summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68893-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/68893-0.txt')
-rw-r--r--old/68893-0.txt6560
1 files changed, 0 insertions, 6560 deletions
diff --git a/old/68893-0.txt b/old/68893-0.txt
deleted file mode 100644
index 4b3b94e..0000000
--- a/old/68893-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6560 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Leliënstad, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Leliënstad
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from scanned images of public domain
- material from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD ***
-
-
-
-
- LELIËNSTAD
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool.
-
-Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde,
-grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en
-de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het
-water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen
-stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre
-rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen....
-en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden,
-zonder eind.
-
-Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en
-donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het
-water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder
-ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk,
-werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op,
-met roode lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een
-onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van
-machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en
-ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart
-uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw.
-En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit
-duistere gebeuren.
-
-De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte
-karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van
-zware stemmen.
-
-De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage,
-reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende
-oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw.
-
-Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr
-hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en
-zwijgend, eindeloos in het rond...
-
-Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp
-van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van
-een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze
-vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel.
-
-Paulus stond te rillen van angst.
-
-Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek
-onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk.
-Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool
-om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos
-verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde.
-En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar
-weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte
-van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de
-menschen woonden in weedom en zonde. —
-
-Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van
-honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door
-de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn
-broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk,
-afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. —
-
-Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond
-het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van
-achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat
-alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen
-meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier
-ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd.
-
-Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle
-wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van
-stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht
-van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de
-kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen
-vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een
-verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar.
-Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd
-worden in vlammen en vuur?.... Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo
-duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien
-zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond....
-
-Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de
-stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu
-ging verstikken.
-
-Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte
-ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken,
-en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver
-boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense,
-schitterende lichtbundels straalden maagdelijk door het ruim, en in die
-reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de
-prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster.
-
-Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en
-aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het
-witte paleis daar boven.
-
-„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!”
-
-O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de
-Genade!....
-
-Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het
-zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden
-in de kuische plooien van haar witte gewaad?....
-
-Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader
-boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde....
-
-En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om
-genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote
-stad....
-
-
-
-Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende
-stem riep zijn naam.
-
-„Paulus?... Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?....”
-
-Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend.
-Dit was té heilig voor een ander, dit leefde té voorzichtig, in een
-veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen.
-
-—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe
-verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden
-die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend
-opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo
-bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!”
-
-„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd
-aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t
-hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter,
-mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de
-brug, waar we hier op staan?.... zie je die breede bogen en die zuilen
-van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.... dat wordt nu het
-nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.... daar slapen
-ze, om niet te bevriezen van de koû.... want nu is het uit met de
-bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.... daar zouden ze
-bevriezen.... hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar
-gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en
-ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden
-menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó
-maar op den harden grond.... o, als die bruggen er niet waren, die
-goede, wèldoende bruggen.... en vooràl deze, de Koninginnebrug.... hier
-slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár
-koninklijken naam.... en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de
-zon....”
-
-Vragend keek Paulus hem aan.
-
-—„In de zon?.... hoe bedoel je dat?”....
-
-—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den
-eeuwigen zomer in Monte-Regina.... je weet toch wel, die groote
-badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank
-is?.... Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden
-blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden,
-waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn... zij
-brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het
-Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de
-courant... iedereen die het maar éénigszins doen kan van de
-wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het
-Zuiden, dat weet je toch wel.... de aristocratie, en de
-kapitalisten.... die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn
-beste jongen.... dat moet je toch vòelen.... dat is goed voor den
-proletariër en den kleinen man....”
-
-—„Gaan die naar ’t Zuiden.... naar de warme zon?....” vroeg Paulus,
-naïef.... „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen
-slapen, om niet te bevriezen?”....
-
-—„Ja, zéker, kereltje.... wat heeft dat met elkaar te maken.... daar
-hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen
-ze....”
-
-„-Monte-Regina... ja, daar heb ik van gehoord en gelezen... moet daar
-niet enorm worden gespeeld?... en is het er zóó mooi?....”
-
-„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog
-héél jong was, en het onrecht nog niet wist... het is daar alles
-eeuwige lente en eeuwige jeugd... de zachte lucht is doordroomd van
-zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een
-weerschijn is van de allerheiligste hemelen.... en in die prachtige
-natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en
-gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er
-roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken....
-De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en
-twintig millioen... denk eens, beste kerel, wat een schat dat is....
-wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om
-niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”....
-
-Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte
-booten zuchtten en steenden, uitstootend hun donkere wolken van
-rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en
-hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam
-over hem, en hij greep Elias’ arm.
-
-„O! Al die booten... al die schoorsteenen...” zeide hij toen.... „hoe
-vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens....”
-
-„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.... „dat is de
-hándel.... en die fabrieken ook... dat heet de wèlvaart van een
-land.... de industrie, de nijverheid.... daar wordt een land gróót
-van.... dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten
-rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft
-er juíst nog door in leven, en verhongert niet.... Al die duizenden,
-die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk
-alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken... Als één zoo’n
-rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn
-diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal
-andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele
-evenwicht te bewaren... en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart....
-zóó zit dat in elkaar... al dat getob en gesloof hier om je heen is ten
-bate van énkelen, niet van allen... Kijk, daar gáát weer zoo’n boot...
-mooi hè?... volbeladen met goederen die worden verkocht... zie je al
-die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?... daar
-kan er weer een voor naar ’t Zuiden... Maar laten we hier nu niet
-blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van
-de partij, bréng me zoo ver...”
-
-Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en
-rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van
-den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe
-editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn,
-schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een
-paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de
-meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met
-een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar
-versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte
-wanhoopskus van innig medelijden.
-
-„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande
-verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit
-jaar, en ik ben vol moed.”
-
-Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op
-vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de
-sociaal-democraten er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond
-het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote
-kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement
-aangenomen wetten kon vernietigen.
-
-En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de
-christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord.
-
-—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias
-weer.
-
-„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.... en ik dánk je er wèl voor.... ik
-ga nu al véél meer weten.... ik begrijp nu meér....”
-
-Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel
-gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had
-gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie,
-en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale
-evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die
-schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een
-absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke,
-onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was
-aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het
-was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke
-overgang behoefde.—
-
-Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de
-goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel
-wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden,
-in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor
-bleef!.... En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge
-revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade,
-die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.
-
-Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten
-afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na.
-
-Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en
-propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar
-sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen
-duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door
-geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen
-der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en
-fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij
-zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór
-dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden
-zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als
-zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren?
-
-En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende,
-en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het
-in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder
-kunnen doen, dat hij verwachtte.
-
-Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú
-was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een
-groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een
-goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De
-reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou
-dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel
-geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden
-broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó
-simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie,
-dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat
-alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen.
-
-Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het
-wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de
-reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de
-vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele
-gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat
-droeve doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig,
-vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver,
-zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare,
-witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot
-haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar
-te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En
-als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij
-eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij
-gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de
-verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was
-liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte
-gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou
-uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles
-heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat
-smachtend wachtte.
-
-Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel
-moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met
-bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over
-dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen,
-en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een
-ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van
-zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand
-versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar
-kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders
-hoeder willen wezen?....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn
-hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses.
-
-De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten
-fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen,
-zijn chocolade te slurpen.
-
-„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk
-weer eens aanloopen?... Kan ik je met iets dienen?... wat chocolade?...
-een cigaret?... o neen: je rookt niet hè?... nog altijd even sober?...
-geen vleesch, geen alcohol, geen tabak... en tóch zie je er niet zoo
-heel florissant uit... je ziet bleek, kerel... nog altijd aan het
-tobben en het filosofeeren?... weer te veel bij je vriend Elias
-geweest, den sociaal-democraat?... dat zal ééns wel weer overgaan, dat
-hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen
-is...”
-
-Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote plan, om op den
-lichten toon van die scherts te antwoorden.
-
-„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet... ik kom je iets heel ernstigs en
-gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt... ik weet,
-dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met
-mijn liefste gevoelens... je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op
-door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom
-afsmeeken, als een groote, groote gunst..”
-
-„—Nu.... kom er gerust mee voor den dag, hoor... als het maar niet iets
-voor de sociaal-democraten is...”
-
-„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen... ik wou... ik wou... nu, ik
-wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen
-er bij... zou dat kunnen?...”
-
-Marcelio zag hem verbaasd aan.
-
-„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt... Haar Koninklijke
-Hoogheid spreken... een particuliere audiëntie dus... en maar eventjes
-heel alleen, zonder anderen... En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke
-Hoogheid doen?... wat kan jij haar te vertellen hebben?...”
-
-„—Dat moet je niet vragen, Marcelio... dat is mijn zaak... ik sméék je
-alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?...”
-
-„—Kúnnen wèl... Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting
-aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou...
-je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je... het
-zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met
-een beetje moeite... maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?...
-toch geen dolle dingen, hoop ik?... toch niets over dat zoogenaamde
-onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je
-vriend Elias je inblaast?...”
-
-Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van
-het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een
-zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo
-in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer
-leven.... en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je
-cigaret, en drinkt je fijne chocolade.... alles is hier zoo mooi en
-rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en
-de schande.... nu, já, ik durf het wel te zeggen.... áls ik nu de
-prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?... áls ik
-haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om
-genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht
-en de waarheid?... wat dan nóg?... zou je me dan niet willen helpen?...
-Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel,
-Marcelio...”
-
-Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van
-verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een
-jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren
-geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de
-wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen!
-
-Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een
-broekie!” zei hij, glimlachend.
-
-„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd.
-
-„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en
-eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën
-van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar
-Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is
-absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!”
-
-„—Ik begrijp je niet, Marcelio!”
-
-„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je
-hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten
-niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de
-toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een
-akelig klein beetje vooruit zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog
-precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van
-de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch
-vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed.
-Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten
-door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden
-aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en
-wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel
-onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het
-bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók
-niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te
-begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens
-behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet,
-dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens
-bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste
-eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense
-figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van
-Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is
-uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de
-ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige
-beelden, de schilderijen, de gebouwen, zoo’n sublieme cathedraal
-bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke
-Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de
-eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de
-reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn... en
-als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die
-wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en
-rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch
-kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat
-er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en
-steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie
-je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen,
-waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al
-niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren,
-dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat
-egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als
-er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin
-menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar.
-Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig,
-dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er
-geen liberalen en geen conservatieven en geen sociaal-democraten en
-geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens
-die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat
-het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische
-wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die
-Liefde wordt het nooít wat.
-
-„Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt
-het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als
-jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige
-gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er
-bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het
-ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar
-beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát
-wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is
-en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide
-logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat
-idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat
-verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst
-of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol
-enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan,
-dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat militair vertoon laat
-bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de
-koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en
-als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen,
-heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan
-Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn
-eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een
-reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten.
-Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de
-sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna
-iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove
-eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de
-heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik
-zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik
-ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van
-het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver,
-fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie
-kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te
-zitten. Dáár, nu wéét je het!....”
-
-Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte
-nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord.
-
-„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou
-de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?”
-
-„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr
-vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de
-wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de
-electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En
-óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet
-gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt,
-zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het
-vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit
-goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde.
-Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen
-aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant
-doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename
-leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb
-je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als
-duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De
-ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de
-allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat
-hebben ze aan de wetenschap der hygiène, die enkel de bevoorrechten
-baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de
-bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor
-de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door
-slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet
-door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het
-nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er
-veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en
-ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren.
-
-„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de
-Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm
-werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale
-hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat
-predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou
-de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde
-ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van
-staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor
-gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen
-ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk
-kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het
-bloed zagen kleven van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna
-niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige
-maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze
-zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en
-roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde
-af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden
-verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag
-en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en
-Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien
-God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving
-van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen
-geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun
-eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote
-verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee
-verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk
-geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze
-waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd
-net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun
-filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk
-verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten
-verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het
-laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde
-voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te
-bedekken.”
-
-Paulus keek hem in stomme verbazing aan.
-
-Was dát Marcelio?.... Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de
-gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke
-prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed.
-
-„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat
-allemaal, net zoo goed als ik?”
-
-„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb
-toch oogen om te kijken....”
-
-„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er
-overal misère om je heen is?”
-
-„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.... er is al zóóveel gedaan, en ’t
-is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige,
-misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te
-doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede
-bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje.
-Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel
-en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds
-en proletariërs het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender,
-dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een
-knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg,
-voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus,
-heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg
-van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik
-door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel
-niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren
-hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze
-gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch
-nog, Paulus.... er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute,
-door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de
-Maatschappij heet!”
-
-„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar
-Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo
-héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien
-niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de
-ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de
-schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar
-eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de
-ellende en het onrecht, die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou
-dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo
-rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont
-het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!”
-
-Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat
-onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde
-bedenkelijk het hoofd.
-
-„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd.
-
-„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses
-is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan
-doen. Maar, al kón ze....”
-
-„—Nu?”....
-
-„—Hm!.... ja.... zie je, Paulus.... het past me niet, een oordeel te
-vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.... over wat ze doen zou, of niet
-doen zou.... maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter
-harte zou gaan....”
-
-„—Hè??”....
-
-„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed....
-zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild
-heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog
-houden.... het gezag nu, dat is juist de handhaving van den
-tegenwoordigen staat van wreedheid en onrecht.... de zoogenaamde
-maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid
-op de misère der overgroote massa.... en zij, de kroonprinses Leliane,
-is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke
-orde.... daar heeft ze ook haar leger voor....”
-
-„Waartoe jíj ook behoort!”
-
-„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor
-moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde....”
-
-„Die onrecht en wanorde is!”
-
-„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel... maar wat wil je er aan doen?.... ik
-zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.... ik zit nu eenmaal in ’t
-schuitje en heb het er altijd goed in gehad....”
-
-„—En ik gelóóf je niet, Marcelio... Je kènt de kroonprinses Leliane
-niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht
-gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert
-fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het
-gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter
-dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar
-eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar,
-als ze het weet! O! als ze het weet!... dan zal ze, als een zachte
-Samaritane, naar de smarten gaan en groote wonderen doen.... Je moet
-mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er
-bij.... dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en
-verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van
-haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar
-schande te veilen!.... want het zijn toch háár zusteren, niet waar,
-Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd...”
-
-Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder.
-
-„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij
-waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet,
-kereltje.... ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.... en
-onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dat
-kan niet uitblijven....”
-
-Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar
-niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en
-correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen
-had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór
-alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden
-noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch
-vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit,
-zonder welke alle sociale systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát
-wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken
-gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu
-rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over
-doodgewone dingen sprak.
-
-„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende
-verontwaardiging.
-
-„Maar wel zéker, beste kerel.... zéker wil ik je helpen.... ik vind het
-idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme,
-tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.... het geval is eenvoudig
-éénig.... en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me
-aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven
-heet.... maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog
-gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen
-tijd.... daar is hij misschien te beroerd voor.... Dus jij wilt à tout
-prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dan zullen
-we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben
-je nu tevreden?.... als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen
-wil, zal het wel gaan.... Het treft, dat ik de volgende week dienst heb
-in Monte-Regina.... dan moet je maar met me meê, als een vriend van me,
-en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het
-Regina-Palace-Hôtel, waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen
-heeft.... Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken
-hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van
-je audiëntie terecht.... je moet overal met mij meegaan, en je netjes
-houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.... het
-is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in
-Leliënstad, geen idee van kunt hebben.... het brandpunt van het
-kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.... je moet bij de
-hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee
-verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede
-gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.... Je
-moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te
-geven, en je voor te doen als een der onzen.... ze moeten je daar
-houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van
-het vorstenhuis.... Belóóf je me dat?....”
