diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 02:52:24 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 02:52:24 -0800 |
| commit | 8fa9d9ca59c9477ee3feac82d1fc23ecee495a25 (patch) | |
| tree | 804dda9067e4c975c7edb7ff08a7309cf583559e | |
| parent | 56dfe7f11c87cd9c9b86971a07e777f355280937 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68893-0.txt | 6560 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68893-0.zip | bin | 136722 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68893-h.zip | bin | 192431 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68893-h/68893-h.htm | 6603 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68893-h/images/new-cover.jpg | bin | 39361 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68893-h/images/titlepage.png | bin | 4193 -> 0 bytes |
9 files changed, 17 insertions, 13163 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..9484dad --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #68893 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68893) diff --git a/old/68893-0.txt b/old/68893-0.txt deleted file mode 100644 index 4b3b94e..0000000 --- a/old/68893-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6560 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Leliënstad, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Leliënstad - -Author: Henri Borel - -Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from scanned images of public domain - material from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD *** - - - - - LELIËNSTAD - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool. - -Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde, -grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en -de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het -water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen -stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre -rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen.... -en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden, -zonder eind. - -Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en -donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het -water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder -ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk, -werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op, -met roode lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een -onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van -machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en -ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart -uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw. -En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit -duistere gebeuren. - -De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte -karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van -zware stemmen. - -De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage, -reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende -oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw. - -Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr -hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en -zwijgend, eindeloos in het rond... - -Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp -van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van -een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze -vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel. - -Paulus stond te rillen van angst. - -Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek -onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk. -Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool -om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos -verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde. -En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar -weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte -van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de -menschen woonden in weedom en zonde. — - -Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van -honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door -de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn -broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk, -afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. — - -Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond -het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van -achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat -alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen -meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier -ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd. - -Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle -wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van -stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht -van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de -kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen -vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een -verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar. -Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd -worden in vlammen en vuur?.... Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo -duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien -zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond.... - -Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de -stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu -ging verstikken. - -Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte -ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken, -en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver -boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense, -schitterende lichtbundels straalden maagdelijk door het ruim, en in die -reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de -prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster. - -Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en -aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het -witte paleis daar boven. - -„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!” - -O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de -Genade!.... - -Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het -zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden -in de kuische plooien van haar witte gewaad?.... - -Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader -boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde.... - -En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om -genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote -stad.... - - - -Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende -stem riep zijn naam. - -„Paulus?... Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?....” - -Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend. -Dit was té heilig voor een ander, dit leefde té voorzichtig, in een -veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen. - -—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe -verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden -die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend -opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo -bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!” - -„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd -aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t -hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter, -mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de -brug, waar we hier op staan?.... zie je die breede bogen en die zuilen -van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.... dat wordt nu het -nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.... daar slapen -ze, om niet te bevriezen van de koû.... want nu is het uit met de -bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.... daar zouden ze -bevriezen.... hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar -gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en -ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden -menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó -maar op den harden grond.... o, als die bruggen er niet waren, die -goede, wèldoende bruggen.... en vooràl deze, de Koninginnebrug.... hier -slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár -koninklijken naam.... en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de -zon....” - -Vragend keek Paulus hem aan. - -—„In de zon?.... hoe bedoel je dat?”.... - -—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den -eeuwigen zomer in Monte-Regina.... je weet toch wel, die groote -badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank -is?.... Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden -blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden, -waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn... zij -brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het -Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de -courant... iedereen die het maar éénigszins doen kan van de -wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het -Zuiden, dat weet je toch wel.... de aristocratie, en de -kapitalisten.... die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn -beste jongen.... dat moet je toch vòelen.... dat is goed voor den -proletariër en den kleinen man....” - -—„Gaan die naar ’t Zuiden.... naar de warme zon?....” vroeg Paulus, -naïef.... „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen -slapen, om niet te bevriezen?”.... - -—„Ja, zéker, kereltje.... wat heeft dat met elkaar te maken.... daar -hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen -ze....” - -„-Monte-Regina... ja, daar heb ik van gehoord en gelezen... moet daar -niet enorm worden gespeeld?... en is het er zóó mooi?....” - -„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog -héél jong was, en het onrecht nog niet wist... het is daar alles -eeuwige lente en eeuwige jeugd... de zachte lucht is doordroomd van -zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een -weerschijn is van de allerheiligste hemelen.... en in die prachtige -natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en -gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er -roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken.... -De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en -twintig millioen... denk eens, beste kerel, wat een schat dat is.... -wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om -niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”.... - -Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte -booten zuchtten en steenden, uitstootend hun donkere wolken van -rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en -hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam -over hem, en hij greep Elias’ arm. - -„O! Al die booten... al die schoorsteenen...” zeide hij toen.... „hoe -vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens....” - -„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.... „dat is de -hándel.... en die fabrieken ook... dat heet de wèlvaart van een -land.... de industrie, de nijverheid.... daar wordt een land gróót -van.... dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten -rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft -er juíst nog door in leven, en verhongert niet.... Al die duizenden, -die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk -alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken... Als één zoo’n -rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn -diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal -andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele -evenwicht te bewaren... en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart.... -zóó zit dat in elkaar... al dat getob en gesloof hier om je heen is ten -bate van énkelen, niet van allen... Kijk, daar gáát weer zoo’n boot... -mooi hè?... volbeladen met goederen die worden verkocht... zie je al -die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?... daar -kan er weer een voor naar ’t Zuiden... Maar laten we hier nu niet -blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van -de partij, bréng me zoo ver...” - -Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en -rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van -den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe -editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn, -schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een -paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de -meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met -een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar -versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte -wanhoopskus van innig medelijden. - -„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande -verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit -jaar, en ik ben vol moed.” - -Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op -vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de -sociaal-democraten er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond -het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote -kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement -aangenomen wetten kon vernietigen. - -En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de -christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord. - -—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias -weer. - -„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.... en ik dánk je er wèl voor.... ik -ga nu al véél meer weten.... ik begrijp nu meér....” - -Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel -gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had -gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie, -en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale -evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die -schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een -absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke, -onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was -aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het -was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke -overgang behoefde.— - -Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de -goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel -wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden, -in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor -bleef!.... En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge -revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, -die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed. - -Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten -afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na. - -Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en -propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar -sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen -duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door -geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen -der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en -fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij -zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór -dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden -zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als -zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren? - -En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende, -en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het -in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder -kunnen doen, dat hij verwachtte. - -Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú -was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een -groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een -goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De -reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou -dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel -geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden -broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó -simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie, -dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat -alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen. - -Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het -wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de -reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de -vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele -gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat -droeve doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig, -vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver, -zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare, -witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot -haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar -te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En -als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij -eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij -gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de -verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was -liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte -gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou -uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles -heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat -smachtend wachtte. - -Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel -moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met -bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over -dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen, -en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een -ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van -zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand -versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar -kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders -hoeder willen wezen?.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn -hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses. - -De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten -fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen, -zijn chocolade te slurpen. - -„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk -weer eens aanloopen?... Kan ik je met iets dienen?... wat chocolade?... -een cigaret?... o neen: je rookt niet hè?... nog altijd even sober?... -geen vleesch, geen alcohol, geen tabak... en tóch zie je er niet zoo -heel florissant uit... je ziet bleek, kerel... nog altijd aan het -tobben en het filosofeeren?... weer te veel bij je vriend Elias -geweest, den sociaal-democraat?... dat zal ééns wel weer overgaan, dat -hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen -is...” - -Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote plan, om op den -lichten toon van die scherts te antwoorden. - -„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet... ik kom je iets heel ernstigs en -gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt... ik weet, -dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met -mijn liefste gevoelens... je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op -door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom -afsmeeken, als een groote, groote gunst..” - -„—Nu.... kom er gerust mee voor den dag, hoor... als het maar niet iets -voor de sociaal-democraten is...” - -„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen... ik wou... ik wou... nu, ik -wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen -er bij... zou dat kunnen?...” - -Marcelio zag hem verbaasd aan. - -„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt... Haar Koninklijke -Hoogheid spreken... een particuliere audiëntie dus... en maar eventjes -heel alleen, zonder anderen... En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke -Hoogheid doen?... wat kan jij haar te vertellen hebben?...” - -„—Dat moet je niet vragen, Marcelio... dat is mijn zaak... ik sméék je -alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?...” - -„—Kúnnen wèl... Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting -aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou... -je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je... het -zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met -een beetje moeite... maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?... -toch geen dolle dingen, hoop ik?... toch niets over dat zoogenaamde -onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je -vriend Elias je inblaast?...” - -Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van -het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een -zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo -in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer -leven.... en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je -cigaret, en drinkt je fijne chocolade.... alles is hier zoo mooi en -rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en -de schande.... nu, já, ik durf het wel te zeggen.... áls ik nu de -prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?... áls ik -haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om -genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht -en de waarheid?... wat dan nóg?... zou je me dan niet willen helpen?... -Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel, -Marcelio...” - -Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van -verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een -jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren -geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de -wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen! - -Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een -broekie!” zei hij, glimlachend. - -„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd. - -„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en -eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën -van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar -Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is -absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!” - -„—Ik begrijp je niet, Marcelio!” - -„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je -hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten -niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de -toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een -akelig klein beetje vooruit zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog -precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van -de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch -vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed. -Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten -door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden -aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en -wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel -onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het -bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók -niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te -begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens -behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet, -dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens -bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste -eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense -figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van -Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is -uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de -ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige -beelden, de schilderijen, de gebouwen, zoo’n sublieme cathedraal -bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke -Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de -eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de -reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn... en -als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die -wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en -rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch -kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat -er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en -steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie -je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen, -waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al -niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren, -dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat -egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als -er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin -menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar. -Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig, -dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er -geen liberalen en geen conservatieven en geen sociaal-democraten en -geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens -die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat -het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische -wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die -Liefde wordt het nooít wat. - -„Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt -het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als -jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige -gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er -bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het -ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar -beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát -wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is -en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide -logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat -idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat -verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst -of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol -enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan, -dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat militair vertoon laat -bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de -koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en -als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen, -heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan -Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn -eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een -reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten. -Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de -sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna -iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove -eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de -heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik -zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik -ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van -het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver, -fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie -kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te -zitten. Dáár, nu wéét je het!....” - -Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte -nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord. - -„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou -de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?” - -„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr -vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de -wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de -electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En -óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet -gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt, -zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het -vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit -goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde. -Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen -aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant -doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename -leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb -je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als -duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De -ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de -allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat -hebben ze aan de wetenschap der hygiène, die enkel de bevoorrechten -baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de -bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor -de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door -slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet -door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het -nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er -veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en -ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren. - -„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de -Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm -werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale -hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat -predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou -de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde -ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van -staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor -gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen -ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk -kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het -bloed zagen kleven van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna -niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige -maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze -zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en -roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde -af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden -verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag -en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en -Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien -God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving -van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen -geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun -eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote -verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee -verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk -geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze -waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd -net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun -filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk -verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten -verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het -laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde -voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te -bedekken.” - -Paulus keek hem in stomme verbazing aan. - -Was dát Marcelio?.... Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de -gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke -prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed. - -„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat -allemaal, net zoo goed als ik?” - -„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb -toch oogen om te kijken....” - -„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er -overal misère om je heen is?” - -„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.... er is al zóóveel gedaan, en ’t -is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige, -misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te -doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede -bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje. -Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel -en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds -en proletariërs het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender, -dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een -knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg, -voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus, -heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg -van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik -door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel -niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren -hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze -gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch -nog, Paulus.... er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute, -door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de -Maatschappij heet!” - -„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar -Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo -héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien -niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de -ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de -schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar -eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de -ellende en het onrecht, die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou -dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo -rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont -het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!” - -Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat -onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde -bedenkelijk het hoofd. - -„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd. - -„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses -is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan -doen. Maar, al kón ze....” - -„—Nu?”.... - -„—Hm!.... ja.... zie je, Paulus.... het past me niet, een oordeel te -vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.... over wat ze doen zou, of niet -doen zou.... maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter -harte zou gaan....” - -„—Hè??”.... - -„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed.... -zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild -heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog -houden.... het gezag nu, dat is juist de handhaving van den -tegenwoordigen staat van wreedheid en onrecht.... de zoogenaamde -maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid -op de misère der overgroote massa.... en zij, de kroonprinses Leliane, -is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke -orde.... daar heeft ze ook haar leger voor....” - -„Waartoe jíj ook behoort!” - -„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor -moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde....” - -„Die onrecht en wanorde is!” - -„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel... maar wat wil je er aan doen?.... ik -zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.... ik zit nu eenmaal in ’t -schuitje en heb het er altijd goed in gehad....” - -„—En ik gelóóf je niet, Marcelio... Je kènt de kroonprinses Leliane -niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht -gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert -fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het -gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter -dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar -eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar, -als ze het weet! O! als ze het weet!... dan zal ze, als een zachte -Samaritane, naar de smarten gaan en groote wonderen doen.... Je moet -mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er -bij.... dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en -verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van -haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar -schande te veilen!.... want het zijn toch háár zusteren, niet waar, -Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd...” - -Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder. - -„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij -waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet, -kereltje.... ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.... en -onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dat -kan niet uitblijven....” - -Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar -niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en -correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen -had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór -alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden -noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch -vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit, -zonder welke alle sociale systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát -wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken -gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu -rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over -doodgewone dingen sprak. - -„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende -verontwaardiging. - -„Maar wel zéker, beste kerel.... zéker wil ik je helpen.... ik vind het -idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme, -tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.... het geval is eenvoudig -éénig.... en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me -aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven -heet.... maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog -gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen -tijd.... daar is hij misschien te beroerd voor.... Dus jij wilt à tout -prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dan zullen -we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben -je nu tevreden?.... als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen -wil, zal het wel gaan.... Het treft, dat ik de volgende week dienst heb -in Monte-Regina.... dan moet je maar met me meê, als een vriend van me, -en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het -Regina-Palace-Hôtel, waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen -heeft.... Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken -hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van -je audiëntie terecht.... je moet overal met mij meegaan, en je netjes -houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.... het -is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in -Leliënstad, geen idee van kunt hebben.... het brandpunt van het -kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.... je moet bij de -hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee -verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede -gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.... Je -moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te -geven, en je voor te doen als een der onzen.... ze moeten je daar -houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van -het vorstenhuis.... Belóóf je me dat?....” - -Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm -te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden -in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar -zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de -genade zou brengen en het Recht... - -Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had -voorgevoeld... - -„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét -niet, hóe gelukkig je mij maakt!” - -Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als -over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te -houden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Monte-Regina! - -Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en -verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde, -droef, en des doods. - -In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine -bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in -de lucht. - -Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere -wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond -slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en -seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden -om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had -beroerd! - -Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die -over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de -palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te -droomen... - -Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een -warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus -zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer -te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef -de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het -mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al -eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina. - -En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren -zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme, -gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom. - -Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen -twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys. -Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen -de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond. - -Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar -links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen, -die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd -doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en -daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen -den hemel. - -En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele -landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,” -dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op -al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet. -Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een -verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen, -maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó -smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere. - -Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg -gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn -kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping, -had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd. - -Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster -zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap -onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen, -met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen -het geel. - -De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint, -en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht, -en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit -was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets -openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de -zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der -dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit -bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam -violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker. - -Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte -Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in -Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als -een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige, -zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een -wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere -huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette -tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid -aan, van een Graal. - -En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de -lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan -om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd -gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende -klokken en witten brand van heilige kaarsen.... - -Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het -Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen -trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en -langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke -palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende -laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en -aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware -waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een -Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling -van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van -engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van -lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het -blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room. - -Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en -deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met -aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen. - -Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een -albasten pilaar. - -„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t -algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.” - -Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog -bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij -ook mocht zien. - -Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af, -uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat. -Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette, -anders mocht hij niet binnen. - -Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten -zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen. - -En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een -hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme -zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar -met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in -lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde -plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk -paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den -vloer en van het plafond hem tegemoet. - -Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen, -schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings -en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en -weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was -nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen -knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En -monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs -faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!” - -Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel, -en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven. -Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het -zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère -en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en -zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om -nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die -de onderdanen waren van Leliane! - -O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die -zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste, -gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo -doorleefden, als zij deden, van zijn misère? - -Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van -schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands -belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in -al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets -anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en -ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante -oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag -bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van -overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als -voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een -rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing. -En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen -was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van -duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid, -of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een -overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs, -waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden, -zóó waardeloos schenen ze daar. - -Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en -stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar -op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de -croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches -waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen -omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes -„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar -uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren, -en scheen dit ijselijk koddig te vinden. - -Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó -haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer -ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de -grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over -verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won, -of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend -milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en -sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die -een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen, -op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die -duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van -kent. - -Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó -leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige -blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus, -maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote, -ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien -hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren -naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te -kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren -stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om -toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde -menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een -lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier -was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk -nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte -schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid -en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld -en nog eens geld. - -En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich -aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld -was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile -vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse -geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in -prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter -zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de -winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te -kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel. - -Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de -bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de -speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken -avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit -in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino, -stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk -uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus -in het schijnsel van het witte electrische licht. - -Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht, -tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs -ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten, -breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven -klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het -nu te donker. - -Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de -lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links, -dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle -terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel -van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun -van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de -rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als -wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen -weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel, -rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel -van-zelve, in de zegening van het licht. - -De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de -blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de -ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht. - -Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een -eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren. - -En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino -mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische -lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het -room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het -donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn -porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het -beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees -in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen -dronken nacht van het Zuiden.... - -Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en -zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel -ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel -was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in -den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des -daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een -goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze. - -Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in -de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht. - -Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend -Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk -wonder. - -Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk, -heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie -geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de -gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken -en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane. - -En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van -den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille, -slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van -het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles -vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets -meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns -had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies, -die de zusteren waren van zijn ziel. - -Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen -en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een -valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het -enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die -daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis -van vrede. - -Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in -vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar -omhoog. - -„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in -eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der -wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en -alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de -waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....” - -En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden -vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal -voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te -smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten. - -Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het -licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was -geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan. -Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar -uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als -dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden -vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een -ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens -goede hoeder hij zou zijn. - -Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou -alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde -moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd -in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig -samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige -maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig -geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula. - -Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl -hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich -over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t -maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem -onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien; -het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was -al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér -durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen -opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied -bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias -verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te -roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij -het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij -denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio. - -„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo -iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk -met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en -vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu -heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De -prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar -een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af -komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar -macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed, -als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart, -dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede -aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen -vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden, -omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon -vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg -zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade -kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een -hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor -onze partij...” - -„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had -Paulus verwonderd gevraagd. - -„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme -slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit -haar handen nam.” - -Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór -alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en -Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van -elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand -gedrukt en hem gezegd: - -„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te -maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met -hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is -onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens -voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze -partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit -je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!” - -Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet -ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in -de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel. - -Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het -Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht -wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit -gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den -ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien, -en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg -zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot -de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als -muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een -zeer zacht licht. - -Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en -toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den -grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden. - - - -In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet -hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien -geliefde, hem te brengen. - -Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van -het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden. - -Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog -plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond, -als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes, -elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met -engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief. -Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande, -langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak. -Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en -blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het -stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van -plechtige stilte door de zaal. - -Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte -tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van -dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen -aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een -ceremonie. - -Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden -ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt -imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig -document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten, -spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus, -of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de -zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel -geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het -terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een -generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één -allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten -correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of -zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de -scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames, -gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast -haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van -pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de -donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder -dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën, -zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze -blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin -juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel. - -In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en -het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners -droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den -gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en -gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen. - -Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s -Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen. - -Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden -bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het -bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van -witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van -languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes -van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende -schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van -goedheid waren, en van waarachtig schoon.... - -Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem -kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch -niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen -te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht. -Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner -een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat -deze er zóó over dacht. - -„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die -daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius -Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem -zijn!...” - -Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was -ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van -Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in -couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was -om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne -uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent -hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche -keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche -danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten -betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een -hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië, -moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met -zijn groote vuisten hebben geworgd. - -Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen, -vertelde in zijn blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich -niet lekker voelde, als hij een dag had doorgebracht zonder dat hij een -of ander dier gedood had, al was het maar een vogeltje. Het jagen zat -hem in ’t bloed, had hij hem gezegd. - -Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor -Paulus een schrikbeeld geworden, een soort legendarisch monster, te -wreed, om eigenlijk anders te kunnen bestaan, dan in overgeleverde -verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op éen dag honderden -herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen was -die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige, -zachtzinnige wezens. - -Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het -tafeltje van den prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond. - -„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb -de eer gehad, aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den -bloede.”— - -Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij een diepe, -eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst, -maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote -oogen naar den grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en -dreigend in zijn leven was verschenen. - -Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een -gewone groote man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de -Moscovieten, die een nog maar weinige jaren wat beschaafd volk waren -van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden mond met bloedroode lippen -zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige haar van zijn -zware snor en langen baard. - -Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang -voor hem was. Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins -voorbij kon gaan, en voelde als een heel teêr, fijn vogeltje, als het -een wilde sperwer heeft gezien. - -„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio, -boos. „Wat moet Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en -zag, dat je bij mij hoorde. Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch -van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd veel bij Haar Koninklijke -Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.” - -„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses Leliane?... -híj?... dat donkere, wreede mónster?... onmógelijk...” - -En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige, -dat leefde van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen -als het witte, het vlekkeloos onschuldige van de prinses, die uit de -gouden zonnestralen en de blanke waterlelies was gesproten. - -„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend. -„In de politiek zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet -vergeten, dat hij de broeder is van Zijne Majesteit den Keizer van -Moscovië, en een van de rijkste prinsen van de wereld.” - -„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze -dieren!” - -„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met -den beer bewezen. Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn, -daar ben ik zéker van.” - -„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch -moord, laffe moord op zachte, lieve beesten, die zich niet -verdedigen....” - -„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport -noemen we dat.” - -„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van -hem bekend zijn, of is het niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste -orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn millioenen, weggesmeten -aan veile vrouwen?....” - -„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats -denken. Zoo’n halve barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed -in opbruist, en dan in ’t bezit van millioenen, en dan die verleiding -overal....” - -„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen -in de mijnen.... de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun -fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen in moeten werken?.... en waar -duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad hun liefde voor -de vrijheid en voor hun medemenschen was.... daar leeft hij van, dat -monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig -monster!.... Hij is niet waard denzelfden grond te betreden, waar -Leliane’s heilige voeten over zijn gegaan.... Zijn enkele -tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al....” - -Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen -hij zag, hoe rood Paulus was geworden van verontwaardiging en -opgewondenheid. - - - -Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op -hetzelfde effect berekend, waren er nog tientallen van restaurants in -Monte-Regina, de groote Grill-Room van het café des Lys, de -restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van de Métropole, en vooral het -kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en prinsen kwamen -met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door -kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse -muziek, de vergulding van den uiterlijken glorieschijn om wat niets -anders was dan de voldoening van het Beest. En Paulus voelde intuïtief, -dat het genot van al die schitteringen, die tot het uiterste opgevoerde -verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, door -culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door -het aanbieden van de „addition,” waarop met rooverachtige -onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd. - -Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden -van het paradijs nog werden verhoogd door het neerzien op de -pijnigingen der zondaars in de hel, zóó was misschien voor die -correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, in die -peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich -te goed deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van -honger en gebrek. En zij allen, zij wisten, of kónden weten, welk een -arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, dat zij hier moedwillig -verspilden. Met één, nog niet eens zoo bijzonder fijn diner aan een -paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, waar een -afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in -menschonteerenden arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen, -of in verpeste fabrieken. En voor één nacht van wellust met een veile -vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, waarvan honderd -gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan. - -Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen -uithouden, en dat hij zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten -breken, als hij hem nu niet spoedig de vergunning bracht voor de zoo -vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want hij voelde met de -dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen. - -Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n -restaurant, beving hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een -onweêrstaanbaren lust, om alles in ’t rond kort en klein te slaan, om -de omzittende, rijke patsers op hun impassibele tronies te trommelen, -en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, hoe zij -allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen, -lafhartige, domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven -maatschappij van onrecht en goddeloosheid. - -Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van -overprikkelde nervositeit, dat correcte, ongevoelige gedoe van al die -kerels en vrouwen in hun mooie plunje, die daar in één maal voor -honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun heele leven -zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die -kerels, met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit -arbeid hadden gekend, hun met fijne essences doortrokken haren; die -vrouwen, die met duizenden en duizenden aan paarlen en diamanten waren -omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde gezichten, haar -coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest -zijn! - -Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs -de schijn van glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête -brak door al die voorname, in valsche plooi getrokken gezichten heen, -en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende van al de lakeien en -keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn. - -Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een -blijde tijding. - -„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je -me daar vinden, en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er -nu mijne tante, de hertogin Marcelia, voorgespannen, en je weet, die -heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf uur -van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te -vinden. O ja, dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de -speelzaal ’s morgens. Dat is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets, -om je eens flink te ergeren...” - - - -Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart -vóór elven. - -Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden -morgen-licht, dat door den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren -Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen en het donker-gulden licht -leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst zou -beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen, -ópjubelend door de gewelven... - -En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan -speelholen waren. - -Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte -bezig queue te maken. - -Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met -zenuwachtige gezichten, in hun elegante kleêren, toch als armen, -wachtend op de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden -knoopen waakten bij de deur. - -Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en -mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten -honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend -op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan, -mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen, -die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig -trokken met hun in spanning verwrongen gezichten. - -Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht... - -Totdat opeens de deuren opengingen. - -Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen -holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de -groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te -krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een -maal van uitgehongerden na een beleg. - -Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school, -knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en -waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd zouden worden. -Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes -goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier. - -Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „Messieurs, faites vos -jeux!” - -Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk, -een enkele zijn biljet op een nummertje, of een vak. Het leek -onschuldig, als een avondpartijtje, waar de kinderen om een lange tafel -aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat het hier ging om ’t -bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten in dat -schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en -heeren, schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère -en den honger en de langzame uitmoording van duizenden slaven en -sloven, die de productie voor hen moesten voortbrengen in kommer en -gebrek. - -Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette. -De roode gezichten volgden in spanning het kleine, witte, ratelende -knikkertje, of hun leven er van afhing. Onverschillig riep de croupier -met zijn monotone stem: - -„Treize! Noir, impair et manque!” - -En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar -ginds, ver, in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek -woedden, en de proletariër vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw -en kinderen, met den honger als wapen... - -Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het -onrecht! Overal triomfeerde het onrecht, en onder het masker van -godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij leefde de -minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van -het bloed en zweet der zwoegende massa’s. - -Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor -honderden millioenen verspild en verbrast, in louter roekeloosheid, -door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze patsers, millioenen, waar -zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om te lenigen -den nood der misdeelden. - -Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en -de weelde er geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit -Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige luxe in te ledigen. Uit -alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd met hun -geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er -anders geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven. -O! Als ze het niet konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid -was, dàn ware het nog wel onrecht, doch tóch nog te vergeven, omdat zij -niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden wreedaards hier, zij -wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren boeken -geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die -het hun hadden gepredikt, hoe zij leefden van diefstal en onrecht en -langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, zij allen wísten, en tóch -liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met paarlen en -diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud -betaald, en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg -in wellust met veile vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht -verworven geld. En zij allen noemden zich Christenen, en waagden het, -Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en Gods zegen af te -smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze -opeenhooping van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina, -waren nu duizenden, honderdduizenden ongelukkige, onbewuste arbeiders -bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige mijnschachten, in -van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende -riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige -beesten in de felle koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke -nietsdoeners aan hadden was door zwoegende medemenschen voor luttel -hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, de stof voor hun -kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, die -zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van -arbeiders was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien God aan -allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van -superioriteit, of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had -gegeven, enkel, omdat zij zóó in het groote onrecht van de maatschappij -waren geplaatst, meest door het bloote toeval van geboorte, of erfenis, -of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, waar het -geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden, -hoe meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender -menschen werden zij gevonden. Een Engelsche prins, die voor één hoed -van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen van Léoni vierduizend -francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed en zweet -van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle -Monte-Reginasche bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse, -die, door het verkoopen van haar lijf tot veilen wellust, zich een -onschatbaar fortuin had verworven, ging iedereen in de speelzalen -eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde van -haar beroemde diamanten. - -Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep, -wachtende op Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en -voller, een uur verliep, en nóg was hij niet gekomen. Een drukkende -warmte begon in de zaal te broeien, een lucht van verhitte menschen, -vermengd met geuren van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd -worden, en vond het beter, even wat naar buiten te gaan in de heerlijk -zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over een half uurtje zou -hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was. - -Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij -op een bankje zitten. - -Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was -eindeloos ver, spiegelend in het zachte zonlicht, rustig en egaal, -zonder rimpeling. Links naar den horizon wenkten verre omtrekken van -bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen nu en dan -héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde -de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en -tevredenheid, en rustig geluk. - -En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel -wègglijden. O! Hoe innig waren die lijnen van de bergen daar in de -verte, hoe gevoelig stonden daar die boomen, èven wuivende somtijds op -zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren varen haar pracht -ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! En, -weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen -vier muren, was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde -over de eindelooze zee. - -Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal. - -Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek, -en keek.... Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene -grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine -jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in -zijn bek. - -Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte -vallen, als voor vogels. - -Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op, -eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen, -vloog dàn weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige -lucht. - -Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig -slaande met de vlerkjes. - -De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in -zijn bek, holde weer weg. - -Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid, -in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank -gelukje, omhoog.... - -Pang! Pang! - -En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan, -met opengesperden muil.... - -Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne, -aten gebak en vruchten aan tafeltjes, lachten, hadden plezier, -applaudisseerden de laffe moordenaars, die de mooie, weerlooze duiven -schoten, uit pure pret in bloed en dood.... - -En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan -zijn de beroemde Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op -groote schaal, waaraan de hooge adel deelnam, de fine fleur van de -aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, met prijzen van -honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had -gedaan.... - -Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet -genoeg, en de dure demi-mondaines niet, en de met goud betaalde -pasteien niet, en niet de dolle wedloopen met halfdood gemartelde -paarden.... - -Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van -lediggang en parasitisme, zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord -op onnoozele duiven, waarvan er honderden vielen, tot hún leeg vermaak -op éénen dag.... - -Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De -witte duiven vlogen op, de een na de ander, en wiekten weg naar de -lichte lucht, en vielen jammerlijk neer, bloedend en des doods, waar -een roode muil met scherpe tanden dreigend werd opengesperd, ze -wachtte.... - -En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in -het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje. - -Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen -verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij -hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend -dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood. - -„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer, -mijn brave? Kan ik je helpen?” - -Paulus schrikte op. - -Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den -schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een -beetje medelijdend aan. - -Paulus greep hem krampachtig bij den arm. - -„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen. -„De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie, -witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels -zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze -spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als -gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte -veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de roode, -opengesperde muil van dien grooten hond.... o! de lafaards, Marcelio, -de lafaards!.... ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje, -als een gewoon spelletje, voor tijdverdrijf!....” - -„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.... Maar dat -is sport, wat ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres -voor gefokt.... als die sport er niet was, hadden ze heelemaal niet -geleefd.... Het is vandaag Tir aux Pigeons om den Grand Prix.... de -fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.... prins Sergius is er -ook bij, die wel weer zal winnen.... hij doet hors de concours mee, -omdat hij tóch altijd wint.... en vanmiddag komt Haar Koninklijke -Hoogheid, prinses Leliane, den wedstrijd even met haar bezoek -vereeren....” - -Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer -vergeten. Hij herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om -hem antwoord te brengen op zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede -van háár bezoek bij dien bloedigen moord van duiven ontging hem. - -Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van -hoopvolle verwachting bracht er een zacht licht over, als een -doorbrekende zon doet door een regenlucht. - -„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid....?” vroeg hij, stotterend. - -„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft -Haar Koninklijke Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te -beschikken. Ze zal je audiëntie verleenen. En héél alleen nog wel. Ze -zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, dat je over haar verdwalen -in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. Er zal niet -eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen. -Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die -al haar invloed er voor heeft gebruikt!” - -Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht -tranen in zijn oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan -toch goed worden! Zij zou de handen zegenend uitspreiden boven haar -arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem de woorden spreken van -wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj voorging -in liefde zou niemand durven achterblijven. - -„En.... wanneer?....” stotterde hij. - -„—Héél gauw.... morgen al.... om twee uur morgen middag word je -verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het -Regina-Palace.... ik zelf heb morgen dienst en zal je binnenleiden.... -dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór alles om de etiquette -denkt.... je bent nú niet meer in het Bosch met haar, en staat -tegenover je aanstaande koningin....” - -„—Morgen al?.... morgen al?” riep Paulus jubelend uit. - -Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den -afschuwelijken moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén, -dat hij morgen prinses Leliane zou zien, en dat dan alles goed zou -worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, dat liefde was en -mededoogen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig -geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij -prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen -en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte -maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek -ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij -wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit -hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe -was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde -gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen -voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als -maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde -aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch -ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon. - -Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar -het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen, -en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een -groote blankheid rayonneerend. - -Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En -wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze -gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde. -Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden, -en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van -den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte, -wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte -nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde, -die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde, -witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de -blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar -blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen. - -Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot, -onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk -goed zou worden.— - -Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de -dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger.... - -De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en -violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó, -verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens -droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg -weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles -rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid -duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak. - -Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun -breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven -stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de -bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn -puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap -met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich -hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in -smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze -bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge -licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar -de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer -was doortrokken van haar innige essences. - -In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol kleine amandelboomen in -bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze -bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.— - -Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende -boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In -de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde -water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze. - -Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van -het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods -aangezicht.... - - - -Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle -dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der -menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en -de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door -dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan -tot de sfeer van Leliane. - -Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de -boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen, -onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes, -die beefden van innigheid, de roerlooze cypressen, recht oprijzende, -als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd -vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel -staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de -hoofden der biddend-gebogen schare. - -Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het -dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu -teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de -dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den -deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef -in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem -nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van -zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij -straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en -herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare -genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken -in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle -andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was -gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen. -Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van -goud, de borst blinkend van ridderorden, en als een lichte bode uit een -sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen. - -„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote -gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil... -waardig zijn, hoor, en kalm...” - -Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte, -donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in -lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was -vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud, -met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een -anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke -staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed -Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond -alleen. - -Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen, -leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote -waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een -lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van -witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de -tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote, -broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte -orchideeën neêrhingen. Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke -beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen -glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen, -sereenen droom van vrome meditatie. - -Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine, -dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit -het geslacht der lichte water-lelies. - -Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den -jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij -begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij -wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste -spanning. - -Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde -wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans -omgeven, verscheen de prinses. - -Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van -zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp -naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij -knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot -den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote -overgave, als een zondaar in duister voor de blanke Heilige, die hem -barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts. - -Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel -trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid. - -„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.... Wij zijn u -niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.... Wat kunnen wij -voor u doen?....” - -Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de -wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van -engelen uit hemelsche sferen. - -Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel -nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar -aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar -God. - -Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even -aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was -zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers -had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde -gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de -middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was. -Toch begreep zij, dat dit zóó niet duren kon, dit stille aanbidden -zonder woorden. - -„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend. -„Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook -helpen met iets? Nu moet ge spreken....” - -Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing, -als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van -haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó -zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit, -zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was -wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein. - -„—Maar spréék dan toch....” zong weer de muziek van haar stem. - -Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te -herinneren.... alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien -hoogen staat.... hij moest nu spreken, zeide zij.... van wat?.... van -wat?.... wat was er nu nog te spreken?.... hier was het hóógste, wat nu -ooit nog komen kon.... het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar -de ziel van bidt.... hier was enkel het stille, rustige droomen, de -handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk... wat kon er -nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar -heilige oogen?... - -Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen -moest.... zij gebóód het, dus móest het wel.... er wàs wel iets, maar -dat was zoo héél lang geleden.... wel eeuwen leek het.... uit een ander -leven, in een gansch andere sfeer.... toen was het duister, zwart, -droef duister, en nú was alles zoo licht.... - -Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al -den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met -ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in -dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem -op dreef te brengen. - -„—Komaan....” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets -gekomen.... zeg ons nu alles, zonder schromen.... onze tijd is -kostbaar.... en wij hebben nog maar weinige minuten voor u... Spréék -nu, wij wíllen het, wij gebíeden....” - -Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte -uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op, -dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen, -de ellendigen.... het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en -rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en -roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande.... -En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, in de verblinding van zijn -droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte -kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles -duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de -emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem. - -„O! Koninklijke Prinses....” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die -leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van -reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van -mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.... Het -allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.... heeft U het zélve mij -niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.... op Uw gebod heb -ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en -vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.... omdat ik -dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk.... -toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de -huizingen der menschen.... schitterend wit, en veilig, op de heuvelen, -waar de lucht rein is.... maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de -groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen, -zich koesterend aan Uwen voet.... en benéden woont het onrecht en de -leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.... Ik -heb gezien de duizenden arbeiders, mijn broeders, die zwoegen in vunze, -heete holen, en diep in donkere mijnen.... ik heb hun vrouwen gezien, -hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon.... -ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de -verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe -zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren, -zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk -lijf.... de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke -Majesteit, als redeloos vee.... ik weet de honderdduizenden, die -wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.... en -o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede -parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan.... -Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de -werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder -wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog -niet van honger om te komen.... en de bestbetaalden, in de gunstigste -omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat -óns het leven enkel waard maakt.... Die groote, lichte Leliënstad, die -de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed, -gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.... en áltijd troont prinses -Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de ellende, en zij ziet -enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren, -koninklijken naam... En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al -de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en -zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet -der verdrukten.... O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden -U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik -de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer -rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.... O, -Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste -krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.... Gij hebt mij -beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister -ben ik afgedaald.... ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb -gelezen.... in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der -wereld zou te stillen zijn.... maar nergens heb ik de uitkomst -gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door -niets te stuiten.... De menschen gaan met harde gezichten en weenen -niet... zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als -koude wreedaards onbewogen.... en God heeft toch de schoone wereld -gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven -ten koste van de anderen, die lastdieren moeten zijn.... maar in de -menschen woont de Liefde niet....” - -Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht -hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn -groote verwarring. - -Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in -zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn -hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet. - -Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde -trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat -hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat -zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid -van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan, -voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar, -van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning -eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden -zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en -onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de -Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.... Had die -jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar -geslacht?.... Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke -gunsten?.... - -IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn -hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een -vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi, -met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe -glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de -riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had -bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste, -maagdelijke wezen. - -Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door. - -„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.... de -menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want -zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit -genezen.... daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat -lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte -staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun -grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de -gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de -feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet... zie de -vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het -dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën... -wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van -genade... en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand... als gíj -voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht -deden in Uwen naam... Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen -van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen -en beroofden... Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en -zonde, een duister oord van verschrikking, een hel....” - -„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend. - -Verschrikt keek hij op. - -De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een -superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om -zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een -wreede, minachtende trek kwam om haar mond. - -„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op -een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen -drempel te betreden... onder slaven hoort gij, met uw onwaardige -taal... ga heen, en kom tot inkeer... verbeter u, als gij ooit weer in -onze genade wilt komen...” - -Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik. -Hij dacht een oogenblik, dat hij slecht was, een ondankbare, een -nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het -onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een -verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige -reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke -waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van -haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige -tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een -enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan, -ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad -in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep -vernederd, of hij een zware misdaad had begaan. - -Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En -hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging -hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk -legde hij een hand op Paulus’ schouder. - -„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?... Dat kon ook niet -anders... mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch -moeten blijven... je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don -Quichotte... maar je hebt het zélf gewild... en door al die dingen moet -jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt -worden...” - -Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel. -Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste -verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam -naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem -neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns -ondanks, aan, met een zacht medegevoel. - -„—Kom... vertel me nu eens...” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken -wat bedaarde. - -„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio... van al de ellende... van het -onrecht... van haar droeve zusteren, levend van haar lijf... en ze -heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me -aangezien... mijn ziel kromp inéén... ze veracht me, nooit zal ik dien -vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel... -Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio... o! hoe zij daar stond, -zoo hoog, zoo edel, zoo trots... als zij mij lang zóó had aangezien, -zou ik gestorven zijn... maar zij wees mij weg, met een zóó fier -gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf...” - -Marcelio lachte medelijdend. - -„—En het onrecht dan, Paulus... de groote zaak van het volk, waar je -voor kwam?... was die dan inééns verbleekt in je?... alléén door dien -blik?... heb je toen alles inééns verzaakt?...” - -Paulus keek hem aan, en bloosde. - -„—O! Marcelio... ik wéét het niet meer... ik weet niets meer, dan dat -ze me aankeek... zóó... vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid... zoo -hoog was ze, zoo ongenaakbaar... en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo -verachtelijk... ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar -gewaad...” - -Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als -iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst -had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk: - -„—Kom, kom, Paulus.... weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van -haar gewaad aan te raken?.... en niet alleen dien zoom, maar haar -zelve, haar héélemaal.... weet je dan wel, dat de prinses.... gauw.... -hm... moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?...” - -Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend. - -„—Hè?.... Wat?....” - -Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg -ontzettender dan het eerst gebeurde. - -Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij -Paulus ging doen. Toen, inééns: - -„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius -Alexandrowitsch van Moscovië.... morgen wordt het bekend gemaakt....” - -Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde: - -„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met zúlke dingen mag je niet -spotten.... wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?....” - -„—Maar het is wáár, kerel.... ik spot héusch niet....” - -„—Och.... dat kán toch niet.... de prinses kán toch niet houden van -zoo’n bruut....” - -„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.... hóuden.... alsof een koningin -zou behoeven te hóuden.... dat is goed voor het volk.... bij een -koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het -vorstenhuis.... het is héusch, héusch waar, Paulus.... Maar wat schéélt -je, kerel?....” - -Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. -Marcelio hoorde hem stamelen: - -„Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen van de straat.... zónder -liefde.... alléén voor eene belooning van glorie of belang.... een -veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio.... -het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen...?” - -Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden -uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij -de vuisten in de lucht. - -Marcelio snelde op hem toe. - -En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk -bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een -doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp.... - - - -Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in -Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij -verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met -moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen, -en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne -verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een -doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte -Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en -niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders -was zij verloren.... Het Monster kwam al nader en nader.... - -En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in -zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te -bevechten. - -Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter -verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de -nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij -niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte in hem te zijn, -waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld -van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in -onbewustheden van zijn ziel. - -Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad, -dat was het éénige, waar hij om vroeg. - -Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat -was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond -gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of -verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen -voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus -uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over -wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor -zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles -op den duur toch wel geneest.... En hij begreep absoluut niet, wat het -voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn -droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een -Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen -uitstrekt in bloedgierig begeer.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Nu waren maanden en maanden daarna verloopen.... - -Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een -groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer -blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.... In ’t -begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit -over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en -alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden. -Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets -meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár -aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de -opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon -waard was? - -Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom -hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde -uitgeven. Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te -gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, -van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom -naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was, -die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was -hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het -lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te -bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen, -een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de -duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche -literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.— - -Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou -hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij -onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo -goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne -uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van -Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid -die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en -drinken. - -Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de -literatuur te wijden, en voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen -te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van -prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen. - -Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht -had. - -„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom -je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan -de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren -artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en -goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de -gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie -schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit -hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur -mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók -een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen -eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun -knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de -dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen -in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde -medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met -even veel unfaire middelen als de anderen, hoor! Er is nijd, er is -jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij, -misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in -je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon -volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor....” - -„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd -zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je -ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven....” - -„—Te géven, Paulus?.... ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.... als het -werkelijk te geven wás.... Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen, -en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er -voor betalen kan....” - -„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets -voor doe, zooals nú... het geld van de prinses, dat mij nu verder zou -bránden in mijn handen...” - -„—Dát is het, Paulus... maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden -het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is... al is het -een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de -weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen... met wat -je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder -studeeren in wat je studeeren wilt... en als je de kerel wordt, die ik -hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken -voor onze partij... daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan... -maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren, -altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der -dingen, die wíj durven aanzien... Dan zal je ook zien, hoe weinig je -eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij -het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst -van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren -staan... je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je -heelemaal daarbij kunt wegcijferen...” - -Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat -Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven -zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de -prinses. - -Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het -heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke -teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen -in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het -Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het -te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven! - -Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen... Maar waar zou hij dan van -moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses -aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en -zette hij zich aan den arbeid. - -Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel -voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze -woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat -hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk -leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij -het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij, -in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in -het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten, -de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol -sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver, -door geen rimpeling verstoord. - -Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een -wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging. -Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en -den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal -over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in -die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, die hij in zijn boek -gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal -onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen -en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een -troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei -boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige -houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar -zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze -kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en -teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor -wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach. - -Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te -loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon. - -Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen -vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme -genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had -hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en -waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er -zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote -stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en -zijne woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond. - -En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had, -van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en -elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet -langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de -omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen -hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die -sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en -klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het -noodlot der gelieven bezongen. - -Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal -over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in -de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan -voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk, -vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige -woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om -lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj -met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn -gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten! - -Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig geschreven boeken met -hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een -troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om -dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich -vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie, -niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs -niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van -de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een -bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan -stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen -ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote, -verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en -kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij -aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn -manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze -droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat -hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur -der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem, -of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was, -die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht -bidden van zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem -zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is -mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat -nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege -schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.” - -En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn -ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had -leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan -een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem -vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te -wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten, -want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets -anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde -ópklinken. - -Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige -menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van -automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls -een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel -bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet -ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als hij de -koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende -lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht -van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige -sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en -wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder -hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten -las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware -mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige -stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam -het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn -ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om -Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie, -Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden -in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge, -breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende -grofheden uitten. - -Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang, -dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou -komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren -Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij -het lezen van Wederich’s subliemen eersten bundel „Gedichten” het -denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had -bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de -oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug. -Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel -„Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de -eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje, -had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee, -Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.” En -een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door -zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat -hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer -zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was -toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had -haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig, -eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast, -onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer -vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan -vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn -schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou, -dan de hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het -harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger -is dan de harde materie. - -Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den -smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte -trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk -overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was, -voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van -het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás -dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen -lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch -altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre -van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook -gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in -de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en -bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote -vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen, -verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden, -verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden -hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was -het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; misschien -kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan -weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister -was. - -Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote -ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De -zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte -proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke -zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden -zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het -nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en -zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij -dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had -gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter -Wartenau: - -„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie -Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog -in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed -bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?” - -Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed -door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl -buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns -aanschijns, om de kleine minderheid te dienen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder -zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, -schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er -iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt -maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme -gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, -en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets -vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan -zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog -niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te -kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste -in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd -voor spot en hoon en verguizing. - -En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om bewust tot een gedachte -te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane zijn -boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren. -Immers het teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren, -het stil-biddend verlangen, waar de reien elfen en nimfen van zongen, -wat was het eigenlijk anders, dan het kuische gebeuren in zijn eigen -ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen aan den -roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage -voorgevoel van de verre prinses Leliane hem beroerde? - -Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij -voor de uitgave gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke -dingen, en vond het beter, eerst Marcelio er over te raadplegen, en te -vragen, om hem met het uitgeven te helpen. - -Marcelio was bereidvaardig, als altijd. - -„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.... „Ik -heb nog al veel connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien -te publiceeren, en dàn apart bij een uitgever. Het is nu maar de -kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. Je moet natuurlijk -kleur bekennen!” - -Dat begreep Paulus niet al te best. - -„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?” - -„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en -welke richting je bent toegedaan.” - -„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan. -Ik probeer alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo -eenvoudig mogelijk!” - -„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan -te sluiten. Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk -op je aan. Alléén staan is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in -de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven ze je nooit. Als je alléén wilt -staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees het desnoods zoo -tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets -uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s -kijken. Waar zou je je stuk nu naar toe sturen?.... Het beste is nog -naar Duval, den hoofdredacteur van het oudste tijdschrift, „Het -Morgenrood”....” - -„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft -tegengewerkt?.... die de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk -gemaakt... die Wederich’s beste, onsterfelijke sonnet „De Nachtegaal” -indertijd heeft geweigerd?....” - -„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters, -op een enkele na, hem weer vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is -bijgedraaid... dat Wederich nu zelf een tamelijk loftuitende studie -heeft geschreven over Duval’s prullenwerk... en dat, après tout, het -„Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls -je eenmaal uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?... anders -gééf je eenvoudig niet uit. Je dweepte vroeger met de schrijvers van -den Lotuskrans.... maar nú, nu ze bijna allen water in hun wijn hebben -gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in ’t gevlei -komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.... Bovendien -wil je nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.... het is er dus -vooral om te doen, dat je werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door -zooveel mogelijk menschen wordt gelezen... en om dat doel te bereiken, -moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders kóm je er -niet....” - -Paulus begreep het nog niet goed. - -„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij. - -„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet -dicht te houden. Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire -kringen verzeild raken, kennismaken met artiesten, enz., enz. Die -zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer. -Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire -literatuur zich met de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De -heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te -komen, nu ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in -Godsnaam voorzichtig, houd je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet -in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me ééns vertelde van Wederich met -zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen zijn vroegere -doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en -is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om -verloochend. Die Lavelane is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet -transigeeren wil. Maar dat zal óók wel komen, als je maar geduld hebt. -De tijd doet véél.... Je moet zien, dat je vooruitkomt en je pousseert, -in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij.... Het beste -is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en -dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en -word je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.... stap -dus over dat idee heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur -hem je werk. Gelóóf me, het is een verstandige raad, dien ik je -geef.... ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een goed woordje voor je -doen.... als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed -voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.... dan vindt hij zich zoo -de welwillende protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui -wel een handje zal helpen.... als ze hèm maar erkennen, en niets buiten -hem om doen.... en je bent daar in het „Morgenrood” in elk geval in -goed gezelschap van menschen met fatsoen, die wèl de mooie, rythmische -woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.... heusch, -„het Morgenrood” is nog het beste.... pak jij je manuscriptje nu maar -netjes in, en stuur het aan Duval.... ik zal hem dan vanavond te -spreken zien te krijgen in de societeit en je aanbevelen....” - - - -Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon -papier, en bond er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel. - -Een oogenblik twijfelde hij. - -Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt -had in de reine eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de -menschen met hun harde gezichten en hun hoonenden blik, in die duistere -stad, vol zonde en misère, zou het overal ten toon gesteld liggen, en -ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. Grove -handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en -wreed boven lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in -een woestenij vol roofvogels en gevaren? En waarom deed hij het -eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn medemenschen te -verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en mooi -te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging -doorbeefde hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem -dan tóch al hebben besmet?.... Als hij het pakje nu tóch wegstuurde, -was het met een kwalijk verholen gevoel, dat hij een slechte daad ging -doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden. - -Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een -brief van Jacob Duval. - -Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins -en de Fee” werd een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of -zijne mede-redactieleden zouden ook die meening zijn toegedaan. -Ofschoon „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al -maanden op plaatsing wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden -gemaakt, en in het eerstvolgend nummer zou zijn sprookje verschijnen. - -Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog -wel degelijk erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van -„Het Morgenrood,” die de sublieme verzen in de eerste afleveringen van -„De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep hij naar Marcelio, om hem het -heugelijke nieuws te vertellen. - -„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.... als je -die heeren maar op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel -schappelijk.... ik ken Duval al zoo lang.... en ik heb hem verteld, dat -je een protégétje bent van Haar Koninklijke Hoogheid.... van die scène -in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.... zoo héél in -vertrouwen zei ik hem dat.... nu, en dát was genoeg.... voor Haar -Koninklijke Hoogheid doet Duval álles.... en het was je beste -voorspraak, béter nog dan je boek zélf....” - -„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus -op, naïef. - -„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.... o! -wat ben jij nog een broekie.... Maar weet je, wat je nu doen moest?.... -nu moest je eens naar Jacob Duval gaan.... hij woont in de -Marmerstraat, 64.... en hem bedanken.... dat zal hij erg -appreciëeren....” - -Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan -zou terugdenken, als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij, -klein en nederig, naar een groot, weelderig huis is gegaan, waar woonde -Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber van de literatuur. Het -was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en dikke -tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem imponeerde door -pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog, -strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den -neus. - -Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den -schouder en zei „mijn beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk -„charmant,” zeide het mannetje, „het was een trouvaille... zoo weer -eens iets héél nieuws... en de redactie was er erg blij mede geweest... -hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker... het -was uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend... er was zooveel -slecht gezelschap in de literatuur voor jongelui... maar nu had hij -geen tijd meer... een redactievergadering... je begrijpt, er komt heel -wat kijken aan zoo’n tijdschrift... Paulus moest nog maar eens -terugkomen...” - -En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk -contact er ooit kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende, -uitgedroogde, oude heertje. Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje -had gezonden aan dát menschje! - -Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan -beginnen? Waar was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij, -dat er nooit voeling had kunnen zijn tusschen het innigste uit zijn -sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón niet. Dan had Duval héél -anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden toon -aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een -opwelling, om zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr -weg, terug naar de eenzaamheid van vroeger, om het enkel zélf te kunnen -lezen, heel alleen onder de stille boomen van het woud. Maar nu was het -te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu maar afwachten, -wat er van komen zou. - -Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen, -kende Paulus voor het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te -hooren naar hem toe klinken, van buiten naar binnen. Hij las nu zijn -sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een ander was, terwijl het -toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo vreemd, dat -alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan -te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was -het èven, of dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als -’t ware apart van hem, een eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er -zelf armer door was geworden. - -Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de -tijdschriften in couranten, werd zijn sprookje gesignaleerd. Er -verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. Een bekend uitgever -vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in -boekvorm. In de literaire wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn -kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke sprookje had geschreven -in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke -grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was -verschenen, voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en -den auteur te roemen. Eenige recensenten van de oude school gebruikten -het sprookje, om aan te toonen, hoe het idealisme weer boven kwam als -reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente schrijvers -in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de -verschijning in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur. - -Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en -onbekend met het industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht -zijn auteursrecht voor den eersten druk voor een som, die hij -buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar van kon leven, zooals -hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had moeten -vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede. - - - -Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een -groot pak aan zijn adres, met den naam van zijn uitgever er op, in -dikke letters. Haastig sneed hij het open, en daar lagen de twintig -present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, door -een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar -donkere boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd! -Het zachte papier, de pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte -letters! - -Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de -blanke vellen papier, als van fijne zijde, door zijne vingers glijden. -Dit was nu iets van hèm, apart, uit zijn eigen ziel gekomen! - -Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht, -dat dit boekje een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van -dames, en in dure boekenkasten van eikenhout met glas; iets, waar de -meerderheid van de menschen, die slaafden en sloofden, tòch niets aan -hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, de -afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en -kinderen, de jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de -straten, wat hadden zíj aan zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch -enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf francs konden koopen, en -den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een fauteuil, in -een omgeving van comfort en overdaad. - -Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo -voornaam uitzag. Zijn naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,” -zooals hij vroeger op de titelbladen andere had gezien, „Wederich,” en -„Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel van hèm gingen -houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid van -het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje -zouden gebogen zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op -vallen, als hij over hén had geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen, -die om hem dachten, al kende hij hen niet, en zijn ziel zou voeling -hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het liefste en -mooiste had neêrgelegd. - -O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van -een boek. Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel -van je medemenschen, die je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het -beste en innigste van je kregen ze, want het andere, mindere, van je -lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en gewoonheidjes, bleef -er buiten. - -’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet -in de vitrines was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag -nog niets. De uitgever had hèm dus zeker het eerste van allen bedacht, -nog vóór hij aan de expeditie begon. Hij keek nu aandachtig naar al de -boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs bij, als je eens -goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe, -sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn, -maar de meeste hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die -listige, pieterige intrigetjes, van mannen en vrouwen, die elkaar -bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten te kunnen botvieren. -Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in den -Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde, -en die nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie, -waarin de zoon gaat trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader, -door toedoen van zijn eigen ouders, die er alles van wisten, en dit de -beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau door dit stuk, -dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote -Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat -denkbeeld voelde Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens -naast dat van Wartenau zou komen te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch -óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de mooie, in rood marokijn -gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, dien hij -als een heilige vereerde om zijn „Buch der Lieder.” - -En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret -van prinses Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere -verschijning van fee.... - -Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane -boeken! Hij had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de -allerbeste dichters en schrijvers, en hij zou er vazen bij gezet hebben -met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld op oude -schilderijen.... - -Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij -opééns vlak voor zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen: - - -„De Prins en de Fee” Een sprookje door Paulus. - - -Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op. - -Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden -het nu zien. Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met -hun harde gezichten en hun breed gebaar.... En zij konden staren met -hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje op den band, dien vijver, -waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen in het -rond. - -Hij keek angstig naar de menschen, die voor de vitrine stonden te -kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen ’t -leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de -gehandschoende vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met -een naakte vrouwenfiguur. Een paar oude heeren stonden gewichtig te -kijken naar den titel van een groot werk over crimineele anthropologie. -Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem stond een jong -meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en -onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het -meisje zeggen: - -„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood” -heeft gestaan. Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten -we het dadelijk gaan koopen!” - -Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar -oogen. Toen voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou -hebben met zijn ziel, en de harde gezichten der andere menschen -boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep onbezorgd door, en zag zijn -boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van luxe, dat -iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag, -hoe er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit -zijn ziel, voor zóóveel francs te koop, maar ontoegankelijk voor wie -die som niet kon betalen.... - -Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich -schuil en ontweek hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend -Elias vertoonde hij zich niet. Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn -boek zouden beginnen, en tegenover Elias was het eigenlijk een zekere -schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag kwam hij Marcelio -op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar zijn -eigen appartementen in de Koninginnestraat. - -„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn -allerlei brieven en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij -mij, over je boek, en ik dacht, dat je toch wel eens áán zoudt komen. -Weet je wel, dat je een succès fou hebt met je sprookje? Als je nog een -béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van je heeft -ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat word jij in de hoogte gestoken, en dát -in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!” - -En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van -Marcelio, waar hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor -hem gekomen waren. Het waren meest alle brieven en recensies over zijn -boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. In de uiterste -verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn -gezicht, naarmate hij er mede vorderde. - -Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven -kwam neer op dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in -de hedendaagsche literatuur. Verbeeld je, in déze tijden, in de -zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het materialisme, nu de -geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en grof -sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te -beginnen van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een -prins uit een sprookje, die sprak de taal van Romeo, die van een -Danteske vereering gloeide, en zoowaar van liefde stierf, als in de -vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, van wien -nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan -verhalen van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar -kon droomen en nóg eens droomen, van heel verre af, en zachte gebeden -fluisteren naar een fee, eindeloos weg, die woonde op een onbereikbare -ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als het niet zoo subliem -was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren de -wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een -groote stad, in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was -daar een droomer opgestaan, die vertelde van de lichte visioenen der -oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden om draken te -verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van -hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een -hartelijk welkom toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een -eereplaats had veroverd in de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een -school door hem gesticht zou worden, zou dat wezen de hernieuwde school -van het romantische idealisme. Apart en bijzonder stond Paulus’ boek in -deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken, -zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans -leefden. Zelfs van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij -zijne bewondering uitte, en die hij liet volgen door een sonnet „aan -Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.” - -Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle -van jonge meisjes, die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar -ziel had gewekt, en hem vertelden van de tranen, die zij hadden -geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een vrouw, die haar -naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en -ongelukkig was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van -droom tóch niet bestonden, en ze alle maar vage schijnbeelden waren -geweest van haar fantasie. In haar jeugd had zij óók zoo verlangd, als -de prins, naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon -van haar ziel, maar het harde leven had haar mooie droomen vernield, -als een wilde wind een zeepbel, en toen had zij gedaan, wat alle andere -meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man met geld en positie. -Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste maal na -lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o! -zoo droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders -„compunctio” noemen. En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij -haar door zijn boek haar ziel weer èven had doen zien. - -In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem -Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.” - -Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in -zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht. - -Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend: - -„Zóó... heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?...” - -Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig -bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille -kamer. - -Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over dat onverwachte en -zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen -bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van -de duistere stad vol onrecht en zonde. - -Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen -van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij -letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het -grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en -onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die -persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van -dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn -kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren -aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van -Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een -ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk -niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der -literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde -decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven -smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet -van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had -aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, -dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde? - -Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte -rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke -gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het -succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al -vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het -was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, -en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens -bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van -haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek -hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over -den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een -goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem -niet meer ontloopen kon. - -„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.... -Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.... Maar dat is waar, je bent -nu de beroemde schrijver, hè.... je bent nu in de vóórste rij der -literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.... en nu ben je je oude vrienden -maar zoo’n beetje aan ’t vergeten....” - -„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. -„Maar ik had zooveel te doen.... en ik ben aan iets nieuws bezig....” - -„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar -kom, loop een eindje meê op.... als je je nu maar goed houdt, dan bèn -je er.... een beetje politiek zijn, natuurlijk....” - -„—Goed houden.... politiek zijn?....” vroeg Paulus. - -„—Nu ja.... je wéét wel.... dat zal je vriend Marcelio je toch óók al -wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.... geen -aanstoot geven.... in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn.... -meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes... Nú, -tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en -de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.... nu maar héél netjes, -en dociel, en in den vorm blijven.... dan kòm je er wel.... voorál geen -heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er -voorbijgaat.... op geen verboden plaatsen komen, hoor!.... en liefst de -héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst....” - -Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna -boos antwoordde hij: - -„—Maar Elias.... hoe kán je zoo spotten?..... je wéét toch wel, dat ik -altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal -buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven, -wat ik meen?.... Waarom spreek je zoo.... Heb je mijn sprookje -gelezen?.... Vind je er iets valsch of onecht in?....” - -„Neen, Paulus, dát niet.... ja, ik héb je boek gelezen, bij -uitzondering, omdat het van jóu was... ik geloof, dat het heel zuiver -is en echt.... zóó uit je ziel.... en ik voel het wel mooi óók, als -literatuur.... al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote -gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.... Maar ik denk niet, -dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet -als die glorie en die roem óm je blijven.... Die bederven op ’t laatst -den beste.... Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns -zuiver zijn geweest... als je in den smaak wílt blijven, móet je -eindigen met water in je wijn te doen....” - -„—En als ík het nu eens niet doe.... als ik bij een of andere -gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?....” - -„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je -lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je -voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan.... -Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.... Dan zou je -metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en -je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.... Nú, kijk -nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg -zoo’n beetje geweest.... íets werkt het verraderlijke gif altijd wel -uit... Denk nu eens aan Lavelane.... maakt híj zuivere, mooie -gedichten.... ja, hé?.... duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en -Wartenau nu prutselen.... en heeft díe roem of glorie?.... Het ééne -tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere... er is pas weer -een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van -gisteren.... het is van professor Lucianus.... den vriend van Duval, -een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók -toe behoort.... een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik -zelden gelezen.... Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren -niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.... ze zouden je wel -krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel -een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te -loochenen of te herroepen.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens -nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in -tijdschriften, particuliere brieven.— - -Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den -hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een -der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote -onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”, -het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer -exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen -aanzitten. - -Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide -hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het -zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk -eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven, -en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, -en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.