summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 02:52:24 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 02:52:24 -0800
commit8fa9d9ca59c9477ee3feac82d1fc23ecee495a25 (patch)
tree804dda9067e4c975c7edb7ff08a7309cf583559e
parent56dfe7f11c87cd9c9b86971a07e777f355280937 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68893-0.txt6560
-rw-r--r--old/68893-0.zipbin136722 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68893-h.zipbin192431 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68893-h/68893-h.htm6603
-rw-r--r--old/68893-h/images/new-cover.jpgbin39361 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68893-h/images/titlepage.pngbin4193 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 13163 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..9484dad
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68893 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68893)
diff --git a/old/68893-0.txt b/old/68893-0.txt
deleted file mode 100644
index 4b3b94e..0000000
--- a/old/68893-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6560 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Leliënstad, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Leliënstad
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from scanned images of public domain
- material from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD ***
-
-
-
-
- LELIËNSTAD
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool.
-
-Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde,
-grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en
-de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het
-water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen
-stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre
-rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen....
-en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden,
-zonder eind.
-
-Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en
-donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het
-water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder
-ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk,
-werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op,
-met roode lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een
-onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van
-machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en
-ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart
-uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw.
-En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit
-duistere gebeuren.
-
-De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte
-karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van
-zware stemmen.
-
-De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage,
-reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende
-oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw.
-
-Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr
-hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en
-zwijgend, eindeloos in het rond...
-
-Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp
-van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van
-een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze
-vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel.
-
-Paulus stond te rillen van angst.
-
-Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek
-onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk.
-Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool
-om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos
-verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde.
-En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar
-weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte
-van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de
-menschen woonden in weedom en zonde. —
-
-Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van
-honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door
-de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn
-broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk,
-afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. —
-
-Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond
-het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van
-achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat
-alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen
-meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier
-ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd.
-
-Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle
-wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van
-stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht
-van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de
-kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen
-vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een
-verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar.
-Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd
-worden in vlammen en vuur?.... Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo
-duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien
-zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond....
-
-Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de
-stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu
-ging verstikken.
-
-Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte
-ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken,
-en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver
-boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense,
-schitterende lichtbundels straalden maagdelijk door het ruim, en in die
-reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de
-prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster.
-
-Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en
-aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het
-witte paleis daar boven.
-
-„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!”
-
-O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de
-Genade!....
-
-Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het
-zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden
-in de kuische plooien van haar witte gewaad?....
-
-Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader
-boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde....
-
-En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om
-genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote
-stad....
-
-
-
-Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende
-stem riep zijn naam.
-
-„Paulus?... Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?....”
-
-Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend.
-Dit was té heilig voor een ander, dit leefde té voorzichtig, in een
-veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen.
-
-—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe
-verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden
-die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend
-opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo
-bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!”
-
-„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd
-aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t
-hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter,
-mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de
-brug, waar we hier op staan?.... zie je die breede bogen en die zuilen
-van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.... dat wordt nu het
-nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.... daar slapen
-ze, om niet te bevriezen van de koû.... want nu is het uit met de
-bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.... daar zouden ze
-bevriezen.... hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar
-gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en
-ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden
-menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó
-maar op den harden grond.... o, als die bruggen er niet waren, die
-goede, wèldoende bruggen.... en vooràl deze, de Koninginnebrug.... hier
-slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár
-koninklijken naam.... en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de
-zon....”
-
-Vragend keek Paulus hem aan.
-
-—„In de zon?.... hoe bedoel je dat?”....
-
-—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den
-eeuwigen zomer in Monte-Regina.... je weet toch wel, die groote
-badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank
-is?.... Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden
-blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden,
-waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn... zij
-brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het
-Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de
-courant... iedereen die het maar éénigszins doen kan van de
-wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het
-Zuiden, dat weet je toch wel.... de aristocratie, en de
-kapitalisten.... die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn
-beste jongen.... dat moet je toch vòelen.... dat is goed voor den
-proletariër en den kleinen man....”
-
-—„Gaan die naar ’t Zuiden.... naar de warme zon?....” vroeg Paulus,
-naïef.... „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen
-slapen, om niet te bevriezen?”....
-
-—„Ja, zéker, kereltje.... wat heeft dat met elkaar te maken.... daar
-hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen
-ze....”
-
-„-Monte-Regina... ja, daar heb ik van gehoord en gelezen... moet daar
-niet enorm worden gespeeld?... en is het er zóó mooi?....”
-
-„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog
-héél jong was, en het onrecht nog niet wist... het is daar alles
-eeuwige lente en eeuwige jeugd... de zachte lucht is doordroomd van
-zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een
-weerschijn is van de allerheiligste hemelen.... en in die prachtige
-natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en
-gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er
-roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken....
-De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en
-twintig millioen... denk eens, beste kerel, wat een schat dat is....
-wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om
-niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”....
-
-Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte
-booten zuchtten en steenden, uitstootend hun donkere wolken van
-rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en
-hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam
-over hem, en hij greep Elias’ arm.
-
-„O! Al die booten... al die schoorsteenen...” zeide hij toen.... „hoe
-vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens....”
-
-„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.... „dat is de
-hándel.... en die fabrieken ook... dat heet de wèlvaart van een
-land.... de industrie, de nijverheid.... daar wordt een land gróót
-van.... dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten
-rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft
-er juíst nog door in leven, en verhongert niet.... Al die duizenden,
-die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk
-alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken... Als één zoo’n
-rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn
-diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal
-andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele
-evenwicht te bewaren... en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart....
-zóó zit dat in elkaar... al dat getob en gesloof hier om je heen is ten
-bate van énkelen, niet van allen... Kijk, daar gáát weer zoo’n boot...
-mooi hè?... volbeladen met goederen die worden verkocht... zie je al
-die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?... daar
-kan er weer een voor naar ’t Zuiden... Maar laten we hier nu niet
-blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van
-de partij, bréng me zoo ver...”
-
-Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en
-rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van
-den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe
-editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn,
-schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een
-paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de
-meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met
-een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar
-versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte
-wanhoopskus van innig medelijden.
-
-„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande
-verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit
-jaar, en ik ben vol moed.”
-
-Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op
-vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de
-sociaal-democraten er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond
-het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote
-kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement
-aangenomen wetten kon vernietigen.
-
-En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de
-christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord.
-
-—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias
-weer.
-
-„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.... en ik dánk je er wèl voor.... ik
-ga nu al véél meer weten.... ik begrijp nu meér....”
-
-Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel
-gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had
-gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie,
-en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale
-evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die
-schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een
-absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke,
-onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was
-aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het
-was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke
-overgang behoefde.—
-
-Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de
-goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel
-wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden,
-in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor
-bleef!.... En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge
-revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade,
-die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.
-
-Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten
-afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na.
-
-Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en
-propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar
-sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen
-duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door
-geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen
-der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en
-fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij
-zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór
-dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden
-zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als
-zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren?
-
-En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende,
-en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het
-in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder
-kunnen doen, dat hij verwachtte.
-
-Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú
-was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een
-groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een
-goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De
-reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou
-dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel
-geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden
-broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó
-simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie,
-dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat
-alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen.
-
-Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het
-wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de
-reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de
-vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele
-gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat
-droeve doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig,
-vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver,
-zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare,
-witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot
-haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar
-te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En
-als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij
-eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij
-gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de
-verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was
-liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte
-gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou
-uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles
-heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat
-smachtend wachtte.
-
-Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel
-moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met
-bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over
-dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen,
-en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een
-ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van
-zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand
-versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar
-kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders
-hoeder willen wezen?....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn
-hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses.
-
-De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten
-fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen,
-zijn chocolade te slurpen.
-
-„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk
-weer eens aanloopen?... Kan ik je met iets dienen?... wat chocolade?...
-een cigaret?... o neen: je rookt niet hè?... nog altijd even sober?...
-geen vleesch, geen alcohol, geen tabak... en tóch zie je er niet zoo
-heel florissant uit... je ziet bleek, kerel... nog altijd aan het
-tobben en het filosofeeren?... weer te veel bij je vriend Elias
-geweest, den sociaal-democraat?... dat zal ééns wel weer overgaan, dat
-hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen
-is...”
-
-Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote plan, om op den
-lichten toon van die scherts te antwoorden.
-
-„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet... ik kom je iets heel ernstigs en
-gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt... ik weet,
-dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met
-mijn liefste gevoelens... je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op
-door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom
-afsmeeken, als een groote, groote gunst..”
-
-„—Nu.... kom er gerust mee voor den dag, hoor... als het maar niet iets
-voor de sociaal-democraten is...”
-
-„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen... ik wou... ik wou... nu, ik
-wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen
-er bij... zou dat kunnen?...”
-
-Marcelio zag hem verbaasd aan.
-
-„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt... Haar Koninklijke
-Hoogheid spreken... een particuliere audiëntie dus... en maar eventjes
-heel alleen, zonder anderen... En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke
-Hoogheid doen?... wat kan jij haar te vertellen hebben?...”
-
-„—Dat moet je niet vragen, Marcelio... dat is mijn zaak... ik sméék je
-alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?...”
-
-„—Kúnnen wèl... Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting
-aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou...
-je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je... het
-zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met
-een beetje moeite... maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?...
-toch geen dolle dingen, hoop ik?... toch niets over dat zoogenaamde
-onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je
-vriend Elias je inblaast?...”
-
-Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van
-het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een
-zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo
-in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer
-leven.... en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je
-cigaret, en drinkt je fijne chocolade.... alles is hier zoo mooi en
-rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en
-de schande.... nu, já, ik durf het wel te zeggen.... áls ik nu de
-prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?... áls ik
-haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om
-genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht
-en de waarheid?... wat dan nóg?... zou je me dan niet willen helpen?...
-Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel,
-Marcelio...”
-
-Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van
-verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een
-jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren
-geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de
-wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen!
-
-Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een
-broekie!” zei hij, glimlachend.
-
-„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd.
-
-„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en
-eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën
-van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar
-Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is
-absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!”
-
-„—Ik begrijp je niet, Marcelio!”
-
-„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je
-hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten
-niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de
-toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een
-akelig klein beetje vooruit zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog
-precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van
-de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch
-vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed.
-Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten
-door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden
-aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en
-wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel
-onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het
-bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók
-niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te
-begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens
-behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet,
-dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens
-bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste
-eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense
-figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van
-Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is
-uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de
-ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige
-beelden, de schilderijen, de gebouwen, zoo’n sublieme cathedraal
-bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke
-Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de
-eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de
-reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn... en
-als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die
-wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en
-rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch
-kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat
-er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en
-steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie
-je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen,
-waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al
-niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren,
-dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat
-egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als
-er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin
-menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar.
-Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig,
-dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er
-geen liberalen en geen conservatieven en geen sociaal-democraten en
-geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens
-die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat
-het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische
-wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die
-Liefde wordt het nooít wat.
-
-„Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt
-het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als
-jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige
-gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er
-bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het
-ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar
-beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát
-wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is
-en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide
-logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat
-idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat
-verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst
-of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol
-enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan,
-dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat militair vertoon laat
-bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de
-koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en
-als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen,
-heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan
-Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn
-eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een
-reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten.
-Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de
-sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna
-iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove
-eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de
-heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik
-zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik
-ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van
-het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver,
-fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie
-kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te
-zitten. Dáár, nu wéét je het!....”
-
-Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte
-nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord.
-
-„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou
-de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?”
-
-„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr
-vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de
-wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de
-electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En
-óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet
-gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt,
-zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het
-vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit
-goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde.
-Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen
-aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant
-doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename
-leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb
-je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als
-duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De
-ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de
-allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat
-hebben ze aan de wetenschap der hygiène, die enkel de bevoorrechten
-baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de
-bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor
-de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door
-slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet
-door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het
-nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er
-veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en
-ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren.
-
-„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de
-Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm
-werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale
-hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat
-predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou
-de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde
-ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van
-staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor
-gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen
-ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk
-kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het
-bloed zagen kleven van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna
-niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige
-maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze
-zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en
-roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde
-af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden
-verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag
-en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en
-Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien
-God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving
-van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen
-geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun
-eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote
-verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee
-verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk
-geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze
-waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd
-net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun
-filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk
-verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten
-verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het
-laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde
-voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te
-bedekken.”
-
-Paulus keek hem in stomme verbazing aan.
-
-Was dát Marcelio?.... Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de
-gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke
-prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed.
-
-„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat
-allemaal, net zoo goed als ik?”
-
-„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb
-toch oogen om te kijken....”
-
-„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er
-overal misère om je heen is?”
-
-„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.... er is al zóóveel gedaan, en ’t
-is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige,
-misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te
-doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede
-bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje.
-Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel
-en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds
-en proletariërs het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender,
-dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een
-knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg,
-voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus,
-heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg
-van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik
-door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel
-niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren
-hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze
-gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch
-nog, Paulus.... er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute,
-door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de
-Maatschappij heet!”
-
-„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar
-Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo
-héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien
-niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de
-ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de
-schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar
-eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de
-ellende en het onrecht, die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou
-dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo
-rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont
-het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!”
-
-Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat
-onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde
-bedenkelijk het hoofd.
-
-„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd.
-
-„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses
-is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan
-doen. Maar, al kón ze....”
-
-„—Nu?”....
-
-„—Hm!.... ja.... zie je, Paulus.... het past me niet, een oordeel te
-vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.... over wat ze doen zou, of niet
-doen zou.... maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter
-harte zou gaan....”
-
-„—Hè??”....
-
-„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed....
-zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild
-heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog
-houden.... het gezag nu, dat is juist de handhaving van den
-tegenwoordigen staat van wreedheid en onrecht.... de zoogenaamde
-maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid
-op de misère der overgroote massa.... en zij, de kroonprinses Leliane,
-is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke
-orde.... daar heeft ze ook haar leger voor....”
-
-„Waartoe jíj ook behoort!”
-
-„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor
-moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde....”
-
-„Die onrecht en wanorde is!”
-
-„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel... maar wat wil je er aan doen?.... ik
-zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.... ik zit nu eenmaal in ’t
-schuitje en heb het er altijd goed in gehad....”
-
-„—En ik gelóóf je niet, Marcelio... Je kènt de kroonprinses Leliane
-niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht
-gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert
-fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het
-gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter
-dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar
-eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar,
-als ze het weet! O! als ze het weet!... dan zal ze, als een zachte
-Samaritane, naar de smarten gaan en groote wonderen doen.... Je moet
-mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er
-bij.... dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en
-verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van
-haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar
-schande te veilen!.... want het zijn toch háár zusteren, niet waar,
-Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd...”
-
-Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder.
-
-„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij
-waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet,
-kereltje.... ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.... en
-onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dat
-kan niet uitblijven....”
-
-Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar
-niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en
-correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen
-had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór
-alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden
-noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch
-vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit,
-zonder welke alle sociale systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát
-wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken
-gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu
-rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over
-doodgewone dingen sprak.
-
-„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende
-verontwaardiging.
-
-„Maar wel zéker, beste kerel.... zéker wil ik je helpen.... ik vind het
-idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme,
-tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.... het geval is eenvoudig
-éénig.... en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me
-aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven
-heet.... maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog
-gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen
-tijd.... daar is hij misschien te beroerd voor.... Dus jij wilt à tout
-prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dan zullen
-we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben
-je nu tevreden?.... als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen
-wil, zal het wel gaan.... Het treft, dat ik de volgende week dienst heb
-in Monte-Regina.... dan moet je maar met me meê, als een vriend van me,
-en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het
-Regina-Palace-Hôtel, waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen
-heeft.... Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken
-hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van
-je audiëntie terecht.... je moet overal met mij meegaan, en je netjes
-houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.... het
-is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in
-Leliënstad, geen idee van kunt hebben.... het brandpunt van het
-kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.... je moet bij de
-hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee
-verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede
-gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.... Je
-moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te
-geven, en je voor te doen als een der onzen.... ze moeten je daar
-houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van
-het vorstenhuis.... Belóóf je me dat?....”
-
-Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm
-te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden
-in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar
-zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de
-genade zou brengen en het Recht...
-
-Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had
-voorgevoeld...
-
-„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét
-niet, hóe gelukkig je mij maakt!”
-
-Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als
-over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te
-houden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Monte-Regina!
-
-Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en
-verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde,
-droef, en des doods.
-
-In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine
-bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in
-de lucht.
-
-Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere
-wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond
-slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en
-seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden
-om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had
-beroerd!
-
-Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die
-over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de
-palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te
-droomen...
-
-Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een
-warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus
-zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer
-te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef
-de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het
-mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al
-eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina.
-
-En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren
-zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme,
-gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom.
-
-Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen
-twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys.
-Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen
-de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond.
-
-Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar
-links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen,
-die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd
-doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en
-daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen
-den hemel.
-
-En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele
-landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,”
-dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op
-al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet.
-Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een
-verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen,
-maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó
-smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere.
-
-Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg
-gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn
-kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping,
-had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd.
-
-Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster
-zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap
-onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen,
-met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen
-het geel.
-
-De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint,
-en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht,
-en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit
-was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets
-openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de
-zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der
-dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit
-bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam
-violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker.
-
-Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte
-Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in
-Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als
-een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige,
-zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een
-wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere
-huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette
-tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid
-aan, van een Graal.
-
-En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de
-lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan
-om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd
-gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende
-klokken en witten brand van heilige kaarsen....
-
-Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het
-Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen
-trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en
-langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke
-palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende
-laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en
-aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware
-waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een
-Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling
-van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van
-engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van
-lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het
-blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room.
-
-Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en
-deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met
-aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen.
-
-Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een
-albasten pilaar.
-
-„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t
-algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.”
-
-Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog
-bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij
-ook mocht zien.
-
-Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af,
-uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat.
-Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette,
-anders mocht hij niet binnen.
-
-Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten
-zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen.
-
-En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een
-hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme
-zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar
-met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in
-lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde
-plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk
-paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den
-vloer en van het plafond hem tegemoet.
-
-Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen,
-schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings
-en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en
-weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was
-nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen
-knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En
-monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs
-faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!”
-
-Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel,
-en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven.
-Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het
-zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère
-en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en
-zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om
-nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die
-de onderdanen waren van Leliane!
-
-O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die
-zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste,
-gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo
-doorleefden, als zij deden, van zijn misère?
-
-Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van
-schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands
-belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in
-al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets
-anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en
-ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante
-oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag
-bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van
-overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als
-voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een
-rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing.
-En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen
-was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van
-duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid,
-of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een
-overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs,
-waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden,
-zóó waardeloos schenen ze daar.
-
-Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en
-stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar
-op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de
-croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches
-waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen
-omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes
-„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar
-uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren,
-en scheen dit ijselijk koddig te vinden.
-
-Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó
-haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer
-ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de
-grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over
-verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won,
-of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend
-milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en
-sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die
-een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen,
-op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die
-duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van
-kent.
-
-Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó
-leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige
-blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus,
-maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote,
-ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien
-hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren
-naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te
-kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren
-stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om
-toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde
-menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een
-lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier
-was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk
-nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte
-schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid
-en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld
-en nog eens geld.
-
-En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich
-aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld
-was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile
-vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse
-geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in
-prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter
-zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de
-winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te
-kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.
-
-Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de
-bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de
-speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken
-avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit
-in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino,
-stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk
-uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus
-in het schijnsel van het witte electrische licht.
-
-Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht,
-tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs
-ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten,
-breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven
-klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het
-nu te donker.
-
-Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de
-lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links,
-dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle
-terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel
-van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun
-van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de
-rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als
-wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen
-weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel,
-rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel
-van-zelve, in de zegening van het licht.
-
-De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de
-blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de
-ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht.
-
-Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een
-eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren.
-
-En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino
-mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische
-lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het
-room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het
-donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn
-porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het
-beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees
-in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen
-dronken nacht van het Zuiden....
-
-Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en
-zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel
-ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel
-was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in
-den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des
-daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een
-goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.
-
-Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in
-de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht.
-
-Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend
-Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk
-wonder.
-
-Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk,
-heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie
-geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de
-gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken
-en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.
-
-En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van
-den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille,
-slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van
-het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles
-vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets
-meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns
-had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies,
-die de zusteren waren van zijn ziel.
-
-Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen
-en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een
-valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het
-enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die
-daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis
-van vrede.
-
-Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in
-vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar
-omhoog.
-
-„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in
-eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der
-wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en
-alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de
-waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....”
-
-En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden
-vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal
-voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te
-smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.
-
-Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het
-licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was
-geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan.
-Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar
-uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als
-dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden
-vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een
-ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens
-goede hoeder hij zou zijn.
-
-Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou
-alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde
-moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd
-in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig
-samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige
-maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig
-geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula.
-
-Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl
-hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich
-over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t
-maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem
-onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien;
-het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was
-al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér
-durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen
-opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied
-bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias
-verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te
-roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij
-het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij
-denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio.
-
-„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo
-iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk
-met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en
-vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu
-heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De
-prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar
-een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af
-komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar
-macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed,
-als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart,
-dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede
-aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen
-vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden,
-omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon
-vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg
-zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade
-kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een
-hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor
-onze partij...”
-
-„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had
-Paulus verwonderd gevraagd.
-
-„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme
-slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit
-haar handen nam.”
-
-Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór
-alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en
-Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van
-elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand
-gedrukt en hem gezegd:
-
-„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te
-maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met
-hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is
-onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens
-voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze
-partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit
-je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!”
-
-Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet
-ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in
-de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel.
-
-Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het
-Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht
-wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit
-gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den
-ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien,
-en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg
-zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot
-de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als
-muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een
-zeer zacht licht.
-
-Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en
-toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den
-grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden.
-
-
-
-In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet
-hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien
-geliefde, hem te brengen.
-
-Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van
-het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden.
-
-Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog
-plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond,
-als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes,
-elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met
-engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief.
-Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande,
-langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak.
-Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en
-blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het
-stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van
-plechtige stilte door de zaal.
-
-Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte
-tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van
-dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen
-aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een
-ceremonie.
-
-Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden
-ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt
-imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig
-document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten,
-spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus,
-of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de
-zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel
-geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het
-terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een
-generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één
-allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten
-correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of
-zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de
-scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames,
-gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast
-haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van
-pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de
-donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder
-dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën,
-zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze
-blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin
-juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel.
-
-In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en
-het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners
-droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den
-gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en
-gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen.
-
-Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s
-Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen.
-
-Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden
-bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het
-bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van
-witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van
-languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes
-van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende
-schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van
-goedheid waren, en van waarachtig schoon....
-
-Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem
-kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch
-niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen
-te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht.
-Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner
-een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat
-deze er zóó over dacht.
-
-„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die
-daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius
-Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem
-zijn!...”
-
-Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was
-ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van
-Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in
-couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was
-om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne
-uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent
-hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche
-keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche
-danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten
-betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een
-hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië,
-moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met
-zijn groote vuisten hebben geworgd.
-
-Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen,
-vertelde in zijn blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich
-niet lekker voelde, als hij een dag had doorgebracht zonder dat hij een
-of ander dier gedood had, al was het maar een vogeltje. Het jagen zat
-hem in ’t bloed, had hij hem gezegd.
-
-Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor
-Paulus een schrikbeeld geworden, een soort legendarisch monster, te
-wreed, om eigenlijk anders te kunnen bestaan, dan in overgeleverde
-verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op éen dag honderden
-herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen was
-die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige,
-zachtzinnige wezens.
-
-Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het
-tafeltje van den prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond.
-
-„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb
-de eer gehad, aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den
-bloede.”—
-
-Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij een diepe,
-eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst,
-maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote
-oogen naar den grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en
-dreigend in zijn leven was verschenen.
-
-Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een
-gewone groote man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de
-Moscovieten, die een nog maar weinige jaren wat beschaafd volk waren
-van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden mond met bloedroode lippen
-zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige haar van zijn
-zware snor en langen baard.
-
-Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang
-voor hem was. Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins
-voorbij kon gaan, en voelde als een heel teêr, fijn vogeltje, als het
-een wilde sperwer heeft gezien.
-
-„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio,
-boos. „Wat moet Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en
-zag, dat je bij mij hoorde. Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch
-van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd veel bij Haar Koninklijke
-Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.”
-
-„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses Leliane?...
-híj?... dat donkere, wreede mónster?... onmógelijk...”
-
-En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige,
-dat leefde van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen
-als het witte, het vlekkeloos onschuldige van de prinses, die uit de
-gouden zonnestralen en de blanke waterlelies was gesproten.
-
-„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend.
-„In de politiek zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet
-vergeten, dat hij de broeder is van Zijne Majesteit den Keizer van
-Moscovië, en een van de rijkste prinsen van de wereld.”
-
-„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze
-dieren!”
-
-„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met
-den beer bewezen. Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn,
-daar ben ik zéker van.”
-
-„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch
-moord, laffe moord op zachte, lieve beesten, die zich niet
-verdedigen....”
-
-„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport
-noemen we dat.”
-
-„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van
-hem bekend zijn, of is het niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste
-orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn millioenen, weggesmeten
-aan veile vrouwen?....”
-
-„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats
-denken. Zoo’n halve barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed
-in opbruist, en dan in ’t bezit van millioenen, en dan die verleiding
-overal....”
-
-„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen
-in de mijnen.... de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun
-fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen in moeten werken?.... en waar
-duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad hun liefde voor
-de vrijheid en voor hun medemenschen was.... daar leeft hij van, dat
-monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig
-monster!.... Hij is niet waard denzelfden grond te betreden, waar
-Leliane’s heilige voeten over zijn gegaan.... Zijn enkele
-tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al....”
-
-Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen
-hij zag, hoe rood Paulus was geworden van verontwaardiging en
-opgewondenheid.
-
-
-
-Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op
-hetzelfde effect berekend, waren er nog tientallen van restaurants in
-Monte-Regina, de groote Grill-Room van het café des Lys, de
-restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van de Métropole, en vooral het
-kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en prinsen kwamen
-met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door
-kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse
-muziek, de vergulding van den uiterlijken glorieschijn om wat niets
-anders was dan de voldoening van het Beest. En Paulus voelde intuïtief,
-dat het genot van al die schitteringen, die tot het uiterste opgevoerde
-verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, door
-culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door
-het aanbieden van de „addition,” waarop met rooverachtige
-onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd.
-
-Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden
-van het paradijs nog werden verhoogd door het neerzien op de
-pijnigingen der zondaars in de hel, zóó was misschien voor die
-correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, in die
-peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich
-te goed deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van
-honger en gebrek. En zij allen, zij wisten, of kónden weten, welk een
-arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, dat zij hier moedwillig
-verspilden. Met één, nog niet eens zoo bijzonder fijn diner aan een
-paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, waar een
-afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in
-menschonteerenden arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen,
-of in verpeste fabrieken. En voor één nacht van wellust met een veile
-vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, waarvan honderd
-gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan.
-
-Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen
-uithouden, en dat hij zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten
-breken, als hij hem nu niet spoedig de vergunning bracht voor de zoo
-vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want hij voelde met de
-dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen.
-
-Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n
-restaurant, beving hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een
-onweêrstaanbaren lust, om alles in ’t rond kort en klein te slaan, om
-de omzittende, rijke patsers op hun impassibele tronies te trommelen,
-en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, hoe zij
-allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen,
-lafhartige, domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven
-maatschappij van onrecht en goddeloosheid.
-
-Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van
-overprikkelde nervositeit, dat correcte, ongevoelige gedoe van al die
-kerels en vrouwen in hun mooie plunje, die daar in één maal voor
-honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun heele leven
-zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die
-kerels, met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit
-arbeid hadden gekend, hun met fijne essences doortrokken haren; die
-vrouwen, die met duizenden en duizenden aan paarlen en diamanten waren
-omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde gezichten, haar
-coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest
-zijn!
-
-Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs
-de schijn van glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête
-brak door al die voorname, in valsche plooi getrokken gezichten heen,
-en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende van al de lakeien en
-keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn.
-
-Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een
-blijde tijding.
-
-„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je
-me daar vinden, en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er
-nu mijne tante, de hertogin Marcelia, voorgespannen, en je weet, die
-heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf uur
-van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te
-vinden. O ja, dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de
-speelzaal ’s morgens. Dat is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets,
-om je eens flink te ergeren...”
-
-
-
-Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart
-vóór elven.
-
-Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden
-morgen-licht, dat door den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren
-Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen en het donker-gulden licht
-leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst zou
-beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen,
-ópjubelend door de gewelven...
-
-En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan
-speelholen waren.
-
-Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte
-bezig queue te maken.
-
-Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met
-zenuwachtige gezichten, in hun elegante kleêren, toch als armen,
-wachtend op de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden
-knoopen waakten bij de deur.
-
-Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en
-mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten
-honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend
-op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan,
-mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen,
-die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig
-trokken met hun in spanning verwrongen gezichten.
-
-Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht...
-
-Totdat opeens de deuren opengingen.
-
-Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen
-holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de
-groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te
-krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een
-maal van uitgehongerden na een beleg.
-
-Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school,
-knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en
-waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd zouden worden.
-Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes
-goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier.
-
-Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „Messieurs, faites vos
-jeux!”
-
-Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk,
-een enkele zijn biljet op een nummertje, of een vak. Het leek
-onschuldig, als een avondpartijtje, waar de kinderen om een lange tafel
-aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat het hier ging om ’t
-bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten in dat
-schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en
-heeren, schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère
-en den honger en de langzame uitmoording van duizenden slaven en
-sloven, die de productie voor hen moesten voortbrengen in kommer en
-gebrek.
-
-Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette.
-De roode gezichten volgden in spanning het kleine, witte, ratelende
-knikkertje, of hun leven er van afhing. Onverschillig riep de croupier
-met zijn monotone stem:
-
-„Treize! Noir, impair et manque!”
-
-En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar
-ginds, ver, in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek
-woedden, en de proletariër vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw
-en kinderen, met den honger als wapen...
-
-Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het
-onrecht! Overal triomfeerde het onrecht, en onder het masker van
-godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij leefde de
-minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van
-het bloed en zweet der zwoegende massa’s.
-
-Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor
-honderden millioenen verspild en verbrast, in louter roekeloosheid,
-door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze patsers, millioenen, waar
-zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om te lenigen
-den nood der misdeelden.
-
-Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en
-de weelde er geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit
-Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige luxe in te ledigen. Uit
-alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd met hun
-geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er
-anders geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven.
-O! Als ze het niet konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid
-was, dàn ware het nog wel onrecht, doch tóch nog te vergeven, omdat zij
-niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden wreedaards hier, zij
-wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren boeken
-geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die
-het hun hadden gepredikt, hoe zij leefden van diefstal en onrecht en
-langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, zij allen wísten, en tóch
-liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met paarlen en
-diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud
-betaald, en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg
-in wellust met veile vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht
-verworven geld. En zij allen noemden zich Christenen, en waagden het,
-Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en Gods zegen af te
-smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze
-opeenhooping van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina,
-waren nu duizenden, honderdduizenden ongelukkige, onbewuste arbeiders
-bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige mijnschachten, in
-van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende
-riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige
-beesten in de felle koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke
-nietsdoeners aan hadden was door zwoegende medemenschen voor luttel
-hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, de stof voor hun
-kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, die
-zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van
-arbeiders was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien God aan
-allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van
-superioriteit, of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had
-gegeven, enkel, omdat zij zóó in het groote onrecht van de maatschappij
-waren geplaatst, meest door het bloote toeval van geboorte, of erfenis,
-of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, waar het
-geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden,
-hoe meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender
-menschen werden zij gevonden. Een Engelsche prins, die voor één hoed
-van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen van Léoni vierduizend
-francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed en zweet
-van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle
-Monte-Reginasche bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse,
-die, door het verkoopen van haar lijf tot veilen wellust, zich een
-onschatbaar fortuin had verworven, ging iedereen in de speelzalen
-eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde van
-haar beroemde diamanten.
-
-Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep,
-wachtende op Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en
-voller, een uur verliep, en nóg was hij niet gekomen. Een drukkende
-warmte begon in de zaal te broeien, een lucht van verhitte menschen,
-vermengd met geuren van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd
-worden, en vond het beter, even wat naar buiten te gaan in de heerlijk
-zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over een half uurtje zou
-hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was.
-
-Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij
-op een bankje zitten.
-
-Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was
-eindeloos ver, spiegelend in het zachte zonlicht, rustig en egaal,
-zonder rimpeling. Links naar den horizon wenkten verre omtrekken van
-bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen nu en dan
-héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde
-de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en
-tevredenheid, en rustig geluk.
-
-En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel
-wègglijden. O! Hoe innig waren die lijnen van de bergen daar in de
-verte, hoe gevoelig stonden daar die boomen, èven wuivende somtijds op
-zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren varen haar pracht
-ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! En,
-weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen
-vier muren, was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde
-over de eindelooze zee.
-
-Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal.
-
-Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek,
-en keek.... Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene
-grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine
-jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in
-zijn bek.
-
-Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte
-vallen, als voor vogels.
-
-Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op,
-eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen,
-vloog dàn weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige
-lucht.
-
-Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig
-slaande met de vlerkjes.
-
-De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in
-zijn bek, holde weer weg.
-
-Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid,
-in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank
-gelukje, omhoog....
-
-Pang! Pang!
-
-En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan,
-met opengesperden muil....
-
-Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne,
-aten gebak en vruchten aan tafeltjes, lachten, hadden plezier,
-applaudisseerden de laffe moordenaars, die de mooie, weerlooze duiven
-schoten, uit pure pret in bloed en dood....
-
-En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan
-zijn de beroemde Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op
-groote schaal, waaraan de hooge adel deelnam, de fine fleur van de
-aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, met prijzen van
-honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had
-gedaan....
-
-Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet
-genoeg, en de dure demi-mondaines niet, en de met goud betaalde
-pasteien niet, en niet de dolle wedloopen met halfdood gemartelde
-paarden....
-
-Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van
-lediggang en parasitisme, zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord
-op onnoozele duiven, waarvan er honderden vielen, tot hún leeg vermaak
-op éénen dag....
-
-Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De
-witte duiven vlogen op, de een na de ander, en wiekten weg naar de
-lichte lucht, en vielen jammerlijk neer, bloedend en des doods, waar
-een roode muil met scherpe tanden dreigend werd opengesperd, ze
-wachtte....
-
-En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in
-het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje.
-
-Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen
-verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij
-hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend
-dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood.
-
-„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer,
-mijn brave? Kan ik je helpen?”
-
-Paulus schrikte op.
-
-Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den
-schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een
-beetje medelijdend aan.
-
-Paulus greep hem krampachtig bij den arm.
-
-„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen.
-„De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie,
-witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels
-zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze
-spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als
-gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte
-veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de roode,
-opengesperde muil van dien grooten hond.... o! de lafaards, Marcelio,
-de lafaards!.... ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje,
-als een gewoon spelletje, voor tijdverdrijf!....”
-
-„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.... Maar dat
-is sport, wat ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres
-voor gefokt.... als die sport er niet was, hadden ze heelemaal niet
-geleefd.... Het is vandaag Tir aux Pigeons om den Grand Prix.... de
-fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.... prins Sergius is er
-ook bij, die wel weer zal winnen.... hij doet hors de concours mee,
-omdat hij tóch altijd wint.... en vanmiddag komt Haar Koninklijke
-Hoogheid, prinses Leliane, den wedstrijd even met haar bezoek
-vereeren....”
-
-Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer
-vergeten. Hij herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om
-hem antwoord te brengen op zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede
-van háár bezoek bij dien bloedigen moord van duiven ontging hem.
-
-Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van
-hoopvolle verwachting bracht er een zacht licht over, als een
-doorbrekende zon doet door een regenlucht.
-
-„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid....?” vroeg hij, stotterend.
-
-„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft
-Haar Koninklijke Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te
-beschikken. Ze zal je audiëntie verleenen. En héél alleen nog wel. Ze
-zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, dat je over haar verdwalen
-in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. Er zal niet
-eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen.
-Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die
-al haar invloed er voor heeft gebruikt!”
-
-Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht
-tranen in zijn oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan
-toch goed worden! Zij zou de handen zegenend uitspreiden boven haar
-arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem de woorden spreken van
-wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj voorging
-in liefde zou niemand durven achterblijven.
-
-„En.... wanneer?....” stotterde hij.
-
-„—Héél gauw.... morgen al.... om twee uur morgen middag word je
-verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het
-Regina-Palace.... ik zelf heb morgen dienst en zal je binnenleiden....
-dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór alles om de etiquette
-denkt.... je bent nú niet meer in het Bosch met haar, en staat
-tegenover je aanstaande koningin....”
-
-„—Morgen al?.... morgen al?” riep Paulus jubelend uit.
-
-Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den
-afschuwelijken moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén,
-dat hij morgen prinses Leliane zou zien, en dat dan alles goed zou
-worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, dat liefde was en
-mededoogen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig
-geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij
-prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen
-en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte
-maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek
-ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij
-wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit
-hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe
-was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde
-gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen
-voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als
-maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde
-aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch
-ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon.
-
-Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar
-het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen,
-en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een
-groote blankheid rayonneerend.
-
-Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En
-wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze
-gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde.
-Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden,
-en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van
-den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte,
-wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte
-nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde,
-die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde,
-witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de
-blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar
-blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen.
-
-Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot,
-onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk
-goed zou worden.—
-
-Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de
-dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger....
-
-De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en
-violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó,
-verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens
-droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg
-weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles
-rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid
-duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak.
-
-Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun
-breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven
-stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de
-bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn
-puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap
-met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich
-hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in
-smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze
-bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge
-licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar
-de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer
-was doortrokken van haar innige essences.
-
-In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol kleine amandelboomen in
-bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze
-bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.—
-
-Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende
-boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In
-de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde
-water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze.
-
-Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van
-het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods
-aangezicht....
-
-
-
-Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle
-dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der
-menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en
-de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door
-dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan
-tot de sfeer van Leliane.
-
-Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de
-boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen,
-onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes,
-die beefden van innigheid, de roerlooze cypressen, recht oprijzende,
-als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd
-vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel
-staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de
-hoofden der biddend-gebogen schare.
-
-Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het
-dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu
-teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de
-dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den
-deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef
-in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem
-nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van
-zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij
-straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en
-herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare
-genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken
-in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle
-andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was
-gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen.
-Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van
-goud, de borst blinkend van ridderorden, en als een lichte bode uit een
-sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen.
-
-„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote
-gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil...
-waardig zijn, hoor, en kalm...”
-
-Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte,
-donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in
-lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was
-vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud,
-met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een
-anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke
-staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed
-Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond
-alleen.
-
-Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen,
-leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote
-waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een
-lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van
-witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de
-tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote,
-broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte
-orchideeën neêrhingen. Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke
-beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen
-glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen,
-sereenen droom van vrome meditatie.
-
-Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine,
-dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit
-het geslacht der lichte water-lelies.
-
-Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den
-jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij
-begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij
-wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste
-spanning.
-
-Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde
-wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans
-omgeven, verscheen de prinses.
-
-Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van
-zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp
-naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij
-knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot
-den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote
-overgave, als een zondaar in duister voor de blanke Heilige, die hem
-barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts.
-
-Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel
-trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid.
-
-„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.... Wij zijn u
-niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.... Wat kunnen wij
-voor u doen?....”
-
-Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de
-wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van
-engelen uit hemelsche sferen.
-
-Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel
-nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar
-aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar
-God.
-
-Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even
-aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was
-zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers
-had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde
-gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de
-middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was.
-Toch begreep zij, dat dit zóó niet duren kon, dit stille aanbidden
-zonder woorden.
-
-„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend.
-„Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook
-helpen met iets? Nu moet ge spreken....”
-
-Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing,
-als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van
-haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó
-zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit,
-zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was
-wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein.
-
-„—Maar spréék dan toch....” zong weer de muziek van haar stem.
-
-Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te
-herinneren.... alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien
-hoogen staat.... hij moest nu spreken, zeide zij.... van wat?.... van
-wat?.... wat was er nu nog te spreken?.... hier was het hóógste, wat nu
-ooit nog komen kon.... het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar
-de ziel van bidt.... hier was enkel het stille, rustige droomen, de
-handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk... wat kon er
-nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar
-heilige oogen?...
-
-Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen
-moest.... zij gebóód het, dus móest het wel.... er wàs wel iets, maar
-dat was zoo héél lang geleden.... wel eeuwen leek het.... uit een ander
-leven, in een gansch andere sfeer.... toen was het duister, zwart,
-droef duister, en nú was alles zoo licht....
-
-Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al
-den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met
-ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in
-dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem
-op dreef te brengen.
-
-„—Komaan....” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets
-gekomen.... zeg ons nu alles, zonder schromen.... onze tijd is
-kostbaar.... en wij hebben nog maar weinige minuten voor u... Spréék
-nu, wij wíllen het, wij gebíeden....”
-
-Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte
-uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op,
-dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen,
-de ellendigen.... het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en
-rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en
-roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande....
-En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, in de verblinding van zijn
-droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte
-kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles
-duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de
-emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem.
-
-„O! Koninklijke Prinses....” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die
-leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van
-reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van
-mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.... Het
-allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.... heeft U het zélve mij
-niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.... op Uw gebod heb
-ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en
-vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.... omdat ik
-dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk....
-toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de
-huizingen der menschen.... schitterend wit, en veilig, op de heuvelen,
-waar de lucht rein is.... maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de
-groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen,
-zich koesterend aan Uwen voet.... en benéden woont het onrecht en de
-leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.... Ik
-heb gezien de duizenden arbeiders, mijn broeders, die zwoegen in vunze,
-heete holen, en diep in donkere mijnen.... ik heb hun vrouwen gezien,
-hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon....
-ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de
-verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe
-zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren,
-zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk
-lijf.... de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke
-Majesteit, als redeloos vee.... ik weet de honderdduizenden, die
-wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.... en
-o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede
-parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan....
-Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de
-werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder
-wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog
-niet van honger om te komen.... en de bestbetaalden, in de gunstigste
-omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat
-óns het leven enkel waard maakt.... Die groote, lichte Leliënstad, die
-de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed,
-gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.... en áltijd troont prinses
-Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de ellende, en zij ziet
-enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren,
-koninklijken naam... En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al
-de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en
-zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet
-der verdrukten.... O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden
-U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik
-de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer
-rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.... O,
-Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste
-krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.... Gij hebt mij
-beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister
-ben ik afgedaald.... ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb
-gelezen.... in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der
-wereld zou te stillen zijn.... maar nergens heb ik de uitkomst
-gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door
-niets te stuiten.... De menschen gaan met harde gezichten en weenen
-niet... zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als
-koude wreedaards onbewogen.... en God heeft toch de schoone wereld
-gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven
-ten koste van de anderen, die lastdieren moeten zijn.... maar in de
-menschen woont de Liefde niet....”
-
-Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht
-hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn
-groote verwarring.
-
-Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in
-zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn
-hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet.
-
-Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde
-trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat
-hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat
-zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid
-van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan,
-voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar,
-van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning
-eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden
-zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en
-onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de
-Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.... Had die
-jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar
-geslacht?.... Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke
-gunsten?....
-
-IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn
-hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een
-vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi,
-met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe
-glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de
-riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had
-bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste,
-maagdelijke wezen.
-
-Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.
-
-„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.... de
-menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want
-zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit
-genezen.... daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat
-lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte
-staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun
-grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de
-gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de
-feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet... zie de
-vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het
-dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën...
-wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van
-genade... en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand... als gíj
-voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht
-deden in Uwen naam... Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen
-van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen
-en beroofden... Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en
-zonde, een duister oord van verschrikking, een hel....”
-
-„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend.
-
-Verschrikt keek hij op.
-
-De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een
-superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om
-zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een
-wreede, minachtende trek kwam om haar mond.
-
-„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op
-een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen
-drempel te betreden... onder slaven hoort gij, met uw onwaardige
-taal... ga heen, en kom tot inkeer... verbeter u, als gij ooit weer in
-onze genade wilt komen...”
-
-Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik.
-Hij dacht een oogenblik, dat hij slecht was, een ondankbare, een
-nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het
-onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een
-verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige
-reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke
-waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van
-haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige
-tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een
-enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan,
-ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad
-in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep
-vernederd, of hij een zware misdaad had begaan.
-
-Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En
-hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging
-hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk
-legde hij een hand op Paulus’ schouder.
-
-„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?... Dat kon ook niet
-anders... mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch
-moeten blijven... je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don
-Quichotte... maar je hebt het zélf gewild... en door al die dingen moet
-jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt
-worden...”
-
-Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel.
-Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste
-verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam
-naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem
-neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns
-ondanks, aan, met een zacht medegevoel.
-
-„—Kom... vertel me nu eens...” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken
-wat bedaarde.
-
-„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio... van al de ellende... van het
-onrecht... van haar droeve zusteren, levend van haar lijf... en ze
-heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me
-aangezien... mijn ziel kromp inéén... ze veracht me, nooit zal ik dien
-vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel...
-Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio... o! hoe zij daar stond,
-zoo hoog, zoo edel, zoo trots... als zij mij lang zóó had aangezien,
-zou ik gestorven zijn... maar zij wees mij weg, met een zóó fier
-gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf...”
-
-Marcelio lachte medelijdend.
-
-„—En het onrecht dan, Paulus... de groote zaak van het volk, waar je
-voor kwam?... was die dan inééns verbleekt in je?... alléén door dien
-blik?... heb je toen alles inééns verzaakt?...”
-
-Paulus keek hem aan, en bloosde.
-
-„—O! Marcelio... ik wéét het niet meer... ik weet niets meer, dan dat
-ze me aankeek... zóó... vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid... zoo
-hoog was ze, zoo ongenaakbaar... en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo
-verachtelijk... ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar
-gewaad...”
-
-Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als
-iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst
-had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk:
-
-„—Kom, kom, Paulus.... weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van
-haar gewaad aan te raken?.... en niet alleen dien zoom, maar haar
-zelve, haar héélemaal.... weet je dan wel, dat de prinses.... gauw....
-hm... moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?...”
-
-Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend.
-
-„—Hè?.... Wat?....”
-
-Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg
-ontzettender dan het eerst gebeurde.
-
-Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij
-Paulus ging doen. Toen, inééns:
-
-„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius
-Alexandrowitsch van Moscovië.... morgen wordt het bekend gemaakt....”
-
-Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde:
-
-„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met zúlke dingen mag je niet
-spotten.... wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?....”
-
-„—Maar het is wáár, kerel.... ik spot héusch niet....”
-
-„—Och.... dat kán toch niet.... de prinses kán toch niet houden van
-zoo’n bruut....”
-
-„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.... hóuden.... alsof een koningin
-zou behoeven te hóuden.... dat is goed voor het volk.... bij een
-koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het
-vorstenhuis.... het is héusch, héusch waar, Paulus.... Maar wat schéélt
-je, kerel?....”
-
-Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel.
-Marcelio hoorde hem stamelen:
-
-„Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen van de straat.... zónder
-liefde.... alléén voor eene belooning van glorie of belang.... een
-veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio....
-het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen...?”
-
-Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden
-uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij
-de vuisten in de lucht.
-
-Marcelio snelde op hem toe.
-
-En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk
-bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een
-doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp....
-
-
-
-Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in
-Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij
-verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met
-moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen,
-en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne
-verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een
-doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte
-Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en
-niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders
-was zij verloren.... Het Monster kwam al nader en nader....
-
-En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in
-zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te
-bevechten.
-
-Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter
-verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de
-nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij
-niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte in hem te zijn,
-waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld
-van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in
-onbewustheden van zijn ziel.
-
-Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad,
-dat was het éénige, waar hij om vroeg.
-
-Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat
-was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond
-gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of
-verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen
-voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus
-uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over
-wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor
-zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles
-op den duur toch wel geneest.... En hij begreep absoluut niet, wat het
-voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn
-droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een
-Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen
-uitstrekt in bloedgierig begeer....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Nu waren maanden en maanden daarna verloopen....
-
-Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een
-groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer
-blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.... In ’t
-begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit
-over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en
-alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden.
-Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets
-meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár
-aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de
-opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon
-waard was?
-
-Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom
-hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde
-uitgeven. Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te
-gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch,
-van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom
-naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was,
-die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was
-hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het
-lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te
-bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen,
-een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de
-duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche
-literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.—
-
-Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou
-hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij
-onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo
-goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne
-uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van
-Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid
-die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en
-drinken.
-
-Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de
-literatuur te wijden, en voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen
-te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van
-prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen.
-
-Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht
-had.
-
-„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom
-je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan
-de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren
-artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en
-goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de
-gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie
-schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit
-hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur
-mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók
-een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen
-eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun
-knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de
-dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen
-in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde
-medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met
-even veel unfaire middelen als de anderen, hoor! Er is nijd, er is
-jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij,
-misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in
-je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon
-volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor....”
-
-„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd
-zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je
-ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven....”
-
-„—Te géven, Paulus?.... ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.... als het
-werkelijk te geven wás.... Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen,
-en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er
-voor betalen kan....”
-
-„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets
-voor doe, zooals nú... het geld van de prinses, dat mij nu verder zou
-bránden in mijn handen...”
-
-„—Dát is het, Paulus... maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden
-het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is... al is het
-een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de
-weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen... met wat
-je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder
-studeeren in wat je studeeren wilt... en als je de kerel wordt, die ik
-hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken
-voor onze partij... daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan...
-maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren,
-altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der
-dingen, die wíj durven aanzien... Dan zal je ook zien, hoe weinig je
-eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij
-het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst
-van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren
-staan... je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je
-heelemaal daarbij kunt wegcijferen...”
-
-Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat
-Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven
-zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de
-prinses.
-
-Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het
-heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke
-teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen
-in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het
-Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het
-te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven!
-
-Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen... Maar waar zou hij dan van
-moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses
-aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en
-zette hij zich aan den arbeid.
-
-Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel
-voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze
-woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat
-hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk
-leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij
-het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij,
-in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in
-het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten,
-de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol
-sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver,
-door geen rimpeling verstoord.
-
-Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een
-wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging.
-Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en
-den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal
-over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in
-die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, die hij in zijn boek
-gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal
-onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen
-en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een
-troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei
-boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige
-houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar
-zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze
-kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en
-teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor
-wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach.
-
-Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te
-loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon.
-
-Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen
-vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme
-genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had
-hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en
-waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er
-zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote
-stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en
-zijne woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond.
-
-En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had,
-van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en
-elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet
-langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de
-omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen
-hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die
-sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en
-klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het
-noodlot der gelieven bezongen.
-
-Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal
-over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in
-de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan
-voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk,
-vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige
-woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om
-lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj
-met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn
-gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten!
-
-Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig geschreven boeken met
-hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een
-troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om
-dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich
-vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie,
-niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs
-niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van
-de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een
-bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan
-stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen
-ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote,
-verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en
-kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij
-aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn
-manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze
-droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat
-hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur
-der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem,
-of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was,
-die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht
-bidden van zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem
-zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is
-mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat
-nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege
-schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.”
-
-En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn
-ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had
-leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan
-een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem
-vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te
-wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten,
-want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets
-anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde
-ópklinken.
-
-Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige
-menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van
-automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls
-een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel
-bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet
-ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als hij de
-koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende
-lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht
-van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige
-sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en
-wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder
-hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten
-las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware
-mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige
-stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam
-het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn
-ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om
-Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie,
-Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden
-in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge,
-breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende
-grofheden uitten.
-
-Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang,
-dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou
-komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren
-Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij
-het lezen van Wederich’s subliemen eersten bundel „Gedichten” het
-denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had
-bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de
-oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug.
-Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel
-„Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de
-eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje,
-had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee,
-Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.” En
-een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door
-zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat
-hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer
-zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was
-toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had
-haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig,
-eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast,
-onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer
-vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan
-vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn
-schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou,
-dan de hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het
-harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger
-is dan de harde materie.
-
-Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den
-smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte
-trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk
-overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was,
-voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van
-het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás
-dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen
-lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch
-altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre
-van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook
-gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in
-de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en
-bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote
-vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen,
-verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden,
-verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden
-hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was
-het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; misschien
-kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan
-weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister
-was.
-
-Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote
-ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De
-zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte
-proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke
-zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden
-zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het
-nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en
-zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij
-dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had
-gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter
-Wartenau:
-
-„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie
-Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog
-in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed
-bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?”
-
-Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed
-door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl
-buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns
-aanschijns, om de kleine minderheid te dienen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder
-zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen,
-schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er
-iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt
-maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme
-gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid,
-en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets
-vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan
-zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog
-niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te
-kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste
-in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd
-voor spot en hoon en verguizing.
-
-En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om bewust tot een gedachte
-te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane zijn
-boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren.
-Immers het teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren,
-het stil-biddend verlangen, waar de reien elfen en nimfen van zongen,
-wat was het eigenlijk anders, dan het kuische gebeuren in zijn eigen
-ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen aan den
-roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage
-voorgevoel van de verre prinses Leliane hem beroerde?
-
-Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij
-voor de uitgave gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke
-dingen, en vond het beter, eerst Marcelio er over te raadplegen, en te
-vragen, om hem met het uitgeven te helpen.
-
-Marcelio was bereidvaardig, als altijd.
-
-„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.... „Ik
-heb nog al veel connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien
-te publiceeren, en dàn apart bij een uitgever. Het is nu maar de
-kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. Je moet natuurlijk
-kleur bekennen!”
-
-Dat begreep Paulus niet al te best.
-
-„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?”
-
-„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en
-welke richting je bent toegedaan.”
-
-„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan.
-Ik probeer alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo
-eenvoudig mogelijk!”
-
-„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan
-te sluiten. Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk
-op je aan. Alléén staan is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in
-de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven ze je nooit. Als je alléén wilt
-staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees het desnoods zoo
-tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets
-uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s
-kijken. Waar zou je je stuk nu naar toe sturen?.... Het beste is nog
-naar Duval, den hoofdredacteur van het oudste tijdschrift, „Het
-Morgenrood”....”
-
-„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft
-tegengewerkt?.... die de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk
-gemaakt... die Wederich’s beste, onsterfelijke sonnet „De Nachtegaal”
-indertijd heeft geweigerd?....”
-
-„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters,
-op een enkele na, hem weer vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is
-bijgedraaid... dat Wederich nu zelf een tamelijk loftuitende studie
-heeft geschreven over Duval’s prullenwerk... en dat, après tout, het
-„Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls
-je eenmaal uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?... anders
-gééf je eenvoudig niet uit. Je dweepte vroeger met de schrijvers van
-den Lotuskrans.... maar nú, nu ze bijna allen water in hun wijn hebben
-gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in ’t gevlei
-komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.... Bovendien
-wil je nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.... het is er dus
-vooral om te doen, dat je werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door
-zooveel mogelijk menschen wordt gelezen... en om dat doel te bereiken,
-moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders kóm je er
-niet....”
-
-Paulus begreep het nog niet goed.
-
-„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij.
-
-„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet
-dicht te houden. Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire
-kringen verzeild raken, kennismaken met artiesten, enz., enz. Die
-zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer.
-Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire
-literatuur zich met de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De
-heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te
-komen, nu ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in
-Godsnaam voorzichtig, houd je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet
-in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me ééns vertelde van Wederich met
-zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen zijn vroegere
-doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en
-is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om
-verloochend. Die Lavelane is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet
-transigeeren wil. Maar dat zal óók wel komen, als je maar geduld hebt.
-De tijd doet véél.... Je moet zien, dat je vooruitkomt en je pousseert,
-in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij.... Het beste
-is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en
-dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en
-word je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.... stap
-dus over dat idee heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur
-hem je werk. Gelóóf me, het is een verstandige raad, dien ik je
-geef.... ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een goed woordje voor je
-doen.... als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed
-voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.... dan vindt hij zich zoo
-de welwillende protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui
-wel een handje zal helpen.... als ze hèm maar erkennen, en niets buiten
-hem om doen.... en je bent daar in het „Morgenrood” in elk geval in
-goed gezelschap van menschen met fatsoen, die wèl de mooie, rythmische
-woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.... heusch,
-„het Morgenrood” is nog het beste.... pak jij je manuscriptje nu maar
-netjes in, en stuur het aan Duval.... ik zal hem dan vanavond te
-spreken zien te krijgen in de societeit en je aanbevelen....”
-
-
-
-Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon
-papier, en bond er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel.
-
-Een oogenblik twijfelde hij.
-
-Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt
-had in de reine eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de
-menschen met hun harde gezichten en hun hoonenden blik, in die duistere
-stad, vol zonde en misère, zou het overal ten toon gesteld liggen, en
-ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. Grove
-handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en
-wreed boven lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in
-een woestenij vol roofvogels en gevaren? En waarom deed hij het
-eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn medemenschen te
-verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en mooi
-te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging
-doorbeefde hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem
-dan tóch al hebben besmet?.... Als hij het pakje nu tóch wegstuurde,
-was het met een kwalijk verholen gevoel, dat hij een slechte daad ging
-doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden.
-
-Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een
-brief van Jacob Duval.
-
-Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins
-en de Fee” werd een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of
-zijne mede-redactieleden zouden ook die meening zijn toegedaan.
-Ofschoon „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al
-maanden op plaatsing wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden
-gemaakt, en in het eerstvolgend nummer zou zijn sprookje verschijnen.
-
-Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog
-wel degelijk erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van
-„Het Morgenrood,” die de sublieme verzen in de eerste afleveringen van
-„De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep hij naar Marcelio, om hem het
-heugelijke nieuws te vertellen.
-
-„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.... als je
-die heeren maar op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel
-schappelijk.... ik ken Duval al zoo lang.... en ik heb hem verteld, dat
-je een protégétje bent van Haar Koninklijke Hoogheid.... van die scène
-in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.... zoo héél in
-vertrouwen zei ik hem dat.... nu, en dát was genoeg.... voor Haar
-Koninklijke Hoogheid doet Duval álles.... en het was je beste
-voorspraak, béter nog dan je boek zélf....”
-
-„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus
-op, naïef.
-
-„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.... o!
-wat ben jij nog een broekie.... Maar weet je, wat je nu doen moest?....
-nu moest je eens naar Jacob Duval gaan.... hij woont in de
-Marmerstraat, 64.... en hem bedanken.... dat zal hij erg
-appreciëeren....”
-
-Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan
-zou terugdenken, als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij,
-klein en nederig, naar een groot, weelderig huis is gegaan, waar woonde
-Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber van de literatuur. Het
-was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en dikke
-tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem imponeerde door
-pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog,
-strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den
-neus.
-
-Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den
-schouder en zei „mijn beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk
-„charmant,” zeide het mannetje, „het was een trouvaille... zoo weer
-eens iets héél nieuws... en de redactie was er erg blij mede geweest...
-hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker... het
-was uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend... er was zooveel
-slecht gezelschap in de literatuur voor jongelui... maar nu had hij
-geen tijd meer... een redactievergadering... je begrijpt, er komt heel
-wat kijken aan zoo’n tijdschrift... Paulus moest nog maar eens
-terugkomen...”
-
-En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk
-contact er ooit kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende,
-uitgedroogde, oude heertje. Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje
-had gezonden aan dát menschje!
-
-Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan
-beginnen? Waar was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij,
-dat er nooit voeling had kunnen zijn tusschen het innigste uit zijn
-sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón niet. Dan had Duval héél
-anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden toon
-aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een
-opwelling, om zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr
-weg, terug naar de eenzaamheid van vroeger, om het enkel zélf te kunnen
-lezen, heel alleen onder de stille boomen van het woud. Maar nu was het
-te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu maar afwachten,
-wat er van komen zou.
-
-Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen,
-kende Paulus voor het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te
-hooren naar hem toe klinken, van buiten naar binnen. Hij las nu zijn
-sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een ander was, terwijl het
-toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo vreemd, dat
-alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan
-te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was
-het èven, of dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als
-’t ware apart van hem, een eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er
-zelf armer door was geworden.
-
-Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de
-tijdschriften in couranten, werd zijn sprookje gesignaleerd. Er
-verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. Een bekend uitgever
-vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in
-boekvorm. In de literaire wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn
-kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke sprookje had geschreven
-in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke
-grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was
-verschenen, voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en
-den auteur te roemen. Eenige recensenten van de oude school gebruikten
-het sprookje, om aan te toonen, hoe het idealisme weer boven kwam als
-reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente schrijvers
-in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de
-verschijning in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur.
-
-Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en
-onbekend met het industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht
-zijn auteursrecht voor den eersten druk voor een som, die hij
-buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar van kon leven, zooals
-hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had moeten
-vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede.
-
-
-
-Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een
-groot pak aan zijn adres, met den naam van zijn uitgever er op, in
-dikke letters. Haastig sneed hij het open, en daar lagen de twintig
-present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, door
-een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar
-donkere boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd!
-Het zachte papier, de pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte
-letters!
-
-Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de
-blanke vellen papier, als van fijne zijde, door zijne vingers glijden.
-Dit was nu iets van hèm, apart, uit zijn eigen ziel gekomen!
-
-Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht,
-dat dit boekje een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van
-dames, en in dure boekenkasten van eikenhout met glas; iets, waar de
-meerderheid van de menschen, die slaafden en sloofden, tòch niets aan
-hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, de
-afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en
-kinderen, de jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de
-straten, wat hadden zíj aan zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch
-enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf francs konden koopen, en
-den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een fauteuil, in
-een omgeving van comfort en overdaad.
-
-Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo
-voornaam uitzag. Zijn naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,”
-zooals hij vroeger op de titelbladen andere had gezien, „Wederich,” en
-„Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel van hèm gingen
-houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid van
-het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje
-zouden gebogen zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op
-vallen, als hij over hén had geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen,
-die om hem dachten, al kende hij hen niet, en zijn ziel zou voeling
-hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het liefste en
-mooiste had neêrgelegd.
-
-O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van
-een boek. Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel
-van je medemenschen, die je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het
-beste en innigste van je kregen ze, want het andere, mindere, van je
-lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en gewoonheidjes, bleef
-er buiten.
-
-’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet
-in de vitrines was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag
-nog niets. De uitgever had hèm dus zeker het eerste van allen bedacht,
-nog vóór hij aan de expeditie begon. Hij keek nu aandachtig naar al de
-boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs bij, als je eens
-goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe,
-sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn,
-maar de meeste hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die
-listige, pieterige intrigetjes, van mannen en vrouwen, die elkaar
-bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten te kunnen botvieren.
-Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in den
-Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde,
-en die nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie,
-waarin de zoon gaat trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader,
-door toedoen van zijn eigen ouders, die er alles van wisten, en dit de
-beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau door dit stuk,
-dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote
-Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat
-denkbeeld voelde Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens
-naast dat van Wartenau zou komen te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch
-óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de mooie, in rood marokijn
-gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, dien hij
-als een heilige vereerde om zijn „Buch der Lieder.”
-
-En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret
-van prinses Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere
-verschijning van fee....
-
-Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane
-boeken! Hij had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de
-allerbeste dichters en schrijvers, en hij zou er vazen bij gezet hebben
-met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld op oude
-schilderijen....
-
-Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij
-opééns vlak voor zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen:
-
-
-„De Prins en de Fee” Een sprookje door Paulus.
-
-
-Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op.
-
-Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden
-het nu zien. Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met
-hun harde gezichten en hun breed gebaar.... En zij konden staren met
-hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje op den band, dien vijver,
-waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen in het
-rond.
-
-Hij keek angstig naar de menschen, die voor de vitrine stonden te
-kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen ’t
-leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de
-gehandschoende vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met
-een naakte vrouwenfiguur. Een paar oude heeren stonden gewichtig te
-kijken naar den titel van een groot werk over crimineele anthropologie.
-Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem stond een jong
-meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en
-onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het
-meisje zeggen:
-
-„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood”
-heeft gestaan. Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten
-we het dadelijk gaan koopen!”
-
-Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar
-oogen. Toen voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou
-hebben met zijn ziel, en de harde gezichten der andere menschen
-boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep onbezorgd door, en zag zijn
-boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van luxe, dat
-iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag,
-hoe er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit
-zijn ziel, voor zóóveel francs te koop, maar ontoegankelijk voor wie
-die som niet kon betalen....
-
-Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich
-schuil en ontweek hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend
-Elias vertoonde hij zich niet. Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn
-boek zouden beginnen, en tegenover Elias was het eigenlijk een zekere
-schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag kwam hij Marcelio
-op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar zijn
-eigen appartementen in de Koninginnestraat.
-
-„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn
-allerlei brieven en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij
-mij, over je boek, en ik dacht, dat je toch wel eens áán zoudt komen.
-Weet je wel, dat je een succès fou hebt met je sprookje? Als je nog een
-béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van je heeft
-ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat word jij in de hoogte gestoken, en dát
-in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!”
-
-En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van
-Marcelio, waar hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor
-hem gekomen waren. Het waren meest alle brieven en recensies over zijn
-boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. In de uiterste
-verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn
-gezicht, naarmate hij er mede vorderde.
-
-Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven
-kwam neer op dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in
-de hedendaagsche literatuur. Verbeeld je, in déze tijden, in de
-zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het materialisme, nu de
-geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en grof
-sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te
-beginnen van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een
-prins uit een sprookje, die sprak de taal van Romeo, die van een
-Danteske vereering gloeide, en zoowaar van liefde stierf, als in de
-vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, van wien
-nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan
-verhalen van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar
-kon droomen en nóg eens droomen, van heel verre af, en zachte gebeden
-fluisteren naar een fee, eindeloos weg, die woonde op een onbereikbare
-ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als het niet zoo subliem
-was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren de
-wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een
-groote stad, in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was
-daar een droomer opgestaan, die vertelde van de lichte visioenen der
-oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden om draken te
-verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van
-hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een
-hartelijk welkom toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een
-eereplaats had veroverd in de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een
-school door hem gesticht zou worden, zou dat wezen de hernieuwde school
-van het romantische idealisme. Apart en bijzonder stond Paulus’ boek in
-deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken,
-zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans
-leefden. Zelfs van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij
-zijne bewondering uitte, en die hij liet volgen door een sonnet „aan
-Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.”
-
-Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle
-van jonge meisjes, die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar
-ziel had gewekt, en hem vertelden van de tranen, die zij hadden
-geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een vrouw, die haar
-naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en
-ongelukkig was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van
-droom tóch niet bestonden, en ze alle maar vage schijnbeelden waren
-geweest van haar fantasie. In haar jeugd had zij óók zoo verlangd, als
-de prins, naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon
-van haar ziel, maar het harde leven had haar mooie droomen vernield,
-als een wilde wind een zeepbel, en toen had zij gedaan, wat alle andere
-meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man met geld en positie.
-Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste maal na
-lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o!
-zoo droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders
-„compunctio” noemen. En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij
-haar door zijn boek haar ziel weer èven had doen zien.
-
-In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem
-Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.”
-
-Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in
-zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht.
-
-Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend:
-
-„Zóó... heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?...”
-
-Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig
-bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille
-kamer.
-
-Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over dat onverwachte en
-zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen
-bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van
-de duistere stad vol onrecht en zonde.
-
-Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen
-van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij
-letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het
-grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en
-onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die
-persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van
-dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn
-kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren
-aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van
-Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een
-ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk
-niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der
-literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde
-decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven
-smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet
-van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had
-aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding,
-dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde?
-
-Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte
-rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke
-gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het
-succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al
-vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het
-was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist,
-en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens
-bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van
-haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek
-hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over
-den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een
-goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem
-niet meer ontloopen kon.
-
-„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?....
-Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.... Maar dat is waar, je bent
-nu de beroemde schrijver, hè.... je bent nu in de vóórste rij der
-literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.... en nu ben je je oude vrienden
-maar zoo’n beetje aan ’t vergeten....”
-
-„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld.
-„Maar ik had zooveel te doen.... en ik ben aan iets nieuws bezig....”
-
-„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar
-kom, loop een eindje meê op.... als je je nu maar goed houdt, dan bèn
-je er.... een beetje politiek zijn, natuurlijk....”
-
-„—Goed houden.... politiek zijn?....” vroeg Paulus.
-
-„—Nu ja.... je wéét wel.... dat zal je vriend Marcelio je toch óók al
-wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.... geen
-aanstoot geven.... in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn....
-meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes... Nú,
-tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en
-de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.... nu maar héél netjes,
-en dociel, en in den vorm blijven.... dan kòm je er wel.... voorál geen
-heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er
-voorbijgaat.... op geen verboden plaatsen komen, hoor!.... en liefst de
-héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst....”
-
-Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna
-boos antwoordde hij:
-
-„—Maar Elias.... hoe kán je zoo spotten?..... je wéét toch wel, dat ik
-altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal
-buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven,
-wat ik meen?.... Waarom spreek je zoo.... Heb je mijn sprookje
-gelezen?.... Vind je er iets valsch of onecht in?....”
-
-„Neen, Paulus, dát niet.... ja, ik héb je boek gelezen, bij
-uitzondering, omdat het van jóu was... ik geloof, dat het heel zuiver
-is en echt.... zóó uit je ziel.... en ik voel het wel mooi óók, als
-literatuur.... al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote
-gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.... Maar ik denk niet,
-dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet
-als die glorie en die roem óm je blijven.... Die bederven op ’t laatst
-den beste.... Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns
-zuiver zijn geweest... als je in den smaak wílt blijven, móet je
-eindigen met water in je wijn te doen....”
-
-„—En als ík het nu eens niet doe.... als ik bij een of andere
-gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?....”
-
-„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je
-lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je
-voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan....
-Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.... Dan zou je
-metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en
-je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.... Nú, kijk
-nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg
-zoo’n beetje geweest.... íets werkt het verraderlijke gif altijd wel
-uit... Denk nu eens aan Lavelane.... maakt híj zuivere, mooie
-gedichten.... ja, hé?.... duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en
-Wartenau nu prutselen.... en heeft díe roem of glorie?.... Het ééne
-tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere... er is pas weer
-een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van
-gisteren.... het is van professor Lucianus.... den vriend van Duval,
-een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók
-toe behoort.... een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik
-zelden gelezen.... Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren
-niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.... ze zouden je wel
-krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel
-een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te
-loochenen of te herroepen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens
-nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in
-tijdschriften, particuliere brieven.—
-
-Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den
-hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een
-der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote
-onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”,
-het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer
-exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen
-aanzitten.
-
-Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide
-hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het
-zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk
-eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven,
-en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon,
-en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.—
-
-Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde
-bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets
-prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s
-vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.
-
-Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door
-een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de
-Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou
-plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde
-zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude
-heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met
-gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.
-
-„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval
-vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u
-voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De
-Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan
-te zitten.”
-
-Paulus boog.
-
-Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en
-wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren
-allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen,
-beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun
-gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij
-zooveel officiëel gewichtigs.
-
-Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn
-de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en
-geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte
-onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we
-nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—
-
-En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen,
-besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde.
-
-Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en
-medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het
-Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier
-gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en
-innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de
-Diamanten Ster was in zijn knoopsgat.
-
-Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al
-de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne
-bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn
-gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet
-bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend
-aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan
-zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem
-al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog
-in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van
-vereering en dank.
-
-Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal
-schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig
-wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval.
-Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde,
-beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets
-in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen
-klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun
-gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid,
-die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had
-gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep.
-Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal
-zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke
-wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder
-al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als
-deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven,
-en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De
-atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd
-drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een
-irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende
-geleerden.
-
-Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat
-kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan
-aandoen?...”
-
-En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met
-zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van
-het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo
-genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge,
-edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje
-vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam
-toe gekomen?
-
-Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren
-even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele
-eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten
-over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.
-
-Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.
-
-„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het
-heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?”
-
-„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het
-vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het
-mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd
-aanziende:
-
-„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van
-vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn....
-hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en
-het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het
-mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!”
-
-„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet
-uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd
-meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk
-isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo
-mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn
-„Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n
-zwarten tijd doorgemaakt....”
-
-Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer
-antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en
-zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was
-iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er
-iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna
-ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed
-potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg
-te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit
-het volk om een verfijnde meneer te schijnen.
-
-Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren
-vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over
-geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde
-iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk
-waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich
-lichtelijk obsceen.
-
-Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin
-enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of
-historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie
-van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een
-luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen
-zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie
-het eerst van allen in aanmerking zou komen.
-
-Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:
-
-„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal
-buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd...
-wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de
-echte, zuivere dichters?...”
-
-Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te
-droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg,
-zeide hij:
-
-„Lavelane!”
-
-Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al
-de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of
-iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie.
-
-„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.
-
-Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide
-schertsend:
-
-„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een
-„enfant terrible” bent!...”
-
-Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:
-
-„Lavelane is toch een groot dichter!”
-
-Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige
-uitdrukking op zijn gezicht:
-
-„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes,
-zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan
-hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat
-officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man
-niets heilig.”
-
-„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende
-argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet
-iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien
-je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”
-
-Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid,
-om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat
-gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine,
-obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!
-
-En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets
-gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen!
-Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn
-veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met
-zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.
-
-En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen
-zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen
-behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende
-schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat
-alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang
-in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te
-veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.
-
-Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven
-champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden
-redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den
-loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans
-ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó
-oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde
-tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich
-bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist
-op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde....
-
-Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging
-stond hij op, en riep met luide stem over de tafel:
-
-„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste
-gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste
-dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet
-mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet-
-en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám
-mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur
-bezit, durven beschimpen!....”
-
-Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend
-van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele
-literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar
-wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs
-en ongehoords....
-
-
-
-Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche,
-koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde
-zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en
-hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen
-voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld
-verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate
-het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn
-naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts
-gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover
-de machthebbers en het poenendom.
-
-Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem
-beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk
-zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en
-dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj
-zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om
-ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde
-hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige
-usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat
-glorie en wat geld?
-
-Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen
-over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten
-hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen
-zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het
-opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem
-bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn
-geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange,
-geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en
-al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één
-van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden?
-Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd,
-en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en
-gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende
-kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.
-
-Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens
-Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest
-leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene
-groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en
-liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van
-Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane
-was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings
-het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij
-was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een
-troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na
-Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde
-met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op
-hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin
-hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor
-het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde
-hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen
-champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge
-opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje
-van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen,
-omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek
-zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist
-waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had
-gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van
-Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna
-dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om
-zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres,
-overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een
-dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel
-gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard,
-in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte
-artiesten.—
-
-Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet
-bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok
-uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram
-naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging
-zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht.
-Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de
-vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en
-râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van
-ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren
-heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of
-souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers
-te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden
-lonkend heen en weer.
-
-Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang,
-schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die
-zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een
-dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij
-menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe
-waas.
-
-Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en
-vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen
-hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door
-een breeden, slappen flambard.
-
-Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al
-dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend,
-een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam
-grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond.
-
-Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open
-borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer
-de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!”
-
-Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem
-gericht.
-
-„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een
-hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen,
-dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te
-komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij
-voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen.
-Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden
-groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp
-gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten
-slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen
-komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.
-
-Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in
-illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.
-
-Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane
-kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek
-hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.
-
-„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo
-naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd...
-wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...”
-
-Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat
-toeschreeuwde.
-
-„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm.
-„Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane
-kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig
-zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”
-
-Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die
-aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een
-jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op,
-en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van
-hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een
-Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd.
-
-„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen
-durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de
-mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit
-de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.”
-
-„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best
-doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik
-houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”
-
-Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur
-openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet
-opging: „De Meester!... de Meester!”
-
-En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van
-zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit
-twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden,
-als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven
-niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in
-dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie:
-dit moest Lavelane zijn.
-
-Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af,
-en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een
-gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen
-door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester,
-waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden
-uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich,
-vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd,
-tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.
-
-Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat
-hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een
-nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus
-weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was
-vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den
-meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog
-even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan
-stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden
-onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige
-uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in
-April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in
-het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving
-zagen, maar enkel hun eigen droom.
-
-Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig
-over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart
-jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder
-das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was
-afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn
-geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand
-aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet
-eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen.
-
-Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar
-tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in
-die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had
-verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die
-schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren,
-leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de
-deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de
-wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo
-koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich
-tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten
-hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die
-hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.
-
-Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het
-andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun
-gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten
-stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.
-
-In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij,
-vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het
-bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog,
-en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter
-scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen
-alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen
-het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even
-naar hem te kijken.
-
-Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je
-kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie
-bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?”
-
-„—Ik heet Paulus.”
-
-„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De
-Prins en de Fee?””
-
-„—Dezelfde. En wat zoú dat?”
-
-„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den
-arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en
-zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om
-Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!”
-
-En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd
-en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.
-
-„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer
-Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de
-Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar
-Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns,
-décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!...
-wat zullen we met hem doen?....”
-
-Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op
-en gaf Paulus vriendelijk de hand.
-
-„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je
-sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste
-jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó,
-hier naast me maar....”
-
-Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat
-verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt,
-was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was
-iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste
-ridderorde.
-
-„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens
-opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je
-wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het
-Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen
-verbruid!”
-
-Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden
-gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende
-overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een
-onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze
-ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.
-
-„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die
-mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik
-in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik
-ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen,
-doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in
-rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat
-Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn
-knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen
-al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen,
-Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten
-dichter van het land, en toen...”
-
-„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning....
-
-„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou
-krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard
-waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te
-zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....”
-
-Een luid gejubel barstte los.
-
-De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.
-
-„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je
-mijn vriend, hoor! mijn vriend!”
-
-„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de
-zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij
-schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed
-pijn van de forsche drukken.
-
-Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven
-te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen
-roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe
-oogen staarden vaag in de verte....
-
-Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor
-Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij
-dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten
-cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen,
-die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol
-vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t
-drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van
-literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van
-zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet
-herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers,
-door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde
-in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch
-maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen
-bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun
-liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo
-groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit
-luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit
-bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder
-liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo
-teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de
-ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven,
-veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige
-titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en
-de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de
-hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren....
-
-Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van
-dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste
-hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de
-schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan
-zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te
-dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht,
-waarin hij vergetelheid had gezocht.
-
-Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd,
-en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem
-geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter
-beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat
-afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte
-zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd
-vers.
-
-Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te
-worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met
-groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De
-gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol
-vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen,
-en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd
-afscheid te nemen.
-
-Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde
-hem tegenhouden.
-
-„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...”
-stotterde hij.
-
-Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de
-hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de
-absinth.
-
-„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard.
-
-De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe
-oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of
-díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote
-ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven...
-
-En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo
-weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij
-zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó
-zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen
-uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich
-verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte
-maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú
-was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij
-indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere
-souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen
-tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed
-waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet,
-hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij
-nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit
-was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden
-lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de
-literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en
-hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit
-zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle
-over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich
-opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel
-verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid
-ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus
-nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor
-zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk
-achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren,
-sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden.
-Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in
-„De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een
-mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de
-officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond
-Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te
-publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er
-trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken.
-Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de
-arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar
-over zijn ziel.
-
-Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden
-maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een
-onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk
-aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij
-voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van
-zijn idealen dichter.
-
-Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor
-Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van
-verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de
-prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband
-rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie
-onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam:
-Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.”
-
-Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan
-het nazien van zijn verzen.
-
-Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even,
-moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant
-had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond
-het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld
-verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in
-Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius
-Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk
-feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het
-hooge paar op een waardige wijze te ontvangen.
-
-En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking
-weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen
-zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig
-en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond,
-als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest
-uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen
-oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als
-maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de
-prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het
-Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere
-schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar
-kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn
-binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem
-door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze
-in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel
-beefde en werd van onrust vervuld....
-
-
-
-En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte
-zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen
-eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en
-bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden
-waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar
-zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of
-alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en
-dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd
-met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol
-artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige
-verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische
-vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd
-versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters
-waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de
-politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van
-Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het
-nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang,
-geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen.
-Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd
-nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en
-bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor
-gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en
-onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan
-eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande
-huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus,
-hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk,
-het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren,
-nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld
-van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst
-mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht
-en de ellende vergeten.
-
-Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en
-verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle
-verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich
-aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar
-al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en
-bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die
-dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep
-hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal
-bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te
-huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de
-koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van
-het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als
-de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch
-verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was
-onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het
-zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en
-drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren,
-waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren
-gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen
-schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke
-van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en
-bloedgierige van het Beest.
-
-Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het
-licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg
-het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren
-naar dat demonische gedoe.
-
-Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het
-komen, nu zou het komen...
-
-Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was
-de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want
-nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het
-ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een
-duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het
-groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk.
-
-Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich
-voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de
-gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het
-tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het
-was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf
-moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte
-was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het
-koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren
-vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de
-toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa
-geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit
-meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken
-zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een
-lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven
-odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk
-worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in,
-maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand
-kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen.
-
-Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast,
-schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op
-wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in
-vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals
-groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat
-kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der
-vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen
-een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er
-onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen
-raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders
-doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken
-aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl
-had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de
-paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich
-onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de
-huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht
-hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het
-meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd,
-als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en
-dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te
-juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige
-Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut
-geweld van krijgsvolk.
-
-Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode
-gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de
-walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had
-hij de menschen zóó leelijk gezien.
-
-Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr
-in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het
-fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve,
-donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van
-innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun
-tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot
-hemel-vlucht.
-
-De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend
-cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het
-allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het
-vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten.
-
-En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de
-witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op
-het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden
-zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte...
-
-Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar
-beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In
-de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses
-Leliane was aangekomen.
-
-Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den
-menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen
-bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan,
-als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden
-luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter
-bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het
-volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten
-òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat
-gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door
-elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden.
-
-Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van
-goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun
-licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen,
-met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek.
-
-En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte
-paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun
-fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als
-waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen
-karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die
-geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het
-sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van
-lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam,
-geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte
-rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen.
-
-Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk
-van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses,
-liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen,
-waarin de droom lag van de hooge hemelen.—
-
-Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht,
-zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft
-geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van
-brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten,
-langen baard, en met bloedbeloopen oogen....
-
-Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog
-éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het
-portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil.
-
-En dan verloor hij het bewustzijn....
-
-
-
-Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd
-was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was
-leeg.
-
-„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een
-flauwte.... van het dringen zeker....”
-
-En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks,
-en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij
-geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al
-die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij
-voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en
-verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar
-huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?....
-Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij
-rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op,
-waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige
-Leliane.
-
-Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen
-voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend
-in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de
-plechtige stilte van de gewelven.
-
-Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht
-door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen,
-gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en
-aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg
-in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen.
-Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen,
-zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus
-het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en
-daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder.
-
-En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin
-bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane.
-
-Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar
-neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal,
-verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven
-zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten
-cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem
-neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed.
-
-„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij
-eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God
-had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane,
-redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van
-deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij
-al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster,
-dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch
-niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het
-zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze
-kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al
-haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die
-oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár
-kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden
-ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige
-Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het
-heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den
-gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de
-besmetting door het Monster!...”
-
-Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn
-gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en
-onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing,
-bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en
-wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode
-lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de
-lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk,
-voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed...
-
-Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn
-ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal.
-
-De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de
-oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de
-poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen
-voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou
-komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden
-vastgesteld voor het huwelijk.