-
-Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm
-te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden
-in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar
-zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de
-genade zou brengen en het Recht...
-
-Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had
-voorgevoeld...
-
-„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét
-niet, hóe gelukkig je mij maakt!”
-
-Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als
-over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te
-houden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Monte-Regina!
-
-Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en
-verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde,
-droef, en des doods.
-
-In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine
-bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in
-de lucht.
-
-Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere
-wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond
-slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en
-seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden
-om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had
-beroerd!
-
-Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die
-over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de
-palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te
-droomen...
-
-Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een
-warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus
-zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer
-te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef
-de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het
-mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al
-eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina.
-
-En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren
-zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme,
-gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom.
-
-Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen
-twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys.
-Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen
-de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond.
-
-Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar
-links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen,
-die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd
-doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en
-daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen
-den hemel.
-
-En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele
-landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,”
-dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op
-al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet.
-Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een
-verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen,
-maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó
-smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere.
-
-Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg
-gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn
-kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping,
-had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd.
-
-Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster
-zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap
-onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen,
-met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen
-het geel.
-
-De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint,
-en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht,
-en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit
-was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets
-openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de
-zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der
-dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit
-bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam
-violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker.
-
-Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte
-Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in
-Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als
-een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige,
-zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een
-wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere
-huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette
-tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid
-aan, van een Graal.
-
-En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de
-lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan
-om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd
-gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende
-klokken en witten brand van heilige kaarsen....
-
-Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het
-Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen
-trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en
-langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke
-palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende
-laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en
-aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware
-waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een
-Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling
-van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van
-engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van
-lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het
-blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room.
-
-Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en
-deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met
-aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen.
-
-Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een
-albasten pilaar.
-
-„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t
-algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.”
-
-Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog
-bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij
-ook mocht zien.
-
-Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af,
-uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat.
-Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette,
-anders mocht hij niet binnen.
-
-Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten
-zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen.
-
-En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een
-hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme
-zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar
-met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in
-lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde
-plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk
-paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den
-vloer en van het plafond hem tegemoet.
-
-Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen,
-schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings
-en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en
-weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was
-nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen
-knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En
-monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs
-faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!”
-
-Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel,
-en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven.
-Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het
-zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère
-en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en
-zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om
-nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die
-de onderdanen waren van Leliane!
-
-O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die
-zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste,
-gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo
-doorleefden, als zij deden, van zijn misère?
-
-Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van
-schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands
-belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in
-al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets
-anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en
-ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante
-oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag
-bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van
-overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als
-voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een
-rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing.
-En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen
-was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van
-duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid,
-of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een
-overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs,
-waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden,
-zóó waardeloos schenen ze daar.
-
-Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en
-stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar
-op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de
-croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches
-waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen
-omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes
-„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar
-uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren,
-en scheen dit ijselijk koddig te vinden.
-
-Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó
-haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer
-ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de
-grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over
-verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won,
-of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend
-milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en
-sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die
-een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen,
-op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die
-duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van
-kent.
-
-Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó
-leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige
-blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus,
-maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote,
-ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien
-hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren
-naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te
-kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren
-stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om
-toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde
-menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een
-lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier
-was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk
-nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte
-schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid
-en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld
-en nog eens geld.
-
-En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich
-aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld
-was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile
-vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse
-geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in
-prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter
-zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de
-winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te
-kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.
-
-Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de
-bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de
-speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken
-avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit
-in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino,
-stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk
-uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus
-in het schijnsel van het witte electrische licht.
-
-Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht,
-tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs
-ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten,
-breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven
-klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het
-nu te donker.
-
-Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de
-lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links,
-dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle
-terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel
-van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun
-van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de
-rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als
-wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen
-weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel,
-rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel
-van-zelve, in de zegening van het licht.
-
-De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de
-blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de
-ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht.
-
-Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een
-eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren.
-
-En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino
-mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische
-lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het
-room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het
-donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn
-porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het
-beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees
-in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen
-dronken nacht van het Zuiden....
-
-Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en
-zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel
-ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel
-was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in
-den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des
-daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een
-goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.
-
-Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in
-de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht.
-
-Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend
-Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk
-wonder.
-
-Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk,
-heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie
-geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de
-gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken
-en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.
-
-En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van
-den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille,
-slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van
-het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles
-vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets
-meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns
-had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies,
-die de zusteren waren van zijn ziel.
-
-Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen
-en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een
-valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het
-enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die
-daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis
-van vrede.
-
-Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in
-vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar
-omhoog.
-
-„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in
-eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der
-wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en
-alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de
-waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....”
-
-En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden
-vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal
-voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te
-smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.
-
-Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het
-licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was
-geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan.
-Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar
-uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als
-dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden
-vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een
-ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens
-goede hoeder hij zou zijn.
-
-Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou
-alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde
-moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd
-in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig
-samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige
-maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig
-geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula.
-
-Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl
-hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich
-over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t
-maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem
-onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien;
-het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was
-al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér
-durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen
-opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied
-bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias
-verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te
-roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij
-het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij
-denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio.
-
-„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo
-iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk
-met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en
-vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu
-heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De
-prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar
-een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af
-komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar
-macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed,
-als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart,
-dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede
-aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen
-vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden,
-omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon
-vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg
-zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade
-kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een
-hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor
-onze partij...”
-
-„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had
-Paulus verwonderd gevraagd.
-
-„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme
-slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit
-haar handen nam.”
-
-Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór
-alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en
-Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van
-elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand
-gedrukt en hem gezegd:
-
-„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te
-maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met
-hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is
-onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens
-voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze
-partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit
-je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!”
-
-Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet
-ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in
-de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel.
-
-Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het
-Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht
-wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit
-gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den
-ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien,
-en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg
-zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot
-de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als
-muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een
-zeer zacht licht.
-
-Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en
-toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den
-grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden.
-
-
-
-In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet
-hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien
-geliefde, hem te brengen.
-
-Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van
-het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden.
-
-Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog
-plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond,
-als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes,
-elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met
-engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief.
-Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande,
-langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak.
-Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en
-blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het
-stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van
-plechtige stilte door de zaal.
-
-Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte
-tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van
-dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen
-aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een
-ceremonie.
-
-Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden
-ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt
-imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig
-document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten,
-spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus,
-of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de
-zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel
-geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het
-terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een
-generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één
-allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten
-correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of
-zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de
-scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames,
-gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast
-haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van
-pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de
-donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder
-dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën,
-zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze
-blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin
-juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel.
-
-In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en
-het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners
-droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den
-gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en
-gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen.
-
-Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s
-Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen.
-
-Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden
-bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het
-bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van
-witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van
-languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes
-van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende
-schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van
-goedheid waren, en van waarachtig schoon....
-
-Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem
-kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch
-niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen
-te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht.
-Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner
-een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat
-deze er zóó over dacht.
-
-„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die
-daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius
-Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem
-zijn!...”
-
-Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was
-ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van
-Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in
-couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was
-om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne
-uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent
-hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche
-keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche
-danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten
-betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een
-hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië,
-moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met
-zijn groote vuisten hebben geworgd.
-
-Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen,
-vertelde in zijn blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich
-niet lekker voelde, als hij een dag had doorgebracht zonder dat hij een
-of ander dier gedood had, al was het maar een vogeltje. Het jagen zat
-hem in ’t bloed, had hij hem gezegd.
-
-Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor
-Paulus een schrikbeeld geworden, een soort legendarisch monster, te
-wreed, om eigenlijk anders te kunnen bestaan, dan in overgeleverde
-verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op éen dag honderden
-herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen was
-die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige,
-zachtzinnige wezens.
-
-Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het
-tafeltje van den prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond.
-
-„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb
-de eer gehad, aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den
-bloede.”—
-
-Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij een diepe,
-eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst,
-maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote
-oogen naar den grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en
-dreigend in zijn leven was verschenen.
-
-Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een
-gewone groote man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de
-Moscovieten, die een nog maar weinige jaren wat beschaafd volk waren
-van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden mond met bloedroode lippen
-zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige haar van zijn
-zware snor en langen baard.
-
-Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang
-voor hem was. Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins
-voorbij kon gaan, en voelde als een heel teêr, fijn vogeltje, als het
-een wilde sperwer heeft gezien.
-
-„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio,
-boos. „Wat moet Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en
-zag, dat je bij mij hoorde. Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch
-van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd veel bij Haar Koninklijke
-Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.”
-
-„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses Leliane?...
-híj?... dat donkere, wreede mónster?... onmógelijk...”
-
-En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige,
-dat leefde van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen
-als het witte, het vlekkeloos onschuldige van de prinses, die uit de
-gouden zonnestralen en de blanke waterlelies was gesproten.
-
-„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend.
-„In de politiek zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet
-vergeten, dat hij de broeder is van Zijne Majesteit den Keizer van
-Moscovië, en een van de rijkste prinsen van de wereld.”
-
-„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze
-dieren!”
-
-„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met
-den beer bewezen. Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn,
-daar ben ik zéker van.”
-
-„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch
-moord, laffe moord op zachte, lieve beesten, die zich niet
-verdedigen....”
-
-„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport
-noemen we dat.”
-
-„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van
-hem bekend zijn, of is het niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste
-orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn millioenen, weggesmeten
-aan veile vrouwen?....”
-
-„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats
-denken. Zoo’n halve barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed
-in opbruist, en dan in ’t bezit van millioenen, en dan die verleiding
-overal....”
-
-„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen
-in de mijnen.... de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun
-fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen in moeten werken?.... en waar
-duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad hun liefde voor
-de vrijheid en voor hun medemenschen was.... daar leeft hij van, dat
-monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig
-monster!.... Hij is niet waard denzelfden grond te betreden, waar
-Leliane’s heilige voeten over zijn gegaan.... Zijn enkele
-tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al....”
-
-Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen
-hij zag, hoe rood Paulus was geworden van verontwaardiging en
-opgewondenheid.
-
-
-
-Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op
-hetzelfde effect berekend, waren er nog tientallen van restaurants in
-Monte-Regina, de groote Grill-Room van het café des Lys, de
-restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van de Métropole, en vooral het
-kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en prinsen kwamen
-met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door
-kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse
-muziek, de vergulding van den uiterlijken glorieschijn om wat niets
-anders was dan de voldoening van het Beest. En Paulus voelde intuïtief,
-dat het genot van al die schitteringen, die tot het uiterste opgevoerde
-verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, door
-culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door
-het aanbieden van de „addition,” waarop met rooverachtige
-onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd.
-
-Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden
-van het paradijs nog werden verhoogd door het neerzien op de
-pijnigingen der zondaars in de hel, zóó was misschien voor die
-correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, in die
-peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich
-te goed deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van
-honger en gebrek. En zij allen, zij wisten, of kónden weten, welk een
-arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, dat zij hier moedwillig
-verspilden. Met één, nog niet eens zoo bijzonder fijn diner aan een
-paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, waar een
-afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in
-menschonteerenden arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen,
-of in verpeste fabrieken. En voor één nacht van wellust met een veile
-vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, waarvan honderd
-gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan.
-
-Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen
-uithouden, en dat hij zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten
-breken, als hij hem nu niet spoedig de vergunning bracht voor de zoo
-vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want hij voelde met de
-dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen.
-
-Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n
-restaurant, beving hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een
-onweêrstaanbaren lust, om alles in ’t rond kort en klein te slaan, om
-de omzittende, rijke patsers op hun impassibele tronies te trommelen,
-en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, hoe zij
-allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen,
-lafhartige, domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven
-maatschappij van onrecht en goddeloosheid.
-
-Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van
-overprikkelde nervositeit, dat correcte, ongevoelige gedoe van al die
-kerels en vrouwen in hun mooie plunje, die daar in één maal voor
-honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun heele leven
-zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die
-kerels, met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit
-arbeid hadden gekend, hun met fijne essences doortrokken haren; die
-vrouwen, die met duizenden en duizenden aan paarlen en diamanten waren
-omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde gezichten, haar
-coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest
-zijn!
-
-Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs
-de schijn van glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête
-brak door al die voorname, in valsche plooi getrokken gezichten heen,
-en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende van al de lakeien en
-keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn.
-
-Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een
-blijde tijding.
-
-„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je
-me daar vinden, en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er
-nu mijne tante, de hertogin Marcelia, voorgespannen, en je weet, die
-heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf uur
-van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te
-vinden. O ja, dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de
-speelzaal ’s morgens. Dat is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets,
-om je eens flink te ergeren...”
-
-
-
-Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart
-vóór elven.
-
-Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden
-morgen-licht, dat door den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren
-Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen en het donker-gulden licht
-leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst zou
-beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen,
-ópjubelend door de gewelven...
-
-En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan
-speelholen waren.
-
-Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte
-bezig queue te maken.
-
-Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met
-zenuwachtige gezichten, in hun elegante kleêren, toch als armen,
-wachtend op de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden
-knoopen waakten bij de deur.
-
-Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en
-mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten
-honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend
-op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan,
-mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen,
-die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig
-trokken met hun in spanning verwrongen gezichten.
-
-Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht...
-
-Totdat opeens de deuren opengingen.
-
-Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen
-holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de
-groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te
-krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een
-maal van uitgehongerden na een beleg.
-
-Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school,
-knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en
-waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd zouden worden.
-Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes
-goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier.
-
-Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „Messieurs, faites vos
-jeux!”
-
-Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk,
-een enkele zijn biljet op een nummertje, of een vak. Het leek
-onschuldig, als een avondpartijtje, waar de kinderen om een lange tafel
-aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat het hier ging om ’t
-bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten in dat
-schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en
-heeren, schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère
-en den honger en de langzame uitmoording van duizenden slaven en
-sloven, die de productie voor hen moesten voortbrengen in kommer en
-gebrek.
-
-Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette.
-De roode gezichten volgden in spanning het kleine, witte, ratelende
-knikkertje, of hun leven er van afhing. Onverschillig riep de croupier
-met zijn monotone stem:
-
-„Treize! Noir, impair et manque!”
-
-En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar
-ginds, ver, in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek
-woedden, en de proletariër vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw
-en kinderen, met den honger als wapen...
-
-Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het
-onrecht! Overal triomfeerde het onrecht, en onder het masker van
-godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij leefde de
-minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van
-het bloed en zweet der zwoegende massa’s.
-
-Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor
-honderden millioenen verspild en verbrast, in louter roekeloosheid,
-door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze patsers, millioenen, waar
-zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om te lenigen
-den nood der misdeelden.
-
-Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en
-de weelde er geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit
-Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige luxe in te ledigen. Uit
-alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd met hun
-geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er
-anders geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven.