— - -Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde -bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets -prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s -vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. - -Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door -een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de -Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou -plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde -zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude -heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met -gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf. - -„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval -vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u -voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De -Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan -te zitten.” - -Paulus boog. - -Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en -wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren -allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen, -beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun -gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij -zooveel officiëel gewichtigs. - -Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn -de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en -geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte -onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we -nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”— - -En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, -besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde. - -Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en -medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het -Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier -gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en -innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de -Diamanten Ster was in zijn knoopsgat. - -Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al -de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne -bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn -gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet -bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend -aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan -zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem -al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog -in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van -vereering en dank. - -Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal -schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig -wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval. -Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde, -beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets -in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen -klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun -gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid, -die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had -gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep. -Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal -zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke -wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder -al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als -deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven, -en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De -atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd -drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een -irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende -geleerden. - -Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat -kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan -aandoen?...” - -En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met -zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van -het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo -genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge, -edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje -vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam -toe gekomen? - -Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren -even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele -eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten -over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel. - -Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten. - -„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het -heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?” - -„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het -vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het -mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd -aanziende: - -„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van -vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.... -hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en -het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het -mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!” - -„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet -uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd -meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk -isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo -mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn -„Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n -zwarten tijd doorgemaakt....” - -Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer -antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en -zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was -iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er -iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna -ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed -potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg -te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit -het volk om een verfijnde meneer te schijnen. - -Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren -vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over -geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde -iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk -waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich -lichtelijk obsceen. - -Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin -enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of -historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie -van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een -luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen -zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie -het eerst van allen in aanmerking zou komen. - -Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend: - -„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal -buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd... -wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de -echte, zuivere dichters?...” - -Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te -droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, -zeide hij: - -„Lavelane!” - -Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al -de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of -iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie. - -„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk. - -Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide -schertsend: - -„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een -„enfant terrible” bent!...” - -Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg: - -„Lavelane is toch een groot dichter!” - -Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige -uitdrukking op zijn gezicht: - -„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, -zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan -hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat -officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man -niets heilig.” - -„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende -argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet -iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien -je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.” - -Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, -om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat -gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine, -obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen! - -En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets -gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! -Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn -veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met -zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt. - -En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen -zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen -behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende -schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat -alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang -in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te -veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon. - -Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven -champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden -redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den -loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans -ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó -oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde -tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich -bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist -op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde.... - -Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging -stond hij op, en riep met luide stem over de tafel: - -„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste -gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste -dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet -mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet- -en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám -mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur -bezit, durven beschimpen!....” - -Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend -van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele -literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar -wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs -en ongehoords.... - - - -Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, -koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde -zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en -hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen -voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld -verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate -het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn -naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts -gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover -de machthebbers en het poenendom. - -Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem -beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk -zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en -dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj -zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om -ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde -hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige -usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat -glorie en wat geld? - -Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen -over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten -hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen -zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het -opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem -bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn -geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, -geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en -al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één -van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden? -Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd, -en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en -gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende -kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld. - -Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens -Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest -leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene -groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en -liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van -Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane -was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings -het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij -was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een -troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na -Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde -met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op -hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin -hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor -het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde -hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen -champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge -opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje -van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, -omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek -zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist -waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had -gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van -Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna -dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om -zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres, -overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een -dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel -gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard, -in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte -artiesten.— - -Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet -bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok -uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram -naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging -zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. -Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de -vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en -râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van -ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren -heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of -souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers -te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden -lonkend heen en weer. - -Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, -schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die -zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een -dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij -menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe -waas. - -Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en -vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen -hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door -een breeden, slappen flambard. - -Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al -dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, -een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam -grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond. - -Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open -borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer -de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!” - -Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem -gericht. - -„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een -hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, -dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te -komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij -voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen. -Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden -groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp -gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten -slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen -komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn. - -Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in -illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio. - -Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane -kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek -hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn. - -„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo -naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd... -wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...” - -Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat -toeschreeuwde. - -„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. -„Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane -kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig -zijn, als ik hem de hand mocht drukken.” - -Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die -aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een -jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op, -en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van -hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een -Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd. - -„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen -durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de -mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit -de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.” - -„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best -doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik -houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.” - -Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur -openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet -opging: „De Meester!... de Meester!” - -En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van -zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit -twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, -als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven -niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in -dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: -dit moest Lavelane zijn. - -Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, -en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een -gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen -door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester, -waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden -uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, -vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, -tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das. - -Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat -hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een -nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus -weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was -vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den -meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog -even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan -stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden -onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige -uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in -April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in -het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving -zagen, maar enkel hun eigen droom. - -Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig -over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart -jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder -das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was -afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn -geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand -aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet -eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen. - -Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar -tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in -die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had -verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die -schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, -leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de -deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de -wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo -koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich -tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten -hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die -hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das. - -Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het -andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun -gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten -stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij. - -In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, -vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het -bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog, -en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter -scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen -alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen -het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even -naar hem te kijken. - -Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je -kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie -bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?” - -„—Ik heet Paulus.” - -„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De -Prins en de Fee?”” - -„—Dezelfde. En wat zoú dat?” - -„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den -arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en -zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om -Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!” - -En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd -en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten. - -„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer -Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de -Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar -Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns, -décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!... -wat zullen we met hem doen?....” - -Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op -en gaf Paulus vriendelijk de hand. - -„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je -sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste -jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó, -hier naast me maar....” - -Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat -verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, -was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was -iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste -ridderorde. - -„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens -opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je -wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het -Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen -verbruid!” - -Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden -gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende -overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een -onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze -ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag. - -„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die -mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik -in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik -ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen, -doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in -rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat -Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn -knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen -al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen, -Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten -dichter van het land, en toen...” - -„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning.... - -„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou -krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard -waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te -zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....” - -Een luid gejubel barstte los. - -De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder. - -„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je -mijn vriend, hoor! mijn vriend!” - -„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de -zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij -schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed -pijn van de forsche drukken. - -Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven -te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen -roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe -oogen staarden vaag in de verte.... - -Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor -Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij -dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten -cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen, -die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol -vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t -drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van -literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van -zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet -herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, -door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde -in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch -maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen -bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun -liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo -groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit -luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit -bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder -liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo -teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de -ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven, -veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige -titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en -de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de -hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren.... - -Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van -dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste -hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de -schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan -zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te -dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht, -waarin hij vergetelheid had gezocht. - -Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, -en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem -geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter -beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat -afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte -zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd -vers. - -Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te -worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met -groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De -gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol -vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, -en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd -afscheid te nemen. - -Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde -hem tegenhouden. - -„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...” -stotterde hij. - -Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de -hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de -absinth. - -„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard. - -De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe -oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of -díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote -ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven... - -En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo -weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij -zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó -zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen -uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich -verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte -maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú -was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij -indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere -souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen -tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed -waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet, -hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij -nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit -was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden -lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de -literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en -hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit -zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle -over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich -opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel -verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid -ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus -nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor -zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk -achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren, -sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. -Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in -„De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een -mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de -officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond -Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te -publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er -trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken. -Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de -arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar -over zijn ziel. - -Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden -maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een -onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk -aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij -voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van -zijn idealen dichter. - -Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor -Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van -verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de -prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband -rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie -onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam: -Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.” - -Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan -het nazien van zijn verzen. - -Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even, -moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant -had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond -het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld -verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in -Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius -Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk -feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het -hooge paar op een waardige wijze te ontvangen. - -En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking -weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen -zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig -en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond, -als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest -uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen -oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als -maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de -prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het -Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere -schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar -kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn -binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem -door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze -in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel -beefde en werd van onrust vervuld.... - - - -En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte -zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen -eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en -bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden -waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar -zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of -alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en -dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd -met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol -artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige -verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische -vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd -versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters -waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de -politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van -Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het -nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang, -geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen. -Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd -nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en -bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor -gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en -onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan -eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande -huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus, -hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk, -het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren, -nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld -van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst -mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht -en de ellende vergeten. - -Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en -verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle -verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich -aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar -al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en -bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die -dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep -hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal -bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te -huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de -koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van -het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als -de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch -verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was -onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het -zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en -drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren, -waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren -gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen -schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke -van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en -bloedgierige van het Beest. - -Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het -licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg -het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren -naar dat demonische gedoe. - -Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het -komen, nu zou het komen... - -Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was -de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want -nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het -ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een -duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het -groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk. - -Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich -voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de -gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het -tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het -was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf -moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte -was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het -koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren -vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de -toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa -geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit -meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken -zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een -lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven -odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk -worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in, -maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand -kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen. - -Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast, -schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op -wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in -vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals -groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat -kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der -vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen -een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er -onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen -raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders -doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken -aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl -had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de -paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich -onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de -huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht -hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het -meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd, -als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en -dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te -juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige -Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut -geweld van krijgsvolk. - -Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode -gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de -walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had -hij de menschen zóó leelijk gezien. - -Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr -in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het -fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve, -donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van -innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun -tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot -hemel-vlucht. - -De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend -cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het -allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het -vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten. - -En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de -witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op -het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden -zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte... - -Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar -beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In -de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses -Leliane was aangekomen. - -Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den -menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen -bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan, -als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden -luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter -bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het -volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten -òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat -gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door -elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden. - -Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van -goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun -licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen, -met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek. - -En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte -paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun -fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als -waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen -karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die -geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het -sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van -lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam, -geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte -rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen. - -Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk -van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses, -liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen, -waarin de droom lag van de hooge hemelen.— - -Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht, -zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft -geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van -brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten, -langen baard, en met bloedbeloopen oogen.... - -Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog -éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het -portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil. - -En dan verloor hij het bewustzijn.... - - - -Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd -was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was -leeg. - -„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een -flauwte.... van het dringen zeker....” - -En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks, -en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij -geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al -die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij -voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en -verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar -huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?.... -Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij -rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op, -waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige -Leliane. - -Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen -voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend -in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de -plechtige stilte van de gewelven. - -Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht -door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen, -gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en -aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg -in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen. -Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen, -zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus -het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en -daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder. - -En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin -bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane. - -Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar -neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal, -verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven -zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten -cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem -neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed. - -„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij -eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God -had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, -redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van -deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij -al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, -dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch -niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het -zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze -kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al -haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die -oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár -kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden -ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige -Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het -heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den -gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de -besmetting door het Monster!...” - -Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn -gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en -onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing, -bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en -wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode -lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de -lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk, -voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed... - -Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn -ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal. - -De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de -oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de -poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen -voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou -komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden -vastgesteld voor het huwelijk. - -„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op -zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag -feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet -blijven....” - -Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de -prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond -weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen -stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met -de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig, -als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet. - -Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij -had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een -wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen -zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder -zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme. - -Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect. -Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de -straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond -lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden. -Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van -den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan -anders in hun daagsche kleeren. - -En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het -onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde -der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte -Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te -bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige -Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging -was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien -niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk -verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn -ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle -vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot -en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen -te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even -massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles -was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de -minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade. - -Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip -meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd -door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest. -Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal -liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes -vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart -pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij -misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te -liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen -den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat -brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen -begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten -slaap, als een afgejakkerd dier... - -Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij -was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove, -schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn -hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd -parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou -stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met -koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche -lucht. - -De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het -was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó -lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze -zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal -hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie -en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen, -véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár -zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein.... - -Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen -menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de -heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend -afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er -niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein -zou zijn en stil. - -Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het -leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen -omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet -mede aan het feest... - -Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met -haar duizenden lichtjes. - -Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen -menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier? -Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor -wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar -een groot bosch, waar de wind over waaide? - -Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen. -Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn... - -Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit -licht laaide vóór hem. - -De adem stokte in zijn keel. - -Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het -witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein, -in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was -geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte -tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen, -waar de engelen en de zalige zielen zijn... - -Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart -van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en -brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door -elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en -verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar -laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen -voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans -uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren -verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen -zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile -gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de -universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken -duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door -was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras -liggen. - -Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen -feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een -driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen -stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het -plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor -opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in -de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van -dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode -vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór -het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn -vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun -walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op -elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild -dooreen, in woedenden rondedans. - -Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting. - -Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar -zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos -vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en -wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een -vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan -gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer -te zijn? - -Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in -martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de -prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende -beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad, -die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij -allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met -log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote -filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote -vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken. -Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van -de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun -moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de -stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu -zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en -illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren -de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte -monster uit Moscovië. - -Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij -wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe -kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende -mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden -monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam -familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons -Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het -lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te -kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden, -zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan. - -Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam -drong zij naar voren.— - -Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden -van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze -massa terug te dringen met sabel en bajonet. - -Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een -betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere -drommen in diep zwijgen. - -De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren -opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden, -als in een kerk, als de hostie wordt geheven.— - -Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke -konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den -avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den -paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool -om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van -diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht -uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen.... - -En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen, -uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre -hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar -zegen. - -Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als -deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden -zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht -neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De -diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden -hoofd.... - -Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit -de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een -vervloeking had kunnen zijn als een huldiging. - -Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen -hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar -boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld, -was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist -hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was -alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn -ziel haar aanbad.— - -Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende, -vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane, -als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die -beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des -Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het -aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft. - -Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich -lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de -brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek. - -Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van -woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten, -afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden -omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en -buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die -brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken. - -Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte -schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het -Beest aan.... - -Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een -grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het -roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard -loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed -denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de -electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen -schitteren van een onheilig vuur. - -Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër -schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van -de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een -ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk. - -Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare -konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde -op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog -geworpen, vuurzwermen knalden. - -De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle -onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, -triomfantelijk, domineerend.... - -Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde -zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij -gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij -niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen -in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en -bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht -van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken -kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van -al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt -wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij -nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest -door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van -lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad, -van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg -nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in -reinheid en rust... - -Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de -stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een -ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook -uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel -ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was -nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij, -nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar -eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg -wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen -in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij -zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een -bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van -zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo -hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het -punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon -openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van -stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart. - -Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu -wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag -de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en -de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken -ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere -seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen -kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om -gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere -lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch -voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu -reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd -verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen, -waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige -gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van -de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn -hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard -tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure -avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot -verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te -voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd. -Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende -gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het -Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende -vaart voortrolde door de ruimte. - -Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een -klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk -insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een -paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te -brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland -aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij -ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen -weemoed dingen van het vroeger geziene.— - -De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een -reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat -hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar -houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het -woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van -wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden -ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid, -omdat hij moede was van de dingen der wereld.... - -Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te -diep verzonken in gepeinzen... - -Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil. - -Paulus uitte een kreet van vreugde.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Een groote, wijde vlakte lag vóór hem. - -Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een -wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen. - -Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, -alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, -het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem! - -Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij -kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, -trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde -sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van -zenuwachtigheid over al zijn leden. - -Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen -dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar -zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere -stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, bracht hem dichter bij het -veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn -liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange -scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch -terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles -ook weer goed worden, als vroeger... - -Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen -plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár -begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen -oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als -een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun -prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t -wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. -En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede -broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.— - -Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich -gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn! - -En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle -met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke -wezen dat er achter woonde. - -Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige tempel Gods, even -heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte -pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes -waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek. - -Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden? - -Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er -niet rein genoeg meer voor was. - -O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank -werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich -te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed -hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong -met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude, -frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een -doop tot het reine, eenvoudige leven. - -O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! -Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog -aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij -bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en -nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water. -Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen -stofje van de atmosfeer in de stad mocht op hem blijven. De doop moest -hem ganschelijk verreinen. - -Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de -overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in -een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in. - -De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog -wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. -De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó -ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad -in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde -er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en -voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van -bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water -zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en -longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit, -als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, -door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel -doet, blij om het leven en het licht. - -Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde -hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. -Zij herinnerden zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en -wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen, -die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op -bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in -een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten -den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér -gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu -onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren, -zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van -menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu -nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel. - -Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel -lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, -dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij -wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste, -heiligste plek van het Bosch zou vinden. - -Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer -gesterkt was. - -Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den -lelie-vijver komen... - -Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, en er niet rein -genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de -heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil -bleef staan, huiverend van eerbied. - -Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden. - -Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in -zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede -overtogen. - -De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien -kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld -in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een -krans van jubelend gezang in ’t rond. - -Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, -door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken -in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed. - -En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte -waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden -als heilige harten zoo stil. - -Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. -Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop, -voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der -tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke -bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden de gouden harten -ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht. - -De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, -biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een -cathedraal. - -Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de -hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van -kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte. - -De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de -diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen -een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd -de rust nóg stiller... - -Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen -omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van -God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van -menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen -van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door -hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, -gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het -vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht. - -En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, -daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in -hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in -hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen -ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien -kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, -dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het -allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit -door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang -geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel -ééns die klare rust zou hebben gevonden. - -Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde -eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, -vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de -simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar -hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die -uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver -was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was -geopenbaard. - -Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een -rustige slaap zijn van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot. - -De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den -stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige -wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor -’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van -den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit, -vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat -teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal -breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit -over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom. - -En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een -kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk -dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders, -de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd.... - - - -Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de -takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek -zijn sluimerende ziel vervulde. - -De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige -licht als een zachte, berustende liefde verspreid over de -wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond -het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven -Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen. - -Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang. - -Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en -dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase -in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een -fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een -rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die -zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg -meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon -inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat -opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij -weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer -uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer -wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat -dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den -hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en -luisterden. - -Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de sterren door de takken -der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het -woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en -deemoedig, verscholen zat in het groen. - -Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig -hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom -gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó -bewust was geworden, werd in hem wakker. - -Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en -luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks -wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in, -met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in -de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen -en dingen. - -„Leliane!....” fluisterde hij ... „Leliane!....” en het was hem, of hij -wèg zou sterven in gebed. - -Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame -vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk -vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken. - -Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en -luisterden in plechtige aandacht.... - -Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, -en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in -slaap gevallen. - -Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. -De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige -waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag, -in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van -blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied. -En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre -wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van -verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen -het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied. - -„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd. - -„—Roekeroe,” zeide een ander. - -Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht -ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer -voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken. -De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje, -dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en -koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde -wat wachtend op en neer. - -En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, -trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander -toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen, -hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het -was groot van eenvoud. - -Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun -lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig -werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen. - -De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de -verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, -als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de -slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun -zuivere statuur. - -De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en -hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de -innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor -de zegening van de zon... - -Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. -Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der -stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen -van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied -van de vogelen. O! De wereld was een wonder van liefde, en een genade, -oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij -voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht -zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de -vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om -zijn innigheid te geven. - -Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu -leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het -buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden -in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er -duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en -diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de -wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij -plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op -zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze -zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was -vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore -orgeltonen boven zijn hoofd? - -In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon -zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was -bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in helder -geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied. - -Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het -ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, -niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar -rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen -aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid! - -Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! -daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar -weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was -vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de -lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar -ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?... -Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de -steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, -en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over -den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als -een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze -beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het -hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een -vriend had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde. - -Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was -voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar -alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en -er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere -toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het -allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was -gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling -verstoord! - -„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was -Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij -zich met alles. - -Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er -haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar -hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en -hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het -andere was, maar even, een booze droom geweest.— - -Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en -de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een -vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden -daar vóór, en hoe ze hun takken hielden. - -Eindelijk, daar wás hij er... Niemand was in het tuintje... -Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin -achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje. - -Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als -vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op -zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude, -vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht. -Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken -stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten -voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem -goeden-dag. - -De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel -zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók -aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger. - -Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met -een oud, wèlbekend gerucht. - -Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening. - -„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, -eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar -even weg was geweest voor een wandeling. - -Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat rustige, sereene -menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was -verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste -wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd. - -En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome -ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor -Willebrordus’ voeten neder.