diff options
Diffstat (limited to 'old/68893-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68893-0.txt | 6560 |
1 files changed, 0 insertions, 6560 deletions
diff --git a/old/68893-0.txt b/old/68893-0.txt deleted file mode 100644 index 4b3b94e..0000000 --- a/old/68893-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6560 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Leliënstad, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Leliënstad - -Author: Henri Borel - -Release Date: September 1, 2022 [eBook #68893] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from scanned images of public domain - material from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD *** - - - - - LELIËNSTAD - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool. - -Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde, -grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en -de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het -water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen -stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre -rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen.... -en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden, -zonder eind. - -Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en -donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het -water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder -ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk, -werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op, -met roode lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een -onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van -machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en -ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart -uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw. -En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit -duistere gebeuren. - -De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte -karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van -zware stemmen. - -De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage, -reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende -oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw. - -Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr -hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en -zwijgend, eindeloos in het rond... - -Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp -van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van -een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze -vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel. - -Paulus stond te rillen van angst. - -Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek -onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk. -Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool -om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos -verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde. -En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar -weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte -van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de -menschen woonden in weedom en zonde. — - -Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van -honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door -de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn -broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk, -afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. — - -Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond -het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van -achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat -alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen -meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier -ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd. - -Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle -wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van -stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht -van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de -kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen -vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een -verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar. -Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd -worden in vlammen en vuur?.... Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo -duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien -zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond.... - -Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de -stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu -ging verstikken. - -Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte -ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken, -en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver -boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense, -schitterende lichtbundels straalden maagdelijk door het ruim, en in die -reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de -prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster. - -Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en -aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het -witte paleis daar boven. - -„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!” - -O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de -Genade!.... - -Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het -zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden -in de kuische plooien van haar witte gewaad?.... - -Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader -boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde.... - -En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om -genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote -stad.... - - - -Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende -stem riep zijn naam. - -„Paulus?... Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?....” - -Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend. -Dit was té heilig voor een ander, dit leefde té voorzichtig, in een -veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen. - -—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe -verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden -die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend -opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo -bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!” - -„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd -aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t -hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter, -mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de -brug, waar we hier op staan?.... zie je die breede bogen en die zuilen -van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.... dat wordt nu het -nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.... daar slapen -ze, om niet te bevriezen van de koû.... want nu is het uit met de -bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.... daar zouden ze -bevriezen.... hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar -gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en -ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden -menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó -maar op den harden grond.... o, als die bruggen er niet waren, die -goede, wèldoende bruggen.... en vooràl deze, de Koninginnebrug.... hier -slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár -koninklijken naam.... en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de -zon....” - -Vragend keek Paulus hem aan. - -—„In de zon?.... hoe bedoel je dat?”.... - -—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den -eeuwigen zomer in Monte-Regina.... je weet toch wel, die groote -badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank -is?.... Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden -blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden, -waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn... zij -brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het -Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de -courant... iedereen die het maar éénigszins doen kan van de -wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het -Zuiden, dat weet je toch wel.... de aristocratie, en de -kapitalisten.... die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn -beste jongen.... dat moet je toch vòelen.... dat is goed voor den -proletariër en den kleinen man....” - -—„Gaan die naar ’t Zuiden.... naar de warme zon?....” vroeg Paulus, -naïef.... „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen -slapen, om niet te bevriezen?”.... - -—„Ja, zéker, kereltje.... wat heeft dat met elkaar te maken.... daar -hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen -ze....” - -„-Monte-Regina... ja, daar heb ik van gehoord en gelezen... moet daar -niet enorm worden gespeeld?... en is het er zóó mooi?....” - -„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog -héél jong was, en het onrecht nog niet wist... het is daar alles -eeuwige lente en eeuwige jeugd... de zachte lucht is doordroomd van -zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een -weerschijn is van de allerheiligste hemelen.... en in die prachtige -natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en -gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er -roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken.... -De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en -twintig millioen... denk eens, beste kerel, wat een schat dat is.... -wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om -niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”.... - -Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte -booten zuchtten en steenden, uitstootend hun donkere wolken van -rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en -hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam -over hem, en hij greep Elias’ arm. - -„O! Al die booten... al die schoorsteenen...” zeide hij toen.... „hoe -vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens....” - -„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.... „dat is de -hándel.... en die fabrieken ook... dat heet de wèlvaart van een -land.... de industrie, de nijverheid.... daar wordt een land gróót -van.... dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten -rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft -er juíst nog door in leven, en verhongert niet.... Al die duizenden, -die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk -alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken... Als één zoo’n -rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn -diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal -andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele -evenwicht te bewaren... en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart.... -zóó zit dat in elkaar... al dat getob en gesloof hier om je heen is ten -bate van énkelen, niet van allen... Kijk, daar gáát weer zoo’n boot... -mooi hè?... volbeladen met goederen die worden verkocht... zie je al -die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?... daar -kan er weer een voor naar ’t Zuiden... Maar laten we hier nu niet -blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van -de partij, bréng me zoo ver...” - -Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en -rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van -den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe -editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn, -schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een -paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de -meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met -een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar -versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte -wanhoopskus van innig medelijden. - -„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande -verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit -jaar, en ik ben vol moed.” - -Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op -vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de -sociaal-democraten er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond -het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote -kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement -aangenomen wetten kon vernietigen. - -En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de -christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord. - -—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias -weer. - -„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.... en ik dánk je er wèl voor.... ik -ga nu al véél meer weten.... ik begrijp nu meér....” - -Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel -gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had -gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie, -en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale -evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die -schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een -absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke, -onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was -aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het -was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke -overgang behoefde.— - -Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de -goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel -wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden, -in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor -bleef!.... En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge -revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade, -die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed. - -Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten -afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na. - -Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en -propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar -sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen -duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door -geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen -der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en -fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij -zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór -dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden -zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als -zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren? - -En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende, -en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het -in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder -kunnen doen, dat hij verwachtte. - -Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú -was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een -groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een -goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De -reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou -dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel -geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden -broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó -simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie, -dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat -alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen. - -Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het -wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de -reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de -vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele -gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat -droeve doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig, -vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver, -zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare, -witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot -haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar -te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En -als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij -eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij -gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de -verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was -liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte -gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou -uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles -heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat -smachtend wachtte. - -Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel -moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met -bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over -dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen, -en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een -ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van -zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand -versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar -kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders -hoeder willen wezen?.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn -hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses. - -De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten -fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen, -zijn chocolade te slurpen. - -„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk -weer eens aanloopen?... Kan ik je met iets dienen?... wat chocolade?... -een cigaret?... o neen: je rookt niet hè?... nog altijd even sober?... -geen vleesch, geen alcohol, geen tabak... en tóch zie je er niet zoo -heel florissant uit... je ziet bleek, kerel... nog altijd aan het -tobben en het filosofeeren?... weer te veel bij je vriend Elias -geweest, den sociaal-democraat?... dat zal ééns wel weer overgaan, dat -hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen -is...” - -Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote plan, om op den -lichten toon van die scherts te antwoorden. - -„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet... ik kom je iets heel ernstigs en -gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt... ik weet, -dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met -mijn liefste gevoelens... je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op -door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom -afsmeeken, als een groote, groote gunst..” - -„—Nu.... kom er gerust mee voor den dag, hoor... als het maar niet iets -voor de sociaal-democraten is...” - -„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen... ik wou... ik wou... nu, ik -wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen -er bij... zou dat kunnen?...” - -Marcelio zag hem verbaasd aan. - -„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt... Haar Koninklijke -Hoogheid spreken... een particuliere audiëntie dus... en maar eventjes -heel alleen, zonder anderen... En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke -Hoogheid doen?... wat kan jij haar te vertellen hebben?...” - -„—Dat moet je niet vragen, Marcelio... dat is mijn zaak... ik sméék je -alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?...” - -„—Kúnnen wèl... Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting -aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou... -je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je... het -zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met -een beetje moeite... maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?... -toch geen dolle dingen, hoop ik?... toch niets over dat zoogenaamde -onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je -vriend Elias je inblaast?...” - -Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van -het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een -zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo -in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer -leven.... en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je -cigaret, en drinkt je fijne chocolade.... alles is hier zoo mooi en -rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en -de schande.... nu, já, ik durf het wel te zeggen.... áls ik nu de -prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?... áls ik -haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om -genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht -en de waarheid?... wat dan nóg?... zou je me dan niet willen helpen?... -Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel, -Marcelio...” - -Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van -verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een -jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren -geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de -wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen! - -Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een -broekie!” zei hij, glimlachend. - -„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd. - -„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en -eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën -van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar -Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is -absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!” - -„—Ik begrijp je niet, Marcelio!” - -„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je -hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten -niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de -toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een -akelig klein beetje vooruit zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog -precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van -de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch -vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed. -Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten -door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden -aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en -wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel -onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het -bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók -niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te -begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens -behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet, -dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens -bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste -eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense -figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van -Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is -uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de -ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige -beelden, de schilderijen, de gebouwen, zoo’n sublieme cathedraal -bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke -Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de -eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de -reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn... en -als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die -wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en -rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch -kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat -er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en -steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie -je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen, -waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al -niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren, -dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat -egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als -er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin -menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar. -Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig, -dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er -geen liberalen en geen conservatieven en geen sociaal-democraten en -geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens -die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat -het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische -wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die -Liefde wordt het nooít wat. - -„Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt -het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als -jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige -gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er -bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het -ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar -beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát -wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is -en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide -logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat -idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat -verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst -of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol -enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan, -dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat militair vertoon laat -bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de -koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en -als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen, -heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan -Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn -eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een -reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten. -Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de -sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna -iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove -eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de -heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik -zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik -ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van -het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver, -fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie -kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te -zitten. Dáár, nu wéét je het!....” - -Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte -nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord. - -„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou -de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?” - -„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr -vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de -wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de -electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En -óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet -gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt, -zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het -vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit -goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde. -Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen -aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant -doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename -leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb -je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als -duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De -ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de -allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat -hebben ze aan de wetenschap der hygiène, die enkel de bevoorrechten -baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de -bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor -de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door -slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet -door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het -nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er -veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en -ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren. - -„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de -Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm -werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale -hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat -predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou -de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde -ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van -staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor -gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen -ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk -kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het -bloed zagen kleven van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna -niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige -maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze -zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en -roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde -af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden -verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag -en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en -Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien -God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving -van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen -geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun -eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote -verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee -verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk -geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze -waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd -net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun -filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk -verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten -verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het -laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde -voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te -bedekken.” - -Paulus keek hem in stomme verbazing aan. - -Was dát Marcelio?.... Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de -gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke -prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed. - -„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat -allemaal, net zoo goed als ik?” - -„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb -toch oogen om te kijken....” - -„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er -overal misère om je heen is?” - -„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.... er is al zóóveel gedaan, en ’t -is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige, -misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te -doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede -bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje. -Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel -en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds -en proletariërs het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender, -dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een -knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg, -voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus, -heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg -van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik -door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel -niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren -hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze -gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch -nog, Paulus.... er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute, -door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de -Maatschappij heet!” - -„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar -Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo -héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien -niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de -ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de -schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar -eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de -ellende en het onrecht, die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou -dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo -rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont -het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!” - -Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat -onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde -bedenkelijk het hoofd. - -„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd. - -„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses -is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan -doen. Maar, al kón ze....” - -„—Nu?”.... - -„—Hm!.... ja.... zie je, Paulus.... het past me niet, een oordeel te -vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.... over wat ze doen zou, of niet -doen zou.... maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter -harte zou gaan....” - -„—Hè??”.... - -„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed.... -zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild -heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog -houden.... het gezag nu, dat is juist de handhaving van den -tegenwoordigen staat van wreedheid en onrecht.... de zoogenaamde -maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid -op de misère der overgroote massa.... en zij, de kroonprinses Leliane, -is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke -orde.... daar heeft ze ook haar leger voor....” - -„Waartoe jíj ook behoort!” - -„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor -moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde....” - -„Die onrecht en wanorde is!” - -„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel... maar wat wil je er aan doen?.... ik -zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.... ik zit nu eenmaal in ’t -schuitje en heb het er altijd goed in gehad....” - -„—En ik gelóóf je niet, Marcelio... Je kènt de kroonprinses Leliane -niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht -gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert -fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het -gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter -dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar -eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar, -als ze het weet! O! als ze het weet!... dan zal ze, als een zachte -Samaritane, naar de smarten gaan en groote wonderen doen.... Je moet -mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er -bij.... dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en -verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van -haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar -schande te veilen!.... want het zijn toch háár zusteren, niet waar, -Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd...” - -Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder. - -„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij -waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet, -kereltje.... ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.... en -onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dat -kan niet uitblijven....” - -Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar -niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en -correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen -had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór -alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden -noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch -vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit, -zonder welke alle sociale systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát -wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken -gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu -rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over -doodgewone dingen sprak. - -„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende -verontwaardiging. - -„Maar wel zéker, beste kerel.... zéker wil ik je helpen.... ik vind het -idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme, -tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.... het geval is eenvoudig -éénig.... en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me -aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven -heet.... maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog -gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen -tijd.... daar is hij misschien te beroerd voor.... Dus jij wilt à tout -prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dan zullen -we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben -je nu tevreden?.... als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen -wil, zal het wel gaan.... Het treft, dat ik de volgende week dienst heb -in Monte-Regina.... dan moet je maar met me meê, als een vriend van me, -en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het -Regina-Palace-Hôtel, waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen -heeft.... Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken -hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van -je audiëntie terecht.... je moet overal met mij meegaan, en je netjes -houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.... het -is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in -Leliënstad, geen idee van kunt hebben.... het brandpunt van het -kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.... je moet bij de -hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee -verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede -gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.... Je -moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te -geven, en je voor te doen als een der onzen.... ze moeten je daar -houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van -het vorstenhuis.... Belóóf je me dat?....” - -Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm -te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden -in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar -zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de -genade zou brengen en het Recht... - -Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had -voorgevoeld... - -„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét -niet, hóe gelukkig je mij maakt!” - -Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als -over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te -houden. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Monte-Regina! - -Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en -verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde, -droef, en des doods. - -In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine -bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in -de lucht. - -Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere -wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond -slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en -seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden -om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had -beroerd! - -Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die -over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de -palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te -droomen... - -Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een -warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus -zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer -te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef -de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het -mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al -eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina. - -En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren -zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme, -gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom. - -Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen -twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys. -Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen -de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond. - -Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar -links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen, -die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd -doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en -daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen -den hemel. - -En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele -landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,” -dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op -al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet. -Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een -verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen, -maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó -smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere. - -Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg -gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn -kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping, -had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd. - -Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster -zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap -onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen, -met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen -het geel. - -De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint, -en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht, -en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit -was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets -openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de -zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der -dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit -bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam -violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker. - -Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte -Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in -Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als -een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige, -zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een -wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere -huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette -tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid -aan, van een Graal. - -En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de -lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan -om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd -gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende -klokken en witten brand van heilige kaarsen.... - -Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het -Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen -trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en -langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke -palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende -laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en -aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware -waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een -Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling -van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van -engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van -lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het -blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room. - -Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en -deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met -aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen. - -Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een -albasten pilaar. - -„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t -algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.” - -Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog -bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij -ook mocht zien. - -Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af, -uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat. -Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette, -anders mocht hij niet binnen. - -Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten -zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen. - -En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een -hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme -zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar -met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in -lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde -plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk -paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den -vloer en van het plafond hem tegemoet. - -Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen, -schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings -en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en -weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was -nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen -knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En -monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs -faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!” - -Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel, -en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven. -Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het -zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère -en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en -zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om -nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die -de onderdanen waren van Leliane! - -O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die -zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste, -gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo -doorleefden, als zij deden, van zijn misère? - -Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van -schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands -belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in -al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets -anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en -ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante -oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag -bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van -overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als -voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een -rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing. -En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen -was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van -duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid, -of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een -overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs, -waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden, -zóó waardeloos schenen ze daar. - -Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en -stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar -op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de -croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches -waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen -omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes -„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar -uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren, -en scheen dit ijselijk koddig te vinden. - -Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó -haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer -ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de -grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over -verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won, -of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend -milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en -sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die -een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen, -op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die -duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van -kent. - -Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó -leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige -blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus, -maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote, -ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien -hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren -naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te -kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren -stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om -toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde -menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een -lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier -was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk -nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte -schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid -en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld -en nog eens geld. - -En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich -aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld -was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile -vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse -geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in -prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter -zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de -winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te -kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel. - -Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de -bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de -speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken -avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit -in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino, -stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk -uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus -in het schijnsel van het witte electrische licht. - -Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht, -tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs -ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten, -breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven -klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het -nu te donker. - -Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de -lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links, -dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle -terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel -van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun -van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de -rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als -wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen -weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel, -rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel -van-zelve, in de zegening van het licht. - -De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de -blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de -ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht. - -Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een -eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren. - -En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino -mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische -lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het -room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het -donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn -porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het -beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees -in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen -dronken nacht van het Zuiden.... - -Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en -zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel -ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel -was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in -den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des -daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een -goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze. - -Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in -de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht. - -Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend -Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk -wonder. - -Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk, -heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie -geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de -gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken -en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane. - -En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van -den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille, -slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van -het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles -vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets -meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns -had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies, -die de zusteren waren van zijn ziel. - -Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen -en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een -valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het -enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die -daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis -van vrede. - -Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in -vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar -omhoog. - -„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in -eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der -wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en -alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de -waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....” - -En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden -vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal -voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te -smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten. - -Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het -licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was -geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan. -Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar -uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als -dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden -vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een -ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens -goede hoeder hij zou zijn. - -Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou -alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde -moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd -in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig -samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige -maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig -geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula. - -Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl -hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich -over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t -maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem -onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien; -het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was -al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér -durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen -opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied -bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias -verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te -roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij -het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij -denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio. - -„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo -iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk -met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en -vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu -heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De -prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar -een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af -komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar -macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed, -als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart, -dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede -aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen -vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden, -omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon -vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg -zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade -kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een -hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor -onze partij...” - -„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had -Paulus verwonderd gevraagd. - -„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme -slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit -haar handen nam.” - -Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór -alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en -Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van -elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand -gedrukt en hem gezegd: - -„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te -maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met -hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is -onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens -voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze -partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit -je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!” - -Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet -ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in -de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel. - -Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het -Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht -wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit -gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den -ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien, -en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg -zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot -de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als -muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een -zeer zacht licht. - -Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en -toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den -grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden. - - - -In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet -hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien -geliefde, hem te brengen. - -Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van -het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden. - -Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog -plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond, -als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes, -elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met -engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief. -Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande, -langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak. -Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en -blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het -stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van -plechtige stilte door de zaal. - -Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte -tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van -dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen -aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een -ceremonie. - -Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden -ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt -imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig -document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten, -spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus, -of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de -zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel -geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het -terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een -generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één -allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten -correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of -zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de -scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames, -gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast -haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van -pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de -donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder -dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën, -zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze -blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin -juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel. - -In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en -het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners -droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den -gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en -gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen. - -Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s -Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen. - -Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden -bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het -bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van -witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van -languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes -van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende -schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van -goedheid waren, en van waarachtig schoon.... - -Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem -kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch -niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen -te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht. -Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner -een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat -deze er zóó over dacht. - -„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die -daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius -Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem -zijn!...” - -Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was -ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van -Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in -couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was -om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne -uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent -hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche -keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche -danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten -betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een -hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië, -moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met -zijn groote vuisten hebben geworgd. - -Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen, -vertelde in zijn blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich -niet lekker voelde, als hij een dag had doorgebracht zonder dat hij een -of ander dier gedood had, al was het maar een vogeltje. Het jagen zat -hem in ’t bloed, had hij hem gezegd. - -Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor -Paulus een schrikbeeld geworden, een soort legendarisch monster, te -wreed, om eigenlijk anders te kunnen bestaan, dan in overgeleverde -verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op éen dag honderden -herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen was -die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige, -zachtzinnige wezens. - -Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het -tafeltje van den prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond. - -„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb -de eer gehad, aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den -bloede.”— - -Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij een diepe, -eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst, -maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote -oogen naar den grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en -dreigend in zijn leven was verschenen. - -Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een -gewone groote man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de -Moscovieten, die een nog maar weinige jaren wat beschaafd volk waren -van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden mond met bloedroode lippen -zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige haar van zijn -zware snor en langen baard. - -Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang -voor hem was. Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins -voorbij kon gaan, en voelde als een heel teêr, fijn vogeltje, als het -een wilde sperwer heeft gezien. - -„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio, -boos. „Wat moet Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en -zag, dat je bij mij hoorde. Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch -van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd veel bij Haar Koninklijke -Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.” - -„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses Leliane?... -híj?... dat donkere, wreede mónster?... onmógelijk...” - -En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige, -dat leefde van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen -als het witte, het vlekkeloos onschuldige van de prinses, die uit de -gouden zonnestralen en de blanke waterlelies was gesproten. - -„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend. -„In de politiek zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet -vergeten, dat hij de broeder is van Zijne Majesteit den Keizer van -Moscovië, en een van de rijkste prinsen van de wereld.” - -„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze -dieren!” - -„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met -den beer bewezen. Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn, -daar ben ik zéker van.” - -„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch -moord, laffe moord op zachte, lieve beesten, die zich niet -verdedigen....” - -„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport -noemen we dat.” - -„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van -hem bekend zijn, of is het niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste -orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn millioenen, weggesmeten -aan veile vrouwen?....” - -„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats -denken. Zoo’n halve barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed -in opbruist, en dan in ’t bezit van millioenen, en dan die verleiding -overal....” - -„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen -in de mijnen.... de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun -fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen in moeten werken?.... en waar -duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad hun liefde voor -de vrijheid en voor hun medemenschen was.... daar leeft hij van, dat -monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig -monster!.... Hij is niet waard denzelfden grond te betreden, waar -Leliane’s heilige voeten over zijn gegaan.... Zijn enkele -tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al....” - -Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen -hij zag, hoe rood Paulus was geworden van verontwaardiging en -opgewondenheid. - - - -Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op -hetzelfde effect berekend, waren er nog tientallen van restaurants in -Monte-Regina, de groote Grill-Room van het café des Lys, de -restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van de Métropole, en vooral het -kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en prinsen kwamen -met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door -kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse -muziek, de vergulding van den uiterlijken glorieschijn om wat niets -anders was dan de voldoening van het Beest. En Paulus voelde intuïtief, -dat het genot van al die schitteringen, die tot het uiterste opgevoerde -verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, door -culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door -het aanbieden van de „addition,” waarop met rooverachtige -onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd. - -Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden -van het paradijs nog werden verhoogd door het neerzien op de -pijnigingen der zondaars in de hel, zóó was misschien voor die -correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, in die -peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich -te goed deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van -honger en gebrek. En zij allen, zij wisten, of kónden weten, welk een -arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, dat zij hier moedwillig -verspilden. Met één, nog niet eens zoo bijzonder fijn diner aan een -paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, waar een -afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in -menschonteerenden arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen, -of in verpeste fabrieken. En voor één nacht van wellust met een veile -vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, waarvan honderd -gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan. - -Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen -uithouden, en dat hij zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten -breken, als hij hem nu niet spoedig de vergunning bracht voor de zoo -vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want hij voelde met de -dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen. - -Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n -restaurant, beving hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een -onweêrstaanbaren lust, om alles in ’t rond kort en klein te slaan, om -de omzittende, rijke patsers op hun impassibele tronies te trommelen, -en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, hoe zij -allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen, -lafhartige, domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven -maatschappij van onrecht en goddeloosheid. - -Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van -overprikkelde nervositeit, dat correcte, ongevoelige gedoe van al die -kerels en vrouwen in hun mooie plunje, die daar in één maal voor -honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun heele leven -zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die -kerels, met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit -arbeid hadden gekend, hun met fijne essences doortrokken haren; die -vrouwen, die met duizenden en duizenden aan paarlen en diamanten waren -omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde gezichten, haar -coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest -zijn! - -Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs -de schijn van glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête -brak door al die voorname, in valsche plooi getrokken gezichten heen, -en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende van al de lakeien en -keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn. - -Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een -blijde tijding. - -„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je -me daar vinden, en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er -nu mijne tante, de hertogin Marcelia, voorgespannen, en je weet, die -heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf uur -van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te -vinden. O ja, dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de -speelzaal ’s morgens. Dat is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets, -om je eens flink te ergeren...” - - - -Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart -vóór elven. - -Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden -morgen-licht, dat door den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren -Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen en het donker-gulden licht -leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst zou -beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen, -ópjubelend door de gewelven... - -En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan -speelholen waren. - -Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte -bezig queue te maken. - -Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met -zenuwachtige gezichten, in hun elegante kleêren, toch als armen, -wachtend op de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden -knoopen waakten bij de deur. - -Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en -mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten -honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend -op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan, -mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen, -die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig -trokken met hun in spanning verwrongen gezichten. - -Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht... - -Totdat opeens de deuren opengingen. - -Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen -holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de -groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te -krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een -maal van uitgehongerden na een beleg. - -Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school, -knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en -waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd zouden worden. -Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes -goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier. - -Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „Messieurs, faites vos -jeux!” - -Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk, -een enkele zijn biljet op een nummertje, of een vak. Het leek -onschuldig, als een avondpartijtje, waar de kinderen om een lange tafel -aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat het hier ging om ’t -bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten in dat -schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en -heeren, schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère -en den honger en de langzame uitmoording van duizenden slaven en -sloven, die de productie voor hen moesten voortbrengen in kommer en -gebrek. - -Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette. -De roode gezichten volgden in spanning het kleine, witte, ratelende -knikkertje, of hun leven er van afhing. Onverschillig riep de croupier -met zijn monotone stem: - -„Treize! Noir, impair et manque!” - -En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar -ginds, ver, in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek -woedden, en de proletariër vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw -en kinderen, met den honger als wapen... - -Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het -onrecht! Overal triomfeerde het onrecht, en onder het masker van -godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij leefde de -minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van -het bloed en zweet der zwoegende massa’s. - -Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor -honderden millioenen verspild en verbrast, in louter roekeloosheid, -door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze patsers, millioenen, waar -zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om te lenigen -den nood der misdeelden. - -Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en -de weelde er geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit -Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige luxe in te ledigen. Uit -alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd met hun -geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er -anders geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven. -O! Als ze het niet konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid -was, dàn ware het nog wel onrecht, doch tóch nog te vergeven, omdat zij -niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden wreedaards hier, zij -wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren boeken -geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die -het hun hadden gepredikt, hoe zij leefden van diefstal en onrecht en -langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, zij allen wísten, en tóch -liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met paarlen en -diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud -betaald, en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg -in wellust met veile vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht -verworven geld. En zij allen noemden zich Christenen, en waagden het, -Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en Gods zegen af te -smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze -opeenhooping van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina, -waren nu duizenden, honderdduizenden ongelukkige, onbewuste arbeiders -bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige mijnschachten, in -van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende -riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige -beesten in de felle koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke -nietsdoeners aan hadden was door zwoegende medemenschen voor luttel -hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, de stof voor hun -kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, die -zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van -arbeiders was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien God aan -allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van -superioriteit, of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had -gegeven, enkel, omdat zij zóó in het groote onrecht van de maatschappij -waren geplaatst, meest door het bloote toeval van geboorte, of erfenis, -of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, waar het -geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden, -hoe meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender -menschen werden zij gevonden. Een Engelsche prins, die voor één hoed -van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen van Léoni vierduizend -francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed en zweet -van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle -Monte-Reginasche bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse, -die, door het verkoopen van haar lijf tot veilen wellust, zich een -onschatbaar fortuin had verworven, ging iedereen in de speelzalen -eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde van -haar beroemde diamanten. - -Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep, -wachtende op Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en -voller, een uur verliep, en nóg was hij niet gekomen. Een drukkende -warmte begon in de zaal te broeien, een lucht van verhitte menschen, -vermengd met geuren van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd -worden, en vond het beter, even wat naar buiten te gaan in de heerlijk -zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over een half uurtje zou -hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was. - -Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij -op een bankje zitten. - -Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was -eindeloos ver, spiegelend in het zachte zonlicht, rustig en egaal, -zonder rimpeling. Links naar den horizon wenkten verre omtrekken van -bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen nu en dan -héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde -de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en -tevredenheid, en rustig geluk. - -En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel -wègglijden. O! Hoe innig waren die lijnen van de bergen daar in de -verte, hoe gevoelig stonden daar die boomen, èven wuivende somtijds op -zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren varen haar pracht -ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! En, -weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen -vier muren, was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde -over de eindelooze zee. - -Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal. - -Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek, -en keek.... Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene -grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine -jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in -zijn bek. - -Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte -vallen, als voor vogels. - -Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op, -eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen, -vloog dàn weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige -lucht. - -Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig -slaande met de vlerkjes. - -De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in -zijn bek, holde weer weg. - -Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid, -in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank -gelukje, omhoog.... - -Pang! Pang! - -En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan, -met opengesperden muil.... - -Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne, -aten gebak en vruchten aan tafeltjes, lachten, hadden plezier, -applaudisseerden de laffe moordenaars, die de mooie, weerlooze duiven -schoten, uit pure pret in bloed en dood.... - -En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan -zijn de beroemde Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op -groote schaal, waaraan de hooge adel deelnam, de fine fleur van de -aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, met prijzen van -honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had -gedaan.... - -Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet -genoeg, en de dure demi-mondaines niet, en de met goud betaalde -pasteien niet, en niet de dolle wedloopen met halfdood gemartelde -paarden.... - -Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van -lediggang en parasitisme, zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord -op onnoozele duiven, waarvan er honderden vielen, tot hún leeg vermaak -op éénen dag.... - -Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De -witte duiven vlogen op, de een na de ander, en wiekten weg naar de -lichte lucht, en vielen jammerlijk neer, bloedend en des doods, waar -een roode muil met scherpe tanden dreigend werd opengesperd, ze -wachtte.... - -En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in -het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje. - -Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen -verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij -hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend -dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood. - -„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer, -mijn brave? Kan ik je helpen?” - -Paulus schrikte op. - -Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den -schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een -beetje medelijdend aan. - -Paulus greep hem krampachtig bij den arm. - -„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen. -„De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie, -witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels -zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze -spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als -gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte -veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de roode, -opengesperde muil van dien grooten hond.... o! de lafaards, Marcelio, -de lafaards!.... ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje, -als een gewoon spelletje, voor tijdverdrijf!....” - -„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.... Maar dat -is sport, wat ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres -voor gefokt.... als die sport er niet was, hadden ze heelemaal niet -geleefd.... Het is vandaag Tir aux Pigeons om den Grand Prix.... de -fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.... prins Sergius is er -ook bij, die wel weer zal winnen.... hij doet hors de concours mee, -omdat hij tóch altijd wint.... en vanmiddag komt Haar Koninklijke -Hoogheid, prinses Leliane, den wedstrijd even met haar bezoek -vereeren....” - -Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer -vergeten. Hij herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om -hem antwoord te brengen op zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede -van háár bezoek bij dien bloedigen moord van duiven ontging hem. - -Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van -hoopvolle verwachting bracht er een zacht licht over, als een -doorbrekende zon doet door een regenlucht. - -„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid....?” vroeg hij, stotterend. - -„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft -Haar Koninklijke Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te -beschikken. Ze zal je audiëntie verleenen. En héél alleen nog wel. Ze -zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, dat je over haar verdwalen -in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. Er zal niet -eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen. -Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die -al haar invloed er voor heeft gebruikt!” - -Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht -tranen in zijn oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan -toch goed worden! Zij zou de handen zegenend uitspreiden boven haar -arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem de woorden spreken van -wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj voorging -in liefde zou niemand durven achterblijven. - -„En.... wanneer?....” stotterde hij. - -„—Héél gauw.... morgen al.... om twee uur morgen middag word je -verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het -Regina-Palace.... ik zelf heb morgen dienst en zal je binnenleiden.... -dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór alles om de etiquette -denkt.... je bent nú niet meer in het Bosch met haar, en staat -tegenover je aanstaande koningin....” - -„—Morgen al?.... morgen al?” riep Paulus jubelend uit. - -Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den -afschuwelijken moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén, -dat hij morgen prinses Leliane zou zien, en dat dan alles goed zou -worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, dat liefde was en -mededoogen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig -geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij -prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen -en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte -maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek -ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij -wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit -hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe -was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde -gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen -voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als -maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde -aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch -ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon. - -Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar -het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen, -en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een -groote blankheid rayonneerend. - -Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En -wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze -gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde. -Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden, -en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van -den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte, -wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte -nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde, -die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde, -witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de -blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar -blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen. - -Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot, -onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk -goed zou worden.— - -Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de -dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger.... - -De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en -violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó, -verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens -droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg -weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles -rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid -duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak. - -Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun -breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven -stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de -bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn -puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap -met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich -hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in -smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze -bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge -licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar -de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer -was doortrokken van haar innige essences. - -In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol kleine amandelboomen in -bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze -bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.— - -Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende -boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In -de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde -water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze. - -Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van -het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods -aangezicht.... - - - -Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle -dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der -menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en -de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door -dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan -tot de sfeer van Leliane. - -Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de -boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen, -onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes, -die beefden van innigheid, de roerlooze cypressen, recht oprijzende, -als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd -vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel -staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de -hoofden der biddend-gebogen schare. - -Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het -dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu -teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de -dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den -deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef -in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem -nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van -zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij -straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en -herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare -genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken -in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle -andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was -gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen. -Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van -goud, de borst blinkend van ridderorden, en als een lichte bode uit een -sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen. - -„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote -gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil... -waardig zijn, hoor, en kalm...” - -Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte, -donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in -lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was -vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud, -met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een -anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke -staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed -Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond -alleen. - -Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen, -leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote -waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een -lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van -witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de -tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote, -broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte -orchideeën neêrhingen. Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke -beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen -glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen, -sereenen droom van vrome meditatie. - -Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine, -dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit -het geslacht der lichte water-lelies. - -Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den -jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij -begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij -wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste -spanning. - -Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde -wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans -omgeven, verscheen de prinses. - -Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van -zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp -naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij -knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot -den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote -overgave, als een zondaar in duister voor de blanke Heilige, die hem -barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts. - -Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel -trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid. - -„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.... Wij zijn u -niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.... Wat kunnen wij -voor u doen?....” - -Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de -wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van -engelen uit hemelsche sferen. - -Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel -nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar -aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar -God. - -Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even -aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was -zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers -had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde -gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de -middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was. -Toch begreep zij, dat dit zóó niet duren kon, dit stille aanbidden -zonder woorden. - -„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend. -„Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook -helpen met iets? Nu moet ge spreken....” - -Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing, -als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van -haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó -zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit, -zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was -wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein. - -„—Maar spréék dan toch....” zong weer de muziek van haar stem. - -Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te -herinneren.... alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien -hoogen staat.... hij moest nu spreken, zeide zij.... van wat?.... van -wat?.... wat was er nu nog te spreken?.... hier was het hóógste, wat nu -ooit nog komen kon.... het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar -de ziel van bidt.... hier was enkel het stille, rustige droomen, de -handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk... wat kon er -nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar -heilige oogen?... - -Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen -moest.... zij gebóód het, dus móest het wel.... er wàs wel iets, maar -dat was zoo héél lang geleden.... wel eeuwen leek het.... uit een ander -leven, in een gansch andere sfeer.... toen was het duister, zwart, -droef duister, en nú was alles zoo licht.... - -Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al -den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met -ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in -dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem -op dreef te brengen. - -„—Komaan....” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets -gekomen.... zeg ons nu alles, zonder schromen.... onze tijd is -kostbaar.... en wij hebben nog maar weinige minuten voor u... Spréék -nu, wij wíllen het, wij gebíeden....” - -Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte -uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op, -dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen, -de ellendigen.... het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en -rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en -roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande.... -En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, in de verblinding van zijn -droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte -kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles -duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de -emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem. - -„O! Koninklijke Prinses....” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die -leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van -reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van -mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.... Het -allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.... heeft U het zélve mij -niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.... op Uw gebod heb -ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en -vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.... omdat ik -dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk.... -toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de -huizingen der menschen.... schitterend wit, en veilig, op de heuvelen, -waar de lucht rein is.... maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de -groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen, -zich koesterend aan Uwen voet.... en benéden woont het onrecht en de -leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.... Ik -heb gezien de duizenden arbeiders, mijn broeders, die zwoegen in vunze, -heete holen, en diep in donkere mijnen.... ik heb hun vrouwen gezien, -hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon.... -ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de -verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe -zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren, -zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk -lijf.... de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke -Majesteit, als redeloos vee.... ik weet de honderdduizenden, die -wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.... en -o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede -parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan.... -Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de -werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder -wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog -niet van honger om te komen.... en de bestbetaalden, in de gunstigste -omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat -óns het leven enkel waard maakt.... Die groote, lichte Leliënstad, die -de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed, -gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.... en áltijd troont prinses -Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de ellende, en zij ziet -enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren, -koninklijken naam... En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al -de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en -zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet -der verdrukten.... O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden -U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik -de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer -rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.... O, -Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste -krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.... Gij hebt mij -beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister -ben ik afgedaald.... ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb -gelezen.... in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der -wereld zou te stillen zijn.... maar nergens heb ik de uitkomst -gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door -niets te stuiten.... De menschen gaan met harde gezichten en weenen -niet... zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als -koude wreedaards onbewogen.... en God heeft toch de schoone wereld -gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven -ten koste van de anderen, die lastdieren moeten zijn.... maar in de -menschen woont de Liefde niet....” - -Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht -hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn -groote verwarring. - -Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in -zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn -hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet. - -Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde -trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat -hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat -zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid -van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan, -voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar, -van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning -eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden -zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en -onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de -Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.... Had die -jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar -geslacht?.... Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke -gunsten?.... - -IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn -hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een -vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi, -met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe -glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de -riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had -bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste, -maagdelijke wezen. - -Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door. - -„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.... de -menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want -zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit -genezen.... daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat -lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte -staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun -grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de -gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de -feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet... zie de -vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het -dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën... -wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van -genade... en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand... als gíj -voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht -deden in Uwen naam... Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen -van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen -en beroofden... Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en -zonde, een duister oord van verschrikking, een hel....” - -„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend. - -Verschrikt keek hij op. - -De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een -superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om -zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een -wreede, minachtende trek kwam om haar mond. - -„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op -een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen -drempel te betreden... onder slaven hoort gij, met uw onwaardige -taal... ga heen, en kom tot inkeer... verbeter u, als gij ooit weer in -onze genade wilt komen...” - -Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik. -Hij dacht een oogenblik, dat hij slecht was, een ondankbare, een -nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het -onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een -verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige -reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke -waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van -haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige -tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een -enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan, -ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad -in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep -vernederd, of hij een zware misdaad had begaan. - -Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En -hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging -hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk -legde hij een hand op Paulus’ schouder. - -„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?... Dat kon ook niet -anders... mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch -moeten blijven... je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don -Quichotte... maar je hebt het zélf gewild... en door al die dingen moet -jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt -worden...” - -Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel. -Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste -verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam -naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem -neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns -ondanks, aan, met een zacht medegevoel. - -„—Kom... vertel me nu eens...” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken -wat bedaarde. - -„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio... van al de ellende... van het -onrecht... van haar droeve zusteren, levend van haar lijf... en ze -heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me -aangezien... mijn ziel kromp inéén... ze veracht me, nooit zal ik dien -vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel... -Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio... o! hoe zij daar stond, -zoo hoog, zoo edel, zoo trots... als zij mij lang zóó had aangezien, -zou ik gestorven zijn... maar zij wees mij weg, met een zóó fier -gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf...” - -Marcelio lachte medelijdend. - -„—En het onrecht dan, Paulus... de groote zaak van het volk, waar je -voor kwam?... was die dan inééns verbleekt in je?... alléén door dien -blik?... heb je toen alles inééns verzaakt?...” - -Paulus keek hem aan, en bloosde. - -„—O! Marcelio... ik wéét het niet meer... ik weet niets meer, dan dat -ze me aankeek... zóó... vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid... zoo -hoog was ze, zoo ongenaakbaar... en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo -verachtelijk... ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar -gewaad...” - -Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als -iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst -had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk: - -„—Kom, kom, Paulus.... weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van -haar gewaad aan te raken?.... en niet alleen dien zoom, maar haar -zelve, haar héélemaal.... weet je dan wel, dat de prinses.... gauw.... -hm... moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?...” - -Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend. - -„—Hè?.... Wat?....” - -Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg -ontzettender dan het eerst gebeurde. - -Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij -Paulus ging doen. Toen, inééns: - -„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius -Alexandrowitsch van Moscovië.... morgen wordt het bekend gemaakt....” - -Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde: - -„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met zúlke dingen mag je niet -spotten.... wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?....” - -„—Maar het is wáár, kerel.... ik spot héusch niet....” - -„—Och.... dat kán toch niet.... de prinses kán toch niet houden van -zoo’n bruut....” - -„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.... hóuden.... alsof een koningin -zou behoeven te hóuden.... dat is goed voor het volk.... bij een -koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het -vorstenhuis.... het is héusch, héusch waar, Paulus.... Maar wat schéélt -je, kerel?....” - -Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel. -Marcelio hoorde hem stamelen: - -„Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen van de straat.... zónder -liefde.... alléén voor eene belooning van glorie of belang.... een -veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio.... -het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen...?” - -Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden -uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij -de vuisten in de lucht. - -Marcelio snelde op hem toe. - -En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk -bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een -doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp.... - - - -Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in -Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij -verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met -moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen, -en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne -verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een -doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte -Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en -niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders -was zij verloren.... Het Monster kwam al nader en nader.... - -En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in -zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te -bevechten. - -Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter -verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de -nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij -niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte in hem te zijn, -waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld -van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in -onbewustheden van zijn ziel. - -Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad, -dat was het éénige, waar hij om vroeg. - -Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat -was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond -gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of -verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen -voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus -uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over -wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor -zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles -op den duur toch wel geneest.... En hij begreep absoluut niet, wat het -voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn -droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een -Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen -uitstrekt in bloedgierig begeer.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Nu waren maanden en maanden daarna verloopen.... - -Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een -groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer -blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.... In ’t -begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit -over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en -alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden. -Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets -meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár -aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de -opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon -waard was? - -Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom -hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde -uitgeven. Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te -gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch, -van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom -naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was, -die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was -hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het -lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te -bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen, -een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de -duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche -literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.