-O! Als ze het niet konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid
-was, dàn ware het nog wel onrecht, doch tóch nog te vergeven, omdat zij
-niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden wreedaards hier, zij
-wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren boeken
-geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die
-het hun hadden gepredikt, hoe zij leefden van diefstal en onrecht en
-langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, zij allen wísten, en tóch
-liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met paarlen en
-diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud
-betaald, en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg
-in wellust met veile vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht
-verworven geld. En zij allen noemden zich Christenen, en waagden het,
-Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en Gods zegen af te
-smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze
-opeenhooping van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina,
-waren nu duizenden, honderdduizenden ongelukkige, onbewuste arbeiders
-bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige mijnschachten, in
-van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende
-riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige
-beesten in de felle koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke
-nietsdoeners aan hadden was door zwoegende medemenschen voor luttel
-hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, de stof voor hun
-kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, die
-zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van
-arbeiders was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien God aan
-allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van
-superioriteit, of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had
-gegeven, enkel, omdat zij zóó in het groote onrecht van de maatschappij
-waren geplaatst, meest door het bloote toeval van geboorte, of erfenis,
-of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, waar het
-geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden,
-hoe meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender
-menschen werden zij gevonden. Een Engelsche prins, die voor één hoed
-van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen van Léoni vierduizend
-francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed en zweet
-van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle
-Monte-Reginasche bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse,
-die, door het verkoopen van haar lijf tot veilen wellust, zich een
-onschatbaar fortuin had verworven, ging iedereen in de speelzalen
-eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde van
-haar beroemde diamanten.
-
-Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep,
-wachtende op Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en
-voller, een uur verliep, en nóg was hij niet gekomen. Een drukkende
-warmte begon in de zaal te broeien, een lucht van verhitte menschen,
-vermengd met geuren van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd
-worden, en vond het beter, even wat naar buiten te gaan in de heerlijk
-zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over een half uurtje zou
-hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was.
-
-Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij
-op een bankje zitten.
-
-Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was
-eindeloos ver, spiegelend in het zachte zonlicht, rustig en egaal,
-zonder rimpeling. Links naar den horizon wenkten verre omtrekken van
-bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen nu en dan
-héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde
-de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en
-tevredenheid, en rustig geluk.
-
-En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel
-wègglijden. O! Hoe innig waren die lijnen van de bergen daar in de
-verte, hoe gevoelig stonden daar die boomen, èven wuivende somtijds op
-zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren varen haar pracht
-ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! En,
-weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen
-vier muren, was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde
-over de eindelooze zee.
-
-Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal.
-
-Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek,
-en keek.... Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene
-grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine
-jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in
-zijn bek.
-
-Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte
-vallen, als voor vogels.
-
-Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op,
-eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen,
-vloog dàn weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige
-lucht.
-
-Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig
-slaande met de vlerkjes.
-
-De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in
-zijn bek, holde weer weg.
-
-Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid,
-in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank
-gelukje, omhoog....
-
-Pang! Pang!
-
-En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan,
-met opengesperden muil....
-
-Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne,
-aten gebak en vruchten aan tafeltjes, lachten, hadden plezier,
-applaudisseerden de laffe moordenaars, die de mooie, weerlooze duiven
-schoten, uit pure pret in bloed en dood....
-
-En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan
-zijn de beroemde Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op
-groote schaal, waaraan de hooge adel deelnam, de fine fleur van de
-aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, met prijzen van
-honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had
-gedaan....
-
-Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet
-genoeg, en de dure demi-mondaines niet, en de met goud betaalde
-pasteien niet, en niet de dolle wedloopen met halfdood gemartelde
-paarden....
-
-Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van
-lediggang en parasitisme, zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord
-op onnoozele duiven, waarvan er honderden vielen, tot hún leeg vermaak
-op éénen dag....
-
-Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De
-witte duiven vlogen op, de een na de ander, en wiekten weg naar de
-lichte lucht, en vielen jammerlijk neer, bloedend en des doods, waar
-een roode muil met scherpe tanden dreigend werd opengesperd, ze
-wachtte....
-
-En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in
-het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje.
-
-Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen
-verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij
-hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend
-dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood.
-
-„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer,
-mijn brave? Kan ik je helpen?”
-
-Paulus schrikte op.
-
-Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den
-schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een
-beetje medelijdend aan.
-
-Paulus greep hem krampachtig bij den arm.
-
-„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen.
-„De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie,
-witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels
-zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze
-spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als
-gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte
-veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de roode,
-opengesperde muil van dien grooten hond.... o! de lafaards, Marcelio,
-de lafaards!.... ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje,
-als een gewoon spelletje, voor tijdverdrijf!....”
-
-„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.... Maar dat
-is sport, wat ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres
-voor gefokt.... als die sport er niet was, hadden ze heelemaal niet
-geleefd.... Het is vandaag Tir aux Pigeons om den Grand Prix.... de
-fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.... prins Sergius is er
-ook bij, die wel weer zal winnen.... hij doet hors de concours mee,
-omdat hij tóch altijd wint.... en vanmiddag komt Haar Koninklijke
-Hoogheid, prinses Leliane, den wedstrijd even met haar bezoek
-vereeren....”
-
-Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer
-vergeten. Hij herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om
-hem antwoord te brengen op zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede
-van háár bezoek bij dien bloedigen moord van duiven ontging hem.
-
-Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van
-hoopvolle verwachting bracht er een zacht licht over, als een
-doorbrekende zon doet door een regenlucht.
-
-„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid....?” vroeg hij, stotterend.
-
-„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft
-Haar Koninklijke Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te
-beschikken. Ze zal je audiëntie verleenen. En héél alleen nog wel. Ze
-zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, dat je over haar verdwalen
-in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. Er zal niet
-eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen.
-Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die
-al haar invloed er voor heeft gebruikt!”
-
-Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht
-tranen in zijn oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan
-toch goed worden! Zij zou de handen zegenend uitspreiden boven haar
-arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem de woorden spreken van
-wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj voorging
-in liefde zou niemand durven achterblijven.
-
-„En.... wanneer?....” stotterde hij.
-
-„—Héél gauw.... morgen al.... om twee uur morgen middag word je
-verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het
-Regina-Palace.... ik zelf heb morgen dienst en zal je binnenleiden....
-dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór alles om de etiquette
-denkt.... je bent nú niet meer in het Bosch met haar, en staat
-tegenover je aanstaande koningin....”
-
-„—Morgen al?.... morgen al?” riep Paulus jubelend uit.
-
-Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den
-afschuwelijken moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén,
-dat hij morgen prinses Leliane zou zien, en dat dan alles goed zou
-worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, dat liefde was en
-mededoogen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig
-geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij
-prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen
-en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte
-maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek
-ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij
-wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit
-hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe
-was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde
-gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen
-voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als
-maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde
-aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch
-ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon.
-
-Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar
-het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen,
-en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een
-groote blankheid rayonneerend.
-
-Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En
-wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze
-gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde.
-Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden,
-en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van
-den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte,
-wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte
-nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde,
-die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde,
-witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de
-blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar
-blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen.
-
-Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot,
-onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk
-goed zou worden.—
-
-Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de
-dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger....
-
-De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en
-violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó,
-verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens
-droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg
-weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles
-rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid
-duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak.
-
-Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun
-breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven
-stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de
-bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn
-puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap
-met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich
-hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in
-smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze
-bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge
-licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar
-de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer
-was doortrokken van haar innige essences.
-
-In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol kleine amandelboomen in
-bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze
-bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.—
-
-Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende
-boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In
-de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde
-water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze.
-
-Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van
-het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods
-aangezicht....
-
-
-
-Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle
-dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der
-menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en
-de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door
-dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan
-tot de sfeer van Leliane.
-
-Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de
-boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen,
-onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes,
-die beefden van innigheid, de roerlooze cypressen, recht oprijzende,
-als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd
-vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel
-staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de
-hoofden der biddend-gebogen schare.
-
-Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het
-dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu
-teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de
-dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den
-deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef
-in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem
-nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van
-zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij
-straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en
-herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare
-genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken
-in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle
-andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was
-gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen.
-Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van
-goud, de borst blinkend van ridderorden, en als een lichte bode uit een
-sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen.
-
-„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote
-gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil...
-waardig zijn, hoor, en kalm...”
-
-Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte,
-donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in
-lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was
-vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud,
-met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een
-anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke
-staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed
-Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond
-alleen.
-
-Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen,
-leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote
-waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een
-lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van
-witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de
-tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote,
-broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte
-orchideeën neêrhingen. Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke
-beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen
-glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen,
-sereenen droom van vrome meditatie.
-
-Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine,
-dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit
-het geslacht der lichte water-lelies.
-
-Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den
-jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij
-begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij
-wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste
-spanning.
-
-Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde
-wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans
-omgeven, verscheen de prinses.
-
-Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van
-zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp
-naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij
-knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot
-den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote
-overgave, als een zondaar in duister voor de blanke Heilige, die hem
-barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts.
-
-Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel
-trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid.
-
-„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.... Wij zijn u
-niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.... Wat kunnen wij
-voor u doen?....”
-
-Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de
-wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van
-engelen uit hemelsche sferen.
-
-Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel
-nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar
-aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar
-God.
-
-Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even
-aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was
-zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers
-had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde
-gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de
-middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was.
-Toch begreep zij, dat dit zóó niet duren kon, dit stille aanbidden
-zonder woorden.
-
-„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend.
-„Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook
-helpen met iets? Nu moet ge spreken....”
-
-Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing,
-als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van
-haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó
-zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit,
-zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was
-wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein.
-
-„—Maar spréék dan toch....” zong weer de muziek van haar stem.
-
-Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te
-herinneren.... alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien
-hoogen staat.... hij moest nu spreken, zeide zij.... van wat?.... van
-wat?.... wat was er nu nog te spreken?.... hier was het hóógste, wat nu
-ooit nog komen kon.... het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar
-de ziel van bidt.... hier was enkel het stille, rustige droomen, de
-handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk... wat kon er
-nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar
-heilige oogen?...
-
-Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen
-moest.... zij gebóód het, dus móest het wel.... er wàs wel iets, maar
-dat was zoo héél lang geleden.... wel eeuwen leek het.... uit een ander
-leven, in een gansch andere sfeer.... toen was het duister, zwart,
-droef duister, en nú was alles zoo licht....
-
-Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al
-den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met
-ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in
-dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem
-op dreef te brengen.
-
-„—Komaan....” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets
-gekomen.... zeg ons nu alles, zonder schromen.... onze tijd is
-kostbaar.... en wij hebben nog maar weinige minuten voor u... Spréék
-nu, wij wíllen het, wij gebíeden....”
-
-Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte
-uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op,
-dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen,
-de ellendigen.... het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en
-rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en
-roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande....
-En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, in de verblinding van zijn
-droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte
-kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles
-duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de
-emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem.
-
-„O! Koninklijke Prinses....” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die
-leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van
-reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van
-mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.... Het
-allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.... heeft U het zélve mij
-niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.... op Uw gebod heb
-ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en
-vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.... omdat ik
-dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk....
-toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de
-huizingen der menschen.... schitterend wit, en veilig, op de heuvelen,
-waar de lucht rein is.... maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de
-groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen,
-zich koesterend aan Uwen voet.... en benéden woont het onrecht en de
-leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.... Ik
-heb gezien de duizenden arbeiders, mijn broeders, die zwoegen in vunze,
-heete holen, en diep in donkere mijnen.... ik heb hun vrouwen gezien,
-hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon....
-ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de
-verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe
-zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren,
-zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk
-lijf.... de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke
-Majesteit, als redeloos vee.... ik weet de honderdduizenden, die
-wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.... en
-o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede
-parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan....
-Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de
-werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder
-wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog
-niet van honger om te komen.... en de bestbetaalden, in de gunstigste
-omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat
-óns het leven enkel waard maakt.... Die groote, lichte Leliënstad, die
-de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed,
-gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.... en áltijd troont prinses
-Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de ellende, en zij ziet
-enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren,
-koninklijken naam... En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al
-de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en
-zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet
-der verdrukten.... O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden
-U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik
-de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer
-rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.... O,
-Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste
-krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.... Gij hebt mij
-beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister
-ben ik afgedaald.... ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb
-gelezen.... in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der
-wereld zou te stillen zijn.... maar nergens heb ik de uitkomst
-gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door
-niets te stuiten.... De menschen gaan met harde gezichten en weenen
-niet... zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als
-koude wreedaards onbewogen.... en God heeft toch de schoone wereld
-gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven
-ten koste van de anderen, die lastdieren moeten zijn.... maar in de
-menschen woont de Liefde niet....”
-
-Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht
-hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn
-groote verwarring.
-
-Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in
-zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn
-hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet.
-
-Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde
-trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat
-hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat
-zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid
-van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan,
-voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar,
-van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning
-eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden
-zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en
-onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de
-Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.... Had die
-jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar
-geslacht?.... Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke
-gunsten?....
-
-IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn
-hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een
-vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi,
-met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe
-glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de
-riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had
-bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste,
-maagdelijke wezen.
-
-Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.
-
-„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.... de
-menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want
-zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit
-genezen.... daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat
-lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte
-staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun
-grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de
-gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de
-feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet... zie de
-vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het
-dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën...
-wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van
-genade... en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand... als gíj
-voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht
-deden in Uwen naam... Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen
-van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen
-en beroofden... Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en
-zonde, een duister oord van verschrikking, een hel....”
-
-„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend.
-
-Verschrikt keek hij op.
-
-De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een
-superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om
-zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een
-wreede, minachtende trek kwam om haar mond.
-
-„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op
-een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen
-drempel te betreden... onder slaven hoort gij, met uw onwaardige
-taal... ga heen, en kom tot inkeer... verbeter u, als gij ooit weer in
-onze genade wilt komen...”
-
-Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik.
-Hij dacht een oogenblik, dat hij slecht was, een ondankbare, een
-nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het
-onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een
-verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige
-reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke
-waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van
-haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige
-tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een
-enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan,
-ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad
-in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep
-vernederd, of hij een zware misdaad had begaan.
-
-Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En
-hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging
-hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk
-legde hij een hand op Paulus’ schouder.
-
-„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?... Dat kon ook niet
-anders... mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch
-moeten blijven... je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don
-Quichotte... maar je hebt het zélf gewild... en door al die dingen moet
-jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt
-worden...”
-
-Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel.
-Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste
-verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam
-naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem
-neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns
-ondanks, aan, met een zacht medegevoel.
-
-„—Kom... vertel me nu eens...” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken
-wat bedaarde.
-
-„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio... van al de ellende... van het
-onrecht... van haar droeve zusteren, levend van haar lijf... en ze
-heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me
-aangezien... mijn ziel kromp inéén... ze veracht me, nooit zal ik dien
-vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel...
-Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio... o! hoe zij daar stond,
-zoo hoog, zoo edel, zoo trots... als zij mij lang zóó had aangezien,
-zou ik gestorven zijn... maar zij wees mij weg, met een zóó fier
-gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf...”
-
-Marcelio lachte medelijdend.
-
-„—En het onrecht dan, Paulus... de groote zaak van het volk, waar je
-voor kwam?... was die dan inééns verbleekt in je?... alléén door dien
-blik?... heb je toen alles inééns verzaakt?...”
-
-Paulus keek hem aan, en bloosde.
-
-„—O! Marcelio... ik wéét het niet meer... ik weet niets meer, dan dat
-ze me aankeek... zóó... vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid... zoo
-hoog was ze, zoo ongenaakbaar... en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo
-verachtelijk... ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar
-gewaad...”
-
-Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als
-iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst
-had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk:
-
-„—Kom, kom, Paulus.... weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van
-haar gewaad aan te raken?.... en niet alleen dien zoom, maar haar
-zelve, haar héélemaal.... weet je dan wel, dat de prinses.... gauw....
-hm... moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?...”
-
-Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend.
-
-„—Hè?.... Wat?....”
-
-Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg
-ontzettender dan het eerst gebeurde.