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.— - -Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, -alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En -Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot -rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te -voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide, -Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, -die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte -gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in -den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem -wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus -iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een -gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus -verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá -niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had -geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.... -heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later -misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....” - -En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag -voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had. - -Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé -overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen -in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn -kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag -achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een -hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil -was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van -de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het -groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde, -als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van -den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van -den avond. - -Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het -spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe, -simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer -met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van -weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar -trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, -dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?” - -Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al -gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, -zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij -veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan -avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die -hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd -nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de -Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem -buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van -boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten. -Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos.... - -Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel -verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het -Bosch was vredig en sterkend, als een gebed. - -Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne -krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn -wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, -en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te -moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de -dieren. - -Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al -dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te -wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu -veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede, -ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver -van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, -in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het -open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden -avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij -opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den -luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der -menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: -„Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit -grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?” - -Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende, -als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van -Monte-Regina? - -Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie -om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer -terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen -verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op -te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad -dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur -liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het -eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door -giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop -der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven -honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om -haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele -rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de -luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht, -waar de nachtegalen van zaligheid zongen. - -Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, -zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de -natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer -en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke, -droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat -hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie -vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven -uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te -stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch -niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en -eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en -juiste natuur? - -Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver -over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te -vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan -moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar -Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn -gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu -hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine -uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem -vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En -ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen -ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur -voor baten zou. - -Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een -onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te -zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te -zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!.... - -Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking -herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die -dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was -van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar -beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder -aan heilige, verre transen. - -Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en -schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of -wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht -geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar -lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn -rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár -heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In -de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven -straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij -schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de -gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel -eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de -weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het -verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den -droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën -blankheid.— - -Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij -zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest -die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had -getoefd, terwijl zijn lichaam sliep. - -Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het -leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, -grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de -blinkende, gouden letters las boven den ingang: - - - Ziet, ik ben bij u - Alle dagen - Tot aan der Wereld Einde. - - -De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En -klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, -loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger.... - -Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de -wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der -vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte -en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte. - -Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een -onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis -van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken -luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig -verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het -Bosch. - -Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s -middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een -ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te -hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van -Elias.— - - - „Beste Paulus! - - Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, - dat je hem krijgt. - - Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je - bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote - dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit: - „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden - verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het - Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik - je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken, - moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer - hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg - gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je - altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je - in de stad bent. Je vriend - - Elias.” - - -Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij -had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd -had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór -Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik -vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door -hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...” - -En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. -Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. -Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en -kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van -zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn -kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En -Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe -verootmoediging. - -Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, -vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen, -waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis, -maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur -stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde -wachten. - -Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een -grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel -„Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep, -dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen -over zijn verzen. - -Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een -smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn. - -Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het -verschijnen van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus, -in „de Zon”, was de critiek op slag omgedraaid. Toen de schrijver -Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer in de officiëele -tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne -verdediging van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed -gezet. En op zijn simpele, naïeve „Gedichten” had de perfide -recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde critici, die zijn sprookje -hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een wee -bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap -toch eindelijk uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in -den beginne, door het vreemde er van, er met dat sprookje waren -ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, ziekelijk -decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de -scheefste bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden -zelfs verklaren, dat hun vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins -en de Fee” ironisch was bedoeld, wat toch iedereen tóen al moest -bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje van -Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden -gemaakt, en van Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen, -waarin dezelfde Paulus, wien hij vroeger het sonnet „Reinheid” had -gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, een verkapte, -heimelijke wellusteling werd genoemd. - -Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd, -met enkel het èven, zachtkens bewegen van het droome-rhythme zijner -ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op ulevellen-papier, of -prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast, -werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende, -nieuwe sonnetten van Wederich, waar geen greintje emotie in was -bewaard. In een artikel van Wartenau werd hij voorgesteld als een -klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen had gemengd, -en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in -satyrieke weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al -potsierlijker en wanstaltiger dan de ander. Één daarvan stelde „de -Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, met -vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken. - -Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen -dichter te verdedigen, die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en -zich daardoor den haat van alle machthebbers op den hals had gehaald. - -Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet -verder kon lezen, en een grooten stapel overgebleven recensies -ongelezen moest laten liggen. Het was hem, of ze hem met drek en gif -hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn maag, of hij -onpasselijk zou worden. - -Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het -werkelijk mooie in hem was er niet door aangetast, en bleef, -onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige sfeer. Hij -twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel, -dat hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen -had gegeven. En hij voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste -weg te geven, en ook nú nog altijd door te blijven uitzeggen, door -alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig er van was, zou -tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven. - -Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en -trouweloozer was, dan de maatschappij der gewone menschen, die enkel -maar leelijk en banaal waren, omdat zij niet anders wisten. Die -artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij gezegend waren -met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij de -verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te -gaan. Nu voelde hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns -zeide, dat de toekomst niet uit de kunstenaars, maar uit het gewone -volk moest voortkomen. - -Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan -veranderd door al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even -melodieus opklinken, en zijn ziel herkende ze. - -Elias’ stem schrikte hem op. - -„Zóó, kerel... dat is brááf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd, -hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van -zult ópkijken... Wat léés je daar?... Aha, over je verzen! Ze hebben je -leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen -band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen... maar -dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht... de -literatuur en de kunst zijn nú bijzaak... daar hebben we nú geen tijd -voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden -onder mekaar... maar nú staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren... -kerel, kerel, weet je wàt?... ráád eens!...” - -En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm. - -Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit -gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe, -blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich -af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden, -koortsachtigen glans. - -„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?” - -„Mij?.... Niets hoor!.... Een beetje in de weêr geweest de laatste -dagen, wat veel gewerkt.... twee nachten niet geslapen, dat is -alles!.... dat is van net zoo weinig belang, als dat gewurm in de -literatuur... maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat -is almachtig, ontzaglijk groot....” - -„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan... ik begrijp je niet....” - -„Nu, hóór dan.... je kunt zwíjgen, hé...? als je één woord te vroeg -klapt, ligt alles in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je -door je kop zoudt krijgen.... Hóór dan.... Mórgen, om zeven uur ’s -ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de groote, -kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.... het is een -giganten-werk geweest, van járen en járen, maar nú is het er.... -Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj -daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte, -is híer met een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een -reuzen-organisatie op touw gezet... Híer was de hoofdzetel, en van -hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, over het gansche -land... je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél -menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.... maar nú -zal je eens zien.... honderdduizenden van onze mannen hebben hun -schouders gezet onder het logge, rotte gevaarte, dat de kapitalistische -maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, op één teeken, -óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien -poeieren.... Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote, -universeele werkstaking voor álle vakken en bedrijven.... Weet je wel, -wat dat zeggen wil, kereltje?....” - -Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel -beefde in hem van een groote, onuitsprekelijke vreugde. - -Elias ging door, op zegevierenden toon: - -„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van -het kapitaal, dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten -varen, en geen reizigers en goederen meer aankomen, of weggaan... dat -beteekent, dat de waterleidingen niet meer werken, en de lantarens niet -meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer rijden, en geen -brieven meer worden gebracht.... de heeren kunnen nu loopen als ze -ergens heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods.... -de telefoon zal stilstaan, en ook de telegraaf.... de heeren van de -beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, om elkander te bedotten, en -de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun duim moeten -zuigen.... de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s -ochtends wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.... Het is niet -zóó maar met een páár woorden te zeggen, maar je moet tot het besef -zien te komen, wat het wil zeggen: dat alles stilstaat.... Al zóóveel -honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze -gesloofd en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn ze, en tráppen lieten -ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, voor -een afgekloven been, dat overbleef.... en ze hadden maar te wíllen, dan -was het uit.... zij wáren het toch maar, die alles in beweging zetten, -en zonder hén stonden de bourgeois en de kapitalisten hulpeloos, als -een kind dat niet alléén op ’t potje kan..... als slaven hebben ze hem -aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den mond -gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje -voor hem gespreid.... alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn, -als een hulpeloos lam.... en getrápt heeft hij hen, gespuwd, -uitgescholden, en getrápt... Maar nú zal het uit zijn, nú of nooit.... -Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk -solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en -alle oorlogschepen en alle kanonnen van de wereld.... Het heeft móeite -gekost, Paulus, om het zóó ver te krijgen.... álles is tot nu toe -afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, aangestookt door -den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd -ondersteund.... Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en -morgen zal de ontzaglijke veldslag beginnen, een veldslag, waarin niet -geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen dooden zullen vallen, -dan enkel van den honger.... en het kapitalisme zal zich vergeefs te -pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.... Je -hebt zeker wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste -jongen?..... zoo mooi hé, al die duizenden mannen, door één kracht -bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte.... -allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.... Welnú, zóó is onze -organisatie nu, maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen -elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien -kan.... Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse tijd aan!....” - -Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven -zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door: - -„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant -lezen... er ís geen broodje, er ís geen krant... Hij wil op reis gaan, -en denkt de trem naar ’t station te krijgen... er ís geen trem... Dan -loopen maar, en naar den trein... er ís geen trein... Daar staat hij, -hulpeloos, beroerd... en dán misschien zal in zijn stompe brein de -gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren -door den arbeider, die voor mij sjouwt... Zonder hèm ben ik niets... -mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht, -álles, álles krijg ik van hèm... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos -wicht te verhongeren en te verkleumen... Zie je, Paulus, ze moeten het -nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider niet voor hen -zorgt... Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze -toegeven, en zal het recht eíndelijk zegevieren... Dan zullen de -arbeiders dádelijk weer alles in beweging zetten, en zingend aan hun -werk gaan, want werken willen ze, dat is hun lust en hun leven... -Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. Maar dan -moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur -wettelijk bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten -ze voor. Ze vechten voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die -eerlijk is verdiend...” - -„—Maar, Elias, kán dat?... kán dat heusch?... bestaat dat echt, die -solidariteit, dat ál die honderdduizenden, die millioenen misschien, -wérkelijk elkaars kameraden en vrienden zijn, en door één gevoel -bezield?... Als dát waar kon zijn...” - -„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift... „kón zijn?... Wacht maar -eens tot morgen... Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden -en duizenden wielen en wieltjes, dat de geheele maatschappij in -beweging zet... Maar morgen!... Als er hiér door één man op het knopje -wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over -het land, dan stáát het stíl, Paulus, en géén radertje beweegt meer... -Zal je het dán gelooven?... Dán zal je óók weten wat solidariteit is, -de solidariteit, die de wereld verlossen zal van onrecht en slavernij, -waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald... En als hun buikjes -niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan -eens, hoe gauw de bourgeois zullen toegeven... vooral de -spoorwegstaking en die van de bootwerkers zal een kolossaal gevolg -hebben... want zonder treinen en booten geen handel...” - -Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven. -Het was té groot, té mooi. Maar toch... àls het eens kon... àls het -eens gelukte... dan zou de wereld zijn veranderd, en alles kon goed -worden... Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór hem op tafel -lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij -het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend -door zijn ziel. En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit -had gevoeld in de heiligste uren van plechtige avondstonde in het -Bosch. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den -volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen -van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk -van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai -van een magischen staf betooverd was. - -In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar -nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de -locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig -reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt, -onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden -aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven -tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was -ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen, -omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende -proletariaat had het werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden -voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen, -indien de andere niet hielpen. - -Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn -van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige -bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der -beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner -dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan -eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk -verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één -zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder, -bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in -het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog. - -Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere -evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van -geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze -eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar -mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij -telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op -werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het -zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare muur was -opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten. - -De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim -gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste -dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar -huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof -geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in -Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen. - -Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds -onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste, -wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van -het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde -wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om -tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár, -waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te -onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent -iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en -wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet -te komen. - -De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met -geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men -trachtte treinen te laten loopen met zoogenaamd vaderlandslievende -ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden -kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles -cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles -rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige -automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad -uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het -buitenland. - -De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke -verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden -arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó -absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te -wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in -Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun -verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen -weêrlooze burgers. - -De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich -ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote -deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken -van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde -onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten. - -Met groot machtsvertoon werden die fabrieken bezet door de militairen, -die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden -rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op -postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de -meest gepaste orde. - -Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te -lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene -opinie vóór zich te krijgen. - -En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden -laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden -stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken -zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch -voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op -feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de -beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en -het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die -ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het -kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht. - -Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken -op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch, -de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en -er kon maar heel weinig worden aangevoerd, nu de treinen niet meer -liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme -bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en -was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het -spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te -loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel -begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van -broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te -verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de -Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen -te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie -begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk -werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven -werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de -door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden -vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig. - -Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het -comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm -en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor -de Regeering, dan een feitelijke opstand, die door de soldaten -onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten -haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als -voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik -geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het -gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme, -ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward -worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou -volgen. - - - -De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de -koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande -schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten. - -Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor -haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon -niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met -een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de -treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in -toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van -verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de -Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der -grieven, alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen -hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en -eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer -gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat. - -De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen -verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen -wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de -prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar -huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche -wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich -tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was. - -Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het -grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een -dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het -uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies -te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te -beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der -arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en -pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking -ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De -kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad -terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk -daarop worden tegemoet gekomen. - -Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden -gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het -ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme -van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten. - -Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering -stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk -van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al -die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten. - -’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad -aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde -wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven -der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws. -Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de -laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een -vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder -oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De -patrouilleerende troepen en het voortdurend machtsvertoon hadden de -spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat -de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad -zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven -en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een -gevaarlijk onweêr. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De -plaatselijke autoriteiten, nog altijd den toestand niet vertrouwende, -heimelijk bevreesd voor een plotselingen opstand, hadden een -buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst van de -prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme -kazerne geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den -hoofdingang waren zelfs een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het -Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen weg, dien de prinses moest -rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het koninklijke -rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren. - -Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses, -dat zij al deze streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde -alléén onder haar volk terugkomen, als dit gebeuren kon, zooals altijd, -vrij en open, zonder militair geleide, zooals een vorstin komt onder -vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn -als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen -koningsstad passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had -kunnen doen ontstaan tusschen den troon en het volk. - -„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij -dit nieuws hoorde. - -„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor -zich uit. - -Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één -moment van verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren. -Één al te hard scheldwoord uit het grauw, één uit woeste baldadigheid -geworpen steen, en het werk van jaren en jaren onverdroten arbeid was -verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden partijgenooten, -allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich den -ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat -grauw, dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en -morgen steenigt, en dat overal als uit den grond oprijst in wilde -verwarde massa’s, zoodrá maar ergens gelegenheid is tot ruzie en -diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois altijd -met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den -grootsten vijand van allen, en vreesde het méér dan de sabels van -politie en huzaren. - -„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel -verkeerd, al is het dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den -dreigenden hongersnood van de laatste dagen is het gemeene volk niet te -vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij zijn nog niet bewust, -en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk veel -kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er -gebeuren kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit -daar, zonder militair geleide, in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een -groote massa volk staan aan het station. Dat is onvermijdelijk.—En ik -vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel kunt -vóórstellen, heúsch.” - -„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk -haar toe te jubelen en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen -waren ze dol van geestdrift!” - -„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.... maar daarom kunnen ze morgen -evengoed schelden en hoonen en steenigen.... je ként het volk niet.... -het is geváárlijker en verraderlijker dan een zee.... Die huilende en -brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht met den -Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste, -georganiseerde, ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw, -het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te -zwijnen valt en waar het maar jenever ruikt.... en voor datzelfde -grauw, dat toén jubelde onder het koninklijke venster, ben ik nú -banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste weken voor ons -heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te -doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan....” - -„—Maar wat wou je dan wel, Elias?” - -De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken -zenuwachtig. - -„Wat ik wou?....” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.... ik -wou, dat ik nu eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de -soldaten, met zoo’n hanestaart op mijn kop en een end mes op zij.... -dan had ik maling aan die orde van de prinses en liet ik een paar -regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke trein -moet aankomen.... o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens -iets gebeurt!.... dan is ons hééle werk verloren.... En wat moeten we -nu doen?.... Plakkaten aanplakken, biljetten laten rondstrooien, om den -menschen áán te raden, niet naar het station te gaan morgen?.... dan -gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt..., de partijgenooten -zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten -strijders voor het recht in deze omstandigheden betaamt.... maar het -canaille, zie je, het canaille.... dáár ben ik bang voor....” - - - -Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het -Centraalstation zijn. Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart -van de saamgestroomde menschen. Het overgroote deel daarvan wist -absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het was daar gekomen, -omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er -anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde -ook geen kwaad, wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren -zou, met een vaag voorgevoel van een naderende catastrophe, die als -broeide in de lucht. Een kleine minderheid was grauw, haveloos -schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk -kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der -Verlorenen.”—Dát volk had werkelijk honger geleden door de stijgende -broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs hún half-bedorven afval nog -te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, als van -uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende -borsten, waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis -zochten. Die uitgestooten paria’s hadden niets meer te verliezen, dan -hun waardelooze levens van martelende misère.—Met wilde blikken van -afgunst en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar -stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood -peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud -en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots -te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud -gemonteerd.—En superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de -koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig -als priesters onder hun driekanten steek. - -Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw -begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al -luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen. - -„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.... hebbe jullie je -dikgezope.... belabberde, lamlendige luiwammessen daar boven op die -bokke.... jullie hebbe ’t goed, hé.... en wíj kenne verrékke.... als -júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.... lammelingen.... de pest zel -je krijgen, daarboven op je wagens.... luie loeders!... en die knollen, -díe hebben ’t verdomme béter dan wíj.... wíj benne ook maar mensche, en -dát benne beeste.... díe krijgen wel te vrète, en van ’t beste, -hoor!.... ze benne méér dan wíj!....” - -Zóó ging het door, al luider en luider, nú van dezen kant, dan weer van -een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer. - -En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan -een vijftigtal politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden -vóór de rijtuigen. Een tiental er van waren bereden en slaagden er in -ruim baan te maken door hun paarden te doen steigeren. Maar militairen -waren niet te zien. - -De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken -last in van de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren -gereed, om op het eerste bericht onmiddellijk in den zadel te stijgen -en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd in de kazernes, -maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid -geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te -hebben, tot het uiterste. - -Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang -voorgevoel gedreven, in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten -bij mogelijk gevaar. Elias was bekend bij het volk, en kreeg het altijd -onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende stem. Zoodra hij de -scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, drukte -hij zenuwachtig Paulus’ hand. - -„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze... dat loopt -verkeerd... als dát maar niet mis gaat!” - -En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig, -om het opkomende verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende -belhamels te arresteeren mislukte. De arrestant werd dadelijk door het -opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken kreten en grof -gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de -scheede... - -Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest -prijs gegeven worden. Het consigne luidde: geduld tot het úiterste. - -Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het -schreef de weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon -het schelden en tieren nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen -door de lucht. De steek van een der koetsiers werd afgegooid door een -steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. De groote menigte, -die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw -deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een -gedrang. Een politieagent raakte onder den voet. Een lakei uitte een -schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek aan een bloedende wonde op -zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had. - -De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en -trokken de teugels aan, om te chargeeren... - -Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de -koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug. - -De kroonprinses Leliane was aangekomen... - - - -Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil. -Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit -der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had -bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide -onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien -vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van -een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was -ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven. - -Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn -vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen. - -Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa. - -Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder -de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van -goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en -fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de -lijdende, met honger en dood bedreigde stad. De hooge, voorname -hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend van voorspoed, weelderig -en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, dat de ernst -der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange -spanning in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans. - -Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende -drommen, vaag-vijandig, ontevreden. - -Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en -hoera-geroep. Zij bleef nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam. -Toen begreep zij. Éven keek zij koud, van uit de hoogte van haar -koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende menigte. Toen -stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik -ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te -laag en te nietig voor de goddelijke genade van haar oogen. - -Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe -douairière van het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van -verstokte aristocrate. Zij fluisterde de vorstin iets in het oor, en -keek toen even minachtend op de zwijgende menschenmassa neer, met zoo’n -innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden het -éénsklaps afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien -kouden, vernietigenden blik. - -Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende -uniformen, fonkelend van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte -statig in de volgrijtuigen, eerbiedig geopend door slaafsche, tot op -den grond buigende lakeien. - -Langzaam zette de stoet zich in beweging. - -En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid, -met de onverschillige, onder elkaar lachende gezichten der hovelingen, -en het minachtende, trotsche air der opgedirkte koetsiers en lakeien, -dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, na de nijpende -ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even -te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene -verontwaardiging uitbarstte, als van een losgelaten schaar furiën. - -Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende -menigte. - -Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde -volk zèlf niet. Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen -wilden zij iets te zamen, onbewust, iets verschrikkelijks. De voorsten -werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter hen stonden drongen op, -óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, wild van -onbehouwen razernij. Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen -voelden het tóch te zamen. - -Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer. -Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte. -Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk -als een trompet. - -„Elias!... Elias!...” juichte het volk. - -Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het -plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende -voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke -moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen -hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede -steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer -uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten, -die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het -cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie -werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een -vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende -massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof. -Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en -krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht. - -De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden, -onrustig geworden, trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit -den zadel, en verdween gillende van pijn onder de voeten der woedende -massa. - -„Leliaantje!... Leliaantje... er uit!... Leliaantje moet er uit!...” -gilden een paar wijven. - -Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit -de „Sloppen der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het -witte, koninklijke meisje in dien goud-en-zijden wagen maakte hen -razend van heeten lust om het te vernielen dit teere, dit blanke, dit -fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, lillende -stukken. - -„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven. - -De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek, -maar trotsch, en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op -haar gelaat was vertrokken. Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek -hoog over de hoofden van het woedende, hoonende grauw, met een -vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit. - -Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin -Marcelia aan de wang. - -Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met -snijdend geluid, striemde het neer op de razende en tierende menigte: - -„—Canaille!... canaille!...” - -Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke -kerel, half-naakt, met een groot mes in de handen, sprong op de -treêplank van de koets, brullend als een beest. - -Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als -een os door het masker, door een vuistslag tegen de slaap. - -Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de -armen wijd-uitgespreid, als een levend schild, dat prinses Leliane -beschermde... - - - -In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een -ontzaglijke Waarheid, stralend als een zon in den nacht, plotseling -voor hem opgeschenen. - -Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het -was onbewust, en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan -hén, maar aan de daders van het snood bedrijf der uitbuiting. De -prinses was méde schuldig aan het groote, universeele onrecht, en had -de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten, -biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht -in de verte, en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren -horizon. Dat was schoon, wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid -openbrak als een bloem, om dan te leven....! - -Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk -wezen, om te sterven voor het Ideaal!... Het Ideaal, dat was Leliane, -dat was de lichte prinses Leliane, de zuster van de witte water-lelies -in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon sterven, en eeuwiglijk -herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds aan. Híj, -Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het -Recht zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar -dáár vóór hem zag hij het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de -kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige handen dreigden naar -haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken gloed -óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer -van het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de -literatuur, hij voélde enkel dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd -met schennis, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken -dood der vólzaligen, den dood voor het Ideaal.... - -Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van -den moordenaar. Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het -grauw verslagen was en wachtte, besluiteloos, bang. - -Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn -borst vooruit als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos. - -Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof -hem aan het hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige -agenten die nog over waren worstelden wanhopig, om bij de koninklijke -karos te komen. De officieren uit het gevolg hadden hun degens -getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende gemeen -stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel -neer, en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst -van prinses Leliane... - -Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst -steeg op uit de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En -opeens, als door een toover uit den grond verrezen, stormden als een -wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels door het in een wilde -paniek uiteenstuivende volk.... - - - -Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het -bloedende lichaam van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was -neder gevallen in de kussens, en de gewonde lag bewusteloos tegen haar -aan. - -De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een -gebiedend gebaar wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met -de huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen, -om den gewonde te helpen verbinden. De kappen van de koets werden -omhoog gezet en zóó, als in een dichte, kleine kamer, ging het -langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia was met twee -doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren -verklaarden, dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had -te leven. Tevergeefs smeekten zij de prinses, het bloedende lichaam -toch los te laten, en in een andere koets over te stappen. Met een -streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren -naar haar paleis, om dáár te sterven. - -Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in -haar anders zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje, -altijd verscholen achter de majesteit van haar koningin-zijn, was door -de ontzettende catastrophe, met den dood plotseling dreigend vóór haar, -èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde zij, als een heilig -weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven lang -geen andere meer voor haar zou bloeien. - -Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal -dapper als een held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat -onbewuste in haar, nú even bewust, om straks weer wèg te wijken achter -het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het -bloedende lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij -ooit in héél haar leven van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het -wilde, dat haar ridder sterven zou in hare armen, als een paladijn van -weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe... - -Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet -bewust meer van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het -rijtuig om zich heen, en hoorde niet het getrappel van de paarden, en -voelde de pijn niet van zijn gapende wonden. - -Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in -het Bosch, en alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer, -maar nóg heerlijker, nóg heiliger, vergeestelijkt in een teêrdere, -ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, diep en zwaar, als -de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij voelde -het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen... - -Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd. - -Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling -van zijn ziel, en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster. -Éven bewogen zijn handen, voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of -het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge, -eeuwige waarheid, en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in -wondere wonne door zijn ziel.—Nu was het goed, nú was alles, alles dan -goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, vol-zalige rust gekomen, -waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht.... - -O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.... o! -die stilte, zoo diep en vol gebed.... o! dat heilige, blanke -maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.... Hij voelde zich -stijgen en stijgen, zweven en zweven.... een zachte sferen-muziek -droomde op uit de verte... de innigheid werd dieper, en nóg dieper... -sterren wemelden schitterend.... een groot Licht laaide, laaide aan.... - - - -Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe. - -Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig -menschen-kind. - -Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust.... - - - 1902–1903. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/68893-0.zip b/old/68893-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index f1f764f..0000000 --- a/old/68893-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/68893-h.zip b/old/68893-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index e6d541b..0000000 --- a/old/68893-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/68893-h/68893-h.htm b/old/68893-h/68893-h.htm deleted file mode 100644 index 38bb9b4..0000000 --- a/old/68893-h/68893-h.htm +++ /dev/null @@ -1,6603 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-09-01T17:47:02Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Leliënstad</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/"> -<meta name="DC.Title" content="Leliënstad"> -<meta name="DC.Creator" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<meta name="DC.Contributor" content="Jeroen Hellingman"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="Dutch fiction -- 20th century"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -span.accent { -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { -line-height: 0.40em; -} -span.accent span.top { -font-weight: bold; -font-size: 5pt; -} -span.accent span.base { -display: block; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.externalUrl { -font-size: small; -font-family: monospace; -color: gray; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -margin-left: -0.1em; -margin-top: 0.9em; -min-width: 1.0em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -.apparatusnote:target, .fndiv:target { -background-color: #eaf3ff; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -vertical-align: bottom; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.splitListTable td { -vertical-align: top; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em; -padding: 5em 10% 6em; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 8.4pt; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -letter-spacing: normal; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tableCaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.small { -font-size: small; -} -.large { -font-size: large; -} -.bold { -font-weight: bold; -} -.center { -text-align: center; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:466px; -} -.xd31e2018 { -text-align:right; -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> -<div lang='en' xml:lang='en'> -<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Leliënstad</span>, by Henri Borel</p> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Leliënstad</span></p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henri Borel</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893]</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> - <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</p> -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>LELIËNSTAD</span> ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first center large">LELIËNSTAD -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 notice"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first">Dit boek is het vervolg op „<a class="pglink xd31e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/68155">Leliane</a>”, bij dezelfde uitgevers verschenen. -</p> -<p class="signed">H. B. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="466" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">LELIËNSTAD</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">HENRI BOREL</span></div> -<div class="docImprint">AMSTERDAM<br> -P. N. VAN KAMPEN & ZOON</div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first center small">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool. -</p> -<p>Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde, grijze rivier, die -Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en de nieuwe.—Wild voortgezweept -door den snijdenden wind stroomde het water met schuimende golven onder hem door, -waar hij peinzend gebogen stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het -verre rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen.… en als -hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden, zonder eind. -</p> -<p>Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en donkere, lange -nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het water met sombere drommen van -loonslaven, zwoegend onder ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk, -werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op, met roode -<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een onheilspellend gegalm van -geluiden hing boven het water, gestamp van machines, menschengevloek en gezang, gegil -van hooge fluiten, en ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege -vaart uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw. En woest-wreed -viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit duistere gebeuren. -</p> -<p>De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte karren grommelden -af en aan, en droef gegons ophing te trillen van zware stemmen. -</p> -<p>De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage, reusachtige vormen, -donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende oogen pinkten duizenden lichtjes, -triestig en flauw. -</p> -<p>Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr hooger en hooger, -blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en zwijgend, eindeloos in het rond … -</p> -<p>Een <span class="corr" id="xd31e151" title="Bron: siniester">sinister</span> ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp van de groote stad, en het -was als het zware, moeilijke ademhalen van een rochelend monster, dat daar lag, log -en massaal, met zijn tallooze vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel. -</p> -<p>Paulus stond te rillen van angst. -<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p> -<p>Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek onherroepelijk, -zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk. Als een helsche creatie van -’t absolute kwaad lag de sombere metropool om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden -en zuchtten, voor altoos verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming -woonde. En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar weening -was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte van duistere huizingen, -in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de menschen woonden in weedom en zonde. -— -</p> -<p>Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van honderden fabrieken -omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door de grijze mist. En hij wist, daaronder -sloofden duizenden van zijn broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend -werk, afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. — -</p> -<p>Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond het ontzaglijke -monster om hem heen, van rechts en van links, van achteren en van voren; het leek -hem te omvatten, en straks zou dat alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar -was nu geen ontkomen meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, -hier <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd. -</p> -<p>Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle wanhoopsgeluiden, dat -droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van stoomfluiten, dat hol getoeter van -horens, het leek wel een dolle jacht van den dood. Alle menschen op de brug liepen -haastig, bang in de kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen -vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een verschrikking, en alles -haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar. Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis -komen, en het àl verteerd worden in vlammen en vuur?.… Want zóó kon dit toch niet -blijven, zoo duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien zwaren -vloek, die over alles heen hing wat bestond.… -</p> -<p>Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de stad. De mist -wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu ging verstikken. -</p> -<p>Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte ballonnen op. De lichten -in het koninklijke kasteel werden ontstoken, en als een mirakel, goddelijk en klaar, -blonk óp een wit paleis, ver boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. -De intense, schitterende lichtbundels straalden maagdelijk <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>door het ruim, en in die reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, -woonde de prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster. -</p> -<p>Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en aandachtig vouwde -hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het witte paleis daar boven. -</p> -<p>„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!” -</p> -<p>O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de Genade!.… -</p> -<p>Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het zachte erbarmen -in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden in de kuische plooien van haar -witte gewaad?.… -</p> -<p>Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader boven de donkere, -sombere stad van weedom en van zonde.… -</p> -<p>En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om genade en verlossing -te brengen in de ellende van haar groote, groote stad.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende stem riep zijn -naam. -</p> -<p>„Paulus?… Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?.…” -</p> -<p>Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend. Dit was té -heilig voor een <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>ander, dit leefde té voorzichtig, in een veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere -kon hij zeggen. -</p> -<p>—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe verschrikkelijk -toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden die hooge huizen van de stad, -en dan die mist, die zoo dreigend opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het -werd me ineens zoo bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!” -</p> -<p>„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd aan. We zijn -nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t hartje van de misère. Je weet -nog niet, wat het zeggen wil, winter, mijn brave!.… Zie je hier wel goed al die bruggen?.… -vooral de brug, waar we hier op staan?.… zie je die breede bogen en die zuilen van -onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.… dat wordt nu het nachtleger van de -ellendige proletariërs dezen winter.… daar <i>slapen</i> ze, om niet te bevriezen van de koû.… want nu is het uit met de bankjes in de plantsoenen, -en de vrije velden buiten.… daar zouden ze bevriezen.… hier onder die bruggen, mijn -brave, dicht op elkaar gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw -en ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden menschen, onze broeders, -onze zusters, en moeders met kinderen, zóó maar op den <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>harden grond.… o, als die bruggen er niet waren, die goede, wèldoende bruggen.… en -vooràl deze, de Koninginnebrug.… hier slapen de proletariërs zóó maar voor niets, -in de schaduw van háár koninklijken naam.… en zij zelve woont dan veilig in de warmte, -in de zon.…” -</p> -<p>Vragend keek Paulus hem aan. -</p> -<p>—„In de zon?.… hoe bedoel je dat?”.… -</p> -<p>—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den eeuwigen zomer -in Monte-Regina.… je weet toch wel, die groote badplaats aan de Middellandsche zee, -waar die beroemde speelbank is?.… Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere -leden blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden, waar haar -millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn … zij brengt iederen winter een -tijd in een of andere badplaats door in het Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina -zijn, dat stond vanavond in de courant … iedereen die het maar éénigszins doen kan -van de wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het Zuiden, -dat weet je toch wel.… de aristocratie, en de kapitalisten.… die kunnen toch niet -met wintervoeten loopen, mijn beste jongen.… dat moet je toch vòelen.… dat is goed -voor den proletariër en den kleinen man.…” -</p> -<p>—„Gaan die naar ’t Zuiden.… naar de warme <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>zon?.…” vroeg Paulus, naïef.… „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de -bruggen slapen, om niet te bevriezen?”.… -</p> -<p>—„Ja, zéker, kereltje.… wat heeft dat met elkaar te maken.… daar hebben zij niets -mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen ze.…” -</p> -<p>„-Monte-Regina … ja, daar heb ik van gehoord en gelezen … moet daar niet enorm worden -gespeeld?<span class="corr" id="xd31e203" title="Bron: ..">…</span> en is het er zóó mooi?.…” -</p> -<p>„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog héél jong was, -en het onrecht nog niet wist … het is daar alles eeuwige lente en eeuwige jeugd … -de zachte lucht is doordroomd van zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, -dat een weerschijn is van de allerheiligste hemelen.… en in die prachtige natuur, -terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en gebrek, loopen dáár de pratte -poenen van het <span class="corr" id="xd31e208" title="Bron: parasietisme">parasitisme</span>, en spelen er roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken.… -De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en twintig millioen … -denk eens, beste kerel, wat een schat dat is.… wat de arme bliksems, die hier ’s nachts -onder de bruggen slapen, om niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”.… -</p> -<p>Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte booten zuchtten -en steenden, uitstootend <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>hun donkere wolken van rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, -en hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam over hem, -en hij greep Elias’ arm. -</p> -<p>„O! Al die booten … al die schoorsteenen …” zeide hij toen.… „hoe vrééselijk lijkt -me dat allemaal ineens.…” -</p> -<p>„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.… „dat is de hándel.… en die -fabrieken ook … dat heet de wèlvaart van een land.… de industrie, de nijverheid.… -daar wordt een land gróót van.… dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten -rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft er juíst nog -door in leven, en verhongert niet.… Al die duizenden, die daar zwoegen in die booten -en op die fabrieken, doen dat eigenlijk alléén om een paar honderd kapitalisten rijk -te maken … Als één zoo’n rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs -rookt na zijn diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal -andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele evenwicht te bewaren … -en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart.… zóó zit dat in elkaar … al dat getob -en gesloof hier om je heen is ten bate van énkelen, niet van allen … Kijk, daar gáát -weer zoo’n boot … mooi hè?… volbeladen met goederen <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>die worden verkocht … zie je al die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun -kisten?… daar kan er weer een voor naar ’t Zuiden … Maar laten we hier nu niet blijven -staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van de partij, bréng me -zoo ver …” -</p> -<p>Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en rijtuigen. Alles -holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van den avond begon.—Bleeke couranten-jongens -renden vooruit met de nieuwe editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te -zijn, schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een paar prostituées -uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de meeste vreemdelingen kwamen, -gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, -rillend onder haar versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte wanhoopskus -van innig medelijden. -</p> -<p>„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande verkiezingen,” zeide -Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit jaar, en ik ben vol moed.” -</p> -<p>Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op vijfhonderd zetels -in het Parlement had Elias’ partij van de sociaal-democraten <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond het Hooge Huis, bijna geheel -uit den voornaamsten adel en groote kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle -door dat Parlement aangenomen wetten kon vernietigen. -</p> -<p>En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de christelijke maatschappij -voortbestaan, ongestoord. -</p> -<p>—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias weer. -</p> -<p>„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.… en ik dánk je er wèl voor.… ik ga nu al véél meer -weten.… ik begrijp nu meér.…” -</p> -<p>Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel gelezen; het was -wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had gelezen de groote werken van -sociaal-economen, véél over de economie, en de staathuishoudkunde, en vooral over -de natuurlijke, sociale evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. -Volgens die schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een absolute, -logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke, onvermijdelijke orde der dingen -lag, en met wiskunstige zekerheid was aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak -moest voortkomen. Het was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke -overgang behoefde.— -<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> -<p>Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de goddelijke chariteit, -die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel wist voor de universeele ellende. -O! Dat placide geloof in de tijden, in de toekomst, waar de misère van nú dan toch -reddeloos verloren voor bleef!.… En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge -revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, die opééns -zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed. -</p> -<p>Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten afscheid had gedrukt, -keek Paulus hem mistroostig na. -</p> -<p>Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en propagandeeren, en -wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar sociaal-democraten in het Parlement -te krijgen. Maar ondertusschen duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van -nú er niet door geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen -der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en fabrieken, al de -jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij zouden allen in het onrecht -reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór dat de meerderheid in het Parlement het goede -zou willen. Wat hadden zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, -als zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren? -<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p> -<p>En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende, en enkel op -een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het in een verre toekomst ook -zou kunnen brengen, zou nooit het wonder kunnen doen, dat hij verwachtte. -</p> -<p>Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú was. Niet honderden -jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een groot licht zou over de wereld -gaan, en een oneindige liefde, een goddelijke genade zou de eindelijke transformatie -doen gebeuren. De reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, -zou dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel geleid, zou alles -van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden broeders worden, en als broeders -alles deelen. En dit zou alles zóó simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring -of complicatie, dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat -alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen. -</p> -<p>Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het wonder alléén -maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de reinste, de heiligste uit het -gansche land. Uit de verwarring van de vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld -had, was één simpele gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit -dat droeve <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig, vond hij, in zijn groote -naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver, zoo hoog verheven boven het weedom der -wereld, in haar ongenaakbare, witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij -drongen niet tot haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en -haar te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En als hij -dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij eerbiedig op de knieën -zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij gezien had, en haar koninklijke ontferming -afsmeeken over de verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht -was liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte gewaad. Haar -heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou uit haar gebeuren.—Over de -dorre wetten en de constituties, en alles heen, zou haar groote liefde uitstralen -en het volk bereiken, dat smachtend wachtte. -</p> -<p>Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel moeten volgen, -en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met bloemen in hun handen. Het -was zoo heel eenvoudig, als je er over dacht. De liefde zou het wonder doen, door -háár blanke ziel begonnen, en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij -wist, dat een <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van zijnen dronk -willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand versmachtte, en als de heilige prinses -Leliane de moeder van al haar kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns -broeders hoeder willen wezen?.… -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn hulp te vragen -voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses. -</p> -<p>De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten fauteuil, in een -zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen, zijn chocolade te slurpen. -</p> -<p>„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk weer eens -aanloopen?… Kan ik je met iets dienen?… wat chocolade?… een cigaret?… o neen: je rookt -niet hè?… nog altijd even sober?… geen vleesch, geen alcohol, geen tabak … en tóch -zie je er niet zoo heel florissant uit … je ziet bleek, kerel … nog altijd aan het -tobben en het filosofeeren?