heeft, en hoe zijn geest leven
+heeft ingeblazen aan de personen, wier handelingen door de kronieken verhaald worden.
+Men zal moeten erkennen, dat ook dit werk van den nog jeugdigen Shakespeare den grooten
+dichter waardig is.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.9">I. 1. 9.</a> <span class="ex">Door ’t zwaard van mind’re krijgers.</span> Sh. vergeet hier, dat hij in het Tweede Deel van K. Hendrik&nbsp;VI, V. 2. 19, Clifford
+door de hand van York vallen laat; wat hij hier vermeldt, is overeenkomstig de kronieken.
+Zulke afwijkingen in kleinigheden komen bij Sh. meer voor; hier behoeft men er zich
+volstrekt niet over te verwonderen, daar het handschrift van het vorige stuk wel in
+den schouwburg zal berust hebben en niet terstond kon nageslagen worden.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.25">I. 1. 25.</a> <span class="ex">Dit hier is het paleis des laffen konings.</span> Het woord paleis is blijkbaar in ruimeren zin op te vatten, als de plaats, waar de
+koning zijn heerschappij uitoefent; want dit tooneel speelt in het parlementshuis
+en de koning zelf zegt later, reg. 210, dat hij naar zijn hof wil gaan.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.47">I. 1. 47.</a> <span class="ex">Uw edelvalk.</span> Dit woord is ingelascht, om het in Sh.’s tijd voor ieder begrijpelijk beeld terstond
+duidelijk te maken.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.72">I. 1. 72.</a> <span class="ex">Neef Exeter.</span> De Hertog van Exeter was een afstammeling van den stiefbroeder van Richard&nbsp;II. Hij
+is niet met Thomas van Exeter te verwarren, den toen reeds overleden zoon van Jan
+van Gent.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.78">I. 1. 78.</a> <span class="ex">Mijn erfdeel was dat, als het graafschap March.</span> Duidelijkheidshalve is de naam <i>March</i>, die in het oorspronkelijke niet staat, bijgevoegd. York geeft hier een belangrijk
+antwoord, want het graafschap was hem, na het uitsterven van het geslacht der Mortimers,
+door zijn moeder toegevallen, aan wie hij ook zijn nader recht op den troon ontleende.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.105">I. 1. 105.</a> <span class="ex">Uw vader was, als gij, hertog van York.</span> Eigenlijk niet juist: York’s vader was graaf van Cambridge, en was, onder Hendrik&nbsp;V,
+wegens hoogverraad terechtgesteld, vóór het hertogdom door zijns broeders dood op
+hem was overgegaan.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.116">I. 1. 116.</a> <span class="ex">Mijn broeder.</span> Montague en Warwick noemen York bij herhaling broeder. York was wel met een Nevil
+getrouwd, maar deze, Cecilia Nevil, was niet hun zuster, maar hun moei, de zuster
+van hun vader, graaf Salisbury.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.207">I. 1. 207.</a> <span class="ex">Ik ga naar mijn kasteel.</span> Hij bedoelt zijn slot <span lang="en">Sandal Castle</span> in Yorkshire.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.1.239">I. 1. 239.</a> <span class="ex">De onbuigb’re Falconbridge</span> Thomas Nevil, een bastaard van Lord Falconbridge, was door Warwick <span class="corr" id="xd33e22827" title="Bron: tet">tot</span> vice-admiraal benoemd, met de opdracht van tusschen Dover en Calais wacht te houden,
+dat geen aanhangers van Hendrik uit Frankrijk naar England overstaken.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.3.12">I. 3. 12.</a> <span class="ex">De onthokte leeuw.</span> Er staat <i lang="en">the pent-up lion</i>. Bedoeld is: een leeuw, die een poos lang zonder voedsel in een hok is opgesloten
+geweest en er uitgelaten wordt om een veroordeelde te verslinden.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.3.48">I. 3. 48.</a> <span class="ex" lang="la">„Di faciant, laudis summa sit ista tuæ.</span><span class="corr" id="xd33e22846" title="Niet in bron">”</span> Dit vers van Ovidius is te vinden in de <i>Heroides</i>, II, 66. „Geven de goden, dat gij nooit iets doet, dat dit uw doen nog overtreft!”