-
-Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij
-Paulus ging doen. Toen, inééns:
-
-„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius
-Alexandrowitsch van Moscovië.... morgen wordt het bekend gemaakt....”
-
-Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde:
-
-„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met zúlke dingen mag je niet
-spotten.... wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?....”
-
-„—Maar het is wáár, kerel.... ik spot héusch niet....”
-
-„—Och.... dat kán toch niet.... de prinses kán toch niet houden van
-zoo’n bruut....”
-
-„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.... hóuden.... alsof een koningin
-zou behoeven te hóuden.... dat is goed voor het volk.... bij een
-koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het
-vorstenhuis.... het is héusch, héusch waar, Paulus.... Maar wat schéélt
-je, kerel?....”
-
-Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel.
-Marcelio hoorde hem stamelen:
-
-„Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen van de straat.... zónder
-liefde.... alléén voor eene belooning van glorie of belang.... een
-veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio....
-het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen...?”
-
-Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden
-uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij
-de vuisten in de lucht.
-
-Marcelio snelde op hem toe.
-
-En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk
-bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een
-doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp....
-
-
-
-Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in
-Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij
-verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met
-moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen,
-en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne
-verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een
-doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte
-Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en
-niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders
-was zij verloren.... Het Monster kwam al nader en nader....
-
-En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in
-zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te
-bevechten.
-
-Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter
-verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de
-nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij
-niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte in hem te zijn,
-waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld
-van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in
-onbewustheden van zijn ziel.
-
-Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad,
-dat was het éénige, waar hij om vroeg.
-
-Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat
-was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond
-gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of
-verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen
-voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus
-uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over
-wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor
-zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles
-op den duur toch wel geneest.... En hij begreep absoluut niet, wat het
-voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn
-droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een
-Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen
-uitstrekt in bloedgierig begeer....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Nu waren maanden en maanden daarna verloopen....
-
-Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een
-groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer
-blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.... In ’t
-begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit
-over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en
-alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden.
-Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets
-meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár
-aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de
-opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon
-waard was?
-
-Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom
-hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde
-uitgeven. Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te
-gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch,
-van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom
-naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was,
-die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was
-hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het
-lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te
-bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen,
-een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de
-duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche
-literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.—
-
-Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou
-hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij
-onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo
-goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne
-uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van
-Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid
-die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en
-drinken.
-
-Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de
-literatuur te wijden, en voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen
-te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van
-prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen.
-
-Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht
-had.
-
-„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom
-je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan
-de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren
-artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en
-goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de
-gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie
-schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit
-hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur
-mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók
-een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen
-eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun
-knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de
-dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen
-in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde
-medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met
-even veel unfaire middelen als de anderen, hoor! Er is nijd, er is
-jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij,
-misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in
-je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon
-volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor....”
-
-„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd
-zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je
-ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven....”
-
-„—Te géven, Paulus?.... ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.... als het
-werkelijk te geven wás.... Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen,
-en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er
-voor betalen kan....”
-
-„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets
-voor doe, zooals nú... het geld van de prinses, dat mij nu verder zou
-bránden in mijn handen...”
-
-„—Dát is het, Paulus... maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden
-het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is... al is het
-een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de
-weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen... met wat
-je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder
-studeeren in wat je studeeren wilt... en als je de kerel wordt, die ik
-hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken
-voor onze partij... daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan...
-maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren,
-altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der
-dingen, die wíj durven aanzien... Dan zal je ook zien, hoe weinig je
-eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij
-het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst
-van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren
-staan... je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je
-heelemaal daarbij kunt wegcijferen...”
-
-Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat
-Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven
-zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de
-prinses.
-
-Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het
-heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke
-teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen
-in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het
-Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het
-te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven!
-
-Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen... Maar waar zou hij dan van
-moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses
-aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en
-zette hij zich aan den arbeid.
-
-Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel
-voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze
-woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat
-hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk
-leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij
-het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij,
-in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in
-het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten,
-de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol
-sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver,
-door geen rimpeling verstoord.
-
-Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een
-wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging.
-Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en
-den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal
-over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in
-die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, die hij in zijn boek
-gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal
-onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen
-en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een
-troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei
-boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige
-houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar
-zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze
-kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en
-teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor
-wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach.
-
-Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te
-loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon.
-
-Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen
-vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme
-genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had
-hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en
-waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er
-zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote
-stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en
-zijne woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond.
-
-En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had,
-van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en
-elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet
-langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de
-omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen
-hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die
-sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en
-klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het
-noodlot der gelieven bezongen.
-
-Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal
-over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in
-de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan
-voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk,
-vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige
-woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om
-lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj
-met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn
-gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten!
-
-Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig geschreven boeken met
-hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een
-troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om
-dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich
-vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie,
-niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs
-niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van
-de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een
-bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan
-stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen
-ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote,
-verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en
-kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij
-aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn
-manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze
-droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat
-hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur
-der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem,
-of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was,
-die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht
-bidden van zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem
-zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is
-mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat
-nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege
-schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.”
-
-En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn
-ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had
-leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan
-een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem
-vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te
-wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten,
-want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets
-anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde
-ópklinken.
-
-Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige
-menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van
-automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls
-een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel
-bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet
-ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als hij de
-koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende
-lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht
-van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige
-sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en
-wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder
-hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten
-las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware
-mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige
-stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam
-het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn
-ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om
-Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie,
-Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden
-in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge,
-breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende
-grofheden uitten.
-
-Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang,
-dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou
-komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren
-Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij
-het lezen van Wederich’s subliemen eersten bundel „Gedichten” het
-denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had
-bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de
-oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug.
-Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel
-„Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de
-eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje,
-had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee,
-Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.” En
-een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door
-zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat
-hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer
-zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was
-toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had
-haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig,
-eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast,
-onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer
-vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan
-vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn
-schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou,
-dan de hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het
-harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger
-is dan de harde materie.
-
-Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den
-smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte
-trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk
-overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was,
-voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van
-het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás
-dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen
-lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch
-altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre
-van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook
-gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in
-de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en
-bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote
-vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen,
-verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden,
-verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden
-hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was
-het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; misschien
-kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan
-weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister
-was.
-
-Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote
-ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De
-zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte
-proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke
-zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden
-zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het
-nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en
-zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij
-dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had
-gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter
-Wartenau:
-
-„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie
-Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog
-in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed
-bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?”
-
-Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed
-door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl
-buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns
-aanschijns, om de kleine minderheid te dienen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder
-zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen,
-schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er
-iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt
-maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme
-gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid,
-en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets
-vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan
-zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog
-niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te
-kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste
-in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd
-voor spot en hoon en verguizing.
-
-En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om bewust tot een gedachte
-te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane zijn
-boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren.
-Immers het teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren,
-het stil-biddend verlangen, waar de reien elfen en nimfen van zongen,
-wat was het eigenlijk anders, dan het kuische gebeuren in zijn eigen
-ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen aan den
-roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage
-voorgevoel van de verre prinses Leliane hem beroerde?
-
-Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij
-voor de uitgave gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke
-dingen, en vond het beter, eerst Marcelio er over te raadplegen, en te
-vragen, om hem met het uitgeven te helpen.
-
-Marcelio was bereidvaardig, als altijd.
-
-„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.... „Ik
-heb nog al veel connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien
-te publiceeren, en dàn apart bij een uitgever. Het is nu maar de
-kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. Je moet natuurlijk
-kleur bekennen!”
-
-Dat begreep Paulus niet al te best.
-
-„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?”
-
-„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en
-welke richting je bent toegedaan.”
-
-„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan.
-Ik probeer alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo
-eenvoudig mogelijk!”
-
-„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan
-te sluiten. Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk
-op je aan. Alléén staan is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in
-de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven ze je nooit. Als je alléén wilt
-staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees het desnoods zoo
-tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets
-uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s
-kijken. Waar zou je je stuk nu naar toe sturen?.... Het beste is nog
-naar Duval, den hoofdredacteur van het oudste tijdschrift, „Het
-Morgenrood”....”
-
-„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft
-tegengewerkt?.... die de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk
-gemaakt... die Wederich’s beste, onsterfelijke sonnet „De Nachtegaal”
-indertijd heeft geweigerd?....”
-
-„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters,
-op een enkele na, hem weer vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is
-bijgedraaid... dat Wederich nu zelf een tamelijk loftuitende studie
-heeft geschreven over Duval’s prullenwerk... en dat, après tout, het
-„Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls
-je eenmaal uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?... anders
-gééf je eenvoudig niet uit. Je dweepte vroeger met de schrijvers van
-den Lotuskrans.... maar nú, nu ze bijna allen water in hun wijn hebben
-gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in ’t gevlei
-komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.... Bovendien
-wil je nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.... het is er dus
-vooral om te doen, dat je werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door
-zooveel mogelijk menschen wordt gelezen... en om dat doel te bereiken,
-moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders kóm je er
-niet....”
-
-Paulus begreep het nog niet goed.
-
-„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij.
-
-„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet
-dicht te houden. Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire
-kringen verzeild raken, kennismaken met artiesten, enz., enz. Die
-zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer.
-Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire
-literatuur zich met de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De
-heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te
-komen, nu ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in
-Godsnaam voorzichtig, houd je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet
-in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me ééns vertelde van Wederich met
-zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen zijn vroegere
-doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en
-is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om
-verloochend. Die Lavelane is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet
-transigeeren wil. Maar dat zal óók wel komen, als je maar geduld hebt.
-De tijd doet véél.... Je moet zien, dat je vooruitkomt en je pousseert,
-in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij.... Het beste
-is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en
-dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en
-word je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.... stap
-dus over dat idee heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur
-hem je werk. Gelóóf me, het is een verstandige raad, dien ik je
-geef.... ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een goed woordje voor je
-doen.... als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed
-voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.... dan vindt hij zich zoo
-de welwillende protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui
-wel een handje zal helpen.... als ze hèm maar erkennen, en niets buiten
-hem om doen.... en je bent daar in het „Morgenrood” in elk geval in
-goed gezelschap van menschen met fatsoen, die wèl de mooie, rythmische
-woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.... heusch,
-„het Morgenrood” is nog het beste.... pak jij je manuscriptje nu maar
-netjes in, en stuur het aan Duval.... ik zal hem dan vanavond te
-spreken zien te krijgen in de societeit en je aanbevelen....”
-
-
-
-Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon
-papier, en bond er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel.
-
-Een oogenblik twijfelde hij.
-
-Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt
-had in de reine eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de
-menschen met hun harde gezichten en hun hoonenden blik, in die duistere
-stad, vol zonde en misère, zou het overal ten toon gesteld liggen, en
-ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. Grove
-handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en
-wreed boven lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in
-een woestenij vol roofvogels en gevaren? En waarom deed hij het
-eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn medemenschen te
-verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en mooi
-te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging
-doorbeefde hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem
-dan tóch al hebben besmet?.... Als hij het pakje nu tóch wegstuurde,
-was het met een kwalijk verholen gevoel, dat hij een slechte daad ging
-doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden.
-
-Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een
-brief van Jacob Duval.
-
-Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins
-en de Fee” werd een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of
-zijne mede-redactieleden zouden ook die meening zijn toegedaan.
-Ofschoon „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al
-maanden op plaatsing wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden
-gemaakt, en in het eerstvolgend nummer zou zijn sprookje verschijnen.
-
-Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog
-wel degelijk erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van
-„Het Morgenrood,” die de sublieme verzen in de eerste afleveringen van
-„De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep hij naar Marcelio, om hem het
-heugelijke nieuws te vertellen.
-
-„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.... als je
-die heeren maar op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel
-schappelijk.... ik ken Duval al zoo lang.... en ik heb hem verteld, dat
-je een protégétje bent van Haar Koninklijke Hoogheid.... van die scène
-in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.... zoo héél in
-vertrouwen zei ik hem dat.... nu, en dát was genoeg.... voor Haar
-Koninklijke Hoogheid doet Duval álles.... en het was je beste
-voorspraak, béter nog dan je boek zélf....”
-
-„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus
-op, naïef.
-
-„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.... o!
-wat ben jij nog een broekie.... Maar weet je, wat je nu doen moest?....
-nu moest je eens naar Jacob Duval gaan.... hij woont in de
-Marmerstraat, 64.... en hem bedanken.... dat zal hij erg
-appreciëeren....”
-
-Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan
-zou terugdenken, als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij,
-klein en nederig, naar een groot, weelderig huis is gegaan, waar woonde
-Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber van de literatuur. Het
-was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en dikke
-tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem imponeerde door
-pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog,
-strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den
-neus.
-
-Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den
-schouder en zei „mijn beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk
-„charmant,” zeide het mannetje, „het was een trouvaille... zoo weer
-eens iets héél nieuws... en de redactie was er erg blij mede geweest...
-hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker... het
-was uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend... er was zooveel
-slecht gezelschap in de literatuur voor jongelui... maar nu had hij
-geen tijd meer... een redactievergadering... je begrijpt, er komt heel
-wat kijken aan zoo’n tijdschrift... Paulus moest nog maar eens
-terugkomen...”
-
-En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk
-contact er ooit kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende,
-uitgedroogde, oude heertje. Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje
-had gezonden aan dát menschje!
-
-Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan
-beginnen? Waar was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij,
-dat er nooit voeling had kunnen zijn tusschen het innigste uit zijn
-sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón niet. Dan had Duval héél
-anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden toon
-aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een
-opwelling, om zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr
-weg, terug naar de eenzaamheid van vroeger, om het enkel zélf te kunnen
-lezen, heel alleen onder de stille boomen van het woud. Maar nu was het
-te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu maar afwachten,
-wat er van komen zou.
-
-Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen,
-kende Paulus voor het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te
-hooren naar hem toe klinken, van buiten naar binnen. Hij las nu zijn
-sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een ander was, terwijl het
-toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo vreemd, dat
-alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan
-te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was
-het èven, of dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als
-’t ware apart van hem, een eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er
-zelf armer door was geworden.
-
-Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de
-tijdschriften in couranten, werd zijn sprookje gesignaleerd. Er
-verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. Een bekend uitgever
-vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in
-boekvorm. In de literaire wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn
-kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke sprookje had geschreven
-in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke
-grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was
-verschenen, voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en
-den auteur te roemen. Eenige recensenten van de oude school gebruikten
-het sprookje, om aan te toonen, hoe het idealisme weer boven kwam als
-reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente schrijvers
-in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de
-verschijning in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur.
-
-Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en
-onbekend met het industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht
-zijn auteursrecht voor den eersten druk voor een som, die hij
-buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar van kon leven, zooals
-hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had moeten
-vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede.
-
-
-
-Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een
-groot pak aan zijn adres, met den naam van zijn uitgever er op, in
-dikke letters. Haastig sneed hij het open, en daar lagen de twintig
-present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, door
-een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar
-donkere boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd!
-Het zachte papier, de pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte
-letters!
-
-Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de
-blanke vellen papier, als van fijne zijde, door zijne vingers glijden.
-Dit was nu iets van hèm, apart, uit zijn eigen ziel gekomen!
-
-Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht,
-dat dit boekje een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van
-dames, en in dure boekenkasten van eikenhout met glas; iets, waar de
-meerderheid van de menschen, die slaafden en sloofden, tòch niets aan
-hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, de
-afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en
-kinderen, de jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de
-straten, wat hadden zíj aan zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch
-enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf francs konden koopen, en
-den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een fauteuil, in
-een omgeving van comfort en overdaad.