… weer te veel bij je vriend Elias geweest, den sociaal-democraat?… -dat zal ééns wel weer overgaan, dat hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat -er tóch niets aan te doen is …” -</p> -<p>Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>plan, om op den lichten toon van die scherts te antwoorden. -</p> -<p>„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet … ik kom je iets heel ernstigs en gewichtigs vragen, -iets, waar voor mij alles van afhangt … ik weet, dat je mijn vriend bent en mij graag -helpen wilt, al spot je altijd met mijn liefste gevoelens … je moet mij niet vragen -waaròm, en er niet op door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom -afsmeeken, als een groote, groote gunst..” -</p> -<p>„—Nu.… kom er gerust mee voor den dag, hoor … als het maar niet iets voor de sociaal-democraten -is …” -</p> -<p>„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen … ik wou … ik wou … nu, ik wou Haar Koninklijke -Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen er bij … zou dat kunnen?…” -</p> -<p>Marcelio zag hem verbaasd aan. -</p> -<p>„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt … Haar Koninklijke Hoogheid spreken … -een particuliere audiëntie dus … en maar eventjes heel alleen, zonder anderen … En -wat wou jij daar bij Haar Koninklijke Hoogheid doen?… wat kan jij haar te vertellen -hebben?…” -</p> -<p>„—Dat moet je niet vragen, Marcelio … dat is mijn zaak … ik sméék je alleen, wil je -me helpen?—zou het kúnnen?…” -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>„—Kúnnen wèl … Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting aan je, er -is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou … je bent een protégétje -van haar, en ze vraagt dikwijls naar je … het zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar -het zóu toch wel te doen zijn met een beetje moeite … maar wat heb je haar in Godsnaam -te zeggen?… toch geen dolle dingen, hoop ik?… toch niets over dat zoogenaamde onrecht, -wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je vriend Elias je inblaast?…” -</p> -<p>Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van het groote gevoel, -dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk -uit, „o, Marcelio, het brandt zoo in me, het is een verterend vuur in mijn borst, -ik kán zoo niet langer leven.… en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en -rookt je cigaret, en drinkt je fijne chocolade.… alles is hier zoo mooi en rijk en -weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en de schande.… nu, já, -ik durf het wel te zeggen.… <i>áls</i> ik nu de prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?… <i>áls</i> ik haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om genadig te -zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht en de waarheid?… wat -dan nóg?… zou je me dan niet willen helpen?… <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel, Marcelio …” -</p> -<p>Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van verontwaardiging -op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een jong kereltje toch nog, hij leek -wel een page, van honderden jaren geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns -het onrecht in de wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen! -</p> -<p>Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een broekie!” zei -hij, glimlachend. -</p> -<p>„—Waarom dan?” vroeg <span class="corr" id="xd31e281" title="Bron: Paul">Paulus</span> verwonderd. -</p> -<p>„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en eerlijkheid, en -al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën van je, die ficties zijn, en -niet bestaan. En nu wou je aan Haar Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te -bezorgen. Maar het is absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen -was!” -</p> -<p>„—Ik begrijp je niet, Marcelio!” -</p> -<p>„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je hebt bleek -gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten niet geslapen hebt, om -toch maar alles te kunnen lezen over de toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg -niet, dat we maar een akelig klein beetje vooruit <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog precies eender is, als vroeger in de oudheid? -De uiterlijke vormen van de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen -zijn ze toch vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed. -Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten door leeuwen en -tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden aan honger en misère overgeleverd. -Dit is eigenlijk nóg verfijnder en wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, -dat er zooveel onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het -bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók niet gelezen -had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te begrijpen? Je behoeft maar een -béétje de toestanden te kennen en eens behoorlijk om je heen te kijken, om dat te -weten. Maar ik geloof niet, dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. -Als je nu eens bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste eeuwen, -door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense figuren voor je ziet -van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, -die over de menschen is uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens -nagaat de ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige beelden, -de schilderijen, de gebouwen, <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>zoo’n sublieme cathedraal bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het -goddelijke Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de eeuwen -hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de reinste revelaties van -dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn … en als je dán eens kijkt, hoe beroerd -en miserabel het er na ál die wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en -beste en rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch kerel, -dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat er niets meer aan te -doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár -je ook rondkijkt, overal zie je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de -mooie namen, waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt -al niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren, dat eigenbelang, -waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat egoïsme er niet was, kerel, wat -zou de wereld gauw veranderd zijn. Als er maar enkel menschenliefde was, heel gewone -huis-of-tuin menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar. -Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig, dan behoefden -er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er geen liberalen en geen conservatieven -<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>en geen sociaal-democraten en geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan -bloeide ineens die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat -het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische wetenschap is alleen -ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die Liefde wordt het nooít wat. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e295" title="Niet in bron">„</span>Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt het misschien -niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als jij, en ik ken óók de slapelooze -nachten, en het pijnigen der droevige gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige -tobben, dat je kop er bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar -ik heb het ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar beroerd -mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát wel.—En o, als je zoo die -groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is en zoo bot, en die zoo alles met zich -laat doen, in zijn bête, stupide logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen -niet beter. Dat idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat -verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst of een vorstin -voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol enthousiasme, als er even een -potentaat op een balcon heeft gestaan, dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en -wat <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>militair vertoon laat bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve -de koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en als brute -beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen, heusch, dan ga je denken: -dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan Napoleon. Dié wist dat het vee was, -en hij gebruikte dat vee voor zijn eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, -het egoïsme van een reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan -weten. Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de sociaal-democraten -wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna iedereen het weten, en als het -egoïsme er niet was, het bange, grove eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have -en goedje, dan lag de heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. -Ik zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik ben blij, -dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van het brandende onrecht -zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver, fijn eten krijg, en schoon linnengoed -heb om aan te doen, en goeie kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil -behoef te zitten. Dáár, nu wéét je het!.…” -</p> -<p>Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte nog iets te -zeggen, dat hij van Elias had gehoord. -<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou de wetenschap -in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?” -</p> -<p>„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr vooruitgegaan” -denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de wetenschap al niet heeft tot stand -gebracht. De stoom, de electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet -meer. En óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet gedaan! -En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt, zou je meenen, dat -de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het vóór alles noodige, blijft toch -ontbreken, zonder welk het toch nooit goed kan worden in de wereld: de liefde, de -héél gewone menschenliefde. Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven -der menschen aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant -doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename leven van enkelen -de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb je aan de vorderingen der wetenschap, -die de ziekten bestrijdt, als duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende -en gebrek?—De ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de -allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat hebben ze aan -de wetenschap <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>der hygiène, die enkel de bevoorrechten baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig -leven wijden aan de bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel -voor de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door slechte -voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet door gebaat. Als er -in plaats van al die wetenschap eens, al was het nog maar een heel klein beetje gewone -menschenliefde kwam, dan zou er veel meer tot stand komen, dan door honderd groote -uitvindingen en ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren. -</p> -<p>„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de Liefde hem beving, -en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm werken, om hèm zijn genot te -bezorgen, dan was opééns de groote sociale hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, -zooals Jezus dat predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát -zou de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde ontbreekt, -is al die wetenschap van sociaal-economie, van staathuishoudkunde, en weet ik wàt -al niet meer, er als surrogaat voor gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te -zijn, als alle menschen ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan -ieder stuk kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het bloed -zagen kleven <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna niemand, die iéts zou willen veranderd -zien aan de tegenwoordige maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten -hebben. Ze zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en roepen -er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde af zou moeten, en -ze hun eigen lekker leventje er door zouden verminderd zien, zijn ze doof geworden, -of beroepen zich op het gezag en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en -halen er God en Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien -God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving van hún parasietenleven -ten koste der anderen. Er is voor die menschen geen God, en ook geen Koning, en evenmin -een Vaderland, alleen hun eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te -groote verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee verheffen. Want -ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk geen haar beter, dan die anderen.—Maar -daarom weet ik juist, wat ze waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. -Ze zullen altijd net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en -hun filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk verloochenen, -als zij er hun leven ook maar íets om moesten <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het laagste eigenbelang, -dat zich onder het masker christendom en liefde voor Koning en Vaderland verschuilt, -om zijn afschuwelijk aanschijn te bedekken.” -</p> -<p>Paulus keek hem in stomme verbazing aan. -</p> -<p>Was dát Marcelio?.… Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de gedistingeerde huzaren-officier, -die adjudant was van de koninklijke prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed. -</p> -<p>„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat allemaal, net -zoo goed als ik?” -</p> -<p>„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb toch oogen om -te kijken.…” -</p> -<p>„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er overal misère -om je heen is?” -</p> -<p>„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.… er is al zóóveel gedaan, en ’t is allemaal -’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige, misselijke, krenterige kruipertjes -blijven, zóólang is er niets aan te doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me -maar eens al die goede bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een -ordetje. Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel en -honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds en proletariërs -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender, dan willen ze óók zulke bourgeois -zijn, en zijn ze óók blij met een knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor -alles te krijg, voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus, -heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg van. Ik ben blij, -dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik door het toeval in een milieu -ben geplaatst, waar de menschen óók wel niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar -waar ze tenminste manieren hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, -en waar ze gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch nog, -Paulus.… er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute, door en door verrotte -samenstel van menschen en dingen, dat de Maatschappij heet!” -</p> -<p>„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar Koninklijke -Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo héél, héél veel kunnen doen, -als zij wilde! Maar ze wéét het misschien niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, -in licht en glans, en kan de ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt -hoog boven de schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar -eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de ellende en het -onrecht, <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou dat haar groote hart dan niet ontroeren? -Zij is zoo koninklijk en zoo rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte -gewaad woont het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!” -</p> -<p>Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat onnoozel gepraat -zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd. -</p> -<p>„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses is gebonden -door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan doen. Maar, al kón ze.…” -</p> -<p>„—Nu?”.… -</p> -<p>„—Hm!.… ja.… zie je, Paulus.… het past me niet, een oordeel te vellen over Haar Koninklijke -Hoogheid.… over wat ze doen zou, of niet doen zou.… maar ik geloof niet, dat de zaak -haar nu zoo heel erg ter harte zou gaan.…” -</p> -<p>„—Hè??”.… -</p> -<p>„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed.… zooiets van -dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild heeft, en dat zij vorstin is -bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog houden.… het gezag nu, dat <i>is</i> juist de handhaving van den tegenwoordigen staat van wreedheid en <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>onrecht.… de zoogenaamde maatschappelijke „orde”, dat <i>is</i> het parasietenleven van de minderheid op de misère der overgroote massa.… en zij, -de kroonprinses Leliane, is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke -orde.… daar heeft ze ook haar leger voor.…” -</p> -<p>„Waartoe jíj ook behoort!” -</p> -<p>„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor moeten vechten -óók, voor de handhaving van die orde.…” -</p> -<p>„Die onrecht en wanorde is!” -</p> -<p>„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel … maar wat wil je er aan doen?.… ik zei ’t je toch -al: ik ben geen haar beter.… ik zit nu eenmaal in ’t schuitje en heb het er altijd -goed in gehad.…” -</p> -<p>„—En ik gelóóf je niet, Marcelio … Je kènt de kroonprinses Leliane niet, als je zóó -spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht gezien? Dat is ál goedheid en -gerechtigheid en genade. Als zij nadert fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. -Haar handen hebben het gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem -is zoeter dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar -eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar, als ze het weet! -O! als ze het weet!… dan zal ze, als een zachte Samaritane, naar de smarten gaan en -groote <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>wonderen doen.… Je moet mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand -er bij.… dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en verschrikking, -van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van haar zusteren, die ’s avonds -door de straten gaan, om uit honger haar schande te veilen!.… want het zijn toch háár -zusteren, niet waar, Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd …” -</p> -<p>Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder. -</p> -<p>„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij waarschuwend. „Met zulke -geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet, kereltje.… ik voorzie niets dan beroerdigheid -voor je.… en onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dat kan -niet uitblijven.…” -</p> -<p>Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar niet begrijpen, -hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en correct bij bleef. Alles, wat -hij zelf in bangen twijfel en met tranen had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók -te weten. Dat ééne, dat vóór alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale -toestanden noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch -vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit, zonder welke alle -sociale <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, -en nergens in boeken gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij -daar nu rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over doodgewone -dingen sprak. -</p> -<p>„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende verontwaardiging. -</p> -<p>„Maar wel zéker, beste kerel.… zéker wil ik je helpen.… ik vind het idee véél te interessant—jíj -daar met je dolle, jonge enthousiasme, tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.… het geval -is eenvoudig éénig.… en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me aangename -afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven heet.… maar ik woû je alleen -waarschuwen, dat je je niet te hoog gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen -wonderen meer in dezen tijd.… daar is hij misschien te beroerd voor.… Dus jij wilt -<span lang="fr">à tout prix</span> een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dan zullen we er ons best voor -doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben je nu tevreden?.… als mijne tante, -de hertogin Marcelia, mij helpen wil, zal het wel gaan.… Het treft, dat ik de volgende -week dienst heb in Monte-Regina.… dan moet je maar met me meê, als een vriend van -me, en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het Regina-Palace-Hôtel, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen heeft.… Ik waarschuw je vooruit, dat je -je daar in álles te schikken hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders -komt er niets van je audiëntie terecht.… je moet overal met mij meegaan, en je netjes -houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.… het is daar het toppunt -van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in Leliënstad, geen idee van kunt -hebben.… het brandpunt van het kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.… -je moet bij de hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee verandert, -en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede gezindheid en ’t goede oogenblik -niet voorbij moogt laten gaan.… Je moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina -géén aanstoot te geven, en je voor te doen als een der onzen.… ze moeten je daar houden -voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van het vorstenhuis.… -Belóóf je me dat?.…” -</p> -<p>Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm te houden in -eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden in ’t diepst van zijn ziel. -Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar zien zou van aangezicht tot aangezicht, de -koninklijke prinses, die de genade zou brengen en het Recht … -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> -<p>Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had voorgevoeld … -</p> -<p>„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét niet, hóe gelukkig -je mij maakt!” -</p> -<p>Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als over een kind, -dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te houden. -<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Monte-Regina! -</p> -<p>Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en verschrikking, -een land van onheilige somberheid, van donkere zonde, droef, en des doods. -</p> -<p>In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine bloeme-aromen, waar alles -blijheid leek, en het lichte geluk luwde in de lucht. -</p> -<p>Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere wolken-luchten, den -vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina -te zijn, in de met rozen en seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje -van het Zuiden om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had beroerd! -</p> -<p>Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die over hem kwam, -zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de palmen, de oogen vallend -toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te droomen … -<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> -<p>Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een warmen dag, was -het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus zachte van loomen droom, even door -zou breken, maar dra werd het weer te scherp en te koud, en was het weer weg, voor -goed. Maar hier bleef de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op -in al het mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al eens -doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina. -</p> -<p>En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren zee, bloemen-geuren, -aanwaaiend op zoele koelten, en kalme, gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen -droom. -</p> -<p>Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen twee uitstekende -schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys. Langzaam stijgt het stadje met -zijn leem-gele villa’s en huizen tegen de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond. -</p> -<p>Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar links verliest -het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen, die in de verte vergaan in -horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd doet het leem-geel van de huizen der stad, -met de roode daakjes, en daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande -tegen den hemel. -<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p> -<p>En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele landschap domineerend, -praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,” dat als opgerezen scheen uit een feeërie, -of een sprookje, uitziende op al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan -zijn voet. Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een verfijnde -luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen, maar géén, dat zoo hoog -in ’t hooge over alles domineerde, zóó smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere. -</p> -<p>Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg gereserveerd, een -geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn kamers had gekregen. In den anderen -vleugel, op de bovenste verdieping, had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd. -</p> -<p>Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster zat uit te -staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap onder hem naar beneden -dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen, met overal plekken van opstaande boomengroepen, -als bouquetten tusschen het geel. -</p> -<p>De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint, en dat roze -van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht, en beefde over het leem-geel -van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit was het oogenblik, dat alles inniger werd -<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>dan overdag, alsof er iets openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense -azuur van de zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der -dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit bleef dan zóó -even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam violet over ’t roze, en langzaam -vergingen alle tinten in ’t donker. -</p> -<p>Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte Casino—het speelhol, -het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in Leliënstad had hooren noemen—maar dat -nú in de schemering oprees, als een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, -als een heilige, zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een -wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere huizingen -in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette tinten van den vallenden -avond. Er was iets van de gewijde blankheid aan, van een Graal. -</p> -<p>En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de lucht, en in -de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan om het crême paleis, was -het waarlijk, of daar een mysterie werd gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd -met gelui van klinkende klokken en witten brand van heilige kaarsen.… -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het Regina-Palace, langs -de breede vijfhonderd treden van de steenen trappen, die leiden naar de laagte, kwam -Paulus beneden in de stad, en langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, -in de feeërieke palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende -laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en aan weerszijden -statige, Californische palmen, met hun breede, zware waaier-kruinen plechtig-wijd -uitgespreid, als een triomf-allée voor een Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer -was hier ééne zoete mengeling van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen -van engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van lucht. Afwandelend -langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het blanke, prachtige Casino, in zijn -kuische kleur van reine room. -</p> -<p>Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en deftige, militair -uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met aanwijzingen, waar hij moest wezen -om zijn entrée-kaart te krijgen. -</p> -<p>Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een albasten pilaar. -</p> -<p>„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t algemeen aan -lieden in een staat van dienstbaarheid.” -<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p> -<p>Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog bijtijds zijn -belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij ook mocht zien. -</p> -<p>Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af, uiterst beleefd, -en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat. Dat moest hij er eerst af laten -wrijven in een cabinet de toilette, anders mocht hij niet binnen. -</p> -<p>Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten zuilen, kwam -hij eindelijk in de speelzalen. -</p> -<p>En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een hol van onheil -en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme zalen met haar geçireerde parketvloeren, -haar prachtige pilaren, haar met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes -à la Watteau in lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde -plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk paleis. De millioenen -praalden en schitterden van de muren en van den vloer en van het plafond hem tegemoet. -</p> -<p>Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen, schreden er, als -plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings en evening-dresses, stonden -deftig om de tafels, of slenterden heen en <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was nooit uit de -lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen knetterde tusschenbeide het -geraas van de balletjes in de roulette. En monotoon dreunde daartusschen het geroep -van de croupiers: „<span lang="fr">Messieurs faites vos jeux!</span>” of: „<span lang="fr">Rien ne va plus!</span>” -</p> -<p>Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel, en dat hij al -zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven. Hier werd gespééld, als kinderen -gespééld met geld, het goud en het zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en -buiten was de misère en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, -en zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om nèt nog niet -van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die de onderdanen waren van Leliane! -</p> -<p>O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die zalen, wìsten -zij dat dan niet? of waren het allen egoïste, gewetenlooze ellendelingen, die om het -volk lachten, en gretig zoo doorleefden, als zij deden, van zijn misère? -</p> -<p>Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van schoonklinkende -leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands belang, híer was het te zien, -brutaal, zich gevend voor wat het <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>was, in al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets anders. -Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en ruischende zijde gehuld, met -haar glanzende coiffures en languissante oogen, graaiden hier naar geld, en geld, -en nog eens geld. Hij zag bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen -lippen, van overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als -voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een rondknikkerend -balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing. En het geld—het zoo zeldzame, -dure geld, waar zóóveel voor te krijgen was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme -massa arbeidsvermogen van duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier -verknoeid, of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een overstrooming -van groote gouden „plaques” van honderd francs, waartusschen biljetten lagen van duizend, -als eenvoudige lapjes vodden, zóó waardeloos schenen ze daar. -</p> -<p>Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en stikkende -giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar op die tafel lag. Tienduizenden -werden in enkele minuten door de croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s -of het tíches waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen -<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes „plaques” verloor -op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar uitkwam. Zij moest toen minstens -dertienduizend francs hebben verloren, en scheen dit ijselijk koddig te vinden. -</p> -<p>Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó haar laatste -levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer ellende moest zijn, stond -een dikke, rijke Amerikaan, die met de grootste onverschilligheid biljetten van duizend -francs over verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won, -of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend milliardair. Het -was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden -en duizenden arbeiders, die een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, -in mijnen, op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die duizenden -te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van kent. -</p> -<p>Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó leelijk gezien. De -van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige blikken van de oogen, de zenuwachtige -trekken om lippen en neus, maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, -om groote, ontwikkelde menschen, die toch al <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>veel van het leven moesten gezien hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode -ooren, te zien staren naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich -toe te kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren stonden achter -de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om toch óók maar eens op te kunnen -zetten, puffend in de benauwde menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde -zalen. Er hing een lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier -was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk nog omhing, -en alles toonde zich hier in bijna oprechte schaamteloosheid, ieder liet zijn grove -egoïsme zien in volle naaktheid en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld -te graaien, geld en nog eens geld. -</p> -<p>En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich aanboden voor het -geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld was, daar was ook de dierlijke wellust, -die het kon koopen.—De veile vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, -het fletse geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in prachtige -Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter zich aan, langzaam, lonkend -over den parketvloer. Zij hielden de winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen -straks misschien te kunnen <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel. -</p> -<p>Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de bedompte, met verstikkende -parfums verzadigde atmosfeer van de speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen -doortrokken avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit -in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino, stonden plechtig, -vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk uitgespreid. En al de blanke -gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus in het schijnsel van het witte electrische -licht. -</p> -<p>Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht, tegen den -rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs ópgaande straten, dan een paar -bordessen op, en dan den grooten, breeden straatweg, die langzaam met wendingen en -bochten naar boven klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven -was het nu te donker. -</p> -<p>Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de lantaren-lichtjes, -klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links, dicht bij het Hôtel, lag het -landschap steil beneden, met alle terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw -aangelegd, en heel van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun -van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de rots-bergen <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag -de zee, waarin de mane-stralen weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig -gerimpel, rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel van-zelve, -in de zegening van het licht. -</p> -<p>De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de blanke maan stond -helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de ziel van den hemel, waaruit straalde -het goddelijke, verreinende licht. -</p> -<p>Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een eenzaam lantaren-lichtje, -een ópgeschemer van witte villa-kleuren. -</p> -<p>En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino mysterieus te lumineeren, -in den glans van al de ongeziene electrische lichten op het voorplein en van de omliggende -restaurants. Het room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in -het donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn porselein, -lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het beruchte speelhol, dat nú -een heilige tempel was, aan de zee, en rees in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, -in den van bloeme-aromen dronken nacht van het Zuiden.… -</p> -<p>Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>nu vergleden was, en zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een -geheel ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel was, -tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in den nacht, de bergen -en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des daags verborgen, en de stille schittering -op de zee was als een goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze. -</p> -<p>Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in de wonderbare -blankheid van zijn marmeren pracht. -</p> -<p>Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend Graal-paleis, waarin -bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk wonder. -</p> -<p>Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk, heilig licht, -dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie geïncarneerd was de reinheid van -de witte waterlelie en de gloed van de gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare -vorstin van de volken en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane. -</p> -<p>En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van den dag waren -verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille, slapende wereld en over de -zacht-ademende zee de groote rust lag van het volle, verreinende maanlicht, nu was -hij één oogenblik weer alles vergeten, wat zoo fel op zijn <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>gemoed had gebrand, en wist hij niets meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane -woonde, die hij ééns had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine -lelies, die de zusteren waren van zijn ziel. -</p> -<p>Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen en dingen, -zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een valsche spiegeling van onwerkelijkheden, -want het éénige ware, het enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, -die daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis van vrede. -</p> -<p>Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in vervoering vouwde -hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar omhoog. -</p> -<p>„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in eeuwigheid.… Alle -dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo -deren, want is niet alle troost en alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar -ééns zal geven de waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?.…” -</p> -<p>En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden vervuld, en -dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal voor prinses Leliane was nedergeknield, -om haar bescherming <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>af te smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten. -</p> -<p>Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het licht van goddelijke -genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was geconcentreerd, zou van haar uitstralen -en wijd over de wereld gaan. Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, -zou van haar uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als -dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden vrijwillig afstaan -van hun weelde, als een kind dat geeft aan een ander, en de rijke zou in den arme -zijnen broeder herkennen, wiens goede hoeder hij zou zijn. -</p> -<p>Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou alles moeten uitgaan -en uit háár geopend hart zou die groote liefde moeten uitvloeien over de menschen.—En -al haar droeve zusteren, ontwijd in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden -biddend en deemoedig samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige -maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig geborgen onder -den wijden mantel der heilige Ursula. -</p> -<p>Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl hij de handen -onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich over zijn <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t maanlicht verheerlijkte, -transparante zee, die daar vèr onder hem onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde -niet om Leliane nu te zien; het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat -witte paleis, was al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér -durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen opzien naar haar -venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden -naam.… -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias verteld van het -groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te roepen van de kroonprinses Leliane. -Met gloeiend enthousiasme had hij het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd -had, zag hij denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio. -</p> -<p>„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo iets voor in een -roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk met een apotheose aan het slot, -en engelen met vlammende zwaarden, en vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, -wat bezielt je, wil je nu heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan -spelen? De prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar -een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af komt smeeken.… -want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar macht beperken, kan zij onnoemelijk -<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>veel doen, enkel door haar invloed, als zij het initiatief maar neemt … al hàd ze -nu eens dat groote hart, dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten -goede aanwenden … dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen vinden … onze -partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden, omdat het véél te gevaarlijk -is, zooveel macht in één persoon vertegenwoordigd … we wìllen geen verlicht despoot, -al doet die nóg zooveel goed … wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade -kan worden aangewend?… neen, hoor, je plan is ten eerste een hersenschim, en ten tweede, -àls het eens gelukte, een groot gevaar voor onze partij …” -</p> -<p>„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had Paulus verwonderd -gevraagd. -</p> -<p>„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme slag zijn voor -de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit haar handen nam.” -</p> -<p>Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór alles ging, en -de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en Elias had het hem niet uit -kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias -hem op het laatst nog de hand gedrukt en hem gezegd: -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te maken. Je „heilige” -zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met hangende pootjes zal je hier in Leliënstad -terugkomen, dat is onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar -eens voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze partij worden, -daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit je oogen in Monte-Regina, -beste vriend! Het is daar een fraaie boel!” -</p> -<p>Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet ontmoedigd. Hij hield -vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in de genade en de piëteit van Leliane’s -blanke ziel. -</p> -<p>Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het Regina-Palace-Hôtel uittrad. -Met engelen-gratie, als een licht wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in -een wuivend, wit gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan -den ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien, en hij -had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg zwijmelen uit de werkelijkheid, -waarin hij leefde, om óp te zweven tot de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen -van haar gewaad was als muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, -in een zeer zacht licht. -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en toen de stoet -van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den grond gekust, dien haar heilige -voeten hadden betreden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet hij zich gewillig -door Marcelio mede nemen, overal waar het dien geliefde, hem te brengen. -</p> -<p>Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van het Hôtel „Hermitage”, -waar keizers en koningen logeerden. -</p> -<p>Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog plafond en hoog -koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond, als in een pavillon Louis Seize, -met kleine deurtjes en kleine ruitjes, elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, -beschilderd met engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief. -Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande, langwerpige -spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak. Hier en daar stonden palmen -in lichtblauwe potten, mooi in het witte en blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte -het geluid, en ondanks het stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming -van plechtige stilte door de zaal. -<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -<p>Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte tapijt, in het gedempte, -witte licht, met al het blank, en het goud van dorures, opgewacht door buigende, correcte -kellners, die plaatsen aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding -tot een ceremonie. -</p> -<p>Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden ober, gewichtig, -corpulent, met een breed, rond, mislukt imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, -als een heilig document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten, <span lang="fr">spécialités de la maison</span>, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus, of er wònder wat van afhing, bescheiden, -en toch met aandrang, of de zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. -Dàn het bevel geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het terugtreden -van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een generaal het slagveld, dàn weer -loopend heen en weder, en met één allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. -Overal zaten correcte, gedistingeerde heeren uit de „<span lang="en">high life</span>”, in uniform, of zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, -de scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames, gedécolleteerd, -met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast haar stoel op het tapijt, -in kant en zijde, met geschitter van pailletten en edele <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de donker-zwarte figuren der heeren. -De engelsche ladies waren hieronder dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze -van orchideeën, zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze -blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin juweelen schitterden, -als sterren in gulden avondhemel. -</p> -<p>In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en het geschitter, -leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners droegen de schotels op, als -kostbare geschenken, boden die eerst den gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in -trancheerden, voorzichtig en gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat -beginnen. -</p> -<p>Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s Zigeuner-orchest vervulde -de stilte met zijn droomerige rythmen. -</p> -<p>Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden bijna onmerkbaar -hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het bouquet van oude, lang bewaarde -wijnen. En in die mengeling van witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre -rythmen van languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes -van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende schijn nu werkelijk -geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van goedheid waren, en van waarachtig schoon.… -<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p> -<p>Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke <span lang="fr">bien-être</span> weer over hem kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er -tòch niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen te zijn -aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht. Hij zag aan de wijze, -waarop zijn aristocratische vriend na het diner een fijne Havannah opstak, en met -een glimlach den rook wegblies, dat deze er zóó over dacht. -</p> -<p>„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens<span class="corr" id="xd31e527" title="Niet in bron">,</span> „zie je dien kolossalen kerel, die daar binnenkomt?.… Je kent hem zeker al, hè?<span class="corr" id="xd31e529" title="Bron: ..">…</span> Dat is prins Sergius Alexandrowitsch … Wat steekt hij uit boven de vrienden, die -bij hem zijn!…” -</p> -<p>Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was ook een Moscovische -prins, de jongste broeder van den keizer van Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. -Paulus had dikwijls in couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld -bekend was om zijn woestheid en zijn dapperheid … Hij was berucht om zijne uitspattingen -met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent hem rond over nachtelijke -festijnen, die aan de orgieën der romeinsche keizers deden denken. Men fluisterde, -dat de beruchte Leliënstadsche danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen -aan diamanten betaald was voor één nacht van <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>wellust. Hij was ook beroemd als een hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden -van Oost-Moscovië, moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, -met zijn groote vuisten hebben geworgd. -</p> -<p>Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen, vertelde in zijn -blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich niet lekker voelde, als hij een -dag had doorgebracht zonder dat hij een of ander dier gedood had, al was het maar -een vogeltje. Het jagen zat hem in ’t bloed, had hij hem gezegd. -</p> -<p>Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor Paulus een schrikbeeld -geworden, een soort legendarisch monster, te wreed, om eigenlijk anders te kunnen -bestaan, dan in overgeleverde verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op -éen dag honderden herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen -was die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige, zachtzinnige -wezens. -</p> -<p>Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het tafeltje van den -prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond. -</p> -<p>„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb de eer gehad, -aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den bloede.”— -</p> -<p>Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>een diepe, eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst, -maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote oogen naar den -grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en dreigend in zijn leven was verschenen. -</p> -<p>Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een gewone groote -man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de Moscovieten, die een nog -maar weinige jaren wat beschaafd volk waren van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden -mond met bloedroode lippen zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige -haar van zijn zware snor en langen baard. -</p> -<p>Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang voor hem was. -Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins voorbij kon gaan, en voelde als -een heel teêr, fijn vogeltje, als het een wilde sperwer heeft gezien. -</p> -<p>„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio, boos. „Wat moet -Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en zag, dat je bij mij hoorde. -Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd -veel bij Haar Koninklijke Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.” -</p> -<p>„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Leliane?… híj?… dat donkere, wreede mónster?… onmógelijk …” -</p> -<p>En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige, dat leefde -van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen als het witte, het vlekkeloos -onschuldige van de prinses, die uit de gouden zonnestralen en de blanke waterlelies -was gesproten. -</p> -<p>„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend. „In de politiek -zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet vergeten, dat hij de broeder -is van Zijne Majesteit den Keizer van Moscovië, en een van de rijkste prinsen van -de wereld.” -</p> -<p>„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze dieren!” -</p> -<p>„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met den beer bewezen. -Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn, daar ben ik zéker van.” -</p> -<p>„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch moord, laffe moord -op zachte, lieve beesten, die zich niet verdedigen.…” -</p> -<p>„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport noemen we dat.” -</p> -<p>„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van hem bekend -zijn, of is het <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn -millioenen, weggesmeten aan veile vrouwen?.…” -</p> -<p>„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats denken. Zoo’n halve -barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed in opbruist, en dan in ’t bezit -van millioenen, en dan die verleiding overal.…” -</p> -<p>„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen in de mijnen.… -de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen -in moeten werken?.… en waar duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad -hun liefde voor de vrijheid en voor hun medemenschen was.… daar leeft hij van, dat -monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig monster!.… Hij -is niet waard denzelfden grond te betreden, waar Leliane’s heilige voeten over zijn -gegaan.… Zijn enkele tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al.…” -</p> -<p>Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen hij zag, hoe -rood Paulus was geworden van verontwaardiging en opgewondenheid. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op hetzelfde effect berekend, -waren er nog tientallen van restaurants in Monte-Regina, de <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>groote Grill-Room van het café des Lys, de restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van -de Métropole, en vooral het kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en -prinsen kwamen met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door -kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse muziek, de vergulding -van den uiterlijken glorieschijn om wat niets anders was dan de voldoening van het -Beest. En Paulus voelde intuïtief, dat het genot van al die schitteringen, die tot -het uiterste opgevoerde verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, -door culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door het aanbieden -van de „<span lang="fr">addition</span>,” waarop met rooverachtige onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd. -</p> -<p>Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden van het paradijs -nog werden verhoogd door het neerzien op de pijnigingen der zondaars in de hel, zóó -was misschien voor die correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, -in die peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich te goed -deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van honger en gebrek. En zij -allen, zij wisten, of kónden weten, welk een arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, -dat zij hier moedwillig verspilden. Met één, nog niet eens <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zoo bijzonder fijn diner aan een paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, -waar een afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in menschonteerenden -arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen, of in verpeste fabrieken. En voor -één nacht van wellust met een veile vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, -waarvan honderd gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan. -</p> -<p>Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen uithouden, en dat hij -zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten breken, als hij hem nu niet spoedig de -vergunning bracht voor de zoo vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want -hij voelde met de dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen. -</p> -<p>Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n restaurant, beving -hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een onweêrstaanbaren lust, om alles -in ’t rond kort en klein te slaan, om de omzittende, rijke patsers op hun impassibele -tronies te trommelen, en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, -hoe zij allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen, lafhartige, -domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven maatschappij van onrecht en -goddeloosheid. -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van overprikkelde nervositeit, -dat correcte, ongevoelige gedoe van al die kerels en vrouwen in hun mooie plunje, -die daar in één maal voor honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun -heele leven zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die kerels, -met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit arbeid hadden gekend, hun -met fijne essences doortrokken haren; die vrouwen, die met duizenden en duizenden -aan paarlen en diamanten waren omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde -gezichten, haar coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest -zijn! -</p> -<p>Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs de schijn van -glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête brak door al die voorname, -in valsche plooi getrokken gezichten heen, en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende -van al de lakeien en keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn. -</p> -<p>Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een blijde tijding. -</p> -<p>„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je me daar vinden, -en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er nu mijne tante, de hertogin -Marcelia, voorgespannen, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>en je weet, die heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf -uur van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te vinden. O ja, -dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de speelzaal ’s morgens. Dat -is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets, om je eens flink te ergeren …” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart vóór elven. -</p> -<p>Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden morgen-licht, dat door -den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen -en het donker-gulden licht leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst -zou beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen, ópjubelend -door de gewelven … -</p> -<p>En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan speelholen -waren. -</p> -<p>Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte bezig queue -te maken. -</p> -<p>Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met zenuwachtige gezichten, -in hun elegante kleêren, toch als armen, wachtend <span class="corr" id="xd31e600" title="Niet in bron">op </span>de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden knoopen waakten bij de deur. -<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p> -<p>Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en mochten die menschen -binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten honger, in honger naar het goud. -Ze hadden iets van beesten, wachtend op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan -een half uur gestaan, mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen, -die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig trokken met -hun in spanning verwrongen gezichten. -</p> -<p>Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht … -</p> -<p>Totdat opeens de deuren opengingen. -</p> -<p>Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen holden die menschen -de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de groene tafels, verdrongen elkaar, -vochten bijna, om een stoel te krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als -gold het hier een maal van uitgehongerden na een beleg. -</p> -<p>Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school, knusjes-gezellig om één tafel, -waaraan ze samen hopen te smullen, en waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd -zouden worden. Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes -goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier. -<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „<span lang="fr">Messieurs, faites vos jeux!</span>” -</p> -<p>Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk, een enkele zijn -biljet op een nummertje, of een vak. Het leek onschuldig, als een avondpartijtje, -waar de kinderen om een lange tafel aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat -het hier ging om ’t bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten -in dat schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en heeren, -schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère en den honger en de -langzame uitmoording van duizenden slaven en sloven, die de productie voor hen moesten -voortbrengen in kommer en gebrek. -</p> -<p>Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette. De roode gezichten -volgden in spanning het kleine, witte, ratelende knikkertje, of hun leven er van afhing. -Onverschillig riep de croupier met zijn monotone stem: -</p> -<p>„<span lang="fr">Treize! Noir, impair et manque!</span>” -</p> -<p>En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar ginds, ver, -in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek woedden, en de proletariër -vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw en kinderen, met den honger als wapen … -</p> -<p>Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het onrecht! Overal -triomfeerde <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>het onrecht, en onder het masker van godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij -leefde de minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van het -bloed en zweet der zwoegende massa’s. -</p> -<p>Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor honderden millioenen -verspild en verbrast, in louter roekeloosheid, door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze -patsers, millioenen, waar zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om -te lenigen den nood der misdeelden. -</p> -<p>Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en de weelde er -geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige -luxe in te ledigen. Uit alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd -met hun geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er anders -geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven. O! Als ze het niet -konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid was, dàn ware het nog wel onrecht, -doch tóch nog te vergeven, omdat zij niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden -wreedaards hier, zij wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren -boeken geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die het -hun hadden gepredikt, <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>hoe zij leefden van diefstal en onrecht en langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, -zij allen wísten, en tóch liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met -paarlen en diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud betaald, -en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg in wellust met veile -vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht verworven geld. En zij allen noemden -zich Christenen, en waagden het, Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en -Gods zegen af te smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze opeenhooping -van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina, waren nu duizenden, honderdduizenden -ongelukkige, onbewuste arbeiders bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige -mijnschachten, in van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende -riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige beesten in de felle -koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke nietsdoeners aan hadden was door -zwoegende medemenschen voor luttel hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, -de stof voor hun kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, -die zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van arbeiders -was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>God aan allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van superioriteit, -of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had gegeven, enkel, omdat zij zóó -in het groote onrecht van de maatschappij waren geplaatst, meest door het bloote toeval -van geboorte, of erfenis, of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, -waar het geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden, hoe -meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender menschen werden zij gevonden. -Een Engelsche prins, die voor één hoed van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen -van Léoni vierduizend francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed -en zweet van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle Monte-Reginasche -bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse, die, door het verkoopen van -haar lijf tot veilen wellust, zich een onschatbaar fortuin had verworven, ging <span class="corr" id="xd31e635" title="Bron: edereen">iedereen</span> in de speelzalen eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde -van haar beroemde diamanten. -</p> -<p>Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep, wachtende op -Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en voller, een uur verliep, en nóg -was hij niet gekomen. Een drukkende warmte begon in de zaal te broeien, een lucht -van verhitte menschen, vermengd met geuren <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd worden, en vond het beter, even wat -naar buiten te gaan in de heerlijk zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over -een half uurtje zou hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was. -</p> -<p>Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij op een bankje -zitten. -</p> -<p>Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was eindeloos ver, spiegelend -in het zachte zonlicht, rustig en egaal, zonder rimpeling. Links naar den horizon -wenkten verre omtrekken van bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen -nu en dan héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde -de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en tevredenheid, en rustig -geluk. -</p> -<p>En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel wègglijden. O! Hoe -innig waren die lijnen van de bergen daar in de verte, hoe gevoelig stonden daar die -boomen, èven wuivende somtijds op zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren -varen haar pracht ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! -En, weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen vier muren, -was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde over de eindelooze zee. -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal. -</p> -<p>Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek, en keek.… -Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene grasveld, trilde en fladderde -iets op den grond. Een groote, bruine jachthond holde aan, apporteerde iets van den -grond, droeg het weg in zijn bek. -</p> -<p>Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte vallen, als voor -vogels. -</p> -<p>Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op, eerst verblind -nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen, vloog dàn weg, blij, om vrij -te zijn in de mooie, blauwe, zonnige lucht. -</p> -<p>Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig slaande met de vlerkjes. -</p> -<p>De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in zijn bek, holde -weer weg. -</p> -<p>Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid, in al dat gouden -licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank gelukje, omhoog<span class="corr" id="xd31e656" title="Bron: ...">.…</span> -</p> -<p>Pang! Pang! -</p> -<p>En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan, met opengesperden -muil.… -</p> -<p>Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne, aten gebak en -vruchten <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>aan tafeltjes, lachten, hadden plezier, applaudisseerden de laffe moordenaars, die -de mooie, weerlooze duiven schoten, uit pure pret in bloed en dood.… -</p> -<p>En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan zijn de beroemde -Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op groote schaal, waaraan de hooge -adel deelnam, de fine fleur van de aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, -met prijzen van honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had -gedaan.… -</p> -<p>Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet genoeg, en de dure -demi-mondaines niet, en de met goud betaalde pasteien niet, en niet de dolle wedloopen -met halfdood gemartelde paarden.… -</p> -<p>Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van lediggang en parasitisme, -zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord op onnoozele duiven, waarvan er honderden -vielen, tot hún leeg vermaak op éénen dag.… -</p> -<p>Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De witte duiven vlogen -op, de een na de ander, en wiekten weg naar de lichte lucht, en vielen jammerlijk -neer, bloedend en des doods, waar een roode muil met scherpe tanden dreigend werd -opengesperd, ze wachtte.… -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in het bosch, -neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje. -</p> -<p>Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen verduisterden zijn oogen, -en met het hoofd op de armen snikte hij hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten -onmeedoogend dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood. -</p> -<p>„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer, mijn brave? -Kan ik je helpen?” -</p> -<p>Paulus schrikte op. -</p> -<p>Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den schouder. Zijn heldere -oogen keken hem vriendelijk, maar toch een beetje medelijdend aan. -</p> -<p>Paulus greep hem krampachtig bij den arm. -</p> -<p>„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen. „De ellendelingen! -De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie, witte duiven, die hun niets hebben -gedaan! Je moet die lieve vogels zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar -zijn, hoe lief ze spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als -gracieuse riddertjes en edelvrouwen.… kijk, daar vallen ze, hun witte veertjes vol -bloed, en dan zien hun brekende oogjes de <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>roode, opengesperde muil van dien grooten hond.… o! de lafaards, Marcelio, de lafaards!.… -ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje, als een gewoon spelletje, voor -tijdverdrijf!.…” -</p> -<p>„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.… Maar dat is sport, wat -ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres voor gefokt.… als die sport -er niet was, hadden ze heelemaal niet geleefd.… Het is vandaag Tir aux Pigeons om -den Grand Prix.… de fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.… prins Sergius -is er ook bij, die wel weer zal winnen.… hij doet hors de concours mee, omdat hij -tóch altijd wint.… en vanmiddag komt Haar Koninklijke Hoogheid, prinses Leliane, den -wedstrijd even met haar bezoek vereeren.…” -</p> -<p>Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer vergeten. Hij -herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om hem antwoord te brengen op -zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede van háár bezoek bij dien bloedigen moord -van duiven ontging hem. -</p> -<p>Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van hoopvolle verwachting -bracht er een zacht licht over, als een doorbrekende zon doet door een regenlucht. -</p> -<p>„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid.…?” vroeg hij, stotterend. -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft Haar Koninklijke -Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te beschikken. Ze zal je audiëntie -verleenen. En héél alleen nog wel. Ze zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, -dat je over haar verdwalen in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. -Er zal niet eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen. -Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die al haar invloed -er voor heeft gebruikt!” -</p> -<p>Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht tranen in zijn -oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan toch goed worden! Zij zou de -handen zegenend uitspreiden boven haar arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem -de woorden spreken van wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj -voorging in liefde zou niemand durven achterblijven. -</p> -<p>„En.… wanneer?.…” stotterde hij. -</p> -<p>„—Héél gauw.… morgen al.… om twee uur morgen middag <span class="corr" id="xd31e694" title="Bron: wordt">word</span> je verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het Regina-Palace.… ik zelf -heb morgen dienst en zal je binnenleiden.… dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór -alles om de etiquette denkt.… je bent nú niet meer in het <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>Bosch met haar, en staat tegenover je aanstaande koningin.…<span class="corr" id="xd31e699" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„—Morgen al?.… morgen al?” riep Paulus jubelend uit. -</p> -<p>Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den afschuwelijken -moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén, dat hij morgen prinses Leliane -zou zien, en dat dan alles goed zou worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, -dat liefde was en mededoogen. -<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig geslapen. Den ganschen -nacht had hij er over liggen denken, dat hij prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide -even in slaap gevallen en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, -witte maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek ongeloofelijk, -dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij wérkelijk weer begenadigd zou -worden door den ziele-zachten blik uit hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete -muziek van haar stem. Hoe was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor -de harde gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen voor -het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als maar éven het licht -hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde aangezicht, dan zou zijn ziel zich -wel weer oprichten, en zich kuisch ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar -de zon. -<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> -<p>Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar het was té -schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen, en de pracht verblindde -hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een groote blankheid rayonneerend. -</p> -<p>Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En wijd zag hij -uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze gloed uit over het water, -dat langzaam lag te rillen van die liefde. Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s -van de stad, vèr beneden, en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien -gloed van den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte, wèg-lijnend -naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte nevelen, waar óók teêr roze -èven doorheen begon te glanzen, als liefde, die opdroomt door een blanke ziel. Hier -en daar wuifden ze, wijde, witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam -voort, de blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar blanke -engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen. -</p> -<p>Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot, onuitsprekelijk -geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk goed zou worden.— -</p> -<p>Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de dageraad, van -een licht, nóg zachter en nóg zaliger.… -<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> -<p>De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en violet. Het leek -of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó, verrillende en vervliedende, -tot de diepste innigheid te komen, telkens droomende door een anderen staat van teederheid, -en dàn fijner, en nóg weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het -alles rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid duidelijk -terug op haar kalme, rimpellooze vlak. -</p> -<p>Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun breede waaier-kruinen -uit, en de biddend-gebogen takken der olijven stonden teêr afgeteekend in de ijle -lucht. Hier en daar, tegen de bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en -bijzonder, met zijn puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap -met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich hadden, en toch zoo -recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in smarten. De lucht was vervuld -van de geurige aromen der tallooze bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten -openden in het jonge licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, -waar de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer was doortrokken -van haar innige essences. -</p> -<p>In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>kleine amandelboomen in bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun -lichtroze bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi<span class="corr" id="xd31e723" title="Niet in bron">.