-
-„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op
-zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag
-feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet
-blijven....”
-
-Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de
-prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond
-weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen
-stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met
-de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig,
-als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet.
-
-Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij
-had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een
-wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen
-zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder
-zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme.
-
-Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect.
-Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de
-straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond
-lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden.
-Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van
-den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan
-anders in hun daagsche kleeren.
-
-En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het
-onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde
-der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte
-Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te
-bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige
-Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging
-was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien
-niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk
-verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn
-ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle
-vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot
-en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen
-te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even
-massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles
-was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de
-minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade.
-
-Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip
-meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd
-door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest.
-Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal
-liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes
-vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart
-pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij
-misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te
-liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen
-den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat
-brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen
-begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten
-slaap, als een afgejakkerd dier...
-
-Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij
-was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove,
-schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn
-hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd
-parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou
-stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met
-koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche
-lucht.
-
-De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het
-was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó
-lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze
-zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal
-hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie
-en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen,
-véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár
-zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein....
-
-Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen
-menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de
-heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend
-afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er
-niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein
-zou zijn en stil.
-
-Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het
-leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen
-omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet
-mede aan het feest...
-
-Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met
-haar duizenden lichtjes.
-
-Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen
-menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier?
-Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor
-wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar
-een groot bosch, waar de wind over waaide?
-
-Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen.
-Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn...
-
-Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit
-licht laaide vóór hem.
-
-De adem stokte in zijn keel.
-
-Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het
-witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein,
-in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was
-geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte
-tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen,
-waar de engelen en de zalige zielen zijn...
-
-Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart
-van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en
-brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door
-elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en
-verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar
-laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen
-voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans
-uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren
-verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen
-zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile
-gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de
-universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken
-duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door
-was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras
-liggen.
-
-Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen
-feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een
-driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen
-stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het
-plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor
-opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in
-de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van
-dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode
-vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór
-het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn
-vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun
-walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op
-elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild
-dooreen, in woedenden rondedans.
-
-Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting.
-
-Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar
-zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos
-vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en
-wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een
-vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan
-gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer
-te zijn?
-
-Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in
-martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de
-prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende
-beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad,
-die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij
-allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met
-log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote
-filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote
-vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken.
-Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van
-de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun
-moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de
-stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu
-zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en
-illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren
-de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte
-monster uit Moscovië.
-
-Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij
-wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe
-kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende
-mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden
-monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam
-familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons
-Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het
-lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te
-kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden,
-zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan.
-
-Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam
-drong zij naar voren.—
-
-Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden
-van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze
-massa terug te dringen met sabel en bajonet.
-
-Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een
-betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere
-drommen in diep zwijgen.
-
-De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren
-opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden,
-als in een kerk, als de hostie wordt geheven.—
-
-Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke
-konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den
-avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den
-paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool
-om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van
-diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht
-uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen....
-
-En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen,
-uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre
-hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar
-zegen.
-
-Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als
-deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden
-zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht
-neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De
-diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden
-hoofd....
-
-Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit
-de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een
-vervloeking had kunnen zijn als een huldiging.
-
-Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen
-hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar
-boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld,
-was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist
-hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was
-alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn
-ziel haar aanbad.—
-
-Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende,
-vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane,
-als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die
-beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des
-Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het
-aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft.
-
-Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich
-lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de
-brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek.
-
-Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van
-woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten,
-afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden
-omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en
-buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die
-brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken.
-
-Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte
-schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het
-Beest aan....
-
-Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een
-grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het
-roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard
-loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed
-denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de
-electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen
-schitteren van een onheilig vuur.
-
-Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër
-schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van
-de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een
-ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk.
-
-Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare
-konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde
-op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog
-geworpen, vuurzwermen knalden.
-
-De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle
-onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees,
-triomfantelijk, domineerend....
-
-Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde
-zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij
-gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij
-niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen
-in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en
-bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht
-van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken
-kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van
-al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt
-wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij
-nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest
-door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van
-lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad,
-van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg
-nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in
-reinheid en rust...
-
-Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de
-stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een
-ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook
-uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel
-ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was
-nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij,
-nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar
-eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg
-wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen
-in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij
-zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een
-bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van
-zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo
-hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het
-punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon
-openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van
-stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart.
-
-Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu
-wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag
-de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en
-de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken
-ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere
-seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen
-kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om
-gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere
-lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch
-voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu
-reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd
-verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen,
-waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige
-gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van
-de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn
-hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard
-tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure
-avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot
-verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te
-voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd.
-Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende
-gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het
-Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende
-vaart voortrolde door de ruimte.
-
-Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een
-klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk
-insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een
-paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te
-brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland
-aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij
-ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen
-weemoed dingen van het vroeger geziene.—
-
-De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een
-reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat
-hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar
-houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het
-woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van
-wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden
-ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid,
-omdat hij moede was van de dingen der wereld....
-
-Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te
-diep verzonken in gepeinzen...
-
-Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil.
-
-Paulus uitte een kreet van vreugde....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Een groote, wijde vlakte lag vóór hem.
-
-Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een
-wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen.
-
-Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende,
-alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking,
-het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem!
-
-Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij
-kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude,
-trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde
-sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van
-zenuwachtigheid over al zijn leden.
-
-Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen
-dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar
-zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere
-stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, bracht hem dichter bij het
-veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn
-liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange
-scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch
-terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles
-ook weer goed worden, als vroeger...
-
-Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen
-plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár
-begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen
-oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als
-een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun
-prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t
-wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield.
-En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede
-broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.—
-
-Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich
-gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn!
-
-En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle
-met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke
-wezen dat er achter woonde.
-
-Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige tempel Gods, even
-heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte
-pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes
-waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek.
-
-Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden?
-
-Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er
-niet rein genoeg meer voor was.
-
-O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank
-werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich
-te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed
-hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong
-met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude,
-frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een
-doop tot het reine, eenvoudige leven.
-
-O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed!
-Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog
-aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij
-bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en
-nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water.
-Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen
-stofje van de atmosfeer in de stad mocht op hem blijven. De doop moest
-hem ganschelijk verreinen.
-
-Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de
-overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in
-een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in.
-
-De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog
-wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems.
-De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó
-ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad
-in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde
-er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en
-voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van
-bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water
-zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en
-longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit,
-als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger,
-door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel
-doet, blij om het leven en het licht.
-
-Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde
-hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen.
-Zij herinnerden zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en
-wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen,
-die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op
-bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in
-een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten
-den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér
-gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu
-onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren,
-zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van
-menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu
-nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel.
-
-Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel
-lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen,
-dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij
-wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste,
-heiligste plek van het Bosch zou vinden.
-
-Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer
-gesterkt was.
-
-Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den
-lelie-vijver komen...
-
-Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, en er niet rein
-genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de
-heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil
-bleef staan, huiverend van eerbied.
-
-Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden.
-
-Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in
-zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede
-overtogen.
-
-De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien
-kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld
-in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een
-krans van jubelend gezang in ’t rond.
-
-Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver,
-door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken
-in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed.
-
-En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte
-waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden
-als heilige harten zoo stil.
-
-Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht.
-Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop,
-voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der
-tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke
-bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden de gouden harten
-ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht.
-
-De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome,
-biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een
-cathedraal.
-
-Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de
-hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van
-kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte.
-
-De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de
-diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen
-een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd
-de rust nóg stiller...
-
-Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen
-omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van
-God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van
-menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen
-van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door
-hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem,
-gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het
-vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht.
-
-En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn,
-daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in
-hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in
-hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen
-ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien
-kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten,
-dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het
-allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit
-door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang
-geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel
-ééns die klare rust zou hebben gevonden.
-
-Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde
-eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár,
-vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de
-simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar
-hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die
-uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver
-was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was
-geopenbaard.
-
-Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een
-rustige slaap zijn van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot.
-
-De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den
-stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige
-wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor
-’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van
-den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit,
-vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat
-teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal
-breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit
-over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom.
-
-En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een
-kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk
-dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders,
-de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd....
-
-
-
-Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de
-takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek
-zijn sluimerende ziel vervulde.
-
-De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige
-licht als een zachte, berustende liefde verspreid over de
-wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond
-het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven
-Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen.
-
-Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang.
-
-Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en
-dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase
-in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een
-fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een
-rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die
-zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg
-meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon
-inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat
-opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij
-weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer
-uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer
-wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat
-dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den
-hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en
-luisterden.
-
-Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de sterren door de takken
-der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het
-woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en
-deemoedig, verscholen zat in het groen.
-
-Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig
-hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom
-gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó
-bewust was geworden, werd in hem wakker.
-
-Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en
-luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks
-wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in,
-met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in
-de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen
-en dingen.
-
-„Leliane!....” fluisterde hij ... „Leliane!....” en het was hem, of hij
-wèg zou sterven in gebed.
-
-Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame
-vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk
-vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken.
-
-Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en
-luisterden in plechtige aandacht....
-
-Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang,
-en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in
-slaap gevallen.
-
-Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen.
-De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige
-waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag,
-in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van
-blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied.
-En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre
-wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van
-verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen
-het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied.
-
-„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd.
-
-„—Roekeroe,” zeide een ander.
-
-Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht
-ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer
-voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken.
-De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje,
-dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en
-koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde
-wat wachtend op en neer.
-
-En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes,
-trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander
-toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen,
-hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het
-was groot van eenvoud.
-
-Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun
-lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig
-werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen.
-
-De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de
-verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank,
-als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de
-slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun
-zuivere statuur.
-
-De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en
-hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de
-innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor
-de zegening van de zon...
-
-Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk.
-Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der
-stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen
-van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied
-van de vogelen. O! De wereld was een wonder van liefde, en een genade,
-oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij
-voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht
-zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de
-vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om
-zijn innigheid te geven.
-
-Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu
-leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het
-buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden
-in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er
-duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en
-diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de
-wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij
-plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op
-zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze
-zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was
-vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore
-orgeltonen boven zijn hoofd?
-
-In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon
-zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was
-bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in helder
-geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.
-
-Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het
-ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had,
-niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar
-rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen
-aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!
-
-Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor!
-daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar
-weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was
-vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de
-lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar
-ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?...
-Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de
-steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was,
-en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over
-den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als
-een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze
-beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het
-hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een
-vriend had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde.
-
-Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was
-voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar
-alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en
-er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere
-toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het
-allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was
-gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling
-verstoord!
-
-„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was
-Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij
-zich met alles.
-
-Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er
-haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar
-hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en
-hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het
-andere was, maar even, een booze droom geweest.—
-
-Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en
-de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een
-vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden
-daar vóór, en hoe ze hun takken hielden.
-
-Eindelijk, daar wás hij er... Niemand was in het tuintje...
-Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin
-achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje.
-
-Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als
-vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op
-zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude,
-vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht.
-Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken
-stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten
-voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem
-goeden-dag.
-
-De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel
-zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók
-aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger.
-
-Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met
-een oud, wèlbekend gerucht.
-
-Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening.
-
-„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd,
-eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar
-even weg was geweest voor een wandeling.
-
-Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat rustige, sereene
-menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was
-verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste
-wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd.
-
-En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome
-ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor
-Willebrordus’ voeten neder....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.—
-
-Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan,
-alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En
-Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot
-rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te
-voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide,
-Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties,
-die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte
-gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in
-den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem
-wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus
-iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een
-gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus
-verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá
-niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had
-geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus....
-heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later
-misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....”
-
-En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag
-voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
-
-Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé
-overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen
-in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn
-kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag
-achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een
-hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil
-was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van
-de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het
-groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde,
-als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van
-den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van
-den avond.
-
-Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het
-spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe,
-simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer
-met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van
-weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar
-trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár,
-dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?”
-
-Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al
-gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren,
-zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij
-veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan
-avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die
-hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd
-nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de
-Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem
-buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van
-boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten.
-Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos....
-
-Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel
-verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het
-Bosch was vredig en sterkend, als een gebed.
-
-Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne
-krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn
-wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout,
-en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te
-moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de
-dieren.
-
-Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al
-dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te
-wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu
-veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede,
-ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver
-van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden,
-in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het
-open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden
-avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij
-opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den
-luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der
-menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens:
-„Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit
-grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
-
-Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende,
-als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van
-Monte-Regina?
-
-Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie
-om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer
-terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen
-verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op
-te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad
-dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur
-liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het
-eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door
-giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop
-der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven
-honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om
-haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele
-rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de
-luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht,
-waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
-
-Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed,
-zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de
-natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer
-en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke,
-droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat
-hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie
-vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven
-uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te
-stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch
-niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en
-eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en
-juiste natuur?
-
-Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver
-over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te
-vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan
-moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar
-Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn
-gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu
-hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine
-uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem
-vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En
-ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen
-ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur
-voor baten zou.
-
-Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een
-onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te
-zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te
-zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!....
-
-Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking
-herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die
-dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was
-van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar
-beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder
-aan heilige, verre transen.
-
-Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en
-schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of
-wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht
-geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar
-lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn
-rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár
-heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In
-de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven
-straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij
-schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de
-gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel
-eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de
-weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het
-verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den
-droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën
-blankheid.—
-
-Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij
-zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest
-die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had
-getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
-
-Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het
-leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige,
-grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de
-blinkende, gouden letters las boven den ingang:
-
-
- Ziet, ik ben bij u
- Alle dagen
- Tot aan der Wereld Einde.
-
-
-De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En
-klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein,
-loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger....
-
-Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de
-wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der
-vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte
-en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte.
-
-Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een
-onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis
-van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken
-luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig
-verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het
-Bosch.
-
-Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s
-middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een
-ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te
-hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van
-Elias.—
-
-
- „Beste Paulus!
-
- Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen,
- dat je hem krijgt.
-
- Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je
- bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote
- dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit:
- „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden
- verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het
- Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik
- je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken,
- moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer
- hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg
- gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je
- altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je
- in de stad bent. Je vriend
-
- Elias.”
-
-
-Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij
-had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd
-had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór
-Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik
-vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door
-hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...”
-
-En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt.
-Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen.
-Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en
-kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van
-zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn
-kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En
-Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe
-verootmoediging.
-
-Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude,
-vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen,
-waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis,
-maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur
-stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde
-wachten.
-
-Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een
-grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel
-„Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep,
-dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen
-over zijn verzen.
-
-Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een
-smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn.
-
-Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het
-verschijnen van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus,
-in „de Zon”, was de critiek op slag omgedraaid. Toen de schrijver
-Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer in de officiëele
-tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne
-verdediging van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed
-gezet. En op zijn simpele, naïeve „Gedichten” had de perfide
-recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde critici, die zijn sprookje
-hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een wee
-bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap
-toch eindelijk uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in
-den beginne, door het vreemde er van, er met dat sprookje waren
-ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, ziekelijk
-decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de
-scheefste bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden
-zelfs verklaren, dat hun vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins
-en de Fee” ironisch was bedoeld, wat toch iedereen tóen al moest
-bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje van
-Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden
-gemaakt, en van Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen,
-waarin dezelfde Paulus, wien hij vroeger het sonnet „Reinheid” had
-gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, een verkapte,
-heimelijke wellusteling werd genoemd.
-
-Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd,
-met enkel het èven, zachtkens bewegen van het droome-rhythme zijner
-ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op ulevellen-papier, of
-prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast,
-werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende,
-nieuwe sonnetten van Wederich, waar geen greintje emotie in was
-bewaard. In een artikel van Wartenau werd hij voorgesteld als een
-klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen had gemengd,
-en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in
-satyrieke weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al
-potsierlijker en wanstaltiger dan de ander. Één daarvan stelde „de
-Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, met
-vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken.
-
-Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen
-dichter te verdedigen, die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en
-zich daardoor den haat van alle machthebbers op den hals had gehaald.
-
-Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet
-verder kon lezen, en een grooten stapel overgebleven recensies
-ongelezen moest laten liggen. Het was hem, of ze hem met drek en gif
-hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn maag, of hij
-onpasselijk zou worden.
-
-Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het
-werkelijk mooie in hem was er niet door aangetast, en bleef,
-onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige sfeer. Hij
-twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel,
-dat hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen
-had gegeven. En hij voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste
-weg te geven, en ook nú nog altijd door te blijven uitzeggen, door
-alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig er van was, zou
-tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven.
-
-Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en
-trouweloozer was, dan de maatschappij der gewone menschen, die enkel
-maar leelijk en banaal waren, omdat zij niet anders wisten. Die
-artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij gezegend waren
-met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij de
-verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te
-gaan. Nu voelde hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns
-zeide, dat de toekomst niet uit de kunstenaars, maar uit het gewone
-volk moest voortkomen.
-
-Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan
-veranderd door al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even
-melodieus opklinken, en zijn ziel herkende ze.
-
-Elias’ stem schrikte hem op.
-
-„Zóó, kerel... dat is brááf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd,
-hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van
-zult ópkijken... Wat léés je daar?... Aha, over je verzen! Ze hebben je
-leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen
-band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen... maar
-dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht... de
-literatuur en de kunst zijn nú bijzaak... daar hebben we nú geen tijd
-voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden
-onder mekaar... maar nú staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren...
-kerel, kerel, weet je wàt?... ráád eens!...”
-
-En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm.
-
-Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit
-gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe,
-blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich
-af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden,
-koortsachtigen glans.
-
-„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?”
-
-„Mij?.... Niets hoor!.... Een beetje in de weêr geweest de laatste
-dagen, wat veel gewerkt.... twee nachten niet geslapen, dat is
-alles!.... dat is van net zoo weinig belang, als dat gewurm in de
-literatuur... maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat
-is almachtig, ontzaglijk groot....”
-
-„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan... ik begrijp je niet....”
-
-„Nu, hóór dan.... je kunt zwíjgen, hé...? als je één woord te vroeg
-klapt, ligt alles in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je
-door je kop zoudt krijgen.... Hóór dan.... Mórgen, om zeven uur ’s
-ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de groote,
-kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.... het is een
-giganten-werk geweest, van járen en járen, maar nú is het er....
-Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj
-daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte,
-is híer met een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een
-reuzen-organisatie op touw gezet... Híer was de hoofdzetel, en van
-hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, over het gansche
-land... je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél
-menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.... maar nú
-zal je eens zien.... honderdduizenden van onze mannen hebben hun
-schouders gezet onder het logge, rotte gevaarte, dat de kapitalistische
-maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, op één teeken,
-óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien
-poeieren.... Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote,
-universeele werkstaking voor álle vakken en bedrijven.... Weet je wel,
-wat dat zeggen wil, kereltje?....”
-
-Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel
-beefde in hem van een groote, onuitsprekelijke vreugde.
-
-Elias ging door, op zegevierenden toon:
-
-„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van
-het kapitaal, dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten
-varen, en geen reizigers en goederen meer aankomen, of weggaan... dat
-beteekent, dat de waterleidingen niet meer werken, en de lantarens niet
-meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer rijden, en geen
-brieven meer worden gebracht.... de heeren kunnen nu loopen als ze
-ergens heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods....
-de telefoon zal stilstaan, en ook de telegraaf.... de heeren van de
-beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, om elkander te bedotten, en
-de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun duim moeten
-zuigen.... de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s
-ochtends wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.... Het is niet
-zóó maar met een páár woorden te zeggen, maar je moet tot het besef
-zien te komen, wat het wil zeggen: dat alles stilstaat.... Al zóóveel
-honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze
-gesloofd en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn ze, en tráppen lieten
-ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, voor
-een afgekloven been, dat overbleef.... en ze hadden maar te wíllen, dan
-was het uit.... zij wáren het toch maar, die alles in beweging zetten,
-en zonder hén stonden de bourgeois en de kapitalisten hulpeloos, als
-een kind dat niet alléén op ’t potje kan..... als slaven hebben ze hem
-aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den mond
-gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje
-voor hem gespreid.... alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn,
-als een hulpeloos lam.... en getrápt heeft hij hen, gespuwd,
-uitgescholden, en getrápt... Maar nú zal het uit zijn, nú of nooit....
-Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk
-solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en
-alle oorlogschepen en alle kanonnen van de wereld.... Het heeft móeite
-gekost, Paulus, om het zóó ver te krijgen.... álles is tot nu toe
-afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, aangestookt door
-den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd
-ondersteund.... Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en
-morgen zal de ontzaglijke veldslag beginnen, een veldslag, waarin niet
-geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen dooden zullen vallen,
-dan enkel van den honger.... en het kapitalisme zal zich vergeefs te
-pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.... Je
-hebt zeker wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste
-jongen?..... zoo mooi hé, al die duizenden mannen, door één kracht
-bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte....
-allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.... Welnú, zóó is onze
-organisatie nu, maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen
-elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien
-kan.... Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse tijd aan!....”
-
-Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven
-zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door:
-
-„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant
-lezen... er ís geen broodje, er ís geen krant... Hij wil op reis gaan,
-en denkt de trem naar ’t station te krijgen... er ís geen trem... Dan
-loopen maar, en naar den trein... er ís geen trein... Daar staat hij,
-hulpeloos, beroerd... en dán misschien zal in zijn stompe brein de
-gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren
-door den arbeider, die voor mij sjouwt... Zonder hèm ben ik niets...
-mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht,
-álles, álles krijg ik van hèm... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos
-wicht te verhongeren en te verkleumen... Zie je, Paulus, ze moeten het
-nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider niet voor hen
-zorgt... Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze
-toegeven, en zal het recht eíndelijk zegevieren... Dan zullen de
-arbeiders dádelijk weer alles in beweging zetten, en zingend aan hun
-werk gaan, want werken willen ze, dat is hun lust en hun leven...
-Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. Maar dan
-moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur
-wettelijk bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten
-ze voor. Ze vechten voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die
-eerlijk is verdiend...”
-
-„—Maar, Elias, kán dat?... kán dat heusch?... bestaat dat echt, die
-solidariteit, dat ál die honderdduizenden, die millioenen misschien,
-wérkelijk elkaars kameraden en vrienden zijn, en door één gevoel
-bezield?... Als dát waar kon zijn...”
-
-„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift... „kón zijn?... Wacht maar
-eens tot morgen... Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden
-en duizenden wielen en wieltjes, dat de geheele maatschappij in
-beweging zet... Maar morgen!... Als er hiér door één man op het knopje
-wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over
-het land, dan stáát het stíl, Paulus, en géén radertje beweegt meer...
-Zal je het dán gelooven?... Dán zal je óók weten wat solidariteit is,
-de solidariteit, die de wereld verlossen zal van onrecht en slavernij,
-waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald... En als hun buikjes
-niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan
-eens, hoe gauw de bourgeois zullen toegeven... vooral de
-spoorwegstaking en die van de bootwerkers zal een kolossaal gevolg
-hebben... want zonder treinen en booten geen handel...”
-
-Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven.
-Het was té groot, té mooi. Maar toch... àls het eens kon... àls het
-eens gelukte... dan zou de wereld zijn veranderd, en alles kon goed
-worden... Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór hem op tafel
-lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij
-het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend
-door zijn ziel. En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit
-had gevoeld in de heiligste uren van plechtige avondstonde in het
-Bosch.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den
-volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen
-van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk
-van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai
-van een magischen staf betooverd was.
-
-In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar
-nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de
-locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig
-reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt,
-onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden
-aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven
-tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was
-ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen,
-omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende
-proletariaat had het werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden
-voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen,
-indien de andere niet hielpen.
-
-Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn
-van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige
-bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der
-beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner
-dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan
-eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk
-verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één
-zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder,
-bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in
-het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog.
-
-Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere
-evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van
-geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze
-eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar
-mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij
-telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op
-werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het
-zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare muur was
-opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten.
-
-De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim
-gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste
-dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar
-huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof
-geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in
-Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen.
-
-Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds
-onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste,
-wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van
-het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde
-wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om
-tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár,
-waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te
-onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent
-iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en
-wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet
-te komen.
-
-De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met
-geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men
-trachtte treinen te laten loopen met zoogenaamd vaderlandslievende
-ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden
-kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles
-cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles
-rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige
-automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad
-uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het
-buitenland.
-
-De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke
-verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden
-arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó
-absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te
-wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in
-Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun
-verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen
-weêrlooze burgers.
-
-De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich
-ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote
-deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken
-van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde
-onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten.
-
-Met groot machtsvertoon werden die fabrieken bezet door de militairen,
-die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden
-rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op
-postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de
-meest gepaste orde.
-
-Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te
-lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene
-opinie vóór zich te krijgen.
-
-En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden
-laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden
-stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken
-zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch
-voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op
-feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de
-beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en
-het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die
-ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het
-kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht.
-
-Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken
-op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch,
-de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en
-er kon maar heel weinig worden aangevoerd, nu de treinen niet meer
-liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme
-bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en
-was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het
-spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te
-loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel
-begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van
-broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te
-verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de
-Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen
-te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie
-begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk
-werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven
-werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de
-door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden
-vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig.
-
-Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het
-comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm
-en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor
-de Regeering, dan een feitelijke opstand, die door de soldaten
-onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten
-haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als
-voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik
-geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het
-gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme,
-ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward
-worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou
-volgen.
-
-
-
-De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de
-koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande
-schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten.
-
-Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor
-haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon
-niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met
-een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de
-treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in
-toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van
-verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de
-Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der
-grieven, alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen
-hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en
-eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer
-gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat.
-
-De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen
-verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen
-wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de
-prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar
-huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche
-wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich
-tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was.
-
-Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het
-grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een
-dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het
-uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies
-te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te
-beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der
-arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en
-pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking
-ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De
-kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad
-terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk
-daarop worden tegemoet gekomen.
-
-Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden
-gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het
-ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme
-van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten.
-
-Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering
-stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk
-van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al
-die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten.
-
-’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad
-aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde
-wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven
-der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws.
-Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de
-laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een
-vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder
-oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De
-patrouilleerende troepen en het voortdurend machtsvertoon hadden de
-spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat
-de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad
-zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven
-en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een
-gevaarlijk onweêr.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De
-plaatselijke autoriteiten, nog altijd den toestand niet vertrouwende,
-heimelijk bevreesd voor een plotselingen opstand, hadden een
-buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst van de
-prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme
-kazerne geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den
-hoofdingang waren zelfs een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het
-Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen weg, dien de prinses moest
-rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het koninklijke
-rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren.
-
-Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses,
-dat zij al deze streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde
-alléén onder haar volk terugkomen, als dit gebeuren kon, zooals altijd,
-vrij en open, zonder militair geleide, zooals een vorstin komt onder
-vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn
-als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen
-koningsstad passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had
-kunnen doen ontstaan tusschen den troon en het volk.
-
-„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij
-dit nieuws hoorde.
-
-„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor
-zich uit.
-
-Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één
-moment van verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren.
-Één al te hard scheldwoord uit het grauw, één uit woeste baldadigheid
-geworpen steen, en het werk van jaren en jaren onverdroten arbeid was
-verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden partijgenooten,
-allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich den
-ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat
-grauw, dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en
-morgen steenigt, en dat overal als uit den grond oprijst in wilde
-verwarde massa’s, zoodrá maar ergens gelegenheid is tot ruzie en
-diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois altijd
-met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den
-grootsten vijand van allen, en vreesde het méér dan de sabels van
-politie en huzaren.
-
-„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel
-verkeerd, al is het dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den
-dreigenden hongersnood van de laatste dagen is het gemeene volk niet te
-vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij zijn nog niet bewust,
-en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk veel
-kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er
-gebeuren kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit
-daar, zonder militair geleide, in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een
-groote massa volk staan aan het station. Dat is onvermijdelijk.—En ik
-vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel kunt
-vóórstellen, heúsch.”
-
-„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk
-haar toe te jubelen en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen
-waren ze dol van geestdrift!”
-
-„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.... maar daarom kunnen ze morgen
-evengoed schelden en hoonen en steenigen.... je ként het volk niet....
-het is geváárlijker en verraderlijker dan een zee.... Die huilende en
-brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht met den
-Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste,
-georganiseerde, ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw,
-het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te
-zwijnen valt en waar het maar jenever ruikt.... en voor datzelfde
-grauw, dat toén jubelde onder het koninklijke venster, ben ik nú
-banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste weken voor ons
-heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te
-doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan....”
-
-„—Maar wat wou je dan wel, Elias?”
-
-De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken
-zenuwachtig.
-
-„Wat ik wou?....” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.... ik
-wou, dat ik nu eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de
-soldaten, met zoo’n hanestaart op mijn kop en een end mes op zij....
-dan had ik maling aan die orde van de prinses en liet ik een paar
-regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke trein
-moet aankomen.... o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens
-iets gebeurt!.... dan is ons hééle werk verloren.... En wat moeten we
-nu doen?.... Plakkaten aanplakken, biljetten laten rondstrooien, om den
-menschen áán te raden, niet naar het station te gaan morgen?.... dan
-gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt..., de partijgenooten
-zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten
-strijders voor het recht in deze omstandigheden betaamt.... maar het
-canaille, zie je, het canaille.... dáár ben ik bang voor....”
-
-
-
-Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het
-Centraalstation zijn. Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart
-van de saamgestroomde menschen. Het overgroote deel daarvan wist
-absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het was daar gekomen,
-omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er
-anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde
-ook geen kwaad, wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren
-zou, met een vaag voorgevoel van een naderende catastrophe, die als
-broeide in de lucht. Een kleine minderheid was grauw, haveloos
-schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk
-kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der
-Verlorenen.”—Dát volk had werkelijk honger geleden door de stijgende
-broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs hún half-bedorven afval nog
-te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, als van
-uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende
-borsten, waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis
-zochten. Die uitgestooten paria’s hadden niets meer te verliezen, dan
-hun waardelooze levens van martelende misère.—Met wilde blikken van
-afgunst en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar
-stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood
-peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud
-en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots
-te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud
-gemonteerd.—En superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de
-koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig
-als priesters onder hun driekanten steek.
-
-Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw
-begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al
-luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen.
-
-„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.... hebbe jullie je
-dikgezope.... belabberde, lamlendige luiwammessen daar boven op die
-bokke.... jullie hebbe ’t goed, hé.... en wíj kenne verrékke.... als
-júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.... lammelingen.... de pest zel
-je krijgen, daarboven op je wagens.... luie loeders!... en die knollen,
-díe hebben ’t verdomme béter dan wíj.... wíj benne ook maar mensche, en
-dát benne beeste.... díe krijgen wel te vrète, en van ’t beste,
-hoor!.... ze benne méér dan wíj!....”
-
-Zóó ging het door, al luider en luider, nú van dezen kant, dan weer van
-een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer.
-
-En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan
-een vijftigtal politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden
-vóór de rijtuigen. Een tiental er van waren bereden en slaagden er in
-ruim baan te maken door hun paarden te doen steigeren. Maar militairen
-waren niet te zien.
-
-De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken
-last in van de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren
-gereed, om op het eerste bericht onmiddellijk in den zadel te stijgen
-en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd in de kazernes,
-maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid
-geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te
-hebben, tot het uiterste.
-
-Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang
-voorgevoel gedreven, in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten
-bij mogelijk gevaar. Elias was bekend bij het volk, en kreeg het altijd
-onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende stem. Zoodra hij de
-scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, drukte
-hij zenuwachtig Paulus’ hand.
-
-„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze... dat loopt
-verkeerd... als dát maar niet mis gaat!”
-
-En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig,
-om het opkomende verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende
-belhamels te arresteeren mislukte. De arrestant werd dadelijk door het
-opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken kreten en grof
-gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de
-scheede...
-
-Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest
-prijs gegeven worden. Het consigne luidde: geduld tot het úiterste.
-
-Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het
-schreef de weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon
-het schelden en tieren nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen
-door de lucht. De steek van een der koetsiers werd afgegooid door een
-steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. De groote menigte,
-die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw
-deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een
-gedrang. Een politieagent raakte onder den voet. Een lakei uitte een
-schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek aan een bloedende wonde op
-zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had.
-
-De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en
-trokken de teugels aan, om te chargeeren...
-
-Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de
-koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug.
-
-De kroonprinses Leliane was aangekomen...
-
-
-
-Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil.
-Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit
-der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had
-bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide
-onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien
-vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van
-een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was
-ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven.
-
-Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn
-vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen.
-
-Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa.
-
-Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder
-de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van
-goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en
-fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de
-lijdende, met honger en dood bedreigde stad. De hooge, voorname
-hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend van voorspoed, weelderig
-en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, dat de ernst
-der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange
-spanning in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans.
-
-Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende
-drommen, vaag-vijandig, ontevreden.
-
-Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en
-hoera-geroep. Zij bleef nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam.
-Toen begreep zij. Éven keek zij koud, van uit de hoogte van haar
-koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende menigte. Toen
-stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik
-ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te
-laag en te nietig voor de goddelijke genade van haar oogen.
-
-Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe
-douairière van het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van
-verstokte aristocrate. Zij fluisterde de vorstin iets in het oor, en
-keek toen even minachtend op de zwijgende menschenmassa neer, met zoo’n
-innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden het
-éénsklaps afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien
-kouden, vernietigenden blik.
-
-Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende
-uniformen, fonkelend van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte
-statig in de volgrijtuigen, eerbiedig geopend door slaafsche, tot op
-den grond buigende lakeien.
-
-Langzaam zette de stoet zich in beweging.
-
-En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid,
-met de onverschillige, onder elkaar lachende gezichten der hovelingen,
-en het minachtende, trotsche air der opgedirkte koetsiers en lakeien,
-dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, na de nijpende
-ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even
-te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene
-verontwaardiging uitbarstte, als van een losgelaten schaar furiën.
-
-Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende
-menigte.
-
-Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde
-volk zèlf niet. Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen
-wilden zij iets te zamen, onbewust, iets verschrikkelijks. De voorsten
-werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter hen stonden drongen op,
-óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, wild van
-onbehouwen razernij. Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen
-voelden het tóch te zamen.
-
-Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer.
-Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte.
-Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk
-als een trompet.
-
-„Elias!... Elias!...” juichte het volk.
-
-Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het
-plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende
-voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke
-moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen
-hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede
-steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer
-uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten,
-die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het
-cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie
-werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een
-vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende
-massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof.
-Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en
-krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht.
-
-De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden,
-onrustig geworden, trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit
-den zadel, en verdween gillende van pijn onder de voeten der woedende
-massa.
-
-„Leliaantje!... Leliaantje... er uit!... Leliaantje moet er uit!...”
-gilden een paar wijven.
-
-Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit
-de „Sloppen der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het
-witte, koninklijke meisje in dien goud-en-zijden wagen maakte hen
-razend van heeten lust om het te vernielen dit teere, dit blanke, dit
-fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, lillende
-stukken.
-
-„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven.
-
-De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek,
-maar trotsch, en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op
-haar gelaat was vertrokken. Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek
-hoog over de hoofden van het woedende, hoonende grauw, met een
-vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit.
-
-Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin
-Marcelia aan de wang.
-
-Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met
-snijdend geluid, striemde het neer op de razende en tierende menigte:
-
-„—Canaille!... canaille!...”
-
-Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke
-kerel, half-naakt, met een groot mes in de handen, sprong op de
-treêplank van de koets, brullend als een beest.
-
-Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als
-een os door het masker, door een vuistslag tegen de slaap.
-
-Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de
-armen wijd-uitgespreid, als een levend schild, dat prinses Leliane
-beschermde...
-
-
-
-In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een
-ontzaglijke Waarheid, stralend als een zon in den nacht, plotseling
-voor hem opgeschenen.
-
-Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het
-was onbewust, en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan
-hén, maar aan de daders van het snood bedrijf der uitbuiting. De
-prinses was méde schuldig aan het groote, universeele onrecht, en had
-de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten,
-biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht
-in de verte, en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren
-horizon. Dat was schoon, wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid
-openbrak als een bloem, om dan te leven....!
-
-Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk
-wezen, om te sterven voor het Ideaal!... Het Ideaal, dat was Leliane,
-dat was de lichte prinses Leliane, de zuster van de witte water-lelies
-in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon sterven, en eeuwiglijk
-herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds aan. Híj,
-Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het
-Recht zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar
-dáár vóór hem zag hij het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de
-kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige handen dreigden naar
-haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken gloed
-óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer
-van het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de
-literatuur, hij voélde enkel dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd
-met schennis, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken
-dood der vólzaligen, den dood voor het Ideaal....
-
-Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van
-den moordenaar. Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het
-grauw verslagen was en wachtte, besluiteloos, bang.
-
-Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn
-borst vooruit als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos.
-
-Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof
-hem aan het hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige
-agenten die nog over waren worstelden wanhopig, om bij de koninklijke
-karos te komen. De officieren uit het gevolg hadden hun degens
-getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende gemeen
-stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel
-neer, en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst
-van prinses Leliane...
-
-Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst
-steeg op uit de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En
-opeens, als door een toover uit den grond verrezen, stormden als een
-wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels door het in een wilde
-paniek uiteenstuivende volk....
-
-
-
-Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het
-bloedende lichaam van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was
-neder gevallen in de kussens, en de gewonde lag bewusteloos tegen haar
-aan.
-
-De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een
-gebiedend gebaar wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met
-de huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen,
-om den gewonde te helpen verbinden. De kappen van de koets werden
-omhoog gezet en zóó, als in een dichte, kleine kamer, ging het
-langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia was met twee
-doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren
-verklaarden, dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had
-te leven. Tevergeefs smeekten zij de prinses, het bloedende lichaam
-toch los te laten, en in een andere koets over te stappen. Met een
-streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren
-naar haar paleis, om dáár te sterven.
-
-Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in
-haar anders zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje,
-altijd verscholen achter de majesteit van haar koningin-zijn, was door
-de ontzettende catastrophe, met den dood plotseling dreigend vóór haar,
-èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde zij, als een heilig
-weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven lang
-geen andere meer voor haar zou bloeien.
-
-Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal
-dapper als een held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat
-onbewuste in haar, nú even bewust, om straks weer wèg te wijken achter
-het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het
-bloedende lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij
-ooit in héél haar leven van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het
-wilde, dat haar ridder sterven zou in hare armen, als een paladijn van
-weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe...
-
-Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet
-bewust meer van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het
-rijtuig om zich heen, en hoorde niet het getrappel van de paarden, en
-voelde de pijn niet van zijn gapende wonden.
-
-Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in
-het Bosch, en alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer,
-maar nóg heerlijker, nóg heiliger, vergeestelijkt in een teêrdere,
-ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, diep en zwaar, als
-de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij voelde
-het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen...
-
-Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd.
-
-Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling
-van zijn ziel, en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster.
-Éven bewogen zijn handen, voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of
-het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge,
-eeuwige waarheid, en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in
-wondere wonne door zijn ziel.—Nu was het goed, nú was alles, alles dan
-goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, vol-zalige rust gekomen,
-waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht....
-
-O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.... o!
-die stilte, zoo diep en vol gebed.... o! dat heilige, blanke
-maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.... Hij voelde zich
-stijgen en stijgen, zweven en zweven.... een zachte sferen-muziek
-droomde op uit de verte... de innigheid werd dieper, en nóg dieper...
-sterren wemelden schitterend.... een groot Licht laaide, laaide aan....
-
-
-
-Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe.
-
-Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig
-menschen-kind.
-
-Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust....
-
-
- 1902–1903.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68893-0.zip b/old/68893-0.zip
deleted file mode 100644
index f1f764f..0000000
--- a/old/68893-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68893-h.zip b/old/68893-h.zip
deleted file mode 100644
index e6d541b..0000000
--- a/old/68893-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68893-h/68893-h.htm b/old/68893-h/68893-h.htm
deleted file mode 100644
index 38bb9b4..0000000
--- a/old/68893-h/68893-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,6603 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-09-01T17:47:02Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Leliënstad</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
-<meta name="DC.Title" content="Leliënstad">
-<meta name="DC.Creator" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)">
-<meta name="DC.Contributor" content="Jeroen Hellingman">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="Dutch fiction -- 20th century">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-span.accent {
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
-line-height: 0.40em;
-}
-span.accent span.top {
-font-weight: bold;
-font-size: 5pt;
-}
-span.accent span.base {
-display: block;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.externalUrl {
-font-size: small;
-font-family: monospace;
-color: gray;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-vertical-align: bottom;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em;
-padding: 5em 10% 6em;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tableCaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.small {
-font-size: small;
-}
-.large {
-font-size: large;
-}
-.bold {
-font-weight: bold;
-}
-.center {
-text-align: center;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:466px;
-}
-.xd31e2018 {
-text-align:right;
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Leliënstad</span>, by Henri Borel</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Leliënstad</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henri Borel</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>LELIËNSTAD</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center large">LELIËNSTAD
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 notice"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Dit boek is het vervolg op „<a class="pglink xd31e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/68155">Leliane</a>”, bij dezelfde uitgevers verschenen.
-</p>
-<p class="signed">H. B.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="466" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">LELIËNSTAD</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">HENRI BOREL</span></div>
-<div class="docImprint">AMSTERDAM<br>
-P. N. VAN KAMPEN &amp; ZOON</div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center small">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G.&nbsp;J. THIEME, NIJMEGEN.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK I.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool.
-</p>
-<p>Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde, grijze rivier, die
-Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en de nieuwe.—Wild voortgezweept
-door den snijdenden wind stroomde het water met schuimende golven onder hem door,
-waar hij peinzend gebogen stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het
-verre rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen.… en als
-hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden, zonder eind.
-</p>
-<p>Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en donkere, lange
-nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het water met sombere drommen van
-loonslaven, zwoegend onder ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk,
-werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op, met roode
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een onheilspellend gegalm van
-geluiden hing boven het water, gestamp van machines, menschengevloek en gezang, gegil
-van hooge fluiten, en ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege
-vaart uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw. En woest-wreed
-viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit duistere gebeuren.