-
-Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo
-voornaam uitzag. Zijn naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,”
-zooals hij vroeger op de titelbladen andere had gezien, „Wederich,” en
-„Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel van hèm gingen
-houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid van
-het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje
-zouden gebogen zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op
-vallen, als hij over hén had geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen,
-die om hem dachten, al kende hij hen niet, en zijn ziel zou voeling
-hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het liefste en
-mooiste had neêrgelegd.
-
-O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van
-een boek. Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel
-van je medemenschen, die je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het
-beste en innigste van je kregen ze, want het andere, mindere, van je
-lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en gewoonheidjes, bleef
-er buiten.
-
-’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet
-in de vitrines was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag
-nog niets. De uitgever had hèm dus zeker het eerste van allen bedacht,
-nog vóór hij aan de expeditie begon. Hij keek nu aandachtig naar al de
-boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs bij, als je eens
-goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe,
-sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn,
-maar de meeste hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die
-listige, pieterige intrigetjes, van mannen en vrouwen, die elkaar
-bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten te kunnen botvieren.
-Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in den
-Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde,
-en die nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie,
-waarin de zoon gaat trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader,
-door toedoen van zijn eigen ouders, die er alles van wisten, en dit de
-beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau door dit stuk,
-dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote
-Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat
-denkbeeld voelde Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens
-naast dat van Wartenau zou komen te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch
-óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de mooie, in rood marokijn
-gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, dien hij
-als een heilige vereerde om zijn „Buch der Lieder.”
-
-En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret
-van prinses Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere
-verschijning van fee....
-
-Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane
-boeken! Hij had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de
-allerbeste dichters en schrijvers, en hij zou er vazen bij gezet hebben
-met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld op oude
-schilderijen....
-
-Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij
-opééns vlak voor zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen:
-
-
-„De Prins en de Fee” Een sprookje door Paulus.
-
-
-Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op.
-
-Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden
-het nu zien. Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met
-hun harde gezichten en hun breed gebaar.... En zij konden staren met
-hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje op den band, dien vijver,
-waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen in het
-rond.
-
-Hij keek angstig naar de menschen, die voor de vitrine stonden te
-kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen ’t
-leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de
-gehandschoende vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met
-een naakte vrouwenfiguur. Een paar oude heeren stonden gewichtig te
-kijken naar den titel van een groot werk over crimineele anthropologie.
-Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem stond een jong
-meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en
-onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het
-meisje zeggen:
-
-„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood”
-heeft gestaan. Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten
-we het dadelijk gaan koopen!”
-
-Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar
-oogen. Toen voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou
-hebben met zijn ziel, en de harde gezichten der andere menschen
-boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep onbezorgd door, en zag zijn
-boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van luxe, dat
-iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag,
-hoe er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit
-zijn ziel, voor zóóveel francs te koop, maar ontoegankelijk voor wie
-die som niet kon betalen....
-
-Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich
-schuil en ontweek hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend
-Elias vertoonde hij zich niet. Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn
-boek zouden beginnen, en tegenover Elias was het eigenlijk een zekere
-schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag kwam hij Marcelio
-op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar zijn
-eigen appartementen in de Koninginnestraat.
-
-„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn
-allerlei brieven en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij
-mij, over je boek, en ik dacht, dat je toch wel eens áán zoudt komen.
-Weet je wel, dat je een succès fou hebt met je sprookje? Als je nog een
-béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van je heeft
-ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat word jij in de hoogte gestoken, en dát
-in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!”
-
-En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van
-Marcelio, waar hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor
-hem gekomen waren. Het waren meest alle brieven en recensies over zijn
-boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. In de uiterste
-verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn
-gezicht, naarmate hij er mede vorderde.
-
-Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven
-kwam neer op dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in
-de hedendaagsche literatuur. Verbeeld je, in déze tijden, in de
-zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het materialisme, nu de
-geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en grof
-sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te
-beginnen van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een
-prins uit een sprookje, die sprak de taal van Romeo, die van een
-Danteske vereering gloeide, en zoowaar van liefde stierf, als in de
-vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, van wien
-nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan
-verhalen van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar
-kon droomen en nóg eens droomen, van heel verre af, en zachte gebeden
-fluisteren naar een fee, eindeloos weg, die woonde op een onbereikbare
-ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als het niet zoo subliem
-was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren de
-wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een
-groote stad, in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was
-daar een droomer opgestaan, die vertelde van de lichte visioenen der
-oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden om draken te
-verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van
-hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een
-hartelijk welkom toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een
-eereplaats had veroverd in de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een
-school door hem gesticht zou worden, zou dat wezen de hernieuwde school
-van het romantische idealisme. Apart en bijzonder stond Paulus’ boek in
-deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken,
-zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans
-leefden. Zelfs van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij
-zijne bewondering uitte, en die hij liet volgen door een sonnet „aan
-Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.”
-
-Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle
-van jonge meisjes, die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar
-ziel had gewekt, en hem vertelden van de tranen, die zij hadden
-geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een vrouw, die haar
-naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en
-ongelukkig was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van
-droom tóch niet bestonden, en ze alle maar vage schijnbeelden waren
-geweest van haar fantasie. In haar jeugd had zij óók zoo verlangd, als
-de prins, naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon
-van haar ziel, maar het harde leven had haar mooie droomen vernield,
-als een wilde wind een zeepbel, en toen had zij gedaan, wat alle andere
-meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man met geld en positie.
-Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste maal na
-lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o!
-zoo droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders
-„compunctio” noemen. En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij
-haar door zijn boek haar ziel weer èven had doen zien.
-
-In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem
-Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.”
-
-Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in
-zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht.
-
-Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend:
-
-„Zóó... heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?...”
-
-Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig
-bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille
-kamer.
-
-Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over dat onverwachte en
-zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen
-bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van
-de duistere stad vol onrecht en zonde.
-
-Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen
-van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij
-letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het
-grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en
-onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die
-persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van
-dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn
-kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren
-aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van
-Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een
-ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk
-niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der
-literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde
-decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven
-smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet
-van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had
-aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding,
-dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde?
-
-Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte
-rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke
-gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het
-succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al
-vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het
-was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist,
-en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens
-bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van
-haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek
-hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over
-den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een
-goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem
-niet meer ontloopen kon.
-
-„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?....
-Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.... Maar dat is waar, je bent
-nu de beroemde schrijver, hè.... je bent nu in de vóórste rij der
-literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.... en nu ben je je oude vrienden
-maar zoo’n beetje aan ’t vergeten....”
-
-„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld.
-„Maar ik had zooveel te doen.... en ik ben aan iets nieuws bezig....”
-
-„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar
-kom, loop een eindje meê op.... als je je nu maar goed houdt, dan bèn
-je er.... een beetje politiek zijn, natuurlijk....”
-
-„—Goed houden.... politiek zijn?....” vroeg Paulus.
-
-„—Nu ja.... je wéét wel.... dat zal je vriend Marcelio je toch óók al
-wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.... geen
-aanstoot geven.... in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn....
-meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes... Nú,
-tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en
-de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.... nu maar héél netjes,
-en dociel, en in den vorm blijven.... dan kòm je er wel.... voorál geen
-heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er
-voorbijgaat.... op geen verboden plaatsen komen, hoor!.... en liefst de
-héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst....”
-
-Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna
-boos antwoordde hij:
-
-„—Maar Elias.... hoe kán je zoo spotten?..... je wéét toch wel, dat ik
-altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal
-buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven,
-wat ik meen?.... Waarom spreek je zoo.... Heb je mijn sprookje
-gelezen?.... Vind je er iets valsch of onecht in?....”
-
-„Neen, Paulus, dát niet.... ja, ik héb je boek gelezen, bij
-uitzondering, omdat het van jóu was... ik geloof, dat het heel zuiver
-is en echt.... zóó uit je ziel.... en ik voel het wel mooi óók, als
-literatuur.... al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote
-gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.... Maar ik denk niet,
-dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet
-als die glorie en die roem óm je blijven.... Die bederven op ’t laatst
-den beste.... Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns
-zuiver zijn geweest... als je in den smaak wílt blijven, móet je
-eindigen met water in je wijn te doen....”
-
-„—En als ík het nu eens niet doe.... als ik bij een of andere
-gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?....”
-
-„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je
-lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je
-voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan....
-Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.... Dan zou je
-metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en
-je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.... Nú, kijk
-nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg
-zoo’n beetje geweest.... íets werkt het verraderlijke gif altijd wel
-uit... Denk nu eens aan Lavelane.... maakt híj zuivere, mooie
-gedichten.... ja, hé?.... duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en
-Wartenau nu prutselen.... en heeft díe roem of glorie?.... Het ééne
-tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere... er is pas weer
-een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van
-gisteren.... het is van professor Lucianus.... den vriend van Duval,
-een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók
-toe behoort.... een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik
-zelden gelezen.... Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren
-niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.... ze zouden je wel
-krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel
-een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te
-loochenen of te herroepen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens
-nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in
-tijdschriften, particuliere brieven.—
-
-Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den
-hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een
-der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote
-onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”,
-het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer
-exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen
-aanzitten.
-
-Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide
-hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het
-zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk
-eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven,
-en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon,
-en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.—
-
-Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde
-bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets
-prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s
-vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.
-
-Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door
-een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de
-Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou
-plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde
-zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude
-heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met
-gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.
-
-„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval
-vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u
-voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De
-Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan
-te zitten.”
-
-Paulus boog.
-
-Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en
-wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren
-allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen,
-beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun
-gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij
-zooveel officiëel gewichtigs.
-
-Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn
-de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en
-geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte
-onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we
-nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—
-
-En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen,
-besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde.
-
-Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en
-medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het
-Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier
-gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en
-innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de
-Diamanten Ster was in zijn knoopsgat.
-
-Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al
-de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne
-bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn
-gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet
-bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend
-aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan
-zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem
-al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog
-in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van
-vereering en dank.
-
-Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal
-schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig
-wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval.
-Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde,
-beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets
-in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen
-klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun
-gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid,
-die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had
-gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep.
-Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal
-zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke
-wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder
-al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als
-deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven,
-en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De
-atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd
-drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een
-irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende
-geleerden.
-
-Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat
-kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan
-aandoen?...”
-
-En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met
-zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van
-het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo
-genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge,
-edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje
-vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam
-toe gekomen?
-
-Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren
-even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele
-eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten
-over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.
-
-Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.
-
-„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het
-heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?”
-
-„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het
-vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het
-mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd
-aanziende:
-
-„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van
-vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn....
-hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en
-het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het
-mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!”
-
-„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet
-uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd
-meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk
-isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo
-mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn
-„Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n
-zwarten tijd doorgemaakt....”
-
-Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer
-antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en
-zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was
-iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er
-iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna
-ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed
-potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg
-te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit
-het volk om een verfijnde meneer te schijnen.
-
-Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren
-vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over
-geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde
-iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk
-waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich
-lichtelijk obsceen.
-
-Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin
-enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of
-historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie
-van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een
-luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen
-zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie
-het eerst van allen in aanmerking zou komen.
-
-Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:
-
-„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal
-buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd...
-wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de
-echte, zuivere dichters?...”
-
-Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te
-droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg,
-zeide hij:
-
-„Lavelane!”
-
-Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al
-de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of
-iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie.
-
-„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.
-
-Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide
-schertsend:
-
-„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een
-„enfant terrible” bent!...”
-
-Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:
-
-„Lavelane is toch een groot dichter!”
-
-Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige
-uitdrukking op zijn gezicht:
-
-„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes,
-zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan
-hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat
-officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man
-niets heilig.”
-
-„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende
-argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet
-iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien
-je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”
-
-Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid,
-om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat
-gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine,
-obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!
-
-En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets
-gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen!
-Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn
-veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met
-zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.
-
-En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen
-zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen
-behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende
-schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat
-alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang
-in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te
-veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.
-
-Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven
-champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden
-redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den
-loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans
-ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó
-oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde
-tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich
-bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist
-op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde....
-
-Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging
-stond hij op, en riep met luide stem over de tafel:
-
-„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste
-gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste
-dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet
-mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet-
-en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám
-mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur
-bezit, durven beschimpen!....”
-
-Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend
-van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele
-literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar
-wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs
-en ongehoords....
-
-
-
-Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche,
-koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde
-zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en
-hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen
-voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld
-verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate
-het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn
-naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts
-gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover
-de machthebbers en het poenendom.
-
-Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem
-beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk
-zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en
-dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj
-zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om
-ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde
-hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige
-usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat
-glorie en wat geld?
-
-Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen
-over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten
-hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen
-zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het
-opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem
-bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn
-geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange,
-geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en
-al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één
-van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden?
-Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd,
-en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en
-gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende
-kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.
-
-Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens
-Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest
-leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene
-groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en
-liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van
-Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane
-was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings
-het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij
-was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een
-troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na
-Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde
-met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op
-hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin
-hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor
-het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde
-hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen
-champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge
-opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje
-van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen,
-omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek
-zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist
-waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had
-gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van
-Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna
-dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om
-zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres,
-overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een
-dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel
-gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard,
-in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte
-artiesten.—
-
-Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet
-bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok
-uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram
-naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging
-zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht.
-Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de
-vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en
-râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van
-ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren
-heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of
-souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers
-te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden
-lonkend heen en weer.
-
-Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang,
-schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die
-zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een
-dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij
-menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe
-waas.
-
-Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en
-vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen
-hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door
-een breeden, slappen flambard.
-
-Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al
-dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend,
-een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam
-grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond.
-
-Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open
-borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer
-de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!”
-
-Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem
-gericht.
-
-„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een
-hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen,
-dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te
-komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij
-voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen.
-Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden
-groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp
-gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten
-slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen
-komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.
-
-Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in
-illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.
-
-Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane
-kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek
-hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.
-
-„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo
-naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd...
-wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...”
-
-Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat
-toeschreeuwde.
-
-„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm.
-„Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane
-kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig
-zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”
-
-Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die
-aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een
-jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op,
-en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van
-hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een
-Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd.
-
-„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen
-durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de
-mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit
-de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.”
-
-„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best
-doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik
-houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”
-
-Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur
-openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet
-opging: „De Meester!... de Meester!”
-
-En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van
-zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit
-twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden,
-als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven
-niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in
-dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie:
-dit moest Lavelane zijn.
-
-Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af,
-en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een
-gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen
-door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester,
-waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden
-uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich,
-vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd,
-tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.
-
-Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat
-hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een
-nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus
-weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was
-vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den
-meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog
-even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan
-stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden
-onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige
-uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in
-April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in
-het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving
-zagen, maar enkel hun eigen droom.
-
-Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig
-over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart
-jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder
-das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was
-afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn
-geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand
-aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet
-eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen.
-
-Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar
-tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in
-die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had
-verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die
-schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren,
-leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de
-deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de
-wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo
-koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich
-tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten
-hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die
-hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.
-
-Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het
-andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun
-gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten
-stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.
-
-In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij,
-vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het
-bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog,
-en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter
-scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen
-alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen
-het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even
-naar hem te kijken.
-
-Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je
-kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie
-bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?”
-
-„—Ik heet Paulus.”
-
-„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De
-Prins en de Fee?””
-
-„—Dezelfde. En wat zoú dat?”
-
-„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den
-arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en
-zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om
-Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!”
-
-En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd
-en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.
-
-„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer
-Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de
-Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar
-Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns,
-décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!...
-wat zullen we met hem doen?....”