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.4.16">I. 4. 16.</a> <span class="ex">Edward: „Een kroon!”</span> De naam „Edward” is verkieslijk boven de woorden <i lang="en">And cried</i>, zooals de tekst heeft. De verbetering is aan de Irving-editie ontleend.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.i.4.76">I. 4. 76.</a> <span class="ex">Met zijn knorstem.</span> Richard voerde een ever op zijn helm en werd door zijn tijdgenooten meermalen <i>ever</i> genoemd.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.1.40">II. 1. 40.</a> <span class="ex">Drie blonde zonnen.</span> Werkelijk voerde het huis York na Hertog Richards dood drie <span class="pageNum" id="pb740">[<a href="#pb740">740</a>]</span>zonnen in zijn wapen; de oorsprong er van wordt hier der kroniek naverteld.—Naar aanleiding
+van de nagenoeg gelijke uitspraak van <i lang="en">sun</i>, zon, en <i lang="en">son</i>, zoon, antwoordt in het oorspronkelijke Richard op Edwards zeggen, dat hij drie <i lang="en">suns</i> in zijn wapen zal voeren: „Neen, voer liever drie dochters, want gij hebt de voedsters
+altijd liever dan de mannetjes.”
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.1.145">II. 1. 145.</a> <span class="ex">En George, uw broeder</span> enz. Dit is niet historisch.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.2.48">II. 2. 48.</a> <span class="ex">Wiens vader om zijn schrapen voer ter helle.</span> Het spreekwoord, waarop hier gezinspeeld wordt, luidt: <i lang="en">Happy the child, whose father went to the devil</i>; „Gelukkig het kind, welks vader door den duivel is gehaald!” Als een vader, die
+op zondige wijze rijk geworden is, sterft, erft de zoon wel het goed, maar heeft voor
+de zonden niet meer te boeten. Koning Hendrik betwijfelt blijkbaar de juistheid van
+het spreekwoord.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.2.133">II. 2. 133.</a> <span class="ex">Wie u ook hebb’ verwekt, daar staat uw moeder.</span> Dadelijk bij de geboorte van Prins Edward werd door velen het vaderschap van koning
+Hendrik betwijfeld; daarom wordt deze hier ook een oogenblik later Menelaus genoemd.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.2.144">II. 2. 144.</a> <span class="ex">Een stroowisch ware een duizend kronen waard.</span> Kijfzieke of liederlijke vrouwen werden met een stroowisch voor de borst op de kaak
+gesteld; of haar werd tot hoon een stroowisch voorgehouden.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.3.15">II. 3. 15.</a> <span class="ex">Reeds dronk de dorstige aard uws broeders bloed.</span> Dat in dezen slag een broeder van Warwick zou gesneuveld zijn, vindt men nergens
+vermeld, maar wel bericht Holinshed, dat in de gevechten, die den slag voorafgingen,
+een bastaard van den graaf van Salisbury, Warwick’s vader, viel.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.5.61">II. 5. 61.</a> <span class="ex">Wie is ’t?—O God, het is ’t gelaat mijns vaders!</span> Men denke, dat de zoon de helmklep van den doode oplicht.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.5.92">II. 5. 92.</a> <span class="ex">O zoon, uw vader schonk te vroeg u ’t leven, Beroofde u nu van ’t leven;—o te laat!</span> In ’t Engelsch luidt de tweede regel: <i lang="en">And hath bereft thee of thy life too late</i>. Dat de zoon te vroeg geboren is, omdat hij nu den burgerkrijg beleefd heeft, is
+duidelijk genoeg; maar leest men den tweeden aaneen, „en heeft u te laat van uw leven
+beroofd,” dan is deze vrij wel onzin, en de verklaring, die de uitgevers er van trachten
+te geven, gaat niet op. De vertaler heeft de twee laatste woorden, <i lang="en">too late</i>, van de vorige gescheiden en dit schijnt alle bezwaren op te lossen; de vader heeft