-</p>
-<p>De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte karren grommelden
-af en aan, en droef gegons ophing te trillen van zware stemmen.
-</p>
-<p>De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage, reusachtige vormen,
-donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende oogen pinkten duizenden lichtjes,
-triestig en flauw.
-</p>
-<p>Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr hooger en hooger,
-blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en zwijgend, eindeloos in het rond …
-</p>
-<p>Een <span class="corr" id="xd31e151" title="Bron: siniester">sinister</span> ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp van de groote stad, en het
-was als het zware, moeilijke ademhalen van een rochelend monster, dat daar lag, log
-en massaal, met zijn tallooze vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel.
-</p>
-<p>Paulus stond te rillen van angst.
-<span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
-<p>Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek onherroepelijk,
-zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk. Als een helsche creatie van
-’t absolute kwaad lag de sombere metropool om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden
-en zuchtten, voor altoos verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming
-woonde. En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar weening
-was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte van duistere huizingen,
-in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de menschen woonden in weedom en zonde.
-—
-</p>
-<p>Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van honderden fabrieken
-omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door de grijze mist. En hij wist, daaronder
-sloofden duizenden van zijn broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend
-werk, afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. —
-</p>
-<p>Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond het ontzaglijke
-monster om hem heen, van rechts en van links, van achteren en van voren; het leek
-hem te omvatten, en straks zou dat alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar
-was nu geen ontkomen meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk,
-hier <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd.
-</p>
-<p>Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle wanhoopsgeluiden, dat
-droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van stoomfluiten, dat hol getoeter van
-horens, het leek wel een dolle jacht van den dood. Alle menschen op de brug liepen
-haastig, bang in de kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen
-vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een verschrikking, en alles
-haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar. Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis
-komen, en het àl verteerd worden in vlammen en vuur?.… Want zóó kon dit toch niet
-blijven, zoo duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien zwaren
-vloek, die over alles heen hing wat bestond.…
-</p>
-<p>Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de stad. De mist
-wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu ging verstikken.
-</p>
-<p>Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte ballonnen op. De lichten
-in het koninklijke kasteel werden ontstoken, en als een mirakel, goddelijk en klaar,
-blonk óp een wit paleis, ver boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte.
-De intense, schitterende lichtbundels straalden maagdelijk <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>door het ruim, en in die reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer,
-woonde de prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster.
-</p>
-<p>Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en aandachtig vouwde
-hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het witte paleis daar boven.
-</p>
-<p>„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!”
-</p>
-<p>O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de Genade!.…
-</p>
-<p>Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het zachte erbarmen
-in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden in de kuische plooien van haar
-witte gewaad?.…
-</p>
-<p>Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader boven de donkere,
-sombere stad van weedom en van zonde.…
-</p>
-<p>En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om genade en verlossing
-te brengen in de ellende van haar groote, groote stad.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende stem riep zijn
-naam.
-</p>
-<p>„Paulus?… Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?.…”
-</p>
-<p>Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend. Dit was té
-heilig voor een <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>ander, dit leefde té voorzichtig, in een veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere
-kon hij zeggen.
-</p>
-<p>—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe verschrikkelijk
-toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden die hooge huizen van de stad,
-en dan die mist, die zoo dreigend opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het
-werd me ineens zoo bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!”
-</p>
-<p>„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd aan. We zijn
-nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t hartje van de misère. Je weet
-nog niet, wat het zeggen wil, winter, mijn brave!.… Zie je hier wel goed al die bruggen?.…
-vooral de brug, waar we hier op staan?.… zie je die breede bogen en die zuilen van
-onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.… dat wordt nu het nachtleger van de
-ellendige proletariërs dezen winter.… daar <i>slapen</i> ze, om niet te bevriezen van de koû.… want nu is het uit met de bankjes in de plantsoenen,
-en de vrije velden buiten.… daar zouden ze bevriezen.… hier onder die bruggen, mijn
-brave, dicht op elkaar gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw
-en ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden menschen, onze broeders,
-onze zusters, en moeders met kinderen, zóó maar op den <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>harden grond.… o, als die bruggen er niet waren, die goede, wèldoende bruggen.… en
-vooràl deze, de Koninginnebrug.… hier slapen de proletariërs zóó maar voor niets,
-in de schaduw van háár koninklijken naam.… en zij zelve woont dan veilig in de warmte,
-in de zon.…”
-</p>
-<p>Vragend keek Paulus hem aan.
-</p>
-<p>—„In de zon?.… hoe bedoel je dat?”.…
-</p>
-<p>—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den eeuwigen zomer
-in Monte-Regina.… je weet toch wel, die groote badplaats aan de Middellandsche zee,
-waar die beroemde speelbank is?.… Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere
-leden blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden, waar haar
-millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn … zij brengt iederen winter een
-tijd in een of andere badplaats door in het Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina
-zijn, dat stond vanavond in de courant … iedereen die het maar éénigszins doen kan
-van de wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het Zuiden,
-dat weet je toch wel.… de aristocratie, en de kapitalisten.… die kunnen toch niet
-met wintervoeten loopen, mijn beste jongen.… dat moet je toch vòelen.… dat is goed
-voor den proletariër en den kleinen man.…”
-</p>
-<p>—„Gaan die naar ’t Zuiden.… naar de warme <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>zon?.…” vroeg Paulus, naïef.… „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de
-bruggen slapen, om niet te bevriezen?”.…
-</p>
-<p>—„Ja, zéker, kereltje.… wat heeft dat met elkaar te maken.… daar hebben zij niets
-mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen ze.…”
-</p>
-<p>„-Monte-Regina … ja, daar heb ik van gehoord en gelezen … moet daar niet enorm worden
-gespeeld?<span class="corr" id="xd31e203" title="Bron: ..">…</span> en is het er zóó mooi?.…”
-</p>
-<p>„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog héél jong was,
-en het onrecht nog niet wist … het is daar alles eeuwige lente en eeuwige jeugd …
-de zachte lucht is doordroomd van zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur,
-dat een weerschijn is van de allerheiligste hemelen.… en in die prachtige natuur,
-terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en gebrek, loopen dáár de pratte
-poenen van het <span class="corr" id="xd31e208" title="Bron: parasietisme">parasitisme</span>, en spelen er roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken.…
-De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en twintig millioen …
-denk eens, beste kerel, wat een schat dat is.… wat de arme bliksems, die hier ’s nachts
-onder de bruggen slapen, om niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”.…
-</p>
-<p>Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte booten zuchtten
-en steenden, uitstootend <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>hun donkere wolken van rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond,
-en hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam over hem,
-en hij greep Elias’ arm.
-</p>
-<p>„O! Al die booten … al die schoorsteenen …” zeide hij toen.… „hoe vrééselijk lijkt
-me dat allemaal ineens.…”
-</p>
-<p>„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.… „dat is de hándel.… en die
-fabrieken ook … dat heet de wèlvaart van een land.… de industrie, de nijverheid.…
-daar wordt een land gróót van.… dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten
-rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft er juíst nog
-door in leven, en verhongert niet.… Al die duizenden, die daar zwoegen in die booten
-en op die fabrieken, doen dat eigenlijk alléén om een paar honderd kapitalisten rijk
-te maken … Als één zoo’n rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs
-rookt na zijn diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal
-andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele evenwicht te bewaren …
-en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart.… zóó zit dat in elkaar … al dat getob
-en gesloof hier om je heen is ten bate van énkelen, niet van allen … Kijk, daar gáát
-weer zoo’n boot … mooi hè?… volbeladen met goederen <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>die worden verkocht … zie je al die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun
-kisten?… daar kan er weer een voor naar ’t Zuiden … Maar laten we hier nu niet blijven
-staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van de partij, bréng me
-zoo ver …”
-</p>
-<p>Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en rijtuigen. Alles
-holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van den avond begon.—Bleeke couranten-jongens
-renden vooruit met de nieuwe editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te
-zijn, schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een paar prostituées
-uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de meeste vreemdelingen kwamen,
-gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem,
-rillend onder haar versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte wanhoopskus
-van innig medelijden.
-</p>
-<p>„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande verkiezingen,” zeide
-Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit jaar, en ik ben vol moed.”
-</p>
-<p>Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op vijfhonderd zetels
-in het Parlement had Elias’ partij van de sociaal-democraten <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond het Hooge Huis, bijna geheel
-uit den voornaamsten adel en groote kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle
-door dat Parlement aangenomen wetten kon vernietigen.
-</p>
-<p>En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de christelijke maatschappij
-voortbestaan, ongestoord.
-</p>
-<p>—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias weer.
-</p>
-<p>„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.… en ik dánk je er wèl voor.… ik ga nu al véél meer
-weten.… ik begrijp nu meér.…”
-</p>
-<p>Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel gelezen; het was
-wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had gelezen de groote werken van
-sociaal-economen, véél over de economie, en de staathuishoudkunde, en vooral over
-de natuurlijke, sociale evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte.
-Volgens die schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een absolute,
-logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke, onvermijdelijke orde der dingen
-lag, en met wiskunstige zekerheid was aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak
-moest voortkomen. Het was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke
-overgang behoefde.—
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de goddelijke chariteit,
-die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel wist voor de universeele ellende.
-O! Dat placide geloof in de tijden, in de toekomst, waar de misère van nú dan toch
-reddeloos verloren voor bleef!.… En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge
-revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, die opééns
-zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.
-</p>
-<p>Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten afscheid had gedrukt,
-keek Paulus hem mistroostig na.
-</p>
-<p>Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en propagandeeren, en
-wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar sociaal-democraten in het Parlement
-te krijgen. Maar ondertusschen duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van
-nú er niet door geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen
-der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en fabrieken, al de
-jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij zouden allen in het onrecht
-reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór dat de meerderheid in het Parlement het goede
-zou willen. Wat hadden zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan,
-als zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren?
-<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
-<p>En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende, en enkel op
-een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het in een verre toekomst ook
-zou kunnen brengen, zou nooit het wonder kunnen doen, dat hij verwachtte.
-</p>
-<p>Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú was. Niet honderden
-jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een groot licht zou over de wereld
-gaan, en een oneindige liefde, een goddelijke genade zou de eindelijke transformatie
-doen gebeuren. De reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken,
-zou dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel geleid, zou alles
-van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden broeders worden, en als broeders
-alles deelen. En dit zou alles zóó simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring
-of complicatie, dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat
-alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen.
-</p>
-<p>Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het wonder alléén
-maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de reinste, de heiligste uit het
-gansche land. Uit de verwarring van de vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld
-had, was één simpele gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit
-dat droeve <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig, vond hij, in zijn groote
-naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver, zoo hoog verheven boven het weedom der
-wereld, in haar ongenaakbare, witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij
-drongen niet tot haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en
-haar te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En als hij
-dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij eerbiedig op de knieën
-zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij gezien had, en haar koninklijke ontferming
-afsmeeken over de verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht
-was liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte gewaad. Haar
-heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou uit haar gebeuren.—Over de
-dorre wetten en de constituties, en alles heen, zou haar groote liefde uitstralen
-en het volk bereiken, dat smachtend wachtte.
-</p>
-<p>Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel moeten volgen,
-en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met bloemen in hun handen. Het
-was zoo heel eenvoudig, als je er over dacht. De liefde zou het wonder doen, door
-háár blanke ziel begonnen, en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij
-wist, dat een <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van zijnen dronk
-willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand versmachtte, en als de heilige prinses
-Leliane de moeder van al haar kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns
-broeders hoeder willen wezen?.…
-<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK II.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn hulp te vragen
-voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses.
-</p>
-<p>De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten fauteuil, in een
-zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen, zijn chocolade te slurpen.
-</p>
-<p>„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk weer eens
-aanloopen?… Kan ik je met iets dienen?… wat chocolade?… een cigaret?… o neen: je rookt
-niet hè?… nog altijd even sober?… geen vleesch, geen alcohol, geen tabak … en tóch
-zie je er niet zoo heel florissant uit … je ziet bleek, kerel … nog altijd aan het
-tobben en het filosofeeren?… weer te veel bij je vriend Elias geweest, den sociaal-democraat?…
-dat zal ééns wel weer overgaan, dat hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat
-er tóch niets aan te doen is …”
-</p>
-<p>Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>plan, om op den lichten toon van die scherts te antwoorden.
-</p>
-<p>„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet … ik kom je iets heel ernstigs en gewichtigs vragen,
-iets, waar voor mij alles van afhangt … ik weet, dat je mijn vriend bent en mij graag
-helpen wilt, al spot je altijd met mijn liefste gevoelens … je moet mij niet vragen
-waaròm, en er niet op door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom
-afsmeeken, als een groote, groote gunst..”
-</p>
-<p>„—Nu.… kom er gerust mee voor den dag, hoor … als het maar niet iets voor de sociaal-democraten
-is …”
-</p>
-<p>„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen … ik wou … ik wou … nu, ik wou Haar Koninklijke
-Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen er bij … zou dat kunnen?…”
-</p>
-<p>Marcelio zag hem verbaasd aan.
-</p>
-<p>„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt … Haar Koninklijke Hoogheid spreken …
-een particuliere audiëntie dus … en maar eventjes heel alleen, zonder anderen … En
-wat wou jij daar bij Haar Koninklijke Hoogheid doen?… wat kan jij haar te vertellen
-hebben?…”
-</p>
-<p>„—Dat moet je niet vragen, Marcelio … dat is mijn zaak … ik sméék je alleen, wil je
-me helpen?—zou het kúnnen?…”
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>„—Kúnnen wèl … Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting aan je, er
-is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou … je bent een protégétje
-van haar, en ze vraagt dikwijls naar je … het zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar
-het zóu toch wel te doen zijn met een beetje moeite … maar wat heb je haar in Godsnaam
-te zeggen?… toch geen dolle dingen, hoop ik?… toch niets over dat zoogenaamde onrecht,
-wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je vriend Elias je inblaast?…”
-</p>
-<p>Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van het groote gevoel,
-dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk
-uit, „o, Marcelio, het brandt zoo in me, het is een verterend vuur in mijn borst,
-ik kán zoo niet langer leven.… en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en
-rookt je cigaret, en drinkt je fijne chocolade.… alles is hier zoo mooi en rijk en
-weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en de schande.… nu, já,
-ik durf het wel te zeggen.… <i>áls</i> ik nu de prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?… <i>áls</i> ik haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om genadig te
-zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht en de waarheid?… wat
-dan nóg?… zou je me dan niet willen helpen?… <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel, Marcelio …”
-</p>
-<p>Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van verontwaardiging
-op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een jong kereltje toch nog, hij leek
-wel een page, van honderden jaren geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns
-het onrecht in de wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen!
-</p>
-<p>Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een broekie!” zei
-hij, glimlachend.
-</p>
-<p>„—Waarom dan?” vroeg <span class="corr" id="xd31e281" title="Bron: Paul">Paulus</span> verwonderd.
-</p>
-<p>„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en eerlijkheid, en
-al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën van je, die ficties zijn, en
-niet bestaan. En nu wou je aan Haar Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te
-bezorgen. Maar het is absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen
-was!”
-</p>
-<p>„—Ik begrijp je niet, Marcelio!”
-</p>
-<p>„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je hebt bleek
-gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten niet geslapen hebt, om
-toch maar alles te kunnen lezen over de toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg
-niet, dat we maar een akelig klein beetje vooruit <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog precies eender is, als vroeger in de oudheid?
-De uiterlijke vormen van de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen
-zijn ze toch vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed.
-Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten door leeuwen en
-tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden aan honger en misère overgeleverd.
-Dit is eigenlijk nóg verfijnder en wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje,
-dat er zooveel onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het
-bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók niet gelezen
-had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te begrijpen? Je behoeft maar een
-béétje de toestanden te kennen en eens behoorlijk om je heen te kijken, om dat te
-weten. Maar ik geloof niet, dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig.
-Als je nu eens bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste eeuwen,
-door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense figuren voor je ziet
-van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid,
-die over de menschen is uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens
-nagaat de ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige beelden,
-de schilderijen, de gebouwen, <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>zoo’n sublieme cathedraal bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het
-goddelijke Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de eeuwen
-hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de reinste revelaties van
-dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn … en als je dán eens kijkt, hoe beroerd
-en miserabel het er na ál die wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en
-beste en rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch kerel,
-dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat er niets meer aan te
-doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár
-je ook rondkijkt, overal zie je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de
-mooie namen, waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt
-al niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren, dat eigenbelang,
-waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat egoïsme er niet was, kerel, wat
-zou de wereld gauw veranderd zijn. Als er maar enkel menschenliefde was, heel gewone
-huis-of-tuin menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar.
-Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig, dan behoefden
-er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er geen liberalen en geen conservatieven
-<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>en geen sociaal-democraten en geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan
-bloeide ineens die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat
-het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische wetenschap is alleen
-ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die Liefde wordt het nooít wat.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e295" title="Niet in bron">„</span>Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt het misschien
-niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als jij, en ik ken óók de slapelooze
-nachten, en het pijnigen der droevige gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige
-tobben, dat je kop er bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar
-ik heb het ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar beroerd
-mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát wel.—En o, als je zoo die
-groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is en zoo bot, en die zoo alles met zich
-laat doen, in zijn bête, stupide logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen
-niet beter. Dat idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat
-verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst of een vorstin
-voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol enthousiasme, als er even een
-potentaat op een balcon heeft gestaan, dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en
-wat <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>militair vertoon laat bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve
-de koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en als brute
-beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen, heusch, dan ga je denken:
-dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan Napoleon. Dié wist dat het vee was,
-en hij gebruikte dat vee voor zijn eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was,
-het egoïsme van een reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan
-weten. Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de sociaal-democraten
-wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna iedereen het weten, en als het
-egoïsme er niet was, het bange, grove eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have
-en goedje, dan lag de heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten.
-Ik zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik ben blij,
-dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van het brandende onrecht
-zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver, fijn eten krijg, en schoon linnengoed
-heb om aan te doen, en goeie kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil
-behoef te zitten. Dáár, nu wéét je het!.…”
-</p>
-<p>Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte nog iets te
-zeggen, dat hij van Elias had gehoord.
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou de wetenschap
-in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?”
-</p>
-<p>„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr vooruitgegaan”
-denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de wetenschap al niet heeft tot stand
-gebracht. De stoom, de electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet
-meer. En óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet gedaan!
-En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt, zou je meenen, dat
-de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het vóór alles noodige, blijft toch
-ontbreken, zonder welk het toch nooit goed kan worden in de wereld: de liefde, de
-héél gewone menschenliefde. Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven
-der menschen aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant
-doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename leven van enkelen
-de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb je aan de vorderingen der wetenschap,
-die de ziekten bestrijdt, als duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende
-en gebrek?—De ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de
-allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat hebben ze aan
-de wetenschap <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>der hygiène, die enkel de bevoorrechten baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig
-leven wijden aan de bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel
-voor de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door slechte
-voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet door gebaat. Als er
-in plaats van al die wetenschap eens, al was het nog maar een heel klein beetje gewone
-menschenliefde kwam, dan zou er veel meer tot stand komen, dan door honderd groote
-uitvindingen en ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren.
-</p>
-<p>„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de Liefde hem beving,
-en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm werken, om hèm zijn genot te
-bezorgen, dan was opééns de groote sociale hervorming vervuld. Het heel gewone christendom,
-zooals Jezus dat predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát
-zou de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde ontbreekt,
-is al die wetenschap van sociaal-economie, van staathuishoudkunde, en weet ik wàt
-al niet meer, er als surrogaat voor gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te
-zijn, als alle menschen ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan
-ieder stuk kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het bloed
-zagen kleven <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna niemand, die iéts zou willen veranderd
-zien aan de tegenwoordige maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten
-hebben. Ze zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en roepen
-er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde af zou moeten, en
-ze hun eigen lekker leventje er door zouden verminderd zien, zijn ze doof geworden,
-of beroepen zich op het gezag en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en
-halen er God en Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien
-God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving van hún parasietenleven
-ten koste der anderen. Er is voor die menschen geen God, en ook geen Koning, en evenmin
-een Vaderland, alleen hun eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te
-groote verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee verheffen. Want
-ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk geen haar beter, dan die anderen.—Maar
-daarom weet ik juist, wat ze waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst.
-Ze zullen altijd net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en
-hun filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk verloochenen,
-als zij er hun leven ook maar íets om moesten <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het laagste eigenbelang,
-dat zich onder het masker christendom en liefde voor Koning en Vaderland verschuilt,
-om zijn afschuwelijk aanschijn te bedekken.”
-</p>
-<p>Paulus keek hem in stomme verbazing aan.
-</p>
-<p>Was dát Marcelio?.… Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de gedistingeerde huzaren-officier,
-die adjudant was van de koninklijke prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed.
-</p>
-<p>„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat allemaal, net
-zoo goed als ik?”
-</p>
-<p>„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb toch oogen om
-te kijken.…”
-</p>
-<p>„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er overal misère
-om je heen is?”
-</p>
-<p>„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.… er is al zóóveel gedaan, en ’t is allemaal
-’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige, misselijke, krenterige kruipertjes
-blijven, zóólang is er niets aan te doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me
-maar eens al die goede bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een
-ordetje. Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel en
-honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds en proletariërs
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender, dan willen ze óók zulke bourgeois
-zijn, en zijn ze óók blij met een knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor
-alles te krijg, voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus,
-heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg van. Ik ben blij,
-dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik door het toeval in een milieu
-ben geplaatst, waar de menschen óók wel niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar
-waar ze tenminste manieren hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken,
-en waar ze gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch nog,
-Paulus.… er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute, door en door verrotte
-samenstel van menschen en dingen, dat de Maatschappij heet!”
-</p>
-<p>„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar Koninklijke
-Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo héél, héél veel kunnen doen,
-als zij wilde! Maar ze wéét het misschien niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit,
-in licht en glans, en kan de ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt
-hoog boven de schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar
-eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de ellende en het
-onrecht, <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou dat haar groote hart dan niet ontroeren?
-Zij is zoo koninklijk en zoo rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte
-gewaad woont het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!”
-</p>
-<p>Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat onnoozel gepraat
-zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde bedenkelijk het hoofd.
-</p>
-<p>„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd.
-</p>
-<p>„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses is gebonden
-door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan doen. Maar, al kón ze.…”
-</p>
-<p>„—Nu?”.…
-</p>
-<p>„—Hm!.… ja.… zie je, Paulus.… het past me niet, een oordeel te vellen over Haar Koninklijke
-Hoogheid.… over wat ze doen zou, of niet doen zou.… maar ik geloof niet, dat de zaak
-haar nu zoo heel erg ter harte zou gaan.…”
-</p>
-<p>„—Hè??”.…
-</p>
-<p>„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed.… zooiets van
-dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild heeft, en dat zij vorstin is
-bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog houden.… het gezag nu, dat <i>is</i> juist de handhaving van den tegenwoordigen staat van wreedheid en <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>onrecht.… de zoogenaamde maatschappelijke „orde”, dat <i>is</i> het parasietenleven van de minderheid op de misère der overgroote massa.… en zij,
-de kroonprinses Leliane, is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke
-orde.… daar heeft ze ook haar leger voor.…”
-</p>
-<p>„Waartoe jíj ook behoort!”
-</p>
-<p>„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor moeten vechten
-óók, voor de handhaving van die orde.…”
-</p>
-<p>„Die onrecht en wanorde is!”
-</p>
-<p>„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel … maar wat wil je er aan doen?.… ik zei ’t je toch
-al: ik ben geen haar beter.… ik zit nu eenmaal in ’t schuitje en heb het er altijd
-goed in gehad.…”
-</p>
-<p>„—En ik gelóóf je niet, Marcelio … Je kènt de kroonprinses Leliane niet, als je zóó
-spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht gezien? Dat is ál goedheid en
-gerechtigheid en genade. Als zij nadert fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel.
-Haar handen hebben het gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem
-is zoeter dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar
-eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar, als ze het weet!
-O! als ze het weet!… dan zal ze, als een zachte Samaritane, naar de smarten gaan en
-groote <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>wonderen doen.… Je moet mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand
-er bij.… dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en verschrikking,
-van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van haar zusteren, die ’s avonds
-door de straten gaan, om uit honger haar schande te veilen!.… want het zijn toch háár
-zusteren, niet waar, Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd …”
-</p>
-<p>Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder.
-</p>
-<p>„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij waarschuwend. „Met zulke
-geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet, kereltje.… ik voorzie niets dan beroerdigheid
-voor je.… en onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dat kan
-niet uitblijven.…”
-</p>
-<p>Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar niet begrijpen,
-hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en correct bij bleef. Alles, wat
-hij zelf in bangen twijfel en met tranen had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók
-te weten. Dat ééne, dat vóór alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale
-toestanden noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch
-vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit, zonder welke alle
-sociale <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden,
-en nergens in boeken gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij
-daar nu rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over doodgewone
-dingen sprak.
-</p>
-<p>„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende verontwaardiging.
-</p>
-<p>„Maar wel zéker, beste kerel.… zéker wil ik je helpen.… ik vind het idee véél te interessant—jíj
-daar met je dolle, jonge enthousiasme, tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.… het geval
-is eenvoudig éénig.… en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me aangename
-afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven heet.… maar ik woû je alleen
-waarschuwen, dat je je niet te hoog gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen
-wonderen meer in dezen tijd.… daar is hij misschien te beroerd voor.… Dus jij wilt
-<span lang="fr">à tout prix</span> een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.… dan zullen we er ons best voor
-doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben je nu tevreden?.… als mijne tante,
-de hertogin Marcelia, mij helpen wil, zal het wel gaan.… Het treft, dat ik de volgende
-week dienst heb in Monte-Regina.… dan moet je maar met me meê, als een vriend van
-me, en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het Regina-Palace-Hôtel, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen heeft.… Ik waarschuw je vooruit, dat je
-je daar in álles te schikken hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders
-komt er niets van je audiëntie terecht.… je moet overal met mij meegaan, en je netjes
-houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.… het is daar het toppunt
-van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in Leliënstad, geen idee van kunt
-hebben.… het brandpunt van het kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.…
-je moet bij de hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee verandert,
-en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede gezindheid en ’t goede oogenblik
-niet voorbij moogt laten gaan.… Je moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina
-géén aanstoot te geven, en je voor te doen als een der onzen.… ze moeten je daar houden
-voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van het vorstenhuis.…
-Belóóf je me dat?.…”
-</p>
-<p>Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm te houden in
-eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden in ’t diepst van zijn ziel.
-Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar zien zou van aangezicht tot aangezicht, de
-koninklijke prinses, die de genade zou brengen en het Recht …
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had voorgevoeld …
-</p>
-<p>„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét niet, hóe gelukkig
-je mij maakt!”
-</p>
-<p>Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als over een kind,
-dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te houden.
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Monte-Regina!
-</p>
-<p>Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en verschrikking,
-een land van onheilige somberheid, van donkere zonde, droef, en des doods.
-</p>
-<p>In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine bloeme-aromen, waar alles
-blijheid leek, en het lichte geluk luwde in de lucht.
-</p>
-<p>Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere wolken-luchten, den
-vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina
-te zijn, in de met rozen en seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje
-van het Zuiden om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had beroerd!
-</p>
-<p>Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die over hem kwam,
-zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de palmen, de oogen vallend
-toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te droomen …
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een warmen dag, was
-het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus zachte van loomen droom, even door
-zou breken, maar dra werd het weer te scherp en te koud, en was het weer weg, voor
-goed. Maar hier bleef de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op
-in al het mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al eens
-doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina.
-</p>
-<p>En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren zee, bloemen-geuren,
-aanwaaiend op zoele koelten, en kalme, gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen
-droom.
-</p>
-<p>Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen twee uitstekende
-schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys. Langzaam stijgt het stadje met
-zijn leem-gele villa’s en huizen tegen de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond.
-</p>
-<p>Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar links verliest
-het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen, die in de verte vergaan in
-horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd doet het leem-geel van de huizen der stad,
-met de roode daakjes, en daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande
-tegen den hemel.
-<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele landschap domineerend,
-praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,” dat als opgerezen scheen uit een feeërie,
-of een sprookje, uitziende op al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan
-zijn voet. Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een verfijnde
-luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen, maar géén, dat zoo hoog
-in ’t hooge over alles domineerde, zóó smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere.
-</p>
-<p>Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg gereserveerd, een
-geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn kamers had gekregen. In den anderen
-vleugel, op de bovenste verdieping, had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd.
-</p>
-<p>Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster zat uit te
-staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap onder hem naar beneden
-dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen, met overal plekken van opstaande boomengroepen,
-als bouquetten tusschen het geel.
-</p>
-<p>De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint, en dat roze
-van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht, en beefde over het leem-geel
-van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit was het oogenblik, dat alles inniger werd
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>dan overdag, alsof er iets openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense
-azuur van de zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der
-dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit bleef dan zóó
-even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam violet over ’t roze, en langzaam
-vergingen alle tinten in ’t donker.
-</p>
-<p>Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte Casino—het speelhol,
-het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in Leliënstad had hooren noemen—maar dat
-nú in de schemering oprees, als een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels,
-als een heilige, zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een
-wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere huizingen
-in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette tinten van den vallenden
-avond. Er was iets van de gewijde blankheid aan, van een Graal.
-</p>
-<p>En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de lucht, en in
-de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan om het crême paleis, was
-het waarlijk, of daar een mysterie werd gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd
-met gelui van klinkende klokken en witten brand van heilige kaarsen.…
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het Regina-Palace, langs
-de breede vijfhonderd treden van de steenen trappen, die leiden naar de laagte, kwam
-Paulus beneden in de stad, en langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels,
-in de feeërieke palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende
-laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en aan weerszijden
-statige, Californische palmen, met hun breede, zware waaier-kruinen plechtig-wijd
-uitgespreid, als een triomf-allée voor een Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer
-was hier ééne zoete mengeling van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen
-van engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van lucht. Afwandelend
-langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het blanke, prachtige Casino, in zijn
-kuische kleur van reine room.
-</p>
-<p>Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en deftige, militair
-uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met aanwijzingen, waar hij moest wezen
-om zijn entrée-kaart te krijgen.
-</p>
-<p>Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een albasten pilaar.
-</p>
-<p>„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t algemeen aan
-lieden in een staat van dienstbaarheid.”
-<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p>
-<p>Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog bijtijds zijn
-belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij ook mocht zien.
-</p>
-<p>Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af, uiterst beleefd,
-en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat. Dat moest hij er eerst af laten
-wrijven in een cabinet de toilette, anders mocht hij niet binnen.
-</p>
-<p>Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten zuilen, kwam
-hij eindelijk in de speelzalen.
-</p>
-<p>En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een hol van onheil
-en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme zalen met haar geçireerde parketvloeren,
-haar prachtige pilaren, haar met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes
-à la Watteau in lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde
-plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk paleis. De millioenen
-praalden en schitterden van de muren en van den vloer en van het plafond hem tegemoet.
-</p>
-<p>Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen, schreden er, als
-plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings en evening-dresses, stonden
-deftig om de tafels, of slenterden heen en <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was nooit uit de
-lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen knetterde tusschenbeide het
-geraas van de balletjes in de roulette. En monotoon dreunde daartusschen het geroep
-van de croupiers: „<span lang="fr">Messieurs faites vos jeux!</span>” of: „<span lang="fr">Rien ne va plus!</span>”
-</p>
-<p>Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel, en dat hij al
-zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven. Hier werd gespééld, als kinderen
-gespééld met geld, het goud en het zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en
-buiten was de misère en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek,
-en zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om nèt nog niet
-van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die de onderdanen waren van Leliane!
-</p>
-<p>O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die zalen, wìsten
-zij dat dan niet? of waren het allen egoïste, gewetenlooze ellendelingen, die om het
-volk lachten, en gretig zoo doorleefden, als zij deden, van zijn misère?
-</p>
-<p>Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van schoonklinkende
-leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands belang, híer was het te zien,
-brutaal, zich gevend voor wat het <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>was, in al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets anders.
-Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en ruischende zijde gehuld, met
-haar glanzende coiffures en languissante oogen, graaiden hier naar geld, en geld,
-en nog eens geld. Hij zag bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen
-lippen, van overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als
-voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een rondknikkerend
-balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing. En het geld—het zoo zeldzame,
-dure geld, waar zóóveel voor te krijgen was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme
-massa arbeidsvermogen van duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier
-verknoeid, of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een overstrooming
-van groote gouden „plaques” van honderd francs, waartusschen biljetten lagen van duizend,
-als eenvoudige lapjes vodden, zóó waardeloos schenen ze daar.
-</p>
-<p>Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en stikkende
-giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar op die tafel lag. Tienduizenden
-werden in enkele minuten door de croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s
-of het tíches waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen
-<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes „plaques” verloor
-op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar uitkwam. Zij moest toen minstens
-dertienduizend francs hebben verloren, en scheen dit ijselijk koddig te vinden.
-</p>
-<p>Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó haar laatste
-levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer ellende moest zijn, stond
-een dikke, rijke Amerikaan, die met de grootste onverschilligheid biljetten van duizend
-francs over verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won,
-of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend milliardair. Het
-was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden
-en duizenden arbeiders, die een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden,
-in mijnen, op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die duizenden
-te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van kent.
-</p>
-<p>Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó leelijk gezien. De
-van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige blikken van de oogen, de zenuwachtige
-trekken om lippen en neus, maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke,
-om groote, ontwikkelde menschen, die toch al <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>veel van het leven moesten gezien hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode
-ooren, te zien staren naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich
-toe te kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren stonden achter
-de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om toch óók maar eens op te kunnen
-zetten, puffend in de benauwde menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde
-zalen. Er hing een lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier
-was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk nog omhing,
-en alles toonde zich hier in bijna oprechte schaamteloosheid, ieder liet zijn grove
-egoïsme zien in volle naaktheid en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld
-te graaien, geld en nog eens geld.
-</p>
-<p>En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich aanboden voor het
-geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld was, daar was ook de dierlijke wellust,
-die het kon koopen.—De veile vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen,
-het fletse geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in prachtige
-Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter zich aan, langzaam, lonkend
-over den parketvloer. Zij hielden de winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen
-straks misschien te kunnen <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.
-</p>
-<p>Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de bedompte, met verstikkende
-parfums verzadigde atmosfeer van de speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen
-doortrokken avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit
-in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino, stonden plechtig,
-vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk uitgespreid. En al de blanke
-gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus in het schijnsel van het witte electrische
-licht.
-</p>
-<p>Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht, tegen den
-rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs ópgaande straten, dan een paar
-bordessen op, en dan den grooten, breeden straatweg, die langzaam met wendingen en
-bochten naar boven klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven
-was het nu te donker.
-</p>
-<p>Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de lantaren-lichtjes,
-klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links, dicht bij het Hôtel, lag het
-landschap steil beneden, met alle terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw
-aangelegd, en heel van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun
-van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de rots-bergen <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag
-de zee, waarin de mane-stralen weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig
-gerimpel, rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel van-zelve,
-in de zegening van het licht.
-</p>
-<p>De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de blanke maan stond
-helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de ziel van den hemel, waaruit straalde
-het goddelijke, verreinende licht.
-</p>
-<p>Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een eenzaam lantaren-lichtje,
-een ópgeschemer van witte villa-kleuren.
-</p>
-<p>En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino mysterieus te lumineeren,
-in den glans van al de ongeziene electrische lichten op het voorplein en van de omliggende
-restaurants. Het room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in
-het donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn porselein,
-lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het beruchte speelhol, dat nú
-een heilige tempel was, aan de zee, en rees in roomen reinheid smetteloos blank omhoog,
-in den van bloeme-aromen dronken nacht van het Zuiden.…
-</p>
-<p>Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>nu vergleden was, en zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een
-geheel ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel was,
-tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in den nacht, de bergen
-en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des daags verborgen, en de stille schittering
-op de zee was als een goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.
-</p>
-<p>Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in de wonderbare
-blankheid van zijn marmeren pracht.
-</p>
-<p>Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend Graal-paleis, waarin
-bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk wonder.
-</p>
-<p>Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk, heilig licht,
-dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie geïncarneerd was de reinheid van
-de witte waterlelie en de gloed van de gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare
-vorstin van de volken en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.
-</p>
-<p>En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van den dag waren
-verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille, slapende wereld en over de
-zacht-ademende zee de groote rust lag van het volle, verreinende maanlicht, nu was
-hij één oogenblik weer alles vergeten, wat zoo fel op zijn <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>gemoed had gebrand, en wist hij niets meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane
-woonde, die hij ééns had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine
-lelies, die de zusteren waren van zijn ziel.
-</p>
-<p>Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen en dingen,
-zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een valsche spiegeling van onwerkelijkheden,
-want het éénige ware, het enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd,
-die daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis van vrede.
-</p>
-<p>Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in vervoering vouwde
-hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar omhoog.
-</p>
-<p>„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in eeuwigheid.… Alle
-dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo
-deren, want is niet alle troost en alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar
-ééns zal geven de waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?.…”
-</p>
-<p>En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden vervuld, en
-dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal voor prinses Leliane was nedergeknield,
-om haar bescherming <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>af te smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.
-</p>
-<p>Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het licht van goddelijke
-genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was geconcentreerd, zou van haar uitstralen
-en wijd over de wereld gaan. Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig,
-zou van haar uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als
-dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden vrijwillig afstaan
-van hun weelde, als een kind dat geeft aan een ander, en de rijke zou in den arme
-zijnen broeder herkennen, wiens goede hoeder hij zou zijn.
-</p>
-<p>Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou alles moeten uitgaan
-en uit háár geopend hart zou die groote liefde moeten uitvloeien over de menschen.—En
-al haar droeve zusteren, ontwijd in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden
-biddend en deemoedig samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige
-maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig geborgen onder
-den wijden mantel der heilige Ursula.
-</p>
-<p>Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl hij de handen
-onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich over zijn <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t maanlicht verheerlijkte,
-transparante zee, die daar vèr onder hem onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde
-niet om Leliane nu te zien; het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat
-witte paleis, was al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér
-durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen opzien naar haar
-venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden
-naam.…
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK IV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias verteld van het
-groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te roepen van de kroonprinses Leliane.
-Met gloeiend enthousiasme had hij het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd
-had, zag hij denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio.
-</p>
-<p>„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo iets voor in een
-roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk met een apotheose aan het slot,
-en engelen met vlammende zwaarden, en vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje,
-wat bezielt je, wil je nu heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan
-spelen? De prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar
-een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af komt smeeken.…
-want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar macht beperken, kan zij onnoemelijk
-<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>veel doen, enkel door haar invloed, als zij het initiatief maar neemt … al hàd ze
-nu eens dat groote hart, dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten
-goede aanwenden … dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen vinden … onze
-partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden, omdat het véél te gevaarlijk
-is, zooveel macht in één persoon vertegenwoordigd … we wìllen geen verlicht despoot,
-al doet die nóg zooveel goed … wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade
-kan worden aangewend?… neen, hoor, je plan is ten eerste een hersenschim, en ten tweede,
-àls het eens gelukte, een groot gevaar voor onze partij …”
-</p>
-<p>„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had Paulus verwonderd
-gevraagd.
-</p>
-<p>„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme slag zijn voor
-de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit haar handen nam.”
-</p>
-<p>Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór alles ging, en
-de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en Elias had het hem niet uit
-kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias
-hem op het laatst nog de hand gedrukt en hem gezegd:
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te maken. Je „heilige”
-zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met hangende pootjes zal je hier in Leliënstad
-terugkomen, dat is onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar
-eens voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze partij worden,
-daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit je oogen in Monte-Regina,
-beste vriend! Het is daar een fraaie boel!”
-</p>
-<p>Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet ontmoedigd. Hij hield
-vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in de genade en de piëteit van Leliane’s
-blanke ziel.
-</p>
-<p>Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het Regina-Palace-Hôtel uittrad.
-Met engelen-gratie, als een licht wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in
-een wuivend, wit gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan
-den ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien, en hij
-had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg zwijmelen uit de werkelijkheid,
-waarin hij leefde, om óp te zweven tot de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen
-van haar gewaad was als muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt,
-in een zeer zacht licht.
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en toen de stoet
-van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den grond gekust, dien haar heilige
-voeten hadden betreden.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet hij zich gewillig
-door Marcelio mede nemen, overal waar het dien geliefde, hem te brengen.
-</p>
-<p>Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van het Hôtel „Hermitage”,
-waar keizers en koningen logeerden.
-</p>
-<p>Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog plafond en hoog
-koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond, als in een pavillon Louis Seize,
-met kleine deurtjes en kleine ruitjes, elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden,
-beschilderd met engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief.
-Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande, langwerpige
-spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak. Hier en daar stonden palmen
-in lichtblauwe potten, mooi in het witte en blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte
-het geluid, en ondanks het stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming
-van plechtige stilte door de zaal.
-<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
-<p>Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte tapijt, in het gedempte,
-witte licht, met al het blank, en het goud van dorures, opgewacht door buigende, correcte
-kellners, die plaatsen aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding
-tot een ceremonie.
-</p>
-<p>Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden ober, gewichtig,
-corpulent, met een breed, rond, mislukt imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart,
-als een heilig document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten, <span lang="fr">spécialités de la maison</span>, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus, of er wònder wat van afhing, bescheiden,
-en toch met aandrang, of de zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging.
-Dàn het bevel geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het terugtreden
-van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een generaal het slagveld, dàn weer
-loopend heen en weder, en met één allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend.
-Overal zaten correcte, gedistingeerde heeren uit de „<span lang="en">high life</span>”, in uniform, of zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar,
-de scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames, gedécolleteerd,
-met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast haar stoel op het tapijt,
-in kant en zijde, met geschitter van pailletten en edele <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de donker-zwarte figuren der heeren.
-De engelsche ladies waren hieronder dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze
-van orchideeën, zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze
-blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin juweelen schitterden,
-als sterren in gulden avondhemel.
-</p>
-<p>In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en het geschitter,
-leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners droegen de schotels op, als
-kostbare geschenken, boden die eerst den gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in
-trancheerden, voorzichtig en gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat
-beginnen.