-
-Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op
-en gaf Paulus vriendelijk de hand.
-
-„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je
-sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste
-jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó,
-hier naast me maar....”
-
-Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat
-verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt,
-was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was
-iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste
-ridderorde.
-
-„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens
-opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je
-wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het
-Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen
-verbruid!”
-
-Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden
-gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende
-overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een
-onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze
-ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.
-
-„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die
-mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik
-in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik
-ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen,
-doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in
-rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat
-Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn
-knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen
-al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen,
-Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten
-dichter van het land, en toen...”
-
-„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning....
-
-„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou
-krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard
-waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te
-zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....”
-
-Een luid gejubel barstte los.
-
-De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.
-
-„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je
-mijn vriend, hoor! mijn vriend!”
-
-„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de
-zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij
-schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed
-pijn van de forsche drukken.
-
-Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven
-te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen
-roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe
-oogen staarden vaag in de verte....
-
-Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor
-Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij
-dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten
-cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen,
-die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol
-vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t
-drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van
-literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van
-zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet
-herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers,
-door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde
-in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch
-maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen
-bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun
-liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo
-groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit
-luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit
-bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder
-liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo
-teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de
-ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven,
-veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige
-titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en
-de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de
-hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren....
-
-Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van
-dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste
-hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de
-schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan
-zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te
-dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht,
-waarin hij vergetelheid had gezocht.
-
-Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd,
-en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem
-geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter
-beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat
-afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte
-zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd
-vers.
-
-Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te
-worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met
-groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De
-gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol
-vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen,
-en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd
-afscheid te nemen.
-
-Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde
-hem tegenhouden.
-
-„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...”
-stotterde hij.
-
-Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de
-hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de
-absinth.
-
-„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard.
-
-De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe
-oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of
-díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote
-ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven...
-
-En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo
-weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij
-zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó
-zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen
-uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich
-verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte
-maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú
-was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij
-indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere
-souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen
-tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed
-waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet,
-hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij
-nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit
-was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden
-lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de
-literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en
-hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit
-zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle
-over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich
-opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel
-verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid
-ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus
-nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor
-zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk
-achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren,
-sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden.
-Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in
-„De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een
-mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de
-officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond
-Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te
-publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er
-trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken.
-Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de
-arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar
-over zijn ziel.
-
-Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden
-maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een
-onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk
-aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij
-voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van
-zijn idealen dichter.
-
-Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor
-Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van
-verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de
-prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband
-rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie
-onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam:
-Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.”
-
-Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan
-het nazien van zijn verzen.
-
-Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even,
-moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant
-had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond
-het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld
-verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in
-Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius
-Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk
-feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het
-hooge paar op een waardige wijze te ontvangen.
-
-En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking
-weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen
-zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig
-en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond,
-als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest
-uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen
-oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als
-maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de
-prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het
-Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere
-schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar
-kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn
-binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem
-door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze
-in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel
-beefde en werd van onrust vervuld....
-
-
-
-En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte
-zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen
-eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en
-bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden
-waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar
-zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of
-alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en
-dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd
-met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol
-artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige
-verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische
-vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd
-versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters
-waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de
-politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van
-Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het
-nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang,
-geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen.
-Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd
-nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en
-bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor
-gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en
-onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan
-eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande
-huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus,
-hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk,
-het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren,
-nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld
-van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst
-mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht
-en de ellende vergeten.
-
-Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en
-verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle
-verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich
-aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar
-al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en
-bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die
-dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep
-hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal
-bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te
-huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de
-koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van
-het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als
-de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch
-verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was
-onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het
-zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en
-drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren,
-waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren
-gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen
-schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke
-van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en
-bloedgierige van het Beest.
-
-Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het
-licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg
-het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren
-naar dat demonische gedoe.
-
-Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het
-komen, nu zou het komen...
-
-Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was
-de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want
-nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het
-ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een
-duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het
-groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk.
-
-Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich
-voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de
-gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het
-tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het
-was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf
-moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte
-was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het
-koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren
-vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de
-toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa
-geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit
-meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken
-zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een
-lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven
-odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk
-worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in,
-maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand
-kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen.
-
-Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast,
-schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op
-wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in
-vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals
-groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat
-kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der
-vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen
-een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er
-onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen
-raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders
-doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken
-aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl
-had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de
-paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich
-onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de
-huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht
-hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het
-meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd,
-als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en
-dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te
-juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige
-Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut
-geweld van krijgsvolk.
-
-Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode
-gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de
-walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had
-hij de menschen zóó leelijk gezien.
-
-Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr
-in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het
-fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve,
-donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van
-innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun
-tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot
-hemel-vlucht.
-
-De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend
-cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het
-allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het
-vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten.
-
-En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de
-witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op
-het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden
-zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte...
-
-Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar
-beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In
-de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses
-Leliane was aangekomen.
-
-Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den
-menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen
-bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan,
-als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden
-luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter
-bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het
-volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten
-òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat
-gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door
-elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden.
-
-Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van
-goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun
-licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen,
-met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek.
-
-En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte
-paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun
-fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als
-waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen
-karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die
-geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het
-sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van
-lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam,
-geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte
-rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen.
-
-Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk
-van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses,
-liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen,
-waarin de droom lag van de hooge hemelen.—
-
-Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht,
-zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft
-geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van
-brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten,
-langen baard, en met bloedbeloopen oogen....
-
-Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog
-éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het
-portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil.
-
-En dan verloor hij het bewustzijn....
-
-
-
-Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd
-was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was
-leeg.
-
-„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een
-flauwte.... van het dringen zeker....”
-
-En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks,
-en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij
-geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al
-die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij
-voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en
-verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar
-huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?....
-Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij
-rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op,
-waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige
-Leliane.
-
-Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen
-voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend
-in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de
-plechtige stilte van de gewelven.
-
-Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht
-door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen,
-gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en
-aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg
-in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen.
-Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen,
-zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus
-het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en
-daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder.
-
-En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin
-bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane.
-
-Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar
-neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal,
-verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven
-zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten
-cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem
-neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed.
-
-„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij
-eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God
-had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane,
-redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van
-deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij
-al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster,
-dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch
-niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het
-zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze
-kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al
-haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die
-oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár
-kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden
-ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige
-Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het
-heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den
-gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de
-besmetting door het Monster!...”
-
-Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn
-gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en
-onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing,
-bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en
-wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode
-lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de
-lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk,
-voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed...
-
-Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn
-ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal.
-
-De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de
-oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de
-poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen
-voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou
-komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden
-vastgesteld voor het huwelijk.
-
-„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op
-zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag
-feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet
-blijven....”
-
-Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de
-prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond
-weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen
-stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met
-de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig,
-als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet.
-
-Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij
-had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een
-wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen
-zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder
-zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme.
-
-Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect.
-Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de
-straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond
-lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden.
-Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van
-den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan
-anders in hun daagsche kleeren.
-
-En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het
-onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde
-der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte
-Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te
-bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige
-Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging
-was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien
-niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk
-verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn
-ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle
-vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot
-en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen
-te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even
-massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles
-was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de
-minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade.
-
-Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip
-meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd
-door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest.
-Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal
-liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes
-vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart
-pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij
-misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te
-liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen
-den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat
-brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen
-begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten
-slaap, als een afgejakkerd dier...
-
-Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij
-was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove,
-schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn
-hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd
-parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou
-stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met
-koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche
-lucht.
-
-De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het
-was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó
-lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze
-zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal
-hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie
-en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen,
-véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár
-zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein....
-
-Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen
-menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de
-heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend
-afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er
-niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein
-zou zijn en stil.
-
-Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het
-leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen
-omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet
-mede aan het feest...
-
-Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met
-haar duizenden lichtjes.
-
-Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen
-menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier?
-Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor
-wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar
-een groot bosch, waar de wind over waaide?
-
-Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen.
-Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn...
-
-Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit
-licht laaide vóór hem.
-
-De adem stokte in zijn keel.
-
-Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het
-witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein,
-in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was
-geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte
-tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen,
-waar de engelen en de zalige zielen zijn...
-
-Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart
-van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en
-brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door
-elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en
-verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar
-laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen
-voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans
-uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren
-verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen
-zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile
-gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de
-universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken
-duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door
-was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras
-liggen.
-
-Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen
-feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een
-driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen
-stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het
-plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor
-opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in
-de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van
-dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode
-vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór
-het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn
-vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun
-walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op
-elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild
-dooreen, in woedenden rondedans.
-
-Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting.
-
-Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar
-zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos
-vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en
-wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een
-vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan
-gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer
-te zijn?
-
-Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in
-martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de
-prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende
-beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad,
-die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij
-allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met
-log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote
-filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote
-vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken.
-Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van
-de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun
-moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de
-stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu
-zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en
-illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren
-de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte
-monster uit Moscovië.
-
-Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij
-wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe
-kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende
-mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden
-monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam
-familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons
-Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het
-lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te
-kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden,
-zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan.
-
-Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam
-drong zij naar voren.—
-
-Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden
-van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze
-massa terug te dringen met sabel en bajonet.
-
-Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een
-betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere
-drommen in diep zwijgen.
-
-De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren
-opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden,
-als in een kerk, als de hostie wordt geheven.—
-
-Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke
-konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den
-avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den
-paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool
-om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van
-diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht
-uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen....
-
-En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen,
-uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre
-hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar
-zegen.
-
-Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als
-deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden
-zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht
-neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De
-diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden
-hoofd....
-
-Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit
-de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een
-vervloeking had kunnen zijn als een huldiging.
-
-Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen
-hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar
-boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld,
-was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist
-hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was
-alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn
-ziel haar aanbad.—
-
-Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende,
-vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane,
-als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die
-beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des
-Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het
-aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft.
-
-Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich
-lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de
-brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek.
-
-Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van
-woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten,
-afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden
-omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en
-buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die
-brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken.
-
-Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte
-schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het
-Beest aan....
-
-Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een
-grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het
-roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard
-loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed
-denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de
-electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen
-schitteren van een onheilig vuur.
-
-Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër
-schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van
-de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een
-ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk.
-
-Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare
-konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde
-op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog
-geworpen, vuurzwermen knalden.
-
-De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle
-onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees,
-triomfantelijk, domineerend....
-
-Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde
-zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij
-gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij
-niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen
-in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en
-bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht
-van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken
-kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van
-al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt
-wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij
-nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest
-door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van
-lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad,
-van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg
-nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in
-reinheid en rust...
-
-Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de
-stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een
-ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook
-uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel
-ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was
-nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij,
-nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar
-eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg
-wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen
-in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij
-zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een
-bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van
-zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo
-hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het
-punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon
-openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van
-stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart.
-
-Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu
-wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag
-de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en
-de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken
-ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere
-seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen
-kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om
-gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere
-lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch
-voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu
-reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd
-verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen,
-waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige
-gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van
-de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn
-hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard
-tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure
-avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot
-verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te
-voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd.
-Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende
-gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het
-Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende
-vaart voortrolde door de ruimte.
-
-Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een
-klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk
-insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een
-paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te
-brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland
-aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij
-ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen
-weemoed dingen van het vroeger geziene.—
-
-De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een
-reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat
-hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar
-houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het
-woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van
-wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden
-ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid,
-omdat hij moede was van de dingen der wereld....
-
-Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te
-diep verzonken in gepeinzen...
-
-Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil.
-
-Paulus uitte een kreet van vreugde....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Een groote, wijde vlakte lag vóór hem.
-
-Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een
-wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen.
-
-Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende,
-alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking,
-het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem!
-
-Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij
-kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude,
-trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde
-sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van
-zenuwachtigheid over al zijn leden.
-
-Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen
-dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar
-zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere
-stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, bracht hem dichter bij het
-veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn
-liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange
-scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch
-terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles
-ook weer goed worden, als vroeger...
-
-Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen
-plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár
-begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen
-oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als
-een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun
-prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t
-wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield.
-En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede
-broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.—
-
-Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich
-gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn!
-
-En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle
-met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke
-wezen dat er achter woonde.
-
-Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige tempel Gods, even
-heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte
-pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes
-waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek.
-
-Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden?
-
-Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er
-niet rein genoeg meer voor was.
-
-O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank
-werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich
-te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed
-hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong
-met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude,
-frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een
-doop tot het reine, eenvoudige leven.
-
-O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed!
-Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog
-aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij
-bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en
-nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water.
-Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen
-stofje van de atmosfeer in de stad mocht op hem blijven. De doop moest
-hem ganschelijk verreinen.
-
-Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de
-overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in
-een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in.
-
-De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog
-wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems.
-De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó
-ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad
-in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde
-er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en
-voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van
-bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water
-zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en
-longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit,
-als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger,
-door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel
-doet, blij om het leven en het licht.
-
-Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde
-hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen.
-Zij herinnerden zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en
-wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen,
-die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op
-bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in
-een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten
-den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér
-gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu
-onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren,
-zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van
-menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu
-nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel.
-
-Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel
-lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen,
-dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij
-wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste,
-heiligste plek van het Bosch zou vinden.
-
-Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer
-gesterkt was.
-
-Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den
-lelie-vijver komen...
-
-Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, en er niet rein
-genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de
-heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil
-bleef staan, huiverend van eerbied.
-
-Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden.
-
-Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in
-zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede
-overtogen.
-
-De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien
-kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld
-in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een
-krans van jubelend gezang in ’t rond.
-
-Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver,
-door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken
-in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed.
-
-En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte
-waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden
-als heilige harten zoo stil.
-
-Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht.
-Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop,
-voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der
-tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke
-bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden de gouden harten
-ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht.
-
-De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome,
-biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een
-cathedraal.
-
-Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de
-hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van
-kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte.
-
-De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de
-diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen
-een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd
-de rust nóg stiller...
-
-Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen
-omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van
-God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van
-menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen
-van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door
-hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem,
-gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het
-vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht.
-
-En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn,
-daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in
-hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in
-hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen
-ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien
-kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten,
-dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het
-allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit
-door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang
-geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel
-ééns die klare rust zou hebben gevonden.
-
-Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde
-eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár,
-vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de
-simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar
-hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die
-uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver
-was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was
-geopenbaard.
-
-Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een
-rustige slaap zijn van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot.
-
-De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den
-stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige
-wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor
-’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van
-den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit,
-vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat
-teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal
-breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit
-over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom.
-
-En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een
-kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk
-dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders,
-de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd....
-
-
-
-Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de
-takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek
-zijn sluimerende ziel vervulde.
-
-De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige
-licht als een zachte, berustende liefde verspreid over de
-wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond
-het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven
-Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen.
-
-Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang.
-
-Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en
-dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase
-in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een
-fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een
-rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die
-zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg
-meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon
-inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat
-opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij
-weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer
-uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer
-wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat
-dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den
-hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en
-luisterden.
-
-Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de sterren door de takken
-der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het
-woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en
-deemoedig, verscholen zat in het groen.
-
-Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig
-hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom
-gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó
-bewust was geworden, werd in hem wakker.
-
-Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en
-luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks
-wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in,
-met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in
-de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen
-en dingen.