</span>— -</p> -<p>Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende boomen en -bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In de verte zweefde langzaam -een schitterend, blank zeil over het wijde water, rustig en wèlbewust, als een ziel, -weg-varend in het eindelooze. -</p> -<p>Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van het Zuiden. -En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods aangezicht.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle dingen òm -hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der menschen waren verteederd, en -wonderlijk zacht gebaarden de boomen en de bloemen. Hij wandelde droomend langs de -zee, en over bergen, en door dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en -hij óp mocht gaan tot de sfeer van Leliane. -</p> -<p>Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de boomen het -wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen, onbewegelijk in het licht, -de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes, die beefden van innigheid, de <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>roerlooze cypressen, recht oprijzende, als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte -op het wonder. En het werd vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het -mis-mirakel staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de hoofden -der biddend-gebogen schare. -</p> -<p>Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het dóór was gestraald -tot de innigheid van den middag. Paulus was nu teruggegaan naar het witte Regina-paleis, -en werktuigelijk deed hij de dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden -in den deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef in -de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem nu zachtkens voortstuwde -naar het wonder. In die uiterste spanning van zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, -wat hij zeggen zou, als hij straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses -Leliane, en herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare -genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken in een lagere -bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle andere dingen heen, tot -den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s -middags, kwam Marcelio hem roepen. Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, -schitterend van goud, de borst blinkend van ridderorden, <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>en als een lichte bode uit een sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen. -</p> -<p>„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote gunst van -Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil … waardig zijn, hoor, en kalm …” -</p> -<p>Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte, donzen tapijten, -die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in lange rijen, stonden porseleinen -potten met rozen, en de lucht was vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien -in blauw en goud, met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In -een anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke staatsie-gewaden, -met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed Marcelio een deur open, duwde -hem zachtjes naar binnen, en hij stond alleen. -</p> -<p>Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen, leliën witheid. -De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote waterlelies waren geweven, -en beneden waren de wanden met een lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware -tapijt was van witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, -de tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote, broze vazen -van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte orchideeën neêrhingen. <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke beelden, goden uit verre, Oostersche -landen, stralend van wonderen glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten -in rustigen, sereenen droom van vrome meditatie. -</p> -<p>Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine, dat vlekkeloos -pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit het geslacht der lichte water-lelies. -</p> -<p>Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den jammer van -voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij begenadigd was om in dit allerheiligste -der heiligen te treden. Hij wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die -uiterste spanning. -</p> -<p>Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde wuifde èven -weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans omgeven, verscheen de prinses. -</p> -<p>Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van zaligheid, -tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp naar zijn oogen, zijne -handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij knielde ootmoedig voor hare voeten -neder, het hoofd diep gebogen tot den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, -in gansche, devote overgave, als een zondaar in duister voor de blanke <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>Heilige, die hem barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts. -</p> -<p>Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel trilde van een -zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid. -</p> -<p>„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.… Wij zijn u niet vergeten en -zijn u altijd dankbaar gebleven.… Wat kunnen wij voor u doen?.…” -</p> -<p>Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de wondere muziek, -als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van engelen uit hemelsche sferen. -</p> -<p>Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel nederig bleef -hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar aanziende met biddende oogen, -zooals een deemoedig zieltje opziet naar God. -</p> -<p>Een zachte glimlach <span class="corr" id="xd31e760" title="Bron: lichte">lichtte</span> om haar fijnen mond. Zij dacht weer even aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar -had gestaan.—Géén hoveling was zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén -harer kamerjonkers had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde -gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de middeneeuwen.—Zijn -deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was. Toch begreep zij, dat dit zóó -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>niet duren kon, dit stille aanbidden zonder woorden. -</p> -<p>„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend. „Waarvoor hebt -ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook helpen met iets? Nu moet ge spreken.…” -</p> -<p>Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing, als een blanke -droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van haar afstraalde.—Goud was haar -glanzende haar, goud als de zon en zóó zuiver. Een aureool van goud beefde om haar -lelie-blanke hoofd. Wit, zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om -haar heen was wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein. -</p> -<p>„—Maar spréék dan toch.…” zong weer de muziek van haar stem. -</p> -<p>Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te herinneren.… alles was -zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien hoogen staat.… hij moest nu spreken, -zeide zij.… van wat?.… van wat?.… wat was er nu nog te spreken?.… hier was het hóógste, -wat nu ooit nog komen kon.… het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar de ziel -van bidt.… hier was enkel het stille, rustige droomen, de handen gevouwen, diep het -hoofd gebogen, als in een kerk … wat kon er nu nog anders komen, dan de zalige zegening -van het licht uit haar heilige oogen?… -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen moest.… zij -gebóód het, dus móest het wel.… er wàs wel iets, maar dat was zoo héél lang geleden.… -wel eeuwen leek het.… uit een ander leven, in een gansch andere sfeer.… toen was het -duister, zwart, droef duister, en nú was alles zoo licht.… -</p> -<p>Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al den uiterlijken -eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met ceremonieele vormen, was niet de heilige -reverentie, die zij raadde in dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend -trachtte zij hem op dreef te brengen. -</p> -<p>„—Komaan.…” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets gekomen.… zeg ons -nu alles, zonder schromen.… onze tijd is kostbaar.… en wij hebben nog maar weinige -minuten voor u … Spréék nu, wij wíllen het, wij gebíeden.…” -</p> -<p>Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte uit de spanning -van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op, dat hij alles verzaakt had in -de extase van zijn eigen ziel. De armen, de ellendigen.… het onrecht, de verdrukking. -Hier was alles wit, en rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk -in rook en roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande.… En -hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>in de verblinding van zijn droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. -Hij trachtte kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles -duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de emotie hem te -sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem. -</p> -<p>„O! Koninklijke Prinses.…” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die leeft in licht en -glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van reinheid en vrede, gij weet, ik -ben U gevolgd uit de kalme rust van mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, -de lichte.… Het allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.… heeft U het zélve mij -niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.… op Uw gebod heb ik het liefste -van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en vredig zijn zou in de sfeer, -waar Uw heilig leven woonde.… omdat ik dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in -de glorie van Uw rijk.… toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven -de huizingen der menschen.… schitterend wit, en veilig, op de heuvelen, waar de lucht -rein is.… maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de groote stad gezien, waar het -volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen, zich koesterend aan Uwen voet.… en benéden -woont het onrecht en de leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.… -Ik heb gezien de duizenden arbeiders, mijn <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>broeders, die zwoegen in vunze, heete holen, en diep in donkere mijnen.… ik heb hun -vrouwen gezien, hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon.… -ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de verschrikkelijke zonde -heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe -droeve, geschandvlekte zusteren, zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen -haar klagelijk lijf.… de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke -Majesteit, als redeloos vee.… ik weet de honderdduizenden, die wegteren in misère, -in grenzelooze misère van honger en gebrek.… en o, ik heb gezien het pratte poenendom, -dat leeft het wreede parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan.… -Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de werkers, de onontbeerlijke -arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder wie niets bestaan kan, zij sloven hun -leven moeizaam door, om juist nog niet van honger om te komen.… en de bestbetaalden, -in de gunstigste omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, -dat óns het leven enkel waard maakt.… Die groote, lichte Leliënstad, die de glorie -heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed, gruwbaar onrecht, van leugen -en bederf.… en áltijd troont prinses Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven -al de <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>ellende, en zij ziet enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren, -koninklijken naam … En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al de parasieten -rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en zweet van hun broederen betaald, -hier klinkt niet dóór de jammerkreet der verdrukten.… O, Koninklijke Prinses, waarom -hebt Gij mij geboden U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? -Nu heb ik de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer -rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.… O, Prinses Leliane, ik -heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker -zijn.… Gij hebt mij beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister -ben ik afgedaald.… ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb gelezen.… in véél doorwaakte -nachten heb ik gelezen, hoe het wee der wereld zou te stillen zijn.… maar nergens -heb ik de uitkomst gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door -niets te stuiten.… De menschen gaan met harde gezichten en weenen niet … zij leven -van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als koude wreedaards onbewogen.… -en God heeft toch de schoone wereld gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan -enkelen, om te leven ten koste van de anderen, die lastdieren moeten <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>zijn.… maar in de menschen woont de Liefde niet.…<span class="corr" id="xd31e787" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht hij de korte -zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn groote verwarring. -</p> -<p>Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in zijn uiterste -wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn hoofd bonsde op den grond, maar -hij voelde het niet. -</p> -<p>Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde trek gekomen -om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat hij bedoelde, maar er schemerde -een vaag bewustzijn in haar op, dat zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan -de onschendbaarheid van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan, -voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar, van de sociaal-democraten -en de anarchisten, die God noch Koning eerden, die de geheele maatschappij wilden -omverwerpen, en durfden zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen -was en onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de Kerk, van -den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.… Had die jonge ridder van haar -zich laten bederven door de vijanden van haar geslacht?.… Was hij zóó weinig dankbaar -voor haar koninklijke gunsten?.… -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn hartstochtelijke adoratie -en de diepe deemoed, waarin hij, als een vernederde slaaf, op den grond voor haar -nederlag. Zij vond hem mooi, met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij -zag hoe glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de riddertijden. -Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had bekoord, door haar koninklijkheid -héén, tot in haar innigste, maagdelijke wezen. -</p> -<p>Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door. -</p> -<p>„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.… de menschen, die U dienen, -en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want zij kennen de Liefde niet, en zonder -Liefde kan het onrecht nooit genezen.… daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, -verlaat dat lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte staat, -en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun grooten nood te zien … -Zie de zwoegende, tobbende werkers in de gruwelijke fabrieken en diep in het donker -der mijnen, en zie dan de feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet … -zie de vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het dagelijksch -brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën … <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van genade … en stoot -de leugen omver met Uwe koninklijke hand … als gíj voorgaat, moeten de anderen vanzelf -wel volgen, die al het onrecht deden in Uwen naam … Uw woord zal allen bezielen, Uw -hand zal afnemen van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen -en beroofden … Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en zonde, een -duister oord van verschrikking, een hel.…” -</p> -<p>„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend. -</p> -<p>Verschrikt keek hij op. -</p> -<p>De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een superbe gebaar -trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om zich heen, dat geen zoom -zou besmet worden door zijn aanraking. Een wreede, minachtende trek kwam om haar mond. -</p> -<p>„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op een schel. „Gij -zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen drempel te betreden … onder -slaven hoort gij, met uw onwaardige taal … ga heen, en kom tot inkeer … verbeter u, -als gij ooit weer in onze genade wilt komen …” -</p> -<p>Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik. Hij dacht een -oogenblik, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>dat hij slecht was, een ondankbare, een nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin -zij ademde. Al het onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een -verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige reëele, waar al -het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke waardigheid van haar vlekkelooze -wezen, de majesteit, die straalde van haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár -heilige tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een enkelen -blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan, ongenaakbaar, hoog opgericht, in -sneeuwen blankheid, het witte gewaad in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij -weg, neigende, diep vernederd, of hij een zware misdaad had begaan. -</p> -<p>Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En hij stond weer -in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging hij door. Uit de open anti-chambre -kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk legde hij een hand op Paulus’ schouder. -</p> -<p>„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?… Dat kon ook niet anders … mijn beste -jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch moeten blijven … je bent véél te naïef, -een miniatuur editie van don Quichotte … maar je hebt het zélf gewild … en door al -die dingen moet jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt worden …” -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -<p>Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel. Hij liet zich -zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste verdieping. Dáár viel hij -snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam naast hem zitten, op den rand van het bed, -en zag medelijdend op hem neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, -zijns ondanks, aan, met een zacht medegevoel. -</p> -<p>„—Kom … vertel me nu eens …” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken wat bedaarde. -</p> -<p>„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio … van al de ellende … van het onrecht … van haar -droeve zusteren, levend van haar lijf … en ze heeft me aangezien, o! met haar reine, -blauwe oogen heeft ze me aangezien … mijn ziel kromp inéén … ze veracht me, nooit -zal ik dien vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel … -Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio … o! hoe zij daar stond, zoo hoog, zoo -edel, zoo trots … als zij mij lang zóó had aangezien, zou ik gestorven zijn … maar -zij wees mij weg, met een zóó fier gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een -slaaf …” -</p> -<p>Marcelio lachte medelijdend. -</p> -<p>„—En het onrecht dan, Paulus … de groote zaak van het volk, waar je voor kwam?… was -die dan inééns verbleekt in je?… alléén door dien blik?… heb je toen alles inééns -verzaakt?<span class="corr" id="xd31e819" title="Bron: . .">…</span>” -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>Paulus keek hem aan, en bloosde. -</p> -<p>„—O! Marcelio … ik wéét het niet meer … ik weet niets meer, dan dat ze me aankeek … -zóó … vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid … zoo hoog was ze, zoo ongenaakbaar … -en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo verachtelijk … ik was niet waard, den zoom aan -te raken van haar gewaad …” -</p> -<p>Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als iemand die een -besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst had willen verzwijgen, vroeg -hij, bruusk: -</p> -<p>„—Kom, kom, Paulus.… weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van haar gewaad aan -te raken?.… en niet alleen dien zoom, maar haar zelve, haar héélemaal.… weet je dan -wel, dat de prinses.… gauw.… hm … moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?…” -</p> -<p>Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend. -</p> -<p>„—Hè?.… Wat?.…” -</p> -<p>Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg ontzettender -dan het eerst gebeurde. -</p> -<p>Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij Paulus ging -doen. Toen, inééns: -</p> -<p>„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië.… -morgen wordt het bekend gemaakt.…” -<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde: -</p> -<p>„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.… met zúlke dingen mag je niet spotten.… wat héb -je er aan, mij zoo voor den gek te houden?.…” -</p> -<p>„—Maar het is wáár, kerel.… ik spot héusch niet.…” -</p> -<p>„—Och.… dat kán toch niet.… de prinses kán toch niet houden van zoo’n bruut.…” -</p> -<p>„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.… hóuden.… alsof een koningin zou behoeven te -hóuden.… dat is goed voor het volk.… bij een koningin geldt alleen het zoogenaamde -belang van het volk en van het vorstenhuis.… het is héusch, héusch waar, Paulus.… -Maar wat schéélt je, kerel?.…” -</p> -<p>Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. Marcelio hoorde -hem stamelen: -</p> -<p>„Dus dan zou de prinses.… als al die vrouwen van de straat.… zónder liefde.… alléén -voor eene belooning van glorie of belang.… een veile vrouw zijn, als de anderen.… -Het is niet waar, hé, Marcelio.… het was maar een grap.… en je hebt gelogen, hè, gelogen …?” -</p> -<p>Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden uitbrengen. Een -rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij de vuisten in de lucht. -</p> -<p>Marcelio snelde op hem toe. -<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p> -<p>En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk bleek, even -wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een doodelijken slag had gekregen, -waaronder hij wègkromp.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in Monte-Regina. Hij -ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij verlossen moest van een monster, -dat haar wilde overweldigen, en met moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit -zijn bed te stormen, en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne -verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een doodsgevaar bedreigde -de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte -naar haar blankheid, en niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, -anders was zij verloren.… Het Monster kwam al nader en nader.… -</p> -<p>En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in zijn nachtgewaad -weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te bevechten. -</p> -<p>Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter verbaasd over zijn -kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. -Ook tegen Marcelio zeide hij niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>in hem te zijn, waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het -beeld van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in onbewustheden -van zijn ziel. -</p> -<p>Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad, dat was het éénige, -waar hij om vroeg. -</p> -<p>Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat was hij bleek -geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond gekomen. Er was iets over -Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of verwachtte, en zóó maar het leven verder -inging, overwonnen, verslagen voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, -maar Paulus uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over wat -de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor zichzelf, dat het -wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles op den duur toch wel geneest.… -En hij begreep absoluut niet, wat het voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische -prinses uit zijn droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een -Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen uitstrekt -in bloedgierig begeer.… -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nu waren maanden en maanden daarna verloopen.… -</p> -<p>Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een groote verandering -in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer blijven doorleven, als vroeger, -op kosten van de prinses.… In ’t begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, -had hij er nooit over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, -en alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden. Maar nu, na -zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets meer van haar zou kunnen aannemen, -en schaamde hij zich, ooit van háár aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij -probeeren moest, van de opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, -dat loon waard was? -</p> -<p>Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom hij niet schreef, -of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde uitgeven. <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te gaan schrijven van zijn -heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, van zijn jonge, mooie droomen, als hij, -hoog in den top van een boom naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen -hij klein was, die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was -hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het lawaaiende leven -van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te bewaren, veilig achter in je ziel, -er nooit iemand iets van te zeggen, een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt -van binnen, door de duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche -literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.— -</p> -<p>Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou hij misschien -genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij onafhankelijk van de prinses. -Hij zou dan een andere kamer huren, zoo goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober -mogelijk zijn in zijne uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de -hoede van Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid die -om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en drinken. -</p> -<p>Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de literatuur te -wijden, en <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen te leven. Hij zou dan geen geld meer -behoeven aan te nemen, dat van prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen -verdienen. -</p> -<p>Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht had. -</p> -<p>„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom je in een maatschappijtje -apart, maar heusch niet mooier en beter dan de gewone maatschappij hoor! Dat moet -je vooral niet denken. Die heeren artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de -verhevenste en goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan -de gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie schilderijen -maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit hun ziel er in, als het kan. -Prachtig! Maar die dan toch zoo duur mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, -om dan later óók een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te -kunnen eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun knoopsgat. -Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de dichteres Dolorosa! Hun -eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen in plaats van koffie, of thee, of -tabak, sóms ook wel het zoogenaamde medelijden met de verdrukten; en de concurrentie -bestrijden zij met even veel unfaire middelen <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>als de anderen, hoor! Er is nijd, er is jaloezie, er is laster, even fel, als in de -bourgeois-maatschappij, misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, -wou jij in je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon volhouden, -zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor.…” -</p> -<p>„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd zuiver zou -blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je ziel uit te zeggen, en dat -den menschen te geven.…” -</p> -<p>„—Te géven, Paulus?.… ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.… als het werkelijk te geven -wás.… Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen, en wel aan een klein deel van de -menschheid alleen, dat het geld er voor betalen kan.…” -</p> -<p>„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets voor doe, zooals -nú … het geld van de prinses, dat mij nu verder zou bránden in mijn handen …” -</p> -<p>„—Dát is het, Paulus … maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden het minst erge -kiest, wat dan nog lang niet het goede is … al is het een groote vooruitgang voor -je, als je heelemaal los bent van de weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud -kunt zorgen … met wat je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en -verder studeeren in wat je studeeren wilt … en als je de <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>kerel wordt, die ik hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te -maken voor onze partij … daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan … maar dan -moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren, altijd door studeeren, -om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der dingen, die wíj durven aanzien … Dan -zal je ook zien, hoe weinig je eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen -beteekenen bij het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst -van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren staan … je wordt pas -een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je heelemaal daarbij kunt wegcijferen …” -</p> -<p>Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat Elias hem -voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven zijn geld te verdienen, -dan het als een gift te blijven aannemen van de prinses. -</p> -<p>Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het heiligste, wat hij -nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke teleurstelling over de prinses, en dat -hij als een lief geheim binnen in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn -leven in het Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het -te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven! -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen … Maar waar zou hij dan van moeten leven -later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses aannemen, als een aalmoes? -Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en zette hij zich aan den arbeid. -</p> -<p>Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel voorzichtig naar -buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze woorden. Het was zóó fijn alles, -en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat hij ieder oogenblik bang was, het te breken, -als het rythme te brusk leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, -of hij het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij, in de -heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in het Bosch. De vrije -vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten, de hooge kruinen stonden zachtjes -te wuiven tegen den hemel vol sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den -vlakken vijver, door geen rimpeling verstoord. -</p> -<p>Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een wandeling wat beweging -te geven, schrikte hij van wat hij doen ging. Dan zag hij de harde gezichten van de -menschen<span class="corr" id="xd31e895" title="Bron: .">,</span> hun breed gebaar, en den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam -brutaal over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in die -drukke straten, en de mooie, zachte dingen, <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>die hij in zijn boek gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal -onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen en bekwijlen -en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een troepje menschen voor een grooten -boekwinkel staan. Er lagen allerlei boeken, en fotografieën, en gravures van naakte -vrouwen in wellustige houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die -er naar zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze kijken, -als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en teederste uit zijn ziel er -in. En iedereen zou het kunnen koopen voor wat geld, en er over lachen met hoonenden, -schennenden lach. -</p> -<p>Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te loopen en -alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon. -</p> -<p>Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen vanzelf op het -papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme genoot, vond hij weer een -groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had hij al het mooie onbewust ondergaan, nú -werd het hem bewust, hoé en waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat -de emotie er zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote -stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en zijne <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond. -</p> -<p>En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had, van een bloemen-prins -en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en elkaar nooit konden krijgen, tot ze -van liefde stierven, omdat zij niet langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre -idylle heen was de omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen -hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die sterren wisten -van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en klaagden er over, in weenende -klanken van melodieuse reien, die het noodlot der gelieven bezongen. -</p> -<p>Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal over echtbreuken, -en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in de keurige, precieuse woordkunst-taal, -die toen in de mode was, dan voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, -en zijn werk, vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige woord-combinaties, -die onverwachte wendingen, die handige manier om lang-ademende zinnen van gehééle -bladzijden aaneen te smeden! En híj met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die -juist zóó was, als zijn gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten! -</p> -<p>Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>geschreven boeken met hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje -onder een troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om dat -simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich vroolijk over maken! -Het wist niets van decadentie en degeneratie, niets van echtbreuk en vuiligheid en -trouweloosheid, en het kende zelfs niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. -Het wist alleen maar van de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen -van een bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan stille -vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen ontvouwden, in groote eerwaardigheid. -En er kwamen niet eens groote, verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen -maar elfen, en kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als -hij aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn manuscript -gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze droom, en voelde hij zich -somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof -rook, en den zoeten geur der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En -het was hem, of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was, -die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht bidden van <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem zegende met haar wondere, -goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, -en niemand anders, en alles wat nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin -ik nu leef, is leege schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.” -</p> -<p>En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn ziel geleefd -had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had leeren verstaan, was het schrijven -eigenlijk niets anders voor hem dan een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die -innerlijke stem hem vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, -niet te wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten, want -alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets anders te doen had, -dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde ópklinken. -</p> -<p>Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige menschen, en -het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van automobiel-horens, en het -schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls een wreede twijfel in hem op, of al -het fijne en teêre in hem wel bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien -niet ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>hij de koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende lachen, hun -breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht van enkel physiek, machtig -leven om hem heen, dan leek zijn droomerige sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig -daar tusschen, en wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit -onder hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten las, voelde -hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware mannen, die niet voelden -en niet droomden, maar diepe, geweldige stemmen hadden, waarmede zij harde, grove -dingen zeiden, en dan kwam het hem onmogelijk voor, <span class="corr" id="xd31e919" title="Bron: da">dat</span> hij ooit het liefste en fijnste uit zijn ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. -Dan dacht hij om Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie, -Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden in zijn boek, -vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge, breed-geschouderde kerels, waarmede -ze hun gevoellooze, dreunende grofheden uitten. -</p> -<p>Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang, dat er onwillekeurig -iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou komen. De éénigen, die hij in contact -met zijn ziel durfde laten, waren Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. -Wèl bedierf bij het lezen van Wederich’s <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>subliemen eersten bundel „Gedichten” het denken aan zijn ridderorde en het ignobele -diner, dat hij eens had bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam -telkens de oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug. Aan -Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel „Eenzaamheid,” waarin -hij van zijn stille peinzen vertelde op de eenzame heide, waarin hij eens een jaar -alleen, in een klein huisje, had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: -„die twee, Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.<span class="corr" id="xd31e926" title="Niet in bron">”</span> En een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door zijn werk, -misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat hij dan misschien invloed -op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer zuiver te doen worden als vroeger. Ook -hún teêre, gevoelige kunst was toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid -der wereld had haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig, -eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast, onvernietigbaar -in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer vreezen, maar vol goeden moed zijn -werk voltooien, en het dan vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, -dat zijn schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou, dan -de <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het harde, en het fijne overwint -het grove, zooals de ijle geest machtiger is dan de harde materie. -</p> -<p>Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den smachtenden bloemen-prins -en de verre fee der sterren. Een zachte trots, een gevoel van voldaanheid welde in -hem op, als hij zijn werk overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen -mede was, voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van het -leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás dus toch zoo sterk -niet, als het buiten wel leek, als het om je heen lawaaide, en toeterde, en hoonde, -en lachte. Want het mooie was toch altijd èven veilig in je bewaard van binnen en -bleef er altijd verre van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich -ook gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in de literatuur -van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en bijzonders ging geven van -sprookje en droom, en hij bedacht met groote vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging -aanraken de zielen van anderen, verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die -duizenden, verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden hebben -met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was het nog maar héél -weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>misschien kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan weifelende -harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister was. -</p> -<p>Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote ellende van de honderdduizenden -verdrukten er niet mede zou baten. De zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, -de verdierlijkte proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke -zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden zij aan zíjn -subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het nú wel een tijd, om over -sprookjes en schoone droomen te schrijven en zich te verschuilen in stil, eenzaam -verkeer met eigen ziel? En hij dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch -tijdschrift had gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter Wartenau: -</p> -<p>„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie Ik-heid en de eigen -mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog in onrecht en ellende leeft. Wat -beteekenen eigen vreugde en eigen leed bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?” -</p> -<p>Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed door zich zoo -weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl buiten zijn broederen en zusteren -bleven zwoegen in het zweet huns aanschijns, om de kleine minderheid te dienen. -<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder zette, en wist, -dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, schrikte hij, en voelde hij -pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger -rijk en verheerlijkt maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, -warme gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, en zou -zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets vertroostends: hij -had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan zijn medemenschen gegeven, al konden -de misdeelden onder hen er nog niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld -aannemen, om te kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste -in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd voor spot en hoon -en verguizing. -</p> -<p>En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>bewust tot een gedachte te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane -zijn boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren. Immers het -teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren, het stil-biddend verlangen, -waar de reien elfen en nimfen van zongen, wat was het eigenlijk anders, dan het kuische -gebeuren in zijn eigen ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen -aan den roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage voorgevoel -van de verre prinses Leliane hem beroerde? -</p> -<p>Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij voor de uitgave -gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke dingen, en vond het beter, -eerst Marcelio er over te raadplegen, en te vragen, om hem met het uitgeven te helpen. -</p> -<p>Marcelio was bereidvaardig, als altijd. -</p> -<p>„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.… „Ik heb nog al veel -connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien te publiceeren, en dàn apart -bij een uitgever. Het is nu maar de kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. -Je moet natuurlijk kleur bekennen!” -</p> -<p>Dat begreep Paulus niet al te best. -</p> -<p>„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?” -<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p> -<p>„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en welke richting -je bent toegedaan.” -</p> -<p>„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan. Ik probeer -alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo eenvoudig mogelijk!” -</p> -<p>„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan te sluiten. -Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk op je aan. Alléén staan -is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven -ze je nooit. Als je alléén wilt staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees -het desnoods zoo tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets -uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s kijken. Waar zou -je je stuk nu naar toe sturen?.… Het beste is nog naar Duval, den hoofdredacteur van -het oudste tijdschrift, „Het Morgenrood<span class="corr" id="xd31e957" title="Niet in bron">”</span>.…” -</p> -<p>„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft tegengewerkt?.… die -de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk gemaakt … die Wederich’s beste, onsterfelijke -sonnet „De Nachtegaal” indertijd heeft geweigerd?.…” -</p> -<p>„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters, op een enkele -na, hem weer <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is bijgedraaid … dat Wederich nu zelf een -tamelijk loftuitende studie heeft geschreven over Duval’s prullenwerk … en dat, <span lang="fr">après tout</span>, het „Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls je eenmaal -uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?… anders gééf je eenvoudig niet uit. -Je dweepte vroeger met de schrijvers van den Lotuskrans.… maar nú, nu ze bijna allen -water in hun wijn hebben gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in -’t gevlei komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.… Bovendien wil je -nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.… het is er dus vooral om te doen, dat je -werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door zooveel mogelijk menschen wordt gelezen … -en om dat doel te bereiken, moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders -kóm je er niet.…” -</p> -<p>Paulus begreep het nog niet goed. -</p> -<p>„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij. -</p> -<p>„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet dicht te houden. -Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire kringen verzeild raken, kennismaken -met artiesten, enz<span class="corr" id="xd31e972" title="Niet in bron">.</span>, enz. Die zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer. -Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire literatuur zich met -de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te komen, nu -ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in Godsnaam voorzichtig, houd -je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me -ééns vertelde van Wederich met zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen -zijn vroegere doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en -is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om verloochend. Die Lavelane -is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet transigeeren wil. Maar dat zal óók wel -komen, als je maar geduld hebt. De tijd doet véél.… Je moet zien, dat je vooruitkomt -en je pousseert, in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij<span class="corr" id="xd31e976" title="Bron: ..,.">.…</span> Het beste is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en -dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en <span class="corr" id="xd31e979" title="Bron: wordt">word</span> je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.… stap dus over dat idee -heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur hem je werk. Gelóóf me, het -is een verstandige raad, dien ik je geef.… ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een -goed woordje voor je doen.… als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed -voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.… dan vindt hij zich zoo de welwillende -protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui wel een handje <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>zal helpen.… als ze hèm maar erkennen, en niets buiten hem om doen.… en je bent daar -in het „Morgenrood” in elk geval in goed gezelschap van menschen met fatsoen, die -wèl de mooie, rythmische woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.… -heusch, „het Morgenrood” is nog het beste.… pak jij je manuscriptje nu maar netjes -in, en stuur het aan Duval.… ik zal hem dan vanavond te spreken zien te krijgen in -de societeit en je aanbevelen.…” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon papier, en bond -er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel. -</p> -<p>Een oogenblik twijfelde hij. -</p> -<p>Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt had in de reine -eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de menschen met hun harde gezichten -en hun hoonenden blik, in die duistere stad, vol zonde en misère, zou het overal ten -toon gesteld liggen, en ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. -Grove handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en wreed boven -lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in een woestenij vol roofvogels -en gevaren? En waarom deed hij het eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>medemenschen te verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en -mooi te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging doorbeefde -hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem dan tóch al hebben besmet?.… -Als hij het pakje nu tóch wegstuurde, was het met een kwalijk verholen gevoel, dat -hij een slechte daad ging doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden. -</p> -<p>Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een brief van -Jacob Duval. -</p> -<p>Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins en de Fee” werd -een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of zijne mede-redactieleden zouden -ook die meening zijn toegedaan. Ofschoon<span id="xd31e996"></span> „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al maanden op plaatsing -wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden gemaakt, en in het eerstvolgend -nummer zou zijn sprookje verschijnen. -</p> -<p>Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog wel degelijk -erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van „Het Morgenrood,” die de -sublieme verzen in de eerste afleveringen van „De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep -hij naar Marcelio, om hem het heugelijke nieuws te vertellen. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.… als je die heeren maar -op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel schappelijk.… ik ken Duval al -zoo lang.… en ik heb hem verteld, dat je een protégétje bent van Haar Koninklijke -Hoogheid.… van die scène in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.… zoo -héél in vertrouwen zei ik hem dat.… nu, en dát was genoeg.… voor Haar Koninklijke -Hoogheid doet Duval álles.… en het was je beste voorspraak, béter nog dan je boek -zélf.…” -</p> -<p>„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus op, naïef. -</p> -<p>„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.… o! wat ben jij nog -een broekie.… Maar weet je, wat je nu doen moest?.… nu moest je eens naar Jacob Duval -gaan.… hij woont in de Marmerstraat, 64.… en hem bedanken.… dat zal hij erg appreciëeren.…” -</p> -<p>Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan zou terugdenken, -als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij, klein en nederig, naar een groot, -weelderig huis is gegaan, waar woonde Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber -van de literatuur. Het was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en -dikke tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>imponeerde door pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog, -strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den neus. -</p> -<p>Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den schouder en zei „mijn -beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk „charmant,” zeide het mannetje, „het was -een trouvaille … zoo weer eens iets héél nieuws … en de redactie was er erg blij mede -geweest … hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker … het was -uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend … er was zooveel slecht gezelschap in -de literatuur voor jongelui … maar nu had hij geen tijd meer … een redactievergadering … -je begrijpt, er komt heel wat kijken aan zoo’n tijdschrift … Paulus moest nog maar -eens terugkomen …” -</p> -<p>En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk contact er ooit -kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende, uitgedroogde, oude heertje. -Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje had gezonden aan dát menschje! -</p> -<p>Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan beginnen? Waar -was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij, dat er nooit voeling had kunnen -zijn tusschen het innigste uit zijn sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón -<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>niet. Dan had Duval héél anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden -toon aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een opwelling, om -zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr weg, terug naar de eenzaamheid -van vroeger, om het enkel zélf te kunnen lezen, heel alleen onder de stille boomen -van het woud. Maar nu was het te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu -maar afwachten, wat er van komen zou. -</p> -<p>Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen, kende Paulus voor -het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te hooren naar hem toe klinken, van -buiten naar binnen. Hij las nu zijn sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een -ander was, terwijl het toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo -vreemd, dat alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan -te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was het èven, of -dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als ’t ware apart van hem, een -eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er zelf armer door was geworden. -</p> -<p>Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de tijdschriften in couranten, -werd zijn sprookje gesignaleerd. Er verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. -Een bekend uitgever <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in boekvorm. In de literaire -wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke -sprookje had geschreven in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke -grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was verschenen, -voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en den auteur te roemen. Eenige -recensenten van de oude school gebruikten het sprookje, om aan te toonen, hoe het -idealisme weer boven kwam als reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente -schrijvers in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de verschijning -in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur. -</p> -<p>Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en onbekend met het -industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht zijn auteursrecht voor den -eersten druk voor een som, die hij buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar -van kon leven, zooals hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had -moeten vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een groot pak aan -zijn adres, met <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>den naam van zijn uitgever er op, in dikke letters. Haastig sneed hij het open, en -daar lagen de twintig present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, -door een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar donkere -boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd! Het zachte papier, de -pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte letters! -</p> -<p>Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de blanke vellen papier, -als van fijne zijde, door zijne vingers glijden. Dit was nu iets van hèm, apart, uit -zijn eigen ziel gekomen! -</p> -<p>Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht, dat dit boekje -een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van dames, en in dure boekenkasten -van eikenhout met glas; iets, waar de meerderheid van de menschen, die slaafden en -sloofden, tòch niets aan hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, -de afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en kinderen, de -jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de straten, wat hadden zíj aan -zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf -francs konden koopen, en den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een -fauteuil, in een omgeving van comfort en overdaad. -<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> -<p>Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo voornaam uitzag. Zijn -naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,” zooals hij vroeger op de titelbladen -andere had gezien, „Wederich,” en „Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel -van hèm gingen houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid -van het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje zouden gebogen -zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op vallen, als hij over hén had -geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen, die om hem dachten, al kende hij hen niet, -en zijn ziel zou voeling hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het -liefste en mooiste had neêrgelegd. -</p> -<p>O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van een boek. -Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel van je medemenschen, die -je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het beste en innigste van je kregen ze, -want het andere, mindere, van je lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en -gewoonheidjes, bleef er buiten. -</p> -<p>’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet in de vitrines -was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag nog niets. De uitgever had -hèm dus zeker het eerste van allen bedacht, nog vóór hij aan de expeditie <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>begon. Hij keek nu aandachtig naar al de boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs -bij, als je eens goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe, -sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn, maar de meeste -hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die listige, pieterige intrigetjes, -van mannen en vrouwen, die elkaar bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten -te kunnen botvieren. Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in -den Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde, en die -nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie, waarin de zoon gaat -trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader, door toedoen van zijn eigen ouders, -die er alles van wisten, en dit de beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau -door dit stuk, dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote -Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat denkbeeld voelde -Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens naast dat van Wartenau zou komen -te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de -mooie, in rood marokijn gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, -dien hij als een heilige vereerde om zijn „<span lang="de">Buch der Lieder</span>.” -<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> -<p>En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret van prinses -Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere verschijning van fee.… -</p> -<p>Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane boeken! Hij -had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de allerbeste dichters en schrijvers, -en hij zou er vazen bij gezet hebben met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld -op oude schilderijen.… -</p> -<p>Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij opééns vlak voor -zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen: -</p> -<p class="center">„De Prins en de Fee” <br>Een sprookje <br>door <br>Paulus. -</p> -<p>Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op. -</p> -<p>Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden het nu zien. -Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met hun harde gezichten en hun -breed gebaar.… En zij konden staren met hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje -op den band, dien vijver, waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen -in het rond. -</p> -<p>Hij keek angstig naar de menschen, die voor de <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>vitrine stonden te kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen -’t leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de gehandschoende -vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met een naakte vrouwenfiguur. Een -paar oude heeren stonden gewichtig te kijken naar den titel van een groot werk over -crimineele anthropologie. Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem -stond een jong meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en -onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het meisje zeggen: -</p> -<p>„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood” heeft gestaan. -Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten we het dadelijk gaan koopen!” -</p> -<p>Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar oogen. Toen -voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou hebben met zijn ziel, en -de harde gezichten der andere menschen boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep -onbezorgd door, en zag zijn boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van -luxe, dat iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag, hoe -er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit zijn ziel, voor zóóveel -francs te koop, maar ontoegankelijk <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>voor wie die som niet kon betalen.… -</p> -<p>Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich schuil en ontweek -hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend Elias vertoonde hij zich niet. -Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn boek zouden beginnen, en tegenover Elias -was het eigenlijk een zekere schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag -kwam hij Marcelio op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar -zijn eigen appartementen in de Koninginnestraat. -</p> -<p>„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn allerlei brieven -en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij mij, over je boek, en ik dacht, -dat je toch wel eens áán zoudt komen. Weet je wel, dat je een succès fou hebt met -je sprookje? Als je nog een béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van -je heeft ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat <span class="corr" id="xd31e1069" title="Bron: wordt">word</span> jij in de hoogte gestoken, en dát in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!” -</p> -<p>En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van Marcelio, waar -hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor hem gekomen waren. Het waren -meest alle brieven en recensies over zijn boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. -In de uiterste verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn gezicht, -naarmate hij er mede vorderde. -<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> -<p>Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven kwam neer op -dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in de hedendaagsche literatuur. -Verbeeld je, in déze tijden, in de zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het -materialisme, nu de geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en -grof sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te beginnen -van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een prins uit een sprookje, -die sprak de taal van Romeo, die van een Danteske vereering gloeide, en zoowaar van -liefde stierf, als in de vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, -van wien nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan verhalen -van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar kon droomen en nóg eens -droomen, van heel verre af, en zachte gebeden fluisteren naar een fee, eindeloos weg, -die woonde op een onbereikbare ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als -het niet zoo subliem was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren -de wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een groote stad, -in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was daar een droomer opgestaan, -die vertelde van de lichte visioenen der oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>om draken te verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van -hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een hartelijk welkom -toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een eereplaats had veroverd in -de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een school door hem gesticht zou worden, -zou dat wezen de hernieuwde school van het romantische idealisme. Apart en bijzonder -stond Paulus’ boek in deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken, -zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans leefden. Zelfs -van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij zijne bewondering uitte, en -die hij liet volgen door een sonnet „aan Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.” -</p> -<p>Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle van jonge meisjes, -die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar ziel had gewekt, en hem vertelden -van de tranen, die zij hadden geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een -vrouw, die haar naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en ongelukkig -was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van droom tóch niet bestonden, -en ze alle maar vage schijnbeelden waren geweest van haar fantasie. In haar jeugd -had zij óók zoo verlangd, als de prins, <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon van haar ziel, maar het -harde leven had haar mooie droomen vernield, als een wilde wind een zeepbel, en toen -had zij gedaan, wat alle andere meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man -met geld en positie. Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste -maal na lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o! zoo -droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders „compunctio” noemen. -En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij haar door zijn boek haar ziel weer -èven had doen zien. -</p> -<p>In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem Edelweiss, met een -groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.” -</p> -<p>Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in zijn oogen, -en een blos van geluk kwam over zijn gezicht. -</p> -<p>Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend: -</p> -<p>„Zóó … heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?…” -</p> -<p>Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig bijeen en ging -heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille kamer. -</p> -<p>Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>dat onverwachte en zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen -bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van de duistere -stad vol onrecht en zonde. -</p> -<p>Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen van zijn sprookje, -door de literaire mannen van het vak, dat zij letterkunde noemen, en met de hem eigen -intuïtie raadde hij, dat het grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie -was gekomen, en onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, -die persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van dankbaarheid -en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn kunst, had hij ze óók niet -gelezen over boeken, die antipathiek waren aan het innigste van zijn ziel, over het -infame tooneelstuk van Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die -voor een ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk niet -een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der literatoren”, te -worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde decadenten, die hun heiligste goed -hadden verloochend voor den groven smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, -brillante sonnet van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had -aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde? -</p> -<p>Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte rondkruipen, voelde -hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke gedachten daarover, toch oók een zachte, -laffe genoegdoening over het succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. -En nú nog, al vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. -Het was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, en die tóch -somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens bang was te bezwijken en -duizelend naar de weeë bekoring te loopen van haar geurige, warme lichaam. Zonder -zich bewust te zijn waarom, ontweek hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat -hij zich schaamde over den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar -op een goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem niet -meer ontloopen kon. -</p> -<p>„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.… Waarom ben je niet -weer eens aangekomen?.… Maar dat is waar, je bent nu de beroemde schrijver, hè.… je -bent nu in de vóórste rij der literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.… en nu ben je -je oude vrienden maar zoo’n beetje aan ’t vergeten.…” -</p> -<p>„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. „Maar ik had -zooveel <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>te doen.… en ik ben aan iets nieuws bezig.…” -</p> -<p>„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar kom, loop een -eindje meê op.… als je je nu maar goed houdt, dan bèn je er.… een beetje politiek -zijn, natuurlijk.…” -</p> -<p>„—Goed houden.… politiek zijn?.…” vroeg Paulus. -</p> -<p>„—Nu ja.… je wéét wel.… dat zal je vriend Marcelio je toch óók al wel gezegd hebben—bij -de heeren in een goed blaadje blijven.… geen aanstoot geven.… in ’t kort, een fatsoenlijk -mensch zijn.… meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes … Nú, tegenwoordig -gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en de partijen hebben zich -toch zoowat verzoend.… nu maar héél netjes, en dociel, en in den vorm blijven.… dan -kòm je er wel.… voorál geen heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je -er voorbijgaat.… op geen verboden plaatsen komen, hoor!.… en liefst de héérschende -meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst.…” -</p> -<p>Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna boos antwoordde -hij: -</p> -<p>„—Maar Elias.… hoe kán je zoo spotten?.…. je wéét toch wel, dat ik altijd mijzelf -zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal buigen, en altijd eerlijk hardop -zeggen, of in ’t openbaar schrijven, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>wat ik meen?.… Waarom spreek je zoo.… Heb je mijn sprookje gelezen?.… <span class="corr" id="xd31e1112" title="Bron: Vindt">Vind</span> je er iets valsch of onecht in?.…” -</p> -<p>„Neen, Paulus, dát niet.… ja, ik héb je boek gelezen, bij uitzondering, omdat het -van jóu was … ik geloof, dat het heel zuiver is en echt.… zóó uit je ziel.… en ik -voel het wel mooi óók, als literatuur.… al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat -de groote gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.… Maar ik denk niet, dat je -’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet als die glorie en die -roem óm je blijven.… Die bederven op ’t laatst den beste.… Kijk eens naar Wederich, -naar Wartenau, die toch óók ééns zuiver zijn geweest … als je in den smaak wílt blijven, -móet je eindigen met water in je wijn te doen.…” -</p> -<p>„—En als ík het nu eens niet doe.… als ik bij een of andere gelegenheid eens tegen -den stroom zou ingaan?.…” -</p> -<p>„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je lof zingen, -zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je voor het grootste prul -uit te maken, dat ooit heeft bestaan.… Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor -je zijn.… Dan zou je metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie -zijn, en je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.… <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>Nú, kijk nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg zoo’n -beetje geweest.… íets werkt het verraderlijke gif altijd wel uit … Denk nu eens aan -Lavelane.… maakt híj zuivere, mooie gedichten.… ja, hé?.… duizendmaal mooier dan ál -wat Wederich en Wartenau nu prutselen.… en heeft díe roem of glorie?.… Het ééne tijdschrift -scheldt al harder op hem, dan het andere … er is pas weer een artikel tegen hem uitgekomen, -in het Zondagsnummer van „De Zon” van gisteren.… het is van professor Lucianus.… den -vriend van Duval, een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk -óók toe behoort.… een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik zelden gelezen.… -Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren niet bevalt, gaat het met joú denzelfden -kant op.… ze zouden je wel krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en -ze zouden er wel een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te loochenen -of te herroepen.” -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK VIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens nieuwe verrassingen -over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in tijdschriften, particuliere brieven.— -</p> -<p>Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den hoofdredacteur Duval, -van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een der beroemde maandelijksche diners -van de redactie. Dit was een groote onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie -van „Het Morgenrood”, het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was -zeer exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen aanzitten. -</p> -<p>Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide hem, dat zijn -geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het zou gelijk staan met zich voor -goed onmogelijk te maken, als hij zulk eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers -van zijn werk leven, en van niemand afhangen? <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, en de machthebbers niet noodeloos tegen -zich maken.— -</p> -<p>Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde bederven. -Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets prijs ging geven, schreef -Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. -</p> -<p>Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door een bekwamen -kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de Koninginnestraat, waar het redactie-diner -van „Het Morgenrood” zou plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het -gereserveerde zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude -heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met gouden brillen, -en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf. -</p> -<p>„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval vroolijk uit, -en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u voorstellen.… Paulus.… den -schrijver van het charmante sprookje „De Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal -doen heden avond met ons aan te zitten.” -</p> -<p>Paulus boog. -</p> -<p>Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en wetenschap, met doctors- -en professorentitels <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>er voor. Die mannen waren allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen, -beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun gouden brillen.—En -weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij zooveel officiëel gewichtigs. -</p> -<p>Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn de mannen, -die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en geschimpt hebben het mooiste -en zuiverste,” maar, als om die gedachte onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval -zeggen: „Nu wachten we nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”— -</p> -<p>En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, besluiteloos staanblijvend, -of hij eigenlijk niet goed verder durfde. -</p> -<p>Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en medelijden. Dit -was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het Bosch, dien hij had vereerd als -een heilige, en nù was hij hier gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van -het mooiste en innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de Diamanten -Ster was in zijn knoopsgat. -</p> -<p>Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al de heeren toe, -onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne bewegingen. <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn gemak, alsof hij voelde, -dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet bang behoefde te zijn. En hij keek hem -vriendelijk, ietwat beschermend aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, -dat die man ééns aan zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot -deed hem al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog in -dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van vereering en -dank. -</p> -<p>Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal schitterende tafel -zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig wachtten. Paulus werd een plaats -aangewezen tusschen Wederich en Duval. Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, -tusschen al die geleerde, beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat -er tóch iets in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen klonken -luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun gesprekken vol geest en gloed. -Er werd gesproken over oude wijsheid, die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit -de titels van had gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep. -Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal zoo verschrikkelijk -deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke wijze, <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder al die ontzaglijke -dingen van wetenschap en kunst zaten zij als deskundigen met groote kennis van zaken -de fijne gerechten te proeven, en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden -wijn. De atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd drukkend -warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een irriteerend geluid op -de borden. Rood werden de gezichten der etende geleerden. -</p> -<p>Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?… Wat kan er ooit -voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan aandoen?