+geklaagd, dat zijn zoon te vroeg geboren is, en dat hij, de vader, hem gedood heeft;
+de woorden <i>te vroeg</i> doen er hem aan denken, dat hij zijn zoon te laat herkend heeft, en deze gedachte
+spreekt hij afgebroken uit; in oogenblikken van heftige gemoedsbeweging spreekt men
+niet met afgeronde zinnen.—Zoo is ook het laatste zeggen van den koning, reg. 77,
+78: <i>Gij, hart en oogen</i>, enz. niet vrij van verwardheid.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.ii.6.107">II. 6. 107.</a> <span class="ex">Want Gloster’s hertogdom spelt weinig heils.</span> In de kroniek van Hall, welke aan Sh. bekend was, vindt men, dat velen opgemerkt
+hadden, dat de titel van Hertog van Gloster voor velen zijner bezitters onheilvol
+geweest was. Trouwens zoowel Thomas van Gloster, de zoon van Edward&nbsp;III, als Humfried
+van Gloster, de zoon van Hendrik&nbsp;IV, werden vermoord, en ook Richard van Gloster vond
+een bloedigen dood.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iii.2.113">III. 2. 113.</a> <span class="ex">Voor ’t minst tien dagen zou ’t een wonder heeten.</span> Een wonder duurt naar ’t zeggen negen dagen.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iii.3.188">III. 3. 188.</a> <span class="ex">Gezwegen bij de onteering van mijn nicht.</span> Sh. doelt hier op een gebeurtenis, die in het stuk niet verder ter sprake komt, maar
+in Holinshed aldus vermeld wordt. „Koning Edward beproefde eens in ’s graven huis
+iets, wat de eerbaarheid des graven veel te na kwam; of hij zijn dochter of zijn nicht
+trachtte te defloreeren, werd om beider wil niet ruchtbaar, maar zeker, zoo iets werd
+door koning Edward beproefd.”—Wat Warwick in den vorigen regel zegt van den ontijdigen
+dood zijns vaders, doelt op Salisbury’s onthoofding na het gevecht bij Wakefield.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iii.3.224">III. 3. 224.</a> <span class="ex">Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal.</span> In ’t oorspronkelijke staat <i>masquers</i>, want in Oud-Engeland werden voorname huwelijksfeesten steeds opgeluisterd door allegorische
+voorstellingen, pantomimes en maskerades.—De koning doelt natuurlijk op de krijgers,
+waarmede hij koningin Margaretha ondersteunen wil.—Een paar regels later zegt Prinses
+Bona, dat zij om hem een wilgekrans zal dragen. De wilg komt in de Oud-Engelsche volkspoëzie
+vaak voor als het symbool van ongelukkige liefde, met name voor verlaten meisjes.
+Vergelijk <i>De Koopman van Venetië</i>, V. 1. 10. „Den wilgekrans om iemand dragen” is dus: „om hem als trouweloozen minnaar
+treuren.<span class="corr" id="xd33e22982" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iii.3.242">III. 3. 242.</a> <span class="ex">Mijn oudste dochter.</span> Prins Edward huwde Warwick’s tweede of jongste dochter, Anna Nevil; in „K. Richard&nbsp;III”
+wordt dit juist opgegeven. Clarence huwde de oudste, Isabella Nevil, niet de jongste,
+zooals men uit zijn zeggen, IV. 1. 118, zou opmaken.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iv.1">IV. 1.</a> <span class="ex">Bij het opkomen van Koning Edward</span> zegt de Folio-uitgave: „Vier staan er op de eene en vier op de andere zijde”; dit
+wil zeggen: de koning staat in ’t midden; aan zijn eene zijde staat koningin Elizabeth
+met haar vrienden Pembroke, Stafford en Hastings, aan <span class="pageNum" id="pb741">[<a href="#pb741">741</a>]</span>zijn andere Gloster, Clarence, Somerset en Montague.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iv.1.29">IV. 1. 29.</a> <span class="ex">Welnu mijn meening is</span> enz. De Folio-uitgave kent deze woorden aan Clarence toe; blijkbaar moet Somerset