-
-„Leliane!....” fluisterde hij ... „Leliane!....” en het was hem, of hij
-wèg zou sterven in gebed.
-
-Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame
-vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk
-vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken.
-
-Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en
-luisterden in plechtige aandacht....
-
-Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang,
-en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in
-slaap gevallen.
-
-Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen.
-De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige
-waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag,
-in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van
-blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied.
-En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre
-wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van
-verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen
-het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied.
-
-„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd.
-
-„—Roekeroe,” zeide een ander.
-
-Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht
-ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer
-voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken.
-De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje,
-dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en
-koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde
-wat wachtend op en neer.
-
-En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes,
-trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander
-toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen,
-hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het
-was groot van eenvoud.
-
-Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun
-lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig
-werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen.
-
-De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de
-verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank,
-als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de
-slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun
-zuivere statuur.
-
-De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en
-hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de
-innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor
-de zegening van de zon...
-
-Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk.
-Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der
-stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen
-van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied
-van de vogelen. O! De wereld was een wonder van liefde, en een genade,
-oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij
-voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht
-zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de
-vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om
-zijn innigheid te geven.
-
-Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu
-leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het
-buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden
-in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er
-duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en
-diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de
-wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij
-plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op
-zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze
-zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was
-vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore
-orgeltonen boven zijn hoofd?
-
-In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon
-zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was
-bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in helder
-geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.
-
-Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het
-ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had,
-niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar
-rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen
-aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!
-
-Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor!
-daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar
-weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was
-vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de
-lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar
-ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?...
-Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de
-steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was,
-en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over
-den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als
-een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze
-beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het
-hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een
-vriend had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde.
-
-Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was
-voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar
-alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en
-er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere
-toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het
-allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was
-gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling
-verstoord!
-
-„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was
-Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij
-zich met alles.
-
-Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er
-haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar
-hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en
-hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het
-andere was, maar even, een booze droom geweest.—
-
-Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en
-de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een
-vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden
-daar vóór, en hoe ze hun takken hielden.
-
-Eindelijk, daar wás hij er... Niemand was in het tuintje...
-Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin
-achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje.
-
-Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als
-vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op
-zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude,
-vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht.
-Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken
-stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten
-voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem
-goeden-dag.
-
-De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel
-zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók
-aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger.
-
-Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met
-een oud, wèlbekend gerucht.
-
-Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening.
-
-„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd,
-eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar
-even weg was geweest voor een wandeling.
-
-Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat rustige, sereene
-menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was
-verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste
-wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd.
-
-En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome
-ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor
-Willebrordus’ voeten neder....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.—
-
-Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan,
-alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En
-Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot
-rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te
-voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide,
-Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties,
-die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte
-gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in
-den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem
-wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus
-iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een
-gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus
-verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá
-niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had
-geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus....
-heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later
-misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....”
-
-En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag
-voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
-
-Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé
-overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen
-in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn
-kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag
-achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een
-hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil
-was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van
-de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het
-groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde,
-als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van
-den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van
-den avond.
-
-Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het
-spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe,
-simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer
-met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van
-weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar
-trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár,
-dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?”
-
-Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al
-gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren,
-zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij
-veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan
-avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die
-hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd
-nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de
-Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem
-buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van
-boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten.
-Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos....
-
-Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel
-verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het
-Bosch was vredig en sterkend, als een gebed.
-
-Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne
-krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn
-wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout,
-en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te
-moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de
-dieren.
-
-Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al
-dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te
-wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu
-veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede,
-ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver
-van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden,
-in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het
-open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden
-avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij
-opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den
-luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der
-menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens:
-„Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit
-grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
-
-Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende,
-als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van
-Monte-Regina?
-
-Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie
-om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer
-terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen
-verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op
-te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad
-dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur
-liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het
-eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door
-giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop
-der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven
-honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om
-haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele
-rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de
-luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht,
-waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
-
-Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed,
-zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de
-natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer
-en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke,
-droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat
-hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie
-vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven
-uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te
-stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch
-niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en
-eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en
-juiste natuur?
-
-Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver
-over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te
-vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan
-moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar
-Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn
-gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu
-hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine
-uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem
-vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En
-ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen
-ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur
-voor baten zou.
-
-Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een
-onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te
-zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te
-zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!....
-
-Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking
-herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die
-dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was
-van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar
-beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder
-aan heilige, verre transen.
-
-Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en
-schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of
-wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht
-geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar
-lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn
-rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár
-heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In
-de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven
-straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij
-schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de
-gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel
-eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de
-weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het
-verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den
-droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën
-blankheid.—
-
-Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij
-zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest
-die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had
-getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
-
-Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het
-leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige,
-grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de
-blinkende, gouden letters las boven den ingang:
-
-
- Ziet, ik ben bij u
- Alle dagen
- Tot aan der Wereld Einde.
-
-
-De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En
-klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein,
-loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger....
-
-Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de
-wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der
-vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte
-en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte.
-
-Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een
-onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis
-van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken
-luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig
-verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het
-Bosch.
-
-Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s
-middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een
-ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te
-hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van
-Elias.—
-
-
- „Beste Paulus!
-
- Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen,
- dat je hem krijgt.
-
- Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je
- bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote
- dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit:
- „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden
- verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het
- Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik
- je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken,
- moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer
- hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg
- gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je
- altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je
- in de stad bent. Je vriend
-
- Elias.”
-
-
-Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij
-had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd
-had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór
-Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik
-vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door
-hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...”
-
-En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt.
-Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen.
-Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en
-kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van
-zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn
-kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En
-Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe
-verootmoediging.
-
-Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude,
-vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen,
-waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis,
-maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur
-stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde
-wachten.
-
-Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een
-grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel
-„Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep,
-dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen
-over zijn verzen.
-
-Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een
-smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn.
-
-Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het
-verschijnen van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus,
-in „de Zon”, was de critiek op slag omgedraaid. Toen de schrijver
-Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer in de officiëele
-tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne
-verdediging van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed
-gezet. En op zijn simpele, naïeve „Gedichten” had de perfide
-recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde critici, die zijn sprookje
-hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een wee
-bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap
-toch eindelijk uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in
-den beginne, door het vreemde er van, er met dat sprookje waren
-ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, ziekelijk
-decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de
-scheefste bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden
-zelfs verklaren, dat hun vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins
-en de Fee” ironisch was bedoeld, wat toch iedereen tóen al moest
-bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje van
-Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden
-gemaakt, en van Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen,
-waarin dezelfde Paulus, wien hij vroeger het sonnet „Reinheid” had
-gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, een verkapte,
-heimelijke wellusteling werd genoemd.
-
-Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd,
-met enkel het èven, zachtkens bewegen van het droome-rhythme zijner
-ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op ulevellen-papier, of
-prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast,
-werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende,
-nieuwe sonnetten van Wederich, waar geen greintje emotie in was
-bewaard. In een artikel van Wartenau werd hij voorgesteld als een
-klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen had gemengd,
-en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in
-satyrieke weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al
-potsierlijker en wanstaltiger dan de ander. Één daarvan stelde „de
-Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, met
-vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken.
-
-Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen
-dichter te verdedigen, die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en
-zich daardoor den haat van alle machthebbers op den hals had gehaald.
-
-Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet
-verder kon lezen, en een grooten stapel overgebleven recensies
-ongelezen moest laten liggen. Het was hem, of ze hem met drek en gif
-hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn maag, of hij
-onpasselijk zou worden.
-
-Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het
-werkelijk mooie in hem was er niet door aangetast, en bleef,
-onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige sfeer. Hij
-twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel,
-dat hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen
-had gegeven. En hij voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste
-weg te geven, en ook nú nog altijd door te blijven uitzeggen, door
-alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig er van was, zou
-tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven.
-
-Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en
-trouweloozer was, dan de maatschappij der gewone menschen, die enkel
-maar leelijk en banaal waren, omdat zij niet anders wisten. Die
-artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij gezegend waren
-met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij de
-verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te
-gaan. Nu voelde hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns
-zeide, dat de toekomst niet uit de kunstenaars, maar uit het gewone
-volk moest voortkomen.
-
-Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan
-veranderd door al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even
-melodieus opklinken, en zijn ziel herkende ze.
-
-Elias’ stem schrikte hem op.
-
-„Zóó, kerel... dat is brááf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd,
-hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van
-zult ópkijken... Wat léés je daar?... Aha, over je verzen! Ze hebben je
-leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen
-band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen... maar
-dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht... de
-literatuur en de kunst zijn nú bijzaak... daar hebben we nú geen tijd
-voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden
-onder mekaar... maar nú staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren...
-kerel, kerel, weet je wàt?... ráád eens!...”
-
-En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm.
-
-Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit
-gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe,
-blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich
-af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden,
-koortsachtigen glans.
-
-„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?”
-
-„Mij?.... Niets hoor!.... Een beetje in de weêr geweest de laatste
-dagen, wat veel gewerkt.... twee nachten niet geslapen, dat is
-alles!.... dat is van net zoo weinig belang, als dat gewurm in de
-literatuur... maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat
-is almachtig, ontzaglijk groot....”
-
-„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan... ik begrijp je niet....”
-
-„Nu, hóór dan.... je kunt zwíjgen, hé...? als je één woord te vroeg
-klapt, ligt alles in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je
-door je kop zoudt krijgen.... Hóór dan.... Mórgen, om zeven uur ’s
-ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de groote,
-kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.... het is een
-giganten-werk geweest, van járen en járen, maar nú is het er....
-Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj
-daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte,
-is híer met een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een
-reuzen-organisatie op touw gezet... Híer was de hoofdzetel, en van
-hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, over het gansche
-land... je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél
-menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.... maar nú
-zal je eens zien.... honderdduizenden van onze mannen hebben hun
-schouders gezet onder het logge, rotte gevaarte, dat de kapitalistische
-maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, op één teeken,
-óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien
-poeieren.... Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote,
-universeele werkstaking voor álle vakken en bedrijven.... Weet je wel,
-wat dat zeggen wil, kereltje?....”
-
-Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel
-beefde in hem van een groote, onuitsprekelijke vreugde.
-
-Elias ging door, op zegevierenden toon:
-
-„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van
-het kapitaal, dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten
-varen, en geen reizigers en goederen meer aankomen, of weggaan... dat
-beteekent, dat de waterleidingen niet meer werken, en de lantarens niet
-meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer rijden, en geen
-brieven meer worden gebracht.... de heeren kunnen nu loopen als ze
-ergens heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods....
-de telefoon zal stilstaan, en ook de telegraaf.... de heeren van de
-beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, om elkander te bedotten, en
-de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun duim moeten
-zuigen.... de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s
-ochtends wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.... Het is niet
-zóó maar met een páár woorden te zeggen, maar je moet tot het besef
-zien te komen, wat het wil zeggen: dat alles stilstaat.... Al zóóveel
-honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze
-gesloofd en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn ze, en tráppen lieten
-ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, voor
-een afgekloven been, dat overbleef.... en ze hadden maar te wíllen, dan
-was het uit.... zij wáren het toch maar, die alles in beweging zetten,
-en zonder hén stonden de bourgeois en de kapitalisten hulpeloos, als
-een kind dat niet alléén op ’t potje kan..... als slaven hebben ze hem
-aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den mond
-gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje
-voor hem gespreid.... alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn,
-als een hulpeloos lam.... en getrápt heeft hij hen, gespuwd,
-uitgescholden, en getrápt... Maar nú zal het uit zijn, nú of nooit....
-Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk
-solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en
-alle oorlogschepen en alle kanonnen van de wereld.... Het heeft móeite
-gekost, Paulus, om het zóó ver te krijgen.... álles is tot nu toe
-afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, aangestookt door
-den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd
-ondersteund.... Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en
-morgen zal de ontzaglijke veldslag beginnen, een veldslag, waarin niet
-geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen dooden zullen vallen,
-dan enkel van den honger.... en het kapitalisme zal zich vergeefs te
-pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.... Je
-hebt zeker wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste
-jongen?..... zoo mooi hé, al die duizenden mannen, door één kracht
-bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte....
-allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.... Welnú, zóó is onze
-organisatie nu, maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen
-elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien
-kan.... Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse tijd aan!....”
-
-Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven
-zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door:
-
-„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant
-lezen... er ís geen broodje, er ís geen krant... Hij wil op reis gaan,
-en denkt de trem naar ’t station te krijgen... er ís geen trem... Dan
-loopen maar, en naar den trein... er ís geen trein... Daar staat hij,
-hulpeloos, beroerd... en dán misschien zal in zijn stompe brein de
-gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren
-door den arbeider, die voor mij sjouwt... Zonder hèm ben ik niets...
-mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht,
-álles, álles krijg ik van hèm... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos
-wicht te verhongeren en te verkleumen... Zie je, Paulus, ze moeten het
-nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider niet voor hen
-zorgt... Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze
-toegeven, en zal het recht eíndelijk zegevieren... Dan zullen de
-arbeiders dádelijk weer alles in beweging zetten, en zingend aan hun
-werk gaan, want werken willen ze, dat is hun lust en hun leven...
-Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. Maar dan
-moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur
-wettelijk bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten
-ze voor. Ze vechten voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die
-eerlijk is verdiend...”
-
-„—Maar, Elias, kán dat?... kán dat heusch?... bestaat dat echt, die
-solidariteit, dat ál die honderdduizenden, die millioenen misschien,
-wérkelijk elkaars kameraden en vrienden zijn, en door één gevoel
-bezield?... Als dát waar kon zijn...”
-
-„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift... „kón zijn?... Wacht maar
-eens tot morgen... Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden
-en duizenden wielen en wieltjes, dat de geheele maatschappij in
-beweging zet... Maar morgen!... Als er hiér door één man op het knopje
-wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over
-het land, dan stáát het stíl, Paulus, en géén radertje beweegt meer...
-Zal je het dán gelooven?... Dán zal je óók weten wat solidariteit is,
-de solidariteit, die de wereld verlossen zal van onrecht en slavernij,
-waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald... En als hun buikjes
-niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan
-eens, hoe gauw de bourgeois zullen toegeven... vooral de
-spoorwegstaking en die van de bootwerkers zal een kolossaal gevolg
-hebben... want zonder treinen en booten geen handel...”
-
-Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven.
-Het was té groot, té mooi. Maar toch... àls het eens kon... àls het
-eens gelukte... dan zou de wereld zijn veranderd, en alles kon goed
-worden... Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór hem op tafel
-lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij
-het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend
-door zijn ziel. En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit
-had gevoeld in de heiligste uren van plechtige avondstonde in het
-Bosch.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den
-volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen
-van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk
-van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai
-van een magischen staf betooverd was.
-
-In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar
-nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de
-locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig
-reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt,
-onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden
-aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven
-tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was
-ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen,
-omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende
-proletariaat had het werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden
-voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen,
-indien de andere niet hielpen.
-
-Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn
-van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige
-bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der
-beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner
-dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan
-eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk
-verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één
-zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder,
-bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in
-het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog.
-
-Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere
-evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van
-geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze
-eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar
-mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij
-telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op
-werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het
-zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare muur was
-opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten.
-
-De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim
-gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste
-dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar
-huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof
-geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in
-Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen.
-
-Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds
-onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste,
-wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van
-het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde
-wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om
-tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár,
-waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te
-onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent
-iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en
-wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet
-te komen.
-
-De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met
-geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men
-trachtte treinen te laten loopen met zoogenaamd vaderlandslievende
-ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden
-kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles
-cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles
-rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige
-automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad
-uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het
-buitenland.