-</p>
-<p>Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s Zigeuner-orchest vervulde
-de stilte met zijn droomerige rythmen.
-</p>
-<p>Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden bijna onmerkbaar
-hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het bouquet van oude, lang bewaarde
-wijnen. En in die mengeling van witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre
-rythmen van languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes
-van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende schijn nu werkelijk
-geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van goedheid waren, en van waarachtig schoon.…
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke <span lang="fr">bien-être</span> weer over hem kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er
-tòch niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen te zijn
-aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht. Hij zag aan de wijze,
-waarop zijn aristocratische vriend na het diner een fijne Havannah opstak, en met
-een glimlach den rook wegblies, dat deze er zóó over dacht.
-</p>
-<p>„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens<span class="corr" id="xd31e527" title="Niet in bron">,</span> „zie je dien kolossalen kerel, die daar binnenkomt?.… Je kent hem zeker al, hè?<span class="corr" id="xd31e529" title="Bron: ..">…</span> Dat is prins Sergius Alexandrowitsch … Wat steekt hij uit boven de vrienden, die
-bij hem zijn!…”
-</p>
-<p>Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was ook een Moscovische
-prins, de jongste broeder van den keizer van Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch.
-Paulus had dikwijls in couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld
-bekend was om zijn woestheid en zijn dapperheid … Hij was berucht om zijne uitspattingen
-met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent hem rond over nachtelijke
-festijnen, die aan de orgieën der romeinsche keizers deden denken. Men fluisterde,
-dat de beruchte Leliënstadsche danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen
-aan diamanten betaald was voor één nacht van <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>wellust. Hij was ook beroemd als een hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden
-van Oost-Moscovië, moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel,
-met zijn groote vuisten hebben geworgd.
-</p>
-<p>Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen, vertelde in zijn
-blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich niet lekker voelde, als hij een
-dag had doorgebracht zonder dat hij een of ander dier gedood had, al was het maar
-een vogeltje. Het jagen zat hem in ’t bloed, had hij hem gezegd.
-</p>
-<p>Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor Paulus een schrikbeeld
-geworden, een soort legendarisch monster, te wreed, om eigenlijk anders te kunnen
-bestaan, dan in overgeleverde verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op
-éen dag honderden herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen
-was die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige, zachtzinnige
-wezens.
-</p>
-<p>Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het tafeltje van den
-prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond.
-</p>
-<p>„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb de eer gehad,
-aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den bloede.”—
-</p>
-<p>Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>een diepe, eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst,
-maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote oogen naar den
-grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en dreigend in zijn leven was verschenen.
-</p>
-<p>Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een gewone groote
-man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de Moscovieten, die een nog
-maar weinige jaren wat beschaafd volk waren van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden
-mond met bloedroode lippen zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige
-haar van zijn zware snor en langen baard.
-</p>
-<p>Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang voor hem was.
-Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins voorbij kon gaan, en voelde als
-een heel teêr, fijn vogeltje, als het een wilde sperwer heeft gezien.
-</p>
-<p>„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio, boos. „Wat moet
-Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en zag, dat je bij mij hoorde.
-Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd
-veel bij Haar Koninklijke Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.”
-</p>
-<p>„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Leliane?… híj?… dat donkere, wreede mónster?… onmógelijk …”
-</p>
-<p>En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige, dat leefde
-van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen als het witte, het vlekkeloos
-onschuldige van de prinses, die uit de gouden zonnestralen en de blanke waterlelies
-was gesproten.
-</p>
-<p>„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend. „In de politiek
-zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet vergeten, dat hij de broeder
-is van Zijne Majesteit den Keizer van Moscovië, en een van de rijkste prinsen van
-de wereld.”
-</p>
-<p>„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze dieren!”
-</p>
-<p>„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met den beer bewezen.
-Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn, daar ben ik zéker van.”
-</p>
-<p>„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch moord, laffe moord
-op zachte, lieve beesten, die zich niet verdedigen.…”
-</p>
-<p>„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport noemen we dat.”
-</p>
-<p>„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van hem bekend
-zijn, of is het <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn
-millioenen, weggesmeten aan veile vrouwen?.…”
-</p>
-<p>„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats denken. Zoo’n halve
-barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed in opbruist, en dan in ’t bezit
-van millioenen, en dan die verleiding overal.…”
-</p>
-<p>„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen in de mijnen.…
-de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen
-in moeten werken?.… en waar duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad
-hun liefde voor de vrijheid en voor hun medemenschen was.… daar leeft hij van, dat
-monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig monster!.… Hij
-is niet waard denzelfden grond te betreden, waar Leliane’s heilige voeten over zijn
-gegaan.… Zijn enkele tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al.…”
-</p>
-<p>Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen hij zag, hoe
-rood Paulus was geworden van verontwaardiging en opgewondenheid.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op hetzelfde effect berekend,
-waren er nog tientallen van restaurants in Monte-Regina, de <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>groote Grill-Room van het café des Lys, de restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van
-de Métropole, en vooral het kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en
-prinsen kwamen met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door
-kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse muziek, de vergulding
-van den uiterlijken glorieschijn om wat niets anders was dan de voldoening van het
-Beest. En Paulus voelde intuïtief, dat het genot van al die schitteringen, die tot
-het uiterste opgevoerde verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken,
-door culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door het aanbieden
-van de „<span lang="fr">addition</span>,” waarop met rooverachtige onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd.
-</p>
-<p>Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden van het paradijs
-nog werden verhoogd door het neerzien op de pijnigingen der zondaars in de hel, zóó
-was misschien voor die correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers,
-in die peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich te goed
-deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van honger en gebrek. En zij
-allen, zij wisten, of kónden weten, welk een arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde,
-dat zij hier moedwillig verspilden. Met één, nog niet eens <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zoo bijzonder fijn diner aan een paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg,
-waar een afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in menschonteerenden
-arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen, of in verpeste fabrieken. En voor
-één nacht van wellust met een veile vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald,
-waarvan honderd gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan.
-</p>
-<p>Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen uithouden, en dat hij
-zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten breken, als hij hem nu niet spoedig de
-vergunning bracht voor de zoo vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want
-hij voelde met de dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen.
-</p>
-<p>Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n restaurant, beving
-hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een onweêrstaanbaren lust, om alles
-in ’t rond kort en klein te slaan, om de omzittende, rijke patsers op hun impassibele
-tronies te trommelen, en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen,
-hoe zij allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen, lafhartige,
-domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven maatschappij van onrecht en
-goddeloosheid.
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van overprikkelde nervositeit,
-dat correcte, ongevoelige gedoe van al die kerels en vrouwen in hun mooie plunje,
-die daar in één maal voor honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun
-heele leven zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die kerels,
-met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit arbeid hadden gekend, hun
-met fijne essences doortrokken haren; die vrouwen, die met duizenden en duizenden
-aan paarlen en diamanten waren omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde
-gezichten, haar coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest
-zijn!
-</p>
-<p>Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs de schijn van
-glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête brak door al die voorname,
-in valsche plooi getrokken gezichten heen, en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende
-van al de lakeien en keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn.
-</p>
-<p>Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een blijde tijding.
-</p>
-<p>„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je me daar vinden,
-en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er nu mijne tante, de hertogin
-Marcelia, voorgespannen, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>en je weet, die heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf
-uur van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te vinden. O ja,
-dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de speelzaal ’s morgens. Dat
-is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets, om je eens flink te ergeren …”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart vóór elven.
-</p>
-<p>Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden morgen-licht, dat door
-den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen
-en het donker-gulden licht leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst
-zou beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen, ópjubelend
-door de gewelven …
-</p>
-<p>En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan speelholen
-waren.
-</p>
-<p>Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte bezig queue
-te maken.
-</p>
-<p>Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met zenuwachtige gezichten,
-in hun elegante kleêren, toch als armen, wachtend <span class="corr" id="xd31e600" title="Niet in bron">op </span>de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden knoopen waakten bij de deur.
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p>Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en mochten die menschen
-binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten honger, in honger naar het goud.
-Ze hadden iets van beesten, wachtend op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan
-een half uur gestaan, mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen,
-die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig trokken met
-hun in spanning verwrongen gezichten.
-</p>
-<p>Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht …
-</p>
-<p>Totdat opeens de deuren opengingen.
-</p>
-<p>Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen holden die menschen
-de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de groene tafels, verdrongen elkaar,
-vochten bijna, om een stoel te krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als
-gold het hier een maal van uitgehongerden na een beleg.
-</p>
-<p>Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school, knusjes-gezellig om één tafel,
-waaraan ze samen hopen te smullen, en waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd
-zouden worden. Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes
-goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier.
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
-<p>Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „<span lang="fr">Messieurs, faites vos jeux!</span>”
-</p>
-<p>Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk, een enkele zijn
-biljet op een nummertje, of een vak. Het leek onschuldig, als een avondpartijtje,
-waar de kinderen om een lange tafel aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat
-het hier ging om ’t bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten
-in dat schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en heeren,
-schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère en den honger en de
-langzame uitmoording van duizenden slaven en sloven, die de productie voor hen moesten
-voortbrengen in kommer en gebrek.
-</p>
-<p>Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette. De roode gezichten
-volgden in spanning het kleine, witte, ratelende knikkertje, of hun leven er van afhing.
-Onverschillig riep de croupier met zijn monotone stem:
-</p>
-<p>„<span lang="fr">Treize! Noir, impair et manque!</span>”
-</p>
-<p>En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar ginds, ver,
-in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek woedden, en de proletariër
-vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw en kinderen, met den honger als wapen …
-</p>
-<p>Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het onrecht! Overal
-triomfeerde <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>het onrecht, en onder het masker van godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij
-leefde de minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van het
-bloed en zweet der zwoegende massa’s.
-</p>
-<p>Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor honderden millioenen
-verspild en verbrast, in louter roekeloosheid, door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze
-patsers, millioenen, waar zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om
-te lenigen den nood der misdeelden.
-</p>
-<p>Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en de weelde er
-geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige
-luxe in te ledigen. Uit alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd
-met hun geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er anders
-geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven. O! Als ze het niet
-konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid was, dàn ware het nog wel onrecht,
-doch tóch nog te vergeven, omdat zij niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden
-wreedaards hier, zij wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren
-boeken geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die het
-hun hadden gepredikt, <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>hoe zij leefden van diefstal en onrecht en langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten,
-zij allen wísten, en tóch liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met
-paarlen en diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud betaald,
-en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg in wellust met veile
-vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht verworven geld. En zij allen noemden
-zich Christenen, en waagden het, Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en
-Gods zegen af te smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze opeenhooping
-van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina, waren nu duizenden, honderdduizenden
-ongelukkige, onbewuste arbeiders bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige
-mijnschachten, in van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende
-riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige beesten in de felle
-koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke nietsdoeners aan hadden was door
-zwoegende medemenschen voor luttel hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen,
-de stof voor hun kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten,
-die zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van arbeiders
-was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>God aan allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van superioriteit,
-of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had gegeven, enkel, omdat zij zóó
-in het groote onrecht van de maatschappij waren geplaatst, meest door het bloote toeval
-van geboorte, of erfenis, of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden,
-waar het geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden, hoe
-meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender menschen werden zij gevonden.
-Een Engelsche prins, die voor één hoed van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen
-van Léoni vierduizend francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed
-en zweet van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle Monte-Reginasche
-bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse, die, door het verkoopen van
-haar lijf tot veilen wellust, zich een onschatbaar fortuin had verworven, ging <span class="corr" id="xd31e635" title="Bron: edereen">iedereen</span> in de speelzalen eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde
-van haar beroemde diamanten.
-</p>
-<p>Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep, wachtende op
-Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en voller, een uur verliep, en nóg
-was hij niet gekomen. Een drukkende warmte begon in de zaal te broeien, een lucht
-van verhitte menschen, vermengd met geuren <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd worden, en vond het beter, even wat
-naar buiten te gaan in de heerlijk zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over
-een half uurtje zou hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was.
-</p>
-<p>Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij op een bankje
-zitten.
-</p>
-<p>Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was eindeloos ver, spiegelend
-in het zachte zonlicht, rustig en egaal, zonder rimpeling. Links naar den horizon
-wenkten verre omtrekken van bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen
-nu en dan héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde
-de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en tevredenheid, en rustig
-geluk.
-</p>
-<p>En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel wègglijden. O! Hoe
-innig waren die lijnen van de bergen daar in de verte, hoe gevoelig stonden daar die
-boomen, èven wuivende somtijds op zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren
-varen haar pracht ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel!
-En, weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen vier muren,
-was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde over de eindelooze zee.
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
-<p>Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal.
-</p>
-<p>Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek, en keek.…
-Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene grasveld, trilde en fladderde
-iets op den grond. Een groote, bruine jachthond holde aan, apporteerde iets van den
-grond, droeg het weg in zijn bek.
-</p>
-<p>Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte vallen, als voor
-vogels.
-</p>
-<p>Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op, eerst verblind
-nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen, vloog dàn weg, blij, om vrij
-te zijn in de mooie, blauwe, zonnige lucht.
-</p>
-<p>Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig slaande met de vlerkjes.
-</p>
-<p>De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in zijn bek, holde
-weer weg.
-</p>
-<p>Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid, in al dat gouden
-licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank gelukje, omhoog<span class="corr" id="xd31e656" title="Bron: ...">.…</span>
-</p>
-<p>Pang! Pang!
-</p>
-<p>En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan, met opengesperden
-muil.…
-</p>
-<p>Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne, aten gebak en
-vruchten <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>aan tafeltjes, lachten, hadden plezier, applaudisseerden de laffe moordenaars, die
-de mooie, weerlooze duiven schoten, uit pure pret in bloed en dood.…
-</p>
-<p>En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan zijn de beroemde
-Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op groote schaal, waaraan de hooge
-adel deelnam, de fine fleur van de aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden,
-met prijzen van honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had
-gedaan.…
-</p>
-<p>Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet genoeg, en de dure
-demi-mondaines niet, en de met goud betaalde pasteien niet, en niet de dolle wedloopen
-met halfdood gemartelde paarden.…
-</p>
-<p>Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van lediggang en parasitisme,
-zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord op onnoozele duiven, waarvan er honderden
-vielen, tot hún leeg vermaak op éénen dag.…
-</p>
-<p>Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De witte duiven vlogen
-op, de een na de ander, en wiekten weg naar de lichte lucht, en vielen jammerlijk
-neer, bloedend en des doods, waar een roode muil met scherpe tanden dreigend werd
-opengesperd, ze wachtte.…
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in het bosch,
-neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje.
-</p>
-<p>Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen verduisterden zijn oogen,
-en met het hoofd op de armen snikte hij hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten
-onmeedoogend dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood.
-</p>
-<p>„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer, mijn brave?
-Kan ik je helpen?”
-</p>
-<p>Paulus schrikte op.
-</p>
-<p>Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den schouder. Zijn heldere
-oogen keken hem vriendelijk, maar toch een beetje medelijdend aan.
-</p>
-<p>Paulus greep hem krampachtig bij den arm.
-</p>
-<p>„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen. „De ellendelingen!
-De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie, witte duiven, die hun niets hebben
-gedaan! Je moet die lieve vogels zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar
-zijn, hoe lief ze spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als
-gracieuse riddertjes en edelvrouwen.… kijk, daar vallen ze, hun witte veertjes vol
-bloed, en dan zien hun brekende oogjes de <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>roode, opengesperde muil van dien grooten hond.… o! de lafaards, Marcelio, de lafaards!.…
-ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje, als een gewoon spelletje, voor
-tijdverdrijf!.…”
-</p>
-<p>„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.… Maar dat is sport, wat
-ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres voor gefokt.… als die sport
-er niet was, hadden ze heelemaal niet geleefd.… Het is vandaag Tir aux Pigeons om
-den Grand Prix.… de fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.… prins Sergius
-is er ook bij, die wel weer zal winnen.… hij doet hors de concours mee, omdat hij
-tóch altijd wint.… en vanmiddag komt Haar Koninklijke Hoogheid, prinses Leliane, den
-wedstrijd even met haar bezoek vereeren.…”
-</p>
-<p>Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer vergeten. Hij
-herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om hem antwoord te brengen op
-zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede van háár bezoek bij dien bloedigen moord
-van duiven ontging hem.
-</p>
-<p>Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van hoopvolle verwachting
-bracht er een zacht licht over, als een doorbrekende zon doet door een regenlucht.
-</p>
-<p>„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid.…?” vroeg hij, stotterend.
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft Haar Koninklijke
-Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te beschikken. Ze zal je audiëntie
-verleenen. En héél alleen nog wel. Ze zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest,
-dat je over haar verdwalen in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag.
-Er zal niet eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen.
-Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die al haar invloed
-er voor heeft gebruikt!”
-</p>
-<p>Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht tranen in zijn
-oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan toch goed worden! Zij zou de
-handen zegenend uitspreiden boven haar arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem
-de woorden spreken van wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj
-voorging in liefde zou niemand durven achterblijven.
-</p>
-<p>„En.… wanneer?.…” stotterde hij.
-</p>
-<p>„—Héél gauw.… morgen al.… om twee uur morgen middag <span class="corr" id="xd31e694" title="Bron: wordt">word</span> je verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het Regina-Palace.… ik zelf
-heb morgen dienst en zal je binnenleiden.… dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór
-alles om de etiquette denkt.… je bent nú niet meer in het <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>Bosch met haar, en staat tegenover je aanstaande koningin.…<span class="corr" id="xd31e699" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„—Morgen al?.… morgen al?” riep Paulus jubelend uit.
-</p>
-<p>Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den afschuwelijken
-moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén, dat hij morgen prinses Leliane
-zou zien, en dat dan alles goed zou worden, door het wonder van haar koninklijke wezen,
-dat liefde was en mededoogen.
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK V.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig geslapen. Den ganschen
-nacht had hij er over liggen denken, dat hij prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide
-even in slaap gevallen en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere,
-witte maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek ongeloofelijk,
-dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij wérkelijk weer begenadigd zou
-worden door den ziele-zachten blik uit hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete
-muziek van haar stem. Hoe was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor
-de harde gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen voor
-het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als maar éven het licht
-hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde aangezicht, dan zou zijn ziel zich
-wel weer oprichten, en zich kuisch ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar
-de zon.
-<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p>
-<p>Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar het was té
-schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen, en de pracht verblindde
-hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een groote blankheid rayonneerend.
-</p>
-<p>Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En wijd zag hij
-uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze gloed uit over het water,
-dat langzaam lag te rillen van die liefde. Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s
-van de stad, vèr beneden, en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien
-gloed van den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte, wèg-lijnend
-naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte nevelen, waar óók teêr roze
-èven doorheen begon te glanzen, als liefde, die opdroomt door een blanke ziel. Hier
-en daar wuifden ze, wijde, witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam
-voort, de blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar blanke
-engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen.
-</p>
-<p>Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot, onuitsprekelijk
-geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk goed zou worden.—
-</p>
-<p>Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de dageraad, van
-een licht, nóg zachter en nóg zaliger.…
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en violet. Het leek
-of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó, verrillende en vervliedende,
-tot de diepste innigheid te komen, telkens droomende door een anderen staat van teederheid,
-en dàn fijner, en nóg weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het
-alles rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid duidelijk
-terug op haar kalme, rimpellooze vlak.
-</p>
-<p>Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun breede waaier-kruinen
-uit, en de biddend-gebogen takken der olijven stonden teêr afgeteekend in de ijle
-lucht. Hier en daar, tegen de bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en
-bijzonder, met zijn puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap
-met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich hadden, en toch zoo
-recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in smarten. De lucht was vervuld
-van de geurige aromen der tallooze bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten
-openden in het jonge licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen,
-waar de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer was doortrokken
-van haar innige essences.
-</p>
-<p>In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>kleine amandelboomen in bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun
-lichtroze bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi<span class="corr" id="xd31e723" title="Niet in bron">.</span>—
-</p>
-<p>Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende boomen en
-bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In de verte zweefde langzaam
-een schitterend, blank zeil over het wijde water, rustig en wèlbewust, als een ziel,
-weg-varend in het eindelooze.
-</p>
-<p>Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van het Zuiden.
-En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods aangezicht.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle dingen òm
-hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der menschen waren verteederd, en
-wonderlijk zacht gebaarden de boomen en de bloemen. Hij wandelde droomend langs de
-zee, en over bergen, en door dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en
-hij óp mocht gaan tot de sfeer van Leliane.
-</p>
-<p>Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de boomen het
-wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen, onbewegelijk in het licht,
-de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes, die beefden van innigheid, de <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>roerlooze cypressen, recht oprijzende, als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte
-op het wonder. En het werd vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het
-mis-mirakel staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de hoofden
-der biddend-gebogen schare.
-</p>
-<p>Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het dóór was gestraald
-tot de innigheid van den middag. Paulus was nu teruggegaan naar het witte Regina-paleis,
-en werktuigelijk deed hij de dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden
-in den deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef in
-de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem nu zachtkens voortstuwde
-naar het wonder. In die uiterste spanning van zijn ziel was hij ganschelijk vergeten,
-wat hij zeggen zou, als hij straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses
-Leliane, en herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare
-genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken in een lagere
-bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle andere dingen heen, tot
-den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s
-middags, kwam Marcelio hem roepen. Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform,
-schitterend van goud, de borst blinkend van ridderorden, <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>en als een lichte bode uit een sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen.
-</p>
-<p>„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote gunst van
-Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil … waardig zijn, hoor, en kalm …”
-</p>
-<p>Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte, donzen tapijten,
-die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in lange rijen, stonden porseleinen
-potten met rozen, en de lucht was vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien
-in blauw en goud, met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In
-een anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke staatsie-gewaden,
-met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed Marcelio een deur open, duwde
-hem zachtjes naar binnen, en hij stond alleen.
-</p>
-<p>Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen, leliën witheid.
-De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote waterlelies waren geweven,
-en beneden waren de wanden met een lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware
-tapijt was van witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver,
-de tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote, broze vazen
-van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte orchideeën neêrhingen. <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke beelden, goden uit verre, Oostersche
-landen, stralend van wonderen glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten
-in rustigen, sereenen droom van vrome meditatie.
-</p>
-<p>Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine, dat vlekkeloos
-pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit het geslacht der lichte water-lelies.
-</p>
-<p>Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den jammer van
-voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij begenadigd was om in dit allerheiligste
-der heiligen te treden. Hij wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die
-uiterste spanning.
-</p>
-<p>Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde wuifde èven
-weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans omgeven, verscheen de prinses.
-</p>
-<p>Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van zaligheid,
-tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp naar zijn oogen, zijne
-handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij knielde ootmoedig voor hare voeten
-neder, het hoofd diep gebogen tot den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd,
-in gansche, devote overgave, als een zondaar in duister voor de blanke <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>Heilige, die hem barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts.
-</p>
-<p>Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel trilde van een
-zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid.
-</p>
-<p>„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.… Wij zijn u niet vergeten en
-zijn u altijd dankbaar gebleven.… Wat kunnen wij voor u doen?.…”
-</p>
-<p>Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de wondere muziek,
-als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van engelen uit hemelsche sferen.
-</p>
-<p>Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel nederig bleef
-hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar aanziende met biddende oogen,
-zooals een deemoedig zieltje opziet naar God.
-</p>
-<p>Een zachte glimlach <span class="corr" id="xd31e760" title="Bron: lichte">lichtte</span> om haar fijnen mond. Zij dacht weer even aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar
-had gestaan.—Géén hoveling was zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén
-harer kamerjonkers had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde
-gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de middeneeuwen.—Zijn
-deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was. Toch begreep zij, dat dit zóó
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>niet duren kon, dit stille aanbidden zonder woorden.
-</p>
-<p>„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend. „Waarvoor hebt
-ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook helpen met iets? Nu moet ge spreken.…”
-</p>
-<p>Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing, als een blanke
-droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van haar afstraalde.—Goud was haar
-glanzende haar, goud als de zon en zóó zuiver. Een aureool van goud beefde om haar
-lelie-blanke hoofd. Wit, zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om
-haar heen was wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein.
-</p>
-<p>„—Maar spréék dan toch.…” zong weer de muziek van haar stem.
-</p>
-<p>Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te herinneren.… alles was
-zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien hoogen staat.… hij moest nu spreken,
-zeide zij.… van wat?.… van wat?.… wat was er nu nog te spreken?.… hier was het hóógste,
-wat nu ooit nog komen kon.… het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar de ziel
-van bidt.… hier was enkel het stille, rustige droomen, de handen gevouwen, diep het
-hoofd gebogen, als in een kerk … wat kon er nu nog anders komen, dan de zalige zegening
-van het licht uit haar heilige oogen?…
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen moest.… zij
-gebóód het, dus móest het wel.… er wàs wel iets, maar dat was zoo héél lang geleden.…
-wel eeuwen leek het.… uit een ander leven, in een gansch andere sfeer.… toen was het
-duister, zwart, droef duister, en nú was alles zoo licht.…
-</p>
-<p>Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al den uiterlijken
-eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met ceremonieele vormen, was niet de heilige
-reverentie, die zij raadde in dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend
-trachtte zij hem op dreef te brengen.
-</p>
-<p>„—Komaan.…” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets gekomen.… zeg ons
-nu alles, zonder schromen.… onze tijd is kostbaar.… en wij hebben nog maar weinige
-minuten voor u … Spréék nu, wij wíllen het, wij gebíeden.…”
-</p>
-<p>Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte uit de spanning
-van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op, dat hij alles verzaakt had in
-de extase van zijn eigen ziel. De armen, de ellendigen.… het onrecht, de verdrukking.
-Hier was alles wit, en rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk
-in rook en roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande.… En
-hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>in de verblinding van zijn droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest.
-Hij trachtte kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles
-duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de emotie hem te
-sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem.
-</p>
-<p>„O! Koninklijke Prinses.…” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die leeft in licht en
-glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van reinheid en vrede, gij weet, ik
-ben U gevolgd uit de kalme rust van mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad,
-de lichte.… Het allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.… heeft U het zélve mij
-niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.… op Uw gebod heb ik het liefste
-van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en vredig zijn zou in de sfeer,
-waar Uw heilig leven woonde.… omdat ik dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in
-de glorie van Uw rijk.… toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven
-de huizingen der menschen.… schitterend wit, en veilig, op de heuvelen, waar de lucht
-rein is.… maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de groote stad gezien, waar het
-volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen, zich koesterend aan Uwen voet.… en benéden
-woont het onrecht en de leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.…
-Ik heb gezien de duizenden arbeiders, mijn <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>broeders, die zwoegen in vunze, heete holen, en diep in donkere mijnen.… ik heb hun
-vrouwen gezien, hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon.…
-ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de verschrikkelijke zonde
-heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe
-droeve, geschandvlekte zusteren, zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen
-haar klagelijk lijf.… de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke
-Majesteit, als redeloos vee.… ik weet de honderdduizenden, die wegteren in misère,
-in grenzelooze misère van honger en gebrek.… en o, ik heb gezien het pratte poenendom,
-dat leeft het wreede parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan.…
-Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de werkers, de onontbeerlijke
-arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder wie niets bestaan kan, zij sloven hun
-leven moeizaam door, om juist nog niet van honger om te komen.… en de bestbetaalden,
-in de gunstigste omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst,
-dat óns het leven enkel waard maakt.… Die groote, lichte Leliënstad, die de glorie
-heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed, gruwbaar onrecht, van leugen
-en bederf.… en áltijd troont prinses Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven
-al de <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>ellende, en zij ziet enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren,
-koninklijken naam … En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al de parasieten
-rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en zweet van hun broederen betaald,
-hier klinkt niet dóór de jammerkreet der verdrukten.… O, Koninklijke Prinses, waarom
-hebt Gij mij geboden U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom?
-Nu heb ik de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer
-rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.… O, Prinses Leliane, ik
-heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker
-zijn.… Gij hebt mij beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister
-ben ik afgedaald.… ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb gelezen.… in véél doorwaakte
-nachten heb ik gelezen, hoe het wee der wereld zou te stillen zijn.… maar nergens
-heb ik de uitkomst gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door
-niets te stuiten.… De menschen gaan met harde gezichten en weenen niet … zij leven
-van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als koude wreedaards onbewogen.…
-en God heeft toch de schoone wereld gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan
-enkelen, om te leven ten koste van de anderen, die lastdieren moeten <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>zijn.… maar in de menschen woont de Liefde niet.…<span class="corr" id="xd31e787" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht hij de korte
-zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn groote verwarring.
-</p>
-<p>Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in zijn uiterste
-wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn hoofd bonsde op den grond, maar
-hij voelde het niet.
-</p>
-<p>Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde trek gekomen
-om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat hij bedoelde, maar er schemerde
-een vaag bewustzijn in haar op, dat zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan
-de onschendbaarheid van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan,
-voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar, van de sociaal-democraten
-en de anarchisten, die God noch Koning eerden, die de geheele maatschappij wilden
-omverwerpen, en durfden zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen
-was en onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de Kerk, van
-den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.… Had die jonge ridder van haar
-zich laten bederven door de vijanden van haar geslacht?.… Was hij zóó weinig dankbaar
-voor haar koninklijke gunsten?.…
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
-<p>IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn hartstochtelijke adoratie
-en de diepe deemoed, waarin hij, als een vernederde slaaf, op den grond voor haar
-nederlag. Zij vond hem mooi, met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij
-zag hoe glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de riddertijden.
-Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had bekoord, door haar koninklijkheid
-héén, tot in haar innigste, maagdelijke wezen.
-</p>
-<p>Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.
-</p>
-<p>„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.… de menschen, die U dienen,
-en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want zij kennen de Liefde niet, en zonder
-Liefde kan het onrecht nooit genezen.… daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses,
-verlaat dat lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte staat,
-en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun grooten nood te zien …
-Zie de zwoegende, tobbende werkers in de gruwelijke fabrieken en diep in het donker
-der mijnen, en zie dan de feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet …
-zie de vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het dagelijksch
-brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën … <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van genade … en stoot
-de leugen omver met Uwe koninklijke hand … als gíj voorgaat, moeten de anderen vanzelf
-wel volgen, die al het onrecht deden in Uwen naam … Uw woord zal allen bezielen, Uw
-hand zal afnemen van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen
-en beroofden … Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en zonde, een
-duister oord van verschrikking, een hel.…”
-</p>
-<p>„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend.
-</p>
-<p>Verschrikt keek hij op.
-</p>
-<p>De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een superbe gebaar
-trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om zich heen, dat geen zoom
-zou besmet worden door zijn aanraking. Een wreede, minachtende trek kwam om haar mond.
-</p>
-<p>„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op een schel. „Gij
-zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen drempel te betreden … onder
-slaven hoort gij, met uw onwaardige taal … ga heen, en kom tot inkeer … verbeter u,
-als gij ooit weer in onze genade wilt komen …”
-</p>
-<p>Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik. Hij dacht een
-oogenblik, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>dat hij slecht was, een ondankbare, een nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin
-zij ademde. Al het onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een
-verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige reëele, waar al
-het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke waardigheid van haar vlekkelooze
-wezen, de majesteit, die straalde van haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár
-heilige tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een enkelen
-blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan, ongenaakbaar, hoog opgericht, in
-sneeuwen blankheid, het witte gewaad in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij
-weg, neigende, diep vernederd, of hij een zware misdaad had begaan.
-</p>
-<p>Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En hij stond weer
-in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging hij door. Uit de open anti-chambre
-kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk legde hij een hand op Paulus’ schouder.
-</p>
-<p>„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?… Dat kon ook niet anders … mijn beste
-jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch moeten blijven … je bent véél te naïef,
-een miniatuur editie van don Quichotte … maar je hebt het zélf gewild … en door al
-die dingen moet jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt worden …”
-<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
-<p>Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel. Hij liet zich
-zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste verdieping. Dáár viel hij
-snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam naast hem zitten, op den rand van het bed,
-en zag medelijdend op hem neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem,
-zijns ondanks, aan, met een zacht medegevoel.
-</p>
-<p>„—Kom … vertel me nu eens …” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken wat bedaarde.
-</p>
-<p>„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio … van al de ellende … van het onrecht … van haar
-droeve zusteren, levend van haar lijf … en ze heeft me aangezien, o! met haar reine,
-blauwe oogen heeft ze me aangezien … mijn ziel kromp inéén … ze veracht me, nooit
-zal ik dien vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel …
-Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio … o! hoe zij daar stond, zoo hoog, zoo
-edel, zoo trots … als zij mij lang zóó had aangezien, zou ik gestorven zijn … maar
-zij wees mij weg, met een zóó fier gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een
-slaaf …”
-</p>
-<p>Marcelio lachte medelijdend.
-</p>
-<p>„—En het onrecht dan, Paulus … de groote zaak van het volk, waar je voor kwam?… was
-die dan inééns verbleekt in je?… alléén door dien blik?… heb je toen alles inééns
-verzaakt?<span class="corr" id="xd31e819" title="Bron: . .">…</span>”
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>Paulus keek hem aan, en bloosde.
-</p>
-<p>„—O! Marcelio … ik wéét het niet meer … ik weet niets meer, dan dat ze me aankeek …
-zóó … vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid … zoo hoog was ze, zoo ongenaakbaar …
-en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo verachtelijk … ik was niet waard, den zoom aan
-te raken van haar gewaad …”
-</p>
-<p>Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als iemand die een
-besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst had willen verzwijgen, vroeg
-hij, bruusk:
-</p>
-<p>„—Kom, kom, Paulus.… weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van haar gewaad aan
-te raken?.… en niet alleen dien zoom, maar haar zelve, haar héélemaal.… weet je dan
-wel, dat de prinses.… gauw.… hm … moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?…”
-</p>
-<p>Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend.
-</p>
-<p>„—Hè?.… Wat?.…”
-</p>
-<p>Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg ontzettender
-dan het eerst gebeurde.
-</p>
-<p>Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij Paulus ging
-doen. Toen, inééns:
-</p>
-<p>„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius Alexandrowitsch van Moscovië.…
-morgen wordt het bekend gemaakt.…”
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-<p>Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde:
-</p>
-<p>„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.… met zúlke dingen mag je niet spotten.… wat héb
-je er aan, mij zoo voor den gek te houden?.…”
-</p>
-<p>„—Maar het is wáár, kerel.… ik spot héusch niet.…”
-</p>
-<p>„—Och.… dat kán toch niet.… de prinses kán toch niet houden van zoo’n bruut.…”
-</p>
-<p>„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.… hóuden.… alsof een koningin zou behoeven te
-hóuden.… dat is goed voor het volk.… bij een koningin geldt alleen het zoogenaamde
-belang van het volk en van het vorstenhuis.… het is héusch, héusch waar, Paulus.…
-Maar wat schéélt je, kerel?.…”
-</p>
-<p>Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. Marcelio hoorde
-hem stamelen:
-</p>
-<p>„Dus dan zou de prinses.… als al die vrouwen van de straat.… zónder liefde.… alléén
-voor eene belooning van glorie of belang.… een veile vrouw zijn, als de anderen.…
-Het is niet waar, hé, Marcelio.… het was maar een grap.… en je hebt gelogen, hè, gelogen …?”
-</p>
-<p>Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden uitbrengen. Een
-rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij de vuisten in de lucht.
-</p>
-<p>Marcelio snelde op hem toe.
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
-<p>En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk bleek, even
-wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een doodelijken slag had gekregen,
-waaronder hij wègkromp.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in Monte-Regina. Hij
-ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij verlossen moest van een monster,
-dat haar wilde overweldigen, en met moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit
-zijn bed te stormen, en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne
-verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een doodsgevaar bedreigde
-de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte
-naar haar blankheid, en niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést,
-anders was zij verloren.… Het Monster kwam al nader en nader.…
-</p>
-<p>En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in zijn nachtgewaad
-weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te bevechten.
-</p>
-<p>Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter verbaasd over zijn
-kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de nachtmerrie, die hem zoo benauwd had.
-Ook tegen Marcelio zeide hij niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>in hem te zijn, waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het
-beeld van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in onbewustheden
-van zijn ziel.
-</p>
-<p>Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad, dat was het éénige,
-waar hij om vroeg.
-</p>
-<p>Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat was hij bleek
-geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond gekomen. Er was iets over
-Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of verwachtte, en zóó maar het leven verder
-inging, overwonnen, verslagen voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten,
-maar Paulus uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over wat
-de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor zichzelf, dat het
-wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles op den duur toch wel geneest.…
-En hij begreep absoluut niet, wat het voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische
-prinses uit zijn droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een
-Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen uitstrekt
-in bloedgierig begeer.…
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nu waren maanden en maanden daarna verloopen.…
-</p>
-<p>Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een groote verandering
-in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer blijven doorleven, als vroeger,
-op kosten van de prinses.… In ’t begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was,
-had hij er nooit over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen,
-en alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden. Maar nu, na
-zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets meer van haar zou kunnen aannemen,
-en schaamde hij zich, ooit van háár aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij
-probeeren moest, van de opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen,
-dat loon waard was?
-</p>
-<p>Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom hij niet schreef,
-of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde uitgeven. <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te gaan schrijven van zijn
-heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, van zijn jonge, mooie droomen, als hij,
-hoog in den top van een boom naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen
-hij klein was, die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was
-hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het lawaaiende leven
-van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te bewaren, veilig achter in je ziel,
-er nooit iemand iets van te zeggen, een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt
-van binnen, door de duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche
-literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.—
-</p>
-<p>Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou hij misschien
-genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij onafhankelijk van de prinses.
-Hij zou dan een andere kamer huren, zoo goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober
-mogelijk zijn in zijne uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de
-hoede van Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid die
-om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en drinken.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de literatuur te
-wijden, en <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen te leven. Hij zou dan geen geld meer
-behoeven aan te nemen, dat van prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen
-verdienen.
-</p>
-<p>Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht had.
-</p>
-<p>„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom je in een maatschappijtje
-apart, maar heusch niet mooier en beter dan de gewone maatschappij hoor! Dat moet
-je vooral niet denken. Die heeren artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de
-verhevenste en goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan
-de gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie schilderijen
-maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit hun ziel er in, als het kan.
-Prachtig! Maar die dan toch zoo duur mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen,
-om dan later óók een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te
-kunnen eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun knoopsgat.
-Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de dichteres Dolorosa! Hun
-eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen in plaats van koffie, of thee, of
-tabak, sóms ook wel het zoogenaamde medelijden met de verdrukten; en de concurrentie
-bestrijden zij met even veel unfaire middelen <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>als de anderen, hoor! Er is nijd, er is jaloezie, er is laster, even fel, als in de
-bourgeois-maatschappij, misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus,
-wou jij in je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon volhouden,
-zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor.…”
-</p>
-<p>„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd zuiver zou
-blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je ziel uit te zeggen, en dat
-den menschen te geven.…”
-</p>
-<p>„—Te géven, Paulus?.… ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.… als het werkelijk te geven
-wás.… Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen, en wel aan een klein deel van de
-menschheid alleen, dat het geld er voor betalen kan.…”
-</p>
-<p>„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets voor doe, zooals
-nú … het geld van de prinses, dat mij nu verder zou bránden in mijn handen …”
-</p>
-<p>„—Dát is het, Paulus … maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden het minst erge
-kiest, wat dan nog lang niet het goede is … al is het een groote vooruitgang voor
-je, als je heelemaal los bent van de weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud
-kunt zorgen … met wat je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en
-verder studeeren in wat je studeeren wilt … en als je de <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>kerel wordt, die ik hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te
-maken voor onze partij … daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan … maar dan
-moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren, altijd door studeeren,
-om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der dingen, die wíj durven aanzien … Dan
-zal je ook zien, hoe weinig je eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen
-beteekenen bij het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst
-van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren staan … je wordt pas
-een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je heelemaal daarbij kunt wegcijferen …”
-</p>
-<p>Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat Elias hem
-voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven zijn geld te verdienen,
-dan het als een gift te blijven aannemen van de prinses.
-</p>
-<p>Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het heiligste, wat hij
-nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke teleurstelling over de prinses, en dat
-hij als een lief geheim binnen in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn
-leven in het Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het
-te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven!
-<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen … Maar waar zou hij dan van moeten leven
-later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses aannemen, als een aalmoes?
-Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en zette hij zich aan den arbeid.
-</p>
-<p>Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel voorzichtig naar
-buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze woorden. Het was zóó fijn alles,
-en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat hij ieder oogenblik bang was, het te breken,
-als het rythme te brusk leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr,
-of hij het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij, in de
-heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in het Bosch. De vrije
-vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten, de hooge kruinen stonden zachtjes
-te wuiven tegen den hemel vol sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den
-vlakken vijver, door geen rimpeling verstoord.
-</p>
-<p>Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een wandeling wat beweging
-te geven, schrikte hij van wat hij doen ging. Dan zag hij de harde gezichten van de
-menschen<span class="corr" id="xd31e895" title="Bron: .">,</span> hun breed gebaar, en den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam
-brutaal over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in die
-drukke straten, en de mooie, zachte dingen, <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>die hij in zijn boek gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal
-onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen en bekwijlen
-en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een troepje menschen voor een grooten
-boekwinkel staan. Er lagen allerlei boeken, en fotografieën, en gravures van naakte
-vrouwen in wellustige houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die
-er naar zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze kijken,
-als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en teederste uit zijn ziel er
-in. En iedereen zou het kunnen koopen voor wat geld, en er over lachen met hoonenden,
-schennenden lach.
-</p>
-<p>Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te loopen en
-alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon.
-</p>
-<p>Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen vanzelf op het
-papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme genoot, vond hij weer een
-groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had hij al het mooie onbewust ondergaan, nú
-werd het hem bewust, hoé en waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat
-de emotie er zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote
-stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en zijne <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond.
-</p>
-<p>En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had, van een bloemen-prins
-en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en elkaar nooit konden krijgen, tot ze
-van liefde stierven, omdat zij niet langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre
-idylle heen was de omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen
-hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die sterren wisten
-van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en klaagden er over, in weenende
-klanken van melodieuse reien, die het noodlot der gelieven bezongen.