+ze spreken, want deze wordt door den koning uitgenoodigd, zijn meening te uiten en
+Clarence heeft dit reeds, en met meer klem, gedaan.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iv.1.47">IV. 1. 47.</a> <span class="ex">Voor dit gezegde alleen verdient Lord Hastings De erfdochter van Lord Hungerford te
+erlangen.</span> Volgens de kroniek werd niet aan Lord Hastings zelf, maar aan een zijner zoons de
+erfdochter van Lord Hungerford uitgehuwelijkt. Als de mannelijke lijn van een geslacht
+uitgestorven was, vergaf de leenheer gewoonlijk de hand der erfdochter, en in verscheiden
+staten werd dit als een prerogatief der kroon beschouwd.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iv.6.67">IV. 6. 67.</a> <span class="ex">De jonge Hendrik, graaf van Richmond.</span> Hier wordt blijkbaar de jonge graaf van Richmond,—men zie de geslachtslijst,—later
+koning Hendrik&nbsp;VII, de stamvader van het huis Tudor en grootvader van koningin Elizabeth,
+opzettelijk verheerlijkt.—Tevens wordt hier het slot van het volgend stuk, K. Richard&nbsp;III,
+voorbereid.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.iv.8.50">IV. 8. 50.</a> In de meeste uitgaven vindt men in de tooneelaanwijzing ten onrechte den uitroep
+<i>A Lancaster</i>; blijkbaar moet <i>A York</i> gelezen worden.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.1.4">V. 1. 4 en 5.</a> <span class="ex">Waar is de man</span> enz. Deze twee regels staan in de uitgaven in omgekeerde volgorde als hier; de omzetting,
+zooals die in de Irving-uitgave voorkomt, is noodig. De naam <i>Daintry</i> in regel 6 is de volksuitspraak voor <i>Daventry</i>.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.1.45">V. 1. 45.</a> <span class="ex">Den armen vorst liet ge in ’t paleis des Bisschops.</span> In het paleis des Bisschops van Londen.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.2.44">V. 2. 44.</a> <span class="ex">’t Klonk zooals een roep in een gewelf.</span> In de quarto-uitgaven vindt men: <i lang="en">like a clamour in a vault</i>, dat hier gekozen is; de folio-uitgave heeft <i lang="en">like a cannon</i>: „Maar ’t klonk als in gewelven een kanonschot.”
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.5.2">V. 5. 2.</a> <span class="ex">Naar het slot Ham.</span> Het slot Ham in Picardië, dat ook in deze eeuw een belangrijken staatsgevangene heeft
+gehuisvest.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.5.25">V. 5. 25.</a> <span class="ex"><span class="corr" id="xd33e23073" title="Bron: Aesopus">Æsopus</span> moge in winternachten faab’len.</span> De Prins vergelijkt Richard met den mismaakten fabeldichter <span class="corr" id="xd33e23077" title="Bron: Aesopus">Æsopus</span>.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.6.10">V. 6. 10.</a> <span class="ex">Welk bloedig stuk heeft Roscius nu te spelen?</span> Roscius, de beroemde Romeinsche tooneelspeler, de tijdgenoot van Sulla en van Cicero,
+bij wie hij in hooge achting stond, was ook bij het Engelsche publiek van Sh.’s tijd
+bekend als uitmuntend treurspeler. Hij wordt in de stukken van dien tijd meermalen
+genoemd, door Shakespeare in Hamlet, II. 2. 410.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.6.55">V. 6. 55.</a> <span class="ex">En is het and’re waar, dat ik vernam, Dan kwaamt gij</span>—De koning wil zeggen, dat Richard met de voeten vooruit ter wereld gekomen is, maar
+Gloster laat hem den tijd niet om uit te spreken.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.6.86">V. 6. 86.</a> <span class="ex">Want profetieën zal ik gonzen doen.</span> Men vergelijke het volgende stuk, K. Richard&nbsp;III.&nbsp;I. 1. 39 en 54.