-
-De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke
-verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden
-arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó
-absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te
-wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in
-Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun
-verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen
-weêrlooze burgers.
-
-De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich
-ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote
-deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken
-van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde
-onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten.
-
-Met groot machtsvertoon werden die fabrieken bezet door de militairen,
-die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden
-rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op
-postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de
-meest gepaste orde.
-
-Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te
-lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene
-opinie vóór zich te krijgen.
-
-En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden
-laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden
-stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken
-zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch
-voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op
-feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de
-beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en
-het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die
-ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het
-kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht.
-
-Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken
-op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch,
-de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en
-er kon maar heel weinig worden aangevoerd, nu de treinen niet meer
-liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme
-bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en
-was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het
-spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te
-loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel
-begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van
-broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te
-verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de
-Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen
-te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie
-begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk
-werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven
-werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de
-door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden
-vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig.
-
-Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het
-comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm
-en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor
-de Regeering, dan een feitelijke opstand, die door de soldaten
-onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten
-haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als
-voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik
-geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het
-gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme,
-ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward
-worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou
-volgen.
-
-
-
-De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de
-koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande
-schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten.
-
-Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor
-haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon
-niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met
-een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de
-treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in
-toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van
-verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de
-Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der
-grieven, alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen
-hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en
-eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer
-gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat.
-
-De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen
-verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen
-wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de
-prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar
-huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche
-wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich
-tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was.
-
-Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het
-grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een
-dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het
-uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies
-te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te
-beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der
-arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en
-pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking
-ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De
-kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad
-terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk
-daarop worden tegemoet gekomen.
-
-Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden
-gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het
-ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme
-van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten.
-
-Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering
-stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk
-van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al
-die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten.
-
-’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad
-aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde
-wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven
-der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws.
-Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de
-laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een
-vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder
-oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De
-patrouilleerende troepen en het voortdurend machtsvertoon hadden de
-spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat
-de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad
-zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven
-en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een
-gevaarlijk onweêr.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De
-plaatselijke autoriteiten, nog altijd den toestand niet vertrouwende,
-heimelijk bevreesd voor een plotselingen opstand, hadden een
-buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst van de
-prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme
-kazerne geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den
-hoofdingang waren zelfs een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het
-Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen weg, dien de prinses moest
-rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het koninklijke
-rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren.
-
-Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses,
-dat zij al deze streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde
-alléén onder haar volk terugkomen, als dit gebeuren kon, zooals altijd,
-vrij en open, zonder militair geleide, zooals een vorstin komt onder
-vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn
-als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen
-koningsstad passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had
-kunnen doen ontstaan tusschen den troon en het volk.
-
-„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij
-dit nieuws hoorde.
-
-„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor
-zich uit.
-
-Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één
-moment van verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren.
-Één al te hard scheldwoord uit het grauw, één uit woeste baldadigheid
-geworpen steen, en het werk van jaren en jaren onverdroten arbeid was
-verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden partijgenooten,
-allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich den
-ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat
-grauw, dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en
-morgen steenigt, en dat overal als uit den grond oprijst in wilde
-verwarde massa’s, zoodrá maar ergens gelegenheid is tot ruzie en
-diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois altijd
-met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den
-grootsten vijand van allen, en vreesde het méér dan de sabels van
-politie en huzaren.
-
-„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel
-verkeerd, al is het dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den
-dreigenden hongersnood van de laatste dagen is het gemeene volk niet te
-vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij zijn nog niet bewust,
-en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk veel
-kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er
-gebeuren kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit
-daar, zonder militair geleide, in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een
-groote massa volk staan aan het station. Dat is onvermijdelijk.—En ik
-vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel kunt
-vóórstellen, heúsch.”
-
-„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk
-haar toe te jubelen en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen
-waren ze dol van geestdrift!”
-
-„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.... maar daarom kunnen ze morgen
-evengoed schelden en hoonen en steenigen.... je ként het volk niet....
-het is geváárlijker en verraderlijker dan een zee.... Die huilende en
-brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht met den
-Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste,
-georganiseerde, ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw,
-het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te
-zwijnen valt en waar het maar jenever ruikt.... en voor datzelfde
-grauw, dat toén jubelde onder het koninklijke venster, ben ik nú
-banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste weken voor ons
-heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te
-doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan....”
-
-„—Maar wat wou je dan wel, Elias?”
-
-De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken
-zenuwachtig.
-
-„Wat ik wou?....” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.... ik
-wou, dat ik nu eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de
-soldaten, met zoo’n hanestaart op mijn kop en een end mes op zij....
-dan had ik maling aan die orde van de prinses en liet ik een paar
-regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke trein
-moet aankomen.... o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens
-iets gebeurt!.... dan is ons hééle werk verloren.... En wat moeten we
-nu doen?.... Plakkaten aanplakken, biljetten laten rondstrooien, om den
-menschen áán te raden, niet naar het station te gaan morgen?.... dan
-gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt..., de partijgenooten
-zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten
-strijders voor het recht in deze omstandigheden betaamt.... maar het
-canaille, zie je, het canaille.... dáár ben ik bang voor....”
-
-
-
-Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het
-Centraalstation zijn. Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart
-van de saamgestroomde menschen. Het overgroote deel daarvan wist
-absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het was daar gekomen,
-omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er
-anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde
-ook geen kwaad, wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren
-zou, met een vaag voorgevoel van een naderende catastrophe, die als
-broeide in de lucht. Een kleine minderheid was grauw, haveloos
-schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk
-kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der
-Verlorenen.”—Dát volk had werkelijk honger geleden door de stijgende
-broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs hún half-bedorven afval nog
-te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, als van
-uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende
-borsten, waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis
-zochten. Die uitgestooten paria’s hadden niets meer te verliezen, dan
-hun waardelooze levens van martelende misère.—Met wilde blikken van
-afgunst en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar
-stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood
-peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud
-en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots
-te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud
-gemonteerd.—En superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de
-koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig
-als priesters onder hun driekanten steek.
-
-Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw
-begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al
-luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen.
-
-„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.... hebbe jullie je
-dikgezope.... belabberde, lamlendige luiwammessen daar boven op die
-bokke.... jullie hebbe ’t goed, hé.... en wíj kenne verrékke.... als
-júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.... lammelingen.... de pest zel
-je krijgen, daarboven op je wagens.... luie loeders!... en die knollen,
-díe hebben ’t verdomme béter dan wíj.... wíj benne ook maar mensche, en
-dát benne beeste.... díe krijgen wel te vrète, en van ’t beste,
-hoor!.... ze benne méér dan wíj!....”
-
-Zóó ging het door, al luider en luider, nú van dezen kant, dan weer van
-een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer.
-
-En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan
-een vijftigtal politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden
-vóór de rijtuigen. Een tiental er van waren bereden en slaagden er in
-ruim baan te maken door hun paarden te doen steigeren. Maar militairen
-waren niet te zien.
-
-De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken
-last in van de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren
-gereed, om op het eerste bericht onmiddellijk in den zadel te stijgen
-en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd in de kazernes,
-maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid
-geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te
-hebben, tot het uiterste.
-
-Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang
-voorgevoel gedreven, in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten
-bij mogelijk gevaar. Elias was bekend bij het volk, en kreeg het altijd
-onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende stem. Zoodra hij de
-scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, drukte
-hij zenuwachtig Paulus’ hand.
-
-„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze... dat loopt
-verkeerd... als dát maar niet mis gaat!”
-
-En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig,
-om het opkomende verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende
-belhamels te arresteeren mislukte. De arrestant werd dadelijk door het
-opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken kreten en grof
-gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de
-scheede...
-
-Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest
-prijs gegeven worden. Het consigne luidde: geduld tot het úiterste.
-
-Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het
-schreef de weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon
-het schelden en tieren nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen
-door de lucht. De steek van een der koetsiers werd afgegooid door een
-steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. De groote menigte,
-die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw
-deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een
-gedrang. Een politieagent raakte onder den voet. Een lakei uitte een
-schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek aan een bloedende wonde op
-zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had.
-
-De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en
-trokken de teugels aan, om te chargeeren...
-
-Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de
-koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug.
-
-De kroonprinses Leliane was aangekomen...
-
-
-
-Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil.
-Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit
-der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had
-bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide
-onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien
-vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van
-een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was
-ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven.
-
-Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn
-vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen.
-
-Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa.
-
-Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder
-de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van
-goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en
-fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de
-lijdende, met honger en dood bedreigde stad. De hooge, voorname
-hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend van voorspoed, weelderig
-en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, dat de ernst
-der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange
-spanning in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans.
-
-Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende
-drommen, vaag-vijandig, ontevreden.
-
-Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en
-hoera-geroep. Zij bleef nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam.
-Toen begreep zij. Éven keek zij koud, van uit de hoogte van haar
-koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende menigte. Toen
-stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik
-ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te
-laag en te nietig voor de goddelijke genade van haar oogen.
-
-Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe
-douairière van het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van
-verstokte aristocrate. Zij fluisterde de vorstin iets in het oor, en
-keek toen even minachtend op de zwijgende menschenmassa neer, met zoo’n
-innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden het
-éénsklaps afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien
-kouden, vernietigenden blik.
-
-Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende
-uniformen, fonkelend van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte
-statig in de volgrijtuigen, eerbiedig geopend door slaafsche, tot op
-den grond buigende lakeien.
-
-Langzaam zette de stoet zich in beweging.
-
-En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid,
-met de onverschillige, onder elkaar lachende gezichten der hovelingen,
-en het minachtende, trotsche air der opgedirkte koetsiers en lakeien,
-dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, na de nijpende
-ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even
-te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene
-verontwaardiging uitbarstte, als van een losgelaten schaar furiën.
-
-Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende
-menigte.
-
-Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde
-volk zèlf niet. Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen
-wilden zij iets te zamen, onbewust, iets verschrikkelijks. De voorsten
-werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter hen stonden drongen op,
-óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, wild van
-onbehouwen razernij. Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen
-voelden het tóch te zamen.
-
-Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer.
-Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte.
-Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk
-als een trompet.
-
-„Elias!... Elias!...” juichte het volk.
-
-Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het
-plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende
-voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke
-moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen
-hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede
-steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer
-uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten,
-die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het
-cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie
-werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een
-vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende
-massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof.
-Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en
-krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht.
-
-De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden,
-onrustig geworden, trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit
-den zadel, en verdween gillende van pijn onder de voeten der woedende
-massa.
-
-„Leliaantje!... Leliaantje... er uit!... Leliaantje moet er uit!...”
-gilden een paar wijven.
-
-Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit
-de „Sloppen der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het
-witte, koninklijke meisje in dien goud-en-zijden wagen maakte hen
-razend van heeten lust om het te vernielen dit teere, dit blanke, dit
-fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, lillende
-stukken.
-
-„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven.
-
-De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek,
-maar trotsch, en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op
-haar gelaat was vertrokken. Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek
-hoog over de hoofden van het woedende, hoonende grauw, met een
-vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit.
-
-Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin
-Marcelia aan de wang.
-
-Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met
-snijdend geluid, striemde het neer op de razende en tierende menigte:
-
-„—Canaille!... canaille!...”
-
-Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke
-kerel, half-naakt, met een groot mes in de handen, sprong op de
-treêplank van de koets, brullend als een beest.
-
-Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als
-een os door het masker, door een vuistslag tegen de slaap.
-
-Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de
-armen wijd-uitgespreid, als een levend schild, dat prinses Leliane
-beschermde...
-
-
-
-In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een
-ontzaglijke Waarheid, stralend als een zon in den nacht, plotseling
-voor hem opgeschenen.
-
-Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het
-was onbewust, en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan
-hén, maar aan de daders van het snood bedrijf der uitbuiting. De
-prinses was méde schuldig aan het groote, universeele onrecht, en had
-de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten,
-biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht
-in de verte, en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren
-horizon. Dat was schoon, wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid
-openbrak als een bloem, om dan te leven....!
-
-Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk
-wezen, om te sterven voor het Ideaal!... Het Ideaal, dat was Leliane,
-dat was de lichte prinses Leliane, de zuster van de witte water-lelies
-in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon sterven, en eeuwiglijk
-herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds aan. Híj,
-Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het
-Recht zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar
-dáár vóór hem zag hij het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de
-kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige handen dreigden naar
-haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken gloed
-óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer
-van het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de
-literatuur, hij voélde enkel dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd
-met schennis, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken
-dood der vólzaligen, den dood voor het Ideaal....
-
-Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van
-den moordenaar. Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het
-grauw verslagen was en wachtte, besluiteloos, bang.
-
-Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn
-borst vooruit als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos.
-
-Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof
-hem aan het hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige
-agenten die nog over waren worstelden wanhopig, om bij de koninklijke
-karos te komen. De officieren uit het gevolg hadden hun degens
-getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende gemeen
-stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel
-neer, en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst
-van prinses Leliane...
-
-Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst
-steeg op uit de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En
-opeens, als door een toover uit den grond verrezen, stormden als een
-wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels door het in een wilde
-paniek uiteenstuivende volk....
-
-
-
-Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het
-bloedende lichaam van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was
-neder gevallen in de kussens, en de gewonde lag bewusteloos tegen haar
-aan.
-
-De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een
-gebiedend gebaar wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met
-de huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen,
-om den gewonde te helpen verbinden. De kappen van de koets werden
-omhoog gezet en zóó, als in een dichte, kleine kamer, ging het
-langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia was met twee
-doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren
-verklaarden, dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had
-te leven. Tevergeefs smeekten zij de prinses, het bloedende lichaam
-toch los te laten, en in een andere koets over te stappen. Met een
-streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren
-naar haar paleis, om dáár te sterven.
-
-Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in
-haar anders zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje,
-altijd verscholen achter de majesteit van haar koningin-zijn, was door
-de ontzettende catastrophe, met den dood plotseling dreigend vóór haar,
-èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde zij, als een heilig
-weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven lang
-geen andere meer voor haar zou bloeien.
-
-Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal
-dapper als een held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat
-onbewuste in haar, nú even bewust, om straks weer wèg te wijken achter
-het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het
-bloedende lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij
-ooit in héél haar leven van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het
-wilde, dat haar ridder sterven zou in hare armen, als een paladijn van
-weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe...
-
-Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet
-bewust meer van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het
-rijtuig om zich heen, en hoorde niet het getrappel van de paarden, en
-voelde de pijn niet van zijn gapende wonden.
-
-Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in
-het Bosch, en alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer,
-maar nóg heerlijker, nóg heiliger, vergeestelijkt in een teêrdere,
-ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, diep en zwaar, als
-de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij voelde
-het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen...
-
-Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd.
-
-Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling
-van zijn ziel, en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster.
-Éven bewogen zijn handen, voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of
-het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge,
-eeuwige waarheid, en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in
-wondere wonne door zijn ziel.—Nu was het goed, nú was alles, alles dan
-goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, vol-zalige rust gekomen,
-waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht....
-
-O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.... o!
-die stilte, zoo diep en vol gebed.... o! dat heilige, blanke
-maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.... Hij voelde zich
-stijgen en stijgen, zweven en zweven.... een zachte sferen-muziek
-droomde op uit de verte... de innigheid werd dieper, en nóg dieper...
-sterren wemelden schitterend.... een groot Licht laaide, laaide aan....
-
-
-
-Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe.
-
-Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig
-menschen-kind.
-
-Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust....
-
-
- 1902–1903.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.