…” -</p> -<p>En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met zijn jonge, -warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van het Bosch, dáár, tusschen -die deftige, gewichtige meneeren, die zoo genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende -over allerlei hooge, edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte -zaaltje vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam toe gekomen? -</p> -<p>Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren even iets tegen -hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele eer, dat hij mede mocht aanzitten. -Wàt zij zeiden, waren banaliteiten <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel. -</p> -<p>Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten. -</p> -<p>„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.… het heeft me tot een -sonnet gebracht.… u heeft dat zeker gelezen …?” -</p> -<p>„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het vers niet -mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het mooie van vroeger, en hartstochtelijk -zeide hij, hem ontroerd aanziende: -</p> -<p>„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van vroeger.… U wéét -niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.… hoe ik er over gehuild heb, en hoe -ik uw boek altijd bij mij droeg en het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.… -o! en al het mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane …!” -</p> -<p>„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet uitspreken.… Dat -is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel -alleen, in zijn belachelijk isolement.… Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” -zoo mooi?.… zóó, zóó.… wat wild en wat naïef toch nog.… mijn „Jugendsünden” noem ik -ze nu.… iedereen heeft nu eenmaal zoo’n zwarten tijd doorgemaakt.…” -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<p>Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer antwoorden. „Jugendsünden”… -„zwarten tijd”.… het gaafste en zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.… -Er was iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er iets in -hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna ridicuul uit den hoogen -boord op, en zijn magere lichaam deed potsierlijk in den rok.… Het was om te lachen -en tegelijk om heel erg te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen -man uit het volk om een verfijnde meneer te schijnen. -</p> -<p>Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren vroolijker. Een deftige -professor zeide een woordspeling over geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. -Een ander vertelde iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk -waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich lichtelijk obsceen. -</p> -<p>Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin enkel poëten -zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of historici. Dit zou iets eenigs zijn -in de geheele wereld, een academie van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens -bestaande. Een luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen -zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>eens, wie het eerst van allen in aanmerking zou komen. -</p> -<p>Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend: -</p> -<p>„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?… U staat nog zoo heelemaal buiten de partijen … -en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd … wie vindt ú nu wel, dat allereerst -in aanmerking zou komen van de echte, zuivere dichters?…” -</p> -<p>Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te droomen over -de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, zeide hij: -</p> -<p>„Lavelane!” -</p> -<p>Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al de deftige -heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of iets onheiligs was opgeklonken -tusschen hun heilige eet-ceremonie. -</p> -<p>„Bah!… Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk. -</p> -<p>Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide schertsend: -</p> -<p>„Maar meneer Paulus … wat is u nog naïef!… weet u wel, dat u een „<span lang="fr">enfant terrible</span>” bent!…” -</p> -<p>Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg: -</p> -<p>„Lavelane is toch een groot dichter!” -</p> -<p>Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige uitdrukking op zijn -gezicht: -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, zonder piëteit, -die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan hebben, en zonder égards, -voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat officiëel erkend is tot de literatuur te -behooren. Er is voor dien man niets heilig.” -</p> -<p>„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende argument te geven, -„Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet iemand met wien je bijvoorbeeld -aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.” -</p> -<p>Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, om nog iets -te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat gezelschap van oude, wijze geleerden, -die zich amuseerden met schuine, obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen! -</p> -<p>En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets gebeurd was, -en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! Hij zat daar, „heer” geworden -jongen uit het volk, potsierlijk in zijn veel te wijden rok, het lintje glimmend in -zijn knoopsgat, heulend met zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend -werd beschimpt. -</p> -<p>En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen zou hij óók -moeten <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen behooren tot de officiëele letterkunde -van beschaafde, erkende schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? -Hij vergat alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang in -zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te veel in hem op, -en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon. -</p> -<p>Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven champagnekelk een toast -uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees -er op, hoe Wederich in den loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, -en zich thans ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó oprecht -zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde tijdschrift, dat hij -vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich bevrijd had van den verderfelijken -invloed, dien de literaire anarchist op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde.… -</p> -<p>Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging stond hij -op, en riep met luide stem over de tafel: -</p> -<p>„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste gevoelens heeft verraden, -professor!.… Lavelane is de grootste dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom -alléén, omdat hij niet mede wil <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>knoeien met de groote, officiëele bende.… Wat heeft dit eet- en drinkgelag met de -literatuur te maken, dit vráág ik u …? ik scháám mij hier aan te zitten met mannen, -die het heiligste, wat de literatuur bezit, durven beschimpen!.…” -</p> -<p>Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend van drift de -zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele literatuur, als door den -bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar wezenloos aanstaarden van opperste verbazing -over zóó iets fabelachtigs en ongehoords.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, koude avondlucht -na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde zich van een grooten druk bevrijd, -nu hij het eindelijk gezegd had, en hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een -tijd had kunnen buigen voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij -had geld verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate het -meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn naam. Maar gebógen -had hij; en al had hij positief niets slechts gedaan, negatief had hij gehuicheld, -door onderdanig te wezen tegenover de machthebbers en het poenendom. -</p> -<p>Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>Nu zouden ze hem beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk -zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en dan zou hij -misschien wel ééns moeten hongerlijden, .… maar o! vríj zou hij toch zijn en blijven! -Was het dan niet beter en heerlijker, om ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de -verworpenen, en de afgetobde hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met -de onwaardige usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor -wat glorie en wat geld? -</p> -<p>Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen over zijn boek -bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten hoop papier van, en wierp het -pak in den haard. Met een innig genoegen zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. -Daar gingen de lof en het opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, -die hem bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn geweest, -het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, geleerde artikel van -Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en al die andere prullen van de officiëele -machthebbers méér, als niet één van hen in staat was, het valsche van het echte te -onderscheiden? Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd, -en Lavelane, de éénige die <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den -lof van die schennende bende kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld. -</p> -<p>Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens Lavelane te -zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest leven.—Elias, die op alle -officiëele grootheden neerzag, maar eene groote bewondering voor Lavelane had, omdat -hij zuiver was gebleven en liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken -als die van Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane -was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings het leven -leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij was te vinden in de -duistere krochten van Leliënstad, omringd door een troepje décadenten, die zich hadden -meester gemaakt van het, na Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij -leefde met een <span class="corr" id="xd31e1218" title="Bron: afzichtetelijke">afzichtelijke</span> negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op hem uitoefende, en aan wie hij de -prachtigste sonnetten wijdde, waarin hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel -verborgen hield voor het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap -zwijnde hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen champagne, -maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge opflikkeringen van <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje van een vuile tafel, een vers, -dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, -en dat later klassiek zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand -wist waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had gezeten, in -een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van Eenzaamheid”, in stil -verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna dook hij weer onverwacht op in de stad, -altijd weer ergens anders, om zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, -zonder adres, overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een dreigende -schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel gezien in de Martelaarssteeg, -een zijstraat van een buiten-boulevard, in het „Café Dufour”, een rendez-vous van -schooiers en mislukte artiesten.— -</p> -<p>Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet bedwingen, om nú, -vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok uit, deed een halfgekleed avondcostuum -aan, en nam de electrische tram naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg -ging zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. Het was -een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de vierde rangs prostitutie -rondwoekerde, <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>voor verloopen studenten, en râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was -een hol van ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren -heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of souteneurs. -Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers te waarschuwen. Meiden -met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden lonkend heen en weer. -</p> -<p>Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, schoorvoetend het -kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen -in onsterfelijke liederen. Een dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in -het eerst kon hij menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe -waas. -</p> -<p>Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en vrouwen bijeen, -luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen hadden het haar lang, op de schouders -hangende, het hoofd bedekt door een breeden, slappen flambard. -</p> -<p>Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al dadelijk opschudding. -Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, een paar meiden knipoogden, en een -kerel, die bij de deur zat, nam <span class="corr" id="xd31e1231" title="Bron: grinnekend">grinnikend</span> zijn hoed af, en boog tot op den grond. -</p> -<p>Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>haren en half-open borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal -meneer de graaf gebruiken?… Champagne hebben we hier niet!” -</p> -<p>Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem gericht. -</p> -<p>„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een hoekje zitten, -waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, dat het verkeerd van hem was -geweest, hier in dit costuum van heer te komen, in plaats van zich als een verloopen -artiest voor te doen. Hij voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante -om hem heen. Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden -groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp gelach klonk -uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten slag op de tafel. Hij voelde, -dat het enkele feit van zijn hier binnen komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, -hun vijandig moest zijn. -</p> -<p>Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in illustraties -had gezien, en op spotprenten bij Marcelio. -</p> -<p>Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane kon zijn, maar -geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek hem toe, dat van den grooten -dichter te kunnen zijn. -</p> -<p>„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>„waar kijk je toch zoo naar, mooie meneer?.… zoek je hier wat?… je bent zeker verkeerd … -wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?…” -</p> -<p>Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat toeschreeuwde. -</p> -<p>„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. „Ik kom hier -enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane kon zien, den grootsten dichter -van Leliënstad, en ik zou gelukkig zijn, als ik hem de hand mocht drukken.” -</p> -<p>Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die aan het tafeltje -zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een jonge, bleek uitziende kerel, mager, -eenigszins beschonken, stond op, en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, -woest van hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een Griekschen -god, en een nobel, hoog voorhoofd. -</p> -<p>„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen durft, zoo’n groote -gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de mooie meneeren met fijne manieren -en elegante mode-pakjes aan, die ooit de eer hebben, de hand te drukken van onzen -godbegenadigden dichter.” -</p> -<p>„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best doende om rustig -te blijven. „Ik <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.” -</p> -<p>Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur openging, en van het -tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet opging: „De Meester!… de Meester!” -</p> -<p>En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van zwakte, met -een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit twee zachte, licht-blauwe -heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, als in vage verten. Het was een sensatie, -die hij zijn geheele leven niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en -bijzonder, in dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: -dit moest Lavelane zijn. -</p> -<p>Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, en vloog hem -om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een gejuich steeg op van het tafeltje. -Zóó werd de groote dichter ontvangen door het troepje râtés en bohémiens, die hem -huldigden als hun Meester, waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden -uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, vroeger Lavelane’s -vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, tusschen het officiëele poenendom in -rok en witte das. -</p> -<p>Dadelijk werd een groot glas absinth voor den <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>dichter aangebracht, dat hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd -hem een nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus weggeloopen -en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was vrijgehouden en een pijp met -een zak tabak lag op de plaats van den meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane -gaan zitten, had nog even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan -stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden onheilspellend zijn -voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, -teêr als een lentelucht in April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke -onschuld in het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving zagen, -maar enkel hun eigen droom. -</p> -<p>Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig over zijn -schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart jasje aan, vol vlekken, -en een verfrommeld, liggend boordje, zonder das, waaronder een stukje vuil overhemd -uitkwam. Zijn broek was afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. -Zijn geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand aan lager -wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet eens meer poogt, er ooit -weer bovenop te komen. -<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p> -<p>Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar tegelijkertijd bedacht -hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in die misère toch beter af was, dan -Wederich, die het heiligste had verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. -En die schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, leken -hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de deftige, officiëele -professoren en doctoren van de letterkunde en de wetenschap, die het mooie en edele -beoefenden als een vak, en zoo koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. -Zij gáven zich tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten -hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die hij had gehoord -van de deftige oude heeren in rok en witte das. -</p> -<p>Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het andere woord klonk -een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun gebaren, wild als zij waren, leken hem -eerlijk, en hun gezichten stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij. -</p> -<p>In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, vanuit zijn hoekje, -Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het bleeke jongemensch, met het prachtige -voorhoofd, hem weer in het oog, en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. -De dichter scheen er zich niets van aan te <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>trekken, dat er iemand hier was gekomen alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk -de schouders op, toen het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite -om even naar hem te kijken. -</p> -<p>Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je kunt gerust weer -uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie bèn je toch, hoe héét je? Of -wil je dat niet zeggen?” -</p> -<p>„—Ik heet Paulus.” -</p> -<p>„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De Prins en de -Fee?”<span class="corr" id="xd31e1276" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„—Dezelfde. En wat zoú dat?” -</p> -<p>„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den arm. „Paulus! -Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en zelfs van de kroonprinses, -zeggen ze. En die híer in ons midden, om Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. -Ik moet je vertóónen, kerel!” -</p> -<p>En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd en medegetrokken -naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten. -</p> -<p>„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer Paulus,… de dichter -van het beroemde sprookje: „De Prins en de Fee”.… de protégé van „Het Morgenrood”.… -hoera!.… en van Haar Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.… <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>verzeild geraakt bij óns, décadenten, bij ons, proleten en paria’s.… Lavelane!.… Meester!… -wat zullen we met hem doen?.…” -</p> -<p>Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op en gaf Paulus -vriendelijk de hand. -</p> -<p>„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.… „zoo, zoo.… ik heb toevallig je sprookje gelezen.… -ik léés anders niet veel.… dat was goed, beste jongen, dat was goed.… kom gerust hier -bij me zitten, vent.… zóó, hier naast me maar.…” -</p> -<p>Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat verdwenen. Van het -oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, was Paulus een vriend voor hen -geworden. Een handdruk van Lavelane was iets dat met geen goud was te koopen, en gaf -grooter eer dan de hoogste ridderorde. -</p> -<p>„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens opzoeken?.… dat is aardig -van je, heel aardig, hoor!.… maar weet je wel, wat je doet?… je bent toch immers een -protégé van „Het Morgenrood”?.… als die luitjes het te weten komen, heb je het bij -hen verbruid!” -</p> -<p>Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden gezicht! Wat een -smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende overheen zijn gegaan!.… Maar -de oogen, teeder blauw, als van <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>een onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze ziel. Het was -hem, of hij in de lichte hemelen zag. -</p> -<p>„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die mannen schelen van -„Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik in úwe oogen heb mogen zien?.… -denk toch niet klein van mij.… ik ben nu vrij, héélemaal vrij!.… ze hadden mij gevraagd, -die menschen, doctoren, en professoren … om een groote, rijke tafel zaten zij, in -rok en witte das, als beursmannen en bankiers.… en naast mij zat Wederich, die zijn -ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn knoopsgat.… o! ik zat daar maar -heel klein en heel nietig, tusschen al die groote heeren.… totdat ze het waagden, -úwen naam te noemen, Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten -dichter van het land, en toen …” -</p> -<p>„—En toen?.…” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning.… -</p> -<p>„—En toen.… toen ben ik opgestaan.… ik kón niet meer.… ik zou krankzinnig zijn geworden.… -toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard waren, de hééle bende.… en dat ik me scháámde -met hen aan te zitten.… en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten.…” -</p> -<p>Een luid gejubel barstte los. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -<p>De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder. -</p> -<p>„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je mijn vriend, -hoor! mijn vriend!” -</p> -<p>„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de zijne drukten, -en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij schrikte van de geestdrift, -die hij had opgewekt, en zijn hand deed pijn van de forsche drukken. -</p> -<p>Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven te zijn opgewaakt -uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen roes verzonken, en zat zwijgend -aan zijn pijp te trekken. De blauwe oogen staarden vaag in de verte.… -</p> -<p>Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor Lavelane, -maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij dronken glas na glas met bier, -of grog, of absinth, zij rookten cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met -de kellnerinnen, die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol -vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t drinken en ’t rooken. -Zij hadden het over allerlei dingen van literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen -had, noemden namen van zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich -niet herinnerde ooit te hebben <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, door allen toegejuicht, waar hij absoluut -niets van begreep. Hij raadde in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige -pogen, om toch maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen -bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun liefde voor Lavelane. -Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo groot dichter als hij tot éénige -vereerders moest hebben dit luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat -hij dit bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder liefde. -Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo teeder en zoo klaar, voelde -hij zich weer gerust, en wist hij dat de ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch -altijd behouden zou blijven, veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige -titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en de magere handen -beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de hemel-blauwe oogen waakten -rustig, als stille sterren.… -</p> -<p>Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van dezen mensch -gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste hem verlaten had, en hij -eenzaam was achtergebleven met al de schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na -dat wreede verraad aan zijn ziel door zijn Lief, <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te dragen, voor goed verloren geraakt in een -leven van drank en ontucht, waarin hij vergetelheid had gezocht. -</p> -<p>Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, en toen hij -dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem geworden?” Maar toch voelde -hij, dat die dronken, verloopen dichter beter af was dan Wederich, die het heiligste -had verzaakt. En in dat afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, -en uitte zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd vers. -</p> -<p>Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te worden. De glazen -jenever-grog werden boordevol geschonken en met groote teugen geledigd. Lavelane dronk -enkel absinth, zonder water. De gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, -vol vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, en voelde -dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd afscheid te nemen. -</p> -<p>Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde hem tegenhouden. -</p> -<p>„Blijf nu toch, kerel,<span class="corr" id="xd31e1318" title="Bron: ..">…</span> straks … hik … gaan we naar de meiden …” stotterde hij. -</p> -<p>Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de hand te drukken. -Maar de <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>dichter was al te veel onder den indruk van de absinth. -</p> -<p>„Wie … ben … jij?…” vroeg hij, hard. -</p> -<p>De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe oogen van Lavelane -zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of díe hem nog wel kenden. Veilig en -ongerept zag hij er de reine, groote ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke -lichaam moest leven … -</p> -<p>En rustig, zonder <span class="corr" id="xd31e1330" title="Bron: bezorgheid">bezorgdheid</span>, liep hij het armzalige cafétje uit. -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo weinig mogelijk -te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij zich met zijne gedachten aan -háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger -niet zuiver meer zou kunnen uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht -had hij zich verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte maagd -gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú was hij weer begonnen -met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij indertijd, in een klein bundeltje -gepakt, met een paar andere souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze -na zoo langen tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed waren. -Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet, hij had ze zoo maar -neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij nu eenmaal niet anders kón, zóó -sterk was de drang tot uiten, en nooit was <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden lezen. Maar nu hij -zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de literatuur was gekomen, wist hij -zich ook rekenschap te geven waaròm en hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die -verzen van vroeger, uit zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef -hij ze alle over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich -opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel verzamelen, en de -uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid ze aan te nemen nog vóór hij -ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde -hij ze aan Lavelane geven voor zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren -sterk achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren, sinds Wederich -en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. Lavelane alleen was overgebleven -met een troepje décadenten. Wie nú in „De Lotus” schreef was door dat enkele feit -zelf al een râté, een mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en -door de officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond Paulus -het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te publiceeren. Hij wist dat -het Lavelane goed zou doen, en hij was er trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten -samen te werken. <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de arrivisten, met de -schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar over zijn ziel. -</p> -<p>Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden maken en, in plaats -van een hooge onverschilligheid, voelde hij een onzuivere behoefte aan spot en hoon. -Lavelane nam de verzen dadelijk aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief -er over, dien hij voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering -van zijn idealen dichter. -</p> -<p>Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor Lucianus, dat -Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van verontwaardiging, schreef hij er een antwoord -op, waarin hij de prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband -rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie onontvankelijken professor. -Hij onderteekende het met zijn naam: Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.” -</p> -<p>Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan het nazien -van zijn verzen. -</p> -<p>Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even, moê van het staren -op al de aparte lettertjes van de copie, een courant had opgenomen, kwam onverwacht -eene ontzetting over hem. Dáár stond het, als iets heel gewoons, iets <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>heuglijks zelfs, waar de wereld verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou -prinses Leliane in Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius -Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk feestvieren, en met -bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het hooge paar op een waardige wijze -te ontvangen. -</p> -<p>En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking weer in al -zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen zag hij het roode, brute -gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig en ruig in den zwaren, zwarten baard, -met den grooten, breeden mond, als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het -was als het Beest uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen -oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als maneglans en rein -roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de prinses, liefelijk en licht naast -het dreigende, donkere van het Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam -gaan, en duistere schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, -daar kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn binnenste. -De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem door, over alle stille, -rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze in hem, als bloemen waar een kille -nachtwind over gaat. <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>Zijn ziel beefde en werd van onrust vervuld.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte zich op, om -de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen eerepoorten en versieringen, -en de huizen werden omhangen met groen en bloemen.—Iederen dag vorderde het groote -werk en duizenden werklieden waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het -koninklijke paar zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, -of alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en dingen -was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd met lauweren en festijnen -en bloemen. De couranten stonden vol artikelen over het aanstaande huwelijk, over -de voorbeeldige verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische vorstenhuis, -het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd versterkt in het Europeesche statenverbond. -Officiëel erkende dichters waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit -door de politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van Dante en -Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” -en Jacob Duval wijdde er een lang, geleerd artikel aan over de stamboomen van beide -vorstenhuizen. Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>armste wijken werd nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen -en bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor gewerkt. -Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en onrecht meê verzacht had -kunnen worden, werden nu verspild aan eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om -te vieren het aanstaande huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook -aan Paulus, hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk, -het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren, nu men het -wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld van parades en vuurwerken -en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst mede, om den machthebbers genoegen te -doen, en was het al het onrecht en de ellende vergeten. -</p> -<p>Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en verspreidden zij -pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle verblinding van het volk was -door niets te stuiten, en het liet zich aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden -het intrekkende paar al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding -en bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die dagen te werken. -Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep hij door de stad, in <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>stomme ontzetting het aanziende, hoe overal bloemen en groen werden aangebracht, om -dat verschrikkelijke feit te huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het -ruige Beest. In de koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte -van het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als de triomf -van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch verheugt in den ondergang van -het reine.—Nu zág hij het, en ’t was onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het -Beest was overwinnaar, het zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen -en drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren, waren de -menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren gehaald, en zij hadden triomfpoorten -opgericht, en zij zouden doen schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte -en teêre en blanke van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en -roode en bloedgierige van het Beest. -</p> -<p>Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het licht van -fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg het tooneel een helsch -aspect voor hem, en angstig stond hij te staren naar dat demonische gedoe. -</p> -<p>Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het komen, nu zou -het komen … -<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> -<p>Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was de verschrikking -niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want nú zou het in al zijn afschuw -met de oogen zijn te aanschouwen: het ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, -en dit als door een duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden -door het groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk. -</p> -<p>Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich voorgenomen, den -geheelen dag thuis te blijven, om niets van de gruwelijke feestviering te zien, maar -een onweerstaanbare drang, om het tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef -hem naar buiten. Het was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar -vanzelf moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte was -gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het koninklijk paar te zien -voorbijgaan. De vensters van de huizen waren vol opeengedrongen menschen, en op de -daken was het zwart van de toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa -geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit meer kon, voelde -hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken zou. Een weeë, muffe menschenlucht -kwam in zijn neusgaten. Het was een lucht als van beesten, vermengd met stinkenden -tabaksgeur <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>en bedorven odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk worden. -In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in, maar de zwarte menschendrom -nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, -onder de boomen. -</p> -<p>Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast, schouder aan schouder, -als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op wilde paarden, de blinkende sabel in -de vuist, renden dragonders in vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te -houden, zooals groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat -kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der vóór-staanden van -de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen een paar dragonders aangehold, -die hun paarden lieten steigeren en er onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen -gilden, kinderen raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders -doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken aan Marcelio’s -gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl had het toch iets van vee. Éen -machtige élan van die duizenden, en de paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. -Maar nú lieten zij zich onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door -de huurlingen van haar, die zij straks zouden <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>toejubelen uit al de macht hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, -waarvan het meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd, -als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en dom, in dichte -klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te juichen over de overheersching -van de Schoonheid door het ruige Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, -diende bruut geweld van krijgsvolk. -</p> -<p>Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode gezichten vlak -bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de walgelijke lucht van vuil ondergoed -en ongewasschen lichamen. Nooit had hij de menschen zóó leelijk gezien. -</p> -<p>Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr in ’t hooge, -waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het fijne wonder van de Cathedraal, -recht oprijzend boven de droeve, donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, -als bevend van innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met -hun tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot hemel-vlucht. -</p> -<p>De Cathedraal!… Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend cantille-werk en -haar biddende bogen boven de reliquie van het allerreinste, van de <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het vlekkelooze geslacht van Leliane uit -was ontsproten. -</p> -<p>En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de witte leliën-maagd -besmetten zou … Kón dit dan bestaan?… of zou op het laatste oogenblik nog een wonder -gebeuren, dat haar reinheid redden zou?… Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, -en wachtte … -</p> -<p>Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar beneden, en plechtig -begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In de verte bulderde een kanonschot. -Toen nog een. En nog een. Prinses Leliane was aangekomen. -</p> -<p>Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den menschendrom geplakt. -De klokken luidden en luidden. De kanonnen bulderden over de stad. Toen loeide opeens -in de verte een lawaai aan, als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en -schreeuwden luide hoera’s.… Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter bij.—De -dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het volk nog meer terug. Paulus -zag de groote monden in de roode gezichten òm hem zich wijd opensperren, en hoorde -een afschuwelijk gehuil, dat gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte -door elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden. -<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p> -<p>Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van goud en zilver. -Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun licht-stralende kurassen.—Daarachter -een paar rijtuigen, gala-koetsen, met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, -met driekanten steek. -</p> -<p>En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte paarden van -de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun fier-gepluimde koppen, de fijne -pooten voorzichtig neerzettend, als waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken -een fijne glazen karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die -geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het sprookje. Het leek -alles onreëel, visionnair, als in het <span lang="de">Märchen</span> van lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam, geluidloos voortzwevend, -getrokken door die acht, verblindend witte rossen, met de roze neusgaten, en vurige, -roode oogen. -</p> -<p>Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk van fijne kanten -gehuld, de wondere verschijning van de prinses, liefelijk als de Fee uit het sprookje, -met haar zachtblauwe oogen, waarin de droom lag van de hooge hemelen.— -</p> -<p>Maar.… o gruwel!.… vlak daarnaast.… dat andere gezicht, zwaar-gebaard, ruig en rood, -het Monster, dat de tooverprinses heeft geroofd.… hoog <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van brute kracht.… als een echte -barbaar, in den dos van zijn zwarten, langen baard, en met bloedbeloopen oogen.… -</p> -<p>Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog éven zag hij -Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het portier, nog éven hoorde -hij gejoel en gehuil. -</p> -<p>En dan verloor hij het bewustzijn.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd was natgemaakt. -Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was leeg. -</p> -<p>„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een flauwte.… van het dringen -zeker.…” -</p> -<p>En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks, en dat roode, -grimmige gezicht met dien baard!.… Hoe was hij geschrokken!.… Toen was hij zeker flauw -gevallen. Gelukkig, dat al die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, -toen hij voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en verzekerde -hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar huis wel vinden. En schijnbaar -kalm liep hij door. Maar waarheen?.… Daar zag hij vóór zich de <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij rust vinden voor zijn moede ziel. En -haastig liep hij den Boulevard op, waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van -de Kerk der heilige Leliane. -</p> -<p>Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen voelde, onder -de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn -luid snikken weerklonk door de plechtige stilte van de gewelven. -</p> -<p>Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht door de hooge, -beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen, gouden schemer. De marmeren -en albasten zuilen rezen statig omhoog, en aan de wanden glansden vergulde beelden -van heiligen. Hier en daar, wèg in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar -heilige kaarsen. Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen, -zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus het goud van -het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en daar, stond een eenzaam, rood -lichtje te branden, apart en bijzonder. -</p> -<p>En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin bewaard werd -de reliquie van de heilige Leliane. -</p> -<p>Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar neergeknield, -onder de hooge, golvende <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>bogen van de Cathedraal, verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar -vèr boven zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten cantille-werk. -Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem neer, roerloos, onbewogen, -verzonken in eigen, innerlijk gebed. -</p> -<p>„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij eigenlijk aanriep, -in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God had gevoeld in de stilte van het -Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, redt haar! o! redt haar van het Beest … bij al -de vlekkeloosheid van deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, -bij al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, dat haar -bedreigt … want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch niet, het witte, het smetteloos -blanke van de Lelie en het ruige, het zwarte en roode van het Beest … dit kán toch -niet gebeuren, en deze kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven -staan in al haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die oprees -uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár kind, de éénige afstammelinge -van haar gebenedijd geslacht, zou worden ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke -Beest.—O! heilige Leliane, o! heilige Leliane, red haar!… ik sméék het u met het heiligste -van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den gruwelijksten <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>marteldood,… als het háár maar kan redden van de besmetting door het Monster!…” -</p> -<p>Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn gebed. Rustig -stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en onbewogen, en de stilte, die zwaar -uit de hooge gewelven neerhing, bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen -baden door, en wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode lichtjes -om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de lucht, hing de bleek-ivoren -Christus te sterven, bloedig en klagelijk, voor der wereld zonden, en achtte niet -dit ééne, eenzame leed … -</p> -<p>Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn ziel, eenzaam en -onverhoord in de groote Cathedraal. -</p> -<p>De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de oude man, -de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de poorten dicht moeten blijven, -want het versieringswerk zou beginnen voor de groote ceremonie over een week, als -de prinses de reliquie zou komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden -vastgesteld voor het huwelijk. -</p> -<p>„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op zoo’n heuglijken -dag?… Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag feest, en probeer <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>je wat te verzetten … hier kan je nu heusch niet blijven.…” -</p> -<p>Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de prachtige, -ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond weer alleen op den Boulevard. -Er was niets veranderd. De hooge huizen stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote -vlaggen van de daken, met de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond -plechtig, als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet. -</p> -<p>Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij had gedacht, -dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een wereldgebeurtenis zou wezen, -dat al het bestaande niet in zijn voegen zou kunnen blijven als dat afschuwelijke -gebeurde, dat er een wonder zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme. -</p> -<p>Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect. Het leek maar -heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de straten een uiterlijk van banaal, -ordinair feestvertoon. Op den grond lagen sinaasappelschillen en stukken papier en -weggeworpen vodden. Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie -van den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan anders -in hun daagsche kleeren. -<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p> -<p>En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het onherroepelijk was -en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde der dingen moest liggen. De witte -onschuld bevlekt door het zwarte Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, -dat als vee stond te bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die -heilige Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging was -en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien niet anders. De eenige, -die ongewoon was, en buiten het natuurlijk verband der dingen, was hij zélf, en dáárom -leed hij, en beefde zijn ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van -dolle vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot en sterk, -hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen te pletter loopen, niemand -zou er iets van bemerken, en het zou even massaal blijven staan, zonder één oogenblik -te hebben bewogen. Alles was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de -abnormale, de minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade. -</p> -<p>Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip meer van den -tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd door zijn onrust. En overal -werd hij herinnerd aan het gruwbare feest. Wáár hij ook kwam, overal waaiden de <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>vlaggen, overal was groen, overal liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes -vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart pijnlijk kloppen. -Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij misschien ziek was, dat hij -koorts had, en dat het goed zou doen, te liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. -Met moeite vond hij toen den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn -bed. O! Wat brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen begonnen -te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten slaap, als een afgejakkerd -dier … -</p> -<p>Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij was. Wat was -dat alles donker … Buiten hoorde hij zingen, met grove, schorre stemmen, het Leliënlandsche -volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het -zweet op zijn voorhoofd parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat -hij zou stikken. O! Lucht, versche lucht … Toen waschte hij zich het hoofd met koud -water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche lucht. -</p> -<p>De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het was al laat. -Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó lang geslapen? Wat wilden toch -al die menschen? Waarom <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>schreeuwden ze zoo? Waren ze dronken? O ja … o ja … het feest … het feest … Overal -hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie en benauwden -walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen, véél verder, waar geen menschen -meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein.… -</p> -<p>Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen menschen, liep -hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de heuvelen leidde. Hij liep tegen -menschen aan, die hem vloekend afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. -Maar hij lette er niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het -rein zou zijn en stil. -</p> -<p>Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het leek of zij rouwde. -Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was -goed … De Cathedraal deed niet mede aan het feest … -</p> -<p>Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met haar duizenden -lichtjes. -</p> -<p>Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen menschen. Waarom -werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier? Vluchtten zij óók voor het feest?… -Wat hoorde hij daar <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>opeens voor wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar -een groot bosch, waar de wind over waaide? -</p> -<p>Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen. Haastig liep hij -door, begon te hollen, om maar weg te zijn … -</p> -<p>Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit licht laaide -vóór hem. -</p> -<p>De adem stokte in zijn keel. -</p> -<p>Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het witte paleis -van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein, in den glans van al dat licht. -Het gansche groote gebouw was geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was -als een witte tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen, -waar de engelen en de zalige zielen zijn … -</p> -<p>Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart van een ontzaglijke -massa door elkaar krioelende, schreeuwende en brullende menschen. In donkere drommen -dansten en sprongen zij door elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren -verslonsd en verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar -laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen voerden half-dronken -mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans uit. Meiden <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren verkleed als vrouwen, en als losgelaten -dieren in den paartijd sprongen zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar -met vuile gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de universeele -dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken duivels. Hier en daar, -in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door was gekomen, zag Paulus paren wijven -en kerels als beesten in het gras liggen. -</p> -<p>Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen feestelijken -dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een driedubbel cordon soldaten met -gevelde bajonet, en in de zijgangen stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om -op het minste bevel het plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees -voor opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in de hoop -straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van dat heuglijke moment -dansten zij als dollemannen, om de roode vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden -roes. Dáár, vlak vóór het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk -zijn vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun walgelijke gebaren, -onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op elkaar gedrukt. Onder <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dat alles door sprongen de schokkende lijven wild dooreen, in woedenden rondedans. -</p> -<p>Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting. -</p> -<p>Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar zijn hart voor -had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos vee, dol en bezeten in bête, -bruut enthousiasme voor wat schittering en wat glans, blêrend als schapen, juichend -in donderende hoera’s voor een vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! -Had Marcelio dan gelijk?… Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer -te zijn? -</p> -<p>Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in martelende -gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de prinses, om af te smeeken haar -erbarmen? Het was een dolle, vuile bende beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. -En ook beneden in de stad, die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de -straten, zij allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met -log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote filosofen -hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote vrijheidsdichters gezongen, -om tot dit armzalig resultaat te geraken. Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun -leven gewijd aan de zaak van de evolutie der menschheid? Wat was nu <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>het gevolg geweest van al hun moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte -drommen door de stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, -nu zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en illuminatie, -en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren de ontwijding van hun maagdelijke, -lelieën kroonprinses door het zwarte monster uit Moscovië. -</p> -<p>Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij wisten niet meer -wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe kreten krankzinnig in het rond. -Eindelijk riep een hooge, huilende mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk -herhaalden duizenden monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam -familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons Leliaantje moet -komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het lawaai tegen het witte paleis -op. Het volk zocht een afgod, om áán te kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging -om iets te aanbidden, zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan. -</p> -<p>Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam drong zij naar -voren.— -</p> -<p>Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden van trompetten, -en de soldaten <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>maakten zich al gereed om de redelooze massa terug te dringen met sabel en bajonet. -</p> -<p>Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een betoovering.—Alle geluid -verstomde en roerloos stonden de donkere drommen in diep zwijgen. -</p> -<p>De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren opengegaan en -het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden, als in een kerk, als de hostie -wordt geheven.— -</p> -<p>Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke konings-maagd op het -balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den avondwind, was witter dan het transparante -porseleinen marmer van den paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een -lichte aureool om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van -diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht uit haar, -van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen.… -</p> -<p>En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen, uit een wondere, -transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre hoogte op de donkere stervelingen -daar beneden, die wachtten op haar zegen. -</p> -<p>Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als deemoedig, vernederd, -midden in <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>zijn woeste orgie, was het volk beneden zwijgend. De witte gestalte op het balcon -stond roerloos, zacht neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. -De diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden hoofd.… -</p> -<p>Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit de dolgeworden -menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een vervloeking had kunnen zijn als -een huldiging. -</p> -<p>Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen hoon tegen -het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar boven. Nu hij haar weer zag, -in haar blanke gewaad van onschuld gehuld, was hij de geheele vernedering in Monte-Regina -weer vergeten, en wist hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. -Zij was alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn ziel -haar aanbad.— -</p> -<p>Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende, vermaledijde -monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane, als een engel uit het paradijs, -neerziende op de verdoemde drommen, die beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus -dacht aan den Dag des Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen -het aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft. -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p>Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich lachend over -het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de brullende bende, en wuifde -haar wenkend toe met een zakdoek. -</p> -<p>Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van woedende hoera’s, -of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten, afschuwelijk, in den bevenden -gloed van aangestoken fakkels, grijnsden omhoog naar het reine, witte beeld. En in -haar lachen en wenken en buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te -geven aan die brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken. -</p> -<p>Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte schaduw, hoog -en ontzaglijk.… En Paulus voelde het. Dáár kwam het Beest aan.… -</p> -<p>Gróóter dan zij.… zij reikte maar even tot zijn schouder.… een grimmige, kolossale -reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het roode, door drank verwoeste gezicht -uit den langen, zwaren baard loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, -deed denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de electrische -lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen schitteren van een onheilig vuur. -</p> -<p>Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>de zwarte Moscoviër schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder -van de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een ontwijding, ten -aanschouwe van het gansche volk. -</p> -<p>Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare konings-vertooning -vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde op van beneden, hooge gillen sneden -door de lucht, hoeden werden omhoog geworpen, vuurzwermen knalden. -</p> -<p>De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle onder den zwaren -arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, triomfantelijk, domineerend.… -</p> -<p>Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde zich ijlings -om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij gekomen was. Dit was te -véél … dit was het allerláátste … nu kón hij niet meer … nu was het úit … nooit, nooit -zou hij meer kunnen wonen in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles -was verrot en bedorven … o wèg, wèg nu … lucht!… lucht!… reine, frissche lucht van -boomen en van bloemen … de vunze adem van al die verhitte, dronken kerels stonk nog -om hem heen … wèg nu toch, wèg, voor goed … vèr van al die menschen, van die beesten, -die zich lieten trappen en getrapt wílden zijn, door hun lagen, servielen aard … o! -hij stikte, als hij <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>nu niet weg kwam … en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest door den lof uit -vuile monden … hij had de handen gedrukt van lasteraars en verraders … bah!… hij wálgde, -hij walgde, van de stad, van de menschen, van zich zelven … er was nog maar één uitkomst … -wèg nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in reinheid -en rust … -</p> -<p>Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de stad. In groote -haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een ander aan Elias, wien hij vertelde -waar hij naar toe ging, en ook uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust -voor zijn ziel ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er -was nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij, nu anderhalf -jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar eenmaal dáár was, zou hij -wel een gids kunnen vinden, die hem den weg wees over de bergen. Hij pakte nog even -de drukproeven van zijn verzen in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak -hij het geld bij zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een -bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van zijn sprookje. -Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo hard hij maar loopen kon, naar -het station. De trein was juist <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>op het punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon openrukken -en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van stoom, en Paulus voelde -zich wègrollen in razende vaart. -</p> -<p>Daar gíng hij dan, eíndelijk<span class="sic">.</span> o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de -verschrikking der stad! Hij zag de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer -en flauwer worden, en de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken -weken ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere seconde -bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen kolossen, en hij had kunnen -schreeuwen en gillen van opwinding, om gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid -en de reine, zuivere lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan -toch voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu reisde -zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd verzachtte bij het denken -aan de pure, koele lucht van de bosschen, waar hij morgen in terug zou komen. Toen -doemde het wijze, rustige gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking -van de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn hoofd zijn -gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard tot die uitdrukking van -kalm, sereen <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>weten, die was als een pure avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde -een groot verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te voelen -de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd. Teeder, als een minnaar -denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende gedachten, mijmerde Paulus, alleen in -den coupé gezeten, over het Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem -met razende vaart voortrolde door de ruimte. -</p> -<p>Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een klein logement -overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk insliep, tot laat in den morgen.—Voor -een goede belooning vond hij een paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over -de bergen te brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland -aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij ééns met prinses -Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen weemoed dingen van het vroeger geziene.— -</p> -<p>De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een reiziger voor -zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat hij in het onherbergzame -bosch niemand zou vinden dan een paar houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, -in het diepste van het woud, moest ook nog <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van wien ze wel eens vaag hadden gehoord. -Het moest een prins zijn, zeiden ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven -in de eenzaamheid, omdat hij moede was van de dingen der wereld.… -</p> -<p>Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te diep verzonken -in gepeinzen … -</p> -<p>Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil. -</p> -<p>Paulus uitte een kreet van vreugde.… -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een groote, wijde vlakte lag vóór hem. -</p> -<p>Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een wuiven en -wuiven van maagdelijk, licht groen. -</p> -<p>Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, alsof duizenden -handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, het Bosch kende hem nog, het -Bosch riep hem! -</p> -<p>Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij kon, vooruit, -de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, trouwe vrienden, die hij nu -niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat -hij beefde van zenuwachtigheid over al zijn leden. -</p> -<p>Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen dooreenkrioelden in -onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar zijn ziel bang was weggekrompen, -als onder een droeven droom. Iedere stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>bracht hem dichter bij het veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen -onder zijn liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange scheiding, -en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch terug. O! Eindelijk, eíndelijk -dan had hij het gedaan, en nu zou alles ook weer goed worden, als vroeger … -</p> -<p>Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen plechtig voorover, -rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár begon het Bosch, en overal, wijd -en zijd, zag hij de breede stammen oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk -naast elkaar, als een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun -prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t wuiven, wilden allen -éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. En Paulus zag het Bosch, als ééne, -machtige maatschappij van goede broeders, schouder aan schouder staande in heilige -harmonie.— -</p> -<p>Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich gevend, zóó als -zij waren, zonder éénigen valschen schijn! -</p> -<p>En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle met een masker -voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke wezen dat er achter woonde. -</p> -<p>Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>tempel Gods, even heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte -pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes waren teêr, als -het broze cantillewerk der gothiek. -</p> -<p>Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden? -</p> -<p>Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er niet rein genoeg -meer voor was. -</p> -<p>O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank werd als vroeger! -En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich te zuiveren, vóór hij het waagde -het Bosch weer te betreden. Fluks deed hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever -op een steen, en sprong met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het -koude, frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een doop tot -het reine, eenvoudige leven. -</p> -<p>O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! Al het vuil -van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog aan hem kleefde uit de -verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij bijna in was versmacht. Hij voelde -een groote kracht in zich komen, en nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, -heerlijke water. Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen -stofje van de atmosfeer in de <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>stad mocht op hem blijven. De doop moest hem ganschelijk verreinen. -</p> -<p>Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de overzijde en -kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in een tempel treedt liep hij -langzaam het Bosch in. -</p> -<p>De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog wat licht-getinte -groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. De bladeren waren nog uiterst -fijn en teêr, en hadden zich zóó ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet -goed durfden. Hij trad in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, -en voelde er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en voelde -de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van bloeme-aromen, na -de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water zijn huid verfrischt had, reinigde -nu de pure lucht zijn borst en longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte -de armen uit, als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, -door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel doet, blij om -het leven en het licht. -</p> -<p>Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde hij van Willebrordus, -die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. Zij herinnerden <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en wezen hem naar het Westen. -Op groote afstanden vond hij weer anderen, die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange -uren, kwam hij eindelijk op bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde -landen waren, in een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten -den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér gezien had, op -zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu onder vrienden was gekomen. -De hooge kruinen, de takken, de bladeren, zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, -de armen, de handen van menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst -werd nu nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel. -</p> -<p>Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel lichaamsbeweging, -voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, dat hij heel moê was, en gauw -niet meer verder zou kunnen. Maar hij wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar -hij de heerlijkste, heiligste plek van het Bosch zou vinden. -</p> -<p>Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer gesterkt was. -</p> -<p>Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den lelie-vijver komen … -</p> -<p>Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>en er niet rein genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van -de heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil bleef staan, -huiverend van eerbied. -</p> -<p>Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden. -</p> -<p>Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in zijn ziel, hij -den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede overtogen. -</p> -<p>De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien kalmen spiegel, -en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld in ’t heldere water. Vogels -kwinkeleerden in de takken en reiden een krans van jubelend gezang in ’t rond. -</p> -<p>Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, door geen rimpeling -verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken in het gras, en voelde, dat hij -de handen vouwde, als tot gebed. -</p> -<p>En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte waterlelies, drijvend -tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden als heilige harten zoo stil. -</p> -<p>Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. Sommige waren nog -kuischelijk dichtgevouwen in den knop, voorzichtiglijk uitstekend boven het water, -wachtend op de volheid der tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden -de blanke bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>de gouden harten ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht. -</p> -<p>De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, biddende bogen, -en hun statige stammen waren als de zuilen van een cathedraal. -</p> -<p>Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de hooge kruinen -elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van kuisch genot, terwijl een -zachte muziek door de bladeren ruischte. -</p> -<p>De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de diepe, allerláátste -wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen een vischje, met fonkeling van -zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd de rust nóg stiller … -</p> -<p>Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen omfloerst van -tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van God, die schooner en volheerlijker -was, dan de fijnste bouw van menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als -groote wonderen van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door -hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, gebeurde het -heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het vlekkeloos reine, aan het -duister ontstegen, tot het Licht. -<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span></p> -<p>En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, daar, vèr in -die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in hartstochtelijk snikken, dat zoo woest -de droeve opstand was geweest in hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar -neêrzag in zijn eigen ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had -dien kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, dat áltijd -ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het allerinnigste van zijn ziel -tóch rust was gebleven, tè diep om ooit door al het wilde te worden beroerd. En zóó, -als hij eerst lang, lang geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, -waar hij wel ééns die klare rust zou hebben gevonden. -</p> -<p>Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde eene rust -over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, vlak vóór hem, lag de -stille vijver met de blanke bloemen, als de simpele, rustige oplossing van al het -bange, ontzettende leven, waar hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en -staren, en in die uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver -was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was geopenbaard. -</p> -<p>Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een rustige slaap -zijn <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot. -</p> -<p>De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den stillen vijver, -en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige wijding komen van den naderenden -nacht. Zóó, als licht nog èven, voor ’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, -die het mysterie van den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk -uit, vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat teêre -moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal breken. Toen breidde -de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit over de moede wereld, en alles verzonk -in zijn donkeren droom. -</p> -<p>En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een kind, in ’t zachte -mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk dan teruggekomen van al het droeve -zwerven, bij zijne goede broeders, de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden -boven zijn hoofd.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de takken in zijn -oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek zijn sluimerende ziel vervulde. -</p> -<p>De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige licht als een -zachte, berustende <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>liefde verspreid over de wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos -stond het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven Paulus’ hoofd, -zat een nachtegaal van zaligheid te zingen. -</p> -<p>Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang. -</p> -<p>Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en dàn weer hoog -uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase in muziek zal vergaan. In -de stilte van den nacht spoot het op, als een fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, -en dan opeens, met een rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp -in die zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg meer kwam, -en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon inhouden.