-</p>
-<p>Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal over echtbreuken,
-en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in de keurige, precieuse woordkunst-taal,
-die toen in de mode was, dan voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon,
-en zijn werk, vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige woord-combinaties,
-die onverwachte wendingen, die handige manier om lang-ademende zinnen van gehééle
-bladzijden aaneen te smeden! En híj met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die
-juist zóó was, als zijn gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten!
-</p>
-<p>Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>geschreven boeken met hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje
-onder een troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om dat
-simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich vroolijk over maken!
-Het wist niets van decadentie en degeneratie, niets van echtbreuk en vuiligheid en
-trouweloosheid, en het kende zelfs niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel.
-Het wist alleen maar van de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen
-van een bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan stille
-vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen ontvouwden, in groote eerwaardigheid.
-En er kwamen niet eens groote, verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen
-maar elfen, en kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als
-hij aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn manuscript
-gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze droom, en voelde hij zich
-somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof
-rook, en den zoeten geur der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En
-het was hem, of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was,
-die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht bidden van <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem zegende met haar wondere,
-goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is mijn eigen, innigste leven, dít ben ik,
-en niemand anders, en alles wat nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin
-ik nu leef, is leege schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.”
-</p>
-<p>En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn ziel geleefd
-had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had leeren verstaan, was het schrijven
-eigenlijk niets anders voor hem dan een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die
-innerlijke stem hem vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden,
-niet te wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten, want
-alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets anders te doen had,
-dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde ópklinken.
-</p>
-<p>Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige menschen, en
-het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van automobiel-horens, en het
-schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls een wreede twijfel in hem op, of al
-het fijne en teêre in hem wel bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien
-niet ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>hij de koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende lachen, hun
-breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht van enkel physiek, machtig
-leven om hem heen, dan leek zijn droomerige sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig
-daar tusschen, en wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit
-onder hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten las, voelde
-hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware mannen, die niet voelden
-en niet droomden, maar diepe, geweldige stemmen hadden, waarmede zij harde, grove
-dingen zeiden, en dan kwam het hem onmogelijk voor, <span class="corr" id="xd31e919" title="Bron: da">dat</span> hij ooit het liefste en fijnste uit zijn ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven.
-Dan dacht hij om Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie,
-Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden in zijn boek,
-vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge, breed-geschouderde kerels, waarmede
-ze hun gevoellooze, dreunende grofheden uitten.
-</p>
-<p>Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang, dat er onwillekeurig
-iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou komen. De éénigen, die hij in contact
-met zijn ziel durfde laten, waren Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans.
-Wèl bedierf bij het lezen van Wederich’s <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>subliemen eersten bundel „Gedichten” het denken aan zijn ridderorde en het ignobele
-diner, dat hij eens had bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam
-telkens de oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug. Aan
-Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel „Eenzaamheid,” waarin
-hij van zijn stille peinzen vertelde op de eenzame heide, waarin hij eens een jaar
-alleen, in een klein huisje, had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken:
-„die twee, Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.<span class="corr" id="xd31e926" title="Niet in bron">”</span> En een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door zijn werk,
-misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat hij dan misschien invloed
-op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer zuiver te doen worden als vroeger. Ook
-hún teêre, gevoelige kunst was toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid
-der wereld had haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig,
-eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast, onvernietigbaar
-in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer vreezen, maar vol goeden moed zijn
-werk voltooien, en het dan vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende,
-dat zijn schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou, dan
-de <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het harde, en het fijne overwint
-het grove, zooals de ijle geest machtiger is dan de harde materie.
-</p>
-<p>Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den smachtenden bloemen-prins
-en de verre fee der sterren. Een zachte trots, een gevoel van voldaanheid welde in
-hem op, als hij zijn werk overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen
-mede was, voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van het
-leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás dus toch zoo sterk
-niet, als het buiten wel leek, als het om je heen lawaaide, en toeterde, en hoonde,
-en lachte. Want het mooie was toch altijd èven veilig in je bewaard van binnen en
-bleef er altijd verre van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich
-ook gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in de literatuur
-van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en bijzonders ging geven van
-sprookje en droom, en hij bedacht met groote vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging
-aanraken de zielen van anderen, verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die
-duizenden, verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden hebben
-met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was het nog maar héél
-weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>misschien kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan weifelende
-harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister was.
-</p>
-<p>Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote ellende van de honderdduizenden
-verdrukten er niet mede zou baten. De zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken,
-de verdierlijkte proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke
-zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden zij aan zíjn
-subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het nú wel een tijd, om over
-sprookjes en schoone droomen te schrijven en zich te verschuilen in stil, eenzaam
-verkeer met eigen ziel? En hij dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch
-tijdschrift had gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter Wartenau:
-</p>
-<p>„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie Ik-heid en de eigen
-mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog in onrecht en ellende leeft. Wat
-beteekenen eigen vreugde en eigen leed bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?”
-</p>
-<p>Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed door zich zoo
-weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl buiten zijn broederen en zusteren
-bleven zwoegen in het zweet huns aanschijns, om de kleine minderheid te dienen.
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder zette, en wist,
-dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, schrikte hij, en voelde hij
-pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger
-rijk en verheerlijkt maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie,
-warme gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, en zou
-zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets vertroostends: hij
-had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan zijn medemenschen gegeven, al konden
-de misdeelden onder hen er nog niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld
-aannemen, om te kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste
-in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd voor spot en hoon
-en verguizing.
-</p>
-<p>En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>bewust tot een gedachte te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane
-zijn boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren. Immers het
-teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren, het stil-biddend verlangen,
-waar de reien elfen en nimfen van zongen, wat was het eigenlijk anders, dan het kuische
-gebeuren in zijn eigen ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen
-aan den roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage voorgevoel
-van de verre prinses Leliane hem beroerde?
-</p>
-<p>Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij voor de uitgave
-gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke dingen, en vond het beter,
-eerst Marcelio er over te raadplegen, en te vragen, om hem met het uitgeven te helpen.
-</p>
-<p>Marcelio was bereidvaardig, als altijd.
-</p>
-<p>„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.… „Ik heb nog al veel
-connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien te publiceeren, en dàn apart
-bij een uitgever. Het is nu maar de kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren.
-Je moet natuurlijk kleur bekennen!”
-</p>
-<p>Dat begreep Paulus niet al te best.
-</p>
-<p>„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?”
-<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p>
-<p>„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en welke richting
-je bent toegedaan.”
-</p>
-<p>„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan. Ik probeer
-alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo eenvoudig mogelijk!”
-</p>
-<p>„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan te sluiten.
-Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk op je aan. Alléén staan
-is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven
-ze je nooit. Als je alléén wilt staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees
-het desnoods zoo tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets
-uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s kijken. Waar zou
-je je stuk nu naar toe sturen?.… Het beste is nog naar Duval, den hoofdredacteur van
-het oudste tijdschrift, „Het Morgenrood<span class="corr" id="xd31e957" title="Niet in bron">”</span>.…”
-</p>
-<p>„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft tegengewerkt?.… die
-de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk gemaakt … die Wederich’s beste, onsterfelijke
-sonnet „De Nachtegaal” indertijd heeft geweigerd?.…”
-</p>
-<p>„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters, op een enkele
-na, hem weer <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is bijgedraaid … dat Wederich nu zelf een
-tamelijk loftuitende studie heeft geschreven over Duval’s prullenwerk … en dat, <span lang="fr">après tout</span>, het „Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls je eenmaal
-uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?… anders gééf je eenvoudig niet uit.
-Je dweepte vroeger met de schrijvers van den Lotuskrans.… maar nú, nu ze bijna allen
-water in hun wijn hebben gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in
-’t gevlei komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.… Bovendien wil je
-nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.… het is er dus vooral om te doen, dat je
-werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door zooveel mogelijk menschen wordt gelezen …
-en om dat doel te bereiken, moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders
-kóm je er niet.…”
-</p>
-<p>Paulus begreep het nog niet goed.
-</p>
-<p>„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet dicht te houden.
-Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire kringen verzeild raken, kennismaken
-met artiesten, enz<span class="corr" id="xd31e972" title="Niet in bron">.</span>, enz. Die zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer.
-Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire literatuur zich met
-de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te komen, nu
-ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in Godsnaam voorzichtig, houd
-je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me
-ééns vertelde van Wederich met zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen
-zijn vroegere doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en
-is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om verloochend. Die Lavelane
-is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet transigeeren wil. Maar dat zal óók wel
-komen, als je maar geduld hebt. De tijd doet véél.… Je moet zien, dat je vooruitkomt
-en je pousseert, in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij<span class="corr" id="xd31e976" title="Bron: ..,.">.…</span> Het beste is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en
-dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en <span class="corr" id="xd31e979" title="Bron: wordt">word</span> je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.… stap dus over dat idee
-heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur hem je werk. Gelóóf me, het
-is een verstandige raad, dien ik je geef.… ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een
-goed woordje voor je doen.… als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed
-voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.… dan vindt hij zich zoo de welwillende
-protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui wel een handje <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>zal helpen.… als ze hèm maar erkennen, en niets buiten hem om doen.… en je bent daar
-in het „Morgenrood” in elk geval in goed gezelschap van menschen met fatsoen, die
-wèl de mooie, rythmische woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.…
-heusch, „het Morgenrood” is nog het beste.… pak jij je manuscriptje nu maar netjes
-in, en stuur het aan Duval.… ik zal hem dan vanavond te spreken zien te krijgen in
-de societeit en je aanbevelen.…”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon papier, en bond
-er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel.
-</p>
-<p>Een oogenblik twijfelde hij.
-</p>
-<p>Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt had in de reine
-eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de menschen met hun harde gezichten
-en hun hoonenden blik, in die duistere stad, vol zonde en misère, zou het overal ten
-toon gesteld liggen, en ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen.
-Grove handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en wreed boven
-lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in een woestenij vol roofvogels
-en gevaren? En waarom deed hij het eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>medemenschen te verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en
-mooi te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging doorbeefde
-hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem dan tóch al hebben besmet?.…
-Als hij het pakje nu tóch wegstuurde, was het met een kwalijk verholen gevoel, dat
-hij een slechte daad ging doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden.
-</p>
-<p>Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een brief van
-Jacob Duval.
-</p>
-<p>Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins en de Fee” werd
-een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of zijne mede-redactieleden zouden
-ook die meening zijn toegedaan. Ofschoon<span id="xd31e996"></span> „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al maanden op plaatsing
-wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden gemaakt, en in het eerstvolgend
-nummer zou zijn sprookje verschijnen.
-</p>
-<p>Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog wel degelijk
-erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van „Het Morgenrood,” die de
-sublieme verzen in de eerste afleveringen van „De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep
-hij naar Marcelio, om hem het heugelijke nieuws te vertellen.
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.… als je die heeren maar
-op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel schappelijk.… ik ken Duval al
-zoo lang.… en ik heb hem verteld, dat je een protégétje bent van Haar Koninklijke
-Hoogheid.… van die scène in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.… zoo
-héél in vertrouwen zei ik hem dat.… nu, en dát was genoeg.… voor Haar Koninklijke
-Hoogheid doet Duval álles.… en het was je beste voorspraak, béter nog dan je boek
-zélf.…”
-</p>
-<p>„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus op, naïef.
-</p>
-<p>„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.… o! wat ben jij nog
-een broekie.… Maar weet je, wat je nu doen moest?.… nu moest je eens naar Jacob Duval
-gaan.… hij woont in de Marmerstraat, 64.… en hem bedanken.… dat zal hij erg appreciëeren.…”
-</p>
-<p>Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan zou terugdenken,
-als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij, klein en nederig, naar een groot,
-weelderig huis is gegaan, waar woonde Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber
-van de literatuur. Het was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en
-dikke tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>imponeerde door pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog,
-strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den neus.
-</p>
-<p>Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den schouder en zei „mijn
-beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk „charmant,” zeide het mannetje, „het was
-een trouvaille … zoo weer eens iets héél nieuws … en de redactie was er erg blij mede
-geweest … hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker … het was
-uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend … er was zooveel slecht gezelschap in
-de literatuur voor jongelui … maar nu had hij geen tijd meer … een redactievergadering …
-je begrijpt, er komt heel wat kijken aan zoo’n tijdschrift … Paulus moest nog maar
-eens terugkomen …”
-</p>
-<p>En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk contact er ooit
-kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende, uitgedroogde, oude heertje.
-Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje had gezonden aan dát menschje!
-</p>
-<p>Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan beginnen? Waar
-was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij, dat er nooit voeling had kunnen
-zijn tusschen het innigste uit zijn sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>niet. Dan had Duval héél anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden
-toon aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een opwelling, om
-zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr weg, terug naar de eenzaamheid
-van vroeger, om het enkel zélf te kunnen lezen, heel alleen onder de stille boomen
-van het woud. Maar nu was het te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu
-maar afwachten, wat er van komen zou.
-</p>
-<p>Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen, kende Paulus voor
-het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te hooren naar hem toe klinken, van
-buiten naar binnen. Hij las nu zijn sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een
-ander was, terwijl het toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo
-vreemd, dat alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan
-te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was het èven, of
-dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als ’t ware apart van hem, een
-eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er zelf armer door was geworden.
-</p>
-<p>Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de tijdschriften in couranten,
-werd zijn sprookje gesignaleerd. Er verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen.
-Een bekend uitgever <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in boekvorm. In de literaire
-wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke
-sprookje had geschreven in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke
-grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was verschenen,
-voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en den auteur te roemen. Eenige
-recensenten van de oude school gebruikten het sprookje, om aan te toonen, hoe het
-idealisme weer boven kwam als reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente
-schrijvers in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de verschijning
-in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur.
-</p>
-<p>Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en onbekend met het
-industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht zijn auteursrecht voor den
-eersten druk voor een som, die hij buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar
-van kon leven, zooals hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had
-moeten vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een groot pak aan
-zijn adres, met <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>den naam van zijn uitgever er op, in dikke letters. Haastig sneed hij het open, en
-daar lagen de twintig present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band,
-door een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar donkere
-boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd! Het zachte papier, de
-pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte letters!
-</p>
-<p>Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de blanke vellen papier,
-als van fijne zijde, door zijne vingers glijden. Dit was nu iets van hèm, apart, uit
-zijn eigen ziel gekomen!
-</p>
-<p>Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht, dat dit boekje
-een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van dames, en in dure boekenkasten
-van eikenhout met glas; iets, waar de meerderheid van de menschen, die slaafden en
-sloofden, tòch niets aan hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”,
-de afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en kinderen, de
-jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de straten, wat hadden zíj aan
-zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf
-francs konden koopen, en den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een
-fauteuil, in een omgeving van comfort en overdaad.
-<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-<p>Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo voornaam uitzag. Zijn
-naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,” zooals hij vroeger op de titelbladen
-andere had gezien, „Wederich,” en „Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel
-van hèm gingen houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid
-van het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje zouden gebogen
-zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op vallen, als hij over hén had
-geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen, die om hem dachten, al kende hij hen niet,
-en zijn ziel zou voeling hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het
-liefste en mooiste had neêrgelegd.
-</p>
-<p>O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van een boek.
-Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel van je medemenschen, die
-je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het beste en innigste van je kregen ze,
-want het andere, mindere, van je lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en
-gewoonheidjes, bleef er buiten.
-</p>
-<p>’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet in de vitrines
-was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag nog niets. De uitgever had
-hèm dus zeker het eerste van allen bedacht, nog vóór hij aan de expeditie <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>begon. Hij keek nu aandachtig naar al de boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs
-bij, als je eens goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe,
-sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn, maar de meeste
-hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die listige, pieterige intrigetjes,
-van mannen en vrouwen, die elkaar bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten
-te kunnen botvieren. Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in
-den Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde, en die
-nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie, waarin de zoon gaat
-trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader, door toedoen van zijn eigen ouders,
-die er alles van wisten, en dit de beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau
-door dit stuk, dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote
-Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat denkbeeld voelde
-Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens naast dat van Wartenau zou komen
-te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de
-mooie, in rood marokijn gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine,
-dien hij als een heilige vereerde om zijn „<span lang="de">Buch der Lieder</span>.”
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret van prinses
-Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere verschijning van fee.…
-</p>
-<p>Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane boeken! Hij
-had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de allerbeste dichters en schrijvers,
-en hij zou er vazen bij gezet hebben met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld
-op oude schilderijen.…
-</p>
-<p>Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij opééns vlak voor
-zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen:
-</p>
-<p class="center">„De Prins en de Fee” <br>Een sprookje <br>door <br>Paulus.
-</p>
-<p>Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op.
-</p>
-<p>Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden het nu zien.
-Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met hun harde gezichten en hun
-breed gebaar.… En zij konden staren met hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje
-op den band, dien vijver, waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen
-in het rond.
-</p>
-<p>Hij keek angstig naar de menschen, die voor de <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>vitrine stonden te kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen
-’t leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de gehandschoende
-vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met een naakte vrouwenfiguur. Een
-paar oude heeren stonden gewichtig te kijken naar den titel van een groot werk over
-crimineele anthropologie. Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem
-stond een jong meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en
-onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het meisje zeggen:
-</p>
-<p>„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood” heeft gestaan.
-Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten we het dadelijk gaan koopen!”
-</p>
-<p>Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar oogen. Toen
-voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou hebben met zijn ziel, en
-de harde gezichten der andere menschen boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep
-onbezorgd door, en zag zijn boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van
-luxe, dat iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag, hoe
-er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit zijn ziel, voor zóóveel
-francs te koop, maar ontoegankelijk <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>voor wie die som niet kon betalen.…
-</p>
-<p>Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich schuil en ontweek
-hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend Elias vertoonde hij zich niet.
-Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn boek zouden beginnen, en tegenover Elias
-was het eigenlijk een zekere schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag
-kwam hij Marcelio op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar
-zijn eigen appartementen in de Koninginnestraat.
-</p>
-<p>„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn allerlei brieven
-en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij mij, over je boek, en ik dacht,
-dat je toch wel eens áán zoudt komen. Weet je wel, dat je een succès fou hebt met
-je sprookje? Als je nog een béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van
-je heeft ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat <span class="corr" id="xd31e1069" title="Bron: wordt">word</span> jij in de hoogte gestoken, en dát in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!”
-</p>
-<p>En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van Marcelio, waar
-hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor hem gekomen waren. Het waren
-meest alle brieven en recensies over zijn boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld.
-In de uiterste verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn gezicht,
-naarmate hij er mede vorderde.
-<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven kwam neer op
-dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in de hedendaagsche literatuur.
-Verbeeld je, in déze tijden, in de zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het
-materialisme, nu de geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en
-grof sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te beginnen
-van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een prins uit een sprookje,
-die sprak de taal van Romeo, die van een Danteske vereering gloeide, en zoowaar van
-liefde stierf, als in de vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus,
-van wien nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan verhalen
-van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar kon droomen en nóg eens
-droomen, van heel verre af, en zachte gebeden fluisteren naar een fee, eindeloos weg,
-die woonde op een onbereikbare ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als
-het niet zoo subliem was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren
-de wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een groote stad,
-in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was daar een droomer opgestaan,
-die vertelde van de lichte visioenen der oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>om draken te verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van
-hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een hartelijk welkom
-toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een eereplaats had veroverd in
-de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een school door hem gesticht zou worden,
-zou dat wezen de hernieuwde school van het romantische idealisme. Apart en bijzonder
-stond Paulus’ boek in deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken,
-zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans leefden. Zelfs
-van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij zijne bewondering uitte, en
-die hij liet volgen door een sonnet „aan Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.”
-</p>
-<p>Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle van jonge meisjes,
-die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar ziel had gewekt, en hem vertelden
-van de tranen, die zij hadden geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een
-vrouw, die haar naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en ongelukkig
-was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van droom tóch niet bestonden,
-en ze alle maar vage schijnbeelden waren geweest van haar fantasie. In haar jeugd
-had zij óók zoo verlangd, als de prins, <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon van haar ziel, maar het
-harde leven had haar mooie droomen vernield, als een wilde wind een zeepbel, en toen
-had zij gedaan, wat alle andere meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man
-met geld en positie. Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste
-maal na lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o! zoo
-droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders „compunctio” noemen.
-En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij haar door zijn boek haar ziel weer
-èven had doen zien.
-</p>
-<p>In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem Edelweiss, met een
-groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.”
-</p>
-<p>Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in zijn oogen,
-en een blos van geluk kwam over zijn gezicht.
-</p>
-<p>Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend:
-</p>
-<p>„Zóó … heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?…”
-</p>
-<p>Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig bijeen en ging
-heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille kamer.
-</p>
-<p>Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>dat onverwachte en zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen
-bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van de duistere
-stad vol onrecht en zonde.
-</p>
-<p>Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen van zijn sprookje,
-door de literaire mannen van het vak, dat zij letterkunde noemen, en met de hem eigen
-intuïtie raadde hij, dat het grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie
-was gekomen, en onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven,
-die persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van dankbaarheid
-en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn kunst, had hij ze óók niet
-gelezen over boeken, die antipathiek waren aan het innigste van zijn ziel, over het
-infame tooneelstuk van Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die
-voor een ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk niet
-een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der literatoren”, te
-worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde decadenten, die hun heiligste goed
-hadden verloochend voor den groven smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige,
-brillante sonnet van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had
-aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde?
-</p>
-<p>Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte rondkruipen, voelde
-hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke gedachten daarover, toch oók een zachte,
-laffe genoegdoening over het succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing.
-En nú nog, al vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen.
-Het was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, en die tóch
-somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens bang was te bezwijken en
-duizelend naar de weeë bekoring te loopen van haar geurige, warme lichaam. Zonder
-zich bewust te zijn waarom, ontweek hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat
-hij zich schaamde over den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar
-op een goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem niet
-meer ontloopen kon.
-</p>
-<p>„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.… Waarom ben je niet
-weer eens aangekomen?.… Maar dat is waar, je bent nu de beroemde schrijver, hè.… je
-bent nu in de vóórste rij der literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.… en nu ben je
-je oude vrienden maar zoo’n beetje aan ’t vergeten.…”
-</p>
-<p>„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. „Maar ik had
-zooveel <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>te doen.… en ik ben aan iets nieuws bezig.…”
-</p>
-<p>„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar kom, loop een
-eindje meê op.… als je je nu maar goed houdt, dan bèn je er.… een beetje politiek
-zijn, natuurlijk.…”
-</p>
-<p>„—Goed houden.… politiek zijn?.…” vroeg Paulus.
-</p>
-<p>„—Nu ja.… je wéét wel.… dat zal je vriend Marcelio je toch óók al wel gezegd hebben—bij
-de heeren in een goed blaadje blijven.… geen aanstoot geven.… in ’t kort, een fatsoenlijk
-mensch zijn.… meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes … Nú, tegenwoordig
-gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en de partijen hebben zich
-toch zoowat verzoend.… nu maar héél netjes, en dociel, en in den vorm blijven.… dan
-kòm je er wel.… voorál geen heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je
-er voorbijgaat.… op geen verboden plaatsen komen, hoor!.… en liefst de héérschende
-meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst.…”
-</p>
-<p>Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna boos antwoordde
-hij:
-</p>
-<p>„—Maar Elias.… hoe kán je zoo spotten?.…. je wéét toch wel, dat ik altijd mijzelf
-zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal buigen, en altijd eerlijk hardop
-zeggen, of in ’t openbaar schrijven, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>wat ik meen?.… Waarom spreek je zoo.… Heb je mijn sprookje gelezen?.… <span class="corr" id="xd31e1112" title="Bron: Vindt">Vind</span> je er iets valsch of onecht in?.…”
-</p>
-<p>„Neen, Paulus, dát niet.… ja, ik héb je boek gelezen, bij uitzondering, omdat het
-van jóu was … ik geloof, dat het heel zuiver is en echt.… zóó uit je ziel.… en ik
-voel het wel mooi óók, als literatuur.… al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat
-de groote gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.… Maar ik denk niet, dat je
-’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet als die glorie en die
-roem óm je blijven.… Die bederven op ’t laatst den beste.… Kijk eens naar Wederich,
-naar Wartenau, die toch óók ééns zuiver zijn geweest … als je in den smaak wílt blijven,
-móet je eindigen met water in je wijn te doen.…”
-</p>
-<p>„—En als ík het nu eens niet doe.… als ik bij een of andere gelegenheid eens tegen
-den stroom zou ingaan?.…”
-</p>
-<p>„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je lof zingen,
-zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je voor het grootste prul
-uit te maken, dat ooit heeft bestaan.… Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor
-je zijn.… Dan zou je metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie
-zijn, en je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.… <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>Nú, kijk nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg zoo’n
-beetje geweest.… íets werkt het verraderlijke gif altijd wel uit … Denk nu eens aan
-Lavelane.… maakt híj zuivere, mooie gedichten.… ja, hé?.… duizendmaal mooier dan ál
-wat Wederich en Wartenau nu prutselen.… en heeft díe roem of glorie?.… Het ééne tijdschrift
-scheldt al harder op hem, dan het andere … er is pas weer een artikel tegen hem uitgekomen,
-in het Zondagsnummer van „De Zon” van gisteren.… het is van professor Lucianus.… den
-vriend van Duval, een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk
-óók toe behoort.… een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik zelden gelezen.…
-Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren niet bevalt, gaat het met joú denzelfden
-kant op.… ze zouden je wel krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en
-ze zouden er wel een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te loochenen
-of te herroepen.”
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens nieuwe verrassingen
-over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in tijdschriften, particuliere brieven.—
-</p>
-<p>Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den hoofdredacteur Duval,
-van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een der beroemde maandelijksche diners
-van de redactie. Dit was een groote onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie
-van „Het Morgenrood”, het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was
-zeer exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen aanzitten.
-</p>
-<p>Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide hem, dat zijn
-geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het zou gelijk staan met zich voor
-goed onmogelijk te maken, als hij zulk eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers
-van zijn werk leven, en van niemand afhangen? <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, en de machthebbers niet noodeloos tegen
-zich maken.—
-</p>
-<p>Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde bederven.
-Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets prijs ging geven, schreef
-Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.
-</p>
-<p>Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door een bekwamen
-kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de Koninginnestraat, waar het redactie-diner
-van „Het Morgenrood” zou plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het
-gereserveerde zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude
-heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met gouden brillen,
-en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.
-</p>
-<p>„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval vroolijk uit,
-en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u voorstellen.… Paulus.… den
-schrijver van het charmante sprookje „De Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal
-doen heden avond met ons aan te zitten.”
-</p>
-<p>Paulus boog.
-</p>
-<p>Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en wetenschap, met doctors-
-en professorentitels <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>er voor. Die mannen waren allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen,
-beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun gouden brillen.—En
-weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij zooveel officiëel gewichtigs.
-</p>
-<p>Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn de mannen,
-die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en geschimpt hebben het mooiste
-en zuiverste,” maar, als om die gedachte onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval
-zeggen: „Nu wachten we nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—
-</p>
-<p>En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, besluiteloos staanblijvend,
-of hij eigenlijk niet goed verder durfde.
-</p>
-<p>Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en medelijden. Dit
-was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het Bosch, dien hij had vereerd als
-een heilige, en nù was hij hier gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van
-het mooiste en innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de Diamanten
-Ster was in zijn knoopsgat.
-</p>
-<p>Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al de heeren toe,
-onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne bewegingen. <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn gemak, alsof hij voelde,
-dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet bang behoefde te zijn. En hij keek hem
-vriendelijk, ietwat beschermend aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi,
-dat die man ééns aan zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot
-deed hem al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog in
-dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van vereering en
-dank.
-</p>
-<p>Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal schitterende tafel
-zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig wachtten. Paulus werd een plaats
-aangewezen tusschen Wederich en Duval. Hij voelde zich nog altijd klein en nietig,
-tusschen al die geleerde, beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat
-er tóch iets in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen klonken
-luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun gesprekken vol geest en gloed.
-Er werd gesproken over oude wijsheid, die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit
-de titels van had gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep.
-Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal zoo verschrikkelijk
-deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke wijze, <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder al die ontzaglijke
-dingen van wetenschap en kunst zaten zij als deskundigen met groote kennis van zaken
-de fijne gerechten te proeven, en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden
-wijn. De atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd drukkend
-warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een irriteerend geluid op
-de borden. Rood werden de gezichten der etende geleerden.
-</p>
-<p>Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?… Wat kan er ooit
-voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan aandoen?…”
-</p>
-<p>En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met zijn jonge,
-warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van het Bosch, dáár, tusschen
-die deftige, gewichtige meneeren, die zoo genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende
-over allerlei hooge, edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte
-zaaltje vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam toe gekomen?
-</p>
-<p>Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren even iets tegen
-hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele eer, dat hij mede mocht aanzitten.
-Wàt zij zeiden, waren banaliteiten <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.
-</p>
-<p>Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.
-</p>
-<p>„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.… het heeft me tot een
-sonnet gebracht.… u heeft dat zeker gelezen …?”
-</p>
-<p>„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het vers niet
-mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het mooie van vroeger, en hartstochtelijk
-zeide hij, hem ontroerd aanziende:
-</p>
-<p>„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van vroeger.… U wéét
-niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.… hoe ik er over gehuild heb, en hoe
-ik uw boek altijd bij mij droeg en het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.…
-o! en al het mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane …!”
-</p>
-<p>„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet uitspreken.… Dat
-is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel
-alleen, in zijn belachelijk isolement.… Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten”
-zoo mooi?.… zóó, zóó.… wat wild en wat naïef toch nog.… mijn „Jugendsünden” noem ik
-ze nu.… iedereen heeft nu eenmaal zoo’n zwarten tijd doorgemaakt.…”
-<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p>
-<p>Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer antwoorden. „Jugendsünden”…
-„zwarten tijd”.… het gaafste en zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.…
-Er was iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er iets in
-hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna ridicuul uit den hoogen
-boord op, en zijn magere lichaam deed potsierlijk in den rok.… Het was om te lachen
-en tegelijk om heel erg te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen
-man uit het volk om een verfijnde meneer te schijnen.
-</p>
-<p>Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren vroolijker. Een deftige
-professor zeide een woordspeling over geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht.
-Een ander vertelde iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk
-waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich lichtelijk obsceen.
-</p>
-<p>Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin enkel poëten
-zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of historici. Dit zou iets eenigs zijn
-in de geheele wereld, een academie van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens
-bestaande. Een luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen
-zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>eens, wie het eerst van allen in aanmerking zou komen.
-</p>
-<p>Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:
-</p>
-<p>„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?… U staat nog zoo heelemaal buiten de partijen …
-en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd … wie vindt ú nu wel, dat allereerst
-in aanmerking zou komen van de echte, zuivere dichters?…”
-</p>
-<p>Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te droomen over
-de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, zeide hij:
-</p>
-<p>„Lavelane!”
-</p>
-<p>Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al de deftige
-heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of iets onheiligs was opgeklonken
-tusschen hun heilige eet-ceremonie.
-</p>
-<p>„Bah!… Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.
-</p>
-<p>Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide schertsend:
-</p>
-<p>„Maar meneer Paulus … wat is u nog naïef!… weet u wel, dat u een „<span lang="fr">enfant terrible</span>” bent!…”
-</p>
-<p>Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:
-</p>
-<p>„Lavelane is toch een groot dichter!”
-</p>
-<p>Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige uitdrukking op zijn
-gezicht:
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, zonder piëteit,
-die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan hebben, en zonder égards,
-voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat officiëel erkend is tot de literatuur te
-behooren. Er is voor dien man niets heilig.”
-</p>
-<p>„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende argument te geven,
-„Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet iemand met wien je bijvoorbeeld
-aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”
-</p>
-<p>Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, om nog iets
-te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat gezelschap van oude, wijze geleerden,
-die zich amuseerden met schuine, obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!
-</p>
-<p>En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets gebeurd was,
-en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! Hij zat daar, „heer” geworden
-jongen uit het volk, potsierlijk in zijn veel te wijden rok, het lintje glimmend in
-zijn knoopsgat, heulend met zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend
-werd beschimpt.
-</p>
-<p>En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen zou hij óók
-moeten <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen behooren tot de officiëele letterkunde
-van beschaafde, erkende schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan?
-Hij vergat alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang in
-zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te veel in hem op,
-en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.
-</p>
-<p>Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven champagnekelk een toast
-uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees
-er op, hoe Wederich in den loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien,
-en zich thans ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó oprecht
-zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde tijdschrift, dat hij
-vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich bevrijd had van den verderfelijken
-invloed, dien de literaire anarchist op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde.…
-</p>
-<p>Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging stond hij
-op, en riep met luide stem over de tafel:
-</p>
-<p>„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste gevoelens heeft verraden,
-professor!.… Lavelane is de grootste dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom
-alléén, omdat hij niet mede wil <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>knoeien met de groote, officiëele bende.… Wat heeft dit eet- en drinkgelag met de
-literatuur te maken, dit vráág ik u …? ik scháám mij hier aan te zitten met mannen,
-die het heiligste, wat de literatuur bezit, durven beschimpen!.…”
-</p>
-<p>Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend van drift de
-zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele literatuur, als door den
-bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar wezenloos aanstaarden van opperste verbazing
-over zóó iets fabelachtigs en ongehoords.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, koude avondlucht
-na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde zich van een grooten druk bevrijd,
-nu hij het eindelijk gezegd had, en hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een
-tijd had kunnen buigen voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij
-had geld verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate het
-meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn naam. Maar gebógen
-had hij; en al had hij positief niets slechts gedaan, negatief had hij gehuicheld,
-door onderdanig te wezen tegenover de machthebbers en het poenendom.
-</p>
-<p>Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>Nu zouden ze hem beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk
-zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en dan zou hij
-misschien wel ééns moeten hongerlijden, .… maar o! vríj zou hij toch zijn en blijven!
-Was het dan niet beter en heerlijker, om ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de
-verworpenen, en de afgetobde hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met
-de onwaardige usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor
-wat glorie en wat geld?
-</p>
-<p>Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen over zijn boek
-bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten hoop papier van, en wierp het
-pak in den haard. Met een innig genoegen zag hij de mooie vlammen er uit opslaan.
-Daar gingen de lof en het opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende,
-die hem bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn geweest,
-het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, geleerde artikel van
-Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en al die andere prullen van de officiëele
-machthebbers méér, als niet één van hen in staat was, het valsche van het echte te
-onderscheiden? Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd,
-en Lavelane, de éénige die <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den
-lof van die schennende bende kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.
-</p>
-<p>Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens Lavelane te
-zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest leven.—Elias, die op alle
-officiëele grootheden neerzag, maar eene groote bewondering voor Lavelane had, omdat
-hij zuiver was gebleven en liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken
-als die van Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane
-was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings het leven
-leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij was te vinden in de
-duistere krochten van Leliënstad, omringd door een troepje décadenten, die zich hadden
-meester gemaakt van het, na Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij
-leefde met een <span class="corr" id="xd31e1218" title="Bron: afzichtetelijke">afzichtelijke</span> negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op hem uitoefende, en aan wie hij de
-prachtigste sonnetten wijdde, waarin hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel
-verborgen hield voor het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap
-zwijnde hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen champagne,
-maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge opflikkeringen van <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje van een vuile tafel, een vers,
-dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren,
-en dat later klassiek zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand
-wist waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had gezeten, in
-een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van Eenzaamheid”, in stil
-verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna dook hij weer onverwacht op in de stad,
-altijd weer ergens anders, om zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning,
-zonder adres, overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een dreigende
-schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel gezien in de Martelaarssteeg,
-een zijstraat van een buiten-boulevard, in het „Café Dufour”, een rendez-vous van
-schooiers en mislukte artiesten.—
-</p>
-<p>Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet bedwingen, om nú,
-vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok uit, deed een halfgekleed avondcostuum
-aan, en nam de electrische tram naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg
-ging zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. Het was
-een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de vierde rangs prostitutie
-rondwoekerde, <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>voor verloopen studenten, en râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was
-een hol van ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren
-heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of souteneurs.
-Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers te waarschuwen. Meiden
-met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden lonkend heen en weer.
-</p>
-<p>Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, schoorvoetend het
-kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen
-in onsterfelijke liederen. Een dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in
-het eerst kon hij menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe
-waas.
-</p>
-<p>Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en vrouwen bijeen,
-luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen hadden het haar lang, op de schouders
-hangende, het hoofd bedekt door een breeden, slappen flambard.
-</p>
-<p>Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al dadelijk opschudding.
-Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, een paar meiden knipoogden, en een
-kerel, die bij de deur zat, nam <span class="corr" id="xd31e1231" title="Bron: grinnekend">grinnikend</span> zijn hoed af, en boog tot op den grond.
-</p>
-<p>Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>haren en half-open borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal
-meneer de graaf gebruiken?… Champagne hebben we hier niet!”
-</p>
-<p>Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem gericht.
-</p>
-<p>„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een hoekje zitten,
-waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, dat het verkeerd van hem was
-geweest, hier in dit costuum van heer te komen, in plaats van zich als een verloopen
-artiest voor te doen. Hij voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante
-om hem heen. Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden
-groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp gelach klonk
-uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten slag op de tafel. Hij voelde,
-dat het enkele feit van zijn hier binnen komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje,
-hun vijandig moest zijn.
-</p>
-<p>Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in illustraties
-had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.
-</p>
-<p>Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane kon zijn, maar
-geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek hem toe, dat van den grooten
-dichter te kunnen zijn.
-</p>
-<p>„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>„waar kijk je toch zoo naar, mooie meneer?.… zoek je hier wat?… je bent zeker verkeerd …
-wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?…”
-</p>
-<p>Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat toeschreeuwde.
-</p>
-<p>„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. „Ik kom hier
-enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane kon zien, den grootsten dichter
-van Leliënstad, en ik zou gelukkig zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”
-</p>
-<p>Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die aan het tafeltje
-zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een jonge, bleek uitziende kerel, mager,
-eenigszins beschonken, stond op, en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken,
-woest van hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een Griekschen
-god, en een nobel, hoog voorhoofd.
-</p>
-<p>„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen durft, zoo’n groote
-gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de mooie meneeren met fijne manieren
-en elegante mode-pakjes aan, die ooit de eer hebben, de hand te drukken van onzen
-godbegenadigden dichter.”
-</p>
-<p>„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best doende om rustig
-te blijven. „Ik <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”
-</p>
-<p>Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur openging, en van het
-tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet opging: „De Meester!… de Meester!”
-</p>
-<p>En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van zwakte, met
-een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit twee zachte, licht-blauwe
-heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, als in vage verten. Het was een sensatie,
-die hij zijn geheele leven niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en
-bijzonder, in dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie:
-dit moest Lavelane zijn.
-</p>
-<p>Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, en vloog hem
-om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een gejuich steeg op van het tafeltje.
-Zóó werd de groote dichter ontvangen door het troepje râtés en bohémiens, die hem
-huldigden als hun Meester, waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden
-uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, vroeger Lavelane’s
-vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, tusschen het officiëele poenendom in
-rok en witte das.
-</p>
-<p>Dadelijk werd een groot glas absinth voor den <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>dichter aangebracht, dat hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd
-hem een nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus weggeloopen
-en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was vrijgehouden en een pijp met
-een zak tabak lag op de plaats van den meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane
-gaan zitten, had nog even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan
-stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden onheilspellend zijn
-voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige uitdrukking. De limpide, blauwe oogen,
-teêr als een lentelucht in April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke
-onschuld in het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving zagen,
-maar enkel hun eigen droom.
-</p>
-<p>Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig over zijn
-schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart jasje aan, vol vlekken,
-en een verfrommeld, liggend boordje, zonder das, waaronder een stukje vuil overhemd
-uitkwam. Zijn broek was afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot.
-Zijn geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand aan lager
-wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet eens meer poogt, er ooit
-weer bovenop te komen.
-<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span></p>
-<p>Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar tegelijkertijd bedacht
-hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in die misère toch beter af was, dan
-Wederich, die het heiligste had verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer.
-En die schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, leken
-hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de deftige, officiëele
-professoren en doctoren van de letterkunde en de wetenschap, die het mooie en edele
-beoefenden als een vak, en zoo koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst.
-Zij gáven zich tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten
-hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die hij had gehoord
-van de deftige oude heeren in rok en witte das.
-</p>
-<p>Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het andere woord klonk
-een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun gebaren, wild als zij waren, leken hem
-eerlijk, en hun gezichten stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.
-</p>
-<p>In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, vanuit zijn hoekje,
-Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het bleeke jongemensch, met het prachtige
-voorhoofd, hem weer in het oog, en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte.
-De dichter scheen er zich niets van aan te <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>trekken, dat er iemand hier was gekomen alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk
-de schouders op, toen het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite
-om even naar hem te kijken.
-</p>
-<p>Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je kunt gerust weer
-uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie bèn je toch, hoe héét je? Of
-wil je dat niet zeggen?”
-</p>
-<p>„—Ik heet Paulus.”
-</p>
-<p>„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De Prins en de
-Fee?”<span class="corr" id="xd31e1276" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„—Dezelfde. En wat zoú dat?”
-</p>
-<p>„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den arm. „Paulus!
-Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en zelfs van de kroonprinses,
-zeggen ze. En die híer in ons midden, om Lavelane te zien. Maar dat is een unicum.
-Ik moet je vertóónen, kerel!”
-</p>
-<p>En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd en medegetrokken
-naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.
-</p>
-<p>„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer Paulus,… de dichter
-van het beroemde sprookje: „De Prins en de Fee”.… de protégé van „Het Morgenrood”.…
-hoera!.… en van Haar Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.… <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>verzeild geraakt bij óns, décadenten, bij ons, proleten en paria’s.… Lavelane!.… Meester!…
-wat zullen we met hem doen?.…”
-</p>
-<p>Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op en gaf Paulus
-vriendelijk de hand.
-</p>
-<p>„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.… „zoo, zoo.… ik heb toevallig je sprookje gelezen.…
-ik léés anders niet veel.… dat was goed, beste jongen, dat was goed.… kom gerust hier
-bij me zitten, vent.… zóó, hier naast me maar.…”
-</p>
-<p>Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat verdwenen. Van het
-oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, was Paulus een vriend voor hen
-geworden. Een handdruk van Lavelane was iets dat met geen goud was te koopen, en gaf
-grooter eer dan de hoogste ridderorde.