— - -Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou -hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij -onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo -goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne -uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van -Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid -die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en -drinken. - -Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de -literatuur te wijden, en voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen -te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van -prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen. - -Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht -had. - -„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom -je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan -de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren -artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en -goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de -gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie -schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit -hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur -mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók -een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen -eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun -knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de -dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen -in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde -medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met -even veel unfaire middelen als de anderen, hoor! Er is nijd, er is -jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij, -misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in -je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon -volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor....” - -„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd -zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je -ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven....” - -„—Te géven, Paulus?.... ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.... als het -werkelijk te geven wás.... Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen, -en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er -voor betalen kan....” - -„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets -voor doe, zooals nú... het geld van de prinses, dat mij nu verder zou -bránden in mijn handen...” - -„—Dát is het, Paulus... maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden -het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is... al is het -een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de -weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen... met wat -je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder -studeeren in wat je studeeren wilt... en als je de kerel wordt, die ik -hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken -voor onze partij... daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan... -maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren, -altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der -dingen, die wíj durven aanzien... Dan zal je ook zien, hoe weinig je -eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij -het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst -van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren -staan... je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je -heelemaal daarbij kunt wegcijferen...” - -Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat -Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven -zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de -prinses. - -Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het -heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke -teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen -in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het -Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het -te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven! - -Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen... Maar waar zou hij dan van -moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses -aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en -zette hij zich aan den arbeid. - -Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel -voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze -woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat -hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk -leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij -het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij, -in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in -het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten, -de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol -sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver, -door geen rimpeling verstoord. - -Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een -wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging. -Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en -den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal -over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in -die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, die hij in zijn boek -gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal -onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen -en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een -troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei -boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige -houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar -zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze -kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en -teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor -wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach. - -Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te -loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon. - -Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen -vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme -genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had -hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en -waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er -zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote -stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en -zijne woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond. - -En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had, -van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en -elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet -langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de -omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen -hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die -sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en -klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het -noodlot der gelieven bezongen. - -Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal -over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in -de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan -voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk, -vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige -woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om -lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj -met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn -gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten! - -Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig geschreven boeken met -hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een -troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om -dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich -vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie, -niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs -niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van -de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een -bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan -stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen -ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote, -verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en -kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij -aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn -manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze -droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat -hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur -der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem, -of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was, -die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht -bidden van zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem -zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is -mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat -nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege -schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.” - -En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn -ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had -leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan -een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem -vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te -wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten, -want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets -anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde -ópklinken. - -Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige -menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van -automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls -een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel -bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet -ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als hij de -koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende -lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht -van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige -sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en -wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder -hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten -las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware -mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige -stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam -het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn -ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om -Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie, -Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden -in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge, -breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende -grofheden uitten. - -Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang, -dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou -komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren -Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij -het lezen van Wederich’s subliemen eersten bundel „Gedichten” het -denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had -bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de -oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug. -Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel -„Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de -eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje, -had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee, -Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.” En -een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door -zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat -hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer -zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was -toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had -haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig, -eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast, -onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer -vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan -vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn -schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou, -dan de hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het -harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger -is dan de harde materie. - -Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den -smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte -trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk -overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was, -voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van -het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás -dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen -lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch -altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre -van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook -gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in -de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en -bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote -vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen, -verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden, -verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden -hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was -het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; misschien -kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan -weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister -was. - -Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote -ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De -zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte -proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke -zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden -zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het -nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en -zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij -dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had -gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter -Wartenau: - -„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie -Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog -in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed -bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?” - -Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed -door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl -buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns -aanschijns, om de kleine minderheid te dienen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -Eíndelijk was zijn sprookje dan klaar. Toen hij de eindstreep er onder -zette, en wist, dat het nu onherroepelijk was, wat hij zou gaan doen, -schrikte hij, en voelde hij pijn aan zijn hart. Want nu was het, of er -iets uit hem weg was gegaan, wat hem vroeger rijk en verheerlijkt -maakte, en of het nu daar binnen leeger zou worden. Dat mooie, warme -gevoel, dat in hèm alléén was geconcentreerd, was nu uit hem gevloeid, -en zou zich over de groote massa verspreiden. Tóch was hierin ook iets -vertroostends: hij had nu toch iets, al was het nog zoo weinig, aan -zijn medemenschen gegeven, al konden de misdeelden onder hen er nog -niets aan hebben. Al moest hij voor zijn werk geld aannemen, om te -kunnen leven, tóch was er iets als offering in, het liefste en teêrste -in je, weg te geven, opdat het ook anderen kon beroeren, onbevreesd -voor spot en hoon en verguizing. - -En héél achter in zijn peinzen, te bang nog, om bewust tot een gedachte -te worden, fluisterde iets, dat ééns misschien prinses Leliane zijn -boek zou lezen, en iets van zijn ziel háár ziel zou kunnen beroeren. -Immers het teêre droomen van den bloemenprins over de fee der sterren, -het stil-biddend verlangen, waar de reien elfen en nimfen van zongen, -wat was het eigenlijk anders, dan het kuische gebeuren in zijn eigen -ziel, toen hij, simpele, onwetende jongen nog, was neêrgelegen aan den -roerloozen vijver, waar de witte waterlelies woonden, en het vage -voorgevoel van de verre prinses Leliane hem beroerde? - -Nu de zware en toch zalige taak van het schrijven af was, moest hij -voor de uitgave gaan zorgen. Hij wist nog zoo goed als niets van zulke -dingen, en vond het beter, eerst Marcelio er over te raadplegen, en te -vragen, om hem met het uitgeven te helpen. - -Marcelio was bereidvaardig, als altijd. - -„Ik wil je wel helpen, om je boekje uit te geven,” zeide hij.... „Ik -heb nog al veel connecties. Je moest het eerst in een tijdschrift zien -te publiceeren, en dàn apart bij een uitgever. Het is nu maar de -kwestie wáár. En tot welke partij je zult behooren. Je moet natuurlijk -kleur bekennen!” - -Dat begreep Paulus niet al te best. - -„Kleur bekennen?” vroeg hij. „Hoe bedoél je dat?” - -„—Wèl, bekennen tot welke groep van schrijvers je wilt behooren, en -welke richting je bent toegedaan.” - -„—Maar ik behoor nérgens toe, Marcelio, ik bén geen richting toegedaan. -Ik probeer alleen het allermooiste in me uit te zeggen, zoo wáár en zoo -eenvoudig mogelijk!” - -„Nu ja, alles heel wel, maar toch moet je eindigen, je ergens bij aan -te sluiten. Anders maak je je onmogelijk en vallen ze allemaal tegelijk -op je aan. Alléén staan is de grootste misdaad, die je tegenwoordig in -de literatuur begaan kunt. Dàt vergeven ze je nooit. Als je alléén wilt -staan, houd dan al je moois voor je zelven, en lees het desnoods zoo -tusschenbeide eens voor aan een paar vrienden. Maar zoodra je iets -uitgeeft, moét je je bij een of andere groep aansluiten. Laat m’s -kijken. Waar zou je je stuk nu naar toe sturen?.... Het beste is nog -naar Duval, den hoofdredacteur van het oudste tijdschrift, „Het -Morgenrood”....” - -„—Duval, Jacob Duval, die altijd al wat nieuw en jong was? heeft -tegengewerkt?.... die de dichters van „De Lotus” heeft belachelijk -gemaakt... die Wederich’s beste, onsterfelijke sonnet „De Nachtegaal” -indertijd heeft geweigerd?....” - -„—Dezelfde. Maar je moet niet vergeten, baasje, dat de Lotus-dichters, -op een enkele na, hem weer vergeven hebben, en dat hij zelf behendig is -bijgedraaid... dat Wederich nu zelf een tamelijk loftuitende studie -heeft geschreven over Duval’s prullenwerk... en dat, après tout, het -„Morgenrood” het meest gelezen tijdschrift is gebleven. Kijk eens, àls -je eenmaal uitgeeft, wil je ook gelezen worden, nietwaar?... anders -gééf je eenvoudig niet uit. Je dweepte vroeger met de schrijvers van -den Lotuskrans.... maar nú, nu ze bijna allen water in hun wijn hebben -gedaan, en zoo langzamerhand bij hun vroegere vijanden in ’t gevlei -komen, zal daar de aardigheid toch wel voor je af zijn.... Bovendien -wil je nu, wat men noemt, van je pen gaan leven.... het is er dus -vooral om te doen, dat je werk zooveel mogelijk verspreid wordt en door -zooveel mogelijk menschen wordt gelezen... en om dat doel te bereiken, -moet je een beetje inschikkelijk zijn, baasje, anders kóm je er -niet....” - -Paulus begreep het nog niet goed. - -„—Hoe bedoél je dat?” vroeg hij. - -„—Wel, ik bedoel, dat je onder alles kalm blijft en voorál je mond weet -dicht te houden. Je zult nu waarschijnlijk in wat je noemt literaire -kringen verzeild raken, kennismaken met artiesten, enz., enz. Die -zullen je uitvragen, je meeningen willen weten, en al die dingen meer. -Je leeft nu in een tijd, dat de jongere, eerst revolutionnaire -literatuur zich met de oude verzoent en aan ’t schipperen is gegaan. De -heeren zijn den ernst van het leven gaan inzien en moeten er nu zien te -komen, nu ze huisgezinnen hebben en weten, wat dat kost. Wees dus in -Godsnaam voorzichtig, houd je meeningen vóór je, en zorg, dat je niet -in ’t gedrang komt. Denk aan wat je me ééns vertelde van Wederich met -zijn mooie ridderorde, die op dat groote diner tusschen zijn vroegere -doodsvijanden zat. Díe heeft den ernst van het leven óók begrepen, en -is er wèl bij gevaren, al heeft hij zijn vriend Lavelane er om -verloochend. Die Lavelane is tegenwoordig de zondebok, omdat hij niet -transigeeren wil. Maar dat zal óók wel komen, als je maar geduld hebt. -De tijd doet véél.... Je moet zien, dat je vooruitkomt en je pousseert, -in de literatuur even goed als in de gewone maatschappij.... Het beste -is, dat je werk het eerst in het meest gelezen tijdschrift uitkomt, en -dat is nu ongetwijfeld „het Morgenrood.” Heb je eenmaal naam gemaakt en -word je gelezen, dan heb je zoo’n tijdschrift niet meer noodig.... stap -dus over dat idee heen, dat Duval altijd een reactionnair was, en stuur -hem je werk. Gelóóf me, het is een verstandige raad, dien ik je -geef.... ik ken Duval persoonlijk, en ik zal een goed woordje voor je -doen.... als de jongere auteurs naar hém toekomen, en een goed -voorspraakje hebben, is hij heel schikkelijk.... dan vindt hij zich zoo -de welwillende protector van de nieuwere literatuur, die de jongelui -wel een handje zal helpen.... als ze hèm maar erkennen, en niets buiten -hem om doen.... en je bent daar in het „Morgenrood” in elk geval in -goed gezelschap van menschen met fatsoen, die wèl de mooie, rythmische -woorden niet weten, maar toch óók geen gemeene gebruiken.... heusch, -„het Morgenrood” is nog het beste.... pak jij je manuscriptje nu maar -netjes in, en stuur het aan Duval.... ik zal hem dan vanavond te -spreken zien te krijgen in de societeit en je aanbevelen....” - - - -Dien avond pakte Paulus zijn sprookje zorgvuldig in blank, schoon -papier, en bond er een touwtje om, dat hij dichtlakte met een zegel. - -Een oogenblik twijfelde hij. - -Dáár lag nu het liefste en intiemste uit zijn ziel, dat hij gekweekt -had in de reine eenzaamheid van het Bosch. En nu zou dit gaan onder de -menschen met hun harde gezichten en hun hoonenden blik, in die duistere -stad, vol zonde en misère, zou het overal ten toon gesteld liggen, en -ieder zou voor wat geld zijn fijne ziele-dingen kunnen koopen. Grove -handen zouden zijn boekje omvatten, roode tronies zouden er dom en -wreed boven lachen. Was het niet als een witte duif, die hij uitzond in -een woestenij vol roofvogels en gevaren? En waarom deed hij het -eigenlijk? Om met zijn eigen schoonheid zijn medemenschen te -verblijden? Of ook—in een duister hoekje van zijn ziel—om groot en mooi -te worden gevonden door het grauwe gemeen? Een rilling van walging -doorbeefde hem bij die gedachte.—Zóu het leven in de groote stad hem -dan tóch al hebben besmet?.... Als hij het pakje nu tóch wegstuurde, -was het met een kwalijk verholen gevoel, dat hij een slechte daad ging -doen, die hij eigenlijk niet kon verantwoorden. - -Een paar dagen nadat Paulus zijn sprookje had verzonden, kwam er al een -brief van Jacob Duval. - -Onwillekeurig schrikte hij van blijdschap op bij het lezen. „De Prins -en de Fee” werd een „juweeltje” gevonden, en Duval twijfelde niet, of -zijne mede-redactieleden zouden ook die meening zijn toegedaan. -Ofschoon „Het Morgenrood” overladen was met copie, en vele bijdragen al -maanden op plaatsing wachtten, zou er voor hèm eene uitzondering worden -gemaakt, en in het eerstvolgend nummer zou zijn sprookje verschijnen. - -Zonder erg voelde Paulus de vreugde in hem opstijgen. Er was dus nog -wel degelijk erkenning. Zóó bar waren ze dan toch niet, die heeren van -„Het Morgenrood,” die de sublieme verzen in de eerste afleveringen van -„De Lotus” hadden bespot. Dadelijk liep hij naar Marcelio, om hem het -heugelijke nieuws te vertellen. - -„—Ja ja,” zeide zijn vriend, glimlachend. „Ik dácht het wel.... als je -die heeren maar op de juiste manier weet aan te pakken, zijn ze heel -schappelijk.... ik ken Duval al zoo lang.... en ik heb hem verteld, dat -je een protégétje bent van Haar Koninklijke Hoogheid.... van die scène -in Monte-Regina behoeft hij natuurlijk niets te weten.... zoo héél in -vertrouwen zei ik hem dat.... nu, en dát was genoeg.... voor Haar -Koninklijke Hoogheid doet Duval álles.... en het was je beste -voorspraak, béter nog dan je boek zélf....” - -„—Maar dat heeft toch niets met de literatuur te maken,” merkte Paulus -op, naïef. - -„—Niet?” zeide Marcelio, fijntjes lachend. „Méér dan je denkt.... o! -wat ben jij nog een broekie.... Maar weet je, wat je nu doen moest?.... -nu moest je eens naar Jacob Duval gaan.... hij woont in de -Marmerstraat, 64.... en hem bedanken.... dat zal hij erg -appreciëeren....” - -Toen is dat vreemde met Paulus gebeurd, waar hij later met ongeloof aan -zou terugdenken, als kón hij zóóiets nooit hebben gedaan, dat hij, -klein en nederig, naar een groot, weelderig huis is gegaan, waar woonde -Jacob Duval, de groote, officiëele machthebber van de literatuur. Het -was een huis als van een beursman, met marmeren gangen, en dikke -tapijten, en hij werd in een kamer gelaten, die hem imponeerde door -pracht en luxe. Toen kwam een klein, mager mannetje, met een droog, -strak gezicht en lange, grijze bakkebaarden, een gouden bril op den -neus. - -Het mannetje was erg vriendelijk tegen hem, en klopte hem op den -schouder en zei „mijn beste jongen.” Zijn sprookje was werkelijk -„charmant,” zeide het mannetje, „het was een trouvaille... zoo weer -eens iets héél nieuws... en de redactie was er erg blij mede geweest... -hij hoopte nu op Paulus te kunnen rekenen als vàst medewerker... het -was uitstekend, dat hij zich tot hèm had gewend... er was zooveel -slecht gezelschap in de literatuur voor jongelui... maar nu had hij -geen tijd meer... een redactievergadering... je begrijpt, er komt heel -wat kijken aan zoo’n tijdschrift... Paulus moest nog maar eens -terugkomen...” - -En toen Paulus weer op straat stond, vroeg hij zich verbaasd af, welk -contact er ooit kon wezen tusschen zijn ziel en dit gewichtig doende, -uitgedroogde, oude heertje. Hoe was het mogelijk, dat hij zijn sprookje -had gezonden aan dát menschje! - -Hij schrikte van zichzelf, toen hij er over dacht. Wat was hij gaan -beginnen? Waar was hij nú in verzeild geraakt? Intuïtief voelde hij, -dat er nooit voeling had kunnen zijn tusschen het innigste uit zijn -sprookje en dat mannetje van zooeven. Dat kón niet. Dan had Duval héél -anders gesproken, en niet dien quasi-welwillenden, beschermenden toon -aangenomen. Hij dacht, aan wat Elias gezegd had. Hij voelde een -opwelling, om zijn sprookje terug te vragen, en er mee te vluchten, vèr -weg, terug naar de eenzaamheid van vroeger, om het enkel zélf te kunnen -lezen, heel alleen onder de stille boomen van het woud. Maar nu was het -te laat. Er was niets meer aan te doen. Hij moest nu maar afwachten, -wat er van komen zou. - -Toen vier weken daarna zijn sprookje in „Het Morgenrood” verscheen, -kende Paulus voor het eerst de sensatie van zijn eigen ziele-mooi te -hooren naar hem toe klinken, van buiten naar binnen. Hij las nu zijn -sprookje, vaag-verbaasd, bijna alsof het van een ander was, terwijl het -toch ééns vanuit zijn binnenste naar buiten was geuit. Zoo vreemd, dat -alles, wat je vroeger alleen vanbinnen voélde, nu van buiten op je aan -te hooren komen, opstijgend uit de harde, zwarte letters. Somtijds was -het èven, of dat mooi werkelijk uit hem wèg was gegaan, en het nu, als -’t ware apart van hem, een eigen leven had gekregen, zóó, dat hij er -zelf armer door was geworden. - -Een paar dagen daarna, in de maandelijksche overzichten van de -tijdschriften in couranten, werd zijn sprookje gesignaleerd. Er -verschenen al korte entrefilets met aanprijzingen. Een bekend uitgever -vroeg belet, om hem te komen spreken over eene aparte uitgave in -boekvorm. In de literaire wereld begon men te vragen, wie dat toch zijn -kon, die Paulus, die dat vreemde, dichterlijke sprookje had geschreven -in „Het Morgenrood.” Niemand kende hem, nog niemand had persoonlijke -grieven tegen hem, en daar bovendien zijn werk in „Het Morgenrood” was -verschenen, voelde de critiek zich verantwoord, het mooi te vinden en -den auteur te roemen. Eenige recensenten van de oude school gebruikten -het sprookje, om aan te toonen, hoe het idealisme weer boven kwam als -reactie tegen de realistische vuiligheden van de decadente schrijvers -in „De Lotus.” Zoo werd „De Prins en de Fee” al dadelijk bij de -verschijning in „Het Morgenrood” een soort évenement in de literatuur. - -Nu volgden de besprekingen met den uitgever. Paulus, onhandig, en -onbekend met het industriëele gedeelte van het literator-zijn, verkocht -zijn auteursrecht voor den eersten druk voor een som, die hij -buitengewoon groot vond, en waar hij wel een jaar van kon leven, zooals -hij deed. Later vertelde Elias hem, dat hij het dubbele had moeten -vragen, maar hij vond zich nú al bijzonder fortuinlijk er mede. - - - -Op een goeden morgen, toen hij aan de ontbijttafel kwam, vond hij een -groot pak aan zijn adres, met den naam van zijn uitgever er op, in -dikke letters. Haastig sneed hij het open, en daar lagen de twintig -present-exemplaren van zijn boek, keurig gebonden, in een band, door -een superieur teekenaar ontworpen, met een stillen, kalmen vijver, waar -donkere boomen om stonden te droomen. Wat was alles mooi uitgevoerd! -Het zachte papier, de pagina’s met breede marge, de heldere, zwarte -letters! - -Hij nam voorzichtig een exemplaar op, en bladerde er in, voelde de -blanke vellen papier, als van fijne zijde, door zijne vingers glijden. -Dit was nu iets van hèm, apart, uit zijn eigen ziel gekomen! - -Maar èven voelde hij iets van pijn binnen in zich, toen hij bedacht, -dat dit boekje een ding van luxe was, voor in weelderige boudoirs van -dames, en in dure boekenkasten van eikenhout met glas; iets, waar de -meerderheid van de menschen, die slaafden en sloofden, tòch niets aan -hebben zou. De duistere ellendigen in de „Sloppen der Verlorenen”, de -afgejakkerde arbeiders in mijnen en fabrieken, met hun vrouwen en -kinderen, de jammerlijke zonde-schepselen, die te huur liepen in de -straten, wat hadden zíj aan zijn teêr gedroom? Dit boekje was tòch -enkel voor de bevoorrechten,—die het voor vijf francs konden koopen, en -den tijd hadden het op hun gemak te lezen, veilig in een fauteuil, in -een omgeving van comfort en overdaad. - -Tóch was het een streelend gevoel voor hem, dat het boek er zoo -voornaam uitzag. Zijn naam stond er op, in sierlijke letters: „Paulus,” -zooals hij vroeger op de titelbladen andere had gezien, „Wederich,” en -„Lavelane.” O! Zouden er nu menschen zijn, die evenveel van hèm gingen -houden als híj van zijn twee lievelingsschrijvers in de eenzaamheid van -het Bosch? Zouden er zijn, die zóó, even aandachtig over zíjn boekje -zouden gebogen zitten, en zouden er misschien zulke innige tranen op -vallen, als hij over hén had geschreid? Dan zou hij vrienden krijgen, -die om hem dachten, al kende hij hen niet, en zijn ziel zou voeling -hebben met andere zielen door dat boekje, waarin hij het liefste en -mooiste had neêrgelegd. - -O! Het was tòch wel mooi, als je er eens over nadacht, het uitgeven van -een boek. Want dan ging je ziel toch rond onder de zielen van zóóveel -van je medemenschen, die je anders nooit zoudt bereiken; en alléén het -beste en innigste van je kregen ze, want het andere, mindere, van je -lijf, zooals je alledag was met je kleinheden en gewoonheidjes, bleef -er buiten. - -’s Middags liep hij de Boulevards op, om te zien, of zijn boek nog niet -in de vitrines was uitgestald bij de groote boekhandelaars, maar er lag -nog niets. De uitgever had hèm dus zeker het eerste van allen bedacht, -nog vóór hij aan de expeditie begon. Hij keek nu aandachtig naar al de -boeken, die er lagen. Wat was er véél minderwaardigs bij, als je eens -goed rondzag! Al die boeken over grove, harde dingen, met zulke ruwe, -sensueele titels! Hij had er veel van gelezen, om op de hoogte te zijn, -maar de meeste hadden hem met walging vervuld. Hoe klein, al die -listige, pieterige intrigetjes, van mannen en vrouwen, die elkaar -bedrogen, om hun lage lustjes en grove instincten te kunnen botvieren. -Kijk, daar lag het laatste werk van Wartenau, die vroeger in den -Lotuskrans gedebuteerd had met zulke innige, droeve verzen van liefde, -en die nú succes had met scabreuse tooneelstukken. Het was een komedie, -waarin de zoon gaat trouwen met de vroegere maîtresse van zijn vader, -door toedoen van zijn eigen ouders, die er alles van wisten, en dit de -beste uitkomst vonden. Men sprak er van, dat Wartenau door dit stuk, -dat zoo bijzonder geestig was, een opengevallen zetel in de groote -Leliënstadsche Academie voor Schoone Kunsten zou krijgen.—Bij dat -denkbeeld voelde Paulus, dat het hem pijn zou doen, als zíjn boek eens -naast dat van Wartenau zou komen te liggen. Maar kijk! Daar lagen toch -óók de werken van Lavelane, en dáárnaast de mooie, in rood marokijn -gebonden deeltjes van dien Duitschen dichter, Heinrich Heine, dien hij -als een heilige vereerde om zijn „Buch der Lieder.” - -En daar, op een standaard met een gouden kroon, stond een groot portret -van prinses Leliane, in een wit gewaad vol bloemen, als een wondere -verschijning van fee.... - -Hoe was het mogelijk! Dat heilige beeld, daar tusschen zóóveel profane -boeken! Hij had het willen plaatsen tusschen het allermooiste van de -allerbeste dichters en schrijvers, en hij zou er vazen bij gezet hebben -met bloemen, lichte leliën, als bij het Madonnabeeld op oude -schilderijen.... - -Twee dagen daarna, toen hij weêr op de Boulevards wandelde, zag hij -opééns vlak voor zijn oogen, vóór in de uitstalling, zijn boek liggen: - - -„De Prins en de Fee” Een sprookje door Paulus. - - -Er was een groot etiket bij, met „Pas Verschenen” er op. - -Dáár lag het nu! Tusschen al die andere boeken. Alle menschen konden -het nu zien. Al die voorbijgangers, die daar nu op straat liepen met -hun harde gezichten en hun breed gebaar.... En zij konden staren met -hun koude oogen naar dat fijne teekeningetje op den band, dien vijver, -waarin de witte waterlelies dreven, met de droomende boomen in het -rond. - -Hij keek angstig naar de menschen, die voor de vitrine stonden te -kijken. Zoo groot leken die allemaal, zoo sterk en bestand tegen ’t -leven. Twee jonge luitenants, met lange snorren, die zij brutaal met de -gehandschoende vingers opstreken, grinnikten over een fotografie met -een naakte vrouwenfiguur. Een paar oude heeren stonden gewichtig te -kijken naar den titel van een groot werk over crimineele anthropologie. -Anderen gluurden van hier naar daar, zoekend. Naast hem stond een jong -meisje met een oude dame. Er was een gratie over haar van jeugd en -onschuld. Hij zag, dat ze naar zíjn boek keken. Toen hoorde hij het -meisje zeggen: - -„O, kijk, mama! Daar ligt dat mooie sprookje, dat in „Het Morgenrood” -heeft gestaan. Wat heerlijk, dat het nu apart uit is. Toe, mama, laten -we het dadelijk gaan koopen!” - -Haar stem was liefelijk en streelend, en er was een zacht licht in haar -oogen. Toen voelde hij zich gelukkig, dat dit lieve wezen omgang zou -hebben met zijn ziel, en de harde gezichten der andere menschen -boezemden hem geen vrees meer in. Hij liep onbezorgd door, en zag zijn -boek nu in nog meer winkels uitgestald, als een ding van luxe, dat -iedereen kon koopen die het geld er voor had. En hij voelde weer vaag, -hoe er toch iets bij bleef dat niet in den haak was; dat liefste uit -zijn ziel, voor zóóveel francs te koop, maar ontoegankelijk voor wie -die som niet kon betalen.... - -Den eersten tijd, na het verschijnen van zijn sprookje, hield hij zich -schuil en ontweek hij zijn kennissen. Zelfs bij Marcelio en zijn vriend -Elias vertoonde hij zich niet. Hij vond het pijnlijk, als zij over zijn -boek zouden beginnen, en tegenover Elias was het eigenlijk een zekere -schaamte, die hem terughield. Maar op een goeden dag kwam hij Marcelio -op straat tegen, die hem bij een arm nam en hem meêtroonde naar zijn -eigen appartementen in de Koninginnestraat. - -„Kerel, waar heb je toch gezeten?” vroeg hij verwonderd. „Er zijn -allerlei brieven en couranten voor je gekomen aan je oude adres bij -mij, over je boek, en ik dacht, dat je toch wel eens áán zoudt komen. -Weet je wel, dat je een succès fou hebt met je sprookje? Als je nog een -béétje geduld hebt, ben je een beroemd man! Dat boek van je heeft -ingeslagen, hoor! Mon Dieu, wat word jij in de hoogte gestoken, en dát -in onzen materialistischen tijd! Hoe is ’t mógelijk!” - -En Paulus moest mede, of hij wilde of niet, naar de luxe-woning van -Marcelio, waar hij al de papieren en stukken door moest lezen, die voor -hem gekomen waren. Het waren meest alle brieven en recensies over zijn -boek, die zijn uitgever voor hem had verzameld. In de uiterste -verbazing zette hij zich aan ’t lezen, en een blos kwam over zijn -gezicht, naarmate hij er mede vorderde. - -Bijna alle recensies waren eenstemmig in haar lof, en al het schrijven -kwam neer op dezelfde verklaring, dat er een fenomeen was verschenen in -de hedendaagsche literatuur. Verbeeld je, in déze tijden, in de -zóóveelste eeuw, de eeuw van het realisme en het materialisme, nu de -geheele letterkunde zoowat liep over echtbreuk en overspel, en grof -sensualisme, nu had iemand het gewaagd nog eens aan een sprookje te -beginnen van prinsen en bloemen, en sterren en feeën. Stel je vóór, een -prins uit een sprookje, die sprak de taal van Romeo, die van een -Danteske vereering gloeide, en zoowaar van liefde stierf, als in de -vroegste tijden. Die jonge, nog onbekende schrijver, Paulus, van wien -nooit iemand gehoord had, die durfde, naïef als een kind, te gaan -verhalen van een liefde zonder verlangen, een liefde, die enkel maar -kon droomen en nóg eens droomen, van heel verre af, en zachte gebeden -fluisteren naar een fee, eindeloos weg, die woonde op een onbereikbare -ster. Het zou ridicuul zijn, zeide de critiek, als het niet zoo subliem -was. Het onmógelijke was dan toch gebeurd, en de wonderen waren de -wereld niet uit, want te midden van de hurry en het lawaai van een -groote stad, in deze eeuw van koopmansgeest en uiterst realisme, was -daar een droomer opgestaan, die vertelde van de lichte visioenen der -oude voorvaderen, toen de ridders nog ronddoolden om draken te -verslaan, en de blonde troubadours zingend stierven voor één lach van -hun Lief. Men kende den jongen schrijver niet, maar men riep hem een -hartelijk welkom toe, en verzekerde hem, dat hij zich met zijn boek een -eereplaats had veroverd in de hedendaagsche literatuur. Als er ooit een -school door hem gesticht zou worden, zou dat wezen de hernieuwde school -van het romantische idealisme. Apart en bijzonder stond Paulus’ boek in -deze tijden, en men wist niet, waaronder men hem moest rangschikken, -zóó gehéél verschillend was hij van alle andere schrijvers, die thans -leefden. Zelfs van Wederich was er