+</p>
+<p><a href="#kh6iii.v.7.15">V. 7. 15.</a> <span class="ex">Dat ik nu mijn jongen kusse.</span> Koningin Elizabeth heeft in het geheel haar gemaal, behalve twee jongens, van welke
+hier de oudste, Edward, pas geboren is, nog vijf dochters geschonken, voor wie Koning
+Edward reeds vroegtijdig naar echtgenooten uitzag. In de geslachtslijst behoefde van
+deze alleen Elizabeth genoemd te worden, die later met Hendrik&nbsp;VII Tudor huwde.—Dat
+de dichter in dit en het vorige tooneel het volgende stuk, Koning Richard&nbsp;III, voorbereidt,
+is onmiskenbaar.
+</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<div class="footnote-body">
+<div class="fndiv" id="xd33e22753">
+<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd33e22753src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">1</a></span> Die de geschiedenis nader wil kennen, moge het een of ander uitgebreid werk over algemeene
+geschiedenis, zooals dat van Weber of Schlosser, welke vrij algemeen verbreid zijn,
+of bijzondere werken over dit tijdvak raadplegen.—De hier gebezigde uittreksels uit
+de kronieken zijn in de uitgaven van Sh. door Knight, Delius en anderen en ook in
+afzonderlijke werken, met name van Simrock, te vinden. Hier is vooral het uitmuntend
+overzicht, door Gildemeister als inleiding bij zijn Hoogduitsche vertaling van „K.
+Hendrik&nbsp;VI” gevoegd, ten grondslag gelegd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd33e22753src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6i">KONING HENDRIK DE ZESDE. EERSTE DEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i">613</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i">613</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.1">613</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.2">615</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.3">617</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.4">619</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.5">620</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.i.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.i.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.i.6">620</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii">621</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.1">621</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.2">622</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.3">623</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.4">624</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.ii.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.ii.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.ii.5">625</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.iii">DERDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii">627</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.1">627</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.2">629</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.3">631</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iii.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iii.4">632</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv">633</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.1">633</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.2">635</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.3">636</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.4">636</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.5">637</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.6">637</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.iv.7.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">7. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.iv.7">638</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v">639</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.1">639</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.2">640</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.3">640</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.4">643</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.v.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6i.v.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.v.5">645</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6i.aant.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6i.aant">AANTEEKENINGEN.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6i.aant">646</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6ii">KONING HENDRIK DE ZESDE. TWEEDE DEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii">654</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.i.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i">654</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.i.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.1">654</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.i.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.2">657</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.i.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.3">658</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.i.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.i.4">661</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.ii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii">662</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.ii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.1">662</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.ii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.2">665</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.ii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.3">666</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.ii.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.ii.4">667</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.iii">DERDE BEDRIJF</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii">668</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.1">668</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.2">672</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iii.3">677</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv">678</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.1">678</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.2">680</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.3">682</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.4">682</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.5">683</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.6">683</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.7.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">7. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.7">683</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.8.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">8. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.8">ACHTSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.8">685</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.9.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">9. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.9">NEGENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.9">686</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.iv.10.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">10. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.iv.10">TIENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.iv.10">686</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.v.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v">687</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.v.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.1">687</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.v.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.2">690</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.v.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6ii.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.v.3">691</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6ii.aant.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6ii.aant">AANTEEKENINGEN</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6ii.aant">692</a></td>
+</tr>
+<tr class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#kh6iii">KONING HENDRIK DE ZESDE. DERDE DEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii">698</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.i.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.i">EERSTE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i">698</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.i.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.1">698</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.i.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.2">702</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.i.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.3">703</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.i.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.i.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.i.4">704</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.ii">TWEEDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii">706</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.1">706</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.2">708</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.3">710</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.4">711</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.5">711</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.ii.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.ii.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.ii.6">712</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iii.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.iii">DERDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii">714</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iii.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.1">714</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iii.