-</p>
-<p>„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens opzoeken?.… dat is aardig
-van je, heel aardig, hoor!.… maar weet je wel, wat je doet?… je bent toch immers een
-protégé van „Het Morgenrood”?.… als die luitjes het te weten komen, heb je het bij
-hen verbruid!”
-</p>
-<p>Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden gezicht! Wat een
-smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende overheen zijn gegaan!.… Maar
-de oogen, teeder blauw, als van <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>een onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze ziel. Het was
-hem, of hij in de lichte hemelen zag.
-</p>
-<p>„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die mannen schelen van
-„Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik in úwe oogen heb mogen zien?.…
-denk toch niet klein van mij.… ik ben nu vrij, héélemaal vrij!.… ze hadden mij gevraagd,
-die menschen, doctoren, en professoren … om een groote, rijke tafel zaten zij, in
-rok en witte das, als beursmannen en bankiers.… en naast mij zat Wederich, die zijn
-ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn knoopsgat.… o! ik zat daar maar
-heel klein en heel nietig, tusschen al die groote heeren.… totdat ze het waagden,
-úwen naam te noemen, Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten
-dichter van het land, en toen …”
-</p>
-<p>„—En toen?.…” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning.…
-</p>
-<p>„—En toen.… toen ben ik opgestaan.… ik kón niet meer.… ik zou krankzinnig zijn geworden.…
-toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard waren, de hééle bende.… en dat ik me scháámde
-met hen aan te zitten.… en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten.…”
-</p>
-<p>Een luid gejubel barstte los.
-<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
-<p>De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.
-</p>
-<p>„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je mijn vriend,
-hoor! mijn vriend!”
-</p>
-<p>„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de zijne drukten,
-en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij schrikte van de geestdrift,
-die hij had opgewekt, en zijn hand deed pijn van de forsche drukken.
-</p>
-<p>Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven te zijn opgewaakt
-uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen roes verzonken, en zat zwijgend
-aan zijn pijp te trekken. De blauwe oogen staarden vaag in de verte.…
-</p>
-<p>Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor Lavelane,
-maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij dronken glas na glas met bier,
-of grog, of absinth, zij rookten cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met
-de kellnerinnen, die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol
-vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t drinken en ’t rooken.
-Zij hadden het over allerlei dingen van literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen
-had, noemden namen van zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich
-niet herinnerde ooit te hebben <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, door allen toegejuicht, waar hij absoluut
-niets van begreep. Hij raadde in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige
-pogen, om toch maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen
-bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun liefde voor Lavelane.
-Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo groot dichter als hij tot éénige
-vereerders moest hebben dit luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat
-hij dit bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder liefde.
-Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo teeder en zoo klaar, voelde
-hij zich weer gerust, en wist hij dat de ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch
-altijd behouden zou blijven, veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige
-titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en de magere handen
-beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de hemel-blauwe oogen waakten
-rustig, als stille sterren.…
-</p>
-<p>Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van dezen mensch
-gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste hem verlaten had, en hij
-eenzaam was achtergebleven met al de schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na
-dat wreede verraad aan zijn ziel door zijn Lief, <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te dragen, voor goed verloren geraakt in een
-leven van drank en ontucht, waarin hij vergetelheid had gezocht.
-</p>
-<p>Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, en toen hij
-dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem geworden?” Maar toch voelde
-hij, dat die dronken, verloopen dichter beter af was dan Wederich, die het heiligste
-had verzaakt. En in dat afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast,
-en uitte zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd vers.
-</p>
-<p>Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te worden. De glazen
-jenever-grog werden boordevol geschonken en met groote teugen geledigd. Lavelane dronk
-enkel absinth, zonder water. De gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend,
-vol vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, en voelde
-dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd afscheid te nemen.
-</p>
-<p>Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde hem tegenhouden.
-</p>
-<p>„Blijf nu toch, kerel,<span class="corr" id="xd31e1318" title="Bron: ..">…</span> straks … hik … gaan we naar de meiden …” stotterde hij.
-</p>
-<p>Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de hand te drukken.
-Maar de <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>dichter was al te veel onder den indruk van de absinth.
-</p>
-<p>„Wie … ben … jij?…” vroeg hij, hard.
-</p>
-<p>De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe oogen van Lavelane
-zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of díe hem nog wel kenden. Veilig en
-ongerept zag hij er de reine, groote ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke
-lichaam moest leven …
-</p>
-<p>En rustig, zonder <span class="corr" id="xd31e1330" title="Bron: bezorgheid">bezorgdheid</span>, liep hij het armzalige cafétje uit.
-<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK IX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo weinig mogelijk
-te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij zich met zijne gedachten aan
-háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger
-niet zuiver meer zou kunnen uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht
-had hij zich verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte maagd
-gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú was hij weer begonnen
-met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij indertijd, in een klein bundeltje
-gepakt, met een paar andere souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze
-na zoo langen tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed waren.
-Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet, hij had ze zoo maar
-neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij nu eenmaal niet anders kón, zóó
-sterk was de drang tot uiten, en nooit was <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden lezen. Maar nu hij
-zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de literatuur was gekomen, wist hij
-zich ook rekenschap te geven waaròm en hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die
-verzen van vroeger, uit zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef
-hij ze alle over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich
-opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel verzamelen, en de
-uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid ze aan te nemen nog vóór hij
-ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde
-hij ze aan Lavelane geven voor zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren
-sterk achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren, sinds Wederich
-en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. Lavelane alleen was overgebleven
-met een troepje décadenten. Wie nú in „De Lotus” schreef was door dat enkele feit
-zelf al een râté, een mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en
-door de officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond Paulus
-het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te publiceeren. Hij wist dat
-het Lavelane goed zou doen, en hij was er trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten
-samen te werken. <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de arrivisten, met de
-schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar over zijn ziel.
-</p>
-<p>Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden maken en, in plaats
-van een hooge onverschilligheid, voelde hij een onzuivere behoefte aan spot en hoon.
-Lavelane nam de verzen dadelijk aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief
-er over, dien hij voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering
-van zijn idealen dichter.
-</p>
-<p>Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor Lucianus, dat
-Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van verontwaardiging, schreef hij er een antwoord
-op, waarin hij de prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband
-rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie onontvankelijken professor.
-Hij onderteekende het met zijn naam: Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.”
-</p>
-<p>Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan het nazien
-van zijn verzen.
-</p>
-<p>Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even, moê van het staren
-op al de aparte lettertjes van de copie, een courant had opgenomen, kwam onverwacht
-eene ontzetting over hem. Dáár stond het, als iets heel gewoons, iets <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>heuglijks zelfs, waar de wereld verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou
-prinses Leliane in Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius
-Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk feestvieren, en met
-bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het hooge paar op een waardige wijze
-te ontvangen.
-</p>
-<p>En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking weer in al
-zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen zag hij het roode, brute
-gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig en ruig in den zwaren, zwarten baard,
-met den grooten, breeden mond, als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het
-was als het Beest uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen
-oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als maneglans en rein
-roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de prinses, liefelijk en licht naast
-het dreigende, donkere van het Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam
-gaan, en duistere schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer,
-daar kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn binnenste.
-De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem door, over alle stille,
-rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze in hem, als bloemen waar een kille
-nachtwind over gaat. <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>Zijn ziel beefde en werd van onrust vervuld.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte zich op, om
-de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen eerepoorten en versieringen,
-en de huizen werden omhangen met groen en bloemen.—Iederen dag vorderde het groote
-werk en duizenden werklieden waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het
-koninklijke paar zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht,
-of alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en dingen
-was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd met lauweren en festijnen
-en bloemen. De couranten stonden vol artikelen over het aanstaande huwelijk, over
-de voorbeeldige verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische vorstenhuis,
-het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd versterkt in het Europeesche statenverbond.
-Officiëel erkende dichters waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit
-door de politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van Dante en
-Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het nieuwe nummer van „Het Morgenrood,”
-en Jacob Duval wijdde er een lang, geleerd artikel aan over de stamboomen van beide
-vorstenhuizen. Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>armste wijken werd nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen
-en bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor gewerkt.
-Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en onrecht meê verzacht had
-kunnen worden, werden nu verspild aan eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om
-te vieren het aanstaande huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook
-aan Paulus, hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk,
-het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren, nu men het
-wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld van parades en vuurwerken
-en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst mede, om den machthebbers genoegen te
-doen, en was het al het onrecht en de ellende vergeten.
-</p>
-<p>Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en verspreidden zij
-pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle verblinding van het volk was
-door niets te stuiten, en het liet zich aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden
-het intrekkende paar al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding
-en bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die dagen te werken.
-Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep hij door de stad, in <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>stomme ontzetting het aanziende, hoe overal bloemen en groen werden aangebracht, om
-dat verschrikkelijke feit te huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het
-ruige Beest. In de koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte
-van het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als de triomf
-van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch verheugt in den ondergang van
-het reine.—Nu zág hij het, en ’t was onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het
-Beest was overwinnaar, het zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen
-en drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren, waren de
-menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren gehaald, en zij hadden triomfpoorten
-opgericht, en zij zouden doen schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte
-en teêre en blanke van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en
-roode en bloedgierige van het Beest.
-</p>
-<p>Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het licht van
-fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg het tooneel een helsch
-aspect voor hem, en angstig stond hij te staren naar dat demonische gedoe.
-</p>
-<p>Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het komen, nu zou
-het komen …
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
-<p>Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was de verschrikking
-niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want nú zou het in al zijn afschuw
-met de oogen zijn te aanschouwen: het ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid,
-en dit als door een duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden
-door het groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk.
-</p>
-<p>Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich voorgenomen, den
-geheelen dag thuis te blijven, om niets van de gruwelijke feestviering te zien, maar
-een onweerstaanbare drang, om het tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef
-hem naar buiten. Het was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar
-vanzelf moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte was
-gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het koninklijk paar te zien
-voorbijgaan. De vensters van de huizen waren vol opeengedrongen menschen, en op de
-daken was het zwart van de toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa
-geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit meer kon, voelde
-hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken zou. Een weeë, muffe menschenlucht
-kwam in zijn neusgaten. Het was een lucht als van beesten, vermengd met stinkenden
-tabaksgeur <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>en bedorven odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk worden.
-In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in, maar de zwarte menschendrom
-nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard,
-onder de boomen.
-</p>
-<p>Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast, schouder aan schouder,
-als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op wilde paarden, de blinkende sabel in
-de vuist, renden dragonders in vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te
-houden, zooals groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat
-kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der vóór-staanden van
-de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen een paar dragonders aangehold,
-die hun paarden lieten steigeren en er onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen
-gilden, kinderen raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders
-doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken aan Marcelio’s
-gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl had het toch iets van vee. Éen
-machtige élan van die duizenden, en de paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen.
-Maar nú lieten zij zich onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door
-de huurlingen van haar, die zij straks zouden <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>toejubelen uit al de macht hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden,
-waarvan het meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd,
-als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en dom, in dichte
-klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te juichen over de overheersching
-van de Schoonheid door het ruige Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen,
-diende bruut geweld van krijgsvolk.
-</p>
-<p>Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode gezichten vlak
-bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de walgelijke lucht van vuil ondergoed
-en ongewasschen lichamen. Nooit had hij de menschen zóó leelijk gezien.
-</p>
-<p>Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr in ’t hooge,
-waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het fijne wonder van de Cathedraal,
-recht oprijzend boven de droeve, donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht,
-als bevend van innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met
-hun tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot hemel-vlucht.
-</p>
-<p>De Cathedraal!… Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend cantille-werk en
-haar biddende bogen boven de reliquie van het allerreinste, van de <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het vlekkelooze geslacht van Leliane uit
-was ontsproten.
-</p>
-<p>En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de witte leliën-maagd
-besmetten zou … Kón dit dan bestaan?… of zou op het laatste oogenblik nog een wonder
-gebeuren, dat haar reinheid redden zou?… Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal,
-en wachtte …
-</p>
-<p>Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar beneden, en plechtig
-begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In de verte bulderde een kanonschot.
-Toen nog een. En nog een. Prinses Leliane was aangekomen.
-</p>
-<p>Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den menschendrom geplakt.
-De klokken luidden en luidden. De kanonnen bulderden over de stad. Toen loeide opeens
-in de verte een lawaai aan, als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en
-schreeuwden luide hoera’s.… Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter bij.—De
-dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het volk nog meer terug. Paulus
-zag de groote monden in de roode gezichten òm hem zich wijd opensperren, en hoorde
-een afschuwelijk gehuil, dat gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte
-door elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden.
-<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p>
-<p>Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van goud en zilver.
-Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun licht-stralende kurassen.—Daarachter
-een paar rijtuigen, gala-koetsen, met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud,
-met driekanten steek.
-</p>
-<p>En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte paarden van
-de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun fier-gepluimde koppen, de fijne
-pooten voorzichtig neerzettend, als waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken
-een fijne glazen karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die
-geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het sprookje. Het leek
-alles onreëel, visionnair, als in het <span lang="de">Märchen</span> van lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam, geluidloos voortzwevend,
-getrokken door die acht, verblindend witte rossen, met de roze neusgaten, en vurige,
-roode oogen.
-</p>
-<p>Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk van fijne kanten
-gehuld, de wondere verschijning van de prinses, liefelijk als de Fee uit het sprookje,
-met haar zachtblauwe oogen, waarin de droom lag van de hooge hemelen.—
-</p>
-<p>Maar.… o gruwel!.… vlak daarnaast.… dat andere gezicht, zwaar-gebaard, ruig en rood,
-het Monster, dat de tooverprinses heeft geroofd.… hoog <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van brute kracht.… als een echte
-barbaar, in den dos van zijn zwarten, langen baard, en met bloedbeloopen oogen.…
-</p>
-<p>Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog éven zag hij
-Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het portier, nog éven hoorde
-hij gejoel en gehuil.
-</p>
-<p>En dan verloor hij het bewustzijn.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd was natgemaakt.
-Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was leeg.
-</p>
-<p>„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een flauwte.… van het dringen
-zeker.…”
-</p>
-<p>En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks, en dat roode,
-grimmige gezicht met dien baard!.… Hoe was hij geschrokken!.… Toen was hij zeker flauw
-gevallen. Gelukkig, dat al die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen,
-toen hij voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en verzekerde
-hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar huis wel vinden. En schijnbaar
-kalm liep hij door. Maar waarheen?.… Daar zag hij vóór zich de <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij rust vinden voor zijn moede ziel. En
-haastig liep hij den Boulevard op, waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van
-de Kerk der heilige Leliane.
-</p>
-<p>Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen voelde, onder
-de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn
-luid snikken weerklonk door de plechtige stilte van de gewelven.
-</p>
-<p>Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht door de hooge,
-beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen, gouden schemer. De marmeren
-en albasten zuilen rezen statig omhoog, en aan de wanden glansden vergulde beelden
-van heiligen. Hier en daar, wèg in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar
-heilige kaarsen. Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen,
-zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus het goud van
-het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en daar, stond een eenzaam, rood
-lichtje te branden, apart en bijzonder.
-</p>
-<p>En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin bewaard werd
-de reliquie van de heilige Leliane.
-</p>
-<p>Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar neergeknield,
-onder de hooge, golvende <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>bogen van de Cathedraal, verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar
-vèr boven zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten cantille-werk.
-Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem neer, roerloos, onbewogen,
-verzonken in eigen, innerlijk gebed.
-</p>
-<p>„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij eigenlijk aanriep,
-in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God had gevoeld in de stilte van het
-Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, redt haar! o! redt haar van het Beest … bij al
-de vlekkeloosheid van deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen,
-bij al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, dat haar
-bedreigt … want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch niet, het witte, het smetteloos
-blanke van de Lelie en het ruige, het zwarte en roode van het Beest … dit kán toch
-niet gebeuren, en deze kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven
-staan in al haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die oprees
-uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár kind, de éénige afstammelinge
-van haar gebenedijd geslacht, zou worden ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke
-Beest.—O! heilige Leliane, o! heilige Leliane, red haar!… ik sméék het u met het heiligste
-van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den gruwelijksten <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>marteldood,… als het háár maar kan redden van de besmetting door het Monster!…”
-</p>
-<p>Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn gebed. Rustig
-stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en onbewogen, en de stilte, die zwaar
-uit de hooge gewelven neerhing, bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen
-baden door, en wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode lichtjes
-om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de lucht, hing de bleek-ivoren
-Christus te sterven, bloedig en klagelijk, voor der wereld zonden, en achtte niet
-dit ééne, eenzame leed …
-</p>
-<p>Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn ziel, eenzaam en
-onverhoord in de groote Cathedraal.
-</p>
-<p>De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de oude man,
-de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de poorten dicht moeten blijven,
-want het versieringswerk zou beginnen voor de groote ceremonie over een week, als
-de prinses de reliquie zou komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden
-vastgesteld voor het huwelijk.
-</p>
-<p>„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op zoo’n heuglijken
-dag?… Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag feest, en probeer <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>je wat te verzetten … hier kan je nu heusch niet blijven.…”
-</p>
-<p>Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de prachtige,
-ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond weer alleen op den Boulevard.
-Er was niets veranderd. De hooge huizen stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote
-vlaggen van de daken, met de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond
-plechtig, als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet.
-</p>
-<p>Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij had gedacht,
-dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een wereldgebeurtenis zou wezen,
-dat al het bestaande niet in zijn voegen zou kunnen blijven als dat afschuwelijke
-gebeurde, dat er een wonder zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme.
-</p>
-<p>Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect. Het leek maar
-heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de straten een uiterlijk van banaal,
-ordinair feestvertoon. Op den grond lagen sinaasappelschillen en stukken papier en
-weggeworpen vodden. Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie
-van den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan anders
-in hun daagsche kleeren.
-<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p>
-<p>En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het onherroepelijk was
-en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde der dingen moest liggen. De witte
-onschuld bevlekt door het zwarte Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende,
-dat als vee stond te bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die
-heilige Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging was
-en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien niet anders. De eenige,
-die ongewoon was, en buiten het natuurlijk verband der dingen, was hij zélf, en dáárom
-leed hij, en beefde zijn ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van
-dolle vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot en sterk,
-hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen te pletter loopen, niemand
-zou er iets van bemerken, en het zou even massaal blijven staan, zonder één oogenblik
-te hebben bewogen. Alles was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de
-abnormale, de minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade.
-</p>
-<p>Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip meer van den
-tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd door zijn onrust. En overal
-werd hij herinnerd aan het gruwbare feest. Wáár hij ook kwam, overal waaiden de <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>vlaggen, overal was groen, overal liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes
-vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart pijnlijk kloppen.
-Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij misschien ziek was, dat hij
-koorts had, en dat het goed zou doen, te liggen op een bed, en te slapen, te vergeten.
-Met moeite vond hij toen den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn
-bed. O! Wat brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen begonnen
-te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten slaap, als een afgejakkerd
-dier …
-</p>
-<p>Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij was. Wat was
-dat alles donker … Buiten hoorde hij zingen, met grove, schorre stemmen, het Leliënlandsche
-volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het
-zweet op zijn voorhoofd parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat
-hij zou stikken. O! Lucht, versche lucht … Toen waschte hij zich het hoofd met koud
-water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche lucht.
-</p>
-<p>De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het was al laat.
-Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó lang geslapen? Wat wilden toch
-al die menschen? Waarom <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>schreeuwden ze zoo? Waren ze dronken? O ja … o ja … het feest … het feest … Overal
-hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie en benauwden
-walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen, véél verder, waar geen menschen
-meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein.…
-</p>
-<p>Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen menschen, liep
-hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de heuvelen leidde. Hij liep tegen
-menschen aan, die hem vloekend afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap.
-Maar hij lette er niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het
-rein zou zijn en stil.
-</p>
-<p>Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het leek of zij rouwde.
-Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was
-goed … De Cathedraal deed niet mede aan het feest …
-</p>
-<p>Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met haar duizenden
-lichtjes.
-</p>
-<p>Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen menschen. Waarom
-werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier? Vluchtten zij óók voor het feest?…
-Wat hoorde hij daar <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>opeens voor wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar
-een groot bosch, waar de wind over waaide?
-</p>
-<p>Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen. Haastig liep hij
-door, begon te hollen, om maar weg te zijn …
-</p>
-<p>Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit licht laaide
-vóór hem.
-</p>
-<p>De adem stokte in zijn keel.
-</p>
-<p>Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het witte paleis
-van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein, in den glans van al dat licht.
-Het gansche groote gebouw was geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was
-als een witte tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen,
-waar de engelen en de zalige zielen zijn …
-</p>
-<p>Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart van een ontzaglijke
-massa door elkaar krioelende, schreeuwende en brullende menschen. In donkere drommen
-dansten en sprongen zij door elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren
-verslonsd en verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar
-laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen voerden half-dronken
-mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans uit. Meiden <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren verkleed als vrouwen, en als losgelaten
-dieren in den paartijd sprongen zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar
-met vuile gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de universeele
-dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken duivels. Hier en daar,
-in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door was gekomen, zag Paulus paren wijven
-en kerels als beesten in het gras liggen.
-</p>
-<p>Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen feestelijken
-dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een driedubbel cordon soldaten met
-gevelde bajonet, en in de zijgangen stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om
-op het minste bevel het plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees
-voor opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in de hoop
-straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van dat heuglijke moment
-dansten zij als dollemannen, om de roode vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden
-roes. Dáár, vlak vóór het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk
-zijn vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun walgelijke gebaren,
-onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op elkaar gedrukt. Onder <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dat alles door sprongen de schokkende lijven wild dooreen, in woedenden rondedans.
-</p>
-<p>Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting.
-</p>
-<p>Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar zijn hart voor
-had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos vee, dol en bezeten in bête,
-bruut enthousiasme voor wat schittering en wat glans, blêrend als schapen, juichend
-in donderende hoera’s voor een vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O!
-Had Marcelio dan gelijk?… Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer
-te zijn?
-</p>
-<p>Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in martelende
-gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de prinses, om af te smeeken haar
-erbarmen? Het was een dolle, vuile bende beesten, meer niet, die hier rondkrioelde.
-En ook beneden in de stad, die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de
-straten, zij allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met
-log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote filosofen
-hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote vrijheidsdichters gezongen,
-om tot dit armzalig resultaat te geraken. Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun
-leven gewijd aan de zaak van de evolutie der menschheid? Wat was nu <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>het gevolg geweest van al hun moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte
-drommen door de stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever,
-nu zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en illuminatie,
-en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren de ontwijding van hun maagdelijke,
-lelieën kroonprinses door het zwarte monster uit Moscovië.
-</p>
-<p>Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij wisten niet meer
-wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe kreten krankzinnig in het rond.
-Eindelijk riep een hooge, huilende mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk
-herhaalden duizenden monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam
-familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons Leliaantje moet
-komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het lawaai tegen het witte paleis
-op. Het volk zocht een afgod, om áán te kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging
-om iets te aanbidden, zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan.
-</p>
-<p>Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam drong zij naar
-voren.—
-</p>
-<p>Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden van trompetten,
-en de soldaten <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>maakten zich al gereed om de redelooze massa terug te dringen met sabel en bajonet.
-</p>
-<p>Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een betoovering.—Alle geluid
-verstomde en roerloos stonden de donkere drommen in diep zwijgen.
-</p>
-<p>De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren opengegaan en
-het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden, als in een kerk, als de hostie
-wordt geheven.—
-</p>
-<p>Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke konings-maagd op het
-balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den avondwind, was witter dan het transparante
-porseleinen marmer van den paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een
-lichte aureool om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van
-diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht uit haar,
-van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen.…
-</p>
-<p>En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen, uit een wondere,
-transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre hoogte op de donkere stervelingen
-daar beneden, die wachtten op haar zegen.
-</p>
-<p>Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als deemoedig, vernederd,
-midden in <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>zijn woeste orgie, was het volk beneden zwijgend. De witte gestalte op het balcon
-stond roerloos, zacht neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel.
-De diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden hoofd.…
-</p>
-<p>Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit de dolgeworden
-menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een vervloeking had kunnen zijn als
-een huldiging.
-</p>
-<p>Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen hoon tegen
-het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar boven. Nu hij haar weer zag,
-in haar blanke gewaad van onschuld gehuld, was hij de geheele vernedering in Monte-Regina
-weer vergeten, en wist hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan.
-Zij was alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn ziel
-haar aanbad.—
-</p>
-<p>Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende, vermaledijde
-monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane, als een engel uit het paradijs,
-neerziende op de verdoemde drommen, die beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus
-dacht aan den Dag des Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen
-het aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft.
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich lachend over
-het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de brullende bende, en wuifde
-haar wenkend toe met een zakdoek.
-</p>
-<p>Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van woedende hoera’s,
-of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten, afschuwelijk, in den bevenden
-gloed van aangestoken fakkels, grijnsden omhoog naar het reine, witte beeld. En in
-haar lachen en wenken en buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te
-geven aan die brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken.
-</p>
-<p>Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte schaduw, hoog
-en ontzaglijk.… En Paulus voelde het. Dáár kwam het Beest aan.…
-</p>
-<p>Gróóter dan zij.… zij reikte maar even tot zijn schouder.… een grimmige, kolossale
-reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het roode, door drank verwoeste gezicht
-uit den langen, zwaren baard loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide,
-deed denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de electrische
-lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen schitteren van een onheilig vuur.
-</p>
-<p>Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>de zwarte Moscoviër schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder
-van de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een ontwijding, ten
-aanschouwe van het gansche volk.
-</p>
-<p>Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare konings-vertooning
-vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde op van beneden, hooge gillen sneden
-door de lucht, hoeden werden omhoog geworpen, vuurzwermen knalden.
-</p>
-<p>De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle onder den zwaren
-arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, triomfantelijk, domineerend.…
-</p>
-<p>Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde zich ijlings
-om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij gekomen was. Dit was te
-véél … dit was het allerláátste … nu kón hij niet meer … nu was het úit … nooit, nooit
-zou hij meer kunnen wonen in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles
-was verrot en bedorven … o wèg, wèg nu … lucht!… lucht!… reine, frissche lucht van
-boomen en van bloemen … de vunze adem van al die verhitte, dronken kerels stonk nog
-om hem heen … wèg nu toch, wèg, voor goed … vèr van al die menschen, van die beesten,
-die zich lieten trappen en getrapt wílden zijn, door hun lagen, servielen aard … o!
-hij stikte, als hij <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>nu niet weg kwam … en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest door den lof uit
-vuile monden … hij had de handen gedrukt van lasteraars en verraders … bah!… hij wálgde,
-hij walgde, van de stad, van de menschen, van zich zelven … er was nog maar één uitkomst …
-wèg nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in reinheid
-en rust …
-</p>
-<p>Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de stad. In groote
-haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een ander aan Elias, wien hij vertelde
-waar hij naar toe ging, en ook uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust
-voor zijn ziel ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er
-was nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij, nu anderhalf
-jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar eenmaal dáár was, zou hij
-wel een gids kunnen vinden, die hem den weg wees over de bergen. Hij pakte nog even
-de drukproeven van zijn verzen in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak
-hij het geld bij zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een
-bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van zijn sprookje.
-Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo hard hij maar loopen kon, naar
-het station. De trein was juist <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>op het punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon openrukken
-en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van stoom, en Paulus voelde
-zich wègrollen in razende vaart.
-</p>
-<p>Daar gíng hij dan, eíndelijk<span class="sic">.</span> o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de
-verschrikking der stad! Hij zag de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer
-en flauwer worden, en de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken
-weken ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere seconde
-bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen kolossen, en hij had kunnen
-schreeuwen en gillen van opwinding, om gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid
-en de reine, zuivere lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan
-toch voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu reisde
-zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd verzachtte bij het denken
-aan de pure, koele lucht van de bosschen, waar hij morgen in terug zou komen. Toen
-doemde het wijze, rustige gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking
-van de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn hoofd zijn
-gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard tot die uitdrukking van
-kalm, sereen <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>weten, die was als een pure avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde
-een groot verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te voelen
-de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd. Teeder, als een minnaar
-denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende gedachten, mijmerde Paulus, alleen in
-den coupé gezeten, over het Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem
-met razende vaart voortrolde door de ruimte.
-</p>
-<p>Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een klein logement
-overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk insliep, tot laat in den morgen.—Voor
-een goede belooning vond hij een paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over
-de bergen te brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland
-aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij ééns met prinses
-Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen weemoed dingen van het vroeger geziene.—
-</p>
-<p>De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een reiziger voor
-zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat hij in het onherbergzame
-bosch niemand zou vinden dan een paar houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg,
-in het diepste van het woud, moest ook nog <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van wien ze wel eens vaag hadden gehoord.
-Het moest een prins zijn, zeiden ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven
-in de eenzaamheid, omdat hij moede was van de dingen der wereld.…
-</p>
-<p>Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te diep verzonken
-in gepeinzen …
-</p>
-<p>Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil.
-</p>
-<p>Paulus uitte een kreet van vreugde.…
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK X.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een groote, wijde vlakte lag vóór hem.
-</p>
-<p>Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een wuiven en
-wuiven van maagdelijk, licht groen.
-</p>
-<p>Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, alsof duizenden
-handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, het Bosch kende hem nog, het
-Bosch riep hem!
-</p>
-<p>Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij kon, vooruit,
-de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, trouwe vrienden, die hij nu
-niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat
-hij beefde van zenuwachtigheid over al zijn leden.
-</p>
-<p>Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen dooreenkrioelden in
-onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar zijn ziel bang was weggekrompen,
-als onder een droeven droom. Iedere stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>bracht hem dichter bij het veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen
-onder zijn liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange scheiding,
-en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch terug. O! Eindelijk, eíndelijk
-dan had hij het gedaan, en nu zou alles ook weer goed worden, als vroeger …
-</p>
-<p>Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen plechtig voorover,
-rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár begon het Bosch, en overal, wijd
-en zijd, zag hij de breede stammen oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk
-naast elkaar, als een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun
-prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t wuiven, wilden allen
-éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. En Paulus zag het Bosch, als ééne,
-machtige maatschappij van goede broeders, schouder aan schouder staande in heilige
-harmonie.—
-</p>
-<p>Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich gevend, zóó als
-zij waren, zonder éénigen valschen schijn!
-</p>
-<p>En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle met een masker
-voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke wezen dat er achter woonde.
-</p>
-<p>Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>tempel Gods, even heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte
-pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes waren teêr, als
-het broze cantillewerk der gothiek.
-</p>
-<p>Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden?
-</p>
-<p>Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er niet rein genoeg
-meer voor was.
-</p>
-<p>O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank werd als vroeger!
-En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich te zuiveren, vóór hij het waagde
-het Bosch weer te betreden. Fluks deed hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever
-op een steen, en sprong met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het
-koude, frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een doop tot
-het reine, eenvoudige leven.
-</p>
-<p>O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! Al het vuil
-van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog aan hem kleefde uit de
-verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij bijna in was versmacht. Hij voelde
-een groote kracht in zich komen, en nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele,
-heerlijke water. Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen
-stofje van de atmosfeer in de <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>stad mocht op hem blijven. De doop moest hem ganschelijk verreinen.
-</p>
-<p>Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de overzijde en
-kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in een tempel treedt liep hij
-langzaam het Bosch in.
-</p>
-<p>De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog wat licht-getinte
-groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. De bladeren waren nog uiterst
-fijn en teêr, en hadden zich zóó ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet
-goed durfden. Hij trad in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven,
-en voelde er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en voelde
-de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van bloeme-aromen, na
-de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water zijn huid verfrischt had, reinigde
-nu de pure lucht zijn borst en longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte
-de armen uit, als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger,
-door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel doet, blij om
-het leven en het licht.
-</p>
-<p>Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde hij van Willebrordus,
-die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. Zij herinnerden <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en wezen hem naar het Westen.
-Op groote afstanden vond hij weer anderen, die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange
-uren, kwam hij eindelijk op bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde
-landen waren, in een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten
-den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér gezien had, op
-zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu onder vrienden was gekomen.
-De hooge kruinen, de takken, de bladeren, zij waren nu vertrouwd, als de gezichten,
-de armen, de handen van menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst
-werd nu nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel.
-</p>
-<p>Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel lichaamsbeweging,
-voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, dat hij heel moê was, en gauw
-niet meer verder zou kunnen. Maar hij wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar
-hij de heerlijkste, heiligste plek van het Bosch zou vinden.
-</p>
-<p>Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer gesterkt was.
-</p>
-<p>Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den lelie-vijver komen …
-</p>
-<p>Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>en er niet rein genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van
-de heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil bleef staan,
-huiverend van eerbied.
-</p>
-<p>Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden.
-</p>
-<p>Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in zijn ziel, hij
-den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede overtogen.
-</p>
-<p>De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien kalmen spiegel,
-en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld in ’t heldere water. Vogels
-kwinkeleerden in de takken en reiden een krans van jubelend gezang in ’t rond.
-</p>
-<p>Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, door geen rimpeling
-verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken in het gras, en voelde, dat hij
-de handen vouwde, als tot gebed.
-</p>
-<p>En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte waterlelies, drijvend
-tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden als heilige harten zoo stil.
-</p>
-<p>Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. Sommige waren nog
-kuischelijk dichtgevouwen in den knop, voorzichtiglijk uitstekend boven het water,
-wachtend op de volheid der tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden
-de blanke bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>de gouden harten ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht.
-</p>
-<p>De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, biddende bogen,
-en hun statige stammen waren als de zuilen van een cathedraal.
-</p>
-<p>Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de hooge kruinen
-elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van kuisch genot, terwijl een
-zachte muziek door de bladeren ruischte.
-</p>
-<p>De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de diepe, allerláátste
-wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen een vischje, met fonkeling van
-zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd de rust nóg stiller …
-</p>
-<p>Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen omfloerst van
-tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van God, die schooner en volheerlijker
-was, dan de fijnste bouw van menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als
-groote wonderen van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door
-hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, gebeurde het
-heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het vlekkeloos reine, aan het
-duister ontstegen, tot het Licht.
-<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span></p>
-<p>En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, daar, vèr in
-die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in hartstochtelijk snikken, dat zoo woest
-de droeve opstand was geweest in hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar
-neêrzag in zijn eigen ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had
-dien kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, dat áltijd
-ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het allerinnigste van zijn ziel
-tóch rust was gebleven, tè diep om ooit door al het wilde te worden beroerd. En zóó,
-als hij eerst lang, lang geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel,
-waar hij wel ééns die klare rust zou hebben gevonden.
-</p>
-<p>Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde eene rust
-over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, vlak vóór hem, lag de
-stille vijver met de blanke bloemen, als de simpele, rustige oplossing van al het
-bange, ontzettende leven, waar hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en
-staren, en in die uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver
-was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was geopenbaard.
-</p>
-<p>Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een rustige slaap
-zijn <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot.
-</p>
-<p>De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den stillen vijver,
-en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige wijding komen van den naderenden
-nacht. Zóó, als licht nog èven, voor ’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch,
-die het mysterie van den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk
-uit, vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat teêre
-moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal breken. Toen breidde
-de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit over de moede wereld, en alles verzonk
-in zijn donkeren droom.
-</p>
-<p>En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een kind, in ’t zachte
-mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk dan teruggekomen van al het droeve
-zwerven, bij zijne goede broeders, de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden
-boven zijn hoofd.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de takken in zijn
-oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek zijn sluimerende ziel vervulde.
-</p>
-<p>De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige licht als een
-zachte, berustende <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>liefde verspreid over de wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos
-stond het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven Paulus’ hoofd,
-zat een nachtegaal van zaligheid te zingen.
-</p>
-<p>Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang.
-</p>
-<p>Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en dàn weer hoog
-uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase in muziek zal vergaan. In
-de stilte van den nacht spoot het op, als een fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend,
-en dan opeens, met een rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp
-in die zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg meer kwam,
-en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon inhouden.—De zaligheid jubelde
-trillerend in dat juichende lied, dat opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van
-het woud.—Dán zweeg hij weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk,
-om drá weer uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer wild-uitgestuipt,
-maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat dat kleine vogeltje zijn ziel
-uit te zingen, in den nacht, tegen den hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden
-ernstig en stil, en luisterden.
-</p>
-<p>Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>sterren door de takken der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde
-in het woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en deemoedig,
-verscholen zat in het groen.
-</p>
-<p>Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig hooglied, en
-dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom gebed. En de groote Liefde,
-die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó bewust was geworden, werd in hem wakker.
-</p>
-<p>Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en luid uit-klagen
-van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks wreedheid, ondanks onrecht, ondanks
-álles, tegen verstand en rede in, met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en
-eeuwigheid en dood, in de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten
-en menschen en dingen.
-</p>
-<p>„Leliane!.…” fluisterde hij … „Leliane!.…” en het was hem, of hij wèg zou sterven
-in gebed.
-</p>
-<p>Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame vogeltje zong
-úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk vergaan zou in muziek, wegzwijmelend
-in pure, klinkende klanken.
-</p>
-<p>Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en luisterden in
-plechtige aandacht.…
-<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, en Paulus, moê
-van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in slaap gevallen.
-</p>
-<p>Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. De breede kruinen
-ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige waaiing van den ochtendwind. Alles
-stond vroolijk bereid voor den dag, in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge
-vogelen waren van blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend
-lied. En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre wezens
-van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van verrukking en van liefde.
-Die leefden daar maar vrij en blij tusschen het glanzende, schaduwende groen, met
-hun lief en met hun lied.
-</p>
-<p>„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd.
-</p>
-<p>„—Roekeroe,” zeide een ander.
-</p>
-<p>Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht ruischend gewuif
-van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer voor zijne voeten in het mos.
-Haar roode oogjes schitterden als vonken. De doffer schreed buigend om het duifje
-heen, galant als een riddertje, dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist
-te wezen, en koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde
-wat wachtend op en neer.
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-<p>En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, trippelend in het groen.
-Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander toe-koerend en lachend, de glanzige
-snaveltjes gaven in langen, hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk,
-en het was groot van eenvoud.
-</p>
-<p>Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun lief gespelemei
-in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig werd, vloog de duif opeens
-weer op, door de boomen.
-</p>
-<p>De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de verte kwamen
-twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, als gedachten van liefde,
-droomende over een ziel. Zij hielden de slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust
-van hun reinheid en hun zuivere statuur.
-</p>
-<p>De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en hare gouden harten
-voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de innigheid van den middag kwam, zouden
-zij ganschelijk open liggen voor de zegening van de zon …
-</p>
-<p>Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. Hij voelde een
-groote, universeele liefde in de statige stijging der stammen, in het simpele bloeien
-van een bloem, in het rustige spiegelen van het water, in de zachte waaiing van den
-wind, in het jubelende lied van de vogelen. O! <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>De wereld was een wonder van liefde, en een genade, oneindig, was het Leven, in de
-reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij voelde de koele boschlucht in zijn longen komen,
-en een groote kracht zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met
-de vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om zijn innigheid
-te geven.
-</p>
-<p>Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu leek uit een
-boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het buiten zóó rijk was en zóó goed,
-dat daar, ver, ergens menschen leefden in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude,
-zwijgende muren, dat er duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen,
-en diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de wonderen van ’t
-groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij plukte er van, en snoof haar zoeten
-geur op, en voelde ze smelten op zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die
-vruchten, als je ze zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid
-was vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore orgeltonen
-boven zijn hoofd?
-</p>
-<p>In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon zijn diep-ademend
-keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was bevangen door de jonge morgenlucht
-en het jonge licht, en in <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>helder geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.
-</p>
-<p>Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het ontroerde hem diep,
-als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, niet zóó hartstochtelijk-innig,
-als een vlammenbrand van geluid, maar rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor!
-Hoe vol die tonen aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!
-</p>
-<p>Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! daartusschen
-het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar weêr een, en de heldere slag
-van de grauwe lijster! Heel het woud was vervuld van muziek, die de zaligheid van
-te leven, in ’t licht en in de lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat
-hoorde hij daar ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?…
-Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de steenen, het oude,
-klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, en van geen zwijgen wilde weten.
-Hij hoorde het water kletteren over den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter
-en zachter, als een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze
-beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het hem weer, met
-zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een vriend <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde.
-</p>
-<p>Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was voor zijn ziel,
-en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar alles heel natuurlijk aanvoelde,
-alsof het altijd zoo was gebleven, en er nooit iets om hem veranderd was. Dus was
-àl het droeve en duistere toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest,
-zonder het allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was gebleven,
-en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling verstoord!
-</p>
-<p>„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was Paulus of het
-beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij zich met alles.
-</p>
-<p>Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er haastig heen,
-en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar hij langs kwam, was het hem,
-of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger,
-van een wandeling. Al het andere was, maar even, een booze droom geweest.—
-</p>
-<p>Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en de platen aan
-den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een vaas met bloemen op stond.
-En hij wist precies, hoe de boomen stonden daar vóór, en hoe ze hun takken hielden.
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk, daar wás hij er … Niemand was in het tuintje … Willebrordus niet, Mareta
-niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin achter. De deur stond open, als altijd. Hier,
-links, was zijn kamertje.
-</p>
-<p>Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als vroeger. Zijn rustbed
-was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op zijn tafel stond de vaas vol versche
-bloemen. Het was zijn oude, vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik
-werd verwacht. Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken
-stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten voor het venster
-stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem goeden-dag.
-</p>
-<p>De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel zitten, en
-keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók aanzag, met dezelfde rustige
-vertrouwelijkheid van vroeger.
-</p>
-<p>Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met een oud, wèlbekend
-gerucht.
-</p>
-<p>Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening.
-</p>
-<p>„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, eenvoudig, zooals
-hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar even weg was geweest voor een wandeling.
-</p>
-<p>Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>rustige, sereene menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was
-verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste wijsheid. Hij voelde
-de dierbare handen zegenend op zijn hoofd.