—De zaligheid jubelde -trillerend in dat juichende lied, dat opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van -het woud.—Dán zweeg hij weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, -om drá weer uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer wild-uitgestuipt, -maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat dat kleine vogeltje zijn ziel -uit te zingen, in den nacht, tegen den hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden -ernstig en stil, en luisterden. -</p> -<p>Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>sterren door de takken der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde -in het woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en deemoedig, -verscholen zat in het groen. -</p> -<p>Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig hooglied, en -dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom gebed. En de groote Liefde, -die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó bewust was geworden, werd in hem wakker. -</p> -<p>Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en luid uit-klagen -van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks wreedheid, ondanks onrecht, ondanks -álles, tegen verstand en rede in, met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en -eeuwigheid en dood, in de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten -en menschen en dingen. -</p> -<p>„Leliane!.…” fluisterde hij … „Leliane!.…” en het was hem, of hij wèg zou sterven -in gebed. -</p> -<p>Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame vogeltje zong -úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk vergaan zou in muziek, wegzwijmelend -in pure, klinkende klanken. -</p> -<p>Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en luisterden in -plechtige aandacht.… -<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p> -<p>Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, en Paulus, moê -van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in slaap gevallen. -</p> -<p>Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. De breede kruinen -ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige waaiing van den ochtendwind. Alles -stond vroolijk bereid voor den dag, in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge -vogelen waren van blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend -lied. En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre wezens -van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van verrukking en van liefde. -Die leefden daar maar vrij en blij tusschen het glanzende, schaduwende groen, met -hun lief en met hun lied. -</p> -<p>„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd. -</p> -<p>„—Roekeroe,” zeide een ander. -</p> -<p>Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht ruischend gewuif -van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer voor zijne voeten in het mos. -Haar roode oogjes schitterden als vonken. De doffer schreed buigend om het duifje -heen, galant als een riddertje, dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist -te wezen, en koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde -wat wachtend op en neer. -<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> -<p>En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, trippelend in het groen. -Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander toe-koerend en lachend, de glanzige -snaveltjes gaven in langen, hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, -en het was groot van eenvoud. -</p> -<p>Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun lief gespelemei -in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig werd, vloog de duif opeens -weer op, door de boomen. -</p> -<p>De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de verte kwamen -twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, als gedachten van liefde, -droomende over een ziel. Zij hielden de slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust -van hun reinheid en hun zuivere statuur. -</p> -<p>De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en hare gouden harten -voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de innigheid van den middag kwam, zouden -zij ganschelijk open liggen voor de zegening van de zon … -</p> -<p>Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. Hij voelde een -groote, universeele liefde in de statige stijging der stammen, in het simpele bloeien -van een bloem, in het rustige spiegelen van het water, in de zachte waaiing van den -wind, in het jubelende lied van de vogelen. O! <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>De wereld was een wonder van liefde, en een genade, oneindig, was het Leven, in de -reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, -en een groote kracht zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met -de vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om zijn innigheid -te geven. -</p> -<p>Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu leek uit een -boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het buiten zóó rijk was en zóó goed, -dat daar, ver, ergens menschen leefden in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, -zwijgende muren, dat er duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, -en diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de wonderen van ’t -groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij plukte er van, en snoof haar zoeten -geur op, en voelde ze smelten op zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die -vruchten, als je ze zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid -was vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore orgeltonen -boven zijn hoofd? -</p> -<p>In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon zijn diep-ademend -keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was bevangen door de jonge morgenlucht -en het jonge licht, en in <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>helder geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied. -</p> -<p>Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het ontroerde hem diep, -als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, niet zóó hartstochtelijk-innig, -als een vlammenbrand van geluid, maar rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! -Hoe vol die tonen aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid! -</p> -<p>Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! daartusschen -het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar weêr een, en de heldere slag -van de grauwe lijster! Heel het woud was vervuld van muziek, die de zaligheid van -te leven, in ’t licht en in de lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat -hoorde hij daar ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?… -Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de steenen, het oude, -klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, en van geen zwijgen wilde weten. -Hij hoorde het water kletteren over den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter -en zachter, als een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze -beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het hem weer, met -zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een vriend <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde. -</p> -<p>Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was voor zijn ziel, -en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar alles heel natuurlijk aanvoelde, -alsof het altijd zoo was gebleven, en er nooit iets om hem veranderd was. Dus was -àl het droeve en duistere toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, -zonder het allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was gebleven, -en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling verstoord! -</p> -<p>„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was Paulus of het -beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij zich met alles. -</p> -<p>Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er haastig heen, -en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar hij langs kwam, was het hem, -of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, -van een wandeling. Al het andere was, maar even, een booze droom geweest.— -</p> -<p>Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en de platen aan -den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een vaas met bloemen op stond. -En hij wist precies, hoe de boomen stonden daar vóór, en hoe ze hun takken hielden. -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p> -<p>Eindelijk, daar wás hij er … Niemand was in het tuintje … Willebrordus niet, Mareta -niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin achter. De deur stond open, als altijd. Hier, -links, was zijn kamertje. -</p> -<p>Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als vroeger. Zijn rustbed -was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op zijn tafel stond de vaas vol versche -bloemen. Het was zijn oude, vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik -werd verwacht. Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken -stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten voor het venster -stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem goeden-dag. -</p> -<p>De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel zitten, en -keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók aanzag, met dezelfde rustige -vertrouwelijkheid van vroeger. -</p> -<p>Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met een oud, wèlbekend -gerucht. -</p> -<p>Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening. -</p> -<p>„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, eenvoudig, zooals -hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar even weg was geweest voor een wandeling. -</p> -<p>Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>rustige, sereene menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was -verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste wijsheid. Hij voelde -de dierbare handen zegenend op zijn hoofd. -</p> -<p>En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome ziele-beving, -die het mystieke <i lang="la">compunctio</i> is, knielde hij snikkend voor Willebrordus’ voeten neder.… -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.— -</p> -<p>Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, alsof zijn kleinkind -maar even was teruggekomen na een verren tocht. En Paulus voelde zich te moê van al -het geledene, om nu, eindelijk tot rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer -te uiten en ná te voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide, -Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, die hij in Leliënstad -had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte gebaar, waarmede de oude hand somtijds -op zijn hoofd werd gelegd, in den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede -de grijsaard hem wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus -iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een gesprek: „Als je -nu weer eens weg bent, Paulus.…” Toen was Paulus verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: -<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>„Maar, grootvader, ik gá niet meer weg, nooít meer, nooit meer.…” En Willebrordus -had geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.… heusch.… daar -ben je véél te vroeg voor teruggekomen.… later misschien, véél, véél later, als ík -er niet meer ben.…” -</p> -<p>En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag voorgevoel hem -zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had. -</p> -<p>Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé overweldigend zalig de -emotie ook was geweest van het eerste terugkomen in het Bosch. Het onbewuste genieten, -het vage droomen van zijn kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat -daar lag achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een hooge -boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil was neêrgelegen aan -den vijver van de witte water-lelies. Het weten van de wereld buiten het Bosch was -altijddoor in zijn ziel bewust. En het groote leed der menschen klaagde er aldoor -in rond, klaagde en klaagde, als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste -zonlicht van den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van -den avond. -</p> -<p>Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het spitten en zaaien -in den moestuin, <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>in zijn omgang met die trouwe, simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke -verkeer met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van weifeling, weer -lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar trouwe, bruine oogen zag, die -zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen -niet zóó zijn?” -</p> -<p>Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al gauw den tijd -weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, zonder het horloge te behoeven -van de menschen uit de stad.—Ook las hij veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus -hem gaf, en avond aan avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, -die hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd nóg mooier -en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de Al-Ziel, die onsterfelijk -leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem buiten te moede, als in een eindelooze -cathedraal van God, gebouwd van boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, -en planeten. Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos.… -</p> -<p>Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel verreinden, en iedere -daad van leven daar in de groote natuur van het Bosch was vredig en sterkend, als -een gebed. -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> -<p>Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne krachten van -vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn wangen. Hij werkte veel -met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, en maakte verre wandelingen in den omtrek, -zóó, dat hij ’s avonds, te moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de -planten en de dieren. -</p> -<p>Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al dieper en dieper -ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te wellen, of het wel recht en goed -was, wat hij thans deed. Híj was nu veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden -van zulke goede, ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, -ver van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, in zijn -grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het open venster van zijn -kamertje uit zat te staren in den vallenden avond, en hij zag al de pracht van het -Bosch om zich heen, voelde hij opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven -met dat van den luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed -der menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: „Leef ík -dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit grandiose, statige Bosch, -en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?” -</p> -<p>Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>voor de ellende, als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van -Monte-Regina? -</p> -<p>Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie om hem heen. -Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer terugvinden, want de gedachte aan -het lijden van zijne medemenschen verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt -begon in hem op te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad -dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur liep te genieten. -Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden -van zijne broeders in door giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer -den loop der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven honderden -van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om haar schande te verhuren -voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde -genieten, als hij van de luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in -maanlicht, waar de nachtegalen van zaligheid zongen. -</p> -<p>Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, zélf eenvoudig -en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de natuur, zoolang millioenen van zijn -medemenschen verkwijnden in kommer en gebrek? Maar, aan den anderen kant, <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>wat hielp het, of hij, zwakke, droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden -der menschen, dat hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, -bij wie vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven uitgesloofd -om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te stuwen, maar wàt was er van -hun werk terecht gekomen? En als het tóch niet hielp, had híj dan niet het recht, -zijn leven zoo mooi en eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere -en juiste natuur? -</p> -<p>Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver over alles heen, -in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te vermoeien met vragen, die zeker op een -zoo oneindig veel lager plan moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De -staat, waar Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn gelegen -van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu hij eenmaal zóó ver was. -Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine uitdrukking van klare wijsheid, dat het -Paulus heiligschennis leek, hem vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn -verheven weten. En ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen -ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur voor baten zou. -</p> -<p>Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>hij ook opeens een onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane -te zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te zien wuiven, -in de verte, het wonder van haar witte gewaad!.… -</p> -<p>Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking herinnerde, -waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die dreigde boven haar lichte beeld, -weer geheel verdwenen. Het Beest was van haar weg, geen Monster besmette meer haar -reine sfeer, en haar beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en -bijzonder aan heilige, verre transen. -</p> -<p>Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en schrik, haar kleed -te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of wel hij meende te hooren het zoet -geluid van haar stem in het zacht geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds -meende hij haar lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In -zijn rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár heilige -presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In de lichte geheimenissen -van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven straalde, was nooit een donkere schaduw -haar genaderd, en zij schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als -de gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>En het was Paulus wel eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in -de weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het verstikken -zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den droom zijner ziel, smetteloos, -in eeuwig reinen staat van leliën blankheid.— -</p> -<p>Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij zich, wakker wordend, -afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest die hij gezien had, dan wel, of zijn -ziel werkelijk in Leliënstad had getoefd, terwijl zijn lichaam sliep. -</p> -<p>Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het leelijke, kolossale -gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, grijze avondlucht, en zijn ziel -schrikte en trilde pijnlijk toen hij de blinkende, gouden letters las boven den ingang: -</p> -<p class="center large bold">Ziet, ik ben bij u <br> -Alle dagen <br> -Tot aan der Wereld Einde. -</p> -<p>De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En klagelijk liepen -de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, loerend, loenschend naar haar prooi, -als roofdieren in honger.… -</p> -<p>Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de wuivende bladeren -bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der vogels, uitzingend <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte en schittering daarbuiten; alles -bloeide, en jubelde, en lachte. -</p> -<p>Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een onrecht, nog -bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis van de stad. En weêr moest -hij onverbiddelijk denken aan den rijken luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, -en aan zich zelf, veilig verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht -van het Bosch. -</p> -<p>Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s middags opeens -een houthakker aankwam, die een brief bracht, een ongewone gebeurtenis, die Paulus -zich niet herinnerde, ooit beleefd te hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak -hij hem open. Hij was van Elias.— -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">„<i>Beste Paulus!</i> -</p> -<p><i>Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, dat je hem krijgt.</i> -</p> -<p><i>Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je bosch. Daar zit -je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote dingen te gebeuren. Ik kan je niet -schrijven wàt. Alléén dit: „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden -verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het Licht breekt aan. -Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik je niet zeggen. Maar als je deze groote -gebeurtenis wilt <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>meêmaken, moet je <span class="ex">onmiddellijk</span> komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer hier kunnen zijn; je moet, zoodra je -dezen krijgt, dadelijk op weg gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het -Recht, waar je altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je in -de stad bent. Je vriend</i> -</p> -<p class="signed"><i>Elias.</i><span class="corr" id="xd31e1736" title="Niet in bron">”</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij had Willebrordus -den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd had geschud, en gezegd had: „Dat -hebben ze al méér gedacht, vóór Elias … Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi -zijn … maar ik vréés er voor … Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door hebben -gemaakt, vóór je wijs kon worden …” -</p> -<p>En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. Hij voelde, dat -het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan -zijn naar de stad. Rustig en kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding -meêgaf van zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn -kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En Paulus ging, -nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe verootmoediging. -<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p> -<p>Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, vertrouwde Bosch, om -terug te gaan naar de duistere stad der menschen, waar het onrecht woonde, en de leugen, -en de schande. -<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis, maar de concierge -beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur stellig terug zou zijn, en of hij -nu maar zoo lang in de kamer wilde wachten. -</p> -<p>Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een grooten stapel tijdschriften -en couranten, en daarop zijn eigen bundel „Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar -had gezien. Hij begreep, dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen -en artikelen over zijn verzen. -</p> -<p>Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een smartelijken trek op -zijn gezicht, als van pijn. -</p> -<p>Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het verschijnen -van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus, in „de Zon”, was de critiek -op slag omgedraaid. Toen de schrijver Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer -in <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>de officiëele tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne verdediging -van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed gezet. En op zijn simpele, -naïeve „Gedichten” had de perfide recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde <span class="corr" id="xd31e1755" title="Bron: critrici">critici</span>, die zijn sprookje hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een -wee bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap toch eindelijk -uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in den beginne, door het vreemde -er van, er met dat sprookje waren ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, -ziekelijk decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de scheefste -bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden zelfs verklaren, dat hun -vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins en de Fee” ironisch was bedoeld, wat -toch iedereen tóen al moest bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje -van Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden gemaakt, en van -Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen, waarin dezelfde Paulus, wien -hij vroeger het sonnet „Reinheid” had gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, -een verkapte, heimelijke wellusteling werd genoemd. -</p> -<p>Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd, met enkel het -èven, zachtkens <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>bewegen van het droome-rhythme zijner ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op -ulevellen-papier, of prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast, -werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende, nieuwe sonnetten -van Wederich, waar geen greintje emotie in was bewaard. In een artikel van Wartenau -werd hij voorgesteld als een klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen -had gemengd, en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in satyrieke -weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al potsierlijker en wanstaltiger -dan de ander. Één daarvan stelde „de Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, -met vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken. -</p> -<p>Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen dichter te verdedigen, -die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en zich daardoor den haat van alle machthebbers -op den hals had gehaald. -</p> -<p>Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet verder kon lezen, -en een grooten stapel overgebleven recensies ongelezen moest laten liggen. Het was -hem, of ze hem met drek en gif hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn -maag, of hij onpasselijk zou worden. -</p> -<p>Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het werkelijk mooie -in hem was er <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>niet door aangetast, en bleef, onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige -sfeer. Hij twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel, dat -hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen had gegeven. En hij -voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste weg te geven, en ook nú nog altijd -door te blijven uitzeggen, door alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig -er van was, zou tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven. -</p> -<p>Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en trouweloozer was, dan -de maatschappij der gewone menschen, die enkel maar leelijk en banaal waren, omdat -zij niet anders wisten. Die artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij -gezegend waren met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij -de verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te gaan. Nu voelde -hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns zeide, dat de toekomst niet uit -de kunstenaars, maar uit het gewone volk moest voortkomen. -</p> -<p>Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan veranderd door -al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even melodieus opklinken, en zijn ziel -herkende ze. -</p> -<p>Elias’ stem schrikte hem op. -<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p> -<p>„Zóó, kerel … dat is brááf van je, dat je gekomen bent … nét op tijd, hoor!… nu zal -je ook gróóte dingen gaan zien, hoor … waar je van zult ópkijken … Wat léés je daar?… -Aha, over je verzen! Ze hebben je leelijk toegetakeld, hè?… Dat kómt er van, als je -uit den officiëelen band springt … er blijft niet veel van je over, beste jongen … -maar dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht … de literatuur -en de kunst zijn nú bijzaak … daar hebben we nú geen tijd voor … laat ze maar flikflooien -en opkammen en lasteren en schelden onder mekaar … maar nú staan er héél wat gróóter -dingen te gebeuren … kerel, kerel, weet je wàt?… ráád eens!…” -</p> -<p>En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm. -</p> -<p>Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit gezien. Maar -wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe, blauwe kringen waren om zijn -oogen, en scherpe trekken teekenden zich af om mond en neus. Zijn oogen schitterden -van een vreemden, koortsachtigen glans. -</p> -<p>„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?” -</p> -<p>„Mij?.… Niets hoor!.… Een beetje in de weêr geweest de laatste dagen, wat veel gewerkt.… -twee nachten niet geslapen, dat is alles!.… dat is van net zoo weinig belang, als -dat gewurm in de literatuur … <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat is almachtig, ontzaglijk -groot.…” -</p> -<p>„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan … ik begrijp je niet.…” -</p> -<p>„Nu, hóór dan.… je kunt zwíjgen, hé …? als je één woord te vroeg klapt, ligt alles -in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je door je kop zoudt krijgen.… Hóór -dan.… Mórgen, om zeven uur ’s ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de -groote, kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.… het is een giganten-werk geweest, -van járen en járen, maar nú <i>is</i> het er.… Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj -daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte, is híer met -een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een reuzen-organisatie op touw -gezet … Híer was de hoofdzetel, en van hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, -over het gansche land … je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél -menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.… maar nú zal je eens zien.… -honderdduizenden van onze mannen hebben hun schouders gezet onder het logge, rotte -gevaarte, dat de kapitalistische maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, -op één teeken, óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien -poeieren.… Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote, universeele <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>werkstaking voor álle vakken en bedrijven.… Weet je wel, wat dat zeggen wil, kereltje?.…” -</p> -<p>Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel beefde in hem -van een groote, onuitsprekelijke vreugde. -</p> -<p>Elias ging door, op zegevierenden toon: -</p> -<p>„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van het kapitaal, -dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten varen, en geen reizigers -en goederen meer aankomen, of weggaan … dat beteekent, dat de waterleidingen niet -meer werken, en de lantarens niet meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer -rijden, en geen brieven meer worden gebracht.… de heeren kunnen nu loopen als ze ergens -heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods.… de telefoon zal stilstaan, -en ook de telegraaf.… de heeren van de beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, -om elkander te bedotten, en de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun -duim moeten zuigen.… de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s ochtends -wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.… Het is niet zóó maar met een páár -woorden te zeggen, maar je moet tot het besef zien te komen, wat het wil zeggen: <i>dat alles stilstaat</i>.… Al zóóveel honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze gesloofd -en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>ze, en tráppen lieten ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, -voor een afgekloven been, dat overbleef.… en ze hadden maar te wíllen, dan was het -uit.… <i>zij</i> wáren het toch maar, die alles in beweging zetten, en zonder hén stonden de bourgeois -en de kapitalisten hulpeloos, als een kind dat niet alléén op ’t potje kan.…. als -slaven hebben ze hem aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den -mond gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje voor hem -gespreid.… alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn, als een hulpeloos lam.… -en getrápt heeft hij hen, gespuwd, uitgescholden, en getrápt … Maar nú zal het uit -zijn, nú of nooit.… Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk -solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en alle oorlogschepen -en alle kanonnen van de wereld.… Het heeft móeite gekost, Paulus, om het zóó ver te -krijgen.… álles is tot nu toe afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, -aangestookt door den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd ondersteund.… -Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en morgen zal de ontzaglijke veldslag -beginnen, een veldslag, waarin niet geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen -dooden zullen vallen, dan enkel van den honger.… en het kapitalisme zal zich vergeefs -<span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>te pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.… Je hebt zeker -wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste jongen?.…. zoo mooi hé, al die duizenden -mannen, door één kracht bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte.… -allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.… Welnú, zóó is onze organisatie nu, -maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen elkaar niet ééns allen zien, -en de generaal ze ook niet allen overzien kan.… Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse -tijd aan!.…” -</p> -<p>Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven zweeg hij, maar -hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door: -</p> -<p>„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant lezen … er -ís geen broodje, er ís geen krant … Hij wil op reis gaan, en denkt de trem naar ’t -station te krijgen … er ís geen trem … Dan loopen maar, en naar den trein … er ís -geen trein … Daar staat hij, hulpeloos, beroerd … en dán misschien zal in zijn stompe -brein de gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren door -den arbeider, die voor mij sjouwt … Zonder hèm ben ik niets … mijn eten, mijn drinken, -mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht, álles, álles krijg ik van hèm … en zonder -hèm lig ik als een hulpeloos wicht te verhongeren en te verkleumen … <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>Zie je, Paulus, ze moeten het nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider -niet voor hen zorgt … Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze toegeven, -en zal het recht eíndelijk zegevieren … Dan zullen de arbeiders dádelijk weer alles -in beweging zetten, en zingend aan hun werk gaan, want werken willen ze, dat is hun -lust en hun leven … Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. -Maar dan moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur wettelijk -bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten ze voor. Ze vechten -voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die eerlijk is verdiend …” -</p> -<p>„—Maar, Elias, kán dat?… kán dat heusch?… bestaat dat echt, die solidariteit, dat -ál die honderdduizenden, die millioenen misschien, wérkelijk elkaars kameraden en -vrienden zijn, en door één gevoel bezield?… Als dát waar kon zijn …” -</p> -<p>„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift … „kón zijn?… Wacht maar eens tot morgen … -Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden en duizenden wielen en wieltjes, -dat de geheele maatschappij in beweging zet … Maar morgen!… Als er hiér door één man -op het knopje wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over -het land, dan <i>stáát het stíl</i>, Paulus, en géén radertje beweegt meer … Zal je het dán gelooven?… Dán <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>zal je óók weten wat solidariteit is, de solidariteit, die de wereld verlossen zal -van onrecht en slavernij, waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald … En als hun -buikjes niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan eens, -hoe gauw de bourgeois zullen toegeven … vooral de spoorwegstaking en die van de bootwerkers -zal een kolossaal gevolg hebben … want zonder treinen en booten geen handel …” -</p> -<p>Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven. Het was té groot, -té mooi. Maar toch … àls het eens kon … àls het eens gelukte … dan zou de wereld zijn -veranderd, en alles kon goed worden … Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór -hem op tafel lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij -het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend door zijn ziel. -En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit had gevoeld in de heiligste -uren van plechtige avondstonde in het Bosch. -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den volgenden morgen om -zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen van Leliënland verzonden, en een -uur daarna stond het groote raderwerk van de maatschappij stil. Het was, alsof het -geheele land met één zwaai van een magischen staf betooverd was. -</p> -<p>In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar nóg kalmer, nóg -plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de locomotieven stonden roerloos in -de remises, en geen trem of rijtuig reed in de straten. Overal op de muren waren groote -biljetten geplakt, onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden -aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven tot geweld. -Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was ditmaal zóó compleet, dat -zelfs de couranten niet konden verschijnen, omdat van de zetters niet één was opgekomen. -Het arbeidende proletariaat had het <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden voor een menschwaardig bestaan, met -den hongerdood als láátste wapen, indien de andere niet hielpen. -</p> -<p>Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn van Elias door. -Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen -met de leiders der beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, -reiner dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan eindelijk, -vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk verhevene, dat hij nooit -had willen aannemen, het broederlijk samen één zijn van duizenden en duizenden menschen, -schouder aan schouder, bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de -boomen in het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog. -</p> -<p>Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere evenement was voorbereid. -Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van geduldige, onverdroten arbeid waren noodig -geweest, om tot déze eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar mieren-geduld -deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij telkens en telkens weêr terug -was gevallen, na werkstaking op werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, -totdat nu het zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>muur was opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten. -</p> -<p>De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim gehouden, en zóó -stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste dagen overrompeld. De nieuwe -lichtingen van de militie waren juist naar huis gezonden, en er waren geen troepen -dadelijk beschikbaar, om grof geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen -soldaten in Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen. -</p> -<p>Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds onderhandelingen -met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste, wat zij trachtte te verkrijgen, -was het weder in beweging brengen van het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk -van de beschaafde wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen -om tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár, waar de -ziel van de staking was, de beweging met geweld te onderdrukken. Het comité, dat den -toeleg doorzag, weigerde pertinent iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren -gedaan en wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet te -komen. -</p> -<p>De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met geweld. De -telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men trachtte treinen te laten <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>loopen met zoogenaamd vaderlandslievende ingenieurs en op lintjes beluste studenten. -De spoorwegstations werden kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke -patrouilles cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles rustig -was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige automobielen met revolver-kanonnen -en artilleristen werden de stad uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het -land en het buitenland. -</p> -<p>De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke verzekering -van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden arbeid tegen redelijk loon, -en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó absurd gevonden, dat de Regeering besloot -tóch maar het uiterste te wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren -in Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun verfijnde, -moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen weêrlooze burgers. -</p> -<p>De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich ordelijk, zonder -aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote deel van sterken drank, en bepaalden -zich tot het met posten bewaken van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat -gehuurde onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten. -</p> -<p>Met groot machtsvertoon werden die fabrieken <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>bezet door de militairen, die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een -verboden rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op postende -groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de meest gepaste orde. -</p> -<p>Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te lokken, om -zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene opinie vóór zich te krijgen. -</p> -<p>En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden laten verleiden -tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden stellen. Gebeurde dit, dan -was alles verloren. De hoofdmannen spraken zich de keel schor in telkens nieuwe en -nieuwe meetings, om zich toch voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, -wat op feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de beweging -lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en het éénige maar onfeilbare -wapen der staking bestond uit die ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, -waardoor het kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht. -</p> -<p>Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken op de eerste -ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch, de prijzen stegen. Er was -geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en er kon maar heel weinig worden aangevoerd, -<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>nu de treinen niet meer liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren -er enorme bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en was -er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het spook van den honger -al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te loopen over interventie van buitenlandsche -mogendheden, wier handel begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. -De geest van broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te verflauwen -onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de Regeering niet dadelijk -toegaf, waren er onder de stakers die begonnen te wankelen, en hier en daar stonden -heethoofden op, die van revolutie begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, -waarin het volk werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven -werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de door de staking -slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden vielen. En het grauw uit de beruchte -achterbuurten werd rumoerig. -</p> -<p>Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het comité, dat het gepeupel -alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm en wijs beleid hadden georganiseerd. -Niets kon nu meer welkom zijn voor de Regeering, dan een feitelijke opstand, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>die door de soldaten onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie -ten haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als voor het -gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik geduchter was, dan de algemeene -vijand, het kapitalisme. Als het gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, -zou de kalme, ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward -worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou volgen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de koninklijke familie -van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande schoonouders, den keizer en de keizerin -van Moscovië, zou ontmoeten. -</p> -<p>Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor haar om terug -te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon niet eens binnenkomen in -haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met een automobiel naar de hoofdstad terug -te gaan, en eischte dat eerst de treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, -vóór zij er in toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van -verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de Regeering. Het -comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der grieven, <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen hervatten, de Regeering -eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en eventueel herstel, zoo dit noodig mocht -blijken. Zóó werd over en weer gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat. -</p> -<p>De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen verbinden, zonder -de tegenwoordigheid van de prinses, en geen wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens -zij persoonlijk met de prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was -haar huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche wetten, -nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich tot niets verbinden, -zoolang zij niet in haar midden was. -</p> -<p>Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het grauw, verbitterd -door de stijgende broodprijzen, elken dag een dreigender houding begon aan te nemen, -vonden èn de Regeering èn het uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer -eenige concessies te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses -te beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der arbeidswetgevingen, -met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en pensioenen, indien het comité, -als eerste maatregel, de spoorwegstaking ophief, en zorgde dat de oude treinenloop -werd hersteld. De <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad terugkeeren, en aan de -dringendste eischen der stakers zou dadelijk daarop worden tegemoet gekomen. -</p> -<p>Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden gebaat, was nu -één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het ontzaglijk gecombineerde, uit -honderden onderdeelen bestaande organisme van het spoorwegverkeer weer in beweging -te zetten. -</p> -<p>Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering stoomden in alle -richtingen de treinen weer door het land. En één wenk van hetzelfde comité zou ieder -oogenblik ook weer voldoende zijn, om al die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten. -</p> -<p>’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad aankomen, en den volgenden -dag zou de Regeering met haar de beloofde wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet -gekomen aan de grieven der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote -nieuws. Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de laatste weken. -De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een vage, onbestemde angst had -de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder oogenblik opstand en moord en doodslag -had verwacht. De patrouilleerende troepen <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>en het voortdurend machtsvertoon hadden de spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En -toen de tijding bekend werd, dat de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses -weêr in Leliënstad zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun -leven en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een gevaarlijk -onweêr. -<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HOOFDSTUK XIV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De plaatselijke autoriteiten, -nog altijd den toestand niet vertrouwende, heimelijk bevreesd voor een plotselingen -opstand, hadden een buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst -van de prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme kazerne -geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den hoofdingang waren zelfs -een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen -weg, dien de prinses moest rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het -koninklijke rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren. -</p> -<p>Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses, dat zij al deze -streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde alléén onder haar volk terugkomen, -als dit gebeuren kon, zooals altijd, vrij en open, zonder militair geleide, zooals -een vorstin <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>komt onder vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn -als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen koningsstad -passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had kunnen doen ontstaan tusschen -den troon en het volk. -</p> -<p>„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij dit nieuws hoorde. -</p> -<p>„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor zich uit. -</p> -<p>Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één moment van -verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren. Één al te hard scheldwoord -uit het grauw, één uit woeste baldadigheid geworpen steen, en het werk van jaren en -jaren onverdroten arbeid was verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden -partijgenooten, allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich -den ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat grauw, -dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en morgen steenigt, en -dat overal als uit den grond oprijst in wilde verwarde massa’s, zoodrá maar ergens -gelegenheid is tot ruzie en diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois -altijd met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den grootsten -vijand van allen, en <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>vreesde het méér dan de sabels van politie en huzaren. -</p> -<p>„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel verkeerd, al is het -dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den dreigenden hongersnood van de laatste -dagen is het gemeene volk niet te vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij -zijn nog niet bewust, en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk -veel kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er gebeuren -kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit daar, zonder militair geleide, -in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een groote massa volk staan aan het station. Dat -is onvermijdelijk.—En ik vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel -kunt vóórstellen, heúsch.” -</p> -<p>„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk haar toe te jubelen -en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen waren ze dol van geestdrift!” -</p> -<p>„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.… maar daarom kunnen ze morgen evengoed schelden -en hoonen en steenigen.… je ként het volk niet.… het is geváárlijker en verraderlijker -dan een zee.… Die huilende en brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht -met den Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste, georganiseerde, -ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw, <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te zwijnen valt en -waar het maar jenever ruikt.… en voor datzelfde grauw, dat toén jubelde onder het -koninklijke venster, ben ik nú banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste -weken voor ons heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te -doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan.…” -</p> -<p>„—Maar wat wou je dan wel, Elias?” -</p> -<p>De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken zenuwachtig. -</p> -<p>„Wat ik wou?.…” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.… ik wou, dat ik nu -eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de soldaten, met zoo’n hanestaart op -mijn kop en een end mes op zij.… dan had ik maling aan die orde van de prinses en -liet ik een paar regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke -trein moet aankomen.… o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens iets gebeurt!.… -dan is ons hééle werk verloren.… En wat moeten we nu doen?.… Plakkaten aanplakken, -biljetten laten rondstrooien, om den menschen áán te raden, niet naar het station -te gaan morgen?.… dan gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt …, de partijgenooten -zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten strijders voor -het recht in deze omstandigheden betaamt.… <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>maar het canaille, zie je, het canaille.… dáár ben ik bang voor.…” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het Centraalstation zijn. -Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart van de saamgestroomde menschen. -Het overgroote deel daarvan wist absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het -was daar gekomen, omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er -anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde ook geen kwaad, -wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren zou, met een vaag voorgevoel -van een naderende catastrophe, die als broeide in de lucht. Een kleine minderheid -was grauw, haveloos schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk -kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der Verlorenen.”—Dát volk had -werkelijk honger geleden door de stijgende broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs -hún half-bedorven afval nog te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, -als van uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende borsten, -waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis zochten. Die uitgestooten -paria’s hadden niets meer te verliezen, dan hun waardelooze levens van martelende -misère.—Met wilde blikken van afgunst <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar stonden vóór den ingang, -waar een baldakijn was opgericht van rood peluche met gouden koorden. De sierlijke -statie-wagens blonken van goud en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden -ongeduldig, trots te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud gemonteerd.—En -superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de koetsiers op hun hooge, met zijden -kleeden behangen bokken, plechtig als priesters onder hun driekanten steek. -</p> -<p>Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw begon te irriteeren. -Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al luider en luider gingen scheldwoorden -op en verwenschingen. -</p> -<p>„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.… hebbe jullie je dikgezope.… belabberde, -lamlendige luiwammessen daar boven op die bokke.… jullie hebbe ’t goed, hé.… en wíj -kenne verrékke.… als júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.… lammelingen.… de pest -zel je krijgen, daarboven op je wagens.… luie loeders!… en die knollen, díe hebben -’t verdomme béter dan wíj.… wíj benne ook maar mensche, en dát benne beeste.… díe -krijgen wel te vrète, en van ’t beste, hoor!.… ze benne méér dan wíj!.…” -</p> -<p>Zóó ging het door, al luider en luider, nú van <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>dezen kant, dan weer van een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer. -</p> -<p>En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan een vijftigtal -politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden vóór de rijtuigen. Een tiental -er van waren bereden en slaagden er in ruim baan te maken door hun paarden te doen -steigeren. Maar militairen waren niet te zien. -</p> -<p>De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken last in van -de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren gereed, om op het eerste bericht -onmiddellijk in den zadel te stijgen en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd -in de kazernes, maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid -geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te hebben, tot het -uiterste. -</p> -<p>Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang voorgevoel gedreven, -in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten bij mogelijk gevaar. Elias was bekend -bij het volk, en kreeg het altijd onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende -stem. Zoodra hij de scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, -drukte hij zenuwachtig Paulus’ hand. -</p> -<p>„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze … dat loopt verkeerd … als dát maar -niet mis gaat!” -<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p> -<p>En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig, om het opkomende -verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende belhamels te arresteeren mislukte. -De arrestant werd dadelijk door het opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken -kreten en grof gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de -scheede … -</p> -<p>Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest prijs gegeven worden. -Het consigne luidde: geduld tot het úiterste. -</p> -<p>Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het schreef de -weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon het schelden en tieren -nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen door de lucht. De steek van een der -koetsiers werd afgegooid door een steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. -De groote menigte, die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw -deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een gedrang. Een politieagent -raakte onder den voet. Een lakei uitte een schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek -aan een bloedende wonde op zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had. -</p> -<p>De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en trokken de teugels -aan, om te chargeeren … -<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -<p>Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de koninklijke sneltrein -over de hooge spoorbrug. -</p> -<p>De kroonprinses Leliane was aangekomen … -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil. Het was, of -een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit der naderende vorstin, -de dreigende drommen menschen magisch had bevangen. Plotseling werd het doodstil. -Een ontzaglijk zwijgen broeide onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. -Het was misschien vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel -van een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was ijziger, dan -het oproerig rumoer van zooeven. -</p> -<p>Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn vóór den ingang, -vanwaar het angstig-verwachte moest komen. -</p> -<p>Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa. -</p> -<p>Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder de baldakijn. -Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van goud schitterende edellieden -uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en fonkeling en glans, wat daar was gekomen -uit het buitenland in de lijdende, met honger en <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>dood bedreigde stad. De hooge, voorname hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend -van voorspoed, weelderig en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, -dat de ernst der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange spanning -in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans. -</p> -<p>Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende drommen, vaag-vijandig, -ontevreden. -</p> -<p>Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en hoera-geroep. Zij bleef -nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam. Toen begreep zij. Éven keek zij koud, -van uit de hoogte van haar koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende -menigte. Toen stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik -ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te laag en te -nietig voor de goddelijke genade van haar oogen. -</p> -<p>Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe douairière van -het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van verstokte aristocrate. Zij -fluisterde de vorstin iets in het oor, en keek toen even minachtend op de zwijgende -menschenmassa neer, met zoo’n innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden -het éénsklaps <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien kouden, vernietigenden blik. -</p> -<p>Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende uniformen, fonkelend -van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte statig in de volgrijtuigen, eerbiedig -geopend door slaafsche, tot op den grond buigende lakeien. -</p> -<p>Langzaam zette de stoet zich in beweging. -</p> -<p>En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid, met de onverschillige, -onder elkaar lachende gezichten der hovelingen, en het minachtende, trotsche air der -opgedirkte koetsiers en lakeien, dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, -na de nijpende ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even -te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene verontwaardiging uitbarstte, -als van een losgelaten schaar furiën. -</p> -<p>Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende menigte. -</p> -<p>Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde volk zèlf niet. -Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen wilden zij iets te zamen, onbewust, -iets verschrikkelijks. De voorsten werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter -hen stonden drongen op, óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, -wild van onbehouwen razernij. <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen voelden het tóch te zamen. -</p> -<p>Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer. Het was Elias. -Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte. Hij begon te oreeren, met -de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk als een trompet. -</p> -<p>„Elias!… Elias!…” juichte het volk. -</p> -<p>Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het plotseling uitgebarsten -verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende voor den hoofdman, die de revolutie ging -prediken in dit hachelijke moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk -dier, sloegen <span class="ex">hem</span>, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede steeg op uit het volk, -en in het volgende oogenblik was het oproer uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad -had gebroeid. De agenten, die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, -het cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie werd van -het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een vergeefsche poging had gedaan -om te chargeeren. De brullende, huilende massa menschen drong al dichter en dichter -om de koetsen van het hof. Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde -en krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht. -<span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span></p> -<p>De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden, onrustig geworden, -trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit den zadel, en verdween gillende -van pijn onder de voeten der woedende massa. -</p> -<p>„Leliaantje!… Leliaantje … er uit!… Leliaantje moet er uit!…” gilden een paar wijven. -</p> -<p>Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit de „Sloppen -der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het witte, koninklijke meisje -in dien goud-en-zijden wagen maakte hen razend van heeten lust om het te vernielen -dit teere, dit blanke, dit fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, -lillende stukken. -</p> -<p>„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven. -</p> -<p>De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek, maar trotsch, -en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op haar gelaat was vertrokken. -Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek hoog over de hoofden van het woedende, -hoonende grauw, met een vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit. -</p> -<p>Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin Marcelia aan -de wang. -</p> -<p>Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met snijdend geluid, -striemde het neer op de razende en tierende menigte: -</p> -<p>„—Canaille!… canaille!…” -<span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span></p> -<p>Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke kerel, half-naakt, -met een groot mes in de handen, sprong op de treêplank van de koets, brullend als -een beest. -</p> -<p>Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als een os door -het masker, door een vuistslag tegen de slaap. -</p> -<p>Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de armen wijd-uitgespreid, -als een levend schild, dat prinses Leliane beschermde … -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een ontzaglijke Waarheid, -stralend als een zon in den nacht, plotseling voor hem opgeschenen. -</p> -<p>Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het was onbewust, -en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan hén, maar aan de daders van -het snood bedrijf der uitbuiting. De prinses was méde schuldig aan het groote, universeele -onrecht, en had de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten, -biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht in de verte, -en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren horizon. Dat was schoon, -wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid openbrak als een bloem, om dan te leven.…! -<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p> -<p>Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk wezen, om te sterven -voor het Ideaal!… Het Ideaal, dat was Leliane, dat was de lichte prinses Leliane, -de zuster van de witte water-lelies in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon -sterven, en eeuwiglijk herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds -aan. Híj, Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het Recht -zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar dáár vóór hem zag hij -het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige -handen dreigden naar haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken -gloed óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer van -het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de literatuur, hij voélde enkel -dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd met <span class="corr" id="xd31e1980" title="Bron: schenn is">schennis</span>, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken dood der vólzaligen, den -dood voor het Ideaal.… -</p> -<p>Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van den moordenaar. -Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het grauw verslagen was en wachtte, -besluiteloos, bang. -</p> -<p>Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn borst vooruit -als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos. -<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p> -<p>Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof hem aan het -hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige agenten die nog over waren -worstelden wanhopig, om bij de koninklijke karos te komen. De officieren uit het gevolg -hadden hun degens getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende -gemeen stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel neer, -en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst van prinses Leliane … -</p> -<p>Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst steeg op uit -de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En opeens, als door een toover uit -den grond verrezen, stormden als een wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels -door het in een wilde paniek uiteenstuivende volk.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het bloedende lichaam -van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was neder gevallen in de kussens, en -de gewonde lag bewusteloos tegen haar aan. -</p> -<p>De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een gebiedend gebaar -wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met de <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen, om den gewonde -te helpen verbinden. De kappen van de koets werden omhoog gezet en zóó, als in een -dichte, kleine kamer, ging het langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia -was met twee doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren verklaarden, -dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had te leven. Tevergeefs smeekten -zij de prinses, het bloedende lichaam toch los te laten, en in een andere koets over -te stappen. Met een streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren -naar haar paleis, om dáár te sterven. -</p> -<p>Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in haar anders -zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje, altijd verscholen achter -de majesteit van haar koningin-zijn, was door de ontzettende catastrophe, met den -dood plotseling dreigend vóór haar, èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde -zij, als een heilig weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven -lang geen andere meer voor haar zou bloeien. -</p> -<p>Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal dapper als een -held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat onbewuste in haar, nú even -bewust, om straks weer wèg te <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>wijken achter het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het bloedende -lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij ooit in héél haar leven -van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het wilde, dat haar ridder sterven zou in hare -armen, als een paladijn van weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe … -</p> -<p>Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet bewust meer -van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het rijtuig om zich heen, en hoorde -niet het getrappel van de paarden, en voelde de pijn niet van zijn gapende wonden. -</p> -<p>Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in het Bosch, en -alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer, maar nóg heerlijker, nóg heiliger, -vergeestelijkt in een teêrdere, ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, -diep en zwaar, als de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij -voelde het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen … -</p> -<p>Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd. -</p> -<p>Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling van zijn ziel, -en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster. Éven bewogen zijn handen, -voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge, eeuwige waarheid, -en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in wondere wonne door zijn ziel.—Nu -was het goed, nú was alles, alles dan goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, -vol-zalige rust gekomen, waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht.… -</p> -<p>O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.… o! die stilte, zoo -diep en vol gebed.… o! dat heilige, blanke maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.… -Hij voelde zich stijgen en stijgen, zweven en zweven.… een zachte sferen-muziek droomde -op uit de verte … de innigheid werd dieper, en nóg dieper … sterren wemelden schitterend.… -een groot Licht laaide, laaide aan.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe. -</p> -<p>Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig menschen-kind. -</p> -<p>Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust.… -</p> -<p class="small xd31e2018">1902–1903. -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr id="ch1.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">HOOFDSTUK I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr id="ch2.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">HOOFDSTUK II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">16</a></td> -</tr> -<tr id="ch3.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">HOOFDSTUK III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">35</a></td> -</tr> -<tr id="ch4.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">HOOFDSTUK IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">51</a></td> -</tr> -<tr id="ch5.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">HOOFDSTUK V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">78</a></td> -</tr> -<tr id="ch6.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">HOOFDSTUK VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">100</a></td> -</tr> -<tr id="ch7.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">HOOFDSTUK VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">114</a></td> -</tr> -<tr id="ch8.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">HOOFDSTUK VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">139</a></td> -</tr> -<tr id="ch9.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">HOOFDSTUK IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">166</a></td> -</tr> -<tr id="ch10.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">HOOFDSTUK X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">198</a></td> -</tr> -<tr id="ch11.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">HOOFDSTUK XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">216</a></td> -</tr> -<tr id="ch12.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">HOOFDSTUK XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">227</a></td> -</tr> -<tr id="ch13.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">HOOFDSTUK XIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">238</a></td> -</tr> -<tr id="ch14.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">HOOFDSTUK XIV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">248</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Leliënstad</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Henri Jean François Borel (1869–1933)</td> -<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/71515941/</span></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td> -<td>2022-09-01 17:47:02 UTC</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1904</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td>Dutch fiction -- 20th century</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2022-08-30 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e151">2</a></td> -<td class="width40 bottom">siniester</td> -<td class="width40 bottom">sinister</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e203">8</a>, <a class="pageref" href="#xd31e529">57</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1318">164</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e208">8</a></td> -<td class="width40 bottom">parasietisme</td> -<td class="width40 bottom">parasitisme</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e281">19</a></td> -<td class="width40 bottom">Paul</td> -<td class="width40 bottom">Paulus</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e295">22</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e527">57</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e600">65</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">op </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e635">70</a></td> -<td class="width40 bottom">edereen</td> -<td class="width40 bottom">iedereen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e656">72</a></td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="width40 bottom">.…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e694">76</a>, <a class="pageref" href="#xd31e979">118</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1069">130</a></td> -<td class="width40 bottom">wordt</td> -<td class="width40 bottom">word</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e699">77</a>, <a class="pageref" href="#xd31e787">91</a>, <a class="pageref" href="#xd31e926">111</a>, <a class="pageref" href="#xd31e957">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1276">159</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1736">225</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e723">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e972">117</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e760">85</a></td> -<td class="width40 bottom">lichte</td> -<td class="width40 bottom">lichtte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e819">95</a></td> -<td class="width40 bottom">. .</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e895">105</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e919">110</a></td> -<td class="width40 bottom">da</td> -<td class="width40 bottom">dat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e976">118</a></td> -<td class="width40 bottom">..,.</td> -<td class="width40 bottom">.…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e996">120</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1112">137</a></td> -<td class="width40 bottom">Vindt</td> -<td class="width40 bottom">Vind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1218">151</a></td> -<td class="width40 bottom">afzichtetelijke</td> -<td class="width40 bottom">afzichtelijke</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1231">153</a></td> -<td class="width40 bottom">grinnekend</td> -<td class="width40 bottom">grinnikend</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1330">165</a></td> -<td class="width40 bottom">bezorgheid</td> -<td class="width40 bottom">bezorgdheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1755">228</a></td> -<td class="width40 bottom">critrici</td> -<td class="width40 bottom">critici</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1980">262</a></td> -<td class="width40 bottom">schenn is</td> -<td class="width40 bottom">schennis</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div lang='en' xml:lang='en'> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>LELIËNSTAD</span> ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> -</div> -</body> -</html> diff --git a/old/68893-h/images/new-cover.jpg b/old/68893-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 591ad21..0000000 --- a/old/68893-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68893-h/images/titlepage.png b/old/68893-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d240965..0000000 --- a/old/68893-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