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.2">715</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iii.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iii.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iii.3">718</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.iv">VIERDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv">721</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.1">721</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.2">723</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.3">723</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.4">724</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.5">724</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.6">725</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.7.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">7. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.7">726</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.iv.8.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">8. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.iv.8">ACHTSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.iv.8">727</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.v">VIJFDE BEDRIJF.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v">728</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.1.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.1">EERSTE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.1">728</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.2.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.2">TWEEDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.2">730</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.3.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.3">DERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.3">730</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.4.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.4">VIERDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.4">731</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.5.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.5">VIJFDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.5">732</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.6.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.6">ZESDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.6">733</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.v.7.toc" class="tocLevel2">
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">7. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#kh6iii.v.7">ZEVENDE TOONEEL.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.v.7">734</a></td>
+</tr>
+<tr id="kh6iii.aant.toc" class="tocLevel1">
+<td></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="2"><a href="#kh6iii.aant">AANTEEKENINGEN</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#kh6iii.aant">735</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<p>De nieuwe omslagillustratie van dit eBoek is hiermee aan het publieke domein verleend.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2025-01-11 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 41 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e819">616</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Éen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Één</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1524">619</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Eén</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Één</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1538">620</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Gangrave</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Gargrave</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1821">621</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Bedfort</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Bedford</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3427">629</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">(</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3669">630</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Pendragon</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Pendragoon</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3938">631</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">me</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">met</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5399">639</a>, <a class="pageref" href="#xd33e6236">643</a>, <a class="pageref" href="#xd33e6899">648</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7308">653</a>, <a class="pageref" href="#xd33e8370">659</a>, <a class="pageref" href="#xd33e13816">687</a>, <a class="pageref" href="#xd33e14190">689</a>, <a class="pageref" href="#xd33e15221">697</a>, <a class="pageref" href="#xd33e20687">724</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5485">640</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7716">655</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bruidschat</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bruidsschat</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e5577">640</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bischop</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bisschop</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6748">645</a>, <a class="pageref" href="#xd33e7689">655</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Jerusalem</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Jeruzalem</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6806">646</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e6921">649</a>, <a class="pageref" href="#xd33e22846">739</a>, <a class="pageref" href="#xd33e22982">740</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e7477">654</a>, <a class="pageref" href="#xd33e9275">663</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e8911">661</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">eeuwgen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">eeuw’gen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e9176">662</a>, <a class="pageref" href="#xd33e14917">695</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="la">coelestibus</td>
+<td class="width40 bottom" lang="la">cælestibus</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e10349">668</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">gevangnis</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">gevang’nis</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e14529">691</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Aeneas</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Æneas</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e14727">692</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">deu</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">den</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e15142">696</a>, <a class="pageref" href="#xd33e15146">696</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Emanuel</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Emanuël</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e15255">697</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">baesimecu</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Baesimeku</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e20185">722</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e21270">727</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Belgi</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">België</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e22827">739</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">tet</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">tot</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e23073">741</a>, <a class="pageref" href="#xd33e23077">741</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Aesopus</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Æsopus</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75268 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/75268-h/images/new-cover.jpg b/75268-h/images/new-cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7c9d4cc
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/new-cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p614.jpg b/75268-h/images/p614.jpg
new file mode 100644
index 0000000..888a41a
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p614.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p624.jpg b/75268-h/images/p624.jpg
new file mode 100644
index 0000000..128091f
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p624.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p664.jpg b/75268-h/images/p664.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2372662
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p664.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p680.jpg b/75268-h/images/p680.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9d63ca4
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p680.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p704.jpg b/75268-h/images/p704.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8526331
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p704.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p712.jpg b/75268-h/images/p712.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0687d1c
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p712.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/p716.jpg b/75268-h/images/p716.jpg
new file mode 100644
index 0000000..de829f2
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/p716.jpg
Binary files differ
diff --git a/75268-h/images/rbrace4.png b/75268-h/images/rbrace4.png
new file mode 100644
index 0000000..94d6ef7
--- /dev/null
+++ b/75268-h/images/rbrace4.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..cbe03cb
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #75268 (https://www.gutenberg.org/ebooks/75268)