-</p>
-<p>En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome ziele-beving,
-die het mystieke <i lang="la">compunctio</i> is, knielde hij snikkend voor Willebrordus’ voeten neder.…
-<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.—
-</p>
-<p>Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, alsof zijn kleinkind
-maar even was teruggekomen na een verren tocht. En Paulus voelde zich te moê van al
-het geledene, om nu, eindelijk tot rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer
-te uiten en ná te voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide,
-Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, die hij in Leliënstad
-had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte gebaar, waarmede de oude hand somtijds
-op zijn hoofd werd gelegd, in den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede
-de grijsaard hem wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus
-iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een gesprek: „Als je
-nu weer eens weg bent, Paulus.…” Toen was Paulus verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen:
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>„Maar, grootvader, ik gá niet meer weg, nooít meer, nooit meer.…” En Willebrordus
-had geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.… heusch.… daar
-ben je véél te vroeg voor teruggekomen.… later misschien, véél, véél later, als ík
-er niet meer ben.…”
-</p>
-<p>En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag voorgevoel hem
-zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
-</p>
-<p>Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé overweldigend zalig de
-emotie ook was geweest van het eerste terugkomen in het Bosch. Het onbewuste genieten,
-het vage droomen van zijn kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat
-daar lag achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een hooge
-boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil was neêrgelegen aan
-den vijver van de witte water-lelies. Het weten van de wereld buiten het Bosch was
-altijddoor in zijn ziel bewust. En het groote leed der menschen klaagde er aldoor
-in rond, klaagde en klaagde, als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste
-zonlicht van den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van
-den avond.
-</p>
-<p>Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het spitten en zaaien
-in den moestuin, <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>in zijn omgang met die trouwe, simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke
-verkeer met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van weifeling, weer
-lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar trouwe, bruine oogen zag, die
-zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen
-niet zóó zijn?”
-</p>
-<p>Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al gauw den tijd
-weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, zonder het horloge te behoeven
-van de menschen uit de stad.—Ook las hij veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus
-hem gaf, en avond aan avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads,
-die hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd nóg mooier
-en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de Al-Ziel, die onsterfelijk
-leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem buiten te moede, als in een eindelooze
-cathedraal van God, gebouwd van boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren,
-en planeten. Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos.…
-</p>
-<p>Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel verreinden, en iedere
-daad van leven daar in de groote natuur van het Bosch was vredig en sterkend, als
-een gebed.
-<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p>
-<p>Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne krachten van
-vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn wangen. Hij werkte veel
-met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, en maakte verre wandelingen in den omtrek,
-zóó, dat hij ’s avonds, te moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de
-planten en de dieren.
-</p>
-<p>Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al dieper en dieper
-ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te wellen, of het wel recht en goed
-was, wat hij thans deed. Híj was nu veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden
-van zulke goede, ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds,
-ver van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, in zijn
-grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het open venster van zijn
-kamertje uit zat te staren in den vallenden avond, en hij zag al de pracht van het
-Bosch om zich heen, voelde hij opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven
-met dat van den luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed
-der menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: „Leef ík
-dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit grandiose, statige Bosch,
-en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
-</p>
-<p>Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>voor de ellende, als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van
-Monte-Regina?
-</p>
-<p>Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie om hem heen.
-Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer terugvinden, want de gedachte aan
-het lijden van zijne medemenschen verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt
-begon in hem op te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad
-dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur liep te genieten.
-Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden
-van zijne broeders in door giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer
-den loop der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven honderden
-van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om haar schande te verhuren
-voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde
-genieten, als hij van de luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in
-maanlicht, waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
-</p>
-<p>Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, zélf eenvoudig
-en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de natuur, zoolang millioenen van zijn
-medemenschen verkwijnden in kommer en gebrek? Maar, aan den anderen kant, <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>wat hielp het, of hij, zwakke, droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden
-der menschen, dat hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers,
-bij wie vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven uitgesloofd
-om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te stuwen, maar wàt was er van
-hun werk terecht gekomen? En als het tóch niet hielp, had híj dan niet het recht,
-zijn leven zoo mooi en eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere
-en juiste natuur?
-</p>
-<p>Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver over alles heen,
-in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te vermoeien met vragen, die zeker op een
-zoo oneindig veel lager plan moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De
-staat, waar Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn gelegen
-van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu hij eenmaal zóó ver was.
-Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine uitdrukking van klare wijsheid, dat het
-Paulus heiligschennis leek, hem vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn
-verheven weten. En ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen
-ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur voor baten zou.
-</p>
-<p>Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>hij ook opeens een onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane
-te zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te zien wuiven,
-in de verte, het wonder van haar witte gewaad!.…
-</p>
-<p>Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking herinnerde,
-waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die dreigde boven haar lichte beeld,
-weer geheel verdwenen. Het Beest was van haar weg, geen Monster besmette meer haar
-reine sfeer, en haar beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en
-bijzonder aan heilige, verre transen.
-</p>
-<p>Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en schrik, haar kleed
-te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of wel hij meende te hooren het zoet
-geluid van haar stem in het zacht geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds
-meende hij haar lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In
-zijn rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár heilige
-presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In de lichte geheimenissen
-van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven straalde, was nooit een donkere schaduw
-haar genaderd, en zij schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als
-de gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>En het was Paulus wel eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in
-de weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het verstikken
-zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den droom zijner ziel, smetteloos,
-in eeuwig reinen staat van leliën blankheid.—
-</p>
-<p>Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij zich, wakker wordend,
-afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest die hij gezien had, dan wel, of zijn
-ziel werkelijk in Leliënstad had getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
-</p>
-<p>Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het leelijke, kolossale
-gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, grijze avondlucht, en zijn ziel
-schrikte en trilde pijnlijk toen hij de blinkende, gouden letters las boven den ingang:
-</p>
-<p class="center large bold">Ziet, ik ben bij u <br>
-Alle dagen <br>
-Tot aan der Wereld Einde.
-</p>
-<p>De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En klagelijk liepen
-de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, loerend, loenschend naar haar prooi,
-als roofdieren in honger.…
-</p>
-<p>Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de wuivende bladeren
-bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der vogels, uitzingend <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte en schittering daarbuiten; alles
-bloeide, en jubelde, en lachte.
-</p>
-<p>Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een onrecht, nog
-bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis van de stad. En weêr moest
-hij onverbiddelijk denken aan den rijken luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe,
-en aan zich zelf, veilig verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht
-van het Bosch.
-</p>
-<p>Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s middags opeens
-een houthakker aankwam, die een brief bracht, een ongewone gebeurtenis, die Paulus
-zich niet herinnerde, ooit beleefd te hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak
-hij hem open. Hij was van Elias.—
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">„<i>Beste Paulus!</i>
-</p>
-<p><i>Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, dat je hem krijgt.</i>
-</p>
-<p><i>Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je bosch. Daar zit
-je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote dingen te gebeuren. Ik kan je niet
-schrijven wàt. Alléén dit: „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden
-verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het Licht breekt aan.
-Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik je niet zeggen. Maar als je deze groote
-gebeurtenis wilt <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>meêmaken, moet je <span class="ex">onmiddellijk</span> komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer hier kunnen zijn; je moet, zoodra je
-dezen krijgt, dadelijk op weg gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het
-Recht, waar je altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je in
-de stad bent. Je vriend</i>
-</p>
-<p class="signed"><i>Elias.</i><span class="corr" id="xd31e1736" title="Niet in bron">”</span></p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij had Willebrordus
-den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd had geschud, en gezegd had: „Dat
-hebben ze al méér gedacht, vóór Elias … Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi
-zijn … maar ik vréés er voor … Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door hebben
-gemaakt, vóór je wijs kon worden …”
-</p>
-<p>En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. Hij voelde, dat
-het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan
-zijn naar de stad. Rustig en kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding
-meêgaf van zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn
-kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En Paulus ging,
-nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe verootmoediging.
-<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p>
-<p>Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, vertrouwde Bosch, om
-terug te gaan naar de duistere stad der menschen, waar het onrecht woonde, en de leugen,
-en de schande.
-<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis, maar de concierge
-beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur stellig terug zou zijn, en of hij
-nu maar zoo lang in de kamer wilde wachten.
-</p>
-<p>Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een grooten stapel tijdschriften
-en couranten, en daarop zijn eigen bundel „Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar
-had gezien. Hij begreep, dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen
-en artikelen over zijn verzen.
-</p>
-<p>Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een smartelijken trek op
-zijn gezicht, als van pijn.
-</p>
-<p>Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het verschijnen
-van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus, in „de Zon”, was de critiek
-op slag omgedraaid. Toen de schrijver Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer
-in <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>de officiëele tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne verdediging
-van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed gezet. En op zijn simpele,
-naïeve „Gedichten” had de perfide recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde <span class="corr" id="xd31e1755" title="Bron: critrici">critici</span>, die zijn sprookje hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een
-wee bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap toch eindelijk
-uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in den beginne, door het vreemde
-er van, er met dat sprookje waren ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk,
-ziekelijk decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de scheefste
-bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden zelfs verklaren, dat hun
-vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins en de Fee” ironisch was bedoeld, wat
-toch iedereen tóen al moest bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje
-van Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden gemaakt, en van
-Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen, waarin dezelfde Paulus, wien
-hij vroeger het sonnet „Reinheid” had gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid,
-een verkapte, heimelijke wellusteling werd genoemd.
-</p>
-<p>Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd, met enkel het
-èven, zachtkens <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>bewegen van het droome-rhythme zijner ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op
-ulevellen-papier, of prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast,
-werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende, nieuwe sonnetten
-van Wederich, waar geen greintje emotie in was bewaard. In een artikel van Wartenau
-werd hij voorgesteld als een klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen
-had gemengd, en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in satyrieke
-weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al potsierlijker en wanstaltiger
-dan de ander. Één daarvan stelde „de Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes,
-met vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken.
-</p>
-<p>Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen dichter te verdedigen,
-die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en zich daardoor den haat van alle machthebbers
-op den hals had gehaald.
-</p>
-<p>Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet verder kon lezen,
-en een grooten stapel overgebleven recensies ongelezen moest laten liggen. Het was
-hem, of ze hem met drek en gif hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn
-maag, of hij onpasselijk zou worden.
-</p>
-<p>Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het werkelijk mooie
-in hem was er <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>niet door aangetast, en bleef, onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige
-sfeer. Hij twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel, dat
-hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen had gegeven. En hij
-voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste weg te geven, en ook nú nog altijd
-door te blijven uitzeggen, door alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig
-er van was, zou tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven.
-</p>
-<p>Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en trouweloozer was, dan
-de maatschappij der gewone menschen, die enkel maar leelijk en banaal waren, omdat
-zij niet anders wisten. Die artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij
-gezegend waren met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij
-de verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te gaan. Nu voelde
-hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns zeide, dat de toekomst niet uit
-de kunstenaars, maar uit het gewone volk moest voortkomen.
-</p>
-<p>Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan veranderd door
-al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even melodieus opklinken, en zijn ziel
-herkende ze.
-</p>
-<p>Elias’ stem schrikte hem op.
-<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p>
-<p>„Zóó, kerel … dat is brááf van je, dat je gekomen bent … nét op tijd, hoor!… nu zal
-je ook gróóte dingen gaan zien, hoor … waar je van zult ópkijken … Wat léés je daar?…
-Aha, over je verzen! Ze hebben je leelijk toegetakeld, hè?… Dat kómt er van, als je
-uit den officiëelen band springt … er blijft niet veel van je over, beste jongen …
-maar dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht … de literatuur
-en de kunst zijn nú bijzaak … daar hebben we nú geen tijd voor … laat ze maar flikflooien
-en opkammen en lasteren en schelden onder mekaar … maar nú staan er héél wat gróóter
-dingen te gebeuren … kerel, kerel, weet je wàt?… ráád eens!…”
-</p>
-<p>En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm.
-</p>
-<p>Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit gezien. Maar
-wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe, blauwe kringen waren om zijn
-oogen, en scherpe trekken teekenden zich af om mond en neus. Zijn oogen schitterden
-van een vreemden, koortsachtigen glans.
-</p>
-<p>„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?”
-</p>
-<p>„Mij?.… Niets hoor!.… Een beetje in de weêr geweest de laatste dagen, wat veel gewerkt.…
-twee nachten niet geslapen, dat is alles!.… dat is van net zoo weinig belang, als
-dat gewurm in de literatuur … <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat is almachtig, ontzaglijk
-groot.…”
-</p>
-<p>„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan … ik begrijp je niet.…”
-</p>
-<p>„Nu, hóór dan.… je kunt zwíjgen, hé …? als je één woord te vroeg klapt, ligt alles
-in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je door je kop zoudt krijgen.… Hóór
-dan.… Mórgen, om zeven uur ’s ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de
-groote, kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.… het is een giganten-werk geweest,
-van járen en járen, maar nú <i>is</i> het er.… Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj
-daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte, is híer met
-een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een reuzen-organisatie op touw
-gezet … Híer was de hoofdzetel, en van hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden,
-over het gansche land … je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél
-menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.… maar nú zal je eens zien.…
-honderdduizenden van onze mannen hebben hun schouders gezet onder het logge, rotte
-gevaarte, dat de kapitalistische maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal,
-op één teeken, óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien
-poeieren.… Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote, universeele <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>werkstaking voor álle vakken en bedrijven.… Weet je wel, wat dat zeggen wil, kereltje?.…”
-</p>
-<p>Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel beefde in hem
-van een groote, onuitsprekelijke vreugde.
-</p>
-<p>Elias ging door, op zegevierenden toon:
-</p>
-<p>„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van het kapitaal,
-dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten varen, en geen reizigers
-en goederen meer aankomen, of weggaan … dat beteekent, dat de waterleidingen niet
-meer werken, en de lantarens niet meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer
-rijden, en geen brieven meer worden gebracht.… de heeren kunnen nu loopen als ze ergens
-heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods.… de telefoon zal stilstaan,
-en ook de telegraaf.… de heeren van de beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken,
-om elkander te bedotten, en de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun
-duim moeten zuigen.… de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s ochtends
-wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.… Het is niet zóó maar met een páár
-woorden te zeggen, maar je moet tot het besef zien te komen, wat het wil zeggen: <i>dat alles stilstaat</i>.… Al zóóveel honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze gesloofd
-en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>ze, en tráppen lieten ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen,
-voor een afgekloven been, dat overbleef.… en ze hadden maar te wíllen, dan was het
-uit.… <i>zij</i> wáren het toch maar, die alles in beweging zetten, en zonder hén stonden de bourgeois
-en de kapitalisten hulpeloos, als een kind dat niet alléén op ’t potje kan.…. als
-slaven hebben ze hem aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den
-mond gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje voor hem
-gespreid.… alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn, als een hulpeloos lam.…
-en getrápt heeft hij hen, gespuwd, uitgescholden, en getrápt … Maar nú zal het uit
-zijn, nú of nooit.… Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk
-solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en alle oorlogschepen
-en alle kanonnen van de wereld.… Het heeft móeite gekost, Paulus, om het zóó ver te
-krijgen.… álles is tot nu toe afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling,
-aangestookt door den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd ondersteund.…
-Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en morgen zal de ontzaglijke veldslag
-beginnen, een veldslag, waarin niet geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen
-dooden zullen vallen, dan enkel van den honger.… en het kapitalisme zal zich vergeefs
-<span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>te pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.… Je hebt zeker
-wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste jongen?.…. zoo mooi hé, al die duizenden
-mannen, door één kracht bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte.…
-allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.… Welnú, zóó is onze organisatie nu,
-maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen elkaar niet ééns allen zien,
-en de generaal ze ook niet allen overzien kan.… Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse
-tijd aan!.…”
-</p>
-<p>Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven zweeg hij, maar
-hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door:
-</p>
-<p>„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant lezen … er
-ís geen broodje, er ís geen krant … Hij wil op reis gaan, en denkt de trem naar ’t
-station te krijgen … er ís geen trem … Dan loopen maar, en naar den trein … er ís
-geen trein … Daar staat hij, hulpeloos, beroerd … en dán misschien zal in zijn stompe
-brein de gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren door
-den arbeider, die voor mij sjouwt … Zonder hèm ben ik niets … mijn eten, mijn drinken,
-mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht, álles, álles krijg ik van hèm … en zonder
-hèm lig ik als een hulpeloos wicht te verhongeren en te verkleumen … <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>Zie je, Paulus, ze moeten het nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider
-niet voor hen zorgt … Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze toegeven,
-en zal het recht eíndelijk zegevieren … Dan zullen de arbeiders dádelijk weer alles
-in beweging zetten, en zingend aan hun werk gaan, want werken willen ze, dat is hun
-lust en hun leven … Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen.
-Maar dan moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur wettelijk
-bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten ze voor. Ze vechten
-voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die eerlijk is verdiend …”
-</p>
-<p>„—Maar, Elias, kán dat?… kán dat heusch?… bestaat dat echt, die solidariteit, dat
-ál die honderdduizenden, die millioenen misschien, wérkelijk elkaars kameraden en
-vrienden zijn, en door één gevoel bezield?… Als dát waar kon zijn …”
-</p>
-<p>„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift … „kón zijn?… Wacht maar eens tot morgen …
-Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden en duizenden wielen en wieltjes,
-dat de geheele maatschappij in beweging zet … Maar morgen!… Als er hiér door één man
-op het knopje wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over
-het land, dan <i>stáát het stíl</i>, Paulus, en géén radertje beweegt meer … Zal je het dán gelooven?… Dán <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>zal je óók weten wat solidariteit is, de solidariteit, die de wereld verlossen zal
-van onrecht en slavernij, waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald … En als hun
-buikjes niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan eens,
-hoe gauw de bourgeois zullen toegeven … vooral de spoorwegstaking en die van de bootwerkers
-zal een kolossaal gevolg hebben … want zonder treinen en booten geen handel …”
-</p>
-<p>Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven. Het was té groot,
-té mooi. Maar toch … àls het eens kon … àls het eens gelukte … dan zou de wereld zijn
-veranderd, en alles kon goed worden … Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór
-hem op tafel lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij
-het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend door zijn ziel.
-En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit had gevoeld in de heiligste
-uren van plechtige avondstonde in het Bosch.
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den volgenden morgen om
-zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen van Leliënland verzonden, en een
-uur daarna stond het groote raderwerk van de maatschappij stil. Het was, alsof het
-geheele land met één zwaai van een magischen staf betooverd was.
-</p>
-<p>In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar nóg kalmer, nóg
-plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de locomotieven stonden roerloos in
-de remises, en geen trem of rijtuig reed in de straten. Overal op de muren waren groote
-biljetten geplakt, onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden
-aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven tot geweld.
-Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was ditmaal zóó compleet, dat
-zelfs de couranten niet konden verschijnen, omdat van de zetters niet één was opgekomen.
-Het arbeidende proletariaat had het <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden voor een menschwaardig bestaan, met
-den hongerdood als láátste wapen, indien de andere niet hielpen.
-</p>
-<p>Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn van Elias door.
-Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen
-met de leiders der beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien,
-reiner dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan eindelijk,
-vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk verhevene, dat hij nooit
-had willen aannemen, het broederlijk samen één zijn van duizenden en duizenden menschen,
-schouder aan schouder, bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de
-boomen in het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog.
-</p>
-<p>Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere evenement was voorbereid.
-Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van geduldige, onverdroten arbeid waren noodig
-geweest, om tot déze eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar mieren-geduld
-deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij telkens en telkens weêr terug
-was gevallen, na werkstaking op werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid,
-totdat nu het zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>muur was opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten.
-</p>
-<p>De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim gehouden, en zóó
-stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste dagen overrompeld. De nieuwe
-lichtingen van de militie waren juist naar huis gezonden, en er waren geen troepen
-dadelijk beschikbaar, om grof geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen
-soldaten in Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen.
-</p>
-<p>Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds onderhandelingen
-met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste, wat zij trachtte te verkrijgen,
-was het weder in beweging brengen van het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk
-van de beschaafde wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen
-om tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár, waar de
-ziel van de staking was, de beweging met geweld te onderdrukken. Het comité, dat den
-toeleg doorzag, weigerde pertinent iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren
-gedaan en wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet te
-komen.
-</p>
-<p>De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met geweld. De
-telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men trachtte treinen te laten <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>loopen met zoogenaamd vaderlandslievende ingenieurs en op lintjes beluste studenten.
-De spoorwegstations werden kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke
-patrouilles cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles rustig
-was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige automobielen met revolver-kanonnen
-en artilleristen werden de stad uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het
-land en het buitenland.
-</p>
-<p>De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke verzekering
-van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden arbeid tegen redelijk loon,
-en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó absurd gevonden, dat de Regeering besloot
-tóch maar het uiterste te wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren
-in Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun verfijnde,
-moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen weêrlooze burgers.
-</p>
-<p>De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich ordelijk, zonder
-aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote deel van sterken drank, en bepaalden
-zich tot het met posten bewaken van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat
-gehuurde onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten.
-</p>
-<p>Met groot machtsvertoon werden die fabrieken <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>bezet door de militairen, die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een
-verboden rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op postende
-groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de meest gepaste orde.
-</p>
-<p>Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te lokken, om
-zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene opinie vóór zich te krijgen.
-</p>
-<p>En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden laten verleiden
-tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden stellen. Gebeurde dit, dan
-was alles verloren. De hoofdmannen spraken zich de keel schor in telkens nieuwe en
-nieuwe meetings, om zich toch voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden,
-wat op feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de beweging
-lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en het éénige maar onfeilbare
-wapen der staking bestond uit die ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen,
-waardoor het kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht.
-</p>
-<p>Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken op de eerste
-ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch, de prijzen stegen. Er was
-geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en er kon maar heel weinig worden aangevoerd,
-<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>nu de treinen niet meer liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren
-er enorme bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en was
-er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het spook van den honger
-al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te loopen over interventie van buitenlandsche
-mogendheden, wier handel begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer.
-De geest van broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te verflauwen
-onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de Regeering niet dadelijk
-toegaf, waren er onder de stakers die begonnen te wankelen, en hier en daar stonden
-heethoofden op, die van revolutie begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings,
-waarin het volk werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven
-werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de door de staking
-slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden vielen. En het grauw uit de beruchte
-achterbuurten werd rumoerig.
-</p>
-<p>Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het comité, dat het gepeupel
-alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm en wijs beleid hadden georganiseerd.
-Niets kon nu meer welkom zijn voor de Regeering, dan een feitelijke opstand, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>die door de soldaten onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie
-ten haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als voor het
-gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik geduchter was, dan de algemeene
-vijand, het kapitalisme. Als het gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken,
-zou de kalme, ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward
-worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou volgen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de koninklijke familie
-van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande schoonouders, den keizer en de keizerin
-van Moscovië, zou ontmoeten.
-</p>
-<p>Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor haar om terug
-te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon niet eens binnenkomen in
-haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met een automobiel naar de hoofdstad terug
-te gaan, en eischte dat eerst de treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld,
-vóór zij er in toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van
-verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de Regeering. Het
-comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der grieven, <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen hervatten, de Regeering
-eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en eventueel herstel, zoo dit noodig mocht
-blijken. Zóó werd over en weer gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat.
-</p>
-<p>De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen verbinden, zonder
-de tegenwoordigheid van de prinses, en geen wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens
-zij persoonlijk met de prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was
-haar huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche wetten,
-nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich tot niets verbinden,
-zoolang zij niet in haar midden was.
-</p>
-<p>Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het grauw, verbitterd
-door de stijgende broodprijzen, elken dag een dreigender houding begon aan te nemen,
-vonden èn de Regeering èn het uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer
-eenige concessies te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses
-te beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der arbeidswetgevingen,
-met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en pensioenen, indien het comité,
-als eerste maatregel, de spoorwegstaking ophief, en zorgde dat de oude treinenloop
-werd hersteld. De <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad terugkeeren, en aan de
-dringendste eischen der stakers zou dadelijk daarop worden tegemoet gekomen.
-</p>
-<p>Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden gebaat, was nu
-één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het ontzaglijk gecombineerde, uit
-honderden onderdeelen bestaande organisme van het spoorwegverkeer weer in beweging
-te zetten.
-</p>
-<p>Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering stoomden in alle
-richtingen de treinen weer door het land. En één wenk van hetzelfde comité zou ieder
-oogenblik ook weer voldoende zijn, om al die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten.
-</p>
-<p>’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad aankomen, en den volgenden
-dag zou de Regeering met haar de beloofde wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet
-gekomen aan de grieven der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote
-nieuws. Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de laatste weken.
-De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een vage, onbestemde angst had
-de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder oogenblik opstand en moord en doodslag
-had verwacht. De patrouilleerende troepen <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>en het voortdurend machtsvertoon hadden de spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En
-toen de tijding bekend werd, dat de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses
-weêr in Leliënstad zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun
-leven en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een gevaarlijk
-onweêr.
-<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XIV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De plaatselijke autoriteiten,
-nog altijd den toestand niet vertrouwende, heimelijk bevreesd voor een plotselingen
-opstand, hadden een buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst
-van de prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme kazerne
-geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den hoofdingang waren zelfs
-een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen
-weg, dien de prinses moest rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het
-koninklijke rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren.
-</p>
-<p>Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses, dat zij al deze
-streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde alléén onder haar volk terugkomen,
-als dit gebeuren kon, zooals altijd, vrij en open, zonder militair geleide, zooals
-een vorstin <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>komt onder vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn
-als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen koningsstad
-passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had kunnen doen ontstaan tusschen
-den troon en het volk.
-</p>
-<p>„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij dit nieuws hoorde.
-</p>
-<p>„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor zich uit.
-</p>
-<p>Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één moment van
-verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren. Één al te hard scheldwoord
-uit het grauw, één uit woeste baldadigheid geworpen steen, en het werk van jaren en
-jaren onverdroten arbeid was verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden
-partijgenooten, allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich
-den ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat grauw,
-dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en morgen steenigt, en
-dat overal als uit den grond oprijst in wilde verwarde massa’s, zoodrá maar ergens
-gelegenheid is tot ruzie en diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois
-altijd met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den grootsten
-vijand van allen, en <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>vreesde het méér dan de sabels van politie en huzaren.
-</p>
-<p>„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel verkeerd, al is het
-dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den dreigenden hongersnood van de laatste
-dagen is het gemeene volk niet te vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij
-zijn nog niet bewust, en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk
-veel kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er gebeuren
-kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit daar, zonder militair geleide,
-in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een groote massa volk staan aan het station. Dat
-is onvermijdelijk.—En ik vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel
-kunt vóórstellen, heúsch.”
-</p>
-<p>„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk haar toe te jubelen
-en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen waren ze dol van geestdrift!”
-</p>
-<p>„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.… maar daarom kunnen ze morgen evengoed schelden
-en hoonen en steenigen.… je ként het volk niet.… het is geváárlijker en verraderlijker
-dan een zee.… Die huilende en brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht
-met den Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste, georganiseerde,
-ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw, <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te zwijnen valt en
-waar het maar jenever ruikt.… en voor datzelfde grauw, dat toén jubelde onder het
-koninklijke venster, ben ik nú banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste
-weken voor ons heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te
-doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan.…”
-</p>
-<p>„—Maar wat wou je dan wel, Elias?”
-</p>
-<p>De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken zenuwachtig.
-</p>
-<p>„Wat ik wou?.…” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.… ik wou, dat ik nu
-eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de soldaten, met zoo’n hanestaart op
-mijn kop en een end mes op zij.… dan had ik maling aan die orde van de prinses en
-liet ik een paar regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke
-trein moet aankomen.… o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens iets gebeurt!.…
-dan is ons hééle werk verloren.… En wat moeten we nu doen?.… Plakkaten aanplakken,
-biljetten laten rondstrooien, om den menschen áán te raden, niet naar het station
-te gaan morgen?.… dan gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt …, de partijgenooten
-zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten strijders voor
-het recht in deze omstandigheden betaamt.… <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>maar het canaille, zie je, het canaille.… dáár ben ik bang voor.…”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het Centraalstation zijn.
-Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart van de saamgestroomde menschen.
-Het overgroote deel daarvan wist absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het
-was daar gekomen, omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er
-anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde ook geen kwaad,
-wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren zou, met een vaag voorgevoel
-van een naderende catastrophe, die als broeide in de lucht. Een kleine minderheid
-was grauw, haveloos schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk
-kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der Verlorenen.”—Dát volk had
-werkelijk honger geleden door de stijgende broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs
-hún half-bedorven afval nog te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig,
-als van uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende borsten,
-waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis zochten. Die uitgestooten
-paria’s hadden niets meer te verliezen, dan hun waardelooze levens van martelende
-misère.—Met wilde blikken van afgunst <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar stonden vóór den ingang,
-waar een baldakijn was opgericht van rood peluche met gouden koorden. De sierlijke
-statie-wagens blonken van goud en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden
-ongeduldig, trots te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud gemonteerd.—En
-superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de koetsiers op hun hooge, met zijden
-kleeden behangen bokken, plechtig als priesters onder hun driekanten steek.
-</p>
-<p>Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw begon te irriteeren.
-Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al luider en luider gingen scheldwoorden
-op en verwenschingen.
-</p>
-<p>„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.… hebbe jullie je dikgezope.… belabberde,
-lamlendige luiwammessen daar boven op die bokke.… jullie hebbe ’t goed, hé.… en wíj
-kenne verrékke.… als júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.… lammelingen.… de pest
-zel je krijgen, daarboven op je wagens.… luie loeders!… en die knollen, díe hebben
-’t verdomme béter dan wíj.… wíj benne ook maar mensche, en dát benne beeste.… díe
-krijgen wel te vrète, en van ’t beste, hoor!.… ze benne méér dan wíj!.…”
-</p>
-<p>Zóó ging het door, al luider en luider, nú van <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>dezen kant, dan weer van een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer.
-</p>
-<p>En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan een vijftigtal
-politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden vóór de rijtuigen. Een tiental
-er van waren bereden en slaagden er in ruim baan te maken door hun paarden te doen
-steigeren. Maar militairen waren niet te zien.
-</p>
-<p>De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken last in van
-de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren gereed, om op het eerste bericht
-onmiddellijk in den zadel te stijgen en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd
-in de kazernes, maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid
-geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te hebben, tot het
-uiterste.
-</p>
-<p>Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang voorgevoel gedreven,
-in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten bij mogelijk gevaar. Elias was bekend
-bij het volk, en kreeg het altijd onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende
-stem. Zoodra hij de scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd,
-drukte hij zenuwachtig Paulus’ hand.
-</p>
-<p>„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze … dat loopt verkeerd … als dát maar
-niet mis gaat!”
-<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p>
-<p>En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig, om het opkomende
-verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende belhamels te arresteeren mislukte.
-De arrestant werd dadelijk door het opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken
-kreten en grof gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de
-scheede …
-</p>
-<p>Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest prijs gegeven worden.
-Het consigne luidde: geduld tot het úiterste.
-</p>
-<p>Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het schreef de
-weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon het schelden en tieren
-nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen door de lucht. De steek van een der
-koetsiers werd afgegooid door een steenworp, onder een wild hoera! van het publiek.
-De groote menigte, die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw
-deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een gedrang. Een politieagent
-raakte onder den voet. Een lakei uitte een schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek
-aan een bloedende wonde op zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had.
-</p>
-<p>De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en trokken de teugels
-aan, om te chargeeren …
-<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
-<p>Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de koninklijke sneltrein
-over de hooge spoorbrug.
-</p>
-<p>De kroonprinses Leliane was aangekomen …
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil. Het was, of
-een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit der naderende vorstin,
-de dreigende drommen menschen magisch had bevangen. Plotseling werd het doodstil.
-Een ontzaglijk zwijgen broeide onder die duizenden, spannend als vóór een onweer.
-Het was misschien vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel
-van een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was ijziger, dan
-het oproerig rumoer van zooeven.
-</p>
-<p>Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn vóór den ingang,
-vanwaar het angstig-verwachte moest komen.
-</p>
-<p>Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa.
-</p>
-<p>Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder de baldakijn.
-Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van goud schitterende edellieden
-uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en fonkeling en glans, wat daar was gekomen
-uit het buitenland in de lijdende, met honger en <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>dood bedreigde stad. De hooge, voorname hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend
-van voorspoed, weelderig en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien,
-dat de ernst der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange spanning
-in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans.
-</p>
-<p>Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende drommen, vaag-vijandig,
-ontevreden.
-</p>
-<p>Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en hoera-geroep. Zij bleef
-nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam. Toen begreep zij. Éven keek zij koud,
-van uit de hoogte van haar koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende
-menigte. Toen stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik
-ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te laag en te
-nietig voor de goddelijke genade van haar oogen.
-</p>
-<p>Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe douairière van
-het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van verstokte aristocrate. Zij
-fluisterde de vorstin iets in het oor, en keek toen even minachtend op de zwijgende
-menschenmassa neer, met zoo’n innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden
-het éénsklaps <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien kouden, vernietigenden blik.
-</p>
-<p>Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende uniformen, fonkelend
-van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte statig in de volgrijtuigen, eerbiedig
-geopend door slaafsche, tot op den grond buigende lakeien.
-</p>
-<p>Langzaam zette de stoet zich in beweging.
-</p>
-<p>En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid, met de onverschillige,
-onder elkaar lachende gezichten der hovelingen, en het minachtende, trotsche air der
-opgedirkte koetsiers en lakeien, dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort,
-na de nijpende ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even
-te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene verontwaardiging uitbarstte,
-als van een losgelaten schaar furiën.
-</p>
-<p>Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende menigte.
-</p>
-<p>Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde volk zèlf niet.
-Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen wilden zij iets te zamen, onbewust,
-iets verschrikkelijks. De voorsten werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter
-hen stonden drongen op, óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind,
-wild van onbehouwen razernij. <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen voelden het tóch te zamen.
-</p>
-<p>Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer. Het was Elias.
-Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte. Hij begon te oreeren, met
-de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk als een trompet.
-</p>
-<p>„Elias!… Elias!…” juichte het volk.
-</p>
-<p>Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het plotseling uitgebarsten
-verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende voor den hoofdman, die de revolutie ging
-prediken in dit hachelijke moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk
-dier, sloegen <span class="ex">hem</span>, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede steeg op uit het volk,
-en in het volgende oogenblik was het oproer uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad
-had gebroeid. De agenten, die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden,
-het cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie werd van
-het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een vergeefsche poging had gedaan
-om te chargeeren. De brullende, huilende massa menschen drong al dichter en dichter
-om de koetsen van het hof. Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde
-en krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht.
-<span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span></p>
-<p>De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden, onrustig geworden,
-trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit den zadel, en verdween gillende
-van pijn onder de voeten der woedende massa.
-</p>
-<p>„Leliaantje!… Leliaantje … er uit!… Leliaantje moet er uit!…” gilden een paar wijven.
-</p>
-<p>Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit de „Sloppen
-der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het witte, koninklijke meisje
-in dien goud-en-zijden wagen maakte hen razend van heeten lust om het te vernielen
-dit teere, dit blanke, dit fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende,
-lillende stukken.
-</p>
-<p>„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven.
-</p>
-<p>De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek, maar trotsch,
-en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op haar gelaat was vertrokken.
-Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek hoog over de hoofden van het woedende,
-hoonende grauw, met een vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit.
-</p>
-<p>Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin Marcelia aan
-de wang.
-</p>
-<p>Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met snijdend geluid,
-striemde het neer op de razende en tierende menigte:
-</p>
-<p>„—Canaille!… canaille!…”
-<span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span></p>
-<p>Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke kerel, half-naakt,
-met een groot mes in de handen, sprong op de treêplank van de koets, brullend als
-een beest.
-</p>
-<p>Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als een os door
-het masker, door een vuistslag tegen de slaap.
-</p>
-<p>Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de armen wijd-uitgespreid,
-als een levend schild, dat prinses Leliane beschermde …
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een ontzaglijke Waarheid,
-stralend als een zon in den nacht, plotseling voor hem opgeschenen.
-</p>
-<p>Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het was onbewust,
-en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan hén, maar aan de daders van
-het snood bedrijf der uitbuiting. De prinses was méde schuldig aan het groote, universeele
-onrecht, en had de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten,
-biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht in de verte,
-en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren horizon. Dat was schoon,
-wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid openbrak als een bloem, om dan te leven.…!
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p>
-<p>Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk wezen, om te sterven
-voor het Ideaal!… Het Ideaal, dat was Leliane, dat was de lichte prinses Leliane,
-de zuster van de witte water-lelies in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon
-sterven, en eeuwiglijk herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds
-aan. Híj, Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het Recht
-zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar dáár vóór hem zag hij
-het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige
-handen dreigden naar haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken
-gloed óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer van
-het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de literatuur, hij voélde enkel
-dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd met <span class="corr" id="xd31e1980" title="Bron: schenn is">schennis</span>, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken dood der vólzaligen, den
-dood voor het Ideaal.…
-</p>
-<p>Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van den moordenaar.
-Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het grauw verslagen was en wachtte,
-besluiteloos, bang.
-</p>
-<p>Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn borst vooruit
-als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos.
-<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p>
-<p>Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof hem aan het
-hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige agenten die nog over waren
-worstelden wanhopig, om bij de koninklijke karos te komen. De officieren uit het gevolg
-hadden hun degens getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende
-gemeen stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel neer,
-en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst van prinses Leliane …
-</p>
-<p>Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst steeg op uit
-de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En opeens, als door een toover uit
-den grond verrezen, stormden als een wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels
-door het in een wilde paniek uiteenstuivende volk.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het bloedende lichaam
-van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was neder gevallen in de kussens, en
-de gewonde lag bewusteloos tegen haar aan.
-</p>
-<p>De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een gebiedend gebaar
-wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met de <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen, om den gewonde
-te helpen verbinden. De kappen van de koets werden omhoog gezet en zóó, als in een
-dichte, kleine kamer, ging het langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia
-was met twee doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren verklaarden,
-dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had te leven. Tevergeefs smeekten
-zij de prinses, het bloedende lichaam toch los te laten, en in een andere koets over
-te stappen. Met een streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren
-naar haar paleis, om dáár te sterven.
-</p>
-<p>Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in haar anders
-zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje, altijd verscholen achter
-de majesteit van haar koningin-zijn, was door de ontzettende catastrophe, met den
-dood plotseling dreigend vóór haar, èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde
-zij, als een heilig weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven
-lang geen andere meer voor haar zou bloeien.
-</p>
-<p>Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal dapper als een
-held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat onbewuste in haar, nú even
-bewust, om straks weer wèg te <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>wijken achter het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het bloedende
-lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij ooit in héél haar leven
-van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het wilde, dat haar ridder sterven zou in hare
-armen, als een paladijn van weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe …
-</p>
-<p>Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet bewust meer
-van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het rijtuig om zich heen, en hoorde
-niet het getrappel van de paarden, en voelde de pijn niet van zijn gapende wonden.
-</p>
-<p>Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in het Bosch, en
-alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer, maar nóg heerlijker, nóg heiliger,
-vergeestelijkt in een teêrdere, ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust,
-diep en zwaar, als de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij
-voelde het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen …
-</p>
-<p>Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd.
-</p>
-<p>Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling van zijn ziel,
-en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster. Éven bewogen zijn handen,
-voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge, eeuwige waarheid,
-en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in wondere wonne door zijn ziel.—Nu
-was het goed, nú was alles, alles dan goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige,
-vol-zalige rust gekomen, waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht.…
-</p>
-<p>O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.… o! die stilte, zoo
-diep en vol gebed.… o! dat heilige, blanke maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.…
-Hij voelde zich stijgen en stijgen, zweven en zweven.… een zachte sferen-muziek droomde
-op uit de verte … de innigheid werd dieper, en nóg dieper … sterren wemelden schitterend.…
-een groot Licht laaide, laaide aan.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe.
-</p>
-<p>Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig menschen-kind.
-</p>
-<p>Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust.…
-</p>
-<p class="small xd31e2018">1902–1903.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="ch1.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">HOOFDSTUK I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">HOOFDSTUK II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">16</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch3.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">HOOFDSTUK III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">35</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch4.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">HOOFDSTUK IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">51</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch5.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">HOOFDSTUK V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">78</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch6.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">HOOFDSTUK VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">100</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch7.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">HOOFDSTUK VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">114</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch8.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">HOOFDSTUK VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">139</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch9.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">HOOFDSTUK IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">166</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch10.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">HOOFDSTUK X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">198</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch11.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">HOOFDSTUK XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">216</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch12.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">HOOFDSTUK XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">227</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch13.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">HOOFDSTUK XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">238</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch14.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">HOOFDSTUK XIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">248</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Leliënstad</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Henri Jean François Borel (1869–1933)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/71515941/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td>
-<td>2022-09-01 17:47:02 UTC</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1904</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Trefwoorden:</b></td>
-<td>Dutch fiction -- 20th century</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-08-30 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e151">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">siniester</td>
-<td class="width40 bottom">sinister</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e203">8</a>, <a class="pageref" href="#xd31e529">57</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1318">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e208">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">parasietisme</td>
-<td class="width40 bottom">parasitisme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e281">19</a></td>
-<td class="width40 bottom">Paul</td>
-<td class="width40 bottom">Paulus</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e295">22</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e527">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e600">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">op </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e635">70</a></td>
-<td class="width40 bottom">edereen</td>
-<td class="width40 bottom">iedereen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e656">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="width40 bottom">.…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e694">76</a>, <a class="pageref" href="#xd31e979">118</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1069">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="width40 bottom">word</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e699">77</a>, <a class="pageref" href="#xd31e787">91</a>, <a class="pageref" href="#xd31e926">111</a>, <a class="pageref" href="#xd31e957">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1276">159</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1736">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e723">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e972">117</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e760">85</a></td>
-<td class="width40 bottom">lichte</td>
-<td class="width40 bottom">lichtte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e819">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">. .</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e895">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e919">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">da</td>
-<td class="width40 bottom">dat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e976">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">..,.</td>
-<td class="width40 bottom">.…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e996">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1112">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">Vindt</td>
-<td class="width40 bottom">Vind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1218">151</a></td>
-<td class="width40 bottom">afzichtetelijke</td>
-<td class="width40 bottom">afzichtelijke</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1231">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">grinnekend</td>
-<td class="width40 bottom">grinnikend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1330">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">bezorgheid</td>
-<td class="width40 bottom">bezorgdheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1755">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">critrici</td>
-<td class="width40 bottom">critici</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1980">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">schenn is</td>
-<td class="width40 bottom">schennis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>LELIËNSTAD</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/68893-h/images/new-cover.jpg b/old/68893-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 591ad21..0000000
--- a/old/68893-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68893-h/images/titlepage.png b/old/68893-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index d240965..0000000
--- a/old/68893-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