eene korte bespreking, waarin hij -zijne bewondering uitte, en die hij liet volgen door een sonnet „aan -Paulus” gewijd, en getiteld „Reinheid.” - -Bij den stapel recensies lagen ook een paar brieven. Zij kwamen alle -van jonge meisjes, die hem bedankten voor het mooie, dat hij in haar -ziel had gewekt, en hem vertelden van de tranen, die zij hadden -geschreid over zijn boek. Er was er één bij van een vrouw, die haar -naam niet noemde en die hem vertelde, hoe zij getrouwd was, en -ongelukkig was geworden omdat zij had gedacht dat de teêre dingen van -droom tóch niet bestonden, en ze alle maar vage schijnbeelden waren -geweest van haar fantasie. In haar jeugd had zij óók zoo verlangd, als -de prins, naar het verre en onbereikbare, dat glansde aan den horizon -van haar ziel, maar het harde leven had haar mooie droomen vernield, -als een wilde wind een zeepbel, en toen had zij gedaan, wat alle andere -meisjes deden, en haar lichaam gegeven aan een man met geld en positie. -Maar toen zij Paulus’ boek had gelezen, was zij, voor de éérste maal na -lange, lange jaren, in zeer hevig snikken uitgebarsten, en had dat o! -zoo droeve, maar uiterst zalige berouw gekend, dat de oude kerkvaders -„compunctio” noemen. En nu dankte zij hem voor de vrome daad, dat hij -haar door zijn boek haar ziel weer èven had doen zien. - -In een anderen brief vond hij niets dan een witte, zachte bloem -Edelweiss, met een groet, „van de ziel van een zuster,” „aan Paulus.” - -Toen hij die lieve, simpele brieven had gelezen, stonden de tranen in -zijn oogen, en een blos van geluk kwam over zijn gezicht. - -Marcelio begreep niet, wat er in hem omging, en zeide medelijdend: - -„Zóó... heeft het succes je zóó van streek gebracht, Paulus?...” - -Toen antwoordde Paulus niet, maar hij pakte de papieren zorgvuldig -bijeen en ging heen, zonder iets te zeggen, naar zijn eigen, stille -kamer. - -Dáár bleef hij een langen tijd zitten peinzen over dat onverwachte en -zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen -bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van -de duistere stad vol onrecht en zonde. - -Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen -van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij -letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het -grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en -onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die -persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van -dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zíjn -kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren -aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van -Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een -ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk -niet een degradatie nu óók een „artiest”, nogwel „in de voorste rij der -literatoren”, te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde -decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven -smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet -van Wederich eigenlijk waard; van hem, die met de Fariseeërs had -aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding, -dat óók nietswaardige en laffe kruipers sierde? - -Maar met een afgrijzen, als zag hij diep in zich onrein gedierte -rondkruipen, voelde hij tegelijkertijd, dat ondanks die duidelijke -gedachten daarover, toch oók een zachte, laffe genoegdoening over het -succes hem heimelijk had gestreeld bij de eerste lezing. En nú nog, al -vocht hij er tegen, voelde hij dat gevlei weekelijk in hem bewegen. Het -was iets verwant aan de charme van Rosita, die hij verwerpelijk wist, -en die tóch somtijds weer over hem kwam, zóó sterk, dat hij wel eens -bang was te bezwijken en duizelend naar de weeë bekoring te loopen van -haar geurige, warme lichaam. Zonder zich bewust te zijn waarom, ontweek -hij in den laatsten tijd Elias, eigenlijk omdat hij zich schaamde over -den roem en de glorie, die om hem heen waren gekomen. Maar op een -goeden dag, midden op een boulevard, kwam hij hem tegen, zoodat hij hem -niet meer ontloopen kon. - -„—Wel, Paulus,” riep Elias, „heb ik je daar eindelijk weer eens?.... -Waarom ben je niet weer eens aangekomen?.... Maar dat is waar, je bent -nu de beroemde schrijver, hè.... je bent nu in de vóórste rij der -literatoren, enzoovoorts, enzoovoorts.... en nu ben je je oude vrienden -maar zoo’n beetje aan ’t vergeten....” - -„Neen, dat weet je wel beter,” zeide Paulus, tóch bewust van schuld. -„Maar ik had zooveel te doen.... en ik ben aan iets nieuws bezig....” - -„—Je hebt een kolossale veine gehad, kerel,” ging Elias door,—„maar -kom, loop een eindje meê op.... als je je nu maar goed houdt, dan bèn -je er.... een beetje politiek zijn, natuurlijk....” - -„—Goed houden.... politiek zijn?....” vroeg Paulus. - -„—Nu ja.... je wéét wel.... dat zal je vriend Marcelio je toch óók al -wel gezegd hebben—bij de heeren in een goed blaadje blijven.... geen -aanstoot geven.... in ’t kort, een fatsoenlijk mensch zijn.... -meehuilen met de wolven, en meelachen met de babytjes... Nú, -tegenwoordig gáát dat nogal, want er is toch bijna geen strijd meer, en -de partijen hebben zich toch zoowat verzoend.... nu maar héél netjes, -en dociel, en in den vorm blijven.... dan kòm je er wel.... voorál geen -heilige huisjes aantasten, maar je hoed afnemen, als je er -voorbijgaat.... op geen verboden plaatsen komen, hoor!.... en liefst de -héérschende meeningen zijn toegedaan over dingen van kunst....” - -Nú begon Paulus de ironie te voelen in Elias’ stem, en spijtig, bijna -boos antwoordde hij: - -„—Maar Elias.... hoe kán je zoo spotten?..... je wéét toch wel, dat ik -altijd mijzelf zal blijven, dat ik nooit, voor wien of wàt ook, zal -buigen, en altijd eerlijk hardop zeggen, of in ’t openbaar schrijven, -wat ik meen?.... Waarom spreek je zoo.... Heb je mijn sprookje -gelezen?.... Vind je er iets valsch of onecht in?....” - -„Neen, Paulus, dát niet.... ja, ik héb je boek gelezen, bij -uitzondering, omdat het van jóu was... ik geloof, dat het heel zuiver -is en echt.... zóó uit je ziel.... en ik voel het wel mooi óók, als -literatuur.... al vind ik het in déze tijden nutteloos, omdat de groote -gemeenschap tóch niets heeft aan zulk gedroom.... Maar ik denk niet, -dat je ’t altijd zóó zuiver zult kunnen bewaren, tenminste zéker niet -als die glorie en die roem óm je blijven.... Die bederven op ’t laatst -den beste.... Kijk eens naar Wederich, naar Wartenau, die toch óók ééns -zuiver zijn geweest... als je in den smaak wílt blijven, móet je -eindigen met water in je wijn te doen....” - -„—En als ík het nu eens niet doe.... als ik bij een of andere -gelegenheid eens tegen den stroom zou ingaan?....” - -„—Wél kereltje, dan zouden diezelfde menschen, die je nú huldigen en je -lof zingen, zich niet schamen om, tegen al hun vroeger schrijven in, je -voor het grootste prul uit te maken, dat ooit heeft bestaan.... -Gebéurde het maar eens, dat zou wel goed voor je zijn.... Dan zou je -metéén eens zien, wat een vuile, vooze dingen roem en glorie zijn, en -je zoudt je schamen, dat ze ééns je hart hebben gestreeld.... Nú, kijk -nu maar niet zoo, gestrééld hebben ze je, dat móet, al is het ook nóg -zoo’n beetje geweest.... íets werkt het verraderlijke gif altijd wel -uit... Denk nu eens aan Lavelane.... maakt híj zuivere, mooie -gedichten.... ja, hé?.... duizendmaal mooier dan ál wat Wederich en -Wartenau nu prutselen.... en heeft díe roem of glorie?.... Het ééne -tijdschrift scheldt al harder op hem, dan het andere... er is pas weer -een artikel tegen hem uitgekomen, in het Zondagsnummer van „De Zon” van -gisteren.... het is van professor Lucianus.... den vriend van Duval, -een van de redacteuren van „Het Morgenrood,” waar jíj nu eigenlijk óók -toe behoort.... een meer perfide en stupide stuk over verzen heb ik -zelden gelezen.... Nu, beste vrind, als jij iets doet wat den heeren -niet bevalt, gaat het met joú denzelfden kant op.... ze zouden je wel -krijgen, al hebben ze je nú ook nog zoo opgehemeld, en ze zouden er wel -een draai aan geven, om hun vroeger oordeel van mooi vinden te -loochenen of te herroepen.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens -nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in -tijdschriften, particuliere brieven.— - -Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den -hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een -der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote -onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”, -het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer -exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen -aanzitten. - -Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide -hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het -zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk -eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven, -en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon, -en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.— - -Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde -bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets -prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s -vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. - -Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door -een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de -Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou -plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde -zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude -heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met -gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf. - -„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval -vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u -voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De -Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan -te zitten.” - -Paulus boog. - -Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en -wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren -allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen, -beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun -gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij -zooveel officiëel gewichtigs. - -Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn -de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en -geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte -onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we -nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”— - -En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen, -besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde. - -Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en -medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het -Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier -gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en -innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de -Diamanten Ster was in zijn knoopsgat. - -Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al -de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne -bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn -gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet -bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend -aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan -zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem -al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog -in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van -vereering en dank. - -Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal -schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig -wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval. -Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde, -beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets -in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen -klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun -gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid, -die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had -gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep. -Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal -zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke -wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder -al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als -deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven, -en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De -atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd -drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een -irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende -geleerden. - -Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat -kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan -aandoen?...” - -En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met -zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van -het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo -genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge, -edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje -vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam -toe gekomen? - -Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren -even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele -eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten -over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel. - -Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten. - -„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het -heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?” - -„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het -vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het -mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd -aanziende: - -„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van -vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn.... -hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en -het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het -mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!” - -„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet -uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd -meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk -isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo -mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn -„Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n -zwarten tijd doorgemaakt....” - -Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer -antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en -zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was -iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er -iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna -ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed -potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg -te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit -het volk om een verfijnde meneer te schijnen. - -Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren -vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over -geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde -iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk -waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich -lichtelijk obsceen. - -Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin -enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of -historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie -van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een -luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen -zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie -het eerst van allen in aanmerking zou komen. - -Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend: - -„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal -buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd... -wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de -echte, zuivere dichters?...” - -Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te -droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg, -zeide hij: - -„Lavelane!” - -Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al -de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of -iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie. - -„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk. - -Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide -schertsend: - -„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een -„enfant terrible” bent!...” - -Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg: - -„Lavelane is toch een groot dichter!” - -Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige -uitdrukking op zijn gezicht: - -„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes, -zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan -hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat -officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man -niets heilig.” - -„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende -argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet -iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien -je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.” - -Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid, -om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat -gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine, -obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen! - -En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets -gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen! -Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn -veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met -zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt. - -En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen -zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen -behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende -schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat -alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang -in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te -veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon. - -Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven -champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden -redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den -loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans -ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó -oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde -tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich -bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist -op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde.... - -Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging -stond hij op, en riep met luide stem over de tafel: - -„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste -gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste -dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet -mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet- -en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám -mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur -bezit, durven beschimpen!....” - -Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend -van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele -literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar -wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs -en ongehoords.... - - - -Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche, -koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde -zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en -hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen -voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld -verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate -het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn -naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts -gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover -de machthebbers en het poenendom. - -Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem -beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk -zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en -dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj -zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om -ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde -hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige -usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat -glorie en wat geld? - -Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen -over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten -hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen -zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het -opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem -bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn -geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange, -geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en -al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één -van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden? -Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd, -en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en -gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende -kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld. - -Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens -Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest -leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene -groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en -liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van -Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane -was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings -het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij -was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een -troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na -Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde -met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op -hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin -hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor -het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde -hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen -champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge -opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje -van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen, -omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek -zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist -waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had -gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van -Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna -dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om -zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres, -overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een -dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel -gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard, -in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte -artiesten.— - -Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet -bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok -uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram -naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging -zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht. -Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de -vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en -râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van -ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren -heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of -souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers -te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden -lonkend heen en weer. - -Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang, -schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die -zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een -dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij -menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe -waas. - -Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en -vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen -hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door -een breeden, slappen flambard. - -Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al -dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend, -een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam -grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond. - -Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open -borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer -de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!” - -Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem -gericht. - -„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een -hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, -dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te -komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij -voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen. -Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden -groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp -gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten -slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen -komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn. - -Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in -illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio. - -Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane -kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek -hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn. - -„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo -naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd... -wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...” - -Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat -toeschreeuwde. - -„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm. -„Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane -kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig -zijn, als ik hem de hand mocht drukken.” - -Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die -aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een -jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op, -en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van -hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een -Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd. - -„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen -durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de -mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit -de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.” - -„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best -doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik -houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.” - -Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur -openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet -opging: „De Meester!... de Meester!” - -En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van -zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit -twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, -als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven -niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in -dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: -dit moest Lavelane zijn. - -Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, -en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een -gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen -door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester, -waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden -uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, -vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd, -tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das. - -Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat -hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een -nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus -weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was -vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den -meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog -even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan -stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden -onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige -uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in -April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in -het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving -zagen, maar enkel hun eigen droom. - -Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig -over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart -jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder -das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was -afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn -geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand -aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet -eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen. - -Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar -tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in -die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had -verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die -schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren, -leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de -deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de -wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo -koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich -tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten -hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die -hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das. - -Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het -andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun -gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten -stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij. - -In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, -vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het -bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog, -en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter -scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen -alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen -het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even -naar hem te kijken. - -Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je -kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie -bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?” - -„—Ik heet Paulus.” - -„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De -Prins en de Fee?”” - -„—Dezelfde. En wat zoú dat?” - -„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den -arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en -zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om -Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!” - -En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd -en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten. - -„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer -Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de -Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar -Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns, -décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!... -wat zullen we met hem doen?....” - -Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op -en gaf Paulus vriendelijk de hand. - -„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je -sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste -jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó, -hier naast me maar....” - -Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat -verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt, -was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was -iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste -ridderorde. - -„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens -opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je -wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het -Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen -verbruid!” - -Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden -gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende -overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een -onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze -ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag. - -„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die -mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik -in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik -ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen, -doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in -rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat -Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn -knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen -al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen, -Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten -dichter van het land, en toen...” - -„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning.... - -„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou -krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard -waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te -zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....” - -Een luid gejubel barstte los. - -De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder. - -„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je -mijn vriend, hoor! mijn vriend!” - -„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de -zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij -schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed -pijn van de forsche drukken. - -Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven -te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen -roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe -oogen staarden vaag in de verte.... - -Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor -Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij -dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten -cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen, -die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol -vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t -drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van -literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van -zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet -herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers, -door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde -in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch -maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen -bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun -liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo -groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit -luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit -bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder -liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo -teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de -ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven, -veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige -titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en -de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de -hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren.... - -Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van -dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste -hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de -schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan -zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te -dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht, -waarin hij vergetelheid had gezocht. - -Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd, -en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem -geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter -beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat -afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte -zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd -vers. - -Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te -worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met -groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De -gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol -vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen, -en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd -afscheid te nemen. - -Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde -hem tegenhouden. - -„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...” -stotterde hij. - -Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de -hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de -absinth. - -„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard. - -De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe -oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of -díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote -ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven... - -En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo -weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij -zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó -zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen -uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich -verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte -maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú -was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij -indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere -souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen -tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed -waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet, -hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij -nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit -was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden -lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de -literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en -hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit -zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle -over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich -opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel -verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid -ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus -nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor -zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk -achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren, -sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. -Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in -„De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een -mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de -officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond -Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te -publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er -trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken. -Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de -arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar -over zijn ziel. - -Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden -maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een -onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk -aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij -voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van -zijn idealen dichter. - -Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor -Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van -verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de -prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband -rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie -onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam: -Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.” - -Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan -het nazien van zijn verzen. - -Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even, -moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant -had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond -het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld -verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in -Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius -Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk -feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het -hooge paar op een waardige wijze te ontvangen. - -En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking -weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen -zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig -en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond, -als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest -uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen -oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als -maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de -prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het -Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere -schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar -kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn -binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem -door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze -in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel -beefde en werd van onrust vervuld.... - - - -En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte -zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen -eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en -bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden -waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar -zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of -alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en -dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd -met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol -artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige -verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische -vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd -versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters -waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de -politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van -Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het -nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang, -geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen. -Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd -nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en -bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor -gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en -onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan -eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande -huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus, -hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk, -het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren, -nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld -van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst -mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht -en de ellende vergeten. - -Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en -verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle -verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich -aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar -al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en -bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die -dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep -hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal -bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te -huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de -koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van -het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als -de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch -verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was -onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het -zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en -drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren, -waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren -gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen -schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke -van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en -bloedgierige van het Beest. - -Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het -licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg -het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren -naar dat demonische gedoe. - -Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het -komen, nu zou het komen... - -Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was -de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want -nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het -ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een -duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het -groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk. - -Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich -voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de -gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het -tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het -was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf -moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte -was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het -koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren -vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de -toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa -geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit -meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken -zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een -lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven -odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk -worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in, -maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand -kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen. - -Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast, -schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op -wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in -vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals -groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat -kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der -vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen -een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er -onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen -raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders -doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken -aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl -had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de -paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich -onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de -huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht -hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het -meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd, -als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en -dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te -juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige -Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut -geweld van krijgsvolk. - -Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode -gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de -walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had -hij de menschen zóó leelijk gezien. - -Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr -in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het -fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve, -donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van -innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun -tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot -hemel-vlucht. - -De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend -cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het -allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het -vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten. - -En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de -witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op -het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden -zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte... - -Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar -beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In -de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses -Leliane was aangekomen. - -Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den -menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen -bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan, -als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden -luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter -bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het -volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten -òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat -gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door -elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden. - -Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van -goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun -licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen, -met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek. - -En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte -paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun -fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als -waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen -karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die -geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het -sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van -lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam, -geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte -rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen. - -Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk -van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses, -liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen, -waarin de droom lag van de hooge hemelen.— - -Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht, -zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft -geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van -brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten, -langen baard, en met bloedbeloopen oogen.... - -Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog -éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het -portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil. - -En dan verloor hij het bewustzijn.... - - - -Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd -was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was -leeg. - -„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een -flauwte.... van het dringen zeker....” - -En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks, -en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij -geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al -die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij -voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en -verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar -huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?.... -Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij -rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op, -waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige -Leliane. - -Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen -voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend -in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de -plechtige stilte van de gewelven. - -Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht -door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen, -gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en -aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg -in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen. -Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen, -zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus -het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en -daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder. - -En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin -bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane. - -Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar -neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal, -verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven -zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten -cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem -neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed. - -„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij -eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God -had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, -redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van -deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij -al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, -dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch -niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het -zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze -kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al -haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die -oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár -kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden -ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige -Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het -heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den -gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de -besmetting door het Monster!...” - -Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn -gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en -onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing, -bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en -wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode -lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de -lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk, -voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed... - -Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn -ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal. - -De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de -oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de -poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen -voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou -komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden -vastgesteld voor het huwelijk. - -„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op -zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag -feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet -blijven....” - -Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de -prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond -weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen -stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met -de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig, -als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet. - -Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij -had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een -wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen -zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder -zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme. - -Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect. -Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de -straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond -lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden. -Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van -den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan -anders in hun daagsche kleeren. - -En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het -onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde -der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte -Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te -bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige -Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging -was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien -niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk -verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn -ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle -vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot -en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen -te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even -massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles -was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de -minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade. - -Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip -meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd -door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest. -Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal -liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes -vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart -pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij -misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te -liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen -den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat -brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen -begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten -slaap, als een afgejakkerd dier... - -Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij -was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove, -schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn -hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd -parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou -stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met -koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche -lucht. - -De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het -was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó -lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze -zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal -hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie -en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen, -véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár -zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein.... - -Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen -menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de -heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend -afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er -niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein -zou zijn en stil. - -Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het -leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen -omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet -mede aan het feest... - -Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met -haar duizenden lichtjes. - -Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen -menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier? -Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor -wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar -een groot bosch, waar de wind over waaide? - -Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen. -Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn... - -Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit -licht laaide vóór hem. - -De adem stokte in zijn keel. - -Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het -witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein, -in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was -geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte -tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen, -waar de engelen en de zalige zielen zijn... - -Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart -van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en -brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door -elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en -verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar -laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen -voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans -uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren -verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen -zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile -gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de -universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken -duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door -was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras -liggen. - -Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen -feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een -driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen -stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het -plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor -opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in -de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van -dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode -vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór -het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn -vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun -walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op -elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild -dooreen, in woedenden rondedans. - -Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting. - -Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar -zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos -vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en -wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een -vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan -gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer -te zijn? - -Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in -martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de -prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende -beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad, -die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij -allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met -log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote -filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote -vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken. -Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van -de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun -moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de -stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu -zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en -illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren -de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte -monster uit Moscovië. - -Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij -wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe -kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende -mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden -monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam -familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons -Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het -lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te -kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden, -zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan. - -Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam -drong zij naar voren.— - -Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden -van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze -massa terug te dringen met sabel en bajonet. - -Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een -betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere -drommen in diep zwijgen. - -De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren -opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden, -als in een kerk, als de hostie wordt geheven.— - -Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke -konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den -avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den -paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool -om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van -diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht -uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen.... - -En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen, -uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre -hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar -zegen. - -Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als -deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden -zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht -neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De -diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden -hoofd.... - -Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit -de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een -vervloeking had kunnen zijn als een huldiging. - -Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen -hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar -boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld, -was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist -hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was -alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn -ziel haar aanbad.— - -Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende, -vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane, -als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die -beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des -Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het -aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft. - -Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich -lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de -brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek. - -Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van -woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten, -afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden -omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en -buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die -brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken. - -Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte -schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het -Beest aan.... - -Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een -grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het -roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard -loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed -denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de -electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen -schitteren van een onheilig vuur. - -Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër -schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van -de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een -ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk. - -Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare -konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde -op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog -geworpen, vuurzwermen knalden. - -De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle -onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, -triomfantelijk, domineerend.... - -Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde -zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij -gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij -niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen -in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en -bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht -van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken -kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van -al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt -wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij -nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest -door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van -lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad, -van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg -nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in -reinheid en rust... - -Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de -stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een -ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook -uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel -ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was -nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij, -nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar -eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg -wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen -in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij -zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een -bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van -zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo -hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het -punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon -openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van -stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart. - -Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu -wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag -de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en -de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken -ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere -seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen -kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om -gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere -lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch -voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu -reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd -verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen, -waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige -gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van -de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn -hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard -tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure -avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot -verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te -voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd. -Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende -gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het -Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende -vaart voortrolde door de ruimte. - -Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een -klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk -insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een -paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te -brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland -aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij -ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen -weemoed dingen van het vroeger geziene.— - -De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een -reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat -hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar -houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het -woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van -wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden -ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid, -omdat hij moede was van de dingen der wereld.... - -Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te -diep verzonken in gepeinzen... - -Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil. - -Paulus uitte een kreet van vreugde.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Een groote, wijde vlakte lag vóór hem. - -Dàn een flikkerende streep licht, een rivier, en daarachter was het een -wuiven en wuiven van maagdelijk, licht groen. - -Overal, zoo vèr hij zien kon, was het groen, wuivende en wuivende, -alsof duizenden handen hem wenkten. O! Hij voelde het in verrukking, -het Bosch kende hem nog, het Bosch riep hem! - -Haastig nam hij afscheid van zijn geleiders, en holde, zoo hard hij -kon, vooruit, de vlakte over. Dáár ver, stonden de boomen, zijn oude, -trouwe vrienden, die hij nu niet meer zou verlaten. Tranen van vreugde -sprongen in zijn oogen, en hij voelde dat hij beefde van -zenuwachtigheid over al zijn leden. - -Achter hem lagen de vunze, benauwende steden, waar de menschen -dooreenkrioelden in onrecht en leugen, als zwijnen in modder, en waar -zijn ziel bang was weggekrompen, als onder een droeven droom. Iedere -stap, dien zijn vlugge voeten verder renden, bracht hem dichter bij het -veilige, vertrouwde Bosch, dat hem op zou nemen en verbergen onder zijn -liefderijk lommer. Zóó, als iemand een Liefste terugziet, na lange -scheiding, en zijn ziel ademt hóóg op van geluk, zóó zag hij het Bosch -terug. O! Eindelijk, eíndelijk dan had hij het gedaan, en nu zou alles -ook weer goed worden, als vroeger... - -Nu stond hij voor de rivier. Aan de overzijde bogen zich hooge boomen -plechtig voorover, rustig zich spiegelend in het vlakke water. Dáár -begon het Bosch, en overal, wijd en zijd, zag hij de breede stammen -oprijzen, en de goede boomen stonden eendrachtiglijk naast elkaar, als -een wèlgezinde gemeenschap, sterk van onderling vertrouwen. Hun -prachtige kruinen streelden elkaar nu en dan vriendelijk onder ’t -wuiven, wilden allen éénen zelfden kant op, door éénen drang bezield. -En Paulus zag het Bosch, als ééne, machtige maatschappij van goede -broeders, schouder aan schouder staande in heilige harmonie.— - -Hoe eerlijk stonden zij daar alle naast elkaar, in volle pracht zich -gevend, zóó als zij waren, zonder éénigen valschen schijn! - -En met afschuw dacht hij opeens aan de valsche menschen-gezichten, alle -met een masker voor van leugen en bedrog, bedekkend het eigenlijke -wezen dat er achter woonde. - -Hij vond het Bosch nu even statig als een plechtige tempel Gods, even -heilig als de Cathedraal. De stammen der boomen waren als rechte -pilaren, de takken vormden biddende bogen, en al de fijne loovertjes -waren teêr, als het broze cantillewerk der gothiek. - -Was hij nog wel waard, dien tempel te betreden? - -Hij voelde, alsof het leven in de stad hem besmet had, alsof hij er -niet rein genoeg meer voor was. - -O! Kon hij die smet toch weer van zich afwasschen, dat hij weer blank -werd als vroeger! En een onweerstaanbare lust kwam in hem op, om zich -te zuiveren, vóór hij het waagde het Bosch weer te betreden. Fluks deed -hij zijn kleeren uit, legde ze aan den oever op een steen, en sprong -met een machtigen élan het heldere water in. Hij voelde het koude, -frissche vocht over zijn warm lichaam komen, en het was hem, als een -doop tot het reine, eenvoudige leven. - -O! Dat alles zuiverende, schoonwasschende water, wat deed het hem goed! -Al het vuil van de stad zou het wel weer van hem afnemen, alles wat nog -aan hem kleefde uit de verpeste sfeer van onrecht en ontucht, waar hij -bijna in was versmacht. Hij voelde een groote kracht in zich komen, en -nieuw leven stroomde in zijn aderen uit het koele, heerlijke water. -Verscheidene malen dook hij onder. Zijn haren dropen. Niets, geen -stofje van de atmosfeer in de stad mocht op hem blijven. De doop moest -hem ganschelijk verreinen. - -Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de -overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in -een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in. - -De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog -wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. -De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóó -ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad -in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde -er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en -voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van -bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad.—Zooals het water -zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en -longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit, -als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, -door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel -doet, blij om het leven en het licht. - -Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde -hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. -Zij herinnerden zich er vaag iets van, en hadden er wèl van gehoord, en -wezen hem naar het Westen. Op groote afstanden vond hij weer anderen, -die hem voorthielpen, en zóó, na veel lange uren, kwam hij eindelijk op -bekend terrein. Zóó als menschen, die lang in vreemde landen waren, in -een stadsgedeelte huizen en straten herkennen, en nu ook verder weten -den weg, zóó vond hij opééns boomen-groepen en paden, die hij méér -gezien had, op zijn vroegere zwerftochten, en hij voelde, dat hij nu -onder vrienden was gekomen. De hooge kruinen, de takken, de bladeren, -zij waren nu vertrouwd, als de gezichten, de armen, de handen van -menschen, en van ieder kende hij het oude gebaar. Zijn ernst werd nu -nog dieper, en een heilige eerbied vervulde zijn ziel. - -Hij had nu zes lange uren geloopen, en, niet meer gewend aan zooveel -lichaamsbeweging, voelde hij aan de zwaarte en de pijn in zijn beenen, -dat hij heel moê was, en gauw niet meer verder zou kunnen. Maar hij -wist dat het nu niet ver meer zijn kon, waar hij de heerlijkste, -heiligste plek van het Bosch zou vinden. - -Dáár zou hij zich dan eindelijk neêrvleien en rusten, tot hij weer -gesterkt was. - -Hij wist het, nu nog maar een korte wijle, en hij zou bij den -lelie-vijver komen... - -Hij voelde of hij eigenlijk nog niet goed durfde, en er niet rein -genoeg meer voor was. Het was als ééns, toen hij de Cathedraal van de -heilige Leliane zou binnentreden, en op den drempel weifelend stil -bleef staan, huiverend van eerbied. - -Voorzichtig liep hij verder, met zachte schreden. - -Tot opeens, als een, die na lang, zwaar leven, eindelijk neerziet in -zijn ziel, hij den klaren vijver voor zich zag liggen, van vrede -overtogen. - -De hooge, statige boomen in ’t rond negen zich zachtkens over dien -kalmen spiegel, en bleven zóó, roerloos, voor hun eigen, schoone beeld -in ’t heldere water. Vogels kwinkeleerden in de takken en reiden een -krans van jubelend gezang in ’t rond. - -Als de kalme ziel van het ernstige Bosch lag daar de blanke vijver, -door geen rimpeling verstoord. Paulus liet zich voorzichtig nederzinken -in het gras, en voelde, dat hij de handen vouwde, als tot gebed. - -En dáár zag hij ze weder, na de lange, droeve scheiding, de witte -waterlelies, drijvend tusschen de breede bladeren, die zich ontvouwden -als heilige harten zoo stil. - -Uit donkere diepten waren zij ontstegen, rijzende tot het Licht. -Sommige waren nog kuischelijk dichtgevouwen in den knop, -voorzichtiglijk uitstekend boven het water, wachtend op de volheid der -tijden, tot het mysterie zou zijn volbracht; andere hadden de blanke -bladen eerwaardiglijk ontplooid, en hielden de gouden harten -ganschelijk open, om te ontvangen de zegening van het licht. - -De breede kronen der boomen welfden zich boven dit wonder in vrome, -biddende bogen, en hun statige stammen waren als de zuilen van een -cathedraal. - -Somtijds ging een zachte windwuiving over hen heen. Dan beroerden de -hooge kruinen elkaar in groote vriendschap, met heilige huivering van -kuisch genot, terwijl een zachte muziek door de bladeren ruischte. - -De spiegel van den vijver bleef onberoerd, zooals een ziel, die de -diepe, allerláátste wijsheid heeft gevonden. Somtijds versprong alleen -een vischje, met fonkeling van zilveren droppelen in ’t licht. Dán werd -de rust nóg stiller... - -Sprakeloos stond hij het aan te staren, de handen gevouwen, de oogen -omfloerst van tranen, eenzaam, vroom geloovige, in die Cathedraal van -God, die schooner en volheerlijker was, dan de fijnste bouw van -menschenhanden. Hij zag de sterke, statige boomen als groote wonderen -van machtige liefde, als zacht gefluisterde gebeden ruischte het door -hunne hooge kruinen, en daar, in dien blanken, klaren vijver vóór hem, -gebeurde het heilig mysterie van het leven, de rustige rijzenis van het -vlekkeloos reine, aan het duister ontstegen, tot het Licht. - -En hij begreep niet meer, dat hij ooit zoo ongelukkig had kunnen zijn, -daar, vèr in die stad, dat hij ooit wild was uitgestuipt in -hartstochtelijk snikken, dat zoo woest de droeve opstand was geweest in -hem, van binnen. Want het was hem nu, of hij daar neêrzag in zijn eigen -ziel, die vlak was en onberoerd, en géén storm van buiten had dien -kalmen spiegel kunnen deren.—O! Als hij maar altijd klaar had geweten, -dat áltijd ergens ìn hem die stille vijver was geweest, en dat het -allerinnigste van zijn ziel tóch rust was gebleven, tè diep om ooit -door al het wilde te worden beroerd. En zóó, als hij eerst lang, lang -geloopen had, zóó had hij ook moeten gaan door zijn ziel, waar hij wel -ééns die klare rust zou hebben gevonden. - -Die zekerheid was nu gansch duidelijk en helder over hem, en hij voelde -eene rust over zich nederdalen, zooals hij nog nooit had gekend. Dáár, -vlak vóór hem, lag de stille vijver met de blanke bloemen, als de -simpele, rustige oplossing van al het bange, ontzettende leven, waar -hij dóór was gegaan. Hij bleef áldoor maar staren en staren, en in die -uiterste spanning wist hij op ’t laatst niet meer, of het de vijver -was, waarin hij neêrzag, dan wel zijn eigen ziel, die hem eíndelijk was -geopenbaard. - -Totdat hij, afgemat van vermoeienis, achterover zonk in het mos, en een -rustige slaap zijn van vrome tranen blinkende oogen zachtkens sloot. - -De avond begon nu langzaam te vallen. Vage schaduwen gleden over den -stillen vijver, en de boomen voelden rillend van eerbied de plechtige -wijding komen van den naderenden nacht. Zóó, als licht nog èven, voor -’t laatst, de ziel op van den stervenden mensch, die het mysterie van -den dood voelt komen, zóó kwamen alle dingen nog éénmaal duidelijk uit, -vóór het duister hen zou bedekken, en toonden nog éven hun ziel in dat -teêre moment van de schemering, waarin niets wat ijl en fijn is zal -breken. Toen breidde de groote Nacht zijn donzen vleugelen wijd uit -over de moede wereld, en alles verzonk in zijn donkeren droom. - -En in die teêre innigheid van rust en vrede lag Paulus, kalm als een -kind, in ’t zachte mos aan den oever van den stillen vijver, eíndelijk -dan teruggekomen van al het droeve zwerven, bij zijne goede broeders, -de boomen, die zegenend hunne takken uitspreidden boven zijn hoofd.... - - - -Zóó sliep hij, rustig, uur na uur, totdat een manestraal, die door de -takken in zijn oogen scheen, hem wakker maakte, en een hemelsche muziek -zijn sluimerende ziel vervulde. - -De maan was opgekomen boven het Bosch, en had haar stille, weemoedige -licht als een zachte, berustende liefde verspreid over de -wereld.—Doodstil waren de boomen in dat zilveren licht, roerloos stond -het donkere Bosch er in te droomen. En, hoog in de takken, boven -Paulus’ hoofd, zat een nachtegaal van zaligheid te zingen. - -Hij wist niet of hij waakte, of nog droomde, onder dat wondere gezang. - -Het was een bevend trillen, een donker orgelen, een helder fluiten, en -dàn weer hoog uitjubileeren, als van een ziel die in de uiterste extase -in muziek zal vergaan. In de stilte van den nacht spoot het op, als een -fontein van klanken, sprinkelend, fonkelend, en dan opeens, met een -rechten straal hóóg in de lucht. De hevige emotie kropte óp in die -zangerige keel, die hijgend het groote gevoel uitzong, omdat er nóg -meer kwam, en nóg meer, en áltijd weer meer en hij het niet kon -inhouden.—De zaligheid jubelde trillerend in dat juichende lied, dat -opsteeg, hooger en hooger, door de stilte van het woud.—Dán zweeg hij -weer even, de wondere vogel, als moê van zijn eigen geluk, om drá weer -uit te breken in lage, lang uitgehaalde tonen, nú niet meer -wild-uitgestuipt, maar orgelend, als donker-sonoor choraal. Eenzaam zat -dat kleine vogeltje zijn ziel uit te zingen, in den nacht, tegen den -hoogen hemel vol sterren. De boomen stonden ernstig en stil, en -luisterden. - -Paulus keek op, nog loom van droom, en zag de sterren door de takken -der boomen schijnen, en het maanlicht, dat vol weemoed glansde in het -woud. Maar het vogeltje zag hij niet, dat ergens, heel klein en -deemoedig, verscholen zat in het groen. - -Hij hoorde enkel zijn wondere zingen, dat nú eens klonk als een statig -hooglied, en dàn als een vlammende minnezang, en dan weer als een vroom -gebed. En de groote Liefde, die lang in hem gewoond had, maar nooit zóó -bewust was geworden, werd in hem wakker. - -Nú wist hij het eigenlijk eerst, onder dat jubileeren en orgelen en -luid uit-klagen van den nachtegaal, dat híj ook liefhad, ondanks -wreedheid, ondanks onrecht, ondanks álles, tegen verstand en rede in, -met een liefde, wortelend in onsterfelijkheid en eeuwigheid en dood, in -de diepste oneindigheden van zijn ziel, bóven hartstochten en menschen -en dingen. - -„Leliane!....” fluisterde hij ... „Leliane!....” en het was hem, of hij -wèg zou sterven in gebed. - -Boven zijn hoofd was het gejubel weêr begonnen, en het kleine, eenzame -vogeltje zong úit zijn groote ziel van liefde, dat zij ganschelijk -vergaan zou in muziek, wegzwijmelend in pure, klinkende klanken. - -Hoog boven de boomen stonden de stille sterren, sereen en helder, en -luisterden in plechtige aandacht.... - -Eindelijk had de nachtegaal opgehouden met zijn gepassioneerden zang, -en Paulus, moê van het vele loopen, dat hij was ontwend, was weder in -slaap gevallen. - -Toen hij weer wakker werd, scheen de zon al door de takken der boomen. -De breede kruinen ruischten een zacht goeden-morgen in de luchtige -waaiing van den ochtendwind. Alles stond vroolijk bereid voor den dag, -in jonge, lichte kleuren. De harten der vlugge vogelen waren van -blijdschap vervuld, waarvan ze kwinkeleerend zongen in kwetterend lied. -En Paulus hoorde aandachtig naar de jubelende zielsmuziek van de teêre -wezens van de lucht, die niet kunnen spreken, maar enkel zingen van -verrukking en van liefde. Die leefden daar maar vrij en blij tusschen -het glanzende, schaduwende groen, met hun lief en met hun lied. - -„—Roekeroekoe,” zeide een duif, boven zijn hoofd. - -„—Roekeroe,” zeide een ander. - -Opeens een gerucht van luchtig gefladder in de blaren, een zacht -ruischend gewuif van wieken, en twee sneeuwwitte duiven streken neer -voor zijne voeten in het mos. Haar roode oogjes schitterden als vonken. -De doffer schreed buigend om het duifje heen, galant als een riddertje, -dat zijn hof maakt, stak de borst op, om op zijn mooist te wezen, en -koerde een zacht-verliefde klacht. Het duifje, slank en blank, wiegde -wat wachtend op en neer. - -En toen begon een zoete vrijage, van die twee witte wezentjes, -trippelend in het groen. Totdat zij, van innigheid overkomen, elkander -toe-koerend en lachend, de glanzige snaveltjes gaven in langen, -hartstochtelijken kus. Het was bevallig, en het was liefelijk, en het -was groot van eenvoud. - -Paulus durfde zich niet verroeren, bang om ze op te schrikken uit hun -lief gespelemei in den blijden morgen. Maar toen de doffer te onstuimig -werd, vloog de duif opeens weer op, door de boomen. - -De vijver lag glanzend in het zonlicht, rustig zonder rimpeling. In de -verte kwamen twee witte zwanen aandrijven, statig, vlekkeloos blank, -als gedachten van liefde, droomende over een ziel. Zij hielden de -slanke halzen trots omhoog geheven, wèlbewust van hun reinheid en hun -zuivere statuur. - -De heilige lelies begonnen haar bladen al langzaam te ontplooien, en -hare gouden harten voelden het licht, dat diep in haar drong. Als de -innigheid van den middag kwam, zouden zij ganschelijk open liggen voor -de zegening van de zon... - -Alles om Paulus heen was glanzing, en blijheid, en zegening en geluk. -Hij voelde een groote, universeele liefde in de statige stijging der -stammen, in het simpele bloeien van een bloem, in het rustige spiegelen -van het water, in de zachte waaiing van den wind, in het jubelende lied -van de vogelen. O! De wereld was een wonder van liefde, en een genade, -oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij -voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht -zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de -vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om -zijn innigheid te geven. - -Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu -leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het -buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden -in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er -duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en -diep in ’t donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de -wonderen van ’t groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij -plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op -zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze -zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was -vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore -orgeltonen boven zijn hoofd? - -In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon -zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was -bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in helder -geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied. - -Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het -ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, -niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar -rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen -aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid! - -Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! -daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar -weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was -vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in ’t licht en in de -lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar -ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan ’t oor?... -Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de -steenen, het oude, klare beekje, dat áltijd maar aan ’t vertellen was, -en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over -den rotsigen grond daar, en dán wègmurmelen, zachter en zachter, als -een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze -beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nú riep het -hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een -vriend had teruggevonden, wiens roepen hij weder hoorde. - -Met een groote vreugde bevond hij, dat dit alles nog even intiem was -voor zijn ziel, en dat hem niets bevreemdde wat nu om hem was, maar -alles heel natuurlijk aanvoelde, alsof het altijd zoo was gebleven, en -er nooit iets om hem veranderd was. Dus was àl het droeve en duistere -toch maar als een donkere wolk dreigend om hem heen geweest, zonder het -allerinnigste in hem van binnen te kunnen bereiken, dat roerloos was -gebleven, en onaangetast, als de stille vijver, door géén rimpeling -verstoord! - -„Roekeroekoe,” begon de duif weer, in een boom dichtbij. En het was -Paulus of het beestje hem kende en hem groette, zóó intiem voelde hij -zich met alles. - -Nu vèrder, een korten weg nog maar, naar zijn oude huis. Hij liep er -haastig heen, en, al de oude, wèl-vertrouwde boomen herkennende, waar -hij langs kwam, was het hem, of hij eigenlijk nooit weg was geweest, en -hij-alleen maar thuiskwam, als vroeger, van een wandeling. Al het -andere was, maar even, een booze droom geweest.— - -Hij zág onder het loopen zijn kamertje al, met het rieten rustbed, en -de platen aan den wand, en de tafel voor het venster, waar altijd een -vaas met bloemen op stond. En hij wist precies, hoe de boomen stonden -daar vóór, en hoe ze hun takken hielden. - -Eindelijk, daar wás hij er... Niemand was in het tuintje... -Willebrordus niet, Mareta niet. Zeker uitgegaan, in den moestuin -achter. De deur stond open, als altijd. Hier, links, was zijn kamertje. - -Hij uitte een kreet van vreugde. Alles was nog precies eender als -vroeger. Zijn rustbed was gespreid. Er was water in de aarden kan. Op -zijn tafel stond de vaas vol versche bloemen. Het was zijn oude, -vertrouwde kamer van vroeger, waar hij ieder oogenblik werd verwacht. -Er was niets bijzonders in, dat anders zou zijn dan eens. Zijn boeken -stonden, netjes gerangschikt, op het houten rek langs den muur. Buiten -voor het venster stonden de boomen zachtjes te wuiven, en groetten hem -goeden-dag. - -De tranen kwamen hem in de oogen, en diep-geroerd ging hij op een stoel -zitten, en keek zijn kamertje lang en aandachtig aan, dat hem óók -aanzag, met dezelfde rustige vertrouwelijkheid van vroeger. - -Dáár hoorde hij zachte, gelijkmatige voetstappen langzaam aankomen, met -een oud, wèlbekend gerucht. - -Hij stond op, eerbiedig, maar bevend van aandoening. - -„Dag, mijn jongen!” zeide Willebrordus kalm, heel niet verwonderd, -eenvoudig, zooals hij het zou gezegd hebben, als zijn kleinkind maar -even weg was geweest voor een wandeling. - -Paulus sloeg de betraande oogen op, en zag dat rustige, sereene -menschen-gezicht, zacht als de maan, dat door het levens-lijden was -verlicht tot een stille straling van vriendelijke, wèl-bewuste -wijsheid. Hij voelde de dierbare handen zegenend op zijn hoofd. - -En in een wondere uitweening van dat allerreinste berouw en die vrome -ziele-beving, die het mystieke compunctio is, knielde hij snikkend voor -Willebrordus’ voeten neder.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Nu begon Paulus’ leven weer sober en eenvoudig, als vroeger.— - -Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan, -alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En -Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot -rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te -voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide, -Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties, -die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte -gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in -den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem -wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus -iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een -gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus -verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá -niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had -geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus.... -heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later -misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....” - -En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag -voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had. - -Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé -overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen -in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn -kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag -achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een -hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil -was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van -de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het -groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde, -als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van -den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van -den avond. - -Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het -spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe, -simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer -met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van -weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar -trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár, -dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?” - -Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al -gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren, -zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij -veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan -avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die -hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd -nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de -Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem -buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van -boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten. -Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos.... - -Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel -verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het -Bosch was vredig en sterkend, als een gebed. - -Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne -krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn -wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, -en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te -moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de -dieren. - -Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al -dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te -wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu -veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede, -ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver -van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, -in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het -open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden -avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij -opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den -luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der -menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: -„Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit -grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?” - -Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende, -als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van -Monte-Regina? - -Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie -om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer -terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen -verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op -te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad -dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur -liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het -eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door -giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop -der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven -honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om -haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele -rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de -luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht, -waar de nachtegalen van zaligheid zongen. - -Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed, -zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de -natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer -en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke, -droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat -hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie -vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven -uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te -stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch -niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en -eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en -juiste natuur? - -Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver -over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te -vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan -moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar -Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn -gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu -hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine -uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem -vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En -ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen -ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur -voor baten zou. - -Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een -onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te -zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te -zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!.... - -Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking -herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die -dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was -van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar -beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder -aan heilige, verre transen. - -Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en -schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of -wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht -geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar -lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn -rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár -heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In -de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven -straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij -schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de -gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel -eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de -weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het -verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den -droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën -blankheid.— - -Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij -zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest -die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had -getoefd, terwijl zijn lichaam sliep. - -Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het -leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige, -grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de -blinkende, gouden letters las boven den ingang: - - - Ziet, ik ben bij u - Alle dagen - Tot aan der Wereld Einde. - - -De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En -klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein, -loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger.... - -Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de -wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der -vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte -en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte. - -Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een -onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis -van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken -luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig -verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het -Bosch. - -Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s -middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een -ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te -hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van -Elias.— - - - „Beste Paulus! - - Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen, - dat je hem krijgt. - - Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je - bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote - dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit: - „alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden - verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het - Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik - je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken, - moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer - hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg - gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je - altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je - in de stad bent. Je vriend - - Elias.” - - -Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij -had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd -had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór -Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik -vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door -hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...” - -En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt. -Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen. -Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en -kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van -zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn -kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En -Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe -verootmoediging. - -Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude, -vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen, -waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis, -maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur -stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde -wachten. - -Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een -grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel -„Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep, -dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen -over zijn verzen. - -Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een -smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn. - -Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het -verschijnen van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus, -in „de Zon”, was de critiek op slag omgedraaid. Toen de schrijver -Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer in de officiëele -tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne -verdediging van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed -gezet. En op zijn simpele, naïeve „Gedichten” had de perfide -recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde critici, die zijn sprookje -hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een wee -bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap -toch eindelijk uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in -den beginne, door het vreemde er van, er met dat sprookje waren -ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, ziekelijk -decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de -scheefste bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden -zelfs verklaren, dat hun vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins -en de Fee” ironisch was bedoeld, wat toch iedereen tóen al moest -bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje van -Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden -gemaakt, en van Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen, -waarin dezelfde Paulus, wien hij vroeger het sonnet „Reinheid” had -gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, een verkapte, -heimelijke wellusteling werd genoemd. - -Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd, -met enkel het èven, zachtkens bewegen van het droome-rhythme zijner -ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op ulevellen-papier, of -prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast, -werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende, -nieuwe sonnetten van Wederich, waar geen greintje emotie in was -bewaard. In een artikel van Wartenau werd hij voorgesteld als een -klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen had gemengd, -en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in -satyrieke weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al -potsierlijker en wanstaltiger dan de ander. Één daarvan stelde „de -Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, met -vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken. - -Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen -dichter te verdedigen, die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en -zich daardoor den haat van alle machthebbers op den hals had gehaald. - -Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet -verder kon lezen, en een grooten stapel overgebleven recensies -ongelezen moest laten liggen. Het was hem, of ze hem met drek en gif -hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn maag, of hij -onpasselijk zou worden. - -Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het -werkelijk mooie in hem was er niet door aangetast, en bleef, -onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige sfeer. Hij -twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel, -dat hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen -had gegeven. En hij voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste -weg te geven, en ook nú nog altijd door te blijven uitzeggen, door -alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig er van was, zou -tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven. - -Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en -trouweloozer was, dan de maatschappij der gewone menschen, die enkel -maar leelijk en banaal waren, omdat zij niet anders wisten. Die -artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij gezegend waren -met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij de -verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te -gaan. Nu voelde hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns -zeide, dat de toekomst niet uit de kunstenaars, maar uit het gewone -volk moest voortkomen. - -Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan -veranderd door al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even -melodieus opklinken, en zijn ziel herkende ze. - -Elias’ stem schrikte hem op. - -„Zóó, kerel... dat is brááf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd, -hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van -zult ópkijken... Wat léés je daar?... Aha, over je verzen! Ze hebben je -leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen -band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen... maar -dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht... de -literatuur en de kunst zijn nú bijzaak... daar hebben we nú geen tijd -voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden -onder mekaar... maar nú staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren... -kerel, kerel, weet je wàt?... ráád eens!...” - -En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm. - -Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit -gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe, -blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich -af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden, -koortsachtigen glans. - -„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?” - -„Mij?.... Niets hoor!.... Een beetje in de weêr geweest de laatste -dagen, wat veel gewerkt.... twee nachten niet geslapen, dat is -alles!.... dat is van net zoo weinig belang, als dat gewurm in de -literatuur... maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat -is almachtig, ontzaglijk groot....” - -„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan... ik begrijp je niet....” - -„Nu, hóór dan.... je kunt zwíjgen, hé...? als je één woord te vroeg -klapt, ligt alles in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je -door je kop zoudt krijgen.... Hóór dan.... Mórgen, om zeven uur ’s -ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de groote, -kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.... het is een -giganten-werk geweest, van járen en járen, maar nú is het er.... -Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj -daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte, -is híer met een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een -reuzen-organisatie op touw gezet... Híer was de hoofdzetel, en van -hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, over het gansche -land... je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél -menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.... maar nú -zal je eens zien.... honderdduizenden van onze mannen hebben hun -schouders gezet onder het logge, rotte gevaarte, dat de kapitalistische -maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, op één teeken, -óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien -poeieren.... Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote, -universeele werkstaking voor álle vakken en bedrijven.... Weet je wel, -wat dat zeggen wil, kereltje?....” - -Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel -beefde in hem van een groote, onuitsprekelijke vreugde. - -Elias ging door, op zegevierenden toon: - -„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van -het kapitaal, dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten -varen, en geen reizigers en goederen meer aankomen, of weggaan... dat -beteekent, dat de waterleidingen niet meer werken, en de lantarens niet -meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer rijden, en geen -brieven meer worden gebracht.... de heeren kunnen nu loopen als ze -ergens heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods.... -de telefoon zal stilstaan, en ook de telegraaf.... de heeren van de -beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, om elkander te bedotten, en -de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun duim moeten -zuigen.... de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s -ochtends wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.... Het is niet -zóó maar met een páár woorden te zeggen, maar je moet tot het besef -zien te komen, wat het wil zeggen: dat alles stilstaat.... Al zóóveel -honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze -gesloofd en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn ze, en tráppen lieten -ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, voor -een afgekloven been, dat overbleef.... en ze hadden maar te wíllen, dan -was het uit.... zij wáren het toch maar, die alles in beweging zetten, -en zonder hén stonden de bourgeois en de kapitalisten hulpeloos, als -een kind dat niet alléén op ’t potje kan..... als slaven hebben ze hem -aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den mond -gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje -voor hem gespreid.... alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn, -als een hulpeloos lam.... en getrápt heeft hij hen, gespuwd, -uitgescholden, en getrápt... Maar nú zal het uit zijn, nú of nooit.... -Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk -solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en -alle oorlogschepen en alle kanonnen van de wereld.... Het heeft móeite -gekost, Paulus, om het zóó ver te krijgen.... álles is tot nu toe -afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, aangestookt door -den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd -ondersteund.... Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en -morgen zal de ontzaglijke veldslag beginnen, een veldslag, waarin niet -geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen dooden zullen vallen, -dan enkel van den honger.... en het kapitalisme zal zich vergeefs te -pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.... Je -hebt zeker wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste -jongen?..... zoo mooi hé, al die duizenden mannen, door één kracht -bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte.... -allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.... Welnú, zóó is onze -organisatie nu, maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen -elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien -kan.... Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse tijd aan!....” - -Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven -zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door: - -„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant -lezen... er ís geen broodje, er ís geen krant... Hij wil op reis gaan, -en denkt de trem naar ’t station te krijgen... er ís geen trem... Dan -loopen maar, en naar den trein... er ís geen trein... Daar staat hij, -hulpeloos, beroerd... en dán misschien zal in zijn stompe brein de -gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren -door den arbeider, die voor mij sjouwt... Zonder hèm ben ik niets... -mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht, -álles, álles krijg ik van hèm... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos -wicht te verhongeren en te verkleumen... Zie je, Paulus, ze moeten het -nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider niet voor hen -zorgt... Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze -toegeven, en zal het recht eíndelijk zegevieren... Dan zullen de -arbeiders dádelijk weer alles in beweging zetten, en zingend aan hun -werk gaan, want werken willen ze, dat is hun lust en hun leven... -Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. Maar dan -moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur -wettelijk bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten -ze voor. Ze vechten voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die -eerlijk is verdiend...” - -„—Maar, Elias, kán dat?... kán dat heusch?... bestaat dat echt, die -solidariteit, dat ál die honderdduizenden, die millioenen misschien, -wérkelijk elkaars kameraden en vrienden zijn, en door één gevoel -bezield?... Als dát waar kon zijn...” - -„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift... „kón zijn?... Wacht maar -eens tot morgen... Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden -en duizenden wielen en wieltjes, dat de geheele maatschappij in -beweging zet... Maar morgen!... Als er hiér door één man op het knopje -wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over -het land, dan stáát het stíl, Paulus, en géén radertje beweegt meer... -Zal je het dán gelooven?... Dán zal je óók weten wat solidariteit is, -de solidariteit, die de wereld verlossen zal van onrecht en slavernij, -waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald... En als hun buikjes -niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan -eens, hoe gauw de bourgeois zullen toegeven... vooral de -spoorwegstaking en die van de bootwerkers zal een kolossaal gevolg -hebben... want zonder treinen en booten geen handel...” - -Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven. -Het was té groot, té mooi. Maar toch... àls het eens kon... àls het -eens gelukte... dan zou de wereld zijn veranderd, en alles kon goed -worden... Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór hem op tafel -lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij -het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend -door zijn ziel. En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit -had gevoeld in de heiligste uren van plechtige avondstonde in het -Bosch. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den -volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen -van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk -van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai -van een magischen staf betooverd was. - -In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar -nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de -locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig -reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt, -onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden -aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven -tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was -ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen, -omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende -proletariaat had het werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden -voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen, -indien de andere niet hielpen. - -Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn -van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige -bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der -beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner -dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan -eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk -verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één -zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder, -bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in -het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog. - -Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere -evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van -geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze -eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar -mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij -telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op -werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het -zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare muur was -opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten. - -De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim -gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste -dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar -huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof -geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in -Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen. - -Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds -onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste, -wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van -het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde -wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om -tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár, -waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te -onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent -iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en -wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet -te komen. - -De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met -geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men -trachtte treinen te laten loopen met zoogenaamd vaderlandslievende -ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden -kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles -cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles -rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige -automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad -uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het -buitenland. - -De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke -verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden -arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó -absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te -wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in -Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun -verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen -weêrlooze burgers. - -De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich -ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote -deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken -van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde -onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten. - -Met groot machtsvertoon werden die fabrieken bezet door de militairen, -die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden -rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op -postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de -meest gepaste orde. - -Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te -lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene -opinie vóór zich te krijgen. - -En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden -laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden -stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken -zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch -voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op -feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de -beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en -het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die -ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het -kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht. - -Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken -op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch, -de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en -er kon maar heel weinig worden aangevoerd, nu de treinen niet meer -liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme -bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en -was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het -spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te -loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel -begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van -broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te -verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de -Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen -te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie -begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk -werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven -werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de -door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden -vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig. - -Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het -comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm -en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor -de Regeering, dan een feitelijke opstand, die door de soldaten -onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten -haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als -voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik -geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het -gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme, -ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward -worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou -volgen. - - - -De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de -koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande -schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten. - -Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor -haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon -niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met -een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de -treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in -toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van -verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de -Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der -grieven, alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen -hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en -eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer -gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat. - -De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen -verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen -wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de -prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar -huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche -wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich -tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was. - -Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het -grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een -dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het -uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies -te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te -beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der -arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en -pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking -ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De -kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad -terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk -daarop worden tegemoet gekomen. - -Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden -gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het -ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme -van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten. - -Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering -stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk -van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al -die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten. - -’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad -aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde -wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven -der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws. -Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de -laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een -vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder -oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De -patrouilleerende troepen en het voortdurend machtsvertoon hadden de -spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat -de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad -zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven -en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een -gevaarlijk onweêr. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De -plaatselijke autoriteiten, nog altijd den toestand niet vertrouwende, -heimelijk bevreesd voor een plotselingen opstand, hadden een -buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst van de -prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme -kazerne geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den -hoofdingang waren zelfs een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het -Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen weg, dien de prinses moest -rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het koninklijke -rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren. - -Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses, -dat zij al deze streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde -alléén onder haar volk terugkomen, als dit gebeuren kon, zooals altijd, -vrij en open, zonder militair geleide, zooals een vorstin komt onder -vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn -als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen -koningsstad passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had -kunnen doen ontstaan tusschen den troon en het volk. - -„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij -dit nieuws hoorde. - -„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor -zich uit. - -Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één -moment van verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren. -Één al te hard scheldwoord uit het grauw, één uit woeste baldadigheid -geworpen steen, en het werk van jaren en jaren onverdroten arbeid was -verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden partijgenooten, -allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich den -ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat -grauw, dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en -morgen steenigt, en dat overal als uit den grond oprijst in wilde -verwarde massa’s, zoodrá maar ergens gelegenheid is tot ruzie en -diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois altijd -met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den -grootsten vijand van allen, en vreesde het méér dan de sabels van -politie en huzaren. - -„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel -verkeerd, al is het dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den -dreigenden hongersnood van de laatste dagen is het gemeene volk niet te -vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij zijn nog niet bewust, -en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk veel -kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er -gebeuren kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit -daar, zonder militair geleide, in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een -groote massa volk staan aan het station. Dat is onvermijdelijk.—En ik -vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel kunt -vóórstellen, heúsch.” - -„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk -haar toe te jubelen en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen -waren ze dol van geestdrift!” - -„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.... maar daarom kunnen ze morgen -evengoed schelden en hoonen en steenigen.... je ként het volk niet.... -het is geváárlijker en verraderlijker dan een zee.... Die huilende en -brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht met den -Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste, -georganiseerde, ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw, -het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te -zwijnen valt en waar het maar jenever ruikt.... en voor datzelfde -grauw, dat toén jubelde onder het koninklijke venster, ben ik nú -banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste weken voor ons -heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te -doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan....” - -„—Maar wat wou je dan wel, Elias?” - -De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken -zenuwachtig. - -„Wat ik wou?....” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.... ik -wou, dat ik nu eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de -soldaten, met zoo’n hanestaart op mijn kop en een end mes op zij.... -dan had ik maling aan die orde van de prinses en liet ik een paar -regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke trein -moet aankomen.... o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens -iets gebeurt!.... dan is ons hééle werk verloren.... En wat moeten we -nu doen?.... Plakkaten aanplakken, biljetten laten rondstrooien, om den -menschen áán te raden, niet naar het station te gaan morgen?.... dan -gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt..., de partijgenooten -zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten -strijders voor het recht in deze omstandigheden betaamt.... maar het -canaille, zie je, het canaille.... dáár ben ik bang voor....” - - - -Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het -Centraalstation zijn. Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart -van de saamgestroomde menschen. Het overgroote deel daarvan wist -absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het was daar gekomen, -omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er -anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde -ook geen kwaad, wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren -zou, met een vaag voorgevoel van een naderende catastrophe, die als -broeide in de lucht. Een kleine minderheid was grauw, haveloos -schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk -kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der -Verlorenen.”—Dát volk had werkelijk honger geleden door de stijgende -broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs hún half-bedorven afval nog -te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, als van -uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende -borsten, waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis -zochten. Die uitgestooten paria’s hadden niets meer te verliezen, dan -hun waardelooze levens van martelende misère.—Met wilde blikken van -afgunst en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar -stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood -peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud -en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots -te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud -gemonteerd.—En superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de -koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig -als priesters onder hun driekanten steek. - -Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw -begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al -luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen. - -„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.... hebbe jullie je -dikgezope.... belabberde, lamlendige luiwammessen daar boven op die -bokke.... jullie hebbe ’t goed, hé.... en wíj kenne verrékke.... als -júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.... lammelingen.... de pest zel -je krijgen, daarboven op je wagens.... luie loeders!... en die knollen, -díe hebben ’t verdomme béter dan wíj.... wíj benne ook maar mensche, en -dát benne beeste.... díe krijgen wel te vrète, en van ’t beste, -hoor!.... ze benne méér dan wíj!....” - -Zóó ging het door, al luider en luider, nú van dezen kant, dan weer van -een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer. - -En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan -een vijftigtal politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden -vóór de rijtuigen. Een tiental er van waren bereden en slaagden er in -ruim baan te maken door hun paarden te doen steigeren. Maar militairen -waren niet te zien. - -De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken -last in van de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren -gereed, om op het eerste bericht onmiddellijk in den zadel te stijgen -en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd in de kazernes, -maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid -geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te -hebben, tot het uiterste. - -Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang -voorgevoel gedreven, in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten -bij mogelijk gevaar. Elias was bekend bij het volk, en kreeg het altijd -onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende stem. Zoodra hij de -scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, drukte -hij zenuwachtig Paulus’ hand. - -„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze... dat loopt -verkeerd... als dát maar niet mis gaat!” - -En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig, -om het opkomende verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende -belhamels te arresteeren mislukte. De arrestant werd dadelijk door het -opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken kreten en grof -gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de -scheede... - -Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest -prijs gegeven worden. Het consigne luidde: geduld tot het úiterste. - -Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het -schreef de weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon -het schelden en tieren nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen -door de lucht. De steek van een der koetsiers werd afgegooid door een -steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. De groote menigte, -die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw -deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een -gedrang. Een politieagent raakte onder den voet. Een lakei uitte een -schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek aan een bloedende wonde op -zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had. - -De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en -trokken de teugels aan, om te chargeeren... - -Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de -koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug. - -De kroonprinses Leliane was aangekomen... - - - -Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil. -Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit -der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had -bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide -onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien -vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van -een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was -ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven. - -Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn -vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen. - -Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa. - -Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder -de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van -goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en -fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de -lijdende, met honger en dood bedreigde stad. De hooge, voorname -hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend van voorspoed, weelderig -en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, dat de ernst -der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange -spanning in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans. - -Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende -drommen, vaag-vijandig, ontevreden. - -Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en -hoera-geroep. Zij bleef nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam. -Toen begreep zij. Éven keek zij koud, van uit de hoogte van haar -koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende menigte. Toen -stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik -ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te -laag en te nietig voor de goddelijke genade van haar oogen. - -Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe -douairière van het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van -verstokte aristocrate. Zij fluisterde de vorstin iets in het oor, en -keek toen even minachtend op de zwijgende menschenmassa neer, met zoo’n -innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden het -éénsklaps afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien -kouden, vernietigenden blik. - -Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende -uniformen, fonkelend van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte -statig in de volgrijtuigen, eerbiedig geopend door slaafsche, tot op -den grond buigende lakeien. - -Langzaam zette de stoet zich in beweging. - -En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid, -met de onverschillige, onder elkaar lachende gezichten der hovelingen, -en het minachtende, trotsche air der opgedirkte koetsiers en lakeien, -dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, na de nijpende -ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even -te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene -verontwaardiging uitbarstte, als van een losgelaten schaar furiën. - -Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende -menigte. - -Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde -volk zèlf niet. Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen -wilden zij iets te zamen, onbewust, iets verschrikkelijks. De voorsten -werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter hen stonden drongen op, -óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, wild van -onbehouwen razernij. Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen -voelden het tóch te zamen. - -Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer. -Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte. -Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk -als een trompet. - -„Elias!... Elias!...” juichte het volk. - -Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het -plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende -voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke -moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen -hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede -steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer -uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten, -die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het -cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie -werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een -vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende -massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof. -Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en -krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht. - -De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden, -onrustig geworden, trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit -den zadel, en verdween gillende van pijn onder de voeten der woedende -massa. - -„Leliaantje!... Leliaantje... er uit!... Leliaantje moet er uit!...” -gilden een paar wijven. - -Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit -de „Sloppen der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het -witte, koninklijke meisje in dien goud-en-zijden wagen maakte hen -razend van heeten lust om het te vernielen dit teere, dit blanke, dit -fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, lillende -stukken. - -„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven. - -De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek, -maar trotsch, en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op -haar gelaat was vertrokken. Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek -hoog over de hoofden van het woedende, hoonende grauw, met een -vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit. - -Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin -Marcelia aan de wang. - -Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met -snijdend geluid, striemde het neer op de razende en tierende menigte: - -„—Canaille!... canaille!...” - -Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke -kerel, half-naakt, met een groot mes in de handen, sprong op de -treêplank van de koets, brullend als een beest. - -Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als -een os door het masker, door een vuistslag tegen de slaap. - -Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de -armen wijd-uitgespreid, als een levend schild, dat prinses Leliane -beschermde... - - - -In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een -ontzaglijke Waarheid, stralend als een zon in den nacht, plotseling -voor hem opgeschenen. - -Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het -was onbewust, en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan -hén, maar aan de daders van het snood bedrijf der uitbuiting. De -prinses was méde schuldig aan het groote, universeele onrecht, en had -de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten, -biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht -in de verte, en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren -horizon. Dat was schoon, wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid -openbrak als een bloem, om dan te leven....! - -Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk -wezen, om te sterven voor het Ideaal!... Het Ideaal, dat was Leliane, -dat was de lichte prinses Leliane, de zuster van de witte water-lelies -in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon sterven, en eeuwiglijk -herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds aan. Híj, -Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het -Recht zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar -dáár vóór hem zag hij het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de -kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige handen dreigden naar -haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken gloed -óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer -van het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de -literatuur, hij voélde enkel dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd -met schennis, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken -dood der vólzaligen, den dood voor het Ideaal.... - -Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van -den moordenaar. Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het -grauw verslagen was en wachtte, besluiteloos, bang. - -Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn -borst vooruit als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos. - -Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof -hem aan het hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige -agenten die nog over waren worstelden wanhopig, om bij de koninklijke -karos te komen. De officieren uit het gevolg hadden hun degens -getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende gemeen -stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel -neer, en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst -van prinses Leliane... - -Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst -steeg op uit de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En -opeens, als door een toover uit den grond verrezen, stormden als een -wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels door het in een wilde -paniek uiteenstuivende volk.... - - - -Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het -bloedende lichaam van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was -neder gevallen in de kussens, en de gewonde lag bewusteloos tegen haar -aan. - -De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een -gebiedend gebaar wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met -de huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen, -om den gewonde te helpen verbinden. De kappen van de koets werden -omhoog gezet en zóó, als in een dichte, kleine kamer, ging het -langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia was met twee -doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren -verklaarden, dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had -te leven. Tevergeefs smeekten zij de prinses, het bloedende lichaam -toch los te laten, en in een andere koets over te stappen. Met een -streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren -naar haar paleis, om dáár te sterven. - -Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in -haar anders zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje, -altijd verscholen achter de majesteit van haar koningin-zijn, was door -de ontzettende catastrophe, met den dood plotseling dreigend vóór haar, -èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde zij, als een heilig -weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven lang -geen andere meer voor haar zou bloeien. - -Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal -dapper als een held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat -onbewuste in haar, nú even bewust, om straks weer wèg te wijken achter -het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het -bloedende lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij -ooit in héél haar leven van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het -wilde, dat haar ridder sterven zou in hare armen, als een paladijn van -weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe... - -Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet -bewust meer van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het -rijtuig om zich heen, en hoorde niet het getrappel van de paarden, en -voelde de pijn niet van zijn gapende wonden. - -Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in -het Bosch, en alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer, -maar nóg heerlijker, nóg heiliger, vergeestelijkt in een teêrdere, -ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, diep en zwaar, als -de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij voelde -het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen... - -Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd. - -Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling -van zijn ziel, en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster. -Éven bewogen zijn handen, voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of -het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge, -eeuwige waarheid, en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in -wondere wonne door zijn ziel.—Nu was het goed, nú was alles, alles dan -goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, vol-zalige rust gekomen, -waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht.... - -O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.... o! -die stilte, zoo diep en vol gebed.... o! dat heilige, blanke -maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.... Hij voelde zich -stijgen en stijgen, zweven en zweven.... een zachte sferen-muziek -droomde op uit de verte... de innigheid werd dieper, en nóg dieper... -sterren wemelden schitterend.... een groot Licht laaide, laaide aan.... - - - -Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe. - -Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig -menschen-kind. - -Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust.... - - - 1902–1903. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIËNSTAD *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
